Issuu on Google+


Jason Magazine is een tweemaandelijkse uitgave van de Stichting Jason, gericht op jongeren die zich interesseren voor internationale politiek. In elk nummer wordt aan de hand van een aantal artikelen getracht een evenwichtig en gevarieerd beeld te geven van een internationaal politiek vraagstuk. De redactie behoudt zich hierbij van iedere politieke stellingname, met uitzondering van op persoonlijke titel geschreven artikelen. Wie wil reageren op in Jason verschenen artikelen, of denkt zelf een bijdrage te kunnen leveren, wordt verzocht te schrijven naar: Redactie/secretariaat Jason Alexanderstraat 2 2514 JL Den Haag telefoon: 070-605658 Postgiro: 2561025. Bank: 456855548. OlIernamevan in Jason Magazine verschenen artikelen kan slechrs geschieden in overleg met de redactie.

REDACfIE JASON-MAGAZINE Hoofdredacteur: Alexander Alting von Geusau.

Redactieleden: Pieter de Baan, Marieke van den Braak, Chiel de Leeuw Huib den Olden Eugèn van de Pas, Even Jan Raven, Gen-Jan Stempher Guido Vigeveno,

Goven-Jan Bijl de Vroe, DAGELIJKS BESTUUR: Voorzitter. Frank Caris. Vice-voonitter: Véronique Frinking

Secretaris: Erica Veenendaal

Penningmeester: Frank Marcus.

Public Relations: Karen van Bergen. Algemene zaken: Marty Huisman

ALGEMEEN BESTUUR: A.Alting von Geusau Mr. H.M.P. van Campenhout Mr.P.H.Uoedhan. Mr.M.Cde Groene. Drs.M.T. van der Meulen. Drs.Th.M.A.Verhagen. Drs. J.C de Vries lP.Westhoff. Drs.F.Z.R'wijchers. Drs.D.H.Zandee.

Leden van het Dagelijks Bestuur zijn t~'ens leden van het Algemeen Bestuur,

RAAD VAN ADVIES: Dr.W.F.van Eekelen (voorz.). HJ.M.Aben. Dr.A.M.CTh.van Heel-Kasteel. Cc. van den Heuvel. Dr.L.G.MJaquet. RC.Spinosa Cattela. Drs.EJ.van Vloten. MrJ.Vos. Drs.M.A.van Drunen Liltel.

NEDERLANDS VOORZITIERSCHAP VOL UITDAGINGEN EN KANSEN.

De belangrijkste passages uit de voordracht van minister van buitenlandse zaken mr. H. van den Broek voor het Europees Parlement op 16 januari 1986. Minister Van den Broek is gedurende het eerste half jaar van 1986 voorzitter van de Raad van Ministers der Europese Gemeenschappen. Pagina: 2 TOEKOMST VAN EUROPARLEMENT LUKT NIET BEPAALD GUNSTIG

Piet Dankert, voormalig voorzitter van het Europees Parlement en momenteellid van de sociaal-democratische fractie over de toekomst van het Europarlement. "Ik ben zo langzamerhand zover dat de enige zinnige oplossing me een terugkeer naar de dubbele mandaten lijkt". Pagina: 8 TECHNOLOGIE STOKPAARDJE VAN NEDERLANDS VOORZITIERSCHAP.

Over minder dan vijf maanden draagt Nederland het voorzitterschap van de EG weer over aan Groot-Brittanië. Een interview met staatssecrataris van Europese zaken dr. W. F. Van Eekelen over het Nederlandse voorzitterschap. Wat hoopt hij op I juli allemaal bereikt te hebben? Pagina: 11 EUREKA: EUROPESE SAMENWERKING VOOR CONCURRENTIE OP WERELDMARKT.

P.G. Hoekstra, voorlichter bij het ministerie van economische zaken, gaat in op de kansen van en mogelijkheden voor Eureka, het technologische samenwerkingsproject waartoe achttien Europese landen vorig jaar hebben besloten. Pagina: 14 ZWAARTEPUNT VAN EG VERSCHUIFT NAAR HET ZUIDEN.

Mr. F. H. 1. 1. Andriessen, is als lid van de Europese Commissie belast met de landbouw, het meest omvangrijke terrein van de Europese samenwerking van de twaalf Een interview met hem over de gevolgen van de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschap en over de positie van de Nederlandse boer. Pagina: 16 SPANJE EN PORTUGAL REKENEN OP VOORDELEN VAN EGLIDMAATSCHAP. J. F. Hinrichs, redacteur bij Het Financieel Dagblad, behandelt de belangen die voor

Spanje en Portugal op het spel staan in verband met hun toetreding tot de EG. Spanje en Portugal, aldus Hinrichs, moeten door hun lidmaatschap van de gemeenschap tot politieke stabiliteit en economische vernieuwing komen. Pagina: 20


Nederland Europa-hervormer? Gaat Nederland ingrijpende veranderingen tot stand brengen gedurende het voorzitterschap van de Europese Gemeenschap? Komt een Europese eenwording in zes maanden tot stand? Dat zijn enige onderwerpen die in dit nummer van Jason-Magazine aan de orde komen. Ons land heeft voor de eerste zes maanden van dit jaar een moedig beleidsplan opgezet. Een van de belangrijkste actiepunten daarin is de realisering van de interne Europese markt in 1992. Daarvoor moeten, zoals in het "Witte Boek" staat beschreven, in totaal driehonderd beslissingen worden genoemen. Dat betekent tot 1992 ongeveer ĂŠĂŠn beslissing per week. De Europese Gemeenschap heeft met veel problemen te kampen. Ik noem er enkelen. De externe uitbreiding met Spanje en Portugal per I januari van dit jaar en de gevolgen daarvan. Er moet nu rekening worden gehouden met twaalf in plaats van met tien nationale regeringen. Bovendien werkt Denemarken tegen. In dit land worden de Europese hervormingsvoorstellen aan een volkstemming onderworpen, omdat het parlement het er niet over eens kon worden. Daarnaast zijn er de onmacht van het Europees Parlement en het landbouwprobleem. Er is sprake van exterM stagnatie. Toch zijn er lichtpuntjes. Uit gezamenlijke Europese projecten als Esprit en Eureka blijkt, dat men langzamerhand de noodzaak tot Europese industriĂŤle samenwerking begint in te zien. We blijven hopen. Maar of Nederland in staat is Europa in zes maanden tijd te hervormen; dat is zeer twijfelachtig. Vau offensieve naar defensieve afschrikking Dat was de titel van de voordracht, die minister van defensie De Ruiter hield op de tweede lustrum-bijeenkomst van Jason. Na enige kritische opmerkingen ten aanzien van het Amerikaanse Strategic Defense Initiative, lanceerde minister De Ruiter een nieuw idee. Hij opperde de mogelijkheid tot een verlenging van de opzeggingstermijn van het ABM-verdrag. In plaats van zes maanden denkt hij aan een termijn van vijf tot zeven jaar. Als voordeel hiervan noemde hij: een betere voorspelbaarheid van de ontwikkelingen op defensie-gebied. Was dat voorstel mede bemvloed door de motie-Frinking, waarin er bij de regering op aan is gedrongen het ABM-verdrag te versterken? In het derde nummer van dit jaar zullen we uitgebreid terugkomen op de ontwapeningsproblematiek. A.A.v.G.


2

MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN MR. H. VAN DEN BROEK:

Nederlands voorzitterschap vol uitdagingen en kansen Het voorzitterschap van de EG dat Nederland thans voor de achtste maal uitoefent, zie ik in de eerste plaats als een dienst die een lidstaat verricht ten behoeve van de gemeenschap. Het is daarenboven ook een uitdaging en een kans. Het element van dienstverlening staat voorop. Het zijn niet de specifieke wensen van de toevallige lidstaat die met deze functie is belast die dienen te prevaleren, maar de bevordering van het algemene belang dat in onze gemeenschap op volstrekt unieke wijze politieke en institutionele vorm heeft gekregen. Daarnaast is het voorzitterschap een uitdaging, omdat het een beroep doet op talenten van inventiviteit, vasthoudendheid en stuurmanskunst waarover een voorzitter meer dan enig ander lid van de Raad der Ministers dient te beschikken. U kunt ervan overtuigd zijn, dat aan Nederlandse kant niets zal worden nagelaten om deze talenten, in de mate waarin wij die bezitten, te mobiliseren en aan te wenden voor een effectieve besluitvorming. Ook is het voorzitterschap een kans om lang en vurig gekoesterde wensen nader tot hun vervullintl te brengen. Het zullen wensen zijn die, wat mijn land betreft, stoelen op een diepgaande en hechte Europese en democratische overtuiging. Het is mij vergund in grote lijnen de voornemens uiteen te zetten die het Nederlands voorzitterschap zullen inspireren en leiden. Ik doe zulks met de uitdrukkelijke wens dat het Europese Parlement zich daarover kan uitspreken, opdat wij met uw oordeel rekening kunnen houden en ons voordeel kunnen doen. De fakkel van het voorzitterschap is Nederland, zoals gebruikelijk, aangereikt door Luxemburg. Het is niet zonder schroom dat ik die fakkel heb overgenomen, want mijn Luxemburgs collega en vriend Jacques Poos, en met hem de andere leden van de Luxemburgse regering, hebben de afgelopen zes maanden als raadsvoor-

zitter een voorbeeldige prestatie geleverd, die niet gemakkelijk zal zijn te evenaren. Ook al moge het resultaat van de Intergouvernementele Conferentie sommigen, wellicht velen, van ons onvoldoende voorkomen, het lijdt geen enkele twijfel dat zonder het grote vernuft en vakmanschap van het Luxemburgs voorzitterschap de gewaagde exercitie van verdragsherziening alle kansen zou hebben gehad om in een mislukking te eindigen. Het is vooral dit wapenfeit, waardoor wij ons allen aan onze Luxemburgse voorgan~ers verplicht voelen. Welke ZIjn nu de voornaamste onderwerpen die onze aandacht in de komende maanden zullen opeisen en welke zijn de voornemens die de Nederlandse bewindslieden daarbij bezielen? Ik zal mij op dit punt tot enkele grote lijnen beperken en zeker geen volledigheid nastreven. Het debat zal alle mogelijkheden bieden om op onderdelen nader in te gaan. Verhoudingen Ik wil niet aarzelen het moeilijke onderwerp van de interinstitutionele verhoudingen in de gemeenschap en

Premier Lubbers en minister Van den Broek:

"Het l'OOr:illerschap van de Europese Gemeenschap is ee" uitdaging",

in het bijzonder die tussen de Raad van Ministers en dit parlement als prioriteit voorop te stellen. Het is eenverhouding die dringend verbetering behoeft, want ik ben ervan overtuigd dat als wij de zaak op zijn beloop zouden laten de effectiVIteit en de geloofwaardigheid van de gemeenschap onherstelbare schade zouden oplopen. Het Nederlands voorzitterschap stelt zich derhalve ten doel te pogen, met maximale uitbuiting van alle gegeven mogelijkheden, de relatie tussen raad en parlement te verbeteren. Verschillen in perspectief en verschillen in uiteindelijke visie zullen - dat besef ik zeer wel - op korte termijn wellicht niet overbrugbaar blijken. Maar in de praktijk van de communautaire samenwerking en terwille van de pragmatische besluitvorming die ons doel vormt, is een constructieve samenwerking tussen deze twee instellingen onmisbaar. Dat de Europese Commissie hierbij haar eigen, evenzeer essentiele rol vervult, spreekt vanzelf. Telkens wanneer u aan een consultatie behoefte mocht tonen, zal het voorzitterschap er op toezien dat deze plaatsvindt, en wel op een wijze die een echte dialoog tussen raad en parlement verzekert. Niet in de zin derhalve van een ingestudeerd toneelstuk voor enkele dames of heren, maar in de zin van een werkelijk spontane,


3

tussen deze uitkomst van de Intergouvernementele Conferentie en een uiteindelijke oplossing zoals men die zou wensen (hoewel de meningen daarover zeer uiteen lopen). Het is moeilijker, maar naar mijn mening des te meer noodzakelijk, om met de nieuw geschapen mogelijkheden voor onze samenwerking het maximale te bereiken en aldus een nieuw perspectief te openen voor de verhouding tussen onze twee instellingen.

