__MAIN_TEXT__

Page 1

NOORI)SE BALANS Koorddansen in ScandinaviĂŤ

Tevens: Multinationals in de Derde Wereld


~ Jil50n Secretariaat en Redactie: A1elWlderstraat 2 2514 JL Den Haag Telefoon: 070 - 60 56 58 Postgiro: 3561025 Bank: 45.68.55.548 Abonnementsprijzen 130,- per jaar (6 nummers, behoudens

Inhoud van dit nummer: Redaktioneel

1

De buitenlandse politiek van Zweden; het dilemma van de gewapende neutraliteit Drs. J. Q. Th. Rood

3

Veiligheidsbeleid in Denemarkett Mr. P.L. de Quant

10

Noorwegen in een nieuwe rol Drs. T.F. Konst

13

verschijning van een dubbelnummer).

Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarne ver-

De buitenlandse politiek van Noorwegen, . 16 rede van de Noorse Minister van Buitenlandse Zaken, Svenn Stray, voor de Storting op 5 december 1984

strekt door de penningmeester van de Stichting.

Dagelijks Bestuur:

Penningmeester

Frank e aris Jaap de Vries Yvonne KJerk Frank Marcus

Public Affairs

Herman van

Public Relations

Campeohout Karen van Bergen Erica Veenendaal

Voorziner

Vice-Voorzitter Secretaris

Algemene Zaken

From Pax Russica to Pax Sovietica, problems of continuity and change in Finnish foreign policy. Prof Dr. Osmo Apunen

19

Finland en Finlandisering. Een voorbeeld voor de weg naar een "geëuropeaniseerd" Europa? Prof Dr. K.P. Tudyka

23

De supermachtett en de wereldvrede, verslag van een Jason-SIB debat. Hans-Martien ten Napel

25

Algemeen Bestuur: P. de Baan (hoofdred. Jason-Mag.) drs. M.A. van Drunen Linel R. Geurtsen Mr. P.H. Goedhart Mr. H.C. de Groene

00. M. Roemers drs. L. Schaapbok drs. Th .M.A. Verhagen M. Verweij drs. M.T . Verweij van der Meulen J .P. Westboff drs. F.Z.R . Wijche ..

Gedragscodes voor ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven . Wicher Smit en Leo van Velzen

Wat is goed voor de Derde Wereld: Multinationals? Een kritische kanttekening bij de (Nederlandse) partikuliere investeringen in ontwikkelingslanden 34 Fons van der Velden Multinationals ett de Nederlandse arbeidsmarkt Piet ScheeIe

Leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leden van het Algemeen Bestuur.

Raad van Advies: dr. W.F. van Eekelen (voorz.) H.J.M. Aben H. Gabriël, dr. A.M .C.Th. van Heel-Kasteel van den Heuvel dr. L.G.M. Jaquet R.C. Spinosa Cattela

c.c.

drs. EJ. van Vloten Mr. J . Vos

Redactie JASON-Magazine Hoofdredacteur Redactieleden

Pieter de Baan Evert Jan Raven Guido Vigeveno Govert-Jan Bijl de Vroe Alexander Alting von Geusau Eugèn van de Pas Marieke van den Braak Hans- Martien ten Napel Amoud Schmutzer

Foto voorpagina: Noord-Europa in kaart.

28

Dt nu geslottn vestiging van Union Carbidt in Bhopal (India).

40


Redactioneel Traditioneel, zo constateert één van de auteurs in dit nummer van Jason-Magazine, wordt Noord-Europa als een stabiel gebied beschouwd. Dat is juist en mogelijk één van de redenen waarom de Scandinavische landen relatief weinig in het nieuws komen. Zelden verschijnt de regio op de voorpagina van dagbladen en hele jaargangen van tijdschriften op het terrein van de internationale politiek zien het licht zonder dat een land als Noorwegen een plaats weet te bemachtigen in de index. Niettemin slagen incidenten erin de aandacht te trekken van een breed publiek. In dit verband kan gewezen worden op de Russische onderzeeër die in oktober 1981 in de direkte omgeving van de marinebasis Karlskrona voor de Zweedse kust vastliep en de Russische doelraket voor luchtafweergeschut die in december 1984 uit de koers raakte en via het Noorse luchtruim in het Finse lnarimeer terecht kwam. Doel van dit nummer van Jason-Magazine is het schetsen van een behoorlijke achtergrond waartegen de incidentele berichtgeving in de media gezien kan worden.

Tussen Oost en West Een deel van de Zweedse bevolking wordt welhaast spelenderwijs in aanraking gebracht met de veiligheidsproblematiek van het land: van het spel 'onderzeebootjacht', waarin min of meer de spot wordt gedreven met de weinig succesvolle pogingen van de regering om een einde te maken aan schendingen van territoriale wateren door buitenlandse onderzeeërs, zijn sedert de lancering in december 1983 reeds meer dan 20.000 exemplaren verkccht. Behalve onder de bevolking leeft de veiligheidsproblematiek vanzelfsprekend in regeringskringen en ligt daar zelfs bijzonder gevoelig. Zo bracht een vraaggesprek met de Zweedse Minister van Buitenlandse Zaken Bodström, waarin deze zich in minachtende termen uitliet over het onderzoek dat in 1983 door het Zweedse Ministerie van Defensie werd ingesteld naar de schendingen van de territoriale wateren, in februari 1985 generaal Ljung - opperbevelhebber van de Zweedse strijdkrachten - ertoe zijn ontslag te overwegen en de Zweedse Minister van Defensie Thun-

berg tot het besluit na de algemene verkiezingen van 15 september af te treden. De verwikkelingen van Z weden en de situatie in Scandinavië in het algemeen worden niet alleen in Stockholm, maar ook in Washington, Brussel en Moskou nauwkeurig gadegeslagen. Voor zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie zijn onder meer het Baltisch en Arctisch gebied in menig opzicht van groot belang.

Noordse balans De stabiliteit van Noord Europa komt duidelijk tot uiting in het begrip Noordse balans (Nordisk Balanse in het Noors). Met deze term kan zowel geduid worden op het evenwicht tussen de Navo en het Warschaupact als op het evenwicht dat in de regio bestaat tussen het Noorse Navo-lidmaatschap, de verhouding Finland/ SovjetUnie, de Zweedse neutraliteit, de Deense tussenpositie en de functie van Usland. Een geringe verandering van de status quo kan een ernstige verstoring van het evenwicht in Noord Europa veroorzaken met alle gevolgen van dien: het lijkt daarom niet overdreven om te spreken van koorddan sen in Scandinavië, evenwichtskunst om de Noordse balans in stand te hou-

De Ministers van Defensie van Noorwegen, Nederland en Denemarken: Sjaaslad, De Ruiter en EngelI.


den. In dit nummer van Jason-Magazine wordt een viertal Scandinavische landen onder de loep genomen. In het openingsartikel gaat Rood in op de vraag of de schendingen van het Zweedse territoir beschouwd dienen te worden als pure incidenten, als een tegen Zweden gericht beleid of als uitvloeisel van ontwikkelingen in de Oost-West betrekkingen die zich ook in Noord Europa openbaren. Hiertoe geeft hij een korte schets van de Zweedse buitenlandse politiek om vervolgens vanuit een meer algemene beschrijving van de politiek-militaire ontwikkelingen op de Europese Noordflank de Zweedse veiligheidssituatie te schilderen. Op basis hiervan formuleert Rood enige conclusies over de mogelijkheden voor Zweden om ongebonden en neutraal te blijven voortbestaan. De Quant tekent in zijn artikel het Deense veiligheidsbeleid als het kind van de rekening van enerzijds de Deense minderheidskabinetten van het laatste decennium, anderzijds van het feit dat Denemarken in Europa op het kruispunt ligt van de Oost-West en Noord-Zuid betrekkingen. In het artikel van K onst wordt ingegaan op de invloed van de geopolitieke situatie van Noorwegen en recente ontwikkelingen op economisch terrein

op de internationaal-politieke rol van Noorwegen. Het stuk kan in combinatie met de passages uit een recente toespraak van de Noorse Minister van Buitenlandse Zaken Stray tot de Storting, het Noorse parlement, een aardig beeld geven van de buitenlands-politieke oriëntatie van Noorwegen. Apunen plaatst het Finse buitenlandse beleid ten tijde van Paasikivi en Kekkonen in een historisch perspectief. Hopelijk weerhoudt de taalbarrière U niet ervan kennis te nemen van de uitwerking door deze Finse hoogleraar van de these, dat het na-oorlogse Finse buitenlandse beleid een voortzetting is van het beleid uit de negentiende en begin twintigste eeuw, een terugkeer naar een lange traditie die slechts in de twintiger en dertiger jaren van deze eeuw onderbroken werd. De Nijmeegse hoogleraar Tudyka beschrijft voorts de buitenlands-politieke oriëntatie van Finland, daarbij teruggaand tot de Fins-Russische Winteroorlog. Tevens gaat hij in op de vraag in hoeverre het Finse model, waarin de burgerlijke vrijheden gehandhaafd worden zonder de veiligheidsbelangen van de SovjetUnie te bedreigen, een alternatief vormt voor de na de Tweede Wereldoorlog in Europa ontstane internationaal-politieke constellatie.

Jason-SIB debat Na de reeks van zes artikelen over Scandinavië, treft U een verslag aan van een J ason -SIB debat. Naar het model van Cambridge Union Debating-Society werd door een achttal pleiters gedebatteerd over de stelling dat de Verenigde Staten een grotere bedreiging voor de wereldvrede vormen dan de Sovjet-Unie. In dit Magazine een overzicht van de belangrijkste argumenten die gebruikt werden en de stemverhoudingen op 28 januari j.l.

Multinationals Tenslotte treft U drie artikelen aan, handelend over multinationale ondernemingen. Aangezien om organisatorische redenen een apart gepland magazine over "Multinationals in de Derde Wereld" niet haalbaar is gebleken, zijn slechts enkele bijdragen met betrekking tot dit thema toegevoegd. Hoewel de door de redactie voorgestane brede benadering niet mogelijk bleek, gelooft zij de lezer hiermee toch interessante informatie te kunnen bieden.

De Stichting Jason en de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen Amsterdam organiseren op in het voorjaar te Amsterdam een conferentie over "Mensenrechten en Ontwikkelingssamenwerking". Nadere informatie volgt.

2

HMtN


De buitenlandse politiek van Zweden: het dilemma van de gewapende neutraliteit. Op 27 oktober 1981 liep een Russische onderzeeër van de Whisky-klasse vast voor de Zweedse kust. Het schip bevond zich niet alleen binnen de Zweedse territoriale wateren maar ook in verboden militair gebied, namelijk in de omgeving van de grote Zweedse marinebasis Karlskrona in het zuiden van Zweden. Om daar te kunnen komen, had de onderzeeër zich door een wirwar van kleine eilanden, rotsformaties en zandbanken moeten manoeuvreren. Het excuus van de Russische autoriteiten, dat er sprake was van een navigatiefout tijdens de normale oefentocht, klonk dan ook niet al te overtuigend. De opwinding over het incident werd nog groter toen na metingen het vermoeden rees dat de conventionele duikboot nucleaire wapens aan boord had, te weten met een atoomkop uitgeruste torpedo's. In deze zin geuite beschuldigingen van de kant van de toenmalige regering Fälldin werden niet door de Sovjetunie (SU) ontkend. Het beschreven incident is er één, en tot nu toe het meest dramatische, in een lange rij van door de Zweedse regering gerapporteerde schendingen van de Zweedse territoriale wateren door niet geïdentificeerde onderzeeboten. I Pogingen om dergelijke indringers boven water te halen, zoals bv. in 1980 gedurende een twee weken durende zoekaktie in de buurt van Stockholm, hebben ondanks het gebruik van o.a. dieptebommen nooit concreet resultaat opgeleverd. Desondanks wordt algemeen aangenomen dat de schendingen voor het merendeel voor rekening van de landen van het Warschaupact komen, in het bijzonder de SU; een veronderstelling die slechts is versterkt door het incident van oktober 1981. Dit laatste incident heef! geen einde gebracht aan de reeks van gerapporteerde schendingen. Ook in 1982 en 1983 wordt het binnendringen van vreemde duikboten gerapporteerd, waarbij opvalt dat nu ook mini-onderzeeërs worden gebruikt.' Tevens beperken de schendingen zich niet tot de Zweedse wateren. Ook het Zweedse luchtruim wordt herhaaldelijk door Russische straaljagers geschonden. Het meest spectaculaire voorval vond plaats op 9 augustus 1984, toen een verkeersvliegtuig van Scanair lange tijd gevolgd werd door een Russische jachtbommenwerper, waarbij dit laatste vliegtuig gedurende ± 5 minuten binnen het Zweedse luchtruim kon verblijven, zonder door de Zweedse luchtmacht te worden onderschept. De beschreven gebeurtenissen zijn niet zonder gevolgen gebleven. Afgezien van de door de militairen bepleite noodzaak om de Zweedse defensie-uitgaven te verhogen . een verzoek waaraan slechts ten dele kan worden voldaan' - blijkt uit uitspraken van Zweedse politici en militairen dat men zich bedreigd voelt in wat altijd de kern is geweest van de Zweedse buitenlandse politiek, namelijk de Zweedse neutraliteit. Om dit gevoel te kunnen begrijpen hoeft men zich niet de uitspraak van de voormalige chef-staf van de Zweedse marine eigen te maken, die in 1982 tegenover het Svenska Dagbladel verklaarde, dat ' een buitenlandse mogendheid een oorlog voorbereidt tegen Zweden'. Ook de uitspraken van de huidige premier Olof Palme, bv. tijdens het congres van zijn Sociaal Democratische Partij in 1984, en de toespraak van de Zweedse ambassadeur bij de Verenigde Naties waarin de SU met naam en toenaam wordt genoemd, wijzen op een groeiende bezorgdheid bij de Zweedse beleidsmakers, en ook bij de Zweedse bevolking, over de nationale veiligheid, maar tevens op een verbale verharding van het buitenlands beleid.

De Zweedse veiligheidsproblemen De problemen waarmee de Zweedse politici zich geconfronteerd zien, betreffen niet primair de vraag hoe concreet te reageren op schendingen van het territoir door een vreemde mogendheid, maar raken inderdaad aan de filosofi e van de neutraliteit die reeds lang aan het Zweedse buitenlandse beleid ten grondslag ligt.

Te n eerste, de schendingen en met name de wijze van afwikkelen daarvan doen twijfels rijzen over de kwaliteit van het Z weedse defensie-apparaat, in het bijzonder de luchtverdediging en de onderzeebootbestrijding. Het klaarblijkelijk onvermogen om indringers te velj agen , boven water te halen of zelfs maar te ontdekken' kan op langere termijn de geloofwaardigheid van de Zweedse defensie aa ntasten. Het door

Door drs. J.Q.Th. Rood, wetenschappelijk medewerker Leer der Internationale Betrekkingen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

de Zweden gevoerde beleid van gewapende neutraliteit w u door w'n aantastiog ook op losse schroeven komen te staan. O f wals Olof Palme tijdens het genoemde congres opmerkte:

'(. . .) if our abilily 10 defend our territory by military m eans is cast in doubt we cannot pursue our policy of neutrality. ' De Zweedse neutraliteitspolitiek is echter niet alleen gebaseerd op de aanwezigheid van een adequate defensie, maar ook op een meer actieve politiek van ongebondenheid. Dit laatste houdt niet aUeen in afzijdigheid van (militaire) allianties en o rganisaties als NAVO, WEU, Warschaupact en EG , maar ook en met name het voeren van

een actieve politiek op het terrein van wapenbeheersing en ontwapening, mensenrechten, ontwikkeling van de Derde Wereld, etc .. Verontrustend voor de Zweedse beleidsmakers is dat de zelf gekozen neutraliteit en zelfs het voeren van een actieve neutraliteitspo litiek gericht op ontspanning en rechtvaardigheid blijkbaar geen garantie biedt voor eerbiediging van die neutraliteit door andere mogendheden. Een constatering waarmee het gehele concept van neutraliteit als politiek tot bescherming van de nationale soevereiniteit ter discussie komt te staan. Los van de vraag of dit tot de conclusie dient te leiden dat vervolgens deze neutraliteitspolitiek moet worden ingeruild voor (formele) binding of onderschikking aan één van de machtsblokken - een conclusie waaraan de Zweden-(nog) niet toe zijn - rijst het probleem of de geringe eerbied van de SU voor de Zweedse neutraliteit de beleidsmakers tot stappen zal dwingen 3


die, hoewel dienend om de politiek van neutraliteit en ongebondenheid aan geloofwaardigheid te doen winnen, uiteindelijk zal leiden tot wat door de SU als een doorbreking van de Zweedse evenwichtspolitiek zal worden opgevat en er vervolgens in zal resulteren dat Zweden zijns ondanks in het kamp van de tegenstander zal worden geplaatst. Dit hangt samen met een meer fundamenteel probleem waarmee de Zweden worden geconfronteerd. In welk licht moeten de schendingen van het territoir worden gezien? Is hier sprake van incidenten of van een tegen Zweden gericht beleid? Of hangen deze schendingen samen met ontwikkelingen in de Oost-West verhoudingen die zich ook in Noord Europa openbaren? Het antwoord op deze vragen bepaalt in hoge mate het vermogen van de Zweden om een adequaat en geloofwaardig antwoord te bieden en w de neutraliteitspolitiek hoog te houden. Waar dit vermogen in het geval van een confrontatie tussen een betrekkelijk klein land als Zweden en een grote mogendheid als de SU so wie so laag moet worden aangeslagen, zal duidelijk zijn dat dit vermogen om gebeurtenissen op de Europese Noordflank te beïnvloeden nog geringer zal zijn als blijkt dat de Zweedse ervaringen het gevolg zijn van een zich over hun hoofden heen afspelend (zich intensiverend?) Oost-West conflict. Mocht dit laatste het geval zijn, dan wu het onontkoombaar worden te concluderen, dat de Zweedse neutraliteitspolitiek niet een Zweedse verdienste is, maar staat of valt met ontwikkelingen in de verhoudingen tussen de SU en de VS. Voor de Zweedse beleidsmakers levert dat dan het, gezien hun geringe vermogens, zeer moeilijk oplosbare probleem op dat waar in tijden van toenemende spanning het belang van een actieve neutraliteitspolitiek het grootst is, tegelijkertijd de ruimte om de internationale situatie ten eigen gunste te beïnvloeden afneemt. De paradox is de tragiek van het Zweedse buitenlandse beleid en bepaalt de toekomst van Zweden als neutrale staat. Hieronder zal ik trachten op dit meer fundamentele probleem een antwoord te geven. Alvorens dit te doen, zal ik echter kort de Zweedse buitenlandse politiek schetsen, teneinde vervolgens vanuit een meer algemene beschrijving van de politiek/ militaire ontwikkelingen op de Europese Noordflank de Zweedse veiligheidssituatie aan te geven. Vanuit deze beschrijving zal ik vervolgens enkele conclusies trekken over de mogelijkheden van Zweden 4

om ongebonden en neutraal te blijven voortbestaan.

De politiek van de gewapende neutraliteit. De Zweedse neutraliteitspolit'ek dateert uit de 1ge eeuwen is feitelijk ingegeven door het machtsverval dat het land gedurende de 18e eeuw heeft doorgemaakt. Kon het land in de 17e eeuw nog een rol spelen als grote Europese mogendheid, in de 18e eeuw verslechterde de Zweedse positie snel en bleek het land niet meer in staat om in macht te wedijveren met Rusland en het snel machtiger wordende Pruisen/ Duitsland. De vervolgens in de 1ge eeuw geproclameerde neutraliteitspolitiek heeft er in ieder geval toe geleid, dat Zweden buiten de beide wereldoorlogen is gebleven en nu reeds een periode van 170 jaar vrede kent. Over de noodzaak en wenselijkheid van deze neutraliteitspolitiek heeft altijd brede overeenstemming bestaan tussen de in het Zweedse parlement vertegenwoordigde partijen. Het buitenlandse beleid is zelden een ver kiezingsitem geweest. De regeringswisselingen die het land sinds 1976 heeft doorgemaakt zijn te herleiden tot meningsverschillen over het economisch beleid en over het gebruik van kernenergie. Daar de Zweedse Sociaal Democratische Partij het land van 1932 tot 1976 vrijwel onafgebroken heeft geregeerd wordt de neutraliteitspolitiek veelal aan de sociaal-democraten toegeschreven. Wat houdt deze neutraliteitspolitiek

in? 'The guiding principle of Swedish foreign policy is non-participation in alliances in peacetime aiming at neutrality in the event of war. '5

Met andere woorden, in tijd van vrede geen partij kiezen teneinde ten tijde van oorlog neutraal te kunnen blijven. Het land stelt zich dus buiten, en bij voorkeur lUssen, de beide momenteel in Europa dominante machtsblokken op en heeft zich ook niet op andere wijze aan het veiligheidsbelang van andere staten gecommiteerd 6 Het principe van de ongebondenheid vereist dat in de praktische buitenlandse politiek aan de grote mogendheden geen enkele reden wordt gegeven te twijfelen aan de Zweedse neutraliteit in geval van oorlog. Teneinde aan deze voorwaarden (ongebondenheid en geloofwaardigheid) te kunnen voldoen voert Zweden een buitenlands beleid dat op twee pijlers berust.

Defensie De eerste pijler wordt gevormd door het in stand houden van een defensieapparaat. De filosofie hierachter is dat een sterke defensie noodzakelijk is om de politiek van ongebonden geloofwaardigheid te houden (zie citaat Palme, p.2). Door te tonen op eigen kracht te vertrouwen wordt het potentiële tegenstanders moeilijker gemaakt Zweden van partijdigheid te beschuldigen of het land te verdenken van alliantievorming. Het moment waarop onverhoopt de bescherming van anderen moet worden gezocht wordt via zo'n defensieïnspanning bovendien uitgesteld. Daarnaast wordt het voor een tegenstander minder aantrekkelijk gemaakt om misbruik te maken van de Zweed.se neutraliteit en functioneren Zweedse strijdkrachten aldus als een middel tot afschrikking. Op deze manier is, in ieder geval in de Zweedse visie, de kans dat het buiten een oorlog kan blijven het grootst. 7 Deze uiteindelijke keuze voor een politiek van gewapende neutraliteit - te onderscheiden van een neutraliteitspolitiek waarin de welwillendheid of goede bedoelingen van de buurlanden wordt vertrouwd - heeft een aantal belangrijke consequenties. Ten eerste, in tegenstelling tot andere kleine landen die wèl lid zijn van een militaire alliantie is het gegeven hun politieke stellingname aan de Zweden niet gegeven om voor hun veiligheid een zgn. 'free ride' te maken op de rug van de alliantieleider. Waar bv. Westeuropese staten als Nederland m.n. in de jaren vijftig en zestig - en volgens sommige politici nog steeds - de verdediging van West Europa en daarmee van hun eigen grondgebied aan de inspanningen van de VS konden overlaten, hebben de Zweden deze inspanningen altijd zelf moeten leveren. Daarbij is zelfs de mogelijkheid van een eigen Zweeds kernwapen enige tijd overwogen' De Zweden hebben uiteindelijk echter gekozen voor de duurdere oplossing van conventionele bewapening. Van de kleine Westeuropese landen beschikt Zweden waarschijnlijk over de sterkste defensie. Dit defensie-apparaat bestaat uit landmacht, luchtmacht en marine. Daarnaast zijn er enkele vrijwillige verdedigingskorpsen. Het land kent dienstplicht voor alle mannelijke inwoners tussen 18 en 47 jaar. De militaire opleiding varieert van 7 tot 10 maanden. Via een systeem van herhalingsoefeningen wordt de geoefendheid van de mobilisabele troepen op peil gehouden. De kern van het verdedigingssysteem is dat in tijd van conflict deze


mobilisabele eenheden snel operationeel kunnen zijn. Voor wat betreft bewapening zijn de strijdkrachten adequaat en modem uitgerust. Het percentage van het BNP dat aan de krijgsmacht gespendeerd wordt is echter de laatste jaren gedaald, hetgeen gevolgen heeft gehad voor de omvang en bewapening van de diverse legeronderdelen. Werd tot ± 1965 5% van het BNP per jaar aan defensie besteed, sindsdien heeft zich een dalende tendens ingezet en hebben de defensie-uitgaven zich gestabiliseerd op ± 3.5%. Daarmee kan Zweden weliswaar nog steeds één van de sterkste legers op de been brengen, maar de kwaliteit en de uitrusting ervan voldoet niet meer in alle opzichten aan de eisen van deze tijd. Dit geldt nog het minst voor de luchtmacht die traditioneel modem bewapend is. De omvang ervan is echter de laatste vijftien jaar gehalveerd, hetgeen, zoals uit recente incidenten is gebleken, de verdediging van het luchtruim soms moeilijk maakt. De marine heeft het duidelijkst geleden onder de bezuinigingen. Zo zijn alle oppervlakteschepen (destroyers) afgestoten, waarmee het land ook van zijn capaciteit tot zeebootbestrijding werd beroofd. De marine bestaat nu nog voornamelijk uit onderzeeboten en snelle patrouillevaartuigen. De landmacht van de diverse onderdelen, met name van de mobilisatie en territoriale eenheden, is echter achtergebleven, m.n. omdat Zweden pas vrij laat het tijdperk van de geleide wapensystemen is binnengestapt. Résumerend kan gesteld worden, dat het ondanks grote investeringen voor de Zweden steeds moeilijker wordt om nationaal in de eigen defensie te voorzien. Naast het feit dat veel onderdelen een reservestatus hebben en het systeem dus staat of valt met snelle mobiliseerbaarheid, kunnen luchtverdediging, onderzeebootbestrijding en de beschikbaarheid van geleide wapensystemen als zwakke punten genoemd worden'

Een in de Noordzee gefotograveerde Juliett-klasse onderzeeër, uitgerust met SS-N-3 kruisrakellen (het type dat onlangs Noors en Fins luchtruim schond).

Dit toenemend onvermogen om in de eigen defensie te voorzien komt misschien nog het duidelijkst tot uiting in het ontwikkelen van allerlei alternatieve defensiedoctrines, waarin de nadruk minder ligt op de aanwezigheid van geregelde legeronderdelen (Volksleger à la Joego-Slavië; territoriale verdediging; sociale verdediging e.d). iO Ten tweede, de politiek van de gewapende neutraliteit vereist niet alleen dat de Zweden zelfin een volwaardige defensie investeren, maar ook dat het leger met nationale middelen is uitgerust. Het land beschikt dan ook over een grote wapenindustrie die het merendeel van de wapens voor de drie krijgsmachtonderdelen produceert (van transportmiddelen tot straaljagers en tanks). Men tracht op deze wijze te voorkomen dat men door middel van wapenaankopen gelieerd raakt aan en afhankelijk wordt van andere landen en zo de gebondenheid aan geloofwaardigheid inboet. Dit streven naar

Tabel 1: Oe Zweedse strijdkrachten na mobilisatie

1966

1977

1982

20

20

11 9

7 11

Norrland brigades

4

Armored brigades

6 17 21 41 28 12 10 10

4 4

4 4

5 4

8

2 12 30 12

12- 14 29 12

Old inrantry brigades Ncw infantry brigades Dcstroycrs/ frigatcs Subrnarines Coast artillery balallions Fighter squadrons Strike squadrons Light strike squadrons

Reconnaissance squadrons

Uit: Dörfer, noot 9: 280

17 34

17 5.5

5.5

8 8

6 6

1992 (plannod)

5.5 6 6

autarkie beperkt zich niet alleen tot bewapening. De gehele defensieplanning is erop gericht om de afhankelijkheid van derden ten tijde van de oorlog te minimaliseren. Voor dat doel zijn strategische voorraden aan brandstoffen en andere grond·stoffen aangelegd. Echter, ook in hun streven naar autarkie ondervinden de Zweden toenemende problemen. Als moderne industriestaat is Zweden in hoge mate afhankelijk van in- en uitvoer van goederen. Om die reden is het economisch afhankelijk van de buitenwereld en dus kwetsbaar. Het probleem blijkt met name op het gebied van bewapening. De huidige wapensystemen zijn technisch zo gecompliceerd dat het voor een klein land als Zweden onmogelijk dreigt te worden om op eigen kracht bij te blijven. Dit geldt met name voor de zgn. 'precision guided munition' (PO M's) en militaire electronica. Het ontbreekt het land eenvoudig aan de mensen, de kennis en het kapitaal om dergelijke apparatuur zelf te ontwikkelen. Het materiaal is bovendien zeer duur. Ontwikkelingskosten kunnen alleen worden terugverdiend met serieproduktie, dus in het geval van Zweden: wapenexport. Dit laatste is bij gebrek aan traditionele markten en omwille van de neutraliteitspolitiek moeilijk. Als gevolg van deze ontwikkelingen moet men vaker onderdelen of wapensystemen in het buitenland kopen (m.n. de VS en Engeland) of buitenlandse ondernemingen bij de produktie van Zweedse wapensystemen betrekken. Bijvoorbeeld de voor de 5


Zweedse luchtmacht nieuw te ontwikkelen straaljager (JAS-Gripen) zal voor ± 30% uit buitenlandse, voornamelijk Amerikaanse, onderdelen bestaan. Het zal duidelijk zijn dat de neutraliteitspolitiek hierdoor in de kern wordt aangetast.

Ten derde, de politiek van gewapende neutraliteit vereist een zeer terughoudend defensieconcept. De Zweedse defensie is van strikt defensieve aard. Offensieve opdrachten kunnen met de huidige bewapening niet of nauwelijks worden uitgevoerd. Deze opstelling vloeit, enerzijds, bijna logisch voort uit de Zweedse neutraliteitspolitiek. De Zweedse ambities zijn nationaal van aard en reiken niet verder dan de eigen grenzen. Om deze grenzen te kunnen beschermen dient het leger vervolgens zo sterk te zijn dat een potentiële tegenstander zich wel tweemaal bedenkt alvorens Zweden aan te vallen of bij een oorlog te betrekken. Met andere woorden, het Zweedse leger moet in staat zijn om de kosten van een aanval (naast materiële en personele verliezen met name verlies aan tijd) zo hoog te maken dat het voordeef dat de tegenstander denkt te behalen daar niet tegen op weegt. Een offensieve bewapening is in dit concept niet op haar plaats. De concrete uitwerking van dit defensieconcept hangt, anderzijds, nauw samen met de wijze waarop Zweedse politici en militairen de plaats van Zweden in de wereld, in het bijzonder in Europa, zien, oftewel met de Zweedse defensiedoctrine. 11 Gevraagd naar de redenen waarom Zweden bv. buiten de beide wereldoorlogen heeft kunnen blijven, luidt het Zweedse antwoord dat dit natuurlijk een gevolg is van de neutraliteitspolitiek, maar ook van de geografische ligging van Zweden. Alhoewel het land strategisch van belang is, liggen de strategisch belangrijke punten van Scandinavië in andere landen, te weten in Noorwegen en Denemarken. Zoals Andrén over de doctrine opmerkt: 'An important point of departure is the assumption that Sweden 's strategie sifUation normally does not make the country an important strategie goal. ' (zie noot 8:30) Vanwege dit gerin/!e belang zal een aanvaller bereid zijn om zijn hulpbronnen slechts marginaaltegen Zweden in te zetten. De waarschijnlijkheid dat hij dit daadwerkelijk zal doen, neemt vervolgens weer af naarmate meer tegenstand en dus hogere kosten worden verwacht. Daar in de visie van politici en militairen dit secundaire belang van Zweden vooral is gelegen in de bezetting van het grondgebied, heeft men zich in de jaren zeventig voornamelijk 6

geconcentreerd op een ~ua mobilisatie omvang zo groot mogelijke landmacht, die een invasie over land zou moeten afslaan c.q. vertragen. Binnen dit defensieve concept past bovendien niet de mogelijkheid van oorlogsvoering buiten het eigen territoir. De tegenstander wordt op Zweeds grondgebied bestreden. Vervolgens was het nog slechts een kleine stap om minder prioriteit te geven aan meer offensieve legeronderdelen als luchtmacht en marine, die dan ook in belangrijke opzichten zijn gekort. Wat opvalt in deze defensiedoctrine is dat zij zeer nationaal van aard is. Aan Zweden als staatkundige en geografische eenheid wordt een bepaald belang toegekend -en wel door de Zweden zelf- dat vervolgens de wijze van verdediging dicteert. Hoe dit strategisch belang zich verhoudt tot de omgeving, of het Zweedse territoir, inclusief het Zweedse luchtruim en de Zweedse wateren, niet een springplank vormt voor de realisering van andere doeleinden, en of deze van na de Tweede Wereldoorlog daterende omschrijving van de Zweedse positie ook nu, anno 1985, nog geldt, zijn niet of nauwelijks gestelde vragen. De neutraliteitspolitiek lijkt de beleidsmakers een geïsoleerd en door nationale prioriteiten en doelstellingen gekleurd werkelijkheidsbeeld op te leggen, waarvan het de vraag is of het overeenstemt met de feitelijke positie van Zweden. Dit onvermogen om in internationale of zelfs maar Europese termen te denken en daarop de veiligheidspolitiek af te ste=en wordt overigens in toenemende mate bekritiseerd.'2 Co=entatoren wijzen er met name op dat niet het Zweedse grondgebied maar het luchtruim en de territoriale wateren van groot strategisch belang zijn ten tijde van een conflict in de Noordse regio. Het onvermogen om binnendringers uit deze gebieden te weren maakt het volgens hen onmogelijk voor de Zweden om de zichzelf opgelegde verplichtingen van een neutraliteitspolitiek in geval van oorlog te effectueren en maakt deze politiek ongeloofwaardig.

