Page 1

MAGAZINE

Se JAARGANG NR.3

Spanje, een wankele democratie

].A. Fortuin De historische betrekkingen tussen Nederland en Spanje

.................................. p. 2

L.S. Egas y Trigo De laatste jaren van het Franquisme ............. p. 5 C.M. Nigten Naar een democratie zonder adjectieven ......... p. 10 PJ. Mulder Una democracia vigilada: Spanje na de "staatsgreep" .................... p. 15 K. V.A. van Spronsen De buitenlandse politiek van het "nieuwe" Spanje . p. 17 F. Carrasquer De "nationalismen" binnen de Spaanse natie ..... p. 22


)ASON-magazine Secretariaat en Redactie:

Redactie JASON-magazine

Van Stolkweg 10, 2585 JP DEN HAAG Telefoon: 070-545988 (maandag en dinsdag) Postgiro: 3561025 Bank: 45.68.55.548 (AMRO-Bank te Scheveningen)

Hoofdredacteur Redactieleden

lay-out

: Maurits Dolmans : Hans Fortuin Peter Mulder Kees Nederlof Gert Timmerman Guldo Vlgeveno : Anke Baljet-Peters

Abonnementsprijzen: 1 20,- per jaar (6nummers, behoudens verschijning van een dubbelnummer). Jongeren tot 20 jaar : 115,- .

Adherenten van de Stichting JASON: Minimaal 1 10,- per jaar boven de abonnementsprijs op JAS ON-magazine. Jongeren tot 20 jaar: minimaaI15,-. Adherenten krijgen naast het blad tevens andere publikaties en mededelingen van de Stichting toegezonden.

Het volgende nummer zal als thema Zuidelijk Afrika hebben, een regio van groot belang in de internationale politiek om zijn militair-strategische ligging, de conflicten tussen Zuid-Afrika en de omliggende landen, de bemoeienis van de VN etc.

Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarne verstrekt door de penningmeester van de Stichting. De in dit blad uitgesproken meningen blijven geheel en al voor rekening van de betrokken auteur.

Degenen die gel'ntereHeerd zijn in redactie ol eindredactie van JASON-magazine ol in een lunctie in het beltuur, kunnen contact opnemen met Maurits Dolmans, telelonisch bereikbaar op 071-130405, Steenstraat 29,2312 BT Laiden

Dagelijks Bestuur Voorzitter Secretaris Penningmeester Hoofdred. JASON路magazine Leden

Degenen die, door het schrijven van een artikel ol het geven van suggesties, denken een bijdrage aan bovengenoemde toekomstige nummers te kunnen leveren, worden van harte aangespoord zich op korte termijn in verbinding te stellen met de redactie.

: Winfried van den Muljsenbergh : Bert van BarIIngen : Marianne van der Meulen : Maurits Dolmans : Nanette Neuwahl Micha盲l Coppes Rob Knuist

Overname van artikelen ... Algemeen Bestuur

Raad van Advies

L. Aaien

dr. W.F. van EekeJen (voorz.) H.J.M. Aben H. GabrU~ls mevr. dr. AM .C.Th. van HeelKasteel e.c. van den Heuvel dr. l.G.M. Jaquet

drs. A.F. van Leeuwen

drs. P.J.C. Mulder mr. l. Narralna drs. K.A. Nederlof R.D. Praaning drs. M. Roemers drs. E.J. van Vloten drs. A. Scholten drs. M.I. Spangenberg~Carller J. Tammenons Bakker M. Verwey drs. G.W.F. Vigeveno leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leden van het Algemeen Bestuur

. .. uit JASON-magazine is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming van de redactie te hebben verkregen en onder vermelding van de auteur, het nummer waaruit het artikel afkomstig is, het thema van dat nummer en het adres van de stichting JASON. De bronvermelding dient derhalve naar het volgende voorbeeld te zijn gemodelleerd : "Onderstaand artikel van de hand van (auteur) is overgenomen uit JASON-magazine van april/mei 1979, dat gewijd is aan het thema " In vredesnaam de NAVO". JASON-magazine is het tweemaandelijkse tijdschrift van de stichting JASON, gevestigd Van Stolkweg 10, Den Haag."


Redactioneel

Spanje, een land dat bij menigeen soms niet veel andere gedachten lijkt op te roepen dan stieregevechten, volle toeristische stranden en dolle vakantiepret, mag zich de laatste tijd verheugen in het centrum van de mondiale belangstelling te staan. Dit is niet in de laatste plaats te danken aan het feit dat Spanje zich momenteel geplaatst ziet voor een scala van politieke en maatschappelijke problemen, die een macaber hoogtepunt vonden in de mislukte coup van februari jl. Deze poging tot staatsgreep onder leiding van overste Tejero Molino, een gebeurtenis die niet los is te zien van de politieke erfenis van 40 jaar Franco-dictatuur, mag dan weliswaar op het nippertje zijn verijdeld, dit neemt niet weg dat de voor Spanje broodnodige interne stabiliteit door dit militaire avontuur de laatste maanden zwaar op de proef is gesteld. Als achtergrond dient men in dit verband tevens de uitdaging van de prille Spaanse democratie te zien door de voortwoekerende sociaal-economische malaise, de drang tot plaatselijke autonomie en de hiermee in verband staande terreuractiviteiten en andere uitingen van politiek geweld. Valt het huidige Spanje vooral door deze maatschappelijke en politieke beproevingen de twijfelachtige eer te beurt in het brandpunt van de belangstelling te staan, tevens houdt dit verband met het feit dat momenteel de toetredingsonderhandelingen tussen dit land en lidstaten van de Europese Gemeenschappen volop aan de gang zijn. Dit proces zal overigens bepaald niet probleemloos verlopen, omdat tussen Spanje en de Gemeenschap, alvorens de Spaanse naambordjes op de conferentietafels te Brussel zullen worden neergezet, nog een heel spectrum van probleemgebieden tot een oplossing zal moeten worden gebracht. Men denke in dit verband alleen al aan de landbouwproblematiek. Tevens is in het Westen van Spanje van meer dan normale belangstelling sprake vanwege de Spaanse geneigdheid zich aan te sluiten bij de Noordatlantische Verdragsorganisatie. Ook op dit gebied zal echter, vooral in Spanje zelf, nog menige harde noot moeten worden gekraakt alvorens het zover is. Alles wijst er overigens op dat het Spaanse lid-

maatschap van de NAVO veel eerder een feit zal zijn dan dat van de EG. Zowel wat betreft de toetreding tot de EG als die tot de NAVO overheerst in het Westen, waarvan Spanje in wezen al als een integraal onderdeel wordt gezien, de opvatting dat de nog fragiele democratie meer overlevingskansen heeft binnen een complex van democratische staten en wanneer aan het al eeuwen bestaande Spaanse isolement een einde wordt gemaakt. De redactie heeft zlch, mede in het licht van het hierboven geschetste, op het standpunt gesteld in een apart nummer aandacht aan dit land te besteden. Wegens het feit dat Spanje en Nederland voor elkaar betrekkelijk belangrijke staten zijn- men denke slechts aan de jaarlijkse toeristenstroom en aan de Spaanse gastarbeiders- wordt eerst een kort overzicht gegeven van de Spaans-Nederlandse geschiedenis. Dit wordt gevolgd door een artikel over het FrancoSpanje van de hand van Ir. Egas y Trigo; om enig begrip te hebben van de huidige situatie is een zekere kennis van de periode voor Franco's dood in 1975 immers onontbeerlijk. Drs. Nigten beschrijft vervolgens de binnenlandse ontwikkelingen in het post-Franco-Spanje, terwijl de hispanist Dr. Carrasquer een beschouwing levert over de nationalismen binnen de Spaanse natie. Bovendien is een kort feitenrelaas opgenomen van de hand van Drs. Mulder over de gebeurtenissen tijdens en vlak na de poging tot militaire staatsgreep in februari 1981. Het geheel wordt afgesloten met een overzicht van Mr. Van Spronsen over de zwaartepunten in de buitenlandse politiek van het Spanje sinds Franco's dood. Hierbij komen o.a. de reeds in deze inleiding genoemde problemen ter sprake betreffende de Spaanse toetreding tot de EEG en de NAVO. De redactie spreekt de hoop uit dat het in dit JASONmagazine gebodene een bijdrage kan leveren tot meer begrip en inzicht in de complexe problematiek van het huidige Spanje, een land dat enerzijds zo dichtbij lijkt, maar anderzijds nog zo ver van ons verwijderd is.

J.A.F.


De historische betrekkingen tussen Nederland en Spanje

Wanneer men in een themanummer aandacht besteedt aan de binnenlands- en buitenlands-politieke ontwikkelingen in Spanje, ligt het voor de hand in een kon feitelijk overzicht tevens aandacht te besteden aan de betrekkingen tussen dat land en Nederland. Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van de Nederlandse staat is Spanje immers niet weg te denken. Het blijkt dat de contacten tussen Spanje en de Nederlanden reeds van eeuwen her dateren. In de 14e-15e eeuw bestonden al commerciële connecties tussen de Nederlanden en Spanje. De Spaanse kooplieden vormden "naties" in de Hollandse steden waar zij leer verhandelden, terwijl Hollandse kooplui verspreid waren over het gehele Iberische schiereiland. Er waren jaarbeurzen in Antwerpen en Mendina del Campo waar Spaanse wijn werd verhandeld tegen Vlaams laken. Door deze contacten kwam tevens een culturele uitwisseling op gang. Zo ontstond onder invloed der Vlaamse Primitieven een Spaans-Nederlandse schilderschool, die vooral door Jan van Eyck toonaangevend werd. De Vlaamse Primitieven brachten de Spaanse schilders een nieuwe techniek en bezieling, die een tegenwicht vormden tegen de nog invloedrijke Arabisch beschaving in hun land. De 15e eeuw luidde voor de Nederlanden het begin in van een nieuw tijdperk, omdat door de huwelijkspolitiek van de Bourgondische vorsten onze gewesten uiteindelijk werden verenigd tot één geheel dat later onderdeel en randgebied zou worden van het Spaanse wereldrijk. Door deze geleidelijke integratie in dat groter staatsverband konden de Nederlanden wel in toenemende mate profiteren van de bloeiende wereldhandel en gingen zij een steeds belangrijker rol spelen in het Europees transito-verkeer. Na 1506, het jaar waarin voor de Nederlanden het tijdvak der Spaanse landvoogden begon, dreigden zij echter steeds meer tot ondergeschikt onderdeel van het immense Spaanse rijk te worden gemaakt, omdat de vorsten in Madrid in steeds sterkere mate een centralisatiepolitiek begonnen te voeren. Gedurende het bewind van Karel V en vooral van diens zoon Filips 11 werden nationale belangen steeds meer onderworpen aan die van het gehele imperium. Hierdoor nam de ontevredenheid snel toe, hetgeen zou leiden tot een conflict tussen de Spaanse overheersers en de op hun zelfstandigheid gestelde gewesten in de noordelijke Nederlanden. Het groeiende verzet tegen de Spanjaarden werd gebundeld door Willem van Oranje, die niet voor niets de "Vader des Vaderlands" wordt genoemd. Dit is een van de achtergronden waarom het Nederlandse nationaliteitsgevoel en de koninklijke dynastie altijd nauw met elkaar verbonden zijn geweest. 2

Zestiende tot twintigste eeuw De onrust kwam in 1566 in een stroomversnelling door een uitbarsting van religieus verzet, de Beeldenstorm. Het Spaanse antwoord hierop was het schrikbewind van de hertog van Toledo, beter bekend als Alva, die van 1567 tot 1573 landvoogd over de Nederlanden was. In 1568 vond het eerste militaire treffen plaats tussen de Spanjaarden en de Nederlandse opstandelingen: op 21 juli werd Loclewijk van Nassau bij Jemmingen aan de Eems door Alva verslagen. Traditioneel wordt dit jaar gezien als het begin van de Nederlandse opstand tegen de Spanjaarden, doorgaans de Tachtigjarige Oorlog geheten. Aangezien het in dit bestek te ver zou voeren op het verloop van de Opstand in te gaan, wordt hier volstaan met het vermelden van slechts enkele saillante gebeurtenissen uit deze periode van de Nederlands-Spaanse geschiedenis. Op 23 januari 1579 werd de Unie van Utrecht gesloten, waarmee de Zeven Verenigde Nederlanden het licht zagen. Door deze o ndenek.ening werd in de eerste plaats het Spaanse gezag afgewezen (op 22 juli 1581 zegden de StatenGeneraal door het "Plakkaat van Verlatinghe" Filips 11 hun gehoorzaamheid op), terwijl bovendien een scheiding tot stand kwam met de zuidelijke gewesten, die enkele weken daarvoor in de Unie van Atrecht juist hun gehoorzaamheid aan het Spaanse gezag hadden beloofd. In korte tijd ontstond, als gevolg van het politieke vernuft van raadpensionaris Oldenbarneveldt en door de tegenslag die de Spanjaarden kregen te verduren door de EngelsHollandse vlootoverwinning op de Armada, in het noorden een levensvatbare staat met een geheel nieuwe staatsvorm: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Deze Republiek werd in 1596 al door twee grote mogendheden erkend als soevereine mogendheid, toen Engeland en Frankrijk met haar het Drievoudig Verbond tegen Spanje sloten. Na jarenlange gevechten en periodes van staakt het vuren, waarvan een momentopname nog is vereeuwigd in de vorm van Velasquez' vermaarde schilderstuk "De overgave van Breda", vonden in 1636 de eerste vredesonderhandelingen plaats tussen Spanje en de Republiek. Het overleg bleef echter zonder resultaat, omdat de Republiek eiste van de Spaanse delegatie dat deze haar vertegenwoordigers zou betitelen als ambassadeurs van een zelfstandige staat. Het vredesoverleg was door deze préséance-kwestie bij voorbaat tot mislukken gedoemd. In 1643 gaf de Spaanse koning Filips V opdracht rechtstreeks vrede te sluiten met de Republiek, waarmee hij


Ctrard tt1' 8OTCh, EtdaJUgging by fk Vrtdt van Murultr 1648.

derhalve voorshands zijn bereidheid toonde de soevereiniteit van de Republiek te erkennen. Daarmee was de préséance-kwestie ook opgelost. Na meer dan twee jaar touwtrekken over voorwaarden betreffende de vredesbesprekingen (vooral van de kant van de Republiek) kwam in 1646 de delegatie van de Staten-Generaal in Munster aan. Men kon het eens worden over alle agendapunten, behalve over de overzeese bezittingen. Toen Spanje in jurti 1647 ook hier concessies had gedaan, kon op 30 januari 1648 de vrede tussen de Republiek en Spanje te Munster worden getekend. De voornaamste bepalingen van het verdrag waren dat Spanje de Republiek erkende als vrije en soevereine staat, dat Spanje was uitgesloten van de vaart op de gebieden in Oost- en West-Indië die de Republiek had veroverd, en dat de Schelde gesloten bleef. Door deze laatste bepaling werd uiteindelijk de economische bloei van Antwerpen belemmerd en die van Amsterdam bevorderd. Na het sluiten van het vredesverdrag werden permanente vertegenwoordigers van de Republiek naar Spanje gezonden. In mei 1656 kwam de eerste vertegenwoordiger, Hendrik van Reede, in Spanje aan. Deze sloot in 1660 een verdrag van vrede en vriendschap met de vroegere vijand. Direct al in 1648 werd bovendien een aantal Hollandse

consulaten in Spanje opgericht, met name ter behartiging van handelsbelangen .. Zo werden O.m. consulaten opgericht in Madrid, Sevilla, Malaga en op de Canarische eilanden. Deze waren ook wel nodig, want er bestonden in de 17e eeuw, ondanks de oorlogssituatie, intensieve commerciële contacten tussen de Republiek en Spanje. Zo werd het vermaarde Spaanse zilver uit de nieuwe wereld via Cadiz naar Amsterdam verscheept. Door de aanvoer van die edelmetaal werd O.m. de basis gelegd voor de vooraanstaande rol van Amsterdam als overslaghaven tussen het Oostzeegebied en het Iberisch schiereiland. In de tweede helft van de 17e eeuw werden de directe politieke betrekkingen met Spanje steeds meer naar de achtergrond geschoven door de toenemende confrontatie van de Republiek met Engeland en Frankrijk. Het buitenlands beleid van de Nederlanden tegenover deze mogendheden was namelijk in eerste instantie gericht op veiligheid, op behoud van het verworven territoir en op de bescherming van haar commerciële belangen. Aan het eind van de 17 e eeuw ging het Iberisch schiereiland weer een belangrijke rol spelen in het Europees politiek theater als gevolg van de Spaanse erfertiskwestie. Het 3


probleem was namelijk aan wie de zwakzinnige koning Karel 11 na diens overlijden het nog altijd omvangrijke imperium zou nalaten. Om de zaken bij voorbaat vast te rege-

len sloten de Republiek, Engeland en Frankrijk in 1698 en 1700 twee Delingstractaten. Toen de Spaanse koning in 1700 uiteindelijk overleed en bleek dat deze in zijn testament Filips van Anjou, de ltIeinzoon van de Franse monarch Lodewijk XIV, had aangewezen tot universeel erfgenaam, vielen alle afspraken in duigen en was de Spaanse Successie-oorlog een feit. Het conflict werd uiteindelijk in 17 13 afgesloten met de vrede van Utrecht, die O.m. bepaalde dat het tijdens de oorlog door Engeland bezette Gibraltar bij dat land bleef, een situatie die tot op de dag van vandaag geen wijziging heeft ondergaan en die tot de nodige spanningen tussen Spanje en Groot-Brittannië aanleiding heeft gegeven. Een belangrijk gevolg van deze oorlog voor Spanje en de Republiek was dat de rol van beide landen in het internationale krachtenveld na 1713 sterk werd teruggedrongen. Van noemenswaardige con tanen tussen beide landen is sindsdien dan ook. geen sprake meer geweest, of het moet

zijn dat tijdens de Spaanse bevrijdingsoorlog tegen het Napoleontische Frankrijk de kroonprins van Oranje, de latere koning Willem 11, in 1811-12 meestreed in het Engelse leger als adjudant van Wellington en zodoende ook een bijdrage heeft geleverd aan de bevrijding van Spanje.

