__MAIN_TEXT__

Page 1

December 1982, 7e jaargang nummer 5


+Jason

Redactioneel

secretariaat en Redactie: Van Stolkweg 10, 2585JP DEN HAAG Telefoon: 070 - 52 28 50 Postgiro: 3581025 Bank: 45.68.55.548 (AMRO-Bank te Scheveningen)

Abonnementsprijzen f 25,- per jaar (6 nummers, behoudens ver· schijning van een dubbelnummer).

Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarne verstrekt door de penningmeester van de Stichting.

Dagelijks Bestuur Voorzitter Vice-Voorzitter Secretaris Penningmeester Hoofdred. JASON-mag. : Leden

Piet Heyn Goedhart Dick Zandee Willy Hellendoorn Martien de Groene Maurits Dolmans Eveline Muusers Maarten Derks

Algemeen Bestuur A. Bouter P. Lameijer (516) drs. A.F. van Leeuwen drs. M.T. van der Meulen drs. P.J.C. Mulder Mr. W.H. van den Muijsenbergh A.D. Praaning drs. M. Roemers M. Verwey drs. G.W.F. Vigeveno Leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leden van het Algemeen Bestuur

Raad van Advies dr. W.F. van Eekelen (voorz.) H.J.M. Aben H. Gabriêls mevr. dr. A.M .e .Th . van Heel-Kasteel C.C. van den 'Heuvel dr. L.G.M. Jaquet A.C. Spinosa Cattela drs. E.J . van Vloten

Naarmate de internationale handel in volume en diversiteit toenam, begon de economie een belangrijker rol in de internationale politiek te spelen. Handel met andere landen is namelijk een prachtig instrument om een buitenlandse politiek mee te voeren: goede relaties worden bekrachtigd met een handelsakkoord, onvriendelijke staten worden gestraft met sancties enz .. De overheid kreeg bovendien steeds meer taken op het gebied van de economie, en kon haar greep daarop verstevigen door in- en uitvoer-regelingen, kredietverlening, exportbevordering en dergelijke. Op die wijze kunnen staten elkaar naar believen belonen of straffen, al naar gelang de lijn van de politiek. Buitenlands beleid is echter ook een middel om economische doelstellingen te kunnen verwezenlijken, en de voormalige 'high-brow' diplomaat kreeg tevens tot taak om de uitvoer te bevorderen, investeringen aan te trekken etc. Interne economische ontwikkelingen en tegenstellingen werden van belang voor de politiek in den vreemde. Toen in Nederland de democratisering van de buitenlandse politiek op gang kwam, voegde zich een derde bij de diplomaat en de koopman: de dominee. Hij had zich al eens eerder laten gelden, net als de koopman, maar nu komt het soms tot een regelrecht conflict tussen de drie. Om kort te gaan stelt de diplomaat meestal dat we voorzichtig moeten zijn en achter de schermen veel kunnen bereiken, beweert de koopman dat veel handel in het belang van de binnenlandse en internationale economie is, en streeft de dominee naar een verlichte en moreel verantwoorde politiek. Natuurlijk, dit is grof geschetst, en het bedrijfsleven heeft ook aandacht voor de politiek en de ethiek, en vice versa, maar ieder heeft zo zijn eigen belangen en ideëen te verdedigen, hetgeen ook terecht is. De artikelen van dit nummer passen grotendeels in het bovenstaande kader. Dr. L_ Doom van het Verbond van Nederlandse Ondernemers (VNO) laat er niet veel twijfel over in zijn schrijven over 'Diplomaten als kaasverkopers?' Hij besteedt vooral aandacht aan de economische belangen. Johan van Rens, van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) beschrijft de aspecten van ontwikkelingssamenwerking en buitenlands beleid vanuit het gezichtspunt van de vakbeweging. Hij benadrukt de noodzaak van een rechtvaardige internationale economische orde waarbij tenminste de fundamentele mensenrechten moeten worden geëerbiedigd. Als voorbeeld van wat er in de praktijk van terecht kan komen beschreef drs. Bemard Kerstens voor zijn eindscriptie het Nederlandse overheidsbeleid inzake wapenexport. Is er een discrepantie tussen het beleid in theorie en in praktijk? Evert-Jan Raven, redactielid van JASON, schrijft over economische sancties vanuit de VN, waarbij hij ook aandacht besteedt aan de juridische context. Maurits Dolmans, die eveneens deel uitmaakt van de redaktie, besluit de reeks. Zijn artikel heeft het Amerikaans embargo op technologie en goederen voor de olie- en gasindustrie tot onderwerp. Het stuk is ontstaan n.a.v. de JASON-uitwisseling met het Committee for Dutch-American Relations, gedurende welke uitvoering over dit onderwerp is gediscussieerd. Ook kwam het ter sprake bij een simulatiespel, onderdeel van een cursus bij de Leergang Buitenlandse Betrekkingen (waarbij dank aan Tony van der Togt voor zijn grote inbreng). Zoals aangekondigd in het vorige nummer, volgt hierop het tweede deel van de verhandeling over 'Cuba in Latijns-Amerika' , door mr. W.V. Cohen Stuart.

MD

Redactie JASON-magazlne Hoofdredacteur Redaktieleden

Maurits Dolmans Hans Fortuin Geert van Loon Peter Mulder Evert·Jan Raven Gert Timmerman Guido Vigeveno

Onlangs is gereedgekomen de JASONdas_ De das is donker JASON-groen en is getooid met het JASON-Iogo in wit dat ook in de stof terugkeert_ U kunt deze das bestellen door het luttele bedrag van f 15,- plus twee gulden portokosten onder vennelding van 'JASONdas' over te maken op het rekeningnummer van JASON, of het gironummer (zie colofon)_

Heeft U interesse in een bestuursfunktie, of in de Redactie; wilt U reageren op een van de artikelen en Uw mening geven, heeft U eigen ideëen? JASON zal dat graag van U horen _ Ook als U gewoon behulpzaam wilt zijn of met vragen zit _ 071 - 52 28 50, Van Stolkweg 10, 2585 JP Den Haag _


Diplomaten als kaasverkopers? "Het interesse van desen Stoet is daerinne gelegen, dat allenthalve ruste en vrede zij ende dat de commercie onverhindert mogen worden bedreven"

Dr. L. Doom Secretaris Internationale Zaken van het Verbond van Nederlandse Ondernemers. Dit anikei is on· der persoonlijke titel geschreven.

Een vooraanstaand Nederlands diplomaat schijnt eens opgemerkt te hebben "Je ne

porie pas fromage". Dit naar aanleiding van de uit het Nederlands bedrijfsleven naar voren gekomen wens Nederlandse diplomaten naar het voorbeeld van hun buitenlandse collegae meer in te schakelen bij exportbevorderende activiteiten. De opmerking van deze diplomaat kon lange tijd als tekenend beschouwd worden voor de relatie tussen het bedrijfsleven en het ministerie van Buitenlandse Zaken . Het ministerie achtte economische belangenbehartiging ver beneden z'n stand, en het bedrijfsleven richtte zich ook voor wat betreft z'n buitenlandse belangenbehartiging vrijwel uitsluitend tot het ministerie van Economische Zaken. Inmiddels lijkt zich de situatie te wijzigen. Ook BZ denkt nu hardop na op welke manier de buitenlandse dienst effectiever kan worden ingeschakeld bij de handelsbevordering. Het experiment met de "Vijf van Beijen" , een vijftal ervaren deskundigen afkomstig uit het bedrijfsleven, tijdelijk voorzien van een diplomatieke status, teneinde bij een aantal Nederlandse vertegenwoordigers als handelsattaché te kunnen functioneren werd helaas beëindigd. Dit wordt door het bedrijfsleven zeer betreurd, temeer daar uit de exportnota blij kt dat de regering zelf het experiment als geslaagd beschouwd. Overleg met het bedrijfsleven was hier op z'n plaats geweest. Bekeken wordt momenteel op welke wijze "het klasje" nog beter op de hoogte gebracht kw worden van de specifieke mogelijkheden die de Nederlandse industrie te bieden heeft. Dat mag eigenlijk zo langzamerhand ook wel. Vooral tegen de achtergrond van de huidige economische malaise kan niet vaak genoeg herhaald worden dat de positie van Nederlandse ondernemingen op buitenlandse markten van grote betekenis is voor de economische ontwikkelingen van ons land. In het beleid gericht op vermindering van de huidige onaanvaardbare hoge werkloosheid moet de verbetering van de concurrentiepositie als cruciaal beschouwd worden omdat een belangrijk deel van onze werkgelegenheid rechtstreeks of indirect voortspruit uit onze exportprestatie. Dit geldt zowel voor behoud van bestaande gekwalificeerde arbeidsplaatsen als voor het scheppen van nieuwe. Dit uitgangspunt krijgt op middenlange en lange termijn meer gewicht door het feit dat Nederland in het lopende decennium voor de zware opgave staat de gevolgen op te vangen van de vermindering van opbrengsten uit de export van aardgas. Een substantiële vergroting van onze exportprestatie zal een belangrijke sleutel zijn voor het dringend gewenste economisch herstel en daarmee voor de verbetering van de werkgelegenheid. Ook om

andere reden is een intensivering van onze exportinspanning noodzakelijk. Door de toenemende internationalisatie en specialisatie van het economisch proces zullen landen als Nederland die een

relatief kleine thuismarkt kennen tot een grotere exportprestatie worden gedwongen als compensatie voor de op diverse terreinen onvermijdelijk toenemenende invoerpenetratie, met name ook door de toenemende exportcapaciteit van de landen van de derde wereld. Vergroting van die exportinspanning is natuurlijk primair een zaak van het bedrijfsleven. Dat laat echter onverlet de mogelijkheden die de overheid heeft om de positie van de Nederlandse ondernemingen op buitenlandse markten te beïnvloeden. Daarbij denken we natuurlijk in de eerste plaats aan het macro-economische beleid van onze overheid, dat de voorwaarden moet creëren voor een gezond bedrijfsleven, bereid en in staat tot investeringen. Daarnaast zal de overheid een buitenlands beleid moeten voeren dat mede gericht is op de ondersteuning van de exportinspanning van de NederDr. L. Doorn

landse ondernemingen. Op de relatie tussen doelstelling en de activiteiten van internationaal werkzame ondernemingen en buitenlands beleid van de Nederlandse regering zal hieronder nader worden ingegaan.

Internationaal werkzame ondernemingen... Over het functioneren van internationaal werkzame ondernemingen bestaan de meest wonderbaarlijke opvattingen. Wanneer men de verlangens van bepaalde actiegroepen beziet, dan blijkt dat velen van mening zijn dat ondernemingen instituten zijn die al naar gelang de politieke kleur van de zittende regering

kwmen investeren en desinvesteren in daartoe naar de mening van de regering en parlement in aanmerking komende landen. Het is wellicht toch belangrijk om nog eens even stil staan bij de eigenlijke doelstelling en verantwoordelijkheden van ondernemingen. Ondernemingen vervullen een belangrijke maatschappelijke functies. Zij produceren en distribueren immers in het perspectief van een zo groot mogelijke continuïteit tal van goederen en diensten, waar vraag naar is. Als zodanig hebben zij een functie in het economische bestel en dienovereenkomstig een economische verantwoordelijkheid. Daarnaast verschaft een onderneming werkgelegenheid voor haar werknemers. Zij heeft derhalve naast de economische functie ook een sociale functie t.a.v. haar werknemers, een verantwoordelijkheid, die zich manifesteert in een beleid dat met name gericht moet zijn op humane arbeidsomstandigheden. Daarbij moet voor werknemers de mogelijkheid geschapen worden om zich te ontplooien en hun werk als zinvol en motiverend te ervaren. Dit geldt vooral ook wanneer de onderneming opereert in een gastland. Gezien haar specifieke economische en sociale doelstelling dient een onderneming zich te onthouden van politiek i.c. partijpolitiek handelen in een gastland.


verhoudingen; - richt zich tot alle betrokken partijnen - regeringen, werkgevers- en werknemersorganisaties in thuis- en gastlanden en multinationale ondernemingen - met inachtneming van hun belangen en verantwoordelijkheden. Op internationaal gebied werkzame ondernemingen rust de morele plicht om zich overeenkomstig de beginselen zoals in deze verklaringen vastgesteld, te gedragen en daarbij in het bijzonder de belangen van hun werknemers te beschennen. De erkenning van deze internationale gedragscodes impliceert dat de betrokken bedrijven althans voor een deel afstand doen van de maatstaven die zij anders zouden doen prevaleren. Een logisch gevolg daarvan is dat Nederlandse bedrijven hun handelen slechts voor een deel kunnen baseren op hetgeen in Nederland wenselijk of gebruikelijk geacht wordt.

. . . en het buitenlandse beleid van de overheid Vanuit de doelstelling en verantwoordelijkheden van ondernemingen gezien wordt van de overheid in het kader van de internationale betrekkingen, zowel op bi- als multilateraal niveau in de eerste plaats precies datgene verwacht, hetgeen Johan de Wilt zo -treffend fonnuleerde:

"dat allenthalve ruste en vrede tij ende dat de commercie on verhindert mogen worden gedreven ".

Exportbevordering

Iets anders is dat, indien en voor zover het ondernemingshandelen politieke gevolgen met zich brengt, ondernentingen,

evenzeer trouwens als andere maatschappelijke organisaties in soortgelijke gevallen, rekening moeten houden met het feit dat zij ook daarvoor ter verantwoording geroepen kunnen worden. De onderneming kan, gezien haar specifieke sociaal-econontische functie, geen politieke doeleinden nastreven . Vanuit het, op zich juiste, beginsel dat zij voor de effecten van haar operaties verantwoordelijk kan worden gesteld, rou het tOch een ontoelaatbare uitbreiding van dat principe zijn om haar te maken tot instrument voor het uitoefenen van politieke druk of zelfs tot voertuig in de buitenlandse politiek van een bepaalde overheid. Daarvan zijn al te ongelukkige voorbeelden bekend. Ten aanzien van het te voeren interne sociale beleid in vestigingen in het buitenland behoren bedrijven zich te laten leiden door de lokale wetten, zeden en gewoontes, een en ander in het licht van het groeiend internationaal nonnbesef, met name voor zover dat is neergelegd in de hierna te noemen gedragscodes. Dit is ook het uitgangspunt voor de gedragscodes voor multinationale ondernemingen, die in het recente verleden in 2

verschillende internationale organen zijn opgesteld en aan de opstelling waarvan het bedrijfsleven actief heeft meegewerkt. Na de opstelling van de richtlijnen van de Internationale Kamer van Koophandel (IKK) en van de Organisatie voor Econontische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) kwam eind 1977 de voor het onderhavige onderwerp vooral van belang zijnde Beginselverkla-

ring van de internationale Arbeidsorganisatie (ILO) inzake muitinationale ondernemingen en sociaal beleid tot stand. Deze Beginselverklaring, die is opgesteld

en onderschreven door overheden, werkgevers- en werknemersorganisaties en een universeel karakter draagt, -

verwijst naar de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de verenigde Naties, naar de twee internationale verdragen van 1966 inzake mensenrechten en naar de belangrijke verdragen van de ILO op het terrein van de mensenrechten; - houdt rekening met de soevereine rechten van de staten en met de nationale wettelijke en maatschappelijke kaders; - bevat uitgewerkte aanbevelingen op verschillende sociale terreinen zoals werkgelegenheid, opleiding, levensen arbeidsomstandigheden en arbeids-

De overheid zorgt voor de politieke randvoorwaarden, waarbinnen internationaal werkzame ondernemingen kunnen

functioneren. Moeilijkheden ontstaan daar waar het bevorderen van econontische betrekkingen in aanvaring komt met andere doeleinden van buitenlands beleid. Gezien de recente ontwikkelingen in de laatse jaren wil ik hier met name het mensenrechtenbeleid en de OostWest betrekkingen noemen. Veel discussie is gedurende de afgelopen jaren in Nederland gevoerd over de vraag, in hoeverre het mensenrechtenbeleid ook consequenties dient te hebben voor de econontische betrekkingen met landen waar ernstige inbreuk op de rechten van de mens plaatsvinden, en met name de vraag wanneer het streven naar bevordering van mensenrechten aanleiding kan geven tot de inperking van het handelsverkeer, lees: inperking van de activiteiten van internationaal werkzame ondernemingen. Dit is het geval indien overheden ingrijpen in het handelsverkeer teneinde door econontische druk een andere staat te bewegen tot wijziging van zijn beleid inzake de handhaving van mensenrechten. Recente voorbeelden zijn de econontische sancties tegen landen als ZuidAfrika, Rhodesi~, Chili, Iran, de SovjetUnie en Argentini~.


Bij een dergelijk ingrijpen staan sociaalethische doeleinden voorop. Voor wie wil afzien van enige afweging tussen oorzaak en gevolg, tussen de ethische doelstellingen en het overheidsingrijpen dat daaruit volgt, ligt hier geen probleem. Dat ligt er wĂŠl als dit ingrijpen het - hier of elders - onmogelijk zou maken om langs de weg van ontwikkelingsgerichte investeringen en handel, aan de bevorderingen van de mensenrechten bij te dragen of daarvoor althans de voorwaarden te schappen. De bijdrage van het bedrijfsleven daaraan mag dan bescheiden en veelal indirect zijn, haar tot nul te reduceren vormt een uiterste consequentie waarvan de mogelijke voordelen terdege moeten worden afgewogen tegen het schadelijke effect dat zij op de sociaal-economische en politieke omwikkeling van andere landen kan hebben. Vergelijkbare situaties doen zich momenteel voor in de Oost- West betrekkingen. De ministers van buitenlandse zaken van de NA VO-landen zijn onlangs te Montreal overeengekomen dat een gemeenschappelijke economische strategie ten opzichte van de Sovjet-Unie en haar bondgenoten moet worden ontwik keld. Besloten werd onder meer dat de ministers van FmanciĂŤn van de lidstaten het kredietbeleid jegens het Oostblok opnieuw zullen bezien.

Politisering van handelsbetrekkingen Zowel in het mensenrechtenbeleid als in de Oost-Westbetrekkingen doen zich derhalve situaties voor, waarbij de eco¡ nomische relaties gebruikt worden om politieke druk uit te oefenen. Deze politisering van internationale handelsbetrekkingen staat haaks op de door De Wilt aangegeven grondslag voor het buitenlandse beleid: zorgen voor internationale ontspanning om de handel te doen floreren. Het omgekeerde geschiedt. De handelsbetrekkingen worden gebruikt als internationaal drukmiddel. Dat dit voor betrokken ondernemingen een ongewenste situatie is, behoeft nauwelijks nader betoog. Neem bijvoorbeeld het Engelse bedrijf John Brown. De Amerikaanse licentieverlener verbood dit bedrijf onderdelen te leveren voor de Russische aardgaspijpleiding. Een en ander in opdracht van de regering te Washington. De Engelse regering, ook niet voor een kleintje vervaard, beval hierop op grond van de uit 1980 daterende Protection of Trading Interests Act de betrokken onderneming haar contract met de Russen na te komen. John Brown leverde, en werd vervolgens door de Amerikanen op de zwarte lijst geplaatst. Minister Van der Stoel maakte ten tijde

van zijn ministerschap in het kabinet Van Ast 11 melding van zijn voornemen het Nederlandse bedrijfsleven te verzoeken vrijwillig over te gaan tot een boycot van Zuid-Afrika. Indien ondernemingen hieraan inderdaad tegemoet zouden komen, zou zich de bizarre situatie voordoen, dat deze ondernemingen uit eigen beweging zouden moeten overgaan tot het verbreken van economische banden c.q. het verbreken van gesloten contracten.

Als onderneming verlies je in dergelijke gevallen wel je naam als betrouwbare comractspartner, hetgeen gezien de in-

ternationale concurrentie, niet zonder risico's is. Daar komt nog bij dat het effect van economische sancties veelal nihil is. In dit verband moge verwezen worden naar de onlangs door het Europese Parlement aangenomen resolutie 'Seeler', waarin onder meer gesteld werd

- dat de geschiedenis van de economische SfJncries een aaneenschakeling van mislukkingen is en economische sancties goeddeels ongeschikt zijn gebleken als instrument om doelstellingen van het buitenlands beleid te verwezenlijken,

- het gebeurt zelden of nooit dat een staat zich onder economische druk tot een fundamentele wijziging van zijn politieke houding laat dwingen. In veel gevallen bereikt men er veeleer een verharding van de politieke

Eerder verschenen in NRC-Handelsblod 22-1J-J979, mei dank aan Jos ColJignon.

3


fronten mee en worden de economieën van de eigen staat en van derde, niet in het conflict betrokken staten, op dezelfde manier getroffen en benadeeld als de economie van de staat waartegen de sacncties zijn gericht,

- economische sancties kunnen op velerlei manieren worden omzeild en ontweken. Zelfs met omvangrijke

-

-

controlemaatregelen kan men niet volledig waarborgen dat zij - althans in vredestijd - consequent en volledig worden toegepast, de doeltreffendheid van sancties hangt grotendeels af van de mate waarin de getroffen staat van de inen uitvoer van de geboycotteerde produkten en diensten afhankelijk is en van zijn onvermogen of de onmogelijkheid de behoefte aan die produkten en diensten te verminderen of te substitueren, door een wijziging van de handeisstromen, door het verlies van markten, door de bedreiging van het voortbestaan van firma's en bedrijven en de daaraan verbonden arbeidsplaatsen leiden sancties vaak tot financiële nadelen en onherstelbare economische consequenties die buiten verhouding tot de nagestreefde en bereikbare politieke doeleinden staan.

Daarnaast zijn er ook enkele meer praktische overwegingen. Verlies aan continuïteit betekent veelal ook verlies aan werkgelegenheid, hier en/ of elders. En vooral elders treft dat verlies mensen die aan de in hun land werkzame onderneming een van de weinig mogelijke bestaansbronnen ontlenen. De economische isolatie van een land treft immers niet alleen een bepaald regime maar ook in meer lijfelijke zin de bevolking, nog afgezien van de verzoeking waaraan door externe sancties getroffen regimes kunnen blootstaan om daarvoor in eigen land represailJes te treffen . Ook is er de andere mogelijkheid dat w'n regime Chili is daarvan een voorbeeld - de sancties compenseert door een deel van het vanuit andere landen concurrerende bedrijfsleven aan te trekken, waarmee de oorspronkelijke sanctie tot een symbolisch gebaar wordt teruggebracht en deze per saldo een tegenovergesteld effect bewerkstelligt. De feitelijke ervaring - althans tot nu toe - lijkt erop te wijzen dat het middel van economische confrontatie en isolatie het gezochte doel nauwelijks of niet naderbij brengt . De moeilijkheden die zich bij een beantwoording van dergelijke vragen voordoen mogen geen reden zijn om van verdere inspanningen daartoe af te zien. Alleen al het denken en doordenken over deze problematiek kan het bewustzijn van de ernst ervan aanscherpen. In het algemeen kan gesteld worden dat ondernemingen hechten aan een gedachte die ook in andere kringen wel wordt 4

gekoesterd nl. om wlang als dat verantwoord is overzeese betrekkingen in stand te houden, zulks niet alleen ter wille van de continuïteit, de concurrentiepositie en de belangen van hun aandeelhouders, en " stakeholders" (niet in het minst van de werknemers) maar ook - voorbij haar primaire verantwoordelijkheid - om aan de ontwikkeling van de gastlanden een positieve bijdrage te kunnen leveren. Het is aan de onderneming om de mogelijke consequenties ten positieve en ten negatieve wrgvuldig tegen elkaar af te wegen en om bij ontstentenis van politiek bindende uitspraken daarover, te besluiten óf en op welke wijze zij met bepaalde landen zaken willen doen.