Diplomatie Ontbreekt een internationale visie aan de Zweedse defensiepolitiek, de tweede pijler onder de neutraliteitspolitiek is daarentegen zeer internationaal georiënteerd. Deze tweede pijler bestaat uit de bi- en multilaterale diplomatieke activiteiten, in het bijzonder het Zweedse optreden binnen internationale fora als de Verenigde Naties (VN) etc .. Binnen dergelij'ke kaders heeft Zweden traditionee een actieve rol gespeeld. Deze activiteiten kunnen natuurlijk op gespannen voet met het beleden neutraliteitsprincipe komen te staan, bv. als de kritlek op één van de

grote mogendheden worden geleverd (denk aan Zweedse kritiek op VS tijdens de oorlog in Vietnam). Het Zweedse antwoord hierop IS, dat neutraliteit nog niet betekend dat Zweden onverschillig dient te staan t.o.v. ontwikkelingen in andere landen. Juist een neutraal land als Zweden kan zich standpunten over bv. zowel Oost als West perrniteren en verkeert in de p0sitie om een bemiddelende en matigende rol te spelen; dat wil zeggen, in de Zweedse optiek. Deze opvatting uit zich vervolgens in activiteiten en initiatieven die grosso modo als volgt zijn te verdelen. Traditioneel heeft Zweden zich altijd ingespannen voor de verdere ontwikkeling van het internationale recht en van de diverse internationale organisaties. In het bijzonder het zelfbeschikkingsrecht van volkeren, mensenrechten en het funktioneren van het VNapparaat hebben Zweden's aandacht. Een tweede activiteit wordt gevormd door het Derde Wereld vraagstuk. Evenals Nederland en de andere Scandinavische landen voldoet ook Zweden aan de door de VN gestelde norm voor de ontwikkelingshulp (ODAnorm). Naast ontwikkelingshulp en samenwerkingsprojecten kan ook de Zweedse steun voor een Nieuwe Internationale (Economische) Orde genoemd worden. Ten derde, het land tracht allerlei internationale en regionale vormen van niet-militaire samenwerking te initiëren. Internationaal blijkt dat uit het optreden in de VN en de 'specialised agencies'. Als regionale vormen van samenwerking kunnen het lidmaatschap van de Noordse Raad, de EFfA en de Raad van Europa, het vrijhandelsakkoord met de EG, het optreden tijdens de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en de momenteel in Stockholm plaatsvindende Europese Ontwapeningsconferentie genoemd worden. Deze laatste voorbeelden raken aan een vierde en tevens laatste diplomatieke activiteit van Zweden. Zweden is altijd in hoge mate betrokken geweest bij vraagstukken van vrede en veiligheid, in het bijzonder ontwapening en wapenbeheersing, conflictbeheersing en ontspanning. Deze betrokkenheid blijkt o.a. uit steun die wordt gegeven aan VN-vredesoperaties, maar ook uit Zweedse initiatieven en voorstellen met betrekking tot de detectie van kernproeven en de beheersing van chemische wapens en uit het optreden van Zweden in de ontwapeningscommissie te Genève, in het kader van de Slotakte van Helsinki en nu tijdens de Europese ontwapeningsconferentie - ovengens veelal in samenwerking met andere neutrale of ongebonden landen. Meer in het bijzonder kan gewezen worden op de


steun die door de Zweden gegeven is aan het uit 1961 daterende, en met name door de Finse president Kekkonen bekend geworden plan tot instelling van een kernwapenvrije zone in Noord Europa. '3 Het plan Kekkonen omvat alleen een kernwapenvrij Scandinavië en sluit de Baltische wateren en Russisch territoir uit. Een voorstel dat gezien de aanwezigheid van nucleaire wapens op het schiereiland Kola en nucleair bewapende schepen in de Oostzee (o.a. zes met kernraketten uitgeruste onderzeeërs) de SU niet slecht uitkomt. De Zweden zijn juist vanwege deze territoriale begrenzing nooit enthousiast geweest over de Finse variant op de kernwapenvrije zone. Hun stellingname is dat zo'n zone minimaal ook de Oostzee dient te omvatten. Los van de omstandigheid dat het voor Noorwegen en Denemarken vanwege hun lidmaatschap van de NAVO nogal moeilijk is om aan zo'n zone deel te nemen, lijkt echter ook het enthousiasme van de Zweedse sociaal-democraten na de stranding van de Russische onderzeeër nogal bekoeld te zijn. " Al deze diplomatieke initiatieven, voorsteUen en optredens worden veelal onder de noemer van rechtvaardigheid, vrede, menselijke waardigheid en andere hooggestemde idealen of beginselen als een algemeen belang gepresenteerd. Evenals aan de Nederlandse kan ook aan de Zweedse buitenlandse politiek de neiging tot moralisme of de suggestie van altruïsme niet worden ontzegd. In navolging van Hans Morgenthau zou echter gesteld kunnen worden dat juist kleine landen vanuit het goed begrepen eigen belang hun rol als bemiddelaar en als pleitbezorger van het internationale recht, economische ontwikkeling en ontwapening (moeten) spelen. Juist deze landen hebben belang bij een status-quo politiek, bij stabiliteit en ontspanning tussen Oost en West, bij matiging van de Noord-Zuid tegenstellingen en bij conflictvoorkoming en -oplossing in het algemeen. Immers, aan de handhaving van de status-quo ontlenen zij hun veiligheid en voortbestaan." Deze wellicht ietwat cynische visie geeft bovendien een waarschijnlijk realistischer aanduiding van de vermogens van deze landen om de internationale situatie daadwerkelijk met behulp van de diplomatie te beinvloeden. Morgenthau's realistische perspectief op de internationale betrekkingen doortrekkend kan vervolgens de meer fundamentele vraag gesteld worden in hoeverre de positie van Zweden als gevolg van wijzigingen in de status-quo aan het veranderen is. Blijkt er sprake te zijn van belangrijke wijzigingen, dan staat daarmee in het realistische perspectief tegelijkertijd de geloofwaardigheid van de Zweedse neutraliteitspolitiek ter dis-

cussie. Het zal duidelijk zijn dat deze vraag niet vanuit de door de Zweden geformuleerde doelstellingen en prioriteiten van de buitenlandse politiek, maar slechts door het politieke systeem waarvan Zweden deel uitmaakt in ogenschouw te nemen, kan worden beantwoord.

De internationale context van Zweden's buitenlandse politiek De hierboven gestelde vraag is een herformulering van de reeds eerder aangehaalde kritiek op de Zweedse defensiedoctrine. Traditioneel wordt Noord Europa als een stabiel gebied beschouwd. Deze visie komt het duidelijkst tot uiting in het begrip de Noordse balans. 16 Of nu met begrip het evenwicht tussen de twee machtsblokken NAVO en Warschaupact wordt bedoeld of het evenwicht tussen de diverse Noordse staten, het wordt in beide betekenissen meestal gebruikt in de zin van een feit~lijke constatering dat er een evenwicht bestaat of als een uiting van de wens dat er een evenwicht zou moeten bestaan. Zoals uiteengezet speelt Zweden in deze regio zijn eigen neutrale rol zonder, tot voor kort, al te veel acht te slaan op wat zich aan ontwikkelingen in zijn omgeving voordeed. Dörfer schrijft hierover in 1982:

'Despite Norwegian decisions on prestoeking of allied equipment, oeeosional Soviet pressure on Finland and the obvious weakening of Danish defense official Swedish statements insistthat nothing hos changed in the seeurity pal/em of Northem Europe. ' (zie noot 9:2 74) Alleen al het gebruik van het begrip balans of evenwicht geeft aan dat deze introverte houding er aan voorbij gaat, dat ook een neutraal land als Zweden mede afhankelijk is van het beleid van andere staten. Anders gezegd, Zweden is, gezien zijn defensiedoctrine zijns ondanks, onderdeel van of wordt beinvloed door de (Oost-West) verhoudingen zoals die zich op de noordflank van Europa ontwikkelen. Het volgende citaat is wat dit betreft illustratief:

'Sweden hos provided yeoman service over the years for western defense. Without th is Swedish eontribution, NA TO would have to shift large farces, partieular air, for Norwegian and Danish defense from an already tenuous military balance in the all-important center region. '1 7 Of de betekenis van Zweden nu als secundair of primair wordt afgeschilderd, is vervolgens van minder belang dan het inzicht zelve dat de Zweedse vei-

ligheid in hoge mate afhankelijk is van de machtspolitieke ontwikkeling in Noord Europa; in ieder geval niet wordt gegarandeerd door wat de Zweden zelf daarover aan (neutraliteits)gedachten ontwikkelen. Welke is nu vanuit dit internationale perspectief, en mede in het licht van recente ontwikkelingen in Noord Europa, de positie van Zweden? Zweden is primair onderdeel van het Baltische gebied. De Oostzee is een druk bevaren scheepsroute, waarvan de DDR, Polen en Finland geheel afhankelijk zijn voor wat betreft transport over zee, terwijl ook Zweden in hoge mate van vrije doorvaart op deze wateren afhankelijk is. De SU, Denemarken en de BRD beschikken weliswaar over havens aan andere kusten, maar belangrijke Russische havensteden als Leningrad en Riga, Duitse steden als Lübeck en Kiel en de Deeense hoofdstad Kopenhagen liggen aan of in het verlengde van de Oostzee. De Oostzee is bovendien een binnenzee en alleen toegankelijk via enkele nauwe zeestraten bij Denemarken en Zweden, te weten de Grote Belt en de Sont. Dit maakt het gebied rond deze zeestraten, waaronder Zuid Zweden, tot een strategis;ch belangrijk gebied. Wat wellicht nog zwaarder weegt is dat de Oostzee wordt omgeven door zowel landen van de NAVO als het Warschaupact. In dit gebied opereren dan ook vloot-en luchteenheden van Denemarken en de BRD en van m.n. de SU. Vanaf de Tweede Wereldoorlog is de S U met behulp van een sterke vloot dominant geweest in het Baltische gebied. En hoewel door een grotere nadruk op de Noordelijke vloot (Moersmansk) de Baltische vloot is verkleind, kan ook nu nog van een Sovjet overwicht worden gesproken. Daarbij valt op dat de Baltische vloot over een grote amfibische capaciteit beschikt, die bedoeld is om in tijd van een gewapend conflict in Centraal Europa ondersteunende amfibische landingen uit te voeren op de kusten van Sleeswijk-Holstein en Denemarken. " M.a.W. Zweden grenst door middel van de langste Oostzeekust aan een confrontatiegebied tussen Oost en West, waarbij het m.n. de SU er alles aan gelegen is om binnen dit gebied een zekere controle en gedragvrijheid te behouden. De grote betekenis van Zweden in het Baltische gebied is in de Sovjet visie daarbij waarschijnlijk gelegen in de beschermende schil die het land vormt ten opzichte van de Russische baltische kust. Gebruik van Zweeds territoir, bv. luchtmachtbases, door NAVO-eenheden, zou het Sovjet-deel van deze kust, maar ook het achterland, zeer kwetsbaar maken. Anders gezegd, de SU heeft vanuit de Baltische strategie aUe belang bij een 7


strikte doorvoering van de Zweedse neutraliteitspolitiek (op Russische voorwaarden). Anderzijds rou een bezetting van Zweden of, hetgeen een meer voor de hand liggend Sovjet-doel lijkt te zijn, Russisch gebruik van de Zweedse kustwateren als schuilplaats of van het Zweedse luchtruim ten behoeve van operaties tegen Noorwegen de evenwichtsstrategie van de NAVO op de noordflank onhoudbaar maken. Met andere woorden, de NAVO heeft alle belang bij een defensief sterk Zweden. Zweden vormt eveneens een onderdeel van de genoemde noordflank. Het is het natuurlijk achter- of voorland van NAVO-bondgenoot Noorwegen. Noorwegen vervult in de NAVO-strategie een uitermate belangrijke en reeds belangrijker wordende rol. Noorse onafhankelijkheid ontzegt de SU het gebruik van de ro gewenste ijsvrije havens en van vliegvelden ter ondersteuning van de sterke Russische noordelijke vloot. Op dit moment is het noordelijke defensiepotentieel van de SU geconcentreerd op het Kolaschiereiland; met name in Moermansk en omgeving. Gezien het enorme militaire (nucleaire) vermogen dat hier staat opgesteld, kan dit gebied in navolging van Sjaastad inderdaad 'een vrij belangrijk stuk onroerend Jloed' van de SU worden genoemd. 1 De geografische omstandigheid dat Noorwegen als enig NAVO-land aan dit 'stuk onroerend goed' grenst, geeft de positie van dit land een bij rondere betekenis. De erkenning hiervan blijkt van de kant van de VS O.a. uit de zgn. 'prestocking agreement' met Noorwegen, op grond waarvan in vredestijd Amerikaans materiaal op Noors grondgebied wordt opgeslagen, waarvan ten tijde van een conflict inderhaast aangevlogen mariniers (de Noorse politiek sluit permanente stationering van vreemde troepen ten tijde van vrede uit) gebruik kunnen maken. Tevens bestaan zulke overeenkomsten over het gebruik van Noorse luchtmachtbases.'o Vergelijkbare overeenkomsten zijn overigens ook tussen de VS en Denemarken gesloten. Deze Amerikaanse initiatieven, waarbij overigens ook Duitse, Britse, Canadese èn Nederlandse eenheden zijn betrokken, zijn erop gericht om het in Amerikaanse ogen met name in de jaren zeventig precair geworden evenwicht op de noordflank te handhaven; of in ieder geval het Russisch overwicht niet nog groter te laten worden. Duidelijk zal zijn dat in de visie van de NAVO Zweden als Noorwegen's voorste verdedigingslinie, met name luchtverdediging, een onmisbare functie vervult en dat Zweedse onbetrouwbaarheid in dit opzicht of onderschikking aan de SU een fundamentele verstoring van de 8

balans tussen Oost en West impliceert (zie ook citaat op p. 11). Het rou bv. onmiskenbaar in Noors voordeel zijn als Zweden ten tijde van een conflict er niet in rou slagen neutraal te blijven.

'(. . .) from a Norwegian point of view it would obviously be more satisfactory if Sweden 's defense were so weak that Sweden could also be drawn into the battle. Norway would then not have to stay alone until sulfident NA TO reinforcements had arrived over uncertain waters or disputed air territory. ' (noot 8 : 30).

De in de jaren zeventig tot ontwikkeling komende Amerikaanse berorgdheid over de noordflank hangt samen met een derde dimensie van het Zweedse veiligheidsprobleem, nl. het feit dat Scandinavië, en daarmee Zweden, grenst aan de noordelijke Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee. Het Arctisch gebied is van grote betekenis voor rowel de SU als de VS. Ten eerste, sinds de versterking van de noordelijke vloot vormen deze wateren het doorgangsgebied voor Sovjet-schepen naar de Atlantische Oceaan; oftewel naar de Amerikaanse aanvoerroutes naar West en Noord Europa ten tijde van conflicten. Controle over deze noordelijke wateren geeft dus of de SU het strategisch voordeel van grote bewegingsvrijheid of de NAVO de mogelijkheid om de sterkste Russische vlooteenheid op te sluiten bij Moermansk. Ten tweede, controle over de 'Greenland-lceland-UK gap' (G-I-UK gap) of 'Greenland-lceland-Faroes gap' (G-I-F gap) biedt de SU bescherming tegen aanvallen vanuit de noordelijke oceaan op Russische grondgebied (bv. op schepen gestationeerde Amerikaanse kruisraketten; Amerikaanse vliegkampschepen). Ten derde, de belangrijkste betekenis van deze wateren is van nucleaire aard. 21

'The primary interest of the Soviet Union in the northem waters is likely to be the protection of missile-carrying submarine launching zones and the transit routes.' (Holst, 1982, noot 20:210) De noordelijke Atlantische oceaan en de ijszee, en trouwens de ijskap op de Noordpool, vormen het gebied waar Russische onderzeeërs posities betrekken om Amerikaans grondgebied met ballistische raketten te bestoken (SLMB's) en van waaruit zij vertrekken om posities voor de Amerikaanse oostkust in te nemen. Het is dus ook bij uitstek het gebied waar Amerikaanse 'hunterkiller' onderzeeboten en de NA VO-onderzeebootbestrijding actief is en waarop het Westerse inlichtingen- en verkenningssysteem is gericht. Hier tasten de grote mogendheden elkaars nucleaire vermogens af en testen -zij elkaars reacties. Maar hiermee is nog eens het belang van Noorwegen en in mindere mate Denemarken onderstreept. Controle op of in ieder geval een zo groot mogelijke invloed op de Noorse defensiepolitiek is in het licht van de zeer lange Noorse kust van grote betekenis voor zowel de SU als de VS." Echter, deze (toenemende) rivaliteit tussen Oost en West en de machtspolitieke belangen die daarbij in het geding zijn houden, gegeven de strategische ligging van Zweden, ook in dat het Zweedse gedrag met meer aandacht door de grote mogendheden wordt bekeken. En daar de ruimte om een eigen geloofwaardige neutrale buitenlandse politiek te voeren in hoge mate wordt bepaald door de macfitspolitieke doeleinden die dezelfde grote mogendheden zichzelf gesteld hebben, vormen de beschreven ontwikkelingen op zijn minst een bedreiging voor de Zweedse politiek. Naarmate er voor de partijen meer vitale belangen op het spel komen te staan, zal de Zweedse neutraliteit in hun belangen-

De Noord-Europese regio; uit: SIPRI, noot 13: 77.


afweging een minder zwaar gewicht krijgen. Met andere woorden, Zweden dreigt dan één factor te worden in de strategie van zowel Oost als West; een strategie waarop het zelf weinig invloed heeft, maar waaruit wel door de grote mogendheden geformuleerde tegenstrijdige verwachtingen of eisen met betrekking tot de Zweedse 'neutraliteitspolitiek' voortvloeien.

Het Zweedse dilemma Vanuit ruimer perspectief gezien zou gesteld worden dat Zweden te maken heeft met de gevolgen van wat zich de laatste twee decennia aan wijzigingen in de globale machtsverhoudingen heeft voorgedaan. Sedert het midden van de jaren vijftig is de Amerikaanse hegemonie afgenomen. Een belangrijke, maar niet de enige, oorzaak hiervan is de versterking van de SU geweest. 23 Deze versterking heeft zich met name geopenbaard m militaire opbouw, in het bijzonder de opbouw van een nucleair arsenaal en van een sterke vloot. Gegeven de geografische posities is het voor de hand liggend dat deze versterking ook in Europa consequenties heeft of krijgt, zeker als de relatieve verzwakking van de VS ook daar merkbaar wordt (bv. in de vorm van toenemende onenigheid birmen het Atlantisch bondgenootschap). Dat de maritieme flankgebieden aan toenemende druk niet zullen ontkomen lijkt dan welhaast zeker. Daarbij ligt de verklaring van het Sovjet-optreden niet zozeer in de zo graag aan dit land toegeschreven expansionistische of agressieve ambities, als wel in de omstandigheid dat grote mogendheden altijd zullen trachten hun omgeving te pacificeren. Daar in een bipolaire wereld als de onze de versterking van de ene partij nu eenmaal ten koste van de andere partij gaat en zeker in een confrontatiegebted als Europa machtsvacua nu eenmaal niet bestaan, uit deze sluipende machtsverschuiving zich dan ook in een toenemende druk op de omgeving. Zolang deze Russische machtsontplooüog in Noord Europa onbeantwoord bleef, was er ogenschijnlijk niet zoveel aan de hand voor de Zweden. Hun neutraliteitspolitiek vormde geen bedreiging voor de SU en stemde in zekere zin over een met het Russische belang van pacificatie. Nu er echter sprake is van toenemende rivaliteit op de noordflank wordt de Zweedse politiek echter wel degelijk van belang in het grotere spel en kan Zweden bij bepaalde gedragingen een bedreiging vormen voor de SU. Voor de SU is altijd minimaal van belang geweest dat Zweden zichzelf neutraliseerde. In het licht van de hierboven beschreven ontwikkelingen op de noordflank is dit belang alleen nog maar toegenomen.

De observatie van Agrell dat de incidenten in de Zweedse kustwateren opgevat moeten worden als een signaal dat de Russische verwachtingen van de Zweedse neutraliteit zijn aangescherpt, lijkt dan ook juist te zijn. 'The important change could be that the relative importance of the 'Swedish problem ' has changed, and as a consequence, the Soviet demands on neutrality.' (noot 18: 280).

Anders gezegd, het gaat er de SU om Zweden duidelijk te maken dat het de machtsbalans op' de noordflank niet in voor de SU ongunstige zin beïnvloeden. In het voortdurende spel van wederzijdse aftasting gaat het er daarnaast om vast te stellen hoe absoluut de Zweedse neutraliteitspolitiek ten opzichte van de SU is. Of, hoever de SU kan gaan ten tijde van oorlog. Indien de ontwikkelingen op de noordflank doorzetten is dan ook toenemende en openlijke druk op Zweden om zijn buitenlandse politiek aan te passen aan de wensen van de SU te verwachten. Wat kunnen de Zweden zelf hier tegen doen? Worden zelfs de marges van de zelf gekozen neutraliteitspolitiek door of de SU of de VS bepaald met het gevaar dat het land ondanks zijn neutraliteit bij een oorlog wordt betrokken? Het is niet toevallig dat hun buitenlandse politiek hier in zo'n ruim kader is geplaatst en dat de eigen vermogens, doelstellingen of mogelijkheden tot nu toe zo weinig aan de orde zijn geweest. Deze aanpak berust op de overtuiging dat de Zweedse positie en (het effect van) het Zweedse buitenlandse beleid niet vanuit een nationale maar slechts vanuit een internationale context kan worden bestudeerd - een overweging die overigens geldt voor iedere analyse van buitenlands beleid. Zo goed als men geen goed inzicht in de Nederlandse neutraliteitspolitiek tot WO II kan krijgen indien bij zo'n analyse niet de (ontwikkeling van de) machtsverhoudingen in Europa gedurende m.n. de 1ge eeuw betrekt, kan men zonder deze internationale context ook de Zweedse positie niet adequaat beschrijven. Deze vergelijking met Nederland verder doortrekkend kan na het voorgaande gesteld worden dat Zweden neutraal is bij gratie van de grote mogendheden. Dit impliceert tevens dat het vermogen om op de eigen zo door externe factoren bepaalde situatie (zie hierboven) invloed uit te kunnen oefenen gering moet worden geacht. Terugkerend naar de twee pijlers van de Zweedse buitenlandse politiek. Grotere nadruk op defensie, voorzover dat al economisch mogelijk is, leidt tot grotere afhankelijkheid van en vervlechting met de Westerse lan-

den en heeft in tijden van spanning slechts een marginale betekenis. Intensivering van diplomatieke activiteiten lijkt in tijden van spanning eveneens weinig soelaas te bIeden en juist in het geval van kleine landen als Zweden, Nederland, etc. voornamelijk van rituele aard te zijn of voor binnenlandse consumptie bedoeld. Met andere woorden, Zweden heeft alle belang bij ontspanning opdat de grote mogendheden niet al te zeer in zijn beleid geïnteresseerd zijn en zich met de door Zweden zelf geformuleerde en geïmplementeerde neutraliteit tevreden tonen. Concluderend kan hypothetisch gesteld worden dat uit het geval Zweden blijkt dat het verschil in diplomatieke ruimte als gevolg van een 'keuze' voor neutraliteit of voor aansluiting bij een alliantie voor kleine landen minder groot is dan wel wordt beweerd en door de Zweden zelf graag wordt geloofd. © J.Q.Th. Rood

Noten. I. Door de Zweedse regering werden over de periode 1975- 1980 de volgende schendingen gerapporteerd: 1975 : 15 1978: 5 1976 : IO 1979: 7 1980: II 1977 : 12 Uit: Leitenberg, M.:The stranded Ussr submarine in Sweden aod tbe question of a Nordie nudear free zone; in: Cooperation and conOiet, voI.l7(1982):17-28( 18). 2. Het probleem van de onderzeeërs beperkt zich niet tot Zweden. Ook Noorwegen heeft , eveneens, zonder succes, jacht ~e­ maakt op vreemde duikboten die tot In de Noorse fjorden waren doorgedrongen. 3. Alhoewel over de prioriteiten blijkbaar geen overeenstemming bestaat. Zie: NRC·Handelsblad, 22-12-1984: 'Conflict binnen Zweedse strijdkrachten over geld onderzeebootbestrijding' . 4. Het onopgemerkt verblijf van een Franse vlooteenheid in de Zweedse wateren om daar voor een storm te schuilen en het recentelijk aan de Zweedse radarschermen voorbijgaan van een uit de koers geraakte Russische kruisraket onderstrepen dit onvennogen. 5. Swedish foreign policy; in: Fact sheets on Sweden, The Swedish Institute. Stockholm 1983; zie ook: Aström , S.: Sweden's policy of neutrality, The Swedish Institute, Stockholm 1983. 6. Pogingen om ten tijde van de 'Koude Oorlog' een Scandinavische defensieunie op te richten zijn in 1949 mislukt. Daarna hebben de Zweden geen pogingen meer in deze richting gedaan. 7. Deze politiek heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog wel voor de nodige problemen gezorgd. Het land heeft toen ondanks de neutraliteit passage van Duitse troepen moeten toestaan. 8. Zie hierover o.a.: Andrèn, N.:Sweden's defense doctrines and changing threat perceptions; in: ~ooperation aod conDiet, vol. 17(1982).29·39,m.n.34·36. 9. Zie over de Zweedse defensie: Dörfer. 1.: Nordie security today: Sweden; in: Cooperatioo aod conflict, vol. 17( 1982): 273-285.

9


10. Zie o.a.: Agrell, W.: Smal! but not beautifu1; in Joumal of peace research, vol. 21(1984): 157-667. 11. Zie: Andrèn, N.: supra noot 8. 12. Zie i.h.b.: Dörfer, 1.: supra noot 9: 278281; Andrén,N.: supra noot 8: 31-33. 13. Zie: Nordie initiatives for a nuclear-weapon free zone in Europe; in: SIPRI yearbook 1982: 75-93; Maude, G.: Conflict and cooperation; tbe Nordic nuclear free zone today; in: Cooperation Bod conflict, vol. 18(1983): 233-43. 14. Zie: Leitenberg, M .: supra noot 1. 15. Morgentbau, H.: Politics Bmong natioDSj the struggle for power Bod peace, Alfred A.Knopf, New Vork 1978 (fifth rev.ed.): 96-97. 16. Zie daarover: Noreen, É.: The Nordic balanee: a security policy-concept in theory and practiee: in: Cooperation aod conflict. vol. 18(1983): 43-566.

17. Canby, St.L.: Swedish defense; in: Survival, vol. 108(1981): 116-117; zoals geciteerd door: Zakheim, D.s.: NATO's northem front: developments and prospects; in: Cooperation Bnd ConDiet, vol. 17(1982): 193-205 (203). 18. Zie: Agrell, W.: Soviet Baltic strategy and the Swedish submarine crisis; in: Coopera~ tio. and conflict, vol. 18(1983): 269-281. 19. Sjaastad, A.c.: Veiligheidsproblemen op de noordelijke flank; in: Internationale Spectator,jrg. 23(1979): 247-254 (248); zie ook: Sloan, S.R.: De NAVO en Noord Europa; perspectieven van de Noordse balans; in: NAVO kroniek, 1981(3): 10-16; Zakheim, D.S.: supra noot 17. 20. Holst, J.J.: Norwegian security poliey for the 1980s; in: Cooperation aod conflict, vol. 17(1982): 207-236; Holst, J.1.: Norway's seareh for a Nord Politik: in: Foreign Aflai .., vol. 60(1981/1982): 63 -86.

21. Zie hierover i.h.b. : Sjaastad, A.C. : supra noot 19; BIoomfield, L.P.: The Arctic; last unmanaged frontier; in: Foreign Affairs, vol. 0(1981 /82) : 63-86. 22. 'Secundaire' factoren als de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen (olie/gas) en de soevereiniteit over Svalbard (Spitsbergen) laat ik. hier buiten beschouwing. 23. Zie hierover: Falger, V.S .E.; J .Q.Th.Rood: De finlandisering van Europa; in: loterme~ diair, jrg. 20(1984), nr. 20: 41-45 + 55; Fa1ger, V.S.E.; J.Q.Th.Rood: Finlandisering: een reëel toekomstperspectief?; in: Intermediair, jrg. 20(1984) nr. 49: 661-65; Zie in dit verband ook: Andrén, N.: Aanpassing en macht: de 'Noordse balans'; in: [nternadonale spectator, jrg. 24(1980): 642-49.

Veiligheidsbeleid in Denemarken Tussen Oost- West en Noord-Zuid In Nederland is de storm omtrent de plaatsing van kruisraketten tenminste tijdelijk gaan liggen en de hoopvolle aandacht richt zich op de in maart beginnende wapenbeheersingsonderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. In Denemarken daarentegen zijn het vraagstuk van de kernwapenbeheersing ( en het veiligheidsbeleid in het algemeen) nog steeds onderwerpen van voortdurende politieke strijd. De onenigheid over het veiligheidsbeleid komt voort uit de merkwaardige structuur van de partij-politieke verhoudingen.' Deense regeringen hebben in de afgelopen jaren grote concessies moeten doen op het gebied van defensiebeleid, in ruil voor voldoende steun voor het door hen beoogde sociaal-economische beleid. Ook beïnvloeden de strategische ligging van het land en de cultuur-historische banden met de andere Scandinavische landen de militaire en politieke samenwerking van Denemarken met de NA VO- en EG-lidstaten. Als resultaat van deze binnenlands-politieke en geo-politieke factoren is Denemarken in de NATO een aparte positie in gaan nemen_ Het defensie-budget van dit land is beduidend kleiner dan dat van de overige lid-staten. De in 1979 tussen de NAVO-landen overeengekomen jaarlijkse groei van 3% wordt niet gehaald. Voor 1985 is het defensie-budget bevroren_ Op de aanvankelijke afspraak tot bijdrage in de financiering van de installering van de raketten in een later stadium is teruggekomen_ 2 In dit artikel hoop ik de aan deze ontwikkeling ten grondslag liggende facloren nader toe te lichten.

Binnenlandse politieke verhoudingen Sinds 1973 zijn er geen meerderheidskabinetten meer geweest. De sociaaleconomische politiek, maar ook het defensie-beleid waren ten gevolge hiervan het onderwerp van moeizaam onderhandelde overeenkomsten tussen de partijen. Ook de huidige coalitie tussen Conservatieven en Liberalen heeft in het Folketing, het Deense Parlement, geen meerderheid, en is tot het sluiten van dergelijke overeenkomsten gedwongen. Nu is in de Scandinavische landen, in tegenstelling tot in Nederland, het re10

geren met minderheidskabinetten niet ongewoon. Vóór 1973 kwamen echter regelmatig ook regeringscoalities voor, die konden steunen op een meerderheid in het Folketing. In de jaren sinds 1973 traden acht kabinetten aan, en de Deense kiezers moesten vijf maal vervroegd naar de stembus. Niet één van deze kabinetten maakte een ambtsperiode van vier jaar vol. Een ingewikkelde politieke situatie ontstond na de verkiezingen van 1973, toen het aantal partijen in het parlement verdubbelde'. De reeds in het Folketing vertegenwoordigde vijf partijen verloren 60 zetels. De belangrijkste gevolgen waren:

Door mr. P .L. de Quant, tot voor kort werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Liberalen en Conservatieven werden te klein om gezamenlijk een werkbare coalitie te vormen, en de nieuwe rechtse anti-belasting partij van Mogens Glistrup was te extreem om aan een centrum-rechts kabinet deel te nemen, de nieuwe midden-partij, de Centrum-Democraten, durfde geen coalitie aan te gaan, een andere midden-partij , de Radicaal-Liberalen, kan zich niet verenigen met de liberale "Venstre"partij, mede op grond van persoonlijke tegenstellingen; ook met de Sociaal-Democraten bleek coalitievorming niet mogelijk, de klein linkse partijen waren te extreem voor een coalitie met de Sociaal-Democraten. De in 1973 ontstane situatie heeft zich in grote lijnen gedurende de jaren '70 gehandhaafd. Nadat tussen 1973 en


1975 de liberale "Venstre" de scepter had gezwaaid was de grootste partij, Socialdemokratiet, bijna steeds gedwongen alleen te regeren. Zo kende de periode januari 1975 tot september 1982 vijf achtereenvolgende kabinetten met Anker Jergesen als MinisterPresident. De enige coalitie-regering in deze periode werd in 1978 gevormd door de Sociaal-Democraten en de Liberale Venstre, maar deze coalitie viel na dertien maanden uiteen. In 1982 slaagde de Conservatief Poul Sch/Ăźtler erin met een forse verkiezingswinst een alternatief te vormen voor de Sociaal-Democratische hegemonie in een coalitie met Venstre, de Christen-Democraten en de Christelijke Volkspartij. In de hierboven geschetste situatie waren de Sociaal-Democraten in de periode 1975-1982 in het Folketing afhankelijk van de steun van de kleine linkse, NAVO-vijandige partijen en zagen zich in een van NAVO-beleid afwijkende richting geduwd. Het defensie-budget is in de periode J0rgensen onder druk van de linkse partijen en bij gebrek aan een eendrachtige conservatieve oppositie steeds verder ingekrompen. De huidige regering heeft te maken met een parlementaire meerderheid voor verdere bevriezing van de defensie-uitgaven. Bij de onderhandelingen voor de in augustus 1984 gesloten drie-jaren overeenkomst voor het defensie-beleid speelden de Radicaal-Liberalen een sleutelrol. De regering heeft voor haar sociaal-economische beleid de steun nodig van deze partij; de Radicaal-Liberalen maken deze steun afhankelijk van regeringszijde ten aanzien van defensie-politiek.

Geo-politieke factoren De cultuur-historische banden van Denemarken met de andere Scandinavische landen en de ligging van Denemarken op een kruispunt van NoordZuid en Oost-West belangen geven aan het land een geheel eigen veiligheidssituatie. Hierdoor is er sprake van een wisselwerking tussen de Deense belangen van militaire en politieke samenwerking binnen de EG en de NAVO, en de perceptie van noordse samenwerking, ook waar het betreft de uitwerking van strategische begrippen zoals een noordse kernwapenvrije zo-

De groeiende militaire Sowjet-sterkte op het Kola-schiereiland in het noorden is een voorbeeld van een ontwikkeling die zo'n verschuiving tot gevolg kan hebben. De huidige impasse in beleidsmatig denken in Denemarken is in dit verband zorgwekkend. Voorts beheerst Denemarken samen met Z weden de strategisch zeer belangrijke uitgang uit de Oostezee. Tenslotte speelt Denemarken als NAVO-lid een rol bij de verdediging van West-Europa.