Twintigste eeuw Pas in de 2e eeuw komen de politieke onrwikkelingen in Spanje weer in de {inter)nationale belangstelling te staan. In 1936 brak namelijk de Spaanse burgeroorlog uit. Nederland heeft in dit conflict zijn houding zelfstandig bepaald, d.w.z. dat het zijn betrellingen met de regering in Madrid en met de opstandelingen van generaal Franco op bilaterale wijze regelde. Ons land maakte wel deel uit van het Comité van Londen dat moest toezien dat geen wapens naar Spanje werden getransporteerd, maar het heeft hierin

Tijdens WO 11 fungeerde Spanje voor Nederlandse vluchtelingen (vooral Joden) en Engelandvaarders als vluchtweg om de Verenigde Staten en Engeland te bereiken. Er ontstonden nogal eens problemen met het verstrekken van visa, verblijfsvergunningen en met de asielverlening, maar

in de periode 1940-1945 hebben toch ongeveer 1000 Engelandvaarders en omstreeks 1300 vluchtelingen van de vluchtweg via Spanje gebruik gemaakt. Allen zijn via dit land uiteindelijk elders terecht gekomen. Na de Wereldoorlog nam Spanje een geïsoleerde positie in de internationale gemeenschap in. Op 12 december 1946 nam de Algemene Vergadering der Verenigde Naties een resolutie aan waarin de leden werden aangespoord hun diplomatieke vertegenwoordiging uit Spanje terug te trekken. Nederland onthield zich toen van stemming, omdat een tegenstem als pro-Franco zou worden uitgelegd, terwijl een ondersteuning de dialoog met Madrid onmogelijk maakte en en daardoor averechts kon werken. In novem-

ber 1950 werd de resolutie ingetrokken, een initiatief dat Nederland steunde. In 1955 heeft Nederland in de Verenigde Naties de Spaanse toetreding tot de vollterenorganisatie ondersteund.

Pas op 4 maart 1954 besloten de beide regeringen de wederzijdse gezantschappen tot ambassade te verheffen. De diplomatieke betrellingen waren zich inmiddels normaal gaan ontwikkelen, maar intensief waren ze niet. In 1975 trad een verkoeling op in de betrellingen in verband met het uitvaardigen van een anti-terrorisme decreet

op 26 augustus en de executie van vijf leden der radicale oppositie in september. Alle EEG-lidstaten riepen hun ambassadeur voor consultatie uit Spanje terug. en in Ne-

derland vonden enkele demonstraties plaats. Pas in februari 1978 vond het eerste officiële bezoek plaats van een Nederlandse minister van buitenlandse zaken aan Spanje. Minister Van der Klaauw sloot [Oen een verdrag inzake

nauwelijks een rol gespeeld. Na het uitbreken van het conflict bleef de Nederlandse houding in diplomatiek opzicht correct. Nationalisten die in het gezantschap asiel vroegen, werden naar Nederland overgebracht en kregen pas na de burgeroorlog verlof om terug te keren, iets waaraan de Nederlandse vertegenwoordiging nog wel eens stekelig werd herinnerd. In maart 1937 had een vertegenwoordiger van de Spaanse junta aan een Nederlandse vertegenwoordiger meegedeeld dat zijn regering "grooten prijs stelt op zoo vriendschappelijk mogelijke betrekkingen in het bijzonder met Nederland ... al kunnen deze betrekkingen op het ogenblik ook slechts van officieuze aard zijn". Vanaf juli 1937 oordeelde Den Haag de situatie rijp voor het zenden van een diplo-

-,-,

w

",,-r ...

"rt...

\,

-~

matieke vertegenwoordiger naar de nationalisten. De in

iure erkenning volgde op 22 februari 1939. Jhr. W.E. van panhuys werd benoemd tot tijdelijk zaakgelastigde; C.H.H. Schuller tot Peursum later tot gezant. In Nederland werd in de jaren 1936-1939 een levendige discussie over de burgeroorlog gevoerd. Er werd medische hulp naar Spanje gezonden en ca. 700 Nederlandse vrijwilligers vertrokken naar het front - vrijwel steeds aan de kant van de republikeinen - en traden toe tot de Internationale Brigade. Links georiënteerde kringen sympathiseerden met de republikeinen, terwijl rechts, vooral de katholieken, meer aan Franco's kant stond.

4

~ ::::L..

~-

-

r:

:co:.- '-

' I

-~

.

"

"'.

~

Koning }U4TI Car/05 m Koningin SopJUt ti)dtnJ hun bn,otA aan Ntdt't'1and in mao.rt 1980.


we,enschappelijke en culturele samenwerking. Een belangrijk moment in de wederzijdse betrekkingen, ook psychologisch gezien, was he, staatsbezoek aan Nederland in maart 1980 van he, Spaanse koninklijk paar.

Slotopmerkingen De Nederlands-Spaanse betrekkingen zijn eigenlijk nooi, door innigheid gekenmerkt. Ongetwijfeld heef, in deze een verband bestaan me' de Opstand, een conflict da, immers lange tijd een zware hypotheek heef, gelegd op de onderlinge verhoudingen en ons nationaliteitsgevoel een speciaal cache, heef, gegeven, en nie, in de laats,e plaats op de Hollandse kijk op Spanje. Nog eeuwenlang heef, alles wa' me' Spanje had ,e maken bij de Hollanders een wa' wrange smaak. achtergelaten, en was "Spaans" een niet al te vleiend epitheton ("woest", "ruw" e.d.), Anderzijds dient men niet te vergelen dat ten aaruien van de betrekkingen me' Spanje he, Nederlands eigenbelang nooi, ui, he, oog werd verloren ; de Republiek was er niet wars van reeds kon na 1648 met haar vroegere erfvijand overeenkomsten en allianties te sluiten, die waren gericht tegen andere sta-

[en, terwijl de commerci毛le connecties zowel in tijden van oorlog als van vrede vrijwel ongeschonden zijn gebleven. Een belangrijker achtergrnnd vnor de oppervlakkige bilaterale cnn'acten is de omstandigheid geweest da, in de loop van de 18e eeuw beide mogendheden hun vnoraanstaande positie in het Europese krach,enveld waren kwij'ondergeschikte medegeraak, en gedegradeerd werden spelers op het politieke ,oneel. In een onttakeld Spaans wereldrijk en in een naar afzijdigheid strevende Republiek (en la,er Koninkrijk) was nie, langer de basis 'e vinden voor een druk diplomatiek verkeer, zeker niet op he' bilaterale vlak. Dit laatste heeft tot diep in de 20e eeuw, om preciezer te zijn tot Franco's dood in 1975, voortgeduurd. Sindsdien zijn vooral aan Spaanse zijde initiatieven ontplooid om aansluiting te zoeken met he, verenigd Europa - en met de lidstaten afzonderlijk - om aan he' isolement een einde te maken en om het prille democratisch bestel een steviger basis te verlenen.

'0'

Drs. J.A. Fortuin ~da cl e ur jASO N-magazine

De laatste jaren van het HFranquisme"

Ook voor een volk geldt: "in het heden ligt het verleden, in het nu wat worden zal", en dit gaat zeker op in de politiek. De gebeunenissen zoals die zich in Spanje aan het eind van de maand februari van dit jaar voordeden - massale gijzeling van de regering en van he, gehele parlement; handelingen me' een klaarblijkelijk opruiend karakter van de kant van enkele hoge militaire bevelhebbers en een beperkt aantal militaire eenheden die onder hun leiding stonden; een doonastende persoonlijke tussenkomst van de koning, die in een paar uur de toestand terugleidde in democratische en grondwettelijke banen - welnu, deze gebeurtenissen kunnen alleen geplaatst worden binnen het kader van de politieke omwikkeling van Spanje, me' als ach,ergrond he' tijdperk 'ussen 1936-39 (de Spaanse Burgeroorlog) en 1975, een periode die bekend staat als het "Franquisme". De periode van 18 juli 1936 10' 1 april 1939 omva' de rampzalige jaren van de Spaanse Burgeroodog, waarin de ene helft van Spanje tegenover de andere stond. Bedenk dat de strijd in oorsprong een zuiver en geheel Spaanse aangelegenheid was. De panijen zijn niet als "fascisten" of als "communisten" de Burgeroorlog ingegaan, maar deze benamingen kwamen voort uit de Burgeroorlog. Aan het begin van de strijd waren er in Spanje evenveel "fascisten" als "communisten", dat wil zeggen: erg weinig, maar de oorlog veranderde snel in een strijd tussen "anti-fascisten" en "anti -communisten" en daarvan waren er wel veel in Spanje. De periode 1936-1939 heef, op het land een in poli'iek opzich, trauma,iserende ui,werking : de panische angst voor een herhaling versterkte het "Franquisme" gedurende de onzekere perioden van de Tweede Wereldoorlog en de jaren daarna. Zelfs 10' op de dag van vandaag is deze angst de bepalende factor voor alle Spanjaarden, zonder onderscheid: het uitwissen van de sporen van de broederoorlog en het voorkomen dat omstandigheden herhaling mogelijk maken. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog (1945 -1950) is ook in hoge ma'e he, "Franquisme" versterk, door de openlijke en vaak beledigende houding en verachting t.o. Spanje en de Spanjaarden, die zowel het "democratische" Westen als het 44communistische" Oosten aannamen. Het zou ons te ver voeren deze hele periode de revue te laten passeren. We moeten ons daarom beperken lot de laatste jaren van het 路路Franquisme". Om het verval en de ondergang van dat regime te kunnen begrijpen moeten we de draad van de gebeurtenissen opnemen, wanneer dat regime op de top van zijn macht en aanzien is.

5


Het Franquilme op l.ijn hoogtepunt ..

Het hoogtepunt van het regime (I 951-1955) De politiek van het "Franquisme" bewoog zich langs twee coördinaten: de ene was gericht op het buitenland om een status-verhogende erk.enning te verwerven van enerzijds de materiële macht (de Verenigde Staten van Amerika) en van anderzijds de geestelijke macht (Rome) ; de andere was gericht op het binnenland, waarbij het regime streefde naar de totale pacificatie van het land en naar een merkbare verbetering van de levensomstandigheden van het volk.

Toen de eerste bilateriale overeenkomsten met de Verenigde Staten tot stand kwamen, ontving Spanje - dat uitgesloten was van de genereuze Marshallhulp - de eerste kredieten van de Eximbank (62 miljoen dollar). Ondanks het feit dat in deze tijd in Barcelona en in het Baskenland de eerste stakingen sinds de Burgeroorlog plaatsvonden, was het economisch herstel voelbaar; zo verdwenen - na bijna 14 jaar- de "distributiebonnen". Alleen wie heeft moeten "leven" -en dat gedurende jaren - met dergelijk.e bonnen, k.an het gevoel van welvaart en overvloed begrijpen dat destijds in Spanje werd veroorzaakt door verdwijning van die bonnen. De Spaanse bisschoppen publiceerden in die tijd een Herderlijk Schrijven waarin de Burgeroorlog een " kruistocht" werd genoemd . Ruiz Gimenez, de Minister van Onderwijs, deed een primitieve poging tot een "politiek.e opening van binnenuit", maar het regime zat stevig in het zadel en werd bovendien door Rome erkend. Daar kwam nog bij dat Spanje in december 1955 (op voorstel van de Sovjet- Unie!) lid van de Verenigde Naties werd . Het hele land ervoer en voelde deze periode duidelijk als een welvaart. Het " Franquisme" had zijn hoogtepunt bereikt : het had de fel begeerde trust en zekerheid binnenslands en de niet minder verlangde buitenlandse erkenning verworven.

Buitenland Het was tijdens deze periode dat de Amerikaanse Zesde Vloot van de Middellandse Zee voor het eerst havens in Spanje aandeed en haar commandant, admiraal Shennan, een bezoek bracht aan Franco. Van dit bezoek keerde de admiraal zeer tevreden en enthousiast terug. De uitwerking van de voorlopige akkoorden die tijdens dat bezoek tot stand kwamen, werd evenwel vertraagd door de plotselinge dood van Sherman, enkele dagen later, maar zijn informatie had Washington dan al bereikt. Op het moment dat Noord-Korea een inval deed in ZuidKorea en daardoor de gewapende tussenkomst van het Westen veroorzaakte, kwam in Engeland het schandaal verwekkende verraad aan het licht van Burgess en MacLean, twee personen die seden jaren bleken te werken voor de Russische spionagedienst. Het communistische gevaar voor het Westen werd evident en er woedde meer dan een "koude" oorlog. Als men nu bedenkt dat juist het anti-communisme het constante "Leitmotiv" van het "Franquisme" was, is het begrijpelijk dat al deze feiten een rechtvaardiging inhielden van het regime.

Binnenland In Spanje werd een algehele pacificatie tot stand gebracht doordat de groepen van Spaanse ex-leden van het Franse verzet (Maquis) werden geëlimineerd. Deze groepen kwamen na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog uit Frankrijk over de Pyreneeën Spanje binnen, omdat ze in de veronderstelling leefden - evenals vele sinds 1939 verbannen Spaanse republikeinse politici - dat de ondergang van de As-mogendheden (Duitsland, Japan en Italië) automatisch inhield dat ook het "Franquisme" zou verdwijnen ( I).

6

. .. m zijn ondtrgang.


Veranderingen (1956-1967) Op het wereldtoneel verschenen in deze jaren drie prominente figuren die in Korte tijd een ware storm van veranderingen teweeg zouden brengen. die alles en iedereen zou

beïnvloeden. Nikita ChroeLSjov werd in 1958 de hoogste machthebber in de Sovjet-Unie ; johannes XX1ll in 1962 riep het Tweede VatiCaanse Concilie bijeen, dat een frisse wind door de Kerk. liet waaien en een beslissende invloed zou hebben op

de geschiedenis van het katholieke Spanje ; en de in 1961 nieuw aangetreden president van de Verenigde Staten, john FiLZgerald Kennedy ontwikkelde een nieuwe stijl van regeren . Het samenvallen van deze drie figuren in het wereldgebeu-

ren, hoe kortstondig ook, schiep op dat moment hooggespannen verwachtingen, die in de hele wereld leefden en zich uitstrekten op zowel geestelijk, materieel als politiek gebied. De machtsblokken begonnen zich te hergroeperen : China ontwaakte, het Westen werd geconfronteerd met de Berlijnse Muur, in Vietnam werden wonden geslagen die zich ontwiltkelden tot een gezwel, en de crisis van de Rus-

sische raketten op Cuba deed in 1962 de wereld de ijzige adem van een atoomoorlog in de nek voelen. In Spanje verschenen in deze periode voor het eerst binnen

het " Franquisme" figuren met duidelijk ideologische bindingen, alsook zelfs pressiegroepen die duidelijk op macht uit waren . Eén van die groepen, de zogeheten "technocraten "t die wortelden in de Opus Dei, slaagde erin in de regering te komen en de economische sectoren naar zich

lOe te trekken. Het duurde niet lang of de gevolgen waren voelbaar : er kwam een periode van stabilisatie en van ont-

wikkelingsplannen.

uitingen van geweld lOt gevolg. In deze wet, met een nationaal referendum bekrachtigd, werden o.a. de struauren van het regeringsapparaat, de benoemingsprocedures en

de competenties van de hoge staatsorganen vastgesteld. Voor de benoeming van de leden van de " Cortes" (Eerste en Tweede Kamer) werden ook voor het eerst "pseudodemocratische" procedures voorgeschreven .

