__MAIN_TEXT__

Page 1

CHINA

_. DO DO

riaDO

=

IJQ

= e e '"

C

. N

;

-_lil....•• ~-

"

een gigant wordt wakker


~Jason Secretariaat en Redactie: Ale.anderslraal 2 2514 Jl Deo Haag Teleloon: 070 - 60 56 5S Poslgiro: 3561025 Bank: 45.68.55.548 Abonnementsprijzen

f

25,- per jaar (6 nummers, beho udens verschijning van ccn dubbelnummer).

Inhoud van dit nummer: Redaktioneel .

Beleid en Ideologie in de Volksrepubliek Chin a. Geor Hintzen De Volksrepubliek China en haar buurland en - Ontwikkelingen en vooruitzichten S. Landsbergen

2

8

De Chinese revolutie in een "struktureel perspektief'. Erik Tijdgat

14

Nederlandse belangen en de beide China's Drs. Han s de Hoog

18

Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarn e verstrekt door de penningmeester van de Sti chting.

Dagelijks Besluur Voorzitter Vice-Voorzitter

Secretaris Tweede secretaris Penningmeester

Pict-Hcyn Gocdh art Dick Zandcc

'lo Jaap de Vries Erica Veenendaal Herma n van Ca mpenhout

Hoofdredacteur JASON-magazinc Leden

Picter de Baan Evclinc Muuscrs

Maart en Dcrks

Algemeen Bestuur F. Caris drs. M .A. van D runen Littcl

R. Geurtsen Mr. M .e. de G roene drs, M,T . van der M eulcn

Mr. W.H.A.M . van den Muijsc nbcrgh

drs. M. Roemers drs. L. Schaaphok drs. Th .M.A. Vcrhagen

M. Vcrwcij l .P, Wcsthoff drs. F.Z. R. Wijchen; Leden van het Dagelijks Best uur zijn levens leden van het Algemee n Bestuur.

Raad van Advies dr. W.F. van Eekelen (voorz.) H.J .M. Aben H. Gabricls dr. A.M.C.Th . van Heel- Kasteel c.c. van den Heuvel dr. L.G. M. Jaquet R.e. Spinosa Cattela drs. EJ . van Vloten Mr. J. Vos

Redaclie JASON-Magazine Hoofdredacteur Redactieleden

Picter de Baan Maurits Dolmans Hans Fo rtuin Evert Jan Raven G uido Vigeveno Erik Tijdgat Jan Nusselder Govert-Jan Bijl de Vroe

Foto voorpagina: Een portret van Mao Zcdong wordt van een gevel weggehaald ( 1980)

"Chinezen zijn mensen die betalen"! . Interview met Bram Peper

. 24


Redaktioneel De dood van Mao Zedong in 1976 is voor de Volksrepubliek China van ingrijpende betekenis geweest. Als drijfveer van de revolutie in 1949 en als Grote Leider van de daarop volgende Permanente Revolutie heeft hij tot aan zijn dood het aangezicht van China bepaald. Het is nu acht jaar later, en het is niet overdreven om te zeggen dat de Volksrepubliek sindsdien langzaam maar zeker een andere weg is ingeslagen, met name op het gebied van de internationale politieke en ekonomische betrekkingen . De vastberadenheid waarmee een ongebonden en onafhankelijk buiten lands beleid wordt nagestreefd verhindert niet dat China zich realiseert dat intensievere kontakten met het buitenland voordelig kunnen zijn : "Foreignfunds have been used to accelerate the development of key projects, import advanced technology and equipment for technicaltransformation and train more specialists " (Beijing Review, 20-2-1984). Ook op het diplomatieke vlak is China aktief geweest, in het bijzonder nadat zij in 1971 haar plaats in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties weer had ingenomen. In 1972 werden de betrekkingen met Japan genormaliseerd, in 1979 die met de Verenigde Staten. Recente toenaderingspogingen tot de Sovjet-Unie zijn mislukt, maar de verstandhouding tussen deze twee landen is duidelijk beter dan in de jaren zestig. Dat voor de Volksrepubliek China diplomatiek en ekonomie in elkaars verlengde liggen heeft Nederland in de afgelopen jaren aan den lijve ondervonden. De twee zogenaamde "Taiwan-affaires", waarbij het om duikboten leveranties van Nederland aan Taiwan ging, hebben in 1980 en in 1983 veel stof doen opwaaien in Nederland, en de diplomatieke betrekkingen met China hebben er zwaar onder geleden . Voor China is het geen punt dat landen met Taiwan handel drijven op het civiele vlak dat doet zij zelf ook. Wanneer het echter om militaire leveranties gaat is de Volksrepubliek China niet van plan om lijdzaam vanaf de kant toe te kijken. In dit nummer zijn twee artikelen op-

genomen die zich op de relatie lUssen Nederland en China hebben toegespitst. We hebben Bram Peper, burgemeester van Rotterdam, geĂŻnterviewd . Hij werd tijdens een bezoek in november vorig jaar aan zuster-havenstad Sjanghoi gekonfronteerd met het "vuiltje" dat normale diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en China in de weg stond: de duikbotenleveranties aan Taiwan. Drs. Hans de Hoog, verbonden aan de Teldersstichting, beziet deze politieke verwikkelingen in het licht van het Nederlandse buitenlandse beleid . Uit diplomatieke kringen hebben we kunnen vernemen dat na het kabinetsbesluit van december 1983, waarmee de tweede duikbotenleverantie aan Taiwan werd verhinderd, de deur naar China voor het Nederlandse bedrijfsleven weer wijd open staat. "De hemel is opgeklaard, de donkere wolken zijn verdwenen - het verleden is het verleden ". Zoals u wellicht weet zijn de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en China weer op ambassade-peil gebracht. Sinds kort is het ook mogelijk om 100% buitenlandse bedrijven in de Volksrepubliek China op te zetten, en dat is naar ons werd verzekerd een definitieve ontwikkeling. Konklusies trekken ten aanzien van de ekonomische mĂŠrites hiervan is voorlopig nog een spekulatieve bezigheid. Van Chinese kant komt vaak het verwijt dat het Westen te weinig van China weet om een juist beeld te kunnen vormen van wat er in China gebeurt en wat China tot haar (buitenlands) beleid drijft. Om aan dit verwijt tegemoet te komen staan in dit nummer artikelen over de binnenlandse geschiedenis en de politieke ontwikkelingen vanaf de revolutie in 1949, over het buitenlands beleid in de laatste jaren en over het karakter van de Chinese revolutie zelf. PdB

Tekening Jos Coltignon

* 1


Beleid en Ideologie in de V olksrepubliek China Sinds de dood van Mao Zedong, is China herhaaldelijk in bet nieuws geweest. Het proces tegen de Bende van Vier, het aftreden van partijvoorzitter Hua Guofeng en de opmerkelijke come-back van Cbina's sterke man Deng Xiaoping zijn uitgebreid in de media besproken. In feite waren dit uitkomsten van een macbtsstrijd aan de top van de Cbinese Communistische Partij (CCP), die zich uitten in verschillende doctrines om de Volksrepubliek te besturen. Deze doctrines waren op hun beurt verwoord in eenvoudige, korte slogans, die de partijlijn - het beleid van de CCP - moesten verklaren. "De partijlijn" is een vaag begrip, dat betrekking heeft op alle facetten van de maatschappij. Zij is enerzijds afhankelijk van de ideologie van de CCP, anderzijds geeft zij over een bepaalde periode een algemeen doel aan dat door de CCP wordt nagestreefd. Zo roept ieder gebied dat de aandacht van de CCP heeft een bepaalde partijlijn op. Sommige van deze gebieden worden op de lange termijn beschouw,d, zoals de industrie en de landbouw, andere, zoals de massakampagnes (yundong) zijn slechts van korte duur. Allen hebben ze echter gemeen dat de ideologie er een centrale rol in speelt.

Marxisme-Leninisme en de Gedachten van Mao Zedong: De ideologie van de CCP wordt, zo op het eerste gezicht, heel konkreet het marxisme-leninisme en de gedachten van Mao Zedong genoemd, waarbij het marxisme-leninisme de universele waarheden bevat en de Gedachten van Mao Zedong (GMZD) de praktische, specifiek Chinese toepassing ervan is. In de praktijk is de marxistische-leninistische waarde van de GMZD echter twijfelachtig, en soms zelfs in strijd met de marxistische theorie. Verder is de ideologie van de CCP, door haar praktische aard, door de jaren heen gevuld en zelfs aangepast aan de veranderende omstandigheden. Men kan somtijds zelfs stellen dat de praktijk op een bepaald moment gebruik maakt van de ideologie als rechtvaardiging van de gevolgde partijlijn. In feite is de CCP een sterk nationalistisch getinte partij , die een groot deel van haar prestige in 1949 ontleende aan haar intentie van China een sterke, moderne socialistische staat te maken, die de schande van de periode van de "ongelijke verdragen" moest doen vergeten. Een van haar doelstellingen is dan ook nog steeds de traditionele wens China te unificeren. De kwesties Taiwan en Hongkong zijn gebaseerd op een eenheidsgedachte die vele eeuwen oud is en een doel waarvan de mislukking het prestige van de communisten zeker aan zou tasten. Naast deze deels traditionele, deels nationalistische aspecten van de CCP, is natuurlijk allereerst het marxisme-leninisme de doctrine die het chinese volk een gouden toekomst voorhoudt. De

2

CCP is een leninistisch opgebouwde partij. Zij moet China via de socialistische fase voeren naar het communisme, door een einde te maken aan de klassenstrijd en de inherente tegenstellingen van het kapitalisme. Binnen de CCP is Mao Zedong de belangrijkste theoreticus. Mao is echter niet de enige theoreticus die achter de gedachten van Moa Zedong steekt. Toch is zijn inbreng veruit de grootste en meest bepalende.

Rectificatie kampagnes Tot 1978 waren de GMZD de belangrijkste doctrines in de Volksrepubliek, na 1978 werd weliswaar de term "gedachten van Mao Zedong" behouden, van de inhoud bleef er in de praktijk weinig over. De GMZD zijn voornamelijk gegrondvest op de ervaringen die de CCP had opgedaan gedurende de jarenlange guerilla-oorlogen tegen de Guomindang (GMD) van Chiang Kaishek en het Japanse Leger. Met name de zogenaamde Yan'an periode is hierbij van belang. In dit geïsoleerde plaatsje, waar Mao belandde na de Lange Mars, in 1936, schreef hij zijn belangrijkste werken "Over Praktijk" en "Over Tegenstellingen" als deel van zijn kursus over het dialectisch materialisme en hier werd in februari 1942 de eerste Partij Rectificatie Campagne gevoerd. Reeds in deze periode komt Mao's sterk voluntaristische instelling naar voren. Hiermee verbonden is een sterk moreel besef dat, gekoppeld aan de wil van de mens, de materiële werkelijkheid denkt te kunnen vormen zonder rekening te houden met objektieve wetten. De maoïstische kern be-

Door Geor Hiotzen, student Sinologie aan de Rijksuniversiteit te Leiden.

grippen "massalijn", "gedachtenhervorming" (ons woord hersenspoeling is een vertaling van het chinese woord xinao - het wassen van hersenen), en "kritiek en zelfkritiek" werden reeds in deze periode geformuleerd. Net zoals de minimaal uitgeruste guerilla-strijder moest het chinese volk in een atmosfeer van strijd en innerlijke hervorming door bewust te handelen de objektieve werkelijkheid naar zijn wil transformeren. De rektificatie-kampagnes geven ook duidelijk Mao's afkeer van routine en de gevestigde orde weer, en zijn geestelijke transformatie trachtte het hele volk samen te brengen in één wil. De CCP moest nauw verbonden met de massa's tot beslissingen komen. De massalijn hield in dat de massa's - als bron van de hoogste wijsheid - naar boven hun wensen te kennen gaven en dat de partij aan de hand hiervan hun beslissingen namen. De rektificatie kampagnes moesten van tijd tot tijd zorgen voor de juiste ideologische instelling van de maatschappij.

Rood vs expert Gekoppeld aan deze voluntaristische instelling was een afkeer van gespecialiseerde kennis, bureaukratie en autoritair optreden. Hier komt de tegenstelling "rood versus expert" naar boven, die in periodes gedurende de vijftiger en zestiger jaren bij tijd en wijlen zo sterk naar voren trad. Daarvan behelste "rood" Mao's guerilla-mentaliteit, die door haar ideologische zuiverheid de maoïstische homo universalis kweekte, en "expert" de bureaukraat uit het partijapparaat, die volgens vastomlijnde voorschriften en door een hoge mate van specialisatie geschikt was voor een strak geleide, hiërarchische maatschappij. Was "rood" de methode om snel het communisme te bereiken door gebruik te maken van China's onderontwikkelde en een daaraan gekoppelde revolutionaire transformatie, "expert" betekende een geleidelijke groei naar het communisme, niet door een geestelijk proces, maar met behulp van geïnstitutionaliseerde methodes en een hoge mate van gerichte expertise. Deze tegenstelling zou uit-


Spotprent op Liu Shao-qi in een Chinese krant (196 7).

eindelijk naar voren treden aan het einde van de jaren vijftig in de vorm van een scheuring in het leiderschap van de CCP, met name tussen Mao en Liu Shaoqi, later worden uitgevochten in de Culturele Revolutie en na Mao's dood in 1976 de machtsstrijd tussen Deng Xiaoping en de Bende van Vier tot gevolg hebben. Zelfs nu nog is deze tegenstelling van belang, daar de "expert" top van de CCP terdege rekening moet houden met het prestige van Mao's geschriften en de aanhang die zij nog genieten, ondanks de zuiveringen in de CCP. Verbonden met de afkeer van routine werd de "permanente revolutie" door Mao voorgestaan. Dit meest radikale element in Mao's denken vond haar wortels in de klassenstrijd. Het socialisme moest in opeenvolgende, telkens geavanceerde fases nieuwe tegenstellingen overwinnen. In 1949 schreef Mao "Over de Demokratische Diktatuur van het Volk ". Hierin rangschikte hij - naar Stalin - de proletariërs, boeren, de kleinburgelijke elementen en de nationale bourgeoisie onder het volk, alle overige elementen waren klassen vijanden die moesten worden hervormd. In 1952 werd echter de nationale bourgeoisie het mikpunt van een rectificatie-kampagne, als het mikpunt in een hogere fase van het socialisme. Deze permanente revolutie zou uiteindelijk echter de partij zelf aantasten in de Culturele Revolutie, de kloof tussen partijkader en guerilla-strijder, ideologie en ekonomische groei, geest en materie bleek onoverbrugbaar. In het post-Mao tijdperk kampt de CCP met een intern ideologisch stigma en een verlies aan geloofwaardigheid en legitimatie onder de bevolking. Typisch voor dit verschijnsel is de prominente rol van Marx's geschriften en de nieuwe interpretatie van de GMZD.

35 Jaar Beleid: de Wil en het Mogelijke: De partijlijn zoals die aan de hand van de ideologie na 1949 werd uitgestip-

peld, was een kopie van het eerste Vijfjaren Plan in de Sovjet-Unie met zijn nadruk op de zware industrie, nationalisaties en een geplande ekonomie. Na een overgangsperiode, waarin de financiële sektor ( ... ) geheel en de industriële sektor ( ... ) nagenoeg werden genationaliseerd, werd in 1953 dit eerste - en enige - Vijfjaren Plan gelanceerd. Hieraan verbonden was in de periode 1951-'52 reeds een tweeledige rectificatie-kampagne gevoerd tegen de bureaukratie van het "ancien régime" en de nationale bourgeoisie. De industrialisatie verliep ondanks Russische hulp niet zonder problemen en ging vaak ten koste van de landbouw. Bovendien was het meest geïndustrialiseerde gebied, Manchoerije, het machtsgebied van een zekere Gao Gang. Zijn macht betekende een regelrechte bedreiging voor de centrale regering in Peking, die nog bezig was haar macht over het land te konsolideren. Het strategische belang van Manchoerije en de Russische invloed aldaar waren de aanleiding voor de machtsstrijd die uiteindelijk in 1955 in het voordeel van het centrale gezag uitviel. Gao werd met zijn hele kliek gezuiverd en uit de partij gestoten. Om een aantal redenen, ideologische en ekonomische, werd in 1956 het Sovjet model heroverwogen. De vastomlijnde routine en expertise druisden in tegen Mao's doctrines. Bovendien was de zware industrie voornamelijk ten koste van de landbouw op poten gezet. Mao wilde nu eens op alle punten - zware, lichte industrie en landbouw - tegelijk proberen verder te gaan. De jaren 1956-'57 kenmerken zich dan ook voornamelijk door een konsolidatie in ekonomische zin. Op ideologisch gebied ontstond er echter een onverwachte situatie. Door de Poolse en de Hongaarse opstanden in 1956, ontstond de angst onder het leiderschap voor de mogelijkheid van een gelijksoortige ontwikkeling in de Volksrepubliek . De "100 Bloemen kampagne" , die bedoeld was als een mogelijkheid tot positieve kritiek aan

de partij binnen het huidige bestel, groeide uit tot een storm van kritiek over het systeem zelf, en de rol die de CCP daarin vervulde. De Anti Rechtse Kampagne in het jaar daarop zuiverde of hervormde vele van de kritici en zond, zoals eerder en later het geval was, velen van hen naar het platteland. Tot 1978 zou er niet meer zo'n vrijheid van meningsuiting in China mogelijk zijn. Grote Sprong Voorwaarts In de periode 1956-'58 ontstond er gaandeweg een geschil binnen het leiderschap, een eerste aanzet tot het dilemma "rood vs expert dat het eens zo hechte leiderschap in steeds heftiger strijd zou doen verzinken. De kontroverse was er "één van voluntaristen en

pragmatici, waarbij de ene groep Mao steunde en de andere groep werd aangevoerd door de minister van Handel, Chen Yun. In 1956 al, presenteerde Mao een 12 jaren plan voor de landbouwen een jaar later "0 ver de Juiste Behandeling van de Tegenstellingen tussen het Volk". Het is waarschijnlijk dat hij de instellingen, die het Sovjet model had geschapen, wilde laten plaatsrnaken voor een veel minder institutioneel systeem van volkskommunes, waarin de strakke strukturen van een bureaukratie moesten verdwijnen. In ieder geval begon het partijapparaat middels kontrölekommissies de taak van de staatsministeries in de industrie

over te nemen. De bedoeling was om zo de partij en het volk bijeen te brengen zonder dat de per definitie schadelijke staatsbureaukratie er aan te pas kwam. In de partij zelf leek Chen Yun echter een meerderheid te hebben. Pas op het derde plenum van het Achtste Centrale Comité bleek Mao's prestige van doorslaggevende betekenis; tegen alle verwachtingen in werd zijn 12 jaren-plan aangenomen. Het gevolg was de "Grote Sprong Voorwaarts" (GSW) in 1958, waarmee Mao in enkele jaren tijds de Volksrepubliek tot een kommunistisch land wilde maken. Er was echter wel enige weerstand te-

3


gen Mao's "guerilla gewoontes". En toen de kommunes met hun kleinschalige alles-in-één ekonomie door een slechte en overhaaste planning binnen een luttel aantal maanden in een chaotisch debacle waren verzand, werd de breuk in de CCP, die zich reeds in 1956 had geopenbaard, definitief. Hoewel er in 1960 nog wel een tweede 'Sprong' plaatsvond, waarin de schadelijke werking van de kommunes werd ingeperkt, moest Mao zware kritiek aanhoren op het Lushan Plenum in 1959. Het kompromis, de zuivering van zijn felste kritikus, minister van Defensie, maarschalk Peng Dehuai, en Mao's eigen aftreden als staatshoofd leken destijds de eenheid binnen het leiderschap te behouden. Toen echter het jaar 1960 gelijke resultaten te zien gaf, werd in januari 1961 de algehele aftocht geblazen en trad er een periode van ekonomische opbouw in . Mao trok zich voorlopig terug uit het politieke leven. Het opmerkelijke herstel van de ekonomie in de jaren na de GS V werd op gang gezet door de groep pragmatici binnen hetleiderschap van de partij. Deze groep onder leiding van het nieuwe staatshoofd Liu Shaoqi draaide de maatregelen van de GSVterug en maakte een beperkte vorm van materiële beloningen mogelijk, dit in tegenstelling tot de morele en ideologische aansporingen tijdens de GSv. De kommunes, die gedurende de GSV zo'n belangrijke plaats innamen, werden gedeeltelijk ontmanteld en ideologie maakte in vele geval-

len plaats voor ekonomische expertise. Het partijapparaat keerde nu terug naar de doctrines van voor 1958. De Culturele Revolutie De periode tussen 1960 en 1965 wordt wel een overgangsperiode genoemd tussen de GSV en de Grote Proletarische Culturele Revolutie (CR), maar was in feite een korte periode (1960-'61) van ekonomische hervorming en een langere periode (1962-'65) van strijd tussen 'voluntaristen' en ' pragmatici', die uiteindelijk uitmondde in de CR. Gedurende deze periode waren de 'pragmatici' aan de macht en hield Mao zich tot 1964 op de achtergrond om bij te komen van zijn prestigeverlies in de GS V. Op ekonomisch terrein werd nu aan de landbouw en de lichte industrie 'prioriteit gegeven. Op ideologisch gebied werd de Socialistische Onderwijs Kampagne gelanceerd, waarmee de meer Mao-gezinde leiders zijn ideëen probeerden ingang te doen vinden bij het volk. Sinds 1959 was bovendien maarschalk Lin Biao, de opvolger van Peng Dehuai als minister van Defensie, bezig het Volks bevrijdingsleger te veranderen in een pro-Mao bolwerk dat in enkele jaren tijds het voorbeeld voor de natie zou vormen door zijn 'geurilla-mentaliteit' en 'revolutionaire deugden'. Mao bleef in de betrekkelijk rustige periode tussen 1960 en 1964 op de achtergrond, maar werkte hard achter de schermen aan zijn come-back die niet lang op zich liet wachten.