Historische achtergronden De wisselwerking tussen de geo-politieke factoren van de Noordse eenheid, controle over de uitgang van de Oostzee en Westeuropees veiligheidsbelang, is met name tijdens de vorige en deze eeuw een dominante factor geweest in de Deense geschiedenis. De vroege geschiedenis van Denemarken staat voor een groot deel in het teken van haar betrekkingen met de andere Scandinavische volkeren. Het latere Denemarken werd rond 1000 na Chr. bevolkt door Vikingen. Na de Vikingen-expedities volgde een periode waarin de Denen zich voornamelijk naar het noorden richten en met de andere Scandinavische volkeren wedijveren om de hegemonie in het Oostzeegebied. Aanvankelijk werden aan het eind van de 14e eeuw Noren, Zweden en Denen verenigd in een koninkrijk onder leiding van een Deense koning (Unie van Kalmar). Deze Unie omvatte tevens de FarĂśer-eilanden, Usland en Groenland, en had zowel een Oostzee- als een Atlantisch karakter. In de 16e en 17e eeuw slaagden de Zweden erin geleidelijk aan invloed te winnen, eerst door in 1523 een zelfstandig koninkrijk te vestigen om later,

in 1660, na in een serie oorlogen, feitelijke heerschappij te verkrijgen in het Oostzee-gebied. Noorwegen bleef echter een deel van het Deense Koninkrijk tot na de Napoleontische oorlogen. In deze periode werd Denemarken voor het eerst geconfronteerd met de omstandigheid dat het als Scandinavisch land betrokkenheid bij strategische belangen van andere Europeselanden niet kon vermijden. Denemarken had zich verenigd in een (N oorse) gewapende alliantie van neutrale staten. De Engelsen, uit vrees voor verlies van de toegang tot de Oostzee, eisten inlevering van de omvangrijke Deense vloot, voordat Napoleon deze zou kunnen veroveren. Na de weigering op een hiertoe strekkend ultimatum van de Engelsen, en een hierop volgend vernietigend bombardement van Kopenhagen, gaf Denemarken inderdaad zijn vloot op, maar sloot vervolgens uit angst voor Napoleon's opmars met deze laatste een overeenkomst. Het Noorse deel van het rijk was nu geĂŻsoleerd. Na deze de facto scheiding, en door de slechte toestand waarin het land verkeerde, waren de Denen gedwongen Noorwegen in 1814 aan Zweden af te staan. Tussen 1814 en 1864 kreeg Denemarken opnieuw te maken met een dreiging vanuit het zuiden. Na twee oorlogen, in 1848-1849 en 1863, viel Sleeswijk-Holstein toe aan Pruisen. Het verlies op dit gebied, waar twee-vijfde van de Deense bevolking woonde, was een zware klap voor het koninkrijk. Na 1863 kon Denemarken tot aan de Duitse inval in 1940 een neutraliteitspolitiek voeren waarvan het karakter

In 1949 treedl Denemarken toe tot de NA va, na mislukte onderhandelingen met Noorwegen en Zweden over een Scandinavische verdedigingsorganisatie. De toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken Gaslav Rasmassen lekent hel verdrag.

ne. 4

Denemarken heeft een plaats in het concept van het "Noordse Strategisch evenwicht", of "Noordse balans". Iedere verschuiving van dit evenwicht vergt van Denemarken een herwaardering van zijn rol in dit evenwicht. \\


sterk overeenkwam met het Nederlandse beleid. Als enig land echter voelde Denemarken zich gedwongen in 1939 een niet-aanvalsverdrag met Duitsland te sluiten. Het belang voor de Duitse vloot bij toegang tot de Atlantische oceaan bracht de dreiging met zich mee van een inval of een maritieme confrontatie. Groot-Brittanië hand aan Denemarken laten weten dat men op steun van de Engelse vloot niet kon rekenen. (De Engelsen hadden immers een vloot-verdag met Duitsland getekend). Toen na de Tweede Wereldoorlog fundamentele keuzes moesten worden gemaakt over de veiligheidspolitiek, werd Denemarken geconfronteerd met de tegenstrijdigheid van de traditonele concepten en de door het opkomende Oost-West conflict gestelde realiteit. Dat neutraliteit niet langer een optie was werd, evenals in Nederland, met grote spijt belden. Terwijl echter door ons land vervolgens een Atlantische Alliantie in een vroeg stadium werd gesteund, richtte Denemarken zich aanvankelijk weer met grote overgave op het idee van een Noordse Defensie Gemeenschap. Dit concept, gebaseerd op de succesvolle neutraliteitspolitiek van Zweden, ging voorbij aan de onvermijdelijke betrokkenheid van aan de Atlantische Oceaan en de Poolzee grenzend gebied bij een Oost-West conflict. Niet alleen speelt hierbij de afhankelijkheid een rol van de Sowjetvloot van een noordelijke route en de uitgang uit de Oostzee, ook was het duidelijk dat heerschappij over het noordelijk luchtruim van eminent belang zou zijn in een gewapend conflict tussen de machtsblokken. Betrokkenheid bij de Westeuropese veiligheidssituatie was blijkens de recente geschiedenis nu ook een voldongen feit.

Denemarken in de NAVO Het streven naar een Noordse Defensie Gemeenschap bleek onhaalbaar en Noorwegen en Denemarken zijn in 1949 toegetreden tot het Atlantisch Bondgenootschap. Het zijn echter NAVO-lidstaten 'onder voorwaarde'. Beide landen behoeven geen kernwapens op hun territoir te accepteren. De achterliggende overweging hiervan is niet alleen van idealistische aard: het wordt binnen de NAVO, maar ook in het Warschau-pact als een realiteit aanvaard dat het vrijhouden van deze landen van kernwapens juist in het concept van de Noordse balans past. De eerder geschetste onenigheid in Denemarken over het veiligheidsbeleid J2

heeft dan ook niet, zoals in ons land, te maken met het door de NAVO gevoerde beleid in het algemeen, en met name met de financiële participatie van Denemarken hierin.' In een serie debatten van 1982 en 1983 over de plaatsing van Amerikaanse nucleaire middellangeafstandsraketten op het grondgebied van Westeuropese NAVO-lidstaten heeft het Deense Parlement de regering gedwongen het "NAVO-dubbelbesluit" van 1979 ex post te verwerpen. Door middel van een laatste motie, aangenomen op 1 december 1983 werd de regering gevraagd definitief afstand te nemen van het plaatsen van de 572 kernraketten in West-Europa. In deze motie werd regering gevraagd ·zich op de volgende NA VO-bijeenkomst duidelijk te distantieren van de stationering van kernraketten in West-Europa en ernaar te streven dat de onderhandelingen in Genève worden hervat... •

Het Dyvig-rapport Bij de regeringspartijen, maar ook in de oppositie, wordt de onduidelijkheid over het veiligheidsbeleid als onbevredigend ervaren. In de tweede helft van het vorige jaar werd een commissie ingesteld door de regering met de opdracht een rapport op te stellen voor de Minister van Buitenlandse Zaken, E1lema Jensen, over de veiligheidssituatie. De regering hoopt dat een beter inzicht in de gecompliceerde veiligheidssituatie van Denemarken in het eigen land zal bijdragen tot een grotere overeenstemming, en dat in het buitenland meer begrip zou kunnen ontstaan voor de bijzondere situatie van Denemarken in het Bondgenootschap. Deze commissie, onder voorzitterschap van de vaste onder-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Peter Dyvig, heeft op 15 november 1984 haar rapport uitgebracht. In hoeverre het 81 bladzijden tellende rapport, een soort witboek van veiligheidsbeleid, daadwerkelijk een discussie op gang zal brengen waaruit een beleid voor de toekomst kan voortvloeien is nog niet duidelijk. De commissie beschrijft uitvoerig de achtergronden en verschillende in elkaar grijpende aspecten van de veiligheidssituatie van Denemarken. Men beschrijft in grote lijnen de strategie, zoals deze in Navo-verband in de afgelopen jaren is uitgekristaliseerd. Er wordt echter geen duidelijk verband gelegd tussen de specifieke veiligheidssituatie van Denemarken, de huidige status van het land binnen de NATO en de richting waarin het beleid voor de komende jaren moet worden gestuurd.

Conclusie Veiligheidsbeleid is in de Deense politiek jarenlang het kind van de rekening geweest. Beleidsmatig denken in het algemeen werd bemoeilijkt door de parlementaire verhoudingen. Onder invloed van historische en geopolitieke factoren is Denemarken binnen de NAVO een aparte plaats in gaan nemen. Hierbij was niet altijd sprake van een duidelijke perceptie van de eigen strategische situatie_ Nu is in Europa het hanteren van strategische en geo-politieke concepten voor beleidsvorming veel minder gewoon dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten. Het Dyvig-rapport is bedoeld een aanzet te geven tot een discussie, die moet leiden tot breder begrip over de complexe veiligheidssituatie en tot overeenstemming over een noodzakelijk beleid op langere termijn. Een dergelijke studie, waarvan de resultaten brede toegankelijkheid genieten, zou ook in ons land van grote waarde kunnen zijn. 6 Noten 1. Zetelverdeling 1984: Vooruitgangspartij: 6:

2. 3.

4.

5.

6.

Conservatieven: 42 ; Christelijke Volkspartij : 5; Liberalen : 22; Centrum-Democraten: 8; Radicaal-Liberalen: 10; Sociaal-Democraten: 56; Socialistische Volkspartij : 2 1; Links-Socialisten: 5 Folketing-resolutie 7 december 1982. Zetelverdeling 1973: Vooruitgangspartij: 28; Conservatieven 16; C hristelijke Volkspartij: 7; Liberalen: 22; Centrum-Democraten: 14; Radicaal-Liberalen: 20; SociaalDemocraten: 46 ; Socialistische Partij: 11; Overigen: 11 . Het idee van een Noordse kernwapenvrije zónewerd in 1957-58 voor het eerst door de Sovjet-President Bulganin geopperd. In 1963 nam de Finse President Kckkonen het idee op, waarna het sluimerde tot dat de Zweed Palme in 1981 een nieuw initiatief la nceerde. In de afgelopen jaren is het tot een uitgebreide discussie gekomen over de mogelijkheid van een kernwapenvrije wne, ook in V .N.-verband. Zeer recent werd van Sowjet-zijde gesuggereerd dat ook Sovjetgrondgebied tot een Noordse kernwapenvrije rone zou kunnen behoren. Folketing-resolutie 10 mei 1984: "The Folketing confinns that a balance amounting to Dkr 48 million - which is part of the defense budget - is omitted as part of the NA TOinfrastructure program and may not be used - eithe r directly or indirectly - for the installation of the missiles". In de Bondrepubliek bestaat al enige jaren een ' Weissbuch ' voor het veiligheidsbeleid.


Noorwegen in een nieuwe rol Oorspronkelijk behoort Noorwegen tot de groep van kleinere landen in Europa. De bijzondere geografische ligging tussen Oost en West plaatst het land echter in een specifieke geo-politieke situatie. Een belangrijk bijkomend aspect is dat grote gebieden in het Noorden, zoals Spitsbergen en noordelijk gelegen "offshore zones", tot de Noorse staten behoren. Deze noordelijke gebieden zijn met name van belang vanwege de verschillende grondstoffen die er gevonden worden. De ontwikkeling op olie- en gasgebied hebben tot nu toe voornamelijk een nationaal uitgangspunt gehad. Echter, de mogelijkheid van alternatieve energie leveranties aan West-Europa, de bilaterale industriesamenwerking met andere landen, de relatie tot de IEA (Internationaal Energie Bureau) en de OPEC, en de voortdurende discussie over een EEG lidmaatschap van Noorwegen, plaatst de gehele situatie in een meer internationale kontekst. Noorwegen: een klein land met een grote internationale rol.

Feiten over Noorwegen Ondanks het feit dat Noorwegen politiek, cultureel en economisch behoort tot de groep van democratische en geindustrialiseerde landen in West-Europa en Noord-Amerika, zijn er niet veel mensen buiten Noorwegen, die op de hoogte zijn van de algemeenheden van het land. Geografisch gezien ligt Noorwegen buiten Centraal Europa. Met een kustlijn aan de Atlantische Oceaan van bijna 5.000 km en een oppervlakte van 387.000 km' (inklusief Spitsbergen en het eiland Jan Mayen) ligt Noorwegen op een lijn tussen Oost en West, als een beschermende arm om Scandinavië heen. Vanuit het Oosten gezien vormt Noorwegen een barrière voor de Sovjet Unie om hun invloedssfeer uit te breiden naar het Westen. De bevolking telt 4,1 miljoen inwoners, welke voornamelijk geconcentreerd zijn in het zuiden. In het noorden, boven de Poolcirkel, waar het land direct grenst aan Finland en de USSR, is de bevolkingsdichtheid zeer laag. Gezien het inwonersaantal heeft Noorwegen een relatief groot aantal politieke partijen. Net als in de andere Scandinavische landen, is er na de 2e Wereldoorlog voornamelijk een sociaal-demokratisch beleid gevoerd, maar de huidige regering o.l.v. Premier Willoch is conservatief. Cultureel is Noorwegen vergelijkbaar met Nederland, sociaal-economisch heeft het land een ontwikkeling doorgemaakt vanuit een laag geindustrialiseerde, enigszins agrarisch georienteerde situatie naar een geindustrialiseerde staat. De scheepvaartindustrie was de enige industriële sector welke naar buiten gerichte activiteiten ontplooide. Deze industrietak profiteerde sterk van de goede conjuctuur in de jaren zestig.

De internationale economische teruggang welke hier op volgde, was ook merkbaar in Noorwegen. De recente vondsten van grondstoffen, zoals olie en gas, en de ontwikkeling hiervan , heeft Noorwegen de mogelijkheid geboden de gevolgen van deze recessie te beperken. Zelfs nu is de werkloosheid zeer laag, zeker in vergelijking tot andere OECD landen. Na 1945 heeft Noorwegen een liberale handelspolitiek gevoerd. De regionale industriële ontwikkelingen en de opkomst van een olie- en gasindustrie, hebben echter diverse interne economische maatregelen geëist, zoals bv. de oprichting in 1972 van een staatsoliemaatschappij. Als lid van de EFfA (econ. free trade ass.) heeft Noorwegen een uitgebreide handel met de EEG-landen. Uit een referendum uit 1973 bleek echter dat een lidmaatschap van de EEG door het Noorse volk niet werd gewenst. Dit standpunt van het volk wordt in de nationale politiek geaccepteerd en gerespecteerd, hoewel een min of meer lossere aansluiting nog altijd ter discussie staat. Op verschillende terreinen is Noorwegen nauw verbonden met de andere Scandinavische landen. In totaal maken deze 5 landen één geheel uit, voornamelijk op veiligheidsgebied, maar ook op internationaal niveau, zoals bv. in de VN. Het Noorse lidmaatschap van de NAVO is gebonden aan bepaalde voorwaarden, welke verband houden met de relatie van Finland met de USSR, de Zweedse neutraliteit, de Deense "tussensituatie" en niet in het minst met de specifieke plaats van Usland in de NAVO. Uit het bovenstaande blijkt dat het Noorse beleid altijd vrij nationaal getint is, maar dat er duidelijk rekening

Door drs. T.F.Konst; studeerde Politicologie aan de Universiteit van Oslo en werkt aan een dissertatie o ver de bilaterale samenwerking tussen Noorwegen en Nederland ; werkt momenteel 'lOOT een Noorse maatschappij in Nederland.

gehouden wordt met de andere Scandinavische landen, de Oost-West verhouding en het belang van verschillende internationale organisaties. De vraag rijst nu of de gevolgen van de nieuwe economische situatie waarin Noorwegen beland is door de olie- en gasvoorraden zal leiden tot een nieuwe rol voor Noorwegen in de internationale verhoudingen.

Nieuwe ontwikkelingen In tegenstelling tot de meeste andere westerse landen is het bruto nationaal product (BNP) in Noorwegen tussen 1974 en 1981 voortdurend gestegen. Tot deze ontwikkelingen hebben de expansie van de olieproductie en haar repercussies in belangrijke mate bijgedragen. In 1984 maakte de oliesector + 22% uit van BNP, en van de buitenlandse handel beslaat de olie- en gasexport ongeveer 73%. Meer dan 51.000 mensen zijn in deze sector werkzaam. De import is voor een groot gedeelte afkomstig uit West-Europa, vooral uit Zweden, de Bondsrepubliek en GrootBrittannië, die tesamen in 1984 ca. 48 % voor hun rekening namen. De export vanuit Noorwegen ging in '84 voornamelijk naar de 3 bovengenoemde landen. De buitenlandse handel per hoofd van de bevolking is een van de hoogste ter wereld. Uit deze cijfers blijkt dus dat Noorwegen sterk op West-Europa is gericht. Het zeer gunstige economische klimaat ten gevolge van de energiewerkzaamheden heeft Noorwegen bij de top gebracht van de landen met een hoge levensstandaard en uitgebreide sociale voorzieningen. Deze energiewerkzaamheden hebben er ook toe geleid dat er grote interne verschuivingen zijn

13


van werkzaamheden in de verschillende industrietakken: een verschuiving van O.a. landbouw en visserij naar op energie gerichte industrieën. Vanzelfsprekend zijn deze noodzakelijke verschuivingen niet ronder slag of stoot gegaan, en helaas geven ze nog steeds aanleiding tot problemen. Deze problematiek kan misschien mede verklaard worden door de overleg-economie waarvan ook sprake is in Noorwegen. Tot de nieuwe ontwikkelingen in Noorwegen behoort ook het oprichten van economische rones in de jaren '70. Vanwege het Noorse bestuur over Spitsbergen en Jan Mayen heeft Noorwegen gebruiksrecht over een gebied dat 4 x zo groot is als het Noorse continent zelf. In deze gebieden zijn er goede mogelijkheden voor verdere energieontwikkelingen, maar de eerder genoemde geo-politieke situatie van Noorwegen stelt dit thema in een bijrondere contekst. In de eerste plaats is de verdeling van het continentale plat in de Barentzsee, tegen de Sovjet Unie aan gelegen, nog niet rond. In de tweede plaats is er de twijfel van sommige landen over de Noorse rechten op het continentale plat van Spitsbergen. Vanwege het intenationale karakter van de olie- en gasindustrie heeft Noorwegen te maken met de grote multi-nationale oliemaatschappijen. Tevens is Noorwegen, als energieproducent, lid geworden van de IEA, zij het onder speciale voorwaarden. Door de prijspolitiek van de OPEC-landen, kreeg Noorwegen als olieproducent ook met deze organisatie te maken. Vanwege deze nieuwe ontwikkelingen ontstaat natuurlijk de internationale belangstelling voor industriepolitieke samenwerking met Noorwegen. Een goed voorbeeld hiervan is het Nederlandse initiatief tot een joint-venture op het Troll-veld. Militair-strategisch is de verhouding tussen Oost en West ook belangrijk voor Noorwegen. De grootste militaire Sovjet-basis ter wereld is gevestigd op het schiereiland Kola, niet ver van de Noorse grens. Dit roept natuurlijk de vraag op of hier geen Noorse (NAVO) maatregelen tegenover moeten staan. Deze vraag krijgt natuurlijk een extra dimensie door de eerder genoemde energiebelangen in dit gebied.

Noorwegen in "Norden" en de "Nordisk Balance" De term "Norden" is in het Nederlands niet algemeen bekend. In het algemeen wordt bedoeld een uitgebreid Scandinavië d.w.Z. niet alleen Noorwe14

gen en Zweden, maar ook Denemarken, Finland en Usland. Vanuit historisch oogpunt heeft Noorwegen veel betrekkingen met de andere "Nordiske" landen; denk o.a. aan de constitutionele banden met Denemarken en later Zweden. De culturele banden spreken natuurlijk voor zich. De economische banden zijn o.a. geinstitutionaliseerd in de "Nordisk Union", en gedeeltelijk in de EFTA. Zweden is de grootste handelspartner van Noorwegen in deze landengroep. Totaal gezien verlopen de onderlinge betrekkingen tussen deze landen via een minimum aan instituties. De politieke verhoudingen kenmerken zich door een onafhankelijke binnenlandse politiek, maar bij sommige internationale vraagstukken is er soms sprake van een gemeenschappelijk optreden (bv. in de VN). Oospronkelijk zijn Noorwegen, Zeden en Denemarken nauw met elkaar verbonden - een samenwerking op buitenlandse politiek ligt voor de hand. Usland wordt in deze context vaak vergeten, maar dit land is sterk georiënteerd op en verbonden met Noorwegen, niet in het minst door hun eigen plaats binnen de NAVO. De Finse politiek gaat uit van nationale belangen, die doorslaggevend zijn op elk gebied, met aIs gevolg een vertrouwen van het Oosten en respect vanuit het Westen. In het verleden heeft Noorwegen soms tegen Zweden opgekeken, niet alleen op cultureel gebied maar ook economisch. De laatste jaren is hierin een kentering gekomen, wat O.a. tot uitdrukking is gekomen in het Zweedse initiatief van hechtere industriepolitieke samenwerking, (denk aan Volvo-afspraken, waar olie en gas het uitgangspunt was). Sinds de toetreding tot de EEG neemt Denemarken een duidelijke tussenpositie in, het vormt als het ware een brug tussen de EEG en "Narden". " Norden" en "Nordisk Balanse" horen bij elkaar. Op het gebied van veiligheids- en buitenlandse politiek is er in deze landen sprake van een evenwichtssituatie: de "Nordisk Balanse". Dit wil in het kort zeggen dat er een evenwicht is tussen het Noorse NAVO-lidmaatschap, de verhouding Finland-Sovjet Unie, de Zweedse neutraliteit, de Deense tussenpositie en de functie van Usland. Er bestaat een opvallende ambivalentie in de "Nordiske" verhoudingen. Voor belangrijke veiligheidspolitieke en buitenlandse politieke vraagstukken hebben de individuële landen voor verschillende oplossingen gekozen, die worden bepaald

door hun verschillende opvattingen over en houding ten opzichte van landen buiten het "Norden". Tegelijkertijd is bijvoorbeeld in de VN de onderlinge samenwerking hecht. De olie- en gasvondsten hebben, roals gezegd, een groter contact met het internationale gebeuren als gevolg gehad. Noorwegen is op deze manier meer betrokken geraakt bij zaken buiten het "Nordiske" gebied. Deze naar buiten gerichte belangstelling ontslaat Noorwegen echter niet van haar verantwoordelijkheid tegenover de andere "Nordiske" landen. Zo heeft Noorwegen toegezegd dat zij haar olie op zichzelf nooit als dwangmiddel zal gebruiken in de buitenlandse politiek. De industriepolitieke samenwerking tussen Noorwegen en landen buiten "Norden" is niet alleen interessant uit bedrijfseconomisch standpunt maar kan ook een tegenwicht vormen voor een evt. samenwerking met de USSR op olie en gasgebied in de Barentszee, waar al vroeger sprake is geweest, rodat deze niet zal leiden tot verstoring van de balans (het "S-model"). Vanuit dit gezichtspunt blijkt dus inderdaad dat er een nieuwe rol is weggelegd voor Noorwegen. Noorwegen kan deze rol echter niet aanvaarden ronder de belangen van andere " Nordiske" landen in acht te nemen, waarbij o.a. gedacht kan worden aan sommige aspecten die een evenwicht vormen: de zgn "Nordisk Balanse".

Tussen oost en west Door de specifieke geo-politieke ligging van Noorwegen tussen de interessesferen van de twee supermachten krijgt het land vanzelfsprekend te maken met beide landen. Met de VS bestaan er rowel traditionele culturele als economsiche banden. Behalve dat zij n ze de belangrijkste bondgenoot van Noorwegen. De veiligheidsfactor in deze relatie is constant, de systeemfactor komt overeen aangezien beide naties een demokratische samenleving hebben. Zoals in elke goede verhouding is er natuurlijk ruimte voor afwijkende opvattingen. Een goed voorbeeld van dit laatste is de Russische gaspijpleiding naar West-Europa. Noorwegen werd in deze situatie gezien als alternatieve gasleverancier voor West-Europa: een nieuwe rol binnen het internationale gebeuren. In de verhouding tot de VS speelt de militaire-strategische situatie in het Noorden van Noorwegen een belangrijke rol. De voortdurende uitbreiding van de Sovjetbasis op Kola en de toekomstige offshore-werkzaamheden in dit gebied vragen om gepaste maatre-


gelen van Noorse zijde, waarbij wederzijds begrip en respect tussen Noorwegen en de VS erg belangrijk zijn. Er bestaat dus een samenspel van aan de ene kant de politieke overeenkomsten, en aan de andere kant de veiligheidsafhankelijkheid. Dit samenspel maakt dat de verhouding tussen WestEuropa (en dus ook Noorwegen) en de VS af en toe ietwat gecompliceerd is. De relatie met de Sovjet Unie is altijd heel anders geweest als die met de VS. Traditioneel is het contact tussen Noorwegen en de Sovjet Unie nooit ro intensief geweest, dit geldt niet alleen voor de culturele banden, maar ook voor de handel tussen beide landen. In deze situatie komt langzamerhand een verandering. Door de economie- en visserijbeschermende rones in het Noorden van Noorwegen en bij Spitsbergen, alsmede door de offshore-activiteiten in dit gebied zijn de contacten frequenter geworden. EĂŠn van de knelpunten bij de zich ontwikkelende relaties tussen Noorwegen en de Sovjet Unie is het vaststellen van de delingslijn op het continentale plat in de Barentszee. Noorwegen beroept zich hierbij op een algemeen volkenrechtelijk grondbeginsel, de Sovjet Unie verlangt daartegen een voorkeursbehandeling. Een ander knelpunt is dat de status van Spitsbergen, met bijbehorende zones en continentale plat, niet ronder meer door de Sovjet Unie erkend wordt. Evenals bij de relatie met de VS wordt de verhouding met de Sovjet Unie mede bepaald door de militairstrategische positie van de Kola-basis.

De reeds genomen en nog te treffen Noorse maatregelen aangaande deze kleuren vanzelfsprekend de relatie tussen beide naties. Noorwegen en de Sovjet Unie behoren tot 2 verschillende allianties. Op zichzelf hoeft dit natuurlijk geen belemmering te zijn voor een goed "buren contact". De grote verschillen in cultuur, landoppervlakte, bevolking en machtspotentieel vereisen wederzijds respect om een verantwoorde politiek tussen beide landen te voeren; een bijkomende complicerende factor in dit geval, (net als voor andere buurtlanden van de Sovjet Unie); is de beslotenheid van het systeem in de Sovjet Unie.

West-Europa Door de specifieke geo-politieke plaats neemt Noorwegen aan aparte positie in West-Europa in. Naast de traditionele en culturele banden zijn er nauwe handelsbetrekkingen met de rest van West-Europa. Een uiting hiervan zijn de irnport- en exportcijfers met de EEG-landen, (resp. 45% en 74% in 1983). Deze economische betrekkingen zijn geinstitutionaliseerd in de EFTA, waardoor er nauw contact met de EEG bestaat. Zoals eerder vermeld heeft het Noorse volk per referendum in 1973 besloten niet toe te treden tot de EEG. De sterke toenamen van olieen gasexport daarna heeft een eventuele aansluiting van Noorwegen bij de EEG echter in een nieuw daglicht geplaatst. Het beleid in Noorwegen is er niet op gericht om roveel olie en gas te produceren dat de totale West-Europese be-

Het Statfjord B. Noordzee olieproduktieplatform.

hoefte gedekt kan worden. De prijs van het Noorse gas is misschien hoger, maar hiertegenover staat een grote politieke stabiliteit. In deze context moet ook het initiatief voor Noors-Russische samenwerking voor de aanleg en exploitatie van een gaspijpleiding van de Barentszee naar West-Europa gezien worden. Van Zweedse zijde bestaat er grote belangstelling voor dit project, m.n. heeft Zweden interesse getoond om een gedeelte van het traject over Zweeds territorium te laten lopen. De economische en politieke consequenties van dit voorstel zijn echter zo verreikend dat nadere studie noodzakelijk is. De gedachte van een joint-venture tussen Noorwegen en Nederland op het Troll-veld opent nieuwe perspectieven voor de verhoudingen tussen Noorwegen en West-Europa. Naast de voren genoemde politieke consequenties (asmodel) heeft dit voorstel belangrijke werderzijdse bedrijfseconomische aspecten. Enerzijds bestaat er in Noorwegen behoefte van verschillende bedrijfssektoren, welke in versnelde ontwikkeling zijn geraakt door de energieproductie, om zich te gaan manifesteren op de internationale markt. Anderzijds voelen sectoren van de West-Europeese industrie, welke in problemen gebracht zijn door de dalende conjuctuur, de behoefte zich op Noorwegen te oriĂŤnteren. Met name de belangstelling van de Nederlandse offshore industrie voor Noorwegen is hier een goed voorbeeld van.

Er is dus duidelijk een versnelde samenwerking mogelijk tussen Noorwegen en de andere West-Europese lan, den. Indien deze samenwerking/ relatie geinstitutionaliseerd rou worden zal terdege rekening gehouden moeten worden met tevoren genoemde aspecten zoals: de specifieke geo-politieke situatie, interne regionale omstandigheden/ belangen in Noorwegen, de hechte verhouding met de andere "Nordiske" landen en de zgn. "Nordisk Balanse".

Noorwegen: "Een nieuwe rol?" Een antwoord op deze vraag is slechts mogelijk als men enige kennis bezit van het land zelf. Hoewel Noorwegen een deel van West-Europa uitmaakt, kennen slechts weinig buitenstaanders de specifieke context van waaruit de ontwikkelingen in Noorwegen tot stand zijn gekomen. Vanuit een oorspronkelijk agrarisch georiĂŤnteerd land met een kleine, niet specifiek gerichte industrie, waarna na de Tweede Wereldoorlog een sociaal15


demokratisch beleid gevoerd is. Met een nadruk op nationale en regionale belangen, heeft Noorwegen zich ontwikkeld tot een sterk geindustrialiseerde staat, met een hoog welvaartsniveau. Ondanks de internationale economische teruggang en de open economie is het door de ontwikkeling van natuurlijke energiebronnen mogelijk geweest deze voortgang door te laten gaan. Door deze veranderingen is er een grote verschuiving van verschillende industriesectoren geweest. De interne belangenbehartiging binnen het Noorse systeem heeft geleid tot een overleg-economie, net ais in andere West-Europese landen. Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg gehad dat externe betrekkingen andere accenten gekregen hebben. Door de toename van olie- en gasexport kan Noorwegen zich een grotere "ruimte" permitteren in hun keus van

disponeringen inlenalionaal gezien. Ondanks deze nieuwe positie blijft Noorwegen natuurlijk behoren tot de groep van " Nordiske" landen, met alle

culturele en politieke aspecten vandien. De economische ontwikkeling van Noorwegen kan niet los gezien worden van de specifieke geo-politieke en militair-strategische positie van het land. In dit verband moet ook de "Nordisk Balanse" genoemd worden. De specifieke ligging op het raakvlak van de interessesferen van Oost en West vereist een wederzijds respect. De verhoudingen met de VS en de Sovjet Unie worden gekenmerkt door dit wederzijds respect, waarbij aangetekend moet worden dat door tal van factoren deze verhoudingen verschillend van karakter zijn. De traditionele en culturele relaties met West-Europa zijn een goede voedingsbodem voor o.a. uitbreiding van economische betrekkingen.Deze nauwere samenwerking met West-Europa is enerzijds een bittere economische noodzaak, anderzijds kan deze samenwerking misschien een waarborg zijn voor stabilisatie bij activiteiten welke gericht zijn op het Oosten, of daar vandaan afkomstig zijn.

Noorwegen: - "een nieuwe rol!" De rol die een land in het totale internationale gebeuren speelt wordt door vele factoren bepaald. Een "nieuwe rol" in een zodanige context hangt samen met complexe veranderingen binnen deze factoren. De positie van Noorwegen is in de laatste decennia sterk veranderd. Deze veranderingen zullen zeker in de toekomst invloed uitoefenen op de factoren die de rol van Noorwegen in het internationale gebeuren bepalen. In dit artikel is getracht enig inzicht te geven op de wijze waarop deze ontwikkelingen tot stand komen en welk effect ze mogelijk wuden kunnen hebben op de rol van Noorwegen. Bovengenoemde overpeinzingen zijn zeker niet compleet, de bedoeling is dat ze de aanzet zullen geven tot verdere gedachten vorming over dit onderwerp.

De buitenlandse politiek van Noorwegen Rede van de Noorse Minister van Buitenlandse Zaken Stray tot de Storting (Parlement),5-12-1984 Since the Soviet Union withdrew from the talks in Geneva a year ago, the climate between East and West has been rather cool. This is especially true of the relations between the two super powers. The soviet Union had obviously directed its efforts towards preventing the deployment of the new American intermediate-range missiles in Europe, while they were not prepared to accept any decisive limitations on their own weapons of this type. These efforts were not successfuI. The break in the negotiations may be explained in many ways. lt may be viewed as an expression of the Soviet Union's disappointment over the fact that their negotiation strategy had not been successful or of their need for more tinae to plan a new strategy. But the Soviet Union's obvious attempts to create an atmosphere of crisis by sharpening their tone mayalso indicate that they feit there was hope of attail6

ning their primary goal by means of influencing Western opinion. There is probably a complex of motives and reasons behind the Soviet Unio n's attitude throughout the past year. The dismal result of this deteriorated situation was not an increasing danger of war, but a continued and I dare say, accelerated build up of military strength, with all the side effects this entails. However, the events of the past few weeks indicate that we are now at the gateway to a new and more constructive phase in East/ West relations. Firstly, there are prospeets of new nudear arms negotiations between the USA and the Soviet Union. As you know, a meeting concerning this has been summoned between Foreign Ministers Shultz and Gromyko in Geneva o n 7 and 8 January. If it is successful, it may pave the way for comprehensive disarmament negotiations. Secondly, an agreement has recently

been reached at the Stockholm Conference resolving the procedural difficulties which have stood in the way of the real discussions. The fact that the difficulties were overcome through direct contact between the Soviet and American ambassadors must also be viewed as a manifestation of the positive desire to inaprove relations between the two countries. Thirdly, the Soviet Union and the USA have agreed to hold regular meetings on how to prevent the proliferation of nudear weapons. This is also a positive development in light of the preparations for next year's Supervisory Conference on the Test Ban Treaty. These events may have very far-reaching positive effects on East/ West relations and on the entire international atmosphere. Nonetheless, allow me to emphasize that it would not be very realistic to expect any early results. Experience has shown that negotiations on the truly meaningful issues such as


security and disarmament are both lengthy and complicated. We must not underestimate the difficulties wbich must be overcome before the positive political tendencies we are now witness to can be consolidated and reinforced. The major objective of the new nuclear arms negotations will be to arrive at an agreement on considerable reductions in the weapons arsenals. lt is therefore with satisfaction that we note the fact that the Soviet Vnion and the VSA have agreed on using tbis as a point of departure for the new negatiations. Active and constructive participation in cooperation with the A/lies to promote the success of the negatiations wil/ constitute our country's most important peace-making e!forts in the future. Discussions about the Western negotiating strategy have already been initiated in NATO. The NATO countries are prepared to go to considerable lengths in order to effect measures wbich may reduce tensions, and which ensure that peace wiU not be based exclusively on mutual deterrence. But neither can peace be based merely on confidence in proclaimed intentions. lt must be based on areasonabIe balance of forces at the lowest possible level, and on agreements relating to arms con trol and disarrnament wbich impose clear and verifiabIe obligations on both parts. Vnilateral reductions or compromises on the part of the West could have a destabilizing effect and could increase the danger of force being used as means of coercion. This would acbieve the opposite of what was intended. Peace would be insecure. If, on the other hand, the situation is such that none of the parties can be pressured, conditions may be favourabIe for a constructive cooperalion, not only on disarmament but in other areas as weIl. Eforts directed towards peace and security cannot be separated. They are two aspects of the same issue. The new Western framework for the negotiations has been designated "umbrella talks"to illustrate the willingness to discuss aU nuclear and space weapons systems. Such an approach may provide greater flexibility and more opportunities for solutions than were possible in the earlier Geneva negotiations. On the other hand, the main problem with bath the INF and the START negotialions will recur. For the European members of NATO, the Soviet Vnion's pronounced superiority in the number of land-based long-range interrnediate-distance missiles is a major problem. The Soviet Vnion has already deployed 378 missiles with 1.134 nuclear warheads, and at pre-

sent 11 bases for a total of 99 missiles or 297 warheads are under construction. If we compare the land-based missiles of tbis type wbich are deployed in the East with those in the West, the deployment in the West represents only one-tenth of the number in the East, calculated on the basis of the number 路of warheads. From the Norwegian and Western point of view, we fervently hope that the new negotiations will lead to a solution to the very basic problem represented by tbis imbalance. The VSA, with the support of her Allies, has remained adamant that the negotiations must be resumed without any preconditions. They are not willing to unilaterally implement measures which ought to result from the negotialions, and have therefore rejected demands to freeze the deployment of new intermediate range missiles or to agree to any withdrawal of these missiles as a precondition for the resumption of negotiations. Since the Soviet Vnion has now expressed its willingness to negotiate, however, it may be appropriate to point out that NATO is prepared to discuss aU solutions, including a halt in deployment as weU as the withdrawal and destructions of the missiles. Vnity within NATO has been an essential prerequisite for the positive developments we are now witnessing. If the Alliance had been divided, it is doubtful whether the Soviet Vnion would have seen any advantage in resuming negotiations. In the discussions of the new negotiating strategy, aU members of NATO wijl have the opportunity to make their views known. When the strategy is completed, it is of decisive importance to the results that all member countries support it 10yaUy. In the opposite case the negotiating position of the West would be weakened. Today Norway occupies a firm posilion in the Alliance and is able to exercise influence on the decisions made by NATO. This aUows us the best possible opportunity for active participation in the continuing disarmament efforts. Regarding our own security situation, our proximity to the large Soviet base complex on the Kola PeninsuIa is creating increasing problems for us. A considerable portion of the Soviet Vnion's nuclear arms are deployed from tbis area. The Soviet deployment of seaand land-based cruise missiles on Kola has already given cause for worry for quite some time.