Tegenover het dynamisme van de kerk na het Tweede Vati caans Concilie bood het regime louter dadenloosheid en het veroorzaakte zodoende dat de Acción eatólica (de katholieke beweging) uiteenviel en de katholieke arbeidersbewegingen ondergronds gingen opereren. Dáár ontstond het "Eurocommunisme", uitgerekend in de schoot van de Katholieke Kerk . De kinderen van rechts gingen over naar

het Marxisme; de kinderen van links bleven links, maar zonder de massale injectie van de bekeerlingen zou extreem

links niet herboren zijn (2) . Sociale bewegingen, die door het Concilie waren ontstaan, vonden in een radicaal anti-

franquisme als politieke strijd het noodzakelijke, samenbindende element. Ondertussen bekoelden de verhoudingen tussen Rome en het regime: het Vaticaan wilde "zich losmaken", het concordaat moderniseren en zijn vrijheid herkrijgen om "post-conciliere" bisschoppen te benoemen.

Terwijl de "techn.,craten" zich inspanden om Prins juan Carlos door Franco als opvolger en toekomstig koning te laten benoemen, barstte in juni 1968 de furie van de Bas-

kische afscheidingsbeweging ETA los met een golf van terrorisme, dat in deze fase zo u culmineren in de moord op

Carrero Blanco in 1973. Maar de ETA stond ook op het punt te verdwijnen : de blinde en wrede onderdrukking had haar in 1969 nl. in het nauw gedreven. De spectaculaire opleving van de ETA in de jaren zeventig

De economische transronnatie, met haar sociale en culturele gevolgen, was in vo lle gang: het een na het andere zeer

werd vooral mogelijk gemaakt door een deel van de Bas-

ambitieuze project werd gerealiseerd. Spanje verliet een weg die het eeuwenlang had bewandeld en waarop terugkeren niet mogelijk was. In het land vond in deze jaren een

ditie - , door enkele buitenlandse krachten die de ETA

historische verandering plaats. Dezelfde veranderingen èn de invloed van het Concilie zorgden er echter voor dat er ook andere verwachtingen

ontwaakten zoals persvrijheid en godsdienstvrijheid. De grote leegte werd gaandeweg zichtbaar, terwijl tevens de politieke luchtledigheid van het regime steeds meer aan het daglicht begon te treden .

kische clerus -

deze heeft een eeuwenlange militante tra-

steunden, en door Frankrijk, dat haar grootmoedig ruime

mogelijkheden tot schuilen bood. In juli 1969 slaagde men erin Franco tot activiteit te bren-

gen door Prins juan Carlos lOt opvolger te benoemen (~). Door deze beslissende Stap echter ontbrandde ook de strIjd tussen de "clans" om de overgang te controleren op het moment dat Franco zou sterven en het "Franquisme" met hem. Vooral de "Falangisten" (of "blauwen" zoals ze ook wel werden genoemd ) en de "technocraten" waren de

meest in het oog lopende strijdende partijen.

Het verval (1968-1973) Met een vervolgde, uitgerangeerde of verbannen oppositie werd voor de jonge generatie Spanjaarden, die toen reeds

Het regime en zijn "zaakjes"

blijk gaven van openlijke rebellie, het Franco-regime syno-

Zoals elk regime dat bezig is uiteen te vallen, had ook het

niem met onderdruk.k.ing en verval. De regering was in handen van enkele "clans" : zo waren daar de "Falange", die voorstander was van een soort regentschap; de "technocraten" ; diegenen die een (politieke) opening voorston -

den, zoals Fraga lribame; en de "katholieken". Er kon en werd echter niets veranderd onder de ijzeren hand van premier Carrero Blanco. Deze regeerde in de schaduw van Franco en hij was de vleesgeworden voortzetting van diens

beleid in zijn blinde gehoorzaamheid en trouw aan de Caudillo. De zogeheten "Ley Orgánica" van 1968 wekte weliswaar

bepaalde politieke verwachtingen, maar de daadwerkelijke resultaten hadden slechts frustraties en, daarop volgend,

"Franquisme" "zaakjes en handelljes" die onvermijdelijk

uitliepen op schandalen. We noemen hier als voorbeelden het bankroet van Manufacturas Metálicas Madrilenas, op het moment dat ze niet meer beschermd werd door monopolies . In deze onder-

neming speelde Nicolás Franco, een broer van de Caudillo, een vooraanstaande rol.

Een ander geval was dat van de twee kleine banken van Ramón de Rato , die de moed had een wissel van 4 miljoen pesetas van Nicolás Franco te doen protesteren. De Rato werd gevangen gezet; hij moest een zware boete betalen wegens onwettelijke deviezentransacties, die juist "ontdekt" werden op het moment dat de wissel werd geprotesteerd , 7


en hij stuurde de onbetaalde wissel onder excuses aan de debiteur terug. In dit schandaal waren figuren betrokken

gaf het meer ruimte aan de "blauwen", die een parallelle en stoutmoedige macht vormden en die een willig gehoor

aan wie contacten met de Opus Dei werden toegeschreven.

Maar het grootste schandaal van alles was de zaak Matesa,

vonden in de residentie van Franco, het Pardo. In een toespraak in de Cortes kwam Arias Navarro tevoorschijn

een onderneming die fantastisch bloeide met zeer ruime kredieten van overheidsbanken. Haar export verzekerde haar van grote staatssubsidies en ze werd tot "empresa

met wat genoemd werd "de geest van 12 februari" (1974) en hij wist de sfeer die toen in het land heerste, goed onder woorden te brengen. Iedereen geloofde hem, omdat wat

modelo" verklaard met alle voordelen van dien. Plotseling stortte de zaak in toen in augustus 1969 de pers onthulde

hij zei datgene was wat iedereen wilde geloven.

dat een

grOOt

gedeelte van de export van Matesa vals was,

dat de staat was opgelicht voor ongeveer 10 miljard pesetas (dat bleek later veel meer te zijn), en dat de ministeries in de economische sector onverantwoordelijk., zo niet oog-

luikend waren opgetreden. De hele "technocratische clan" was door deze zaak rechtstreeks in opspraak gebracht; in werkelijkheid gold dat in politiek opzicht voor de hele regering, inclusief de Caudillo. Het schandaal was misschien binnen de perken gehouden als het niet door de andere "clans" die aan de macht waren was aangewend om zich te ontdoen van de "technocraten". Deze wisten echter beter te manoeuvreren en het was de "clan" van de "blauwen"

die in politiek opzicht haar toekomst verspeeld zag, terwijl de "katholieken-clan" in een wankel politiek evenwicht uit de strijd kwam. Het Matesa-schandaal was de grootste bijdrage tot de historische vernedering van het regime en het bracht aan het licht dat het Franco-bewind noch basis noch toekomst had.

Stilstand en doodsstrijd (I970-1975) Na dit schandaal bleven, behalve Franco, alleen zijn "alter ego" Carrero Blanco en in zijn schaduw de "technocraten" overeind, maar dit nam niet weg dat de politieke stilstand compleet was . Toch kwamen er nieuwe stromingen, waar-

van enkele figuren het symbool waren : Prins juan Carlos, de socialist Felipe Gonzales, Adolfo Suarez en Vicente Enrique y TarancĂłn, de Kardinaal-Primaat die toen de leiding over een Spaanse kerk kreeg en die in zijn ver-

nieuwingen vooruit was gelopen op de op handen zijnde overgang in het land. Op 20 december 1979 werd Carrero Blanco vermoord; de aanslag werd door de ETA opgeĂŤist, maar er leken gegronde redenen aanwezig te zijn om aan te nemen dat, als

de ETA de feitelijke dader was geweest, zij bij lange na niet in staat was om het strategische concept van deze misdaad

te bedenken. Tegen die tijd manipuleerde de familie van Franco bijna alles achter de schennen: het was niet alleen zijn vrouw, het waren ook zijn dochter en haar echtgenoot, zijn kleindochter en haar echtgenoot, die, in samenspel met de anderen, niets minder dan de troon schenen te ambiĂŤren (hij is ook een Bourbon en ook een kleinzoon van Alfonso

XIII). Na de dood van Carrero Blanco was het de familie, gesteund door de " blauwen" , die er voor zorgde dat als hoofd van de regering werd benoemd de man die als Mi -

De "Anjerrevolutie" in Portugal in april 1974 veroorzaakte in Spanje grote opschudding, vooral onder de " blauwen" : iedereen zag duidelijke parallellen tussen het Spaanse en Portugese regime, maar zowel de omstandigheden als de volkeren waren totaal verschillend.

In juli van dat jaar werd Franco in het ziekenhuis opgenomen en werd juan Carlos voorlopig met de macht belast. Het was op dat moment dat koning Hassan van Marokko,

de moeilijke situatie van het franquistisch regime feilloos inschattend, een offensief begon om zich meester te maken van de Spaanse Sahara, hiermee de resoluties van de Ver-

enigde Naties negerend. De Verenigde Staten en Frankrijk steunden Hassan (het mogelijke alternatief was dat, door middel van het zogenaamde Frente Polisario, het Algerije van Boumedienne toegang zou krijgen tot de Atlantische Oceaan en recht tegenover de Canarische Eilanden zou

komen te liggen) en het verval van het regime werd bij de hernieuwing van

de

bilaterale

overeenkomsten

met

Washington uitgebuit. Eind juli verliet Franco het ziekenhuis en, ondanks zijn

gezondheidstoestand (4), begonnen onmiddellijk de intriges om hem opnieuw alle macht in handen te geven . Het schijnt de schoonzoon van Franco, de Markies van Villavercle, te zijn geweest, die aan de laatste touwtjes trok om

dat te bereiken. Het is zeker dat hij degene was, die Arias Navarro telefonisch mededeelde dat Franco zojuist het decreet had getekend waardoor hij de leiding van het land weer op zich nam. Er waren duidelijk drie stromingen in het spel, nu de ontkoppeling nabij was : de "vooT/ulting" (belichaamd in de familie en de "blauwen"); het "rtjormiJme", dat door een breed scala van de meest uiteenlopende politieke stromingen werd aangehangen , en de "linJut stroming" die met al

het oude wilde breken, daarbij gesteund en aangemoedigd door de linkse Europese partijen. Als antwoord op de herhaalde aanslagen van de ETA en de stadsguerilla beweging FRAP kondigde de regering die zomer een zeer streng decreet tegen het terrorisme af. Op 26 september, in een sfeer van verbittering, werd een gratieverzoek voor vijf veroordeelde terroristen, die hun

schuld hadden bekend, afgewezen en ze werden de volgende dag terechtgesteld. Hiermee was sprake van het laatste maar tevens absurde bloedbad onder een regime dat op dat moment reeds op sterven lag. De reactie in het buitenland was enonn: men herinnere zich Lissabon, Parijs, Londen en, om dichter bij huis te

blijven, Utrecht! Links Europa mobiliseerde het hele continent tegen Spanje terwijl tegelijkertijd Rome zich nog

nister van Binnenlandse Zaken en hoofd van de veiligheidsdiensten, het eerst verweten kon worden de aanslag

meer distantieerde.

niet te hebben voorkomen, en zelfs niet de daders te hebben (kunnen) aangehouden: Carlos Arias Navarro.

De ontknoping Franco, het "Franquisme" en met hen Spanje zagen zich

Het kabinet dat door Arias Navarro werd gevormd steun-

gesteld voor het probleem van de Sahara, een jegens Spanje afWijzend Europa, de druk van de kant van de Amerika-

de enerzijds op de aversie tegen de "technocraten", ander-

nen, de "chantage" van Hassan, de agressie van de ETA ... ,

zijds probeerde het juan Carlos uit te rangeren. Zodoende

de politieke desintegratie.

8


"Etn doodgtwoon gtl IChl "; tlS naar htl lt vtn van Franco, van Po/J ong ( 19 7' J.

Ondanks de uitspraak van het Internationale Hof van Justitie in Den Haag, dat het volledig eens was met de resolutie van de Verenigde Naties en de houding van Spanje in deze, begon Hassan 11 zijn uGroene Mars", een onderneming die Marokko op de rand van een gewapend treffen met het Spaanse leger bracht. De Sahara was het laatste

politieke spel van Franco en hij wist dat hel een verloren zaak was : de man die in Afrika gevormd werd, zag de umoor" en de dood voor zich opdoemen om met hem af te rekenen. Op aanraden van zijn artsen vroeg Arias Navarro Prins Juan Carlos o m ten tweeden male, tijdelijk, de macht op 9


zich te nemen. Deze weigerde dit, tenzij de overname een onherroepelijk karakter zou krijgen. Franco weigerde van zijn kant een definitieve overgave van de macht en tussen deze twee "nee's" kon het kabinet niet regeren en raakte het land meer en meer ontwricht. Op 30 oktober, terwijl Franco stervende was, werd zonder decreten, zonder handtekeningen of besluiten, de macht overgedragen aan de man die enkele dagen later koningJuan Carlos I van Spanje zou worden. Op 20 november 1975, volgens het medisch bulletin om 4.20 uur in de ochtend, stierf Franco en met hem het "Franquisme" : er was een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Spanje begonnen. Ir. L.S. Egas y Trigo Ir. Egas y Trigo is voorzitter van de Unie van Spaans/ lbero- Amerik.aanse Verenigingen in Nederland en Belgif

Noten I. . .. " Het zou een merkwaardige nieuwigheid zijn wanneer de ovttwin-

naars zich to t de overwonnenen zouden wenden en hen zouden zeggen : ' Het spijt ons zeer, we hadden niet mogen overwinnen. We geven jullie de macht terug en wij zullen jullie oude leiders verwelkomen opdat ze met ons doen wa t ze willen.' ... " Carlton Hayes, ex-ambassadeur van de V~nigde Staten in Madrid . " Wanime Mission in Spain". MacMilIan. New Vork. 1953. 2. " Een interessant verschijnsel van persoonlij k drama. van een slecht sodaal- en klassebewustzijn. deze emigratie van de linderen van eeuwig rechts naar de rijen die ze VTaeger voor duivels hielden ." R. de La Cierva , " Historia del Franquismo ". Planeto, Barcelona , 1978. 8. Voor een gedocumenteerd en nauwgezet, hoewel partijdig, verslag van dit touwtrekken, zie Laureano Lapel Radó, " La larga marcha hada la monarquia " . Noguer, Barcelona, 1978. 4. Voor een verslag. vanuit een medische en humane invalshoek. van de ziekte en doodsstrijd van Franco. zie Vicente Pozuelo Escudero. "Los ultimos 476 dias de Franco" . Planeta. Barcelona. 1980.

N aar een democratie zonder adjectieven Een gemeenplaats zegt dat Spanje anders is. De ontwikkeling van het land zou achterblijven bij de rest van Europa. De democratie, een Europese uitvinding, zou er slecht gedijen. Wat misschien uniek aan Spanje mag zijn, niet een ongevoeligheid voor democratie. Welk ander Europees land kan zich bijvoorbeeld beroemen op de invoering van algemeen mannenkiesrecht in 1890 ? De moderne Spaanse geschiedenis vertoont een golfbeweging van democratische en antidemocratische regimes. Ontegenzeggelijk maakte de laatste soon tot nog toe langere golven. De dictator Franco regeerde, gerekend vanaf het begin van de burgeroorlog, bijna veertig jaar, terwijl de voorlaatste democratische periode, de Tweede Republiek, slechts één lustrum duurde. Na de dood van Franco in 1975 herstelde de democratie zich. Spanje maakte nog in de jaren zeventig een politieke vertraging van decennia tegenover Europa goed. De nieuwe democratie gaat anno 1981 onder grote problemen gebukt, maar bezit goede vooruitzichten op een lang leven.