Persoonsverheerlijking van Mao Zedong (foto Steye Raviez).

Was deze periode dus in politiek opzicht een soort overgangsperiode, de sociaal-ekonomische veranderingen uit deze periode vestigden een situatie die in vele gevallen vandaag nog bestaat. Er werd, zoals gezegd, prioriteit verleend aan de landbouw, en de lichte industrie die in het algemeen een sterk agrarisch gerichte produktie heeft. Na de kollektivisering van de GSVontstond er weer de mogelijkheid privé stukjes land te bewerken, terwijl de kommunes in de eerste jaren werden ingekrompen. Hoewel de kommunes bleven bestaan, en zelfs door geboorteaanwas iets zouden groeien, hebben ze nooit meer de omvang bereikt of de rol gespeeld die de GSVhun had toegedacht. Een algemene modernisering van het platteland vond verder plaats, maar werd pas goed in de jaren zeventig aangepakt. Deze onveranderde situatie is te wijten aan de stagnatie die de CR in ekonomisch opzicht zo kenmerkte. De CR is een hoofdstuk apart in de geschiedenis van de Volksrepubliek. Ze was in essentie een krachtmeting tussen rood en expert, voluntaristen en pragmatici, Mao en Liu. De eerste fase was een rektifikatie kampagne voor revisionistische partijleden. Hoewel het partijapparaat terdege het gevaar van deze kampagne onderkende en haar trachtte om te buigen in een theoretische koers, slaagden Mao's aanhangers erin, met behulp van het Volksbevrijdingsleger , het Centrale Comité van de CCP te intimideren en hun koers te laten prevaleren. De tweede fase was een ware burgeroorlog, waarin een verbrokkelde en ontredderde partij haar legitimiteit en geloofwaardigheid voor het volk grotendeels verloor. Het geheel was overgoten met de persoonlijkheidskultus voor Mao, die met name door het Volks bevrijdingsleger op gang werd gezet. De Bende van Vier Alles begon met een aanval op het toneelstuk "Hai Rui vermaant de keizer" , waarbij de historische figuur Hai

Rui de eerder gezuiverde Peng Dehuai moest voorstellen, die "keizer"

Mao Zedong bekritiseerde en onterecht werd ontslagen. Hierop reageerde een aanhanger van Mao, Yao Wenyuan, later bekend als een van de Bende van Vier. Zijn kritiek bracht een kampagne tegen revisionistische schrijvers op gang, die allengs uit zou groeien tot een aanval op de partij, en met name op haar leiders Liu Shaoqi en Deng Xiaoping. Aanvankelijk werd er een Culturele Revolutie Groep opgericht onder leiding van 4


Peng Zhen, de burgemeester van Peking. Daar echter de schrijver van het voornoemde toneelstuk Pen g's viceburgemeester Wu Han was, werd duidelijk dat de aanvallen via Wu op Peng zouden zijn gericht. Peng trachtte dit te voorkomen. In het voorjaar van 1966 werd Peng gezuiverd en zijn CR Groep werd vervangen door een veel radikalere groep. Toen bovendien in de herfst de CR werd uitgebreid met de oproep "bourgeois autoriteiten" te zuiveren werd duidelijk dat ook Peng slechts een opstapje was geweest om de eigenlijke partijtop, Liu en Deng, aan te vallen. De doorbraak kwam met het elfde Plenum van het achtste Centrale Comité, toen de hele aktie niets meer bleek te zijn dan een staatsgreep van Mao. Deze vergadering werd namelijk gedwongen een "Zestien Punten Beslissing" aan te nemen onder bedreiging van Lin Biao's Volksbevrijdingsleger. Dit dokument omlijnde de voornaamste doeleinden van de CR: een ideologische zuivering van de partij en de maatschappij , een oproep aan de massa's om zichzelf te onderwijzen (in de ideologie van Mao), de klassenstrijd aan te gaan en korrekt de tegenstellingen tussen de massa's te onderkennen en uit de weg te ruimen. Een ware lawine aan slogans overspoelde het land. De "Vier Ouden'" (oude ideëen, kultuur, gewoontes en tradities) werden aangevallen. De persoonlijkheidskultus, die zich reeds in de guerilla-oorlog rondom Mao had gevormd en in de jaren daarna voortduurde, nam nu groteske vormen aan. Mao werd afgeschilderd als de grootste marxist-leninist aller tijden, zijn portret hing op elke voorgevel van enige betekenis en zijn citaten werden ijverig op Grote Karakter Posters geschreven. Het 'rode boekje' met de belangrijkste citaten van de Grote Roerganger, zoals Mao werd genoemd, verscheen in oplaagges die misschien alleen door de Bijbel werden overtroffen. Het enorme prestige van Mao, dat ook na de CR voortduurde, verklaart grotendeels de macht van de Bende van Vier gedurende en na deze periode. Doordat bovendien de legitimiteit van de revolutie van de partij overging op de persoon van Mao zelf, kon de chaos waarin de CCP grotendeels wegzonk, worden opgevangen. Het leger zorgde voor de noodzakelijke orde toen de zaak uit de hand liep. De legimiteitskwestie zou pas akuut voelbaar worden na Mao's dood in 1976. In 1966 begon de chaos zich echter af te tekenen toen de radikalen een oproep aan het volk richtten het heft zelf in han-

den te nemen om de partij te zuiveren van 'kapitalistische voortrekkers'. In het najaar ontstonden groepjes Rode Gardisten die partijgebouwen bestormden en hoge funktionarissen door de stratenn voerden met revolutionaire teksten. Deze Rode Gardisten waren veelal studenten, en later pas plattelandsmensen en fabrieksarbeiders. Door het oorspronkelijk literaire karakter van de CR was de kampagne het eerst op gang gekomen op de universiteiten, alwaar spoedig de kolleges stopten. Overal werden er Grote Karakter Posters opgehangen met revolutionaire slogans en beschuldigingen aan het adres van de hogere funktionarissen. In november werden zelfs mensen uit de partijtop gezuiverd. Liu en Deng vielen in ongenade. Liu werd gevangen gezet en overleed een paar jaar later, Deng werd te werk gesteld op het platte-

Twee Rode Gardisten uit de Culturele Revolutie, herkenbaar aan hun rode armbanden.

land. De redenen van deze val waren waarschijnlijk erin gelegen dat de hogere partijfunktionarissen niet verwachtten dat ook zij zouden worden aangevallen, daar hun val het einde van de partij zou betekenen. De partij viel dan ook nagenoeg uitelkaar. Gedurende de jaren 1967-'68 woedde een hevige strijd door heel China tussen verschillende frakties Rode Gardisten, die soms niet eens wisten voor wie of wat ze streden, behalve het woord en de gedachten van Mao Zedong. Al in 1967 werd het leger te hulp geroepen en iedere provincie werd al spoedig geregeerd door DrieIn-Eén-Comité's, die het leger, de partij en de revolutionaire organisaties in één lichaam bijeen moesten brengen om de chaos te stoppen. Toen het laatste van de komité's in september 1968 werd gevormd begon de rust alweer terug te keren. Het zou echter tot april 1969 duren voordat

het negende Partij Congres het einde van de CR aan zou kondigen . De periode die op dit Congres volgde werd gekenmerkt door een nieuwe machtsstrijd tussen ruwweg drie frakties: de radikale Maoïsten onder leiding van Jiang Qing (de vrouw van Mao), het Volksbevrijdingsleger onder leiding van Lin Biao en wat overbleef van het oude partijapparaat onder leiding van de premier Zhou Enlai. Op ideologisch gebied kenmerkte deze periode zich door een voortzetting van de geest van de CR. Het leger was tot 1971 vrijwel oppermachtig. Alleen het prestige van Mao hield de legitimiteit van de kommunisten nog enigszins intakt. De Maoïstische thema's "massalijn" en "klassestrijd", die terug te vinden zijn in zijn guerilla-mentaliteit, bleven in de pers en op de radio aanwezig. Verder hield de verwachtte dood van partijvoorzitter Mao de partij en de strijdende frakties bezig. De door Mao zelf aangewezen opvolger Lin Biao kwam in 1971 om, na een poging gedaan te hebben tot een staatsgreep, waardoor de Bende van Vier onder leiding van Jiang Qing de macht kon grijpen, door handig gebruik te maken van de oude Mao. Het is niet bekend hoe Mao's toestand was in zijn laatste levensjaar en door de uiterst gevoelige aard van deze kwestie zal misschien wel nooit iets ervan bekend worden. Vast staat evenwel, dat de weinigen die toegang tot hem hadden in staat waren zijn woorden in hun voordeel te verklaren. Machtsstrijd In de periode tussen de val van Lin Biao en Mao's dood vond er dan ook een machtsstrijd plaats die essentieel de oude tegenstelling van rood vs expert, voluntaristen en pragmatici voortzette. Door de toekomstbespiegelingen van de Bende van Vier trad er slechts weinig verandering op in de chinese maatschappij en het gehavende partijapparaat nam weliswaar grote hoeveelheden nieuwe leden op na de CR maar miste node de kennis en ervaring van de talloze gezuiverde veteranen. Over het algemeen streefde de Bende van Vier een grotere gelijkheid in het land na. Zo kende zij een grotere prioriteit aan de landbouw toe dan aan de industrie en besteedde meer aandacht aan het platteland dan aan de steden. Van enige gerichte maatregelen op ekonomisch gebied kon door de anti-ekonomische houding en de vage ideologische bespiegelingen over geestelijke transformatie, de voortdurende klassenstrijd en toekomstige CR's, geen sprake zijn. 5


Zoals reeds gezegd, nam de invloed van de Bende van Vier aanzienlijk toe met het wegvallen van Lin Biao. Mao, die twee door hem benoemde opvolgers reeds zag wegvallen (Liu Shaoqi en Lin Biao), moet tegen het einde van zijn leven voorzichtiger zijn geworden. Hij was zich bewust van de excessen van de kliek van zijn vrouw en trachtte tevens het machtsevenwicht tussen de Bende van Vier en zijn oude strijdmakker en premier Zhou Enlai te herstellen. Toen bovendien in 1972 bekend werd dat Zhou aan kanker leed, ontstond de noodzaak een goede opvolger te vinden voor Zhou. In april 1973 begon Deng Xiaoping plotseling weer in het openbaar te verschijnen. In de achttien daarop volgende maanden werd zijn imago in het openbaar verbeterd. Hij bekleedde de post van vice-premier en nam op talrijke diplomatieke gelegenheden de honneurs voor Zhou waar. De konfrontatie tussen Deng en de Bende van Vier, die al enige tijd in de lucht hing, begon vastere vormen aan te nemen in 1975. Zhou en Deng hadden voor het vierde Congres van het Nationale Volkscongres, het parlement van de Volksrepubliek, een aantal beleidslijnen voorbereid die terug grepen op een formule uit 1964: De Vier Moderniseringen. In tegenstelling tot de sfeer van klassenstrijd, die de Bende van Vier voorstond, pleitte premier Zhou op dit kongres in bedekte termen voor een grotere eenheid tussen de arbeiders, boeren en intellektuelen om een grotere mate van ekonomische stabiliteit en vooruitgang te bewerkstelligen. In de maanden die volgden begon Deng met de aanzienlijke aanhang die hij genoot in het partijapparaat, het leger en de staatsinstellingen de richtlijnen die voortvloeiden uit de Vier Moderniseringen uit de werken. Een drietal dokurnenten met hoofdrichtlijnen, die het gevolg waren van een serie kon ferenties waren in de herfst van 1975 gereed. Hoewel deze nooit geheel zijn gepubliceerd en niet bekend is of er nog andere dokurnenten zijn, spreken de gepubliceerde passages voor zich. Een vernietigende kritiek op de excessen van de CR, een opsomming van de veranderingen die plaats moesten vinden om de ekonomische toestand te verbeteren en een oproep de wetenschap en de technische expertise voorrang te verlenen. Hoewel deze dokurnenten door Hu Qiaomu, een propagandist uit Deng's achterban, werden herschreven in de Retoriek van de CR, moesten deze extreme voorstellen wel een reaktie van de Bende van Vier oproepen. In januari 6

Tijdens de kampagne tegen de Bende van Vier worden in demonstraties enorme karikaturen meegedragen (/976).

1976 ontspon zich een kampagne om zich te weer te stellen tegen de 'Rechtse Deviationistische Wind'. Op 8 januari overleed ook nog Zhou Enlai, Deng's beschermheer. En toen een redaktioneel van het ideologische partijblad 'Rode Vlag' in een citaat van Mao het belang van de klassenstrijd onderstreepte, los van konsideraties van eenheid en stabiliteit, was voor ingewijden duidelijk dat Deng onder vuur werd genomen. In februari werd verder niet Deng, maar de relatief onbekende Hua Guofeng tot interim-premier benoemd. In de daaropvolgende maanden werd Deng hevig bekritiseerd en 'zijn' beleidsdokumenten werden als 'giftige kruiden' in de pers afgetekend. Met het prestige van een stervende Mao en de invloed van het machtige propagandaapparaat achter zich lanceerde de Bende van Vier deze laatste aanval op Deng. Dit alles mocht echter niet verhinderen dat op 4 april 1976 een menigte van enige honderdduizenden mensen op het Tiananmen Plein spontaan bijeen kwam om premier Zhou te eren. Deze manifestatie werd als een openlijke steunbetuiging voor Deng uitgelegd, en gaf aanleiding tot gewelddadigheden. Deng werd direkt 'ontmaskerd' als ĂŠĂŠn van de organisatoren, hoewel het onduidelijk was hoe de streng bewaakte Deng hiertoe ooit de kontakten had kunnen leggen . Het

politie-optreden en de reaktie van de pers maakten vervolgens wel duidelijk dat de Bende van Vier met de steun van Mao vast in het zadel zat. Mao's dood op 9 september 1976 beroofde hen echter van macht en legde pijnlijk hun gebrek aan steun binnen de partij bloot. "Twee Wat Ook Maren" Hua Guofeng was een betrekkelijk onbekende man toen hij tot premier werd benoemd. Zijn staat van dienst was echter vooral op het gebied van de landbouw opmerkelijk. Bovendien had hij een uitstekend kontakt onderhouden met Mao, doordat hij jarenlang de geboortestreek van de Grote Roerganger had bestuurd. Hua was door Mao zelf naar voren geschoven toen Deng zijn Drie Dokurnenten had gelanceerd, en als gevolg daarvan ten tweede male was weggezuiverd. Tot verbazing van velen was Hua echter niet de neutrale man die als tussenfiguur moest fungeren tussen de radikaal linkse Bende van Vier en de rechtse vleugel van de partij. Binnen een maand na Mao's dood had hij de Bende van Vier laten oppakken en begon hij een persoonlijkheidskultus op te bouwen die veel weg had van die van Mao. Er werd in de pers melding gemaakt van een briefje van Mao dat hij aan Hua zou hebben geschreven: 'Met jou aan het roer ben


ik gerust' . Een kampagne werd verder op gang gezet die de 'bescheidenheid' en de 'ijver' van de 'Wijze Leider' Hua prezen. In januari 1977 lanceerde Hua een slogan die later bekend werd als de 'Twee Wat Ook Maren '; 'wat voorzitter Mao ook maar heeft besloten, we moeten het resoluut hoog houden en wat voorzitter Mao ook maar heeft voorgeschreven, we moeten het uitvoeren '. Tussen oktober 1976 en juli 1977 vond er echter een hevig debat over Deng plaats in de hoogste regionen van de partij. De vraag was niet of Deng zou worden gerehabiliteerd, maar hoe. Het derde Plenum van het tiende Centrale Komité herstelde Deng in al zijn funk ties en bevestigde tevens Hua's benoeming in oktober 1976 tot partijvoorzitter, naast zijn post als premier. De rust leek terug te keren in het leiderschap. Niets was echter minder waar. Tussen juli 1977 en november 1978 vond er machtsstrijd plaats tussen de groep die Mao's doctrines hoog wilden houden en de CR niet geheel in ongenade wilden laten vallen (Hua Guofeng en Mao's voormalige vertrouwensman Wang Dongxing) en de vleugel in de CCP die hervormingen voorstond die de excessen van de CR ongedaan moestèn maken (Deng Xiaoping c.s.). In november 1978 vond het derde Plenum van het elfde Centrale Komite plaats, waarin Hua en de zijnen een duidelijke nederlaag leden. Van nu af aan was de slogan niet meer de 'Twee Wat Ook Maren', maar 'de waarheid aan de hand van de feiten zoeken'. Ook de Vier Moderniseringen kregen de plaats terug die ze onder Zhou Enlai in 1975 genoten, nu plotsklap Deng's Drie Dokumenten van 'giftige kruiden' naar 'welriekende bloemen ; werden gepromoveerd. In termen van macht opende het derde Plenum de weg naar Deng's uiteindelijke overwinning. Deze was een feit toen Hua

achtereenvolgens in 1980 zijn post als premier aan Zhao Ziyang en in 1981 zijn post als partijvoorzitter aan Hu Yaobang (die al partij-sekretaris was) overdroeg. Beiden zijn beschermelingen van Deng Xiaoping. Deze machtswisseling ging gepaard met een voorzichtige kritiek op Mao zelf, die duidelijk maakte dat ook de Grote Roerganger zelf fouten had begaan, maar dat die niet opwogen tegen zijn verdiensten.

ontstond met name in Peking en

pagina lang artikel over de superioriteit van het marxisme boven het humanisme, in het Volksdagblad begin dit jaar, geeft de omvang van het probleem weer. De CCP staat een zware taak te wachten, wil zij niet haar ideologisch monopolie in de Chinese maatschappij verliezen . De grote hoeveelheid ideologische artikelen in de pers getuigt vooralsnog van de noodzaak de eigen doctrines te verdedigen. Een andere manier waarop het huidige leiderschap zich tracht te konsolideren is hier nauw mee verbonden . Reeds enkele jaren is er een grote zuiveringsaktie aan de gang in de partij. Met de nieuwe nadruk op expertise, is de CCP in een fase geraakt, waarbij veel oudere, ervaren kaderleden worden aangespoord terug te treden en veel jongere, onervaren kaderleden die tijdens en na de CR tot de partij zij n toegetreden nict in staat zij n de problemen van de toekomst op te lossen .