These weapons can be equipped with both conventional and nuclear warheads. The cruise missiles are capable of being used effectively against allied reinforcements coming to Northern Europe by sea, and naturally also against land-based targets in the entire area. This problem is reinforced because the Soviet Vnion has now developed a new generation of these missiles. This iJlustrates how important it is to Norway that the coming negotiations between the VSA and the Soviet Vnion include the entire spectrum of nuclear arms. Regarding the security situalion of Europe, it is also important that progress be made at the conference in Stockholm on disarrnament in Europe. The consensus about methodology wbich was reached a few days ago encourages the hope that progress can now be made in the negotiations. The goal is to further develop the provisions of the Helsinki agreement conceming confidence and security building measures. This area will receive bigh priority in our work for security and detente. Extended notificalion of military manoeuvres and exercises wijl provide greater clarity and predictability and will reduce the chances for uncertainty or misunderstanding. Our strategie location makes it especiaUy important that we make provisions which ensure notification of the movements of amfibious forces. Norway attached special importanee to this during the preparalion of the Western negotialing strategy, and is prepared to work actively during the conference to arrive at a provision concerning this issue. Arms con trol, disarmament and confidenee building measures are essenlial to detente and future peace, yet they are not the only elements which affect the international climate. Economie and cultural ties are also important in tbis context. In addition the human rights issue plays an important part. The 1970s taught us that progress must be made in all major areas of East/ West relations if detente is to be consolidated. Not that progress on other fronts has to be made into a precondition for disarmament negotialions. This manner of linkage would impede progress. But it must still be clearly acknowledged that ideological differences, breaches of human rights, the oppression of forces of democracy and the Soviet Vnion's dominance in Eastern Europe as weU as her warfare in Afghanistan create difficulties for detente efforts. The problem in East/ West relations 17


are extensive and complex, but the one thing absolutely necessary to the acbievement of any progress is the wiIlingness to discuss them with one another. In light of tbis we feel that it would be of great importance if politica! summit meetings could be held regularly between East and West. Norway has brought tbis up both in bilateral talks and in NATO. It is gratifying that President RonaId Reagan in bis speech to the United Nations expressed a similar view. Tbe rapproachment between East and West wbich we cao now see afier the agreement concerning the meeting in Geneva, will as previously mentioned, not show any concrete results for some time yet. lt appears, however, that we are in the process of leaving bebind us the dead-Iocked situation we have experienced during recent years. In the same way it would be natural if domestic controversies experiences in connection with security policy, in Norway and other NATO countries, could also unite forces to work together toward fundamental goals upon wbich we all agree. Concerning the follow-up of the Storting discussions of the reports relating to security and disarmament, the Ministry of Foreign Affairs has, in tbis connection, set up three comminees. Tbeir work will be coordinated by a steering group under the chairmansbip of the Foreign Minister. Tbe first committee consists of representatives from the Ministry of Foreign Affairs, the Ministry of Defence, Headquarters Defence Command and the Disrmament Committee. It has as its mandate '10 investigate the real possibilities for a nuelear-weapon-free zone in the Nordic area, as a link in a broader European scheme, and witbin the framework of our membership in the Western Alliance. A thorough, indepth analysis will be made. Without wanting to anticipate the work of the committee, there is still reason to emphasize the following: Every negotiation concerning the limitation of the scope and deployment of nuclear weapons must, fust of all be a matter for the two major nuelear powers. No agreement about these weapons, applying to our part of the world, is possible without the consent of the USA and the Soviet Union. Norway is a nuclear-weapon-free country. However, there is no reason for us to undertake a treaty obligation to this effect except as part of a more comprehensive arrns limitation agreement between the East and West. Such an agreement must include concrete, 18

practica! concessions from the other side. Verbal guarantees are not sufficient. Tbe second committee is made up of representatives from the Ministry of Foreign Affairs, the Ministry of Defence and Headquarters defence Command. lt is to investigate questions concerning how NATO can extricate a strategy based on the potential use of nuclear weapons. In tbis context, particular attention shall be given to the question of replacing the nuclear weapons intended for early use with conventional weapons. Allow me to remind you that NATOs major objective is to prevent war, conventional or nuelear, by maintaining a defence posture that demonstrates elearly that an attack would not be profitable under any circumstances. While on the subject of NATO strategy, there is further reason to remind you that NATO is a military alliance organized for the purpose of defence. It has been repeatedly maintained that no NATO weapon will be used except in response to an attack. All of the Alliance's defence plans and NATO's strategic concept are based on the explicit premise that one or more of the member countries has been attacked. Tbe defensive goal of the Alliance is also elearly reflected by the force levels in Europe and the distribution of NATO forces. Comprehensive talks and studies have been going on inside NATO for some time with a view to making our defence strategy less dependent on nuelear weapons. In Europe, the superiority of the Soviet Union with regard to conventional forces is considerable. This is the factor that determines the role of nuclear weapons in NATO's defence strategy. Tbe effort to become as independent as possible of nuelear weapons, so that their role may in due course be reduced to serving as a quarantee that they will not be used by the other side is, therefore, closely linked with the conventional balance of forces. In recent years, the defence budgets of the European NATO countries have reflected a real growth of 2 per cent per year. Military experts have maintained that had the average annual growth been 4 per cent, tbis would have been enough to free us from early use, and also from the potential fust use, of nuelear weapons. It is incomprehensible that there is no broad-based support, in Norway or in other allied countries in Europe, for paying such a price to reduce our dependence on nuclear weapons.

A better solution would, of course, be if it were possible instead to agree on considerable arms reductions on the conventionallevel and on an identica! force ceiling on both sides. As you know, tbis is the goal of the MBFR negotiations in Vienna. It is to be hoped that a renewed will to negotiate on the part of the Soviet U nion will manifest itself here as weil. Many people tend to disregard the fact that large conventional forces and in particular a conventional imbalance represent the most serious threat to peace. Peaceful intentions are gauged, therefore, not least on the basis of willingness demonstrated to discuss and agree on considerable reductions in order to acbieve a reasonable balance as regards conventional forces. No deliberations on strategy can be divorced trom the question of a conventional balance of forces. Tbe third committee has been given the mandate to consider the implementation of consequential analysis. Tbe aim is to elarify the effects of important weapons procurements or other national defence measures of disarrnament efforts. The committee will also evaluate the effects proposals concerning arms control and disarrnament may have on the security policy situation in general and on the various countries. Norway was one of the sponsors of a proposal for a UN resolution concerning tbis question. Tberefore, it is natural for us to follow tbis up on our own by making preparations for such analysis on a national basis. This committee is made up of representatives from the Ministry of Foreign Affairs, the Ministry of Defence, Headquarters Defence Command and the Disarrnament Committee. Another important security policy question has received a great deal of anention recently. lt concerns the reactivation of the Western Europe Union. Tbis has been taken a step further at the joint meeting of the membercountries' Foreign and defence Ministers which was held in Rome this past October and at the subsequent meeting of Parliamentarians. According to the deelaration issued after the meetings, the Defence Ministers and the Foreign Ministers will hold comprehensive discussions and endeavour to harrnonize their viewpoints, especially on the following areas: defense questions arrns control and disarrnament the effects of developments in EastiWest relations on European security


-

the European contribution to strengthening the Atlantic Alliance with an eye to the importance of Trans-Atlantic ties Development of European cooperation where the WEU can contribute political feedback. Furthermore, it was decided that evaluations cao also be made of the effeets on Europe of crises in other regions.

It seems as if one of the main grounds for the unsuccessfuI attempts to bring about a far-reaching security policy debate within the framework of the European Political Cooperation (EPC). Whether the aims put forth in the declaration are practica bie remains to be seen. Tbe follow-up until the next meeting of the Council of Ministers will give some indication. On the other hand, here we are faced with a diffi-

cult, fundamental question which will inevitabie take time. And at present we have no certain indications of what will finally crystallize. We have, however, indications that future developments will be of interest to Norway as weil. Therefore, we will continue to follow very closely what happens in the future.

From Pax Russica to Pax Sovietica Problems of continuity and change in Finnish foreign policy since the early 19th century "Historians naturally are inclined to emphasize unique features of past events. Political scientists, on the other hand, are interested in continuities, or persistent pattems of policy making. It is obvious that for rigid comparative purposes the periods before independence in 1918 and sin ce World War 11 are too far apart. If one, however, takes the phenomena of political culture as his point of departure, it may be intellectually legitimate to look for uniformities through a time perspective of some 100 or 150 years. There are other reasons, too, for a deep time perspective in assessing Finnish foreign policy since 1944, i.e. the Paasikivi and Kekkonen era. For many people in Finland and abroad the postwar years constitute something radically new and different in terms of foreign policy making. But even a superficial reading of Finland's history reveals that what actually happened in 1944 was a continuation of policy adopted in the early 19th century and consistently conducted until the 1880's. My point is that actually there is a break of only 20 years, (during the 1920's and 1930's) in tbis mainstream tradition. Finland did not adopt a brand new policy in 1944; she returned to a tradition of more than 100 years duration ( ... ) What I now report is a framework for analysis intended to illuminate persistent pattems of political culture in Finland conceming the primary foreign policy question, Finnish-Soviet/ Russian relations ( ... )

Conception of Russian/Soviet intentions The transition in 1809 from 600 years of Swedish rule to the Russian Empire highlighted the constant factors which

since then have been in the core of the Finnish tradition. The Russians had an interest in pacifying the newly conquered country and, in addition to that, Emperor Alexander I used Finland for political window dressing purposes in order to suggest himself as a liberator of oppressed nations in Europe. Finland hence got favourable treatment from the Russians. Through political acts the Emperor guaranteed autonomous rule to Finland based on institutions wbich were established during the Swedish rule. Tbe Emperor solemnly declared that Finland by bis act was raised in stature among the nations of Europe and he invited the four established estates in Finland to rule the country as a Diet together with the Emperor. Finnish noblemen and priests were encouraged to enter the administrative service both in Russia and in Finland. Tbe Empire provided good opportunities for civil and military caryeers and the Finns took considerabie use of these. Why this benevolence toward a peripheral country wbich had been conquered by force of arms and then ceded by Sweden to Russia in the Peace of Hamina 1809 without even mentioning it as a national or political entity by name? A province tumed into a country like Cinderella by an act of benevolence or of political prudence?

Pax Russica These events quickly provided !wo different conceptions conceming Russian intentions in Finland. The idea of Pax Russica implies that libera! principles and moods in the Imperial Court were being put into practice and the Finns as a nation could take use of their right to national self-determination, a right which the Swedish crown never had

Passage uil een lezing door Prof. Dr. Osmo Apunen (universiteit van Tampere, Finland), in oktober J984 gehouden op uitnodiging van het Instituut voor Internationale StudiĂŤn te Leiden .

conceded to Finland. This new status was given to the Finnish people, not acbieved by force of arms. Accordingly the idea of Pax Russica implied that people in Finland would behave loyally and show their gratitude to the Emperor. This was tbe spiril in which common people in Finland were instructed decade after decade from the pulpits of their Lutheran church and by their administrative authorities. A picture of the Russian Emperor was one of the few decorations in peasant houses and hum bie cottages in the countryside still in the beginning of the 20th century. In history books and political debates one may find another not ion - wbich I believe is of much later origin - implying that the Finns got their good treatment because it happened to fit Russian imperia! interests. It is pointed out that Alexander I needed his army in Central Europe in order to contain Napoleon and hen ce he preferred to pacify Finland by political acts rather than by military means because the use of brute force leads to a protracted guerrilla warfare in tbis vast area. This argument is supported not only by the logic of situations but by the fact that after the Napoleonic wars Finland actually was subordinated to bureaucratic rule like any other Russian province and the Diet was not convened until 50 years later. This argument of imperia/ domina/ion as the primary Russian intention in Finland was later supported by evidence according to wbich improvements in Finland's status regu19


larly somehow correlated with moments of weakness or external danger to !he Russian Empire. Basically the idea of imperial domination implies that progress from !he Finnish point of view was brougbt about by a policy of pacification adopted in the Empire. Focal points in Ibis argumentation are the 1850's and 1860's, when the Crimean War was seen as the international background for the improved status of Finland, and 1905-1906 when Russia had its external and internal moments of weakness after the RussoJapanese War. Explanations based on the notion of imperial domination are not difficult to identify as Balance-of-Power modeis. lbis means that Finland's international status depends on power configurations where Russian external and internal situations are primary factors. Statecraft in Finland begins with calculations concerning these power relationsbips and results in analysis concerning the amount of freedom these from the Finnish point of view - external factors may avail. Clearly tbis is typically smaU power thinking wbich is determined by the international system and which easily reveals characteristic features of realistic outlook in political science. The Pax-Russica-theory, in turn, draws further evidence from the policies of Alexander II. Again one finds a liberal-minded emperor who truly foUows bis principles and concedes several privileges to the Finns - the convening of the Diet, a separate currency and monetary system, trade regulations, etc. And here we find the Pax Russica idea in fuU blossom. This meant not only political status as a nation, but a period of peace lasting more than 100 years, the growth of economic prosperity and - perhaps before all else - a good chance for the Finnish national movement to develop and to acbieve power in order to abolish the politica! and social privileges enjoyed by the Swedish-spealdng minority in Finland. lbis is the reason why the statue of Alexander II still stands in the middle of the Central Square in Helsinki surrounded by tbree institutions of sodal power: the National Cathedral, the University and the Palace of Government. lbis belief in Pax Russica is deeply founded in the persons of the Russian emperors. It is difficult to understand Finnish polities and Finnish-Soviet/ Russian relations, without tbis personal factor in the political tradition of Finland. Most likely it was not imposed so strongly because of some traits in Fin20

nish politica! characters but rather as a consequence of the Russian tradition. In public discussion and even in scientific debates one still may perceive distinctions of good and bad emperors. As indicated already, Alexanders have a good reputation, but Nicolais in turn have a rather sinister connotation. It is hardly any surprise that polities in the Kremlin is sirnilarly watched in terms of strong personal factors. Hawks and doves in Soviet polities repeat the pattern of analysis wbich was rooted in Finnish polities during 100 years of Russian rule. And there are good feUows and bad feUows: Lenin, Krushchev and Kosygin c1early have an aura of benevolence towards Finland; Stalin, Molotov and some others arouse at least mixed feelings. We may, however, easily extend the two basic conceptions concerning Russian intentions in Finland to apply to Soviet polities as weU.

Pax Sovietica The idea of Pax Sovietica seems to be manifested in bistory interpretations concerning the Years 1917-18 - when Finland gained independence from Russia - and the years 1944-48. But theories of imperial domination are applied equaUy. The Transition From Pax Russica interpretations to Pax Sovietica interpretations conveniently focuses on the finnish dec1aration of independence in December 1917. According to the Pax Sovietica interpretation the Soviet government and especially Lenin personally conceded to Finnish wishes because they were truly foUowing their political principles. The Bolsheviks had dec1ared their adherence to the principle of national self-determination and accused the czarist administration of chauvinistic repression. The Bolshevik nationalities policy overtly aimed at socialist revolution in and by minority nationalities in Russia. The proletarian revolution was not to be exported from Soviet-Russia. Rather, it was expected to develop according to loca! conditions. National selfdetermination up to the point of secession from Russia would lead to voluntary return of these nationalities. Being members of the family of socialist countries, such nationalities would overcome their suspicions and fears and hence voluntariUy contribute to the construction of a federal Soviet state. lbis was the idea upon wbich the Pax Sovietica conception was founded and, accordingly, the reason why recognition of Finnish independence in the last night of December 1918 was ex-

tended to the representatives of bourgeois Finland. Very much of the credit for tbis bistorica! decision is given Lenin personaUy. It is not too difficult draw a paraUel from Ibis interpretation to the act of Alexander I 11 0 years earlier: !here are similar mixtures of ideas and personalities, displays of Russian benevoIent administration of their family of nations, and the idea of voluntary adherence to the union from minorities. The message is c1ear in both cases: No one is kept in the family of Russian nations by force of arms, but those who opt for it will get benefits for their security and development. The conception of the Pax Sovietica leads to a discontinuity during the 1920's and 1930's when the new Finnish republic adopted a policy of distrust, hostility and suspicion, and because of tbis Lenin's benevolent act was not foUowed by a period of mutual prosperity and exchanges as was the case after 1809. In 1944 things, however, took a favourable turn in tbis sense. Finland and the Soviet Union adopted a policy of good neigbourhood wbich, according to the Pax Sovietica conception, brought benefits for the Finnish people to those during the 19th century. Political independence was supplemented by economic prosperity and cultural exchanges. It is also pointed out that the Soviet leadersbip (Stalin personaUy) consciously adopted in 1944 tbis policy as a continuation of Lenin's policy in 1917-18. There is also a moment of political benevolence involved in these interpretations. The summer of 1944 was in many ways critical to Finland. In a few months one had to experience desperate turns and the final breakdown of the Finnish-German relationsbip, a dangerous military dĂŠbac1e on the Finnish-Soviet front, and finaUy the East-West understanding in Yalta concerning the unconditional surrender of Germany and its allies and the settlement of future international relations in Europe. Germany's collapse in the spring of 1945 left no balance of power to play. Churchill had said that the Finns could chop down some of their forests in order to repair the damage they had caused to the Soviet Union in the war, but otherwise, the Finns feit that they were left at the mercy of the Soviet government. Fears and obsessions of rapid sovietization of Finland did not, however, materialize. Finland emerged from the crisis of 1944-48 as a country wbich alone, I believe - meticulously tried to foUow the understanding of Yalta and


hence mainly escaped the torrents of the emerging Cold War between East and West. The Pax Sovietica conception points out that the Soviet Vnion had at her disposal all the military might needed in order to occupy Finland and to annex her into the Soviet orbit like the East-European countries. But the Soviet government did not execute the final thrust, and tbis is supported to testify to the Soviet benevolence and adherenee to Leninist policies of voluntary union. Later in the 1970's and 1980's observers of Soviet bistoriography have notieed a turn - possibly dating back to the early 1960's - wbich indicates an emergence of old Slavophilic themes in interpretations of bistory. These themes stem from the idea of a Russian family of nations led and protected by the Russians and her primary allies, the White-Russian and Vkrainians. The array of nationalities also contains the Finns, along, with other Fennougrian nationalities. The unity of these nationalities is based on their common cultural traits and on a beneficial tradition of coexistense. In bistory books tbis Slavophilic current leads to interpretations which diminish confliets and violent measures among the family members and emphasize the favourabIe cultural effects of coexistence. Tbe mainstream academie bistoriography in the Soviet Vnion still seems lO hold on to established Leninist notions according to wbich the Finns and the Bolsheviks were allies in their struggle against the Czarist regime and wbich, further, holds that the policy of nationalities was intended to overcome national fears and suspicions, not to put the cart of nationality in front of the socialist revolutionary horse. Tbeories of imperial domination have their counterparts concerning Soviet era. It is not too difficult to trace tbis conception back to prevalent ideas in Western sovietology wbich suppose that the Soviet govemment actually follows traditional Balance-of-Power polities or that it even has adopted many of those foreign policy features possessed by the imperial Russian governments. This conception explains the recognition of Finland's independenee by referring to the fact that the Soviet government was both internally and externally in an extremely difficult situation and that it hence simply could not afford any other policy but to bend in front of existing facts. Similarly it is pointed out that in 1944 the Soviet leadersbip badly needed all available military means in Central and

Finland in kaart.

Eastern Europe. Obstinate resistance provided by the Finnish arrny after the crisis on the Carelian front played a decisive role in Soviet power calculations during the summer of 1944 and tbis was the reason why the Soviets witheId their final thrust and no longer demanded so unconditional surrender from Finland. The Margin of balance was in Finland's favour in tbis case. The key evidence in the conception of imperial domination is. however, in the events of the Winter War. Tbe Kuusinen government in Terijoki is understood to have been a predecessor of similar exile governments which later ascended to power in the wake of the victorious Soviet army in Eastern Europe. Some evidence is also drawn from the characteristies of the treaty which the new Soviet government conc\uded with the Finnish revolutionary government in the spring of 1918. During those negotiations the BoIsheviks proceeded from premises which implied more the status of a state within a federal union than an agreement between two sovereign states. With these rough outlines I have tried to demonstrate that in bistory books and in public debates in Finland an analyst may find two different conceptions concerning Russian and Soviet intentions. The essential features of these notions are presented in the following columns.

Conception of Russian/Soviet intensions Pax Russica/ Sovietica - Leading personalities truly follow

and apply their benevolent principIes concerning national self-determination Military conquest and use of force only consequences of Big Power polities and not intended to export social systems or extend political domination by force Voluntary and loyal participation of minority nationalities in the Russian/ Soviet family of nations Voluntary participation provides security and prosperity for minority nation Imperial Domination - Russian / Soviet policy follows the balance of power between big powers

Aim of this policy is to maintain and, if possible, to extend the sphere of influence achieved Minority nations may expect concessions only if the Russian / Soviet state has an interest in pacifying them by political means Minority nations are kept inside the Russian / Soviet power constellation basically by power

Concept ion of Domestic Relations During the first 50 years of political autonomy after 1809 Finland was administered strictly along bureaucratie principles. In relation to Russia the first mIe of this administration was that Finland must be kept politically as invisible as possible. Tbe French Revolution had created the concern that social stability would also be endangred 21


in the Russian Empire. In spirit of the Holy Alliance politica! invisibility in Finland was executed by suppressing allliberal currencies and symptoms of unrest among ordinary people. This policy resulted in a tradition in wbicb common people had only the role of an obedient subordinate who displays loyalty and has no interest in ideologica! debates. It was a consistent line in terms of invisibility, loyalty and obedient restraint in social and political issues. Adopting this low profile, the bureaucratie power elite in Finland expected that the Emperor in turn would reward them by leaving Finland alone with its own masters. And tbis was exactly what happened. Finland was ruled by men bom in Finland and the country experienced a slow but steady economic, cultural and political progress. Later in the 19th century Russian chauvinists had to confront a nation wbich could refer to lofty promises given in 1809 as a matter of fact. Finland was in practice an autonomous entity in the Russian Empire, regardless of whatever opinions the Russians had of her legal status. This policy followed by bureaucratic patriots resulted in conservative domestie policies because of foreign policy considerations. The primary concern was to keep relations with the imperial court stabie and to avoid conflicts by monitoring carefully in advance what were acceptable solutions in the Court. But after the 1850's a policy of low profile was no longer possible without modifications. The emerging Finnish national movements ruined the old power elites and their conception of Finnish-Russian relations. The primacy of foreign policy was not as self-evident as it had been for several decades. The low-profile policy was not feasible because it implied social stability and harmonious social relations - at least externally. One could not maintain the low profile policy simply because of the growing conflict between the two national movements - Swedish and Finnish - in Finland. What would be their attitudes toward the Russians think about tbis authorities, and what would the Russians new situation in their previously invisible and stabie province? J.V.Snellman, philosopher and statesman, headed the Finnish movement and provided the fust policy analysis for it. Snellman proceeded from Hegelian philosophy and from Finnish realities. He drew the conclusion that the primary task of the Finnish national

22

movement would be to overcome the illegitimate supremacy of the Swedisb minority. In order to attain tbe necessary power for tbis Snellman was ready to coUaborate with the Russians. SnelIman did not think primarily in terms of Finland and Russia but in terms of national movements, and hence one may say that in bis conception primacy was reserved for domestic affairs. Later in the 1880's and 1980's Snellman's reasoning was continued in the writings of Y.S. Yrjรถ-Koskinen, who at that time headed the conservative wing of the Finnish movement. Yrjรถ-Koskinen feit that the Finns should intensify their struggle against the Swedish movement in spite of the fact that the Russian authorities and Slavophilic writers had attacked Finland's autonomous status. The unity and strength of the movement could be its only rescue in a crisis and this could be attained only through a vigorous struggle against its primary adversary Yrjรถ-Koskinen reasoned. Both Snellman and Yrjรถ-Koskinen tried to describe Finnish-Russian relations in realistic terms. One should always proceed from concrete interests and historical situations and not from some lofty principles. They did not see any particular reason to oppose the czarist system in Russia in principle or to assess Finnish-Russian relations from an ideological point of view. This all resulted in a strategy wbich was basically of a cooperative nature. In the Swedish camp, as one easily may understand, cultural bonds and social ideas lead to the Scandinavian countries. Russia on the other hand

Cooperation

Conflict

appeared to be a backward, Asian dynasty with little or nothing in common with the Western world. Liberalism had some influenee in Swedish eircles, but later, towards the end of the 19th century, when the struggle with the Finnish movement intensified, liberal ideas with reference to democratie majority rule and parliamentary procedures lost their attraetiveness and paved the way for more reaetionary chauvinist ideas. Being the stablished power elite in Finland, the Swedes perceived Finland's status from a political or patriotie point of view. They propagated national uoity against Russia. Tbis implied a conflict between Russia and the entire society of Finland. The emerging erisis between Finland and Russia alarmed the Finns in the 1880's when Slavopbilic writers began to critically assess Finland's legal status. At the same time the Czarist government tightened its hold on Finland and exceeded with certain administrative decisions the limits of Finland's autonomy as it was defined in Finland. It was assumed that tbis was based upon false information in Russia or upon a conscious distortion of the facts in nationalistic fervour. Tbis tbeory of an information gap between Finland and Russia proved to be illusory. Russian nationalists as weil as the imperial administrators simply were not interested in the "right" information fIowing from Finland. Tbis mounting pressure also increased suppott for themes of national unity among the Finnish movement. A rift in the movement led to a new political party alignment where the "old" Fin-

Primary conflict exists between the Finnish and Swedish movements in Finland Polities must proceed from the interests of the national movement because only this can provide a future for the Finnish-speaking people - The Finnish national movement may find common interests with the Russian authorities in their struggle against the Swedish minority in Finland - The interests of the national movement should not be endan gered by ideological demonstrations conceming domestic Russian affairs or international issues like Poland the Czar is a neutral power above the different nationalities and bis personal rule protects minorities from majority repressions People in Finland should act as one nation irrespective of their linguistic, cultural, or social differences primary conflict exists between Finland and Russia and it concerns Finland's status inside the Russian Empire the czarist govemment and autocratic rule are detrimental to the Western political values represented by the people of Finland


nish grouping with its collaborationist tendencies, was opposed by a constitutionalist camp composed of the Swedish party and a "Young" Finnish wing. This constitutional cause also gained some support from the labour movement where persons like Yrjö Mäkelin spoke in favour of national unity and a struggJe against the reactionary and repressive Czarist regime. Inside the Labour party however the issue of national unity was controversial because clomestic social issues sepa-

reted labour from the other parties in Finland. In the 1890's the relationship of foreign and domestic issues was seen from two different perspectives: constitutionalist and collaborationist. The former proceeded from national conflict between Finland and Russia. The collaborationist view did not subscribe to this thesis completely, but even this camp perceptions of Russian chauvinism became more and more of a concern. In the end the collabora-

tionists almost lost sight of the original theses presented by Snellman and Yrjö-Koskinen conceming the common interest between the Russian authorities and the Finnish movement. Old Yrjö-Koskinen was finally left alone in his stand. We may now try to present in condensed form the essential features of these two conceptions conceming the role of domestic issues in Finnish-Russian relations.

Finland en Finlandisering Een voorbeeld voor de weg naar een "geëuropeaniseerd" Europa? "Ons advies aan de finlandiseringstheoretici: kies een ander woord, als U wenst iemand te beledigen " (Urho Kekkonen, tweede Finse staatspresident).

Finlandisering als politiek scheldwoord Een aantal landen valt de twijfelachtige eer toe, dat hun situatie door de buitenwereld als zo buitengewoon beschouwd wordt, dat ze daarom de naamgever voor nieuwe diplomatieke termen worden. Te denken is aan "Balkanisering", aan de befaamde "Hollanditis" en aan "Finlandisering". Hoe sterk deze terminologie op een land van buiten gedrukt wordt komt ook in de volgende beschrijving van "Finlandisering" uit een onlangs verschenen woordenboek tot uitdrukking. Volgens dit lexicon is Finlandisering "een beleid dat er op gericht is, om door middel van subtiele druk invloed en tenslotte controle uit te oefenen op een land zonder daarvan de territoriale integriteit te schenden". Hier wordt niets gezegd over de vraag of het betreffende land niet zelf een keuze heeft en welke voorwaarden en redenen voor de beslissing van het land doorslaggevend waren. De term is een politiek scheldwoord en heeft minstens door zijn ontstaan een pejoratieve klank en inhoud. Finland verschijnt als een afschrikkend voorbeeld. Frans Jozef Strauss gebruikte de term in 1971 in een polemische aanval op de Oost-politiek van de sociaal-liberale Bondsregering in West-Duitsland. Met zijn verwijzing naar Finland wilde hij suggereren dat dit land, hoewel formeel onafhankelijk, onder de invloed van de Sovjet-Unie stond en dat deze toestand ook door de Westduitse Oost-politiek voor de Bondsrepubliek te wachten stond. Welke rede-

nen biedt Finland's status en gedrag voor deze waarneming?

De buitenlands-politieke oriëntatie van Finland De aanleiding voor de denigrerende beoordeling van Finland's politiek door ferme Westerse partijgangers biedt het feit dat Finland zich onpartijdig opstelt in de Oost-West-confrontatie. Volkenrechtelijk is Finland - anders als Zwitserland of Oostenrijk geen geneutraliseerd land, maar het volgt een strikt beleid van "puoluetIOmuns" (onpartijdigheid). Finland onderhield bijvoorbeeld noch diplomatieke relaties met de Bondsrepubliek Duitsland noch met de Duitse Democratische Republiek en erkende pas in 1971 beide staten, maar dan tegelijk. Finland stelde zich terughoudend op bij alle incidenten tussen Oost en West, bijvoorbeeld tijdens de Poolse crisis of in verband met de Russische interventie in Afghanistan of na het neerschieten van het Zuidkoreaanse passagiersvliegtuig. Jongstleden bracht Finland het neerstorten van een Russische raket op eigen grondgebied in een pijnlijke en delicate situatie, die tenslotte na een formele Russische verontschuldiging zonder spanning met zijn overmachtige buurland doorstaan kon worden. Deze Finse houding moet gezien worden tegen de achtergrond van de Finse geschiedenis met name na 1944. Ondanks de Fins-Russische Winteroorlog van 1930-1940 en het intreden van Finland aan de zijde van het Duitse Rijk tegen Rusland, kreeg Finland

Door:

Kurt P.Tudyka,

hoogleraar in de

Leer der Internationale Betrekkingen aan de Katho lieke Universiteit te Nijmegen.

in september 1944 van het Kremlin een wapenstilstand met milde condities. Ook bij de verdeling van invloedssferen in Jalta tussen het Westen en Rusland speelde Finland geen rol, hoewel Roosevelt nog in Teheran aangeduid had, dat Finland tot de Russische invloedssfeer zou kunnen behoren.

In het Westen bestaat de algemene opvatting, dat Finland niet tot een "Volksdemocratie" gemaakt werd met alle gevolgen van dien, omdat in dit geval Zweden een militaire bondgenoot van de Verenigde Staten was geworden. Toch blijft opmerkelijk, dat anders dan in het geval van TsjechoSlowakije Finland enerzijds vanaf het begin buiten het Marshall-plan bleef en anderzijds niet door de Communistische Partij overgenomen werd. In 1947 werd een vredesverdrag getekend tussen Finland enerzijds en Groot-Brittannië en de Sovejet-Unie anderzijds; de Verenigde Staten hadden aan Finland geen oorlog verklaard en waren daardoor geen deelnemer van dit accoord. Finland moest nu ook formeel afstand doen van wat het al in

23


1944 verloren had, namelijk de Kareliese-Iandengte en de vlootbasis Porkakkala bij Helsinki (die het echter in 1955 van de Sovjet-Unie weer terug kreeg).Voorts werd een maximale omvang van de krijgsmacht bepaald. 1n 1948 moest Finland een Verdrag van Vriendschap, Samenwerking en Wederzijdse Hulp met de Sovjet-Unie afsluiten met een preambule, waarin Finland verklaart buiten conflicten van de grote mogendheden te blijven. Dit verdrag verplicht Finland in geval van een militaire aanval door Duitsland (!) of zijn bondgenoten zich te verdedigen en dat indien zij daartoe niet voldoende in staat is, de Sovjet-Unie militaire hulp wu verlenen en dat beide landen wnodig een militair bondgenootschap zullen aangaan. Voorts bestaat in geval van zo'n aanvalsdreiging een consultatieplicht. De Finse presidenten Paasikivi en Kekkonen interpreteerden het verdrag als grondslag ("Paasikivi-lijn") voor een niet aan een grootmacht gebonden buitenlands beleid. Dit soort van neutraliteit werd in het begin door de Sovjet-Unie niet erkend; pas medio de jaren vijftig gebruikte ze de term neutraal in verband met het Finse conflict. De Sovjet-Unie wilde ook een eerdere consultatie in geval van crisis bereiken, dan de Finse leiders haar wilde toestaan. 1n Finland hebben intussen alle partijen het neutraliteitsbeleid geaccepteerd en daarom werd in 1983 de verlenging van het vriendschapsverdrag unaniem door het Finse parlement aanvaard. In de politieke praktijk van de Finse buitenlandse politiek komt de positie van Finland tot uiting in het feit dat het land niet de hechte institutionele bindingen met Oost en West is aangegaan als de andere Europese landen. Het werd zelfs geen lid van de Raad van Europa. Wel is het intussen lid geworden van de Noordse Raad en on-

derhoudt het, op basis van bilaterale verdragen, relaties met de EFTA, met de EG en ook met het RWEH (Comecon). 1n haar gedrag heeft Finland vermeden partij te worden in conflicten tussen andere staten. Ook sluit het officiĂŤle beleid kritiek en veroordeling van de rhetoriek of de handelingen van andere staten uit. Dit soort van passieve neutraliteit werd sinds de jaren zeventig aangevuld door een actief neutraliteitsbeleid, dat ondermeer daarop gericht is de Oost-West-dialoog te stimuleren - bijvoorbeeld de CVSE-Conferentie van 1975 - , het disengagement te bevorderen - bijvoorbeeld het Kekkonen-plan van 1963 en 1979 voor een beperkte kernwapenvrije wne in Noord-Europa - en de recrutering voor de vredestroepen van de Verenige Naties met soldaten en uitrusting. Het is duidelijk dat Finland het veiligheidsbelang van de Sovjet-Unie wil waarborgen rekening houdend met haar eigen geschiedenis en de realiteit van de bestaande machtsverhoudingen en daarbij zijn identiteit en onafhankelijkheid zo goed als mogelijk wil bewaren. Van het perspectief van de SovjetUnie uit gezien is Finland's positie aanvaardbaar en eventueel voordelig wlang als de eigen veiligheidsbelangen, dat wil zeggen het instand houden van de status quo, bevestigd worden. 1n het verleden heeft de Sovjet-unie wantrouwig tendenzen in de Finse politiek gevolgd en zich erin gemengd om veranderingen van de politieke verhoudingen te voorkomen. Dat leidde in de jaren 1948/ 1949, 1958/1959 en 1961/1962 tot crisisachtige verhoudingen, die pas na grote inspanningen door de Finse presidenten genormaliseerd konden worden. Ook daarom voert de Finse regering met de SovjetUnie voor het nemen van belangrijke

Tegenover een toekomstig gefinlandiseerd Oost-Europa een ngezwediseerd" West-Europa?