Carrero Blanco Continuïteit en welvaart, rwee vaste pijlers van Franco's macht, leken tegen het einde van zijn regime veranderd in onzekerheden. Binnen het franquistische bolwerk. viel toen een lichte roep om opening te beluisteren. Het door Franco voorgestane "conlinuismo" sloot een dergelijke "apertura" uit. Zijn hoop op gestage voortzetting van het franquisme zag hij met de moord op Carrero Blanco eind 1973 letterlijk opgeblazen. Deze admiraal, jarenlang een toegewijde volgeling, die democratie in smjd met de Spaanse aard achtte, was in 1973 tot minister-president benoemd. Voor de eerste maal vervulde Franco deze functie niet zelf. Zijn betrouwbare waakhond diende na de dood van de caudillo behalve het systeem van " organische democratie" ook de in 1969 als toekomstige koning aangewezen Juan Carlos in een franquistische koers te houden.

Arias Navarro Als opvolger van Carrero Blanco schoof Franco de minister van binnenlandse zak.en Arias Navarro naar voren. Deze apparatsjik, een wat kleurloze, maar overtuigde franquist, stelde tamelijk verrassend een nieuwe regering samen. De steunpilaren van de tijdens Franco invloedrijke katholieke 10

lekenorganisatie Opus Dei verdwenen uit de regering, rwee " aperturistas" traden toe. In de herfst van 197 3 kampte het regime ook met economische crisisverschijnselen . De welvaart, bedrieglijk visitekaartje van het franquisme, kreeg harde klappen in de vorm van toenemende arbeidsonrust, stijgende inflatie en werkloosheid, terugloop van het toerisme en de buitenlandse investeringen, minder geldzendingen door Spaanse gastarbeiders in Europa, gestegen energieprijzen, een verstoorde betalingsbalans en een verzwakte peseta. Na de dood van Franco k.wam bovendien een gigantische k.apitaalvlucht op gang. Spanje, gegroeid tot een kapitalistische industrÏestaat inclusief een krachtige middenklasse en een omvangrijk arbeidsreservoir, kon de in 1973 begonnen algemene economische recessie niet onrwijken. In deze omstandigheden zag het land vol spanning uit naar de regeringsverklaring van Arias Navarro op 12 februari 1974. De premier beloofde hierin een aantal democratische hervormingen. De afkondiging van de wet op de politieke associaties moest de daad bij het woord voegen . Het optimisme sloeg echter in teleurstelling om, naarmate het ware karakter van deze regering de kop opstak. De anarchist Puig Antich vond de dood aan de worgpaal en de aartsbisschop van Bilbao kreeg vanwege zijn Baskische gezindheid huisarrest.


aanvaarden had het wantrouwen [Ussen de fusiepartners sterk verminderd. De oppositie stelde de "ruptura", een democratische breuk met het Franco-tijdperk, als prioriteit. Arrestatie van haar leiders leidde voorlopig slechts tot een complete breuk met het kabinet. Zo'n vastberaden oppositie viel niet langer te onderdrukken, getuige het in april 1916 gehouden VGT-congres, het eerste legale in veertig jaar. Arias Navarro raakte in juni 1916 politiek bankroet, toen de Cortes, reeds in 1969 samengesteld, enerzijds via een nieuwe wet op de politieke associaties politieke partijen wenste toe te scaan, maar anderzijds weigerde mee te werken aan een strafrechtshervorming om partijactiviteiten mogelijk te maken. Gezien de verslechterde economische situatie, de druk van de oppositie en het aanhoudende politieke terrorisme, aanvaardde de koning maar al te graag het ontslag van de minister-president.

Franco mrt prtmier Arias NavafTo (I.).

Na het omslag van de hervormingsgezinde ministers was ieder geloof in Arias Navarro als democraat verdwenen. Diens opzet de extreem-rechtse Franco-getrouwen, verzameld in de "bunker", voor geleidelijke hervormingen te winnen door de geest van de franquistische erfenis niet aan te tasten, was tot mislukken gedoemd. De "bunker", stevig gezeten in de Cortes, liet zich niet vermurwen door concessies, terwijl de democratische oppositie weigerde halfslach tige voorstellen te aanvaarden. Zo werden bijvoorbeeld nieuw te vormen politieke associaties in december 1974 verplicht de uitgangspunten van de Movimiento te onderschrijven. Evenals de oude dictator leek zijn regime de tand des tijds te doorstaan. De meedogenloze executies in september 1975 van vijf politieke tegenstanders, te weten twee ETA- en drie FRAP-Ieden, veroorzaakten zelfs een storm van protest in West-Europa. Korte tijd later, in november 1915, overleed Franco toch. Zijn opvolger, de jonge, nog onbekende koningjuan Carlos, die een belangrijke rol zou gaan spelen in het democratiseringsproces, gaf niettemin, min of meer gedwongen, in december Arias Navarro zijn vertrouwen. Ook het nieuwe kabinet, samengesteld uit vooral representatieve franquiSlen en een enkele schijnhervormer, slaagde echter niet in het voeren van een eensgezind beleid . Terwijl het land begin 1916 de grootste stakingsgolf uit zijn geschiedenis beleefde, liet de oppositie weten de op 28 januari 1916 gepresenteerde "Spaanse democratie" te zullen afwijzen.

Oppositie Deze illegale oppositie had inmiddels buiten Spanje niet stil gezeten. De radicale oppositie, gedomineerd door de PCE, de communistische partij , had eind 1974 de junta Democrática gevormd. In juni 1915 volgde de oprichting van het Placaforma de Convergencia Democrática, een fusie van de rijk geschakeerde oppositie, waarin behalve christen-democraten vooral de PSOE en de VGT, de socialistische partij en vakbond, de dienst uitmaakten. De gezamenlijke oppositie besloot in de woelingen van maart 1976 tot samenwerking in een verenigd front onder de naam Coordinación Democrática. De bereidheid van de Eurocommunistische PCE een pluralistische democratie te

Koning De positie van de "geïnstalleerde" monarchie was nog zwak, zeker in de ogen van de oppositie, die traditioneel in sterke mate republikeins gezind was. Juan Carlos wilde zijn populariteit en geloofwaardigheid vergroten door zijn smalle machtsbasi~ te verbreden. Zijn monarchie stimuleerde de vestiging van een parlementaire, constitutionele democratie, een "democratie wndtT adjectievrn}J. Als loon voor zijn aandeel in deze opzienbarende, niet risicoloze ontwikkeling zou de vrijwel unanieme goedkeuring van zijn bewind door het Spaanse volk hem ten deel vallen. Bovendien deed in 1911 zijn vader Don juan de Borbon afstand van zijn "historische rechten" en kwam in 1978 de verzoening met de carlistische troonpretendent Don Carlos Hugo de Borbon-Parma tot stand, zodat de monarchie van juan Carlos zich in drie jaar tijd had ontwikkeld tot een onbetwist politiek instituut.

Suarez Tot verrassing van iedere politieke waarnemer benoemde de koning op g juli 1916 Suarez tot opvolger van Arias Navarro. Suarez, begin veertig, tOrste als ex-directeur van de staatstelevisie en ex-minister voor de Movimiento in het vorige kabinet , een blauw verleden. Toch dicteerde zijn regering van "katholieken en bankiers" in hoog tempo een weloverwogen hervormingsplan aan de oppositie. De regering behield het initiatief op de breedsprakige oppositie, die moest proberen vorm te geven aan de onafwendbaar schijnende "ruptura". Suarez paarde zijn kennis van de franquistische politieke elite aan de bereidheid in samenwerking met de koning persoonlijke leiding te geven aan het democratiseringsproces. Zo lukte het hem de sceptici links en rechts grotendeels te neutraliseren . Hij verzekerde zich van de steun van het leger door de benoeming van de liberale generaal Guttierez Mellado tot minister van defensie en vice-premier. Aan de andere kant manoeuvreerde hij de verenigde oppositie in een moeilijke positie door op 15 december 1916 een referendum over zijn hervormingsplannen te houden . De plannen van Suarez, die op voldoende steun in de Cortes konden rekenen, zouden schipbreuk lijden bij een afwijzende houding van een scarre oppositie. De uitslag van het referendum toonde ondanks de oppositionele boycotactie aan dat het volk achter Suarez stond : 77 ,4% stemde, van

11


wie 94, 2% ja zei en 2,6% nee. Een oppositie die volledig aan haar eisen zou vasthouden, dreigde zich te isoleren. In deze siruatie en onder druk van de voortdurende economische crisis besloten regering en oppositie van het conflictmodel over te schakelen op het harmoniemodel. De weg naar een " ruptura pactada" lag open, toen de oppositie de invitatie tot onderhandelen aanvaardde.

Hervorming van boven Suarez stelde zich ten doel van boven af, via de nog altijd intacte oude instellingen, met name de Cortes, een politieke hervorming in Spanje door te voeren. Aldus hield hij weliswaar de schijn van legitimiteit van het franquisme op. maar tegelijkertijd liet hij dit systeem zijn doodvonnis tekenen. Het verzet van extreem-rechtse kringen als de "bunker", heethoofdige militairen en oerconservatieve leden van de clerus enerzijds. en het aanhoudende terrorisme van de ultranationalisusche Baskische afscheidingsbeweging ETA en de linksrevolutionaire stadsguerillabewegingen als FRAP en GRAPO anderzijds, slaagde er niet in Suarez' plannen te doorkruisen. Langs lijnen van geleidelijkheid voerde de premier Spanje naar een democratische consensus tussen de verschillende politiek.e k.rachten, variërend van gematigde franquisten tot de verenigde oppositie. Nog in juli 1916 maakte de regering een begin met haar amnestiebeleid door vrijlating van politieke gevangenen en goedk.euring van remigratie van niet-communistische ballingen, zoals bijvoorbeeld de schrijver-geleerde De Madariaga. Nadat de premier in het geheim in augustus de socialistische voorman Gonzalez en in september de legerlei· ding had geraadpleegd, kondigde hij aan de legalisering van de politieke partijen, de erkenning van de vrije vakbonden en de organisatie van vrije verkiezingen wettelijk te zullen regelen. Een en ander was omschreven in de wet op de politieke hervorming. In oktober gaf de Raad van de Movimiemo zijn fiat, in november passeerde deze wet de Cortes met 425 stemmen vóór, 59 tegen en 13 onthoudin-

gen, waarna het succesvolle referendum van 15 december 1916 het hervormingsijs definitief brak. Volge~s de " bunker" -politicus Girón schonk deze wet de overwinning aan de tegenstanders uit de burgeroorlog. Op 23 december legaliseerde de regering de PSOE, nadat deze partij op 5 december voor hel eerst sinds veertig jaar in Spanje gecongresseerd had. Bekende socialisten als Brandt en Palme verleenden extra glans aan dit congres. Ook een aantal christen-democraten was druk doende een

nieuwe politieke beweging te vonnen. Uiteraard hief de verenigde oppositie zichzelf op, nu de PSOE en de christen-democraten op eigen kracht verder voeren. Van haar kant beloofde de regering de Movimiento te ontmantelen en alle politieke partijen toegang te geven tot de eerste vrije verkiezingen voor een nieuwe Cortes. Met het oog op een werkelijk democratische gang van zaken eiste de oppositie de legalisering van de PCE. Omwille van haar eigen geloofwaardigheid moest de regering op 9 april 1911 deze concessie doen. De communistische partijleider Carrillo had zich inmiddels, na een aanvankelijk clandestien verblijf, definitief in Spanje gevestigd. In het kader van de totale amnestie van oktober 1911 konden trouwens alle ballingen, onder wie legendarische namen uit de burgeroorlog als de communisten La Pasionaria en generaal Lister en de anarchiste Montseny naar hun vaderland terugkeren.

Verkiezingen De verkiezingen van 15 juni 1977 voor een Cortes van twee kamers, te weten Congres en Senaat, brachten Spanje in een euforie. Als winnaar kwam uit de bus de met het oog op deze verkiezingen gefonneerde christen-democratische coalitie rond premier Suarez, de UCD, die 34% van de sternen behaalde. Eind 1916 bestond de UCD al in embryonale vonn. Het idee van een monarchistische centrumpartij van met name christen-democraten, liberalen, sociaal-democraten en onafhankelijken kreeg behalve door constante fusionering van minuscule partijen vooral in het voorjaar van 1977 vorm door toetreding van Suarez en zijn aanhang. De opzet de Spaanse politiek niet te laten verlammen door een sterke polarisatie tussen links en rechts lukte door de overwinning van de UCD, die zijn oprichting als politieke partij pas na de verkiezingen beleefde. Deze ontwikkeling weerspiegelde de structurele veranderingen die op sociaal-economisch gebied in de jongste Spaanse geschiedenis hebben plaatsgevonden. Als tweede eindigde de pragmatische PSOE met 28%. Deze uitslag ontlokte commentatoren de opmerking dat jonge mannen, te weten Suarez en Gonzalez, met hun dynamiek over het oude Spanje zegevierden. Twee van die oude mannen eindigden tot hun teleurstelling als derde en vierde. De peE van Carrillo behaalde 9% en moest concluderen dal het Eurocommunisme het Spaanse electoraat niet massaal had weten te overtuigen. De AP van Fraga lribarne, een herfst 1976 opgerichte ultraconservatieve, neo-franquistische partij, scoorde slechts 8% en begreep dat het speculeren op een sterk "sociologisch franquisme" misplaatst was geweest.

Continuïteit

Premiu Suart:r. btgroel dt PrtJidmlt van dt Sp(JllnJt communislische partij "La P(lJsÜmaria ".

12

Het door het volk gegeven vertrouwen was Suarez' persoonlijke succes. Een belangrijke stap in het democratiseringsproces was gezet. Allereerst veranderde zijn eigen positie van "geïnstalleerde" regeringsleider in die van vrij gekozen premier. Ten tweede werd hij in de gelegenheid gesteld de voorbereidende werkzaamheden aan de opstelling van een nieuwe grondwet en het kiezen van vrije gemeenteraden te continueren. Bovendien wees de verkiezingsuitslag op de goedkeuring door het volk van de consensuspolitiek met de linkse oppositie. Politieke commentatoren prezen merendeels het nuttige en gematigde stemgedrag van de Spaanse kiezers. Zelfs in Baskenland wonnen


ParltmmtJVtrkuungm In)um 1977.

de gematigde partijen, hoewel de radicaal regionale parlijen daar en in Catalonië bepaald niet slecht voor de dag kwamen. De oude Cortes werd op 30 juni 1977 opgeheven en twee weken later kwam de nieuwe bijeen. De openingsvergadering vond plaats onder symbolisch voorzitterschap van de twee oudste leden, de communistische afgevaardigden La Pasionaria en de dichter Alberti.

Pact van Mondoa Voor de nieuwe regering-Suarez was intussen veel werk aan de winkel. De economische crisis dwong tot een nieuw historisch compromis, het pact van Moncloa, een gezamenlijke afspraak van eind oktober 1977 tussen de regering en de leiders van de grote partijen en vakbonden om naar economische versobering te srreven. Eind 1977 kende Spanje meer dan één miljoen werklozen en een inflatie van bijna 40%. Binnen twee jaar moesten deze verschijnselen zijn verdwenen en de betalingsbalans hersteld. In ruil voor sociaal-economische hervormingen, met name van het belastingstelsel, ging de oppositie akkoord met een geleide loonpolitiek. In regerings- en werkgeversk.ringen werden de afspraken soms als te links ervaren. Niettemin oordeelde een rapport van de OESO in juli 1979 gunstig over de efTecten van het pact. De betalingsbalans had in 1978 na jarenlange tekorten een overschot vertoond en de inflatie liep tot 16% terug. Daarentegen bleef de werkloosheid stij gen en liepen de investeringen terug. Begin 1980 kwam het eerste centraal akkoord sinds de

dood van Franco tot stand tussen werkgevers en werk.nemers zonder tussenkomst van de regering, waardoor de geleide loonpolitiek zijn einde vond. Door de aanhoudende werkloosheid en het ontbreken, tot december 1979, van een juridische omschrijving van de rechten van de arbeiders bleven de vakbonden vol wantrouwen het regeringsbeleid volgen. De communistische Comisiones Obreras, bij de eerste vrije vakbondsverkiezingen begin 1978 de grootste gebleken, weigerden in tegenstelling tot de UGT zelfs partij te zijn in het centraal akkoord. Deze controverse tussen de communisLÎsche voorkeur voor bedrijfsdelegaties en de socialistische keuze voor vakbondsvertegenwoordigingen in de onderhandelingen duidt op de gegroeide tweespalt in de linkse vakbeweging.