Shanghai, waar vele jongeren door de CR op een of andere wijze tussen wal en schip waren geraakt, en in Deng en het nieuwe leiderschap een nieuwe hoop zagen. Sommigen, zoals Wei Jingsheng, gingen zelfs zover, dat ze politieke hervormingen eisten. Deze golf van vrije meningsuitingen duurde tot 1980, toen de voornaamste vertegenwoordigers ervan werden gearresteerd en de befaamde ' Demokratische Muren', werden schoon geschrobd. Naast de Vier Moderniseringen, was de diepere oorzaak van deze beweging het CCP-leiderschap echter niet ontgaan. Na de chaos en het wanbeleid van de partij in het afgelopen decennium had de CCP een enorm gebrek aan vertrouwen onder de jeugd. Het tweede Plenum van het twaalfde Centrale Comité lanceerde in oktober 1983 een kampagne om de partij te zuiveren in de strijd tegen de 'geestelijke contaminatie' en voor een ' materialistische kultuur'. Een vierel)

Tenslotte moelen de Vier Moderniseringen de belangrijkste weg naar de beloofde sterke en moderne, socialistische maatschappij wordenn. Ondanks alle optimistische verwachtingen, is de ekonomie een blijvend zorgenkind. Nu, anno 1984, schijnt er een nieuwe machtsstrijd te zijn losgebarsten tussen de leiders die de ekonomie nog verder willen hervormen, en dus nog verder van Mao's idealen afwillen dwalen, en zij die terug willen naar een Sovjet-model zoals dat in de jaren ' 50 werd opgebouwd. Het één zou de erfenis van Mao wel zeer mager maken, met alle kommunistische legitimiteitsproblemen van dien. Het ander zou een bewijs van falen zijn voor de gemiddelde chinese burger, die zich terecht af zal vragen waartoe al die chaos tussen 1956 en 1976 in werkelijkheid heeft gediend .••

De Demokratische Beweging Met de rijzende ster van Deng kwam er een beweging in China op gang die bekend staat als de Demokratische Beweging. Hoewel er geen sprake kan zijn van een georganiseerde beweging, waren de pleidooien en plakkaten die tussen 1978 en 1980 opriepen tot een grotere mate van vrij heid toch eenvormig genoeg om een trend te kunnen worden genoemd. Deze trend

7


De Volksrepubliek China en haar buurlanden - ontwikkelingen en vooruitzichten De laatste jaren hebben zich belangrijke verSchuivingen voorgedaan in het strategische evenwicht in de Noordoost-Aziatische regio. De aspiraties van de Volksrepubliek China (VRC) om als wereldmacht te worden beschouwd en tegenover haar onafhankelijkere opstelling tegenover de beide supermachten de Sovjet-Unie (SU) en de Verenigde Staten (VS) - hebben de oorspronkelijke bipolariteit van dit evenwicht doen veranderen in een driehoeksverhouding. De VRC, de SU en de VS zijn hierdoor verwikkeld geraakt in het tripolaire spel van onderlinge wedijver, individuele strijd om de positie van 'spil', van isoleren en ge誰soleerd worden (IJ. De rol van de VRC hierin is opmerkelijk te noemen. Gezien het niveau van ekonomische ontwikkeling en haar militairwe mogelijkheden moet zij vooralsnog voornamelijk als een regionale macht worden beschouwd. Het nucleaire potentieel van de VRC en de verdere ontwikkeling daarvan in de nabije toekomst hebben haar echter in toenemende mate de status van gelijkwaardigheid bezorgd ten opzichte van de supermachten. Het is een ironische ontwikkeing van de VRC, het land dat een tiental jaren geleden nog werd beschouwd als een Amerikaanse 'troefkaart' die uitgespeeld kon worden tegen de SU, tegenwoordig in feite de positie van 'spil' inneemt in de machtsdriehoek en de beschikking heeft over een 'Amerikaanse kaart' en een 'Sovjet kaart' ('). De binnenlandse politiek van de VRC staat al enige jaren in het teken van de 'Vier Moderniseringen', de ambitieuze ekonomische plannen die ervoor moeten zorgen dat China zich rond de eeuwwisseling heeft ontwikkeld tot een moderne ge誰ndustrialiseerde natie. Een eerste vereiste voor de realisering van de 'Vier Moderniseringen' is de regionale stabiliteit. Vanuit deze invalshoek wil ik in het navolgende belichten hoe de VRC zich steeds onafhankelijker gaat opstellen in de buitenlandse politiek; hoe de relaties met haar belangrijkste buurlandeu, de SU en Japan, zich hebben ontwikkeld; en hoe de VRC de laatste maanden heeft geprobeerd de potentieel explosieve situatie op het Koreaanse schiereiland te stabiliseren.

Buitenlandse Politiek Tijdens de eerste helft van de Culturele Revolutie (CR, 1966-'76) was de VRC internationaal gezien ge誰soleerd. De aanwezigheid van Amerikaanse troepen in Vietnam vormde een bedreiging aan de zuidgrens, terwijl het konflikt met de SU in 1969 tot een hoogtepunt kwam door het gewapende treffen van Chinese en Soviet-troepen aan de noordgrens. De isolatie werd nog versterkt door de pogingen van de VRC om zich af te sluiten van korrumperende invloeden van buitenaf en vooral te vertrouwen op eigen kracht (3).

De 'Theorie van de Drie Werelden' 1n de laatste jaren van de CR vond er een herori谷ntatie plaats in de buitenlandse politiek. Na de val van Lin Biao in 1971 werd zijn 'Theorie van de Volksoorlog' (waarbij gewapende opstandelingen vanuit het mondiale 'platteland' de ontwikkelde 'steden' moes8

ten omsingelen en w de ineenstorting van wwel het kapitalistische Westen als de SU moesten bewerkstelligen) vervangen door die van de 'Drie Werelden'. Volgens deze, in 1974 door Mao Zedong geformuleerde theorie was het de 'Derde Wereld' (de ontwikkelingslanden, geleid door de VRC) die zich, gesteund door de 'Tweede Wereld' (bestaande uit de meer ontwikkelde landen in Oost- en West-Europa en Japan), moest verzetten tegen het militaire, politieke en ekonomische 'hegemonisme' van de 'Eerste Wereld', gevormd door de beide supermachten. Door de Amerikaanse nederlaag in Vietnam en de groeiende militaire Soviet-dreiging aan de noordgrens vormden de VS in de Chinese optiek echter steeds minder een internationale bedreiging en leken zij te zijn afgegleden tot het niveau van de 'Tweede Wereld'. Alle inspanningen tegen het 'hegemonisme' bleven onverkort tegen de SU gericht (4).

Door

S. Landsbergen.

Na de zuivering van de radikale en xenofobe 'Bende van Vier' in oktober 1976, een maand na de dood van Mao Zedong, werd de vorming ter hand genomen van een tegen de SU gericht verenigd front, waarbij in militair en ekonomisch opzicht samenwerking werd gezocht met de VS en het Westen. Hoogtepunten van deze naar buiten gerichte trend waren het aangaan van diplomatieke betrekkingen met de VS in 1978 en het sluiten van een Verdrag van Vrede en Vriendschap met Japan in datzelfde jaar. Aan de andere kant leverden de Vietnamese inval in Kampuchea in 1978 en de Soviet-inval in Afghanistan in 1979 nog meer het bewijs dat het expansionisme van de SU en haar bondgenoten het gevaar in zich droeg van een militaire en diplomatieke omsingeling van de VRC. Hoewel de VS en de VRC geen formele militaire alliantie sloten, begon zich toch een redelijk nauwe verbintenis tussen de twee af te tekenen. Doordat het principe van het vertrouwen op eigen kracht minder werd benadrukt, was het bovendien mogelijk geworden de Chinese ekonomie in samenwerking met het Westen te ontwikkelen. Zo kwam het door de VRC verlangde, doch weinig gestruktureerde verenigd front tegen de SU tot stand (5). Onafhankelijkere Opstelling In 1981-'82 leek de behoefte van de VRC aan zo'n verenigd front af te nemen en begon zij een onafhankelijkere, ntinder op het Westen gerichte koers te varen. De inmiddels op gang gekomen ekonomische samenwerking bleef doorgang vinden. De reden voor deze koersverandering was enerzijds de teleurstelling over de resultaten van de verbintenis met de VS. Deze kwam tot uiting in de verscherping van de problemen over de toekomst van Taiwan, onder andere door de voortgaande Amerikaanse wapenleveranties aan het eiland; de konstatering aan VRC- en VS-zijde dat de relaties, naast ge-


Chinese muurkrant over het vriendschapsverdrag tussen de VS en China (foto Steye Raviez).

meenschappelijke doelen, ook ernstige beperkingen in zich droegen; de versterking van de Amerikaanse militaire positie in de wereld onder de regering Reagan; het door de VRC waargenomen verlies van aanhang in de Derde Wereld, dat werd veroorzaakt door te hameren op het verzet tegen de SU en de problemen met de VS te bagatelliseren. Anderzijds zag de VRC in de problemen die de SU intern, in OostEuropa en in Afghanistan had, een rem op de mogelijkheden van een strategische Soviet-doorbraak naar de VS, zoals zij die in de voorgaande jaren had voorspeld. Deze ontwikkelingen leidden tot een heroriëntatie in de Chinese buitenlandse politiek, die tot uiting kwam in herhaaldelijke verzekeringen van de Chinese onafhankelijkheid ten opzichte van de VS. In Chinese uitlatingen kregen de VS bovendien weer een plaats naast de SU in het hegemûnistische kamp van de 'Eerste Wereld'. Tegelijkertijd werden de onderhandelingen met de SU heropend over een mogelijke normalisering van de betrekkingen (6) .

De Relatie met de SU Het serieuze heropenen van de onder-

handelingen met de SU over een verbetering van de betrekkingen maakte een einde aan een kwart eeuw van verstoorde relaties tussen de twee kommunistische landen. De nauwe banden die zij vanaf 1949 hadden onderhouden begonnen in 1956 scheuren te vertonen door het in de SU in gang gezette destaliniseringsproces en onenigheid over kwesties als de positie van de SU in het socialistische kamp en de reaktie op de snel groeiende nucleaire dreiging van de VS. Een open breuk begon zich vanaf 1960 af te tekenen toen de SU al haar adviseurs en assistentie uit de VRC terugtrok wegens een ideologisch geschil over de al dan niet juiste koers van de Chinese ekonomische ontwikkeling tijdens de 'Grote Sprong Voorwaarts' (1957-'59). Het ideologische karakter van de breuk werd geïllustreerd door het verbreken van de betrekkingen tussen de beide kommunistische partijen in 1964; de betrekkingen van staat tot staat werden echter niet volledig opgezegd: zo bleven de onderhandelingen tussen beide landen over de navigatie op de grensrivieren voortgang vinden. In de loop der jaren is het in eerste instantie ideologische konflikt steeds meer geëvolueerd tot een traditionele strijd om macht en invloed; in deze ontwikkeling zijn een aantal stadia aan te brengen (7) . Terwijl in de jaren zestig de SU vooral ideologische kritiek van de VRC te verduren kreeg, begon de laatste zich vanaf 1963 in te zetten voor ee herziening van de gemeenschappelijke grens. De inzet was een gebied van 1,5 miljoen km' dat in Soviet-handen was. Zich beroepend op het onrechtvaadige karakter van de verdragen, waardoor China in de vorige eeuw onder imperialistische bedreiging gebied was afgedwongen, eiste de VRC van de SU niet zozeer de teruggave van het betwiste gebied, alswel de erkenning dat het destijds onder dwang was afgestaan. Nadat hierover in 1964 tevergeefs een onderhandelingsronde had plaatsgevonden, ging de grenskwestie steeds meer de boventoon voeren. Deze kulmineerde tenslotte in 1969 tot gewapende schermutselingen langs de Ussuririvier; dit treffen symboliseerde een toestand waarin een oorlog tussen de VRC en de SU niet uitgesloten leek. In de daaropvolgende jaren, tot 1973, werden de betrekkingen gekenmerkt door stille vijandschap. Beide zijden versterkten hun troepenmacht de SU verdriedubbelde vooral in de periode 1970-'71 haar grensdivisies tot 46 in totaal - en de VRC formuleerde haar eisen voor de beeindiging van het konflikt. Deze kwamen neer op een onkonditionele teruggave van alle be-

twiste gebieden. Tot 1978 heerste er relatieve rust in het grensgebied, aangezien beide landen hun aandacht elders hadden. De VRC had te kampen met interne problemen - de opvolgingskwestie rond Mao Zedong, de val van de 'Bende van Vier' en de daaropvolgende konsolidatie van de macht door de nieuwe leiders - terwijl de SV zich opmaakte om te profiteren van de resultaten van de Soviet-Amerikaanse détente. Na 1978 trad een periode van berekende oplettendheid in. Beide zijden waren zich bewust van het feit dat een werkelijke dreiging was afgewend en dat beiden waren gebaat met het komen tot een vergelijk. De focus van het konflikt hzd zich bovendien verplaatst van de gemeenschappelijke grens naar Zuidoost-Azië, een gebied waar beiden belangen hadden te verdedigen (8) . Toenaderingspogingen Ondanks de wederzijdse verdachtmakingen, vijandelijke diplomatieke stappen en militaire konfrontatie hebben de VRC en de SU sinds 1969 steeds opgeroepen tot een normalisering van de onderlinge betrekkingen. Hoewel deze oproepen gepaard gingen met bilaterale ontmoetingen op verschillende niveaus werden de betrekkingen niet struktureel verbeterd (9 ). Direkt na de dood van Mao Zedong in september 1976 lanceerde de SU een poging tot verzoening. Deze ouverture liep echter stuk op de onverzoenlijke houding van de Chinese leiding onder Hua Guofeng, die strikt vasthield aan het door Mao geformuleerde beleid, ook in de buitenlandse politiek. Vijf maanden na deze opening nam de anti-Chinese Soviet-propaganda, die eerder wat was afgenomen, weer in alle hevigheid toe ( 10). Een tweede toenaderingspoging vond plaats in 1979. De VRC wees een verlenging van het 30-jarige Sino-Soviet Verdrag voor Vriendschap, Samenwerking en Wederzijdse Bijstand, dat in 1980 zou aflopen, van de hand, maar aanvaardde een Soviet-voorstel voor het voeren van algemene bilaterale onderhandelingen, die zich niet zouden beperken tot grensgeschillen. De VRC formuleerde de volgende voorwaarden voor een herstel van de betrekkingen: 1. vermindering van de Soviet-troepen aan de gemeenschappelijke grens tot het oorspronkelijke niveau van 12 à 15 divisies; 2. terugtrekking van alle Soviet-troepen uit de Mongoolse Volksrepubliek; 3. beëindiging van alle Soviet -steun aan de Vietnamese inval in Kampuchea. De VRC verlangde hiermee dat de SU al haar geopolitieke middelen voor het uitoe9


fenen van druk opgaf, zonder daar iets voor terug te krijgen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze eisen werden afgewezen. De Soviet-invasie in Afghanistan maakte een einde aan deze tweede toenaderingspoging: de VRC verklaarde in januari 1980 dat verdere onderhandelingen niet gepast waren (11). De bereidheid tot een normalisering van de betrekkingen was hiermee niet weggenomen. De hierboven aangestipte koers van grotere onafhankelijkheid ten opzichtte van de VS, die de VRC vanaf eind 1982 insloeg, was een duidelijk signaal in de richting van de SU dat men niet onwelwillend stond tegenover een hervatting van de gesprekken. Van Soviet-zijde bleek de bereidheid tot het houden van een nieuwe gespreksronde vooral uit de twee toespraken, die Brezjnev in maart en september 1982 hield (12). Ue ontmoeting van de vice-minister van Buitenlandse Zaken Qian Qichen en Leonid Ilyichev in oktober 1982 luidde de derde fase in de toenaderingspogingen in; deze fase duurt tot op heden voort. Tijdens de besprekingen hield de VRC vast aan haar eerdere voorwaarden, maar voegde daar de eis aan toe. dat de SU zich moest terugtrekken uit Afghanistan. Zowel deze gespreksronde als de daaropvolgende, die in maart 1983 werd gehouden, bleven zonder resultaat. De hoop op een doorbraak na de dood van Brezjnev in november 1982 en zijn opvolging door Andropov bleek ijdel. Aan de vooravond van de derde ontmoeting in oktober 1983 breidde de VR C haar voorwaarden voor een herstel van de betrekkingen uit met de eis dat de SU de meer dan 100 langs gestationeerde SS-20 raketten moest ontmantelen. Hoewel de partijen overeenkwamen de niet-politieke betrekkingen te verbeteren werd ook tijdens de derde ontmoeting g<;en verdere overeenstemming bereikt. Desondanks zullen de onderhandelingen in 1984 worden voortgezet, al zijn daarvoor nog geen specifieke afspraken gemaakt. Een aanwijzing voor het belang dat de VRC hecht aan verbeterde betrekkingen was de aanwezigheid van vice-premier Wan Li bij de begrafenis van Andropov in februari 1984. Hij was biermee de hoogste VRC-regeringsvertegenwoordiger die de SU bezocht sinds het bezoek van premier Zhou Enlai twintig jaar daarvoor. Dit krachtige signaal leverde slechts een lauwe Soviet-reaktie op. Wan Li werd uitsluitend ontvangen door zijn protokolaire evenknie, vice-premier Geidar Alijev. Dit was in scherpe tegenstelling tot de gang van zaken tijdens de begrafenis 10

van Brezjnev. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Huang Hua, die de VRC toen vertegenwoordigde, werd niet alleen ontvangen door zijn ambtsgenoot Gromyko, maar had ook een onderhoud met de nieuwe SU-leider Andropov (13). Verschillen en Vooruitzichten Al lijken de onderhandelingsposities van de VRC en de SU onwrikbaar te zijn, beiden zijn overtuigd van het belang om tot een vergelijk te komen. De trage vooruitgang in de besprekingen is vooral toe te schrijven aan het verschil in nadruk dat de beide partijen op hun eisen leggen. De VRC ziet de inwilliging van haar drie eisen als een eerste vereiste voor er van enige toenadering sprake kan zijn. Deze eisen, door de VRC aangeduid als 'de drie obstakels', worden echter doorlopend nader ingevuld en uitgebreid.

Dit houdt mogelijk verband met de kon cessies die hiervoor werden geëist. Het atoomvrij maken van het grensgebied zou een ernstige belemmering kunnen betekenen voor de nucleaire bescherming van de VRC, die door het geringere bereik voornamelijk in dat grensgebied is gestationeerd (14). Ongeacht de schijnbare patstelling waarin de politieke onderhandelingen zich bevinden is er op andere terreinen wel degelijk vooruitgang geboekt. Het betreft hier vooral een uitbreiding van de ekonomische en kulturele betrekkingen. Zelfs in de periode van openlijke vijandschap is de handel nooit geheel tot stilstand gekomen. De omvang daarvan vertoont na een absoluut dieptepunt in de jaren 1969-'70 een jaarlijks stijgende lijn, maar bevindt zich nog lang niet op het niveau van de jaren vijftig. In februari 1984 werd aan de jaarlijks gesloten, formele handelsovereenkomsten een akkoord toegevoegd dat voorziet in een toename van de handel, uitwisseling van studenten en beperkte technische en wetenschappelijke samenwerking. Op grond hiervan kunnen bijvoorbeeld de fabrieken die de SU in de jaren vijftig in de VRC heeft gebouwd, worden gemoderniseerd. Het bewijs van toenemende ontspanning tussen de beide landen is voorts de overeenkomst tot heropening van de grenzen in Centraal-Azië, die in november 1983 werd gesloten. Hierdoor krijgen de wederzijds lukratieve kommerciële relaties in de grensgebieden, die voornamelijk zijn gebaseerd op ruilhandel maar die in 1962 door de afgrendeling van de grenzen werden verbroken, nieuwe impulsen (IS).

Breznjev: bereidheid tot pralen . ..

De SU is daarentegen van mening dat de betrekkingen éérst moeten worden genormaliseerd en dat daarna pas de door de VRC waargenomen 'obstakels' door langdurig onderhandelen kunnen worden weggenomen. Volgens de SU liggen de Chinese eisen met betrekking tot de Soviet-bemoeienissen in de Mongoolse Volksrepubliek, Afghanistan en Vietnam bovendien buiten haar jurisdiktie; deze kwesties moeten met de respektievelijke regeringen worden opgenomen. Wel zou de SU voorstellen hebben gedaan om tot een doorbraak te komen. Deze zouden neerkomen op een bevriezing van de militaire uitbreiding langs de grens; de verwijdering van nucleaire wapens uit de grensgebieden; de aanleg van een 'hot-line' tussen Moskou en Beijing. Van Chinese zijde is niet direkt op deze voorstellen gereageerd.

Naar verwachting zullen de gesprekken in 1984 vooral voortgang vinden op terreinen waarover weinig onenigheid bestaat. In die zin heeft de SU een overwinning aan de onderhandelingstafel geboekt. Het is echter niet waarschijnlijk dat de VRC de door haar ingenomen posities zal prijsgeven, al blijft de mogelijkheid bestaan dat een verdere ontspanning van de verhoudingen een bijdrage zal leveren aan het wegnemen van de bestaande obstakels.

De Relaties met Japan Aanvankelijk waren de betrekkingen tussen de VRC en Japan ronduit slecht te noemen. Door de bezetting van Chinees grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog beschouwde de VRC Japan als een aartsvijand, terwijl de nauwe militaire banden die Japan en de VS later met elkaar aanknoopten het land in Chinese ogen had gedegradeerd tot een lakei van het Amerik-


aanse imperialisme. Desalniettemin ondernam de VRC al in de jaren vijftig toenaderingspogingen tot Japan, doch deze waren tot mislukken gedoemd. De nauwe banden met de VS, die alles in het werk stelden de VRC internationaal te isoleren, maakten een SinoJapanse toenadering onmogelijk. Na het tot stand komen van het Shanghai Communiqué in 1972, waain de VS het bestaan van één China erkenden, waarvan Taiwan deel uitmaakt, waren de Amerikaanse bezwaren tegen deze toenadering echter weggenomen . In een poging een wig te drijven tussen Japan en de VS enerzijds en Taiwan anderzijds, werd in datzelfde jaar de toenmalige Japanse premier Tanaka 'uitgenodigd voor een bezoek aan de VRC. Onder invloed van de 'Theorie van de Drie Werelden' probeerde de VRC vervolgens Japan, samen met de VS en West-Europa, in te lijven in het verenigde anti-Soviet front . De inspanningen om de betrekkingen te verbeteren leidden tenslotte in 1978 tot de sluiting van een Verdrag van Vrede en Vriendschap; vooral de Sino-Japanse Vriendschapsvereniging speelde een belangrijke rol bij deze toenadering. Vervolgens vond onder invloed van dit verdrag en de nieuwe Chinese 'open deur' - politiek een snelle uitbreiding plaats van de ekonomische en technologische kontakt en. Hoewel beide landen in de periode 1978-'80 ontdekten dat hun (dikwijls hooggestemde) verwachtingen niet altijd strookten met de reële mogelijkheden, is Japan toch de belangrijkste partner van de VRC geworden op het gebied van handel en ekonomie (16).

