__MAIN_TEXT__

Page 1

7e jaargang nummer 3

.":"

...


MACAZINE secretariaat en Redactie: Van Stolkweg 10, 2585J P DEN HAAG Telefoon: 070 - 52 28 50 Postgiro: 3561025 Bank: 45.68.55.548 (AMRO-Ba nk te Scheveningen)

AbOnnementsprijzen f 25,- per jaar (6 nummers, behoudens ver· schijning van een dubbelnummer).

Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarne verstrekt door de penningmeester van de Stichting.

Dagelijks Bestuur Voorzitter Vice-Voorzitter Secretaris Penningmeester Hoofdre,j. JASON-mag. : Leden

Piet Hayn Goedhart Dick Zandee Witly Hellendoorn Martien de Groene Maurits Dolmans Eveline Muusers Maarten Derks

Algemeen Bestuur A. Bouter P. Lameijer (SI8) drs. A.F. van Leeuwen drs. M.T. van der Meulen drs. P.J.C. Mulder drs. W.H. van den Muijsenbergh A.D. Praaning drs. M. Roemers M. Verwey drs. G.W.F. Vigeveno

Leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leen van het Algemeen Bestuur

Raad van Advies dr. W .F. van Eekelen (voorz.) H.J.M. Aben H. Gabriêls mevr. dr. A.M.C.Th . van Heel-Kasteel C.C. van den Heuvel dr. LG.M. Jaquet A.C. Spinesa Cattela drs. E.J . van Vloten

Redactie JASON-magazine Hoofdredacteur Redaktieleden

Maurits Dolmans Hans Fortuin Geert van Loon Peter Mulder Evert-Jan Raven Gert Timmerman Guide Vigevene

7e jaargang nummer 3

Redactioneel Een blik op het hedendaagse wereldgebeuren leen ons dat de grootste haarden van onrust C.q. instabiliteit onder andere in de regio's van de Derde Wereld landen te vinden zijn . Een voor het Westen niet toe te juichen constatering, omdat de westerse afuankelijkheid van de derde landen niet bepaald gering te noemen is. De gemdustrialiseerde landen hebben immers belang bij de Derde Wereld als afzetgebied voor hun produkten . Aan de andere kant hoopt het Westen dat de toevoer van olie en andere grondstoffen uit de ontwikkelingslanden niet in gevaar zal komen. De oliecrises van 1973 heeft de rijke landen wat dit laatste aangaat de schrik in de benen doen slaan en de zekerheid verschaft dat slechts regionale stabiliteit de westerse belangen kan dienen. Ditzelfde geldt ook daar waar het militairestrategische en politiekt belangen aangaat. Want lokale conflicten kunnen gemakkelijk ten prooi vallen aan de Oost-West tegensteUingen. De SovjetUnie heeft de kans o .a. via conflictsituaties zijn intrede te doen in de Derde Wereld en heeft aldus de mogelijkheid zijn invloed uit te breiden . Dit schrikbeeld noopt het Westen er ook toe de stabiliteit in de regio's te bevorderen. de Rapid Deployment Joint Task Regionale instabiliteit in de Force. Van de hand van majoor R. Groot is de volgende bijdrage, die derde wereld en de vitale op deze problematiek wordt gericht westerse belangen en op de rol die Nederland daarin is derhalve het thema dat ten kan spelen . grondslag ligt aan het voor u liggenDe vierde bijdrage behelst een verde nummer van Jason Magazine. slag van een interview dat de redacHet bevat m.b.t. het thema vier tie heeft gehad met Dr. L.c. Biegel artikelen . Om te beginnen treft u over de misschien wel meest instabieen artikel aan van Mr_ K_ VossIe en crisisgevoelige regio, het kühler, beleidsmedewerker op het Midden-Oosten . Met deze caseMinisterie van Buitenlandse Zaken, study als slot hoopt de redactie het die zijn bijdrage op persoonlijke thema vanuit verschillende invalstitel heeft geschreven. Hij geeft een hoeken 1.0 goed mogelijk uitgewerkt uitwerking van het thema waarbij te hebben. antwoord gegeven zal worden op de Twee artikelen besluiten dit nummer vragen naar vormen en oorzaken van Jason Magazine. In de eerste van instabiliteit in de diverse regio's plaats is dat een commentaar van van de Derde Wereld en naar de de inmiddels gevallen regering Van beleidsinstrumenten die het Westen Ag! 11 op het V.N. Kernwapenrapten dienste kunnen staan om de stapon dat is opgesteld in de periode biliteit te bevorderen. juli 1979 - juli 1980 en is onder"Vitale belangen: leven en overtekend door oud-minister Mr. M. leven"is de headline van de bijdrage van der Stoel en de huidige minister van Prof_ Mr. B. de Gaay Fortvan defensie H. van Mierlo. man. In het artikel gaat hij uit van De laatste bijdrage bestaat uit een de drie lijnen, bewapening, handel verslag van een door een Jason deen ontwikkeling waarlangs de verlegatie bijgewoond seminair te Birbindingen van de geïndustrialiseerde mingham , dat was georganiseerd landen met de Derde Wereld lopen . door de British Atlantic Youth in Bij elke verbindingslijn kan men de Maan van dit jaar en als thema vraag stellen in hoeverre deze de vihad: "Eastern Europe: the impact tale westerse belangen dient. in East-West relations" . Is het inzetten van militaire eenheden ter verdediging van de westerse belangen een juiste methode of niet? Aanvankelijk zal het Rectificatie antwoord hierop ontkennend zijn. In het verslag van de JasonEchter, wanneer het bedoeld is als scholierenconferentie zijn de foto's laatste redmiddel en/ of de veiligheid van drs. P.B.R. de Geus en drs. L.J. van de staat op het spel staat , zal Hogebrink omgewisseld . Wij bieden het eerder positief beantwoord worden. Sinds 1980 bezitten de Verenig- hiervoor onze excusus aan. de Staten een militaire macht ten behoeve van voornoemd doel, n.l.


Bedreigingen voor Westerse belangen buiten het NAVO Verdragsgebied: problemen en opties. We leven in een gevaarlijke tijd. Onze veiligheid staat bloot aan een hele reeks bedreigingen. De Oost-West tegenstelling spitst zich toe en de invoering van nieuwe kernwapensystemen doet onder de bevolking de vrees voor een nucleaire confrontatie toenemen. De economische crisis in de Westerse Wereld leidt tot een verscherping van de maatschappelijke spanningen binnen onze samenlevingen en zou een voedingsbodem voor gevaarlijke nieuwe bewegingen kunnen gaan vormen. Het lijkt evenwel waarschijnlijk dat de grootste bedreiging voor de wereldvrede de komende jaren zal uitgaan van ontwikkelingen buiten het Atlantisch Verdragsgebied, in de Derde Wereld. Conflicten in de Derde Wereld houden niet alleen een bedreiging in van de wereldvrede als zodanig, vanwege het risico van escalatie, ze kunnen ook vitale Westerse belangen schaden, zoals b.V. duidelijk werd tijdens de Yom Kippoer-oorlog en de oliecrisis van 1973. Over de gevaren is iedereen het eens, over de beleidsmatige benadering van deze problematiek blijken sterk uiteenlopende opvattingen te bestaan, zoals wordt ge誰llustreerd door de felle discussies die zijn losgebarsten over de opstelling van de Reagan Administratie tegenover conflicten in de Derde Wereld. Centraal staat daarbij de vraag hoeveel betekenis moet worden toegekend aan de OostWest dimensie in dit soort conflicten. In dit artikel zal worden gepoogd ook op deze vraag een aanzet tot een antwoord te geven. Uitgangspunt is echter dat er van ontwikkelingen in de Derde Wereld allereerst een intrinsieke bedreiging kan uitgaan voor vitale Westerse belangen, waaronder veiligheidsbelangen. Als analytische invalshoek heb ik gekozen voor het verzamelbegrip regionale instabiliteit: ontwikkelingen binnen en tussen naties die schoksgewijze discontinu誰teiten met zich meebrengen. Uitgangspunt in de beleidsorientatie is dat waar ten gevolge van regionale instabiliteit vitale Westerse belangen worden bedreigd zal moeten worden getracht het verloop van de gebeurtenissen te beinvloeden in voor ons gunstige zin door inzet van de ons ter beschikking staande beleidsinstrumenten (inclusief ontwikkelingsamenwerking). Dit impliceert geenszins dat de Westerse landen er overal in de Derde Wereld

op uit zouden moeten zijn de status-quo te handhaven. Het wil slechts zeggen dat wij , waar onze meest wezenlijke belangen worden bedreigd, in staat en bereid moeten zijn voor deze belangen op te komen. Een en ander brengt een niet onbelangrijke filosofische herori棚ntatie binnen het tot dusver door Nederland gevoerde buitenlands beleid met zich mee. De oliecrisis van 1973 leidde bij ons tot reacties op twee niveaus: enerzijds werden maatregelen getroffen om onze afhankelijkheid van de olie uit de Perzische Golf te verminderen (dan wel onze kwetsbaarheid voor aanvoer-

Mr_ Karel E. Vossk端hler is assistent van de adviseur beleidsplanning van de minister van buitenlandse zaken en lid van de Partij van de Arbeid. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

verstoringen), anderzijds werd verhoogde prioriteit gegeven aan de het Noord-Zuid overleg in wereldomvattende kaders als de Verenigde Naties. Het is zo langzamerhand echter wel duidelijk geworden dat de blokken Noord en Zuid intern weinig cohesie vertonen. De belangen van de ontwikkelingslanden lopen onderling sterk uiteen, en er zijn maar weinig merkbare hervorminge in de internationale economische orde denkbaar waarover met allen overeenstemming kan worden bereikt. De ontwikkeling in de richting van een grotere collectieve economische veiligheid verloopt maar traag. Op de korte- en middellange termijn gaat de grootste bedreiging voor vitale Westerse economischeen veiligheidsbelangen waarschijnlijk niet uit van de Noord-Zuid tegenstelling als zodanig. Eerder moet worden gevreesd dat stagneerde economische ontwikkeling, sociale spanningen en politieke instabiliteit zich zullen ontladen in een toenemend aantal binnenland-

Het volgende nummer Het volgende nummer van JASONmagazine heeft als thema 'LatijnsAmerika' . Er zal nader worden ingegaan op de sociaal-economische situatie en de oorzaken van de politieke instabiliteit. Hierbij wordt tevens de rol van de supermogendheden bestudeerd . Een artikel over de Nederlandse meningsvorming inzake ZuidAmerika besluit het thema. Daarnaast zal een artikel van de hand van dL P. Volten over 'Militaire Tactiek van het Warschau-Pact en de NA VO-kernwapenmodernisering' worden opgenomen.

1


se en regionale conflicten in de Derde Wereld, waardoor Westerse belangen kunnen worden geschaad. Voorts biedt de regionale instabiliteit de Sovjet-Unie mogelijkheden om haar invloed uit te breiden en vergroot ze het gevaar voor OostWest confrontatie. Voor het buitenlands beleid is regionale instabiliteit in de Derde Wereld om meerdere redenen van belang: - vanwege de intrinsieke bedreiging die ervan uit gaat voor vitale economische- en veiligheidbelangen; - vanwege de aanknopingspunten die ze biedt voor Oost-West confrontatie dan wel wedijver tussen de beide supermogendheden en (daarmee nauw samenhangend) vanwege het gevaar dat meningsverschillen terzake in Westerse kring kan meebrengen voor de Westerse cohesie; - vanwege de uitdaging die ervan uit gaat voor het externe beleid van de Europese Gemeenschap (o.m. Lomé) en voor de Europese Politieke samenwerking.

Bronnen van instabiliteit in de Derde Wereld De onvolgroeidheid van de natiestaat en de willekeurigheid van de koloniale grenzen vormen in vele delen van de Derde Wereld een voortdurende bron van spanning en conflict. Veel landen in de Derde Wereld ontberen verder een hechte binnenlands-politieke structuur en stabiele politieke instituties. Veelal draagt het leiderschap een personalistisch of populistisch karakter en berust de legitimatie van het gezag op monopolisering van het militaireen veiligheidsapparaat. De explosieve bevolkingsgroei in veel ontwikkelingslanden vormt, vooral in combinatie met de urbanisatie en de werkloosheid waarmee ze pleegt gepaard te gaan, een geweldige bedreiging van de binnenlandse stabiliteit. Absolute armoede geeft als zodanig zelden aanleiding tot binnenlandse onrust, teleurgestelde materiêle verwachtingen bij relatief beter ontwikkelde bevolkingsgroepen zoveel te meer, zeker binnen samenlevingen waarin de welvaart ongelijk is verdeeld. Urbanisatie, modernisering en hoog- technologische industrialisatie scheppen niet alleen werkgelegenheidsvraagstukken, maar dragen ook bij tot een verzwakking van traditionele sociaal-culturele structuren waarvan een stabiliserende werking placht uit te gaan. De tegenkrachten die het modernise2

'Militarisering .

ringsproces oproept (rel igieus fun· damentalisme, studentenprotest e.d.) dragen op hun beurt bij tot de binnenlandse onrust. In veel ontwikkelingslanden is er voorts sprake van traditionele te-genstellingen langs religeuse, etnische of tribale scheidingslijnen die tot conflicten leiden. De militarisering en verspreiding van kernwapens in de Derde Wereld hoeven als zodanig nog niet tot instabiliteit te leiden, ze kunnen bestaande conflicten evenwel verscherpen en hun gevolgen verergeren.

Vitale Westerse belangen in de Derde Wereld Vooropsteld dient te worden dat de Westerse belangen in de verschillende ontwikkelingslanden niet volstrekt homogeen zijn. Er bestaan tussen de Westerse landen onderling aanzienlijke verschillen in hun afhankelijkheid van de Derde Wereld op onderscheiden gebieden, in hun vermogen en geneigdheid om ver buiten de eigen grenzen handelend op te treden, in hun buitenlands-politieke verantwoordelijkheden en ambities e.d. Met name de bijzondere positie van de Verenigde Staten als supermogendheid valt daarbij in het oog. Op de onderlinge taakverdeling tussen de Westerse landen kom ik hierna nog terug. De Westerse landen hebben er, hoe dan ook, gezamenlijk belang bij de wereldwijde handels- en communicatiekanalen open te houden en bij te dragen tot een internationaal klimaat waarin het vrije verkeer van mensen, goederen en denkbeelden kan gedijen. Daarnaast hebben de Westerse landen een gedeeld belang bij een inper· king van de invloed van de SovjetUnie in de wereld, met name in de gebieden waar voor hen vitale be-

langen op het spel staan. De Westerse kwetsbaarheid voor kortstondige onderbrekingen in de aardolie-voorziening is weliswaar verminderd, mogelijk heeft zich zelfs een structurele wijziging voorgedaan in de vraag· en aanbodverhouding-, maar dit alles neemt niet weg dat de economische veiligheid in het Westen ernstig in gevaar zou kunnen worden gebracht door het wegvallen van produktiecapaciteit in het gebied rond de Perzische Golf. Stagnatie van de aanvoer op de lange termijn (b.v. door een gewijzigd uitputtingsbeleid in Saoedi-Arabie) zou kunnen leiden tot sociaal-economische ontwrichting in de Westerse Wereld na nieuwe prijsverhogingen en tot gevaren voor de onderlinge solidariteit tussen de Westerse landen. De Westerse voorziening van strategische grondstoffen op de langere termijn zou in gevaar kunnen komen, nu de investeringen in nieuwe mijnbouwcapaciteit achterblijven ten gevolge van de teruglopende vraag, de hoge rentestand en de vele politieke risico's. Nieuwe investeringen vinden overigens in toenemende mate plaats in de Westerse landen (Canada, Australiê). Het grootste risico wat betreft de aanvoer uit Zuidelijk Afrika ligt niet in Sowjet-infiltratie, maar in verstoringen ten gevolge van binnenlandse onrust in de Republiek Zuid-Afrika, waarvan de frontlijnstaten niet zuIlen kunnen worden geisoleerd. De economische en technologische vervlechtingen tussen Noord en Zuid beginnen een minder asymmetrisch patroon te vertonen, waarin beide partijen iets te verliezen hebben. Langdurige regionale instabiliteit kan de handels- en in· vesteringsstromen ongetwijfeld ontwrichten. Minder waarschijnlijk lijkt het dat de economische betrekkin-


gen als politieke drukmiddel zullen worden gehanteerd, aangezien dit afbreuk zou doen aan de gegroeide interdependentie en tot onrust zou leiden. Om overeenkomstige redenen lijkt het onwaarschijnlijk dat schuldlastige ontwikkelingslanden dreiging met niet·nakoming van hun verplichtingen als pressiemiddel zullen gaan hanteren. Dit alles neemt niet weg dat er voor het Westen een zeer aanzienlijke bedreiging uitgaat van mogelijke poli· tieke en economische ontwrichting in een aantal sleutellanden (Braziliê, Mexico, Indonesiê, Nigeria e.d.). De sterke handels· en investerings· banden die de Westerse landen met deze opkomende regionale machtscentra hebben opgebouwd hebben naast een economische ook een belangrijke (geo) politieke functie en vormen ook daarom een kwetsbare factor. Vanwege demografische en economische factoren moet worden gevreesd voor een aanhoudende immigratie-golf uit de Derde Wereld, die nog zal zwellen ten ge· volge van regionale conflicten en die in toenemende mate zijn doorwerking zal hebben binnen Westerse samenlevingen. Regionale spanningen en conflicten kunnen veiligheid van de handelsroutes en de doorvaart door zeestraten in gevaar brengen. Tenslotte zijn er de dreigingen die uitgaan van een mogelijke escalatie van regionale conflicten tot een wereldomvattende confrontatie tussen Oost en West, alsmede de gevaren voor terroristisch optreden door gefrustreerde regimes of groeperingen in de Derde Wereld. De grootste bedreiging voor Westerse belangen zou uitgaan van regionale instabiliteit in ZuidWest Aziê. In Zwart Afrike en Midden-Amerika staan veel geringere intrinsieke belangen op het spel, terwijl die in Zuidelijk Afrika nogal eens worden overschat. In ZuidWest Aziê is het Westen al kwetsbaar voor betrekkelijk kortstondige verstoringen. In Zuidelijk-Afrika, Zuid·Oost Aziê en Zuid-Amerika gaat voor het Westen het grootste gevaar uit van maatschappelijke ontwrichtingen op de langere termijn die de economische interactie langzaam doet afnemen.

verbonden. Ideologische pretenties en machtspolitieke aanspraken ver· sterken elkaar. Militaire kracht en economische zwakte kunnen tot onvoorspelbare beleidsafwegingen leiden. Geen " gedragscode voor de ontspanning" (als die van 1972) zal de Sowjet-leiders ervan kunnen weerhouden in de Derde Wereld in te spelen op voor hen gunstige ontwikkelingen in de "correlatie van krachten". Invloed is daarbij waarschijnlijk belangrijker dan bezit, maar naarmate het gebieden betreft die dichter bij de grenzen van het Sowjet-Imperium liggen wordt dit onderscheid minder relevant. Het onvermogen om een rol van betekenis te spelen in de wereldeconomie en de (nog) geringe kwetsbaarheid van de Sowjet-Unie in de Derde Wereld maken het land tot een "negatieve supermacht" waarvan het optreden er vooral op gericht is afbreuk te doen aan Westerse belangen . Ten opzichte van landen gelegen in de eigen pe· riferie is het streven van de Sowjetleiders naar "absolute veiligheid " een belangrijke drijfveer. Het is waarschijnlijk dat de kosten van de activiteiten in de Derde Wereld in de toekomst een steeds zwaardere belasting voor de Sowjet-Unie zuilen gaan vormen en dat er dus nog selectiever zal moeten worden tewerkgegaan bij het aanvaarden van verplichtingen. Het is vanuit het standpunt van de Sowjet-Unie voor· delig wanneer haar Oosteuropese bondgenoten, wier economiêen sterker zijn aangewezen op de internationale handel dan de Sowjeteconomie, zich richten op de Derde Wereld en aldus hun afhankelijkheid van het Westen beperken. De uitbreiding van de invloed van de Sowjet·Unie in de Derde Wereld wordt sterk vergemakkelijkt door

het optreden van stromannen ("proxies"), die onderling overigens sterk verschillen qua inzet, drijfveren en autonomie. Ondermeer door de zwakte van haar marinierskorps, het lucht· vervoer en de tactische luchtstrijd· krachten is het vermogen van de Sowjet-Unie om ver buiten de eigen grenzen een langdurige oorlog te voeren nog altijd beperkt. Terwijl b.v. het militaire overwicht van de Sowjet·Unie bij een mogelijk treffen in Noord·lran overweldigend zou zijn, zou een opmars naar het Arabisch Schiereiland al op aanzien· lijke problemen stuiten. Het ver· mogen van de Sowjet-Unie om op korte termijn handzame wapen· systemen te leveren is een belang· rijke troef van de Sowjet-Unie bij het verwerven van invloed in de Derde Wereld, en bovendien een belangrijke bron voor het verkrijgen van buitenlandse deviezen. Ook politieke en diplomatieke instrumenten (b.v. vriendschapsverdra· gen, propagandistische initiatieven) worden door de Sowjet-Unie veelal met succes gehanteerd. Het Marxisme-Leninisme heeft op som· mige Derde Wereldleiders weliswaar enige aantrekkingstracht van· wege zijn centralistische tendensen, maar op basis van zijn ideologische kracht zal de Sowjet·Unie toch weinig duurzame successen kunnen boeken. Afgezien van wapenleveranties heeft de Sowjet-Unie de Derde Wereld op economisch terrein relatief weinig te bieden. De Oosteuropese satellietlanden hebben niet onbelangrijke economische banden in de Derde Wereld, soms op basis van ruilhandel van goederen die Oost noch Zuid op Westerse mark· ten kunnen slijten.