24

besluiten in aangelegenheden van buitenlandse politiek eerst overleg. Ook heeft het Finse economische beleid rekening te houden met de economische belangen van het minder ontwikkelde maar reusachtige buurland. Als men de term Finlandisering als een geleidelijk doordringen van SovjetideeĂŤn en in toenemende mate rekening houden met de Sovjet-belangen omschrijft, dan is Finland zelf niet" gefinlandiseerd". Het voorbeeld van Finland houdt daarentegen een fascinerend model in, dat de burgerlijke vrijheden tegenover een niet expansionistische maar angstvallig op machtsbehoud bedachte grootmacht optimaliseert wnder diens veiligheidsbelangen te bedreigen.

Overname van het FinsZweedse model door Europa? Dit model is op zich voor niemand in West-Europa interessant. Ook kan het niet - wals minstens gedeeltelijk in Finland na 1944 - van buiten opgelegd worden. Nog niemand heeft kunnen aantonen hoe de Sovjet-Unie in staat zou zijn een politiek van onpartijdigheid van de Westeuropese landen af te dwingen. Het plaatsen van de raketten is zeker niet de juiste weg. Een andere vraag is of niet de Finse status voor Oost-Europa dat wil zeggen de zes landen, DDR, Polen, Tjsecho-Slowakije, Hongarije, RoemeniĂŤ en Bulgarije nastrevenswaardig is. Het bereiken van zo' n doel is uiteraard in eerste instantie afhankelijk van de bereidheid van de Sovjet-Unie, de militaire-bureaucratische hegemonie in deze landen op te geven. Waardoor zou de Sovjet-Unie ertoe gebracht kunnen worden de hegemoniale positie te verlaten? Een samenwerkingsverband naar het voorbeeld van Finland is voor de Sovjet-Unie waarschijnlijk minder


duur en gevoelig dan de bestaande toestand. Oe veiligheid, die de status quo aan de Sovjet-Unie biedt, zou gecompenseerd moeten worden door een reeks van veranderingen. Hier kan bet voorbeeld van Finland verder behulpzaam zijn. Zoals de Finse positie niet los gezien kan worden van de Zweedse houding, zou tegenover een toekomstig gefinlandiseerd Oost-Europa een "gezwediseerd" West-Europa moeten staan. Met andere woorden een transformatie van de zes (of minder) Oosteuropese landen is volgens Russische veiligheidsbelangen alleen dan waarschijnlijk als een transformatie van minstens een deel van de West-

europese landen naar Zweeds voorbeeld plaatsvindt. Zoals alle maatschappelijke en politieke krachten in Finland de Russische wereldmachtpolitiek gedogen, zouden ook de maatschappelijke en politieke krachten in de zes Oosteuropese landen zich terughoudend en soms collaboratief dienen te verhouden. Dat is een eis, die gezien de sterke antirussische gevoelens in enkele van deze landen niet vanzelfsprekend is. Het lijkt dat in West-Europa geen duidelijke aanwijzingen voor politieke krachten zijn die een overname van het Fins-Zweedse model zouden kunnen bevorderen. Het belang van de

Verenigde Staten in West-Europa geeft kennelijk de doorslag voor alle bemoeienissen om een verandering van de verhoudingen met de Oosteuropese landen te bewerkstelligen. Het status quo-denken overweegt ook hier. Dat geldt overigens ook voor de meerderheid van de politici in de Bondsrepubliek Duitsland, hoewel West-Duitsland om een reeks redenen als eerste in aanmerking zou kunnen komen, om een beleid van Finlandisering voor de OOR in ruil voor een eigen Zwedisering te willen voeren.

De supermachten en de wereldvrede verslag van een JASON-SIB debat In het sfeervolle en tot op de laatste plaats gevulde Groot Auditorium van het Leidse Academiegebouw organiseerden de Stichting Jason en de Leidse Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen op maandag 28 januari j.l. een debat. Naar het model van de Camhridge Union Debating-Society werd door vier gastpleiters en vier student-pleiters gedebatteerd over de stelling: "De Verenigde Staten vormen een grotere bedreiging voor de wereldvrede dan de Sovjet-Unie ".

Voor de stelling werd gepleit door Karen van Bergen, L.Wecke (Instituut voor Vredesvraagstukken Nijmegen), Frank van den Heuvel en F.van der Spek (lid Tweede Kamer voor de PSP). Tegen de stelling pleitten Thomas Huigens, G.van Benthem van den Bergh (wetenschappelijk hoofdmedewerker Institute of Social Studies), Pauline Krikke en J.M.A.H.Luns (voormalig secretaris-generaal van de Navo). Het debat stond onder voorzitterschap van de Leidse hoogleraar V.Halberstadt. Bij een eerdere gelegenheid werd dezelfde stelling in Cambridge verworpen met 79 stemmen voor, 103 stemmen tegen en maar liefst 231 onthoudingen. Wat werd er in Leiden zoal naar voren gebracht door de pleiters en hoe lagen daar de stemverhoudingen?

De voorstanders van de stelling Karen van Bergen vergeleek - het spits afbijtend - het buitenlands-politiek gedrag van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie na 1945 aan de band van hun bijdrage aan de wapenwedloop. Telkenmale zijn het de Verenigde Staten die nieuwe wapensystemen introduceren en daarmee het voortouw nemen. Dit geldt vanaf de atoombom in 1945 tot op de dag van vandaag met het Strategic Oefen se Initiative. Deze constante pogingen van het land om een voorsprong te nemen op de Sovjet-Unie werken destabiliserend en brengen, zeker in het nucleaire tijdperk, grote risico's met zich mee. Oe Sovjet-Unie ziet zich steeds gedwongen de balans te herstellen. Thans zijn

de Verenigde Staten druk doende voor zichzelf een 'fust strike capability' te ontwikkelen. Oe Reagan-administratie tracht dit te verwezenlijken door een gigantisch nucleair moderniseringsprogramma op gang te brengen en door het niet-onderhandelbare Strategic Defense lnitiative te lanceren. Oe wapenwedloop krijgt als gevolg van deze ontwikkeling een nieuwe dimensie en gaat onverminderd voort: "We will never allow it", heeft Gromyko reeds aangekondigd, sprekend over de Amerikaanse plannen. Bovendien wordt de positie van Europa tussen twee onkwetsbare supermachten hoogst onzeker. L. Weckeverklaarde noch anti-Amerikaans noch pro-Russisch te zijn,

doch uitsluitend een voorstander van een rechtvaardiger wereld. Vanuit deze optiek constateerde hij een politiek van overbewapening bij de Verenigde Staten zowel als de Sovjet-Unie, een wanstaltige 'overkill'. Oe ondoorzichtige bewapeningsdynamiek is aan beide zijden vrijwel on beheersbaar. Beide supermachten kennen ambities om een 'first strike capability' te ontwikkelen. Niettemin zijn het de Amerikanen die als eersten op de proppen komen met het Strategic Defense Initiative. Dit is weliswaar verklaarbaar uit het feit dat de Sovjet-Unie een economische en technologische achterstand heeft op de Verenigde Staten en uit het feit dat de Verenigde Staten in tegenstelling tot de Sovjet-Unie door de Atlantische Oceaan veilig gescheiden worden van het potentiĂŤle Europese gevechtstheater, maar daarmee nog niet goed te praten. Het buiten beschouwing laten van de Sovjet-Russische percepties van de ontwikkeling is uitzonderlijk riskant. Oe Amerikaanse regering betrekt de psychologische realiteiten van de Sovjet-Unie niet in haar beleid, doch schept deze zelf, waarbij zij bovendien haar eigen belangen laat prevaleren boven die van West-Europa. Het als gevolg van het op democratische leest geschoeide politieke systeem complexe Amerikaanse besluitvormingsproces dat gekenmerkt wordt door traagheid en eindeloze compromissen - maakt dat de Verenigde Staten niet geschikt zijn om een actieve leiderschapsrol in de huidige internationaal-politieke constellatie te spelen. Voor het overige meende Wecke nog dat het niet zinnig 25


is om te veronderstellen dat de SovjetUnie erop uit rou zijn om talloze miljoenen West-Europese toe te voegen aan haar reeds indrukwekkende collectie dissidenten. Frank van den Heuvel was de mening toegedaan dat de Verenigde Staten op tal van punten zich in hun buitenlandspolitiek denken en handelen aggressiever tonen dan de Sovjet-Unie, met name onder het duo Reagan-Weinberger. Hij illustreerde dit aan de hand van - opnieuw - het Strategic Defense lnitiative en de Amerikaanse weigerachtigheid om een 'no fust use' -verklaring af te geven. Frank stelde dat - mede als gevolg van eventuele destabiliserende effecten - vrijwel de gehele wereld gekant is tegen de ontwikkeling van een ruimte-verdediging, daarbij onder meer verwijzend naar het door Thatcher bij het bezoek van Gorbatsjov getoonde wantrouwen. De door de Sovjet-Unie afgegeven 'no first use'-verklaring is een indicatie dat het land defensief is ingesteld. Indien de Verenigde Staten dit eveneens rouden doen, zou er meer zekerheid bestaan dat een treffen tussen de supermachten rou uitblijven. Door dit tot op heden te weigeren wekken de Verenigde Staten de stellige indruk een nucleaire oorlog te willen ontketenen, ook bij een conflict dat oorspronkelijk beperkt van schaal is. F. van der Spek noemde iedere bewapening gevaarlijk en iedere grote bewapening zeer gevaarlijk: dus ook die van de Sovjet-Unie. In de Sovjet-Unie - een land dat overigens het machtspolitieke gedrag van een moderne supermacht vertoont - is zelfs een extra gevaar gelegen in de beslotenheid van het systeem. Echter, ook in de Verenigde Staten is de bewapening een

oncontroleerbaar proces, waarin via het militair-industrieel complex kapitaalsbelangen een prominente rol spelen. De Verenigde Staten hebben als in militair en economisch opzicht machtigste supermacht evenmin als de Navo als geheel (waarin zich, 'present company excluded', veel honden bevinden) ooit directe actie ondernomen naar aanleiding van gebeurtenissen in OostEuropa. Daarentegen is er een indrukwekkende lijst van rechtstreekse (Vietnam, Grenada) en indirecte interventies (Guatamala, Varkensbaai, Dominicaanse Republiek; tevens stelde van der Spek, zich beroepend op uiteenlopende destijds door hem geraadpleegde bronnen, dat de Verenigde Staten met Indonesië de actie tegen Oost-Timor hadden afgesproken) in andere delen van de wereld samen te stellen. Van der Spek oefende ernstige kritiek uit op de personele bezetting in de Verenigde Staten. De Reagan-administratie dient fabelachtige defensiebegrotingen in. Het feit dat de Nederlandse Minister van Defensie Amerikaanse Congresleden met boekjes moet voorlichten over de defensie-inspanningen van de eigen bondgenoten in West-Europa wijst erop dat deze afgevaardigden toch stellig niet veel zullen afweten van de Sovjet-Russische bewapening. Amerikaanse onderhandelaars in Genève, die toegeven wel eens nieuws te horen van Sovjet-diplomaten over de Amerikaanse bewapening, weten volstrekt onvoldoende over hun eigen bewapening. Het hoofd van het Amerikaanse Bureau voor Wapenbeheersing en Ontwapening heeft vroeger wel eens opgemerkt dat hij wapenbeheersingsonderhandelingen uitsluitend nuttig vindt omdat zij een rookgordijn kunnen optrekken voor de publieke opinie terwijl het bewape-

ningsproces onderwijl ongestoord voortgang kan vinden.

De tegen-pleiters Thomas Huigens noemde de huidige buitenlandse politiek van de SovjetUnie de resultante van een samensmelting van de marxistisch-leninistische doctrine en de aspiraties van een moderne supermacht. De doctrine van de van enigerlei vorm van politiek mandaat verstoken elite interpreteert de geschiedenis in essentie als een continue klassenstrijd en is daarmee militant en internationaal van karakter. In de Sovjet-optiek is land erg belangrijk volgens het motto: 'wat van mij is is van mij, wat van jou is daar kunnen we over praten'. Tevens is er sprake van een constante mobilisatie en liggen de prioriteiten in de economie bij de wapen-productie. Inherent aan doctrine, gericht op expansie en wereldhegemonie, en strategie, die het mogelijk maakt ieder middel daartoe aan te wenden, is dat de Sovjet-Unie een grotere bedreiging voor de wereldvrede vormt dan de Verenigde Staten.

G. van Ben/hem van den Bergh vond de stelling onjuist en gevaarlijk. Zij onderkent niet de dynamiek van de rivaliteit tussen de twee supermachten die hen een 'posture of war' doet aannemen. Deze onderlinge rivaliteit bedreigt de wereldvrede, niet de eigenschappen van één van de twee landen; de rivaliteit is terug te voeren op de aard van de betrekkingen tussen staten. Zoals reeds in de tijd van Athene en Sparta zien staten zich bij voortduring geplaatst voor een veiligheidsdilemma. Voor hun voortbestaan, veiligheid en onafhankelijkheid zijn ze in essentie aangewezen op zichzelf. Er is geen wereldregering, bewapening is noodzakelijk. Deze bewapening wordt

De vitr gast-pleiters bij het Jason-SJB debat. Van links naar rechlS: L. Wecke, F. van der Spek, G. van Benthem van den Bergh. J. Luns.

26


door andere staten echter aIs een bedreiging gepercipieerd. Van Benthem van den Bergh meende dat verdergaande samenwerking tussen de supermachten nodig is. Deze coĂśperatie wordt belemmerd door ĂŠĂŠn van beide supermachten af te schilderen als de grootste bedreiging voor de wereldvrede. De stelling komt voort uit een manier van denken die op zichzelf bedreigend is voor de wereldvrede. Pau/ine Krikke splitste het begrip 'bedreiging' op in een tweetal componenten: militair potentieel en de bereidheid om dit potentieel ook daadwerkelijk in te zetten. Beide supermachten beschikken over het potentieel, de bereidheid om het te gebruiken is in de Sovjet-Unie echter verreweg het grootst. Pauline verklaarde dit uit de militair-patriottische opvoeding van de jeugd. Leerlingen dienen militaire vocabulaire aan te leren en zich militaire behendigheden eigen te maken. Hiertoe moeten zij opstellen schrijven over thema's als 'oprukken' en 'heldhaftigheid' en veldslagen nabootsen op oefenbanen naast de scholen: onder het motto van het 'rode spoorzoeken' worden excursies gemaakt naar plaatsen waar het voorgeslacht dapper heeft gevochten voor het vaderland. Deze opvoeding resulteert in een burgerij die positief staat tegenover militaire zaken (als het neerschieten van een passagiersvliegtuig boven Russisch grondgebied) en vervuld is van vooroordelen jegens het Westen. De ware vredesbeweging bestaat uit intellectuelen die in de illegaliteit verkeren ; een debat als het onderhavige zou in de Sovjet-Unie ondenkbaar zijn. J. Luns verdedigde in zijn verhaal, waarin hij in overwegende mate inging op de door voorgaande pleiters geplaatste opmerkingen, de Verenigde Staten. Interventies lopen altijd uit op terugtrekking van Amerikaanse troepen (vergelijk Vietnam). De Verenigde Staten hebben het nucleaire monopolie nimmer gebruikt als pressiemiddel tegen wie dan ook en kennen een strategie die niet gericht is op onderwerping van de rest van de wereld. Dank zij nucleaire wapens bestaat er in Europa vrede vanaf 1945 ; nucleaire wapens zijn op zich vreselijke wapens - Luns betreurde dat ze ooit zijn uitgevonden - maar weerhouden de Sovjets van agressie. Zoiets als een wapenwedloop bestaat niet: aan Westerse zijde worden nucleaire systemen uitsluitend vervangen. Westerse landen geven bovendien, uitgedrukt in percentages van hun nationale inkomens, minder uit aan defensie dan twintig jaar geleden.

Impressie van de zaal tijdens het Jason-SIB debat.

Luns waarschuwde nog voor een conventionele oorlog - naar aanleiding van de 'no fust use' -problematiek - die niet beschouwd mag worden als een soort van steekspel uit de Middeleeuwen en herinnerde eraan dat Reagan heeft beloofd het 'Star Wars'-programma, in geval van welslagen, aan te bieden aan de Sovjet-Unie.

Zaaidebat In het zaaIdebat, dat werd overheerst door tegen-pleiters, werd door voorstanders van de stelling gewezen op het feit dat de Verenigde Staten ook een ideologie kennen die ten grondslag ligt aan hun buitenlands beleid: domino-theorie en 'evil empire'-uitspraken zeggen genoeg. Een andere spreker wees op het 'Handboek van de Nederlandse Soldaat' dat beschouwd kan worden als een handzame catalogus voor mensen die de aankoop van een Russische tank overwegen en waarin afgebeelde krijgsgevangenen een Russisch uniform dragen. Het feit dat er in de Tweede Wereldoorlog aan Russi-

sche zijde aanmerkelijk meer slachtoffers vielen dan aan Amerikaanse zijde kon er, volgens een laatste zaalpleiter, wel eens op duiden dat de Amerikanen minder doordrongen zouden zijn van de ernst van de zaak en daarom makkelijker zouden denken over 'een drukje op de knop'. Tegenstanders van de stelling wezen in hoofdzaak op de binnenlands-politieke situatie in de Sovjet-UnIe, die meeweegt indien men vrede positief definieert. Mensenrechten dienen aldus te worden betrokken in de beraadslagingen over de stelling.

De uitslag Zowel voorafgaand aan als na afloop van het debat werd een stemming gehouden onder de bezoekers. De uitslag was respectievelijk: 61 stemmen voor, 201 stemmen tegen, 42 onthoudingen en 52 stemmen voor, 197 stemmen tegen en 36 onthoudingen. Hans-Martien ten Napel

27


Gedragskodes voor ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven De dikussie over het Nederlandse ontwikkelingsbeleid wordt op het ogenblik op vele plaatsen gevoerd en daar is ook wel enige reden toe. Recent wist Minister Schoo de Herijkingsnota door de Tweede Kamer te loodsen, waarmee de eerste stappen werden gezet voor een meer bedrijfsvriendelijke benadering bij de besteding van ontwikkelingsgelden. 10 Maart wordt de nota OntwikkeIinssamenwerking en Werkgelegenheid (1) in de Kamer besproken. 10 het regeerakkoord was ten aanzien van Ontwikkelingssamenwerking al vastgesteld dat het Nederlands bedrijfsleven meer van de besteding van bulpgelden moest gaan profiteren, en in deze nieuwe nota - waarin de relatie tussen de besteding van ontwikkelingsgelden en de belangen van de Nederlandse economie op rij worden gezet - wordt bijna zonder omwegen uitvoering aan deze opdracht gegeven. Kern van de nota is het invoeren van een nieuwe doelstelling voor ontwikkelingssamenwerking: vergroten van de betekenis van de besteding van ontwikkelingshulp voor de economie en de werkgelegenheid van Nederlandse bedrijven. De fraai geformuleerde ontwikkelingsidealen voor de armsten der armen in de wereld die in alle beleidsnotities na 1973 - en dus ook weer in deze nota - zijn opgenomen vallen bij de konkrete uitwerking van de nieuwe doelstelling in het niet. De uitgangspunten die aan de Nota ten grondslag liggen lijken terug te grijpen op de ontwikkelingsvisie van de jaren '60. (2) De partikuliere ondernemingen worden weer beschreven als de belangrijkste 'dragers van ontwikkeling' in de ontwikkelingslanden. Hoewel gesproken wordt over de 'vermaatschappelijkijing van ontwikkelingssamenwerking' wordt aan de partikuliere organisaties buiten het bedrijfsleven minimale aandacht besteed. (3) Impliciet uitgangspunt is dat de inschakeling van het bedrijfsleven de kwaliteit en de effektiviteit van de hulpverlening zal verbeteren, en op langere termijn zal leiden tot versterking van de industrie en vergroting van de werkgelegenheid in ontwikkelingslanden. Ten slotte wordt er van uit gegaan dat het betrekken van Nederlandse ondernemingen bij de besteding van hulp een belangrijk middel is om de bijdrage van de hulp aan de Nederlandse werkgelegenheid zo groot mogelijk te laten zijn. Over deze uitgangspunten is in de jaren '70 een boekenkast vol kritiek geschreven, omdat het bedrijfsleven immers altijd een zeer belangrijke maar lang niet altijd bevredigende rol speelde bij de besteding van ontwikkelingsgelden. (4) In verband met de politieke prioriteiten van deze regering heeft men blijkbaar tijdelijk de ogen voor deze kritiek gesloten, zelfs als die van eigen adviesorganen afkomstig is. Het recente evaluatie-rapport van de Inspektie Ontwikkelingssamenwerking te Velde (IOV) zet scherpe kanttekenin-

28

gen bij het funktioneren van Nederlandse bedrijven in konkrete projekten. (5) En ook in het NAR-rapport notabene bedoeld als officiele voorbereiding voor de Werkgelegenheidsnota - worden grote vraagtekens gezet bij de vermeende positieve rol van het Nederlandse bedrijfsleven in het ontwikkelingsproces in Derde Wereldlanden tot nu toe. (6) Op de wijze waarop in de Herijkingsnota het bedrijfsleven een prominente plaats kreeg in het 'nieuwe' ontwikkelingsbeleid werd door veel maatschappelijke organisaties duidelijk negatief gereageerd, maar op de hoofdlijnen van de Werkgelegenheidsnota - een konkrete uitwerking van het 'herijkte' beleid - had ook dat geen effekt. (7) De politieke keuzes stonden blijkbaar bij voorbaat al vast. Om het bedrijfsleven meer bij de hulpbesteding te betrekken worden in de nota een aantal beleidsmaatregelen aangegeven. Ten eerste zal a.s. meer rekening gaan houden met de 'sterke punten van het Nederlandse bedrijfsleven', de aanbodszijde: op welke manier kunnen de produkten van de bedrijven aansluiten bij de vragen die door de ontwikkelingslanden gesteld worden, en in hoeverre zijn deze vragen aan te passen? De praktijk tot nu toe is echter dat voornamelijk de grotere konserns die relatief technisch geavanceerde produkten leveren profiteren van de hulpbestedingen (8), en die sporen eerder met de koopkrachtige elites in de ontwikkelingslanden dan met de belangen van de (armere) doel-

Door Wicher Smit en Leo van Velzen, beide werkzaam bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO)

groepen van het ontwikkelingsbeleid. Om de 'aanbodszijde' maximale mogelijkheden te geven wordt een belangrijk deel van de identifikatie en uitvoering van het projektenwerk uitbesteed aan het partikuliere bedrijfsleven. Bedrijven kunnen projekten opzetten, bij a.s. voordragen ter financiering en daarna uitvoeren. De overheid houdt zich in dergelijke gevallen slechts bezig met de bepaling van de toegekende hulpbijdragen per land/ projekt, een toetsing van de aangedragen projekten op vooraf geformuleerde kriteria (9) en een evaluatie achteraf. Bij deze toetsing gaan in de nieuwe procedures de ambassades ter plaatse een grotere rol spelen dan voorheen, waardoor de kans op belangenverstrengeling (handelsbevordering en ontwikkelingsrelevantie) nog toeneemt. Waar de overheid alleen een toetsende en kontrolerende funktie heeft stelt dat hoge eisen aan de deskundigheid van de betreffende ambtenaren, maar ook ten aanzien daarvan lijken er tegendraadse maatregelen genomen te worden. De integratie van de ambtenaren van a.s. binnen het volledige apparaat van Buitenlandse Zaken is een voldongen feit, en dat gaat betekenen dat er aanstellingen gaan komen voor funkties binnen de hele dienst. Ambtenaren moeten binnen zo' n struktuur een brede orientatie hebben, die een overplaatsing van handelsattachĂŠ in Washington naar een post als begeleider van O.S.projekten in een ontwikkelingsland mogelijk maakt. De gespecialiseerde kennis over ontwikkelingsprojekten zal daardoor eerder af dan toe nemen, waardoor ambtenaren (weer) sterker afhankelijk worden van de mensen die voor het bedrijfsleven projekten uitwerken. Tenslotte wil Minister Schoo de hulpbesteding meer gaan konsentreren op sektoren en op landen waar de Nederlandse bedrijven (ook) kommerciele kansen hebben. De hulp moet dan additionele handel en investeringen tot gevolg hebben, wat een extra gunstig effekt voor de Nederlandse economie tot gevolg heeft. (10) In vaktermen wordt gesproken over ver-


breding van de hulp, een beleidsmaatregel die in eerste instantie binnen het hulpprogramma voor India en Indonesië wordt uitgeprobeerd. Een probleem is echter dat bij de huidige programma-landen de kansen op een dergelijke verbreding gering zijn. Het betreft voornamelijk armere landen met weinig financiele ruimte voor ko=erciele importen, waarvan de importvraag bovendien maar beperkt aansluit bij het (konkurrerende) exportpakket van het Nederlandse bedrijfsleven. Wil deze beleidsmaatregel effekt sorteren dan zal de hulp (ook) op andere, rijkere landen gericht moeten gaan worden, een vorm van 'verbreding' die haaks staat op de ideële doelstellingen van O.S. maar waarvoor al druk gelobbyed wordt. (11) In de Werkgelegenheidsnota wordt zelfs al een eerste aanzet daartoe gedaan. (12) Bij het opstellen van deze beleidsmaatregelen wordt er steeds impliciet vanuit gegaan dat er een redelijke belangenparallelliteit is tussen de armste groepen in ontwikkelingslanden en de Nederlandse economie, een stelling die in de nota echter niet onderbouwd wordt. Waar bovendien een aantal onderweken hebben gewezen op de spanning die bestaat tussen de humanitaire doelstellingen van de hulp en de feitelijke uitvoering daarvan door kommerciele bedrijven (13), krijgt deze veronderstelde belangenparallelliteit het karakter van een ideologische vóóronderstelling. Voor de enige gemarginaliseerde groep in ontwikkelingslanden waarvan in de nota konkreet aandacht besteed wordt - vrouwen - wordt zelfs wnder restriktie gekonkludeerd dat "modernisering in veel gevallen geleid heeft tot verslechtering van hun positie". (14) Daarnaast blijkt uit de nota dat de wijze van hulpverlening via het bedrijfsleven niet in staat is om de mensen in de informele sektor te bereiken. Je wu dan verwachten dat er vraagtekens geplaatst worden bij de vorm van hulpverlening. De verder gaande internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven in de richting van ontwikkelingslanden leidt niet automatisch tot een rechtvaardiger verdeling van rijkdom en tot een lotsverbetering van de armste groepen in de Derde Wereld. En dat is ook niet zo als die internationalisering onder de kop 'ontwikkelinshulp' plaats vindt. De meeste Nederlandse bedrijven leveren geen produkten die gevraagd worden door de armsten in de wereld of die een oplossing kunnen bieden voor het honger vraagstuk. Dat blijkt duidelijk uit de kommerciele transakties van die bedrijven. De Ne-

derlandse ko=erciele handel is maar in zeer beperkte mate gericht op de Low Income Countries en op de armste groepen in de rijkere ontwikkelingslanden. De hulp aan deze landen heeft nauwelijks additionele handel tot gevolg. (15) De paragraaf in de nota over investeringen suggereert dat inspanningen van het Nederlandse bedrijfsleven in ontwikkelingslanden aanzienlijk zijn, maar dat blijkt bij nader inzien tegen te vallen. Tussen 1977 en 1983 zijn de partikuliere investeringen vanuit Nederland in ontwikkelingslanden terug gevallen van 1.273m tot 114m. Daarvan kwam maar ongeveer 5% in de armste ontwikkelingslanden terecht, en dat zijn de belangrijkste konsentratiegebieden voor de Nederlandse hulp. (16) En uit de Strategische Planning van een aantal grote internationaal opererende Nederlandse konsems - en dat is dus een voorspelling voor de ontwikkelingen in de komende 5 jaar - blijkt dat deze bedrijven zich in toenemende mate uit de Low Income Countries terug trekken. De politieke en financiele risico's worden te groot gevonden, en de managementkultuur sluit onvoldoende aan (uitgewnderd Indonesië natuurlijk). De produkten die deze bedrijven kunnen leveren zijn voor de armste landen te gekompliseerd en te duur, waardoor de mogelijke afzetmarkt onvoldoende omvang heeft. Er worden nieuwe plannen gemaakt voor landen als Australië, Japan, Hong Kong, Singapore en Indonesië, en het gaat dan om grotere bouwprojekten, vliegvelden, havens, installatiebedrijven, handelsondernemingen en een enkel produktiebedrijf dat z'n opgebouwde technologische kennis in joint venture-vorm te gelde wil maken. Over bijvoorbeeld de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara lees je in deze plannen zeer weinig, met uitwndering van Nigeria en Zuid Afrika. Partikuliere investeerders hebben blijkbaar zeer weinig interesse voor de armste ontwikkelingslanden en een instrumentarium gaan ontwikkelen om deze investeringen te gaan stimuleren - wals de Werkgelegenheidsnota voorsteld - lijkt op basis van deze gegevens op het bouwen van een luchtkasteel. Of zijn het maatregelen die vooruitlopen op een wijziging van het landenbeleid? Toch werd de afgelopen jaren een belangrijk deel van de Nederlandse ontwikkelingshulp besteed via een beperkt aantal grote konserns. Het aantal sektoren waarbinnen het grootste deel van de hulp besteed werd is gering, en binnen deze sektoren zijn het steeds de grotere konserns die de orders naar

zich toe trekken. (17) Het belang van de orders via O.S. verschilt van bedrijf tot bedrijf, maar in de meeste gevallen had dat weinig met de doelstellingen van de hulp te maken. Voor een aantal bedrijven vormt O.S. een welkome bron van extra orders waaraan geen financiele risico's verbonden zijn, terwijl andere bedrijven de O.S.-financiering als middel zagen om bijvoorbeeld een terugval op de europese markt op te vangen. (18) In het geval van HVA financierde O.S. zelf praktisch een volledige herstrukturering van het totale bedrijf na de nationalisatie van bezittingen in Ethiopië na 1974. Voor praktisch alle bedrijven geldt echter dat het bedrijfsbeleid en de al ontwikkelde technologie centraal staat, en dat de orders via O.S. een incidenteel karakter hebben en passen in een korte termijn strategie. De konsernstrategie bepaalt de produkten die ontwikkeld worden en de markten waarvoor ze bestemd zijn, en dat zijn in praktisch alle gevallen niet de armste landen. Als deze produkten via O.S. toch in deze landen af te zetten zijn is dat 'meegenomen', maar de technologie is daarvoor hiet aangepast, het 'projektkonsept' is niet op de armste groepen in deze maatschappij toegesneden, en een blijvende service en ondersteuning is voor deze incidentele orders vaak te kostbaar om op te zetten. Uit het voorgaande hoeft niet de konklusie getrokken te worden dat het Nederlandse bedrijfsleven geen rol hoort te spelen bij de besteding van ontwikkelingsgelden. De wijze waarop dat gebeurt moet echter niet zijn zoals in de werkgelegenheidsnota wordt aangegeven en de mate waarin bedrijven kunnen worden ingeschakeld zal gegeven de humanitaire doelstellingen van O.S. - ook aanzienlijk minder zijn dan Minister Schoo en de bedrijven blijkbaar graag willen. Uitgangspunt bij samenwerking moet zijn dat de belangen van de armste groepen in ontwikkelingslanden en van het Nederlandse bedrijfsleven niet parallel lopen, en dat een bekwaam en sterk ambtenarenapparaat er op moet toezien dat bij de besteding de belangen van de doelgroepen prioriteit krijgen boven het Nederlandse eigen belang. Dat vraagt andere uitgangspunten bij beoordeling van projekten en andere beleidsmaatregelen dan in de nota staan aangegeven. De humanitaire doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking zullen vertaald moeten worden in stringente politieke voorwaarden ten aanzien van de aard van de projekten die worden uitgevoerd en de produkten die worden geleverd. 29


Bij het formuleren van deze voorwaarden moet geleerd worden van de ervaringen tot nu toe. In die zin is het bijvoorbeeld jammer dat de evaluaties van de IOV voor buitenstaanders niet beschikbaar zijn. Dat maakte het erg moeilijk om een volledig overzicht van voorwaarden te formuleren, waaraan bedrijven en projekten moeten voldoen om te passen binnen de politieke doelstellingen van het Nederlandse Ontwikkelingsbeleid dat we bij deze poging als uitgangspunt hebben genomen. In het bijgevoegde stuk 'w ordt ingegaan op drie kategoriën voorwaarden: A. Procedurele voorwaarden, die betrekking hebben op de wijze waarop hulpprojekten en leveranties tot stand komen; B. Voorwaarden ten aanzien van de bijdrage van bedrijven in ontwikkelingslanden; C. Voorwaarden ten aanzien van de bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse economie.