Grondwet Het hoogtepum van hel hervormingsproces was de ruime aanvaarding eind 1978 bij referendum en door de Cortes van de nieuwe grondwet. Deze vermeldde slechts algemene principes, die in organieke wetten hun uitwerking dienden te krijgen. Een aantal van die principes waren : parlementaire monarchie, ministeriële verantwoordelijkheid, erk.enning van regionale autonomie binnen de nationale eenheid, veroordeling van geweld en foltering, afschaffing van de doodstraf, erkenning van de vrijheid van godsdient, onderwijs, vergadering en vereniging, aanvaarding van het recht op staking en echtscheiding. Extreem-rechts schilderde de grondwet af als marxistisch en goddeloos. Deson-

13


risme, dat jaarlijks meer dan honderd slachtoffers eiste. Ook kritiseerden de socialisten het trage autonomiebeleid en de inefficiënte aanpak van de economische crisis. Hun motie werd met 166 tegen 152 stemmen verworpen. 90k nam binnen de regering en de allesbehalve eensgezinde UCD de kritiek toe op het " personalisrno" van Suarez, zijn te sterke persoonlijke macht. In september 1980 kreeg zijn opnieuw gewijzigde en verrechtste kabinet op grond van een doelstellingenverkJaring weliswaar nog een vertrouwensvotum, maar eind januari 1981 trad Suarez plotseling af als premier en voorzitter van de UCD. Deze daad was geheel in stijl, want hij overrompelde met zijn persoonlijk initiatief vriend en vijand. Zonder verdere discussie schoof hij zijn vertrouweling Calvo Sotelo naar voren, die vooralsnog de eenheid in de UCD wist te bewaren. Zonder het leiderschap van Suarez zouden vervroegde verkiezingen uitermate riskant voor zijn partij kunnen zijn, zodat Calvo Sotelo zijn formateurschap succesvol afsloot.

Balans Koningjuan Carlol ttArot op 27 dtcembrr 1978 dt nituwt grondwtl.

danks bekrachtigde de koning op 27 december 1978 de nieuwe constitutie met zijn handtekening ter consolidering van de prille democratie. Het decor was gebouwd, het spel kon nu echt beginnen.

Nieuwe verkiezingen Suarez kondigde onmiddellijk vervroegde verkiezingen aan, omdat de "Constituante" door een legislatieve Cortes vervangen diende te worden. Tot terechte woede van de oppositie wijzigde de premier uit angst voor stemmenverlies de "gebruikelijke" volgorde door de parlementsverkiezingen te laten voorafgaan aan de gemeenteraadsverkiezingen. Bij de verkiezingen van 1 maart 1979 wist Suarez, die zich steeds meer ontpopte als steunpilaar van de zakenen bankwereld, maar groot gezag als architect van de nieuwe democratie genoot, opnieuw de overwinning te behalen . Hij kreeg derhalve een herbenoeming als premier. Tot hun teleurstelling eindigden de socialisten weer als tweede, terwijl nota bene de socialistische intellectuelenpartij van professor Tierno Galván, de PSP, in april 1978 omwille van de linkse eenheid in de PSOE was opgegaan. De PCE bleef gelijk, terwijl de voormalige AP, nu CD geheten, aanzienlijk wegzonk. De hoge scores van de radicaal Baskische partij Herri Batasuna en de Andalusische socialisten van de PSA vielen op. De eerste vrije gemeenteraadsverkiezingen sinds 1931 op 3 april 1979 leverden, mede door de gelegenheidscoalitie van socialisten en communisten, in vrijwel alle grote steden een overwinning van links op. Tierna Galván aanvaardde het burgemeestersambt in Madrid, terwijl de Costa del Sol voortaan als de Costa Roja, de rode kust, te boek stond .

De democratische verworvenheden zijn inmiddels stevig verankerd in de Spaanse samenleving. Grondwet, monarchie, vrije politieke partijen en vakbonden, liberalisatie in de pers, cultuur en moraal leveren het bewijs. Kleinere en grotere bedreigingen liggen niettemin op de loer. Vooral de cyclus van geweld en tegengeweld, op gang gehouden door met name de ETA, de GRAP 0, neo-fascisten en couptisten à la kolonel Tejero Molino, beangstigt bevolking en regering. Afkondiging van de noodtoestand leek begin mei 1981 zelfs niet onmogelijk. De constitutionele opstelling van de koning en het leger alsmede de massale manifestaties eind februari 1981 in de grote steden vóór de grondwet en vóór de democratie bieden echter een hoopvoller perspectief. Desalniettemin leeft bij grote delen van het volk teleurstelling over de te geringe resultaten van de democratisering. Veel verwachtingen waren misschien te hoog gespannen. AI is democratie geen wondermiddel, niemand kan blind zijn voor de negatieve sociale effecten van de voondurende economische crisis en het uitblijven van het verwachte lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen.

Oud.prt mitr Adolfo Suartz in zijn opvolg~r Calvo Sottlo.

Einde consensus Natuurlijk was de euforie en de harmonie uit de jaren 1977 en 1978 geen eeuwig leven beschoren. De verhouding tussen regering, vooral bezig met de invoering van organieke wetten, en oppositie vertoonde een steeds grimmiger karakter. Op 21 mei 1980 diende de PSO E de eerste motie van wantrouwen tegen een post-franco-regering in. Het kabinet-Suarez zou falen in de bestrijding van het terro-

14

In de Spaanse geschiedenis volgde lOt nog toe vooral vanwege een beangstigde middenklasse na een democratiseringsperiode onvermijdelijk een restauratie van het ancien régime. Dat de uiuondering de regel definitiefbevestige.

e.M. Nigten Drs. Nigten studeerde geschiedenis te Leiden en is momenteel werwam als leraar in het voortgezet onderwijs .


U na democracia vigilada: Spanje na de Ustaatsgreep"

Tijdens de stemmingen in de Cortès, het Spaanse parlement, over het regeerprogramma van de kandidaat-premier Calvo

Sotelo in februari j.l. , werd de vergaderzaal opgeschrikt door een luide explosie, gevolgd door een inval van de Guardia Civil, de paramilitaire politie in Spanje, onder leiding van luitenant-kolonel AIijandro Tejero de Malino. Deze overste Tejero, in de pers onder meer aangeduid als "kleurrijke houwdegen", "notoir rebel" en "potsierlijk officier", laU het

voltallige Spaanse parlement één lange nacht gegijzeld houden. Daarna was het afgelopen met de coup: Tejero gaf zich in de morgen van de 24e februari over. De regering-Calvo Sotelo werd kort daarna door koning juan Carlos geïnstal-

leerd, een grootscheepse demonstratie vóór de democratie in Spanje volgde en het operene-achtige gebeuren leek al gauw naar de achtergrond verdwenen.

Franquisten Toch bleek al spoedig na de afloop van de staatsgreep dat er eerder sprake was van een wpje van de ijsberg dan van een verdwaald en afkalvend schotsje: het eerste onderzoek naar de gebeurtenissen die uiteindelijk tot de staatsgreep

hebben geleid, deed zorgen rijzen over de realiteit in Spanje, zeker zoals die eruit ziet nu drie maanden later : inmid dels is vast komen te staan dat meer hoge officieren bij de

coup betrokken zijn geweest dan Tejero alleen, dat de putschisten in feite redelijk goed voorbereid het parlement binnentrokken, maar te elfder ure door hun medesamen-

zweerders in de steek zijn gelaten. Het is daarbij ook gebleken dat de " aanhang" van Tejero vooral gezocht dient

versterkt alleen maar de politieke betekenis van dit optreden en van deze eisen.

Politieke druk Van verschillende zijden is inmiddels aangegeven op welke wijze deze politieke druk zich daadwerkelijk heeft vertaald : meest saillante voorbeeld in dit verband is Tejero himself, die al eerder to t slechts 7 maanden gevangenisstraf werd veroordeeld wegens het beramen van een staatsgreep. be-

te worden onder de wat oudere militairen, vaak nog fran -

kend geworden onder de naam "het Galaxia (MeIAweg} -complot" in 1978. Na 7 maanden werd deze erkend complotteur geen strobreed in de weg gelegd om zijn oude functie

quisten-pur sang, zoals generaal Milans del Bosch , de

van overSte in de Guardia Civil weer op te nemen (met ane

commandant van Valencia, diens co llega's in Sevilla, Las

gevolgen van dien). Daarnaast werd ook in het geheel niet opgetreden tegen allerlei officieren (Milans del Bosch! ) die openlijk kritiek spuiden op het hervormingsproces in Spanje. En ook na de poging tOt staatsgreep zijn deze symptomen van politieke lijdelijkheid tegenover het leger in aantal toegenomen: de politieke atmosfeer in Spanje is duidelijk veranderd, verbe-

Palrnas en Valladolid, alsmede de vroegere bevelhebber van de Madrileense pantserdivisie Brunet, generaal Juste.

Deze laatstgenoemde generaal werd - na onthullingen over zijn betrokkenheid in het Spaanse dagblad " Diario16" -

alsnog ontslagen en later door Spaanse terroristen

(de GRAPD) gedood. Het is de vraag in hoeverre een dergelijke oudere toplaag in het leger en Guardia Civi! nu werkelijk een bedreiging

tering en modernisering van militair materieel werden in versneld tempo doorgevoerd, militairen van diverse rangen

kan vonnen voor de Spaanse democratie. Feit is in ieder geval dat in deze kringen nog fervente aanhangers van het

werden aanzienlijke salarisverhogingen toegekend, de persvrijheid in Spanje is al een enkele maal daadwerkelijk

Franco-regime te vinden zijn, gekant tegen de vrijheden

aangetast (het nummer van Diario- 16 met de onthullingen

die de Spaanse grondwet sinds het verdwijnen van Franco toestaat en die het nog steeds in omvang en betekenis tae-

over de rol van generaal juste werd door de Spaanse politie enkele uren lang opgehouden) en uiteindelijk wordt nu ook het leger tegen het terrorisme in Baskenland ingezet. In de Spaanse politiek wordt na de staatsgreep van Tejero

nemende terroristische geweld in Spanje als een dodelijke bedreiging van de Spaanse eenheidsstaat beschouwen,

waarvan zij zich als de verdedigers bij uitstek zien . juist ook aan dit terrorisme, vaak gekant tegen vertegenwoordigers van leger en politie, ontlenen deze oude franquistische strijders een alibi om regering en parlement onder druk te zetten en toch vooral hard en efficiënt op te treden tegen

vooral het Baskische geweld van de ETA. Dat deze beweging in de strijdkrachten daarbij ook wordt gesteund door allerhande rechtse elementen in de Spaanse samenleving,

bij vrijwel iedere kwestie in sterke mate rekening gehouden met de veronderstelde mening van de officieren terzake. AI

deze symptomen wijzen op een diepgewortelde, na Tejero's avontuur zelfs traumatische politieke angst voor het leger, een angst die even verklaarbaar als verwerpelijk is.

Deze vrees is verklaarbaar vanuit het besef dat tal van hoge militaire posten - zoals gezegd - worden bezet door vertegenwoordigers van het oude franquistische regime, ver-

15


Dt band twstrljuan Carlas tri het ltgtr ij Jtult..

tegenwoordigers die in het huidige, hervormingsgezinde Spanje te weinig mogelijkheden zien en krijgen om vooral met het terrorisme definitief af te rekenen en niet aflatende eisen blijven stellen om deze mogelijkheden alsnog te creĂŤren. Tegelijkertijd is deze politieke angst voor het leger verwerpelijk. althans voorzover deze angst wordt vertaald in lijdelijkheid en in allerhande pogingen van regering en parlement om de militairen niet tegen de democratie in het harnas te jagen. Men zou zich kunnen afvragen of een hardere aanpak van de militairen, vooral een aantal noodzakelijke zuiveringen in de legenop, uiteindelijk niet veel heilzamer is dan de omzichtigheid van nu die het leger alleen maar lijkt aan te moedigen. Een politiek commentator beschreef de oudere militaire garde in Spanje onlangs als Hverwende kinderen die hel snoepgoed van de vaderlandsliefde met niemand willen delen". Deze "verwende kinderen" met de fluwelen handsdIoen aan te pakken sluit nieuwe staatsgrepen door nieuwe Tejero's (of waarom niet dezelfde Tejero?) niet uit. Een democratie die voor die ontwikkelingen niet waakt en zich ertegen teweer stelt is geen "waakzame democratie", zoals premier Calvo Sotelo dat onlangs uitdrukte, maar een "bewaakte". Geen "democracia vigilante", maar een "democrada vigilada". In zo'n democratie duurt de gijzeling van regering en parlement alleen maar voort. Peter J. Mulder redacteur JASON -magazine

16

RECTIFICATIE In de voetnoten bij " Het IKV en de Kernwapens", geplaatst inJASONmagazine 1980 nr. 5, zijn twee vredeskramen die beide als "Vredeskrant 1970" zijn verspreid (in grote oplagen) door elkaar gehaald. De vredeskram 1970 waarvan in het begin van het artikel sprake is, is niet uitgegeven door het IKV, maar door de Stichting Vredesweek. te Rotterdam (het IKV zond wel een bijdrage in). De voetnoten dienen aldus te worden gelezen: Voetnoot I : Het IKV 1966-1972, p. 3 Vootnoot 8 : Het IKV 1966-1972, p. 12


De buitenlandse politiek van het ((nieuwe" Spanje "Die Aussenpolitik der Regierung, im Dienste des spanischen Volkes unrl der bleibende Interessen Spaniens hat rolgende

Haupttiele: Die Gewährleistung der Unabhängigkeit, die Stärkung und Garantie der Nationalen Sicherheit (. .. ) die Förderung der Entspannung und Abrüstung (... ) und sowie der Verteidigung und Schuttes des Menschenrechte" (I). Op zich lovenswaardige intenties, maar hoe denkt de Spaanse regering deze doelstellingen te verwezenlijken? Wat dit betreft is de Spaanse regering, zoals bijna iedere regering, voondurend bezig met het zoeken naar de juiste combinatie van beleidsintentie en beleidsuitvoering teneinde internationaal en nationaal enig aanzien te verkrijgen dan

wel te behouden. Juist voor Spanje vonnt dit een belangrijk facet, omdat er sinds 1975, na de dood van de Generalissimo, pas sprake is van een buitenlandse politieke intentie die meer omvat dan de ~'Iberisch-Amerikaanse" relatie (2).

Minister van Buitenlandse Zaken Oréja, die in september j.l. werd opgevolgd door José Perez Llorea, fonnuleerde tijdens de hierboven reeds aangehaalde rede de volgende parameters van de Spaanse buitenlandse politiek: "Es handelt sich (.. ol auf dem Glauben an Verhandlungen und Verständigung als Instrumente friedlicher Veränderung, auf der westlichen Opuon, auf der rur Spanien wesentlichen lbero-amerikanischen Dimension, uncl schiesslich auf dem Engagement fijr die internationale Zusammenarbeit, besonders im Hinblick aufLateinamerika und Afrika" (3). De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Perez Llorca, onderschrijft bovenvermelde beleidsprioriteiten : "Die Regie -

rungsumbildung bringt keine Änderung der Politik mit sich. Dies ist eine UeD Regierung und ich werde die gleiche Linie verfolgen wie meiD Vorgänger" (4),

In het kader van dit artikel zullen wij nader ingaan op de volgende uitgangspunten: I.

Het Westen

a. Atlantische gerichtheid b. Europese Gemeenschap c. Gibraltar d. De uFranco-lberische" politiek : de relaties met

Frankrijk en Portugal 11. Latijns-Amerika en Midden-Oosten 111. Afrika

nadruk die er officieel aan Spaanse zijde op wordt gelegd (zoals blijkt uit de hierboven weergegeven uitlatingen van minister Oréja), kennelijk in een eindstadium. De akkoorden zijn meermalen verlengd en telkens kwam zo'n verlenging moeilijker tot stand als gevolg van de steeds hoger

opgeschroefde financiële eisen van de Spaanse regering. Bij de laatste verlenging van het verdrag hebben de Amerikanen toegezegd de aan hun ter beschikking gestelde steunpunten van nucleaire wapens vrij te maken . Hiermee werd

in 1980 een begin gemaakt. De luchunachtbasis Torrejón bij Madrid alsmede de marinebasis Rota zouden reeds geen atoomwapens meer her-

De nadruk zal worden gelegd op "het Westen". Oreja spreekt hierbij van "eine klare Obtion", aangezien op dit terrein die buitenlandse beleidspunten zich · concentreren, waaraan de Spaanse regering, mede onder invloed van de gebeurtenissen van februari, absolute voorrang wil verlenen.