Minister Van den Broek en zijn voorganger Van der Klaauw, die thans Nederlands ambassadeur in Brussel is.

veelzijdige gedachtenwisseling, waaraan zoveel mogelijk leden van de raad zullen deelnemen, Ook zal ik zelf - en dat geldt evenzeer voor de andere Nederlandse raadsvoorzitters - gaarne deelnemen aan vergaderingen van commissies van het parlement, waar ik de gelegenheid hoop te vinden voor informele en diepgaande discussie over de onderwerpen die ons bezig zullen houden. Landbouwvoorstellen en het referentiekader van de begroting zijn daarvan goede voorbeelden. Dit alles vanuit mijn visie en mijn overtuiging dat het Europees Parlement deelgenoot moet zijn bij de Europese besluitvorming. Begroting

Dit deelgenootschap komt vol!\ens het Europese Verdrag in het bIjzonder tot uitdrukking in de verantwoordelijkheid die parlement en raad gezamenlijk dragen voor de opstelling van de cnmmunautaire begroting. Ik raak daarbij aan een onderwerp dat zich op dit ogenblik in de schaduw bevindt van een conflict tussen uw instelling en de mijne. Aangezien dit cnnflict over de begroting voor 1986 is voorgelegd aan de instantie die daarover het uiteindelijke en definitieve oordeel zal vellen, behoef ik op dat probleem hier en nu niet nader in te ~n. De raad is overtuigd van zijn gebjk in deze zaak, maar ik neem aan dat het parlement dat evenzeer is van het zijne. Sprekend over de verhouding tussen parlement en raad maak ik slechts een kleine sprong, wanneer ik nu overstap naar de tweede prioriteit van het Nederlands voorzitterschap. Dat betreft de voltoo端ng van het proces

dat op de Europese Raad van Milaan in gang werd gezet, nl. de herziening, aanvulling en modernisering van het Verdra~ van Rome. Zeker, Juist op het gevoelige onderdeel van de wetgevende bevoegdheid van uw parlement is het resultaat bescheiden gebleven, maar niet afwezig. Beziet men echter het geheel, dan is er duidelijk sprake van winst, met name op het terrein van de interne markt en van diverse beleidsonderdelen, zoals de technologische samenwerking en het milieubeleid. In ditzelfde verband aan de positieve kant van de balans, noem ik tevens het verdrag dat wij nu ter grondslag hebben gelegd aan de tot dusver informele samenwerking op het terrein van de buitenlandse politiek. Maar ook op het punt van de wetgevende bevoegdheden en de veelbesproken "codecisie" zijn er mogelijkheden geschapen, die bij een judiCIeus gebruik en een positieve gezindheid van parlement en raad, ongetwijfeld van betekenis zullen blijken te zijn. De nieuwe vorm van samenwerking tussen raad en parlement voegt iets wezenlij ks toe aan de bestaande situatie en wel op een terrein dat geenszins zo beperkt is als sommigen willen doen geloven. Het invoegen van een tweede lezing bij de besluitvorming in de raad en de waarschijnlijkheid, ja zelfs zekerheid, dat bij die lezing amendementen uit uw midden een directe rol in de discussie zullen spelen, roept naar mijn mening een wezenlijk andere situatie in het leven dan die welke wij nu kennen. Het is niet moeilijk de afstand te meten en onder de aandacht te brengen die ligt

Ik zou dan ook het bijzonder betreuren, indien de door sommigen onder u acuut ervaren teleurstellingen het eindoordeel in negatieve richting zouden doen doorslaan. Het Europessimisme, waartegen ik mij verzet, en waartoe ik ook op objectieve gronden geen reden zie, zou er op hoogst onwelkome wijze door worden gevoed. Ik zou daarentegen willen beleiten het nu bereikte een kans te geven en de blik gevestigd te houden op de toekomst, in de wetenschap dat de Europese integratie en de gemeenscdhap waarin deze haar belichaming vindt, in voortdurende beweging is en in beweging moet blijven. Vanuit dit perspectief heeft het Nederlands voorzitterschap besloten de Intergouvernementele Conferentie op korte termijn ook formeel tot een einde te brengen door ondertekening van het resultaat. Interne markt Ik kom thans aan de opsomming van een aantal beleidsmatige en inhoudelijke aspecten die tijdens de komende maanden onze aandacht zullen opeisen. Ik zal, zoals gezegd, terwille van de tijd dit slechts in vogelvlucht doen. In de allereerste plaats wil ik dan wijzen op de voltoo端ng en vervolmaking van de interne markt. Het Nederlands voorzitterschap weet zich gesteund door de voltallige raad, wanneer het deze doelstelling de grootst mogelijke voorrang verleent. Het functioneren van een vrije markt zonder belemmerende grenzen is immers de grondslag van onze gemeenschap en -:en absolute voorwaarde voor haar ontwikkeling en voor die van de lidstaten. Het door de Europese Commissie in juni van het vorig jaar ingediende Witboek vormt een uitstekende basis voor de noodzakelijke besluitvorming. Teneinde het daarin aangegeven tijdschema te kun-


4

De Europese leiders lijdens de top, eind december, in Luxemburg. In mei komen de regeringsleiders naar Den Haag.

nen respecteren is het noodzakelijk dat de besluitvonning binnen de raad w soepel en vlot mogelijk verloopt, waar noodzakelijk met gebruik van meerderheidsbeslissingen. Bovenal is het vereist dat de lidstaten aan de verwezenlijking van deze doelstelling, die een weerbarstige materie betreft, een onvenninderde politieke impuls blijven geven. Een belangrijke wrg is ook dat de besluitvonning inzake de interne markt zal leiden tot daadwerkelijke vergemakkelijking van het vrije verkeer en niet tot nodeloze regelgeving. De wetgeving moet immers, zoals ook door het ComitĂŠ-Adonnino is onderstreept, eenvoudi~ toepasbaar en gemakkelijk toegankelijk Zijn. Ik acht het verheugend dat njdens de laatste Europese Raad de noodzaak tot deregulering en verlichting van administratieve lasten voor het bedrijfsleven algemeen is erkend. Ik voeg hieraan de gedachte toe dat in een aantal gevallen wetgeving op Europees niveau, ter vervanging van nationale regels, bij uitstek de mogelijkheid kan bieden om dere-

gulering in de praktijk te brengen.

op het gebied van de luchtvaart en de zeescheepvaart.

Vrije verkeer Onder de interne markt valt tevens het vrije verkeer van diensten en van vervoer. Het zal u niet verbazen te vernemen dat het Nederlands voorzitterschap ook deze onderwerpen hoog in het vaandel heeft geschreven. De transportsector is al vanouds in het Verdrag van Rome erkend van eminent belang te zijn, hetgeen overigens niet heeft verhinderd dat de tussenkomst van uw parlement en het Hof van Justitie nodig is ~eweest om voortgang op dit gebIed te stimuleren.

Technologie In de context van de interne markt plaats ik tevens het technologiebeleid. Ik doe dit in de overtuiging dat technologische samenwerkin~ hoe verdienstelijk en noodzakelijk dan ook, geen zin heeft zonder het perspeetief van een werkelijk vrije markt waarin de uit de samenwerking resulterende goeden en diensten kunnen circuleren. Deze hechte band is ook erkend met betrekking tot de samenwerking in het kader van Eureka.

De aandacht zal zich in de komende

maanden met name moeten richten op de afschaffing van de belemmeringen in het wegvervoer en andere sectoren van vervoer tussen de lidstaten, in het perspeetief van de vrije interne markt in 1992, terwijl daarnaast verdere voortgang moet worden gemaakt in een aantal harmonisatiedossiers. Ook zal de discussie moeten worden voortgezet t.a.v. het Europees beleid

Voor de gemeenschap gaat het er thans in het bijwnder om voorbereidingen te treffen voor een nieuw meerjarenprogramma op het gebied van de technologische samenwerking en het voorzitterschap is er veel aan gelegen dat dit op zodanige wijze geschiedt dat daarmee werkelijk inhoud kan worden gegeven aan het begrip van een Europese Gemeenschap van de Technologie.


5

Drie Europese ministers van buitenlandse zaken houden even pauze tijdens een vergadering. Van links naar rechts de Westduitse minister Genscher, minister Van den Broek en zijn Belgische col/ega Tindemans.

Landbouw en milieu Uit de veelheid van onderwerpen die een voorzitterschap te behandelen krijgt, noem ik er no~ twee: het landbouwbeleid en het milieubeleid. Het landbouwbeleid zal, zoals gebruikelijk, in de eerste helft van het jaar een ruim aandeel van de aandacht en de inspanning voor zich opeisen. Niet alleen betreft het de vaststellin(\ van de prijzen, maar ook de uitvoenng van de voorstellen die de Europese Commissie op basis van het Groenboek heeft gepresenteerd. Na het debat dat u met mijn collega Braks hebt gehad, behoef ik op dit onderwerp niet nader in te gaan. Het Nederlands voorzitterschap zal alles doen wat noodzakelijk is om t.a.v. dit grote en complexe geheel de besluitvorming binnen de gestelde termijn te doen plaatsvinden. Tenslotte noem ik het milieubeleid, dat zich in een grote publieke belan!lstelling mag verheugen. De belangriJke dossiers op de gebieden van de luchtverontreiniging, waterverontreiniging en de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen zullen door Neder-

land met voortvarendheid worden aangepakt. De bestrijding van de bodemverontreiniging verdient grote aandacht. Daarbij speelt zowel de integratie van de diverse milieucomponenten een rol (lucht, water, bodem) als ook de integratie van milieu als zodani(\ met andere beleidsterreinen zoals bIjv. landbouw. Extern beleid Hebben de hierboven (\enoemde onderwerpen voornamelijk betrekking op het interne beleid van de gemeenschap, niet minder belangrijk zijn de vele onderwerpen van extern beleid waarvoor de gemeenschap zich in de komende maanden zal zien (\eplaatst. De handelspolitieke verhoudingen tussen de gemeenschap en de andere partners in de gemdustrialiseerde wereld zullen nauwgezette aandacht van de Raad van Minister vereisen, mede t~en de achtergrond van de voorbereIdingen voor de komende ronde van onderhandelingen in het GA TT. De gemeenschap zal aan die ronde een belangrijke bijdrage moeten leve-

ren, aangezien zij bepalend zal zijn voor het klimaat van de wereldhandel in de komende jaren. Weloverwogen en zorgvuldig zullen wij een koers moeten uitzetten op handelspolitiek terrein, die recht doet aan de verdediging van onze legitieme economische belangen en die tevens bijdraagt aan het hertel en de verdere ontploo端ng van het vrije handelsverkeer onder vigeur van de regels van het GA TT. Maar niet alleen de betrekkingen met onze handelspartners in de gemdustrialiseerde wereld zullen op de raadsagenda figureren. Actieve aandacht zal ook moeten worden besteed aan de betrekkingen met onze partner rond de Middellandse Zee, zulks tegen de achtergrond van de reoente uitbreidin~ van de gemeenschap. Evenmin wil Ik onvermeld laten de betrekkingen met de partners van de Europese Vrijhandelszone en de lopende besprekingen met COMECON. Politieke samenwerking Wil Europa zijn eigen belangen internationaal optimaal kunnen beharti-


6

gen, wil het ~ewicht hebben in de wereld, wil het mternationaal een constructieve rol kunnen spelen, dan zal het moeten trachten zo veel mogelijk met één stem te spreken. Het permanente overleg in het kader van de EPS bew~ zich naar dat doel. De cacafonie UIt het verleden maakt langzaam plaats voor harmonische . accoorden. Het is een organisch groeiproces: een momentopname laat niet zoveel beweging zien, bekijkt men het echter over een langere periode dan wordt de voortuitgang duidelijk zichtbaar. Waar gaat het om? Het gaat om de vraag welke positie Europa in de toekomst in de wereld zal innemen. Wat zal bijvoorbeeld onze internationale rol zijn in het jaar 2000? Laten wij ons passief meeslepc;:n op de stroom van de geschiederus? Of willen wij ons gezamenlijk lot - voor zover dat de mens gegeven is - in eigen hand nemen? Het antwoord op deze vraag is uiteraard van vele factoren afhankelijk: factoren die buiten onze macht liggen, maar ook factoren die wijzelf kunnen bemvloeden. Wij zullen onze inspanning op deze laatste categorie dienen te richten. De Europese Politieke Samenwerking speelt hierin een belangrijke rol. Zij kweekt een Europese habitus - een geconditioneerde reflex van Europees denken op het gebied van het buitenlands beleid. De EPS zal zich hierbij zodanig dienen te ontwikkelen, dat ZIj zich hoe lan~er hoe minder beperkt tot het reactIef innemen van gezamenlijke posities ten aanzien van gebeurtenissen die op ons afkomen. In plaats daarvan zal zij zich hoe langer hoe meer dienen te concentreren op toekomstgerichte zelfstandige actie en initiatief.