Een realistisch buitenlands beleid Politisering van internationale handelsbetrekkingen heeft dus nauwelijks politiek effect en brengt bovendien ondernemingen als dragers van deze economische betrekkingen in een onmogelijke positie. Ondernemingen kunnen in landen met bedenkelijke regimes een zeer nuttige rol vervullen, maar dan wel binnen het kader van hun eigen verantwoordelijkheden en doelstellingen. Een realistisch buitenlands beleid gericht op ondersteuning van Nederlandse ondernemingen op buitertlandse markten zal hiermede zeker rekening moeten houden. Een realistisch buitenlands beleid zal zich gezien de economische situatie waarin ons land momenteel verkeerd, in de eerste plaats moeten laten leiden door Nederlandse economische belangen. Onze reputatie als betrouwbare handelspartner mag met verder geschaad worden door solistische manoeuvres, die

bij onze bondgenoten en handelspartners slechts bevreemding veroorzaken, en ons bovendien in een politiek isolement brengen. Indien al gestreefd wordt naar een buitertlands beleid gericht op de ondersteuning van de exportinspanning van het Nederlandse bedrijfsleven, is een hechtere samenwerking en coördinatie tussen overbeid en bedrijfsleven een noodzakelijke voorwaarde. De overheid moet bij het bepalen van dat buitenlandse beleid immers weten wat het bedrijfsleven te bieden heeft. Dit geldt met name ook voor de ontwikkelingssamenwerking. Niet onbelangrijk is hier hoe de overbeid binnen haar eigen apparaat de externe economische belangenbehartiging organiseert. Zo is momenteel een bewindsman van Economische en Buitenlandse handel, aangesteld met coördinerende bevoegdheden ten aanzien van de exportondersteunende activiteiten van de overbeid. Dit valt zeker toe te juichen, mits dit ook betekent dat alle overbeidsmaatregelen die maar op enigerlei wijze in verband staan met de positie van het Nederlandse bedrijfsleven voortaan ook op gevolgen voor de Nederlandse exportbelangen getoets worden. Dit geldt met alleen voor maatregelen op sociaal-economisch gebied, maar evenzeer voor het buitenlands beleid. En last but not least, bij onze nationale exportinspanning zal ook onze diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland effectief moeten worden ingeschakeld. Dan kan het gebeuren dat ook Nederlandse BZ-diplomaten naar het voorbeeld van de landbouwattachés "de boer op" moeten, als het moet zelfs met kaas.

... ethiek . . . (eerder verschenen in N RC-Hande/sblad 1-11-/979, met dank aan Niek Oue (Rotterdam)).


Enkele aspecten van ontwikkelingssamenwerking en buitenlands beleid vanuit het gezichtspunt van de vakbeweging De vakbeweging is altijd van mening geweest dat haar hoofdtaak, een brede sociaal-economische belangenbehartiging, nauw verbonden is met het welzijn en de vooruitgang van de samenleving in zijn geheel. De huidige wereldeconomie leidt niet vanzelf tot een rechtvaardige samenleving. Derhalve is de vakbeweging voorstander van onder meer veranderingen in de zeggenschapsverhoudingen op wereldschaal en actieve betrokkenheid en invloed van de overheid. Er moet gestreefd worden naar een nieuwe sociaal-economische orde die rechtvaardigheid en ontwikkeling afdwingt en in de hand werkt. Een nieuwe sociaal-economische orde is in het belang van de volkeren van zowel de ontwikkelingslanden als de geïndustrialiseerde landen. Zij is een praktisch antwoord op een gewijzigde economische en politieke situatie, een erkenning van het feit dat de wereld één en ondeelbaar is geworden. In alle landen zijn diepgaande hervormingen noodzakelijk. Steeds meer breekt het inzicht door dat het scheppen van een rechtvaardige verdeling tussen de naties niet voldoende zal zijn. Wat werkelijk nodig is, is een rechtvaardige verdeling binnen de naties zodat de massa van het volk kan profiteren van de economische en sociale ontwikkeling. Dit betekent het voeren van een beleid dat erop gericht is werkgelegenheid te scheppen en aan de basisbehoeften van de bevolking te voldoen - goede voeding en kleding, een behoorlijke huisvesting, passende sanitaire voorzieningen, medische zorg, onderwijs en andere essentiële gemeenschapsvoorzieningen . Voorts moeten de regeringen hun beleid richten op een rechtvaardige inkomens- en vermogensverdeling, alsmede de democratisering van de economie bevorderen. Dit is slechts mogelijk als tenminste de fundamentele mensen- en vakbondsrechten worden geëerbiedigd.

Herstel van de wereldeconomie Eén van de belangrijkste punten waarin de regeringen zijn tekortgeschoten is hun onvennogen de wereldeconomie en vooral de geÜldustrialiseerde markteconomieën , die een sleutelpositie innemen na de olieshocks in de zeventiger jaren, weer op gang te brengen. De aanhoudende economische recessie is bijzonder ernstig voor de ontwikkelingslanden vanwege hun economische kwetsbaarheid.

De huidige economische crisis maakt een gezamenlijke aanpak van de bestrijding van armoede en werkloosheid in de wereld meer dan noodzakelijk . Indien de .regeringen niet onmiddellijk vastomlijnde reflatoire maatregelen nemen, riskeert de wereld een steeds rampzaliger wordende crisis, wellicht even erg als de economische en politieke noodtoestand van de jaren dertig. Het is daarom van levensbelang dat de regeringen gecoördineerd ingrijpen om de wereldeconomie in de zeer nabije toekomst nieuw leven in te blazen. Nationalisme, protectionisme en groepsegoiSme winnen veld. De wereld staat voor de taak de neerwaartse spiraalbeweging tot stilstand te brengen. In internationale publikaties en studies komt steeds meer de interdependentie

tussen "Noord en Zuid" naar voren. De OESO heeft aangetoond dat een harde confrontatiepolitiek ten opzichte van het Zuiden in het Noorden tot een lagere groei leidt dan een beleid gericht op integratie, zeker op wat langere termijn. In het Brandt-rapport komt dit nog nadrukkelijker naar voren. In het Brandtrapport worden trouwens een groot aantal behartenswaardige aanbevelingen gedaan om de Noord/ Zuiddialoog weer op gang te brengen. Voor de opleving van de economie zou overeenstemming over het Noordprogramma, zoals de Brandt-Commissie dat

Johan van Rens Beleidsmedewerker Intemalionale Zaken van het FNV.

voorgesteld heeft, een eerste aanzet zijn. De hoofdelementen van het Noodprograrnma zijn: sneUe verhoging van de overdracht van fmanciële middelen, overeenstemming over een energiebeleid, een algemeen voedsel programma en herzieningen in het internationale economische systeem. Een aanzet tot een plan in de gelijksoortige richting is het wereldwerkgelegenheidsplan, voorgesteld in 1980 door Den Uyl, Pronk, Kok en Tinbergen.

Prioritaire beleidslijnen - Omvang van de hulp: de netto overheidsbijdrage aan de ontwikkelingssamenwerking dient in Nederland geleidelijk opgevoerd te worden en mag zeker niet dalen. Alle ontwikkelde landen moeten met spoed zorgen om tenminste de ODA (Official Development Aid) te brengen op 0,7"1. van het BNP. - Richting van de hulp: de hulp dient met name gericht te worden op de allerarmste landen en binnen de ontwikkelingslanden op verbetering van de positie van de armste groepen der bevolking. Een groter deel van de ontwikkelingshulp moet besteed worden aan de verbetering van de sociale structuur, waarbij met name de vakbeweging en vergelijkbare organisaties in de landbouw een belangrijke rol moet spelen.

5


- In het beleid dient de nadruk gelegd te worden op hulpverlening via multilaterale instellingen. De ontbinding van de bilaterale hulp moet nagestreefd worden in internationaal verband, om te beginnen in het kader van de EG en de Europese Vrijhandels Associatie. - Grondstoffen: de gehele problematiek van de grondstoffenprijzen en verwerking dient via een integrale benadering geregeld te worden in overeenkomsten tussen producenten- en consumentenlanden, waarbij voorzien moet worden in een gemeenschappelijke fmanciering en beheer van buffervoorraden. - Bij alle handelsbesprekingen (ook in de GATT-ministersvergadering van november 1982) verdient de positie van de ontwikkelingslanden speciale aandacht. De mate van voorkeursbehandeling d.w.z. het afzien door rijke landen van tegenconcessies kan wel afnemen naar gelang het bereikte niveau van economische ontwikkeling van de ontwikkelingslanden. - Bij het aangaan van internationale handels- en samenwerkingsovereenkomsten dient afgesproken te worden dat bepaalde sociale minimumnormen gerespecteerd zullen worden. Tot deze normen horen tenminste de vrijheid van vakvereniging en het recht tot het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten.

- Ondersteuning van privé-buitenlandse investeringen kan slechts worden toegestaan onder voorwaarden, namelijk dat de activiteiten passen in het

sociaal-economische beleid van het betrokken ontwikkelingsland en dat internationaal vastgelegde normen m.b.t. de arbeidsomstandigheden en sociaal beleid worden nagestreefd.

- Internationaal bindende gedragsregels ter controle van multinationale ondernemingen dienen w snel mogelijk te worden vastgelegd. Deze regels moeten met name bescherming bieden aan de ontwikkelingslanden opdat zij hun eigen sociaal-economische ontwikkeling kurmen nastreven. Ook de ontwikkeling en overdracht van technologie naar gelang de specifieke behoeften van de ontwikkelingslanden verdient bijwndere aandacht.

Enkele actuele discussiepunten In het voorafgaande is in meer algemene zin ingegaan op uitgangspunten bij ontwikkelingssamenwerking. In de rest van dit stuk zullen een aantal vraagstukken belicht worden die een centrale plaats innemen in de actuele discussie over ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven.

Noord/Zuid-dia/oog en economische ontwikkeling De economische groei in de wereld is drastisch verlaagd. De groei in de geïn-

dustrialiseerde landen is niet meer dan 2,50/0 per jaar geweest van 1970 - 1980, vergeleken met 4,1070 in de periode 1960 - 1970. In het laatste decennium is de groei in de ontwikkelingslanden als geheel hoger geweest dan die van de geïndustrialiseerde landen (nl. 2,7070).

ODA als percentage van het BNP 1970·' 81 Totaa l DAG In Nederland.

"

van BNP

0. 38 -+--+--4 1===t==t===~=+==1==+==+=:::[==C=:ilL=--1--..1-_

Wel zijn er tussen de ontwikkelingslanden aanzienlijke verschillen. De Oostaziatische landen groeiden met 5,7070 per hoofd, de Latijnsamerikaanse met 3,4070 en de olie-exporterende landen met 4,2070 per hoofd. De anticyclische groei van deze groepen ontwikkelingslanden heeft ertoe bijgedragen dat de wereldeconomie niet nog verder vertraagd werd en dat de geÜldustrialiseerde landen een langzame groei elders konden compenseren met een vergrote groei van hun exporten naar deze landen. Mede als gevolg van de lage groei en de voortgaande technologische ontwikkeling is de werkloosheid, met name in de rijke landen, drastisch toegenomen in de zeventiger jaren. Werkgelegenheid, meer nog dan inkomensontwikkeling, zal een sleutelthema zijn voor wwel nationaal beleid als voor de internationale betrekkingen in de jaren '80. De effecten van handelsuitbreiding, inflatiebestrijding en economische groei zullen in de eerste plaats beoordeeld dienen te worden in hun effecten op de werkgelegenheid. Zoals eerder aangegeven dient er snel een opleving van de wereldeconomie te komen tegelijk met afspraken om een halt toe te roepen aan alle protectionisme (stand-still). Dit is de enige weg om het handelssysteem overeind te houden, dat de laatste jaren vooral als gevolg van de teruggang in de wereldhandel onder enorme druk staat. Een geprogrammeerde en gerichte stimulering van de wereldeconomie kan vele positieve gevolgen hebben. Zonder volledig te willen zijn wu ik een aantal overwegingen willen geven die ter bevordering van de Noord/ Zuid-<lailoog van nut kurmen zijn :

0.37 -

0.36 0.35

-

Protectie als antwoord op de verschuivingen in de wereldhandel dient afgewezen te worden. Aexibele aanpassing van de economieën van de traditionele geïndustrialiseerde landen is wenselijk . Herstructurering van de Nederlandse economie wu vooral en in belangrijke mate een EEG-aangelegenheid moeten zijn.

-

De schulden van met name de ontwikkelingslanden zijn enorm . Vooral door het vergroten van hun exporten zullen zij in staat gesteld moeten worden om deze schulden af te lossen. Niettemin blijft de kapitaalbehoefte van de ontwikkelingslanden zeer hoog in de komende jaren en zal de voorziening daarin, door middel van vergrote privé en publieke kapitaalstromen van hoge prioriteit blijven.

-l---+-

0 .34

0.33 0.32 0.3' 0.30 0.29 0.28 1970

1.10 UlO

0.90 0.80 0,70

0 .80

0.50

0.'" 0.30 0 .20 0,10

1971

1972

1973

197"

- Zonder de ontwikkelingslanden politiek tegen elkaar uit te spelen of te 6


willen spelen is het wenselijk om een beleid te voeren dat rekening houdt met het onderscheid tussen de ontwikkelingslanden met een verschillend niveau van economische ontwikkeling. Ruwweg betekent dit dat aan de armste landen vooral hulp zonder tegenprestatie gegeven zou moeten worden, aan de iets meer ontwikkelde landen hulp tegen zachte voorwaarden, aan de ontwikkelingslanden die verder ontwikkeld zijn en in staat zijn te exporteren handelsvoordelen en aanpassingshulp, en aan de meerontwikkelde en zich industrialiserende ontwikkelingslanden mogelijkheden om hun produkten af te zetten en indien zij daartoe in staat zijn af te zien van bepaalde concessies en indien mogelijk tot bepaalde vormen van wederkerigheid te komen. - Ontwikkelingssamenwerking en hulpverlening zou vooral benaderd moeten blijven vanuit een zo groot mogelijke overeenstemming op mondiaal niveau. Een zekere regionalisering is vanuit de historische, geografische dan wel praktische gang van zaken (b.v. EG-Lomé; MiddellandseZeelanden; VS-Latijns-Amerika en Caraibisch Gebied; Japan-Aziatische landen) moeilijk te voorkomen . Vergrote inspanning en het nemen van verantwoordelijkheid van met name de Sowjet-Unie voor het oplossen van het ontwikkelingsproces is dringend gewenst. -

-

Het heeft geen zin ideologische schijngevechten op te voeren. Er dient concreet gestreefd te worden naar structurele veranderingen in de economische machtsverhoudingen. Dit kan niet los gezien worden van de economische werkelijkheid. Ook in werkgevers kringen wordt erkend dat de bijdrage van het bedrijfsleven in positieve als wel in negatieve zin plaatsvindt. Een (her)bezinning over de taak van overheid en bedrijfsleven zal er niet toe mogen leiden dat de huidige doelstellingen worden aangetast. Wel dat middelen efficiënter worden ingezet. De beoordeling van bepaalde ontwikkelingsmodellen dient vooral te geschieden aan de hand van de bijdragen die erin geleverd worden aan de armste groepen en de basisbehoeften

van de massa's. Waarschijnlijk is er niet één bepaald model, maar zullen elementen uit de aanpak in de verschillende landen op hun bruikbaarheid voor andere moeten worden getoetst. Een geïntegreerde aanpak van landbouw en industriële ontwikkeling kan vruchten afwerpen. De voedselstrategie van de Wereldbank en de plannen van de Europese Commissie in die richting verdienen steun.

Ontwikkelingssamenwerking en exportbevordering AI enige tijd is er opnieuw een discussie gaande over de relatie tussen ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven en meer in het bijzonder om de export te bevorderen via de ontwikkelingsrelaties met de Derde Wereld. De werkgevers hebben hierover hun opvattingen kenbaar gemaakt. Staatssecretaris Dik heeft zijn Exportnota het licht doen zien en de regering heeft onlangs een tweede ronde van "heroverweging op relatie Nederlandse economie en ontwikkelingssamenwerking" afgesloten . Er staan in de komende tijd nog vele discussies op stapel, terwijl er b.V. door Prof. Van Dam (momenteel nog plv. directeurgeneraal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) voor andere strategieën en nieuwe instrumenten wordt gepleit. Allereerst wil ik een aantal feiten kort op een rij zetten. Blijkens de zojuist aangehaalde Exportnota gaat het grootste deel van onze export naar de ons omringende EG, overigens om verklaarbare redenen. Wat de goederensamenstelling aangaat betreft dit naast aardgas vooral landbouw-produkten en voedingsmiddelen. Wel blijkt dat de uitvoer van investeringsgoederen een groter deel uitmaakt van het exportpakket naar ontwikkelingslanden dan in het totale uitvoerpakket. Toch blijkt dat aandeel kJeiner dan in de overige EG-landen. Ten aanzien van de geografische spreiding van de uitvoer is Nederland relatief bezien ondervertegenwoordigd op de snelst groeiende afzetmarkt (de olielanden en de NIC's) in de Derde Wereld, zo blijkt uit de Exportnota. Nu enkele indicaties vanuit de ontwikkelingssamenwerkingskant. Prof. Dr. L.B.M. Mennes heeft in een rede in Den Haag op 4 juni 1982 een aantal interessante cijfers en conclusies op tafel gelegd, waaruit ik er een aantal wil weergeven.

De uitvoer van industriële produkten naar ontwikkelingslanden is ongeveer het dubbele van de corresponderende invoer (130/0 van de Nederlandse export en 7% van de indllstriële produktie). Van de totale Nederlandse Officiële Ontwikkelings Hulp (ODA) ( ± 4 miljard gulden) is 23% geheel of gedeeltelijk gebonden. Van de bilaterele hulp is dit percentage 33. Dit is beduidend meer dan in de Bondsrepubliek en beduidend minder dan in de VS, Frankrijk en Japan. Verder constateert Prof. Mennes onder andere dat de hulp aan de concentratielanden een belangrijk percentage van de hulp naar die landen vormt. Tot zover enkele indicaties en gegevens, die slechts een achtergrond geven. Onderstaande opmerkingen over de relatie tussenexportbevordering en ontwikkelingssamenwerking zijn niet uit dit schetsje af te leiden. Ontwikkelings-

samenwerking heeft zijn eigen doelstellingen (zoals ontwikkeling van de Derde Wereld en armoede-bestrijding), criteria en instrumenten. Ontwikkelingsgelden zijn niet bedoeld om de Nederlandse economie te dienen. Wát er gedaan kan worden om het Nederlandse bedrijfsleven beter te laten inspelen op de hulpverlening zonder de doeleinden van de ontwikkelingssamenwerking aan te tasten moet bevorderd worden . De eerdergenoemde heroverwegingsnota noemt 3 elementen die hierbij een rol spelen. - de aangeboden Nederlandse technologie is dikwijls onvoldoende afgestemd op de gebruiksmogelijkheden door technici in ontwikkelingslanden; de Nederlandse industrie zou moeten overwegen het aanbod qua technologie duidelijker en scherper op de vraag af te stemmen; - voor het Nederlandse bedrijfsleven nemen de mogelijkheden toe om kapitaaloverdrachten te verstrekken in de vorm van "joint-ventures"; - de kennis en ervaring van zowel het bedrijfsleven als de vakdepanementen dienen te worden ingeschakeld. Het lijkt me erg zinnig aan deze elementen de nodige aandacht te besteden. Tegengegaan moet worden om ontwikkelingsgeld oneigenlijk te besteden, zoals dat gebeurt in het zgn. 100 miljoen pro· gramma voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties ("gemengde kredieten"). Wat in ieder geval voorkomen moet worden is om Ie proberen de marklen in de Derde Wereld, waarop Nederland een relatieve achterstand heeft, te veroveren met ontwikkelingsgeld, zo dil überhaupl al mogelijk zou zijn. De NIC's (niet-geïndustrialiseerde landen) en de OPEC-landen zullen primair via het bedrijfsleven zelf en zo nodig met steun van de overheid, maar zonder fmanciële ondersteuning uit ontwikkelingsgelden, bewerkt moeten worden. Dit ligt dus in het verlengde van de exportbevordering in het algemeen . Het feit dat de Duitse export beter resulaten boekt bij een geringer binding van de ontwikkelingshulp moet ons te denken geven . De activiteiten van het bedrijfsleven zelf om actief markten en exportmogelijkheden te vinden zullen vergroot moeten worden. Dit zal gemakkelijker gaan bij een opleving van de internationale economie en vergroting van de internationale handel. Nederland dient uiterst voorzichtig te zijn om zelf niet verstorende maatregelen in voeren of andere landen voorbij te streven met dergelijke maatregelen b.V. gemengde kredieten . Er kan een betere promotie en specialisatie doorgevoerd worden op die gebieden waar de Nederlandse goederen en diensten een grotere rol kurmen spelen in de internationale handel. Een goede 7


nawrg en begeleiding van de export, alsmede voldoende aandacht voor de binnenlandse kostenontwikkeling en de waarde van de gulden moeten worden nagestreefd.

Mensen- en vakbondsrechten In toenemende mate worden we de laatste tijd geconfronteerd met situaties waar sprake is van fundamentele schendingen van mensen- en vakbonds rechten. Chili en Zuid-Afrika zijn in dit verband bekende voorbeelden, maar helaas kan de reeks met een vrijwel eindeloos aantal namen worden uitgebreid: El SaJvador, Polen, Argentinië, Brazilië. ZuidKorea, India, Filippijnen, Indonesië, Zaïre, Guatemala, Haïti, Bangladesh, Iran, Turkije, etc., etc. In al deze landen is sprake van schending van mensen- en vakbondsrechten. Zoals het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van de persoon: Folteringen, wrede, onmenselijke of onterende behandeling of straffen, systematische en georganiseerde uitmoording of vervolging van delen van de bevolking vinden plaats; de vrijheid van vakvereniging of het recht om collectieve arbeidsovereenkomsten af te sluiten worden geschonden. Bestrijding van deze schendingen heeft voor de FNV hoogste prioriteit.

Voor de FNV houdt een mensenrechtenbeleid niet alleen de verbetering van bovengenoemde fundamentele mensenen vakbondsrechten in, maar: een actief

Het begrip mensenrechten wordt vaak te eng uitgelegd, althans daaraan wordt niet die ruime betekenis toegekend die in het voorafgaande is geschetst. In het beleid van de regering is van een integrale benadering en een analyse van het beleid gericht op het verwezenlijken van een totale mensenrechtendoelstelling vaak onvoldoende sprake. De afweging tussen de nationale economische doelstellingen van het buitenlands beleid en het bevorderen van de mensenrechten vormen dikwijls een breekpunt in het beleid. Wezenlijk kenmerk van een hoge beleidsprioriteit is dat men, indien nodig, andere doeleinden aan respectering van de mensenrechten ondergeschikt maakt. Gekozen zal moeten worden tussen gevallen die zich voordoen en tussen de middelen die voor dat geval ter beschikking staan. Regeringen dienen aan te geven aan de hand van welke criteria zij in concrete gevallen deze keuzen denken te maken. In vele gevallen is voorts onduidelijk bij het maken van keuzen welk gewicht toegekend wordt aan de "wereldopinie", wals die te vinden is in de besluiten van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en haar organen. De besluiten van de Veiligheidsraad zijn al mandatoir . De FNV meent in deze samenhang dat de besluiten van de Verenigde Naties het niet alleen verantwoord maken om aan te sluiten bij een internationale actie, maar dat de regeringen zich als regel aan zulke besluiten moeten conformeren. Tevens moeten de regeringen goede instrumenten hebben om wnodig economische sancties af te dwingen. Deze instrumenten zijn nu onvoldoende.

werken aan een nieuwe sociaal-economische wereldorde, die tegemoet komt aan de basisbehoeften van mensen; een ontspanning en ontwapening die bescherming, vrede en veiligheid garandeert; een zodanige bevrijding van de mensen, dat zij zelf de mogelijkheden hebben hun ontwikkeling te bepalen en invloed kunnen hebben op het politieke, culturele en maatschappelijke leven . Vrijwel voortdurend wordt door de vakbeweging actie ondernomen om de internationale beginselen in de praktijk te laten brengen en schendingen daarvan aan de kaak te stellen. Dit mede om de vakbewegingen openlijk en volgens internationale normen te laten functioneren. Ook onze 'Internationales' ondernemen regelmatig acties. Deze variëren van het geven van voorlichting, het bekend maken van internationale normen, het vragen om informatie, het uitoefenen van druk, het zenden van missies, het indienen van klachten tot als uiterste middel het uitstoten

van organisaties, wanneer deze steun geven aan of gelieerd zijn met regeringen die op ernstige wijze de mensen- en vakbondsrechten schenden.