I. Het Westen a. AtlantiJche gerichtheid Twee elementen moeten we hierbij onderscheiden: ten eerste de relatie met de Verenigde Staten en vervolgens die tot

de NAVO. "Die wesentliche Dimension" wordt voornamelijk bepaald door de bilaterale akkoorden met Washington inzake samenwerking op defensiegebied. Deze akkoorden, die in 1976 al in een verdrag werden gebundeld, voorzien in hel gebruik door de Amerikanen van een viertal militaire bases

op Spaans grondgebied. Als tegenprestatie verplichtten de

bergen. Volgens gezaghebbende militaire k.ringen in Madrid zou een toetreding van Spanje tot de NAVO in de plaats dienen te komen van het bilaterale pact met Amerika, maar in hoeverre kringen binnen de regeringspartij een hiermee overeenkomstig scandpunt innemen valt niet met zekerheid

vast te stellen. Mocht de regering inderdaad besluiten bij toetreding tot het Atlantisch Bondgenootschap het bilaterale pact niet te continueren, dan zal "die wesentliche Dimension" van de Spaanse buitenlandse politiek "onwe-

zenlijk" geworden zijn.

Als tweede waarschijnlijk. belangrijkste element moet worden genoemd de relatie Spanje- NAVO. Minister Perez Llorca zei daarover ten overStaan van de vaste Kamercommissie van Buitenlandse Zaken van de Cortes: "With

regard to membership of NATO, I shall reaffinn here the pro-Atlantic position expressly stated by tbe party and the

Amerikanen zich tot het verlenen van financiële en militai-

Government. The issue, it is true, from the point of view of

re steun; bij de verlenging van de akkoorden in 1976 (in de VOrtn van een verdrag) bedroeg de geldelijke steun ongeveer 40 miljoen gulden. Het Spaans-Amerikaanse verdrag bevindt zich, ondanks de

foreign policy, ealls for progress to be made first on tbe Gibraltar issue and progress too in European integration

(. .. ). The Govemment therefore willlink its policy to tbese conditioning factors" (5).

17


Dt untt mÎni.sttr van Buittnland5t ZaJr.m van het "nituwe" Spanje, Orija Aguirrt .

In december 1980 verklaarde hij voor de Senaat dat Spanje voor 1983 wil toetreden tot de NAVO onder hetzelfde voorbehoud: er moeten substantiële vorderingen worden gemaakt in de EG-toetredingsonderhandelingen en in het Spaans-Britse overleg inzake Gibraltar. Wat hierbij opvalt is dat het voorbehoud is omgedraaid : eerst de EG en dan Gibraltar. Bij het bezoek van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Alexander Haig aan Madrid, medio april jJ., maakte premier Calvo Sotelo nogmaals duidelijk dat Spanje het NAVO -lidmaatschap ambieert, en na zijn ontmoeting kort daarna met Bondskanselier Schmidt in Bonn verklaarde hij nog dit jaar het beoogde lidmaatschap aan parlementaire goedkeuring te willen onderwerpen. Een duidelijk voorbehoud ter zake van de EG en Gibraltar ontbrak in zijn verklaring; dit keer bleef het bij de verwachting dat genoemde factoren geen belemmering zullen vormen voor de toetreding tot het Verdrag van Parijs. Terugkomend op de parlementaire goedkeuring; er zijn twee mogelijkheden : a. goedkeuring door de Cortes op basis van een enkelvou· dige meerderheid (de helft plus een); b. hetzelfde als onder a, maar nu met een gekwalificeerde meerderheid (tweederde meerderheid). Rest nog de methode van een buitenparlementaire goedkeuring door middel van een referendum. De regering opteert voor a, aangezien variant b als gevolg van het " nee" tegen de NAVO van Socialisten (PSOE) en Communisten (PCE) niet de vereiste meerderheid zal opleveren. Het houden van een referendum stuit bij de rege· ring op formele bezwaren, omdat zij dit niet in overeenstemming acht met de grondwet. Deze draagt de sluiting 18

van c.q. de toetreding tot verdragen op aan respectievelijk regering en parlement. De socialisten van Gonzalez vinden dat geen argument om af te zien van een referendum. Zij menen juist dat de grondslag van een toetreding tOt de NAVO ligt in een raadpleging van het hele Spaanse volk. Als dat ja zegt dan kan de regering tot sluiting van het verdrag overgaan, waarna parlementaire bekrachtiging kan plaatsvinden. De PSOE beschouwt het referendum als een noodzakelijke component van de gehele toetredingsprocedure. Mocht Calvo Sotelo besluiten dat Spanje op basis van een enkelvoudige parlementaire meerderheid lid van de NAVO wordt - en alles wijst er op dat het inderdaad zo zal gaan - dan zou bij een regeringswisseling (bijv. na een PSOE-overwinning in de verkiezingen in 1983) Spanje met een enkelvoudige meerderheid uit de NAVO kunnen treden. Gonzalez heeft al aangekondigd dat, wanneer de PSO E de verkiezingen van 1983 zal winnen, er in het geval dat Spanje dan deel uitmaakt van het Atlantisch Bondgenootschap, de dan aantredende PSOE-regering direct de NAVO vaarwel zal zeggen (met behulp van de " lichte" procedure, nJ. de enkelvoudige meerderheid). Het is natuurlijk niet zo dat de socialisten tegen de NAVO zijn, omdat in het toetredingscomplex het referendum ontbreekt. Er bestaan aan deze zijde enkele principieJe bezwaren. Hoofdbezwaar vormt het opgeven van de neutrale koers die kenmerkend dient te zijn voor de buitenlandse politiek : Spanje binnen de NAVO verspeelt al zijn kansen om een brugfunctie te kunnen vervullen tussen bijv. Euro· pa en de Latijnsamerikaanse landen waar Spanje zo'n speciale band mee heeft, of om een bemiddelingsrol te kunnen spelen in het Midden-Oosten en Afrika, dan wel een "trait d'union " te kunnen zijn tussen het Westen en de Beweging der Niet-gebonden Landen. Met de PCE van Santiago Carrillo onderstreept Phelippe Gonzalez het grote belang voor Spanje van het voeren van een buitenlandse politiek die het mogelijk maakt het land een internationale bemiddelingsrol van gewicht te laten spelen. Door de goede contacten met de Arabische wereld en de traditionele relatie met Latijnsamerika beschikt Spanje over mogelijkheden om zich op het internationale platform van enig reliëf te kunnen voorzien. Daar moet de Spaanse regering gebruik van maken ; maar door lid te worden van de NAVO verspeelt ze in de ogen van Gonzalez en Carrillo zo'n kans en maakt ze Spanje tot een zelfde satelliet van Amerika als ten tijde van Franco. Als bruikbaar alternatief voor de NAVO zien de socialisten de vorming van een Europese defensie-organisatie zonder de Verenigde Staten . Dit is voor hen een misschien een aardige gedachte, die evenwel in het licht van de opvattin· gen der NAVO-lidstaten weinig realistisch aandoet. We hebben gezien dat de VCD-regering voor toetreding is en socialisten en communisten tegen, maar wat is eigenlijk de mening van diegenen die rechtstreeks de gevolgen van een militaire integratie zullen moeten ondergaan ? In het Spaanse leger verheffen zich, vooral in de kringen van het beroepskader, stemmen tegen de door de regering gewenste toetreding. Vergeleken met de NAVO-strijdkrachten is de Spaanse krijgsmacht technologisch vrijwel onontwikkeld, met relatief veel soldaten en beroepsofficieren die al wat ouder zijn. Een en ander is mede het gevolg van de Burgeroorlog alsmede van het feit dat Franco, hoewel zelf generaal, zijn strijdkrachten in financieel opzicht als sluitpost gebruikte.


Onder de nationalistisch denkende officieren zijn er die menen dal Spanje zich belachelijk zou maken wanneer de srrijdkrachlen in de huidige opmaak aan gemeenschappelijke manoeuvres zouden meedoen . Het zijn in deze kring veeleer technisch militaire dan politieke overwegingen die bij de afwijzing van hel NAVO-lidmaatschap een rol spelen. De regering behoefl dan ook niel voor substantiële bezwaren in kringen van het leger te vrezen, maar zij zal het Spaanse leger zodanig moeten aanpassen dat hel in de ogen van de legerleiding zonder gezichtsverlies geïntegreerd kan worden. Spanjes lidmaatschap van de NAVO vorml op dil moment hel belangrijkste facel van de Spaanse builenlandse politiek. Calvo SOlelo zinspeelde hier al op tijdens hel bezoek van Alexander Haig aan Madrid : " Spanje zal eerder loerreden lOL de NAVO dan lOL de EEG". Hel is duidelijk : de Spaanse regering heefl haast. Volgens Gonzalez is deze haast hel gevolg van de druk die is uilgeoefend door Haig len tijde van zijn bezoek. Voor de Spaanse regering is hel vooral van belang de door haar ingevulde westelijke dimensie, le welen lid van NAVO en EG, geloofwaardig le

Spaanse loerreding. Hij merkle nl. op dal de EG, alvorens over verdere uitbreiding te praten, beter eerst intern orde op zaken kon stellen. Hij wilde, naar zijn zeggen, de Spaanse toetreding weliswaar niet in de weg staan, maar (en dal zei hij wijselijk niet) wel remmen. Waarom geefl die Spaanse toerreding juist wrijving in de agrarische sfeer? T.a.v. de EG als geheel belekent de Spaanse loerreding, gekoppeld aan die van Portugal en het reeds gerealiseerde lidmaatschap van Griekenland, een verscherping van de mediterrane problemen: overproduktie van wijn (van lage kwaliteit) en van olijfolie alsmede overschonen van groente en fruit en economische veeteelt. Spanje alleen al zal het aantal agrariërs en agrarische bedrijven in de EG met een derde lalen stijgen, terwijl de 36 miljoen Spanjaarden de voedselconsumptie met slechts 13%zullen verhogen. Het is duidelijk dal er in Brussel nog fors onderhandeld zal moeten worden om een uitweg te vinden tussen de scylla van met name mediterrane ongerustheid en de charybdis van Spaanse zakelijkheid.

Waarschijnlijk ongewild lij kl overste Tejero mel zijn medehebben over brugfuncties, lraits d'unions elc. als gevolg standers het onderhandelingsproces in positieve zin te van de uitgestippelde neutrale koers, terwijl zij aan de an- hebben beïnvloed toen hij zich voor een half etmaal heer dere kanl de Atlantische gerichtheid heel duidelijk wil be- en meester waand~ van het Spaanse politieke leven. Immers uil Brussel en de lidstaten zelf kwamen gelijkluidende nadrulc.ken en in daden wenst om te zetten. verklaringen over de positieve correlatie die er bestaat tusDe regering heefl duidelijk voor de "westelijke priorileil" . sen hel EG-lidmaatschap van Spanje en hel daar zo juist gekozen, omdal zij begrijpl dal Spanje voor wal belrefl de door de koning geredde democratisch bestel. Mel andere continuïteit van het eigen vigerende democratisch bestel woorden, de EG hechl aan een democratisch Spanje en zij gebaat zal zijn bij het "osmose" proces, dat immers inhebegrijpl dat er haast gemaakt zal moelen worden mel hel rem is aan het participeren in internationale insticuties. integratieproces terwille van die parlementaire democratie, aangezien die het best kan gedijen in een niet-geïsoleerd Spanje. Dal premier SOlelO dil heel goed aanvoelde bleek b. Europm Gtmtt7IJchap " European afTairs are firmly in the hand of Sr. Leopoldo al direct uit zijn regeringsverklaring toen hij zijn nieuwe Calvo SOlelo " schreef The Financial Times in augustus regering aan de Cortes ten tweede male presenteerde. Hij 1980. Zonder overdrijving: Calvo Sotelo is ook nu als pre- beloogde dal de nieuwe regering zich in de eerste plaats als taak had gesteld absolute voorrang te verlenen aan de uitmier - hij was tot voor kon Minister van Europese Zaken in de regering-Suarez - de "gangmaker" waar het de drukkelijke wil om de banden mel de democratische landen van Europa te verstevigen, lees: toetreden lOt de EG. Spaanse toetreding tot de Europese Gemeenschap in al Hel is nu aan de EG-lidstalen om daadwerkelijk de polihaar facetten berreft. Vanaf hel begin van de toetredingsonderhandelingen heefl tieke basis voor de loerredingsonderhandelingen le bevesCalvo SOlelo er bij de EG-lidstaten op aangedrongen tigen teneinde Spanje op kone termijn in hun midden te Spanje snel te laten toetreden tot het Verdrag van Rome. kunnen verwelkomen. De regering-Sotelo beschouwt het kunnen opereren (en T.a.v. de Atlantische en Europese gerichtheid van de functioneren ) binnen de struc[Uren van de Europese Gemeenschap als een basis-voorwaarde voor de o ntwikkeHng Spaanse builenlandse politiek zou ik afsluilend willen opvan een modern en op Europese leest geschoeid Spanje. merken dal hel lidmaatschap van de NAVO noch dal van ExaCl hetzelfde geluid valt le beluisteren aan Portugese de Europese Gemeenschap een garantie vonnt tegen staatsgrepen, zoals de gebeurtenissen in Griekenland en zijde, wanneer de Portugese integratie aan de orde komt. Calvo Sotelo, die Punsel Casals belastte met zijn oude por- Turkije voor wal de NAVO berrefl reeds hebben aangetefeuille, mi kl op een Spaanse loerreding vóór I januari toond. 1984, daarmede aangevend dal de EG zelf actief dient mee c. Gibraltar te werken aan hel vennijden van vertraging in de toetreHoewel de "linkage" lussen NAVO en Gibraltar, zoals dingsonderhandelingen. Op de keper beschouwd hebben deze onderhandelingen in naar voren gebracht in de verklaring van Perez L10rca over de periode 1979 tot 1980 weinig vooruitgang opgeleverd ; de relatie Spanje- NAVO , de laatste maanden niel zo sterk meer wordt benadrukt, vonnt de kwestie Gibraltar een vast met name aan Frans-I[aJiaanse kant bestonden er allerlei bezwaren die voor het merendeel betrekking hadden op de prestige-onderdeel van de Spaanse builenlandse politiek. agrarische sector. Te denken valt hier aan de massale Sinds Gibraltar in 1713 bij het Verdrag van Utrechl overFrans-Italiaanse boeren protesten in de zomer van 1980 ging in Britse handen heefl Spanje pogingen ondernomen tegen de import van Spaanse agrarische produkten. Een en hellerug te krijgen. Generaal Franco ging in 1969 over tOL een blokkade van de Rots nadal hel zoveelste diplomatieke ander zou mede een verklaring kunnen zijn voor de uitlatingen van de Franse president Giscard d'Estaing over de offensief om teruggave van Gibraltar op niets was uitgedoen zijn. Zij kan dus niet aan de ene kant de mond vol

19


lopen. Alle verbindingen tussen Spanje en Gibraltar werden verbroken, wat een isolement van nu al 12 jaar voor de bewoners betekende. In april 1980 leek het erop dat na bijna drie eeuwen van Spaans-Britse onenigheid een oplossing in zicht kwam voor het probleem Gibraltar. Lord Carrington en minister Oréja besloten toen en marge van een vergadering van de

Raad van Europa te Lissabon om voor 1 juli 1980 onderhandelingen te beginnen over de Rots. De onderhandelingen die in juli 1980 zijn begonnen, hadden in eerste instantie moeten leiden tot het opheffen van de blokkade door Spanje, te beginnen met het herstellen van de telefoon- en telegraafverbindingen. Tot nu toe is nog geen van de be-

-Portugal Decennia lang heeft de inter-Iberische relatie onder druk gestaan van het Spaanse superioriteitsgevoel. Dit is terug te vinden in een aantal bepalingen van het tussen Spanje en

Portugal gesloten Iberisch Pact uit 1939 (looptijd 41 jaar). De regering van premier Suarez vond het van belang dat een democratisch Spanje evenwichtige betrekkingen met Porrugal zou onderhouden; uit dien hoofde steunde zij ook het Portugese streven lid te worden van de EG, waarbij wellicht in Portugese ogen Spanjes toetreding tot de NAVO van belang was . Teneinde deze "evenwichtigheid" te bezegelen werd tijdens het officiële bezoek van het Spaans koninklijk paar aan Lissabon in 1978 een vriend-

oogde doelstellingen bereikt; men hoort trouwens niets meer over de Brits-Spaanse besprekingen.

schaps- en samenwerkingsverdrag ondertekend met een

Het Britse standpunt inzake Gibraltar komt erop neer dat men bereid is de Rots terug te geven aan Spanje, mits de Gibralteken zich in meerderheid vóór aansluiting bij Spanje hebben uitgesproken. De Spanjaarden willen hier niets

eerste van een Spaanse monarch sinds 1919 . "Dit verdrag vormt de basis van een nieuw tijdperk dat is

van weten , zij eisen de Rots op zonder voorwaarden voor-

af. Dit omdat Gibraltar naar hun opvatting deel uitmaakt van het Spaanse grondgebied, ondanks het Verdrag van Utrecht dat op tal van punten door Engeland niet werd nageleefd (6).

looptijd van tien jaar. Dit bezoek aan Portugal was het

aangebroken in de betrekkingen tussen beide landen", aldus koning Juan Carlos. President Eanes van Portugal legde vooral de nadruk op het " wederzijdse respect" als fundamentele factor van dit verdrag, wat na zo'n langdu-

rige asymmetrische verhouding begrijpelijk is.