Midden-Oosten In het Midden-Oosten staat het Arabisch-Israëlische conflict centraal. Er hebben zich naast recente afschuwwekkende terreurdaden ook enige bemoedigende ontwikkelingen voorgedaan. Ik denk daarbij aan het accoord van Amman op 11 februari 1985 en aan de toespraak van koning Hoessein tot de Algemene Vergadering van de Vereni~de Naties, waarin hij verklaarde bereId te zijn met Israël "promptly and directly" te onderhandelen "under appropnate auspices", en waarin hij in alle duidelijkheid terrorisme veroordeelde. Ik wijS ook op

De landbouw is we/icht het grootste probleem van de EG. Boeren trekken ger~~eld de straat op, al dan niet in hun tractors, om te demonstreren legen het beleid van "Brussel' .

de toespraak van de Israëlische premier Peres voor hetzelfde forum , waarin hij inspeelde op de gedachte van een internationale context van de vredesonderhandelingen. Iedere toenadering tussen gematigde krachten in de regio, die een bijdrage kan vormen aan dit vredesproces verdient te worden gesteund. Het Nederlandse voorzitterschap zal op positieve ontwikkelingen in de regio inhaken teneinde het vredesproces te bevorderen en de totstandkoming van onderhandelingen tussen de betrokken partijen naderbij te brengen. Met betrekking tot de thans reeds zes jaar durende oorlog tussen Irak en Iran moet Europa zich inspannen om een bijdra~e te leveren aan de totstandkonung van een beter onderhandelingsklimaat. In het bijzonder verdienen daarbij de bemoeIenissen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties onze steun. Oost en West De topontmoeting tussen Reagan en Gorbatsjov heeft mogelijkheden geopend voor een verbetering van de Oost-Westverhouding. Het is zaak, dat Europa meewerkt aan het behoud

van dit momentum. Het begin van ontspanning in de verhouding tussen de Verenigde Staten en de SovjetUnie, tussen Oost en West moet aangegrepen worden om concrete stappen te zetten naar een vredelievender wereld. In dit streven speelt uiteraard het vraagstuk van de wapenbeheersingen een uiterst belangrijke rol. Maar het gaat bij de Oost-Westrelatie om meer. Ook regionale kwesties, zoals Afghanistan, vergen in dit kader aandacht, terwijl het CVSE-proces vanouds een bijzondere plaats heeft ingenomen in de werkzaamheden van de EPS. Voor een evenwichtige bevordering van de veiligheid in Europa dienen ook niet-militaire onderwerpen, met name de menselijke aspecten, de volle aandacht te krij~en. Ik wijs ten slotte op de expert-bIjeenkomst over menselijke contacten die dit vooIjaar in Bern wordt gehouden, op het overleg over vertrouwensbevorderende maatregelen te Stockholm, dat dit halfjaar tot zijn afronding moet komen, alsmede op de dit najaar beginnende CVSE-vervolgbijeenkomst te Wenen. Deze bijeenkomsten en de voorbereiding daarvan vormen belangrijke onderwerpen op de agenda


7

van de EPS. Afrika en Amerika Als derde terrein dat speciale aandacht eist, noem ik Zuidelijk Afrika. Ik meen dat het gemeenschappelijke pakket van restrictieve en positieve maatregelen ten opzichte van ZuidAfrika, zoals dat op 10 september 1985 is afgekondigd en in de afgelopen maanden nader is uitgewerkt, in combinatie met de inmiddels versterkte EG gedragscode een goede basis vormt voor het Europese beleid jegens Zuid-Afrika. Dat beleid is gericht op het bevorderen van de vreedzame transformatie van de Zuidafrikaanse maatschappij tot een samenlevin!\ waar apartheid in al zijn verschijningsvormen tot het verleden behoort. Als laatste prioritair aandachtsveld noem ik Latijns-Amerika. In Centraal-Amerika is de situatie er niet rooskleuriger op geworden, nu het Contadora proces vrijwel tot stilstand is gekomen. Het beleid van de Tien, nu de Twaalf, is er steeds op gericht vredesinitiatieven uit de regio zelf te ondersteunen. De in november on-

dertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Middenamerikaanse landen en de formalisering van de politieke dialoog bieden aanknopingspunten voor de Twaalf om waar mogelijk een stim ulans te geven aan de regionale vredesinspanningen. Naast de gerichte beleidsvorming in de EPS en de gerichte beleidscontacten met derde landen ontwikkelt zich ook een vorm van meer algemeen georiĂŤnteerde consultaties met een aantal derde landen. Deze politieke dialogen hebben in verschillende gevallen een meer gestructureerde vorm gekregen en vinden soms op hoog ambtelijk, soms op ministerieel niveau, plaats. Behalve met de Verenigde Staten geschiedt dit overltJ ook met landen zoals Japan en India, en sedert kort met de Chinese Volksrepubliek. Direct politiek overleg met deze landen is vruchtbaar gebleken voor de etTectiviteiten van de EPS. De Twaalf kunnen gezamenlijk een politieke kracht vormen met aIs doel de bevordering van de vrede en de gerechtigheid in de wereld. Maar zij staan niet alleen. Zij zullen zich voortdurend open moeten stellen voor overleg, voor gezamenlijk optreden met al die landen of groepen van landen, die dezelfde doeleinden nastreven. Europese integratie Ik sluit dit schetsmatige overzicht af, wel wetende dat vele onderwerpen die belangrijk zijn, ongenoemd zijn gebleven. Laat ik trachten samen te vatten hoe wij staan ten opzichte van deze grote massa van werkzaamheden. Wanneer ik terugzie op het recentie verleden, dan komt het mij voor dat wij als gemeenschap veel tijd en energie he~ ben gestoken in onderwerpen van algemene, wel haast constitutionele aard. Ik denk daarbij aan de plechtige verklaring van de Europese Raad van Stuttgart, aan de discussies over de Europese Unie die hun meest pregnante vorm hebben gekregen in het rapport dat de naam van de Heer Spinelli draagt en naar aanleiding waarvan het Dooge- en het Adonnino-ComitĂŠ zijn ingesteld, uitmondend tenslotte in de conferentie ter herziening van het Verdrag van Rome. Ik denk evenzeer aan de besluitvorming die heeft plaatsgevonden t.a.v. het financieel regime in de ge-

meenschal' en de eigen middelen, aan de toetredingsonderhandelingen met Spanje en Portugal en aan het Verdrag inzake de Politieke Samenwerking. Al deze verrijkende exercities hebben geleid tot besluiten die de struktuur van de Europese integratie hebben gewijzigd en, naar mijn overtuiing, versterkt. Het is een prestatie waarop wij met redelijk zelfVertrouwen kunnen terugzien en waarover te vaak geringschattend wordt gesproken. Thans is echter het moment aangebroken waarop de volle aandacht weer moet worden gericht op de arbeid aan verordeningen, richtlijnen en besluiten, en, wat de politieke samenwerking betreft, de ontwikkeling van gemeenschappelijk beleid en, waar mogelijk, actie. Na de constitutionele en structurele besluitvorming is nu bovenal behoefte aan praktische besluiten die invulling geven aan de nieuwe mogelijkheden en de daarin o~esloten ~oede voornemens. Het is In deze zm dat ik hoop dat de zes maanden van het Nederlands voorzitterschap zich zullen onderscheiden door een hoo~ niveau van besluitvorming, zowel In kwaliteit als kwantiteit. De medewerking van het Europees Parlement is daarbij onontbeerlijk. De inzet van het voorzitterschap zal, naar ik vertrouw, niet tekort schieten. Laat ik eindigen met een persoonlijke opmerking. Een van mijn landgenoten, de Koning-Stadhouder Willem lIl, heeft in een toespraak tot een parlement, dat overigens niet het Nederlandse was, gezegd: "The eyes of all Europe are upon this parliament". Dat was bij de opening an het parlement van Westminster op 31 december 170 l. In belangrijke, maar nog onvoldoende mate geldt dit woord ook voor het Europees Parlement. Als democraat, als Europeaan, als vertegenwoordiger van een land waar democratische en Europese tradities diep geworteld zijn, deel ik de hoop en leef ik in de verwachting dat de ogen van Europa op steeds intensievere wijze geconcentreerd zullen worden op hetgeen hier voorvalt en door u tot stand wordt gebracht. Voorzover zulks in het vermogen ligt van het Nederlands voorzitterschap zullen wij pogen die hoop en die verwachting nader tot hun verwezenlijking te brengen.


8

EX-PARLEMENTSVOORZITIER PIET DANKERT:

Toekomst van Europarlement lijkt niet bepaald gunstig Twee rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement hebben we inmiddels achter de rug. De opkomst van de kiezers vertoont een dalende lijn. Met name in betrekkelijk jonge democratieën als de Bondsrepubliek baart de afnemende belangsteIIing van de kiezer zorg. Menig Europarlementariër vreest dan ook dat hij bij herverkiezing in 1989 de kwalifikatie "volksvertegenwoordiger" nauwelijks nog verdient en de poging tot democratisering van de Europese besluitvorming, waarvoor de verkiezingen van 1979 een eerste stap waren, als defmitief mislukt moet worden beschouwd. Europarlementariër Piet Dankert.

Kan de lijn worden omgebogen, zodat het Straatsburgse parlement, op basis van een reeel politiek draagvlak, te weten een behoorlijke kiezersparticipatie, alsnog een kans heeft? De voortekenen zijn niet gunstig. In 1979 zijn de bijna vierhonderd Europarlementariers met entbousiasme van wal gestoken. Negen, na de toetreding van Griekenland tien, politieke culturen en zeven talen werden in de Straatsburgse smeltkroes gegooid. Een begin van een Europees Parlement ontstond. Politieke leiders als Berlinguer, Brandt, Chirac, Mauroy en Tindemans hielpen het van de grond te krijgen. De media waren belangstellend. De verwerping van de gemeenschapsbegroting voor 1980 leek een eerste teken dat het parlement op weg was zich een plaats naast de ministerraad te verwerven. Zes jaar later is van het oorspronkelijke entbousiasme weinig over. De Europese boot blijkt zich niet door een Europees Parlement af te laten duwen. Grote hervormingsplannen als het ontwerp-verdrag voor een Europese Unie verwaterden in de Intergouvernementele Conferentie van Luxemburg, vorig najaar, tot een beetje meer interne markt. Het moment lijkt gekomen voor nader beraad over de toekomst van Europees Parlement en Europarlementariers.

Twee problemen Twee problemen moeten in dat beraad centraal staan. Het eerste betreft de ~ hoe een parlement zonder wezenlijke bevoegdheden, in een gemeenschap van nu twaalf lid-staten, de Europese burger van de relevantie van zijn bestaan als volksvertegenwoordiging kan overtuigen. Het tweede raakt het ernstige vraagstuk van het tekort aan democratie in een gemeenschap van landen die beweren


9

de parlementaire democratie hoog te houden. Over de betekenis van de Europese Gemeenschap valt niet te twisten. Met de dag wordt duidelijker dat zonder versteviging van de samenwerking binnen de EG welvaart en welzijn van zo'n driehonderd miljoen burgers steeds moeilijker gegarandeerd zullen kunnen worden. Werkgevers en werknemers zijn het daar in elk geval over eens. En politici van allerlei kleur worden niet moe te betogen dat aan het verval van het oude continent een eind moet komen, dat sneller en adequater gereageerd moet worden op de technologische uitdaging waarvoor de Japans-Amerikaanse markt ons stelt. Over de prioriteiten die we moeten stellen bestaan teveel meningsverschillen. Tot besluiten komt het lang niet vaak genoeg, en dan nog dikwijls met te aanzienlijke vertraging. Het gebrek aan besluitkracht valt te

verklaren uit het feit dat de EG, anders dan federalisten wel eens pretenderen of tegenstanders van de EG vrezen, meer een intergouvernementeel samenwerkingsverband dan een bovennationaal gebeuren is. Omdat politieke macht nationale macht is en dat voorlopig ook wel zal blijven, hebben de EG-instellingen die geen directe nationale macht vertegenwoordi~en, te weten de Europese CommIssie en het parlement, het buitengewoon moeilijk, terwijl de ministerraad wel Europees heet maar niet Europees is. Het verdrag staat op een aantal beleidsterreinen een supranationale besluitvormingsprooedure toe. Toch is ook op die terreinen de werkelijkheid vaak een intergouvernementele, een van consensus, van unanimiteit en zijn besluiten vaak alleen mogeLijk door een uitruil van concessies en het door middel van "package deals" gelijktijdig regelen van andere problemen.

Het akkoord van Luxemburg van 1966 - dat niet is opgeheven door de besluiten van de Europese Raad van Luxemburg van december 1985 heeft, met de problemen veroorzaakt door de drie achtereenvolgende uitbreidingen van de gemeenschap, die trend onomkeerbaar gemaakt.

Bevoegdheden Ln zo'n Europa dat als gemeenschap niet bestaat, is !leen plaats voor een parlement dat In de EG probeert te functioneren als een nationaal parlement in een lid-staat van die EG. Toch streeft het Europees Parlement naar hetzelfde soort formele bevoegdheden als de nationale parlementen, te weten (mede-)wetgevende en budgettaire. In de jaren zeventig heeft het Europees Parlement, in samenhang met de invoering van eigen middelen in de gemeenschap, beperkte begrotings-bevoegdheden gekregen. Omdat ze op

Leden van het Europees Parlement nemen elk jaar duizenden handtekeningen in ontvangst \'on inwoners \'on de gemeenschap, die hun belangen in Brussel. Straatsburg of Luxemburg komen bepleiten.