De Sowjet-Unie en de Derde Wereld Het optreden van de Sowjet·Unie in de Derde Wereld kan niet worden herleid tot één allesoverheersend motief. Overwegingen van offensieve en defensieve aard zijn op veelal onafscheidelijke wijze met elkaar

'Afghanistan 1982 '

3


De Verenigde Staten en de Derde Wereld De opstelling van de Verenigde Staten tegenover de instabiliteit in de Derde Wereld wordt door een reeks van factoren bepaald: een (overigens afnemend) geloof in de roeping van de Amerikaanse natie om de rest van de wereld te laten delen in de eigen geestelijke verworvenheden , de machtsaspiraties van de supermogendheid, overwegingen van economisch eigenbelang (die steeds zwaarder gaan wegen), het Vietnam-trauma (steeds minder) en het gegeven van de spreiding van de macht waardoor het Amerikaanse overwicht is verminderd en de prijs van interventie is toegenomen _In het algemeen is het zi nvol een onderscheid te maken tussen constante en tijdelijke drijfveren in het Amerikaanse buitenlands beleid. Tot deze laatste categorie behoort waarschijnlijk ook een gevoel van frustratie in de Amerikaanse publieke opinie over het afgenomen gezag van Amerika in de wereld (Iran, Afganistan), over de binnenlands-economische ontwikkeling en over het gebrek aan herkenbare nieuwe uitdagingen binnen de Amerikaanse samenleving. Centraal in het buitenlands beleid van de Reagan Administratie staat de wens om de militaire kracht ten opzichte van de Sowjet-Unie te herstellen en, weil icht, om de Amerikaanse superioriteit te herwinnen ("America as number one"). Deze doelstelling wordt onderschreven door de grote meerderheid der Amerikanen en weerspiegelt een diepe psychische behoefte. Op economisch gebied is er enerzijds sprake van een zeker ideologisch messianisme met populistische ondertonen, anderzijds van unilateralistische en zelfs protectionistische neigingen die worden gedragen door een "America first" mentaliteit. Het Amerikaanse beleid ten opzichte van de Derde Wereld draagt een sterk globalistisch karakter, d.w-Z. beziet de ontwikkelingen aldaar vanuit een Oost-West gezichtspunt en stelt groot vertrouwen in militaire machtsmiddelen. Een zekere mate van globalisme is uiteraard eigen aan de buitenlandse politiek van een supermogendheid, maar onder voorgaande administraties waren er daarnaast regionalistische elementen te onderkennen (bevordering van machtsspreiding, stimulering van regionaal machtsevenwicht, multilateralisme)_ In het huidige Amerikaanse buitenlands 4

beleid krijgt de regionalistische aanpak een redelijke kans ten aanzien van Zuidelijk Afrika en wellicht enige ruimte in het Midden-Oosten, maar overheersen globalistische accenten, zeker tegenover M iddenAmerika. Het beleid van Washington ten aanzien van de Derde Wereld gaat in het algemeen mank aan een gebrek aan lange termijn visie en strategie, tekortkomingen die ten dele samenhangen met de organisatie van de beleidsvorming (m.n. de concentratie van de besluitvorming bij diplomatiek niet·geschoolde adviseurs in het Witte Huis). Wanneer deze systeem-bepaalde factoren nog worden versterkt door chauvinistisch-ideologisch getinte voorkeuren voor een globalistisch georiënteerd beleid ontstaat een gevaar voor extreme perceptie-vorming.

De Oost -West tegenstellingen in de Derde Wereld Het optreden van de Sowjet-Unie in de Derde Wereld plaatst het Westen voor moeilijke conceptuele en practische problemen. Interventie via stromannen en sluipende penetratie via hulp aan locale verzetsbewegingen kan niet altijd frontaal tegemoet worden getreden. Ook vertrouwde begrippen als militair machtsevenwicht en afschrikking lenen zich niet zondermeer voor toepassing in regionale situaties in de Derde Wereld, mede als gevolg van het sterk uiteenlopende karakter van de bedreigingen waaraan de stabiliteit in de diverse gebieden blootstaat. Streven naar een locaal machtsevenwicht tussen Oost en West in alle uithoeken van de aardbol lijkt noch noodzakelijk gezien de geringe belangen die er in vele regio's op het spel staan, noch haalbaar gezien de onwil van de locale regeringen om betrokken te raken bij de Oost-West tegenstellingen en hun toegenomen militaire vermogen om zich tegen interventie van buitenaf te verzetten. Zelfs in die regio's waar de intensiteit van de Westerse belangen handhaving van een zeker machtsevenwicht noodzakelijk maakt (zoals in ZuidWest Aziê) lenen concepties van machtsevenwicht en afschrikking zoals ontwikkeld voor het Atlantisch verdragsgebied zich niet voor automatische toepassing. De opbouw van de Amerikaanse Rapid Deployment Force is in eerste instantie gericht op afschrikking van Sowjet-interventie in ZuidWest Aziê. Omdat beperkingen ten aanzien van het lucht-en zeevervoer

een grootscheepse inzet van troepen op korte termijn nog niet toestaan zal de Rapid Deployment Force vooreerst voornamelijk een schrikdraad-funktie vervullen. Over de vraag in hoeverre de Force ook ingezet zou moeten kunnen worden in het geval van interne roerselen in de Golfstaten bestaat in Washington nog weinig duidelijkheid. In dergelijke situaties zouden de Amerikanen gewapend ingrijpen bij voorkeur willen overlaten aan bevriende factoren in de regio (Egypte, Pakistan, de Golfraad e.d.). Van de toegenomen Westerse vlootpresentatie nabij de Perzische Golf kan zowel een afschrikwekkende werking tegenover de Sowjet-Unie als een rustgevende invloed op de regionale ontwikkelingen uitgaan. Er mag van worden uitgegaan dat een van de oogmerken van het beleid van de Sowjet-Unie met betrekking tot ZuidWest Aziê eruit bestaat optimale voorwaarden te scheppen om politieke en economische druk op West-Europa uit te oefenen. De kwetsbaarheid voor dergelijke druk zal toenemen naarmate de Westeuropese landen zich ten gevolge van tekortschietende defensie-inspanningen onzeker voelen ten aanzien van de verdediging van het eigen grondgebied. Anderzijds is West-Europa, juist gezien haar sterke afhankelijkheid van de olie-aanvoer uit het Golfgebied, niet gebaat bij een toespitsing van de wedijver tussen de supermogendheden in het gebied, daarentegen bijzonder geinteresseerd in een effectieve aanpak van de politieke vraagstukken die de stabiliteit in Zuid-West Aziê bedreigen, met name het Palestijnse vraagstuk. In de "grijze zones", waar de wedijver tussen beide supermogendheden minder geprononceerd is en/of er geen vitale Westerse belangen op het spel staan, is er voor het Westen minder aanleiding actief stelling te nemen in het geval van regionale instabiliteit en kan vanuit een meer op de lange termijn gericht perspectief beleid worden gevoerd en sterker worden gesteund op autonome processen binnen de regio. Dit geldt in het algemeen voor het Afrikaanse continent, grote delen van LatijnsAmerika, het Indische Subcontinent (minus Pakistan) en Oceaniê.

Spreiding van de macht Er zijn in toenemende mate grenzen gesteld aan het vermogen van de supermogendheden om de zaken in de Derde Wereld naar hun hand te zetten, ondermeer vanwege de relatieve verkleining van hun financiêle


draagvlak en de verspreiding van wapens over de wereld. Regionale organisaties in de Derde Wereld kunnen een scala van functies vervullen, variêrend van de bevordering van economische integratie en van de collectieve economi· sche veiligheid tot de voorkoming of beslechting van onderlinge geschillen en de organisatie van de gemeenschappelijke verdediging. Vanuit een oogpunt van Westerse veiligheid kan versterking van de regionale sam"nwerking in de Derde Wereld in het algemeen positief worden beoordeeld, zelfs wanneer deze deels wordt ingegeven door de wens de gezamenlijke stellingname tegenover buitenstaanders te ver· sterken. Het pluriforme Westen is per definitie beter geplaatst om der· gelijke ontwikkelingen creatief tegemoet te treden dan het Oostblok. De meeste van de deze (sub)regionale samenwerkingsverbanden blijken het Westen goedgezi nd en geven blijk van belangstelling voor samenwerking, vooral met WestEuropa dat niet kan worden ver· dacht van hegemoniale aspiraties. Gezien de kwetsbaarheid en interne verdeeldheid van vele regionale or· ganisaties kan het Westen zich echter niet veroorloven volledig te vertrouwen op het stabiliserend ver· mogen van deze organisaties en zal het in gebieden waar vitale belangen op het spel staan moeten kun· nen terugvallen op het eigen vermogen macht te projecteren.

Inventarisatie van beleidsinstrumenten Van regionale instabiliteit in de Derde Wereld gaat een reeks van zeer uiteenlopende bedreigingen uit voor Westerse vitale economische- en veiligheidsbelangen, al naar gelang de aard van deze belangen, de regionale constellaties waarin ze gel· den en het vermogen c.q. de ge· neigdheid van het Oostblok om zich te manifesteren. Stabiliteit is geen nauwomschreven begrip. Niet in alle regionale constellaties is handhaving van de statusquo een Westers belang (Cu· ba, Vietnam, Zuid-Afrika). In sommi· ge gevallen kan stabilisatie op de korte termijn leiden tot instabiliteit op de wat langere termijn (b.v. Iran onder de Sjah). In het algemeen zal de wenselijkheid van stabiliserende maatregelen moeten worden bepaald aan de hand van de intensi· teit van de Westerse belangen. In een enkel geval kan de bedreiging van die belangen een dermate acuut karakter dragen dat stabiliserende maatregelen geen soelaas

bieden, en moet kunnen worden te· ruggegrepen op Westers interventievermogen (b.v. in het Golfgebied). In de meeste gevallen zullen economische en politieke beleidsinstrumenten een afdoende bijdrage vormen voor een stabi lisatiebeleid, vooral wanneer daarmee kan worden ingespeeld op regionale samenwerkingsverbanden. Ten op· zichte van sommige regio's (ZuidOost Aziê, Zuid-Amerika) worden de economische betrekkingen sterk bepaald door particu liere handelsen investeringsstromen, terwijl in de relatie met andere regio's (Afri· ka, Caraibisch Gebied, Oceanie) de ontwikkelingshulp een grotere rol speelt. Toch blijkt het zinvol te trachten even uit te stijgen boven al deze regionale en functionele differentia· ties en i n meer algemene termen tot een inventarisatie van althans in theorie, hanteerbare beleidsinstrumenten te komen. Militaire interventie wordt niet alleen door o.m. het VN Handvest aan stringente voorwaarden onder· worpen, maar is ook door verschu ivingen in de internationale krachtsverhoudingen en de verspreiding van wapens in de Derde Wereld minder

de Westerse belangen en de relatieve effectiviteit van interventie afge· meten aan die van andere beleidsinstrumenten en aan het veroorzaakte leed. De toenemende bewapening in de wereld vertegenwoordigt een zorgwekkende verspilling van schaarse middelen en leidt lang niet altijd tot vergrote veiligheid . Niettemin zullen de Westerse belangen soms beo diend zijn bij het verschaffen van militaire training en van wapens aan strijdkrachten van bevriende landen. " Vredeszones ", kernwapen-vrije zones, wederzijdse bijstandsver· plichtingen, meerzijdige veiligheidsgaranties vertrouwenwekkende maatregelen, regionale veilig· heidsstelsels e.d. kunnen, al dan niet ondersteund door veiligheids· garanties van buitenaf, een bijdrage leveren aan de regionale stabiliteit. Regionale samenwerkingsverban· den kunnen een element van hiêr· archie en voorspelbaarheid brengen in het internationale systeem en tegelijkertijd een positieve bijdrage leveren aan de spreiding van de macht. Het Westen kan door ondersteuning van regionale

(' .

1." ,

'"

smjrvoo~ ..

:Dit ;oiOTf.

GHADAFFi MfT 'N

AToGMBOM .. ·

~

Hannes Bfinker stopt de kemwapenproliferatie (eerder verschenen in NRC-Handelsblad op 20 juni 1979; met dank aan J. Collignon.)

hanteerbaar geworden, zelfs voor de supermogendheden en zeker in· dien tegen de wil van plaatselijke heersers moet worden opgetreden. Voor een beoordeling van de wen· selijkheid c.q. gerechtvaardigheid van interventie in burgeroorlogen en omwentelingen lijken relevante cri· teria de representativiteit van de opstandelingen, de mate en aantoonbaarheid van de betrokkenheid van het Oostblok, het gewicht van

samenwerking en door het ondernemen van politieke initiatieven een bijdrage leveren aan de conflictvoorkoming en ·beheersing. Stabilisatie van nationale economieên vereist soms vergroting van de stabiliteit in het internationale economische stelsel, o.m. door prijs- en export-opbrengst-stabilisatie voor een reeks van grondstof· fen, door monetaire hervormingen, door industriêle herstructurering en 5


vergroting van de markttoegang, door het scheppen van betere faci Iiteiten voor betalingsbalansfinanciering op de middellange termijn en door het scheppen van een stelsel van investeringsgaranties ter bevordering van de mijnbouw in ontwikkelingslanden_ Daarnaast zou ondertekening van het nieuwe Zeerechtverdrag het ontstaan van internationale spanningen kunnen helpen voorkomen_ Het gebrek aan economisch evenwicht in veel ontwikkelingslanden heeft echter veeleer binnenlandse oorzaken zoals verwaarlozing van de agrarische sector, slecht gespreide economische ontwikkeling, financieel wanbeheer en corruptie_ Ontwikkelingshulp kan hier maar op bescheiden schaal verbetering in brengen, vooral langs de weg van overdracht van kennis en knowhow_ Betalingsbalanssteun zal primair moeten zijn gericht op herstel van het economisch evenwicht op de langere termijn, maar kan onder omstandigheden ook een bijdrage leveren tot de afwending v&n politieke instabiliteit op de korte termijn_ Noodhulp kan de destabiliserende gevolgen van natuurrampen en vluchtelingenstromen (b_v_ in Somaliê, Pakistan) helpen opvangen_ Van ontwikkeling(shulp) kan echter ongetwijfeld ook een destabiliserende werking uitgaan, tengevolge van bewustwording en rijzende verwachtingen, maar die zullen op de koop toe moeten worden genomen_ Hoewel bevordering van de economische interdependentie in beginsel in het belang van zowel de ontwikkelingslanden als van het Westen is kunnen extreme en eenzijdige afhankelijkheidsverhoudingen, met name wanneer het gaat om de voorziening van de primaire levensbehoeften (voedsel, energie), tot ernstige spanningen aanleiding geven en aldus destabiliserend werken _Dergelijke afhankelijkheidssituaties dienen daarom te worden gemitigeerd door opvoering van zelfvoorzieningsgraad (bevordering van energie- en voedselproductie in de Derde Wereld) en door het nemen van maatregelen die de kwetsbaarheid voor aanvoerverstori ngen verminderen (verdeelschema's, crisismechanismen, strategische voorraadvorming, tegengaan van " government-to-government deals" die een gevaar voor politieke chantage behelsen voedselreseves en buffervoorraden, e_d_) Tenslotte zullen de Westerse landen pogingen moeten ondernemen het Sowjet-optreden in de Derde 6

Wereld te beinvloeden_ Gedragscodes zijn daartoe geen geschikt instrument, terwijl ook "Iinkage" aan beperkingen onderhevig is als precisie-instrument, vooral tegen sluipende Sowjet-infiltratie in de " grijze zone", ook al vanwege het gebrek aan eensgezindheid onder de Westerse bondgenoten_ In meer algemene zin werkt " linkage" wel ("ondeelbaarheid van de ontspanning " : de vrees van Sowjet-zijde om de Oost-West verhouding onomkeerbaar te schaden en aldus de voordelen van de ontspanning geheel te verliezen)_ Het Westen kan de prijs voor Sowjet-interventie helpen opvoeren door steunverlening aan bedreigde regimes een aan opstandelingen die zich tegen Sowjetoverheersing verzf'tten, door waar mogelijk aansluiting te zoeken bij de standpunten van de nietgebonden landen en door het opleggen van tijdelijke sancties_ Ook kan het Westen trachten de economische en militaire druk op de Sowjet-stromannen op te voeren _ Positieve prikkels ter beïnvloeding van het Sowjetgedrag mogen evenwel niet ontbreken_ De Sowjetleiders zijn ongetwijfeld gevoelig voor overwegingen van internationaal prestige en status_ Consultatie via officiêle en discrete concacten verdient aanbeveling, terwijl onder bepaalde omstandigheden particuliere van Sowjetzijde aan vredesregelingen in regionale conflicten niet mag worden uitgesloten_ Economische en technische steunverlening bij de ontginning van energie- en grondstoffenvoorkomens in de Sowjet-Unie lijkt per saldo in het belang van het Westen aangezien het de prikkels voor een uitbreiding van Sowjet-invloed in het Golfgebied kan verminderen, maar ten aanzien van het kredietbeleid past de nodige voorzichtigheid_

Taakverdeling in Westerse kring Regionale instabiliteit in de Derde Wereld kan een bedreiging vormen voor gemeenschappelijke Westerse belangen (grondstoffen- en energievoorziening, toegang tot markten, handhaving van internationale standaarden), en biedt tevens een uitdaging en test voor de Westerse solidariteit. Van een gezamenlijke strategie inzake deze problematiek kan tot dusver nauwelijks worden gesproken, en met name over de taakverdeling tussen de Verenigde Staten en West-Europa bestaat grote onzekerheid_ De perceptie van ontwikkelingen in de Derde Wereld vanuit onderscheiden Westerse landen blijkt daarbij niet los te staan van de bereidheid om i n het kader

van de onderlinge taakverdeling lasten te dragen _De huidige constellatie kan gemakkelijk leiden tot Amerikaans unilateralisme en een vlucht voor verantwoordelijkheden van Westeuropese en Japanse zijde_ Binnen het Westerse kamp is er ruimte voor verschillen in opvatting, maar slechts tot beperkte hoogte_ met betrekking tot gebieden waar vitale belangen op het spel staan bestaat maar weinig ruimte voor verschillen in beoordeling van de regionale ontwikkelingen en in optreden naar buiten _Wat de " grijze zone" betreft is een zekere divergentie tussen individuele Westerse landen bij de inschatting van bepaalde ontwikkelingen minder problematisch en kan een zekere geografische werkverdeling tegenstrijdigheden in extern optreden helpen voorkomen _Voor West-Europa lijkt in dit verband een bijzondere taak weggelegd in Afrika en in het Caraïbisch gebied, voor Japan in ZuidOost Aziê en voor Australiê en Nieuw-Zeeland in Oceaniê_ Er bestaat een onmiskenbaar verschil tussen de Verenigde Staten en (de meeste) Westeuropese naties in het vermogen ver buiten de eigen grenzen militaire macht te ontplooien_ Toch zou een Westerse taakverdeling waarbinnen de Verenigde Staten alle militaire lasten zouden dragen en de overige landen zich zouden beperken tot politieke en economische samenwerking onrechtvaardig zijn (gezien de grote Europese en Japanse belangen in de Derde Wereld) en bovendien gevaarlijk omdat ze licht zou kunnen leiden tot Amerikaans unilateralisme_ De gang van zaken tot dusver rond de Amerikaanse Rapid Deployment Force (waarbij er hoogstens sprake is geweest van discrete contacten met de Britten en de Fransen) duiden op een tendens in de richting van een unilateralistische aanpak, of op zijn best een herleving van de directoriumgedachte (" those willing and able to contribute")_ Van West-Europa kan niet worden verwacht dat het zich op grote schaal ver buiten de eigen grenzen militair manifesteert_ De bestaande inspanningen, met name de Franse, Britse en (bescheiden) Nederlandse vlootpresentie in delen van de Derde Wereld , dienen niettemin te worden uitgebreid_ Voor alles zal WestEuropa echter een groter aandeel dienen te nemen in de verdediging van het eigen grondgebied teneinde de Verenigde Staten in staat te stellen de inspanningen elders op te voeren _Vervolgens zullen de landen


... 1 ! ~"/ . '( ... :.ç~ '

A>

,'-

..