SU ten aanzien van de Kurillen - de 'Noordelijke Eilanden' die in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog door de SU waren bezet en die Japan, tot nu toe vergeefs, steeds heeft teruggeëist. De legering van een Soviet-troepenmacht van 10.000 man op deze eilanden en de Soviet-inval in Afghanistan leidden tenslotte tot een meer assertieve opstelling in de wereldpolitiek, vooral op het gebied van vraagstukken van vrede en veiligheid (1 7). Zo kan het Verdrag van Vrede en Vriendschap ook worden gezien als de basis van een soort wederzijds verdedigingsnetwerk. De VRC moet als buffer de Soviet-bedreiging van Japan trachten te verminderen, terwijl Japan de VRC 'in de rug' moet beschermen. Met het oog hierop heeft de VRC Japan aangemoedigd het defensieve vermogen van de 'Self-defense Forces' (het Japanse 'leger', met een uitsluitend defensieve taak) te versterken en de militaire betrekkingen tussen Japan en de VS min of meer gedoogd. Hoewel een formeel defensief samenwerkingsverband tussen de beide landen nooit tot stand is gekomen, zijn beiden wel overeengekomen om informatie uit te wisselen over en samen te werken tegen de in Oost-Azië gestationeerde SS-20 raketten. De SU is, niet verwonderlijk, uiterst bevreesd voor een mo-

(19).

Japan en de 'Vier Moderniseringen' Als de belangrijkste ekonomische en

Een o verzicht van de konflikten in het Aziatische gebied (J 94 5-1982) waarbij de Volksrepubliek China betrokken was (o vergenomen uil "Atlas \Ian oorlog en vrede ", M. Kidron en D. Smith).

... -.."'-'*_'_,._ . . . ~ . ,.

,

41M_

Gedeelde Strategische Belangen Deze toenaderingspoging was ook mogelijk geworden door een mentaliteitsverandering die in Japan optrad. Het land had in het verleden altijd getracht een gelijke afstand te bewaren van de beide kommunistische overburen, maar een aantal militaire-strategische ontwikkelingen in de regio maakte langzaamaan een einde aan deze traditionele politiek van 'diplomatie in alle richtingen'. Japan voelde zich in toenemende mate bedreigd door de SU. De toegenomen aktiviteiten van de Soviet Verre-Oosten Vloot - oorspronkelijk gestationeerd in W1adiwostok, maar tegenwoordig opererend vanuit de door de VS in de Vietnamese Cam Ranh Baai aangelegde diepzeehaven en de regelmatige schendingen van de territoriale wateren en het luchtruim door Soviet-schepen en -vliegtuigen boezemden Japan angst in. Het gevoel van bedreiging werd nog versterkt door de onverzettelijke houding van de

gelijke Sino-Japanse anti-Soviet alliantie en meende in het verleden zelfs de vorming van een as Beijing-TokioWashington waar te nemen (1 8). In beginsel staat de VRC zeer positief tegenover het groeiende Japanse besef van de Soviet-dreiging en de daarmee korresponderende vergroting van de defensieve inzet. Toch neemt de laatste tijd de angst voor een eventuele Japanse herbewapening toe. De VRC erkent weliswaar het recht van iedere staat om zijn bevolking militair te verdedigen, maar zij kan anderzijds niet toelaten dat de Japanse militaire inspanningen, te land maar vooral ook ter zee, dermate groot worden dat zij een bedreiging gaan vormen voor de buurlanden. Ook schijnt er een einde te komen aan de stilzwijgende Chinese instemming met het Japans-Amerikaanse Veiligheidsverdrag. Aan de andere kant wordt de opkomst van Japan als onafhankelijke militaire macht als zeer onwenselijk beschouwd, niet alleen om historische en emotionele redenen, maar vooral omdat de VRC hierdoor gedwongen zou worden tot extra uitgaven voor de eigen defensie, zulks ten koste van de ' Vier Moderniseringen'

---~­

~oI .. nclY"'de"'lofl~"

.. ""'--I.-......... ~_ I ,nve<"

*""-"1'.

".""'.....,.,..,....-,....-

- g~ ,-" .............

...

....

'"'-

0 ~

_'....r'.

"-

S aWJ(TUNII

C "

I "

A

00 "n" 11


de diplomatieke aktiviteit geweest om tot een doorbraak te komen. Vooral de aktieve rol die de VRC hierin speelt is opvallend. Tijdens het bezoek van de Amerikaanse minister van Defensie Weinberger aan de VRC in september 1983 gaf Deng Xiaoping, de huidige 'sterke man' in de VRC, te kennen dat de VRC bereid was mee te werken aan een oplossing van het Koreaanse probleem. De positie van de VRC was gebaseerd op:

Een Japans bezoek aan China (Tianjin).

handelspartner van de VRC speelt Japan een niet te onderschatten rol bij de verwerkelijking van de 'Vier Moderniseringen'. De Chinese premier Zhao Ziyang verwoordde dit in september 1983 tijdens de laatste, jaarlijks plaatsvindende ontmoetingen op ministerieel niveau tussen de beide landen. Hij verklaarde dat de VRC grote hoop heeft gevestigd op Japan wat betreft de buitenlandse ekonomische samenwerking. Deze hoop werd gekonkretiseerd in een verwek om meer hulp bij de Chinese ontwikkeling, in de vorm van US S 2 miljard in 'zachte' leningen, een grotere Japanse afname van industriële eindprodukten en grondstoffen en meer investeringen in de Chinese industrie. Onder invloed van de vooral politieke problemen die de VRC ondervindt bij de levering van Amerikaanse geavanceerde technologie, geldt Japan momenteel als de belangrijkste leverancier hiervan. Een groeiende militaire band tussen Japan en de VS, niet onwaarschijnlijk in een tijd van toenemende polarisatie in de regio, wu negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze leveranties, die een buitengewoon belangrijke rol spelen bij de Chinese moderniseringen, vooral die van het Chinese leger. De mogelijkheden van de VRC om geavanceerde apparatuur met militaire toepassingsmogelijkheden - de wgenaamde dua/-use apparatuur - te verkrijgen wuden hierdoor ernstig beperkt kunnen worden (20). Ekonomisch gezien heeft Japan zelf echter ook belang bij goede betrekkingen met de VRC. Als land met een gebrek aan alle voor de industrie essentiële grondstoffen had het in het verleden grote interesse getoond voor de mogelijke opening van Siberië, vooral wat betreft de winning van delfstoffen.

12

De verslechterende relaties met de SU hebben echter een einde gemaakt aan de vooruitzichten op Siberische grondstoffen. De VRC, die een gebrek aan buitenlandse valuta kompenseert door haar betalingen aan Japan te verrichten in grondstoffen als steenkool en aardolie, wordt daarom steeds belangrijker voor de Japanse industrie. Interessant is in dit verband het gezamenlijke projekt voor de exploratie en produktie van uranium, waartoe beide landen in december 1983 hebben besloten (21) .

Het Koreaanse Schiereiland Het Koreaanse scheireiland blijft een bron van spanning vormen in de regio. Het zuidelijk deel, de Republiek Korea (ROK), wordt erkend cn gesteund door Japan en de VS, terwijl de Demokratische Volksrepubliek Korea (DVRK) in het noorden de VRC en de SU als bondgenoten heeft. Er zijn in het verleden uiteenlopende pogingen gedaan om de situatie te stabiliseren. Van de kant van de ROK werd bijvoorbeeld voorgesteld dat de beide Korea's (en hun bondgenoten) elkaar gelijktijdig zouden moeten erkennen de zogenaamde 'cross-recognition' om de spanningen weg te nemen. Door de toenemende kontakten, die de VRC en de ROK, via derden, met elkaar onderhouden, wu w'n ontwikkeling niet ondenkbaar zijn. Aan de andere kant wuden dan wwel Japan als de VS zich moeten inspannen om de kloof met de DVRK te overbruggen, doch dit stuit op strategische bezwaren. Bovendien zijn noch de VRC, noch Japan voorstanders van deze oplossing (22).

Chinese Initiatieven De laatste maanden is er een verhevig-

1. steun aan het al 20 jaar oude, door de ROK verworpen voorstel om de DVRK en de ROK samen te laten gaan in een losse 'konfederatie', waarbij beide landen hun respektievelijke ideologieën in eerste instantie zouden kunnen handhaven en door samenwerking langzamerhand nader tot elkaar wuden kunnen komen; 2. de konstatering dat de DVRK noch de intentie, noch het militaire vermogen heeft om de ROK aan te vallen en zich volledig richt op de eigen ekonomische opbouw; 3. de verklaring dat de VRC in aktie komt indien de ROK de DVRK aanvalt. Hieruit liet de VRC voor het eerst doorschemeren enige invloed te hebben op de gebeurtenissen op het schiereiland (23). De VS leken geïnteresseerd in de nieuwe mogelijkheden die deze verklaring opleverde. Hieraan kwam echter een voorlopig einde toen op 9 oktober 1983 bij een bomaanslag in het Birmaanse Rangoon 17 Zuid-Koreanen, waaronder 4 ministers, omkwamen; deze aanslag, die wordt toegeschreven aan de DVRK, deed de spanning tussen de beide landen aanzienlijk oplopen. Daags voor de aanslag had de VRC nog, via derden, een voorstel van de DVRK aan de ROK overgebracht om tripartite-onderhandelingen te houden; de drie deelnemende partijen moesten dan de VS, de ROK en de DVRK zijn. Het voorstel bevatte twee opvallende punten: de eis van terugtrekking van de VS-troepen uit de ROK als voorwaarde vooraf voor het houden van onderhandelingen was komen te vervallen ; de DVRK gaf hiermee bovendien voor het eerst te kennen de ROK als volwaardige gesprekspartner te aksepteren (24). Ook tijdens het bezoek van de Chinese partij-sekretaris Hu Yaobang aan Japan in november 1983 stond het onderwerp Korea hoog op de agenda. Hij verklaarde dat de VRC er tot tweemaal toe bij de DVRK op had aangedrongen om een verhoging van de spanning op het schiereiland te vermijden. Hiermee gaf de VRC te kennen wel degelijk invloed uit kunnen oefenen op haar bondgenoot (25J .


Drie- of Zes-partijenoverleg? Tijdens het bewek van premier Zhao Ziyang aan de VS begin dit jaar stelde de DVRK opnieuw voor om een driepartijenoverleg te beginnen. De VRC steunde dit voorstel, terwijl de ROK het direkt afwees. Een eventuele overeenkomst tot het houden van dergelijke onderhandelingen wordt door een aantal faktoren bemoeilijkt. Zo zijn de VS van mening dat de VRC aan elke vorm van onderhandelingen met betrekking tot Korea w u moeten deelnemen. De DVRK is echter fel gekant tegen Chinese deelname, niet alleen omdat zij w zelf uit haar prominente positie w u worden gedrongen, maar tevens omdat in w'n konfiguratie ook de SU tot de onderhandelingstafel w u moeten worden toegelaten. De DVRK houdt echter vast aan het regionale karakter van het konflikt. De eis tot deel name van de VS aan eventuele onderhandelingen wordt gerechtvaadigd door hun militaire aanwezigheid in de ROK. De deelname van beide supermachten aan de onderhandelingen doet aan de andere kant juist de situatie ontstaan die de ROK wenselijk acht voor een oplossing van het konflikt. Indien Japan zich dan ook bij de onderhandelende partijen voegt, w uden alle belanghebbenden eindelijk rond de tafel zitten (26). Al deze inspanningen lijken erop te wijzen dat er wat beweging komt in de opstelling van de diverse betrokkenen bij het konflikt. Gezien de problemen ziet het er voorlopig echter niet naar uit dat deze ontwikkelingen spoedig zullen leiden tot konkrete resultaten.

Slotopmerkingen De relaties tussen de VRC en haar belangrijkste huurlanden worden in de nahijetoekomst vooral hepaald door de vraag of de VRC haar politiek van gelijke afstand tot de twee supermachten én haar ekonomische 'open deur-politiek' zal voortzetten. Enerzijds is dit afhankelijk van mogelijke interne ontwikkelingen in de VRC, anderzijds zal dit sterk afhangen van het beleid van de VS en de SU ten aanzien van punten die de VRC raken, en van het globale strategische machtsstreven tussen de twee supermachten. Ondanks de regelmatige krises in de verhoudingen lijken er vooralsnog meer punten van overeenstemming te bestaan tussen de VS en de VRC dan tussen de SU en de VRC. De toenaderingspogingen tussen de SU en de VRC hebben een nieuwe fase in hun betrekkingen ingeluid. Het feit dat beiden met elkaar onder-

handelen kan als een eerste stap tot normalisering van de relaties worden beschouwd. In hoenrre deze onderhandelingen tot een werkelijke herstel van de betrekkingen zullen leiden, bijvoorbeeld door het wegnemen van één of alle drie 'obstakels', valt nog te bezien. Een antwoord op deze vraag wordt voorts nog bemoeilijkt door de opvolgingskwestie in de SU, die na de dood van Andropoven zijn opvolging door Tsjernenko is ontstaan. Het regelmatige kontakt tussen de SU en VRC heeft in ieder geval wel geleid tot een groeiende ontspanning langs hun grenzen. Voor een verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen Japan en de VRC is het vooral van belang dat de VRC vasthoudt aan haar huidige 'open deur'-politiek. Wanneer Japan zich in militair-strategisch opzicht meer aan de VS zou gaan binden, of, wat minder waarschijnlijk is, op grote schaal gaat herbewapenen, zouden de relaties geschaad kunnen worden. Verder zonden de problemen rond Taiwan, waarmee Japan uitstekende kommerciële relaties onderhoudt, zich als storende faktor in de betrekkingen kunnen ontpoppen. Een oplossing van de Koreaanse kwestie ligt voorlopig nog ver in het verschiet. Hoewel de VRC de laatste maanden initiatieven heeft ontplooid om onderhandelingen op gang te brengen blijft het een uiterst gekompliceerde zaak om daarvoor een vorm te vinden die voor alle partijen bevredigend is. Ook hier vormt de opstelling van de SU een onzekere faktor. Deze problemen en het mogelijke belang dat de twee supermachten kunnen hebben bij het laten voortduren van het Koreaanse konOikt maken het niet aannemelijk dat deze bron van destabilisatie in de regio spoedig zal worden weggenomen.

Noten 1. Michael Ng-Q uinn . 'The Analytical Study of Chinese Foreign Poliey', in International Alfai" Quarterly, nr. 27 ( 1983), pp. 217220. 2. Zie bijvoorbeeld Alain Cass, 'Deng learns how to play with two cards at ooee', in Fi· naneial Times (FT), 29/ 09/ 83; en KarlHeinz Janszen, 'Zwei Trümpfe in der Hinterhand', in Die Zeil, 21/ 10/ 83. 3. Harry Harding, 'Change aod Continuity in Chinese Foreign Poliey'. in Problems of Communism ( MaTch-April 1983), pp. 5-6.

4. 5. 6. 7.

Harding ( 1983), pp. 6, 7-8. Hardi ng ( 1983), pp. 7-8. Harding ( 1983), pp. 9-1 0,13. Thomas G. Hart, 'Sino-Soviet State Relations 1969- 1983; An Attempt at C1arifiea tion', in Cooperation and Conflict, vol. XVlIl , nr. 2 ( 1983), pp. 79, 93; Thomas W. Robinson, 'The Soviet Union and Asia in 1980', in Asian Survey, vol. XXI , I (January 198 1), p. 17. 8. Harding ( 1983), p. 6; Hart ( 1983), pp. 8 1, 84, 89,93,94. 9. Zie de tabellen 2-4 in Hart (1 983), respektievelijk pp. 83, 86, 87. 10. Dieter Heinzig, ' Chin as Politik gegenüber der UdSSR 1976-1 978: Auf den Weg zur "antisowjetischen Einheitsfront" " in Berichte des Bundesinstituts für ostwissenschaftliche und internationale Studien, nr. 38 ( 1982), pp. 19-20. 11. Hart ( 1983), pp. 87-88; William E. G riffith , 'Sino-Soviet Rapprochement?' , in Problems of Communism ( March-April 1983), p.20. 12. G riffith (1983), pp. 22, 23. 13. Griffith ( 1983), p. 24; Hard ing ( 1983), p. 10; Mark Baker, 'China ea lls fo r cut in SS20 sites on border', in FT, 19/ 09 / 83; 'China to demand remova l of missiles in normalizat ion talks with Soviet', in International HeraId Tribune (lHT), 06 / 10/ 83; NRCHandelsblad, 13/ 02 / 84, 16/ 02184. 14. G riffith ( 1983), pp. 22 , 24; Michael Parks, ' Moscow reportedl y offered Beijing a freeze on border arms buildup' in IHT, 29 / 10/ 83. 15. Hart ( 1983), pp. 88-89; Michael Weisskopf, 'Soviet-Chinese talks conc\ ude with reported trade accord', in IUT, 28/ 10/ 83; NRC-Uandelsblad, 11/02/ 84; ' Peking and Moscow reopen border in Cent ral Asia' , in FT, 18/ 11 / 83. 16. Zie bij voorbeeld Financial Times China Survey (20 / 08/79), pp. lil , XIV . 17. Shinichiro Asao, T he three legs of Japan's growing defence effort ', in IHT. 02 / 03 / 84. 18. K.W. Radtke, ' Noord-Oost Azië in de Wereldpolitiek', in Internationale Spectator, vol. XXXVII , 5 (mei 1983), p. 269; Karel van Wolferen, •Akkoord Japan-China tegen SS-20 raket', in NRC-Handelsblad, 03110 / 83; Karel van Wolferen, 'Moscou vreest in Oost-Azië omsingeling China, Japan en VS', in NRC-Handelsblad 20/ 021 84. 19. Financial Times China Survey ( 191101 83), p. lIl ; Radtke ( 1983), pp. 263, 268269; Van Wolfe ren, 20/ 02184. 20. Van Wolferen, 03 / 10/ 83; Radtke ( 1983), pp. 270, 271; Do uglas T. Stuart and Willi am T. Tow, 'Chinese Milit ary Modernization: Tbe Western Arms Connenction', in China Quarterly 90 (June 1982), pp. 259-260. 21. lHT, 14112/ 83; NRC-Handelsblad, 14/ 12/ 83. H . Schulte Nordho lt, 'Afbakening van de Continentale Plat en de Oost-Chinese Zee in het licht van de Chinees-Japanse ekonomisehe betrekkingen', in Internationale Spectator, vo l. XXXVII , 5 (mei 1983), pp. 304 -305; Radtke ( 1983), pp. 267-268. 22. Radtke (1 983), p. 270; voor een recente Chinese afwijzing van dit voorstel, zie Beijing Review, vol. XXVII , 8 (20 / 02/ 84), p.9. 23. William Chapman, 'China hints it 's seeking Korea talk', in fHT, 20/ 10/ 83. 24. Hans Beynon, 'Rooksignale brengen Pyongyang en Seoul niet nader tot elkaar', in De Volkskrant 20/ 01/84. 25. Williarn Chapman, 'China is said to be trying to calm Korean tensions', in IHT, 251 11 / 83. 26. Hans Beynon, 20 / 01 / 84; NRC-Handelsblad,2 1/ 0 1/ 84.

13


Aanbevolen Literatuur Hcrbert J. Ellison , ed., The Sino~Soviel Conflict. AGIobal Penpective, University of Washington Press, Sealde, WA 1982. Roben B. Hewett, ed., Political Change aod the Economie Futu re of East Asia, Pacific Forum , Honolulu, Hl 198 t.

D.T. Stuan, Ch ina between the Super-powers', in Thc World Toda)', 39 (3 ), MaTch 1983, pp . 90-97. Donaid S. Zagoria, ed ., Soviet Policy in East Asia, Yale Univcrsity Press, Ncw Ha-

W. Mendl , 'Japan aod its Giant NeighbouTs', in The World Today, 39 (6), June

1983, pp. 206-21 5. Richard H. Solomon, cd ., The China Factor: Sino-American Relations aod tbc Global Scene, Prcnliee-Hall Jnc., E ngIewood Cliffs, NJ 1981.

ven, cr 1982.