8

Een belangrijk criterium dat een rol moet spelen ligt in de omvang en de kwaliteit van de relaties die bepaalde landen onderhouden met landen, waar mensenrechten geschonden worden. Hierbij wordt wweJ aan bilaterale als aan multilaterale banden gedacht. De FNV is van mening, dat sterke betrekkingen de mogelijkheid bieden tot beïnvloeding die op velerlei wijze benut dient te worden. Zeker in die gevallen, waarin deu betrekkingen een (al dan niet wederzijds) begunstigend karakter hebben, moet de betreffende regering lich inzetten om de situatie van de mense""",hten te verbeteren en wel te activeren naarmate het profijt dat de partner in de relatie heeft groter is. Voorts meent de FNV dat regeringen bij het inzetten van instrumenten en de wijze van bemoeienis met schendingen rekening moeten houden met het niveau van ontwikkeling van het land waar de schendingen plaatsvinden. De regeringen dimen - indien nodig - sterkere middelen in te zetten in relatie met landen met een hoger niveau van economische ontwikkeling.

In een situatie waar de mensenrechten ernstig en stelselmatig geschonden worden, moeten de regeringen ook bereid zijn hulp via non-gouvernementele kanalen aan getroffen bevolkingsgroepen te geven. Humanitaire hulp en steun aan de opbouw van het verzet dienen eveneens in aanmerking genomen te worden. In het algemeen dienen de regeringen een gedifferentieerd scala van beleidsinstrumenten ter beschikking te hebben dat doeltreffend kan worden ingezet. Daarbij wu een prioriteiten kunnen gelden. Prioriteit in een beleid moet gegeven worden aan een aantal fundamentele mensenrechten en schendingen daarvan. De rechten, zoals recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van de persoon: ernstige schendingen zoals folteringen, wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffmg; genocide, systematische en georganiseerde uitmoording of vervolging van delen van de bevolking alsmede slavernij en horigheid, zijn zo fundamenteel dat hiervoor aUe andere belangen moeten wijken.

Er dient een instrumentarium opgezet te worden dat deze rechten te allen tijde en in alle landen garandeert. De effectiviteit van dit instrumentarium is het grootst als hiervoor een internationaal kader is en wveel mogelijk landen in deze richting werken. De uitwerking van de prioriteitsstelling voor deze fundamentele rechten dient plaats te vinden in twee richtingen. Enerzijds door het geven van (ontwikkelings)hulp aan de armste groepen en aan die landen waar mensen verhongeren, of te arm zijn om behoorlijk in leven te blijven. Anderzijds door landen die via andere middelen dan het verbreken van de maatschappelijke reaJties niet op het goede spoor te krijgen zijn te boycotten. In dit verband kan steun aan de opbouw van het verzet wenselijk zijn. De regeringen moeten in principe beteid zijn de banden te verbreken met landen die op ernstige en systematische wijze de mensenrechten schenden. Dit moet beschouwd worden als het laatste vreedzame middel van een land ter beinvloeding en moet dus worden afgezet tegen alternatieven wals burgeroorlog of oorlog tussen staten en er moet geen onevenredige schade worden toegebracht aan het ruim geinterpreteerde mensenrechtenbegrip. De van mensenrechten verstoken groepen moeten hiermee instemmen. Het standpunt inzake wapenexport kan als volgt worden samengevat. Indien de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) tot een wapenembargo oproept, zullen niet alleen de regeringen maar ook de (internationale) vakbeweging dit moeten nakomen .


Een verplicht wapenembargo moet in principe ook uitgevoerd worden indien de Algemene Vergadering van de VN daanoe besloten heeft . In andere gevallen zal de regering zich een eigen oordeel moeten vormen wanneer wapens worden gekocht of dreigen te worden gekocht. Overheden of regimes die de mensenrechten schenden of om redenen van "nationale veiligheid" de bevolking onderdrukken of de werknemers niet in hun rechten laten dan wel landen die in een spanningshaard liggen, zullen uiterst kritisch bekeken moeten worden en wuden in principe niet voor wapenleveranties in aanmerking moeten komen. Leveringen aan landen die op ernstige en systematische wijze fundamentele mensenrechten schenden of in staat van oorlog verkeren, moeten wnder meer worden uitgesloten. De fNV beoordeelt voorgenomen exportvergunningen in dit licht en dringt tevens aan op een verbod tot wapenleveringen aan landen die door het IVVV (Internationaal Verbond van Vak Verertigingen) zijn aangewezen. Indien het IVVV tot boycotacties besluit en voorziertingen treft dat de aangesloten organisaties en de beroepssecretariaten deze kunnen uitvoeren, dan steunt de FNV deze acties. Natuurlijk kan de FNV ook zelf naar het IVVV toe initiatieven nemen en desnoods - wanneer bij het IVVV geen ondersteurting gevonden wordt zelfstandig of met een beperkt aantal zusterorganisaties een positie bepalen en deze kenbaar maken. Indien de regering tegen de wil van de vakbeweging toch een vergunning tot wapenexport verleent, kan in FNV-verband besloten worden om te weigeren aan de uitvoering van de order mee te werken. Dit laatste zal - naar mag worden aangenomen - slechts bij zeer hoge uitwndering het geval zijn.

& ,

• SOLIDAIR Behalve eerdergenoemde activiteiten en acties ter bevordering van de naleving van mensen- en vakbondsrechten, wordt in het FNV-beleid speciale aandacht geschonken aan de situatie in Chili en Zuid-Afrika. In het kader van de Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking Vakbeweging (BOV-)project is een groot aantal activiteiten gericht op het belichten, aan de kaak stellen en bestrijden van de situatie in deze landen. Ook wat de beleggingen van haar eigen fondsen betreft heeft de FNV besloten geen zaken te doen met bedrijven die zich inlaten met regimes die vakbonds- en mensenrechten vertrappen, wals het geval in Zuid-Afrika en Chili is.

Sociale minimumnormen De FNV en de internationale vakbeweging zijn voorstanders van de invoering van bepaalde sociale minimumnormen. Tussen regeringen, vakbeweging en werkgeversorganisaties w u gestreefd moeten worden naar een "sociaal akkoord". In internationale handels- en samenwerkingsovereenkomsten (b.v. in het kader van GATT, Lomé, IMF, Wereldbank, e.d.) dienen minimumnormen conform dat akkoord opgenomen te worden. In het algemeen is het voor vele ontwikkelingslanden een te grote stap om bepaalde conventies van de Internationale Arbeidsorganisaties (IAO) onmiddellijk te ratificeren, omdat deze conventies vaak nogal gedetailleerd en omvangrijk zijn, en op onderdelen soms nogal vergaand. Daarom wu in eerste instantie volstaan kunnen worden de essentie van enkele IAO-conventies vast te leggen. Dit wu betekenen dat een zelfde soort prooedure gevolgd wordt als destijds bij de vaststelling van de IAO-"tripanite beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid" . In deze beginselverklaring wordt eveneens uitgegaan van delen van conventies, en niet van conventies in hun totaliteit. De keuze van delen van conventies berekent echter geenszins dat de verplichtingen die voortkomen uit de bekrachtiging van de IAO conventies worden beperkt of gewijzigd voor keuze van de sociale minimumnormen dienen enkele belangrijke factoren in het oog te worden gehouden: - In verband met een veelheid van factoren die een rol spelen en het feit dat de keuze-mogelijkheid uit de conventies groot is, is het van belang dat alleen normen worden gekozen die in brede kring in de betrokken landen als minimumnormen worden erkend. - Voorkomen moet worden dat normen worden gekozen die uitgelegd wuden kunnen worden als een poging om de concurrentiepositie van de ontwikkelingslanden te ondermijnen en zodoende als een protectionistische maatregel, - Behalve de algemene doelstelling om de arbeidsomstandigheden te bevorderen, hebben' sociale minimumnormen tevens de rol om bepaalde wantoestanden en ongerechtigheden uit te bannen. Om dit te bereiken is het nodig dat procedures worden geformuleerd omtrent de controle op de naleving en de eventueel te treffen maatregelen waarbij als uiterste mogelijkheid sancties kunnen behoren. Voor dit laatste is het van belang dat er een nauwkeurige definitie van de arbeidsnormen wordt gehanteerd en dat het aantal beperkt blijft, om het systeem niet te ingewikkeld te maken.

Als minimumnormen die aan bovenstaande uitgangspunten voldoen, kunnen gelden: - de vrijheid van vakvereniging; - hel recht op coUectief onderhande-

len; - de veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats; - non-4lscriminatie inzake werkgelegenheid en beroep; - het verbod op kinderarbeid en dwangarbeid.

Buitenlandse investeringen Gezien het feit dat elke economische ontwikkeling een sociaal motief en doel moet hebben, dienen de investeringen in de ontwikkelingslanden door buitenlandse ondernentingen aan de navolgende voorwaarden te voldoen: - naleving van de beginselverklaring van de drie panijen binnen de IAO over multinationale ondernemingen en sociaal beleid, en in het bijwnder van de daarin vervatte bepalingen inzake het bevorderen van volledige werkgelegenheid en arbeidszekerheid, het raadplegen van de werknemersorganisaties, en de deelneming aan de programma's voor beroepsopleiding en beroepskeuzevoorlichting; - aandacht bij het investeren in gebou-

wen, materiaal en installaties voor de verwezenlijking van optimale arbeidsvoorwaarden en voorschri ften inzake hygiëne en veiligheid, teneinde de oorzaken van ntiIIieuverontreiniging of van afkalving van het natuurlijke leefmilieu weg te nemen; - grondige toetsing van investeringsprojecten en het stellen van sociale voorwaarden aan buitenlandse investeringen, indien hier overheidsgelden bij betrokken zijn, teneinde te verntijden dat in het kader van de industrit!le en technologische samenwerking steun of subsidie wordt verleend aan ondernemingen die zich niet verbinden de arbeidsvoorwaarden in acht te nemen welke absoluut noodzakelijk zijn voor een behoorlijke ontwikkeling. Tot wver de discussiepunten waarvan er een groot aantal reeds nu actueel zijn en

andere, zoals die over minimumnonnen binnenkort weer opnieuw actueel worden in verband met b .v. de adviesaanvrage terzake van de regering aan de SER en de vernieuwing van de Overeenkomst van Lomé.

9


Het Nederlandse Overheidsbeleid inzake Wapenexport Eén van de meest besproken problemen van deze tijd is ongetwijfeld de bewapeningswedloop. Was deze vlak na de Tweede Wereldoorlog nog beperkt tot enkele landen, tegenwoordig heeft zij zich uitgebreid tot nagenoeg de hele wereld, waarbij vele landen die niet of nauwelijks zelf wapens kunnen produceren. Dit betekent dat ook de handel in militair materieel moet zijn gestegen. Dit wordt bevestigd door het gerenommeerde Stockholm International Peace Research Institute (S.I.P.R.I .). Het aandeel van de Derde Wereld in de totale militaire uitgaven in de wereld dat in 1971 nog 90/0 was, is in 1980 gestegen tot 16% (1). De totale export van wapens naar de Derde Wereld bedroeg in 1961 1251 miljoen dollar. In 1971 was dit al gestegen tot 3707 miljoen dollar en in 1980 tot 8945 miljoen (2). De Sovjet Unie en vooral de Verenigde Staten namen het leeuwendeel op zich, samen ruim 70% . Hierbij vergeleken was het Nederlandse aandeel miniem. Belangrijker is echter dat Nederland een trend bevorderende rol speelt. Het S.I.P.R.I. stelde dan ook in haar jaarboek van 1980: "The smaller suppliers, such as (..) Ihe Nelherlands (..), are sicniflcant nol for Ihe magnitude of Iheir military exporIS bUI ralher for Ihe larger Irend Ihey relnjorce. They do contribUle la Ihe mililarizalion of Ihe Third World, and Ihey do help la perpeluale Ihe cycle of dependence belween Ihe developing counlries and Ihe induslrialized countries". (3). De rol die de Nederlandse bedrijven als R.S. V., Phillps en Fokker hierin spelen zijn kenmerkend voor de wijze waarop de handel in wapens zich in het algemeen afspeelt. Grote bedrijven kunnen (vaak zelf vanuit een andere sector opererend of afkomstig) vrijwel onbelemmerd uiterst kostbaar oorlogsmateriaal in aUe hoeken van de wereld verkopen en maken de Derde Wereld ook op dit gebied afhankelijk . Overheden stimuleren dit of bemoeien zich er weinig mee, en voeren vaak een ad hoc beleid, waarbij het eigen nationale belang prevaleert . Voor zover er nog kleine hindernissen worden opgeworpen door de autoriteiten, worden ook deze nog wel eens ontdoken. Gerelateerd aan de Nederlandse economie in het algemeen en aan de Neder1andse export in het bijzonder, neemt de wapenexport slechts een minieme plaats in . Instanties als het S.I.P.R.I. en het A.C. D.A. geven over dit soort zaken meestal verschillende cijfers. Sommige schattingen geven aan dat de wapenexport zo'n 3% zou zijn van de gehele export, het A.C.D.A. houdt het op 0,1 % (4). Behalve dat A.C.D.A. voor Nederland altijd vrij laag uitkomt vergeleken bij andere instanties, dient men zich ook te realiseren dat het een percentage betreft van een sector in de economie, de exportsector, die relatief groter is dan in andere landen. Zoals 10

gezegd moeten we bovendien letten op de trendbevorderende rol die Nederland speelt. In 1980 ging 87% van de Nederlandse wapenexport naar de Derde Wereld . Er is er van de geïndustrialiseerde landen maar één op de wereld dat Nederland in zijn gerichtheid op de Derde Wereld nog overtreft, dat is Canada (5).

Drs. B.P.J.G. Kerstens st udeerde aan de Universiteit van Leiden en volgt op het ogenblik een post-doctoraJe cursus aan de London School of &onomics .

In de loop van vele jaren zijn er door de overheid een aantal theoretische uitgangspunten geformuleerd. Ik zal trachten in dit korte bestek duideJijt<te maken dat het wapenexportbeleid van de overheid zoals deze in de praktijk tot uiting komt een heel andere is dan die welke het in theorie huldigt.

Het beleid in theorie Pleidooien voor vermindering van de bewapening kunnen we vinden in verkiezingsprogramma's van vele decennia geleden. Dit sloeg toen echter voor-

co-producenten van M109A2 S.R Howitsers

Militaire procluklie is (al meer

dan 40 jaar) één van onze aktiviteiten. Onze reputatie op dil

gebied bracht ons in versd1eidene artillerie- en gevechtsvoertuigprojekten. Onze huidige order· porIefeuUIe bevat opdrachten voor de nieuwe Ml09A2 SP H""'''''r. bouwgroepen van de l.eopard II gevechtstank, en een modifikaTieprogramma van gepantserde infanterie gevechtsvoertuigen (AlFV) met inbegrip van de montage van TOW lanceertoestellen op deze voertuigen.

Onze huidige Ml 09A2 produktie bestaat un: - vervaardiging van de schietbu5wieg samenstellingen - komplete installatie van de loren - komplete systeem-inlegralie.

inhoud! voor alle produkten uit ons huidige leverprogramnna: levering en vervaardiging onder licentie van: - artillerie tot 200 mm kaliber - snelwurwapens vanaf 20 mm kaliber - rups- en wie~pantser- gevechts'=~+--t--+' voertuigen - geschutstorens voor

*

marinevaartuigen t

r::+::::N- - onderdelen voor geleidewapeo-gjStemen

1+

- onderdelen vao straalmotoren \.oor gevechtsvliegtuigen - "bomb ejection rad<s" en schietstoelen voor gevechtsvliegtuigen . De militaire proouktie geschiedt onder AQAP I certifikaat, • revisle, verbetering en rrodifikatie hetgeen een kwaliteilsgarantie van artillerie-, voertuig- en geleide-wapen-.".ennen.

~.

WF&RDM Algemene Werktuigbouw.


namelijk op de bewapening van de grote staten en machtsblokken en op de productie, maar niet op de handel in wapens. Het duurde tot 1962 voordat de overheid zich ging bemoeien met dit onderwerp. Het enige houvast in de regeerakkoorden van tot voor kort waren zeer algemeen gestelde formuleringen over buitenlands beleid of over het zeer specifieke geval van Zuid Afrika (6). Dit laatste mag echter geen verbazing wekken gezien het door de Veiligheidsraad afgekondigde wapenembargo tegen Zuid Afrika. Een verandering van meer principiëlere aard was dat in de regeringsverldaring van het tweede kabinet Van Agt voor het eerst het onderwerp in meer algemene zin in een regeringsverldaring wordt aangeroerd :

"Het kabinet stelt zich terughoudend op ten aanzien van wapenexporlen uit Nederland. Overwegingen van vredesbeleid zullen daarbij prevaleren boven strikt economische belangen. Leveranties naar gevoelige en poten-

tieel gevoelige regio 's worden zorgvuldig op hun palitieke merites beoordeeld. Dit geldt met name voor uitvoer naar landen die in een gewapend conflict zijn betrokken of waar gevaar bestaat voor gebruik van het wapenmateriaal voor onderdrukking van de eigen bevolking" (7). In een regeerakkoord is het overigens nog nooit ter sprake geweest. Ondertussen wordt de regering wel geconfronteerd met de wapenexport en ook wel eens aan de tand gevoeld in de Kamer. Dit komt door de in 1962 aangebrachte juridische regelingen. Het gaat om de toen van kracht geworden In- en Uitvoerwet welke het mogelijk maakte in 1963 te komen tot het Uitvoerbesluit Strategische Goederen. Deze bevat een bijlage met militaire goederen voor welke geldt dat export ervan slechts toegestaan

is indien een vergunning is verkregen van de minister (dit is heden ten dage de minister van Economische Zaken). Het Uitvoerbesluit kent een lijst met landen waaraan geen militair materieel mag worden geleverd. Deze bestaat uit alle Warschaupact-landen plus Zuid-Afrika. Aangezien men voortaan voor de export van militair materieel bij de minister moest gaan aanldoppen, was de minister genoodzaakt een beleid ldaar te hebben om tot besluitvorming te komen inzake het wel of niet verlenen van een vergunning. Het enige dat naar buiten toe bekend was gemaakt over de criteria was dat de regering iedere aanvraag toetste

aan criteria van niet-economische aard en dat het fiat van de minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk verkregen diende te worden. Dit was wat minister Luns in 1970 antwoordde op vragen van het kamerlid Van der Stoel (8). Welke die criteria waren werd er niet bij verteld.

Uitvoer naar politiek gevoelige regio's . ..

Het heeft lang geduurd voordat een beleid op papier bekend werd gemaakt. Het begon in 1975 met de verschijning van de nota 'Ontwapening en Veiligheid' van Staatssecretaris Kooymans waarin voor het eerst werd gesteld dat Nederland een selectief wapenbeleid voerde aan de hand van toetsingscriteria.

"Leveranties naar gevoelige en patentieel gevoelige regio 's worden zorgvuldig op hun politieke merites beoordeeld. Dit geldt met name voor uitvoer naar landen, die in een gewapend conflict zijn betrokken of waar gevaar bestaat voor gebruik van het wapenmaterieel voor onderdrukking van de eigen bevolking" (9) Overwegingen van vredesbeleid zouden

hierbij "prevaleren" boven strikt commerciële belangen. Op grond van de [nen Uitvoerwetgeving vindt toetsing van wapenexport aan het belang van de internationale rechtsorde plaats. Dit begrip komen we ook tegen in artikel 58 lid 2 van de Grondwet dat de regering opdraagt de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. De ldassieke betekenis van één en ander Was dat internationale geschillen vreedzaam dienden te worden beslecht. Heden ten dage wordt, zoals we zojuist konden

constateren, aan deze instructienonn een veel ruimere interpretatie gegeven. Het gaat met name om handhaving van vrede en veiligheid in de wereld alsmede bescherming van de mensenrechten in de ruimste zin. Het zijn deze beide aspecten die we nu uitgewerkt vinden in de zojuist genoemde nota en latere nota's. [n 1977 komt staatssecretaris Kooymans met het Rappart inzake het militair Industrieel Complex (10), waarin weinig opzienbarends wordt gezegd over het

wapenexportbeleid . Voor een groot deel bevat het een herhaling van wat reeds in de ontwapeningsnota was gezegd. Er wordt echter ook onderstreept dat de regering geen principieel tegenstander is van iedere vorm van wapenexport. Voor

zover het de Atlantische en Europese bondgenoten betreft, bepleit ze zelfs uitbreiding.

In 1979 verscheen de 'Mensenrechtenno/a' waarin een nieuw criterium, het

mensenrechtencriterium, geintroduceerd werd (11). Hier wordt zo dadelijk op ingegaan. [n 1981 is de overheid terug op haar uitgangspositie tijdens de regering de Jong als door premier van Agt gesteld wordt:

"Overwegingen van vredesbeleid zuIlen daarbij prevale boven strikt economische belangen" (12). [n het regeerak koord van 1981 wordt

hier echter met geen woord meer over gerept. De eerste twee toetsingscriteria uit de reeds genoemde ontwapeningsnota pali-

tieke gevoeligheid en gewapend conflict zijn vrij duidelijk in hun intenties maar door hun korte simpele formulering nogal vaag voor wat betreft hun reikwijdte. Het derde criterium gevaar voor gebruik

van het materiaal tegen de eigen bevolking is veel moeilijker, althans sinds dit in een context geplaatst werd in de reeds aangestipte nota over. De Rechten van de Mens in het Buitenlands Beleid. Er wordt in deze nota onder andere aandacht besteed aan het beëindigen of beperken van de economische betrekkingen (in algemene zin) met landen waar ernstige inbreuken op de mensenrechten plaatsvinden. Nadat hier een reeks kanttekeningen bij gemaakt worden, wordt de problematiek van de wapenhandel erbij betrokken: 11


"Naast het algemene vraagstuk van de eventuele consequenties van het mensenrechtenbeleid voor de buitenlandse economische betrekkingen is er een bijzonder aspect in het geding bij de toepassing, volgens de In- en Uitvoerwet, van de uitvoer van wapens en andere militaire goederen naar landen waar mensenrechten worden geschonden. Zulke leveranties worden door de regering zorgvuldig op hun politieke merites beoordeeld, met name waar gevaar bestaat voor gebruik van het wapenmateriaai voor onderdrukking van de eigen bevolking" (13). Dit is een zeer belangrijke passage aangezien hier eigenlijk voor het eerst het respect voor de mensenrechten als een criterium wordt venneld. Het is binnen dat kader dat men kijkt of er gevaar bestaat voor gebruik van het wapenmateriaal voor onderdrukking van de plaatselijke bevolking. Uit eerdere passages uit de nota kan worden geconcludeerd dat het als irreëel wordt gezien om het mensenrechtencriterium al te streng te hanteren; nagenoeg alle ontwikkelingslanden wuden er dan onder vallen (14). Twee conclusies zijn dan gerechtvaardigd die belangrijk zijn voor een goed begrip van het derde criterium: a. er mag geen wapenmateriaal worden geëxporteerd naar landen waar de

mensenrechtensituatie zeer slecht is en ook beduidend slechter is dan in andere landen. b. helemaal uit den boze is het leveren van wapenmateriaal aan landen waar gevaar bestaat dat het gebruikt wordt voor onderdrukking van de plaatselijke bevolking. Deze criteria, zoals die gefonnuleerd zijn, zijn summier van inhoud. De betrokken instanties moeten allerlei overwegingen erbij betrekken, maar welke dat zijn en hoe die gehanteerd worden is nooit volledig bekend gemaakt. Het parlement was er natuurlijk wel nieuwsgierig naar en heeft enkele keren geprobeerd door vragen aan de minister inzicht te verkrijgen in het vergunningenbeleid. Het meeste overleg hierover heeft echter plaats gehad in de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. Op aandringen hiervan stuurde de minister van Buitenlandse Zaken in september 1980 aan de Kamer een brief, waarin met name de feitelijke gang van zaken omtrent het verstrekken van vergunningen uitgelegd werd (15). Er blijkt uit dat de regering zich nog altijd baseert op de criteria uit de drie genoemde nota's. In de brief wordt benadrukt dat vanwege het zwaarwegende aspect van de militaire veiligheid en vanwege concurrentieoverwegingen. "het geheime karakter van de feitelijke gegevens omtrent de Nederlandse export van militair

Nog meer uitvoer (eerder verschenen in NRC-HandeJsblad 17-3-1979, met dank aan Niek Due (Rouerdam)).