10

de uitgaven en niet op de inkomsten van de EG betrekking hebben onderscheiden ze zich wezenlijk van de rechten van nationale parlementen. Ze geven geen macht, ze kosten alleen maar geld. De financiële ruimte van het Europees Parlement voor het verhogen van de gemeenschapsuitgaven buiten het landbouwbeleid beloopt in sommige jaren de zeshonderd en achthonderd miljoen gulden, een bedrag dat meestal ten goede komt aan de op werkgelegenheid en regionale ontwikkeling,gerichte structuurfondsen. Daarmee lciest het parlement in het de gemeenschap meer en meer bedreigende interne NoordZuidconflict vrijwel automatisch voor het Zuiden, voor de mediterrane landen en Ierland. Voor de volksvertegenwoordigers uit de rijkere landen, zeker voor diegenen die aan regeringspartijen gelieerd zijn, wordt die keus er met makkelijker op nu nationale regeringen steeds duidelijke druk op hun parlementariërs beginnen uit te oefenen. Verwachtingen Gezien de voor de stemming over de begroting benodigde absolute meerderheid kan het Europees Parlement alleen deze steun aan de Noord-Zuidsolidariteit volhouden, als daar voor het Noorden wat tegenover staat. Politiek betekent de steun van het parlement aan het structuurbeleid van de EG dat het makkelijker wordt overeenstemming over de uitbouw van de interne markt te bereiken. Het is daarom niet uit te sluiten dat de, nog steeds door Denemarken bedreigde verdragswijzi~ng die in Luxemburg in december IS af~esproken , het Europees Parlement wteindelijk belangrijker maakt op het punt van de "mede" -wetgeving dan veel pessimisten onder ons momenteel nog aannemen. Gezien de nog steeds doorgaande ontwikkeling naar intergouvernementele besluitvorming en de moeilijkheid om in de komende jaren overeenstemming te vinden over de uitbreiding van de eigen middelen van de EG, met name ten behoeve van de ontwikkeling van het MiddeUandse Zeegebied, is het in ieder geval verstandig voorlopig de verwachtingen omtrent de ontwikkeling van de directe invloed van het parlement op de besluitvorming niet te hoog op te

schroeven. Het blijft daarom van groot belang dat in Straatsburg geprobeerd blijft worden langs andere dan formele wegen het bestaan van het Europees Parlement bij de bevolking, de nationale politieke partijen en de beleidsmakers aanvaard te krijgen. VooraJ de versterking van de controle-activiteit is daarbij van belang. Door de grote ruimte die de lid-staten zich hebben toegeëigend waar het gaat om de besteding van gemeenschapsgeld en de gebrekkige bevoegdheden die de Europese Commissie met betrekking tot de controle heeft ligt hier, in samenwekrin~ met de Rekenkamer, een actieterrem dat nog verre van voldoende verkend is. Daarnaast zal het Europese Parlement moeten doen wat de nationale regeringen onvoldoende doen, te weten het mobiliseren van de publieke opinie voor specifieke Europese zaken. Het heeft weinig zin in dat verband de slogans van na de Tweede Wereldoorlog te herhalen. Van belang is dat de openbare mening ervan overtuigd raakt dat nationale politiek zonder een Europese dimensie niet meer denkbaar is, of dat nu gaat over stimuleringsbeleid, technologische ontwikkeling of milieupolitiek. In de eerste vijf jaar van het ~ekozen bestaan van het parlement zijn op dit punt enkele initiatieven genomen die in een aantal landen hun werking niet hebben gemist. Dat geldt zowel voor de aktie "Honger in wereld" als voor het zogenaamde rapport-A1bert, een door deskundigen van buiten gemaakte analyse van de economische toestand van West-Europa, vergezeld van aanbevelingen die toestand te verbeteren. Op het gebied van technologie en werkgelegenheid, met inbegrip van de sociale aspecten verbonden aan de realisering van de interne markt, op dat van de financiering van de cohesie van de gemeenschap, op vele andere gebieden zijn dergelijke initiatieven denkbaar. Daarnaast kunnen parlementaire initiatieven op het gebied van Europese veiligheid, waarmee begonnen is in de rapporten Haagerup en Fergusson, impulsen voor een bredere Europese diskussie geven.

van het aantal dubbele mandaten, dat wil zeggen de combinatie van een nationaal parlementslidmaatschap met het Europese, hebben een effect gehad dat weinigen hebben voorzien. In plaats van tot versterking van de parlementaire invloed hebben die ontwikkelingen de demokratische greep op het Europese gebeuren verzwakt. De nationale regeringen en hun ambtelijke apparaten daarentegen hebben hun positie verder versterkt. De verklaring is simpel: door de scheiding tusen Europese en nationale parlementariërs verzwakte de aandacht van de laatste categorie voor Europese zaken, terwijl de Euro's onvoldoende bevoegdheden kregen de macht over te nemen. Het democratische tekort van de EG is dus geenszins opgevuld, het is groter geworden. Langzamerhand begint zowel in Straatsburg als in de hoofdsteden het besef door te dringen dat meer samenwerking tussen de nationale parlementen en het Europese Parlement noodzakelijk is. In de praktijk blijkt het echter moeilijk voor die samenwerkin~ de juiste vorm te vinden en de nodige tijd beschikbaar te steUen. Europese commissies, contactorganen, zowel op parlements- als op partijniveau, de verschillen in informatiegraad en in competentie maken dat het allemaal maar een beetje werkt. Ik ben zo lanpmerhand zover dat de enige zinmge oplossing me een terugkeer naar de dubbele mandaten lijkt. Ik vrees dat voor zo'n oplossing weinig enthousiasme zal bestaan. Als de burgers in 1989 ook al geen enthousiasme op kunnen brengen voor de rechtstreekse verkiezingen van het Europees Parlement, dan blijft weinig anders over dan een stap terug in de geschiedenis, dan een herstel van de situatie van voor 1979. Dat betekent dat dan de hoop moet worden opgegeven dat democratische nationale staten in staat zijn een Europese democratie tot stand te brengen. Zolan~ op dat punt die hoop niet definittef de bodem is ingeslagen, is er maar één weg: volhouden. Dat proberen we te doen in het Europees Parlement.

Democratisch tekort De rechtstreekse verkiezingen van 1979 en het daarna snel teruglopen

(Dit artikel is geschreven door Piet Dankert. voormalig voorzifler van hel Europees

Parlement en momenteel lid van de sociaaldemocratische fractie in het parlement.)


11

STAATSSECRETARIS VAN EUROPESE ZAKEN VAN EEKELEN:

Technologie stokpaardje van Nederlands voorzitterschap Nederland hanteert tot 1 juli van dit jaar de voorzittershamer van de Raad der Europese Gemeenschappen. Een klein land met grote plannen, als we de uitspraken van de Nederlandse ministers beluisteren. Nederland wil de resultaten van de intergouvernementele conferentie (IGC) van december '85 omzetten in echt Europees beleid. Hoe dat moet gebeuren wordt in dit interview uit de doeken gedaan door staatssecretaris Van Eekelen, belast met de portefeuille van Europese Zaken. Govert-Jan Bijl de Vroe en Huib van Olden spraken met hem. Het is inmiddels vijf jaar geleden dat Nederland voor het laatst voorzitter van de EG was. Op 1 juli 1981 werd de fakkel doorgegeven aan GrootBrittannië. Sindsdien zijn talrijke problemen opgelost, die voordien de betrekkingen in de gemeenschap vertroebelden. Zo is er geen ruzie meer over de Britse bijdrage: Groot-Brittannië ontvangt compensatie. Staatssecretaris Van Eekelen zegt daarover: "Dat mag men betreuren, want daardoor wordt de hele financiële bijdrage onevenwichtig. Aan de andere kant is een probleem, dat vijf jaar de betrekkingen tussen de lidstaten heeft verziekt, uit de weg geruimd". Europa haalt in '86 in financiëel gezien wat makkelijker adem, omdat de afdracht van de btw-inkomsten is verhoogd van een procent naar 1,4 procent. Daarnaast is de toetreding van Spanje en Portugal eindelijk een feit geworden. Van Eekelen: "Nederland moet deze landen als eerste formeel bij het overleg betrekken. Dat geeft een instititioneel probleem. Spanje en Portugal zullen moeten wennen aan de gemeenschap. Hun ambtenaren en parlementariërs moeten met de EG vertrouwd worden gemaakt". Omdat de gemeenschap van twaalf lidstaten niet kon volstaan met de prooedures en bepalingen van de gemeenschap van tien, is in december

door de IGC besloten tot verdragswijzigingen. "Het is een minipakket", aldus Van Eekelen, dat desalniettemin "een gekwalificeerde meerderheid heeft gemtroduceerd bij de besluitvorming. Ten aanzien van een vrij grote groep besluiten waarvoor vroeger unanimiteit vereist was, kan nu met een gekwalificeerde meerderheid worden besloten. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap zullen die bepalingen van het akkoord van Luxemburg, die nog geratificeerd moeten worden, al moeten worden toegepast, zij het op een informele maruer. Als dat gebeurt, dan komt er echt een nieuw élan. Dan wordt de daadkracht van de gemeenschap beter. En het werkt ook goed voor de publieke opinie". Interne markt De Gemeenschap hoeft niet bang te zijn dat Spanje en Portugal de vorming van de interne markt zullen vertragen. Beide landen stellen zich positief op. Van Eekelen: "Ze verwachten van de toetreding een schokwerking op hun eigen economie. Ze veIWachten natuurlijk voordelen. Zo kunnen ze geld krijgen uit het regionaal sociaal fonds. Maar het structurele aspect is belangrijker. Beide landen hebben die economische schok nodig om te moderniseren. Ze zijn best positief ten aanzien van verdere verbetering van de gemeenschap. Het

Staatssecretaris van buitenlandse zaken dr. W. van Eekelen.

is heel bijzonder dat bij een uitbreiding ook ruimte blijft voor verdieping",

Volgens Van Eekelen zal Nederland een hardere dobber hebben aan het landbouwbeleid. Volgens de "Londense norm" mogen de uitgaven voor het landbouwbeleid niet méér stijgen dan de inkomsten uit de btw. De overschotten blijven echter kolossaal. Het is geen simpel karwei om ze wl:!l te werken. Prijsverlaging zou eigenlijk het beste middel zijn; nu verstoren de Europese overschotten het evenwicht op de wereldmarkt. Maar bij een prijsverlaging zijn de boeren in de Gemeenschap de dupe, omdat hun inkomen daalt. Daarvoor zouden ze een inkomenstoeslag moeten ontvangen. De staatssecretaris meent verder dat de Verenigde Staten en Japan zullen meeprofiteren van het opruimen van de handelsbarrières in Europa. "De Japanners en de Amerikanen zullen dezelfde voordelen hebben als wij. Ze hoeven ons niks te verwijten. Dan is er op zichzelf geen reden meer om je protectionistisch op te stellen. Nu hebben wij, in tegenstelling tot de VS, een verbrokkelde thuismarkt en intussen moeten we maar zien dat we in Amerika en Japan binnenkomen. Het grote voordeel voor ons wordt dat onze industrie op een vergelijkbare manier met hen zal kunnen con-


12

De gebouwen van de Europese Gemeenschap in Straatsburg.

curreren. Dan wordt het op z'n minst evenwichtiger". Conflicten zullen alleen ontstaan als de VS en Japan protectionistische maatregelen zouden nemen. Van Eekelen hekelt met name Japan, dat sterk restrictief te werk ~t, met allerlei sanitaire en veterimllre voorschriften. Beroemd is het voorbeeld van de Hollandse bloembol, die eerst een jaar de grond in moet. .. Technologie Een belangrijke impuls voor de gemeenschappelijke markt moet komen van een gemeenschappelijk technol0giebeleid. Dat is één van de Nederlandse stokpaardjes. De gemeenschap heeft programma's opgezet op het gebied van de "pre-competive research", die deels door de industrie en deels door de EG worden betaald. "Esprit" is hier een voorbeeld van. Het Eureka-project dreigt nu echter roet in het gemeenschapseten te gooien. "Het grote gevaar is dat Eureka zich

apart gaat ontwikkelen, zonder rekening te houden met wat er in de gemeenschap gebeurt. Dan wordt het door de grote landen gedaan op die terreinen waar hun industrie er belang bij heeft en blijven de kleinere landen van Europa buitenspel". Om een dergelijke ontwikkeling te voorkomen, wil van Eekelen dat het Eureka-secretariaat niet in Straatsburg, maar in Brussel wordt gevestigd. "Mitterrand en Kohl hebben zich voor Straatsburg uitgesproken, maar er is geen enkele reden om daar naar toe te gaan. Ze zeggen: "We willen niet naar Brussel omdat we de bureaucratie willen vermijden". Tja, die bureaucratie is er wel, maar als je naar Esprit kijkt, dan heeft de gemeenschap dat best efficiënt gedaan. Er zijn geen doorslaggevende argumenten voor Straatsburg". Politieke samenwerking Nederland is voor een uitbreiding van de Europese Politieke Samenwerking, maar houdt wel wat slagen om de

arm. Zo mag de EPS geen tegenstrijdigheden vertonen met het veiligheidsbeleid van de NAVO. Van Eekelen: "We hebben in de IGC ook een tekst opgenomen over de p0litieke samenwerking. Het is in hoofdzaak een omschrijving van wat in de praktijk zou moeten gebeuren. Ik noem met name het beginsel, dat je elkaar hoort in te lichten voordat je initiatieven neemt. Daar komt helaas niet altijd evenveel van terecht. Twee dagen na de conferentie van ministers in de EPS nam Frankrijk ineens in de Veiligheidsraad een initiatief over Zuid-Afrika. De ontvangst van Jaruzelski in Parijs door Mitterrand, daar wist zelfs premier Fabius niets van. We moeten naar wat ik altijd de "no surprise-policy" noem". De leden van de EG zijn bereid een licht secretariaat te vestigen om de EPS te leiden. Ook dit secretariaat moet volgens Van Eekelen in Brussel komen. In hoeverre de EPS zich met het veiligheidsbeleid mag bemoeien blijft een probleem. Voorlopig wordt