De Chinese revolutie in een "struktureel perspektief' Het frustreren, het onderdrukken van individuele wensen zal tot agressie, tot revoltes leiden. Deze uitspraak is een typische micro verklaring voor revolutionair gedrag. Het individu staat centraal in deze psychologische frustratie-agressie theorie. In macro verklaringen daarentegen staan groepen en maatschappelijke ontwikkelingen centraal in de theorie. Marx bijvoorbeeld ziet sociale konflikten tussen verschillende klassen. De objektieve strukturele tegenstellingen in het historisch proces zullen aanzwellen. Het klassebewustzijn van de bezitslozen zal toenemen en een sociale revolutie zal dan onvermijdelijk zijn. Waar Marx de nadruk legt op de toenemende uitbuiting die zal leiden tot een revolutie legt de filosoof Tocqueville juist de nadruk op de toenemende verwachting van individuen - toenemend als gevolg van de maatschappelijke ontwikkelingen - die zullen leiden tot een revolutie. J_C Davies heeft gepoogd Marx en Tocqueville in één theorie samen te brengen (I ). Hij beredeneerde dat er een relatie is tussen stijgende verwachtingen, verwezenlijking van die verwachtingen en revolutie en poneerde de theorie van de J-curve. Door bijvoorbeeld ekonomische groei stijgen de verwachtingen (focqueville) van mensen en kunnen deze ook waargemaakt worden. Als er een moment van ekonomische krisis komt, kunnen de verwachtingen niet meer waargemaakt worden (Marx). Als de kloof tussen verwachting en verwezenlijking te groot wordt zullen de benaderden in opstand komen. De J-curve stelt dus dat de verwachtingen van mensen stijgen, dat deze op een gegeven moment niet verwezenlijkt kunnen worden als gevolg van de ekonomische terugslag. Daardoor ontstaat er een niet te tolereren objektieve kloof tussen menselijke behoeften en

14

Door Erik Tijdgat, lid van de redaktie van JASON-Magazine, op persoonlijke titel .

Het woord 'deprivatie' kan in deze kontekst wellicht het best als onvrede gelezen worden .

co

i- -1

I

Verwachte behoeften bevrediging \

/' /' /'

· l"k beh ft be d' /' FeUe IJ e oe en yre 19ing /

//

zU.\ t;:

,/

,/

UJ

o

I t

Onaanvaardbare kloof tussen wat mensen

: Jkrijgen en wat ze willen I

/'

1_ -

(Hoog deprivatienivo)

,/

,/

J:

U.\ al

.L//

-

-

-

____ _

I -I--}

----------~--

aanvaardbare kloof

1

I ,/

,/

/' /'

o

/' /' "'/~_

1 1 1

I { Revolutie ontSlaat op _ _ _ _- ;:;:;..;I:o:----------<I'y'~ dit punt TIJD

De }-curve van Davies: de verwachtingen SIJjgen, kunn en op een gege ven moment niet verwezenlijkt worden en daardoor On/staal een niel te tolereren objektieve kloof lussen wal mensen verwachten en wat ze werkelijk krijgen .

wat ze werkelijk krijgen. Een voordeel van Davies' theorie is het nivo van analyse. Het komt tot een synthese van micro en macro verklaringen. Het is een kombinatie van elementen uit de frustratie-agressie theorie en maatschappelijke ontwikkelingen. Men spreekt ook wel van een geaggregeerde psychologische theorie. Een probleem bij de J-curve is dat Davies spreekt van objektieve stijgingen in de verwachtingen en afnames in de verwezenlijking daarvan in plaats van over gepercipieerde stijgingen en afnames. Het gaat immers om de waargenomen, subjektieve kloof tussen verwachtingen en verwezenlijking (2). Geringschattend spreekt men daarom van de 'objektieve-deprivatie theorie'. In ' Why men rebe/'komt T_ G urr aan deze kritiek tegemoet. Het gaat bij GUIT om de subjektieve

onvrede in plaats van objektieve, zoals bij Davies. GUIT lijkt op de goede weg in het zoeken naar een afdoende verklaring voor revolutie. In één belangrijk element schiet echter ook GUIT tekort. Verklaard wordt namelijk niet hoe de frustraties van de verschillende individuen getransformeerd worden tot kollektief konflikt gedrag, gericht op het verwezenlijken van gemeenschappelijke doelstellingen (3). Zo is er in Zuid-Afrika waarschijnlijk een hoog nivo van persoonlijke onvrede zonder dat er sprake is van massale revoltes, terwijl in andere maatschappijen waar men minder ontevreden is wel opstanden plaats vinden. De faktoren waar de relatieve-deprivattie theorie op wijst zijn daarom slechts noodzakelijke maar niet vo/doende voorwaarden voor grote kon-


flikten. Voor GUIT is een als illegitiem ervaren regime instabiel, maar organisaties zullen nodig zijn om politieke leiding en richting te geven aan de frustraties en onvrede. Het gaat met andere woorden om de politisering van de deprivatie. Pas als de konflikten gepolitiseerd worden zal er sprake kunnen zijn van kollektieve akties. De historikus C. Tilly heeft in zijn politieke konflikttheorie daarom de koUektieve aktie tot objekt van zijn studie gemaakt (4J. In dit stuk zullen we de analyse van de sociologe T. Skocpol zoals uiteengezet in 'States and social revolutions'nagaan. Ook zij poogt te komen tot een verklaring van sociale revoluties. Het kader dat zij schetst valt het best te plaatsen bij de theorie van Marx wat de klassekonflikten betreft en bij de politieke konflikt theorie zoals van Tilly ('). In de eerstvolgende paragraaf zal haar macro theorie en methode van onderzoek beschreven worden. In de daarop volgende paragraaf zal het een en ander toegelicht worden aan de hand van de Chinese revolutie.

Analysekader Voor Skocpol zijn sociale revoluties snelle basistransforrnaties van de maatschappelijke staats- en klassestrukturen. Ze wil sociale revoluties onderzoeken vanuit een struktureel perspektiefmet de aandacht gericht op de ontwikkelingen zowel in- als extern die de oude staatsorganisatie doen afkalven en met aandacht voor de opbouw van de nieuwe staatsorganisatie (6). De nadruk in haar werk ligt op de klassestruktuur met name de klasserelatie boer-landadel, de staatsstruktuur met zijn eigen autonomie, en de internationale verhoudingen. Een revolutionaire situatie is pas aanwezig bij een politiek-militaire krisis in het staatsbestel en bij konflikten tussen de klassen. Dat is de strukturele voorwaarde voor revolutie. De situatie voor het zittende regime wordt nog penibeler indien de externe verhoudingen verslechteren, bijvoorbeeld door een oorlog met een buurland. Skocpols strukturele perspektief legt in tegenstelling tot Gurrs relatieve deprivatie theorie de nadruk op de politisering van de onvrede, de machtsverhoudingen, het niet voluntaristische element en het niet hanteren van de legitirniteitsvraag. Door de staat als een autonome faktor op te vatten kan bij Skocpol weliswaar het regime als illegitiem ervaren worden maar toch stevig in het zadel zitten door het inzetten van machtsmiddelen:

repressie. Bij GUIT is het regime al instabiel als het als illegitiem ervaren wordt. De methode van onderzoek van Skocpol is de komparatieve historische methode (7) . Ze wil tot valide verklaringen van sociale revoluties komen door zowel overeenkomsten als verschillen op te sporen van verschillende sociale revoluties, te weten de Franse, Russische en Chinese revolutie. Van het vergelijkend perspektief zal hier geabstraheerd worden; het is de Chinese revolutie welke in dit stuk nader bekeken zal worden.

China Voor de 1ge eeuw was China een rijke beschaving met een al eeuwen oud staatsbestel. De Ch'ing dynastie (1644-1911) getuigde van zowel het hoogtepunt als van het verval van dat opmerkelijke systeem (8 ). De strukturele situatie in de 1ge eeuw viel in twee werelden uiteen (9 ). Enerzijds was er een agrarische ekonomie met sterke lokale netwerken. De meerderheid was boer. Met enkele honderden boerenfamilies woonde men in dorpen en elke familie bewerkte een eigen stuk land. De landadel domineerde deze lokale gemeenschappen. Deze klassetegenstelling leidde niet tot onrust omdat de boeren en de landadel samen een vuist moesten maken tegen de burokraten van het imperium. Er was geen sprake van solidariteit tussen de boeren onderling, er was juist sprake van kompetitie tussen de lokale gemeenschappen. Anderzijds was er een staatsdynastie

met een centralistische burokratische inslag (10). Door het afleggen van examens kon men opklimmen tot burokraat en deze burokraten hadden o.a. de taak belastingen te innen. In scherp marxistische termen gesteld werden de boeren uitgebuit door zowel het autokratische imperium als door haar eigen lokale adel. Deze adel had belang bij een niet al te krachtig centraal systeem (belasting!) maar was er wel van afhankelijk. (zie verder). Internationaal ondervond keizerlijk China vanaf met name de tweede helft van de 1ge eeuw moeilijkheden van buitenlandse mogendheden (l i l . Zo dwong Engeland speciale handelsrechten van China af - de zogenaamde 'open deur' politiek - en breidde Rusland en Japan zich uit ten koste van China. De traditionele ekonomie kon niet groeien zonder te industrialiseren hetgeen wel noodzakelijk was gezien de groeiende bevolking ( 12). De belastingen kon men niet gemakkelijk verhogen gezien het verzet daartegen vanuit de sterke lokale gemeenschappen. Talrijk waren de opstanden zoals bijvoorbeeld die van Taiping (1850-1864) ( IJ ). Keizerlijk China had in eigen land de handen vol. Hierdoor, gevoegd bij de druk van buitenaf was het niet verwonderlijk dat het regime zowel intern als extern geen orde op zaken kon stellen. Repressie was gezien de machtsverhouding niet mogelijk. De autokratie moest wel overgaan tot hervormingen, maar deze werden niet ver genoeg doorgevoerd ( 14 ). In 1911 kwamen adel, kooplieden,

Boeren ontvangen eigendomsaklen van stukken land. Affiche, vervaardigd kOrl na de ui/roeping van de Volksrepubliek China in 1949.

15


voormalige burokraten, officieren en radikalen onder leiding van Sun YatSen tegen het oude regime in opstand

1. De dominante klasse had bindingen

met de semi-burokratische staat. 2. Er was in de agrarische ekonomie geen ontwikkelingsdoorbraak; de grenzen van de groei waren gegeven de populatie en het beschikbare land bereikt. 3. De internationale druk was groot. Er waren oorlogsnederlagen en sterke imperialistische invloeden.

(ll).

Paladijnen van de keizer konden de opstandelingen nog verslaan maar een generaal - Yuan Tse-Kai - sloot een verbond met Sun en werd zelf keizer. Als de generaal in 1916 overlijd is de patstelling kompleet en is het in China onrustig (16). De boeren misten de onderlinge solidariteit en autonomie voor een snelle reaktie op de ondergang van het oude regime. Immers, gezien het patroon in de gemeenschappen waren er geen revoltes van boeren tegen landadel maar revoltes van boeren en landadel samen tegen de vertegenwoordigers van het afbrokkelende imperium (17). Na 1916 waren lokale militaire groepen, die onder Ch 'ing een leger moesten vormen tegen het imperialisme, dominant. Deze zogenaamde 'war/ards'erkenden geen centraal gezag (1 8). Met de verdere desintegratie van het centraal gezag verdween langzamerhand ook de sterke positie van de landadel; het gemeenschappelijke belang Van boeren en landadel jegens teveel invloed van de autokratische semi-burokratie viel immers weg (19).

Voorzitter Moa Zedang spreekt tijdens de tweede plenaire zitting van de zevende Centraaal ComitĂŠ van de Communistische par-

tij, 1949.

In het gistende China kwamen twee parallelle revolutionaire politieke bewegingen op. Enerzijds de Kuomintang, eerst onder leiding van Sun en daarna onder leiding van Chiang Kaishek en anderzijd. de kommunisten met name onder leiding van Maa Tsetung. De Kuomintang vond baar steun in de steden en de kommunisten hadden meer steun op het platteland. In de beginfase had de Kuomintang sukses bij het ontwikkelen van een veilige basis, Nanking, om van daar uit een nieuwe overheidsburokratie(20) op te zetten. Eerst moesten daarvoor de 'warlords' bestreden worden. Met behulp van de kommunisten kon Chiang deze verslaan en kon met de hereniging van China worden begonnen. Hij slaagde er echter niet in zijn macht te konsolideren. De Kuomintang kon geen echt kontrole uitoefenen over de warlordgebieden on ook de alliantie met de kommunisten brak. Bij deze interne struktuur van onderlinge rivaliteit tussen de klassen in de steden en het platteland en de afwezigheid van een sterk centraal gezag kwam nog eens de invasie van Japan in

1937 (21). Inmiddels waren de boeren sterk opgekomen. Er was nu wel onderlinge solidariteit tussen hen, ze sloten zich aan bij het rode leger van de kommunisten en werden aldus een autonome faktor

16

van betekenis (22) . Door de steun die de kommunisten kregen op het uitgestrekte platteland kon de guerilla zich ontwikkelen als 'een vis zwemmend in een zee van mensen'. Na de 'lange mars' van 1935 konden de kommunisten zich vanuit een sterk territorium als eenheid manifesteren. Mao en de zijnen kregen steeds meer aanhang; hun basis, Shen-Kan-Ning, breidde zich uit en ook in de overige delen van China had de kommunistische ideologie een sterk mobiliserende werking. De aanhang van de Kuomintang slonk en in 1937 bezetten de Japanners juist de havensteden waar Chiang nog een sterke machtsbasis had (23). Na de Tweede Wereldoorlog werden in de bevrijde gebieden direkt landhervormingen doorgevoerd. De machtsbalans was geheel in het voordeel van de boeren. Op 1 oktober 1949 kon in Peking de Volksrepubliek China worden uitgeroepen (24). Vanuit Peking wu gewerkt worden aan een versterkte staatsburokratie onder strikte partijkontrole. Nationale ontwikkeling en gelijkheid zouden de belangrijkste doeleinden zijn (2l). Samengevat waren de kondities voor de sociale revolutie in China als volgt (26) :

De uitkomsten van de sociale revolutie van 1911 waren als volgt (27): 1. Na de omwenteling was liberale stabilisering onmogelijk omdat de dominante klasse kwetsbaar was en omdat andere groepen revolutionair waren. Er was sprake van politieke en militaire verdeeldheid in de warlord gebieden en de boeren konden nog niet op eigen kracht revolteren door de landadel nog krachtig genoeg was. 2. China was nog steeds een traditionele agrarische maatschappij. De boeren bleven de grootste groep. 3. China had tijdens de Tweede Wereldoorlog met een invasie te kampen. Na de revolutie waren de V.S. en de S.U. de sterkste naties waar China zich niet mee kon meten. Het proces van revolutionaire staatsopbouw geschiedde als volgt (28): Eerst mislukte de staatsopbouw vanuit de steden en ze slaagde pas vanuit het platteland door middel van een guerilla en daarop volgende landhervormingen. Na 1949 kontroleerde de partijstaat de industrialisering. De staat werd groter en centralistischer. De privileges van de landadel verdwenen.

Evaluatie In vergelijkend perspektief komt Skocpol tot de konklusie dat de revolutionaire situatie in de eerste plaats afhangt van de staatsstruktuur en de relatie daarmee met de binnenlandse klasse en hun politieke kracht ĂŠn de positie van dc staat in relatie met andere staten. In algemene zin gesteld kunnen we konstateren dat Skocpol zich koncentreert op de machts- en afhankelijkheidsverhoudingen. Die verhoudingen zijn bepalend voor een revolutie en niet wals bij Gurr de verwachtingen van mensen die meer en meer gefrustreerd worden. De analyse van GUIT enerzijds en Skocpol anderzijds zijn daarom van fundamenteel andere aard. We kunnen spreken van twee verschillende paradigma's (29). GUIT'S vooronderstelling, de basis van een paradigma, is tegengesteld aan Skocpol's vooronderstelling. Daar waar GUIT uitgaat van een stabiele op


kon sensus berustende maatschappij waar konflikten verklaard moeten worden, daar gaat Skocpol uit van konflikten die inherent zijn in een maatschappij en moet verklaard worden waarom er stabiliteit is in een samenleving. Volgens Skocpol is China pas laat revolutionair geworden omdat bijvoorbeeld de boerenklasse zich pas laat als éénheid zag. Waarom ze zich uiteindelijk toch als één klasse gaan gedragen kan Skocpol niet op grond van haar strukturele perspektief verklaren. Ze beschrijft het proces van klassevorming wel maar verklaart het niet. Ze wil niet vervallen in voluntarisme en daardoor gaat in haar theorie de link met het individuele micro nivo verloren. Skocpol heeft wat haar theoretische uitgangspunten betreft slechts oog voor het samengaan van de strukturele situatie en revolutie. Dat strukturalisme is deterministisch. Als de situatie gunstig is dan komt er revolutie. De relatie tussen struktuur en revolutie wordt door Skocpol niet aangegeven. Ze richt haar aandacht op strukturele determinanten en revoluties maar het proces tussen deze twee komt slechts in beschrijvende zin in haar boek naar voren. Ze beschrijft de relatie struktuur-revolutie maar verklaart deze niet vanuit haar theorie en is dus theoretisch niet verantwoord. Zo beschrijft ze dat de boeren in China tot één klasse worden. Het rode leger moest zich aanpassen aan de strukturele situatie in China. De ideologie moest zich op de boeren gaan richten. De boeren zouden zich vrijwillig bij de kommunisten aan moeten sluiten en daarom dienden de kommunisten voor de boeren op te komen door bijvoorbeeld te zorgen voor veiligheid en landbouwhervormingen. Door zich voor de boeren sterk te maken, door ze te mobiliseren werden de boeren tot één klasse (30). Hoe dat proces is te verklaren kunnen we niet m.b.V. Skocpol's theorie achterhalen. Daarvoor is een aanvullende verklaring noodzakelijk. Een verklaring die de link legt van het individuele nivo naar het groepsnivo. J.S. Migdal heeft daarvoor in "Peasants, Polities and Revolution: Pressures toward Politica! and Social Change in the Third World" een belangrijke hypothese uitgewerkt. Ook werkend vanuit het konfliktparadigma stelt hij dat de boeren in de revolutionaire beweging gingen participeren omdat ze hun individuele en lokale problemen het best door de revolutionairen zagen opgelost (31 ). Drie voorwaarden voor aansluiting bij de revolutionairen moesten daarvoor vervult zijn (33). De boeren moesten ge-

dwongen zijn voor de markt te gaan produceren door de last van de ekonomische krisis. Deze marktparticipatie moest gepaard gaan met het onvermogen van de overheid de marktwerking in goede banen te leiden en ten slotte moest er een revolutionaire organisatie zijn geleid door met name intellektuelen waarbij men zich aan kon sluiten ( 34 ). Als deze struktl!rele voorwaarden vervuld waren moesten de revolutionaire organisaties, aldus Migdal's hypothese, de boeren voor zich winnen. De kommunisten dienden in eerste instantie op te komen voor de persoonlijke en lokale belangen van de boeren. De kommunisten moesten zich aan de strukturele situatie aanpassen (5) . De boeren gaven de revolutionairen pas hun steun als op basis van een simpele kostenbaten analyse het de moeite waard zou zijn (36). Mao had het, aldus Migdal, juist gezien : "If we want to win, we still have a great deal of work. L eading the peasants in agrarian struggles and distributing land to th em; arousing their labour enthousiasm so as to increase agricultural production; safeguarding the interests of the workers; establishing cooperatives; developing trade with outside areas; solving the problems that faces the masses, problems of ciothing, food, and shelter, of fuel, rice, cooking oil, and salt, of health and h ygiene, and of marriage. In short, all problems facing the masses in their actuallife should get altention. If we ha ve these problems at heart and solve them to the satisfaction of the masses, we shall really become the organizers of the life of the masses . . ,(37) , Toen het institutionele netwerk van de kommunisten steeds meer voor de boeren kon doen verhoogde de participatiegraad van de boeren in de revolutie. Opkomend voor de individuele belangen van de boeren en daarmee tegelijk voor de kollektieve belangen van hen maakte dat boeren zich aansloten bij de revolutionairen. Met de institutionalisering van dat proces vormden de boeren zich tot één klasse. De theorie die Migdal niet ter verklaring van de revolutionaire klasseorganisatie naar voren brengt is gebaseerd op de organisatietheorie van mensen als March, Sirnon en Olsen (38) . Individuen sluiten zich bij organisaties aan als hen dat tot voordeel strekt. De individuele kostenbaten analyse is bepalend voor het al dan niet participeren. Deze theorie verklaard de relatie tussen individuele en kollektieve belangen. De kosten-baten analyse van boe-

ren is de theoretische basis voor het verklaren van het ontstaan van een revolutionaire klasse. Het integreren van Migdal's theorie in de analyse van Skocpol heeft als voordeel dat beschrijvingen van Skocpol in verklaringen kunnen worden omgezet en het heeft het voordeel dat er een link kan worden gelegd van het micro naar het macro nivo. Door Migdal's theorie onder te brengen in die van Skocpol zou de strukturele macro verklaring op het punt van revolutionaire klassevorming micro elementen gaan bevatten en zou het analysenivo een belangrijke verfijning ondergaan.