.- -

- ~ ,-

' ~I

.:. -' '_ ... . J

van West-Europa, indien ze daarom gevraagd zouden worden, hun actieve instemming met de Amerikaanse uitbouw van de Rapid Deployment Force dienen te betuigen _ Tenslotte zullen de Westeuropese staten de Verenigde Staten duidelijke toezeggingen moeten doen inzake overvluchtrechten en het gebruik van opslagfaciliteiten_ Op zich valt niet goed in te zien waarom ook West-Europese landen niet met militaire middelen te hulp zouden kunnen schieten indien bevriende regeringen in de Derde Wereld, die aan agressie of subversie van buitenaf blootstaan, daarom zouden vragen. Dit zou met name dienen te geschieden in regio's waar de wedijver tussen de supermogendheden minder pregnant is. Ook zou op verzoek politietraining kunnen worden verschaft. Voorts zou West-Europa door het ondernemen van diplomatieke initiatieven, stoelend op de haar ter beschikking staande regionale expertise, moeten trachten een bijdrage te leveren tot de regionale stabiliteit in de Derde Wereld en, waar nodig, een matigende invloed moeten uitoefenen op Amerikaanse percepties en reflexen _ In het algemeen is er geen aanleiding om bij het tegemoettreden van ontwikkelingen in de Derde Wereld

de Oost-West verhouding centraal te stellen_ Er zijn echter uitzonderingen op deze regel. In ZuidWest Aziê is inzetbaarheid van een interventiemacht onontbeerlijk om Sowjet-penetratie (al dan niet via stromannen) een halt te kunnen toeroepen. In andere regio's ware er de voorkeur aan te geven uitbreiding van Sowjet-invloed met andere middelen tegen te gaan_ In ZuidOost Aziê moet het Westen, in nauwe samenwerking met ASEAN, trachten te voorkomen dat Vietnam door het optreden van China nog verder in de armen van Moskou wordt gedreven_ In Midden-Amerika dient non-interventie het uitgangspunt te zijn _Gevreesd moet worden dat in EI Salvador en Guatemala de polarisatie tussen uiterst links en rechts dusdanig ver is voortgeschreden dat politieke oplossingen niet wel denkbaar zijn en de kringloop van het geweld zich zal blijven voortzetten_ Het bewind in Nicaragua verdient het voordeel van de twijfel, dat van Costa Rica financiêIe hulp om de economische tegenvallers op te helpen vangen _In het algemeen beschikt West-Europa in Midden-Amerika over uiterst beperkte beleidsopties, in het Caraibisch Gebied daarentegen over goede contacten en historische verplichtingen. Gezien de grote verschillen in de problematiek van beide geb ie-

den, kunnen initiatieven ten opzichte van elk van de twee beter gescheiden worden _ Ook in Afrika beschikt Europa over traditionele banden en heeft het grote belangen. Vooral in WestAfrika zijn er, ondanks de scheidslijnen tussen de Francophone en de Anglophone gebieden, redelijke voortuitzichten voor regionale samenwerking waarop van buiten kan worden ingespeeld. Voorts dient het Westen door het verlenen van economische steun bij te dragen tot een vermindering van de afhankelijkheid van de Frontlijnstaten van de Republiek Zuid-Afrika, zonder daarbij overigens grote illussies te koesteren ten aanzien van de haalbaarheid van snelle resultaten. Mits enkele maatregelen (o.m. strategische voorraadvorming) worden getroffen, behoeft de Westerse grondstoffen-afhankelijkheid de Westerse beleidsopties ten opzichte van het apartheids-regime niet wezenlijk in te perken _ De landen van de Europese Gemeenschappen beschikken in de Europese Politieke Samenwerking over een uitgelezen instrument voor een betere afstemming van hun politieke stellingname ten aanzien van ontwikkelingen in de Derde Wereld en voor de formulering van gemeen7


schappelijke initiatieven. In de vorm van de Lomé Conventie beschikken zij voorts over een infrastructuur waarbinnen de ontwikkelingssamenwerking met vooral de landen in Afrika en het Caraïbisch Gebied in een breder politiek kader kan worden geplaatst. Lang is deze regionalistische benadering (zeker in Nederland) negatief beoordeeld, omdat ze afbreuk zou doen aan de wereldwijde aanpak van problemen in het kader van de Verenigde Naties. Het voorgaande betoog leidt evenwel onvermijdelijk tot de con· clusie dat voor deze negatieve benadering geen aanleiding bestaat. Een formule uitbreiding van het werkterrein van het Atlant isch bondgenootschap lijkt haalbaar noch wenselijk. Dit laat onverlet dat binnen het bondgenootschap de consultaties over ontwikkelingen in de Derde Wereld moeten worden geintensiveerd. De door Minister Genscher voorgestelde " Gymnich"bijeenkomst kunnen hiertoe ook een nuttige functie vervullen. Ook een geïnstitutional iseerd contact tussen de Europese Politieke Samenwerking, de Verenigde Staten en Japan lijkt dienstig. " Contingency-planning" ten aanzien van specifieke regionale probleemgebieden in de Derde Wereld dient in een sfeer van grote discretie plaats te vinden teneinde locale gevoeligheden te ontzien en leent zich daarom niet voor (publieke) institutionalisering.

Conclusies voor het Nederlands buitenlands beleid Regionale Instabiliteit in de Derde Wereld Is tot dusver in het kader van het Nedertands buitenlands beo leid onvoldoende als een probleem onder1<end. Ten opzichte van vele landen in de Derde Wereld vormt de ontwikkelingssamenwerking de overheersende component van het buitenlands beleid , waarbij verzelfstandiging en armoedebestrijding centraal staan. Ook overwegingen van handelsbevordering spelen in de relatie tot groepen ontwikkelingslanden een vaak niet onaanzienlijke rol. Van een politiek beleid ten aanzien van Derde Wereld-regio's is vaak maar in zeer beperkte mate sprake. Zo heeft Nederland wel een beleid ten aanzien van Zuidelijk Afrika, maar wordt stellingname ten opzichte van de ontwikkelingen in de rest van het Zwarte Continent slechts door enkele zeer algemene overwegingen bepaald (bij voorkeur wordt aansluiting gezocht bij standpunten van de Beweging der Niet8

Gebonden Landen en de Organisa· tie voor Afrikaanse Eenheid). In de ons omringende landen neemt het bewustzijn toe dat de belangen van West· Europa in de toekomst minstens zozeer in gevaar kunnen worden gebracht door ontwikkelingen buiten het verdragsgebied van de NAVO als door Sowjetagressie op het Westeuropese beo lang gezien terzake tot een betere onderlinge beleidsafstemming te komen, enerzijds in het kader van een werkverdeling met de Verenigde Staten en anderzijds teneinde een matigende invloed op de Vere· nigde Staten te ku nnen doen geiden. Binnen Europees verband moet daarbij gevreesd worden voor een verdergaande ontwikkeling in de richting van " inner-circle diplomacy", waarbij de grotere WestEuropese landen die bereid en in staat zijn tot daadwerkelijk optreden onder elkaar zaken doen met voorbijgaan aan de opvattingen van de kleintjes. De Duitse Bondsrepubliek neemt terzake vooralsnog een wat aarzelende tussenpositie in, o.m. vanwege de voor haar geldende constitutionele beperkingen ten aanzien van extern gewapend optreden-, refereert bij voorkeur aan de stellingname van de NietGebonden Landen en legt het accent op de economische hulpverlening. Niet alleen wordt in Nederland de problematiek zoals hiervoor ge· schetst onvoldoende onder ogen gezien, er is binnen het Nederlands buitenlands beleid tot dusver niet dan incidenteel (b.v. ten aanzien van Zuidelijk Afrika) sprake geweest van een doelbewuste integratie van elementen van regionaal-politiek-, veiligheids- en ontwikkelingsbeleid, zoals dat in landen als Frankrijk het Verenigd Koninkrijk, de Duitse Bondsrepubliek en Japan al jaren het geval is. Wil Nedertand zich verzekeren van een eigen plaats in de consultaties In Westerse kring dan zal het aan· nemelljk moeten kunnen maken dat het bereid en in staat Is met de inzet van alle haar ter beschikking staande beleidsinstrumenten een eigen bijdrage te leveren aan een aanpak van de problematiek van de regionale instabiliteit In de Derde Wereld. De aanzienlijke inspannin· gen die Nederland zich op het ter· rein van de ontwikkelingssamen· werking getroost zullen door de grote Westerse partners niet zondermeer worden aanvaard als een rechtvaardigirig van een grotere Nederlandse stem in de gezamelijke besluit vorming. Alleen als deze

hulp in een bredere beleidsconceptie wordt i ngepast en aantoonbaar mede dienstbaar wordt gemaakt aan algemene Westerse doelstellingen kan zij een grotere invloed van Nederland in Europees verband waarborgen.

In Nedertand is de ontwikkellngssamenwer1<ing ongetwijfeld een van de belangrijkste instrumenten van buitenlands beleid. Vele voorbeel· den uit het verteden (b.v. in de relatie met Indonesië, Suriname, de concentratielanden Egypte en Noord-Jemen, Jamaica en de frontIIjstaten in Zuidelijk Afrika) maken duidelijk dat doelstellingen van ontwlkkelingssamenwer1<lng en brede· re overwegingen van buitenlands beleid zeer wel met elkaar verenigbaar zijn. Mede in het kader van een Integratie van het ontwikkelingsbeleid in het buitenlandse beleid zou met name op systematl· sche wijze moeten worden getracht in te spelen op regionale samenwer1<ingsverbanden In de Derde Wereld, gezien de belangrijke bijdrage die deze kunnen leveren aan de re· gionale stabiliteit. Hiervoor werd reeds gepleit voor een positievere waardering van de hulpvertenlng in het kader van de Lomé Conventie. Er lijk voorts aanleiding het Noord-Zuid overteg In wereldwijde kaders wat kritischer te bezien en zich af te vragen of een zekere con· centratie van de ontwlkkelingssa· menwerking in regionaal verband niet aanbeveling verdient, zowel va· nuit een oogpunt van effectiviteit als met het oog op een taakverde· IIng In Westerse kring. Nedertand zou zich in dat verband wat ster1<er op Afrika kunnen richten, en daar· naast grote aandacht besteden aan die landen waarmee het historische banden heeft.


Vitale belangen:

Leven en overleven De verbindingen van de Westerse industrielanden met de ontwikke-

lingslanden lopen langs drie lijnen: bewapening, handel en ontwikkeling. Bij elk daarvan kan de vraag naar de "vitale belangen" aan de orde worden gesteld. Prof. Mr. B. de Gaay Fortman

is: ge· woon hoogleraar institutionele economie aan het Institute of Soda! 5IUdies in Den Haag, voorzitter van de Novib en voorzitter van de P.P .R.rraktie in de Ie kamer.

I

Bewapening

In de ontwikkelingslanden wordt meer geld uitgegeven aan wapens dan aan onderwijs. Het bedrag dat wordt besteed voor de gewndheidswrg is nog niet de helft van de bewapeningsuitgaven. Het lijkt wel of bewapening gezien wordt als het belangsrijkste middel tot natievorming. De hoeveelheid wapens is in de ontwikkelingslanden de laatste vijf en twintig jaar vervijftienvoudigd. De afgelopen tien jaar zijn de militaire uit· gaven drie keer w groot geworden. Daarbij springt het Midden-Oosten eruit met een stijging van 500'1•. In Afrika was het 400%. Het proces van dekolonisatie is dus gepaard gegaan met een snelle militarisering. Dit geldt niet alleen in kwantitatief maar ook in kwalitatief opzicht. Een voorbeeld daarvan is de aankoop van moderne supersonische vliegtuigen door zeer arme landen als Bangladesh , Somalië en Jemen . Wat zijn nu de gevolgen van deze mili-

derdrukking en geweld. d) Militarisering leidt tot grote geweld· dadigheid bij het uitbreken van conflicten. We moeten hierbij bedenken dat conflicten tussen de nieuwe staten niet altijd te vennijden zijn. De grenzen zijn destijds kunstmatig vastgesteld en gaan dwars door de et.nische gebiedseenheden heen. Voorbeelden zijn Biafra, de hoorn van Afrika en de aanspraken van het Oeganda van ldi Amin op een deel van Noord Tanzania. Naast de conflicten die daadwerkelijk zijn uitgebroken, zijn er ook de potentiële brandhaarden. Een voorbeeld daarvan zijn de spanningen

die de fascistische onderdrukkers Mirages met Exocet-raketten hadden geleverd. Moest eerst de Britse torpedobootjager Sheffield de grond in worden geboord voordat de schellen van de ogen konden vallen? Het idee dat ontwikkelingslanden die moderne wapensystemen

kopen "om niet te gebruiken" is in elk geval een illusie gebleken. In het thema voor dit nummer wordt gesproken van "vitale belangen". Vitaal heeft betrekking op vita = leven. Het is duidelijk dat leven en overleven niet zijn gediend bij de wapenhandel naar de ontwikkelingslanden, noch daar noch hier. De conclusie moet zijn dat we niet snel genoeg kunnen beginnen met de bevor· dering van een proces van demilitarisering in de ontwikkelingslanden. En hoe dan wel? Door die demilitarisering van die landen zelf te eisen, bijvoorbeeld door hulp te onthouden aan landen die veel uitgeven aan bewapening? Misschien kan er in dat opzicht inderdaad wel iets gebeuren, maar doorslaggevend zal het niet zij n. De oorzaken van het proces van militarisering liggen immers niet wzeer daar maar hier. Militarisering wordt door de geïndustrialrnIO _ _ ,.

tarisering? In noem er vier: a) Militarisering vergroot de afhanke-

lijkheid van de ontwikkelingslanden. Om de wapenaankopen te kunnen betalen zijn immers deviezen nodig. Die kunnen alleen worden verworven in een positie van koppeling aan de wereldeco-

nomie. b) Militarisering brengt een keuze mee voor een ontwikkelingsstrategie die zich richt op groei door toepassing van grootschalige technologie, economische concentratie en vergaande specialisatie in het productieproces. Multinationale ondernemingen spelen daarbij een grote rol.

c) Militarisering strekt zich ook uit tot het binnenlands bestuur. In ontwikkelingslanden voltrekken zich geregeld staatsgrepen waarna een militair regime de macht overneemt. Het bestuur wordt dan dictoriaal en gaat gepaard met on-

Uncle Sam en zijn bondgenoten. (eerder verschenen in NRC-Handelsblad op 13 december 1979).

tussen Chili en Argentini~ rond het Beagle-kanaal en een aantal eilandjes. Deze beide landen betrekken bij dezelfde westerse mogendheden hun wapens. Dat was trouwens ook het geval bij Somali~ en Ethiopi~ die beide van de Sowjet-Unie hun wapens hadden gekregen. Hoe verhouden zich nu de westerse belangen tot dit proces van militarisering? Misschien stonden velen in het Westen er nogal onverschillig tegenover - w ze al geen concrete belangen hadden bij uitbreiding van de wapenhandel - tot het moment waarop Agentini~ overging tot bezetting van de Falkland-eilanden. Toen werd plotseling alom kritiek gehoord op de opportunistische Fransen

liseerde landen bevorderd met de volgende middelen:

I. Militaire interventie. Deze kan rechslreeks geschieden wals door de Verenigde Staten in onder meer Viet· nam en door de Sowjet Unie in onder andere Afghartistan. Maar vaker nog vindt de interventie indirect plaats, wals thans door de Verenigde Staten in Midden-Amerika en door de Sowjet Unie in de hoorn van Afrika. 2. Merchandising. Bij de wapenhandel met ontwikkelingslanden wordt niet rustig afgewacht of er wel vraag is naar het produkt. Het verkopen geschiedt op 9


een bijzondere actieve manier, de zogenaamde "merchandising" . Daarbij gaat het zowel om het dumpen van verouderde wapensystemen als ook om de levering van de allemieuwste wapens. (fanzania en Oeganda kregen beide èn Migs èn moderne SAM-luchtafweerraketten van de Sowjet Unie. In de oorlog tussen deze twee Afrikaanse landen wist Tanzania met zijn SAM-systeem inderdaad drie Migs neer te schieten; twee daarvan waren van het land zelr.) De wapenhandel werkt met het welbekende principe "Doe als je buurman'" Zo kreeg eerst Tigo Mirages geleverd en wilden vervolgens ook Ivoorkust. Kameroen en Ghana supersonische gevechtsvliegtuigen hebben.

3. Hulp. Militaire hulp en opleidingsprogramma's zijn voor ontwikkelingslanden gemakkelijker verkrijgbaar dan economische bijstand. Niet zelden is ontwikkelingshulp verbonden met de verplichting ook een programma te aanvaarden voor militaire hulpverlening.

4. Het eigen voorbeeld. In hun militarisering volgen ontwikkelingslanden het voorbeeld van de geÜldustrialiseerde landen. Illustratief is de kernbewapening. Een land als India zal nooit het nonproliferatieverdrag tekenen zolang de rijke landen doorgaan met hun kernwapenstrategie. Demilitarisering zal dan ook hier moeten beginnen. We kunnen daarbij denken aan de volgende stappen: a. Conversie. De wapenindustrie moet omschakelen naar produktie voor civiele doeleinden. b. Beperking van militair onderzoek.

Het proces van produktie en verkoop van wapens begint al op de tekentafel. Een kwart van de totale uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling in de wereld gaat naar de militaire research. Bijna de helft van de onderzoekers werkt wel eens voor militaire doeleinden. Die percentages moeten worden teruggebracht. c. Internationale afspraken. Op internationaal niveau moeten afspraken worden gemaakt over de wapenhandel. Om te beginnen moeten regio's waarin sterke conflictstituaties voordoen tot "besmet gebied" worden verklaard. d. Ontwapening. De geïndustrialiseerde landen moeten zelf het voorbeeld geven in concrete ontwapeningsstappen. Wie deze lijst nog even beziet denkt al gauw aan "hemelfietserij". Militarisering lijkt in het wereldgebeuren een overheersende kracht te zijn, veel sterker dan het streven naar ontwapening. Enige hoop valt echter te ontlenen aan de snelle opkomst van een vredesbeweging, niet alleen in Europa maar ook in de Verenigde Staten. Zeker is in elk geval 10

dat het proces van militarisering door de politieke leiders van vandaag niet wordt gestopt. Als het gebeur1, dan zal het komen door het verw van mensen die in de toenemende bewapening geen bescherming maar een bedreiging van leven en overleven.

II Handel De handel tussen de geïndustrialiseerde landen (Noord) en de ontwikkelingslanden (?:uid) speelt zich af in een internationale economische orde die Zuid in zijn ontwikkeling belemmen. Toen in de tijd van het kolonialisme de landen van het Noorden invloed kregen op de economische beslissingen in de landen van het Zuiden, gebruikten zij die invloed geheel voor de verwezenlijking van eigen belangen. De aanvoer van goedkope grondstoffen en tropische landbouwprodukten werden verzekerd, terwijl industriële produkten op de nieuwe markten werden afgeze1. Zo onstond een internationale arbeidsverdeling waarbij Zuid vooral de primaire produkten mochten leveren (met vaak structureel dalende prijzen) en Noord kon profiteren van de stijgende arbeidsproduktiviteit in de industrie. Sinds de vijftiger jaren trachten de ontwikkelingslanden door gezamelijk optreden in internationaal verband daarin verandering te brengen. Er kwam een "NoordZuid dialoog" op gang. In de Noord-Zuid dialoog zaten we op een hoogtepunt van verwachtingen in 1974, vlak na het uitbreken van de oliecrisis. Een aantal verlangens werd bijeengebracht onder de naam Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO).: - Vermindering van ongelijkheid in de ruil. De prijzen van grondstoffen moeten worden gekoppeld aan de prijzen van de industrieprodukten. - Een groter aandeel van de ontwikkelingslanden in de wereldhandel en in de totale industriële produktie in de wereld. Vermindering van handelsbeiermneringen voor produkten uit Afrika, Azië en Latijns-Amerika. - Internationale afspraken over het gedrag van multinationale ondernemingen (MNO's) en over overdracht van technologie van Noord naar Zuid. - Erkenning van het recht van elke staat op het beheer van de eigen rijkdommen en natuurlijke hulpbronnen. Dit houdt het recht in buitenlandse vestigingen te nationaliseren. In 1975 werd zo'n program van eisen met grote meerderheid aanvaard door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Hierop volgde de zevende speciale zitting die geheel aan de NIEO was gewijd. Daar werd over het program in grote lijnen consensus bereikt. Toch is het de vraag of we toen al niet wat minder optimistisch hadden moeten zijn. De Ne-

derlandse minister Pronk, die de conferentie voorzat, sprak van een "commitment to commit" , een verplichting zich in de toekomst nog eens ergens toe te verplichten. Juridisch stelt dat natuurlijk niet veel voor. Van het hoogtepunt in de verwachtingen van 1974 ging het naar een dieptepunt bij de vijfde conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCfAD V) in Manilla 1979. Uit die conferentie kwam niets dan enkele nieuwe commissies. Sindsdien wordt sterk be1wijfeld of verder "onderhandelen" in deze vonn nog wel zin heeft. De verhouding tussen Noord en Zuid zit in het slop.

Internationaal is het eerste probleem hoe te onderhandelen. In Cancun (oktober 1981) werd een conferentie gehouden tussen 21 landen uit Zuid en West (Oost ontbrak daar) met het doel het vastgelopen onerhandelingsproces weer op gang te krijgen. Als probleem werd vooral gezien de neiging van de ontwikkelingslanden steeds de verlangens van de meest radicalen onder hen in het program van eisen op te nemen . In een na de conferentie verschenen CIA-rapport aan de Amerikaanse vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties wordt opgemerkt dat de ontwikkelingslanden nu geneigd zijn hun "utopiën" los te laten en compromissen te sluiten. Er blijft dan evenwel een tweede rem op vlot onderhandelen: de positiebepaling van Noord. Daar is het juist het land dat de minste concessies wil doen dat de onderhandelingspositie bepaalt. Zo stuit Nederland, dat bijvoorbeeld in de grondstoffenkwestie vergaand aan de verlangens van de ontwikkelingslanden tegemoet wil komen, eerst al in de Europese Gemeenschap op landen die minder ver willen gaan. Vervolgens wordt de E.G.-positie weer verder versmald in het overleg van de B.-groep binnen UNCfAD waar ook de Verenigde Staten deel van uitmaken.