13

lidstaten moeten het beleid maken, de EG kan daarbij coördinerend optreden. Niet meer dan dat, aldus van Eekelen: "Anders krijg je verstoring van de concurrentievoorwaarden. Dat is altijd een hoofdpunt: Vermijdt verstoring van de concurrentievoorwaarden tussen de lidstaten. Uiteindelijk zal het één markt moeten worden. We denken niet aan een Europees banenplan. We moeten de macro-economische voorwaarden scheppen, die groei mogelijk maken. We kunnen in Europees verband natuurlijk wel iets doen aan leerplannen voor jongeren". Ambtenaren van de gemeenschap worden kennelijk niet alleen gekweld door werkloosheid in Europa, maar ook door hun salarisniveau. "Tijdens ons vorige voorzitterschap is er een staking geweest van de Europese ambtenaren. Nu zijn er weer problemen en besprekingen. Ik hoop niet dat de geschiedenis zich wat dat betreft gaat herhalen. Nederland is altijd een van de meest terughoudende landen geweest in het overleg over internationale salarissen. Dat vinden anderen dan krenterig", aldus Van Eekelen.

de oplossing gezocht door de WEU (West Europese Unie) nieuw leven in te blazen. Maar of daar veel van terecht komt, moet worden afgewacht. Haagse top In mei vormt Den Haag het decor voor de nieuwe top van Europese regeringsleiders. Van Eekelen hoopt dat de conferentie niet in het teken zal staan van de "crisisbestrijding" die de laatste jaren schering en mslag was. Dit maal zou het werkloosheidsvraagstuk de aandacht moeten krijgen. De oplossing van dit vraagstuk moet gezocht worden in de voltooüng van de interne markt. Daarmee wordt Europa aantrekkelijk voor nieuwe investeringen, en daarmee nieuwe banen. Het economisch beleid van de verschillende lidstaten zou grotere overeenkomsten moeten vertonen. Het klimaat voor een gemeenschappelijk beleid noemt Van Eekelen nu goed. De gemeenschap moet haar sociale fondsen gebruiken om vooral de jeugdwerkloosheid te bestrijden. De

Terrorisme Europa wordt herhaaldelijk geteisterd door terroristische aanslagen. Toch is men terughoudend wanneer president Reagan tegen Libië tekeer gaat. Wil Europa zich niet wagen aan sancties? Van Eekelen wijst er op, dat de zogenaamde T revigroep van de EG al jaren bijeen komt om ook de maatregelen tegen het terrorisme te coördineren. "De VS betrekken onze houding ten opzichte van het terrorisme direct in de Transatlantische verhouding. Dat vinden we niet zo gewenst. Als Amerika unilateraal, zonder consultatie met Europa, bepaalde maatregelen neemt tegen Libië, dan spreekt het niet vanzelf dat wij die maatregelen navolgen. Wat dat betreft denk ik dat de Amerikaanse verwachtingen wel wat te hoog gespannen waren. Maar Europa moet aan dit probleem ook wat doen. Op heel korte termijn". Actief wil de EG ook zijn, als het gaat om overleg in andere delen van de wereld. De EG ondersteunt in het algemeen ander regionaal overleg; of dat nu de ASEAN is, of het Contadora overleg, het Andino-pact of !he

Golf Cordination Council. "De EG wil daarbij helpen, maar dan in een open relatie, niet als een protectionistische groep. En als zou blijken dat Europa ten aanzien van Nicaragua een rol kan spelen, zou het op de weg van het Nederlands voorzitterschap zijn om dat te doen". Parlement Op allerlei terreinen is de Gemeen-

schap dus aktief. Geen wonder dat het Europees Parlement daar greep op wil hebben en die greep wil verstevigen. De Europarlementariërs vinden dat ze niet serieus genoeg genomen worden. Van Eekelen belooft dat Nederland als voorzitter van de raad het parlement wel serieus zal nemen, hoewel het parlement op de IGC weinig extra bevoegdheden heeft gekregen. "Wij proberen in de commissies en de plenaire zittingen telkens ook namens het voorzittersschap het woord te voeren, en te reageren op het debat. Dan krijgt het parlement ook de overtuiging: "We hebben een inbreng in de raad, die doet er wat mee." Dat is meer dan een veredeld gebaar, want dáár zal moeten blijken dat de raad de inzichten van het parlement op één of andere manier meeneemt. Anders is het inderdaad alleen een gebaar". In juli draagt Nederland het voorzitterschap weer over aan Groot-Brittanië. Wat wil Van Eekelen dan bereikt hebben? "In de eerste plaats moeten we de interne markt-discussie goed op de rails hebben gezet. Dat gaat dan over industriële belemmeringen zoals normen en standaarden. Ook is de landbouwraad belangrijk, over de vito-sanitaire en veterinarre aspecten. Het milieubeleid speelt een rol, maar ook het opruimen van fiscale belemmeringen binnen de ECOFlN. Er moeten ook al concrete besluiten zijn genomen. In de tweede plaats moet de relatie met het parlement worden verbeterd. Ik hoop dat de dialooj\ echt op gang komt, ook op begrotmgsgebied. In de derde plaats hoop ik dat we op landbouwgebied prijzen heir ben vastgesteld en dat er structurele oplossingen worden gevonden voor de vraag hoe de overschotproduktie kan worden tegengegaan. Daarnaast is er nog de technol~e. Ik denk dat dit de hoofdpunten Zijn".


14

Eureka: Europese samenwerking voor concurrentie op wereldmarkt Eureka! (Ik heb het gevonden!) Een pretentieuze naam voor een project dat probeert de hoog-technologische samenwerking binnen Europa versneld te laten plaatsvinden. Eureka staat voor "European Research Coordination Agency" waarbij, terwille van de mooie naam, de C is vervangen door een K. Het is een samenwerkingsverband dat achttien Europese landen, op initiatief van de Franse regering, op 17 juli 1985 zijn aangegaan. Europa heeft een technologische achterstand op de Verenigde Staten en Japan. Hoewel er terreinen zijn waarop Europa de twee grote technologische machten niet heeft laten voorgaan, zoals de telecommunicatie, nieuwe transportsystemen en de agrarische technologie, heeft het oude werelddeel de voorhoede in het algemeen niet kunnen bijbenen. Dat Europa zich extra zal moeten inspannen, kunnen we onder andere afleiden uit het geld dat aan onderzoek en ontwikkeling (0 & 0) wordt uitgegeven. In de Europese Gemeenschap was dat in 1982 honderd miljard gulden, of bijna twee procent van het bruto natJonaai produkt (bnp). In de Verenigde Staten en Japan ging het om respectievelijk tweehonderd miljard en zeventig miljard gulden (2,5 en 2,4 procent van het bnp). Die twee procent voor Europa is overigens een gemiddelde, variërend van 0,2 procent in Griekenland tot 2,5 procent in Frankrijk en 2,7 procent in West-Duitsland. De cijfers van die laatste twee landen steken niet slecht af tegen die van de VS en Japan. En toch toch hebben steeds meer Europese bedrijven moeite op de wereldmarkt te concurreren met de Amerikanen en de Japanners. Eén van de oorzaken is de relatief kleine markt in eigen land en de versnipperde markt in Europa. Het wereldmarkt-aandeel van Europese bedrijven komt vaak niet boven de twee procent uit. Thuismarkt Europa scoort goed, als het gaat om fundamenteel onderzoek. Op dat terrein zijn voorbeelden van goede samenwerking aan te wijzen, zoals het project van de deeltiesversneller Cen-

tre Européan par Ie Recherche Nucleaire in Zwitserland en het prototype van een kernfusie-reactor (Joint European Torus) Engeland. Neen, waar Europa problemen heeft, is bij de toepassing van onderzoeksresultaten. Bij het op de wereldmarkt brengen van hoog-technologische produkten legt Europa het vaak af tegen de Verenigde Staten en Japan. Deze landen hebben het grote voordeel dat hun binnenlandse markt homogeen is en niet versnipperd zoals die van Europa, waar elk land in de eerste plaats z'n eigen belangen nastreeft. Door die grote binnenlandse markt kunnen de Verenigde Staten en Japan profiteren van de groteschaal-voordelen bij nnderzoek en produktie. Schrijnend voor Europa is dat het gezamenlijk onderzoek van de EG-lidstaten slechts twee procent bedraagt van wat ze in totaal een onderzoek uitgeven. Dat is ongeveer eenzelfde bedrag als wat er in twee weken aan het Europees landbouwbeleid wordt besteed! De Europese Commissie probeert hierin verandering te brengen. Ze zou het bedrag voor gemeenschappelijk onderzoek op de EG-begroting voor 1987 willen verdubbelen, van drie naar zes procent. Voor 1989 vraagt ze een verdrievoudiging en voor 1991 zelfs een verviervoudiging. De oude grenzen binnen Europa staan een efficiënte benutting van Europees onderzoeksgeld in de weg. B0vendien worden de produktiekosten met soms wel twintig procent verhoogd door hinderlijke douaneformaliteiten, verschillen in normen en standaarden en een berg van mededelingsvooischriften en steunmaatregelen. De trage liberalisatie en integratie

van de interne markt is voor Eurpa op het ogenblik het grote knelpunt. En het afzonderlijk per land stimuleren van onderzoek is onvoldoende. "Plan-Lubbers" Minister-president Lubbers heeft in december 1984, tijdens de Europese top in Dublin, een pleidooi gehouden voor een Europese aanpakt. Hij zei dat we naar een Europa van de Technologie toe moeten. Het "plan-Lu~ bers" is nader uitgewerkt in een memorandum dat in maart 1985 aan de voorzitter van de Europese Commissie werd aangeboden. Dit initiatief bestaat uit een samenhangend pakket van voorstellen, die een gemeenschappelijke markt naderbij moeten brengen en die aanzetten tot gezamenlijke onderzoeksprojecten. De voorstellen betreffen de versoepeling van grensformaliteiten, het Europese normalisatiebeleid, de openstelling van overheidsopdrachten voor leveranciers uit andere lidstaten, onderwijs en opleiding, onderzoek en ontwikkeling, grote projecten en handelspolitiek. Het komt erop neer dat er op Europees niveau een voorwaardenscheppend beleid moet worden gevoerd, opdat er een thuismarkt ontstaat die vergelijkbaar is met die van de grote concurrenten: de Verenigde Staten en Japan. In de zomer van 1985 heeft de Europese Commissie, onder verantwoordelijkheid van Lord Cockfield, een actieplan of witboek met driehonderd voorstellen uitgebracht met als titel "De voltooüng van de interne markt". De noodzaak van een open interne markt is ook door de Franse regering onderkend. Haar minister van buitenlandse zaken, Dumas, heeft op 17 april van het vorig jaar een brief aan een aantal ambtsgenoten $estuurd, waarin hij het Eureka-prOject lanceerde. Naar het schijnt heeft het Strategisch Defensie Initiatief (SDI) de plannen voor Eureka op z'n minst versneld, zo niet gelnitieerd. Heel algemeen omschreven, zou Eureka de technologische samenwerking binnen Europa moeten aanjagen. Maar hoe


15

op de hoogte kunnen stellen van mogelijkheden tot samenwerking binnen Europa. Als bedrijven tot samenwerking besluiten, staan de overheden daar buiten, behalve als het gaat om projecten waarbij de overheden zelf als regelgever, als aanschaffer of als investeerder betrokken zijn.