Noten: I. J.e. Davics, Toward a

theory of re\'oluHon. uit : American Socio logica l Review , vol. 27, 1962, p. 5-19. 2. K. koch, Politiek konflikt, uit : Kernt hema 's van de politikologic, red. M .P.C M . van Schcndelcn, Amsterdam . 198) , p. 230. 3. idem , p. 231 . 4. T . Skocpol, States and Sodal Re\'olulions. Cambridge, 1979, p. 10. 5. idem , p. 13. 6. idem, p. 14-33 . 7. idem, p. 33-40. 8. idem, p. 67. 9. idem , p. 68 e.v. 10. idem , p. 69 e.v. 11. idem, p. 73 e.v. 12. idem , p. 74. 13. idem. p. 75. 14. idem. p. 78. 79. IS. idem , p. 79. 16. idem. p. 80. t7. idem , p. 148-151. 18. idem, p. 237. 19. idem, p. 238 e.v. 20. idem. p. 247. 21. idem , p. 250. 22. idem, p. 252-256. 23. idem, p. 256. 24. idem , p. 263 e.v. 25. idem, p. 27 1 e.v. 26. idem. p. 156. 27. idem , p. 282-283. 28. idem , p. 283. 29. W.E. Connoly, Theoretical Self-Consiousness, in : W.E. Connoly and G. Gordon, eds., Socia l Struct ure and Political Theory, Lcxi ngton, 1974, p. 40-57. 30. T. Skocpo1. o.C.• p. 252-256. 3 1. J.S. Migdal, Peasants, Polities, and Rc\'olution, Princeton, 1974, p. 14, 15, 19, 22; 228, 229. 33. idem , p. 229-230. 34. idem. p. 231 , 232. 35. idem. p. 233. 36. idem. p. 235. 37. idem, p. 245 , (uit: Mao Tsc-t ung, Mind Ihe living conditions of thc Masses, Peking 1953, p. 2). 38. idem. p. 240. 241.

Verklarende woordenlijst: - relat ieve deprivatie: subjektieve onvrede. - vol untarisme: de opvatting dat persoonlijk menselijk handelen een invloedsfaktor is in het historisch proces. - geagreggeerde (psychologische) theorie; samenbundeling van enkele theoriën.

17


Nederlandse belangen en de beide China's 1. Inleiding In een periode van drie jaar is Nederland tweemaal gekonfronteerd met een vrijwel identiek keuzeprobleem in zijn buitenlandse politiek: het al of niet toezeggen van een exportvergunning voor de leverantie van onderzeeboten aan Taiwan (de Republiek China). Tweemaal zorgde de periode vóór en na de kabinetsbeslissing voor grote binnenlandse politieke opschudding. In de eerste Taiwan-"zaak" van 1980-1981 zei het toenmalige kabinet de exportvergunning wèl toe, maar in de tweede Taiwan-zaak van 1983-1984 deed het huidige kabinet dat niet. De relatie tussen Taiwan en China (de Volksrepubliek China) speelde in beide affaires een grote rol bij de Nederlandse beslissingen. Ook de buitenlandse pers ontging de pijnlijke keuze waar Nederland voor werd geplaatst niet. Het is in de Nederlandse buitenlandse politiek geenszins een uitzondering dat een pijnlijke beslissing moet worden genomen ,\). Wellicht kunnen wij in deze en andere beslissituaties het maken van onze keuze verlichten, indien wij de buitenlandse politiek "realistisch" benaderen. Dit betekent dat wij de buitenlandse politiek trachten te benaderen in termen van de behartiging van belangen. Wij vragen ons daarom in dit artikel af of wij, mede aan de hand van de belangenafweging in het geval van de "beide China's", mogen bepleiten dat de Nederlandse buitenlandse politiek meer en explicieter benaderd en besproken wordt in termen van belangenbehartiging. Wij moeten de lezer ervoor waarschuwen dat wij met ons artikel niet beogen de kabinetsbeslissing van 21 december 1983 te rechtvaardigen, dan wel te veroordelen. Wij zijn veeleer geïnteresseerd in de vraag of er een algemeen kader voor afweging bestaat (paragraaf 2). Een dergelijk kader kan van nut zijn bij het benaderen van eventueel nieuwe ontwikkelingen in de buitenlandse politiek van Nederland in het algemeen, waarvan de zaak-Taiwan dan een "case-study" is (paragraaf 3). In onze slotparagraaf 4 ronden wij ons betoog af, met een korte toetsing van onze bevindingen uit de case-study aan onze algemene beschouwingen.

2. Een "nieuw-realisme" in de buitenlandse politiek van Nederland? De grondtrekken van het realisme als reaktie op het falen van de Volkenbond en de opkomst van het nationaal-socialisme en als ontwikkeling tijdens het ontstaan van de Koude Oorlog, kunnen als volgt kort worden weergegeven: een overwegende pre-occupatie met het probleem van de nationale veiligheid; de buitenlandse politiek is in wezen de behartiging van nationale belangen (idealen zijn veelal rationalisaties van die belangen); politiek en ethiek zijn twee gescheiden gebieden; de mens is van nature geneigd tot het kwade, maar is wèl rationeel; - de "balance of power" is het regulerende principe in de internationale betrekkingen (2). Nationale belangen Het is uiteraard onmogelijk om in dit artikel de "realistische school" in de 18

leer der internationale betrekkingen voldoende recht te doen, net zomin als de (vele) kritici ervan. Centrale gedachte in de opvattingen van prominente aanhangers van deze school is dat staatslieden denken en handelen in termen van nationale belangen, gedefinieerd als macht en dat zij op rationele wijze streven naar machtsmaximalisatie (3). Het oordeel over de realistische school is in het algemeen negatief. Zo heeft deze niet geleid tot een proces van kumulatieve kennisvorming en levert deze geen systematische bewijsvoering (4). Het kernbegrip "nationaal belang" levert grote problemen op (5) . Er is geen objektief aantoonbaar nationaal belang. Het is in essentie een politiek begrip (6). Van voorspelbaarheid of verklaarbaarheid van buitenlands beleid moeten wij dus niet teveel verwachten als wij willen denken in termen van nationaal belang. Met Rozemond zijn wij echter van mening dat, ondanks alle bezwaren, een dergelijk denken meer houvast in en struktuur aan het debat over buitenlandse politiek kan geven (7). Wij bespreken hieronder in het kort de wijze waarop Ro-

Door Drs. Hans de Hoog, algemeenekonoom en politicoloog en wetenschappelijk medewerker van de Prof. Mr. B.M. TeIdersstichting.

zemond meent dat met het begrip nationaal belang zinvol zou kunnen worden gewerkt. Rozemond stelt dat men bij het bepalen van een standpunt in het kader van het buitenlands beleid, zou kunnen pogen elk streven te herleiden tot één of meer nationale belangen, die zich veelal tot één van de volgende waarden laten herleiden: welvaart, veiligheid, zelfrespekt en rechtsvorming. De hierop gerichte aktiviteiten zijn onder de volgende vier rubrieken te rangschikken: - konkurrerend: die aktiviteiten die de wedijver om schaarse zaken als grondstoffen en orders betreffen, evenals het waken over multilaterale verdeelsleutels van baten en lasten en over de mate waarin de ontwikkelingssamenwerking dienstbaar kan worden gemaakt aan de eigen ekonomie; stabiliserend: defensiebijdragen als middel tegen overmoed en voor een zeker kollektief zelfrespekt, wapenbeheersing, internationale politietaken, ontwikkelingshulp en het via integratie en bilaterale kontakten voorkomen van onrust in andere landen; humanitair: selektieve aanwending van diplomatie en sankties gericht op naleving van mensenrechten en ontwikkelingshulp; normerend: aktiviteiten gericht op toepassing van gedragsregels en principes door het eigen voorbeeld, de getuigenis, het scheppen en handhaven van algemene voorschriften, de gelijke behandeling van gelijke gevallen, etc. Rozemond benadrukt dat ook een idealistische politiek in bovenstaande zin zeker een ruime plaats kan krijgen, omdat het debatteren in termen van Nederlandse belangen niet hoeft te geschieden met een specifieke of beperkte uitleg daarvan. Waar het om gaat is dat, indien wij ons streven expliciet herleiden tot (eigen) belangen, wij eerlijker, duidelijker en vruchtbaarder met elkaar kunnen diskussiëren, dan wanneer wij de buitenlandse ·politiek benaderen in veelal vrijblijvende termen als


daar tegenover, met name in de door hem besproken spanningen in de Nederlandse buitenlandse politiek (Il) . Hij is van mening dat de tradities en thema's die hij onderkent elkaar veeleer versterken dan strijd leveren "with the occasional exception of human rights policy" (16) . Daardoor werden eventuele strijdigheden vaak verhuld door de wederzijdse versterkingen.

"internationale solidariteit", "ontwik-

kelingshulp", "internationale vrijhandel", "wapenbroederschap" , etc. Door

middel van die herleiding worden wij gedwongen onze werkelijke opvatting over en bedoelingen met de door ons gewenste buitenlandse politiek te openbaren en daardoor onder andere veel explicieter onze grenzen te trekken aan ons eventuele altruïsme. Wat Rozemond noch wij met het bovenstaande willen beweren is, dat de huidige buitenlandse politiek te weinig of teveel rekening rou houden met onze welvaart, veiligheid, zelfrespekt enl of rechtsvorming. Dat is uiteindelijk een zaak voor een persoonlijke politieke opvatting. In het bovenstaande bepleiten wij uitsluitend een andere wijze van benaderen en diskussiëren dan veelal gebeurt (8). Dat is het verleden minder expliciet in termen van belangen is gesproken, heeft tot negatieve gevolgen geleid. Zo heeft Koole, in een vooronderzoek naar de ontwikkeling van de visies van politieke partijen op het Nederlands buitenlands beleid op basis van hun verkiezingsprogramma's, aan de hand van de indeling van Rozemond onder andere het volgende gekonstateerd (9). De partijen vermeldden in hun programma's niet of nauwelijks de mogelijkheid van met elkaar strijdige (nationale) belangen. Hierdoor werden de kiezers enkele expliciete fundamentele keuzes onthouden. De oriëntatieverschillen tussen de partijen kwamen overeen met het benadrukken van bepaalde belangen. Zo benadrukte de PvdA vooral de op zelfrespekt gerichte humanitaire aktiviteiten, de VVD vooral de op de veiligheid gerichte stabiliserende aktiviteiten en de KVP I CDA-programma's, met nogal "flexibele" teksten, eveneens de stabiliserende aktiviteiten, naast soms de humanitaire. Het is ons inziens ongewenst dat wèl zekere prioriteiten door partijen worden aangegeven, maar dat op de (gevolgen van) strijdigheid van prioritaire belangen met (iets) minder prioritaire niet wordt ingegaan.

"Stabiliserende aktiviteiten gericht op de veiligheid ".

Wending De lezer zal zich wellicht afvragen wat het voorgaande te maken heeft met de recente Taiwan-affaires. Wij hopen dat dit in paragraaf 3 duidelijk zal worden. In deze paragraaf hebben wij tot nu toe heel in het kort uiteengezet, welke ideeën de realistische school kenmerken, de kritiek op het daarin centrale begrip "nationale belangen", het pleidooi van Rozemond (waar wij ons bij aansloten) om het begrip toch te gebruiken in het diskussiëren over de buitenlandse politiek en de negatieve gevolgen van het niet expliciet spreken over de (strijdigheid van) belangen van Nederland door de politieke partijen. Wij zijn van mening dat er in het zéér recente verleden, ongeveer na het aan-

zou zijn van een "vanzelfsprekendheid" , dan rou het volgens ons, gelet op de enorme betekenis van de internationale ekonomische betrekkingen voor Nederland (11) en de (eventuele) strijdigheid hiervan met andere waarden, beter zijn indien er openlijker over gesproken rou worden. De andere mogelijke reden, het geringe wervende vermogen, moge politiek eventueel begrijpelijk zijn, maar het is de vraag of de politieke partijen daarmee de interesse van de kiezers voor dit on- treden van het "no-nonsense" kabinetderwerp, zeker in deze tijd, niet rouLubbers en tegelijk met het doorwerden onderschatten. Er kunnen nog an- ken van de ekonomische recessie, tedere redenen in het spel zijn. Zo kan kenen zijn aan te wijzen, waarvan de er ook van verwaarlozing van onze ek- Taiwan-zaak er één is, van wat met een groot woord "nieuw-rea/isme " in onomische betrekkingen sprake zijn de buitenlandse politiek van Nedergeweest. land genoemd rou kunnen worden. Bovenstaande onderzoeksresultaten van Koole worden door waarnemingen Het is nog veel te vroeg om van een van andere auteurs min of meer beves- "trend" te kunnen spreken en er zijn eveneens tekenen die op het tegendeel tigd. Het vermijden van het openlijk bespreken van de strijdigheid van belijken te wijzen. Onder "nieuw-realislangen komt neer op en is mogelijk me" verstaan wij: bereidheid om buimede oorzaak van hetgeen auteurs wel tenlands-politieke problemen expliciet een (door hen niet erg gunstig bevonin belangentermen te bespreken, op rationele wijze te argumenteren en een den) voorkeur in Nederland voor een "politiek met schone handen" noemen grote pre-occupatie met de nationale en de sterke ideologische lading van en veiligheid, binnen de voor ons gegeven "zendelingsdenken" in de buitenlandse "balance of power" van de supermachpolitiek (12). Tot voor kort, ro konkluten. Het " nieuwe" is rowel gelegen in deren wij, was de expliciete belangende hernieuwde aandacht voor een reabenadering van buitenlands-politieke listische benadering als om enige ruimte voor verschil met de realistische problemen gering. In de wetenschappelijke literatuur is school van de jaren vijftig te scheppen. Een ander negatief punt is dat, volgens men met betrekking tot de benadering Zo vinden wij dat de ethiek wel degeKoole, kwantitatief gezien (aantal revan (de strijdigheid van) belangen lijk in de politiek thuishoort en wel tot gels) de internationale ekonomische zorgvuldiger en explicieter geweest dan uiting komend in ons "zelfrespekt". betrekkingen als aparte vermelding nain de politiek, alhoewel enige verwarWij moeten er op wijzen, hopelijk ten genoeg in alle programma's ontbraken. ring niet geheel te vermijden bleek. Zo overvloede, dat een "realistische" opKoole stelt dat het op deze wijze negekonstateert Rozemond (13) dat in het tiek vanuit een klein land als Nederren van de bevordering van de ekonowerk van Voorhoeve (14) over de Neland iets anders is dan vanuit een sumische belangen van Nederland rou permacht, zij het dat de benaderingsderlandse buitenlandse politiek in de kunnen wijzen op een door alle partijlijst met beleidsthema's van na de wijze dezelfde kan zijn. Tweede Wereldoorlog, niet expliciet en ervaren vanzelfsprekendheid, of een Voor wat de nationale veiligheid bede vergaring van "goodwill" en "begering (of zelfs negatief) wervend vertreft kan verwezen worden naar de ramogen van dit thema in een verkiedrijfsorders" voorkomt. De eventuele kettendiskussie in ons land, waar velen zingskampagne of een kombinatie van belangenstrijd komt bij Voorhoeve elkaar reeds jarenlang met argumenten echter wèl ter sprake, zo stellen wij in relatie tot de nationale veiligheid in die twee (10). Indien er inderdaad sprake

19


ruime zin bestoken. Het is niet juist om alleen de tegenstanders, dan wel alleen de voorstanders van plaatsing van "irrationaliteit" of "cognitieve dissonantie" te beschuldigen. Niet altijd, maar wèl vaker wordt de diskussie op goed niveau gevoerd en dat is een winstpunt. Als "nieuw-realistische" tekenen zien wij verder bijvoorbeeld de uitgebreide diskussie over het beleid van de ontwikkelingssamenwerking (meer aandacht voor onze ekonomische belangen, naast zelfrespekt ), de Europese integratie (minder Europese bevlogenheid, meer nuchtere analyse van o.a. financiële voor- en nadelen), de samenwerking op het gebied van de w~­ penproduktie (geen carte-blanche voor de VS, maar kompensatie), de inschakeling van het Nederlandse diplomatieke apparaat bij het bevorderen van onze ekonomische belangen, de aanstelling van een "minister" (alleen in het buitenland!?) voor de ekonomische betrekkingen en de reizen van vele politieke delegaties naar Moskou, Centraal-Amerika en andere voor ons "gevoelige" politieke gebieden (de bereidheid om van argumenten van andersdenkenden nuchter kennis te nemen). Wij koncentreren ons nu op de Taiwan-zaken als een case-study van het "nieuw-realisme" .

3. Een case-study van het "nieuw-realisme": de beide China's Wij zullen, gelet op het karakter van ons artikel, uitsluitend die (meer algemene) aspekten van de twee vrijwel identieke Taiwan-zaken behandelen, die wij van belang achten voor dit artikel. Dat wij bij die keuze niet alle belangrijke facetten kunnen behandelen, is helaas onvermijdelijk. Ten eerste konstateren wij in de Taiwan-affaires van 1980-1981 en 19831984, dat er in de diskussies nauwelijks gewezen is op eventueel noodzakelijke humanitaire aktiviteiten ten behoeve van ons zelfrespekt. De mensenrechtenkwesties in China en Taiwan, toch niet bepaald schoolvoorbeelden van landen die de mensenrechten in alle opzichten eerbiedigen (zeker China niet, maar ook Taiwan is volgens Amnesty International niet brandschoon ( 11) zijn nauwelijks ter sprake gekomen. Politiek en ethiek bleken voor Nederlandse begrippen opmerkelijk goed te scheiden te zijn. Een etische kanttekening werd, hoewel zeer voor de hand liggend, slechts een enkele keer gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van de eventuele gedwongen inlijving van Taiwan door China (18). 20