Een tweede internationaal probleem is de vraag waarvoor te onderhandelen. De NIEO is een groeigericht concept. Maar als één ding de laatste jaren duidelijk is geweest, dan is het dat groei van het nationale inkomen niet automatisch resulteert in ontwikkeling. Brazilië is een voorbeeld van een land met een hoge groeivoet (± 8OJo per jaar). Die groei vindt met name plaats in het stedelijke gebied van Sao Paulo en Rio de Janeiro; het arme NoordOosten van het land merkt er niets van. Maar ook in de Sao Paulo-Rio regio wijzen sociale indicatoren zoals de kindersterfte, werkloosheid, het aantal mensen dat leeft onder de absolute armoedegrens, alle negatief uit. Groei blijkt geen "trickllng down" proces te zijn, een mechanisme dat welvaart ople-


minst verzadigd is. Een Nederlands bedrijf als VHF/ Stork zou zeker niet in moeilijkheden verkeren als de ontwikkelingslanden over voldoende koopkracht beschikten om machines die ze voorlopig niet zelf kunnen produceren, te kopen. Maar Noord werkt niet mee aan vergroting van de internationale geldstromen naar Zuid. In de keuze tussen bescherming van de eigen inkomenspositie door vast te houden aan ten tijde van het kolonialisme ontstane ruilvoeten en bevordering van werkgelgenheid door stimulering van de wereldhandel wordt voor het eerste gekozen . De Westerse landen blijken hun eigen vitale belangen

niet te zien.

m Ontwikkeling In het ontwikkelingsbeleid staan we voor de keuze tussen twee verschillende

scenario's.

Urbanisatie.

vert die vanzelf wel doorsijpelt naar de aller armsten. Toch is de hele gedachte van de NIEO gericht op een ander verloop van de geldstromen in de wereld waardoor in de ontwikkelingslanden de groeivoet zou worden verhoogd. Een derde internationale vraag is voor wie er wordt onderhandeld. Ook bij de conferentie van 1981 in Parijs over de MOL (de Minst Ontwikkelde Landen) werd er onderhandeld tussen rijken. De rijken van het Noorden waren daar in onderhandeling met de rijken van het Zuiden. Er is nog wel even op het internationale vlak sprake geweest van een basisbehoeften-strategie. Daar horen we tegenwoordig niets meer van. Tijdens UNCf AD V (Manilla 1979) verwierpen de ontwikkelingslanden de basisbehoeftenstrategie in een officiële resolutie. Daarin werd gesteld dat deze de "rechtmatige aspiraties van de ontwikkelingslanden" in de weg stond, en uit het Noorden afkomstig was . Dat is niet waar, de strategie is bedacht in

Olina en overgenomen door onder meer de leiders van Tanzania en Zambia, Nyerere en Kaunda. Duidelijk is intussen wel dat de vraag van de verdeling binnen de ontwikkelingslanden in de internationale onderhandelingen geblokkeerd ligt. De belangrijkste reden voor de mislukking van de Noord-Zuid dialoog ligt intussen in de kortzichtigheid van Noord. De geïndustrialiseerde landen hebben te kampen met een ernstige economische crisis die vooral tot uitdrukking komt in sterk stijgende werkloosheid. Noodzakelijk is een sterke stimulering van de wereldhandel door vergroting van de koopkrachtige vraag in gebieden waarin de vraag naar industrieprodukten aIIer-

I. Het autoritaire scenario Het autoritaire scenario is gegrond op de gedachte van ontwikkeling door groei. De ideologie van de groei is gebaseerd op de volgende waarden: I. Een volledige oriëntatie op de produktiviteit, de geproduceerde hoeveelheid per arbeider. 2. Geloof in een automatisch verdelingsmachanisme waardoor de vruchten van de groei ook de armen bereiken, het zogenaamde "trickling

down process " . 3. Aanvaarding van een positie van afhankelijkheid in de wereldeconomie. 4. Een voorkeur voor modem onderzoek en ontwikkeling (research and development, R & D) en moderne technologie.

Deze ontwikkelingsideologie leidt tot een strategie die bestaat uit de volgende elementen: a. Centrale planning en een centralistisch bestuur waarbij alle coördinatie en belangrijke besluitvorming plaatsvindt aan de top. b. Snelle industrialisatie en uitbreiding van de moderne sector. Het investeringspatroon is een kopie van dat in de geïndustrialiseerde landen. c. Samenwerking met de regeringen van de rijke landen en met de MNO's om zo de nodige technologie en kredieten te verkrijgen en de gewenste toegang tot de grote markten. Wat kunnen we nu op basis van zo'n ontwikkelingsstrategie de komende jaren

verwachten? In de eerste plaats zal het inderhandelingsproces zich blijven voortslepen van conferentie naar conferentie. Bij een echte confrontatie met Noord hebben de regeringen van Zuid geen belang. De verlangens worden daarom voortdurend doorgeschoven, steeds naar een volgen-

de conferentie. Nu al worden in het kader van de Verenigde Naties, in New Vork, Genève en andere plaatsen jaarlijks ongeveer 6.000 vergaderingen gehouden. De jaarlijkse documentatie bedraagt anderhalf miljoen bladzijden. De onderwerpen waarover wordt onderhandeld zijn nog steeds de schuldenlast (eind 1980 een bedrag van f 600 miljard), het geldstelsel (gebrek aan invloed voor de ontwikkelingslanden in de Wereldbank en in het Internationale Monetaire Fonds), de ontwikkelingshulp (het streefbedrag blijft 0,7"70 van het bruto nationaal produkt, maar nog niet de helft daarvan wordt gehaald), het groeiende protectionisme en de overdracht van technologische kennis. Daarbij komt één nieuw onderwerp dat steeds belangrijker wordt geacht: de sfeer van de onderhandelingen. Zo werden de resultaten van de energieconferentie van zomer 1981 in Nairobie al samengevat in een krantekop: GOEDE SFEER MAAR GEEN RESULTATEN. De uitkomst van de Minst Ontwikkelde Landen-conferentie in Parijs kreeg zijn beslag in de kop: GEEN VOLLEDIGE MISLUKKING . De onvolledigheid van de mislukking zat hem

daarin dat de "sfeer" tenminste goed was gebleven zodat nog met enig vertrouwen de komende conferentie in Cancun (Mexico 1981) kon worden tegemoet gezien. Die conferentie in Mexico ging vooral over de sfeer. Zij werd in 1982 gevolgd door een "Zuid-Zuid" conferentie in India waarin de sfeer nader werd geanalyseerd. Om nu de verdere gevolgen van het

autoritaire scenario te bezien moeten we onderscheid maken tussen een aantal groepen van ontwikkelingslanden: I. De OPEC-landen, de landen die behoren tot het kartel van "Oil Produeing and Exporting Countries". Voor deze landen is het grote probleem het doorsluizen (de "reclycing") van de oliedollars. Nu gaan die fmanciële overschotten naar particuliere ban ken in het Westen. Die weten echter steeds minder wat ze daarmee, bij de hoge rentestand, aarunoeten. Er is genoeg vraag naar kapitaal in de arme ontwikkelingslanden, maar het ontbreekt hen aan een vermogen tot terugbetaling. Nu al kan de Chase Manhattan Bank in New Vork de staat Zaïre zo failliet laten verklaren. Maar daarmee zijn de oliedollars nog niet terugbetaald. De OPEC-landen zullen waarschijnlijk meer rechtstreeks hun petrodollars willen uitgeven. Dat betekent dat verscheidene nieuwe steden met torenhoge gebouwen uit Arabische woestijnen zullen verrijzen. Daarnaast zullen met het geld de meest

moderne wapensystemen worden aangeschaft. 11


2. De N IC's. Dit zijn de Newly Industrialising Countries, de opkomende industrielanden. In Europa zijn dat Griekenland, Joegoslavië, Spanje en Portugal, in het Verre Oosten Zuid Korea, Taiwan, Singapore en Hong Kong en in Zuid-Amerika, Mexico en Brazilië. Deze landen industrialiseren in hoog tempo, vooral door de overbrenging van produktieprocessen van de oude geïndustrialiseerde landen naar landen met lage lonen. Die overbrenging geschiedt door de MNO's; deze planten nooit een volledig produktieproces over, maar slechts delen daarvan (assemblage). Daardoor blijven de NIC's èn voor de technologie én voor de toegang tot de markten afhankelijk van multinationale ondernemingen. Vele van deze landen vertonen het beeld van een compleet assemblagebedrijf. De steden dijen uit tot metropolen (Seoel en Sao Paulo bijvoorbeeld) en met name de krottenwijken worden kolossale concentraties van armoede.

3. De NOPEC-Ianden . Deze term gebruiken we voor de groep landen die noch over olie beschikken noch over enige andere grondstof waarmee in de internationale handel deviezen kunnen worden verdiend. Zij betalen de prijs voor duurdere energie in de vorm van stilliggende fabrieken, stagnerend transport en vissersboten die in de haven blijven liggen . De grote schuldenlast van de ontwikkelingslanden ligt niet bij de NOPECgroep maar bij de NIC's . De NOPEClanden krijgen de kredieten al niet meer, de NIC's daarentegen houden de banken van het Westen in gijzeling want als zij niet meer terugbetalen gaan die banken over de kop. Binnen de NOPEClanden groeit de ongelijkheid. Militarisering van het bewind stelt de machthóbers in staat de armoede zeer ongelijk te verdelen. De wapens moeten natuurlijk wel betaald worden en daarvoor zijn deviezen nodig. Met een op

export gerichte landbouwproduktie (koffie, suiker, cacao en dergelijke) worden de deviezen verdiend. Dit gaat evenwel ten koste van de voorzieningen in de eigen voedsel behoeften . Nu groeit het voedseltekort in de hele groep van ontwikkelingslanden met Y, "70 per jaar. Zestig miljoen mensen sterven jaarlijks van de honger.

2. Het solidaire scenario Het wordt tijd onze aandacht te geven aan een hoopvoller ontwikkeling dan de bovengeschetste. Deze vraagt echter wel ingrijpende veranderingen, in Noord, in Zuid en internationaal . Het solidaire scenario gaat uit van de gedachte van ontwikkeling vàn en door mensen . Het is gebaseerd op een ontwikkelingsideologie die uitgaat van de volgende waarden: I. Oriëntatie op de behoeften van mensen en in het bijzunder op de basisbehoeften; 2. Ontwikkeling van onderop. Dit leidt tot een ontwikkelingsstrategie op basis van de volgende elementen: a. de vergroting van het vermogen tot zelfstandigheid (selfreliance); b. een technologie die is aangepast aan de mogelijkheden van de mensen zelf om in hun behoeften te voorzien (aangepaste technologie). Een ontwikkeling volgens dit scenario begint in de ontwikkelingslanden zelf. We beginnen dan ook daarmee. A. Zuid

De ontwikkelingslanden moeten in de eerste plaats gericht zijn op versterking van hun eigen vennogen om armoede te

bestrijden. In een commentaar op de mislukkingen van het streven naar een NlEO zegt de Pakistaan Mahbub UI Haq: "Gemakshalve werd vergeten dat zo'n orde grotendeels door eigen aC1ie zal ontstaan, door het versnellen van de eigen economische ontwikkeling, door binnenlandse hervormingen en door het zich organiseren om bestaande fouten recht te zetten" . Die hervonmingen zullen er komen wanneer de bevolking van de ontwikkelingslanden zelf een politieke kracht wordt. Nu laat die bevolking, zowel op het arme platteland als in de krottenwijken van de steden, zich nog gemakkelijk marginaliseren. De hoop op het andere scenario wordt gevoed door de wetenschap dat er grenzen moeten zijn aan het geduld van de armen. B. Noord

NOPEe-economie

12

Ontwikkelingslanden die kiezen voor vergroting van hun vermogen tot zelfstandigheid (self-reliance) zullen streven naar vermindering van hun afhankelijkheid van de internationale handel. Maar dat gaat natuurlijk niet van de ene dag op de andere. Deze landen zouden gebaat zijn bij een inkomensover-

dracht van Noord naar Zuid die hen in staat stelt een eigen industrieel vermogen op te bouwen. Dat is, zoals we al zagen, ook in het belang van de werkgelegenheid in Noord. Dan zou ook tijd gewonnen worden in het proces van internationale herstruC1urering dat zich zeker voortzet maar waarvan het tempo nog wel kan worden beïnvloed. De wereldhandel moet nu de zo nodige stimulans krijgen en dat kan maar op ren manier: overheveling van koopkracht "aar de landen waarin de vraag niet verzadigd is, ofwel van Noord naar Zuid. Alles wat van Noord wordt gevraagd, is het stellen van een prioriteit van werkgelegenheid boven inkomen. Bijzonder kortzichtig zou het zijn een antwoord op de financieel-economische crisis te zoeken in protectionisme. Uit een Amerikaans onderzoek is gebleken dat elke door protectionisme behouden arbeidsplaats de belastingbetaler daar f 100.000,- per jaar kost.

C. Internationaal Niet alleen door het verstrekken van onbaatzuchtige ontwikkelingshulp kan de koopkrachtige vraag in Zuid worden vergroot. Internationaal is er de mogelijkheid de speciale trekkingsrechten die het Internationale Monetaire Fonds (IMF) schept, in het bijzonder toe te delen aan de landen met de grootste kapitaalbehoeften. Dat wordt de koppeling genoemd (de link). Ook een nieuwe koppelingsgedachte past in het solidaire scenario: tussen ontwapening en ontwikkeling. De wereld geeft nu evenveel uit aan wapens als 2 Y, miljard mensen in ontwikkelingslanden moeten besteden voor hun dagelijks overleven. Waar Oost en West afspraken maken over ontwapening moeten die ook geconcretiseerd worden in vermindering van de bedragen die zij aan wapens uitgeven en beschikbaarstelling van die bedragen voor bestrijding van armoede. Het meest schrijnende aspeC1 van de armoede is de honger. Dat elk jaar 60 miljoen mensen daaraan sterven, elke twee seconden vijf, waarvan ren kind, is onaanvaardbaar. Dat zou de mensheid niet mogen aanvaarden en dat zijn feiten die ieder mens of die nu links of rechts is, moeten aanspreken. Zoiets mag niet. We weten wel dat de tijd van de voedselhulp voorbij is en dat we van de voedselhulp veel ellende hebben gezien, maar er is nog wel wat anders mogelijk dan alleen maar wachten op die hele lange termijn waarin de hele maatschappij beter is geworden . Het is mogelijk ons te richten op de eigen produktiemogelijkheden van de mensen. Hoe kunnen de mensen, die in 1e situatie van de honger zitten, zelf meer produceren voor de voorzieningen en de behoeften van hun gezin? En dat betekent: wat kan er worden gedaan binnen de zelfvoorzieningseconomie?


Nederland en militair optreden buiten het Navo verdragsgebied Inleiding In zijn "State of the Union message" op 23 januari 1980 verklaarde de Amerikaanse president Carter: "Any attempt by any outside force to gain control over the Persian Gult region will be regarded as an assault on the vital interests of the United States and such an assault wil/ be repel/ed by any means necessary, including miltary force "1). De facto vormt dit de politieke basis voor de Amerikaanse Rapid Deployment Joint Task Force (RDJTF), interventiestrijdkrachten die overal ter wereld, doch met name in het gebied van de Perzische Golf, kunnen worden ingezet. Er vanuit gaande dat ook de Europese bondgenoten vitale belangen in deze regio hebben, is vanaf de oprichting van de RDJTF de NAVO-partners verzocht hierin te participeren. Vooral na de Sowjet-inval in Afghanistan, de revolutie in Iran en de oorlog tussen Irak en Iran hebben de Verenigde Staten WestEuropa erop gewezen dat het voor ruim zestig procent van de aanvoer van ruwe olie uit deze regio afhankelijk is. Naar mening van de Amerikanen is deze aanvoer van essentieel belang voor de economie in West-Europa en daarmee voor het bestaan van het bondgenootschap. De Europese NAVOlidstaten betrachten evenwel een zekere terughoudendheid in het deelnemen aan de door de Verenigde Staten voorgestelde "NAVO-interventiemacht". In de navolgende bijdrage zullen we de Amerikaanse RDJTF analyseren alsmede de mogelijkheden, maar vooral onmogelijkheden voor Nederland buiten het NAVO - gebied militair op te treden. Vervolgens zal worden bezien in hoeverre er alternatieven bij een dergelijk optreden mogelijk zijn.

Ontwikkeling is tot nog toe helemaal ge· baseerd geweest op de gedachte "mensen moeten uit die zelfvoorzieningseconomie komen en voor de markt gaan produceren" , Er zijn echter enorme verbeteringen mogelijk in de hoeveelheid en de kwaliteit van het voedsel dat mensen voor zichzelf produceren. Daar zijn tal van voorbeelden van. We moeten die voorbeelden opsporen en kijken hoe langs soortgelijke weg in andere landen de nood kan worden belenigd. Dat zal dan toch assistentie vragen. In een jaar· lijks te houden anti-honger beurs kunnen de gebieden waar de nood groot is in kaart worden gebracht en kunnen af· spraken worden gemaakt over concrete anti-honger programma's. Van de overheden valt de organisatie van w'n beurs voorlopig nog niet te verwachten. Die

schamen zich, want ze weten dat zij aan het voortduren van de honger mede· schuldig zijn. Daarom zullen die nietgouvernementele organisaties (NGO's) hier het voortouw moeten nemen .

Majoor Groot is werkzaam als hoofd van het Bureau Politiek-strategische Zaken van de Landmachtstaf. Dit artikel geeft uitslui· tend zijn persoonlijke visie weer.

De RDJTF De RDJTF vond zijn basis reeds in 1977 in een geclassificeerde studie van het Office of the Secretary of Defence, het Presidential Review Memorandum· 10. 2) In deze studie werd een aanzet gegeven tot een strategie voor "general purpose force in non·NA TQ·situations ", strijdkrachten die zelfstandig konden opereren in verafgelegen gebieden. Initieel werd daarbij gedacht aan Korea, het Midden-Oosten en de Perzische Golf. Mede onder invloed van de gebeurtenissen rond de Perzische Golf kwam de ontwikkeling van deze strijdkrachten in een stroomversnelling en 1 oktober 1979 maak· te president Carter de oprichting van de RDJTF bekend. Het concept dat hierbij werd gevolgd, is betrek· kelijk eenvoudig. In Tampa, Florida, werd een hoofdkwartier opgericht en uit bestaande eenheden werd een keuze gemaakt van die eenheden, welke mogelijk aan een opera· tie konden deelnemen. Geen nieuw op te richten eenheden dus, maar reeds bestaande onderdelen. Vanuit het hoofdkwartier wordt d.m.V. "contingency planning" de inzet van de eenheden voorbereid en ge· coördineerd, d.W.Z. dat er plannen

Het zal de lezer niet zijn ontgaan dat in dit stuk meer werd gesproken over Noord dan over West. Het ondergeschikt maken van de Noord-Zuid relaties aan de Oost-West verhouding doet tekort aan de werkeUjk vitale belangen: leven en overleven. Binnen een op OostWest basis gepolariseerd kader ligt een verdere verslechtering van de verhouding tussen het Westen en de ontwikkeUngslanden in de Ujn der verwachtingen. Zo'n ontwikkeling kan slechts worden venneden door een consequente keuze voor de solidaire scenario.

13


worden gemaakt, gericht op verschillende denkbare situaties. De RDJTF heeft dan ook geen vaste samenstelling, maar kan naar gelang de omstandigheden variêren. In het geval dat een volledige inzet noodzakelijk is, zou de omvang zo'n 110.000 man bedragen. 3) Deze komen voort uit de Army, Marines, Navy en Air Force. Probleemloos is een eventuele inzet echter nie!. De inzet van eenheden in de eerder genoemde gebieden vergt een enorme behoefte aan transportmiddelen, vooral schepen en vliegtuigen. Ondanks het feit dat de Verenigde Staten een groot aantal van deze middelen heeft, mogen we de capa· citeit niet overschatten. Zo is het grootste Amerikaanse transport· vliegtuig, de C-5A Galaxy, slechts in staat één M-1 tank te vervoeren. In· dien de eenheden ter plaatse zijn, moet een operatie logistiek worden ondersteund, hetgeen wordt bemoeilijkt door extra lange aanvoerlijnen en het vooralsnog ontbreken van bases ter plaatse.

Militaire wensen Vanuit militair oogpunt gaat de voorkeur uit naar een mix van middelen, d.w.z. luchttransport, zeetransport en vooruitgeschoven bases, waar zich een deel van de militaire uitrusting bevind!. Luchttransport is noodzakelijk om snel te kunnen reageren en in korte tijd troepen naar het betrokken gebied over te brengen. Zeet rans port is verreweg het belangrijkste voor de logistieke ondersteuning van een operatie, waarbij valt te denken aan de aanvoer van zwaar materiaal, brandstof en munitie. Uit ervaringen in de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Vietnam blijkt 90-95 % van de aanvoer van genoemde goederen per schip plaats te vinden. Vooruitgeschoven bases, hoewel militair gewenst, brengen hun eigen problemen met zich mee. Een vooruitgeschoven basis kan bij verandering van de acceptatie door het gastland zelf een bron van span· ning worden en de inzet van militaire eenheden veroorzaken doordat een sterkere beveiliging noodzakelijk word!. Een dergelijke " self full· filling prophecy" moet natuurlijk worden vermeden. Bovendien is voor een betrokken eenheid een dubbele hoeveelheid materiaal nodig, zowel in het moederland voor oefendoeleinden als overzee.