De technologische samenwerking binnen Europa is een van de onderwerpen die uitgebreid besproken worden op een Europese topconferentie.

dat precies zou moeten, werd niet duidelijk uit de brief. De Europese regeringen hebben positief op het Franse plan gereageerd. Toen president Mitterand op 17 en 18 juli van het vorill jaar zestien landen in Parijs uitnodigde voor de officiële start van Eureka, waren ze allemaal door één of meer ministers vertegenwoordigd. En de Europese Commissie was er ook. (Het waren de tien lidstaten en de twee toekomstige lidstaten van de EG en Finland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland. Later heeft ook Turkije zich bij het Eurekaproject aangesloten). Frankrijk stelde zelf een miljard francs voor Eurekaprojecten beschikbaar. Daar bleef het voorlopig bij wat overheidsgeld betreft. Alleen Nederland kwam later met een veel kleiner bedrag van dertig miljoen gulden over de brug voor definitiestudies. Meer gestalte Op 5 en 6 november 1985 vond in het Westduitse Hannover een vervolgconferentie plaats. Dat was eigenlijk de eerste " werkconferentie". Uit de beginselverklaring die daar werd opgesteld, bleek dat Eureka wat meer gestalte begon te krijgen. De vaagheid van het Franse voorstel had overigens als voordeel dat alle deelnemende landen invloed op de inhoud en de vorm van het project konden uitoefenen. Eureka is geen militair technologieprogramma zoals het SDI. Het betreft alleen civiele samenwerkingsprojecten, wat niet wil zeggen dat sommige onderzoekresultaten ook niet militair kunnen worden toegepast. Ondanks de Franse toezegging is Eureka geen zak met geld die op internationaal samenwerkende ondernemers staat te wachten. Eureka is ook niet te verge-

lijken met het EG-kaderprogramma voor onderzoek. Eureka is een formule die de industriële samenwerking binnen Europa moet bevorderen. Het gaat bij Eureka niet zozeer om het aanzwengelen van onderzoek, omdat dat in Europa al een behoorlijk niveau heeft. Waar het om gaat, is de toepassing van de resultaten van onderzoek, zodat Europese ondernemingen beter op de wereldmarkt kunnen concurreren. Eureka stimuleert met dit doel de grensoverschrijdende samenwerking van ondernemingen en onderzoek-instituten. De Nederlandse regering staat daarbij de zogenaamde systeem-aanpak voor. Daarmee wordt bedoeld dat de onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen op bepaalde technologische terreinen gemtegreerd moeten zijn. Een voorbeeld is het terrein van het transport en de logistiek, of het terrein van de agro-technologie. Door de gerichtheid op de markt zullen ondernemingen en private financiers de financiering van Eureka-projecten moeten dragen. De rol van de overheden blijft beperkt tot het scheppen van de omstandigheden waaronder zulke samenwerking kan floreren. Hun belangrijkste taak in dit kader is dat er een homogene Europese markt komt. Verder zullen ze als makelaar optreden. Om die redenen is tijdens de conferentie van Eureka-ministers in Hannover besloten dat er een Eureka-secretariaat zal komen. Wáár dat komt, moet voor I februari zijn besloten. Nederland ziet dat secetariaat graag in Brussel, om te voorkomen dat er een nieuwe bureaucratie ontstaat en er overlappingen met EGprogramma's plaatsvinden. De bedoeling van het secretariaat is dat bedrijven hun projecten daar laten registreren, zodat potentiële partners zich er

Meerwaarde Tijdens de bijeenkomst van Eurekammisters in Hannover heeft minister Van Aardenne gezegd dat hij van die projecten de grootste meerwaarde van Eureka verwacht. Internationale samenwerking betekent in de meeste gevallen grotere overhead-kosten. Voor vele middel(lI"ote en kleine bedrijven vormen die een te hoge drempel. Om die te verlagen, heeft de Nederlandse overheid voor 1986 een bedrag van dertig miljoen gulden gereserveerd, om definitie-studies te kunnen subsidiëren (25 miljoen van EZ en vijf miljoen van O&W). Zullen Eureka en het onderzoekbeleid van de Europese Gemeenschap elkaar niet in de wielen rijden? Dat gevaar is wel aanwezig, maar kan worden voorkomen. Het EG-onderzoek is erop gericht de technologische basis van de deelnemende partijen te versterken. Eureka is uitsluitend gericht op de markt. Moeilijker zal het zijn Eureka-projecten goed te definiëren en vooral de status ervan te bepalen. In Hannover zijn tien projecten als "Eureka-projecten" aangenomen, maar of die alle aan dezelfde criteria voldoen, is de vraag. Op de volgende conferentie van Eureka-ministers in London (16 en 17 mei) zal daarover wellicht verder worden besproken. De verdienste van Eureka is dat het Europa en vooral de Europese industrie, hoop heeft gegeven op een (loede plaats in de voorhoede van "hightech"-producenten. Maar Eureka verkeert nog in de kritische introductiefase die, net als voor een nieuw produkt, bepalend is voor de levenskansen. Het initiatief zal snel handen en voeten moeten krijgen, met de volledige inzet van alle partners. Technologische samenwerkinj\ in Europa is hoe dan ook nodig, wil dit werelddeel kunnen bijblijven in de internationale concurrentie. (Dit artikel is geschreven door P. G. Hoekstra. Hij is voorlichter bij het ministerie \'an economische zaken.)


16

EUROPEES COMMISSARIS ANDRIESSEN:

Het zwaartepunt van de EG verschuift naar het zuiden Mr. F. H. J. J. Andriessen, is aIs lid van de Europese Commissie belast met de landbouw, het meest omvangrijke terrein van de Europese samenwerking van de twaalf. Alexander Alting van Geusau en Gert-Jan Stempher zochten mr. Andriessen op in Brussel en vroegen hem onder meer naar de gevolgen van de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschap en de positie van de Nederlandse boer. Conclusie van commissaris Andriessen: Een gemeenschappelijke markt is niet altijd rozegeur en maneschijn, maar de voordelen wegen ruimschoots op tegen eventuele nadelen. Vraag: Heeft het voorzitterschap van Nederland een extra invloed op het beleid van de gemeenschap in het algemeen en het landbouwbeleid in het bijzonder? Mr. Andriessen: "Daar kan men verschillend over oordelen. Een goede voorzitter heeft grote invloed op de beleidsvorming. Dit betekent echter niet dat de voorzitter in de positie is om nationale belangen te verdedigen. Mijn ervaring met de landbouwraad is juist dat je als voorzitter eerder in de positie bent om communautair beleid te verdedigen, dan om nationale belangen te bemvloeden".

Gaat de toetreding van het nogal prir tectionistische Spanje en het agrarische Portugal de gemeenschap niet veel te veel geld kosten? "Het is onmogelijk de gemeenschap uit te breiden zonder dat dat pijn doet. De toetreding van het Verenigd Koninkrijk doet zelfs soms tot op de dag van vandaag pijn. Ook met Griekenland hebben we nog steeds problemen. Vooral toetreding van landen die economisch achterliggen, z0als Spanje en Portugal, kost de gemeenschap geld. Dat heeft dus gevolgen voor onze onderhandelingsbelangen, agrarische belan~en en industrieIe belangen en dergelijke. Aan de an-

dere kant zijn er ook belangrijke ec0nomische en politieke voordelen".

Waaruit bestaan die voordelen op agrarisch gebied? "Op langere termijn ontstaan er niet onbelangrijke exportmogelijkheden voor agransche produkten naar Spanje: noordelijke produkten zoals granen en varkensvlees. Verder wordt de

Europees landbouwcommissaris mr. Frans Andriessen.


17

Het onderkomen van de EG in Luxemburg.

Europese markt met veertig miljoen consumenten uitgebreid. Daar staat tegenover dat de Spanjaarden ook landbouwprodukten voor de export hebben zoals sinaasappels, olijfolie, wijn en harde taJwe. Kort samengevat komt het er op neer dat, ten eerste, Spanje en Portugal economisch gezien hele moeilijke perioden tegemoet zullen gaan. Ze zijn niet opgewassen tegen het relatief hoge economische niveau van de gemeenschaJ}pelijke markt. Om de financiële gevolgen te beperken zijn we vervolgens relatief lange overgangsperioden overeengekomen. Ten derde is de toetreding politiek gesproken zeer belangrijk. Wij vinden het de moeite waard die offers te brengen".

Leidt de snel/ere ontwikkeling van de noordelijke landen niet tot een scheve Noord-Zuidverhouding in de gemeenschap? "De exportmogelijkheden op agra-

risch gebied zijn voor de noordelijke

landen beduidend groter dan voor de zuidelijke landen. Daarom hebben we in de gemeenschap de gemtegreerde MiddeUandse Zee programma's opgezet, om compensatie te bieden voor de nadelen van de toetreding voor deze landen. Daar staat tegenover, wat hoogst interessant is voor de gemeenschap, dat het zwaartepunt van de gemeenschap bezig is te verschuiven van het noorden naar het zuiden. Er komt een mediterrane tendentie in de EG. Dit zullen we in de komende jaren in de besluitvonning ook zeker gaan merken".

Kunt u wat concrete voorbeelden geven? "De vier zuidelijke landen, Griekenland, Italië, Spanje en Portugal hebben bijvoorbeeld een blokkerende minderheid in de raad. Zij komen dus in een comfortabele positie wat de integratie van de economieën en de financiële overdrachten van noord naar zuid betreft. De verschuiving

van noord naar zuid is overigens op zichzelf niet slecht maar moet zorgvuldig worden aangepakt, waardoor een hoop narigheid kan worden voorkomen.

Een bankroet van de gemeenschap is volgens sommigen al/een te voorfw. men door paal en perk te stel/en aan de landbouwuitgaven. Zijn de kosten van het landbouwbeleid niet te hoog gezien de baten? "Vanuit de doelstellingen van het Europees landbouwbeleid gezien besteden we niet te veel. Als we geen EGlandbouwbeleid zouden hebben, zouden er twaalf nationaal gevoerde landbouwbeleiden zijn. Dat zou opgeteld wel eens meer kunnen kosten. Wanneer wij drastische maatregelen gaan nemen op communautair vlak, IS er een gevaar van her-nationalisatie. De lidstaten gaan dan overnemen wat de gemeenschap niet meer bereid is te betalen. Het punt waar het hier om draait is dat er alleen op land-


18

bouw- en visserijgebied een volledig communautair beleid bestaat. We besteden dus niet zozeer te veel aan landbouw maar vooral te weinig aan andere zaken. Daarnaast is bet ook goed om beel kritiscb naar bet landbouwbeleid te kijken. In bet landbouwbeleid zijn namelijk een aantal elementen geslopen, die ertoe bebben geleid dat bet in bepaalde sectoren uit de band is gelopen. Wanneer voor on~elimiteerde boeveelheden een relatief boog prijsniveau wordt gegarandeerd, dan boeft men zicb er niet over te verbazen dat de boeren zicb op die produkten gaan oriënteren. Het gevolg is dan een overproduktie. Als men vervolgens een systeem creëert, waarbij het vlees onmiddellijk nadat het geproduceerd is in de interventie kan worden genomen, kan men de producenten niet verwijten dat zij rechtstreeks rundvlees voor de interventie produceren. Hier li!l!len dus mogelijkheden om verbetenngen in bet landbouwbeleid aan te brengen. Verder kunnen we proberen hetzij het landbouwbudget te verlagen, hetzij een verdere groei van het landbouwbudget te voorkomen. We hebben in het landbouwbeleid een budgettaire norm gemtroduceerd die inhoudt dat de stijging van de landbouwuitgaven lager moet zijn dan de stijging van de eigen middelen van de gemeenschap. Indien dit beleid slaagt, za) men zien dat het relatieve aandeel van het landbouwbudget in het gemeenschapsbudget geleidelijk za) afnemen. Dan moeten er natuurlijk geen gekke dingen gebeuren zoals een abrupte daling van de dollar. De hele wereld is daar heel enthousiast over, behalve ik als landbouwcommissaris. Elk tiende deel dat de dollar minder waard wordt ten opzicbte van de ECU kost mij honderd miljoen ECU in mijn landbouwbudget".

Na de vermindering van de melkplas wordt 1986 het jaar van de graansanering. Zal dit wat de kosten van het graanbeleid betreft. niet extra problemen opleveren, vooral nu de Verenigde Staten minder subsidie aan de boeren gaan geven? De wereldmarktprijs gaat dan zakken en het verschil met de EG-interventieprijs wordt groter. "Dit betekent dat wij tegen nog bogere kosten onze overschotten zullen

moeten afZetten. Dit is, naast een zakkende dollar, een tweede tegenvaller die ik in de begrotingen van 1986 en verder moet incalculeren".

gaven moeten leiden. Voor de granen bijvoorbeeld zullen we een kwaliteitsbeleid introduceren wat tot lagere kosten za) leiden. Voor het rundvlees zijn we bezig het interventiemecharusme te herzien, waardoor interventie een uitzondering wordt. Verder heb ik voor de melk een opkoopschema voor melkquota vastgesteld dat op langere termijn leidt tot zeer aanzienlijke verlagingen van de kosten voor de melkproduktie. Zo zijn er talloze mogelijkheden tot verbetering van het landbouwbeleid. Wij zijn vrij

Welke instnimenten hanteert u voor vermindering van prijs of hoeveelheid van een produkt? "Een algemeen middel is een restrictief prijsbeleid. In de tweede plaats zullen we, afhankelijk van de produk· ten, in het marktbeleid een aantal elementen inbrengen die tot lagere uit-

Ook de jongste voorstellen van de Europese Commissie voor de landbouwprijzen zullen waarschijnlijk leiden lOl protesten van boeren.

0001

dit PRUSIlllfm

10 [r ['!

lil


19

inventief rond deze tafel".

Is voor het oplossen van het graanprobleem geen grotere samenwerking met de Verenigde Staten vereist? "Op dit moment zijn de Amerikanen

niet bereid om tot een soort bilaterale of multilaterale afspraak te komen. Je zou hierin ook Canada, Australië en Argentinië moeten betrekken, omdat die ook op de graanmarkt opereren. De problemen die Amerika heeft worden niet alleen en zeker niet op

de eerste plaats veroorzaakt door ons beleid, maar zijn in het verleden door hun eigen beleId veroorzaakt. Als je jezelf een structureel begrotingstekort in de orde van grootte van tweehonderd miljard dollar permitteert, dan heeft dat gevolgen voor de waarde van de dollar. Wij verminderen onze melkproduktie, de Amerikanen voeren hem op. Wij verminderen ons wereldaandeel in de boter en de melkpoeder en de Amerikanen voeren hem op met "good old fashioned subsidies, I can assure you". Nieuw-

Zeeland en Canada voeren ook hun boterproduktie op. Wij hebben een strafsysteem opgezet om iets aan het graanprobleem te doen. Ik vind niet dat je, zoals de Amerikanen doen, duidelijk moet onderbieden op de wereldmarkt om de andere concurrenten er af te duwen en een stuk van het marktaandeel terug te winnen".