Ten tweede speelde het belang van onze nationale veiligheid ook geen rol van betekenis. Wat betreft de positie van de VS, als "leider van de Westerse wereld", heeft nog wel een enkele keer meegespeeld de overweging dat wij de VS zouden moeteen konsulteren om hun opvattingen in de zaak. Vreemd is dat niet, aangezien de VS grote moeite hebben met hun "twee-China 's"-politiek. Naast de stand van zaken in de driehoeksrelatie USSR -China-VS en de binnenlandse-politieke situatie in China en de VS, is de Taiwan-kwestie één van de bepalende faktoren voor de relatie tussen de VS en het voor de internationale politieke situatie en de nationale veiligheid van de VS van toenemend belang zijnde China (1 9) . In dat licht bezien is konsultatie door Nederland van de VS niet zo vreemd, omdat Nederland de VS niet onnodig voor de voeten dient te lopen. De eerste keer in 1980-1981 heeft konsultatie plaatsgevonden en is daarvan vertrouwelijke mededelingen gedaan aan de betrokken Kamerkommissies. Of tijdens de tweede keer konsultatie heeft plaatsgevonden en zo ja, wat dat heeft opgeleverd, is ons niet bekend. Evenmin kunnen wij nagaan of China tijdens de eerste Taiwan-affaire in 1980-1981 Nederland "gebruikt" heeft om de VS (met de pro-Taiwanese verkiezingskampagne van Reagan net achter de rug en de mogelijke leverantie van F-16's aan China) duidelijk te maken dat leveranties van wapens aan Taiwan niet zonder meer geduld zouden worden, zelfs niet van de kant van de VS (20). Ten derde hebben eventuele normerende aktiviteiten gericht op de internationale rechtsvorming, beide keren wèl een rol gespeeld: Wij zullen de opvattingen van enkele juristen die zich met de zaak hebben bezig gehouden, de revue laten passeren. Daarbij dient men bij de begrippen "volkenrecht" en "internationale rechtsorde" te beseffen, dat het eerste een onderdeel is van het tweede. Indien strijd met het volkenrecht wordt gekonstateerd, dan is ook strijd met de internationale rechtsorde aanwezig. Andersom is dat niet het geval. Ten tijde van de eerste Taiwan-affaire konldudeerde Kooijmans: " ... dat Nederland het volkenrecht dan wellicht niet geschonden heeft, maar dat het ook bepaald geen bijdrage tot de versterking ervan heeft geleverd" (21) . En verder vroeg hij zich af of de regering in strijd handelde met de door de Grondwet gegeven opdracht, de internationale rechtsorde te bevorderen. In dit geval door eventueel de vreedzame beslechting van geschillen in de weg te staan door de le-

verantie van militair materieel in een (potentieel) gevoelig gebied. Nu menen wij te mogen stellen dat dit alleen een rëel argument is in samenhang met de eerder besproken VS-politiek van China. Immers, de onderzeeboten van de kant van Nederland all één zullen de Chinese politiek niet bedreigen. Echter, in kombinatie met de omvangrijke wapenleveranties van de VS wordt dit een geheel andere zaak. Soevereiniteit Voor de Chinezen was de zaak uiteraard duidelijk genoeg. Volgens het Volksdagblad van 20 januari 1981 heet het: "... If a country can infringe the norms governing international relations at wil/ and impair the sovereignty of another country. .. , it is irrelevant for it to talk of international agreement and norms"(22): China vond (en vindt) dat er sprake was van schending van het volkenrecht door de schending van zijn soevereiniteit. Volgens Post, naar aanleiding van de tweede zaak in 1983, is die schending inderdaad aanwezig (23). Er is ook volgens hem sprake van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van China en schending van de Chinese soevereiniteit, op grond van de erkenning door Nederland (bij monde van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 29-1-1981) dat Nederland slechts één China erkent, dat ook het eiland Taiwan omvat en waarvan de regering in Peking zetelt. Wassenbergh is het met dit standpunt niet eens (24). Hij is van mening dat China niet daadwerkelijk de soevereiniteit uitoefent over Taiwan, dat Nederland in het kommuniqué van 1972 slechts het standpunt van China ten aanzien van Taiwan "respekteerde", dat Nederland het onafhankelijk bestaan van Taiwan niet mag en kan ontkennen alleen omdat China dit eist en dat Nederland, gelet op het voorgaande, geen internationale regels overtreedt. Wij konkluderen dat de Taiwan-zaken Nederland voor juridische problemen hebben gesteld. Ook in de VS is dit het geval geweest rondom de totstand koming van de "Taiwan Relations Act" van 1981 ("). Men heeft in de VS een pragmatische oplossing gezocht in de richting van de wederzijds gewenste politieke uitkomst. Dit heeft, zoals wij weten, niet tot gevolg gehad dat de VS geen wapens meer leveren. Het is voor ons onmogelijk uit te maken of het al dan niet toezeggen van een exportvergunning al dan niet in strijd is met de behartiging van het Nederlandse belang van bevordering van de rechtsvorming. Welke gedragsre-


gels, principes en algemene voorschriften hier toegepast dienen te worden, is immers niet voor één uitleg vatbaar. De officiële motivatie van de kabinetsbeslissing in de tweede Taiwan-affaire van 21 december 1983 is vooral interessant in het kader van de door ons in het bovenstaande besproken diskussie over de behartiging van het Nederlandse belang van rechtsvorming door normerende aktiviteiten (26). In deze beslissing hebben alle genoemde gronden te maken met die normerende aktiviteiten. Omdat er ook andere belangen op het spel stonden, zoals nog zal blijken, laadt het kabinet de verdenking op zich een expliciete totale belangenafWeging om welke reden dan ook uit de weg te zijn gegaan. Het kabinet voert drie algemene gronden aan om te benadrukken dat, indien het exportvergunningen zou toezeggen, het Nederlandse belang van rechtsvorming zou schaden. Ten eerste, afbreuk aan de in de betrekkingen met andere landen essentiële voorspelbaarheid van het Nederlandse beleid, gelet op de bij China gewekte verwachting dat het in 1981 om een éénmalige zaak ging. Ten tweede, strijd met de internationale rechtsorde wegens a. ernstige inbreuk op de nOf)Ilale betrekkingen met een land dat in de wereld een zeer voorname plaats inneemt en dat toezeggingen van vergunningen als een woordbreuk zou opvatten, en b. het verhinderen van de vreedzame oplossing van het bestaande konflikt tussen China en Taiwan. Ten derde, het afwijken van de internationale konsensus die zich sedert eind 1980 aftekent, om geen wapenexport naar Taiwan meer toe te staan dan wel deze geleidelijk af te bouwen. Het is onmogelijk om in het bestek van dit artikel deze algemene gronden uitvoerig te bespreken. Twee opmerkingen lijken ons hierover wel noodzakelijk in het kader van dit artikel. Ten eerste laat de interpretatie van volkenrecht en internationale rechtsorde (te) veel ruimte voor de beantwoording van de vraag, welke normerende aktiviteiten in het belang van Nederland zijn, dan wel daarmee in strijd zijn. Het kabinet heeft die ruimte gebruikt om zijn interpretatie te geven en dat is niet alleen zijn goed recht, maar ook zijn taak. Ten tweede heeft het kabinet blijkbaar veel belang gehecht aan de voorspelbaarheid van zijn buitenlandse beleid en de internationale konsensus. Het kabinet heeft ons inziens een verdedigbaar standpunt ten aanzien van de door het kabinet noodzakelijk geachte normerende ativiteiten ingenomen. Een "verdedigbaar" standpunt betekent niet dat dit niet aanvechtbaar

zou zijn. Zoals wij hebben laten zien, is dit o.a. juridisch zeer wel mogelijk (27). Rozemond merkt over de normerende aktiviteiten op, dat wil het normeren tot zijn recht komen dit niet vertroebeld mag worden "door bijmenging met de drie overige soorten van belangenbehartiging" (28). Het lijkt op grond van de kabinetsbeslissing van 21 december 1983 alsof het kabinet deze waarschuwing goed in zijn oren geknoopt heeft. Uit de officiële beslissing blijkt niets van een expliciete afweging van het belang van rechtsvorming met het vierde belang waar wij vervolgens over willen spreken, de we/vaart. Dat die afweging niet zou hebben plaatsgevonden is hoogst onwaarschijnlijk, gelet op bijvoorbeeld de diplomatieke missies die naar China en Taiwan zijn gestuurd om onder andere te kijken welke handelsmogelijkheden er waren. Alhoewel wij het met Rozemond eens zijn dat het memoreren het best tot uiting komt zonder "bijmenging", is nu juist de essentie van een belangenbenadering dat rekening gehouden wordt met de politieke onontkoombaarheid dat " bijmenging" vrijwel altijd plaatsvindt, dat daar expliciet over gesproken wordt en dat er dan afgewogen dient te worden. Zijn opmerking over de onwenselijkheid van "bijmenging" staat dus op enigszins gespannen voet met de rest van zijn betoog.

Informatie In paragraaf 2 hebben wij gesteld dat men pas van "nieuw· realisme" kan spreken indien men ook bereid is om op rationele wijze te argumenteren. Wij hebben het begrip "rationeel" niet verder uitgewerkt, omdat men dit begrip uiteenlopend interpreteert. Eén voorwaarde voor een "rationele" be-

slissing blijkt in vrijwel iedere omschrijving een rol te spelen. Dat is de (noodzakelijke) voorwaarde dat de beslissing wordt genomen op basis van zoveel mogelijk en tegen niet al te hoge kosten verkrijgbare informatie. Iemand die bepaalde bereikbare en niet te kostbare informatie braak laat liggen, loopt de kans voorzienbare fouten te maken en een beslissing te nemen die hij achteraf betreurt. In de Taiwanaffaires heeft het informatie-element niet voor grote problemen gezorgd ten aanzien van ons belang bij de rechtsvorming (en nog veel minder bij onze veiligheid en zelfrespekt). Veel gevolgen van bepaalde stappen waren vooraf bekend en de internationaal-politieke situatie was helder. Ten aanzien van de ekonomische belangen was er echter sprake van een groot informatie-tekort, dat redelijkerwijs niet opgeheven kon worden door meer stappen te ondernemen dat het kabinet heeft gedaan. Dit geldt vooral voor de tweede affaire. Op grond dáárvan kan de kabinetsbeslissing zeker in die zaak niet

De verstoorde relatie tussen Nederland en de Volksrepubliek China (tekening l os Collignon).

21


op voorhand "irrationeel" genoemd worden. Dat zegt nog niets over de feitelijke verwerking van de te vergaren informatie in vooral de afweging van de op het spel staande ekonomische belangen. Daaraan besteden wij hieronder in het kort aandach t. Alvorens een dergelijke afweging mogelijk is dient er dus informatie vergaard te worden. Wij hebben reeds aan de missies Wijnaendts en Dik tijdens de zaak van 1983 gerefereerd, waarvan de laatste met (financieel) omvangrijke ordertoezeggingen van de kant van Taiwan terugkwam. Gelet op de geschiedenis van de eerste affaire twijfelen sommigen aan de realisering van de civiele orders. Bovendien kan men zich afvragen of Taiwan die civiele orders, indien gerealiseerd, zonder onderzeeboten ook niet zou hebben geplaatst. Zeer duidelijk was echter dat Taiwan meer in positieve zin te bieden had dan China, althans op de korte termijn (29) . Wat de afweging verder bemoeilijkte, was de inschatting van de grootte van de Chinese ekonomische sankties op korte termijn ten opzichte van de Taiwanese toezeggingen, indien de levering zou doorgaan. Een daaromtrent verschenen studie laat zien hoe moeilijk die inschatting is, gelet op de kansen die men aanwezig acht op het optreden van verschillende effekten en de gewichten die men aan de positieve en negatieve effekten zou willen toekennen. De betreffende studie laat zien dat de korte termijn negatieve en positieve effekten ("met grote zekerheid en direkt optredende effekten") elkaar wat betreft het aantal manjaren werk over een periode van zes jaar redelijk in evenwicht zouden kunnen houden (30). Over de lange termijn valt niets konkreets te melden, maar dat geldt voor zowel China als Taiwan. China is een potentieel veel grotere markt en Nederland lijkt meer exportkansen dáár dan in Taiwan te hebben (3 1). Tenslotte is het ten aanzien van de (ekonomische) belangenbehartiging interessant iets te zeggen over het fenomeen "lobby", hier in de betekenis van belangenbehartiging door belanghebbenden. Omdat in de Taiwan-affaires vele uiteenlopende zakelijke belangen op het spel stonden, is de veronderstelling gewettigd dat de totale afweging van de ekonomische belangen, indien plaatsgevonden en voor zover mogelijk, mede de resultante is geweest van het lobbyen van bedrijven met één of meer belangen bij de zaak. Voorhoeve zegt over het verschijnsel "lobbying": "There is no formallobbying" en "lt appears from some rese22

arch that interventions by business circles and other economic interest groups are neither frequent nor very effective" (32). Of de interventies in de Taiwan-zaken niet "frequent" zijn geweest, wagen wij te betwijfelen. Nader onderzoek zou dat kunnen uitmaken, indien een ieder (kamerleden, ministers, ambtenaren, bedrijven, etc.) opening van zaken zou willen geven. Dat in dit geval bepaalde tegengestelde lobbies de beleidsruimte van het kabinet niet aantastten lijkt waarschijnlijk, zodat niet van één effektieve lobby gesproken kan worden (33) . Omdat bovendien een belangrijk deel van de betrokken bedrijven in beide China's belangen heeft, werd er van die kant slechts een begrijpelijk stilzwijgen waargenomen. Het verschijnsel "lobby" dient als een volstrekt respektabele zaak gezien te worden en is in het kader van een "realistische" benadering van de buitenlandse politiek zelfs wenselijk. Immers, door middel van het lobbyen worden "decision-makers" zonder veel moeite van de belangrijkste op het spel staande (ekonomische) belangen op de hoogte gebracht. Uiteraard dienen politici zelf te zorgen voor een optimale regulering van de informatiestroom en voor een evenwichtige beeldvorming. De totale afweging van alle belangen is een politieke kwesttie. Alhoewel dat uit de officiële kabinetsbeslissing van 21 december 1983 niet blijkt, is het waarschijnlijk dat het kabinet tijdens de tweede Taiwan-zaak een "realistische", met alle belangen rekening houdende en rationele beslissing heen genomen, in de zin die wij daaraan in de loop van dit artikel hebben toegekend. Door het feit dat het kabinet niet expliciet een totale belangenafweging in een officiële beslissing heeft neergelegd, laadt het kabinet (onnodig, maar terecht) de verdenking op zich een onvolledige, en mede daardoor voor betrokkenen weinig voldoening gevende, beslissing te hebben genomen. Die verdenking was ten tijde van de eerste Taiwan-affaire vermoedelijk nog veel sterker (34). Het voeren van een open en zakelijke diskussie in belangentermen had wellicht een enorme kater bij velen kunnen voorkomen en het kabinet meer tot politieke eer gestrekt. Een punt waar wij tenslotte op willen wijzen, is de vraag of het kabinet beide affaires op een "Iow-key"basis (wèl een totale belangenafweging, maar in beperkte politieke kring) had kunnen behandelen, waardoor China zich niet beledigd of in zijn belangen geschaad had hoeven te voelen en de onderzeeboten toch geleverd hadden kunnen

worden. Na de weinig diplomatieke stunt van Brinkhorst, die de eerste affaire in het volle politieke daglicht gooide, was daardoor in ieder geval de toon voor de tweede keer gezet. Toch blijft de vraag of China zonder de escapades van Brinkhorst en. de daaropvolgende slopende politieke debatten, de leverantie de eerste en eventueel tweede keer zou hebben geslikt. Gelet op wat wij over de relatie VS-China hebben gezegd rond begin 1981 en de mogelijke internationale konsensus over niet (meer) leveren nu, is het mogelijk dat ook in dàt geval China Nederland hard zou hebben aangepakt.

4. Afrondende opmerkingen Tenslotte willen wij een klein aantal afrondende en samenvattende opmerkingen maken. Wij vermijden liever het woord "konklusies" omdat dit wellicht een te harde en algemene stellingname suggereert. Dit artikel kent teveel open plekken, heeft teveel een exploratief karakter, waarbij de waarde van de benadering van de "realistische school" (wederom) ter diskussie is gesteld. Wij hebben niet de pretentie over die waarde het laatste woord te hebben gesproken, noch over de als case-study behandelde Taiwan-zaken. a. Aan de hand van onze beschouwingen menen wij inderdaad in het algemeen te mogen pleiten voor een expliciete, volledige belangenbenadering bij buitenlandspolitieke beslissingen, tenzij zeer zwaar wegende omstandigheden zich daartegen verzetten. Onze case-study laat zien dat "het" integrale nationale belang uiteindelijk politiek bepaald wordt, maar dat aan de daaraan voorafgaande diskussie meer struktuur kan worden gegeven en dat men met goede argumenten dient te redetwisten. b. Er lijken tekenen te bestaan die wijzen op een door ons omschreven "nieuw-realistische" buitenlandse politiek. Ook de Taiwanaffaires zijn door vele deelnemers aan de diskussies van alle (belangen-)kanten bekeken en er is op tamelijk rationele wijze gediskussieerd. Het kabinet echter heeft in beide affaires, met tegengestelde beslissingen in vrijwel identieke gevallen, een minder "nieuw .. realistische" kijk aan ons geopenbaard. Op grond van hetgeen wij onder a. hebben gesteld, zouden wij ervoor willen pleiten dat ook het kabinet blijk geeft in staat te zijn een volledige afweging te maken. Zeker in die gevallen waarin


de diskussie reeds volledig in de openbaarheid wordt gevoerd. c. Wat betreft de Taiwan-zaken zelf hebben wij geen definitief oordeel willen geven over de kabinetsbeslissingen in beide zaken. Dat past volgens ons minder in het kader van dit artikel. De lezer zal dat oordeel vermoedelijk zelf wel kunnen vellen. De nadruk in on7e beschouwing viel iets sterker op de tweede Taiwan-zaak. Dienaangaande kan worden gesteld dat, gelet op de uiteenlopende mogelijkheden om onze belangen van rechtsvorming en welvaart te behartigen dan wel niet te schaden, het kabinet een weliswaar verdedigbare, maar geen onaanvechtbare beslissing heeft genomen. De beslissing om wél een exportvergunning toe te zeggen, net als de eer.;te keer, zou een op goede gronden verdedigbare politieke beslissing zijn geweest. In dat geval zou de beslissing net zo goed " realistisch" genoemd kunnen worden.

Noten: 1. S. Rozemond (red.), Het woord is aan Nederland. T hema's va n Buitenlands Be· leid in de jaren 1966-1983, Clingendaelreeks, deel 1, 's-Gravenhage, 1983. pp. 8

en 9. 2. A. van Staden, Theorieën van Internationale Betrekkingen, syllabus R.U. Leiden, 1975- 1976, p. 6. 3. Zie vooral: HJ . Morgenthau, Polities among Nalions, 1948 (Ie druk). 4. A. van Staden, op. cit. , p. 6. S. Zie recent: S. Rozemond, "Buitenlandse politiek en Nederlands belang" in: Acta Politica, jaargang xvm, nr. 1, januari 1983, p. II e.v. Verder als S. Rozemond, op. eil. 6. F.A. Sondennann, Thc Concept of thc Nationallnterest, in: Orbis, A journalof World Affian, vol. 21 , no. I (Spring 1977); p. 132: "The term nationa! interest is political in nature". 7. S. Rozemond, op. cit., p. 31. 8. Idem. Rozcmond signaleerde ten aanzien van de huidige wijze van diskussiëren dat a) de tenn " Nederlands belang" spaarzaam in publieke diskussies wordt gebruikt, b) de eigen Nederlandse gezichtshoek soms nauwelijks van die van "het" internationale belang wordt onderscheiden, c) de vanuit onze Nederlandse politiek beleden principes toch al veelvuldig door buitenlanders worden opgevat als een slu ier voor onze direkte belangenbehartiging en

d) bij menigeen die debatten over buitenlands be leid volgt de vraag opkomt, waar men het over heeft indien niet over een onbegrensd altruïsme enerzijds en de zorg voor goodwill als een doel in zichzelf anderzijds. 9. R.Ä. Koole, "Partijprogramma's en Buitenlands Beleid 1946- t 981" in: Jaarboek 1982, Dokumentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen , Groningen, 1983, pp . 161-196. 10. Idem, p. 175 . 11 . Nederland is één van de meest open ekonomieen ter wereld en er is bijna geen land ter wereld waa r Nederland geen zaken mee doet. 12. Zie bijvoorbeeld P.R. Baehr, "Democracy and foreign poliey in the Netherlands" in: Acta Politica, jaargang XVIII , nr. I, januari 1983, p. 53 en de daar door hem genoemde auteurs. 13. S. Rozemond , op. cit., p. 18. 14. J.J.c. Voorhoeve, Peate, Profits and Printipies, Martinus Nijhoff, Den Haag enz., 1979, p. 297. 15. Idem, p. 296 e.v. 16. Idem, p. 300. 17. Zie: Amnesty Inlernational Report 1983, pp.234-236. 18. Zie bijvoorbeeld E. Nijpels, 'Tegenstanders Taiwanese order hebben geen goede argumenten in: NRC·Ha ndelsblad. 12 januari 1984 . . 19. M. Oksenbcrg, ., A decade of Sino-American Relations" in: Foreign A ffai rs. Vol. 61 , no. I , Fall1982 , p. 175 . Ook p. 195: "Nonethc1ess, the two sides do have confliets of interests, particularly over Taiwan " en " ... constructive Sino-American reJations have become essential ingredients to the national security of both sides". 20. Idem , pp. 191-194. Van de zomer 1980 tot de zomer 1982 werd de relatie tussen China en de VS o.a. ernstig verstoord door mogelijke leverantie door de VS aan Taiwan van geavanceerde vliegtuigen. De pro-Taiwanese Reagan zag zich in augustus 1982 gedwongen een gezamenlijk kommuniqué met China uit te geven, waarin O.a. de VS zich beperkingen opleggen t.a.v. de wapenleveranties aan Taiwan . AI eerder besloten de VS niet de F-16 maar een oudere versie (de F-5E) te leveren aan Taiwan in co-produktie. 2t. P.H. Kooijmans, "Peking is terecht kwaad", in: NRC·Handelsblad, 8 december 1980. 22, lnrorma1ion Bulletin, no. 2, January 30, 1981. 22. H .H. G. Post , "Taiwan" in : NRC·lIandels· blad, 21 november 1983. 24. G.A. Wassenbcrgh , "Taiwan is een klant en ook China kan duikboten kopen" in: NRCHandelsblad, 8 november 1983. 25. J.K. Javits, ''Congress and Foreign Relations: The Taiwan Relations Act" in: Foreign Affiars, vol. 60, no. I, FaU 1981 , pp. 57 en 58. "Tradit ional internationallaw on questions of sovereignty and recognition is in many ways a relic of past centuries, ... The law is often too Jimited and inflexibie to accomodate the range of different state and non-state entities that today make up the world community". 26. Brief van de Minister van Ekonomische Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer, d.d. 21 december 1983. Nr. 183/ 15015. 27. De werf Wilton-Fijenoord heeft dan ook een procedure aangespannen tegen de staat. De werf vocht de kabinetsbeslissing, om geen exportvergunning toe te zeggen, aan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. De werf heeft van dit College, dat op 28 maart j.l. uitspraak deed, echter op gecn enkel punt gelijk gekregen, Volks·

krant. 29 maart 1984. 28. S. Rozemond, op. cit., p. 30. 29. Dat blijkt uit de rapportages van de heren Dik en Wijnaendts, sa mengevat in brieven van de ministers van Ekonomische en Buitenlandse Zaken, d.d. 27 december 1983 aan de Tweede Kamer. 30. H.T. Specker en G.R. de Wit, Verge lijkende analyse van de ekonomische relaties l'Sn Nederland mei China en Taiwan. NEl-studie , Rotterdam , 16 december 1983. pp. 24 en 25. Het onderzoek van het NEl is wel aangevochten door de werf Wilton-Fijenoord, NRC-J-Iandelsblad. 28 december 1983. 31. Een langere termijnverkenning van de handelsmogelijkheden van Ncderland met China laat zien dat in de sfeer van de ko nsumpticartikelen niet veel. maar in de sfecr van overd racht van tcchnologie, kapitaal en kn ow- how (landbouw o.a.) wèl vcel zaken voor Nederland te doen zullen kunnen zijn. Deze goede export kansen zijn volgens de auteurs (veel) groter dan de kansen voor export naar Taiwan . Zie: M. Kovzec en T. Saick, "China of Taiwan : een Nederlands Dilemma" in: Intermedia ir, 1ge jaargang, nr. 47 , 25 november 1983. Volgens R. Kreuzer in het Ulrechts Nieuwsblad van 19 november 1983 lijkt ook Japan te gokken op China bóven Taiwan . 32. J.J.c. Voorhocve, o p. cit., pp. 87 en 88. 33. Zie hierover bijvoorbeeld: H. Mulder, "Waarom de Taiwan-lobby schipbreuk moest lijdcn ", in: Het Financieele Dagblad, 24 januari 1983. p. 11. 34. Heldring was in 198 1 van mcning dat "cen kosten-batenanalyse waarin medc de puur politieke overwegi ngen zijn opgenomen, nict is gemaakt. (Dit laat nog onvcrlet dc vraag of de puur ekonomische analyse die is gemaakt, een analyse was die ook met dc lange termijneffekten heeft rekening gehouden)" . J .L. Heldring, "Chinoiserieën in een opéra bouffc", in: NRC· Handelsblad , 27 januari t 981.

23


Interview met Bram Peper:

"Chinezen zijn mensen die betalen!" Handel met de Volksrepubliek China is geen luchtkasteel In het najaar van 1983 reisde een Rotterdamse delegatie onder leiding van burgemeester Peper naar China, om op uitnodiging van Sjanghai een bezoek te brengen aan deze zuster-havenstad. Dat was, gezien de op dat moment slechte betrekkingen tussen Nederland en de Volksrepubliek, geen onbelang-rijk gebeuren. Vooral niet omdat de diskussie over een eventuele tweede levering van onderzeeboten aan Taiwan op het punt stond los te barsten, waar de Rotterdamse delegatie op het moment van haar reis onkundig mee was. Uiteindelijk besloot de Nederlandse regering in december om voor die order geen exportvergunning af te geven, waarna de weg vrij was voor een verbetering van de betrekkingen tussen Nederland en China. Burgemeester Peper sprak met ons over samenstelling en aard van zijn missie, de tweede Taiwanorder en handelsmogelijkheden van Nederland in China. De gemeente Sjanghai had zusterstad Rotterdam volgens Peper al eind 1982 uitgenodigd voor een bezoek. Het zou voornamelijk gaan om de versteviging van de bestuurlijke kontakten, het was dus in de eerste plaats een bestuurlijke missie. Burgemeester Peper pleegt echter zijn missie naar het buitenland als het even kan te kombineren met de ekonomische belangen van zijn stad. Er bestond voor deze reis grote belangstelling van de zijde van het bedrijfsleven, zodat een gemengde delegatie werd samengesteld met zeven Rotterdamse zakenlieden en vijf mensen van de zijde van het gemeentebestuur, vergezeld van twee journalisten. Dit alles in goed overleg met de Chinese gastheren, die tegen de aanwezigheid van het bedrijfsleven niet het minste bezwaar hadden.

Groen licht In de periode van eind 1982 tot aan het bezoek (van 14 tot 25 oktober 1983) werd geleidelijk duidelijk dat de Chinezen veel waarde hechtten aan de uitnodiging. Zo bleek dat de reis in Peking zou beginnen, daarna Nanking bezocht zou worden, vervolgens pas Sjanghai en tenslotte Kanton. Het werd méér dan alleen een bezoek aan een zusterstad. "Met andere woorden: Ons bezoek heeft duidelijk ook nadrukkelijk het groene licht gekregen van Peking. Het is qua inhoud ook een regeringsbezoek geweest, een regeringsbezoek én een bezoek aan onze zusterstad. Gelet op de grote politieke, ekonomische en kulturele betekenis van Sjanghai in China moeten ze

24

Door Govert-Jan Bijl de Vroe, Pieter de Baan

dat met elkaar goed hebben afgestemd".

In september, een maand voor de missie, was de Rotterdamse wethouder van Sport en Rekreatie al in Sjanghai geweest. Aan hem werd toen een koncept-memorandum overhandigd, waarin voorstellen stonden over de versterking van de relatie tussen Rotterdam en Sjanghai voor 1984 en ook volgende jaren. De officiële verbinding tussen de beide havensteden dateert al van 1978. In 1980 kwam de kwestie van de levering van twee onderzeeboten aan Taiwan. "Toen die zaak speelde, heeft Rotterdam in een brief aan de Tweede Kamer gezegd: 'Wij zouden het (om allerlei redenen, die in die brief zijn terug te vinden) onverstandig vinden wanneer de Kamer zou beslissen tot levering van oorlogsmateriaal aan Taiwan '. Dat signaal is heel goed begrepen in China".

De Nederlandse regering ging met levering aan Taiwan akkoord, zodat de band Rotterdam-Sjanghai de belangrijkste schakel werd tussen de twee landen. Voor het overige was de relatie namelijk flink bekoeld. De diplomatieke betrekkingen werden verlaagd tot het niveau van zaakgelastigden. Na afloop van zijn missie heeft Peper, meer dan ervóór, de uitnodiging geïnterpreteerd als een teken van de zijde van de Chinese regering dat die relatie erg op prijs werd gesteld, en dat die relatie ook mogelijk kon worden benut om een boodschap over te brengen.

"Met alle respekt, maar de burgemeester van Rotterdam is natuurlijk niet iemand die helemaal zonder politieke duiding is, met andere woorden als je in een bekoelde relatie heel nadrukkelijk de burgemeester van Rotterdam gaat uitnodigen, dan doe je ook aan politiek ".

Vuiltje Peper wil zeer nadrukkelijk stellen dat hij tijdens zijn bezoek nog niets wist van een eventuele tweede levering van onderzeeboten aan Taiwan. Zijn hele delegatie was hier onkundig van, "en daar zaten toch erkende China-gangers bij". Of de Chinezen zelf wat wisten, weet hij niet, "maar die uitnodiging is al heel lang vóór deze affaire uitgegaan. Dus een relatie leggen tussen beide, daar heb ik geen enkel bewijsmateriaal voor kunnen vinden".

De Rotterdamse delegatie werd wel op subtiele wijze duidelijk gemaakt dat China de relatie met Nederland wilde verbeteren, maar dat er nog wel een


vuiltje lag. Daarmee doelden ze op de 'SO-affaire. Peper had bij vertrek uit China het idee: "Ze wil/en toch via deze Rotterdamse missie aan Nederland duidelijk maken dat het beter moet worden. Maar ik heb ook tegen die Chinezen gezegd: 'Die boten moeten wel worden afgebouwd natuurlijk'. En alleen bij wijze van diskussie hebben we wel eens binnen mijn delegatie gezegd: 'Afleveren die zaak en dan ook nooit meer. Dat heeft toch een deuk gegeven in de relatie '. "

Pas in Hongkong hoorde Peper tot zijn grote verbazing dat er sprake was van een tweede levering van onderzeeboten aan Taiwan.

Ze weten alles Wanneer die levering was doorgegaan, hadden de Chinezen Nederland kompleet geblokkeert, zegt Peper zonder enige aarzeling. "Dat had niet alleen Rotterdam getroffen, dat had ook Philips getroffen, Unilever ... Je kunt het dan wel Battery Company Hongkong noemen, maar - ze welen

alles

hoor!" Wat Rotterdam betreft, zou dat bijvoorbeeld betekend hebben dat de Rotterdamse hulp bij tunnelbouw onder de Huang-po rivier in Sjanghai niet was doorgegaan. De overslag van Chinese lading in Rotterdam was verloren gegaan. Rotterdam krijgt nu ongeveer tweehonderd Chinese schepen per jaar, en de pier waaraan ze afmeren wordt wel de "Rode Pier" genoemd. Een centraal geleide ekonomie als die van de Volksrepubliek kan die schepen direkt ergens anders heen sturen. "Daar zitten geen partikulieren tussendoor te fietsen die eigen wijs zijn, nee. A I die schepen, met alles wat eromheen hangt aan handel en bewerking kan je dus geheel afschrijven. En je hoefIje niet te laten wijsmaken dat ze zich voor een tweede keer een dergelijke behandeling laten welgevallen ".

Dat maakt handel tussen Nederland en Taiwan niet onmogelijk, maar het zal dan moeten gaan om civiele leveringen. De Chinezen zijn daar niet ent-

housiast over, maar ze weten ervan en spreken er niet over. Peper noemt nog eens het voorbeeld dat hij eerder al in de Haagse Post gebruikt heeft: Als Texel zich van ons had afgescheiden, hoe zouden wij het dan vinden als dat eiland wapens kreeg? (I)

Een Fifty-fifty verhouding

Handel en diplomatie

Nu bestaat ook de opvatting, dat de handel tussen Nederland en China te verwaarlozen is vergeleken met die tussen Nederland en Taiwan. Peper heeft vlak na zijn terugkomst een studie laten maken door een onafhankelijk instituut, het Nederlands Ekonomisch Instituut, over de Nederlandse handel met Taiwan en China. Dat verscheen vlak voor het Kamerdebat in december over de tweede aflevering.

Dat betekent niet, dat we dan maar op de toekomst moeten gaan zitten wachten. Peper ziet nu al een groeiende handelsaktiviteit in de richting van de Volksrepubliek. "Je zit niet in de lucht te bouwen. Het zijn mensen die betalen, er wordt wel handel gedreven! Iedereen is daar zeer over te spreken. Japan verhandelt voor miljarden met China, Amerika doet dat, de Fransen en Engelsen zitten er. Je ziet ze op de Kanton Fair, op de Marine Technology Fair in Sjanghai, waar ik geweest ben; die mensen zitten daar echt niet alleen omdat ze de Chinezen zulke aardige mensen vin den".

"We hebben vrij sI/el rapportage ge vraagd, omdat je hier in die diskussie belandde. Het is in een week of vier gemaakt".

Uit het rapport blijkt volgens Peper dat in de huidige situatie sprake is van een fifty-fifty verhouding. Ekonomisch gezien is voor Nederland de betekenis van China en Taiwan momenteel gelijk. Wanneer de Taiwan-lobby stelt dat de handel met de Volksrepubliek niets voorstelt, is dat volgens Peper dus onjuist. Peper stelt dat de levering alleen al op grond van buitenlands-politieke overwegingen kan worden afgekeurd. Maar voor de direkt betrokkenen geldt die overweging niet. "Die zeggen terecht: er moet brood op de plank komen ".

Takt blijft echter geboden. De missie die onder leiding van VNO-voorzitter van Veen binnenkort naar China gaat noemt Peper dan ook in de eerste plaats een "bekijk-missie". Voor verbetering van de handel is het belangrijk dat de diplomatieke betrekkingen weer op het oude niveau worden te-

ruggebracht: Een ambassade vormt een steunpunt voor het bedrijfsleven. Rotterdam probeert wel de Nederlandse regering te be茂nvloeden om een bepaalde beleidslijn te volgen . "Ik ga niet in op de wijze waarop ik dat doe, maar we doen blijken van onze opvattingen. Hoe men dat weegt Ol/tt rekt zich voor een deel aan mijn waarneming. In het algemeen geloof ik dat je als stad terughoudend moet zijn op het terrein van buitenlands beleid, maar er kunnen momenten zijn waarop een stad zich meer aktief opstelt".

Ook de regering moest de ekonomische kant van de zaak laten meespelen. Wie het ekonomisch aspekt erbij trekt, zal moeten kijken naar de toekomst. Ook dan moet de keuze uitvallen tegen levering, en v贸贸r nauwere banden

met de Volksrepubliek. "Ik kan ook niks bewijzen, maar ik weet in ieder geval wel dat dat (nI. het Chinese) marktpotentieel groter is als je een toekomstperspektief introduceert. Deng heeft een nieuwe politiek ingezet, waarvan ik denk dat die niet ZO vluchtig is. Dat land heeft ekonomisch alles al uitgeprobeerd sinds de Revolutie, sinds '49. Tijdens de Culturele Revolutie was het land bovendien in een komplete verwarring. Zelfs hele rustige konservatieve Engelse bestuurders uit Hongkong zeiden: 'Echt, nieuwe uitvindingen kunnen ze niet doen, dat hebben ze al gedaan en dat is niet goed gegaan. They have become pragmatic, as all Chinese in the long run are'. Er is een bittere noodzaak voor een andere opstelling van die ekonomische politiek. Dat geeft naar mijn opvatting ook in de ekonomische relatie perspektieven van stabiliteit en groei. Maar je moet wel geduld hebben ".

Momenteel werken Rotterdam en Sjanghai van een memorandum, waarin allerlei werken geregeld worden, van kultuur tot kommercie. Een juiste "mixture" van kultuur, kommercie en

politiek is voor de ontwikkeling van de handel van belang. Andere landen zijn daarin meer bedreven dan wij, volgens Peper. "Een burgemeester zit ook geen handel te drijven, hij kan wel een klimaat scheppen waarin dingen tot stand komen. Dat is meestal de essentie. Je zit geen kontrakten te ondertekenen, dat doet het bedrijfsleven maar".

Noot: J.

Haagse Post, 12 november 1983 .


JASON in het kort is in 1975 o pgericht d oor een aantal jongeren is niet gebonden aan enige politieke of maatschappelijke groeperingen bestudeert internationale vraagstukken organiseert lezingen, conferenties en internationale uitwisselingen geeft het tweemaandelijkse blad JASON-Magazine uit dat iedere keer aan een speciaal thema is gewijd richt zich op alle jo ngeren tot 35 jaar

Doelstellingen JASON is een jongerenorganisatie die zich ten doel stelt jongeren de gelegenheid te bieden zich met internationale vraagstukken bezig te houden. Vrede en veiligheidsproblematiek, de verhouding Oost- West, vraagstukken over bewapening en ontwapening, enz. JASON wi l een wezenlijke bijdrage leveren aan de discussie ove r internationale vraagstukken en de internationale samenwerking. JASON kent geen levensbescho uwelijke of ideologische basis en is niet gebonden aan enige politieke panij of maatschappelijk e groepering.

JASON Magazine Zes maal per jaar brengt JASO N een eigen Magazine uit. De redactie tracht, door in ieder nummer een actueel thema te behandelen , vanuit zoveel mogelijk invalshoeken, de lezer een afgerond

beeld te geven van de behandelde problematiek. Behalve het JASON -Magazine verschijnen ook regelmatig zgn . mini JASON's, die als inleidingen bij aktiviteiten kunnen dienen. Eeo greep uil recent verschenen nummers van JA SON-Magazine: Eenzijdige o ntwapening: voorbeeld o f waanbeeld? De West-West relatie: Partners in dilemma. In en om het Kremlin , buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie. Regionale o nrust en Westerse belangen. Wat gebeurt er in Latijns Amerika?

Lezingen, conferenties, studiedagen, uitwisselingen... JASON organiseen tal van aktiviteiten die kunnen bijdragen aan het vormen van een menig, aan het vaststellen van een standpunt. Lezingen, studiedagen, conferenties, simulatiespelen, uitwisselingen ... Iedere herfst organiseen JASON bovendien een 19n. Nationale Conferentie.

JASON over de grenzen JASON kijkt ver over de grenzen . Letterlijk en figuurlijk. Via zusterorganisaties in O. m. Frankrijk , Italië. Groot-Brittanië en de Verenigde Staten worden veel internationale contacten gelegd. Regelmatig worden in verschillende landen (studie-) bijeen komsten en internationale seminars georganiseerd.

Voor wie is JASON interessant? JASON staat open voor alle jongeren die zich voor internationale zaken interesseren. Voor een proefnummer van JASON-Magazine kan men zich wenden tot het secretariaat. Beter is het natuurlijk direkt een abonnement te nemen. Ook do nateurs zijn bij JASON van harte welkom. Wie via d onaties het werk van JASON wil steunen kan daanoe contact opnemen met de penningmeester o f direct een gift ston en op het giro- of bankrekeningnummer van JASON. Secretariaat JASON AJexanderstraat 2 2514 JL Den Haag

Tel. 070 - 60 56 58 Degenen die voor het schrijven van een anikel of het geven van suggesties, d enken een bijdrage aan toekomstige nummers van JASON Magazine te kunnen leveren, worden van hane aangespoord zich În verbinding te stellen met: Pieter de Baan Telefonisch bereikbaar op 070 - 1448 16, Hooigracht 11 , 23 12 KM Leiden

INDEX JASON MAGAZINE 1983 1 Bicentennial

4 Macht en ethiek in de internationale betrekkingen

Dutch contribution 10 NAVO. The current state of American - European relations: how troubled is our Atlantic partnership? Jr. J. Cornelis Dutch infrastructure for aircraft research and developmem. The two-way street, which way to go? Drs. Chr. Sanders Dr. Ir. A . E. Pannenborg Philips and tbe wordwide competition. Anitudes of the Netherlands and thc European Mr. K. G. de Vries dimension. Prof Dr. Jhr. F.A.M. The European dimension in the West-West Alting von Gewau relations Report of a visit by the JASON-delegation in the American capital : Impressions from Washington.

Prof Mr. H.R. van Gun.J(uen Mr. Drs. C D. de Jong

Mr. Al. Slichting Prof Dr. A . van Staden

2 Naar een nieuwe N A V O-strategie? Maj. R. GrOOt en drs. Singelsmo Prof dr. R . Boeker Gen. 8 . W. Rogers Dr. P.M.E. Volten Dr. A . P. Sehmid Dr. G.K. Timmerman

Naar een nieuwe NAVO-strategie? moet de Flexible Response worden aangepast? Defensie zonder kernwapens Mlmprove our convenlional capabililies" Het offensief in het mililaire denken van de Sovjet-Unie. Sociale verdèdiging - een dagdroom? Een contextuele onentatie op het gebied van oorlog en vrede.

3 West-Duitsland, geplaagd door het verleden Friso WieJenga Arjen von Rijn Hans de Brabander Diek Z andee Piettr de Baan Geert van Loon Rien Gturtsen

Politieke kultuur en demokratie in Duitsland. Panijpolitiek in West-Duitsland van Adenauer lot en met Kohl . Duitsland in West en Oost: de historische achtergronden van de deling. De Ostpolitik van de Bondsrepubliek Duitsland. Naar een nieuwe NAVo-strategie? (verslag JASON-konferentie). Buitenlandse politiek en Binnenlandse handel (verslag). 1982/1983: Keerpum van Westerse veiligheid? (verslag).

J. van Houwelingen Dr. R.B. Soetendorp Prof Dr. Ir. J.J.c. Voorhoeve Mr. H. val'! del'! Broek Erik Tijdgat

Ethiek versus politiek? De dominee en de koopman: samen aan een s0bere dis. Macht en eth iek in de buitenlandse politiek. Een pragmatisch buitenlands beleid. Idealisme en realisme in het buitenlands beleid. Nederland niet gebaat bij neutraliteitspolitiek. De ·Realpolitiek· van Henry Kissinger.

5 Kernwapens de kerk uit? J.E. van Veen

R. l obse Bart Tromp P. B.R. de Gew J. Douma Maurirs Dolmans Maurits Dolman.J Diek Zandee en Maur;t.J Dolmans Viek. Zandee

De ontwikkeling van het Interkerkelij k Vredesberaad. De vredesbeweging ICTO. "Zo was er het concilie dat de kruisboog wilde verbieden als een Gade onwelgevallig wapen" . De invloed van de Nederlandse kerken op de West-Europese defensie. De Bijbel over geweld en vrede. Publieke opinie, de kerken en de buitenlandse p0litiek. "Het Doel en de Middelen ". Waarover gaat de interne diskussie binnen 'De Nederlandse Vredesbeweging'? European Institute for Security MaUers. Naar een Europees veiligheidsbeleid?

6 La France: Marianne en rose Drs. B. P. L. SUtns M. Blaisse E. Tijdgat en E.J. Ra ven Dick Z andee en Jan van de Velden

Frans-Nederlandse betrekkingen: overbrugbare tegenstellingen? De clan van Mitterand. Verslag van een ontmoeting met Mikhail Ozerov. Verslag van het JASON-Simulatiespel 1983.

7 Mini-JASON De beslissing viel 's nachts: een simulatiespel van J. van dc Veldc.

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1984), jaargang 09 nummer 2  

Jason magazine (1984), jaargang 09 nummer 2  

Advertisement