12

materieel van wezenlijk belang is en dat dit wrgvuldig dient te worden gerespecteerd" (16). De brief venneldt verder dat ten behoeve van de politieke afweging een w volledig mogelijk rapport wordt opgesteld waarin, voorwver voor het desbetreffende geval van belang, onder meer aandacht wordt besteed aan: a. de aard van het materiaal (offensief, defensief, e.d.) b. de situatie met betrekking tot het ontvangende land (eventuele bestaande of potentiële conflicten, interne situatie, mensenrechten e.d.), c. het karakter van de defensiebehoeften van het ontvangende land (betreft het vervanging of uitbreiding, is er risico van doorlevering). d. de economische en financiële situatie van het land, e. de eerder met betrekking tot de land en eventuele andere in dezelfde situatie verkerende landen gevolgde beleidslijnen (precedenten), I eventuele terzake bestaande internationale afspraken, g. de werkgelegenheid in de produoerende bedrijven, en h. voorts alles dat terzake van de levering nog relevant geacht kan worden.

De uitvoering van het beleid Over exporten van militair materieel is relatief weinig in de openbaarheid ge-


komen . Verschillende malen heeft men de Kamer geprobeerd meer te weten te komen. De ministers zijn echter nooit bereidwillig geweest. Alleen sommige totaalcijfers worden openbaar gemaakt. Ook op het departement van Economische Zaken is men zeer terughoudend. Men is meestal geneigd te verwijzen naar de politiek verantwoordelijke, de minister, wiens houding we echter al kennen. Ook wordt vaak verwezen naar een afspraak, soms ook 'belofte' genoemd, met het bedrijfsleven . Deze verschuilt zich echter achter een verbod van de overheid om zich over de vergunningen uit te laten . Naar 19 bedrijven waarvan ik veronderstelde (17) dat ze militair materieel exporteerden, is door mij een brief gestuurd, waarin op zeer bescheiden wijze informatie werd gevraagd. Van 13 bedrijven ontving ik een antwoord, waaruit elke keer weer de terughoudendheid bleek, meestal echter zonder verwijzing naar een geheimhoudingsplicht. Vermoedelijk gaf de presidentdirecteur van een belangrijke onderneming het meest juist de situatie weer toen hij mij drie redenen opsomde waarom in casu zijn bedrijf de gevraagde gegevens niet wilde verstrekken . Q.

concurrentieoverwegingen,

b. bij het verstrekken van exportvergunningen door het ministerie van Economische Zaken wordt de exporteur een geheimhoudingsplicht opgelegd en c. als regel verbiedt de besteUende overheid de publicatie van de gevraagde gegevens (18). Als we nu overschakelen op de feiten dan zien we dat Nederland voor een aanzienlijk bedrag exporteert. Het S.I.P.R.1. schalte dit voor 1980 op 536 miljoen dollar voor wat betreft grote wapensystemen . Dit is 0,9'70 van de wapenexport in de wereld (periode 19771980). Nederland is hiermee achtste op de wereldranglijst. Scoort het, de Sovjet Unie en de Verenigde Staten daargelaten al hoog, de werkelijke score ligt waarschijnlijk nog hoger. Het S.I.P.R.1. rekent namelijk alleen de grote wapensystemen mee terwijl Nederland veel exporteert aan kleine wapensystemen, semi-militair materiaal (optische en e1ectronische apparatuur) en zaken als munitie. Ook als men het materiaal gaat onderverdelen in categoriën verhoogt dit de score voor Nederland. In bepaalde hoogtechnische produktiegebieden heeft Nederland zich tamelijk onmisbaar gemaakt en heeft zij (bijna-) monopolies op de export. Ook in de grOie wapensystemen scoort het in bepaalde cat egoriën zeer hoog. Het S.I.P.R.1. verdeelt ze in vier categoriën. In 1980 stelde Nederland in twee daarvan niets voor, namelijk in 'armoured vehicles' en in 'missiles'. Bij 'aircraft' stond Nederland

dochtermaatschappij van Koninklijke Nederlandsche Springstoffenfabrieken N.V. MUIDEN - OUDERKERK aid AMSTEL

echter op een sterke vierde plaats meteen na Frankrijk, de V.S. en de S.U. (S.I.P.R.I.'s mening over het militair zijn van Fokker Friendships is overigens zeer omstreden). In de schepensector stond Nederland zelfs zeer ruim op de eerste plaats, zeer ver boven de V.S. en de S.U. Dit beeld zal weliswaar overtrokken zijn geweest door de nogal grote opruiming van oude marineschepen, maar het blijft een belangwekkend feit (19). Evenals in andere landen vertonen de exportcijfers overigens een flink stijgende lijn. Om te onderzoeken of de overheid neh bij haar vergunningenbeleid houdt aan haar theoretische uitgangspunten, is het nodig te beschikken over gegevens over de exporten van militair materieel waarvoor een vergunning is afgegeven. Er bestaan nauwelijks goede en betrouwbare lijsten waarop alle naar buiten toe bekend geworden exporten zijn samengebracht (20). Het opstellen van een lijst was niel eenvoudig. Er zijn zeer verschillende bronnen die elk vaak fragmentarisch bepaa1de gegevens verst rekken. Die bronnen verwijzen op hun beurt vaak niet naar hun bron, zodat de betrouwbaarheid soms gering is. Voor de zuiverheid van het onderzoek is het beter te incomplete of te onzekere gegevens buiten beschouwing te laten. Maar de inhoud van de lijst moet nog verder worden genuanceerd : lIJ bevat het slechts de grQle wapensystemen (vliegtuigen, tanks, schepen). Dit is terwille van de evenwichtigheid en betrouwbaarheid van het onderzoek; het gaat slechts omleveranties vanuit Nederland en dus vallen leveranties door dochtermaatschappijen van Nederlandse bedrijven in het buitenland er niet o nder; evenmin valt de export van de militaire know how en dergelijke er onder; - tenslotte moet men rekening houden met een vertekenende factor: leveringen via derden vallen er niet onder, alleen rechtstreekse leveringen De leveranties aan geallieerden worden buiten beschouwing gelaten. Het is onder meer vanwege veiligheidsredenen nogal vanzelfsp rekend dat landen van het WarschaOpact geen leveringen ontvangen.

Het blijkt dat er in de periode van 1955 tot 1981, 61 exporten plaatsvonden van grote wapensystemen waar een vergunning voor werd gegeven. Het betrof 144 vliegtuigen, 40 schepen en 100 tanks. Het blijkt dat er van de 61 geregistreerde leveringen er 29, bijna de helft, niet in overeenstemming waren met de criteria. Indien men dit uitsplitst blijkt dat exportvergunningen, gegeven in strijd met

het eerste criterium (gevoelige en potentieel gevoelige regio's) niet vaak voorkwamen: acht maal . Dit waren echter, op het geval Taiwan na, de meest grove schendingen omdat er telkens ook sprake was van schending van de andere criteria. De export naar (portugees) Angola in 1970 en naar Jordarti~ in 1967 en 1970 spanden mijns inziens de kroon in het schenden van de criteria. Het verlenen van exportvergunningen in strijd met het tweede criterium (landen betrokken in een gewapend conflict) is vaak voorgekomen. Ook hier betrof het zeer grove schendingen, zoals die aan Ethiopi~ in 1970 en 1971 en aan Oman in 1974. Het verlenen van eXJX)rtvergunningen in strijd met het derde criterium (mensenrechten plus nuancering), is ook vaak voorgekomen, namelijk 24 maal. Ook hier zijn schrijnende gevallen voorgekomen zoals die aan Argentinië in (vooral) 1979, aan Uruguay in 1970 en aan Indonesië in 1975. De politieke controle zou zeer consci~n­ tieus worden uitgevoerd volgens het Mie-rapport (21). De consci~ntie is blijkbaar wel erg ruim. Ondanks dat de criteria in het onderzoek allesbehalve streng werden toegepast hebben vele exporten plaatsgevonden die niet hadden mogen plaatsvinden en vaak zelfs met meer dan één criterium in strijd waren . Die landen voor welke geen exportvergunning had mogen worden gegeven volgens het declaratoir beleid, komen vrijwel allemaal voor op de lijst van landen aan welke wel geleverd is. Aan Oeganda en aan het (voormalige) Centraal-Afrikaanse keizerrijk is inderdaad niet geleverd, maar dit zou ook wel bijzonder triest zijn geweest. Opvallend is dat geen leveringen bekend zijn aan Midden-Amerikaanse landen . Een oorzaak zou kunnen liggen in het ontbreken, zeker tot voor kort , van enige vorm van wapenwedloop in deze regio. Ook kregen vrijwel alle oorlogvoerende landen wapenmateriaal, zeker indien men de kleine wapensystemen en de viavia leveringen in het plaatje betrekt. Bijvoorbeeld Korea (1955, NWM De Kruithoorn; 1968, Hoyer), Israël (N.W.M. De Kruithoorn ; Hollandse Signaal Apparaten), Jordanië (1967 en 1970 de staat).

13


· .. maar dit zou dan ook bijzonder triest geweest tijn. (eerder verschenen in

Dat Nederlands in de praktijk een heel ander wapenexportbeleid voert dan welke zij officieel beweert te voeren mag voor mensen die zich interesseren in de materie niet m'n verrassing zijn, hoogdstens de mate van verschil. Zeker is dat verandering moet komen in deze situatie. De vraag is in welke richting. Als bijna vanzelfsprekend wordt in de (nog weinige) literatuur hierover ervan uitgegaan dat de overheid haar daden moe9 aanpassen aan haar woorden. Dit is iets waarvan ik de juistheid aanvecht. De discrepantie tussen tde overheid haar daden moet aanpassen aan haar woorden. Dit is iets waarvan ik de juistheid aanvecht. De discrepantie tussen theorie en praktijk heeft haar redenen waar men niet zomaar omheen kan. Het is duidelijk dat ook andere factoren moeten meespelen dan de drie genoemde en dat ongetwijfeld ook doen: - allereerst kan de militair.,strategische factor genoemd worden. Gedeeltelijk is het wettelijk vastgelegd door het verbod op wapenexporten naar de warschaupact-landen. Het is duidelijk dat een reëele militaire strategie niet beperkt kan blijven tot het ijzeren Gordijn zelf. Het is dan ook niet voor niets dat geen leveringen bekend zijn aan landen als Cuba, ZuidJemen, Nicaragua, Grenada, Viet14

NRC~HandeJsblad, 17~3~/979

nam (en vroeger Noord-Vietnam), Kampuchea, Laos, Communistisch China en Noord Korea maar anderzijds wel aan anti·wmmunistische landen ook al zijn het soms even onmenselijke rechtse militaire dicta-

turen. een ander criterium dat ongetwijfeld minstens zo bepalend is, is het be-

lang voor de Nederlandse economie en met name voor de werkgelegenheid. Dit werd met de Taiwan-zaak duidelijk bevestigd in een brief aan de Kamer. De regering erkent hierin niet alleen dat het argument van de werkgelegenheid de doorslag kan geven, maar zelfs dat het van belang acht dat die werkgelegenheid er kan blijven vanwege het feit dat de gemeenschap grote sommen geld gestopt heeft in het bedrijf (i.c. R.S.V.) (22).

Het overheidsbeleid in een toekomstig perspectief Er kleven verschillende bezwaren aan het leveren van militair materieel aan onderontwikkelde landen. Het zou te ver voeren om hier diep op in te gaan, maar enkele bezwaren kunnen als volgt worden opgesomd: a. vooral ten gevolge van de hoge kosten, zeker voor zulke landen

met dank aan Niek Olie).

wordt de welvaartskloof tussen de Derde Wereld en de rijke landen groter. b. ten gevolge van de hoge kosten worden de binnenlandse inkomensverschillen groter, waardoor potentieel verzet ontstaat, dat onderdruk1 moet kunnen worden. Hiertoe schaffen de machthebbers militair materieel aan, hetgeen een vicieuze cirkel inluidt. Het leveren houdt dan ook het opvijzelen van het prestige van de onderdrukkende regimes in. c. het vergroot de afhankelijkheid ten opzichte van geïndustrialiseerde landen; d. het versterkt regionale tegenstellingen en veroorzaakt regionale wapenwedlopen; e. de Derde Wereldlanden worden steeds nauwer betrokken bij de OostWest tegenstellingen (die de NoordZuid tegenstellingen vaak aan zich ondergeschik1 maken). Tegenover deze bezwaren staat echter ook het één en ander aan de Nederlandse zijde: a. de export in het algemeen en de wapenexport in het bijzonder zijn een belangrijk onderdeel van het functioneren van onze economie. Het ophouden met exporteren heeft belangrijke consequenties voor met


name de werkgelegenheid en de betalingsbalans; b. de expon van militair materieel is soms nodig om de produktie rendabel te houden van produkten die nodig zijn geacht voor de nationale veiligheid, al dan niet in N.A.T.O.verband; c. het leveren van militair materieel aan bepaalde landen is soms potitiek en militair -strategisch gezien in het belang van de westerse wereld; d. de landen aan welke geleverd wordt kunnen legitieme defensiebehoeften hebben. Aan onuitgelokte agressie kun je alleen het hoofd bieden als je legitieme defensiebehoeften vervuld zijn. Overwegingen van vredesbeleid kunnen dan zelfs wapenexponbevorderend zijn! Er staan tegenover de bezwaren die kleven aan wapenexponen dus zeer zwaarwegende argumenten. Een ongebreidelde toevoer van wapens naar de Derde Wereld is echter onaanvaardbaar. Het zou leiden tot allerlei zeer ongewenste situaties. Een eenzijdige exponstóp zou niet juist zijn, vanwege de volgende redenen: - er zal weinig druk of signaal van uitgaan daar het gat in de markt onmiddellijk zal worden opgevuld vanuit andere landen; - het is soms politiek of militairstrategisch noodzakelijk om bepaalde landen te steunen; het zou lafhanig zijn dit aan andere landen over te laten; - sommige landen hebben nu eenmaal legitieme defensiebehoeften; - de kosten voor 's lands verdediging, met name in het kader van de N.A. T.O., zouden ondragetijk worden omdat een eigen productie enlof coproduktie niet meer rendabel zou kunnen zijn

vanzelf zal verminderen. Grote wapensystemen worden immers meestal uitgerust met veel kleine wapensystemen, meteen bij de expon (bijvoorbeeld bij vele van de door de Neder1andse marine afgestoten schepen) of in een later stadium (bijvoorbeeld vtiegtuigen in Zuid-Afrika die electronische apparatuur van Philips ingebouwd krijgen). Men zou ook kunnen overwegen om een 'zwarte

tijst' op te steUen van landen, waaraan geen wapens geleverd mogen worden . Gezien echter de moeizame totstandkoming van het embargo voor wapens afgekondigd tegen Zuid-Afrika door de Verenigde Naties, tijkt dit vooralsnog een erg optimistisch idee. Overigens sta ik n~atief tegenover het voorstel voor een soon wereldbelasting, een voorstel gedaan door de Commissie-Brandt in 1979 (23). Ik acht het voorstel wel technisch haalbaar op wat langere termijn, doch verwerp het om een andere reden. Indien dit voorstel zou worden aanvaard, wordt de aanschaf en de verkoop van militair materieel als het ware gelegitimeerd door het goede doel waaraan die belastingopbrengsten besteed zouden worden. Bovendien zouden bepaalde landen, met name uit de Derde Wereld, in de situatie terecht kunnen komen, dat ze belang zouden kunnen gaan hebben om de bewapeningswedloop op

te· voeren. 4. het creëeren van een speciaal orgaan

voor de coördintie van nationale conversieprogramma 's. De beperking van wapenexponen betekent immers een inkrimping van de militaire industriên. Om dit op te vangen is conversie nodig van militaire industrie naar civiele industrie. Verschillende studies op dit gebied hebben reeds plaatsgevonden, zoals die in het kader van de Verenigde Naties door de 'ad hoc Group of Governmental Expens on the Relationship between Disarmament and Development (24).

Mogelijkheden Een oplossing zal daarom moeten worden gezocht in een internationaal verband. In V.N .-verband, mogetijk in een Derde Speciale zitting over Ontwapening van de Algemene Vergadering, zal Nederland zich kunnen inzetten voor: I . een internationale intentieverklaring op dit gebied; 2. een internationale registratie van wapentransocties met name van grote wapensystemen . Deze zijn beter te controleren en te definiêren . 3. het creêeren van een internationaal

I

techniek van toen

vliegtuig-

-=."" .....iL-_--t::=-. repara.tie &

~

techniek van heden

revISIe

elektro-montage

overlegorgaan dat onderhandelingen moet openen inzake beperking van exporten van met name grote wapensystemen.

'-______ J

De kleinere wapensystemen zijn moeilijk te controleren en kunnen beter voorlopig buiten de onderhandelingen worden gelaten. De beperking tot grote wapensystemen zal bovendien met zich meebrengen dat de expon van kleine wapensystemen

Er bestaat een goede kans dat een multinationaal overleg, al dan niet geïnstitutionaliseerd, tot sneUere en meer ingrijpende bestissingen zou kunnen komen dan soongetijk overleg in andere probleemgebieden zoals het ontwapeningsvraagstuk in het algemeen en het pro-

bleem van de Derde Wereld. Dit omdat het echte overleg, zeker in eerste instantie, beperkt kan worden tot een zeer select groepje landen. Zeer veel landen doen aan wapenexpon, maar er zijn er slechts enkele die dit op grote schaal doen. Indien alleen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie toegelaten zouden worden tot dat overleg, dekt men reeds 70,7"10. Indien ook Frankrijk daarbij zou worden betrokken, dan dekt men reeds 81,5"10 (25). Zoals reeds gezegd, dient het ontplooien van meer activiteiten op nationaal

niveau om te komen tot een vermindering van de wapenexpon sterk afhankelijk te zijn van afspraken die gemaakt worden op internationaal niveau. Toch kan, vooruitlopend op internationale regelingen, reeds begonnen worden met het verbeteren van de bestaande regelingen. Er moet echter van worden uitgegaan dat wapenexpon die met de bestaande produktiemiddelen mogelijk zijn niet (eenzijdig) dienen te worden beperkt. Het op dit moment eenzijdige verhinderen van een wapenexpon heeft geen enkel positief effect en heeft belangrijke negatieve consequenties bijvoorbeeld voor de werkgelegenheid . Het voorgaande betekent ook dat de bestaande theoretische uitgangspunten moeten worden bijgesteld en wel zodanig dat zij meer overeenkomen met de realiteit of met het reêele doel dat men zich op kone termijn stelt. Dit zal meestal een versoepeling betekenen van de criteria; anderzijds zuUen uitwassen daadwerkelijk aangepakt moeten worden. Het hanteren van een 'zwane lijst' van landen, waaraan in geen geval wapens geleverd mogen worden zou hierbij zeer behulpzaam kunnen zijn. Deze lijst dient regelmatig te worden gecontroleerd op een eventuele noodzaak tot bijstelling. Op grond van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd, dat juist niet moet worden gestreefd naar een grotere openheid zolang er geen afdoende internationale regelingen getroffen zijn, eventueel met uitzondering van gevallen waarbij het landen betreft die op de 'zwane lijst' staan. Dit is een logisch doonrekken van het principe dat de wapenexpon vanuit Nederland in het algemeen voorlopig niet verder dient te worden belemmerd. Indien openheid om verschillende redenen ongewenst was tot op heden, dient dat dus voorlopig ook niet veranderd te worden. Bij openbaarheid kan de neiging ontstaan tot het nemen van eenzijdige maatregelen om de exponen te verminderen. Het zou in een politieke cultuur als de onze, betekenen dat binnen kone tijd een groot aantal landen op de zwane lijst zou worden geplaatst. Dit is, zoals reeds opgemerkt, voorlopig geen gewenste ontwikkeling. 15


Het zekere voor het onzekere. De natuur heeft dieren goed ui tgerust o m zich tegen eventueel gevaar Ie bescherm en . Veil igheid en bescherming zi jn ccn harde noodzaak voor hel voortbestaan. Ook wij a ls mensen houden ons op ve le manieren dagelijks bezig met veilighe id en bescherming. Is het dan zo verwonde rlijk dat wij daarvoor soms ook mu ni tie geb ruiken . Wij vinden van niel. Munitie, ccn beladen woord , maar de ee rli jkheid gebiedt ons IC zeggen, da l wij het ma ken . Begint u de discussic maar, u ben t waarschijnlijk vóór en u bent tegen . Preventieve besc herming blij rt ech ter nodig. Voor uw eigen veiligheid. Daarom maakt - me t 1200 vakbekwame mensen - conve ntio nele mu ni tie voor de Nederlandse en overige NATO-strijd krachten. Mei de grootste zorg en vc ra n Iwoord c liikheid.

Het zekere voor het onzekere. Er zijn op internationaal niveau weliswaar nog geen afspraken tot stand gekomen over de wapenexport, maar dit betekent niet dat we nog geen rekening hoeven te houden met eventuele toekomstige afspraken. De afspraken zuilen tot gevolg hebben dat de militaire exportindustrie zal inkrimpen. Het verdient daarom aanbeveling om nu reeds diepgaand onderzoek te venichten naar de mogelijkheden om militaire industrie om te bouwen tot civiele industrie, de zogenaamde convelliÏe van militaire industrie. Indien men rekening houdt met een toekomstig convelliÏeproces, Dgt een nieuw principe voor de hand, namelijk dat een exportvergunning moet worden geweigerd indien een bedrijf voor het uitvoeren van een order haar productiecapaciteit moet uitbreiden. Anders zou immers conversie alleen maar moeilijker worden. Een belangrijk bijkomend voordeel van de conversie is overigens dat het positief 16

zal werken bij het zoeken naar een oplossing voor het probleem van de de bewapeningswedloop tussen Oost en West.

Slotbeschouwing en conclusie Uit het onderzoek is duidelijk gebleken dat het wapenexportbeleid in de praktijk bepaald niet dat beleid is dat de overheid pretendeert te voeren. Het is wel zeer gemakkelijk om dit de overheid te verwijten en vervolgens de conclusie te trekken dat dusdanige wettelijke maatregelen getroffen dienen te worden dat wapenexport naar de Derde Wereld zeer sterk wordt bemoeilijkt of volledig wordt verboden. Het is echter allereerst afhankelijk van afspraken op het internationale niveau. Men kan zich op het punt van exportbeperking wel idealen stellen, maar een concreet verwijt aan de regering is niet volledig op haar plaats, er is sprake van een ontwikkeling die niet van de laatste jaren is en waar

we tot voor kort niet alle 'complicaties van hebben ingezien. We hebben niet gemerkt dat onze economische, militaireconomische, militair-strategische en politieke argumenten, die ons deden toegroeien naar de economie waarin belangrijke delen volledig of grotendeels afhankelijk zijn geworden van de materiële behoeften van militaire organisatiestructuren in binnen- en (vooral) buitenland, ons in een vicieuze cirkel gebracht hebben die gaat in een richting die strijdig is met essentiële doelstellingen op het gebied van buitenlands beleid. Om deze vicieuze cirkel te doorbreken is verreweg de belangrijkste stap die allereerst gezet moet worden, het met spoed ontplooien van activiteiten op internationaal niveau, om tot afspraken te komen. Het is pas daarna dat op verantwoorde wijze ingrijpende stappen op nationaal niveau gezet kunnen en mogen worden. Dan is het nodig dat hiervoor de weg niet wordt afgesneden. Het verdient daarom aanbeveling om te pogen de industrie niet nog afhankelijker te laten worden van opdrachten vanuit miHtaire hoek. Uitbreiding van productiecapaciteit in de industriesector moet dan ook niet meer worden gezocht in de militaire hoek. Verder zal moeten worden gezocht hoe de militaire industrie in de toekomst (en soms wellicht reeds nu) kan worden ingekrompen door convelliÏe. Ondertussen dienen de criteria aan de voorlopige realiteit aangepast te worden en' uitwassen consequent te worden aangepakt. Indien men die wapenexport aanpakt, ligt het voor de hand dat dit landen zal betreffen die ook (reeds) door andere landen zullen zijn of worden geboycot op het gebied van wapenleveranties en dergelijke. Te denken valt aan landen die reeds een V.N.-resolutie tegen zich hebben gekregen die vrij algemeen werd geaccepteerd door landen uit verschillende 'kampen', aan landen in oorlog, landen die in een regio liggen met direct en reëel gevaar voor een grote uitbarsting van geweld en landen waar op gigantische wijze de bevolking wordt o nderdrukt. Het zij nogmaals herhaald dat zo'n zwarte lijst en de (geherfonnuleerde) criteria zeer bescheiden moelen blijven, anders zij n we over tien of twintig jaar nog geen stap verder. We zouden ons ongeloofwaardig gemaakt hebben, ons uit de groep van wapenexporteurs gewerkt hebben (en dus aan autoriteit en overtuigingskracht op dit gebied ingeboet hebben) en economisch danig benadeeld zij n. De krachten die tegen vermindering van wapenexport (en wapenindustrie in het algemeen) werken, dienen niet onderschat te worden. De tijd dringt en we zijn medeverantwoordelijk voor de bewapening van dat deel van de wereld dat militair nog weinig voorstelt maar zo'n bewaping alleen al economisch nooit zou kunnen overleven. Maar ondanks dat de tijd dringt, moe-


ten we ervoor waken niet in paniek te geraken. Panisch reageren zou tot economische problemen leiden en op veiligheidsgebied nadelig kunnen zijn. Nederland dient dus niet het voortouw te nemen door eenzijdig te stoppen met wapenexport, maar daar het ontplooien van activiteiten om internationaal te komen tot effectieve afspraken .

8.

Tweede Kamer, zitting 1969-1970, 4Se verga-

dering, 12-2-1970.

I.

21.

10. Staatssecretaris Kooymans. ' Rapport Inzake het Militair Indust rieel Complex' Tweede Kamer,

22. Staatscourant 23-2-1981.

zitting 1977, 14.654, nrs. 1-2. 11 .

De ministers van de KJaauw en de Koning,

Beleid, Tweede Kamer, ziuing 1978-1979, 15.571, nrs. )-2.

S.I.P.R.I.-yearbook 1981. p XIX

12.

Regeringsverklaring door premier van Agt

2. S. I.P .R.I. -yearbook 1981, p. 184 en 185. Inclusief licentieproductie

afgelegd op 16-11 -1981 .

13.

Ibidem nt. 13, p. 65.

3.

S.I.P.R.I.-yearbook 1980, p. 65

14.

I bide~

4.

A .C.P.A .-yearbook 1969- 1978, p. 144

IS. Minister van der Klaauw, brief 'Expon van Militair Materieel door Nederland', Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16.204, nr. 3.

S.I.P.R.I.-yearbook 1981, p. 188, label 7.3. Dit is tegen constante 1975路prijzen

5.

6. regeerakkoord CDA-VVD uit 1977, hst. 111 , par I (mensenrechten) 7.

Regeringsverklaring door premier Van Agt afgelegd op 16-1 -1978.

S.J.P.R.J.-yearbook 1981, p. 188, tabel 7.4.

Staatssecretaris Kooymans. nOia 'Ontwapening en Veiligheid', Tweede Kamer, riuing 19741975, 13.461, nrs. 1-2, p. 64 .

9.

nola 'de Rechten van de Mens' in het Buitenlands

noten bij de tekst:

19.

20. Uitzondering (maar verouderd): S. Faltus, Nederland in de Wapenhandel , 's-Gravenhage 1978.

16.

Zoals beweert wordt in het Rapport inzake het M.J.C ., p. 48 .

23 . Commissie-Brandt, Nonh-South : A . Program for Survival, 's-Gravenhage 1980.

24. Ad hoc Group of Governmental Exports on the Relationship between Discrimamem and Development, Study on the Relationship bet ween Discrimament and Development , Report of (he Secretary Genera!.

nt. 13, p. 64.

Ibidem, p. 1

17. Sommige uit eigen bron (zie mijn eindscriptie over dit onderwerp) 18.

Eigen bron

Moderne elektronica voor ons aller veiligheid .

.

.....

.:' " '.'

.. '.

'.

:',."..:.

:

'.'

17


Economische dwangmaatregelen: een illusoire politiek? Nederland is onlangs door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties gekozen tot niet-permanent lid van de Veiligheidsraad. Op het eerste gezicht lijkt een zetel in dit orgaan van grote betekenis te zijn. Immers de Veiligheidsraad is binnen de VN daar waar het om de internationale rechtshandhaving gaat het belangrijkste orgaan . Het heeft onder andere de mogelijkheid dienaangaande voor de lidstaten dwingende maatregelen te nemen. Toch blijft getemperde vreugde over de zetel van Nederland gepast. Want wat is de Veiligheidsraad uiteindelijk meer dan, zoals Prof. P.J. I.M. de Waart (I) onlangs in een kranteninterview (2) stelde 'een forum voor boze uitlatingen '. Hoe gaat de internationale rechtshandhaving in zijn werk? Hoe groot is de effectiviteit? Onderstaand betoog probeert op deze algemene vragen op een eenvoudige wijze antwoord te geven, daarbij speciaal aandacht schenkende aan de economische dwangmaatregelen als middel tot rechtshandhaving.

Juridische aspecten Binnen iedere rechtsorde, zowel nationaal als internationaal, zijn de subjecten, respectievelijk individuen en staten, gebonden aan normen. Een juiste naleving daarvan draagt zorg voor de instandhouding van het systeem. Bij niet -naleving voorzien de nationale rechtssystemen in handhavingsmechanismen . Deze bestaan hoofdzakelijk uit het opleggen van sancties bij wetsovertredingen . Volgens Margaret Doxy(3) zijn sancties :

'negative measures which seek 10 influence conduct by threatening and ij

18

necessary imposing penalties for nonconformity with law'. Aan sancties kunnen een tweeledige functie worden toegeschreven. In de eerste plaats een afschrikkende werking ter voorkoming van non-conformiteit. In de tweede plaats een op herstel gerichte werking, indien de schending van de gedragsnorm al heeft plaatsgehad. Op het internationale vlak hebben organisaties in deze eeuw, zowel universele als regionale instanties, in hun statuten ook handhavingsmechanismen opgenomen die voorzien in het opleggen van sancties bij norm over-

Evert-Jan Raven Redact eur JASON-magazine. Dit artikel is onder persoonlijke titel geschreven .

schrijding. Er dient zich echter in vergelij king tussen nationale en internationale handhavingssystemen een duidelijk verschil aan. Deze is gelegen in het feit dat binnen de nationale rechtsorde de samenstelling en handhaving van de normen in handen van een centraal gezag zijn. Binnen de internationale samenleving zijn het allereerst de staten zelf die belast zijn met de handhaving van de normen. Alhoewel de afgelopen eeuw geprobeerd is de handhaving te centraliseren door middel van het oprichten van universele organisaties daartoe, blijven de staten ook zelf gerechtigd in hun


onderlinge betrekkingen met sancties te reageren. Daarvoor zijn twee methoden. De eerste retorsie genoemd, bestaat uit het beantwoorden op onvriendelijke maar wel rechtmatige wijze. Een voorbeeld is onder andere het afsnijden van economische hulp, aangezien geen staat verplicht is deze automatisch te geven. De tweede methode is represaille. In dit geval beantwoordt de getroffen staat een onrechtmatig optreden met een onrechtmatig handelen. De gelaedeerde staat dient echter wel de proportionaliteitsregel na te leven. Een onevenredige vergelding kan de staat op zijn beurt immers weer voorwerp van re-

presailles maken. In beide gevallen neemt de betrokken staat maatregelen omdat hij zelf het slachtoffer is geworden van de daden van een andere staat. Maar ook in andere gevallen verbiedt het internationaal recht staten .niet om unilateraal maatregelen te nemen. Deze mogelijkheid doet zich voor indien algemeen geaccepteerde normen van internationaal recht zijn geschonden. Het toepassen van deze methode blijft veelal achterwege. In de meeste gevallen voorzien de statuten van voornoemde internationale organisaties, al dan niet werkzaam op algemene of specifieke terreinen, in eigen mogelijkheden voor het opleggen van sancties. In het ontwerpregeerakkoord van CDA en VVD van oktober 1982 jl. is een passage opgenomen die vermeldt dat eenzijdige door Nederland te nemen economische dwangmaatregelen tegen Zuid Afrika niet bij voorbaat zijn uitgesloten. Ook in vorige regeerperioden en met name in het parlement zijn deze eenzijdige Nederlandse stappen al aan de orde geweest. De reden moet niet gezocht worden in een ontkenning of een moedwillige ontkrachting van het handhavingsmachanisme van in dit geval de Verenigde Naties. Veel meer lijkt de reden te liggen in de machteloosheid van de VN. Een door de VN opgelegd wapenembargo wordt wel uitgvoerd.

Veto Terugkerende bij wat hierboven al is aangehaald, namelijk het centraliseren van de internationale rechtshandhaving via het oprichten van een universele organisatie, doet de laatste opmerking weinig positiefs vermoeden over de uiteindelijke uitwerking van dat plan. Op het eerste gezicht lijkt het Handvest te voorzien in een centraal geleide rechtshandhaving. Ten opzichte van de voor-

loper van de Verenigde Naties, de Volkenbond, is dit een grote vooruitgang. Deze laatste organisatie, voorzag in de automatische toepassing van (economische) sancties (4). Echter de beslissing om tot het nemen van sancties over te gaan bleef voorbehouden aan de lid-

staten. Hoofdstuk VIl van het Handvest legt de Veiligheidsraad als enige orgaan de bevoegdheid op sanctionerende maatregelen te nemen. De beslissingen genomen op grond van dit hoofdstuk zijn bindend voor de lidstaten (5). De Veiligheidsraad bepaalt of er reden is voor het instellen van sancties en welke maatregelen er getroffen dienen te worden. Zo kunnen op grond van artikel 42 van het Handvest onder andere economische maatregelen worden opgelegd. Pas twintig jaar na de oprichting van de Verenigde Naties werden in de kwestie Rhodesie voor het eerst op grond van deze passages uit het Handvest economische maatregelen opgelegd. Onlangs nog werd een wapenembargo tegen Zuid Afrika afgekondigd. In alle andere gevallen kwam de Veiligheidsraad niet verder dan aanbevelingen tot het instellen van sancties. En dit mag bevreemding wekken daar in de meeste gevallen waarin sancties werden voorgesteld internationaal aanvaarde rechtsnormen op ernstige wijze waren geschonden. Denk bijvoorbeeld aan de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran in 1979. Politieke prioriteiten lijken aan dit nalaten ten grondslag hebben gelegen. In dit geval dient zich dan een duidelijke tegenstrijdigheid aan. Want in de VN, die onder andere bedoeld is rechtsregels te handhaven, lijken w politieke uitgangspunten het doel opzij te kunnen zetten. De schijn bedreigt in dit geval niet. Dit wordt des te duidelijker als we zien dat de mogelijkheid politieke uitgangspunten te laten prevaleren een juridische grondslag vindt in het Handvest zelf. Want met het vetorecht van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad in alle niet procedurele zaken schijnt het 'paard van Troje' al bij de totstandkoming van de organisatie te zijn binnengehaald. Aangenen door middel van het vetorecht centrale rechtshandhaving door middel van (economische) sancties kan worden lamgelegd blijft de vraag in hoev"",, confonniteit op andere manieren kan worden afgedwongen. Hiervoor zijn de mogelijkheden. - De eerste moge/端kheid is binnen de Verenigde Naties zelf ontstaan als direct gevolg van de veto verlarnrnende werking. In 1950 nam de Algemene Vergadering van de VN daartoe de resolutie 'Uniting Jor Peo.ce' aan. Volgens deze resolutie kan de Algemene Vergadering, als een permanent lid in de Veiligheidsraad gebruik gemaakt heeft van zijn vetorecht, die maatregelen nemen die eigenlijk primair aan de Veiligheidsraad

zijn voorbehouderi. Een tweederde meerderheid in de Algemene Vergadering of negen positieve stemmen van de Veiligheidsraad kunnen een speciale zitting van eerstgenoemd orgaan voor dat doel bijeenroepen. Beslissingen ten gunste van het nemen van maatregelen hebben echter slechts de vorm van een aanbeveling. - De tweede moge/端kheid biedt het Handvest zelf in de artikelen 51 en 107. Bij het eerste artikel gaat het om gewapende tegenmaatregelen in de vorm van individuele of collectieve zelfverdediging in het geval van een gewapende aanval. In het tweede geval gaat het om maatregelen gericht tegen vroegere vijanden.

De derde moge/端kheid is ook in het Handvest terug te vinden en wel in hoofdstuk Vlll, dat handelt over regionale regelingen. Alhoewel ook op grond van artikel 51 regionale organisaties tot stand zijn gekomen (bv NATO) doen zich toch enige belangrijke verschillen voor. Uit artikel 53 valt af te leiden dat eerstgenoemde regionale regelingen bepalingen mogen bevatten die het toepassen van (economische) dwangmaatregelen mogelijk maken. De mogelijkheden voor het toepassen van deze maatregelen zijn niet slechts gebonden aan eventuele gewapende aanvallen. De enige verplichting die artikel 53 oplegt is dat揃 de dwangmaatregelen alleen mogen worden genomen met machtiging van de Veiligheidsraad. Bovendien bevat artikel 54 de eis om indien maatregelen genomen worden de Veiligheidsraad daarover verslag te doen. Sinds de oprichting van de Verenigde Naties zijn vele regionale organisaties ontstaan. De Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) is een duidelijk voorbeeld van een regionaal akkoord, dat valt onder hoofdstuk VIl!. Door middel van het binnen deze organisatie gesloten InterAmerikaans Verdrag voor wederzijdse bijstand (Het 'Verdrag van Rio') kunnen sancties worden opgelegd. Zo legde de OAS economische sancties op aan de Dominicaanse Republiek in 1960, omdat dit land betrokken wu zijn geweest bij ondennijnende aktiviteiten gericht tegen het gezag van de staat Venezuela. Alhoewel deze kwestie al ver achter ons ligt is hij wel van belang voor de uiteindelijke toepassing van de zojuist geschreven uit hoofdstuk Vlll van het Handvest. De verplichte melding aan de Veiligheidsraad over de toepassing van de dwangmaatregelen ex artikel 54 is in bovenstaand geval, maar ook in andere 19


zaken (wals de OAS ten opzichte van Cuba) toegepast. Moeilijker lijkt de toepassing van artikel 53 met betrekking tot de machtiging van de Veiligheidsraad. Het heeft er alle schijn van dat de centrale functie van de Raad met betrekking tot de rechtshandhaving ook op dit terrein aan kracht heeft ingeboet. Naar aanleiding van de sancties tegen de Dominicaanse Republiek rees de vraag in hoeverre deze als maatregelen gezien dienden te worden als bedoeld in Artikel 53. Machtiging van de Veiligheidsraad zou dan immers noodzakelijk zijn geweest. Een grote groep landen, waaronder de Verenigde Staten, wezen erop dat de maatregelen van artikel 53 slechts militaire sancties behelsden. Andere landen onder aanvoering van de USSR rekenden alle vormen van sancties (dus ook economische dwangmaatregelen) daaronder. Dat de OAS voor de eerste interpretatie koos zal geen bevreemding wekken. Deze keuze werd onder andere geargumenteerd door erop te wijzen dat afzonderlijke staten of groepen van staten die niet regionaal gebonden zijn zonder enige machtiging van wie ook vrijelijk economische relaties met andere staten mogen afbreken. Deze redenatie komt niet onlogisch over mede gezien in het licht van het volgende. Artikel 2 lid 4 van het Handvest verbiedt het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van iedere staat. Het geweldsverbod lijkt niet te slaan op de economische dwangmaatregelen. Een poging om de rechtskracht van het artikel uit te breiden tot ook economische sancties werd al bij de oprichtingsconferentie van de Verenigde Naties in San Fransisco in 1945 door de Braziliaanse afgevaardigde gedaan. Het voorstel werd duidelijk van het hand gewezen. Ook later pogingen in de jaren daaropvolgend vonden geen gehoor. Van de andere kant zijn er wel grenzen gesteld aan de toepassing van economische dwangmaatregelen. De Verklaring van de Algemene Vergadering inzake de ontoelaatbaarheid van interventie in de interne aangelegenheden van staten die vrijwel unaniem werd aangenomen in 1965 (6), veroordeelt onder andere het gebruik door staten van economische maatregelen die erop gericht zijn: 'ta coerce another state in order to obtain from it the subordination of the exercise of its sovereign rights or to secure from it advantages of any kind'. De Verklaring inzake beginselen van internationaal recht met betrekking tot vriendschappelijke relaties en samenwerking tussen staten (1970) verklaart economische dwangmaatregelen van deze aard ook in strijd met internationaal recht (7). Ook al hebben deze Verklaringen van de Algemene Vergadering geen klacht van wet, toch kunnen zij een indicatie van internationaal gewoonterecht zijn en

20

derhalve een bewijsbron opleveren voor de hierboven omschreven interpretatie van artikel 2 lid 4 van het Handvest.

Zijn sancties effectief? Na dit overzicht van de juridische mogelijkheden voor het instellen van economische sancties wordt het tijd in te gaan op de praktische haalbaarheid van deze maatregelen. Met andere woorden, hoe kunnen de staat of staten die tot het instellen van economische maatregelen besluiten deze zo effectief mogelijk maken. Deze maatregelen bestaan hoofdzakelijk uit embargo- en boycotacties. Ook blokkades en quarantaines horen hierbij. Echter bij deze laatste vormen bestaat de mogelijkheid dat er strijd optreedt met de hierboven beschreven artikelen inzake 'the use of force .. .'. Want voor een effectieve blokkade zijn immers militaire middelen nodig. Ten aanzien van een embargo of boycot kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt. Het is noodzakelijk voor de effectiviteit van de maatregelen dat er tussen de staten die ze willen instellen zo snel mogelijk overeenkomst wordt bereikt over het doel, de vorm en de methoden van de sancties. Dit klinkt logisch, maar er is gebleken dat indien dit niet het geval is van effectiviteit van de maatregelen gering te noemen is. Indien deze overeenkomstig wel wordt bereikt dan

De Veiligheidsraad; folende controle?

nog kunnen diezei fde staten de effectiviteit aan banden leggen. Vele staen passen namelijk de sancties slechts gedeeltelijk en soms helemaal niet toe. Het niet deelnemen van Zuid Afrika aan de door de Veiligheidsraad afgekondigde sancties tegen Rhodesië is hiervan een voorbeeld. Op het regionale vlak kon Cuba de steun van de Sovjet Unie inroepen toen het door economische sancties werd getroffen die in de zestiger jaren door de OAS werden ingesteld. Dit laatste voorbeeld toont aan dat indien alle staten in een regio meedoen de effectiviteit nog gering kan zijn. In het geval van Zuid Afrika zal de niet toepassing van de afgesproken sancties te wijten zijn aan een gebrek aan motivatie met betrekking tot het doel van de sancties. In dit geval was dat onder andere het ongedaan maken van de door premier Smith van Rhodesië in 1965 afgekondigde Unilaterale Verklaring van Onafhankelijkheid, hetgeen de bevestiging betekende van de superioriteit van diens blanke minderheidsregering over de zwarte bevolking. In andere gevallen van de niet-toepassing het gevolg zijn van de schade die de te nemen maatregelen zouden kunnen toe-· brengen aan de eigen economie. Om de effectlviieit van dè te nemen sancties te verhogen zullen de staten onderling regelingen moeten treffen om diegenen onder hen die door hel instellen van de maatregelen economisch het meest getroffen worden bij te staan. De effectiviteit zal bovendien afhangen van de uitwerking van de maatregelen binnen de rechtsorde van de staten die de sancties opleggen. Met andere woorden: hoe kunnen de onderdanen zo snel mogelijk worden verplicht de sancties uit te voeren? Het zal in deze van belang zijn op welke manier het nationale recht zich verhoudt met het internatio-


nale rechtsstelsel. Gaat men uit van de

monistische systeem dan worden nationaal en internationaal recht als een rechtssysteem gezien. In Nederland gaat men van deze vorm uit. Onze grondwet bepaalt in de artikelen 65 tot en met 67 dat bepalingen uit overeenkomsten of uit beslissingen afkomstig van internationale organisaties die een ieder kunnen verbinden rechtstreeks toepasselijk zijn. Zo zouden maatregelen door de Veiligheidsraad genomen onder hoofdstuk VII van het Handvest een ieder verbindende bepaling kunnen bevatten. In landen die uitgaan van een dualistisch systeem blijft men uitgaan van een scheiding in de verhouding nationaal recht en internationaal recht. Regels van internationaal recht, waaronder die regels die een ieder kunnen verbinden, dienen omgezet te worden in nationale wetten . In dit geval gaan latere wetten voor, zodat in feite internationale rechtsregels opzij gezet kunnen worden. In sommige landen is de situatie nog gecompliceerder. Engeland bijvoorbeeld gaat alleen met betrekking tot internationaal gewoonterecht uit van het monistisch systeem, maar voor verdragen niet. In de Verenigde Staten gaat men zowel ten opzichte van verdragen als gewoonterecht uit van het monisme. Maar toch kunnen latere wetten verdragen opzij zetten. Een Nederlands instrument voor de uit-

voering op nationaal niveau van internationale sancties (als het niet uitsluitend bepalingen betreft die ieder kunnen verbinden), is de Sanctiewet (1977). Volgens deu wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld ter voldoening aan besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken indien deu onder andere gericht zijn op de bevordering van de internationale rechtsorde (8). Zo'n wet is nog niet in alle landen opgesteld. Bij de nationale uitvoering van internationale dwangmaatregelen zal dus vanwege het gebrek aan uniformiteit de effectiviteit niet bevorderd worden.

het stopzetten van de toevoer of uitvoer van die waren geen effect hebben. Voor bijna iedere staat is de toevoer van grondstoffen van groot belang. Het opleggen van een olieëmbargo lijkt een doeltreffende maatregel te zijn. De westerse geïndustrialiseerde landen en de overgrote meerderheid van de ontwikkelingslanden in de derde wereld zijn uitermate kwetsbaar voor onderbrekingen in de toevoer van olie en olieprodukten.

Uitwerking van de sancties In het interstatelijk verkeer kunnen economische dwangmaatregelen als een van de laatste middelen worden gezien ter beslechting van geschillen die zijn ontstaan naar aanleiding van de nietnaleving van overeenkomsten en/ of internationaal geldende normen. Een vreedzame oplossing via onderhandelingen of verzoening staat voorop. Zoals gezien, is vanaf het begin van deze eeuw geprobeerd de internationale rechtshandhaving in centrale handen te krijgen . Via allereerst de Volkenbond en vervolgens de Verenigde Naties is de mogelijkheid van het universeel opleggen van economische sancties tot op heden mogelijk geweest. Toch is deu dwangmaatregel de afgelopen drieënzestig jaar (gerekend vanaf de oprichting van de Volkenbond in 1919) slechts :reer sporadisch toegepast. Dit feit is echter niet

toe te schrijven aan de strikte naleving van de internationale rechtsregels of aan een afschrikwekkende werking van mogelijk op te leggen economische maatregelen. Veel meer zal de schuld moeten worden gezocht bij het falende systeem. Noch de economische maatregelen door de Volkenbond afgekondigd tegen Italië voor diens inval in Ethiopië in 1935, noch de :reer vergaande economische sancties tegen Rhodesië door de VN ingesteld hebben een daadwerkelijke verandering te weeg gebracht in de houding van de betrokken staten. Evenmin heeft het andere staten ervan weerhouden soongelijke of andere normen te overschrijden. Buiten het al genoemde wapenembargo tegen Zuid Afrika zijn er geen voor de staten bindende besluiten voor het doorvoeren van economische sancties tegen dat land meer genomen. De zaak van de Amerikaanse gijzelaars is een ander voorbeeld van een ernstige internationale normschending waanegen het falend systeem niet was opgewassen. Nu zijn er in de laatste twee gevallen wel maatregelen genomen door andere internationale instanties en of groepen van staten of staten afzonderlijk. In het geval van Iran bijvoorbeeld kwamen de Europese leiders in het kader van de EPS (9) Europese Politieke Samenwerking) overeen economische sancties in te stellen. En zoals gezegd blijven in Nederland stemmen opgaan voor eenzijdige economische sancties tegen Zuid Afrika. De betekenis van afzonderlijke stappen van Nederland of van een slechts kleine groep staten kan alleen als symbolisch worden gezien. Het kan de publieke opinie in eigen land bevredigen of bedoeld zijn andere landen te laten zien dat men het nauw neemt met de internationale normnaleving. Echter de

Zuid·Afrika doel proeven mei olie uit steenkool. Dit is een van de koeltorens van SA SOL] waar die olie vervaardigd wordt.

Voor een succesvol opleggen van sancties zal allereerst gezocht moeten worden naar de pijlers waarop de economie van de staat waartegen maatregelen zullen worden genomen het meest rust. Indien immers een embargo of boycot wordt gelegd op goederen die niet essentieel voor de nationale huishouding zijn zal 21


doelstelling zoals venneld in de definitie van Magaret Doxey, namelijk 'to influence conduct ... ' zal bij lange na niet gehaaid worden .

Aan de andere kant kan dit evenmin worden gezegd van de economische sancties die wel ccn algemeen verbindend karakter hebben. Hiervoor zijn enige redenen aan te voeren. In de eerste plaats kan nogmaals gewezen worden naar hetgeen al gezegd is met betrekking tot de mogelijkheid die bestaat dat onder andere uit gebrek aan motivatie staten niet strikt of zelfs helemaal niet meewerken aan de uitvoering van sancties. Zo ging alle handel met RhodesiĂŤ via Zuid-Nrika zodat het regime Smith de sancties gemakkelijk kon ontlopen. Ten tweede blijkt dat staten door middel van een politiek van selfreliance overeind blijven . De staat zal reageren en anticiperen op respectievelijk al ingestelde en toekomstige sancties. Het zoeken naar alternatieven voor wegvallende importen , het eventueel zelf gaan vervaardigen van niet langer ingevoerde produkten zal de binnenlandse industrie eerder stimuleren dan raken . Meestal kiest men als produktiemethoden liever primitieve of verouderde vonnen dan toe te geven aan een embargo. De roep om een olie embargo tegen Zuid Afrika heeft de regering van dat land er alleen maar toe gebracht beschennende maatregelen te nemen ten einde zijn kwetsbaarheid op dit terrein te verlagen. De Zuid Afrikaanse regering heeft gezorgd voor een olie reserve die goed is voor twee jaar. Daarnaast is veel geld gestopt in onderzoeken naar oliebronnen op het land en uit de kust. Door onder andere via alternatieve wijze olie te winnen hoopt men Zuid Nrika in 1985 voor 80"10 self supporting te hebben . Ten derde zal in de landen die door sancties worden getroffen de interne solidariteit worden vergroot. De volkswil om te overwinnen en om de sancties te ontduiken zal grote vonnen aannemen . Tot slot kan de betrokken staat tegenmaatregelen nemen die invloed kunnen gaan uitoefenen op de naleving en toepassing van de sancties. Dit is uiteraard slechts het geval indien de staat zelf ook een economische grootmacht is. Buitendien kan ook hier hulp worden verkregen van staten die niet meewerken aan de sancties. Sancties kunnen niet in alle gevallen voor lange tijd worden opgelegd. In de eerste plaats brengt de onderlinge afhankelijkheid van de staten dit met zich

22

mee. Immers de eigen economie mag en kan er niet te veel onder gaan lijden. Dit is vooral het geval indien men van de uitvoer van een bepaald produkt min of meer afhankelijk is. Indien de Arabische olie exporterende landen opnieuw tot een olieĂŤrnbargo zouden besluiten in de toekomst en de landen tegen wie deze is gericht met een effectief programma voor self reliance ten tonele verschijnen kan zich een dit probleem voordoen. Zonder olie export staat de economie van de Arabische landen immers onder zware druk .

Slotopmerkingen Van een effectieve internationale rechtshandhaving door middel van het opleggen van economische dwangmaatregelen kan niet direct gesproken worden. De juridische mogelijkheden voor dergelijke centraal op te leggen maatregelen zijn zoals gezien wel aanwezig. Echter de

noten I. Pror. J .I.M . de Waart is hoogleraar in het volkenrecht aan de Vrije Universiteit van Amster-

dam. 2.

Algemeen dagblad 2()..1 1- 1982

3. International Sanctions: A framework for analysis with special reference 10 the UN and Southern Africa. (Internat io nal O rganisation. 1972 pp 527-550)

4.

Artikel 16 Convenant of the League of Nati-

ons.

5.

Artikel 48 Handvest. Ook artikel 25 Hand-

vest.

6. 109 stemmen voor, geen tegen en slechts een ,onthouding. 7. Zie ook: Or. P.J. Kuyper, Mr. L.A.M. Mulders en Mr T.P .J .N . van Rijn : En kele juridische aspecten van de Arabische boycot van Israel. (Nederlands Juristenblad 1978, pp 456-465).

8.

Zie ook : Drs C. de Cooker: Sancties tegen Iran; De nieuwe sanctiewet voor het eerst toegepast. (Nederlands Juristenblad 1981, pp 445-454)

verlammende werking van het vetorecht

9.

van de vijf pennanente leden in de Veiligheidsraad ondennijnt de eerste bouwsteen van het handhavingssysteem. Buitendien is gebleken dat de internationale gemeenschap machteloos staat indien een of meerdere landen de bindende besluiten van de Veiligheidsraad niet naleven. Een internationale rechter met echt gezag ontbreekt. Het internationaal gerechtshof mag pas met toestemming van de betrokken staten een zaak in behandeling nemen. Bij niet naleving van een uitspraak van het Hof kan de Veiligheidsraad onder andere dwingende economische maatregelen afkondigen (11). Alleen dan zal hetzelfde probleem zich weer voordoen. Binnende regionale organisaties lijkt de saamhorigheid met betrekking tot het naleven van opgelegde sancties groter te zijn. Bovendien lijkt daar de mogelijkheid om iedere staat te dwingen mee te doen groter. Zoals gezien hebben de staten tegen wie maatregelen worden opgelegd diverse mogelijkheden deze door onder andere ontduiking of self relianee te ontkrachten. Hulp van andere staten zal ook in de toekomst blijven voortbestaan. Dit zal niet alleen liggen aan de impotentie van het systeem op het juridische vlak, maar ook gezien de toenemende en al gememoreerde politieke uitgangspunten die staten laten prevaleren boven de handhaving van de internationale normen . Het 'bloksysteem' binnen de Verenigde Naties maakt het al haast onmogelijk alle landen mee te krijgen voor het universeel opleggen van economische dwangmaatregelen. Deze lijken dan ook slechts van illusoir karakter te zijn.

10. Zie verschillende artikelen in JASONmagazine 1981-4 'Zuid-Afrika. een regio apan'.

De komende twee jaar mag ons land proberen in de Veiligheidsraad hier wat aan te doen. Maar of Nederland verder komt dan slechts 'boze uitlatingen' valt ten zeerste te betwijfelen.

Zie nOOI 8

11. Artikel 94 lid 2 Handvest der Verenigde Naties.


Gas uit Siberië, achtergronden van een explosieve situatie Het was in de hoogtijdagen van de ontspanning. In het Westen pleitte Kissinger voor wederzijdse afhankelijkheid tussen de machtsblokken en de 'Ostpolitik' van de Bondsrepubliek begon zijn vruchten af te werpen. Ook in Oost-Europa waren de omstandigheden gunstig voor intensievere handel met het 'Kapitalistische Westen': de economie in de USSR liep af wdat interne hervormingen nodig waren ofwel de handelsbetrekkingen met het Westen uitgebreid moesten worden. Men koos voor het laatste omdat interne veranderingen ongewenste navolging rou kunnen vinden in de andere COMECON-landen. Daarnaast ·zagen de Sowjet-leiders meer en meer in dat economische successen nodig waren om de macht wereldwijd uit te breiden. Op basis van dit alles nam de handel tussen Oost en West (vooral de Bondsrepubliek) in de jaren '70 een hoge vlucht. Voor wat betreft de levering van aardgas werd het eerste contract met WestDuitsland al gesloten in februari 1970. Buizen, bulldozers, technologie, alles werd in Duitsland besteld en voor goedkope kredieten rorgde een Duits bankconsortium . In 1972 begonnen zelfs onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie over verkoop van aardgas. Dit zg. 'Noordster-project' maakte deel uit van een handelsakkoord dat echter in 1975 door de amendementen JacksonVanik en Stevenson (beide inz. handel met de USSR) getorpedeerd werd . Ook Japan voerde Russisch aardgas in en zelfs de lichtstad Parijs zou haar schittering te danken hebben aan de invoer van gas uit de Sowjet-Unie. De oliecrisis van 1972, de prijsstijgingen van aardolie en de invloed van de mil1ieubeweging die nucleaire energie te gevaarlijk en kolen te vuil vond, gaven de aardgashandel een extra duw in de

rug. In 1980 was West-Duitsland voor

20010 (9 miljard m') van de gasimport afhankelijk van Rusland . In feite is er dus niet veel nieuws onder de ron . Toen rond 1978 de vooruitzichten voor de groei van de Europese gasproductie minder werden, leek de USSR om verschillende redenen een geschikte bron voor aanvullingen. Een gasleiding over land is immers betrouwbaarder dan vervoer van vloeibaar gas in tankers. De werkgelegenheid in de Europese staal..,n machinebouwindustrie kon wel eens extra steun gebruiken, en ook overwegingen van interdependentie speelden mee. In de Sowjet-Unie werden plannen verwelkomd, omdat ze harde valuta rouden opleveren en een door Europa gefmancierde infrastructuur inhielden. Bovendien beschikte de USSR over gigantische gasvoorraden (alleen het veld van Oerengoj wordt al geschat op 10.000 miljard m '). Men begon dan ook onderhandelingen

De Amerikaanse visie.

BURN A

CANDLE FOR

POLAND!

Maurits Dolmans Hoofdred . JASQN (Dit artikel is onder persoonlijke titel geschreven).

een nieuw project. Er rou een dubbele pijpleiding worden aangelegd met een doorsnede van 2 x 142 mm, waardoor onder een druk van 75 atm. 40 miljard m ' aardgas uit Oerengoi (Siberië) naar West-Europa gepompt kon worden, over een afstand van bijna 5000 km. Het contract rou geldig zijn voor 25 jaar en het werd vastgelegd dat terugbetaling van de kredieten voor de aanleg van de leiding plaats zou vinden met op opbrengst van het geleverde gas. Zo kan het pas na afbetaling harde valuta voor de USSR opbrengen.

OVf.r

In december vorig jaar staken de Polen een spaak in het wiel. Generaal Jaruzelski kondigde de staat van beleg af, duizenden Polen werden gearresteerd en er kwam vrijwel een eind aan de activiteiten van d. vakbond 'Solidariteit', die zelfs onlangs werd opgeheven en verboden. In de 'contingency planning' van de NAVO was dit niet voorzien . Er was afgesproken dat een embargo zou worden ingesteld op de Oost -Westhandel warmeer de Sowjet-Unie zelf hardhanding een eind rou maken aan de omust in Polen, maar de Europeanen bleken niet bereid ook nu ro ver te gaan. De Verenigde Staten beëindigden hun kredietverlening aan Polen en zegde iedere schuldsanering voor 1982 af. Ook de Sowjet-Unie werd getroffen door Amerikaanse sancties, vooral op gebied aan de economie (1). De Europeanen werden onder druk gezet de onderhandelingen over gas te staken, maar daaraan werd geen gehoor gegeven.

Versailles, en wat daarop volgde Begin juni dit jaar werd onder hoge spanning vergaderd in Versailles tussen de zeven grootste industrielanden. Men kwam er tot een compromis waarin de op dat ogenblik hoog oplopende conflicten in een 'deal' werden opgelost: men zou zich verzetten tegen protectionisme en handelsbelemmerende praktijken (staal) en de rentevoet in de VS rou verlaagd worden terwijl de Federal Reserve verstoringen in de dollarmarkt zou opvangen. Ook de handel met het Oostblok werd in het compromis betrokken.

23


· .. 'We agree to pursue a prudent and diversified economie approach to the USSR and Eastern Europe, consistent with our political and security interest. .. on a sound economis basis'. . . Men erkende in het communiqué dat goede economische betrekkingen met het Oostblok een belangrijke rol zouden spelen bij de ontwikkeling van een stabiele Oost-Westverhouding mits er sprake was van 'uitgebalanceerde voordelen voor beide partijen'. Op basis van dit alles werd de kredietverlening beperkt, en de rente verhoogd van 7,807. tot het normale niveau (rond de 12 Vz 07.). Leveringen van technologie die voor militaire doeleinden gebruikt kon worden moest verder worden ingeperkt. En de Europeanen verwachtten dat president Reagan geen verdere maatregelen zou nemen tegen de gasprojecten . Maar daarin vergisten zij zich. Na terugkeer in Washington kreeg Reagan problemen met de meest behoudende groep in zijn regering, die een rigide, mechanisch systeem van kredietbeperking wenste. Mitterand liet echter weten dat hij niet van zins was de kredieten aan de USSR sterk te beperken; hij wilde een flexibele benadering. Minister van Buitenlandse Zaken Haig bereidde daarop een compromis met de bondgenoten voor, maar werd daarin dwarsgezeten door Weinberger, Reagan zelf, diens Security Adviser Clark en Director of Central Intelligence Casey. Uiteindelijk werd op 18 juni, na een vergadering die zo gepland was dat zij samenviel met een gesprek tussen Haig en Gromyko zodat Haig er niet bij kon zijn, een uitbreiding van de sancties aangekondigd (2). Haig's val liet niet lang meer op zich wachten. Nu de maatregelen werden uitgebreid tot een exportverbod naar de USSR voor niet-Amerikaanse dochterondernemingen van VS-fll111a's en bedrijven die Amerikaanse onderdelen gebruikten of Amerikaanse licenties hielden, brak er een storm van protest los. Over en weer bestookten Amerika en Europa elkaar met beweringen over Europese energie-afhankelijkheid, steun aan de Sowjet«onomie, ongeoorloofde uitbreiding van jurisdictie enz. In het volgende wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste argumenten .

Volgens schattingen zouden de Russen tegen het eind van de jaren tachtig 40 miljard m' gas aan Europa leveren. Dit moest dan 3007. van het totale gasverbruik zijn, hoewel het in sommige gebieden (Beieren bijvoorbeeld) kon oplopen tot 9507.. De VS wezen op het gevaar dat de afhankelijkheid nog vergroot kan worden door een lage prijs te rekenen. Dit bedreigt investeringen in andere bronnen . Inderdaad ziet het er naar uit dat de Sowjet-Unie een prijs zal berekenen (rond de $4,5 per miljoen BTU, Britse Warmte Eenheden) die het gas wel concurrerend maakt, maar die niet zo laag is dat met het door de koper bespaarde geld nog Europese gasvelden toegankelijk gemaakt kunnen worden . Zelfs al zouden Noorwegen en Nederland het tekort aan gas bij een mogelijk Russisch embargo meteen kunnen aanvullen, dan zouden de leidingnetten in Europa het gas niet in voldoende mate naar de bedreigde gebieden kunnen vervoeren. Om politieke of andere doeleinden te verwezenlijken kan de USSR daarom volgens de Amerikanen dreigen met het plotseling afsnijden van de gasinvoer, hetgeen een gevoelige klap voor de economie zou betekenen . Ze bevelen dan ook alternatieve energiebronnen aan (3).

Kredieten en valuta

In Europa is men over het algemeen

van mening dat een en ander zo'n vaart nog niet zal lopen . In hoogstens 507. van de totale energiebehoefte zal immers worden voorzien door de aanvoer van gas uit Siberië. Mocht dus de levering van gas ooit 'opgeschort' worden, dan

Jarenlang verleenden Europese bankconsortia kredieten aan de Sowjet-Unie zodat die in het Westen de voor exploitatie van de gasvelden benodigde aankopen kon doen . De rente die daarbij berekend werd (7 ,807.) lag ver onder de normale rentevoet. Hiertegen maakten de Verenigde Staten nogal bezwaar en de Europese landen besloten in Versailles tenslotte ten dele toe Ie geven . De kredietverlening werd beperkt , zij het niet zo rigoreus als Reagan zich dat voorgeteld had, en de rente werd verhoogd tot rond de 12 Vz "I. . De commerciëe banken verleenden al geen kredieten meer, behalve aan Hongarije, gezien de schuldenlast van de Oostbloklanden. De Amerikanen hebben echter nog meer pijlen op hun boog. Zij zijn verontrust over de hoeveelheid harde valuta die de

(bcjld = miljorden kubieke voet ter dag), uit: Deparrmen: of State bulletin, december /98J .

Western Europe: Oependenee on Soviet Gas (%

cf

loi~1

gas ano ol to:ai ene:gy consumpllon) Ong lnal 40cl fd P'oJect

Aevlsed 3bc:lld PfOJcct

1990'

1990

1979

-----

Gas

Europa afhankelijk?

West Germany

Het meest gehoorde argument van de Verenigde Staten is dat Europa, en met name de Bondsrepubliek, teveel afhankelijk zou worden van de Sowjet-Unie voor de invoer van energie. Daarbij wijst men wel op het volgende: Voordat de ayatollah's in Iran aan de macht kwamen werd vanuit dat land gas dat vrijkwam bij oliewinning geleverd aan de USSR om de Zuid-

Fra nce2

24

valt de klap nog mee. Bovendien beschikken Nederland en Noorwegen over een flinke strategische gasreserve (de Nederlandse voorraad wordt wel geschat op 2400 miljard m'). Volgens een EEGstudie kan een uitval van 2007. tot 2507. van de gasimport ruim worden opgevangen door voorraden aan te spreken , de eigen produktie op te voeren en de invoer uit andere landen te verhogen. De Russen hebben in al die jaren dat ze energie aan Europa leveren nog nooit met stopzetting daarvan gedreigd als middel om druk uit te oefenen, hoewel dat wel eens is gebeurd met exporten naar Joego-Slavië, Israël en China. Gesteld dat de Sowjet-Unie inderdaad onbetrouwbaar is, dan nog is spreiding van energiebronnen een goed streven. Niet alleen de OPEC-landen maar ook de huidige gasleveranciers zijn namelijk niet helemaal 'betrouwbaar'. Dat bleek bijvoorbeeld toen Algerije een aantal malen de verkoop stopzette vanwege onenigheid over de prijs. Tenslotte menen velen aan deze kant van de ooeaan dat de argumenten inzake wederzijdse afhankelijkheid niet aan kracht hebben ingeboet. Daarop kom ik later nog terug.

Kaukasus van gas te voorzien. Aangezien de Sjah de hand aan de kraan had, kon Europa zonder al teveel gevaar gas uit de Sowjet-Unie invoeren: als de USSR ooit een embargo zou instellen, kon de Sjah onmiddellijk reageren door op zijn beurt de gaspijp dicht te draaien. De val van de Sjah maakte aan dit beweerde 'evenwicht van kwetsbaarheid' een eind.

!laly

_ .~

Neth erland s

BelglUm . Austria

Energy

- - --------Gas Energy

Ga s

En ergy

14

2

29

6

24

5

0

0

23-28

4

17- 20

3

?

29

5

23

4

0

10

4

6

2

0_ 12

82

29, _.",-_",,,,,,, 0

0 59

:,.~.

6.

32

18

19

62

~

_ 5.14

'Based on Indivldual government esllmates ol tola! gas and enefgy consumphon l French-con trac ted volumes ol Soviet natura! gas were dehvered to lIaly gas Irom Ihe Netherlands un!ll Februa fy 1980.

In

exchange lor lIahan cont rac led


Gas voor Europa, l.oals dat door de Russen gepresenteerd wordt. (z.o.1.. illustratie 28!)

te boren door hen harde valuta te ontzeggen: als de COMECON-landen niet over voldoende deviezen beschikken om hun schulden af te betalen, zal dat ten koste gaan van de Westerese banken die hun dat krediet hebben verleend. De

ramp wu niet te overzien zijn. Overigens zal de USSR de eerste jaren waarschijnlijk niet eens werkelijk de valuta in handen krijgen; pas als de leningen voor het project plus de rente afbetaald zijn komt de geldstroom oostwaarts op gang. H08bte paûoyue "terra

Technologie Om te voorkomen dat we niet aUeen de

3HI'PZU!1 Jl Cbtpbenpo.\(btUlAeHHocru

strop fmancieren maar ook nog het touw aan de beul zouden leveren is door de betrokken landen het CoCom ingeschakeld. Dit 'Co-ordinating Committee for East-West Trade Policy' houdt zich vooral bezig met het opstellen van lijsten van technologie en strategische goederen, die het Warschau-Pact zou kunnen gebruiken bij het opvoeren van de bewapening (5). Voor de technologie en goederen geldt een uitvoerverbod. In Versailles is men overeengekomen de uitvoer verder te beperken vooral op verzoek van de VS - door de lijst van kritische goederen en technologie uit te breiden en de controle op de export te verscherpen . De CoCom is al

verscheidene malen bijeengekomen, vanaf oktober, om hierover onderhandelingen te voeren.

Ten .1n -

dn,,,u."

Sowjet-Unie in handen zou krijgen in ruil voor haar gas. De opbrengst werd geschat op 8 à 10 miljard doUar per jaar (bij verminderde export op 5 miljard). In 1979 was 50"10 van de deviezen die dat jaar verdiend werden afkomstig van energie-export naar Europa. Deviezen komen de Russen uitstekend van pas in de huidige economische toestand (4). Overal wordt er bezuinigd, de levensstandaard gaat omlaag en ook de investeringsquote is gezakt. De ntiddelen uit de gasexport kunnen goed gebruikt worden om te voorkomen dat ook aan de Defensie geld wordt onttrokken. Zo financiert Europa zei f de strop die om haar hals wordt gelegd, terwijl wij bovendien opdraaien voor de tekortkomingen van de Sowjet-economie.

Het wu echter te ver voeren om gasturbines en bulldozers of andere goederen die voor de pijpleiding gebruikt worden zomaar te bestempelen als 'strategische goederen', en een verbod op de uitvoer ervan te leggen. Natuurlijk, de pijpleiding kan ook door de Russen gebruikt worden in tijden van oorlog (afgezien van de vraag of die te verwa: hten is) en ntisschien is er inderdaad enige 'spin-off naar de bewapeningsindustrie. Maar aan de andere kant kunnen de produkten nuttig zijn voor de Sowjets om hun gas- en olievoorraden in Siberië e.d. te ontsluiten, zodat de kans op Russisch avonturisme in het Midden-Oosten omwille van de energie kleiner wordt.

Economisch nadeel De sancties brachten de Europese econontie een behoorlijke klap toe. De tur-

bine MS 5002 bijvoorbeeld bevat rotoren en schoepen van hittebestendige metalen die uit de VS moeten komen of in Europa met Amerikaanse licentie worden gebouwd. Daarmee zijn grote bedragen gemoeid: bij AEG-Kattis (47 turbines) 320 miljoen doUar, bij John Brown (21 turbines) 187 miljoen, bij Nuovo Pignone (19 compressoren) 600 miljoen. In Frankrijk staat bij CrousotLoire en Mannesheim (22 compressorstations) 780 miljoen en bij A1sthomAtlantique (40 reserverotoren) 60 miljoen doUar op het spel. En dit is nog maar een greep. Als de maatregelen inderdaad ook in Europa zou zijn afgedwongen zou dat ten koste gaan van veel werkgelegenheid en het bestaan van sommige bedrijven (AEG-Kanis, John Brown) in gevaar brengen. De VS sneden zelfs in eigen vlees door de uitvoer door General Electrics van bijvoorbeeld 102 rotoren (23 zijn al geleverd) te verbieden . A1sthom-Atlantique bouwt dezelfde rotoren in licentie van GE, en daar popelde men al om - zonder zich iets van de verboden aan te trekken - de orders over te nemen. Vanzelfsprekend werd er ook in de Verenigde Staten geprotesteerd tegen de gevolgen voor de werkgelegenheid en het verlies van mogelijke handel ter waarde van $800 miljoen. Senator Robert Michel , Republikeins 'Minority leader' heeft zich uitgesproken tegen de sancties. Daarbij speelt wel mee dat zijn staat moest opdraaien voor 80"10 van de kosten. De meeste techniek zou namelijk uit lIIinois komen, zoals de pijpleggers van Caterpillar Tractor Co., dat $100 miljoen aan de neus voorbij ziet gaan. Senator Percy, voorzitter van de 'Senate Foreign Relations

Comrnittee', eveneens tegenstander van de sancties, sprak van een verlies van tienduizenden arbeidsplaatsen naast de vele andere nadelen. Michel werd in zijn mening dat de maatregelen een 'costly failure' zijn gesteund door slechts 5 Democraten en 7 Republikeinen in de Senaat. Het is trouwens wat merkwaardig dat president Reagan, de kampioen van de vrije handel, die politiek ingrijpen in de econontie zoveel mogelijk wil inperken, zijn toevlucht tot dergelijke besluiten neemt. De betrouwbaarheid van de VS als handelspartner wordt zo volgens velen aangetast. De voorzitter van de

Van hun kant wijzen de Europese landen erop dat westerse valuta ook in het Westen weer uitgegeven worden . Bovendien is het niet in ons belang om de Oost-Europese economiëen de grond in 25


Amerikaanse Kamer van Koophandel, Richard Lesher , schreef bijvoorbeeld in juli al aan Reagan dat '... uni/ateral

at getting them to make sacrijices to combat what they portray as an extemal threat . .. ' gaf Marshal Goldman, hoog-

placement of exports controts on the shipment of goods by a foreign compony will only aggravate further our international reputation for commercial reliability ... ' Aan de protesten van zulke

leraar economie aan het Wellesley College, al op 18 maart toe. Men verwachtte dat het valutatekort van de USSR, veroorzaakt door de mislukte graanoogsten en eventueel versterkt door de noodzaak de OostEuropese (vooral Poolse) tekorten op te vangen, de Sowjet-economie kwetsbaar wu maken voor sancties. De SowjetUnie zag namelijk ook de opbrengst van goud, andere metalen en olie teruglopen door de recessie in het Westen, terwijl het een schuld van $20 miljard heeft. Maar deze voorspelling schijnt niet uit te komen (4).

gematigden wordt op het ogenblik echter niet veel gehoor gegeven.

Twijfels over effectiviteit Vooral aan deze zijde van de oceaan wordt dikwijls twijfel geuit over de effectiviteit van de sancties.

'.. . The impact of 50viet economy was not, in and of itselJ, our primary goal. Above all we seek an end to the repression of the Polish people. We are not engaged in economie warfare with 50viet Union . . . ' stelden de Amerikanen (6). Aan het laatste wordt niet door iedereen geloof gehecht (4), maar ook was het onwaarschijnlijk dat Polen tegemoet zou komen aan de drie wensen van de VS (beëindiging van de staat van beleg, vrijlating van de politieke gevangenen en herstel van de dialoog met de Kerk en Solidariteit). De maatregelen door de Poolse regering komen namelijk vooral voort uit wat zij zien als noodzakelijk om de interne orde te her· stellen, en zij worden daarin op zijn minst 'gesteund' door de USSR. Solidariteit bijvoorbeeld werd in oktober jl. opgeheven en de arbeidsonlusten zijn bepaald nog niet afgelopen, zodat op verzoening weinig kans is. De sancties lijken dus ongeschikt om hun doel te bereiken en er wordt dan ook voor gepleit (bijv. door Jerry Hough van het Brookings I1lstitute) om ze te ~indigen zodra de staat van beleg is opgeheven en verder met belofte van hulp aan andere 'encentives' te werken. Hardere maatregelen nemen wals ingebrekestelling van Polen is nutteloos omdat Polen gewoon van verdere afbetaling van zijn schuld kan afzien, waarmee de financiële druk zelfs wegvalt, en de Westerse banken en economiëen voor de gevolgen moeten opdraaien, om nog maar niet te spreken van het mogelijke 'domino-effect'.

Natuurlijk doen de Sowjets zelf hun best om het nodige te produceren, en van alle kanten wordt erkend dat zij hiertoe in staat zijn. Zij hebben ervaring genoeg met pijpleidingen en produceren hun eigen gasturbinus met een capaciteit van 10.000 kilowatt. 'Geestdriftig en

met groot verantwoordelijkheidsgevoel brengen de arbeiders en ingenieurs van de Leningradse machinefabriek 'Nevski Zavod' de productie in een stroomversnelling', w juicht de Russische pers. En er gaan verhalen dat men er geslaagde proefnemingen heeft gedaan met turbines die een capaciteit van 25.000 kw. hebben. ' . .. The 50viets ... rally

round the flag . The leadership is good 26

Vooral is echter van belang dat de steun van de bondgenoten ontbrak, en zonder die steun houdt het instellen van sancties slechts verbaal geweld in dat de nodige schade aanricht bij degene die de maatregelen neemt. Dat bleek bijvoorbeeld in 1980, toe de concurrentiepositie van Amerikaanse bedrijven op de Russische technologiemarkt zwaar werd aangetast omdat West-Europa en Japan niet van plan waren om hun uitvoer af te kappen; ook het graanembargo is een voorbeeld. West-Europese bedrijven zijn gaarne bereid de leemte die de Amerikanen achterlaten op te vullen: AlsthomAtlantique werd al eerder genoemd als concurrent van General Electrics, en het Japanse Kamachu profiteert van de afwezigheid van Caterpillar Tractor Co .. Russische 10.000 kw turbine.

De belangrijkste Europese bedrijven die getroffen werden door de sancties hebben verklaard dat zij de voorschriften niet wuden naleven. Dat kan men ze nauwelijks kwalijk nemen omdat Frankrijk, Groot-Brittannië en Italii! hun onderdanen verplicht hebben de contracten na te komen. West-Duitsland kan w'n verplichting niet opleggen, maar daar heeft de regering de bedrijven aangemoedigd de Amerikaanse verboden te negéren . De Sowjet-Unie heeft er bovendien geen twijfel over laten bestaan dat bij wanprestatie schadevergoeding zal worden geëist die er niet om liegt. De Amerikanen tenslotte waren blijkbaar voorzichtig met juridische procedures - hebben althans geen vervolging ingesteld -maar dreig wel met een zwarte lijst ( (de zg. Deniae-list, waar bijvoorbeeld Nuovo Pignone al op geplaatst is) en met hoge boetes of max. 10 jaar gevangenis. Voor de bedrijven in dit dilemma is het hemd nader dan de rok en de meeste besloten gewoon te leveren. Daarbij speelde mee dat bij schadevergoedingseisen door de USSR (die wellicht niet door de verzekering gedekt worden) dat land zelfs wnder tegenprestatie harde valuta in handen wu krijgen. De directie van Dresser I een onderneming uit Texas met een dochter in Frankrijk, vroeg als eerste een gerechtelijke uitspraak , bij het District Court in Washington.

Juridische problemen Juridisch gezien zitten er namelijk nogal wat haken en ogen aan het embargo(7). Vier dagen nadat de sancties waren aangekondigd amendeerde het Department of Commerce volgens art. 6 van de Export Administration Act (1979) een aantal Export Administration Regulations, met het doel de controle op uitvoer en heruitvoer (export vanuit Europa van goederen die uit de VS afkomstig zijn) van goederen voor de Russische gas- of olieindustrie te versterken. De Regulations eisen speciale toestemming van de VS voor 1. (Her-) uivoer - al dan niet door Amerikanen - van in de VS gefabriceerde uitrusting of delen daar van, bestemd voor de gasleiding. 2. (Her-) uitvoer van materiaal - al dan niet uit de VS afkomstig - door personen onder jurisdictie van de VS (onderdanen, personen op Amerikaans grondgebied, ondernemingen opgezet volgens Amerikaans recht, of door een van dezen gecontroleerde bedrijven). en verboden 3. uitvoer van goederen geproduceerd met Amerikaanse licentie - als een persoon onder VS jurisdictie de licentie heeft verleend of daar enig voordeel uit ontvangt, of - als in het contract opgenomen is dat de producent zich aan de Ameri-


:.<~::;~ . .:~

tA:),. t , ' i , -

'~' _,-,s _~L; L "

,"" Jo

~_

KAJAHb _...

1

JI

Een 'ortis, 's impression ' van de leidingen.

kaanse export bepalingen zal houden, of - als de know-how is verkregen na 31 december 1981. Vanaf die datum werd nametijk bij verlening een schriftelijke verklaring vereist dat men de technologie niet zou gebruiken in strijd met het Amerikaanse recht.

In beginsel geldt Amerikaans recht alleen voor personen op Amerikaans grondgebied (territorialiteitsbeginsel) en voor Amerikaanse onderdanen of ondernemingen opgezet volgens het recht van de VS (nationaliteitsbeginsel). Volgens de EEG en de Europese landen probeerde Amerika haar wetgeving op te dringen aan ondernemingen en personen waarover zij geen rechtsbevoegdheid heeft. Een naar Europees recht opgezette dochter van een Amrikaans bedrijf bijvoorbeeld, is normaliter niet onderworpen aan VS-recht. De Amerikanen kan wat dat betreft een uitspraak van hun eigen Supreme Court onder de neus gewreven worden: in de 'Sumitomozaak' weigerde de Amerikaanse rechter te erkennen dat Japan de wet wu kunnen voorschrijven aan een in de VS gevestigde duchter van een Japanse firma . Met hun verbod Amerikaanse produkten of technologie te gebruiken maken de VS het volgens sommigen wel erg bont.

'... Les biens el la lechonogie n 'onl pas de nalionalilé el iI n 'exisle en

droil inlernalional aucune règle connue qui permeI d'utiliser les biens ou la lecnologie situés à I'élranger pour juslifier I'élablissemenl d'une compélence sur les personnes qui contrólent ces biens ou celle lechnologie . .. ' (7)

Mochten er in contracten clausules opgenomen zijn waarin men zich onderwerpt aan de Amerikaanse export politiek, dan zijn die vaak in vage termen gesteld en zij rechtvaardigen zeker geen maatregelen met terugwerkende kracht, Dat wu de rechtszekerheid aantasten. 'Pacta sunt servanda' zei Reagan tenslotte zelf toen hij de graanleveranties aan de Sowjet-Unie verdedigde.

AI met al verklaarde de EEG dat de sancties niet alleen strijdig waren met het volkenrecht, door de exterritoriale werking en de terugwerkende kracht, maar de Gemeenschap wist zelfs te verdedigen dat ze Amerikaans recht geweld aandeden. De eerste uitspraak is inmiddels achter de rug: een Nederlandse rechter (de rechtbank in Den Haag) wees op 17 september jl. Amerikaanse rechtsbevoegdheid over de Nederlandse dochter van het Amerikaanse bedrijf 'Geosource' af. Gesterkt door dit alles gingen de Europese bedrijven gewoon door met de productie, en ook de levering zal nu plaatsvinden.

Kloof '.. .in spite of Ihe problems of deyeloping wilh our allies a multilaleral conIrol policy on oil and gas equipment and lechnology export 10 Ihe USSR, our own policy in Ihis area is and should nol be based enlirely on our allies' percePlions. We haye aleadership as weil as a partnership róle wilh regard to Ihe Alliance. We cannol forge consensus wilhoul laking sleps ourselyes. . . '(5) De Amerikaanse president neemt zijn 'leadership' -rol wel het meest serieus, en w werden de bondgenoten zonder voorafgaand overleg geconfronteerd met de dadendrang van een regering die zelf rustig graan verkoopt aan de verklaarde vijand. Nu is dat overigens hun goed recht. Het graan kost de Sowjets valuta in plaats van dat het hen die oplevert, en bovendien was het embargo niet effectief. Argentinië bijvoorbeeld nam de levering over. Dat kostte de USSR wel ongeveer 5'10 meer, maar het bracht ook de kans op uitbreiding van de invloed met zich mee. Wat echter vooral meespeelde was dat de regering-Reagan onder sterke druk van belangengroepen stond (de graanlobby) waarvan zij de stemmen wilde winnen . Een en ander tastte de geloofwaardigheid van het Amerikaanse bondgenootschap wel enigzins aan. Nu er een oplossing gevonden is, zien we de af-

stand tussen de VS en Europa weer iets kleiner worden, maar ook in de Verenigde Staten ergert men zich wel aan de koppigheid van de Europeanen.

Compromis Nu is er verbetering in de situatie gekomen waarbij tegemoet gekomen tijkt te zijn aan de bezwaren van beide zijde. Amerika wu afzien van het opleggen van haar maatregelen aan naar Europees of Japans recht opgerichte en in Europa of Japan gevestigde bedrijven, en aan niet-Amerikaanse firma's die technologie en materiaal uit de VS gebruiken (voor wver die althans niet zelf overeengekomen zijn zich te onderwerpen aan maatregelen op grond van de Export Administrations Act). Daar wuden dan van de kant van Europa drie punten tegenover kunnen staan, voor zover die al niet verwezenlijkt zijn: - Europese landen wuden de afspraken inzake beperking van technologie en kredietverlening nakomen . - Tenslotte kan Europa, om de vrees voor teveel afhankelijkheid wat te beperken toezeggingen doen de gasreserves van Nederland en Noorwegen toeganketijk te maken - voor zover ze dat al niet zijn - om in geval van nood onmiddelijk bij te kunnen springen . Ook de opslagcapaciteit (nu 3 lOt 6% van de jaartijkse consumptie) zou vergroot kunnen worden. Om eventueel bedreigde gebieden (Beieren bijv.) direct te kunnen voorzien van gas is het dan wel nodig de capaciteit van het noord-zuid lopend gasnet waarop de Nederlandse en Noorse velden zijn aangesloten - te vergroten, en dat beter aan te sluiten op het oost-west lopende net, dat bepaalde gebieden van Russisch gas voorziet. Ook kan Europa toezeggen de hoeveelheid Siberisch gas te beperken tot 26 miljard m ' per jaar, hetgeen toch al in de tijn der verwachtingen ligt (in 1981 daalde de vraag naar gas met 4%). Dan wu er ook maar een enkele leiding nodig zijn in plaats van een dubbele en kan het gebruik van compressoren uit de VS teruggebracht worden. 27


Interdependentie Het meest problematisch is echter de oplossing op lange termijn. De bondgenoten moeten een evenwicht vinden tussen de botsende opvattingen over de Oost-West verhouding waarvan de VS nu vooral de veiJigheidskant benadrukken en Europa en Japan vooral ook aandacht willen geven aan de economische aspecten.

'. .. Hoe meer we de Russen betrekken in een gecompliceerd net van handelsbetrekkingen, des te meer belang krijgen zij bij het bewaren van de vrede. .. ' w verwoordde Nixon onlangs nog (8) het belangrijkste voordeel dat wederzijdse afhankelijkheid tussen Oost- en West met zich meebrengt. Handel over en weer geeft daarnaast beide partijen inzicht en begrip voor elkaars standpunten, en w kan de handel hét instrument voor vreedzame verandering in het Oostblok zijn. Tenslotte kunnen handelscontacten de mogelijkheid openen voor overeenkomsten op velerlei gebieden, wals ook SALT I tot stand kwam bij de gratie van het besluiten van handelsakkoorden tussen de VS en de USSR. De Russen hebben echter w hun twijfels bij het tweede punt, en de Amerikanen wijzen niet alleen op de zich wijzigende economische context (de SowjetUnie wu een overschot op haar handelsbalans ontwikkelen) maar ook op de recente gebeurtenissen. De feiten lijken dan de voorstanders van de interpendentietheorie geen gelijk te geven: In Afghanistan werd geïntervenieerd, in Afrika (Angola, Ethiopië) inmtreren de Russen, Polen leggen zij hun wil op en in de wapenrace zijn de Sowjets onvermoeibare marathonlopers, ongehinderd door omstanders of supporters. Zou de theorie dan niet opgaan? Binnen de USSR is de invloed van belangengroepen op economisch gebied vrij gering. Dit is een van de oorzaken

Schmidt

waarom de handelsbetrekkingen niet goed als een rem op buitenlandse avonturen werkten. Maar er is kans op dat het systeem steeds minder 'monolytisch' wordt (I) en een groter belang van de buitenlandse handel zal dat zeker bevorderen. Ook was de economische afhankelijkheid van het Westen minder belangrijk dan wel werd gedacht, en de Sowjets schijnen teleurgesteld te zijn over de goede invloed op hun economie die zij met name van de technologie verwachtten. Maar misschien is hier eveneens kans op verandering: ondanks alle problemen ziet het ernaar uit dat de handel blijft groeien. Dat economische interdependentie wel degelijk invloed heeft op de buitenlandse politiek blijkt bijvoorbeeld uit de houding van West-Duitsland in het gasleidingconflict, of uit de politiek van de Oost-Europese landen. Die proberen te voorkomen dat de internationaalpolitieke spanningen hun economiëen verder ondermijnen terwijl zij de USSR erop wijzen dat de kans op interne politieke problemen toeneemt als het met de economie slecht gaat. Hieruit blijkt mijns inziens overigens dat erop gelet moet worden dat de interdependentie niet wonevenwichtig is dat het bondgenootschap uit elkaar getrokken wordt. Ook de VS wuden wat meer aandacht kunnen besteden aan de voordelen van de handel met de Sowjet-

Unie. In dat opzicht zijn de graanleveranties bijvoorbeeld zeker niet nadelig. Amerika zou dan wel haar neiging wat moeten temperen om economische sancties in te stellen voor de verwezenlijking van korte ternûjn doelen, en die vervolgens om reden van interne politiek weer af te gelasten. Tenslotte mag echter Europa de voorzichtigheid niet uit het oog verliezen: wanneer het ene blok een machtspolitiek voert en het andere bereid zou zijn zich kwetsbaar op te stellen terwille van de wereldvrede dan kan dat onaangename gevolgen hebben voor diezelfde wereldvrede. noten I. JASON-magazine 1982 nr . 2, 'Russische buitenlandse politiek' p. 18-23.

2.

Weekly Compilation of Presidential Docu-

ments, 21 juni 1982.

3.

Vrij Nederland, 16 oktober 1982.

4.

HeraId Tribune, 18 maan 1982, p. 6.

5.

Department of State Bulletin , april 1982, p.

72-73. 6. Oepanment of State Bulletin, september 1982. p. 38.

7. Zie vooral de EEG-nota van 12 augustus 1982, 111/ 1538/ 82. 8.

NRC-Handelsblad, 25 en 26 augustus 1982.

Het aan het oosten gekoppelde gasnet.