Is het beleid van de melkizuotering te verkopen aan de Nederlandse boeren, die de laatste jaren zijn aangemoedigd de produkLie te verhogen en efficiënter te werken? Het is alsof de óoeren gestraji worden voor een efficiënt produkLiebeleid. "Dat is waar en dat is niet waar. Het is waar, indien en voorzover je puur communautair zou redeneren door te zeggen dat de melk daar moet worden j1;eproduceerd waar ze het meest effiCIënt kan worden geproduceerd. De totale quota moeten dan aan de lidstaten worden toebedeeld op een wijze die politiek onmogelijk is. Het is duidelijk dat je in Nederland aanzienlijk efficiënter melk kan produceren dan in de berggebieden. Maar we kunnen de mensen daar niet laten creperen, zeker niet als men daar alleen wat melk kan produceren en wat schapen kan laten lopen. In zoverre worden de Nederlandse boeren dus getroffen. Aan de andere kant hebben de Nederlandse boeren de overproduktie ook aan zichzelf te wijten. Elke verstandige ondernemer had al vanaf 1979 kunnen zien aankomen, dat we bezig waren te veel melk te produceren. Indien en voorzover de boeren zijn doorgegaan de produktie op te voeren in plaats van de kosten te verlagen, dragen ze zelf de verantwoordelijkheid. De vorige commissie heeft al vanaf 1981 gezegd dat de melkproduktie uit de hand liep en de prijzen gestabiliseerd en de produktie beperkt moest worden. Dat heeft iedere verstandige ondernemer kunnen vernemen. Ik wil hier n<lll een ding aan toe voegen. Natuurlijk is een gemeenschappelijke markt niet altijd rozegeur en maneschijn. Maar de Nederlandse agrarische ondernemer moet beseffen dat het belang dat de Nederlandse landbouw heeft bij bestaan van de gemeenschappelijke markt, ver uit gaat boven de ongemakken die het zo nu en dan oplevert".


20

POLITIEKE STABILITEIT EN ECONOMISCHE VERNIEUWING

Spanje en Portugal rekenen op voordelen van EG-lidmaatschap Spanje en Portugal hebben na acht jaar onderhandelen hun doel bereikt nu ze per 1 januari van dit jaar lid zijn geworden van de Europese Gemeenschap. Eindelijk is het zo ver. In beide landen bestaat het gevoel dat het wel heel lang heeft geduurd voor met de EG tot een overeenstemming kon worden gekomen. Het belang voor Spanje en Portugal is tweeledig. De toetreding betekent voor de beide volken dat impliciet hun staatsbestel door het "Democratische Europa" als eveneens volwaardig democratisch is erkend. Bovendien zien beide regeringen, overigens noodgedwongen, de toetreding als het middel bij uitstek om tot de noodzakelijke moderuisering van de economie te komen.

Als de vraag wordt opgeworpen welk belang Spanje en Portugal hebben bij toetredinil tot de Europese Gemeenschap, blijken bij enig nader onderzoek de parallellen tussen beide landen van groter gewicht dan de verschillen. Voor zowel Spanje als Portugal is het van belang onderscheid te maken tussen de betekenis in politieke zin en in economische zin. Ook bij deze tweedeling dringen de parallellen zich sterker op dan de verschillen. In het vervolg van dit verhaal wordt

De voorzit/er van de Europese Commissie Jacques Delors (tweede van rechts), geflankeerd door de nieuwe Portugese commissaris Antonio Cardoso E Cunha (tweede van links) en de Spaanse commissarissen Abel Matutes (links) en Manuel Marin Gonzalez (rechts).


21

dat het lidmaatschap van de EG de in eigen ogen al verworven grotere politieke volwassenheid bevestigt. De wijze waarop beide landen terugkeerden naar het democratisch staatsbestel laat echter grote verschillen zien. Spanje heeft in vergelijking met Portugal het zeer wezenlijke voordeel gekend dat in de overgang van de dictatuur naar de democratie was voorzien. Reeds lang voor zijn overlijden had dictator Franco bepaald dat Juan Carlos hem zou opvolgen als koning van Spanje, en dat daarmee tegelijBoze fruillelers in Zuid-Europa hebben in het verleden fruit uit andere landen over de weg kertijd het parlementaire stelsel weer gegooid. Door de toetreding van Spanje en Portugal wordt de concurrentie op de fruitmarkt in ere zou worden hersteld. alleen maar groter. Toen de Generalissimo op 20 novemSpanjaarden en Portugezen als niet daarom eerst voor de politieke kant ber 1975 overleed ontstond, met de meer van deze tijd en minderwaardill ove~g naar de democratie wel een en vervolgens voor de economische beschouwd. Als gevolg daarvan groei- politiek nieuwe situatie, maar geen kant, de betekenis van de toetredinll voor het Iberisch schiereiland vanwt den de frustraties, de gevoelens dat machtsvacuüm of internationaal vermen deel uit maakte van een achterde tweedeling parallellen en verschillies aan vertrouwen in de stabiliteit gebleven land. Het behoeft dan ook len behandeld. van de Spaanse samenlevinII. De Nog een voorafgaande opmerking. geen verbazing te wekken dat Spanje overgang naar de democratie is achen Portugal snel nadat de dictatuur Het beklemtonen van de overeenteraf beschouwd in feite betrekkelijk werd verwisseld voor het stelsel van komsten tussen Spanje en Portugal soepel verlopen. waar het hun belang bij toetreding tot de parlementaire democratie het lidHet sterkst IS nog de dreiging geweest maatschap van de EG aanvroegen. die uitging van aanslagen van de Basde EG betreft, zou er toe kunnen leiden dat de arçeloze lezer veronderDe Gemeenschap is in de visie van kische afscheidingsbeweging ETA en stelt dat Spanje en Portugal goede bu- het Iberisch schiereiland niet slechts van de politiek links georiënteerde ren zijn. Het tegendeel is het geval. Al een economische ~emeenschap, maar stadsguerrillagroep Grapo. Beide orvele eeuwen achtereen is de verstand- ook een democratische gemeenschap. ganisaties pleegden een groot aantal Spanje had overigens al onder Franco moordaanslagen, daarmee de regering houding tussen Spanje en Portugal slecht. De Spanjaarden hebben de een keer het lidmaatschap aangevoortdurend ernsti& in verlegenheid neiging de Portugezen min of meer brengend. De dreigmg van bomaan~d, zonder daarop ooit een reacover het hoofd te zien, de trotse Portie wt Brussel te mogen ontvangen. slagen werd dermate groot gevonden, Het feit op zich dat er een aanvraag dat bijvoorbeeld bagagedepots op tugezen op hun beurt menen dat het leven in hun land toch veel plezierilag in Brussel om toe te treden tot de trein- en autobusstations jaren achterger is dan in het arrogante Spanje. EG zal er in de eerste overgangsjaren een op last van de regering gesloten Het gevolg van deze moeizame verna de dictatuur toe hebben bijgedrableven. standhouding is onder andere dat bei- gen, dat de democratie op het lbeIn 1981 lokten de aanslagen een de landen nauwelijks handel met elrisch schiereiland niet opnieuw onder staatsgreep van rechts uit, uit&evoerd kaar drijven en dat de verkeersverbin- de voet gelopen werd. De weg terug door een kleurrijk kolone~ Iwsterend naar de dictatuur werd mede afgeslo- naar de naam Tejero. Op de achterdingen ronduit slecht zijn. ten door de omstandigheid dat een grond werd Tejero gesteund door een lidmaatschap van de ÈG meteen geoude, conservatieve generaal, waarEinde dictatuur Zowel Spanje als Portugal keerde na blokkeerd zou worden als het land van de toenmalig correspondent van wederom niet langer een democrahet NOS-joumaal in Spanje, Eppo enkele decennia dictatoriaal te zijn tisch staatsbestel zou kennen. Niege~eerd in de loop van de jaren zeJansen, zei dat hij "regelrecht leek te ventig terug naar een democratisch mand weet op grond van welke over- zijn weggelopen uit een stripverhaal". wegingen potentiële plegers van een staatsbestel. Beide landen waren daar Die wat mallotige staatsgreep bewees coup misschien hun kansen hebben op dat moment ook zeker aan toe. twee dingen. Aan de ene kant dat de ingeschat. Zeker is dat de behoefte bij verontrusting en ergernis bij politiek De dictatuur bracht niet alleen aanzienlijke beperkingen van de burgerde bevolking aan erkenning door de rechts over de ontwikkelin~en in het rest van Europa, in casu de Europese jonge, democratische Spanje groot lijke vrijheden, maar het Iberisch schiereiland, zonder enige twijfel toch Gemeenschap, de mogelijkheden tot waren, zo groot dat een staatsgreep volkomen Europees, raakte in het na- een succesvolle poging om terug te niet alleen in theorie maar ook in keren naar een vorm van dictatuur, oorl~ democratische Europa door praktijk tot de realiteiten behoorde. En tegelijkertijd ook, dat de jonge het dictatoriale staatsbestel in sociaal- moet hebben beperkt. psychologisch opzicht steeds verder Spaanse democratie minder kwetsachterop. In steeds sterkere mate Ove~ geregeld baar was dan velen voor m01lelijk Spanje en Portugal hebben gemeen werd het dictatoriale regiem door hielden. Mede door de houding van


22

De ondertekening van het Spaanse lOetredingsverdrag op 12 juni van het vorig jaar in Madrid. Namens Spanje tekenden premier Gonzalez (rechts) en minister van bUItenlandse zaken Moran (links).

de koning, die de coupplegers gedecideerd iedere steun weigerde, stortte de met een klein aantal manschappen uitgevoerde staatsgreep binnen een dag als een kaartenhuis ineen. Een jaar later, herfst 1982, namen de socialisten de regeringsverantwoordelijkheid van de christen-<lemocraten over. Tevoren werd binnen en buiten Spanje veelvuldig de vrees uitgesproken dat de conservatieve elementen in het leger een socialistische regering misschien niet zouden accepteren, en de macht weer naar zich toe zouden willen trekken. Te meer omdat socialistenleider Gonzalez het electoraat plechtig had beloofd een referendum te houden over de vraag, of het in mei 1982 door de vorige regering op een achternamiddag snel even geregelde Spaanse Navo-lidmaatschap, weer ongedaan zou moeten worden gemaakt. Na het kansloos mislukken van de poging tot coup van Tejero en zijn medestanders, is het gevoel dat de democratie nog serieus bedreigd zou worden echter snel weggeebd. Anjerrevolutie In Portugal is de overgang van de dictatuur naar de democratie niet geregeld geweest. Op 15 april 1974 maakte de "Anjerrevolutie" een einde aan het Salazar-tijdperk. Dictator Antonio de Oliveira Salazar zelf was toen reeds enkele jaren overleden. Na vele tientallen jaren aan het bewind te zijn geweest werd Salazar, oud en ernstig ziek, in 1968 vervangen door zijn vroegere minister Marcelo Caetano. Caetano werd door het leger ten val gebracht. Onder aanvoering van de militairen Vasco Goncalvez en Otelo de Carvalo werd de revolutie snel succesvol uitgevoerd. De links-revolu-

tionaire militairen schoven de gematigde generaal Antonio de Spinola naar voren als eerste president van het weer democratische Portugal. De Spinola bezweek echter binen enkele maanden onder het revolutionaire elan, en - al is dat natuurlijk enigszins overdreven - met hem bezweek ook bijna Portugal. Het land wordt sinds de Anjerrevolutie voortdurend, zij het in afnemende mate, geplaagd door een gebrek aan politieke continwteit. In de roerige jaren direct na de revolutie zag het er op een gegeven moment naar uit, dat de communisten de macht voUedig in handen zouden krijgen. In latere stadia namen de socialisten een dominante positie in. Enkele jaren geleden was politiek rechts sterk door het leiderschap van Sa Carneiro, en thans zijn na twee jaar van socialistische regering de rechts-liberale sociaaldemocraten aan de macht. Met het komen en gaan van regeringen van uiteenlopende p0litieke kleur werd een soms sterk uiteenlopend beleid gevoerd. Zo werden in de jaren direct na de revolutie in het kader van de landhervorming veel grootgrondbezitters onteigend, een maatregel die later weer grotendeels werd teruggedraaid. De ho~e mate van politieke instabiliteit is m Portugal samengegaan met een aanzienlijk verlies aan welvaart, niet aUeen in relatieve zin, in vergelijking met de ontwikkeling in Europa, maar ook absoluut. Een grote dreiging, dat de democratie weer omver zou worden geworpen, door rechts of door links, is echter niet meer gevoeld. Voor Spanje en Portugal betekent het lidmaatschap van de EG dat de politieke situatie verder gestabiliseerd is.