Il. Latijns-Amerika en het Midden-Oosten Tijdens het premierschap van Adolfo Suarez mocht La-

d. De "Franco-lberiJche" politiek -

Relaûts met Fran",;JI!

Vooral ex -premier Suarez heeft zich ingespannen de relatie met Frankrijk in politiek en economisch opzicht uit te bouwen. Hij vond voor wat betreft de toetreding tot de

EG een onwillige president Giscard op zijn weg. Deze was wel bereid de Spaanse wensen te onderschrijven maar niet te ondersteunen in het EG-overleg. Spanje schijnt zich hierbij te hebben neergelegd, wat ook blijkt uit de eerste prioriteitsstelling van het NAVO -lidmaatschap door de Spaanse regering. In politiek opzicht staat het door Parijs gevoerde en te voeren beleid met betrekking tot de ETA-activisten die

tijns-Amerika zich verheugen in een persoonlijke interesse van de regeringsleider, die de traditionele banden met dit

vooral in historisch opzicht zo belangrijke gebied op korte termijn wilde aanhalen.

Hij zag voor Spanje een belangrijke bemiddelingsrol weggelegd op zowel economisch als politiek terrein, temeer

omdat het nieuwe Spanje er blijk van had gegeven dat een betrek.kelijk snelle overgang van dictatuur naar democratie

zonder grootscheeps bloedvergieten kon plaatsvinden . Iets dergelijks maakte indruk en leverde derhalve prestige op. Het stond voor Suarez vast dat de gemeenschappelijke taal

Premier Suarez zag eind 1979 kans, na herhaaldelijk aan-

en cultuur de Spanjaarden geschikt maakten als gesprekspartner in een werelddeel waar persoonlijke relaties veelal een heel bijzonder rol spelen. Vele reizen werden door diverse regeringsvertegenwoordigers ondernomen en ook premier Suarez zelf bracht een reeks bliksembezoeken aan

dringen van minister Oréja en zelfs van koning Juan Carlos, de Fransen te bewegen de vluchtelingenstatus op te

moet Cuba worden genoemd, waar hij als eerste westerse

vanuit Frans Baskenland Spanje binnendringen, centraal.

diverse landen in de door hem zo geliefde regio. Hierbij

heffen voor alle in Frankrijk verblijvende Basken, die zich

regeringsleider een officieel bezoek bracht aan Fidel Castro

al sinds hun verzetsacties tegen het Franco-regime als politiek vervolgden beschouwden en die voor het overgrote deel in de Frans- Baskische provincies waren ondergedoken. Premier Suarez wist de Fransen te overtuigen van de

om deze vervolgens direct uit te nodigen voor een tegenbezoek, dat overigens al in 1979 had moeten plaatsvinden . Eveneens werd Ecuador bezocht, waar hij mede-ondene-

betrokkenheid van tal van Franse Basken bij de ETA-terreur ; hij schijnt zelfs aan premier Barre een lijst te hebben overhandigd met 150 namen van mensen van wie de betrokkenheid bij overvallen, aanslagen en ontvoeringen "onomstotelijk. was komen vast te staan".

Door de opheffing van de vluchtelingenstatus verplichtte Frankrijk zich de " Frans-Baskische" ETA-terreur daadwerkelijk te gaan bestrijden. Ondanks de Franse toezeggingen overheerst aan Spaanse

zijde de scepsis over het bereikte resultaat. De bestrijding van de ETA vereist meer politiek overleg met Frankrijk, maar de Q.uai d'Orsay voelt daar weinig voor, aangezien een te nauwe samenwerking met Spanje op dit gebied ongerwijfeld problemen zal opleveren in de Frans- Baskische provincies. 20

kenaar was van de Verklaring van Q,uito (7) . Suarez wilde Spanje actief laten deelnemen in het economisch integratieproces van de Latijnsamerikaanse landen. Dit proces verloopt overigens zeer moeizaam, waarbij het

voor dit doel opgerichte Andino- Pact, waar Spanje als waarnemer optreedt. moeilijk als toereikend kan worden beschouwd voor het bevorderen van een intra-regionale samenwerking van betekenis.

De voor Spanje weggelegde brugfunctie, wanneer het is toegetreden tot de Gemeenschap, tussen EG en de Latijnsamerikaanse landen zal door het nationalisme en de ideologische tegenstellingen aan "Latijnse" kant niet van grote

feitelijke betekenis kunnen zijn. Hetzelfde kan worden gezegd van de Cepal, de Raad voor Economische Samenwerking van Latijnsamerikaanse landen, waar Spanje sinds enige jaren lid van is.


Politiek gezien achue de Spaanse regering het in 1916 van belang Spanje een zo neutraal mogelijk imago te verschaffen, teneinde te kunnen fungeren als een geloofwaardige bemiddelaar. Naast Latijns-Amerika dacht men hierbij evenzeer aan het Midden-Oosten en Afrika. Om zijn neutrale koers extra te benadrullen nam Spanje als gast officieel deel aan de conferentie van Niet-gebonden Landen, die in de zomer van 1919 op Cuba werd gehouden (9). Het jaar 1919 vormde het hoogtepunt van de actieve Latijnsamerikaanse politiek, alsmede van de neutrale gerichtheid van de Spaanse buitenlandse politiek. In 1980 bleek al snel dat de premier wat al te hard van stapel was gelopen bij het "promoten" van Spanjes rol als bemiddelaar. Te denken valt hierbij aan de negatieve reacties in Argentinië en Brazilië die volgden op de steun van Spanje aan de Sandinistische Revolutie, aan het bezoek. van Suarez aan

Castro dat evenmin veel weerk.lank vond bij de grote Zuidamerikaanse landen, en aan de abrupte wijze van het verbreken der diplomatieke betrekkingen met Guatamala na ontruiming van de Spaanse ambassade waarbij 39 doden vielen. Al deze "acties" doorkruisten de katalysatorfunctie van

Spanje ten gunste van het "ontdooiingsproces" van talrijke Latijnsamerikaanse dictaturen. Wij zagen reeds dat de door Spanje gevolgde neutraliteit op buitenlands politiek terrein tot uiting kwam in onder meeT het deelnemen aan de conferentie van Niet-gebonden Landen te Havana. De Spaanse regering gaf aan de ingezet-

te koers nog meer gewicht door PLO-leider Jasser Arafat officieel te omvangen in Madrid, waarmee zij hoopte een bemiddelende rol van betekenis te kunnen gaan spelen in het Midden-Oosten conflict. In aansluiting op het bezoek van Arafat reisde premier Suarez medio 1919 naar een aantal landen in het Midden-Oosten, om vervolgens op speciaal verzoek van president Caner naar Washington te gaan voor spoedoverleg op het Witte Huis. In vele ogen bleek hieruit de invloedrijke positie die Spanje onder leiding van premier Suarez in de internationale arena begon in te nemen. Een taak voor Spanje in het Midden -Oosten

conflict leek zeer goed denkbaar: Spanje onderhield immers uitstekende relaties met de Arabische landen, hetgeen voor een belangrijk deel was te danken aan het feit dat het evenals Griekenland geen diplomatieke betrekJUngen had met Israël. Aan de andere kant waren de Spaans-israëlische betrekkingen ondanks het ontbreken van diplomatieke betrekkingen redelijk te noemen; de Spaanse regering deed nl. geen uitspraken aan het adres van Jeruzalem. Toch bleef de "follow-up" van Suarez' missie naar het Midden-Oosten en Washington uit en in 1980 werden van Spaanse kant hoegenaamd geen Midden-Oosten initiatieven ondernomen.

III. Afrika Ten aanzien van Afrika richt het Spaanse beleid zich hoofdzakelijk op het probleemgebied de voormalige Spaanse Sahara. De pogingen van de regering om ook hier een neutrale koers te volgen hebben haar tot nu toe naar het lijkt meer verlies dan winst opgeleverd. Spanje wenst geen partij te kiezen in het conflict tussen Marokko, het Polisario (het bevrijdingsfront van de Spaanse Sahara) en Algerije. dat het Polisario steunt. Minister Oréja verklaarde daarentegen in augustus 1979,

nadat premier Suarez gesprekken had gevoerd met de Secretaris-Generaal'van het Bevrijdingsfront, dat Spanje het Polisario erkende als enige vertegenwoordiger van het volk van de voormalige Spaanse Sahara. Deze stellingname was geheel in strijd met het drie-partijen akkoord inzake de Spaanse Sahara van 1915, waarbij de Spaanse regering de soevereiniteit over de voonnalige kolonie overdroeg aan Marokko en Mauretanië. Oréja zei voorts dat Spanje niet zou overgaan tot een volledige erkenning van het Polisario, laat staan van de door

het Bevrijdingsfront in het leven geroepen Democratie Arabische Republiek Sahara. Het gevolg van deze dubbelzinnige opstelling was dat Marokko Madrid het verwijt maakte dat het een andere uitleg gaf aan het akkoord van 1915 dan toen dit werd gesloten. Het Polisario nam de Spanjaarden bovendien kwalijk dat zij niet wilden overgaan tot een werkelijke erkenning. Met andere woorden,

de Spaanse regering lijkt zichzelf in het Sahara-conflict buitenspel te hebben gemanoeuvreerd.

Tot slot De gesignaleerde neutrale gezindheid van de Spaanse buitenlandse politiek begint sinds 1980 meer en meer plaats te maken voor een Atlantische; een neulralere en Atlantische politiek kunnen nu eenmaal niet samengaan. Door de negatieve gebeurtenissen binnenslands, van waaruit direct

gevaar dreigde voor de democratie in Spanje. verplichtte de Spaanse regering zich duidelijk een keuze te maken. De keuze voor de NAVO heeft de marges van Spanjes positie in bet buitenlandse politieke gebeuren versmald: geen "geflirt" met de Niet-gebonden Landen, geen HAlleingang" ten aanzien van de Latijnsamerikaanse landen, geen pres-

tige verwervende rol in het Midden-Oosten en Afrika. Premier Suarez heert altijd gepleit voor een zo breed mogelijke oriëntatie van de buitenlandse politiek; hij was de actieve vormgever van het uitgestippelde beleid inzake Latijns-Amerika en bet Midden-Oosten. Hij beloofde dat er binnen dit beleid ruimte was voor een pro-Atlantische opstelling. Toch bestond bij hem en zijn "uitvoerder" Oréja

21


aaneling over de uitvoering van dat voorgenomen beleid. Het gevolg hiervan was een buitenlandse politiek die kan worden gekenschetst als een mengsel van emotionele motieven - zoals de historische banden met Latijns-Amerika - en van praktische motieven, zoals de betrekkingen met Europa. Minister Perel L10rca mag dan wel hebben verklaard dat de Spaanse buitenlandse politiek op dezelfde wijze zal worden voortgezet als onder zijn voorganger bet geval was, maar bet is evident dat Calvo Sotelo een zeer pragmatische politiek zal moeten voeren om isolering van Spanje te voorkomen. Hierbij lijkt een "neutrale" buitenlandse politiek geen haalbare kaart te zijn. Mr. K.V.A. van Spronsen MI". Van Spron$('!n is werlzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij het Bureau West- en Zuid-Europa. Hij geeft hier slechts zijn pel"SOOnlijke opvattingen weel".

Noten 1. Rede van de toenmaJige Minister van Buitenland$('! Zaken, Marcellino Oréja Aguirre, voor het Koninklijk Instituut voor Internationa1e betrekkingen in Brussel op 10 september 1979 (Europa-Archiv, nl". 21, 10- 11 - 1979).

2. Franco's Minister van Buitenlandse Zalen, Castiella schreef na IS jaar als chef van de Spaan$('! diplomatie dienst te hebben gedaan : "Spanje

ziet zich beperlt tOl de 1"01 van satelliet, er bestaat eenvoudigweg geen Spaan$('! buitenlandse politiel" . S. Vide noot I. 4. Sánchez-Gij6n : Spanien als Ga5tgeber des .zweiten KSZE-Folgetrdfens (Eul"Opa-Archiv, nr. 20, 25-10-1980). 5. Verklaring voor de vaste Kamercommissie van Buitenlandse Zaken van de Cones door de Spaanse Minister van Buitenlandse Zaken, José Pedl"O Pertt-L1orca op 2S oltober 1980 ( uitge~n in het Engels door "Oficina de lnfonnacion Diplomatica, Madrid 1980). 6. Het verdrag stelt o.m. drie nadrullelijle voorwaarden : dat het eigendomsrecht over de vesting en haven van Gibraltar "zonder enige territoriale jurisdictie" afgestaan werd, dat de Rots gttn enlele open land verbinding met het omliggende Spaanse gebied zou hebben ; en dat Engeland als het zich ooit van het eigendomsrecht van Gibraltar wilde ontdoen, dit in eerste plaats aan Spanje diende aan te bieden. De Spaanse regering Stelt zich op het standpunt dat Engeland zich nooit heeft gehouden aan deze verplichtingen. Zij wijst er hierbij op dat Engeland zonder enige territoriaJe jurisdiaie een vliegveld en een grensmuur bouwde op het " niemandsland". Ool de communicaties die Spanje in 1969 verbrak, hadden volgens het Verdrag van Utrecht nooit mogen bestaan. (NB : van Britse zijde is heftig gq)l"oteSu:ud tegen deze blokkade.) 7. Verllaring van 11 augustus 1979 waarin o.a. wordt gespl"Olen over het belang van de democratie voor Latijns-Amerik.a en die werd ondertekend door Venezuela, Colombia, Ecuador, Bolivia, Peru en Spanje. 8. Het Andino-Pact behoort lOt het meest vergaande integratiescbema in het huidige Latijns-Amerik.a. Het is voongelomen uit het in 1968 gesloten alloord van Cartagena tussen Chili, Colombia, Peru en Bolivia, waaraan in 1975 Venezuela werd toegevoegd . 9. Dikwijls wordt geneld dat Spanje hieraan deelnam als waarnemer. Dit is echter onjuist omdat de Spaanse delegatie aJleen mocht meeluisteren doch niet meepraten, wat waarnemers op de NGL conferentie wel is toegestaan.