28


Cuba in Latijns-Amerika 11

De witte banen van de Cubaanse vlag beelden de zuiverheid der doelstellingen van de revolutie uit; de drie blauwe banen geven de drie gebieden aan waarin Cuba was onderverdeeld ten tijde van het ontwerpen van de vlag (deze vlag is gebaseerd op de voorloper uit juni 1849). Een onafhankelijkheidsster staat op de driehoek · een vrijmetselaarssymboo/ - waarvan de rode kleur de herinne-

ringen oproept aan de bloedige strijd, die het volk moest leveren om de onafhankelijk-

heid te verwerven en te behouden. (bron: Spectrum Vlaggenboek)

voorlichting aan bij de opleiding van guerrillagroepen . De Russische invloed op het eiland groeide. Geregeld deden SowjetRussische vlooteenheden Havanna aan en onderzocht werd of de haven van Cienfuegos aan de zuidzijde van het eiland kon worden ingericht als duikbootbasis. Onder Amerikaanse druk op Moskou werd daarvan afgezien, al kunnen er uiteraard nog wel onderzeeërs aanleggen en bunkeren. Op verzoek van de MPLA bood Castro de onafhankelijkheid van Angola militaire hulptroepen aan, die yia Guinée eerst door Cubaanse en later door Sowjet-Russische vliegtuigen naar hun bestemming werden vervoerd . Zoals bekend breidde de Cubaanse presentie in Afrika zich uit tot Ethiopië (1978). Hoewel deze troepen in eerste instantie

dienden tot steun van de desbetreffende regeringen en dan ook rond de hoofdsteden in reserve werden gehouden, zijn zij geleidelijk ingeschakeld bij de strijd tegen buitenlandse tegenstanders (ZuidAfrikanen in Angola, Somaliërs in Ethiopië). Naar ik heb begrepen trekt Cuba

fmanciële revenuen uit haar militaire hulp aan die landen . De Sowjet-Unie verzorgt nog steeds de materiële uitrusting (wapens, explosieven, transponntiddelen). Onderstreept dient te worden dat de Cubaanse hulp zich ook uitstrekt tot gezondheidszorg, organisatie van onderwijs, soms wegenbouw - hij is dus

niet uitsluitend militair. Reeds de reizen van Guevara naar Afrika in 1964 en 1965 hadden de belangstelling getoond die vooraanstaande revolutionairen op Cuba voor de mogelijkheid van navenante omwentelingen op dat

Cuba in Latijns-Amerika 1I Het mislukken van de boerenopstand in Bolivia in 1967, waarbij Guevara werd uitgeschakeld, was aanleiding voor Castro om zijn streven naar gewelddadige omwentelingen in L.A. op een laag pitje te zetten . Het werd ook hoog tijd om zich op de ontwikkeling van de eigen economie te concentreren. Technici uit de DDR, Polen en Tsjechoslowakije deden hun intrede om lokale industrieën op te zetten en bestaande te moderniseren. Gestreefd werd naar grotere mechanisatie van de suikeroogst, naar uitbreiding van de rijstcultuur en de koffieproductie door het invoeren

van nieuwe rassen; de zeevisserij werd op zulk een schaal gebracht dat expon (o.a. naar Frankrijk en Spanje) kon groeien, hetgeen eveneens het geval was met de cultuur van ananas en grapefruit op het lsla de Pinos (onder technische leiding van een (sraeli). Toch bleef de aandacht ook gericht op het buitenland: de communistische panij van Cbili werd via Havanna van linanci~le steun voorzien voor haar verkiezingscampagne in 1970, en ter gelegenheid van verkiezingen in Uruguay bood Castro aan om eventueel massaverzet tegen oneerlijke praktijken die de oligarchie zouden bevoordelen, militair te steunen. Intussen groeide de belangstelling bij de Cubaanse Regering voor de progressieve beweging in Afrika . Technici werden uitgezonden naar Guinée-Bissau en Kongo-Brazzaville (in later jaren zou de paleiswacht van de president er uit louter Cubaanse militairen bestaan!). Vertegenwoordigers van de MPLA (Angola), de ZANU en de ZAPU (Rhodesië) kwamen naar Havanna om hulp te zoeken voor de ontwikkeling van landbouw en kleinbedrijf in hun landen, en Castro bood zelfs Lybië, Syrië en Zuid-Jemen 29


continent hadden; de daarop gevolgde banden met Cuba als boven weergegeven zijn dan ook niet in de eerste plaats toe te schrijven aan invloeden vanuit de Sowjet-Unie. Uiteraard heeft deze er gebruik van gemaakt, er logistieke steun aan gegeven en er de voordelen voor haar eigen politiek tot ondergraving van westerse belangen van ingezien. Hetzelfde geldt voor het optreden van Cuba en de Sowjet-Unie in Latijns-Amerika: wlang de S. U. daar streefde naar het aangaan en doen functioneren van normale diplomatieke en commerciële betrekkingen, gaf Cuba geen steun aan castristische bewegingen. De lokale, op Moskou gerichte, communistische partijen hielden zich aan die tactiek, vandaar dat gewelddadige pogingen tot omverwerping van regeringen niet van de PC's uitgingen. Het voorbeeld van de Cubaanse revolutie vond meestal meer weerklank bij studenten en jonge middenstanders dan bij arbeiders of dagloners in de landbouw. Sinds 1970 zijn Cubaanse invloeden het duidelijkst te zien geweest in Chili, Nicaragua, El Salvador , Grenada, waaromtrent hieronder enige gegevens.

een marxistisch-leninistische dictatuur en werd door Cuba en Noord-Korea van

wapens en instructeurs voorzien . Toen Allende eind 1972, begin 1973 het afdrijven naar een dictatuur van de hem steunende partijen niet meer in de hand bleek te hebben - hij bracht in die tijd ook een officieel bezoek aan Cuba grepen de militairen met steun der beide burgerlijke partijen in. Op 11 september 1973 werd de regering, op instigatie van de marine, omvergeworpen. Allende

pleegde in het reseringspaleis, 'Moneda', zelfmoord na een luchtaanval. Een militaire junta onder leiding van Generaal Pinochet nam de leiding van het land over. De berrekkingen met Cuba werden verbroken - bij de ontmanteling der Cubaanse ambassade kwamen grote wapenvoorraden te voorschijn. In Cuba werd onmiddelijk aangenomen dat de V.S. een actieve rol bij het voorbereiden van de staatsgreep hadden gespeeld, zodat het antiamerikanisme er een impuls bij kreeg (Kissinger spreekt in zijn memoires deelneming van de zijde der Amerikaanse Regering tegen).

Nicaragua

Chili Bij de presidentsverkiezingen van 4 september 1970 verkregen de communistische partij (PCCh) en de socialistische partij (PS), verenigd in de Coalición de Union Popular , ruim 36"70 der uitgebrachte stemmen. Dit was wveel meer dan de beide andere partijen (Democracia Christiana en Partido Nacionalista) verkregen, dat de CUP candidaat, Salvador Allende Goossens, op 24 october door het Congres tOl president moest worden uitgeroepen. Allende was socialist, hij vormde een regering met steun van de PCCh, de PS en vele kleine socialistische partijen, maar hij was in principe voorstander van een pluralistisch functioneren van de binnenlandse politiek. Dat hij geleidelijk mee moest met de steeds stringentere marxistischleninistische eisen van de linkse partijen, waaraan hij toch een met zijn beginselen overeenstemmende leiding trachtte te geven, leidde tot zijn val in 1973. Intussen werden direct na zijn benoeming tot president de diplomatieke betrekkingen met Cuba - verbroken in 1962 - hersteld en over en weer am bassades geopend. De Cubaanse telde al spoedig 150 man diplomatiek, administratief en militair personeel. In november 1971 bracht Castro een officieel bezoek aan Chili van bijna een maand, waarbij door de aan het bewind zijnde partijen de Castristen naar voren werden gehaald uiteraard met hulp van Fïdel zelf. Buiten de Union Popular was een nog meer links-gerichte beweging actief, de Movirniento de la lzquierdista Revolucionaria (M1R), die over een groeiend aantal gewapende guerrillagroepen beschikte. Zij zette zich in voor

30

In 1961 stichtte de student Carlos Amador het Frente Sandinista de Liberación Nacional (FSLN) - Sandinista naar Augusto César Sandino, guerrillaleider tegen de V.S. tussen 1929 en 1933 - met het doel gewapend verzet te voeren tegen het bewind van president Somoza en zijn familie, naar het voorbeeld van Castro's M2617. Na verblijf in Cuba en de S.U. maakte hij het marxistischleninisme tot richtlijn van de Frente. In 1976 sneuvelde hij in een actie tegen regeringstroepen, waarna de FSLN zich in drie takken splitste; één daarvan wcht samenwerking met buiten het Frente staande burgerlijke partijen, zodat zich een steeds bredere oppositie tegen het oligarchisch-dictatoriale bewind van Somoza kon vormen. In maart 1979 werd de eenheid tussen de drie takken hersteld, naar beweerd wordt door bemiddeling van Castro, opdat de zich ontwikkelende burgeroorlog tot een snel einde kon worden gebracht. Vanuit Costa Rica en Honduras opereerden guerrillatroepen, die bij noodzaak tot vluchten over de grenzen dier buurlanden konden trekken. Via Panama kwamen Cubaanse wapenstransporten het land binnen, terwijl in San José een clandestiene inlichtingenpost van de Cubanen werkzaam was. Vakbonden en de R.K. kerk steunden de burgerbeweging tegen Somoza, in de veronderstelling dat na diens val de gehele oppositie, dus niet alleen de FSLN, bij de vorming van een nieuwe regering wu worden betrokken. Op 19 juli 1979 vluchtte de familie Somoza met haar medestanders naar het buitenland (Somoza kreeg asiel in Paraguay waar hij een jaar later werd

vermoord) en namen de Sandinistas de macht over. Politie en strijdkrachten werden onder sandinistische leiding gereorganiseerd. Naar Cubaans voorbeeld werden Comités de Defensa Sandinista opgericht om toezicht op de bevolking te houden en werd een 'Central Sandinista de Trabajadores' (vakcentrale) in het leven geroepen. Cuba wnd hulp in de vorm van medisch personeel, onder-

wijzers en militaire instructeurs, in totaal ongeveer 4000 man (1981). Geheel tegen de opzet van de burgerlijke partijen en de kerk werden geen democratische groeperingen bij de reorganisa-

tie van staatsbestuur en provincies ingeschakeld, integendeel, wanneer zij bezwaar maakten tegen het unilaterale optreden der Sandinistas werden hun organisaties verboden, zelfs met geweld bedwongen. Op grond van daartoe aangegane verdragen krijgt Nicaragua economische en technische steun van de S.U., de DDR en Bulgarije (landbouw, transport, telecommunicatie, graaninvoer). De FSLN onderhoudt betrekkingen met de communistische partij (pCSU), maar dit wil niet zeggen dal de regering een rigide communistisch bewind voert. Voor wat betreft de economie richtte men zich o.a. op advies van Cuba, niet onmiddellijk op onteigening van buitenlandse industrieën en evenmin op grootscheepse nationalisatie van de landbouw.

El Salvador Kort na de val van Somoza in Nicaragua richtte de Cubaanse hulp aan linksgeörienteerde guerrillagroepen zich op El Salvador , waar de reeds enige tijd gevolgde politiek van landhervorming ten behoeve van kleinere boeren maar zeer ten dele kon worden uitgevoerd als gevolg van lijdelijk en soms gewelddadig verzet van sommige grootgrondbezitters. Vorming van een centrumregering (eind 1972) bracht weinig verbetering in deze toestand, aangezien geheime politie en regeringsinlichtingendiensten dikwijls voldoende macht bleken te hebben om uitvoering van regeringsmaatregelen te dwarsbomen. Cuba trachtte dan ook de verdeelde oppositie tot samenwerking te brengen teneinde meer druk op de regering te kunnen uitoefenen. In december 1979 kwam (te Havanna) een coalitie tOl stand waartoe zelfs de communistische partij van El Salvador (PCES), ondanks haar gebruikelijke bezwaren tegen gewelddadig optreden, loetrad alsmede later de 'Ejercito Revolucionario del Pueblo' (ERP). Via Honduras, Costa Rica en Nicaragua werden inlichtingen, instructies en wapens voor de guerrillastrijd het land binnengesmokkeld. Er doken Cubaanse instructeurs op voor de opleiding van verzetslieden meI het oog op een "eindoffensief' dat tot overneming van de macht der centrumregering moest leiden. Volgens Amerikaanse bronnen kwam


enige financiële steun uit Irak, terwijl eveneens Salvadoraanse guerrilleros door de PLO in het Midden Oosten wuden zijn opgeleid. Via op Havanna g~b~rde internationale studentenorgarusatles wordt morele en financiële steun voor Salvadoraanse verzetsgroepen gezocht en tegen een eventuele Amerikaanse politiek van interventie geageerd. Onder arbeiders en boeren kon de verzetsbeweging nog niet op grote steun rekenen, aangezien deze hun eigendommen meer schade toebracht dan aanleiding gaf tot verbetering van de omstandigheden, De Regering streeft sinds 1980

een ruime landhervorming na ten voordele van de kleine boerenstand. Vandaar ook de mislukking van het "eindoffensier' Ganuari 1981) dat door het leger, w nder militaire steun der V.S., kon worden onderdrukt. Wel hielden de guerrilleros grensgebieden met Honduras alsmede een vulkaangebied in handen maar van een ware volksopstand lijkt' nog geen sprake te zijn. Uiteraard blijft Cuba ook nu nog de guerrillagroepen steunen met wapens, financiën en instructeurs, alsmede met propagandistische radio-uitzendingen, die door Tass en Oost-Europese zenders getrouw worden overgenomen.

Grenada Na de afhankelijkheid te hebben verkregen in 1974 werd Grenada op dictatoriale wijze geregeerd door Sir Eric Gairy, die zich o.m. handhaafde met hulp van een dikwijls wreed optredende geheime politie. In 1979 werd hij verjaag~ door de voornaamste oppositiepartIj, de New JEWEL (Joint Endeavour for Welfare, Education and Liberation) Movement, gesteund door allen die, hoewel met verschillende politieke opvattmgen, het corrupte bewind van Gairy verafschuwden. De nieuwe regering, onder leiding van Maurice Bishop, volgt een marXIstisch-leninistische politlek, hetgeen leidde tot een goed contact met Cuba. Dit bouwt er nu naast de hoofdstad , St. Georges, een internationaal. vliegveld ter bevordering van het toensme, doch ongetwijfeld ook nuttig voor de transatlantische vluchten van Cuba naar Angola. Het leger (1<XXl man) .wordt getraind en van wapens voorZIen door Cuba; het installeerde luchtafweergeschut rond de hoofdstad maar geeft ook hulp op het gebied v";' gewndheidswrg en onderwijs. Op de eilanden in de buurt Barbados

St. Vincent en de Grenadin~s,' schijnt '

Cuba had enkele jaren hel vool7.i/lerschap van de Groep va

77 d

verweten desondanks enige parlüdigheid aan Fidel Cosfro (:; d'

1979, met dank aan Jos Collignon

e

m~-gebo.nden landen, .

r er ver5C enen

In

nog geen actieve Cubaanse invloed te bespeuren te zijn, evenmin op Trinidad en Tobago, al trachten Cubaanse universiteiten wel enig vat op studenten uit deze omgeving te krijgen door het uitloven van studiebeurzen. Het te~ Noorden van St. Vincent gelegen eiland St. Lucia heeft na de verklari~g van .onafhankelijkheid (1979) een linksgenchte regering gekregen, die onmiddellijk diplomatieke betrekkingen met Cuba aanging. Directe Cubaanse invloed wu er nu nog niet merkbaar zijn. Zulks is ook nog niet het geval op de naastbijzijnde Franse eilanden Martinique en Guadeloupe, die als "départe-

ment d'outre-mer" rechtstreeks vanuit Parijs worden beheerd.

Jamaica Met Jamaica had Cuba direct na het aan de macht komen van Castro uitstekende betrekkingen, gezien de socialistische instelling van Eerste Minister Michael MarIley. Cuba verleende technische hulp, trainde de politie en verschafte de n.odi~e wapens, maar buitte zijn goodwill bIJ MarIley niet uit. Toen deze als gevolg van desastreuze economische ontwikkelingen in 1979 bij de verkiezin-

en sommige

NRC- Hondelsblad. 5-9-

31


gen werd verslagen en zijn opvolger, Edward Seaga, een meer op free enterprise gerichte politiek begon te volgen, moesten de Cubanen zich meer en meer terugtrekken. Cubaanse wapenzendingen werden onderschept en tenslotte verbrak Jamaica de diplomatieke betrekkingen onder beschuldiging van Cuba's actieve steun aan anti-regeringsgezinde guerrillagroepen.

Porto Rico De binnenlandse politieke strijd op dit eiland gaat steeds tussen aanhangers van volledige onafhankelijkheid, waaronder de communistische partij, en voorstanders van invoeging in het statensysteem der V.S. De communistische partij (PC) krijgt financi毛le steun uit Havanna. Met communistisch-ingestelde groepen in de Dominicaanse Republiek houdt Castro contact, zelfs vinden er wel landingen van Cubaanse "vrijheidsstrijders" op het eiland plaats, doch veel betekenis heeft dit op het ogenblik niet. Met Guyana onderhoudt Cuba goede betrekkingen, maar meer dan een passieve invloed onder studenten en de middenstand was er tot voor kort eigenlijk niet merkbaar.

32

Leidende miliatairen in het sinds 1975 onafhankelijke Suriname houden de politieke en economische ontwikkelingen op Cuba wel in het oog als voorbeeld voor eigen doelstellingen, maar er rouden (nog?) geen tekenen zijn van directe van Havanna uitgaande, be茂nvloeding. In Frans Guyana krijgt het Castrisme geen kans, onder meer als gevolg van de plaatselijke economische politiek die het overgrote deel van de bevolking wel tevreden schijnt te stellen. Ook in het Caralbisch gebied blijft het Castrisme, d.w.z. het gewelddadig streven naar de macht teneinde een socialistisch bewind te kunnen veStigen, zijn aantrekkingskracht behouden, vooral door de verwachting dat daaruit betere levensomstandigheden voor aUe bevolkingsleden kunnen voortvloeien. De steun die Cuba er aan geeft is voorzichtig en groeit geleidelijk indien de ontwikkelingen ter plaatse een goede kans

op succes vertonen. Het gevaarlijke element is de invloed die de S.U. er, achter Cuba, kan krijgen en het is dan ook volkomen te begrijpen dat de V.S. op aUe bewegingen der Cubanen een waakzaam oog houdt en de aandacht op die activiteiten vestigt.

Naarmate de invloed der S.U. er groeit kan de beheersing van de Atlantische Ooeaan door de N.A.V.O., ro belangrijk O.m . voor West Europa, er door worden benadeeld. Geraadpleegde literatuur: Otili's Marxist Experiment , Robert Moss; Les Guerilleros au pouvoir , K .S. Karol; Memoires van J(jssinger. eerste deel; Prisma (Cuba); artikelen van Jarge L. Dominguez, Donald E. Schulz, Robert Lindner, Jiri Valenta, Gordon

Conell-Smilh, alsmede een publicatie van het [nstilute ror study of conflict (London), en van het

State Department Bull. augustus 1982 p. 73ev (Washington) . .. . uit JASON-magazlne Is toegestaan na schriftelijke toestemming van de redaktie te hebben verl<regen en onder vermelding van de auteur, het nummer waaruit het artikel afkomstig Is, the thema van dat nummer en het adres van de stichting JASON. De bronvermelding kan derhalve naar het volgende voorbeeld gemodelleerd: "Onderstaand artikel van de hand van (auteur) Is overgenomen uit JASON路 magazine van april/mei 1979, dat gewijd is aan het thema "In vredesnaam de NAVO'. JASON路magazine is het tweemaandelijkse tijschrift van de stichting JASON van Stolkweg 10, Den Haag".


Een korte schets

van JASON o betekent Jong Atlantisch Samenwerkings Orgaan Nederland; o is in 1975 opgericht door een groep jongeren; o is niet gebonden aan enige politieke of maatschappelijke groep~ring ; o bestudeert internationale vraagstuk-

ken; o organiseert lezingen, conferenties en cursussen; o geeft het tweemaandelijkse blad JASON-magazine uit dat iedere keer aan een speciaal thema is gewijd; o

is een stichting waarin zitting hebben jongeren tot 35 jaar. Wilt II meer weten:

-

mijn in verbinding te stellen met de redactie.

studie-weekends, lezingen en congressen te organiseren,

Degenen die geinteresseerd zijn in de redactie of eindredactie van JASONmagazine of in het bestuur, kunnen contact opnemen met Maurits Dolmans, telefonisch bereikbaar op 071 - 1304 05, Steenstraat 29, 2312 6T Leiden, of het secretariaat van JASON .

JASON is in november 1975 opgericht door een groep jongeren (studenten en werkenden in de vrije beroepen, bij het bedrijfsleven en bij d.e overheid) die hun belangstelling voor Atlantische en OostWest vraagstukken gemeenschappelijk hebben. Zij vertegenwoordigen een breed scala van politieke stromingen. JASON richt zich in de eerste plaats tot jongeren; maar ook zeer vele anderen zijn adherent van de Stichting of abonnee van JASON-Magazine. In het blad, bij conferenties en lezingen, kortom bij alle aktiviteiten van JASON worden vele (veelal tegengestelde) opvattingen over bepaalde onderwerpen geprese~teerd . Hierdoor wordt beoogd bij de lezers en geïnteresseerden belangstelling te kweken voor en hen te stimuleren tot eigen oordeelsvorming over deze onderwerpen.

STICHTING JASON VAN STOLKWEG 10, 2585 JP DEN HAAG TELEFOON 070 - 52 28 SO

overname van artlkelen ___ _

JASON-Magine laat in ieder nummer een afgerond thema de revue passeren en vult dit aan met kritische verslagen van conferenties en andere onderwerpen die van belang zijn. In beginsel staat het voor iedereen open ' ~ bijdragen aan het blad te leveren en deel te nemen aan conferen.ties en bij-, eenkomsten van de Stichting.

Doelstellingen De Stichting Jong Atlantisch Samenwerkings Orgaan Nederland is een studie-organisatie die zich toelegt op het verschaffen van informatie over de Atlantische vraagstukken, Oost-West samenwerking en andere mondiale problemen. Dit doet zij door: - zes maal per jaar een blad uit te geven ("JASON-Magazine")

... uit JASON-magazine is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming van de redactie te hebben verkregen en onder vermelding van de auteur, het nummer waaruit het artikel afkomstig is, het thema van dat nummer en het adres van de stichting JASON. De bronvermelding dient derhalve naar het volgende voorbeeld te zijn gemodelleerd: " Onderstaand artikel van de hand van (auteu~ is overgenomen uit JASONmagazine van april/mei 1979, dat gewijd is aan het thema 'In vredesnaam de NAVO'. JASON-magazine is het tweemaandelijkse tijdschrift van de stichting JASON Van Solkweg 10, Den Haag",

Degenen die, door het schrijven van een artikel of het geven van suggesties, denken een bijdrage aan toekomstige nummers te kunnen leveren , worden van harte aangespoord zich op korte ter-

INDEX JASON-MACAZINE 1981 strIpnummer en Conferentieverslag (1980, nr_ 6 / nr_1) J van de Velde

c.A.

van der Klaauw

P J Teunissen

S.lP. van Campen H van den Bergn J P. Huner

Stripverhalen en Kernbewapening Détente: geen illusiepoli l iek Ontspann ing al s inzet van wedi jver tussen Oosl en West Het vermeende leiderschap van de Verenigde Staten Oe rangorde in het ontspanningsproces Eindelijk: een verdrag over dubieuze wapens

Nederlandse verkiezingen en Buitenlandse politiek (nr_2) G.M. de Vries A. Stemmerdmk D.K J Trommel A M. Oost/ander A. Ploeg Or James Doughe. I

Kamer en Buitenlands Bele id: consensus ol controverse? Verkiezingsprogramma PvdA 0 '66 en de buiten landse politiek Vrede, veiligheid en samenwerk ing in het COA.programma Eenheid in de VVO A letter trom a transaUantic frlend

Spanje: een Nankele democratie (nr_ 3)

K V.A. van $prOf/sen

Oe historische betrekkingen tussen Nederl ~ nd en Spanje Oe laatste jaren van het Franquisme Naar een democratie zonder adjectieven '.Jna democracia vigi lada: Spanje na de straat· , eep L'., bui tenlandse 'lOlitiek van het "nieuwe"

F. CarrasQuer

De r:ationalismen

JA. FortUin L.5. Egas y Tf/go e. M, Niglen PJ.C. Mulder

S~;"> nje

bir~r ~ 'n

de Spaanse natie

Zuidelijk Afrika: een regiO apa", Irtr_ 4) K Maartense

S. Bosgra G. W;oen P. Ternal MA Cageling

Oe brandhaard Zuidelljr. "fl ka Oppositie in Zuid-Afrika Over constitutionele ontwilo'l(ell"gen Bu itenl ands kapitaal en Zu " Afrika Het militai r-strategisch belan" 'Jan Zuidelijk Alrika

M H L. Breman en W. van Haaien

Zuid·Alrika's bewapen ing : nucleair en conventioneel

Een2ijdlge ontwapening: Voorbeeld of Waanbeeld (nr 5) W. F. van Eeke/en H Vrede/lOg

M. J Faber M van der Stoel M. F Le Coultre

Vervlechting bewapening en wapenbeheersing wenselijk en mogelijk Een Europese Kernmacht: het middel erger dan de kwaal Grote mogendheden weinig belang bij ontwapening en ontspanning Oe Rol van Nederland bij de kernontwapening Poll tÎ,i!ke Aff iches

De West-West relatie: partners In Dilemma (nr_6 / 1982, nr_1) A. Lammers

Amerika en Europa en de frustraties der geschiedenis

F.A M Altmg van

Geusau

C.D de Jong H A. Schaper J.O. Blaauw R. ter Beek

Wilt co-operation endure? The future ol European-American relatlons Kunnen econom ische tegenstellingen de NAVO ondermijnen? Een crisis in de verhouding Verenigde StatenWest·Europa? W.-Europa: teleurstell ing en waakzaamheid Naar een zelfstandiger Westeuropese politiek

J S L. GuallMf/e van WeezeI

Onder hetzelfde dak, maar niet eten uit dezelf· de ru if Interview met de Amerikaanse ambassadeur in Nederland, WI/llam J Oyess

Minl-JASON K.A. NederlofIJ. van de Velde G. W. F. Vrgeveno

Internation·simulation: opzet van een si mula· tiespel (nr. 5) Eenzijdige Ontwapening : voorbeeld ol waanbeeld? (nr. 6)

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1982), jaargang 07 nummer 5  

Jason magazine (1982), jaargang 07 nummer 5  

Advertisement