Het gaat hier natuurlijk om een algemeen kader, dat vervolgens per beleidsinstrument zal moeten worden uitgewerkt. (19) Met het formuleren van een uitgebreid voorwaarden-pakket is slechts een deel van het werk gedaan. Duidelijk is dat er verder onderzoek gedaan moet gaan worden naar het funktioneren van bedrijven binnen het kader van ontwikkelingsprojekten en -leveranties, en de gevolgen daarvan voor verschillende doelgroepen in de Derde Wereld. Het is eigenlijk onvoorstelbaar te moeten konstateren dat er ten aanzien van dit vraagstuk uitgebreide beleidsnotities zijn geschreven, maar dat praktisch elk gericht onderzoek ontbreekt. Van verschillende kanten is gepleit voor het verrichten van case studies naar konkrete bedrijven in relatie tot besteding van ontwikkelingsgelden, maar tot nu toe heeft dat weinig resultaten opgeleverd. (20) Gekonkludeerd moet worden dat de Nota Ontwikkelingssamenwerking en

Werkgelegenheid een zeer onvolledig beleidsstuk is, met uitgangspunten en beleidsvoorstellen die een duidelijke spanning oproepen ten aanzien van de humanitaire doelstellingen die tot nu toe officieel aan het hulpbeleid ten grondslag hebben gelegen. In het debat in de Tweede Kamer zal de nota aanzienlijk moeten worden bijgesteld, wil de Nederlandse onwikkelingshulp op termijn nog ten goede komen aan de armste groepen in ontwikkelingslanden. Het stellen van scherpe voorwaarden aan de wijze waarop het bedrijfsleven bij de besteding van hulp betrokken wordt is daarbij een minimale, maar noodzakelijke stap in de goede richting. december J 984

Gedragskodes voor ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven A. Procedurele voorwaarden 1. Doelstelling: Infonnatierecht voor alle betrokkenen Alle bij een projekt of leverantie betrokken partijen moeten over voldoende en kontroleerbare infonnatie kunnen beschikken over de aard van hel projekt of de leverantie en over het bedrijf dat bij de uitvoering betrokken is, om op basis daarvan een eigen beoordeling te kunnen maken . Voorbeeld SOMO krijgt regelmatig vragen uil ontwikkelingslanden van bij projekten betrokken groeperingen die elementaire infonnatie over dat projekt missen of informatie willen over het bij het projekt betrokken bedrijf, het karakter van de gebruikte technologie en de resultaten met een dergelijk projekt elders in de wereld. Voorwaarden • Informatieplicht voor Ministerie en bedrijfsleven over projekten en leveranties waar dat door een betrokken instantie of groep uit een ontwikkelingsland gevraagd wordt. Gedacht kan worden aan het opzetten van een onafhankelijk onderzoeksbureau dat door de betrokken instantie of groepering uit OL wordt aangezocht. Dit onderzoeksinstituut moet dan over alle noodzakelijke informatie kunnen beschikken. De deskundigen van dit onderzoeksbureau wuden ook een rol kunnen spelen bij het beoordelen van leverings-, financiele, technische of managementkontrakten tussen een OL en het Nederlandse bedrijfsleven en / of OS, waarbij dan vooral gekeken moet worden naar de lange termijn belangen van de betrokken groepering in het OL. Een aantal OL hebben duidelijk behoefte aan deskundige ondersteuning in de onderhandelingsfase van een projekt. Gedacht kan worden aan een opzet als het Centre for Transnational Corporations (erC) van de Verenigde Naties, maar dan gespecialiseerd voor de Nederlandse situatie. • Informatie over en kontrole op de kostenstruktuur van de door Nederlandse bedrijven gelever-

30

de goederen in het kader van o.S. voorkomen moet worden dat vooral bij de uitvoering van grootschalige projekten de Nederlandse inbreng van materialen, machnines, technische kennis, tee. dermate prijzig is fat het betrokken bedrijf een gegarandeerde grote winst maakt, terwijl de hogere kosten en het risico bij het betreffende OL liggen. Gedacht moet worden aan expliciete kontrole binnen het bedrijf, waarbij een accountantsverklaring als minimale garantie moet worden beschouwd.

2. Doelstelling: Vrije mededinging bij projekten in zowel de fase van onderzoek als van uitvoering Het is de bedoeling dat door vrije aanbesteding zoveel mogelijk bedrijven een kans krijgen een projekt uit te voeren, waardoor ook een zekere garantie bestaat dat de prijs waarvoor de uitvoering plaats vindt redelijk is. voorbeeld: Ruim 40% van het onderzoek voor projekten wordt door 0.5. uitbestted bij kommerciele ingenieursbureau 's, en de bedoeling is dat dit percentage nog zal gaan toenemen. Bij een studie naar EOF-projekten konkludeert de SER-kommissie COB (21) het grootste deel van de bedrijven die inschreven op projekten van mening waren dat de bestekken door het betrokken IB zodanig gespecificeerd waren dat ze feitelijk naar bepaalde bedrijven waren 'toegeschrevene' . Alleen die bedrijven waren in staat om het projekt volgens bestek uit te voeren en van te voren daarvoor een goede prijs vast te stellen. Ook op de Nederlandse projektenlij st komen vaste kombinaties tussen IB en uitvoerder regelmatig voor. Het duidelijkste voorbeeld zijn de gezamenlijke projekten van HV A en VMF. (22) Voorwaarden • Scheiding van onderzoek en uitvoering bij O.S. -projekten Daarbij moet verder worden gekeken dan alleen een fonnele scheiding in die zin dat het bedrijf dat een onderzoek heeft verricht niet bij de uitvoering betrokken mag zijn. Een bestek 'naar

een uitvoerder to schrijven' is ook bij kommerdele projekten een veel voorkomend probleem. Dit aspekt kan alleen worden beoordeeld door in de betreffende sektor goed ingevoerde mensen. • Openbare internationale tendering bij projekten en leveranties Voor verschillende leveranties is het aantal in aanmerking komende aanbieders in Nederland dermate klein dat praktisch van een gemonopoliseerde markt gesproken kan worden. Zo is jarenlang ongeveer 20% van de Nederlandse bilaterale hulp geleverd door (waarschijnlijk) twee kunstmestbedrijven, namelijk UKF (in grote meerderheid) en NSM. (23). Prijsafspraken tusscn een beperkt aantal mogelijke leveranciers zijn zeer waarschijnlijk , wat misschien één van de redenen is waarom de Nederlandse produkten die via OS geleverd worden over het algemeen (te) duur zijn. Internationale tendering maakt de kans op 'outsider'-aanbiedingen in markt met kartelafspraken aanzienlijk groter.

3. DOELSTELLING: Het verkrijgen van een duidelijk beeld van de bijdrage van het Nederlandse bedrijfsleven aan het ontwikkelingsproces in O.L. De bijdrage van het bedrijfsleven aan het ontwikkelingsproces in OL is tot nu toe nog geen onderwerp van openbare evaluatie geweest, terwijl via dit kanaal de afgelopen jaren toch tussen 70% en 90% van de bilaterale hulp liep. voorbeeld: De belangrijkste evaluatie van de kUflStmesthulp is niet uitgevoerd door OS maar door het Ministerie van Landbouw en Visserij (AHO), en was daardoor niet gericht op een evaluatie van (verwezenlijkte) doelstelling van OS. (24) De (technische) kritiek op de wijze waarop de kunstmest leveranties door de betrokken instanties/ bedrijven gerealiseerd werden was niet mis. Een evaluatie binnen OS van de zgn. IOO-mi/· joen pot bevatte verschillende bedrijfsobjecten en was uitgesproken kritisch. Een openbare versie is niet verschenen. De rapporren van la v zijn niet openbaar. Alleen de recente publikatie


naar aanleiding van de Herijkingsnota (25) is voor buitenstaanders beschikbaar, maar inderdaad zeer 'globaal' van karakter. De paragraaf "Bijdrage van Nederlandse bedrijven" is desondanks echter duidelijk kritisch over het funktioneren van de bedrijven binnen het kader van OS. Zinsneden als "uitsluitend-commerciele vervulling van opdrachten" en "inderdaad hebben zich heel wat gevallen voorgedaan, waarin de betrokken finna's zich niet van hun beste kant hebben laten zien" (p.24) vragen om een nadere en gedetailleerdere uitwerking. Buitenstaanders ontbreekt het echter veelal aan gegevens om dergelijke evaluaties zorgvuldig uit te voeren. Voorwaarden • Hel evalueren van de bijdrage van het bedrijfsleven aan hel ontwikkelingsproces van 0. L. is een integraal deel van de procedure van o.S. bij de behandeling van projek/en en leveran/ies • Bij de evaluaties wordt gestreefd naar een vorm van openbare verslaggeving Om projekten en leveranties op deze manier te kunnen begeleiden en beoordelen is een versterking van het ambtelijk apparaat van OS noodzakelijk. (zie rapportage IOV, p.21-23)

B. Voorwaarden ten aanzien van de bijdrage van bedrijven O.L. 4. Doelslelling: Het binnen de bedrijven realiseren van redelijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden Als de Nederlandse overheid betrokken is bij het opzetten en / of meefinancieren van produklieve aktiviteiten in ontwikkelingslanden zal minimaal een redelijk arbeidsklimaat gegarandeerd moeten zijn. (26) Voorwaarden • Respekteren van de door I. L. O. geformuleerde en door alle in Nederland betrokken partijen onderlekende gedragskode ten aanûen multinationale ondernemingen. • Het respekteren van het recht van vereniging van alle werknemers, ongeachl herkomst, ras, geloof, of politieke mening • Het aksepteren van vakbonden als onderhandelingspartntrs bij het afsluiten van CAO 's 5. DOELSTELLING: Geen leverantie van goederen die schadelijk kunnen zijn voor - een deel van de bevolking van - het O .L 0.5. kan niet mee werken aan de leverantie van goederen die - bijvoorbeeld om veiligheidsredenene - in Nederland niet zijn toegestaan of die als onderdeel van politie of leger ingezet kunnen worden . Voorwaarden • Voorkomen van leveranIies waarvan hel gevaar beslaat dat ze militair gebruikt kunnen gaan worden Voorbeeld: het pcrmanente gevaar van de leverantie van vervoersmiddelen (Fokker-vliegtuigen, DAF. schepen, etc.) aan landen met een militair regiem . • Voorkomen van leveranties van goederen die een direkl gevaar op kunnen leveren voor mens en /of milieu in O.L. en waarvan de distributie in Nederland aan banden is gelegd. Over dit onderwerp is een uitvoerige nota door de Tweede Kamerfractie van de PPR geschreven . (27) 6. DOELSTELLING: 0 .5. - beleid is gericht op het stimuleren van werkgelegenheid in ontwikkelingslanden

De werkgelegenheidssituatie in O.L. is zodanig dat het beleid van 0.5. er op gericht moet zijn arbeidsplaatsen voor de lokale bevolking kreeëren.

Voorwaarden • Uit de kosten-baten analyse van projekten moel een netlo-werkgelegenheidsbijdrage blijken op middellange termijn Dat betekent O.a. geen leveranties van technisch geavanceerde produkten moeten plaats vinden waardoor andere (doel-)groepen direkt in de bron van inkomsten bedreigd worden . Het duidelijkst was dit bijvoorbeeld het geval bij de levering van trawlers aan India, die een direkte bedreiging voor een grote groep traditionele vissers zouden gaan betekenen. (28) • Uitbreiding van werkgelegenheidsmoge/ijkheden be/ekenl in veel gevallen ook uilbreiding van de -lokale kosten --bestedingen Bij het uitvoeren van projekten zal zoveel mogelijk met lokale contractors gewerkt moeten worden, waarvoor OS ook de financiering ter beschikking moet stellen. • Bij het bekijken van de gevolgen van projekten voor de werkgelegenheid op middellange termijn moet in het bijzonder gekeken worden naar de gevolgen voor de positie van vrouwen De modernisering van de la.ndbouw in ontwikkelingslanden betekent vaak dat de arbeid van vrouwen binnen de zelfvoorziene landbouw in familieverband vervangen wordt door arbeid van mannen in de vorm van loonarbeid. Dit kan op termijn een verschuiving in het besteedbaar familie inkomen en een ontwrichting van de bestaande sociale strukturen tot gevolg hebben. Anderzijds heeft het aansluiten bij de produktieve funkties van vrouwen grote voordelen doordat wordt uitgegaan van bestaande kennis en ervaringen, en het extra gegenereerde inkomen in de meeste gevallen de totale sociale eenheid ten goede komt. 7. Doelstelling: O.S.-finaciering mag er niet toe leiden dat de internationale financieringsproblemen van ccn O .L. toenemen . Projekten mogen niet zodanig opgezet zijn dat de afbetaling van de aangegane leningen betaald moet worden uit een (geplande) sterk gestegen export die hetzelfde projekt moet gaan voortbrengen . De ervaring wijst uit dat de risico's voor een O.L. daarbij evenredig groot zijn. Bij veel projekten gaat bovendien de aflossing van de leningen vooraf aan de inkomstenverbetering van de mensen die er werkten. Op die manier moestcn de arbeiders op een palmolieplantage in Honduras tot het jaar 2011 wachten met ecn duidelijke inkomstenverbetering omdat eerst de leningen aan het buitenland moesten worden afgelost. (29) Voorwaarden • Exportgerichte projekten moelen alleen gefinancierd worden als ze geïntegreerd zijn in een lokaal gericht ontwikkelingsplan Ontwikkelingssamenwerking mag niet leiden tot export-enclaves, noch in de industrie noch in de landbouwsektor. Waar projekten relevant zijn voor de lokale situatie, maar niet hun behoefte aan buitenlandse valuta via een uitbreiding van de export kunnen terug verdienen moet overwogen worden de hulp de vorm van een schenking te geven .

8. Doelstelling: Het stimuleren van een onafhankelijk, lokaal gericht industrialisatieproces Mede om valuta-redenen hebben een groot aantal landen ecn stcrk export-gerichte industrie opgezet, ten dele gekonsentreerd in 'free

trade zones' . Verschillende onderzoeken hebben gewezen op de nadelen van deze strategie. voorbeeld: De belangrijkste konklusie van een onderzoek in Tunesiëwaren: de exportindustrie heeft werkgelegenheid gekreeërd, maar de werkloosheid niet beperkt omdat het personeel vooral uit jonge meisjes bestaat; de kennis van produktietechnieken en handelskanalen is volledig in buitenlandse handen, en de geleerde produktietechnieken zijn niet zelfstandig te gebruiken ; voor de produktie wordt praktisch alles geimporteerd, zowel produktiemiddelen als grondstroffen en intermediaire goederen. Het betrof hier voor een belangrijk deel confektie-industrie, waarvan het merendeel met steun van de FMO was opgezet. (30) Op dit moment beginnen de bedrijven ook m Tunesië aan reorganisaties of trekken weg in verband met stijgende loonkosten (in vergelijking met andere lage lonenlanden). Voorwaarden • Overplaatsing van exporlgerichte dochterondernemingen van Nederlandse bedrijven naar ontwikkelingslanden vall builen het financieringskader van Er moet in ontwikkelingslanden uitgegaan worden van lokaal opgezette bedrijven , waaraan buitenlandse ondernemingen deel kunnen nemen in de vorm van een (minderheids)aandeel, technische kontrakten, etc.

a.s.

• Produktie vindt ZO mogelijk plaats op basis van lokale toelevering • Produktie van kapiraalgoederen voor andere sektoren (bv. landbouw) of van konsumpliegoederen voor brede lagen van de bevolking heeft prioriteit Het O .S.-beleid moet cr op gericht zijn om een geintegreerde economische ontwikkeling te stimuleren, waardoor de verschillende seklOren elkaar versterken en een gelijkmatige groei mogelijk wordt. 9. Doelslelling: 0.5. financiering richt zich op het stimuleren van aan de lokale omstandigheden en grondstoffenvoorziening aangepaste technologie voor industrie en landbouw In veel grootschalige projekten wordt op dit punt voorbij gegaan, waardoor het importelement - en daannee de inbreng van Nederlandse bedrijven - onevenredig groot wordt en de kosten veelal toenemen. voorbeeld: HV A en YMF bouwden in Honduras twee grootschalige palmoliefabrieken. Een missie van het Nederlands Economische Instituut evalueerde het feasibility-rapport van HV A en trok de volgende konklusie: "De missie heeft de indruk dat HV A te lichtvaardig het alternatief van meerdere kleinere fabrieken heeft verworpen. Bestudering van de kosten van de reeds in produktie zijnde kleine fabrieken toont aan dat serie-bouw hiervan een aanmerkelijke goedkopere opbouw zou hebben betekent". Maar omdat het projekt al te vcr gevorderd was werden de plannen toch maar nict bij gesteld . Met gevolg dat zelfs de bouw van de fabriek door een buitenlandse ondernemer moest worden uitgevoerd, VMF de machines leverde en HVA een management-kontrakt kreeg. De lening voor de fabriek drukt zwaar op de mensen dic er werken en het projekt kende veel problemen van technische en sociale aard. Projekten met een aangepaste technologie tenderen naar kleinschaligheid , mede omdat ze makkelijker lokaal te runnen zijn. Deze kleinschaligheid is echter geen noodzaak ; ook grote-

31


re projekten kunnen uitgaan van lokale mogelijkheden. Voorwaarden • 0.5. - financiering richt zich op het stimuleren van aan de lokale omstandigheden aangepaste technologie Als een overheidsmissie konstateert dat in een feasibility-studie onvoldoende aandacht is besteed aan het uitzoeken en doorrekenen van technische alternatieven, moet de missie het recht hebben (en gebruiken) om het projekt op te schorten. • Uitgegaan moet worden van lokale bouw- en reparatiemogelijkheden van gëbouwen en produktiemiddelen • Waar technologie moet worden ingevoerd en van een bedrijf moet worden gekocht zullen licenties worden overgedragen voor de lokale markt en wordt scholing verzorgd over het totale produktieproces

10. Doelstelling: Stimuleren van op voedselproduktie gerichte landbouwontwikkeLingen in O.L. De voedselsituatie in veel ontwikkelingslanden maakt het noodzakelijk prioriteit te geven aan de produktie van voedsel voor lokale konsumptie. Daarbij speelt het verdelingsaspekt van konsumptie - en daannee in de meeste gevallen ook van produktie - een grote rol. Recente studies hebben uitgewezen dat de grootschalige, energie-intensieve aanpak zoals gepropagandeerd in de periode van de "Groene Revolutie " op een aantal plaatsen misschien wel tot produktie-vergroting leidde, maar - mede door de export gerichtheid en de hoge kosten - het voedselprobleem voor de bevolking niet oploste. Een belangrijk deel van de voedselproduktie in ontwikkelingslanden wordt door vrouwen geproduceerd. Dit betekent dat het verhogen van de voedselproduktie mede afhangt van de mate waarin de positie en de produktiemethoden van deze vrouwen verbeterd kan worden . Voorwaarden • Landbouwprojekten zijn primair gericht op de vergroting van lokale voedselproduktie Grootschalige, op de export van landbouwprodukten gerichte ontwikkelingsprojekten komen misschien wel (op tennijn) de betalingsbalans van een land ten goede, maar leveren in de meeste gevallen geen bijdrage aan de verbetering van de voedselsituatie van de bevolking. Extra ruimte op de betalingsbalans betekent nog niet dat voor de bevolking belangrijke produkten worden geimporteerd. • Deze prajekren moeren kleinschalig worden opgezet, waardoor aangesloten kan worden bij lokale produktiemethoden en een groot deel van de plallelandsbevolking er een inkomen aan kan ontlenen In deze vonn van landbouwontwikkeling is voor de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven maar beperkt ruimte. De Nederlandse industrie beschikt in z'n algemeenheid over onvoldoende aangepaste technologie om bij de lokale initiatieven aan te kunnen sluiten. De nadruk van de hulp zal liggen op de organisatie van de produktie (koöperaties) en distributie. • Bij het formuleren van projeklen 1.al expliciet moelen worden uitgegaan van een verbetering van de positie en produkliemethoden van de vrouwen die in de betreffende regio in de landbouw werkzaam zijn Landbouwprodukten gaan te snel uil van een vergaande mechanisering van het produktieproces, waarbij in veel gevallen de arbeidskracht van vrouwen gemarginaliseerd wordt. Daarbij gaat een belangrijk deel van de bestaande landbouwkundige kennis verloren . Vrouwen worden binnen de gezinsstruktuur terug gedrongen en verliezen daardoor een bestaande relatief zelfstandige positie. (31)

32

11. DOELSTELLING: Bij de levering van goederen een vrije keuze O.L. garanderen Uitgegaan moet worden van de vraag van ontwikkelingslanden en hun wens om goederen w goedkoop mogelijk te krijgen. Hiervan is binnen het kader van de Nederlandse bilaterale ontwikkelingshulp niet voldaan. Het grootste deel van de hulp (tussen 70% en 90% van de afgelopen jaren) werd in Nederland besteed, ook al waren de Nederlandse produkten internationaal duidelijk niet konkurrerend. VOORWAARDEN • Nederland moet de armere landen ongebonden hulp geven In de praktijk blijken D.L. een belangrijk deel van de hulp in Nederland te besteden, ook als die niet (partieel) gebonden is. De node/en van bi"di"gzijn bekend: (32) er worden produkten geleverd die minder prioriteit voor het O.L. hebben; standaardisatie is voor een O.L. moeilijk te realiseren; de leveringen zijn veelal kapitaal-intensief en technologisch hoogwaardig; de geleverde Nederlandse produkten zijn ongeveer 25% gemiddeld duurder dan de wereldmarktprijs. Hiennee hangt direkt een tweede voorwaarde samen: • Leveringen door bedrijven moeten onder internationaal konkurrerende voorwaarden worden aangeboden Dit door het uitschrijven van een internationaal lender, waarbij Nederlandse bedrijven bijvoorbeeld een voordeelmarge (10%) ten opzichte van buitenlandse bedrijven kunnen behouden. Voor bedrijven die internationaal konkurrerend zijn is de binding dan niet langer noodzakelijk om orders te verwerven. Dit betekent ook geen levering door bedrijven vanuit 'o verschot-kapaciteit', in een periode dat de (internationale) afzet stagneert. voorbeeld: Zo mocht DAFtussen 1975 en 1978 in een aantal landen (Afghanistan, Angola, Soedan) een aantal 'proefpakketten - zo'n 340 vrachtwagens - leveren, omdat hel bedrijf in die periode een onderbezetting had en om overheidssteun vroeg. De belangen van de O.L. speelden daarbij een ondergeschikte rol, van goede begeleiding van de orders was geen sprake, en de leverantie was grotendeels vergeefs omdat er geen (kommercieel) vervolg aan kon worden gegeven. (Later volgden wel andere orders uit Soedan). Bij een dergelijke order wordt voornamelijk gekeken naar het (korte tennijn) belang van het betreffende bedrijf.

12. DOELSTELLING: Voorkomen van importafhankelijkheid van O.L. Importen van vooral technisch geavanceerde goederen hebben de neiging om nieuwe importen op te roepen. die dan niet onder de hulp leveranties vallen. Voorwaarden • Bedrijven blijven over een afgesproken garantietijd verantwoordelijk ~'oor door hen geleverde goederen, zowel wat betreft de aangeboden prestaties als wal betreft produktie-fouten Een groot probleem is vaak het onderhoud en verkrijgen van reserveonderdelen voor het technisch geavanceerd materiaal dat niet ter plaatse gerepareerd kan worden. Projekten worden vaak onevenredig duur en hebben te maken met (te) lange produktie-stops omdat de bedrijven die geleverd hebben zich onvoldoende verantwoordelijk voelen. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de melkfabrieken die VMF aan Peru geleverd heeft . (zie verschillende publikaties

van het Peru-kommitee) Leveranties van reserve-onderdelen in voldoende hoeveelheid moet op voorhand geregeld worden en onderdeel van hel hulppakket zijn. De levering van 'tweede keus' moet worden voorkomen. • Bij de levering van goederen moet rekening gehouden worden met mogelijkheden voor standaardisatie in hel betreffende 0. L. imporlrestrikties mogen niet met behulp van 0.5. omzeild worden Standaardisatie is een van de middelen om een goed onderhouds- en reparatienetwerk op te zetten. Vrachtwagens is hiervan een duidelijk voorbeeld, omdat die een garage-netwerk over het hele land nodig hebben om goed te funktioneren. Elk type vrachtwagen heeft echter z'n eigen reserve-onderdelen en gereedschap. Als donorlanden elk hun eigen merk vrachtwagen blijven leveren door de hulp te binden aan besteding in eigen land en vrachtwagens bovenaan de boodschappenlijst te zetten, dan is het praktisch zeker dat de meeste vrachtwagens niet lang goed zullen funktioneren door gebrek aan reserve-onderdelen. ··Strukturele importen van dochterondernemingen van Nederlandse bedrijven in 0. L. die door het moederbedrijf geleverd worden vallen niel binnen het kader van O.S. Voorkomen moet worden dat O.S. 'inter-company'-Ieveranties gaat financieren, omdat daarbij het kostenaspekt volledig ondoorzichtig wordt. Bovendien is de kans op politieke korruptie - eventueel zelfs in verband met andere orders - reeël aanwezig.

C. Voorwaarden ten aanzien van de ekonomische ontwikkeling in Nederland De herijkingsnota heeft als uitgangspunt gekozen dat bij de besteding van ontwikkelingsgelden meer dan voorheen rekening moet worden gehouden met de belangen van de Nederlandse ekonomie. Tot nu toe is een groot deel van de bilaterale hulp - 70% lOt 90% - en van de multilaterale hulp besteed bij Nederlandse ondernemingen en instellingen. Over de gevolgen daarvan voor de Nederlandse ekonomie is onvoldoende bekend. Verder o nderzoek is noodzakelijk, maar op voorhand moeten de belangen van doelgroepen in O.L. niet te snel weggeschreven worden tegen venneende belangen van de Nederlandse ekonomie. 13. Doelstelling: Stimuleren van ontwikkelingen die een versterking van de Nederlandse ekonomie op langere lennijn betekenen Voor veel bedrijven waren extra orders via D.S. ecn oplossing voor korte termijn-afzetproblemen. In een groot aantal gevallen ging het daarbij om niet aan de lokale situatie aangepaste produkten, soms van twcede kwaliteit, zonder afdoende begeleiding geleverd. (zie hierover de uitspraken van IOV/ 1984 p.24) Deze leveringen betekenden veelal geen versterking van het bedrijf op langere termijn . Voorwaarden • Een projekt op leverantie m oel geplaatsl worden in een lange termijn strategie van een bedrijf Op die manier moet bekeken worden of de leverantie past in een strukturele versterking van het bedrijf, bijvoorbeeld omdat technologiën voor een nieuw marktgebied ontwikkeld worden . Bovendien kan bekeken worden in hoeverre een bedrijf eigen doelstellingen nastreeft die strijdig zijn met de belangen van de doelgroep in D.L. Een evaluatie van dit element kan de kwaliteit van de hulp verbeteren. voorbeeld: De poging tot internationale herstrukturering van H VA - na de nationalisatie in Ethiopië -


heeft geresulteerd in een groot aantal projekten voor landbouwverwerking met name Afrika, waarvan er een aantal door O.S. (mede) gefinancierd zijn. De noodzaak voor HV A om snel tot het opstarten van een groter aantaJ projekten te komen heeft geleid tot grote problemen bij deze projekten en een twijfelachtige kwaliteit van de hulp. • Evaluatie van de bijdrage op langere termijn van de leveranIies via 0.5. op her gebied van technologie-ontwikkeling, marktuitbreiding en werkgelegenheid bij de betrokken bedrijven Onze ervaring is dat voor de meeste bedrijven de bijdrage op langere termijn beperkt is. Een aantal bedrijven zijn er in geslaagd nieuwe, meer aangepaste technologiitn te ontwikkelen, maar dat was geen garantie voor een verdere strukturele doorwerking. DAF heeft op basis van z'n ervaring in O.L. een Afrika-truck gebouwd, maar het is de vraag of die kommercieel op voldoende schaal is af te zetten. VMF is er voor de landbouwverwerkende industrie in geslaagd nieuwe technieken te ontwikkelen, maar de werkgelegenheid die daarmee gemoeid is blijkt zeer beperkt. De betreffende afdeling van VMF heeft zich afgeslankt tot een Ingenieurs Bureau dat kennis verkoopt, en het grootste deel van de noodzakelijke produkten en materialen (voor bijvoorbeeld de palmoliefabrieken) worden ingekocht bij 'derden'. En dan is het de vraag of het o m Nederlandse bed rijven gaat. • Stimuleren van de betrokkenheid van het midden- en kleinbedrijf bij de besteding van ontwikkelingsgelden. Deze bedrijven zijn in Nederland tamelijk sterk werkgelegenheidsgericht, werken met produkrietechnieken die meer aansluiten bij de omstandigheden in O.L. dan grotere konserns, maar missen de ervaring en financiele faciliteiten om internationaal grote risico's te nemen. Dit betekent dat in de projektformuleringen en bij de se lektie van te leveren goederen meer rekening moet worden gehouden met de mogelijkheden van het midden- en kleinbedrijf. Met name door het Min isterie van Ekonomische Zaken wordt dit o nvoldoende gedaan. Bijvoorbeeld kan een vast percentage van de feasibility-studies naar het midden- en kleinbedrijf worden 'toegeschreven'. • Voorkomen van strukturele afhankelijkheid van een bedriJf van leveranties via ontwikkelingssamenwerking Een aantal bedrijven zijn voor wat betreft een belangrijk deel van hun export en / of import afhankelijk van de financiering via O.S. Verschillende Ingenieursbureau's zouden hun personeelsbestand moeten halveren als O.S. geen opdrachten meer zou geven. Maar ook de export naar O.L. van een bedrijf als UKF / DSM viel praktisch weg toen de kunst mestleveranties via ontwikkelingshulp (tijdelijk?) wegvielen. Voor UKF was dat een reden om een aanzienlijke lobby richting EZ en (vervolgens) O.S. op te zetten, met als belangrijkste argument dat de werkgelegenheid bij het bedrijf gevaar liep. Op deze manier is de kans dat bij hulpleveranties oneigenlijke argumenten een rol gaan spelen groot.

Noten 1. Ministerie ~an Buitenlandse Zaken - Ontwikkelingssamenwerking en Werkgelegenheid Den Haag 1984 2. zie o. a. H.Beerends - Dertig Jaar Nederlandse Ontwikkelingshulp 1950- 1980. Uitgave LVWW/ Utrecht 198 1 3. Aan de andere maatschappelijke groeperingen worden slechts 4 van de 100 pagina's van de nota besteed , en die munten bovendien uit in vaagheid.

4. Tot 1978 werd o ngeveer 75% van de bilaterale hulp via het bedrijfsleven besteed. Voor 1983 was dat ongeveer 60%. Voor een kritische analyse van de relatie tussen bedrijfsleven cn ontwikkelingssamenwerking zie: SOMO - Wie helpt wie? Ontwikkelingshulp aan het Nederlandse bedrijfsleven, Amsterdam 1981 Daarin is ook een overzicht van de meest relevante literatuur over dit onderwerp opgenomen. 5. J.O.V. - Globale evaluatie van de Nederlandse bilaterale Ontwikkelingssamenwerking, Den Haag no. 168 / a-I jan/ april 1984 6. Nationale Ad~ies Raad - Advies Bedrijfsleven en Ontwikkelingssamenwerking nr. 79/ 1984 7. zie o.a. FNV - Nota bedrijfsleven en Ontwikkelingssamenwerking, Amsterdam 1984 8. zie W.O.Smit + L.un Velzen Ontwikkelingsh ulp en internationalisering van het bedrijfsleven in : Derde Wereld 1984/2 p. 49-70 10. Het industrie-programma van O.S. zal voor 1985 zelfs voor ongeveer de helft bestaan uit zgn. Gemengde Kredieten, waardoor ze per definitie gebonden is aan kommercicic leveranties. IJ. De werkgeversorganisaties zijn expliciet van mening dat van hulp aan de armste landen geen additionele kom merdele transakties te verwachten zijn . Om die reden wordt gepleit voor het o pnemen van landen die al redelijk geindustrialiseerd zijn in de rij van programmalanden. 12. In de nota wordt de mogelijkheid geopend om ook permanente hulprelaties aan te gaan met landen met een nationaal inkomen tot $ 1200,-- per persoon per jaar. 13. Vrije Universileit - Een poging tot evaluatie vanuit de basis van de Nederlandse partikuliere investe ringen en overheidshulp in Columbia/ Eindrapport Coleval, Amsterdam 1977. 14. Wergelegenheidsnota 1984, p.24 15 • • I.de Haan, CJJepma en M.C.Quist - Het effekt van het Nederlandse o ntwikkelingsbeleid op de handelsbetrekkingen met de Derde Wereld, Groningen, 1984 16. Jaarverslag Nederlandse Bank 1983 17. De belangrijkste sektoren waren chemie, transportmiddelen, metaal en machinebouw, natte en droge bouwen elektronische industrie. Bedrijven die veelvuldig hulpleveranties verzorgen en/ of projekten uitvoeren zijn UKF/ DSM, DAF, Fokker, VMF, HV A, de grote bouwkonsems en Philips. zie SOMO - Wie helpt wie? 198 1 p. 96- 1 \0 18. Het duidelijkste voorbeeld daarvan was de afzet van DAF-vrachtwagens in een aantal ontwikkelingslanden, toen DAF met afzetproblemen op de europese markt te kampen had in 1975. 19. Op dit mome nt wordt door het ministerie een 'voorwaarden'-voorstel per beleidsinstrumentarium ontwikkeld . 20. Binnen het kader van het langlopend SOMO -onderz(X!k naar de relatie tussen Bedrijfsleven en Ontwikkelingssamenwerking zijn voorstellen ontwikkeld voor verder onderzoek ten aanzien van dit punt. 21. SER-CDR - Het Nederlands bedrijfsleven en O.L. Den Haag 1983 p.7 175 22. zie voor een diskussie over de rol van Ingenieurs-bureau's in OL: SOMO - Nederlands advieswerk in Derde Wereld landen Amsterdam, 198 1 23. W.O.Smit - Ontwikkelingssamenwerking en de leveranties van kunstmest in

: Derde Wereld 1984/ 4 p.3 151 24. AHO - De Nederlandse kunstmesthulp, analyses, konklusies en aanbevelingen, Den Haag, 198 1 25. tOV - GlobaJe evaluatie van de Nederlandse Bilaterale Ontwikkelingssamenwerking no. 168/ a-1 jan / april 1984 26. zie voor een uitgebreide bespreking hiervan: FNV - Bedrijfsleven en ontwikkelingssamenwerking 1984 p. 49 ev. 27. PPR - Ook export kent zijn grenzen, Den Haag, 1983 28. zie verschillende publikaties van de Werkgroep India 29. Een projekt van HV A en VMF. zie SOMO - Wie helpt wie? 198 1 p. 15-2 3 30. I'V O - Tunesië, perspektieven van een exportgerichte industrialisatie, Tilburg, 1976 31. E.Postel·Coster Misverstanden rond de kostwi nner in het ontwikkelingsbe leid, in: Internationale Spectatorsept. 1983, p.549-562 32. P.J.Th.Mares Kluistert binding Nederlandse hulp ; Inter· nationale Spectator, maart 1980

33


Wat is goed voor de Derde Wereld: Multinationals? Een aantal kritische kanttekeningen bij de (Nederlandse) partikuliere investeringen in ontwikkelingslanden Op het gebied van de internationale ekonomische vraagstukken is de opkomst van multinationale ondernemingen, gedefinieerd als " enterprises which own or con trol production or service outside the country in which they are based. Such enterprises are not always private; they can also be cooperatives or state owned entities" (I), een van de bélangrijkste ontwikkelingen sedert de Tweede Wereldoorlog. Er is sedert die tijd een nieuwe fase in de (kapitalistische) wereldekonomie opgetreden: de internationalisering van kapitaal vindt nu niet meer zo zeer plaats via "nationale" concerns, maar via ondernemingen met vestigingen in verschillende landen welke op een gekoördineerde wijze hun aktiviteiten uitoefenen. Tegenwoordig nemen deze bedrijven zo'n belangrijke plaats in binnen het Westerse wereldsysteem dat zij de werking van het vrije marktmechanisme en het funktioneren van supra-nationale lichamen en nationale staten aanzienlijk beperken. ( 2 ) De jaaromzet van 's werelds grootste multinationale ondernemingen zoals Exxon (V.S.), Koninklijke Shell (Brits-Nederlands), Mobil Oil, General Motors, Texaco (alle uit de V.S.) is groter dan het bruto nationaal produkt van veel Derde Wereldlanden. Bovendien groeien de omzetten van multinationale ondernemingen naar schatting 2 à 3 maal zo snel als het bruto nationaal produkt van de meeste landen (3). Uit het recentelijk door het United Nations Centre on Tran snational Corporations (UNCfC) uitgegeven derde survey rapport Transnational Corporations in World Developm ent(4) worden deze algemene tendenties met gedetailleerd empirisch materiaal onderbouwd. Het grootste gedeelte van direkte privé investeringen door multinationale ondernemingen vindt binnen de Westerse kapitalistische ontwikkelde landen plaats: ongeveer 20-25% gaat naar landen van de Derde Wereld. Wat betreft de ontwikkelingslanden nemen in het bijzonder in Brazilië, Argentinië, Hongkong, Mexico en Singapore de buitenlandse investeringen nog steeds toe. Binnen de ekonomiën van ontwikkelingslanden ve rvullen buitenlandse bedrijven ook als werkgever of producent van industriële goederen vaak een dominante of kruciale rol, zoals blijkt uit Tabel I. Tabel): A andeel van buitenlandse bedrijven in de werkgelegenheid en industriële produktie in een aantal Derde Wereldlanden (percentages).

Land

Werkgelegenheid

Industriële produktie

Argentinië

10-12

Brazilië

30 28 13 30-35 33 21 58

31 44 43 13

Colombia India

Kenia Maleisië M exico

Singapore

44 39 83

Bron: UNcrC, 1983. p. 136

Verder spelen mutinationale ondernemingen vaak een grote rol in de export van deze landen. Het aandeel van mutinationale ondernemingen in de export van bijvoorbeeld Argentinië is meer dan 30%, van Brazilië 43%, Columbia meer dan 30%, Mexico 34% en Singapore 92% (S). Bovendien beslaat momenteel ca. 40% van de wereldhandel uit transakties tussen moeder- en dochterbedrijven van multinationale ondernemingen (0). Vijftien grote multinationale ondernemingen beheersen 85-90% van de internationale markt van voedingsmiddelen zoals tarwe, koffie, mais en ananas en grondstoffen zoals katoen, tabak en jute (7). Het belang van een analyse van aktiviteiten van de handel en wandel van deze bedrijven ligt volgens Sanjaya Lail en Paul Streelen, die beide veel onderzoek hebben gedaan in het kader van de Verenigde Naties, dan ook " .... in the simple fact that they overwelmingly dominate not only international investment, but also international product ion, tra de, finance and technology" (8). 34

Door Fons van der Velden, wetenschap· pelijk medewerker aan het Derde Wereld Centrum van de Katholieke Universiteit te Nijmegen en redakteur van het tijdschrift "Derde Wereld".

Nederlandse partikuliere investeringen in het buitenland. Naast de hierboven geschetste empirische gegevens kunnen, sedert het midden van de zeventiger jaren, op analytisch nivo een drietal ontwikkelingen met betrekking tot (Nederlandse) direkte investeringen in het buitenland onderscheiden worden (9). O p de eerste plaats maken internationaal opererende bedrijven tegenwoordig gebruik van een verscheidenheid aan financieringsbronnen. De traditionele methode van uitvoer van kapitaal is in belang afgenomen. De belangrijkste financieringsbron wordt tegenwoordig gevormd door ingehouden winsten of afschrijvingen en leningen op de plaatselijke of internationale kapitaalmarkt. Voor India werd bijvoorbeeld uitgerekend dat voor de periode 1965- 1975 slechts 3 procent van de fin anciering van de groei van multinationale ondernemingen in dat land uit het buitenland kwam (10). Op de tweede plaats valt op dat niet langer alleen grote concerns aan de internationalisatie van de produktie deelnemen maar ook middelgrote en zelfs kleine bedrijven uit ook de dienstensektor (banken, ingenieursburo's, verzekeringsmaatschappijen, etcetera). Ook neemt het aantal landen van waaruit multinationale ondernemingen opereren toe, en het is opvallend dat daar ook een aantal Derde Wereldlanden zoals India, Zuid Korea en Brazilië bij zij n (11). O p de derde plaats is er een diversificatie in de vorm van investeringen opgetreden. Grote ondernemingen laten hun internationale expansie steeds minder langs de weg van het aandelenbezit verlopen maar door overdracht van technologie, management en marketingkontrakten etc., zogenoemde "non-equity" kontroIe (12). Met betrekking tot Nederlandse investeringen in het buitenland merkt Overbeek terecht op dat " Het verzamelen


van gegevens over Nederlandse buitenlandse investeringen een tijdrovende en veelal teleurstellende bezigbeid is" omdat konkrete gegevens in tegenstelling tot Westerse landen zoals de Verenigde Staten of West-Duitsland of een aantal Derde Wereldlanden waaronder India. nauwelijks beschikbaar zijn (13). Globaal is de situatie als volgt. In 1967 bedroeg de waarde van Nederlandse investeringen in het buitenland 2250 miljoen dollar. Ongeveer driekwart van dit bedrag was geinvesteerd in ontwikkelingslanden. Belangrijk is dat de Koninklijke Shel/(aardolie sektor) van het totaal 84% voor haar rekening nam. In de zeventiger jaren werd in het algemeen de wereldhandel en de investeringen binnen het blok van de ontwikkelde landen zelf gekoncentreerd. Dit leidde er toe dat de richting van de investeringen in deze periode drastisch veranderde: slechts een twaalfde van de direkte Nederlandse investeringen ging in de jaren 1970-1980 naar de landen van de Derde Wereld ( 14). Eind 1978 bedroeg de totale waarde van alle Nederlandse investeringen in het buitenland ruim 58 miljard gulden. Het grootste gedeelte daarvan was geinvesteerd in de Nederland omringende landen en de Verenigde Staten. In Latijns Amerika zijn vooral Argentinië, Brazilië, Colombia, Mexico en de Nederlandse Antillen van belang. De "investeringen" in het laatste land krijgen vaak vorm in zogenaamde brievenbus-ondernemingen, die om belastingtechnische redenen zijn opgezet. In Azië zijn vooral Singapore, Indonesië, Zuid-Korea en India van belang; in Afrika vooral Nigeria, Zaïre, Soedan en Botswana. Shel/, Unilever, Philips en AKZO namen in 1974 tweederde van alle Nederlandse buitenlandse investeringen voor hun rekening, in 1978 was dit percentage, onder invloed van de hierboven geschetste tendenties, gedaald tot 59 % van het totaal (15).

Motieven voor investeringen in het buitenland De is vraag natuurlijk waarom deze bedrijven niet gewoon vanuit hun moedervestiging (blijven) exporteren naar de Derde Wereld, in plaats van de moeite en het risico te nemen om ter plaatse een produktie-eenheid op te zetten. Volgens laU en Streeten spelen met name de volgende faktoren een belangrijke rol (16). Op de eerste plaats vormen lagere produktiekosten (lage lonen, goedkope grondstoffen) een reden voor produktie in de landen van de Derde Wereld zelf. Op de

tweede plaats speelt het beleid van het "gast-land" een belangrijke rol (bijvoorbeeld restrikties op importen of premie op produktie ter plaatse). Verder zijn - op de derde plaats - marktoverwegingen van belang: door produktie in de ontwikkelingslanden zélf is men beter in staat om de lokale markt (lokale voorkeur, aanpassen aan veranderingen etcetera) beter te bedienen. Ook spelen - op de vierde plaats konkurrentie-overwegingen, door Lall en Streeten oligopolistische reaktie genoemd, vaak een belangrijke rol. Geen van de internationaal opererende bedrijven kan het zich veroorloven een "zet" van de konkurrentie te negeren, en dit leidt er toe dat winst-maximalisatie niet altijd voorop staat. Als vijfde reden voor direkte investering in een ontwikkelingsland worden door laU en Streeten faktoren genoemd die samenhangen met de produkt cyclus en eerder genoemde faktoren. Als een produkt voldoende uitontwikkeld is, en de produktie-technologie gestandariseerd, worden produktiekosten en marketingoverwegingen des te belangrijker. Deze algemene faktoren kunnen aan de hand van een voorbeeld-land, India, verder worden toegespitst. De laatste jaren nemen de aktiviteiten van Nederlandse bedrijven in India toe. Daarbij speelt met name het Nederlandse Ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking een aktieve ondersteunende rol. India is immers het eerste land waar de zogenoemde verzakelijking, later verbreding genoemd, van het Nederlandse Ontwikkelingsbeleid, voor het eerst konkreet wordt toegepast. Dit blijkt onder andere uit diverse initiatieven die de afgelopen jaren zijn genomen. De toenmalige Minister van Ontwikkelingssamenwerking de Koning stuurde begin 1981 een zware delegatie naar India" om te onderzoeken in hoeverre de relaties tussen India en Nederland op het terrein van de handel, ekonomie, financiën , landbouwtechniek, wetenschap en kultuur verbreed kunnen worden". Deze handelsmissie die onder leiding stond van Prins Claus en de voormalige topambtenaar van het ministerie, professor Van Dam, hield in februari en maart van 1981 in India besprekingen. In het aan het einde van de reis ondertekende Memorandum werd gepleit voor een uitbreiding van de kommerciële relaties en een grotere verwevenheid tussen het bedrijfsleven en ontwikkelingssamenwerking. Ook de IndoDutch Business Council die in februari 1982 door de Minister van Ekonomische Zaken geinstalleerd werd om

de ekonomische betrekkingen tussen beide landen te bevorderen ondersteunt deze beleidslijn. In februari 1981 bezocht ook een delegatie onder leiding van de (waarnemend) burgemeester van Rotterdam India om onder andere de mogelijkheden te onderzoeken voor Nederlandse participatie in de haven verbetering van Bombay (het Nhava Seva projekt). Begin 1983 reisde de Nederlandse Minister van Buitenlandse Handel, mr.drs.F.Bolkestein, naar India om besprekingen te voeren "over de noodzakelijke verbreding van de wederzijdse ekonomische betrekkingen" hetgeen resulteerde in een ekonomisch samenwerkingsakkoord. De vraag is waarom Nederlandse bedrijven juist in India hun aktiviteiten willen vergroten en waarom India het land is waar de verzakelijking van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid voor het eerst wordt toegepast. Op de eerste plaats speelt het feit dat het land - ondanks het gegeven dat ongeveer de helft van de totale bevolking onder de armoedegrens leeft - een gigantisch grote afzetmarkt heeft. Op de tweede plaats zijn de lonen er voor buitenlandse investeerders aantrekkelijk laag. Ongeschoolde arbeiders in de elektrotechnische industrie verdienen gemiddeld bijvoorbeeld zo'n 300 roepees (100, --). Op de derde plaats heeft de Indiase overheid gezorgd voor een goede infrastruktuur in de vorm van wegen, havens, kommunikatiemiddelen enzovoorts. Verder legt zij buitenlandse investeerders niets in de weg bij overboekingen van winsten, royalties en dividenden naar het buitenland. Bovendien voorkomt het autoritair-repressieve bewind van Congres-I-partij arbeidsonrust, zeker nu net als gedurende de Noodtoestandperiode van 1975-1977 sedert juli 1981 stakingen in vrijwel alle sektoren van de ekonomie verboden zijn (1 8) . Tenslotte bieden de aktiviteiten in India aan Nederlandse bedrijven de mogelijkheid om samen met Indiase bedrijven projekten, joint ventures, op te zetten in andere ontwikkelingslanden. Zo kan de goedkope Indiase arbeidskracht ook buiten het land zelf ingezet worden.

"Wat goed is voor de Derde Wereld? De multinationals" (19) Zoals uit de bovenstaande aktiviteiten met betrekking tot India reeds blijkt wordt door de huidige Nederlandse regering en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven de rol van buitenlandse bedrijven op het industrialisatie-proces in de landen van de Derde Wereld in het algemeen positief beoordeeld. Dit 35


blijkt onder andere uit de door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking opgestelde nota's "Nota herijking bilaterale samenwerking" en "Ontwikkelingssamenwerking en werkgelegenheid". In beide nota's wordt gepleit voor een verdere privatisering van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Verder zijn in dit verband de aktiviteiten en opvattingen van bijvoorbeeld de staatssekretaris van Ekonomische Zaken, mr.drs.F.Bolkestein, die zich in het buitenland Minister van Handel mag noemen, van belang. Bolkestein werkte zestien jaar als ondernemer bij Shell, en zat vervolgens vier jaar voor de VVD in de Tweede Kamer. In zijn huidige funktie heeft hij als taak exporten vanuit Nederland te bevorderen. In een uitgebreid interview in de Volkskrant (20) verklaarde hij o.a. dat in Nederland "Te lang de sleutelrol van het bedrijfsleven bij de ontwikkeling van de Derde Wereld (is) veronachtzaamd". Volgens hem zijn "De belangrijkste oorzaken van onderontwikkeling onvoldoende regenval, politieke instabiliteit en ondoelmatige administratie" en hij is de overtuiging toegedaan dat "multinationale ondernemingen - uitzonderingen daargelaten - een gunstig effekt hebben op de ontwikkeling van de Derde Wereld ... De kapitaalstroom, de technische stroom. managementtechnieken en ook arbeidsverhoudingen: op al die terreinen kunnen Nederlandse bedrijven veel doen in de Derde Wereld en ook een voorbeeld zijn". De argumenten van voorstanders (21) van privé-investeringen vanuit het Westen in ontwikkelingslanden kunnen in het algemeen tot een aantal kernpunten herleid worden: (1) dat er ween kapitaalstroom vanuit het Westen naar de onderontwikkelde wereld plaatsvindt; (2) dat er arbeidsplaatsen worden geschapen; (3) dat multinationale ondernemingen een belangrijke bijdrage leveren aan de export vanuit ontwikkelingslanden; (4)dat de overdracht van technologie en technische kennis wordt bevorderd; (5) de goede arbeidsvoorwaarden en verhoudingen bij multinationale ondernemingen een positieve uitstraling hebben op de rest van de industriële sektor; (6) de kon sumenten in de Derde Wereld w beter bediend worden (goedkope nieuwe en betere produkten) en (7) dat er van de bedrijven in het algemeen een positieve uitstraling naar de ekonomie en de maatschappij in zijn totaliteit uitgaat. (Door welvaarts-ekonomen wordt dit de "extern al economies" genoemd (22). In een aantal Derde Wereldlanden

36

wordt veel onderzoek gedaan naar het effekt van buitenlandse investeringen op het industrialisatie-proces, en in diverse publikaties wordt ook vooral gewezen op de negatieve effekten en potentiële gevaren. (23)

"Met poedermelk meer mens?" (24) Het is niet mogelijk om in het bestek van deze bijdrage al deze (potentiële) effekten te bespreken. Op basis van een recentelijk door een onderzoeksteam van het Derde Wereld Centrum van de K.U. Nijmegen en de Jawaharlal Nehru University uit New Dehli uitgevoerd onderzoek in India zullen in de volgende paragrafen een aantal meer ekonomische effekten behandeld worden (25). Eerst wordt echter, aan de hand van een voorbeeld, ingegaan op de vraag of de konsument in de Derde Wereld op de komst van mutinationale ondernemingen zit te wachten. Ondanks het feit dat 98 procent van de vrouwen in de Derde Wereld in staat is om zelf hun baby's de borst te geven, heeft de laatste jaren borstvoeding in veel Derde Wereldlanden in een hoog tempo terrein verloren aan de kunstmatige babyvoeding die door de industrie wordt geleverd. Sociaalekonomische veranderingen, veranderingen in de positie van de vrouwen werkzaamheden van de gezondheidswrg hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Ook de babyvoedingsindustrie heeft via vaak agressieve reklamekampagnes aan het terugdringen van het prima voedingsmiddel moedermelk, een belangrijke bijdrage geleverd. Deskundigen zijn het er echter over eens dat moedermelk onovertroffen is. Het bezit van verscheidene eigenschappen zoals: bescherming tegen infektie ziekten; het kan overal en altijd onder verantwoorde omstandigheden aan de zuigeling gegeven worden; het heeft een gunstige invloed op de psychische relatie tussen moeder en kind; bovendien raakt een moeder die haar kind de borst geeft niet w snel opnieuw in verwachting, en is moedermelk in verhouding tot industrieel geproduceerde babyvoedingen zeer goedkoop. Zeker in ontwikkelingslanden is borstvoeding het beste voor zuigelingen omdat op veel plaatsen de omstandigheden ongeschikt zijn om kunstmatige zuigelingenvoeding op een verantwoorde wijze te gebruiken. Zuiver water, een goede hygiène en voldoende inkomen ontbreken vaak. Wetenschappelijk onderwek heeft dan ook aangetoond dat flesvoeding in de Der-

de Wereld leidt tot een hoger ziekteen sterftecijfer. Op het platteland van Chili bleek in 1970 het sterftecijfer van flesgevoede kinderen 3 x w hoog te zijn als dat onder borstgevoede baby's. Deze feiten hebben ertoe geleid dat in mei 1981 door de WHO (de Wereldgewndheids Organisatie van de Verenide Naties) een internationale gedragscode voor de marketing van borstvoeding vervangende produkten werd aanvaard. Deze code moet het adverteren met, en het verkopen van, kunstmatige zuigelingenvoeding beperken. Deze code vormt een belangrijke doorbraak maar zij wordt slecht nageleefd vanwege het feit dat het slechts een aanbeveling is. Wel hebben een groot aantal regeringen, waaronder de Nederlandse, toegezegd dat ze de code in de eigen wetgeving zullen opnemen. Ook in EEG-verband wordt daar aan gewerkt, maar dit is een moeizaam proces dat tijd vergt. Gezondheidswerkers, instituten en aktiegroepen uit de Derde Wereld wijzen er herhaaldelijk op dat mutinationale ondernemingen wals Nestlé, Mead Johnson, Carnation etcetera zowel in de Westerse landen als in de Derde Wereld deze code tot op de dag vanvandaag schenden (26). Ook worden veelvuldig schendingen door Nederlandse ondernemingen als Nutricia/ COW & Gate, CCF en Lijempf gerapporteerd (27). Het is wel erg wrang dat deze bedrijven door hun handelswijze een indirekte bijdrage leveren aan ondervoeding (vaak tot de dood er op volgt) van zuigelingen in de derde Wereld . In het algemeen kan gesteld worden dat multinationale ondernemingen in de Derde Wereld vaak goederen produceren die weinig of niet bijdragen aan de opbouw van het land. Nederlandse bedrijven in India produceren bijvoorbeeld radioklokken, shampoos, stereotorens, hormoon-preparaten, tonics, cosmetica, kasettebanden en talkpoeders. Over het algemeen zijn de door het Westen geintroduceerde produkten bestemd voor een aansluitend bij de smaak van een kleine top-laag rijke Indiërs. Castro stelt dan ook terecht dat men aansluit bij "... the consumerist pattern of the parent country in the midst of the underdeveloped country's unemployment, social inequality and extreme poverty... Far from being directed toward solving social problems, they contribute to the individual consumption of the higher-income minority" 18i.

Kapitaal toevoer? op ekonomisch terrein wordt gebrek aan kapitaal vaak als dé oorzaak van


onderontwikkeling in de landen van de Derde Wereld naar voren geschoven. Partikuliere investeringen vanuit het buitenland kunnen - volgens deze benadering - een belangrijke bijdrage leveren aan het ontwikkelingsproces. Met betrekking tot India moeten een aantal vraagtekens bij deze benadering worden geplaatst. Buitenlandse bedrijven maken in India in vergelijking met de inheemse industrie en moederbedrijven hoge winsten. Volgens cijfers van de Indiase overheid liggen deze gemiddeld zo'n 250% hoger dan die van Indiase bedrijven. Door deze gigantische winsten kunnen sommige buitenlandse bedrijven in India hun aanvangsinvesteringen in één à twee jaar terugverdienen. Ook Nederlandse bedrijven maken in India aanzienlijke winsten. Zo is de bruto winst van Hindustan Lever, als percentage van het totale aandelenkapitaal, van 60% in 1962 omhoog geschoten tot 140% in 1981. Ook internationaal gezien zijn deze winsten hoog hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat Unilever in 1981 slechts drie procent van zijn personeel in India had, maar er achttien procent van zijn winst behaalde. Deze hoge winsten leiden tot een enorme groei van de bedrijven. Het vermogen van Unilever (in India Hindustan Lever), Century Enka en Philips (in India PEl CO) nam tussen 1973 en

1981 respektievelijk 653, 400 en 297 procent toe. Deze grote winsten leiden niet alleen tot een enorme groei van deze bedrijven maar ook per saldo tot omvangrijke overboekingen naar het buitenland. Volgens berekeningen van de Indiase ekonoom Ranjit Sau (29) hebben bedrijven met een meerderheidsdeelneming vanuit het buitenland bijvoorbeeld in de periode 1963-1970 voor in totaal 966 miljoen roepees aan kapitaal ingevoerd, terwijl in deze periode winstoverboekingen (in de vorm van dividenden) van deze katagorie bedrijven 1. 726 miljoen roepees bedroegen. Als daar nog eens de overboekingen naar de moederlanden in de vorm van winstdelingen (royalties) en vergoedingen voor technische assistentie bij opgeteld worden, dan is kapitaal uitvoer van deze kategorie bedrijven in deze periode in totaal zo'n 2.100 miljoen roepees. Een netto verlies aan buitenlandse valuta van plm. 1.200 miljoen roepees over deze jaren. Uit recente cijfers van de Indiase overheid blijkt dat deze tendens zich voor alle kategorieën buitenlandse investeringen in versterkte mate doorzet. Volgens berekeningen gepubliceerd in het gezaghebbende dagblad The Times of India bedroeg de kapitaal uitvoer door buitenlandse bedrijven i.h.a. in 1977 alleen al 1.153 miljoen roepees (JO). De Nederlandse bedrijven Unilever, Philips, Enka en Shell namen daarvan 42 miljoen roepees voor hun rekening (plm. 12 miljoen gulden). Over de periode 1975-1980 werd door alle Nederlandse bedrijven in India meer (voor 86 miljoen) aan dividenden etcetera teruggeboekt naar Nederland dan er aan kapitaal werd ingebracht (in totaal voor 2,5 miljoen). De werkelijke winsten en kapitaalvlucht vanuit India zijn waarschijnlijk nog veel omvangrijker door interne, welhaast onkontroleerbare, overboekingen tussen moeder- en dochterbedrijven. Zoals eerder gesteld vormt de handel tussen moeder- en dochterbedrijven van mutinationale ondernemingen momenteel zo'n 40 procent van de totale wereldhandel. Door het onderfaktureren van importen en overfaktureren van exporten kan het moederbedrijf daar de winst laten opduiken waar het voor haar het voordeligst is. De omvang van de kapitaalstroom die door dit systeem van interne verrekenprijzen India verlaat, is veel groter dan die van de direkt zichtbare overboekingen. Een kommissie van de Indiase regering bracht met betrekking tot Philips bijvoorbeeld aan het licht dat het bedrijf produkten naar Europa exporteerde onder de kostprijs. (Lampen werden

naar Nederland uitgevoerd voor 50 paisa (een halve roepee ) en van daaruit doorverkocht voor 5 roepee per stuk. Er was alleen een ander label aangehangen). Ook uit onderzoekingen met betrekking tot andere bedrijven blijkt, dat er door het systeem van interne verrekenprijzen grote sommen geld uit India verdwijnen. Voor de farmaceutische industrie in India is bijvoorbeeld uitgerekend dat onzichtbare overboekingen ongeveer 170% van de zichtbare, in de boeken geregistreerde, kapitaal uitvoer vormen (31).

Werkgelegenheidseffekt Ook voor de Nederlandse bedrijven in India geldt dat de belangrijkste financieringsbron tegenwoordig wordt gevormd door ingehouden winsten. Van het totale aandelenkapitaal van PEICO komt 19% oorspronkelijk uit Nederland. De rest wordt gevormd door ingehouden winsten die omgezet zijn in aandelen. Voor de Shell-dochter NOCIL is dit percentage 17%, voor Enka 13% en voor Hindustan Lever 9%. Bovendien moet opgemerkt worden dat deze geringe invoer van kapitaal meestal is geschied in de vorm van kapitaalgoederen (machinerieën, apparatuur, fabrieksuitrusting, e.d.) waarvan de prijs moeilijk vast te stellen is. De "cash"-invoer van kapitaal is in de

regel te verwaarlozen. Door de grote winsten en de snelle groei van buitenlandse ondernemingen worden inheemse (kleine) producenten nogal eens kapot gekonkurreerd. Hierdoor wordt niet alleen werkgelegenheid bij inheemse bedrijven teniet gedaan, maar vindt ook een versnelde koncentratie van kapitaal in buitenlandse handen plaats. Een goed voorbeeld vormt in dit verband de lampenindustrie in India. PEICO en haar dochterbedrijven hebben ongeveer 40% van de markt in handen. Zij kontroleren echter de aanvoer van kruciale komponenten waardoor de meeste andere lampenproducenten in India direkt van PEICO afhankelijk zijn. Dit Nederlandse bedrijf kontroleert zo vrijwel de gehele lampenindustrie in India. De gevolgen van deze kontrole en koncentratie zijn duidelijk. In het begin van de zeventiger jaren waren er 127 kleinschalige producenten van gloeilampen in India; in 1977 nog slechts 50. Niet alleen m.b.t. lampen maar ook voor radio's heeft Philips in India zo'n dominante positie veroverd. Ofschoon de zeep- en wasmiddelen produktie in India voor de kleinschalige sektor gereserveerd is, blijft Hindustan Lever een monopoliepositie in deze sektor houden, waardoor het aantal 37


arbeidsplaatsen daalt. Bekend is ook het voorbeeld van de Zweedse luciferfabriek WIMCO welke de kleinschalige luciferproducenten in India uit de markt heeft gedrukt, hetgeen leidde tot een netto verlies aan arbeidsplaatsen (32).

Ofschoon er op dit terrein nog veel meer empirisch onderzoek dient te worden uitgevoerd lijkt de voorlopige konklusie gerechtvaardigd dat het werkgelegenheidseffekt van buitenlandse investeringen gering of zelfs negatief is. Dit heeft te maken met het feit dat multinationale ondernemingen kapitaal- in plaats van arbeidsintensief produceren. Daardoor worden vaak arbeidsplaatsen in de arbeidsintensieve sektoren vernietigd.

technologie mag niet worden doorgegeven aan andere bedrijven en niet gebruikt worden voor de export van produkten. Bovendien leidt het vaak wel tot een verplichte invoer van ruwe materialen en onderdelen door Indiase bedrijven. Een tweede probleem is dat de geïmporteerde technologie vaak verouderd is enlof niet aansluit bij behoeftenpatronen in India. Door de import van de technologie wordt de ontwikkeling van inheemse technologie vaak gefrustreerd en in sommige gevallen zelfs overbodig gemaakt (33). Ondanks het feit dat India zélf een goede wetenschappelijke en technologische infrastruktuur heeft opgebouwd blijft het land op deze wijze afhankelijk van het buitenland.

Vergroting van de export? Een ander argument dat vaak gehanteerd wordt voor het openstellen van de ekonomie van een ontwikkelingsland voor buitenlandse bedrijven is, dat deze bijdragen aan een vergroting van de export; aan het verdienen van harde valuta. Voor de Nederlandse mutinationale ondernemingen in India blijkt dit niet op te gaan. Philips India exporteert slechts 5% van haar totale produktie; Enka 1 à 3%; NOCIL 5 à 10% en Hindustan Lever 7 tot 13%. Deze percentages liggen aanzienlijk onder het exportnivo waar de bedrijven volgens de Indiase wet toe verplicht zijn. Bovendien vindt een groot gedeelte van de export naar de Sovjetunie plaats (vooral die van Hindustan Lever en Organon ). Deze uitvoer wordt meer door politieke (de traditionele vriendschapsbanden tussen India en de Sovjetunie ) dan ekonomische faktoren bepaald, en levert geen harde Westerse valuta op. De exportcijfers zijn niet alleen laag, de invoer is relatief groot. Alleen door Lipton Tea en Philips India wordt er meer uit- dan ingevoerd. De uitvoer van Philips komt voornamelijk tot stand vanwege export-subsidies van de Indiase overheid.

Overdracht van technologie? "Via multinationale ondernemingen kan technologie en technische kennis worden overgedragen", stellen voorstanders van privé-investeringen in de Derde Wereldlanden. Toch blijkt de verwachte overdracht van technologie in de praktijk nogal eens tegen te vallen. Er is eigenlijk meer sprake van de verkoop van technologie aan een bepaald bedrijf. De technologie wordt in de regel niet echt overgedragen, blijft beperkt tot dat ene bedrijf, en er worden veel restrikties bij opgelegd. De 38

Arbeidsvoorwaarden bij multinationals Een ander argument dat naar voren wordt gebracht om partikuliere investeringen in India te stimuleren, is dat de arbeidsvoorwaarden en verhoudingen bij mutinationale ondernemingen veel beter zijn dan bij inheemse bedrijven en er daardoor een positieve uitstraling naar de rest van de industriële sektor plaatsvindt. Uit cijfers van de Indiase overheid en diverse studies blijkt dat het reeële inkomen van fabrieksarbeiders in India daalt en zich momenteel op het nivo van 1960 of zelfs 1939 bevindt (34). Feit is dat de lonen in de (nederlandse-) mutinationale ondernemingen in India iets boven het gemiddelde nivo liggen en een uitwndering op deze algemene trend vormen. Toch stagneert ook de koopkracht van deze groep werknemers de laatste jaren. Bovendien blijkt dat de stijging van de lonen van werknemers bij Nederlandse ondernemingen in India achterblijft bij de stijging van de omzet, de buto winsten en de toegevoegde waarde. Ook stellen Nederlandse multinationals in India in toenemende mate dagloners en tijdelijke arbeidskrachten die veel goedkoper zijn dan de vaste arbeidskrachten en op welke kategorie de op zich progressieve arbeidswetgeving geen betrekking heeft - tewerk. In Hindustan Lever's fabriek in Bombay werken op een totaal van 4.000 werknemers zo'n 1.000 werknemers in tijdelijke dienst als dagloner. Verder besteden ook Nederlandse bedrijven in India steeds meer werk uit aan kleinschalige bedrijfjes. Deze worden in de praktijk, vanwege de kontrole over de aan- en afvoer van produkten, volledig door de mutinationale ondernemingen beheerst. In deze pro-

duktie-eenheden zijn de lonen zeer laag en de arbeidsomstandigheden erbarmelijk slecht. 60% van de totale omzet van PEICO wordt momenteel al in de kleinschalige industrie geproduceerd. Hierdoor kan PEICO de arbeidswetten - die alleen voor grotere eenheden gelden - ontduiken. Een ander negatief effekt van deze ontwikkelingen is dat door de overplaatsing van arbeid de kracht van de georganiseerde arbeidsbeweging in de buitenlandse bedrijven ondermijnd wordt. Bovendien worden bij de overplaatsing in de meeste gevallen niet meer arbeidsplaatsen gekreëerd; worden de kostenbesparingen niet doorberekend in de konsumentenprijs van de produkten en leidt deze ontwikkeling makro-ekonomisch tot een verslechtering van de inkomstenverdeling. "SmalI" is in deze gevallen dan ook alles behalve "beautifui " (Schumacher).

Tegenmacht Op basis van bovenstaande feiten worden door akademici, politici, vakbonden en kerkelijke groeperingen in de landen van de Derde Wereld veel vraagtekens gezet bij de aktiviteiten van buitenlandse ondernemingen in hun land. De Indiase hoogleraar S.K.Goyal zegt bijvoorbeeld: "Het is nogal ongelukkig dat we in India - terwijl we altijd heel gevoelig zijn voor zaken die onze nationale eer en politieke onafhankelijkheid aantasten - op dit moment de multinationale ondernemingen weinig of niets in de weg leggen, terwijl ze zich nooit zullen identificeren met de belangen van het land". Opvallend is dat men in het algemeen weinig verwacht van de internationale druk bediskussieerde gedragscode voor multinationale ondernemingen. Casto stelt in zijn rapport voor de Beweging van niet-gebonden landen "No code of conduct could possibly refute the historically proven thesis that capitalism, in its development generated underdevelopment...even the most perfect code could never force transnationals to change their direct investments toward those branches that contribute to the economic progress of the underdeveloped countries unIess they were highly profitable branches" (3' ). Dan Gallin,algemeen sekretaris van de internationale voedingsbond (IUF), heeft in dit verband dan ook terecht opgemerkt dat internationale codes niets meer zijn dan "een kodifikatie van de machtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal". Als reaktie op het falen om multinationale ondernemingen (van boven af) onder kontrole te brengen, zijn de


laatste jaren in toenemende mate akties (van onderop) gevoerd om deze bedrijven hier en in de Derde Wereld in het gareel te houden. Omdat binnen de Nederlandse vakbeweging het internationale solidariteitswerk niet optimaal funktioneert zijn naast de traditionele vakbeweging 10kalelseklOrale oragnisaties wals Stichting Onderwek Bedrijfstak Elektrotechniek (SOBE, vooral gericht op Philips), Dienst Internationale Ärbeidssolidariteit (DIAS, gericht op o.a. Ford en Unilever-arbeiders) en Transnationale Information Exchange opgekomen, die gewone vakbondsleden in de bedrijven ondersteunen bij het opzetten van internationale kontakten en akties. Ook speelt de internationale vakbeweging natuurlijk toch nog altijd een belangrijke rol. Verder is de bewustwording in het algemeen over de grove uitbuitingspraktijken van mutinationale ondernemingen in de Derde Wereld en in de eigen samenleving onder het publiek toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat grote konsumenten (boycot) akties opgezet kunnen worden. Zo werd Nestlé in de Verenigde Staten recentelijk gedwongen door een goed georganiseerde en effektief uitgevoerde boycot-aktie, waar de kerken een belangrijke rol bij speelden, zich voortaan bij de marketing en verkoop van kunstmatige zuigelingenvoeding aan de eerder genoemde WHO-code te houden. Feitelijk kan iedereen individueel, als lid van een politieke partij, als lid van een vakvereniging, als konsument etc. het gedrag van de multinationale ondernemingen trachten te beïnvloeden.

9.

10.

11.

12.

13.

14. 15. 16. 17. 18.

19. 20. 21.

22. 23.

24.

Noten 25. 1. United Nations Department of Economie and Social AffaÎrs, Mullinalional CorporaIions in World Development, Ncw York (Uni,ed Nations ST/ ECAII90), 1973. 2. Aldus bijvoorbeeld D.S.Swamy, Mulinational corporalioos aod the World economy, Ncw Dehli, 1980. 3. T.van Nacrssen, De gelede ruimte j Inleiding over ongelijke ontwikkeling en imperialisme, Nijmegen, 1979, p.30 4. United Nations ecntre of Transnational Corporations, Transnationale Corporations in World Developmenlj Third Surny, New Vork (United Nations ST / CTC/ 46), 1983. 5. I bid. p.137, Tabel IV .3. 6. IPSO (red .), Mutinationale ondernemingen en de Derde Wereld, Amsterdam, 1980, p.7 1. 7. UN CIC, a.w., p.2 13. 8. S.LaIl & P.Streeten, Foreign in vest ment, Transnalionals and developing countries, London. 1977, p.11.

26. 27.

28. 29. 30. 31 .

Ik volg hier in het bijzonder: H.Overbeek, Nederlandse direkte investeringen in het buitenland, in: F.Crone & H.Overbeek (red.), Nederlands kapitaal over de grenzen, Amsterdam, 1981 , p.55 -72. S.Chaudhuri, Financing of growth of transnational corporations in India 1965-1975, Economie and Political Weekly, August 18, 1979, p.1431-1435 . Naar dit relatief nieuwe fenomeen wordt met name door Sanjaya Lall baanbrekend empirisch onderzoek verricht. Zie bijvoorbeeld zijn: The rise of multinationals from the Third World, Third World Quartely, July 1983, p.618-626. Ten aanzien van Nederlandse bedrijven in India - zie verderop - kunnen (I) volledige dochterbedrijven; (2) dochterbedrijven met een meerderheidsdeelneming; (3) dochterbedrijven met een minderheidsdeelname en (4) bedrijven met een louter technisch samenwerkingsverband of licentieovereenkomst onderscheiden worden . Overbeek, a.w. p.59-61. Hetzelfde geldt overigens voor de Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking (publieke kapitaalstromen). Zie bijvoorbeeld: J.K1ukist , Ontwikkelingshulp lijkt wel geheim projekt , de Volkskrant, 1 november, 1984. Overbeek. a.w .• p.62, Tabel!. I bid, p.68. Lall & Streeten, a.w. p.29-36. Vervalt. Voor een analyse van het politieke en ekonomischc beleid van de Congres-I-party zie: Fons van der Velden, Parlementsverkiezingen in India, Derde Wereld, 1984-4, p.1331. Aldus de kop boven een interview met staatssekretaris drs. F.Bolkcstein in de Volkskrant van mei 1983. I bid. Van werkgeverszijde worden dit soort opvattingen vaak verwoord door K.Fibbe (OGEM), H.F.van den Hoven (Unilever) en bijvoorbeeld J.C.Ramaer (Phi lips). K.Markensten, Foreign iovestmeot and developmentj Swedish companies in India, Lund & London 1972, p, 13. Een goed recent voorbeeld vormt het rapport dat door Cuba's premier F.Castro werd opgesteld voor de konferentie van de Beweging van niet gebonden landen te New Delhi in 1983. F.Castro, Th. World Eco· nomie and Social Crisisj ils somber prospeets aod the need to struggle if we are to survive, New Dehli, 1983. Deze paragraaf is voornamelijk gebaseerd op: F.van der Velden (red.), Poedermelk in Nijmegen, Nijmegen, 1984. Het eindrapport van dit onderzoek getiteld: The role of Dutch multinationals in India verschijnt binnenkort. Zie: International Baby Food Action Network, Breaking the rules, diverse nummers. Het getuigt dan ook van vergaande hypocrisie dat cen bedrijf als Nutrieia een sterreklamefilmpje van de stichting " Redt een kind" (projekten voor kinderen inde Derde Wereld) financiert en zich in het bijzonder via haar dochteronderneming COW & Gate tegelijk op grote schaal schu ldig maakt aan de schending van de WHO-code in een groot aantal landen van de Derde Wereld, en daardoor bijdraagt aan ondervoeding van kinderen . Castro, a.w, p.143-144 . R.Sau, India's economie development ; Aspecls of dus relaHons, New Oehli , 1980, p.5 1-57. The Times of India , March 7, 1979. C. P.Chandrasekhar &. P. Purkayastha, Transfer Pricing in India Drug Industry: An

32. 33.

34.

35. 36.

Estimate and its Implications, Sodal Scienlist, January 1982, p.3-11. Markensten, a.w., p.88-119. Bekend is het voorbeeld van het Indiase staatsbedrijf BHEL waar veel inheems opgebouwde kennis werd vernietigd door import van dure Siemens-technologie, zie: F.van der Velden, Ontwikkelingssamenwerking vaDuit West· Eu rop. met Indiaj Drie case-studies, Nijmegen, 1980, hoofdstuk V. F.van der Velden, Wages,working condi· tiODS .nd social welfare racHities in Dutch mutinational corporations in India, Nijmegen, te verschijnen. Castro, a.w. p.147 . J.Nieuwenhuizen, Gesprek met Dan Gallin, M.rquetalia, no.6, p. 181-203.

39


Multinationals en de Nederlandse arbeidsmarkt Is de Nederlandse arbeidsmarkt gebaat bij Multinationals? De vraag zou ook anders gesteld kunnen worden: is de nederlandse werkgelegenheid gebaat bij Multinationals. Bij gebrek aan een ander reeÍl en direkt alternatief kan die vraag op het eerste gezicht ongetwijfeld bevestigend worden beantwoord. De grote invloed van buitenlandse multinationale ondernemingen is in de tweede helft van 1950 en 1960 enorm toegenomen. Vooral in de chemischepetto-chemische en aardolie-industrie. In het Rotterdamse Rijnmond gebied is die ontwikkeling goed te volgen. Opeenvolgend werd Pemis, Botlek en Europoort volgebouwd en is men nu bezig met de Maasvlakte. In het jaarverslag 1966-1968 van een van de voorlopers van de Industriebond FNV, de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale werd al aangegeven het enorme aantal fusies, overnemingen van bedrijven en andere vormen van samenwerking van "Nederlandse" ondernemingen. De fusie van Zwanenburg-Organon-Groep met de ZoutKe~en-Groep tot de N.V. Koninldijke Zout-Organon was daar een voorbeeld van. Met de N.V. Koninklijke-ZoutOrganon werd de nederlandse chemische industrie beheerst door: de SheUgroep, Staatsmijnen (nu DSM), Unilever en AKU (die later met KZO zou fuseren). Om O.a. zich als nederlandse industrie te kunnen handhaven tegen amerikaanse bedrijven die 2/ 3 deel van de chemische productie in de "vrije wereld" in handen hadden werden de fusies als een goede zaak gezien en tevens als een belangrijke voorwaarde voor de handhaving van werkgelegenheid. Bezorgd was men over de concentratie-vorming voor tè grote economische machtsvorming in te weinig handen. Reeds toen zeiden de bedrijven hun positie door samenwerking (fusies) met buitenlandse ondernemingen, dan wel door hun in Nederland verdiende kapitalen in het buitenland te investeren, te verstevigen en daar ter wereld te zuUen produceren, waar dat het goedkoopst is. 40

Over het verloop van de werkgelegenheid in de nederlandse chemische industrie waren de bonden al in 1968 ontevreden. Tegenover investeringen van 3.086 miljard gulden stond een toename van 9900 werknemers, van 78200 tot 88000. Een investering van 315.000,-- had slechts 1 vaste arbeidsplaats tot gevolg. Reeeds toen werd over cijfers beschikt waaruit bleek dat bij een investering in een basisgrondstofproducerend bedrijf en tegenover 1 vaste arbeidsplaats een bedrag van 650.000,-- tot 700.000,-- stond. In dezelfde periode werd door vestiging van een nieuwe raffinaderij en door uitbreiding van de capaciteit bij bestaande raffinaderijen, de verwerkingscapaciteit belangrijk uitgebreid. British Petroleum vestigde een nieuwe raffinaderij in Europoort en Mobil Oil bij Amsterdam. De SheU Raffinaderij werd uitgebreid van 17 1/2 tot 25 Miljoen ton per jaar en meldde trots de grootste raffinaderij ter wereld te zijn. Chevron (met 1/3 deelneming van Texaco) groeide van 5 naar 12 1/2 miljoen ton capaciteit per jaar. De Esso Raffinaderij ging van 8 naar een capaciteit van 16 miljoen ton per Jaar . Ook in de chemische sector breidden Esso en SheU zich uit. Bijzonder verheugd werd gereageerd op het besluit van SheU een groot chemisch complex in Moerdijk te vestigen waar verwacht werd dat op den duur een werkgelegenheid voor 3000 man zou ontstaan. Zeer ontevreden was de bond over het beleid van Esso, Gulf, Mobil en B.P. die bleven weigeren om met de vakbonden de rechtspositie van de werknemers contractueel vast te leggen in coUectieve arbeidsovereenkomsten. Tot meer dan informaties aan de vakbonden waren deze bedrijven niet bereid. Wat is het effect geweest van deze ontwikkelingen. Nog steeds zijn er plannen tot verdere "gebied" uitbreidingen. Er zijn gedachten over een "tweede Maasvlakte" . Door het stagneren enlof teruglopen van de economische ontwikkeling stagneren ook deze plannen. De vraag is, of voor nieuwe uit te breiden gebieden voldoende bedrijven kunnen worden aangetrokken.

Piel Scheele FNV Rotterdam (Internationale Betrekkingen).

Twee delftse hoogleraren, prof dr. G.G.J.M. Poeth en prof. dr. HJ.van Dongen wijzen op een verschuiving van de goederenstroom. Over de Stille Oceaan worden nu meer containers vervoerd dan over de Atlantische Oceaan. Dat wijst op een vergroting van industriegebied in het westen van Verenigde Staten ten kosten van de oostkust. Het geeft dan ook de groei aan van Japan en nieuwe industrielanden als Korea en Taiwan. In West-Duitsland is een verschuiving te zien van het Ruhrgebied naar het nieuwe duitse industriegebied in het midden en zuiden van Duitsland en het zich richten op Noordzee-havens als Hamburg en Bremen. Een ontwikkeling die voor de Rotterdamse Haven van een negatieve betekenis kan zijn. Om de positie van de Rotterdamse haven in te kunnen schatten heeft het Havenbedrijf Rotterdam aan het umdense Chem System International LTD gevraagd om een onderzoek te doen naar ontwikkeling van de chemische industrie rond de Rotterdamse haven. Dit rapport geeft aan dat het Rotterdamse chemische complex enkele sterke punten en zeer weinig zwakke productie eenheden heeft. Gewezen wordt op nieuwe investeringsmogelijkheden in polypropyleen productie (Shell Moerdijk) en loodvervangers in benzine. Het rapport gaat voorbij aan een aantal negatieve ontwikkelingen. Als voorbeeld: de basis-chemie producten (Ethyleen, enz.), Gulf heeft de fabriek gesloten, evenals SheU en Pemis. Blijven over Esso Pernis en SheU Moerdijk, maar SheU Moerdijk staat onder druk van de nieuwe Ethyleen productie in Mossmorran Schotland. In Nederland zijn Dow Terneuzen en DSM Geleen nog belangrijke Ethyleen producenten. 1.c.1. Rozenburg stopt met de productie van Polytheen. In feite is er sprake van een producenten- en afzetmarktruil met B.P. Engeland en Atochem in Frankrijk. Aanvankelijk heb-


ben de chemie giganten in Europa getracht door onderlinge afspraken te komen tot de aanpak van de overproductie in de chemische producten door sluiting van oudere fabrieken. Onderling wantrouwen en concurrentie overwegingen deden dit mislukken.

Hoeveel een bedrag aan investeringen nu oplevert aan arbeidsplaatsen is na te gaan aan de hand van de laatste grote investeringen van de Aexicoker van Esso en het Hyconproject van Shell.

Nu komt een andere vorm van versterking van de eigen positie in zwang. I.c.I. ruilt een product (trekt zich terug) uit een markt waar zij niet w sterk (in) zijn tegen een product van een concurrent waar zij juist een sterke positie hebben. Daardoor kunnen zij zonder de concurrentie hoeven te vrezen oudere plants sluiten en de overproductie beperken en vooral de prijs in de hand houden. Gevolg voor I.c.I. Rozenburg, het verlies van 205 eigen arbeidsplaatsen. Met een multi-plier van 3.47 is dat in totaal 711 arbeidsplaatsen. De verwachting dat de nederlandse industrie, nederlandse multi-nationals, wals Philips, Hoogovens, Unilever, AKZO, DSM en Shell zich in principe anders gedragen dan "amerikaanse bedrijven" is allang achterhaald. De uitspraak dat zij daar ter wereld zullen produceren waar dat het goedkoopst is en dat zij daar toe met hun in Nederland verdiende kapitalen in het buitenland zullen investeren, is door feiten gestaafd. Esso Nederland is daar een duidelijk voorbeeld van. Esso haalt naast winsten uit andere activiteiten in Nederland, uit de gasinkomsten van de NAM 7,36 miljard gulden in 5 jaar tijd binnen. Om aan te geven dat ze in diezelfde periode ongeveer eenzelfde bedrag ten bate van de nederlandse energie zullen investeren, wordt een investering in een steenkoolwinning project in Columbia van 1,81 miljard gulden opgevoerd. Een project dat naast de aankoop van kolenmijnen infrastructurele werken als havens, spoorwegverbindingen, vliegvelden, wegen en een krachtcentrale omvat.

In 1980 werd de investering van Aexicoker begroot op 1,5 miljard gulden. In 1984 op 2,5 miljard gulden. (De verwerkingscapaciteit is dan wel bijna de helft minder dan in 1980 de bedoeling was). Met de verwachting dat deze investering 250 vaste arbeidsplaatsen zou scheppen. Dat is in plaats van 700.000 gulden per arbeidsplaats in 1967 nu 1 miljoen gulden per vaste arbeidsplaats geworden. Ondanks deze bouw zal bij Esso het totale arbeidsplaatsenbestand niet stijgen maar zelfs aanmerkelijk dalen.

In het rapport "Shell en ... " van de Industriebond FNV eind 1983 is de verdeling van de investeringen van de maatschappijen van de Kon.Shell Groep nagegaan. In dat rapport komt tot uiting dat het aandeel van Europa in investeringen nogal varieert. In 1971 was dat 45 %, in 1975 35,3%, in 198041 % en 28,6% in de eerste helft van 1982. Voor Nederland vond een daling plaats van 8,3% in 1978 tot 5,8% in 1981. Voor de Verenigde Staten was dat in 1971 20,4%, in 198141,9% en in de eerste helft van 198237,7%.

Het hycon-project bij Shell Pernis is op 1,2 miljard gulden begroot. Minister van Aardenne wil dit bedrag graag op 2,5 miljard benoemd zien, maar dan telt hij andere projecten gemakshalve er bij op. Het hyconproject zal 150 vaste arbeidsplaatsen opleveren. Uitgaande van 1,2 miljard schept deze investering 1 vaste arbeidsplaats bij een investering van 8 miljoen gulden. Maar ook het totale werknemersbestand daalt bij Shell Pernis en zal nog verder dalen, ondanks de investering in het Hyconproject. Inmiddels zijn de raffinaderijen verkocht of gesloten. De Mobil Raffinaderij bij Amsterdam is gesloten. Bij Shell Raffinaderij in Pernis is de capaciteit weer ingekrompen van 25 miljoen ton per jaar naar 20 miljoen ton per jaar. De Chevron Raffinaderij heeft nu een capaciteit van 10 miljoen ton per jaar en is overgedaan aan Texaco. Als gevolg daarvan zijn ontslagaanvragen ingediend voor een groot deel van het personeel van de Chevron Verkoop organisatie in Den Haag en voor een klein deel voor het personeel van het Chevron Centraal Laboratorium in Pernis. Gulf heeft de chemie afdeling in Europoort gesloten, waarbij 300 directe vaste arbeidsplaatsen verdwenen. De raffinaderij werd verkocht aan Kuwait Petroleum Compagnie. Tot nu toe heeft Kuwait geinvesteerd in installaties die de doorvoer van gereed product versterken. Door een vergroting van de doorvoer van olieproducten wordt niet de positie van de raffinaderij als verwerkings unit versterkt. Integendeel. Total in Vlissingen werd enkele jaren

geleden als eerste raffinaderij bedreigd met sluiting. De nafta-belangen van Dow Chemica! Terneuzen in de Total raffinaderij hebben deze behoed voor een sluiting. Nu is men bezig met een versterking van de raffinaderij door een investering in conversie capaciteit. De Esso Raffinaderij heeft de capaciteit van de raffinaderij veel eerder weer terug gebracht naar een capaciteit van 8 miljoen. De bouw van de Aexicoker zal de capaciteit niet verhogen. Esso Chemie is bezig zich terug te trekken uit de kunstmestactiviteiten uit West Europa. Met de passiva en de activa worden het personeel (300 mensen) mee verkocht aan het finse staatsbedrijf Kemira Oy. De verheugenis van het besluit van Shell om een complex in Moerdijk te bouwen is bij de 4 brabantse gemeenten die het Havenbedrijf Moerdijk vormen sterk bekoeld. Om Shell te bewegen om in Moerdijk te bouwen werd de grondprijs van het industrieterrein erg laag gesteld. De verwachting dat deze investering snel andere investeerders zou aantrekken, zodat daarmee de lage grondprijs gecompenseerd wu worden werd niet bewaarheid. De lasten van het Havenbedrijf zijn inmiddels zo groot geworden dat het Havenbedrijf Moerdijk en daarmee 4 gemeenten waaronder ook Breda failliet dreigt te gaan. De 3000 man vaste arbeidsplaatsen die bij Shell Moerdijk werden verwacht zijn uitgebleven. In december 1980 werkten er 995 mensen. Eind 1983 was dit zelfs gedaald tot 943. Er is zelfs een nieuwe bedreiging voor Shell Moerdijk. Samen met Esso heeft Shell 1,74 miljard gulden geinvesteerd in een gasverwerkingsfabriek in Mossmorran in Schotland. Daarnaast bouwt Esso in Mossmorran een ethyleenfabriek met een capaciteit van 500.000 ton per jaar, waarmee 1,82 miljard gulden is gemoeid. Shell heeft zich verplicht om 250.000 ton ethyleen af te nemen. Ongetwijfeld zullen de voorwaarden die de britse regering aan de winning van gas in de Noordzee stelt hieraan niet vreemd zijn geweest. Shell geeft aan dat "na 1985 zal productie door Shell Nederland van ethyleen teruglopen in verband met aanzienlijke hoeveelheden door Shell Chemicals U .K." Hiermee staat de eigen grote ethyleen-installatie van Shell Moerdijk onder druk. Het belang van investeringen door Multinationale ondernemingen voor de 41


werkgelegenheid kan niet alleen worden afgemeten aan de eigen vaste arbeidsplaatsen. De olie- en de chemische basis industrie heeft een groot uitwaaieringseffeet van olie en gas naar verwerkingsbedrijven, chemische basisindustrie, tussen-, neven- en halfprodukten naar een groot scala van consumenten eind producten (spinn-offs in het groot). De industriĂŤle activiteiten in het Rijnmondgebied heeft nog steeds een motorfunctie voor de nederlandse economie. Het terugtrekken van Gulf, Chevron en nu ook Esso Chemie kan als een verzwakking worden aangemerkt voor de nederlandse economie. Of Kuwait Petroleum Company kan worden gezien als een volledige vervanging van de functie van Gulf valt te betwijfelen op grond van de ontwikkeling van chemische activiteiten in Kuwait zelf. Het verdwijnen van een deel van de basischemie (Ethyleen enz.) moet als een verzwakking worden gezien van de positie van de nederlandse economie en daarmee van de werkgelegenheid. De productie en nieuwe ontwikkelingen van tussen-, neven-, half- en eindproducten wordt mede bepaald door de aanwezigheid van productie van basis-chemische producten. Nieuwe en herinvesteringen, zullen daarvan afhankelijk zijn. Het uitstralingseffect gaat door naar bedrijvigheid in andere bedrijfstakken. In het "Welvaartsplan N.V.V." van april 1952 wordt reeds gewezen op de belangrijke opdrachten voor de "nationale industrie" die verband houden met de uiteen lopende werkzaamheden. O.a. wordt daarin als voorbeeld gegeven de nederlandse scheepswerven. Tegenwoordig gaan die opdrachten naar Zuid Korea en geeft de nederlandse overheid toch subsidie omdat de tankers onder nederlandse vlag gaan varen.

Bij investeringen wordt er werkgelegenheid geschapen bij: ingenieursbureaus, aannemers, montagebedrijven, apparatenbouw, electrotechnische industrie, bouwondernemingen, handelsondernemingen en vele andere. Dit multi-plier effect werd vrij groot geacht. Deskundige schattingen liepen ver uiteen, tussen 1 op 5 tot 10. Onder druk van de kritiek op Shell over de werkgelegenheidsbijdrage van dit bedrijf en over het onvoldoende ef42

fect van de herinvestering van de.aardgaswinsten, heeft Shell opdracht gegeven aan de "Stichting het Nederlands Economisch Instituut" te Rotterdam om een onderzoek te doen naar de betekenis van de Shell-investeringen voor de nederlandse economie. Bij dit project werden de effecten voor een zestal. qua omvang en structuur verschillend, investeringsprojecten geselecteerd. De conclusie van de onderzoekers was o.a. dat gemiddeld over de zes projecten de werkgelegenheidsmulti-plier 3,7 is, dus dat 1 Shell personeelslid circa 2,7 arbeidsplaatsen buiten de Shell-organisatie creeĂŤrt c.q. in stand houdt. In vergelijking met een multi-plier van 5 tot 10 valt dat zwaar tegen. De bereidheid van de multinationale ondernemingen om de vakbonden de gelegenheid te geven om de belangen van de werknemers in de ondernemingen te behartigen door het vastleggen van een rechtspositie in de vorm van een collectieve arbeidsovereenkomst, is zeker niet groter geworden. Door de reorganisaties, inkrimpingen en sluitingen van bedrijven is de belangstelling van de werknemers zelf toegenomen. Maar desondanks is toch een bedrijf als Esso Chemie bij de afstoting van de kunstmestactiviteiten en de verkoop van de kunstmestfabriek aan Kemira Oy in staat om de vakbond zoveel mogelijk buiten de deur te houden. Op grond van de SER-fusie gedragsregels worden de vakbonden wel formeel uitgenodigd maar is er van een inhoudelijk gesprek met de directie van Esso Chemie vaak geen sprake. Dat die bereidheid eerder verder is afgenomen, wordt door Dow Chemical Terneuzen aangegeven. Nadat dit bedrijf een aantal jaren een collectieve arbeidsovereenkomst had, werd door de directie van Dow geen nieuw contract meer afgesloten en trachtte men andere multinationale ondernemingen te bewegen een zelfde weg te gaan. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het antwoord op de vraag of de nederlandse werkgelegenheid gebaat is bij mutinationals, van verschillende kanten kan worden benaderd. Om in kapitaal intensieve ondernemingen zoals aardolie- en de chemische industrie te kunnen investeren is een kapitaalkrachtige onderneming nodig. Daaraan voldoen mutinationals zeker. Bij investeringen in deze bedrijfstak

met zijn groot uitstralingseffect is de werkgelegenheid daar zeker bij gebaat. MutinationaIs zijn niet gebonden aan nationale grenzen, zeker niet als het om landen als Nederland gaat. Zij zuIlen daar ter wereld produceren waar het rendement het grootst is. Alleen de politieke invloed van leidende wereld landen kunnen dit beperken. Als voorbeeld kan de voortgangsrapportage van minister van Aardenne over het Gentlemen's Agreement met Shell en Esso dienen: inplaats van te trachten die invloed te vergroten krijgen Shell en Esso meer vrijheid. De onzekerheid van al dan niet investeren is niet bevordelijk voor de werkgelegenheid. De benadering van de werkloosheid in Nederland door multinationals is beneden peil. Het Centraal Accoord dat in 1982 tussen werkgevers- en werknemersbonden werd gesloten stuitte op weerstand bij mutinationals als Shell. Tot nu toe is dit een bedrijf die het minst heeft gedaan aan herverdeling van arbeid door arbeidsduurverkorting. In die zin is de werkgelegenheid zeker niet gebaat bij mutinationals. Bij de beschreven multinationals is sprake van een redelijk inkomen bij een kwalitatieve goede arbeidsplaats waarin mensen het geleerde in praktijk kunnen brengen en zich kunnen ont-

wikkelen. De mentaliteit van de bedrijven is echter niet navenant. Mensen die het met de opvattingen multinational uit idiĂŤle of andere motieven niet eens kunnen zijn komen vaak on-

der zware druk te staan. De multinationals zouden juist bereid moeten zijn om de factor arbeid meer tot zijn recht te laten komen. Door een vertegenwoordiging van de werknemers door de vakbonden zou een meer evenwichtige en meer gelijke positie tussen de factoren arbeid en kapitaal kunnen worden bereikt. Door de opstelling van de multinationals dat zij alleen tegen betaling goederen en diensten verlenen aan de samenleving, plaatsen zij zich buiten die samenleving zelf. In dat licht zou het goed zijn om niet alleen de vraag te stellen of de werkgelegenheid bij multinationals gebaat is maar ook of de samenleving daarbij gebaat is. Geput is uit: Zevende verslag Algemene Bedrijfsgroepen Centrale 1966/ 1968. "De betekenis van de Shell-investeringen voor de Nederlandse economie". St. het Ned. Economisch Instituut.


-

Welvaartsplan NVV 1952. "Shell en ... " rapport Industriebond DNV 1983. Development of PetrochemicaIs in the port of Rotterdam. Chem.Systems International Ltd. 1983. N.R.L. Rapport over de uitvoering van het Gentlemen's Agreement. Industriebond FNV oktober 1984.

De Amsterdamse Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen organiseert op vrijdag 29 maart 1985 een symposium over de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en West-Europa op politiek, militair en economisch terrein :

"West West, charting the juture". Sprekers zijn onder meer: Mr. J.P. van Iersel, lid van de Tweede Kamer voor het 路CDA; Drs. J.G. Siccama, wetenschappelijk medewerker bij het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael; H. Paemen, woordvoerder van de Europese Commissie in Brussel ; W.L. Brugsma, redacteur van het NOS-programma " Het Capitool", columnist van de Haagse Post; Mr. K.H. Beyen, voorzitter van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering en voormalig Staatssecretaris van Economische Zaken in het Kabinet-Van Agt I. Het symposium gaat om 10.00 uur van start in het Vlaams Cultureel Centrum "De Brakke Grond" te Amsterdam. Informatie bij de Amsterdamse SIB: 020 - 2290 14.

43


JASON in het kort is in 1975 opgericht door een aantal jonge-

ren is niet gebonden aan enige politieke of maatschappelijke groepering bestudeert internationale vraagstukken organiseert lezingen, conferenties en internationale uitwisselingen geeft het tweemaandelijkse blad JASON Magazine uit dat iedere keer aan een speciaal thema is gewijd richt zich op alle jongeren tot 35 jaar.

Doelstellingen JASON is een jongerenorganisatie die zich ten doel stelt jongeren de gelegenheid te bieden zich met internationale vraagstukken bezig te houden. JASON kent geen levensbeschouwelijke of ideologische basis en is niet gebonden aan enige po· litieke partij of maatschappelijke groepering.

JASON Magazine Zes maal per jaar brengt JASON een eigen Magazine uit. De redactie tracht, door in ieder nummer een actueel thema te behandelen, vanuit zoveel mogelijk invalshoeken de lezer een afgerond beeld te geven van de behandelde problematiek. Behalve het JASON Magazine verschijnen ook regelmatig de zgn . mini-

JASON 's die als inleidingen bij activiteiten kunnen dienen. Een greep uit recent verschenen nummers van JASON Magazine: Een wereld vol schulden China: een gigant wordt wakker Europa veilig: op eigen benen? Het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.

Lezingen, conferenties, studiedagen, uitwisselingen •.• JASON organiseert tal van activiteiten die kunnen bijdragen aan het vonnen van een mening, aan het vaststellen van een standpunt . Lezingen , studiedagen, conferenties, simulatiespelen, uitwisselingen, debatten en de tweemaandelijkse buitenland-borrel.

JASON over de grenzen JASON kijkt ver over de grenzen. Letterlijk en figu urlijk. Via zusterorganisaties in o.m. Frankrijk, Italië, G root-Brittannië en de Verenigde Staten worden veel internationale contacten gelegd. Regelmatig worden in verschillende landen (studie-) bijeenkomsten en internationale seminars georganiseerd.

Voor wie is JASON interessant? JASON staat open voor alle jongeren die zich voor internationale zaken interesseren. Voor een proefnummer van JASON Magazine kan men zich wenden tot het secretariaat. Beter is het natuurlijk direct een abonnement te nemen . Ook donateurs zijn bij JASON van harte welkom. Wie via donaties het werk van JASON wil steunen kan daartoe contact opnemen met de penningmeester of direct een gift storten op het giro- of bankrekeningnummer van JASON.

Secretariaat JASON Alexaoderstraat 2 2514 JL Deo Haag Tel. 070 • 60 56 58 Degenen die, door het schrijven van een artikel of het geven van suggesties, denken een bijdrage aan toekomstige nummers van JASON Magazine te kunnen leveren worden van harte aangespoord zich in verbinding te stellen met:

Pieter de Baan Telefonisch bereikbaar op 070 - 46 10 39, Obrechtstraat 15, 25 17 VL Den Haag.

INDEX JASON MAGAZINE 1984 1. Een wereld vol schulden. Is aOossen van de internationale schuld nog mogelijk? Prof. Dr. H. Visser Dr. H.J. Wiltevet" (interview) Drs. S. C. Bischoff Drs. C de Pet Ja" Joost Teu"issen Drs. E. Dirksen Maurits Do/mans

Het IMF: Waartoe dient het en hoe werkt het? Bankkredieten en exportmogelijkheden: Onmisbaar voor de oplossing van de schuldenproblematiek. Wat zou het gevolg van schuldkwijtschelding voor de wereldeconomie z.ijn? De banken en de schulden van de ontwikkelingslanden. Argentijns econoom: Jorge Fontanais, "Niet de omvang van de schuld is zo dramatisch" (interview) Schuldenlast van Oost-Europa valt wel mee Oman, een uitzonderlijk land.

4. Amerikaanse verkiezingen. Achtergronden. Prof. G.A. Irwin PhD Dr. R.B. Andeweg A. Lammtrs Govert Jan Bijl de Vroe Pau/ Bremer 11I (imerview) 1. H .. Lubbers

5. Buitenlands beleid van de VS en de SU. Een kwestie van macht? Wil Hout S. Strikwtrda (imerview) Drs. D. H .. Za"det Ken Ha,,!

2. China, een gigant wordt wakker Geor Himz.t"

S. Lanrubergen Erik Tijdgat Drs. Hans de Hoog Bram Peptr (interview)

Beleid en Ideologie in de Volksrepubliek China. De Volksrepubliek China en haar buurlanden ontwikkelingen en vooruitzichten. De Chinese revolutie in een "structureel perspectief' . Nederlandse belangen en de beide China's. "Chinezen zijn mensen die betalen".

Mr. H. va" de" Broá Pieter de Baan, Evert Ja" Raven Drs. H. .A. Schaper Drs. B. va" Barli"gen Wil Hout, Erik Tijdgat

Meer Europese veiligheidssamenwerking zonder aantasting van bet Atlantisch Bondgenootschap (lezing). Europa veilig: op eigen benen? (verslag JASON-conferentie) Het Europese veiligheidsdebat: een inventarisatie. Continuity and change in the Atlantie Alliance. A European point of view. Europa: veilig op eigen benen? (verslag discussie tijdens Europaweek in Rotterdam)

Imperialisme van de supermachten "Vreedzame bedoelingen meer kans in een democratie" Reagan 's Strategie Defense Initiative, tussen fantasie en werkelijkheid. Beleidsprocessen in de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten: de case van het milieubeleid .

Parlementariërs over de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie: interviews met Mr. K.G. de Vries (PvdA), Mr. H. Gualthérie van Weezei (CDA) en Prof.

dr. ir. J.J .c. Voorhoeve (WO).

6/1. Noordse Balans: koorddansen in Scandinaviël Multinationals in de Derde Wereld Drs. J.Q. Th. Rood Mr. P.L. de Qua"t Drs. T.F. Komt

3. Europa veilig: op eigen benen?

De wedloop naar het Witte Huis Een strijd om de ziel van het Zuiden en van Amerika, Helms versus Hunt. Our time has come ... ? "europeanen kunnen meer doen aan hun defensie". Nederland in Amerikaanse ogen. Enkele beschouwingen over de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen.

De buitenlandse politiek van Zweden; het dilemma van de gewapende neutraliteit. Veiligheidsbeleid in Denemarken Noorwegen in een nieuwe rol.

Rede van de Noorse Minister van Buitenlandse Zaken, Svenn Stray, over de Noorse buitenlandse politiek, tot de Storting op 5 december 1984. Prof. dr. Osmo Apu"e" Prof. dr .. K.P. Tudyka Hans- Martien ten Nope/ Wicher Smit, Leo van Velzen Piet ScheeIe Fo11S van der Velden

From Pax Russica to Pax Sovietica; problems of continuity and change in Finnish foreign policy. Finland en Finlandisering. Een voorbeeld voor de weg naar een "geeëuropaniseerd" Europa? De supermachten en de wereldvrede; verslag van een JASON-SIB debat. Gedragscodes voor ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven. Multinationals en de Nederlandse arbeidsmarkt. Wat is goed voor de Derde Wereld: Multinationals? Een kritische kanttekening bij de (Nederlandse partikuliere investeringen in ontwikkelingslanden.

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1984), jaargang 09 nummer 6 1  

Jason magazine (1984), jaargang 09 nummer 6 1  

Advertisement