De militaire noodzaak van bondschappelijke steun Indien we teruggaan naar de RDJTF, blijken de Amerikanen juist in verband met de problemen m.b.!. 14

5,40<01ARABIE

o

~'VAIl!t

INDISCHE ~{EAA'"

..

~AC". lrE7r

vs

E"TflIOPIE

de logistieke ondersteuning en het transport te pleiten voor een Europese deelname. Natuurlijk spelen ook politieke belangen een rol. De Verenigde Staten zullen bij een eventueel optreden in de Perzische Golf willen vermijden als enige land de zwarte piet toegeschoven te krij· gen. De militaire problemen mogen evenwel niet onderschat worden. In het gebied van de Perzische Golf beschikken de Verenigde Staten slechts over een beperkt aantal faciliteiten. Geopereerd kan worden vanuit Diego Gareia, Egypte (voornamelijk Ras Banas aan de Rode Zee), Omar (Masirah), Somaliê (vanaf de voormalige Russische basis Berbara) en Kenia (waar de Amerikanen toegang hebben tot Momba· sa International Airport)4). Naast Israêl heeft alleen Egypte te kennen gegeven Amerikaanse materiaalopslag op zijn grondgebied toe te laten. Als we ons realiseren dat de voornaamste basis, dat is Diego Gareia, nog altijd 2000 zeemijlen van de Perzische Golf verwijderd is, valt het te begrijpen dat Europese steun de Amerikanen zeer welkom zou zijn. Een tweede probleem betreft de benodigde maritieme middelen en transportmiddelen. Zelfs de Verenigde Staten beschikken over onvoldoende vlooteenheden, civiele zeeschepen en vliegtuigen om een operatie van een enige omvang in het gebied van de Perzische Golf te kunnen steunen zonder dat deze middelen aan een ander theater

onttrokken moeten worden. Ook vanuit dit militair oogpunt is steun van de Europese bondgenoten onontbeerlijk, temeer daar niet uitgesloten mag worden dat het oplopen van de spanning in zowel Europa als het Golfgebied gelijktijdig kan plaatsvinden.

De Westeuropese terughoudendheid Waaruit valt de Europese en ook de Nederlandse terughoudendheid m.b.!. deelname aan de RDJTF nu te verklaren? Daartoe is het van belang de politieke overwegingen in Europa en de Verenigde Staten met elkaar te vergelijken. De Europese NAVO-lidstaten realiseren zich ter· dege het belang van stabiele verhoudingen in het Midden-Oosten en het gebied van de Perzische Golf. Vanuit een eeuwenlange presentie ter plaatse worden politieke ontwikkelingen echter anders geïnterpreteerd dan door de Verenigde Staten. Economische steunverlening en het leveren van militaire bijstand worden in Europa eerder als effectieve middelen tot beïnvloeding van de politieke situatie beschouwd dan militaire interventie. Vergeleken met een aantal Westeuropese landen, willen de Verenigde Staten een wat "hardere" internationale politieke koers gaan volgen. De regeringReagan heeft dit duidelijk aangekondigd en een voorbeeld hiervan is de druk die op de bondgenoten wordt uitgeoefend om een hardere houding jegens de Sowjet-Unie aan te nemen inzake Afghanistan en


Polen. Een factor die voorts van belang is, is dat de dreiging van het Warschau-Pact i n Europa eerder is toegenomen dan afgenomen. Dit vervult de Europese leden van de Alliantie met zorg en vanuit deze invalshoek heeft de NAVO·inspanning de hoogste prioriteit. Verder zal bij een verslechtering van de economie de schaarste aan financiêle middelen bij de overheid toenemen. Dit kan op zichzelf al een reden zijn de deelname aan acties buiten het NAVO·verdragsgebied onmogelijk te maken onder afweging van de daaraan verbonden risico's. Tenslotte kan een militaire bijdrage buiten het NAVO·gebied alleen plaatsvin· den, indien dit door een groot deel van de bevolking wordt gesteund. Het zal duidelijk gemaakt moeten worden dat er sprake is van de bedreiging van werkelijk vitale belangen. Ook in dit opzicht valt een dui· delijk verschil waar te nemen tussen de Verenigde Staten en West· Europa.

De Nederlandse positie De Nederlandse positie staat het best omschreven in de Memorie van Toelichting bij de Begrotinng van Defensie van 1981: 5) " De ontwikkelingen in Afghanistan en Iran sinds eind 1979 bevestigen, dat bij het veiligheidsbeleid ook met ontwikkelingen buiten het NAVO-verdragsgebied rekening moet worden gehouden. De verkla-

ring van Ottawa (1974) doelt op een zodanige mogelijkheid. Uitbreiding van het NAVO· verdragsgebied is niet aan de orde. Wel worden nauwere consu Itaties met de bondgenoten over de gebeurtenissen bui· ten het gebied, die onze veiligheid rechtstreeks kunnen raken, nodig geacht". Uit deze formulering mag niet worden afgeleid dat Nederland· se strijdkrachten niet buiten het NAVO·gebied zouden kunnen optreden. Een dergelijk optreden zal echo ter niet in NAVO-verband plaatsvin· den.

Nederland nu al buiten het NAVO-gebied Reeds nu treden Nederlandse strijdkrachten buiten het NAVO-gebied op. Hoewel dat niet altijd in verband wordt gebracht met de bescherming van vitale belangen, is hier in zekere zin wel sprake van. Het is ook in het belang van Neder· land dat er in het Midden-Oosten stabiele verhoudingen zijn. Vanuit die visie is de Nederlandse deelname aan UNIFIL in Libanon en de " Multinational Force and Observers" (MFO) in de Sinaï goed verklaarbaar. Bij elkaar betreft dit overigens eenheden met een totale sterkte van bijna duizend man. Ook de verdediging van de Nederlandse Antillen vindt buiten het kader van de NAVO plaats. Het Koninkrijk strekt haar grenzen en daarmee haar vita-

...... ..:,..

" .:.:, .... ~

Ie belangen immers uit tot buiten het verdragsgebied. In vredestijd zijn hiertoe een paar honderd mariniers, een stationschip en een detachement Fokker F-27 Maritime patrouille-vliegtuigen op de Antillen aanwezig. In tijden van lokale of regionale spanning kan op een uitbreiding van de aldaar aanwezige strijdkrachten worden gerekend.

Keuzemogelijkheden voor Nederland Indien we de Nederlandse opstelling inzake militair optreden buiten het NAVO-verdragsgebied nader analyseren, kan het volgende worden vastgesteld: - Primair zal Nederland in een conflict-situatie diplomatieke stappen nemen om tot een oplossing te komen. Deze stappen zullen zoveel mogelijk in bondgenootschappelijk verband plaatsvi nden. Aanwezige kaders hiervoor zijn de NAVO en de Europese Politieke Samenwerking. - Pas in tweede instantie volgen politieke en economische maat· regelen, zo mogelijk in EG· landen, waarbij zowel steunverlening als sancties tot de mogelijkheden behoren. - Indien de crisis- of conflictsituaties diplomatiek overleg, politieke druk en economische maatregelen niet het beoogde resultaat opleveren, eerst dan zal Ne-

:':7' ....

'Primair zullen in een conflictsituatie diplomatieke stappen genomen moeten worden ' (eerder verschenen in NRG-Hande/sblad op 22 mei 1981)

15


derland een gewapend optreden overwegen. - Zo'n gewapend optreden zal bij voorkeur plaatsvinden in samenwerking met bondgenoten waar· van de vitale belangen eveneens op het spel staan en pas nadat hierover bondgenootschappelijk overleg is geweest. Zo'n ad hoc samenwerkingsverband kan dan worden afgewogen tegen de verzwakking van de strijdkrachten van de NAVO. - Een optreden in NAVO·verband wordt afgewezen, omdat dan sprake is van een oneigenlijke uitbreiding van het NAVO· verdragsgebied.

Vormen van militaire steun Terugkerend naar de Amerikaanse RDJTF staan Nederland mOQelijk· heden ter beschikking deze strijdkrachten te steunen. Het zal duidelijk zijn dat hierbij niet primair wordt gedacht aan een directe deelname. In verband met de dreiging binnen het NAVO-gebied zal mogelijk de noodzaak bestaan de leem· ten die ontstaan door de onttrekking van VS-strijdkrachten op te vullen. Hierbij kan ook Nederland een actieve rol spelen. Een tweede vorm van steunverlening kan worden gevonden in het ter beschikking stellen van facilitei· ten, zoals havens en vliegvelden, voor de doorvoer van eenheden en voorraden van de RDJTF. De aanvoerlijnen naar de Perzische Golf bijvoorbeeld zijn vanuit WestEuropa aanmerkelijk korter dan van· uit de Verenigde Staten. Bij militaire steunverlening in deze vorm kunnen we denken aan de opvang van eenheden, overslag van goederen, onderhoudssteun, verbindingssteun, e.d .. In welke vorm dit moet gebeuren, laat zich echter moeilijk bij voorbaat vaststellen . Ook Nederland zal een soort " contingency planning " moeten toepas· sen voor de militaire steunverlening aan de RDJTF, afgestemd op de Amerikaanse plannen. Dit betekent dat verschillende situaties nader geanalyseerd, uitgewerkt en in plannen omgezet moeten worden. Vervolgens dienen deze plannen in bilaterale overeenkomsten vastgelegd te worden. Bij een daadwerkelijk ad·hoc optreden ligt de situatie nog moeilijker. Nederland mist in feite een beden die overal ter wereld kunnen worden ingezet, of omdat zij daartoe niet zijn uitgerust of omdat ze niet adequaat zijn opgeleid. Een uitzondering hierop vormt wellicht de Koninklijke marine. Maritieme een16

heden, met name oorlogsschepen, zijn weliswaar een tastbare vorm van machtsvertoon, maar met een beperkte invloedssfeer. Bovendien zou een Nederlandse bijdrage substantieel moeten zijn om te voorkomen dat wij in een ondergeschikte rol in een militair avontuur verzeild raken. Bij een dergelijke adhoc operatie van een aantal NAVO· landen, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland, zijn er nog legio praktische problemen. Er moeten procedure afspra· ken worden gemaakt, het gezamenlijk optreden moet worden gecoördineerd, er dienen " rules of engagement" te worden opgesteld, er moeten verbindingsplannen worden opgesteld, de logistieke steun moet zijn geregeld, enz. 6) Om een waardevolle bijdrage te leveren dienen behalve oorlogsschepen ook vlieguigen en een contingent landstrijdkrachten, mogelijk doch niet noodzakelijk mariniers, deel uit te maken van zo'n ad·hoc verband. Eerst dan kan Nederland op een geloofwaardige wijze deel uitmaken van een multinationaal verband, dat mogelijk in samenwer· king met de RDJTF optreedt. Dit betekent echter een Nederlandse strijdmacht van een dusdanige om· vang, dat alleen al uit kostenover· wegingen ernstig moet worden getwijfeld over de politieke haalbaarheid, nog afgezien van de materiêle en personele censequenties.

Randvoorwaarden voor mogelijke keuzes Welke alternatieven staan er nu voor de Europese bondgenoten en met name Nederland open om buiten het NAVO-verdragsgebied militair op te treden? Hiertoe zullen we eerst bezien aan welke randvoorwaarden een dergelijk optreden moet voldoen. De inzet van militaire middelen is eerst en vooral een politiek besluit. Voor een optreden buiten het NAVO-gebied door meerdere bond· genoten moet daarom een gemeen· schappelijke pol itieke doelstelling bestaan. Dit is een complicerende factor omdat er naast de eerder beschreven verschillen in opvatting tussen de Verenigde Staten en West-Europa ook zeker verschillen tussen de Europese bondgenoten onderling zullen bestaan. Toch is een gemeenschappelijke politieke doelstelling voorwaarde voor een gezamenlijk militair optreden. Een tweede randvoorwaarde betreft de omvang van de militaire bijdra· ge. Deze zal zo min mogelijk ten koste mogen gaan van de NAVO-

verdediging , waarbij de kostenfac· tor niet de minst belangrijke is. De derde voorwaarde betreft de aard van de militaire bijdrage. Eenheden zullen goed moeten zijn opgeleid, bijvoorbeeld voor een optreden in woestijngebieden, en over aangepaste uitrusting moeten beschikken. De laatste voorwaarde betreft de politieke en militaire invloed op een dergelijk optreden. Zowel de politieke besluitvorming als de militaire besluitvorming en bevelvoering dient gebaseerd te zijn op een evenwichtige samenstelling van de militaire middelen naar nationaliteit. Evenredige vertegenwoordiging in commando-organen en een goed systeem voor " command, control, communications and intelligence" (Ol) zijn hierbij noodzakelijk.

Een theoretisch model Theoretisch heeft Nederland de volgende mogelijkheden voor een militair optreden: Alleen of samen met een aantal bondgenoten en d.m.v. permanente presentie of op ad-hoc basis. Deze vier mogelijkheden kunnen met elkaar worden gecombineerd. Een voorbeeld van nationaal optreden d.m.v. permanente presentie wordt gevormd door de militaire bijdrage aan de Nederlandse Antillen. Indien we de randvoorwaarden en theoretische mogelijkheden met elkaar in verband brengen, ontstaan voor een militair optreden in bijvoorbeeld het gebied van de Perzische Golf de volgende alternatieven: - Alleen d.m.v. permanente presentie. Deze mogelijkheid moet gezien de noodzakelijke omvang bij voorbaat uitgesloten worden geacht. - Alleen op ad·hoc basis. Voor deze mogelijkheid geldt eveneens dat de noodzakelijke omvang de Nederlandse defensieinspanni ng te boven gaat. - Samen met een aantal bondgenoten d.m.v. permanente presentatie. Reeds eerder is gepleit voor een permanente presentie in de vorm van een multi· nationale vlooteenheid ter bescherm i ng van Westeuropese vitale belangen.'1Toch bestaan hiertegen zowel politieke als militair· technische bezwaren. 8) Permanente stationering van land- of luchtstrijdkrachten lijkt gezien de politieke situatie in de regio voorhands uitgesloten. - Samen met een aantal bondgenoten op ad-hoc basis. Deze mogelijkheid , die Nederland nu ook openlaat, lijkt het meest voor de hand te liggen. Militair gespro-


ken is de oplossing niet ideaal. Noch over de polit ieke besluitvorming, de planning, de wijze van optreden, de aard en omvang van de bijdrage, de samenwerking met andere landen en de opleiding kunnen anticiperende maatregelen worden getroffen. Men kan zich echter afvragen of hieraan niet iets gedaan kan worden.

Toch een alternatief? Nader beschouwd biedt gemeenschappelijk optreden buiten het NAVO-gebied de enige mogelijkheid om een verantwoorde militaire bijdrage te leveren zonder al te veel afbreuk te doen aan de gemeenschappelijke NAVO-defensie. Waar het om gaat is natuurlijk met welke politieke doelstelling dit gebeurt. In aanmerking genomen dat alleen de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en mogelijk WestDuitsland in staat zijn, gezien hun militaire middelen, voldoende gevechtskracht te ontplooien, moet de doelstelling van de kleinere NAVOlanden wel anders zijn. Het gaat hier duidelijk om solidariteit en het kenbaar maken van medebetrokkenheid en juist daaraan kan op een andere wijze gestalte worden gegeven. In analogie met de ACE Mobile Force9) van de NAVO, kunnen de Europese bondgenoten met bescheiden nationale bijdragen een strijdmacht met grote strategische mobiliteit doch zonder significante gevechtskracht formeren, waarvan bij de inzet een duidelijk politiek signaal uitgaat. 10) Een dergelijk politiek signaal is niet zozeer gericht op de regionale staten zelf, doch meer op de Sovjet-Unie en haar bondgenoten. Naar verwachting zal alleen in het geval dat een conflictsituatie zich in de Oost-Westverhouding en niet in de NoordZuid-verhouding voltrekt, sprake zijn van de vereiste solidariteit en dus ook van een gemeenschappelijke doelstelling om het optreden van een "waarschuwings-strijdmacht" mogelijk te maken. Zo'n strijdmacht kan worden ingezet op verzoek van een bedreigd land en kan buiten NAVO-verband naast de Amerikaanse RDJTF of wel misschien daaraan voorafgaand optreden.

dien een gemeenschappelijk besluit zou worden genomen tot oprichting van een dergelijke strijdmacht, is de tijd benodigd tussen politieke consultaties en besluitvorming en de daadwerkelijke inzet van militaire eenheden aanmerkelijk verkort, zeker als hierbij pre-condities zijn vastgesteld. Natuurlijk zijn er ook nadelen aan een dergelijke conceptie verbonden. Veelal zijn spanningen rondom de Perzische Golf het gevolg van binnenlandse moeilijkheden in de landen van de regio. Iran is hier een treffend voorbeeld van. In dat geval is inzet van een hiervoor beschreven Europese strijdmacht uiterst discutabel. Voorts heeft ook zo een strijdmacht, evenals de RDJTF, het probleem van de benodigde faciliteiten, zoals havens en vliegvelden, zij het in meer beperkte mate. In een afweging van voor- en nadelen lijkt een West-Europese strijdmacht die snel ter plaatse is en waarvan een duidelijke politieke signaalwerking uitgaat ook voor Nederland het meest aangewezen alternatief voor een militair optreden in de Perzische Golf.

Samenvatting Antwoord gevend op de vraag welke mogelijkheden Nederland openstaan buiten het NAVO-gebled militair op te treden kan het volgende naar voren worden gebraCht: Ons land kan, behalve bij de Nederlandse Antillen, alleen In samenwerking met bondgenoten op effectieve wijze buiten het NAVOverdragsgebied militair optreden. Veel hangt af van de politieke doelstelling waarmee dit gebeurt_ Voor de kleine Europese bondgenoten lijkt oprichting van een strategisch mobiele strijdmacht met een aangepaste gevechtskracht om een politiek signaal van betrokkenheid te geven een re毛el altematief. De Amerikaanse RDJTF kan in dat geval als hoofdmacht worden beschouwd. Een Nederlandse deelname aan de RDJTF is voorshands uitgesloten_ Volstaan moet worden met het leveren van steun en het mogelijk opvullen van leemten die als gevolg van een ontplooing van de RDJTF in de NAVO-verdediging kunnen ontstaan_

Noten. 1) US Department of Detence Appropiat ions tor 1982; Hearings betore the Subcommi ttee on the Department of Defense; Part 4, op ei t., blz 203. 2) US Library of Congress , Co ng ressiona l Research Service; " Rapid Deployment Force", Iss ue Brief Number 18 80027, dd 040381, blz. 1. 3) Ibld, b lz 3. 4) David R. Griff ith s, "' Rapld Depl oy ment Scrutlnized" , Aviation Week and Space Technology, March 16, 1981 , blz. 14 5) Memorie va n Toelichting op de Defensiebegroti ng 1981, op cit., b lz. 5. 6) J.D. Backer, " De Nederlandse zeemacht en de Perzi sc he Golf ", Internationale Spectator 35-8, augustu s 1981 , blz. 458. 7) A.G.C. Kok en C.W. Mabesoone, " De in-

vloed van de veranderde energiesi tuatie op mari tieme mogelijkheden", Mars in Cathedra 47, 15 oktober 1980. 8) Naar mening van schrijver goed verwoord in het artikel van J.D. Backer, zoals ge路 noemd in noot 6. 9) De ACE Mobi le Force (AMF) werd 15 december 1961 door de NAVO opgericht. Zes landen leveren een bijdrage aa n deze st rategisch mobiele strijdmacht met het doel de verbondenheid van de NAVO in elk deel van het gebied (vnL op de flanken) duidelijk te maken. Zie ook van de NATO Information Service " NATO Facts and Flgures 1976" , biz

50. 10) Bij het sem inair " All iance and Natlonal Interests", van 11路15 januari 1982 georganiseerd door de Universiteit va n Oxford, is een soortgelijk idee reeds naar voren gebracht door Colonel J. AUord , Deputy Director van het International ln stitute for Strategie Studies te Londen.

R. Groot, Majoor der Genie_

Eenheden kunnen van te voren worden aangewezen, zij kunnen oefenen en de samenwerking en procedures beproeven. Vanuit militaire overwegingen zijn dit allemaal voordelen. Doch ook vanuit politieke overwegingen zijn er voordelen. In17


"Eigenbelang is niet in ons belang". Verslag van een gesprek het Midden-Oosten specialist Dr. Biegel. Or. Biegel begint met een uiteenzetting te geven van wat naar zijn mening de grootste belangen van het Westen in het Midden-Oosten zijn . In de eerste plaats is dat de energievoorziening of liever gezegd zijn dat de oliebelangen. In de tweede plaats heeft het M.O. strategische waarde omdat het de verblinding vormt van drie continenten. Van belang voor het Westen is verder dat er een vorm van accommodatie komt tussen de Arabische wereld en Israël, gezien mede de betrokkenheid van de westerse landen met Israël. Hij ziet die betrokkenheid zowel op het historische als politieke en culturele vlak . "En" , zo vervolgt hij, "mede door de achtergronden van wat er met het Joodse volk in WO II is gebeurd, is de betrokkenheid alleen maar vergroot. Aan de andere kant beginnen vele westerse landen te beseffen dat er ook een Palestijns probleem is. En dit geeft op zich weer een extra instabiliteitsfactor" .

Dit laatste wordt door Or. Biegel gezien als één van de belangrijkste bedreigingen van de westerse belangen . Hij beschrijft dat het M.O. momenteel wordt benaderd vanuit een zich opnieuw doorzettend koude oorlog syndroom. Hij acht de politiek van de huidige amerikaanse regering met zijn strategische consensus ideeën daarvoor verantwoordelijk. Biegel: "Dat is een politiek die er op gericht is om de Arabische cliënten van de Verenigde Staten ertoe te brengen om samen met Israël een band aan te gaan om de invloed van de Sovjet Unie in dat gebied roveel mogelijk terug te dringen. De invloed van de Sovjet Unie wordt met name gevaarlijk geacht voor de oliebelangen. In die strategische consensus rou Saoedi Arabië, tot de tanden toe gewapend, de spil moeten worden, op de flanken gedekt door Israël en Egypte . Op deze wijze tracht de Verenigde Staten het M.O. een nieuwe orde op te dringen, hopende dat daarmee het Palestijnse probleem naar het tweede plan geworpen zou worden en wat zijn enorme conflict verwekkende potentie rou verliezen. Voorlopig echter is de regering Reagan daar nog niet in geslaagd. Want toen Alexander Haig vorig jaar hun Arabische cliënten voor deze ideeën trachtte te winnen, kreeg hij duidelijk te horen van de Arabische leiders dat, alhoewel de Sovjet-Unie pogingen onderneemt om haar invloed uit te breiden , het Palestijnse probleem voor hun primair bleef staan. Men wilde de wapens wel hebben, ro heeft Saoedi-Arabië immers Awacs vliegtuigen van de Verenigde Staten gekregen, maar het Palestijnse vraagstuk mocht niet op het tweede plan

Or. Biegel, geïnterviewed door JASON's hoofdredacteur.

geraken " .

Van belang voor het Westen is tevens het instandhouden van de culturele banden met het Midden-Oosten , omdat er volgens Or. Biegel daar een intelligentia is, gezeten op de leidende posities, die voor wat betreft hun denken en een deel van hun cultuur op het Westen gericht zijn. Tevens supt hij de financiee/~conomische binding aan met het Midden-Oosten . Want terwijl het Westen olie uit het Golfgebied betrekt lijken in omgekeerde richting vele industriële produkten gretig aftrek te vinden, "maar een kwalijk aspect hierbij" zegt Or. Biegel, "is dat men het 18

M.O. ook als een goed afzetgebied ziet voor de wapenindustrie, waarmee de stabiliteit van dit gebied wordt ondergraven . Juist die wapenleveranties, c.q. het hebben van cliënten die aangewezen zijn op die westerse wapenhulp kan de Sovjet -Unie ertoe brengen om eveneens een netwerk van cliënten op te bouwen aan wie wapens geleverd kunnen worden. En daarmee krijg je een bewapeningswedloop waarvan je nooit zeker kunt zijn dat je die in de hand houdt. En dat is een gevaarlijke ontwikkeling" .

Or. Biegel gaat vervolgens in op het onderscheid in de amerikaanse politiek tussen de cold warriors, de koude oorlog plannenmakers, en de regionalisten. Deze laatsten zijn zich bewust van de mondiale tegenstellingen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie maar zij zijn van mening dat deze de conflicten in de regio's niet mogen overschaduwen . Bovendien vinden zij dat, wanneer men m.b.t. die rivaliteit tot de Sovjet Unie sterk wil staan, eerst die regionale conflicten moeten worden aangepakt. Als voorbeelden van cold warriors noemt Or. Biegel Kissinger en


'Oorlog Iran·lrak, Abadan in vlammen.

de huidige president van de Verenigde Staten, Reagan, terwijl diens voorganger Carter en de voormalig minister van buitenlandse zaken onder de regering Nixon, Rogers, door hem worden gezien als regionalisten. Ook Dr. Biegel blijkt de regionalistische visie aan te hangen wanneer hij zegt: "Men moet zich concentreren op de regio, op de conflicten die daar zijn en men moet helpen zoeken naar oplossingen, in ieder geval naar een soort van accommodatie. Bij de Reagan administration zie ik echter weinig tekenen dat zij die aanpak willen volgen . Zij denkt alleen aan de tegenstellingen met de Sovjet Unie en dat vind ik erg gevaarlijk". Hierna wijdt hij uit over de teveel op eigen belang ingestelde politiek van het Westen. Na de oliecrisis van 1973 bleek het Westen immers bereid om bij het gesprek over vrede de Palestijnen, met inbegrip van de PLO, daarin te betrekken. Voor die tijd werden de Arabieren slechts gezien als vijand nummer één van Isra~I". Dit is eigenlijk allemaal gedicteerd door de angst van het Westen om opnieuw geconfronteerd te worden met een olietekort. Maar om met deze motivatie het Midden Oosten te benaderen is niet juist. Men moet er vanuit gaan dat het gebied zelf dringend een vrede nodig heeft. En pas wanneer die vrede er is zal de angst over het verlies van olie kunnen weg-

vallen en zal de rivaliteit met de Sovjet Unie verminderen. Ook heeft die te eenzijdige sympathie betuiging aan Israël tot 1973 de positie van het Westen geen goed gedaan. De Arabieren kregen hier praktisch geen gehoor. Een man als Nasser werd gezien als de grote vijand van Israël en dus van het Westen en ook nog als de lakei van Moskou . Dat is nu aan het veranderen weliswaar maar vergeten is men het in de Arabische wereld ook nog niet". Dr. Biegel filosofeert dan verder over een andere bedreiging van de Westerse belangen, die naar zijn zeggen gelegen is in het feit dat er bij ons te weinig kennis is en was van de Arabische Wereld, hun cultuur etc. Het Westen heeft naar zijn zeggen door een veel te opdringerige houding sinds de 1ge eeuw heel wat ontworteld . Oude zekerheden, waarden en normen zijn door het Westen ontkracht hetgeen volgens Biegel in de Arabische Wereld een soort cultuurcrisis en zelfs een identiteitscrisis heeft teweeggebracht. Biegel: "Er is een stroming geweest die geprobeerd heeft om via een soort synthese tussen dat wat voor het Westen acceptabel was en de eigen tradities en normen, daar een nieuwe identiteit te scheppen. Een belangrijk voorbeeld daarvan was vooral in de zestiger jaren in de tijd van Nasser het Arabisch socialisme. Een andere stroming trok de

conclusie dat het Westen in zijn totaliteit moest worden afgeworpen omdat men daardoor negatief zou worden beïnvloed . Men achtte zich zelf niet zuiver meer. Het Westen was materialistisch, goddeloos en zedeloos en om die reden wilde men terug naar de oorsprong. Onder het Westen viel voor hen ook de Sovjet Unie. Het marxisme als een politiek en filosofisch stelsel werd door hen gezien als een westerse ideologie. Men wilde zoals gezegd, terug naar de islam als enige basis voor de identiteit. Deze laatstgenoemde stroming is door het westen volledig onderschat, juist door ons gebrek aan kennis van en inzicht in hun maatschappelijke en culturele achtergrond, alsmede door ons vooroordeel tegen de Islam. Het Westen ging er vanuit dat door hun constante beïnvloeding de godsdienst in de arabische wereld als politieke factor steeds minder belangrijk zou worden, zich daarbij richtende op een daar als westers beschouwde elite. En daarin hebben wij ons vergist en dat is een grote miscalculatie geweest" . Op de vraag of de opkomst van die islamitische stroming niet juist door de revolutie in Iran is aangezwengeld antwoordt Dr. Biegel: "Dat heeft er zeker in meegespeeld. Maar voordat een dermate door het Westen gesteund regiem als in Iran aanwezig was door een op de islam geïnspireerde massa-tegenstand 19


ten val kan worden gebracht moet er toch al heel wat geleefd hebben. Belangrijke dragers van die ideeën zijn bijvoorbeeld de moslimbroeders in Egypte die in 1965 al een complot tegen Nasser hadden gesmeed, dat echter op het laatste moment ontdekt werd. De situatie toen is door ons ondergewaardeerd omdat we te veel met westerse kijklenzen keken. Wij richtten ons slechts op Nasser, het Arabische socialisme, konom, op alleen die zaken die waren overgenomen uit het westers politiek denken en die de illusie van een steeds verdergaande verwesterlijking alleen maar versterkte. Maar dat er ook nog een andere groepering was, die daar

helemaal niets van wilde weten, die vooralsnog nergens aan de macht was maar wel degelijk zijn aanhang en zijn invloed in grote delen van de bevolking van het Midden-Oosten had, hebben wij volledig over het hoofd gezien". Hierna komt Dr . Biegel te spreken over Saoedi Arabië en Egypte. "De amerikaanse gepreoccupeerdheid met Saoedi Arabië stamt primair uit eigen belang. Naar aanleiding van wat in Iran is gebeurd is men bevreesd voor het regiem aldaar. Dat is begrijpelijk maar aan de andere kant draagt het Westen met zijn koude oorlog benadering enoe bij dat het regiem in de branding komt te staan. Het is aan de andere kant veel belangrijker om Egypte meer aandacht te schenken, dat immers een bevolking heeft van 45 miljoen en een sociaaleconomische problematiek heeft die hoe dan ook opgelost dient te worden. Want een stabiel Egypte waar sociaaleconomisch iets van de grond wordt gekregen is de meest zekere troef voor het Westen dat het Midden Oosten aan stabiliteit zal winnen. Egypte is het kernland, het zwaanepunt van het Midden Oosten zowel politiek als cultureel. In Saoedi Arabië waar naar schatting 3 tot 5 miljoen Arabieren wonen zitten veel buitenlandse arbeidskrachten uit alle delen van de wereld. Het regiem is onhodox islamitisch en gebaseerd op het Wahabisme. De stichter daarvan was Abdul al Wahab een religieus hervormer uit de lSe eeuw die steun kreeg van een woestijnvorst uit het huis Saoed. De band die daaruit ontstaan is bestaat nu nog . Het regiem wordt van twee kanten bedreigd. Er is een "linkse" oppositiebeweging die niet meer aanvaardt dat daar zo'n rijk land op een anachronistische wijze wordt geregeerd. er is b.v. geen onderscheid tussen openbare staatskas en de kas van de koning. Er zijn geen politieke panijen en er is geen medebeslissingsbevoegdheid aan de zijde van de bevolking. Alle beslissingen worden door de koninklijke familie en door de binnen

20

Ceremonie bij de overdracht van de Sinaï aan Egypte.

die familie benoemde functionarissen genomen. Zo is er een grote groep mensen die door het westerse onderwijs in de moderne tijd leven maar die in een politiek sociaal raamwerk moeten funct ioneren dat daarmee volstrekt strijdt. Vanuit deze hoek bestaat een groot ongenoegen met de huidige gang van zaken in Saoedi Arabië. Sommigen van hen zouden een totale omwenteling nastreven, een afschaffing van het koningshuis dus. Aan de andere kant, wij zeggen dan rechts, bestaat er een stroming die het het regiem kwalijk neemt dat er dingen in Saoedi Arabië gebeuren die in een strict islamitisch land niet thuis horen. Een groot gevaar is nu dat er tussen deze twee oppositionele bewegingen een soon monsterverbond gaat ontstaan. Dat is n.l. wat er in Iran is gebeurd. Er zijn aanwijzingen dat de bezetting van de heilige Moskee in Mekka door een heterogeen gezelschap is gepleegd, waarbij dus zowel de seculiere als de religieuse oppositie betrokken waren.

De oppositie in Egypte was nog niet

zover. Er waren wel banden tussen de seculiere oppositiebeweging en de moslimbroeders. Maar het is vooral het weinig tactisch ingrijpen van Sadat geweest waardoor die twee oppositionele groeperingen op één hoop zijn gegooid. Het is de grote verdienste van Moebarak dat hij dit wel degelijk heeft onderkend en in elk geval getracht heeft de seculiere oppositie beweging aan zijn kant te krijgen. Dat is hem voor een groot gedeelte gelukt. De ex-hoofdredacteur van Al Ahram en groot vertrouwensman van Nasser,

Hasan Heikal heeft duidelijk verklaard, dat Moebarak van hem alle voordeel van de twijfel zou krijgen. Ik dacht dat op dit ogenblik in Egypte de algehele trend bij de seculiere oppositie zo is, dat men inderdaad geneigd is Moebarak te steunen. Dit is in de eerste plaats toch wel het resultaat van het feit dat men onder de indruk is gekomen, niet alleen in de oppositie maar ook elders in de Arabische wereld, van de naleving van het Sinaï akkoord door Israël, hetgeen Egypte toch maar voor elkaar gekregen heeft. Aan de andere kant verwacht de oppositie dat Moebarak


nu hij de Sinaï heeft teruggekregen in elk geval de verzoening met een deel van de Arabische landen tot stand wil brengen. De signalen daartoe zijn ook al door de andere kant gegeven o.a. door Koning Hassan van Marokko. Op de vraag of Egypte als bemiddelaar tussen Israël en de Arabische landen succes zou oogsten, antwoordde Dr. Biegel: "Die kans is aanwezig omdat Egypte er zich altijd op beroepen kan, dat zij gedurende de jaren lopende discussie met Israël een betere kijk heeft gekregen op de mentaliteit en op de politieke manier van denken van Israël. Egypte zou zich als de beste gobetween tussen Israël en de Arabische landen kunnen opwerpen, de vraag is natuurlijk of men dat ook daadwerkelijk wil. Ik geloof dat het wel die kant op moet gaan. Indien die verzoening, althans die vorm van toenadering tot stand komt, tussen Egypte en een deel van de Arabische wereld , waaronder b.v. Jordanië, Saoedi Arabië, de Golf Staten , Oman en Soedan , betekent dat voor Israël de grootste kans die het ooit gehad heeft om ergens een blijvend erkende plaats te krijgen . De westerse landen moeten niet op de tamtam gaan slaan, omdat, wanneer het westen de toenadering te veel ondersteunt, het dan de tegenstanders van deze gang van zaken de argumenten in de hand speelt dat het een volkomen zionistisch imperialistisch complot is waar Egypte zich voor leent" . Wat vindt Dr. Biegel van de interarabische conflicten als bron van instabiliteit? Dr. Biegel: "De inter-arabische conflicten zijn altijd een gevaar geweest. Dat wordt nog benadrukt door het feit dat tegenover elkaar staan de ideologie van de Arabische eenheid, belichaamd in de Arabische liga en de voondurende interne verdeeldheid die deels ideologisch geïnspireerd is, die weer een verknoping mogelijk maakt met de koude oorlogtegenstelling. Binnen de Arabische landen bestaan diverse politieke stromingen, die voor- of tegenstander van het regiem zijn en die door andere landen kunnen worden beïnvloed. Zo kunnen de moslimbroeders door b.v. Saoedi Arabië worden gesteund, de linkse oppositiebewegingen door Syrië en of Libië, waardoor een situatie van constante onrust bestaat, hetgeen op zich zelf weer een gevaar vormt voor het uitbreken van conflicten. Libanon is een goed voorbeeld. De inter-arabische tegensteLLingen zijn dus erg belangrijk voor het scheppen van een instabiele politieke situatie in het Midden-Oosten, welke weer kan escaleren tot allerlei grotere conflicten" . Geconfronteerd met de stelling dat een arabische eenheid voor het Westen wel eens gevaarlijker zou kunnen zijn dan

inter-arabische conflicten, omdat de OPEC in dat geval een grotere rol zou kunnen spelen, waardoor de Arabische landen een veel sterker solidariteitsgevoel zou kunnen ontwikkelen, antwoordde Dr. Biegel: "Dat is natuurlijk een kwestie van speculeren . In de eerste plaats is een sterk verdeelde arabische wereld minstens even gevaarlijk. Externe machten, de hele koude oorlog tegenstelling hebben dan kans zich in die wereld te dringen. Wanneer er een sterke eenheid onder de arabische landen zou zijn, zou het westen misschien financieel en of economisch een veer moeten laten, terwijl aan de andere kant daar dan een politiek en strategisch stabiele toestand zou ontstaan.

Indien conflicten in het Midden-Oosten niet of moeilijk oplosbaar zouden zijn , zoals bv. tussen Iran en Irak of indien het regiem in Saoedi Arabië ten val zou worden gebracht, zou een oplossing kunnen zijn het inzetten van militaire middelen. Te denken valt hier aan de speciaal daarvoor door de Amerikanen in het leven geroepen Rapid Deployment Force. Dr. Biegel zegt hierover: "Dat zou een ontzettend gevaarlijke zaak zijn, want indien het westen zich het recht aanmeet om op deze manier in te grijpen, dan zou dat geen enkele rechtvaardiging zijn van het feit d3t de Sovjet Unie dat niet ook zou mogen doen. Waarom zo u het Westen als enige het recht hebben om daar militaire

Dr. L C. BiegeJ.

Tijdens WO 11 bepleitte de toenmalige minister van buitenlandse zaken van Engeland, Eden, reeds een sterke arabische eenheid, waar inter-arabische rivaliteiten zouden worden weggenomen. De stabiliteit die dan zou intreden zou er voor zorgdragen dat de buitenlandse machten, in die tijd Engeland vijandig gezinde naties, geen mogelijkheden zouden krijgen zich te mengen in de intriges en politiek van het Midden-Oosten. Maar ook hedentendage zie ik zo'n Arabische eenheid niet zo snel ontstaan. Het Westen zou in ieder geval er veel aan kunnen doen de tegenstellingen in het Arabisch gebied te verkleinen in plaats van te vergroten want de konzichtige politiek gebaseerd op het verdeel en heers principe lijkt voor het verkrijgen van stabiliteit niet de juiste weg te zijn I! •

interventie te plegen. Vergeet niet dat het Midden Oosten aan dat gedeelte van de Sovjet Unie grenst dat in de eerste plaats zelf belangrijk is qua grondstoffen - olie in dit geval - en in de tweede plaats politiek gezien moeilijk is omdat aan de grenzen grote islamitische minderheden wonen. De Sovjet Unie heeft 5.000.000 islamieten binnen zijn grenzen. Het is zonder meer duidelijk dat de Sovjet Unie enorm belang heeft bij wat er in het Midden Oosten gebeun en dat elke gewapende inmenging van het Westen in dat gebied door de Sovjet Unie als een bedreiging kan worden gezien, waartegen zij maatregelen zullen nemen. De inval van de Sovjet Unie in Afganistan heeft zeker wel iets te maken met wat er in Iran is gebeurd. Hoewel aan de andere 21


kant de Sovjets altijd al invloed hebben gehad in Afganistan en dat land vanaf de tsaristische tijd al een twistappel is t ussen Moskou en het Westen. Maar de Sovjet Unie heeft zich lelijk in de vingers gesneden door te veel militaire hulp te bieden aan de Afgaanse regering die lang niet kan steunen op een meerderheid in het land ". Dr. Biegel ftlosofeen vervolgens over de mogelijkheid van een ooit te vormen Palestijnse staat en de plaats waar die zou moeten komen. Hierbij valt te denken aan de West Bank, de Strook van Gaza en misschien Oost-Jeruzalem. "Er valt onderscheid te maken tussen die Palestijnen die uit Isra~1 gevl ucht zijn en nu buiten de bezette gebieden of in de kampen in Libanon en Syri~ zitten en die op de West Bank of in de Gaza strook zijn blijven wonen. Door het conflict tussen Isra~1 en de Palestijnen is er een palestijnse solidariteit ontstaan uitmondende in een nationalistische beweging. Er bleef echter toch een verschil van belangen tussen de bewoners van de West Bank en de Gaza bestaan en de "outsiders". Het enige aanknopingspunt waren de burgemeesters. Die waren in de Jordaanse tijd gewone functionarissen van de overheid, die dictaten aan de bevolking doorgaven. Door de Israelische bezetting is die rol 180 0 gedraaid en zijn zij vertrouwensmannen, vertegenwoordigers. beschermers van de palestijnse bevolking geworden tegenover de bezettende macht. Het is derhalve de meest krank zinnige politiek van de regering Begin, dat zij deze gesprekspartners vanwege het feit dat ze zich min of meer pro PLO opgesteld hebben eenvoudig aan de kant zet. Daarmee heeft Isra~1 een enorme kans gemist om via deze gesprekspartners op de een of andere manier een Palestijnse staat te defini~­ ren om anders gezegd een autonomie van de grond te krijgen die niet 100'1. door de PLO gedomineerd zal worden. Indien zoals eerder gezegd onder aanvoering van Egypte tussen Isra~1 en de gematigde Arabische landen één of andere vorm van coëxistentie of accommodatie tot stand komt dan is de kans niet ondenkbeeldig dat die Arabische staten hun instemming zullen bet uigen met een Palestijnse staat die niet alleen door de PLO gedomineerd wordt". Tot slot benadrukt Dr. Biegel nogmaals de hoofdlijnen van het gesprek: " Het westen dient zich m.b.t. het Midden Oosten niet te richten op bescherming van eigen belang maar er de vrede bevorderen. Egyptes rol daarin is cruciaal. Als het in Egypte goed gaat, gaat het goed in het Midden Oosten ".

22

Over de jongste gebeurtenissen in Libanon. De Israelische aanval op Libanon, met als hoofddoel het militair uitschakelen van de PLO, is de verwerkelijking van een plan , dat al maandenlang was vastgesteld door de minister van defensie Sharon met volledige instemming vsn premier Begin. De aanslag op de Israelische ambassadeur in Londen, welke niet door de PLO was gepleegd , maar door een Yassir Arafat en zijn Fatah ... rganisatie zeer vijandig gezinde organisatie van Aboe Nidal (door de PLO in absentia ter dood veroordeeld), verschafte Sharon en Begin het voorwendsel om het plan inzake de invasie in Libanon uit te voeren. De wijze waarop de oorlog wordt gevoerd heeft allerwege - en niet in de laatste plaats ook in Israël - kritiek uitgelokt. Er zijn al meer dan 10.000, meest burgers, gedood , terwijl ruim 600.000 mensen dakloos zijn, O.m. wegens het in puin schieten van steden als Sidon en Tyrus. Wat de critici betreft: zowel de 87-jarige ex-voorzitter van de Zionistische Wereldorganisatie Nachoem Goldman (interview Parool 14-6-'82), als de leider van de Israelische Arbeiderspartij , de grootste oppositiepartij, Shimon Perez en de bekende Israelische politieke commentator Bool Enon, hebben betoogd dat de Israelische militaire operatie in geen verhouding staat tot het beoogde officiële doel: vrede voor Galilea te verzekeren en dat een militaire overwinning op de PLO op geen enkele wijze een politieke oplossing voor het Palestijnse vraagstuk zou opleveren .

Israël heeft de operatie kunnen uitvoeren, omdat de VS, zij het met wat tegenstribbelen, zich niet hier vierkant tegen hebben verklaard, terwijl dankzij de vrede met Egypte, Israël zich over de veiligheid aan zijn zuid-grens geen zorgen hoeft te maken . Ook is opvallend, dat behalve mondelinge protesten, de andere Arabische staten, wat hulp aan de PLO betreft, vrijwel verstek hebben laten gaan. Israël heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om ook in de Bekaä-vallei opgestelde Syrische SAM-raketten uit te schakelen en een vrij groot aantal Syrische MIGS tijdens luchtgevechten neer te schieten. Alweer opvallend was de bereidheid van de Syriërs om een wapenstilstand met Israël te aanvaarden, welke niet voor de PLO-strijdkrachten gold. Het lijkt er dus wel op, dat de PLO, door de Arabische broeders in de steek gelaten, nu met de rug tegen de muur staat . De militaire medewerking van

de Libanese Christelijke Falangisten stelt Israël in staat rond WestBeiroet , het laatste militaire bolwerk van de PLO, een ring te leggen . Als het Israelische draaiboek met succes zou kunnen worden gerealiseerd, dan zou een "Libanese oplossi ng" moeten worden bereikt. Dit betekent o.a. het overeind trekken van een Libanese staatsmacht, met Israelische hulp, het operationeel maken van het nu ruim 20.000 man tellende Libanese leger, o.a. door de controle over West-Beiroet op zich te nemen en de strijdgroepen daar, vooral van de PLO te ontwapenen. Vervolgens zullen alle buitenlandse troepen: de Syrische, de ontwapende PLO-eenheden en tenslotte ook de Israelische, zich uit Libanon moeten terugtrekken, waarna Israël een formeel vredesverdrag met Libanon zal sluiten. De Libanese regering zal gedomineerd worden doo r de proIsraelische Christelijke Falangisten (Bashir Gemayyel), de aldus nieuw leven ingeblazen Libanese staat, zal niet veel meer dan een vazal-staat van Israël zijn. Als neven resultaat wordt uiteraard gehoopt, dat de Palestijnse bevolking op de West Bank en de Gaza strook door de nederlaag van de PLO w gedemoraliseerd zal zijn, dat vertegenwoordigers ervan bereid zullen zijn met Israël over een Israelisch model van autonomie te gaan onderhandelen. Indien niet, dan kan uiteindelijk tot annexatie worden overgegaan. De gevolgen van de Israelische actie in Libanon zijn nog lang niet te overzien, zoals met name de klap, die dit zeker zal toebrengen aan de pro-westerse elementen in de Arabische wereld. Ze zullen niet gering zijn. Maar één ding is wel zeker: een oplossing van het Palestijnse probleem zal die actie zeker niet tot stand brengen. Dr. L.C. Biegel is doetnt aan de universiteil van Amsterdam.


Conclusie met betrekking tot de VN-studie inzake kernwapens Een van de laatste daden als Minister van Buitenlandse Zaken van de inmiddels afgetreden Mr _ M. van der Stoel was het toezenden aan de Tweede Kamer van een reeds eerder toegezegd commentaar op het VNkernwapenrapport. Dit rapport bespreekt problemen wals de ontwikkelingen in de nucleaire wapentechnologie, de militaire doctrines van de kernwapenstaten en de pogingen die zijn ondernomen om de kemwapenwedloop te beteugelen. Het rapport is opgesteld door een twaalftal deskundigen, voor het merendeel afkomstig uit DerdeWereldlanden. De NA VO-landen waren vertegenwoordigd in de persoon van een Canadees, het Warschau Pact door een Roemeen. Het commentaar aan de Kamer, dat hieronder in extenso wordt afgedrukt , is tevens ondertekend door de Minister van Defensie, H. van Mier~ 10. De studie inzake kernwapens (VN document N35 / 392) is opgesteld in de periode juli 1979 - juli 1980 door een groep deskundigen naar aanleiding van een verzoek van de 33e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aan de Secretaris-Generaal . De st udie bevat in de eerste hoofdstukken een nuttige en handzame compilatie van gegevens over de bestaande kernwapenarsenalen, technologische ontwikkelingen en de zeer ernstige gevolgen van het gebruik van kernwapens. In de daaropvolgende meer opiniĂŤrende hoofdstukken worden veiligheidsirnplicaties van hetgeen in de eerste meer feitelijke hoofdstukken is uiteengezet, bespro ken . De studie, die in zijn totaliteit moet worden gezien, levert een waardevolle bijdrage tot het verschaffen van inzicht in de w klemmende problematiek van de kernwapens. Nederland heeft dan ook tijdens de 35e Algemene Vergadering van de VN voor een door Zweden ingediende resolutie gestemd, waarin met tevredenheid werd kennis genomen van de door deskundigen verrichte studie.

In de eerste plaats maakt de studie (in hoofdstuk IV en in para. 495 van de conclusies) nog eens duidelijk hoe catastrofaal de gevolgen van kernwapengebruik wuden zijn . Bovendien wuden de gevolgen zich waarschijnlijk niet tot Oost en West beperken, doch zich we-

reldwijd doen gevoelen . Hiermee wordt onderstreept dat een pro blematiek in het geding is die de hele wereldgemeenschap aangaat. De beschrijving in de studie van de rampzalige consequenties van kernwapengebruik illustreren hoe vitaal de noodzaak is een dergelijke eventualiteit te voorkomen.

Gelet op de gevolgen van kernwapengebruik , verdient het instemming dat de studie de aandacht vestigt op de risico's verbonden aan de huidige situatie, waarin grote hoeveelheden kernwapens aanwezig zijn en bovendien vooral het aantal kernkoppen blijft toenemen . Zo wordt met name gewezen op het risico dat technologische ontwikkelingen en de voortschrijdende kernwapenwedloop de relatieve stabiliteit die de twee grootste nucleaire mogendheden tot nu toe in hun onderlinge relatie hebben weten te bewerkstelligen, op een gegeven moment zullen ondermijnen (para. 496-499). In dit verband valt met name te denken aan kwantititieve en kwalitatieve ontwikkelingen die de mogelijkheid van een " flfst strike capability" naderbij brengen, wals in o.a. para 406 wordt aangestipt. Wij zijn van mening dat dergelijke destabiliserende ontwikkelingen met prioriteit door middel van afspraken aan banden moeten worden gelegd. Dit is dan ook een van de redenen dat wij bij herhaling de noodzaak van een spoedige voortzetting van de onderhandelingen over beperking en vermindering van de strategische kernwapens hebben benadrukt. Voorts wijst de studie er op dat, ondanks de uitgebreide veiligheidsmaat regelen die de kernmogendheden in acht nemen, de kans aanwezig blijft dat door menselijk of technisch falen zich een ongeluk voordoet, hetgeen verstrekkende consequenties w u kunnen hebben (para. 496). Zonder de risico's in deze te willen onderschatten, kan wel worden gesteld dat de kernmogendheden zich terdege bewust zijn van dit probleem en daarom ook hun nucleaire middelen met vele elkaar overlappende veiligheidsmaatregelen omringen, teneinde een eventuele fout of mankement op te kunnen vangen en elke vorm van ongeautoriseerd gebruik uit te sluiten. Voorts hebben de nucleaire mogendheden samenwerkingsvormen ontwikkeld, w als de "hot line", die de mogelijkheid bieden fouten of misverstanden recht te trekken en meer in het algemeen de mogelijkheden voor crisisbe-

heersing te vergroten . Hoewel de Regering van mening is dat de NAVO in het huidige Oost-West kader de mede op kernwapens gebaseerde afschrikking niet kan ontberen, kan de stelling in de studie dat men , gelet op de potentiĂŞle risico's er niet in mag berusten dat het huidige afschrikkingssysteem in lengte van dagen blijft voortbestaan, volledig worden onderschreven . De Regering houdt dan ook bij haar vredes- en veiligheidsbeid voortdurend voor ogen dat de uiteindelijke doelstelling een wereldorde is, waar de oorzaken van internationale spanningen zijn weggenomen en het afschrikkingssysteem overbodig is geworden . In de huidige omstandigheden dient voorts reeds al het mogelijke te worden gedaan om de risico's verbonden aan de kernbewapening tot het uiterste te beperken, waartoe concrete wapenbeheersingsafspraken een belangrijke bijdrage kunnen leveren .

De studie geeft een aantal wegen aan waarlangs de doelstelling van een vrediger en veiliger wereld naderbij dient te worden gebracht : de eerbiediging van het Handvest van de Verenigde Naties en andere volkenrechtelijke instrumenten (para 520), het bevorderen van internationale samenwerking en interdependentie (para. 505) alsmede ontwapening en wapenbeheersing (para 506 e.v.). Als cruciaal voor dit streven wordt terecht ook aangemerkt het kweken van vertrouwen tussen staten. Om het vertrouwen te vergroten zijn nodig het achterwege laten van het dreigen met of gebruik maken van geweld, matiging in de bwapening en het bevorderen van een zekere openheid ten aanzien van militaire zaken (para . 504; zie verder ook 402). Dit laatste is, wals bekend, een van de oogmerken van de vertrouwenen veiligheidsbevorderende maatregelen die het onderwerp zullen vormen van de conferentie over ontwapening in Europa, waarvan het mandaat in de CVSEvervolgbij een komst te Madrid aan de orde is. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat een zekere openheid ten aanzien van militaire zaken de mispercepties en onzekerheden die een bron

23


van spanning en een stimulans voor de wapenwedloop vormen (zie para. 359),

de Sowjet -Unie een dialoog te beginnen over wederwijdse strategieën wordt dan ook positief gewaardeerd.

kunnen verminderen. Het verwezenlijken van een wereldorde op basis van volledige eerbiediging van het VN-Handvest alsmede het bereiken in samenhang daarmee van vergaande en indien mogelijk volledige - ontwapening vergt een lange termijn inspanning, zoals ook in de studie wordt gesteld (o.a. para. 509). De gedachte dat druk vanuit de publieke opinie bij het streven naar genoemde doelstellingen een activerende functie heeft te vervullen (par. 520) wordt door ons ondersteund. Dit geldt uiteraard zowel voor West als voor Oost en Zuid . Het zou dan ook van groot belang zijn, indien de bevolking in Oost-Europa en de Sowjet-Unie in staat werd gesteld om op dezelfde wijze uiting te geven aan haar vredelievende gevoelens als die van WestEuropa. Hoewel, zoals hierboven aangegeven, de stelling dat het afschrikkingssysteem niet als permanente oplossing

van agressie die men wil voorkomen . Met de redenering in de studie kan in zoverre worden meegegaan dat aan de geconstateerde verfijning van de kernwapenarsenalen een duidelijke grens dient te worden gesteld daar waar de indruk erdoor zou worden gewekt dat de bereidheid aanwezig is om een regionaal beperkte kernoorlog uit te vechten .

mag worden aanvaard, wordt onder-

schreven, mag niet aan de oorlogvoorkomende werking die kernwapens tot op heden althans in het Oost-West kader hebben gehad, worden voorbijgegaan (zie in dit verband ook para. 385 en 387). Hoewel er zich herhaaldelijk lokale oonflicten met name in de Derde Wereld hebben voorgedaan en ook inmenging door Oost en West daarin niet is uitgebleven, is het niettemin aannemelijk dat de aanwezigheid aan beide zij-

den van kernwapens. van wier verwoestende uitwerking Oost en West zich terdege bewust zijn, ertoe heeft bijdragen dat lokale conflicten niet tot mondi-

ale proporties zijn uitgegroeid. Deze matigende invloed wordt ook (in para. 362 en 399) besproken . Trachten het zonder de oorlogvoorkomende en matigende werking van kernwapenbezit te stellen, alvorens een alternatief veiligheidssysteem binnen bereik is, zou sterk destabiliserende gevolgen kunnen hebben. Zolang een dergelijk alternatief niet is gerealiseerd, zal alles in het werk moeten worden gesteld om de risico's verbonden aan de kernbewapening zo gering mogelijk te doen zijn. Destabiliserende tendensen dienen in de eerste plaats door middel van wapenbeheersingsafspraken te worden tegengegaan . In de studie worden twijfels geuit of de stabiliteit van de huidige situatie wel is gediend met de toenemende verfijning van het scala middelen dat ter beschikking staat voor de uitvoering van de afschrikkingsstrategie (hfs\. VI en para. 498). Zoals (in para 416) wordt gesteld is een zekere flexibiliteit geboden, aangezien het in een tijdperk van globale nucleaire pariteit voor een geloofwaardige afschrikking nodig is dat de afweermogelij kheden ongeveer in verhouding staan tot de diverse denkbare vormen

24

De samenstelling van het arsenaal dient de gerichtheid op oorlogsvoorkoming duidelijk tot uiting te brengen. Naar aanleiding van de zorg die (in para. 419) doorklinkt omtrent de handhaving van een duidelijk herkenbare atoomdrempel, kan gememoreerd worden dat de Regering elke technologische ontwikkeling die de grens tussen het conventionele en het nucleaire vlak dreigt te vervagen, volsterkt afwijs\. Enig misverstand lijkt (in para. 498) aanwezig daar waar wordt gesteld dat strategieën gebaseerd zijn op gecompliceerde en hypothetische scenario's. De geldigheid van de NA Va-strategie, voorzover op die strategie wordt gedoeld, is niet afhankelijk van de juistheid van de talloze en inderdaad vaak zeer hypothetische scenario's die kunnen worden bedacht. Erkenning van de grote onzekerheid die bestaat over de wijze waarop in crisis- of conflictsituaties gebeurtenissen zich zouden voltrekken, ligt juist aan de politiek militaire strategie van de NAVO ten grondslag. Deze strategie is dan ook ontworpen om aan de meest uiteenlopende situaties het hoofd te kunnen bieden, hetgeen in de bananting "flexibele response" tot uitdrukking komt. De onzekerheid over de wijze waarop de gebeurtenissen zich in voorkomend geval zouden voltrekken, vormt ook een centraal element in de op oorlogsvoorkoming gericht afschrikkingsstrategie. Belangwekkend is de opmerking (in para. 294) dat het onduidelijk is in hoeverre er tussen de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie over en weer begrip bestaat van de wederzijdse doctrines en in hoeverre er overeenstemming bestaat over de basiselementen van het huidige afschrikkingsevenwicht. De door de Regering Reagan gedane suggestie om met

De studie wijdt een aantal beschouwingen aan de wapenwedloop (vooral para. 358-361), waarbij wordt aangegeven dat hier een oomplex van factoren in het geding is en dat de wedloop noch uitsluitend als een actie-reactie proces valt te verklaren, noch uitsluitend als twee geheel autonoom voortschrijdende processen, voortgestuwd door hetgeen als militair-industrieel complex wordt aangeduid of - een mogelijkheid die niet wordt vermeld - door politieke doelstellingen. Tevens wordt de aandacht gevestigd op het automatisme waarmee veel technologische innovaties tot nieuwe wapens leiden. De dynamiek van de wapentechnologie noopt er inderdaad toe om in een zo vroeg mogelijk stadium van het ontwikkelingsproces de wapenbeheersingsimplicaties van nieuwe technologieën te onderkennen, teneinde beter in staat te zijn de processen in een goede richting te sturen . De beschouwingen in de studie over de wapenwedloop behoeven in zoverre aanvulling dat, zeker in democratische geregeerde landen, er naast de druk die uitgaat van militair-industriële belangen er tevens zeer sterke druk bestaat om de per definitie schaarse middelen aan nietmilitaire doeleinden te besteden. De rol, in een dergelijk krachtenveld, van de politieke leiders als uiteindelijk besluitvormingscentrum mag niet worden onderschat. De studie benadrukt de noodzaak om de wapenwedloop in het algemeen tot staan te brengen en terug te draaien en meer in het bijzonder om de veel te hoge niveaus van nucleaire bewapening te verminderen, hetgeen ook een centrale doelstelling is van het vredes- en veiligheidsbeleid van de Regering. Zoals (in para. 501) wordt gereleveerd, hebben de ontwapenings- en wapenbeheersingsonderhandelingen tot dusver nog niet resultaten opgeleverd in het tempo dat men zich had kunnen wensen. Niettemin blijven onderhandelingen de voornaamste weg vormen om tot wezenlijke vermindering van de bewapening te komen en zal geen enkele mogelijkheid om langs deze weg vooruitgang te boeken onbenut mogen worden gelaten. De wenselijkheid van een brede en goed geïntegreerde ontwapenings- en wapenbeheersingsinspanning (par. 507) wordt onderschreven. Uiteindelijk zullen inderdaad mondiaal geldende afspraken moeten worden gemaakt ter beperking van de (kern) bewapening (para. 512). Een meer op langere termijn gerichte mondiale aanpak in het kader van de Verenigde Naties laat zich zeer wel combineren met het streven om op kortere termijn vooral bi-


Het gebouw der Verenigde Naties te New Vork.

lateraal (tussen de supermachten) en regionaal concrete beperkingen overeen te komen. De zienswijze dat ook rekening dient te worden gehouden met de regionale veiligheidssituatie (par. 517), inclusief de plaatselijke conventionele verhoudingen (para. 515), wordt gedeeld . Dat effectie-

ve verificatievoorzieningen essentieel zijn bij ontwapenings- en wapenbeheersingsafspraken (para. 504 en 510) wordt alom erkend. Goede verificatie-afspraken kunnen veel bijdragen tot het voor vooruitgang in het wapenbeheersingsproces zo belangrijk vertrouwen. [n dit verband wijst de studie op het nut van een internationale ontwapeningsorganisatie, een gedachte die door Nederland tijdens de eerste bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de VN over ontwapening is gelanceerd. In het verlengde van de speciale verant woordelijkheid die rust op vooral de twee grootste kernwapen bezitters om eerst op bilaterale basis beperkingen overeen te komen, wijdt de studie enige paragrafen (513-515) van de conclusies aan het SALT-proces. Het SALT-proces heeft bijdragen tot de stabiliteit van het strategisch evenwicht en heeft de wapenwedloop enigzins afgeremd, zij het niet in die mate die men

zich had kunnen wensen. Het "AntiBallistic Missile" - verdrag dat in het kader van SALT-[ tot stand kwam, heeft, zoals in para. 116 en 4SO wordt gereleveerd, de invoering van anti-raketsystemen tot dusver vrijwel geheel voorkomen en, althans aan Amerikaanse zijde, tot ontmanteling van de bestaande capaciteit geleid . Het ABM-verdrag is van grote betekenis voor de stabiliteit van het wederzijdse afschrikkingsevenwicht tussen de twee grootmachten. SALT heeft er lOt dusver echter niet toe geleid dat het strategisch evenwicht door middel van reducties op een lager niveau werd gebracht, zoals ook in para. 513 wordt opgemerkt. De SALTlimieten die vooral op inzetmiddelen betrekking hadden, boden ruimte voor uitbreiding van met name het aantal kernkoppen (M[RV's). Dit is een van de redenen dat de Amerikaanse Regering thans op stringentere beperkingen en daadwerkelijke reducties aanstuurt, het-

geen in de nieuwe benaming "Strategie Arms Reductions Talks" (STARn tot uitdrukking komt. Wij hopen dat nu inderdaad, zoals in de rede van President Reagan op 9 mei 1982 werd aangekondigd , de START-onderhandelingen deze zomer zullen beginnen en binnen redelijke termijn tot resultaten zullen leiden. De st udie wees reeds (in para. 515) op

de noodzaak om , naast de in de SALT aan de orde zijnde strategische kernwapens, ook de tactische kernwapens, te beperken. Met de start van de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Sowjet -Unie over systemen voor de middellange-afstand op 30 november 1981, is inmiddels de eerste aanzet daartoe gegeven. Verwezenlijking van de door het Westen voorgestelde nul-optie - geen op land gestationeerde middellange - afstands-

raketten aan weerszijden - rou een zeer grote stap vooruit betekenen . Ten aanzien van de mogelijkheden om

kernwapenvrije zรถnes te vestigen wordt in para. 518 gewez<o op de reer verschillende uitgangssituaties die men in dit opzicht naar gelang de regio aantreft. [n gebieden waar zich nog geen kernwapens bevinden zal inderdaad alles gedaan moeten worden om te zorgen dat deze situatie gehandhaafd blijft. [n een gebied zoals Europa waar kernwapens reeds in grote aantallen aanwezig zijn en deel uitmaken van de evenwichtssituatie tussen Oost en West, ligt de zaak aanzienlijk gecompliceerder. Daarvoor geldt o.a. hetgeen in para. 515 wordt gesteld, namelijk dat tevens rekening moet worden gehouden met de conventionele verhoudingen. Om deze

25


reden en ook omdat, gelet op de reikwijdte van de huidige kemwapeninzet middelen, de denuclearistie van een beperkt gebied van betrekkelijke betekenis is, geven wij wat betreft de Europese regio thans voorrang aan onderhandelingen gericht op het vestigingen van een conventioneel evenwicht op lager niveau en op wezenlijke vermindering van de kernbewapening.

In het voorgaande is vooral ingegaan op de conclusies die betrekking hebben op de "verticale proliferatie". De studie gaat ook uitvoerig in op de noodzaak te voorkomen dat het aantal kernwapenstaten zich uitbreidt, alsmede op de relatie tussen deze horizontale proliferatie en de venicale proliferatie (hfst. VI en van de conclusies para. 516). Het tegengaan van de verdere verspreiding van het kernwapen vormt wals bekend, een centraal element van het vredes- en veiligheidsbeleid van de Regering. Het belangrijkste instrument daanoe is het non-proliferatieverdrag (NPV), waarin niet-kemwapenstaten zich verbinden af te zien van het verwerven van kernwapens en zich te onderwerpen aan waarborgen van de Internationale Orgartisatie voor Atoomenergie. Op de kernwapenstaten rust de plicht krachtens artike VI van het NPV (tekst in para.

397) om systematisch en oprecht te wer¡ ken aan het tot staan brengen van de kernwapenwedJoop en het reduceren van de arsenalen. De studie benadrukt dit wederkerigheidsaspect van het NPV en wijst erop dat de internationale gemeenschap met meer kracht op de nietkernwapenstaten een beroep wu kunnen doen om te blijven afzien van nucleaire wapens als de kernwapenstaten niet doorgingen met het uitbreiden van hun arsenalen (para. 368 en 401). Wij achten het inderdaad geboden dat de kernmogendheden in dit opzicht het goede voorbeeld geven. Aan de andere kant zien wij ook het gevaar in dat een te sterke nadruk op de band tussen venicale en horizontale proliferatie in wverre averechts kan werken dat aan het uitblijven van voldoende resultaten bij het terugdringen van de bestaande kernarsenalen een argument kan worden ont1eend voor niet-kernwapenstaten om alsnog nucleaire middelen trachten te ver-

werven. Aan de zo billijk mogelijke verdeling van rechten en plichten die aan het non-proliferatiestreven inherent is, kunnen negatieve veiligheidsgaranties van nucleaire mogendheden aan nietnucleaire mogendheden (zie para. 488 en 489) alsmede een stopzetting van kernproeven door de kernwapenstaten (zie para. 459 e. v.) inderdaad een bijdrage leveren. De rol die regionale politieke tegenstellingen veelal spelen bij de overwegingen van landen om te trachten kernwapens te verwerven, blijven in

de studie enigzins onderbelicht. Naast de strikte en universele naleving van het NPV, dient de internationale gemeenschap zich dan ook daar waar mogelijk te beijveren om de oorzaken van die veelal regionaal bepaalde motieven weg te nemen. Overigens kan worden geconstateerd dat de studie slechts in zeer algemene zin ingaat op de bredere internationaal politieke achtergronden, waartegen de ontwikkelingen op nucleair gebied zich afspelen, met name ook waar het betreft de Oost-West tegenstellingen. Het lag ook niet in de verwachting dat in het kader van deze VN-studie dieper op internationaal politieke aspecten zou worden ingegaan. Het zal echter duidelijk zijn dat dergelijke aspecten wel van invloed zijn op de nucleaire problematiek. Resumerend kan worden gesteld dat de studie eens te meer de klemmende noodzaak onderstreept van een actieve en creatieve voortzetting van het Regeringsbeleid gericht op ontwapening en wapenbeheersing, alsmede op vermindering van de risico's verbonden aan de thans bestaande kernwapenarsenalen.

JASON-delegatie bezoekt BAY-seminar Op vrijdag 26 t/ m zondag 28 maart bezocht een JASON-delegatie een door de British Atlantic Youth (BAY) georganiseerd seminar te Birmingham. Oe ruim 25 deelnemers waren ondergebracht in het van alle gemakken voorziene Grand Hotel in het centrum van de stad. Oe JASON-vertegenwoordiging bestond uit drie personen, t.w. Martien de Groene, Tony van der Togt en ondergetekende. Twee Fransen en een Westduitser completeerden de groep van buitenlandse deelnemers. Als thema voor het seminar had de BA Y gekozen: "Eastem Europe: the Impact on East-West Relations". Uiteraard werd veel aandacht geschonken aan de ontwikkelingen in Polen en de invloed van de militaire machtsovername op de Oost-West betrekkingen. Oe inleidingen werden door een drietal sprekers verzorgd: Dr. P.J. Byrd, docent in de politieke wetenschappen aan de universiteit van Warwick; Sir Frank Roberts, oud-ambassadeur van Groot-

26

BrittanniĂŤ o.a. te Moskou, en oudvoorzitter van de Britse Atlantische Commissie; en tot slot de gepensioneerde gezagvoerder Rugh Mulleneux.

Generaal Jaruze/ski.

nr. Peter Byrd stond in zijn lezing, getiteld "The West and Eastern Europe the Historica! Dimension", uitvoerig stil bij de ontwikkelingen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog en bij de gebeurtenissen in de daarop volgende jaren. Zij bepaalden de huidige verhoudingen in Europa. Stalin richtte zijn beleid tijdens de Tweede Wereldoorlog consequent op vergroting van het Russische grondgebied in westelijke richting en op het creĂŤren van een buffer van Oosteuropese staten die de SovjetUnie de grootst mogelijke veiligheid moest bieden. Polen speelde in dit concept de centrale rol, immers via Pools grondgebied lag de toegang tot de Sovjet-Unie. Polen diende een communistisch bewind te krijgen, omdat een pluralistisch-democratisch systeem Moskou niet vriendelijk gezind wu zijn en geen enkele veiligheidsgarantie zou bieden. De westelijke geallieerden, GrootBrittannie en de Verenigde Staten, leg-


den grote nadruk op de maatschappijvorm die in de Oosteuropese landen tot stand zou moeten komen. Vooral president Roosevelt pleitte bij de intergeallieerde besprekingen steeds weer voor vrije verkiezingen en het opbouwen van pluralistisch-democratische maatschappijen in Oost-Europa na de oorlog. In de praktijk besliste de Sovjet-Unie alléén over het lot van de Oosteuropese staten door de opmars van haar strijdkrachten. Aanvankelijk werden weliswaar coalitie-regeringen opgezet, maar langzaam aan wisten de communisten de ene na de andere partij uit te schakelen. De jaren 1947-'48 waren van beslissende betekenis. De afkondiging van de Truman-doctrine en de Marshall-hulp aan westelijke zijde, en de definitieve communistische machtsovername in Polen en in Tsjechoslowakije gaven de Europese deling een permanent karakter. De Duitse deling voltrok zich eveneens in deze jaren. De westerse houding t.O.v. het nieuwe Oostblok kenmerkte zich door 'containment I, het opwerpen van een dam om verdergaande verspreiding van het communisme te voorkomen. De door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Foster Dulles verkondigde 'roll back' (terugdringing van het communisme) is in de praktijk nooit uitgevoerd: noch tijdens de opstand in Oost-Berlijn (1953), noch ten tijde van de Hongaarse opstand (1968) greep het Westen in. De détente-politiek in het algemeen en de Slotakte van Helsinki in het bijzonder legitimeerden de situatie in OostEuropa. De westerse landen bouwden in de jaren zestig en zeventig goede betrekkingen op met de verschillende landen in Oost-Europa. Aan het eind van zijn betoog kwam Dr. Byrd tot de 'realpolitische' conclusie dat de bestaande situatie in OostEuropa de minst slechte is. De Sovjetdominatie is een waarborg voor de vrede. De Oosteuropese volken betalen helaas de hoge prijs van opgave van hun vrijheid voor deze situatie. Bij het bepalen van haar houding staat het Westen immer voor hetzelfde dilemma: moedigt zij processen in Oosteuropese landen aan die leiden tot een vergroting van de vrijheid, dan lokt zij Sovjet-interventie uit, wil zij vrede en stabiliteit in Europa, dan is Sovjetoverheersing in Oost-Europa daarvoor een noodzakelijk kwaad. Vervolgens sprak Sir Frank Roberts over The Effect of current Events in Poland on East-West Relations". De recente gebeurtenissen in Polen zijn voor de Oost-West betrekkingen van groot belang. De verslechtering in de relaties was echter al vóór de militaire machtsovername in Warschau (dec. 1981) opgetreden. Een complex van

Het eind van de Praagse lente 1968.

factoren was debet aan deze ontwikkeling. Sir Frank noemde een aantal factoren van geo-politieke aard, zoals de uitbreiding van de Russische invloed in de Derde Wereld en de ontwikkelingen in Iran, Afghanistan en MiddenAmerika. Er zijn ook een aantal factoren van functionele aard aan te wijzen: het beleid van de Carter-administratie met een sterk accent op het verdedigen van de mensenrechten, de groei van de Sovjet-bewapening te land en ter zee, en de sterk ideologisch getinte koers van Reagan. De verslechtering van de ontspanning tussen Oost en West heeft ook een diepgaande invloed gehad op de relaties tussen de westerse landen onderling. De verschillen in belangen tussen WestEuropa (m.n. de Duitse Bondsrepubliek) enerzijds en de Verenigde Staten anderzijds kwamen duidelijk aan de

oppervlakte. De nieuwe koers in de buitenlandse politiek van zowel Frankrijk als van de V.S. vergrootte de problemen. Na deze algemene inleiding kwam Sir Frank te spreken over de Poolse crisis die zowel voor de Sovjet-Unie als voor het Westen van groot belang is. De grootste zorg van de Russen was het verlies van het machtsmonopolie van de Poolse communistische partij. Hierbij speelden zowel redenen van ideologische aard als militair-strategische overwegingen een rol. De Sovjet-Unie kan niet tolereren dat meerdere machtscentra ontstaan naast de communistische partij, en zeker niet in Polen waar de Russen belangrijke militaire voorzieningen (verbindings- en communicatielijnen) hebben en dat strategisch gezien de voordeur van de Sovjet-Unie vormt.

27


Daar kwamen de economische problemen nog bij, die door het optreden van Solidariteit vergroot werden. Er diende derhalve ingegrepen te worden, de vraag was alleen wanneer en op welke manier. De machtsovername door de militairen heeft het Westen verrast. Het Poolse leger heeft altijd een aparte plaats ingenomen en genoot een zo groot prestige bij de bevolking dat een militaire coup niet verwacht werd. Toch, zo vervolgde Sir Frank, is de gekozen oplossing waarschijnlijk de minst slechte, al blijft het onduidelijk welke koers Jaruzelski wil gaan varen. Voor het Westen had de Poolse crisis eveneens grote betekenis. De hoop de liberalisaties in Oost-Europa na het sluiten van de Helsinki akkoorden bleek ijdel. Door de speciale band die een aantal Westeuropese landen met Polen had was de psychologische schade van de militaire machtsovername groter dan in 1968 toen de Russische legers een einde maakten aan het experiment van de Praagse Lente. Tot slot was er het financiële vraagstuk in de vorm van de gigantische schuldenlast van Polen aan het Westen. Het belangrijkste vraagstuk voor de nabije toekomst van Polen blijft de oplossing van de economische problematiek. Voorts is gezagsherstel van de communistische partij een absolute voorwaarde voor en stabiele ontwikkeling. Nimmer zal de Sovjet-Unie een situatie aanvaarden waarin de Poolse communistische partij niet de belangrijkste machtsfaktor is. Van westerse zijde moet men afzien van sancties, aldus Sir Frank. Het resultaat is tegengesteld aan de bedoeling: het Westen treft zichzelf en maakt Polen alleen maar afhankelijker van de Sovjet-Unie. Wel is het zinvol om politieke en diplomatieke pressie uit te oefenen .

De algemene voorwaarde voor verbetering van de situatie in Polen is herstel van een stabiele 'balanee of power' tussen Oost en West. Het betekent dat ook in de toekomst de volken in OostEuropa de prijs van Sovjet-overheersing zullen moeten betalen. Men mag zich echter afvragen of de Oosteuropeanen beter af zouden zijn in een situatie waar het machtsevenwicht zou ontbreken en waar de kans op een (nucleaire) oorlog aanzienlijk groter zou zijn. De redenering bracht Sir Frank Roberts tot de slotconclusie over de ontwikkelingen in Polen: "The best hope for a better regime lies in a planned East-West stability" . De laatste lezing, gehouden door Hugh Mulleneux, handelde over "Maritime Questions for the Baltic and Scandinavia". Het ontging ons wat de relatie van dit onderwerp was tot het thema van het seminar. Boverdien lag het niveau

28

Het begin van de Poolse winter in 198 1 (eerder verschenen in NRC-Handelsblad van 15 juni 1981 ).

van deze lezing beduidend lager dan de voorafgaande. De gepensioneerde gezagvoerder wees op de bijzondere klimatologische omstandigheden in Noord-Europa, legde vervolgens de theorie van de zgn. Noordse balans uit en behandelde de militaire kracht van de landen in de noordelijke regio. Na ook nog een aantal toeristische aantrekkelijkheden van de Scandinavische landen vermeld te hebben formuleerde Mulleneux aan 't eind van zijn betoog het militair-strategische belang van Noord-Europa. - Op het Kola-schiereiland (ten oosten van Finland) heeft de Sovjet-Unie het grootste arsenaal aan strategische kernwapens opgesteld, via de Noordpool gericht op de Verenigde Staten. - Maritiem gezien is de noordelijke flank van eminent belang: tussen Groenland en IJsland, en tussen IJsland en Groot-Brittannië liggen de twee toegangspassages voor de Russische vloot richting Atlantische Oceaan. - In de Baltische Zee vormt de gecombineerde zeemacht van de DDR, Polen en de Sovjet -Unie een permanente bedreiging voor West-Europa.

Na de lezingen werd gediscussieerd in twee werkgroepen met de thema's: "Has détente a future?" en "lmplications of recent events in Poland" . In een gezamenlijke slotzitting gaf Stephen Hester , vice-voorzitter van de BA Y, een korte samenvatting van de behandelde problematiek op dit geslaagde seminar. Dick Zandee


Een korte schets

van JASON o betekent Jong Atlantisch Samenwerkings Orgaan Nederland; o is in 1975 opgericht door een groep jongeren; o is niet gebonden aan enige politieke of maatschappelijke groepering; o bestudeert internationale vraagstuk· ken; o organiseert lezingen, conferenties en cursussen; o geeft het tweemaandelijkse blad JASON·magazine uit dat iedere keer aan een speciaal thema is gewijd; o is een stichting waarin zitting hebben jongeren tot 35 jaar. Wilt U meer weten: STICHTING JASON VAN STOLKWEG 10, 2585 JP OEN HAAG TELEFOON 070 • 52 28 50

Doelstellingen De Stichting Jong Atlantisch Samenwerkings Orgaan Nederland is een studie-organisatie die zich toelegt op het verschaffen van informatie over de Atlantische vraagstukken, Oost-West samenwerking en andere mond ia ie problemen. Dit doet zij door: - zes maal per jaar een blad uit te ge· ven ("JASON·Magazine")

-

studie-weekends, lezingen .en con· gressen te organiseren.

JASON is in november 1975 opgericht door een groep jongeren (studenten en werkenden in de vrije beroepen, bij het bedrijfsleven en bij de overheid) die hun belangstelling voor Atlantische en Oost· West vraagstukken gemeenschappelijk hebben. Zij vertegenwoordigen een breed scala van politieke stromingen. JASON richt zich in de eerste plaats tot jongeren; maar ook zeer vele anderen zijn adherent van de Stichting of abon· nee van JASON·Magazine. In het blad, bij conferenties en lezingen, kortom bij alle aktiviteiten van JASON worden vele (veelal tegengestel. de) opvattingen over bepaalde onderwer· pen gepresenteerd. Hierdoor wordt beoogd bij de lezers en geïnteresseerden belangstelling te kweken voor en hen te stimuleren tot eigen oordeelsvorming over deze onderwerpen. JASON·Magine laat in ieder nummer een afgerond thema de revue passeren en vult dit aan met kritische verslagen van conferenties en andere onderwer· pen die van belang zijn. In beginsel staat het voor iedereen open bijdragen aan het blad te leveren en deel te nemen aan conferenties en bij· eenkomsten van de Stichting.

mijn in verbinding te stellen met de redactie. Degenen die geinteresseerd zijn in de redactie of eindredactie van JASON· magazine of in het bestuur, kunnen con· tact opnemen met Maurits Dolmans, telefonisch bereikbaar op 071 ·1304 05, Steenstraat 29, 2312 8T Leiden, of het secretariaat van JASON.

Overname van artikelen.. . . .. . uit JASON·magazine is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming van de redactie te hebben verkregen en onder vermelding van de auteur, het nummer waaruit het artikel afkomstig is, het thema van dat nummer en het adres van de stichting JASON. De bronvermel· ding dient derhalve naar het volgende voorbeeld te zijn gemodelleerd: "Onderstaand artikel van de hand van (auteur) is overgenomen uit JASON· magazine van april/mei 1979, dat gewijd is aan het thema 'In vredesnaam de NAVO'. JASON·magazine is het tweemaandelijkse tijdschrift van de stichting JASON Van Solkweg 10, Den Haag".

Degenen die, door het schrijven van' een artikel of het geven van suggesties, denken een bijdrage aan toekomstige nummers te kunnen leveren, worden van harte aangespoord ·zich op korte ter·

INDEX JASON-MACAZINE 1981 Stripnummer en Conferentieverslag (1980, nr. 6 / nr. 1) J. van de Velde C.A. van der Klaauw P.J Teumssen S.l. P, van Campen H. van den Bergh JP. Huner

Stripverhalen en Kernbewapening Détente: geen illusiepo lit iek Ontspann ing al s inzet van wedijver tussen Oost en West Het vermeende leiderschap van de Verenigde Staten De rangorde in het ontspanningsproces Eindelijk: een verdrag over dubieuze wapens

Nederlandse verkiezingen en Buitenlandse Politiek (nr. 2) G.M. de Vries

A Stemmerdmk D.K.J. Trommel A M. Oost/ander

A Ploeg Dr, James Dougherty

Kamer en Buitenlands Beleid: consensu s of controverse? Verkiezingsprogramma PvdA D'66 en de buitenlandse politiek Vrede, veiligheid en samenwerking in het CDA-programma Eenheid in de VVD A letter trom a transatlantic !riend

Spanje: een wankele democratie (nr. 3) JA Fortuin L.s. Egas y Trlgo C M. Nigten P.JC Mulder

K. V.A. van Spronsen F. Carrasquer

De historische betrekkingen tussen Nederland en Spanje De laatste jaren van het Franquisme Naar een democratie zonder adjectieven Una democracia vigilada: Spanje na de slraat· greep • De buitenlandse politiek van het " nieuwe" Spanje De nationalismen binnen de Spaanse natie

Zuidelijk Afrika: een regio apart (nr. 4) K. Maarlense S, Bosgra G. Vi/joen P. Terhal M.A Cageling

De brandhaard Zuidelijk Afrika Oppositie in Zuid-Afrika Over constitutionele ontwikkelingen Buitenlands kapitaal en Zuid-Afrika Het militair·strategisch belang van Zuidelijk Afrika

M HL Breman en

W. van Haaien

Zuid-Afrika's bewapening : nucleair en conventi oneel

Eenzijdige Ontwapening: voorbeeld Of Waanbeeld (nr 5) W. F. van Eekelen H. Vredeling M J. Faber

M. van der Stoel M. F. Le Goul/re

Vervlechting bewapening en wapenbeheersing wenselijk en mogelijk Een Europese Kernmac ht: het middel erger dan de kwaal Grote mogendheden weinig belang bij ontwapening en ontspanning De Rol van Nederland bij de kernontwapening Politieke Affic hes

De west·west relatie: Partners in Dilemma (nr. 6 / 1982, nr. 1) A Lammers F A M. Alling van Geusau CD. de Jong H.A. Schaper JD, Blaauw R, rer Beek JS.L. Gualrhérle van Weezei

Amerika en Europa en de frustraties der geschiedenis Will co-operation endure? The future of European-American relations Kunnen economische tegenstellingen de NAVO ondermijnen? Een crisis in de verhouding Verenigde StatenWest-Europa? W.·Europa: teleurstelling en waakzaamheid Naar een zelfstandiger Westeuropese pol i tiek

Onder hetzelfde dak, maar niet eten uit dezelfde ruif Interview met de Amerikaanse ambassadeur in Nederland, W,I/Iam J Deyess

Mini·JASON K.A. Neder/ofIJ. van de Velde

G. W F. Vigeveno

Internation·simulati on: opzet van een simula· tiespel (nr. 5) Eenzijdige Ontwapening : voorbeeld of waanbeeld? (nr. 6)

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1982), jaargang 07 nummer 3  

Jason magazine (1982), jaargang 07 nummer 3  

Advertisement