Zowel op het Iberisch schiereiland zelf als daarbuiten wordt niet meer serieus rekening gehouden met een omverwerping van de democratische structuren. Beide landen worden door de toetreding gedwongen zich politiek nog verder aan te passen, aan het vaak moeizaam besluitvormingsmechanisme van de Europese Gemeenschap. In zowel Spanje als Portugal bestaat weinig serieuze tegenstand tegen het lidmaatschap van de Gemeenschap. Afgewacht moet worden hoe de houding tegenover Europa zich ontwikkelt, als de EG tot besluiten komt die het directe Spaanse of Portugese belang schaden. Modernisering Op economisch gebied is het weer de

paraDel tussen Spanje en Portugal die zich het eerst opdringt. Beide landen, hoewel Spanje m veel sterkere mate dan Portugal, hebben de afgelopen decennia de eigen economie door tolmuren afgeschermd tegen een te sterke invloed van het buitenland. Achter die tolmuren heeft het bedrijfsleven de invloed van de buitenlandse concurrentie maar ten dele ondergaan. Zo waren de economieen van de dictaturen niet te zeer afhankelijk van het buitenland. Dit politieke voordeel had in economisch opzicht uiteraard voornamelijk nadelen. In strikt economische termen: de internationale arbeidsverdeling volgens de wet van de comperatieve kostenverschillen werd er ernstig door gefrustreerd. De Spaanse en Portugese industrie werd door onvoldoende concurrentie veel te weinig geprikkeld tot een efficiĂŤnte bedrijfsvoering. Een fatsoenlijke bedrijfseconomische kostencalculatie bleef veelal achterwege. En de fiscus tolereerde blijkbaar dat het ook met de boekhouding in het algemeen niet zo nauw werd genomen. Kortom de economie op het Iberische schiereiland verstarde in hoge mate en kon internationaal niet meer meekomen. Op de lange duur heeft dit voor beide economiEĂŤn een aanzienlijk verlies aan wel vaart tot gevolg gehad. Technologisch hoogwaardige produkten, of voor de consument luxe artikelen, werden op het Iberisch schiereiland zelf niet of nauwelijks geproduceerd en moesten tegen hoge prijzen worden ingevoerd, waarbij de consument uiteraard ook de importheffing te be-


23

De nieuwe Europese Commissie rond de \'ergadertafel in Brussel. talen kreeg. Aan die situatie wil men, ven is dat, enkele uitzonderingen

in Spanje meer uitgesproken dan in Portugal, nu een einde maken. De toetreding dwingt tot afbraak van de importtarieven ten aanzien van de EG-landen, en tot afbraak van de importtarieven voor derde landen tot aan het bestaande EG-tarief. De EG heeft Spanje en Portugal zeven jaar de tijd gegeven om tot een volledige tariefafbraak te komen. De toetreding heeft voor het Iberisch schiereiland dus een grote exogene economische schok tot gevolg: het bedrijfsleven, en ook de boeren moeten ZIch aanpassen aan een grote, open consumentenmarkt, die volop kansen biedt, maar vooreerst om aanpassing van de verouderde economische structuren vraagt. Overigens mag de geslotenheid van de Spaanse en Portugese markt niet overdreven worden. Ondanks de importtarieven kwamen toch heel wat buitenlandse produkten op het iberisch schiereiland op de markt. B0vendien hebben veel multinationals zich een plaats op de markt verworven, door zich op het Iberisch schiereiland met eigen fabrieken te vestigen, daarmee de importtarieven ontwijkend. De grote beperking van de Spaanse en zeker de Portugese bedrij-

daargelaten, men zich niet pleegt in te spannen om de eigen produkten op buitenlandse markten te verkopen. Een Nederlandse fabrikant zal zich, als hij daar kansen in ziet, zelf actief inspannen in het buitenland om op die markten zijn produkt te verkopen. De Spaanse en de Portugese ondernemers hebben weinig gevoel voor mogelijke exportkansen. De produkten van het Iberisch schiereiland die in de andere EG-landen op de markt komen, zijn er niet op aggresieve wijze aan de man gebracht, maar zijn gehaald door importeurs uit de andere Europese landen. De schok van de toetreding tot de EG moet nu tot de noodzakelijke vernieuwin!\ van de economische structuren lelden. Yoor een deel is men daarmee al op weg. Zowel Spanje als Portugal kampt met een /loot aantal verliesgevedde staatsbedrijven die zwaar drukken op het overheidsbudget. In Portugal bestaat ongeveer de helft van de buitenlandse schuld, in totaal zo'n $ 15 mrd. uit schuld van de staatsbedrijven. In Spanje heeft de staatshoudstermaatschap'pij IN1 de grote verliesgevende bedrijven in bezll. Het IN1 moet jaarlijks forse bedragen van de banken lenen om deze verliezen af te dekken.

De sanering van de verliesgevende bedrijven wordt echter in sterke mate afgeremd door de moeilijke werkgelegenheidssituatie in beide landen. Spanje kent een werkloosheid van ruim twintig prooent van de actieve beroepsbeVOlki~' n een Europees record. In Portu is de werkloosheid een prooent 0 elf. In beide landen zijn de sociale voorzieningen dermate beperkt dat verdere groei van de werkloosheid, bijvoorbeeld door sanering bij de staatsbedrijven, misschien wel noodzakelijk is, maar politiek moeilijk te verwezenlijken. Een verbetering van de werkgelegenheidssituatie is voorlopig vermoedelijk niet te verwachten. De meningen lopen er weliswaar wat over uiteen, toch is de algemene vrees, zeker bij de Spaanse en Portugese werkgevers, dat nog veel kleine en middelgrote bedrijven de komende jaren onder de toegenomen concurrentie vanuit Europa over de kop zullen gaan. De werkgeversorganisaties verwijten hun regeringen dat de informatie voor de bedrijven over de effecten van de toetreding veel te beperkt is geweest. Een veel gehoord geluid is ook dat veel kleine en middelgrote bedrijven door de recessie, vooral in Portugal, al over de kop zij n gegaan. De nood-


24

De ondertekening van het Portugese toetredingsverdrag door de toenmalige premier Soares (links) en zijn minister van buitenlandse zaken Jaime Gama (rechts).

zakelijke sanering heeft in die visie dus al grotendeels plaats gehad. De parallellen in de economische ontwikkeling van beide landen zijn dus aanzienlijk. Zo voeren Spanje en Portugal een op stimulering van de buitenlandse investeringen gericht beleid. Met behulp van buitenlands kapitaal beoogt men niet alleen de werkgelegenheidssituatie te verbeteren. Het aantrekken van buitenlandse bedrijven wordt ook gezien als de manier om de nieuwste technologische kennis in huis te halen. De buitenlandse ondernemers kunnen b0vendien bijdragen aan de noodzakelijk geachte verandering van de mentaliteit van het eigen bedrijfsleven.

der makkelijk wat wint. Zo is niet duidelijk of Spanje dit jaar al een nettobetaler aan de gemeenschapskas zal worden. Volgens afspraak zou Spanje de eerste jaren geen netto-betaler worden, maar nu in Brussel besloten is dat bezuinigd moet worden op de middelen waarover de verschillende EG-fondsen kunnen beschikken, is het niet duidelijk of die afspraak wel nagekomen zal worden. De economie van Spanje heeft de laatste jaren een weInig spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt. De inflatie is teruggebracht tot een niveau van onder de tien procent en zal dit jaar vermoedelijk niet verder afnemen. De handelsbalans kende in 1984 een duidelijke verbetering door de toegenomen export naar de VereTussenfase Het belan~jkste verschil op econonillde Staten. Deze ontwikkeling is inmisch gebIed tussen Spanje en Portu- 1TI1ddels weer omgekeerd. In velerlei opzicht doet de Spaanse economie gal is, dat het eerste land een stuk het niet slecht, zonder dat van duideverder op weg is van een agrarische maatschappij naar de ge誰ndustrialilijke successen sprake is. Misschien is seerde samenleving. Portugal heeft wel een van de belangrijkste voordewel industrie, maar op een nog zo be- len dat de huidille regenng een zakelijke, ondogmatIsche aanpak heeft, perkte schaal dat het land zich nog die vooral de ondernemers uit het volledig in een tussenfase bevindt op buitenland aanspreekt. weg naar een gemdustrialiseerde saPortugal daarentegen is de afgelopen menleving. Spanje heeft de voordelen van de gro- twee jaar door een diep dal gegaan. De hoge buitenlandse schulden tere welvaart en daardoor tegelijkertijd het nadeel dat het met de toetre- dwonllen de vorige regering, van de socialist Mario Soares, tot verregaanding meer te verliezen heeft en min-

de bezuinigingen, met als gevolg dat het bruto nationaal produkt in 1983 en 1984 een negatieve groei kende. Met de toetreding tot de EG kan het, ondanks alle problemen, in Portugal nauwelijks meer slechter gaan. Portugal wordt het eerste jaar meteen een netto-ontvanger uit de EG-kas. Zo zal er uit het landbouwfonds over een periode van tien jaar zevenhonderd miljoen ECU (zo'n 1,8 miljard gulden) beschikbaar worden gesteld voor verbetering van de volkomen achtergebleven Portugese agrarische sector. Daarnaast wordt door de nieuwe regering, een minderheidsregering, van de uiterst ambitieuze premier Aniba! Cavaco Silva een veel meer op expansie gericht economisch beleid gevoerd. Een beleid dat, zolang het niet tot toeneming van de buitenlandse schuld leidt, het vertrouwen van de ondernemers zeker zal vergroten. De omvangrijke en traall marcherende overheidsbureaucratIe zou daarbij ook eens moeten worden aangepakt. Maar dat vraagt om een beleid dat veel moeilijker is dan het opvoeren van de overheidsuitgaven. VIer (Dit artikel is geschreven door J. F. Hinrichs, econoom en werkzaam als redacteur bij Het Financieel Dagblad.)


ABONNEE WERFT ABONNEE Iedere abonnee van Jason Magazine ontvangt voor iedere nieuwe abonnee die hij ofzij aanbrengt TIEN GULDEN. Vindt drie nieuwe lezers van Jason Magazine en je eigen abonnement is GRATIS. Stuur naam en adres van de nieuwe abonnee naar het secretariaat van Jason, Alexanderstraat 2 in Den Haag. Vergeet niet je naam te vermelden.

ABONNEE WERFT ABONNEE

r--------------------------------------------------------------------------. /986/ ",. / Ik abonneer mij hierbij op Jason Magazine en ontvang tegen betaling van f 30.- zes nummers in de komende twaalf maanden.

Naam:

Adres: ........... ........................... .................................... ............... . Woonplaats: ................................................................................ . Telefoon: .................................................................................... . (U wordt verzocht te wachten met betaling totdat u een acceptgirokaart wordt toegezonden)


INDEX JASON '84/,85 2. Mensenrechten en Ontwikkelingssamenwerking.

Yvonne Klerk

De CVSE·Mensenrechtenbijeenkoffist te Ottawa, mei/juni 1985. Rede van minister Schoo o\'cr aspecten van het mensenrechtenprobleem. Rechten van de mens: mondiale of regionale bescherming?

Jan Pronk (interview)

Jaap ede Vries

'Nederlandse hulpverlcnin$ niet meer gericht ,?P armoedebestrijd ing', Scxtocnsme: '( hate it, but I need the money',

3. Japan, "het land van de rijzende macht" Dr.K. W.Radtke Sneeuw in Hakone. Mr.Drs.D.J.Eppink Europa-Japan: gemeenschappelijke belan~cn

en een gezamenlijke aanpak?

Dhr,Suzuki, direkteur 'Restneties zullen worden YKK (interview)

weggenomen".

Dr. Wisse Dekker (interview)

Drs.P.N. HQiJfkens L.L.S.Bartalits

Afr,L.J.Brinkhorsl

'Japanners zijn one-track minded', De Japanse buitenlandse politiek: van passiviteit naar engagement. Japan en de Russische machtspolitiek in hel Verre Oosten. Japan, een uitdaging voor Europa?

4. De Nederlandse kemwapentaken: Van zes naar...? Drs. D. Zandeeen F. Caris. 11. Kor/huus Ur. A. S/el1/erdink

Nederland en de kemwapcntaken: van zes naar... ? De rol van kernwapens in de NA VO-strategie. Nederland moct voorlopig cen kernwapen laak behouden. T. Fr/llkmg Elk krijgsmachtonderdeel zijn eigen kemwapentaak. Prof dr. J. Voorhoe\'e Geen kcmwapenlaken op bondgenoten afschuiven. Mr. AI. Stelling Nederland moet kernwapcntaken onvoorwaardelijk ophefTen.

5. Veertie jaar Verenigde Naties.

Prof. dr. P. R."lIàehr VN niet meerdan de lidstaten ervan willen maken. Mr. Af. \'an der Stoel VN niet weg te denken uit onze wereld. (inten'il'l\~ Mr. 1. E. Vosskühler Is er voorde VN nog leven na de veenig? Drs. B. ter flaar VN en ontwapening: weinige resultaten toch van grOOI belang. Prof. mr. VN en de mensenrechten: Op de lange duur toch resulP. J-J. Kooymans taat.

-----------------------------------_._-------------------------------------, Kan ongefr. verzonden worden.

Jason Antwoordnummer 2187 2500 ZJ Den Haag

••


Jason magazine (1986), jaargang 11 nummer 1