De unationalismen" binnen de Spaanse natie Het is begrijpelijk dat van buiten af gezien het schouwspel van elkaar bestrijdende nationalismen irritatie opwekt en dat buitenlanders uitroepen: "Bij God! Het zou tijd worden dat die Spanjaarden bij zinnen kwamen en eindelijk eens samen gingen werken voor hun vaderland!" En het is heel goed mogelijk dat dit soort uitroepen gehoord wordt uit de mond van linkse of gewoon democratische, liberale en progressieve mensen. En dat terwijl in Spanje zelf dit soort geluiden altijd gekomen zijn uit de ultra-rechtse hoek, van anti-democratische, anti-liberale en fascistoïde elementen. Want wat buiten kijf staat is dat de Spaanse geschiedenis steeds beheerst is door de strijd tussen het onverdraagzame en obscurantistische Spanje, voorvechter van de eenheid, en het Spanje dat openstaat voor de vooruitgang en de vrijheid, voorvechter van hetfederaliJme. In de term "federalisme" verzamelen wij voorlopig alles wat zich tegen het opgelegde unitarisme verzet. Maar laten wij eerst de titel verklaren. Men pleegt, vooral buiten Spanje, elke autonomistische beweging aan te duiden met de term "regionalisme", vooral die van Catalonië en het Baskenland, als zijnde de meest bekende. Maar hoewel deze twee bewegingen altijd het meeste rumoer hebben veroorzaakt en nog steeds veroorzaken, moet men vooral bedenken dat zij niet de enige zijn. Het zijn ook niet de enige twee streken met een historisch gegroeid eigen en verscheiden karakter. Want dat is de enig juiste definitie van een "nationaliteit" . 22

De term "región" (in " regionalisme" ) is ofwel te beperkt ofwel te uitgebreid: het wordt gebruikt voor het aanduiden van een zone met bepaalde kenmerken (wat landbouw, ecologie, geologie, landschap etc. betreft) binnen een na tionaliteit; ofwel het wordt gebruikt in internationaal verband voor het aanduiden van een groep nationaliteiten als naties binnen een continent. Maar altijd heeft de term een zuiver geografische ondertoon. Een nationaliteit is daarentegen een historisch-culturele formatie. Zo kunnen wij in de Nederlanden verscheidene " nationaliteiten" onderscheiden, zoals Friesland, Holland en Vlaanderen . Over regio's kan dan binnen b.v. Holland gesproken worden : polderland, rivierenland, of de Zaanstreek, de Randstad ete. .. . Het vreemde is dat Nederlanders zich er soms over verbazen dat de Catalanen, om wat te noemen, als nationaliteit zelfbeschikkingsrecht nastreven . Maar Catalonië heeft ongeveer dezelfde oppervlakte als Nederland, en niet ten onrechte zijn de Nederlanders er trots op zich indertijd onafhankelijk te hebben gemaakt van Spanje. Zelfs de meeste Vlamingen, die met de Nederlanders dezelfde taal en literatuur delen, zijn trots op hun onafhankelijkheid en zouden niet graag weer bij Holland ingelijfd willen worden. Ik denk dat men in Nederland het Vlaamse streven naar autonomie beter begrijpt dan het Catalaanse. Waarom ? Catalonië is als taalgebied en nationaliteit, en ook als staat en democratie aanzienlijk ouder dan Nederland, want als


het eerste begin van parlementarisme in Nederland uit 1464 stamt, is Barcelona met zijn collegislatieve "Corts" (Catalaanse Staten-Generaall bijna twee eeuwen eerder (1280), waarna in 1359 al diezelfde Cons de uitvoerende en wetgevende macht verkrijgen, met de vorming van de "Ceneralitat" .

elfde lOt de dertiende eeuw onder de Kaliefen van Córdoba het middelpunt van de Westerse beschaving, maar later min of meer gelc.oloniseerd door Castiliê; of hetlc.oninlc.rijlc. NavaITa, dat zich vandaag meegesleept ziet door het dynamische Baslc.ische nationalisme; of het Ic.oninlc.rijlc. Aragón, dat in naam Catalonië besloeg, maar in feite meer Catalaans was dan Aragonees, etc. etc.

Nationaliteiten van het Iberisch Schiereiland

Laten we, om weer orde op zaken te stellen, nog eens herEr zijn op het Iberisch Schiereiland 15 historische regio's, halen wat onze definitie van nationaliteit was: historische ofwel min of meer potentiele nationaliteiten. Op dit moregio met een eigen en Ic.enmerlc.end lc.aralc.ter. In deze zin is ment zijn het er de facto en de jure slechts 3: Portugal, er nauwelijks een eigener en kenmerlc.ender streek dan het Catalonië en Baskenland. Men moet zich er niet over ver~ Baskenland. En het bewijs daarvoor is dat het tweemaal bazen dat ilc. Portugal op eenzelfde lijn stel als Catalonie of officiele autonomie verkregen heeft: in 1936 en in 1980. Euslc.adi (zoals het Baslc.en!and door de Basken wordt geNog een voorbeeld: naast Catalonië en Valencia maken noemd). Historisch gezien is de vortning van een PortU- ook de Balearische Eilanden deel uit van het Catalaanse taalgebied. Maar ook zijn er belangrijlc.e verschillen (het gese staat een toeval geweest, zoals de niet~vorming van b.v. een Catalaanse; ofhet feit dat Galiciê bij Spanje hoort feit dat het om eilanden gaat, een zeer oude cultuur, andeen niet bij Portugal, terwijl de Galicische taal tot het Por- re raciale componenten etc.). En als wij ujlc.en naar de tugees staat als de Vlaamse taal tot de Hollandse. Tensloue andere Spaanse eilandengroep, de Canarische Eilanden, heeft Portugal lange tijd bij Spanje behoord ("Provincia zijn nog meer verschillen op te merken. Niet voor niets Hispania Ulterior + Lusitania"), en zelfs de grootste Por~ bevinden deze eilanden zich dichter bij Afrilc.a dan bij tugese dichter, Camóes, heeft het over zijn landgenoten als Spanje, wat onderstreept wordt door een steeds sterker "Spanjaarden" ("espanhois"). Men zou hier Ic.unnen op- wordende onafhankelijkheidsbeweging. merlc.en dat het wellicht juister zou zijn de naam SPanje te Tenslotte zijn historische regio's wat ze zijn, niet alleen gebruilc.en voor het hele schiereiland dat men IbtriJch door een gescheiden historische en geografische ontwilc.lc.enoemt, want al sinds de prehistorie werd de naam "Span~ ling, maar door het besef die te hebben, een besef dat je" of "Spanjes" (HiJpaniae) in deze zin gebruikt, terwijl groeiende is. Typerend daarvoor is Aragón, een streek die grote delen van het Schiereiland nooit "Iberisch" zijn getot voor kort in andere streken beschouwd werd als Castiweest, d.w.z. nooit bewoond zijn door Iberiërs. liaanser dan Castiliê. En toch is de laatste tientallen jaren Goed, dat Cataloniê, Euslc.adi en Galiciê 3 nationaliteiten (afgezien van een eerdere beweging van Aragonees zelfzijn die als zodanig zijn erkend tijdens de Tweede Repu- bewustzijn rond de eeuwwisseling) een autonomistische bliek en nu weer, d.m.v. toekenning van officiële auto~ beweging ontstaan die op het punt staat ook voor de drie nome status (Galiciê in beide gevallen wat later dan de Aragonese provincies het autonomie-statuut te bereiken. anderen), wil nog niet zeggen dat er niet méér historische En nu we toch al melding hebben gemaalc.t van Castiliê als regio's zijn die ook een dergelijke erkenning zouden wen~ symbool van het centralisme, loont het de moeite hier een sen. In de meeste gevallen gaat het om regio's die tijdens ogenblik bij stil te staan om de misverstanden die hierover de Middeleeuwen zelfstandige Ic.oninlc.rijlc.en zijn geweest. bestaan uit de weg te ruimen. Dat feit op zich zou al voldoende rechtsgrond zijn voor zelfbestuur. Maar in de pralc.tijlc. is het als argument niet voldoende. Sommige gebieden zijn geen Ic.oninlc.rijlc. ge- Het centralisme is Madrid, niet Castilië weest, ondanks hun eigen nationale lc.aralc.ter (b.v. het Baskenland). Maar het voornaamste is dat alleen dit histo- Het is in de Spaanse '''periferie'' een veel gemaakte fout, rische argument de zaken zeer ingewilc.lc.eld zou maken: vooral door mensen die in de autonomistische strijd be~ Castilië, dat eens niet meer was dan een deel van het West~ trokken zijn, om de Castilianen hun centralisme kwalijk te gotische koninkrijk "Léon", en later een "Léon" dat niet nemen, terwijl de geschiedenis ons leert dat het juist die veel meer is dan een deel van Castiliê ; of Andalusiê, van de Castilianen waren die opstonden tegen het cenrralisme van Karel V, en dat het Castilië van graaf Femán González een redelijk democratisch bestuur kende. In feite zijn de Castilianen altijd de eersten geweest die het slachtoffer van het centralisme werden. Het waren d~ Castiliaanse "COrtes" die eerst werden afgeschaft en de Ic.oninlc.lijke belastingdruk woog op Castilie altijd het zwaarst. De ware centralisten, die aan de andere ex~koninkrijken hun absolutisme en centralisme opdrongen, waren eerst de Habsburgers, en later de Bourbons. Zij ontnamen in de loop der tijd alle historische regio's hun autonome rechten (Ufueros" ), tol tensloue, tegen de wil van alle Spaanse vollc.eren, de Staatseenheid was bereikt. De Eenheid, die droom van alle koningen en keizers, en van alle politici en dictators! Maar een afgedwongen een~ heid lc.an geen ware eenheid zijn. Dat is wat buiten Spanje vaalc. niet wordt begrepen, zo min als de on-Spaanse Ic.oning Philips 11 begreep waarom die Ic.oppige Nederlanders Gtm4JAtTde ETA -udm liJdnu un PtTJlmiftTrnlit. zijn eenheid niet wilden. Het punt is, dat Spanje in het 23


De ramp van het unitarisme

enkelvoud in feite niet bestaat. Het Spaanse wapen draagt het opschrift "Una, Grande y Libre" (Een, Groot en Vrij), maar de werkelijkheid is dat een groot (in de culturele zin) en vrij Spanje niet kan bestaan als het gedwongen wordt

De Spaanse tragedie voltrekt zich met de plotselinge unitaire manie die bij Isabella en Ferdinand ("los Reyes CatóIicos") begon, die een algemeen verschijnsel werd met Karel V (men bedenke dat hij geen Spanjaard was) en die zijn droevig hoogtepunt vond onder de Bourbons (van Philips V - 1700 - tot Alfons XIII - 12 april 1931 - ). Als goede Fransen waren de Bourbons centralistisch tot op het merg. Zij maakten snel een eind aan de weinige "fueros" die de Habsburgers hadden overgelaten, en daarmee tevens aan alle formele trekken van de politieke pluraliteit van de volkeren van Spanje. Om de essentie van de Spaanse geschiedenis te begrijpen moet men drie dingen in het oog houden : het municipalisme, het cantona/isme en hetJoralismt. De politieke basis-eenheid is in Spanje altijd het " municipium" geweest, de gemeente. Vandaar dat in de Spaanse Middeleeuwen het regime niet feodaal was, maar "municipaal". De afwijzing van te grote politieke eenheden blijkt al vóór de Romeinen, als Strabo de Spanjaarden "moeilijk mengbaar" (dYJtpimylUoi) noemt. In de Romeinse tijd was Hispania verdeeld in provincies. Onder de Arabieren ontstaat meteen een onafhankelijk Califaat dat uiteindelijk versplinterde in

één te zijn. Met die absolutistische en monolitische Spaanse monar-

vele zogenaamde "taifas'\ kleine koninkrijkjes (vaak nog kleiner dan provincies), In de lIReconquista" vonnden zich

chie correspondeerde een kunstmatig hof als Madrid. In Madrid is altijd politiek gepleegd tegen de rest van Spanje,

de reeds vermelde Christelijke Koninkrijken. De " fueros " tenslotte, d.w.z. het gewoonterecht dat in elke streek of elk koninkrijk in de loop der tijden was ontstaan, met bepa-

Castilië incluis. Madrid was, en is nog steeds, de admini-

stratieve regeringsbunker, in handen van de grootgrondbezitters, grootindustriêlen, hoge geestelijkheid en hoge legerofficieren, allen losstaand van de rest van de natie, binnen een circuit waar alleen orders uitkomen. De stem

des volks dringt hier maar zelden door, aangezien het Spaanse volk Madrid, of liever gezegd het Madrileense Hof, veracht.

lingen omtrent privileges tegenover de koning en omtrent

de bescherming van dorpen en steden tegenover andere, deze " fueros" nu zijn altijd van het grootste belang geweest. Zelfs een zo reactionaire beweging als het Carlisme is te verklaren vanuit het belang dat het Carlisme aan dit

punt hechtte. Vandaar dat het zijn grootste aanhang vond in de so-ek.en met de grootste forale tradities : Navarra en

GORA EUZ

"uw BtuJrtnJand"

24


het Baskenland, en Aragon en Catalonië in mindere mate. Maar door de fueros met een pennestreek af te schaffen betekende dat nog niet dat zij voor altijd waren verdwenen. Men denke aan de golf van autonomistische eisen in alle Spaanse regio's, volgend op de dood van de Grote Eenmaker op 20 november 1975. Zonder die funeste eenheidsmanie had de traditie van coexistentie van drie godsdiensten op Spaanse bodem voortgezet· kunnen worden. Acht eeuwen lang leefden christenen, moslims en joden in Spanje zij aan zij. Koning Alfons X de Wijze schreef poëzie in het Galiciseh, rechtsteksten in het Castiliaans, en zijn beroemde Vertalersschool van Toledo maakte alle Hebreeuwse en Arabische middeleeuwse wijsheid, plus nog de klassieke Grieks-Romeinse, toegankelijk voor Europa. Maar als gevolg van de eenheidsmanie werden Joden en Moren het land uitgezet, wat een beslissende factor is geweest voor het verval van Spanje. En, tenslotte, als die manie er niet was geweest, dan was Spanje niet het land geweest met de slechte naam van Inquisitie, van de absolute Monarchie en van de strikste scholastiek in het onderwijs. Want erger nog dan de Inquisitie is het kerkelijke monopolie in het onderwijs geweest, dat elke vorm van wetenschap verstikt heeft en elke vrije gedachte de mond gesnoerd .

verantwoordelijkheid van elke federatie te waarborgen en tegelijkertijd voldoende coördinatievermogen bezit om de samenstellende volkeren solidair met elkaar te maken, in plaats van rivaliserend. Het huidige gouvernementele autonomisme zoals dat in Catalonië en Baskenland bestaat, neigt daartoe. Van de syndicale infrastructuur tot de nationale politieke suprastructuur zou mijn model dat van de "Confederación Nacional del Trabajo" zijn, de vakbond met een zo rijke historie, die model staat voor het inherente federalisme van het Spaanse volk. De Confederatie werd, zoals de naam al zegt, van laag naar hoog bestuurd vanuit geconfedereerde federaties op gemeentelijk niveau, vandaar naar de streek, dan de historische regio, en tenslotte het overkoepelende orgaan op landsniveau, dat men Nationaal Comité, Centrale Raad of Federale Regering kan noemen. Op deze wijze denk ik dat een eenheid tot stand zou kunnen komen op een gezonde basis: dat wil zeggen, een eenheid die haar innerlijke verscheidenheid respecteert, of, zoals de grote Catalaanse staatsman Nicolai d'Olwer het heeft gezegd: "Een verscheidenheid die lot uitdrukking komt in een verlangen naar eenheid, met onmogelYJt.heid van amalgaam. n Dr. Frandsco Carrasquer Dr. Carrasquer, hispanist, was

Een laatste opmerking

tol vo or kon werkzaam bij het Instituut voor Spaanse Taal - en Letterk.unde van de Rijk.suniversiteit Leiden

Over het algemeen bestaat er weinig begrip voor de Spaanse nationalismen. Er wordt geloofd dat het doel waarnaar de nationale bewegingen streven, onafhankelijkheid is, los van de rest van Spanje. Dit is niet het geval. De kwestie Portugal was meer een dynastieke zaak, gekoppeld aan een gebrek aan tact van de kant van het Spaanse koningshuis, Philips II voorop. Maar op Portugal na, wat een gedane zaak is (hoewel het jammer blijft, aangezien ik behoor bij degenen die vinden dat de ideale hoofdstad van Spanje ("Iberië") Lissabon zou zijn), hebben wij de twee duidelijke voorbeelden van Catalonië en Baskenland. Ondanks het nationalisme dat in beide streken al eeuwen broeit, heeft men elke keer dat men zich van Spanje kon losmaken, dat niet gedaan. Tot twee maal toe heeft zich bijvoorbeeld de gelegenheid voorgedaan voor het Baskenland en Catalonië om zich aan te sluiten bij Frankrijk (tijdens de Napoleontische periode en in de Spaanse Burgeroorlog). En ook vandaag de dag, ondanks het geweld van ETA en de extreme polarisering van de Baskische zaak, gelooft niemand serieus in een onafhankelijk en autarkisch Euskadi, net zo min als in Catalonië die mogelijkheid ooit echt overwogen is.

Mijn eigen conclusie Als men mij toestaat te eindigen met een persoonlijk oordeel, moet ik zeggen dat ik geen voorstander ben van geïnstitutionaliseerde nationalismen zoals die nu beginnen te werken in Catalonië en Euskadi, met hun hele systeem van regering en parlement, bureaucratie e.d. Hierdoor worden ze een Staat in de Staat, met de kosten die dat met zich meebrengt, alsmede door de complexiteit en het gevaar voor politieke machinaties van politici, waardoor de kloof met het volk wordt vergroot en een rigide en star politiek apparaat ontstaat. Ik zou meer voorstander zijn van een werkelijk federalisme, dat een necwerk zou vormen van gefedereerde volkeren, met voldoende souplesse om de eigen

25


Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1981), jaargang 06 nummer 3  

Jason magazine (1981), jaargang 06 nummer 3  

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded