__MAIN_TEXT__

Page 1

MAGAZINE

6e JAARGANG NO. 2

CDA~~

~

PvdA Kamer en buitenlands beleid: consensus of controverse? ................... pag. 2

A. Stemerdink Verkiezingsprogramma PvdA ................ pag. 4 DKJ. Tommei D'66 en de buitenlandse politiek .............. pag. 8 A.M.Oostlander Vrede, veiligheid en samenwerking in het CDA-program ............ . .......... pag. 14 A. Ploeg Eenheid in de VVD ................. . ....... pag. 20 Dr. James E. Dougherty A letter from a Transatlantic friend

........... pag. 22


NORTHERN

OCEAN

EURIKA

ORIENT

Orient Sea

SOUTH

SEA

Inschrijving voor het JAS ON-simulatiespel Naam : ... ,.......................................................................................... "..........................................................,.... . Adres: ........................................................................................................ ........................................................ .

Telefoon: ............................................................ ............................................................................ .................. . Beroep: ................................................................................. ............ ..................................... ...................... .... .. Datum: ......... ......................................................................................... .. Handtekening.:............................ ..


Redactioneel

len zichtbaar, die werden uitgevochten bij de opstelling van de buitenland- en defensieparagrafen van het verkie-

In vroeger tijden was het zo dat men in Nederland vrij eensgezind was met betrekking tot de buitenlandse politiek. Nederland was ofWel neutraal, tot de Tweede Wereldoorlog, ofWel een trouwe bondgenoot in het Westerse blok. Buitenlandse politiek was in hoge mate een zaak van specialisten en "tbe attentive public' , ; slechts een klein gedeelte van de bevolking was werkelijk ge誰nteresseerd en had een diepgaande kennis. Toen de pacificatiepolitiek op zijn eind liep en de zuilen afbrokkelden, was het ook afgelopen met de consensus over het buitenlands beleid. Met de toenemende democratisering kreeg het publiek in Nederland meer belangstelling voor de wereld om ons land heen. Men ging zich meer betrokken voelen bij internationale problemen en interne

onderliggende krachten, en wat is het resultaat ? Dat zijn de vragen die in dit nummer gesteld worden. Van de vier grootste politieke partijen hebben wij een bijdrage mogen ontvangen, voor de PvdA van B. Stemerdink, oud-minister van Defensie, voor D'66 van D.K.]. TommeI, kand. Kamerlid, voor het CDA van drs. A.M. Oostlander, directeur van het Wetenschappelijk Instiruut voor het CDA, en voor de VVD van A. Ploeg, defensiespecialist in de Tweede Kamer. Ook in dit nummer verschijnt een artikel van prof. James E. Dougherty, bekend hoogleraar in de Leer der Interna-

situaties in andere landen, die overigens meer en meer met

tionale Betrelc.k.ingen, over een Amerikaanse visie op de

elkaar verstrengeld raakten. Ook in Nederland werd het binnenlands beleid in toenemende mate be誰nvloed door de internationale situatie. Meer belangen en belangstelling geven aanleiding tot meer controversen, de partijen namen verschillende standpun-

zingsprogram. Hoe komen die nu tot stand, wat waren de

modernisering van de middellange-afstandswapens . Tot slot vindt U een uitnodiging voor de grote lustrumacti-

viteit vanjASON, het Simulatiespel. Een uitstekende gelegenheid om eens kennis te maken met de situatie en de rol

G. de Vrie., een inleiding tot zijn doctoraalscriptie n.a.v.

van beleidsvormers en -uitvoerders van internationale politiek en met Uw mede-abonnees. Enthousiasme over dit spel is zeker gerechtvaardigd en de redactie zou U dus wil-

een onderzoek. aan de hand van moties naar verschillen

len verwijzen naar het opgaveformulier.

tussen de Kamerfracties. Zelfs binnen de politieke partijen werden meningsverschil-

M.D.

ten in. In dit nummer is een bijdrage opgenomen van drs.

Etn Air LAunchtd Cruist MUJilt (A LCM )


Kamer en buitenlands beleid: consensus of controverse? Het Nederlands buitenlands beleid is in beweging. Van Staden kon de Nederlandse rol in het Atlantisch Bondgenootschap in de jaren 1960-1911 nog karakteriseren als die van "trouwe bondgenoot" (I ), de laatste tijd doen andere

typeringen opgeld. In binnen- en buitenland wordt gesproken over onze "voorbeeldfunctie", onze rol als "gidsland" of "voortrekker", en niet steeds in lovende zin. In Washington en Bonn valt een toenemende ergernis over de

Nederlandse bondgenoot te signaleren. Hadden de Amerikaanse nationale adviseur in veiligheidszaken Allen en zijn minister van defensie Weinberger het in recente speeches over pacifistische tendenzen binnen de kleine NAVO-partners zonder Nederland met name te noemen, de bekende hoofdredacteur van Die Zeit, Theo Sommer, schreef in zijn blad over "einer materiellen und geistigen

Selbstabrüsrung" van de kleinere bondgenoten in het algemeen en Nederland in het bijzonder (2). In de International Heraid Tribune verscheen een artikel waarin ons "toenemend provincialisme" aan de kaak werd gesteld (3), en de Westrluitse minister van defensie, Hans Apel, repte zelfs van een mogelijke Nederlandse vlucht uit de werkelijkheid (4). Ook in eigen land is de discussie over ons buitenlands beleid opgelaaid. Wat jaren lang slechts stof bood voor hoffelijke debatten tussen specialisten, is geworden - volgens sommigen: verworden -

tot een onderwerp van ver-

hitte politieke strijd op het hoogste niveau. Neutronenwapen, Urenco-affaire en TNF-modernisering hebben het buitenlands beleid in het brandpunt van de publieke c.q. journalistieke belangstelling geplaatst. De tijd dat een Kamerlid een Amerikaans schrijver kon verzekeren dat kabinetten in ons land niet ten val worden gebracht op een buitenlands-politiek onderwerp (5), zou wel eens voorbij kunnen zijn. Tegen deze achtergrond is het interessant eens te bezien in hoeverre binnen de Tweede Kamer een afbrokkelende consensus ter zake van ons buitenlands beleid kan worden vastgesteld. Eén van de hiertoe aanwendbare indicatoren is het gebruik van moties door Kamerleden. Er is de laatste jaren nogal wat kritiek op de wijze waarop de Kamer het motie-instrument hanteert. Zo is antirevolutionaire parlementariër Schakel van mening dat de Kamer het eens zo machtige middel van de motie heeft ontkracht "door het te laten jongens als konijnen. Vijftien jaar geleden had de motie veel meer het karakter van een vuurpijl die deed opschrikken, nu komen de moties als gillende keukenmeiden op oudejaarsavond" (6). Deze ontwikkeling tekent zich duidelijk af op het terrein van het buitenlands beleid. In de periode 1-1-1915 tot 1-1-1980 blijkt het aantal moties te zijn verdubbeld van 60 in de onderzochte periode van het kabinet-Den Uyl tot 115 in de eerste jaren van het

2

kabinet- Van Agt. Er van uitgaande dat de belangrijkste fora voor het Nederlands buitenlands beleid de NAVO en de Europese Gemeenschap zijn, is het opvallend dat minder dan de helft (48,6%) van de in deze vijf jaar ingediende moties op veiligheids- of Europees beleid betrekking had. Er zit dus wel iets in het veel in ambtelijke kring gehoord verwijt dat de Kamer zich voornamelijk met betrekkelijk onbelangrijke zaken bezighoudt. Zoals mocht worden verwacht is de motie op het terrein van het buitenlands beleid vooral een oppositioneel middel. Meer dan de helft (55%) van de onderzochte moties ten tijde van het kabinet-Den Uyl, en driekwart (18,3%) van het betrokken aantal onder het kabinet- Van Agt waren afkomstig van de oppositie. " Linkse" fracties blijken bovendien actiever dan "rechtse". Dat CPN, PSP, PPR, PvdA en 0'66 onder het kabinet- Van Agt van 16,5% van de moties tekenden, is niet erg verrassend. Interessanter is dat zij ook onder het kabinet-Den Uyl de meeste moties indienden (56,6%), Bedenken wij voorts dat bijna de helft van het aantal moties waartegen bewindslieden uit het kabinet-Den uyl ernstig bezwaar aantekenden van de regeringsfracties PvdA en PPR afkomstig was, wat betekent dat tweederde van de PvdA- en PPR-moties door partijpolitiek verwante bewindslieden werd afgewezen, dan is het wel duidelijk dat het buitenlands beleid ook onder het vorig kabinet allerminst onomstreden was. Onder het kabinet-Den Uyl is het gedrag van de vijf "linkse" fracties zelfs oppositioneler te noemen dan dat van de VVD, zij het dat deze constatering vooral op het veiligheidsbeleid, en niet op het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking van toepassing is. Het buitenlands beleid is - althans binnen de Tweede Kamer - niet op alle deelterreinen conrroversiëler geworden. Analyse van het gebruik dat de Kamer in de periode 1975-1980 van moties maakte -waarover ik elders uitvoeriger hoop te berichten - levert op dat vooral het veiligheidsbeleid in toenemende mate omsrreden raakt. Vergelijkt men dit terrein met de andere hoofdcategorieën van beleid (Europees beleid, ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten en overige onderwerpen), dan blijkt het veiligheidsbeleid in de onderzochte periode van het kabinet-Van Agt niet alleen het relatief hoogste aantal moties te trekken, maar ook de meest kritische, het hoogste percentage op ernstige regeringsbezwaren stuitende, en het hoogste percentage verworpen moties . Het Europees beleid daarentegen kenmerkt zich onder beide kabinetten door een grote mate van overeenstemming tussen regerings- en oppositiefracties, en tussen Kamer en Regering (1). Onder het kabinet-Van Agt worden zowel in relatieve als absolute zin minder moties op dit terrein ingediend dan onder het kabinet-Den Uyl; het Europees beleid is daarmee de enige sector waarin het aantal moties nie~...is toegenomen.


Het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking vormt in zekere zin het spiegelbeeld van dat inzake vrede en veiligheid. Nam de consensus op het veiligheidsbeleid tussen 1975 en 1980 sterk af, over de ontwikkelingssamenwerking bestaat onder het kabinet-Van Agt veel meer eensgezindheid dan onder het kabinet-Den Uyl. Ondanks het feit dat er volgens PvdA-woordvoerder Knol "voor 80% overeenstemming bestaat tussen het beleid van minister De Koning en dat van diens ambtsvoorganger", kon een tevreden WD-woordvoerder in het zelfde debat - naar aanleiding van de Nota inzake verbetering van de kwaliteit van de bilaterale hulp - constateren dat de huidige bewindsman een beleid voert dat zijn fractie zeer aanspreekt (81. De WD heeft aanzienlijk meer moeite met het beleid inzake de rechten van de mens. Van de betrokken moties, die overigens vrijwel alle verband hielden met Zuid-Afrika, kon er slechts bij hoge uiuondering een in liberale ogen genade vinden. Onder beide kabinetten beperkt de overeenstemming zich grotendeels tot de confessionelen en de "linkse" fracties . De onder "diversen" ressorterende moties zijn relatief nogal controversieel; minder dan die welke betrekking hebben op veiligheidsbeleid, maar meer dan de moties op het gebied van de mensenrechten. Ook hier is weinig verschil tussen de kabinetten. Het betreft hier zulke verschillende onderwerpen als de levering van korvetten aan Indonesi~, de Nederlandse deelname aan Unifil, contacten met de PLO, de situatie in het Midden路Oosten, kwesties van diplomatieke erkenning, en internationale culturele betrekkingen.

Uit dit summiere overzicht kan worden opgemaakt dat in de Tweede Kamer alleen het veiligheidsbeleid de laatste jaren duidelijk meer omstreden is geraakt. Op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking nam de consensus juist toe, terwijl de overige beleidssectoren geen opzienbarende wijzigingen te zien gaven. Van den Berg heeft gesteld dat moties primair een declaratoire betekenis hebben gekregen: de aanneming zou minder belangrijk zijn geworden dan de indiening, die vooral bedoeld lijkt om de achterban te appaiseren (9). Voor wat de onderzochte moties op het terrein van het buitenlands beleid betreft, kunnen wel enige argumenten ten gunste van deze stelling worden aangevoerd. Er van uitgaand dat moties meer kans maken te worden aangenomen als zij niet alleen door een lid van de oppositie, maar tevens door een lid van een regeringsfractie worden ondertekend, is het opvallend dat het aantal "zuiver" oppositionele moties de laatste jaren veel sneller stijgt dan het aantal dat door een lid uit het regeringskamp is medegetekend.

Bij wijze van hypothese kan voorts worden gesteld dat moties meer kans maken te worden aangenomen, naarmate zij minder kritisch zijn ten opzichte van het regeringsbeleid. Van de in de onderzoeksperiade ingediende moties is nagegaan of zij expliciet kritisch, zwak (impliciet) kritisch, dan wel neutraal van strekking waren. Onder beide kabinetten dienden regeringsfracties vooral neutrale of zwak kritische moties in, zoals kon worden verwacht. Tijdens de periode- Den Uyl valt 89% van hun moties in deze catagorie, tijdens het kabinet-Van Agt 92%. Dat van de 48 als kritisch aangemerkte moties er 45 door niet-regeringsfrac. ties werden ingediend, zal weinig verbazing wekken, evenals het gegeven dat zwak kritische moties meer door nietregeringsfracties worden ingediend dan door regeringsfracties. Interessanter is het aantal neutrale moties dat door oppositionele fracties ter tafel wordt gelegd: S7 (56%). Is het aandeel van deze fracties onder het kabinet-Den Uyl nog SS%, onder het kabinet-Van Agt komt 64,4% van de neutrale moties van oppositiefracties. Onder het kabinetVan Agt blijkt de oppositie op het terrein van de buitenlandse politiek een soort "carrot-and-stick approach" te volgen: men dient zowel meer uitgesproken kritische als meer neutrale moties in dan onder het kabinet-Den Uyl. Kan men de stijging van het aantal expliciet kritische moties opvatten als een onderbouwing van Van den Bergs veronderstelling, de toename van het aantal neutrale ma路 ties doet vermoeden dat de oppositie moties met betrekking tot het buitenlands beleid ook meer dan vroeger indient met het doel steun onder de regeringsmeerderheid te verwerven - heuij om het beleid te be茂nvloeden, heuij om verdeeldheid binnen de regeringscoalitie te zaaien. Over de groei van het aantal moties en hun uitsplitsing naar indienende fractie en beleidsterrein is natuurlijk nog aanzienlijk meer te zeggen. Tussen de fracties bestaan aanmerkelijke verschillen, zowel in de frequentie van het aantal ingediende moties als in de sector waarop zij betrekking hebben. Opvallend is bijvoorbeeld de grote activiteit van de PPR onder het kabinet-Den Uyl- die dan op de WD na het grootste aantal moties indient - en van het CDA onder het kabinet- Van Agt, waar de confessionelen 2S van de 25 regeringsmoties voor hun rekening nemen. Interessant is ook de grote aandacht van de kleine " linkse" fracties voor het veiligheidsbeleid en onderwerpen die hier in de sector "diversen" werden gerangschikt. Zo blijken CPN, PSP en PPR verantwoordelijk voor bijna de helft van de onder laatstgenoemde categorie ressorterende moties. Het zou te ver voeren in dit verband dieper op deze verschillen in te gaan. Duidelijk is wel, dat generaliserende uitspraken over "de" rol van "de" Kamer bij de totstandkoming van het buitenlands beleid in de meeste gevallen niet zinvol zijn. Hoewel een qua onderwerp en tijd sterk beperkt onderzoek als het onderhavige natuurlijk met de nodige terughoudendheid moet worden ge茂nterpreteerd, kan wel worden gesteld dat de bemoeienis van sommige (vooral "linkse") fracties met bepaalde onderdelen van het buitenlands beleid (vooral vraagstukken van vrede en veiligheid) onmiskenbaar toeneemt. Van een afbrokkelende consensus kan echter maar in beperkte mate worden ge. sproken. Drs. G.M. de Vries Drs. G. M, de Vries is als wetenschappelijk medewerker internatio nale betrekkingen verbonden aan de vakgroep politieke wetenschappen aan

3


de Rijksuniversiteit Leiden . Hij schreef zijn doctoraalscriptie over de rol van de Tweede Kamer bij de totstandkoming van het buitenlands beleid .

Noten I. A. van Staden, Etn trouwt bondgenoot: Nuurland tn ktt Atlanluclt Bondg,noolJcluJp /960- /9 7 J (Baarn : In den Toren, 1974). 2. Thw Sommer, "K.anden Fehlstan nach Washington" (Die ZtiJ nr. U, 2 1 november 1980). S. William PfafT, "Dutch Tradition of Neutrality" (JnttmOlWnal HnaJd TribuTU, December 18 , 1980).

4 . Ben Knapen, "Apel : vlucht uit realiteit in Nederland" (NRC· Handtls· blad, 16 januari 198 1). 5. Bernard C. Cohen , "Political systems, public opinion, and foreign policy : The United States and The Netherlands" (JnttmOlÎonaiJournaJ XXXIII :), Winter 1977-197 8), p.20 1. 6. Interview in het Algmutn Dagblad, 7 februari 1981 . 7. Voorzover dit uit het gebruik van moties kan worden afgeleid . Dat de CPN op het gebied van de Europese samenweri..ing in vijf jaar tijd niet één mo tie indiende, betekent niet automatisch dat deze fractie zich volledig in het ter zake gevoerde regeringsbeleid kon vinden. 8. Handelingen Tweede Kamer, zitting 19 79- 1980, OCV 16 , 10 december 1979, pag. 600 resp . 586 . 9. Drs. J.Th.J .van den Berg, "De onbekookte gevoelsuiting" (NRC -Han· dtlJblad, 24 juli 19801.

Verkiezingsprogramma PvdA Een verkiezingsprogramma komt in de PvdA niet uit de lucht vallen. Was dat in het verleden al niet het geval, deze k.eer is de voorbereiding wel zeer intensief geweest.

In de volgende hoofdstukjes zal een beeld worden geschetst van het besluitvormingsproces gedurende ongeveer een periode van twee jaar. Niet alles is vlekkeloos verlopen. Discussies moesten in een te kort tijdsbestek worden afgerond, nota's verschenen niet altijd op tijd, maar toch : de Partij in al haar geledingen heeft zich de nodige inspanning getroost een behoorlijk programma op tafel te leggen.

Alvorens in te gaan op de eigenlijke totstandkoming van de " buitenlandparagraar' een enkele opmerking over de periode van het eerste Kabinet-Den Uyl. In de Memorie van Toelichting bij de Defensiebegroting 1977 wordt gesteld dat Nederland in de toekomst één hooguit twee nucleaire taken zou moeten vervullen! En in dezelfde Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de Lance geen nucleaire taak zou krijgen. Een eenzijdige stap! Alle andere deelnemende landen in de centrale sector hadden immers besloten de Lance-raket wèl een nuclaire (neven) taak te geven. Eén hooguit twee taken/terreinen, een eenzijdige

stap, ook al in 1977 ! In 19'19 besloot de Partijraad van de PvdA op voorstel van het Partijbestuur de besluitvorming rond het verkiezingsprogramma op een nieuwe wijze te organiseren. In de Be-

schrijvingsbrief van het Februaricongres (december 1980) wordt het "waarom" en "hoe" nog eens uiteengezet:

De paragraaf Ontwapening en Ontwikkeling (V) is concreet, is uitvoerbaar. Bij de totstandkoming van deze paragraaf heeft het partijbestuur natuurlijk een belangrijke rol gespeeld. De Fractie van de PvdA heeft als fractie formeel geen rol gespeeld, maar het zal duidelijk zijn dat door de fractie uitgebrachte nota's en ingenomen standpunten bij belangrijke debatten hun invloed hebben doen gelden bij de oordeelsvorming van het Partijbestuur en bij de oordeelsvorming binnen de Afdelingen en de Gewesten. 4

"De bt4waren die lubben geleid tot de nieuwe procedure, waren dat te weinig leden betroAAen waren bij· de meningsvorming en besluitvorming over belangri;),e politieke onderwerpen, <ÛJl de agenda 's van afdelingsvergaderingen overvol waren en <ÛJl er op lut 'ongres zoveel besluiten genomen moesten worden dat er onvoldoende tijd wa.! om tijdens lut 'ongres tot een :.innige dis'wsie te 'omen . Om te voor'omen dat de afdelingen overbelaJt wuden worden door vele afzonderlij'e dis' wsieproje'ten, lubben partijbestuur en partijrlUJli de 'ongresopdrachten over thema's, aletieprioriteiten en dis'wsieprojekten zoveel mogelij' samengebracht binnen lut WeT'en aan lut ontwerp-ver'ieungsprogramma. De deelname heeft lut partijbestuur trachten te bevorderen door de dis'wsie op hooJdzaleen te richten, lut materiaal aan alle ledtn te stUTtn en de besluitvorming in twee rondes te splitstn. In de eerste ronde, die viel in de winter van 1979/ 1980, hebben de leden gedis'wsieerd over vier belangrij'e onderwerpen


zonder dal dt afdtlingJVtrgadtringtn ttn 'landpunt bthotJdtn It btpaltn. Voor dtzt ter,lt, mening,vormtndt rondt zijn korlt nola', vervaardigd over dt Ihtma', Vrtdt Ir Vrilightid, Ekonomit, MaaischaPPtlijkt SI,attgit tn Emancipatit. Daarnaasi zijn er landtlijlt tn rtgionaal diskw,ie, over dt Ihtma', gtOTganisterd tn httjl dt Sichting Vonning van dt Parlij van dt Arbtid mattriaal vtTVaardigd om dt diskw,it It vergtmaUtlij*'" m It 'Iimulerm. Zur vul afdtlingm htbbtn over tin of meer Ihtma', gtdiskw,ieerd. Mtdtwerkm van dt afdtling Mas,a-Mtdia van htl Sociologischt Insliluul van dt Rijksunivmiltillt Groningm htbbm dt vmlagtn van dt afdtlingbtslUrtn verwerkl tn dt konklu,its zijn aan dt afdtlingbtslUTtn 10tgtzondm. Jammer gmotg is htl terd.. gmotmdt insliluut tT nitl in gtslaagd dt rapporlagt zo lijdig It vtTWtrktn dat dt afdtlingtn dt multatm rudJ bij dt amendtring van htl UTSlt ontWtTp van WterwtTk kondm btIrtkkm. Wtl zijn bij htl UTSlt onlwtTp dt mullattn btktndgtrnaakl. Mtl dt lotunding van WttTWtTk injuni 1980 ,IarIlt dt Iwttdt, btsluitvormtndt rondt van htl vtTMtzing,programma. Dtu rondt btgon in dt afdtlingm mei dt btsprtking van W ttrwtrk m dt ingtditndt amendtmenlm lijdms htl kongrts op 26, 27 tn28ftbruari /98/ ."

Zoals boven aangegeven werd in juni 1980 de eerste versie van het nieuwe verkiezingsprogramma Weerwerk naar de afdelingen gezonden. Dit onrwerp ging vergezeld van een evaluatie van de discussieronrle. De discussie zelf werd gevoerd aan de hand van een nota waarin opgenomen een twaalftal vragen:

I. Wat betekent Vrede en Veiligheid in de praktijk voor

U persoonlijk; aan welke dingen denkt U dan? 2. Zou U bereid zijn - onder de voorwaarde van een rechtvaardige inkomenspolitiek - door de uitvoering van de Nieuwe Internationale Ekonomische Orde (NIEO) er in koopkracht op achteruit te gaan? S. Vindt U, dat in het kader van de NI EO-politiek overgegaan moet worden tot het scheppen van arbeidsplaatsen in de ontwikkelingslanden, ook wanneer dat zou betekenen, dat dit ten koste lOU gaan van arbeidsplaatsen in eigen land? 4. Steunen we als PvdA de ontwikkelingslanden die een socialistische politiek voeren, 66k al worden in deze landen soms de mensenrechten geschonden? 5. Stel, dat er een gewapend konflikt uitbreekt tussen een ontwikkelingsland en de Verenigde Staten van Amerika, en Nederland zou de zijde van dat ontwikkelingsland kiezen : zijn we dan bereid een instabiele OostWest verhouding te riskeren door het bondgenootschap met de VS in de waagschaal te stellen? 6. Gaat Nederland door met het zetten van eenzijdige stappen ter ontwapening, 贸贸k als op zo'n stap geen reaktie komt van het Oostblok? 7. Indien U een voorstander bent van een totale eenzijdige ontwapening van Nederland, vindt U dat vanwege principieel pacifistische redenen of zijn daarvoor nog andere redenen aan te geven? 8. Vindt U, dat de Westeuropese landen, de Amerikaanse atoomparaplu moeten afwijzen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk alternatief heeft Uw voorkeur:

Emier Vt1'SCMnm in de VoiA.skranl, 2f-J2- 1980; met danA oon dhr. Opland

5


-

een eigen Europese kernmacht ter vervanging van

de Amerikaanse atoomparaplu ; - een neutraal Europa, dat afzonderlijke (dus zonder de Verenigde Staten) afspraken maakt met de Sovjet-Unie, zoals een niet-aanvalsverdrag, verdragen over ekonomische samenwerking, enz. ; - eventueel door U zelf te noemen alternatieven.

9. Welke van de vier genoemde beleidslijnen of een kombinatie van enkele van deze beleidslijnen hebben Uw voorkeur?

10. Stel, dat Uw opvatting is, dat de PvdA er eigenlijk naar moet streven, dat Nederland uit de NAVO treedt: hoe zwaar weegt dan bij Uw definitieve standpuntbepaling het argument, dat door zo'n partijuitspraak de PvdA voor lange tijd van regeringsdeelname zou kunnen worden uitgesloten? 11. Ook als het de ontspanning tussen Oost en West nadelig zou be誰nvloeden, zou West-Europa toch door moeten gaan met het benadrukken van de mensenrechten-

politiek in Oost-Europa? 12. Vindt U, dat de belangrijkste opvattingen over Vrede en Veiligheid in deze nota en de voorafgaande vragen voldoende aan de orde kwamen ? Als dat niet het geval is, dan hebt U alsnog de gelegenheid dat nu te vermelden. De Internationaal Secretaris van de PvdA, Maarten van

Traa, verzorgde de evaluatie voor het hoofdstuk Vrede en Veiligheid, en kwam op basis van de door de medewerkers van het Sociologische Instituut van de Rijksuniversiteit te Groningen verwerktelbewerkte gegevens tot de volgende bevindingen :

"We ,;unnen ,tellen, dal vrede en veiligheid nog ,tud, alJ een van de belangrijlute programmapunten van de PvdA worden ervaren. Het hoog,te aantal afdelingen heeft namelij'; de moeite gmomm deel te nemen aan de verslaggeving over dil onder-

werp. De nota van het PB beoogde verder de ,amenhang tw,en Oo,t- WtJt en Noord-Zuid probltmalit,; naar voren te brengen en duidelij'; te ma.\en dal vrede en veiligheid niet alleen een Ula.I iJ van de legtnJtellingen Iw,en 00,1 en WtJI, maar miJJChien nog wel meer vanwege de o",erlijAe verhoudingen IUJJen Noord en Zuid. AfghaniJtan en Iran hebben on.! trouwtnJ duidelijA die ,;oppeling tw,en dire,;le 00,1- WtJt polilie,; en Derde Wereld-polilid Ialen zien. Daarom 00'; iJ in de diJ,;w,ienota eml hel hoofdJlu,; ontwilt,;elingJJamrnwer,;ing behandeld. VtTTll.lJend iJ, dal velen hel geen problum vinden er in ,;oop,;rachl op achteruil Ie gaan, indien daarmee de Nieuwe Internationale EconomUche Orde (letJ daarvoor een eerlij,;er wereld met rechtvaardiger in.lOTntnJverdeling Iw,en arm en ri}.l) ieIJ nader ';om/. Dal wil zeggen: men tiel in, dal wer,;tlijAe ,ocia/iJliJche on!wi,;,;elingJJamenwer,;ing offm vraagl, die niel alleen ,;unnen worden afgewenteld op de hoog,l beIaaIden in onu ,ammleving. Wij aanvaarden dw nog ,Iud, een wer,;elijA in,;OTntnJoffer ten bale van ontwi,;,;elingJJamrnwer,;ing en vluchlen daarbij揃 niet weg in allerlei formule" die er in feile op nur ,;ornm, dal die ,;euu niel gemaa.ll wordt. 00'; aanvaardt men een overplaat,en van arbeidJplaatJen hier naar de Derde Wereld, indien dal ,Iroo,;t meI onu ontwi,;,;elingJJamrnwer,;ing'pol端ie';. In een e,;onomiJche ,;riJiJ hier willen we arbeid,plaat,en in de Derde Wereld ,cheppen len ,;o,le van onu eigen wer,;gelegenheid. Dal bele,;ent niet overbrenging van al hel wer,; wal nog bij" Philip, in Nederland gebeurl naar lage lonen/anden.

6

Dal immen ,;an moeilij"'; getien worden alJ het ,cheppen van een butje Nieuwe Interna/ionale EconorniJche Orde. Voor de ,;euu gtJleld leveren we in voor de Derde Wereld. De cOn.!equentitJ daarvan Iij",;en mij. afgewogen in de vmchillende diJ,;w,itJ en dal iJ pure win.!t. In de diJ,;w,imola had het motilij",;e punt van de verbinding Iw,en Oo,t- WtJllegtnJlellingen en de Noord-Zuid ,;onfrontalie waaTJChijnlij,; beier lol ti]"n rechl moelen ';omen. Vul afdelingen hebben waaTJChijnlijA 00'; niel de mogelijAAeid gevonden om over alle vragen te pralen uit tijdgebre'; en miJchien 00'; uit onwennigheid over de nieuwe volgorde in de diJ';,,,,ienola. Binnen de parlij" ,land vrede en veiligheid lange Iij"d ,ynonitm voor de 00,1- WtJI verhouding. Dal buld wilde hel parlij"btJtuur doorbr"en door on/wi,;,;elingssamenwt!TJring aiJ ursle

inh.oudel~jlt

punt op te voertn en

daarna de ,;oppeling aan Ie brengen mei de "';IIl.l,ie';e" vrede m veiligheid,diJ';w,ie. Hel NAVO-lidmaat,chap vormt nog ,Iud, het belangrij';'le punl in eIJu diJ,;w,ie binnen de partij~ maar 00'; wordt meer ingttitn, dal die vraag een afgeleide iJ van hellolale oordulover de 00,1- WtJI verhouding en de rol, die Nederland, c.q. de PvdA daarin ,pelen ';an. Voorzover de multalen nu beoorduld ,;unnen worden hebben naaJt ethiJche molieven 00'; duidelij'; pra.\liJch politie,;e invulling van hel builenland, politide beleid een belangrij,;e rol ge,peeld. De PvdA iJ geen princiPieel PacifuliJche parlij" maar meent wel dat er meer untij"dige ,tappen door NAVO en Nederland gezel moelen worden om tot wapmbeheming en ontwapening Ie ';ornm. Daarbij" ,pelen, drn.l i';, Iwu uilgang,punten mee,' a. er moet nu werJrelij'A eenJ iets gebeuren, aalt tegen

hel licht van de tich aldoor vmlechlerende ,ilualie en b. juiJI door de eentijdige 'lappen heeft Nederland hel metJle invloed. We willen af van de ';ernwapen.! en wijten daarom de Ameri';aan.!e atoomparaPlu af maar willen die niel inruilen voor een Europm ';emmacht. Ceen en.lele afdeling ,;wam lol die conclu,ie. Etn eigen polilie,; voor Europa om de 00,1- WtJI confrontatie te doorbre,;en iJ duidelijA de li]"n, die een vrij grote ,teun binnen de partij" vindl. De vraag naar het NAVO-lidmaat,chap ul[ iJ nog niel op dit moment todanig vtTWer,;l, dal er een goed oordulover Ie geven iJ. Wel iJ duidelijA, dal bij" een aanzimLijlte minderheid, die in principe voor uittreden uil de NAVO geporteerd iJ, een PvdA voor langm tij"d in de oppo,ilit

(vanwege hel NAVO 'tandPunl) geen aan/o,;,;elij,; pmptctiif iJ. Een verder gefundurd oordul iJ er nu nog niet Ie geven. Maar dal de vrede en veiligheidJdiJ,;w,ie on.! nog,juiJl over dil punt, int""itf tal betighouden, ,laai buuen ';ijf. Alhoewel de vraag van de boycol van de OlympiJche ,pelen in Mo,,;ou tij"d"" de diJ';UJJieronde (voor AfghaniJtan, de verbanning van Sacharov m de verdulde ,temming in de ,;amtr) nog niet aan de orde WaJ, bliJ'Aen we TnenJenrech端n DOlt in Oost-

Europa belangrijA Ie vinden. Zo belangrijA, dal we die mtnJenrechten moeten blijven brnadru,;,;en, 00'; alJ hel de ont,panning Iwun 00,1 m WtJt nadelig tOU beinvloeden. Vul minder afdelingen menen in ab,lraclo, dal de mtnJenrechlm in 00'1Europa niet benadru,;t hoeven Ie blij"ven worden, indien dal ten ho,le gaat van de ont,panning'polilie,; Iwun 00,1 en WtJt. Nacul de 00,1- WtJt problematie'; tal 00'; de tjJectiviteit van het strijden tegen menJenrechten schendingen waar dan ooit, een

belangrij,;e plaal, innemen. Met andere woorden: op naar een nieuw Itreatief buitenlands

beleid. "(I)

Zoals reeds gezegd, heeft de Fractie als fractie formeel geen rol gespeeld bij het opstellen van het verkiezingsprogramma. Wel heeft de Fractie in september 1979 een omvangrijke Defensienota uitgebracht.


Uiteraard wordt in de nota aan de kernwapenproblematiek veel aandacht besteed. Nadrukkelijk wordt in deze nota nog eens gezegd dat Nederland moet streven naar één wellicht twee taken, een standpunt dat ook werd ingenomen tijdens de Openbare Commissievergadering, gehouden op 15 december 1918 en 5 februari 1919. De Fractie sprak zich verder diverse keren uit tegen de produktie van de neutronenbom en tegen de korte afstand nucleaire wapensystemen (kanonsystemen). In de twee

;f1N\

ILSTtM ISUN

SlIM OP

moderniseringskwesties, die aan de orde zijn geweest, ol.

de Lance-raket en de introductie van de Pershing- en kruisraketten, kantte de PvdA-fractie zich tegen het voortdurende streven naar modernisering. Voor wat betreft de

Lance-raket werd met nadruk gevraagd de totaal-studies in NAVO-verband af te wachten, alvorens tot besluitvorming te komen. Een PvdA-motie van deze strekking werd afgewezen .

Bij de discussie over de kruisraketten steunde een meerderheid eind 1919 de Motie-Stemerdink/Brinkhorst, maar uiteindelijk achtte een Kamermeerderheid het beleid van de Regering acceptabel. Samengevat zag het beleid van de PvdA-fractie er als volgt uit: - streven naar één, mischien/hooguit twee nuclaire taken,

zonodig door middel van eenzijdige maatregelen; - opheffing van de nucleaire taak artillerie (kanonnen); -

geen neutronenbom;

- geen modernisering, eerst onderhandelen. De Fractie stond niet op het standpunt dat op korte termijn alle kerntaken onmiddellijk zouden moeten worden afgeschaft en alle kernwapens van Nederlandse bodem zouden moeten worden verwijderd. Hoewel een minderheid van de Fractie zich kon vinden in het IKV-standpunt, is de Fractie tijdens een aantal belangrijke debatten toch als eenheid opgetreden, met name ook tijdens de Begrotingsdebatten, voorafgaande aan het Februaricongres 1981. Unaniem steunde de Fractie een eigen op het ontwerprogramma Weerwerk gebaseerde motie. Uit bovenstaande mag blijken dat de Fractie door haar standpuntbepaling invloed heeft uitgeoefend op de tekst binnen de Partij door haar opstelling bij de Begrotingsbehandeling pal vóór het Congres.

Dm UJI In Ictnruli.fAt ltgnutandm op hlt PvdA-congrtJ (j«o ANP)

reidingscommissie. Als lid van het Partijbestuur had hij echter alle gelegenheid zijn opvattingen kenbaar te maken. Zoals bekend mag worden verondersteld, heeft hij dat rtiet nagelaten. Al in een vroeg stadium heeft Den Uyl duidelijk gemaakt de IKV-leus in al zijn simpelheid niet voor zijn verantwoording te kunnen nemen. Deze standpuntbepaling in dat stadium heeft twee effecten gehad. In een groot aantal Afdelingen heeft het geleid tot een zeer intensieve discussie over vraagstukken van vrede en veilig.

Terwijl de discussieronde in de Partij plaatsvond en de Fractie bij diverse gelegenheden haar opstelling bepaalde, werkte een werkgroep, bestaande uit leden van de Fractie en Partijbestuur, aan een ontwerptekst V09T de buiten· landparagraaf van Weerwerk. De opstelling van de ontwerptekst leverde betrekkelijk weinig problemen op . De overgrote meerderheid van de Commissie kon zich verenigen op de volgende hoofdpunten van beleid: - kritisch NAVO-lidmaatschap ; - geen plaatsing van kruisraketten; - geen nucleaire taak meer voor de artillerie; -

-

aantal nucleaire taken terugbrengen tot één hoogstens twee; geen introductie neutronenbom;

heid met uiteindelijk een afgewogen standpuntbepaling. In vele andere Afdelingen werd de discussie maar niet verder voortgezet omdat het eindresultaat op het Congres in ieder geval vaststond. Eén ding staat in ieder geval vast: de uitspraken van Den

uyl hebben de PvdA gedwongen een keuze te maken tussen droom en daad. Tussen de bedrijven door had het PvdA-bestuur nog een commissie benoemd om de problematiek van vrede en veiligheid nog eens op een rijtje te zetten. Het Congres van de PvdA, gehouden op 26, 21 en 28 april 1919, had hiertoe opdracht gegeven. Van deze Commissie maakte onder andere deel uit de Voorzitter van het IKV. De verschillen van mening in de PvdA komen in dit, in

- vermindering van de defensie-uitgaven.

januari 1981 gepubliceerde rapport tot uitdrukking in twee

Eén lid van de Commissie kon zich niet verenigen met het

uitgewerkte visies, als volgt samengevat in het voorwoord:

bovenaangeduide beleid. De Fractievoorzitter van de PvdA en beoogd lijsttrekker Den Uyl maakte geen deel uit van bovengenoemde voorbe-

"In de nota zijn twt< hoofd,tuAlun opgenomtn over een ,traIegie VOOT ontwapening, vrede en veiligheid. De A(JTTJmu,ie heeft gemeend voor deu aanP"" te "",eten Aieun, 7


omdat tij het niet tinvol oordttlde ten Ao,te van allt, te ,treven naar een AompromiJ-telut. De vtTJchilltnde viJitJ tijn nttrgelegd in de hoofdJtuUen drie. Samengevat Aomt de ene viJie op het volgende neer: Nederland probeert de bondgenoten te overreden de wapenwedû>op in Europa terug te JChroeven, met het ingebouwde dreigement dat andtTJ de NederlandJe dttlname aan de nuAltaire ,trategie geheel op het ,pel Aomt te ,taan; een dreigement dat geû>ofwaardig wordt gemaal!t door alVllJt ttn lUJ1ital AemtaÀen eentijdig af te ,toten. De tweede viJie Aan als volgt worden ,amengevat: ergtnJ in de wereld moet ondubbehinnig met het nuAleaire ",teem worden gebroAen. Nederland moaÀt tich eentijdig Aernwapenvrij als teTJte ,tap om andere landen in Oo,t en WtJt uit te nodigen tich evtnttnJ te verplichten tot het uiten van een of meerdere eentijdige ,tappen van wapenvermindering, al of niet op nuAltair gebied, om een twtttiJdig wapenvermindtring,proctJ op gang te brengen. AIJ de NAVO niet met een ttntijdig initiatitvenbtleid inhaM.t op het Nederland, beleid, aanvaardt Nederland dat het de NAVO geltidelijA tal ontgroeien, terwijl het nieuwe verbanden binnengroeit. De AommiJ,ie hoopt en verwacht dat bijgaande nota een bijdrage tal Aunnen leveren aan een op tijn mimt levtndige diJAunie binnen de partij. "(2)

B. StemtrdinÁ

zijn invloed gehad. Welke invloed elk element heeft gehad is niet meetbaar. Over het resultaat zal een ieder zijn/haar eigen mening hebben. Niemand zal echter kunnen zeggen dat de grootste politieke partij in Nederland er zich met een Jantje van Leiden heeft afgemaakt.

Alles overziende kan geconstateerd worden dat met name

A.Stemerdink

de buitenland paragraaf intensief is besproken in de PvdA. Fractiestandpunten in belangrijke debatten, de Defensienota van de Fractie (september 1919), de discussienota en evaluatie van het Partijbestuur, de Nota Vrede en Veiligheid (januari 1981), het standpunt van Den Uyl, alles heeft

Noten ). PK·ledenbJad, juni 1980, blz. 58/59. 2. Rapport Kommissie Vr«ie &: Veiligheid, blz. 11.

D'66 en de buitenlandse politiek Het doel van de defensie- en buitenlandse politiek wordt in het verkiezingsprogramma kort en bondig samengevat als "Een vreedzame en rechtvaardige wereld". Waarbij onmiddellijk wordt opgemerkt dat een werkelijk vreedzame en rechtvaardige wereld tot het rijk der illusies en utopieen behoort, maar dat dat nog niet betekent dat wij dan maar bij de pakken neer moeten blijven zitten. In deze enkele zinnen vindt men alles terug van de discussies binnen D'66 over de buitenlandparagraaf van het verkiezingsprogramma : een grote eenstemmigheid over het doel, de erkenning van de onhaalbaarheid van het ideaal, en de vaste ovenuiging dat toch met kracht en inzet naar het ideaal moet worden gestreefd. De discussie beweegt zich op het terrein van de te volgen strategieen : het doel is bekend, maar er lijken vele wegen naar toe te leiden. Van belang is doodlopende wegen in het verkiezingsprogramma te vermijden, een juiste en duidelijk afgebakende route te kiezen en toch zo veel flexibiliteit in te bouwen dat men nog een andere weg in kan slaan als dit in de komende

8

jaren nodig mocht zijn. Dit is een moeizaam proces waar

wij ruim tijd voor hebben genomen. Het belang van het onderwerp rechtvaardigt dit. Verdieping van inzicht en verhelderigng van standpunten wordt niet bereikt door stemmingen op een partijcongres, maar op studiedagen, door overleg en in de eerste plaats door nadenken. Waarbij uiteraard de meningsvorming niet beïnvloed dient te worden door oneigenlijke factoren als het machtswoord van een beoogd lijsttrekker. Gebeurt dat wel, dan degradeert men de discussie van het vlak. van de strategie naar het vlak van de tactiek.

Hoe komt het verkiezingsprogramma tot stand? Het verkiezingsprogramma is een afgeleide van het beleidsprogramma. De verschillende hoofdstukken van het beleidsprogramma worden voorbereid door werkgroepen die functioneren onder de verantwoordelijkheid van de Stichting Wetenschappelijk Bureau D'66. In een dergelijke


werkgroep is de specialistische, technische, juridische en beleidsmatige kennis die op een bepaald terrein aanwezig is gebundeld. De werkgroepen bieden concept-teksten voor het beleidsprogram aan het hoofdbestuur aan. Indien het hoofdbestuur zich in de concept-teksten kan vinden zendt het deze, na waar nodig een keuze te hebben gemaakt uit de aangedragen alternatieven, door naar de Algemene Leden Vergadering (ALV). Deze laatste is het hoogste besluitvormende orgaan binnen D'66 . Alle betalende leden hebben er stemrecht en de stemming geschiedt door middel van het "one man one vote"-systeem. De ALV heeft het recht van amendement en schroomt niet van dit recht gebruik te maken. Dit leidt er toe dat per vergadering in het algemeen slechts ĂŠĂŠn hoofdstuk van het beleidsprogram wordt besproken en vastgesteld. Daar jaarlijks slechts enkele ALV's worden gehouden zijn op elk moment sommige hoofdstukken van het beleidsprogram kersvers en geheel up-to-date, terwijl andere soms (bijna) aan herziening toe zijn. De programmacommissie stelt uit het beleidsprogram het concept-verkiezingsprogramma op. Daarbij wordt er speciaal aandacht aan gegeven dat de verschillende hoofdstukken goed op elkaar aansluiten en overzichtelijk worden gerubriceerd. Het hoofdbestuur legt het concept-verkiezingsprogramma - eventueel in gewijzigde vorm - aan de ALV voor, die het verkiezingsprogramma definitief vaststelt. Uiteraard heeft de ALV ook in dit stadium het recht van amendement.

De kandidaatstelling en de samenstelling van de definitieve kandidatenlijst voor de Tweede Kamer-verkiezingen gaan vooraf aan de vaststelling van het verkiezingsprogramma. Kandidaten kunnen dus moeilijk vooraf een voorbehoud maken tegen bepaalde onderdelen van het verkiezingsprogramma. Is dit eenmaal vastgesteld, dienen de kandidaten er - zeker waar het de hoofdlijnen betreft - mee in te stemmen. Levert dit voor hen onoverkomelijke problemen op, dan dienen zij hieruit de consequentie te trekken en zich niet langer als kandidaat beschikbaar te stellen.

Vrede en veiligheid Een verkiezingsprogramma moet zich, wil het leesbaar en werkbaar blijven, beperken tot die zaken welke in de vier jaar waarvoor het programma is bedoeld in het bijzonder van belang zijn. Voor 0 '66 zijn dit de Europese samenwerking, de problematiek van Zuidelijk Afrika, het IsraelischArabisch conflict, de ontwikkelingssamenwerking en bovenal het vraagstuk van vrede en veiligheid. Dit laatste heeft weloverwogen grote aandacht gekregen. De verontrusting over de kwantitatieve maar vooral ook over de kwalitatieve bewapeningswedloop is de laatste jaren binnen D'66 niet alleen gegroeid, maar vooral veel beter zichtbaar geworden. Hierbij speelde het duidelijk worden van het feit dat in de Oost-West verhouding het station van het afschrikkingsevenwicht wellicht reeds is gepasseerd, en dat wordt gekoerst in de richting van een te winnen kernoorlog een belangrijke rol. Het voorstel van de NAVO om 572 nieuwe middellange afstands(kem)wapens te produceren en in Europa te stationeren was geen oorzaak van het ontstaan van het bewustwordingsproces, maar heeft het wel sterk gekatalyseerd . Defensie is in het verkiezingsprogramma van 0'66 niet meer dan een onderdeel van een totaal veiligheidsbeleid dat elke oorlogsdreiging al bij de wortel dient aan te pak-

ken. Een veiligheidsbeleid dus, dat niet slechts gericht is op afschrikking van en verdediging tegen mogelijke aanvallen, maar - positiever - vooral ook op de opbouw van een internationale rechtsorde, vermindering van de welvaartsverschillen in de wereld, stimulering van respea voor de mensenrechten, het bevorderen van wederzijds begrip, en het bereiken van vertrouwen en ontspanning.

De Oost- West tegenstelling De Oost-West tegenstelling heeft geleid tot een ongeevenaarde opeenhoping van militaire kracht in Europa en tot een onnatuurlijke scheiding van het Europese continent langs de grenzen van de invloedssferen van de twee supermachten. Op lange termijn dient deze situatie te worden beeindigd. D'66 bepleit daarom de opbouw van een Europees Veiligheids Systeem (EVS). Aan het EVS moet ook door de VS en door de USSR worden deelgenomen. Het zou moeten bestaan uit bindende afspraken over - politiek overleg en vreedzame bijlegging van geschillen; - vergroting van de militaire veiligheid; - samenwerking op het gebied van economie, wetenschap, technologie en milieu; - samenwerking op humanitair gebied: vrijer verkeer van personen, ideeĂŤn en informatie. D'66 is van mening dat, nu het EVS nog niet tot stand is gekomen, het Nederlandse veiligheidsbelang vooralsnog voortzetting van het NAVO-lidmaatschap vereist. Deze formulering houdt een kritisch lidmaatschap van de NAVO in, waarbij binnen dit bondgenootschap een evenwichtiger verhouding tussen de VS en de Europese landen wordt bepleit. Dit moet vooral worden bereikt door verdergaande Europese samenwerking op het gebied van de veiligheid. Deze samenwerking zal mede gericht moeten zijn op het bespreken van de Europese dimensie van de Atlantische veiligheid. Overigens mag de Europese defensiesamenwerking niet leiden tot een Europese kernmacht ; deze wordt door D'66 beslist afgewezen. Op weg naar het EVS zijn ontwapening en wapenbeheersing van het grootste belang. Door internationale verdragen over conflictbeheersing en ontwapening dient de behoefte aan beveiliging d.m.v. wapens en in het bijzonder kernwapens zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk weggenomen te worden. Het is consequent dat D'66 ook hier de Europese landen een belangrijker rol toedenkt : - gezien de lopende of voorgenomen uitbreiding van de arsenalen tactische kernwapens voor de lange afstand van Sowjet-Unie en VS is het tot stand komen van het SALT II-verdrag noodzakelijk en van het SALT IIIverdrag zeer urgent. Aangezien de veiligheid van de

9


Europese landen hierbij rechtstreeks in het geding is, dienen deze medezeggenschap en inbreng in de onderhandelingen te krijgen; - Nederland en zijn partners dienen bij de Weense besprekingen over evenwichtige wederzijdse troepenvermindering (MBFR) een positievere houding aan te nemen;

-

er dient een Europese Ontwapenings Conferentie

(EOC) te worden opgezet met deelname van alle Europese landen, de VS en Canada. Daarbij dient de totale ontwapeningspolitiek ter tafel te komen. Ook afspraken over tactische kernwapens met korte dracht kunnen

hierbij aan de orde komen. De EOC moet zich ontwikkelen tot een permanent forum voor ontwapening en

wapenbeheersing in Europa, als onderdeel van een EVS. Duidelijk is dat een grote aandacht voor Europese samenwerking resulterend in een EVS, en vooralsnog het lidmaatschap van Nederland van de NAVO als grote lijnen door het verkiezingsprogramma van D'66 lopen. Over "Nederland en de NAVO" zegt het programma, dat het voor Nederland binnen de NAVO een hoofdtaak is een succesvol verloop van de wapenbeheersingsonderhandeliogen tussen Oost en West te bevorderen. Nederland moet er overigens niet voor terugschrikken ook. buiten NAVO-

verband tezamen met gelijkgezinde landen in West èn Oost, tot vergaande en creatieve voorstellen te komen .

Waar militaire en politieke kringen binnen de NAVO in de slechter wordende internationale verhoudingen een aanleiding menen te vinden voor het propageren van de ont-

wikkeling van chemische wapens keert D'66 zich ondubbelzinnig tegen een wedloop op dat gebied. Daarnaast bepleit het verkiezingsprogramma een herzie-

ning van de NAVO-planning: de basis van de huidige NAVO-planning is te sterk gericht op "draaiboeken voor het ergste geval". Het beleid terzake dient omgebogen te worden door oprichting van een ontwapeningscomité, dat in alle fasen van het planningsproces aandacht opeist voor

de wapenbeheersingsaspecten. Over de Nederlandse defensie-uitgaven wordt gesteld dat deze dienen te worden

gebaseerd op nuchtere, zakelijke beoordeling van de veiligheidssituatie, en niet in de eerste plaats op een gefIxeerd percentage van overheidsuitgaven of het nationaal inko men.

Kernwapens Bij de kernwapenproblematiek treedt bij uitstek het in de inleiding gesignaleerde verschijnsel op dat over het doel ("vermindering van de afhankelijkheid van kernwapens" ) volstrekte eenstemmigheid bestaat, maar dat het zoeken

naar de goede weg om dit doel te bereiken langdurige en intensieve discussie nodig heeft gemaakt. Kernpunt van de uitkomst van deze discussie is dat Nederland een actief

bruik hiervan gemakkelijk kan leiden tot het inzetten van strategische kernwapens .

[n het verkiezingsprogramma is dit als volgt uitgewerkt:

"Vermindering ÁernwapentaAen. Binnen de NAVO heeft Nederland nu nog tel ÁernwapentaAen. Dele dienm voor 1983 teruggebracht te worden tot twee of drie. Nederland moet binnen de NAVO een Pleidooi voeren voor het afitoten c.q. convtntioneel vervangen van de nucleaire luchtofweer (NlKE), de nucleaire landmijnen en de nucleaire bommen voor ondeneebootbestrijding. Valt daarover binnen de NAVO géén ovtretnJtemming te bereilten dan moet Nederland hiertoe eemijdig overgaan. Ook afschaffing van de nucleaire artilleri, iJ hoogJt noodzaAelijÁ. Dal beteÁent allereent dal Nederland definitief moet besluiten het 133 -mm ge"hut niet te nucleariseren. AnderJ dan bij voornoemde wapen.s iJ een eenzijdig besluit tot afschaffing door Nederland van de "8-inch" artillerie echter minder wijs . Daardoor zou immers een gat in de verdediging ontJtaan, dal onmiddellijA door de bondgenoten opgevuld zou worden, terwijl de gehele N ederlandJt deelname aan de gemu",chappelijAe verdediging in het geding zou .omen. Daarom Áunnen we 0'" er beter op richten de bondgenoten te overtuigen van de noodzaaIt van afschaffing van dele gevechtJveldwape",. Of de F-16 evenals de Starjighter nu, deelJ een nucleaire taaA moet Itrijgen, staat voor ons nog niet VQJt.

00.

Geen neutronenbom. Nederland moet zich blijvend verutten tegen de invoering van nieuwe gevechtweldwape", of wape", met een zogeheten "atoomdrempelverlagende" werÁing aiJ de neutronenbom, die in militaire zin "rnaAltelijlter inzetbaar" iJ. Dat verzet zou A:unnen leiden tot een zeltere versterlting van de conventionele bewapening aan onze A:ant. Militaire noodzaaIt. en gewenste wapenbeheerJing moeten evenwel tegen elA:aar afgewogen worden, alvorens tot een zodanige conventionele versterking beJloten wordt. Atoomvrije zone. GeleidelijÁe afschaffing c.q. niet-invoering van gevechtJveldwapen.! moet gepaard gaan met onderhandelingen met de USSR, ter voorItoming van invoering door dit land van nucleaire A:ortedracht-wapern in Centraal Europa. DoeiJtelling daarbij' iJ invoering van een atoomvrije zone in een zo groot mogelijlt Europ", gebied...

Opmerkelijk is dat het terugbrengen van het aantal kernwapens van zes naar twee of drie tamelijk "geluidloos" is geaccepteerd. Dit werd mede veroorzaakt doordat de dis-

cussie zich sterk heeft toegespitst op het al dan niet in Nederland plaatsen van de nieuwe lange-afstandskernwapens .

De nieuwe lange-afstandsraketten Dit was een uitermate gecompliceerd vraagstuk, niet in het minst doordat de besluitvorming binnen D'66 en die bin-

nen het parlement niet op elkaar konden volgen, doch

anti-kernwapenbeleid moet voeren. Dit beleid mag echter

min of meer simultaan verliepen, waarbij afwisselend 0'66

niet leiden tot een situatie waarin de kans op gebruik van nog niet afgeschafte kernwapens toeneemt. Dit heeft consequenties voor het nemen van op zichzelf noodzakelijke,

Tweede Kamer-fractie van D'66 een standpunt in te ne-

eenzijdige stappen. Een tweede uitgangspunt van het antikernwapenbeleid is, dat prioriteit behoort te worden gegeven aan het verhogen van de atoomdrempel door het afschaffen van de z.g. gevechtsveldwapens, daar het ge-

10

en het parlement aan kop lagen. Als eerste diende de men, nl., tijdens het debat over de defensiebegroting voor 1980. Op dat moment was er geen op dit specifieke probleem toegesneden beleidsprogram. De fractie nam unaniem het volgende standpunt in (motie van

van november 1979 ):

L.J. Brinkhorst


"De Kamer, gehoord de beraadslaging; ovmuegende, dat voorrang moet worden gegeven aan wapenbeheersing boven de invoering van nieuwe It.emwapem (vgl. motie Van der Stoel c.,. d.d. IJ februari 1979, 15.J00- Ven X, nr. 59);

voorts oven..vegende in dit verband, de nood:z.aaJt., gedurende een in tijd beper;'te periode u;'ere initiatieven te onlwiHe/en, teneinde daardoor de verdergaande bewaptning"Piraal te doorbre;'en, terwijl daardoor de veilightid van htt bondgenootschap niet wordt aangetast; van mening, dat daarom thans een eenzijdige daad door de NAVO moet worden gesteld in de hoop, dat de Sovjet-Unie bereid i, deu te beanlwoorden door harerzijds 00;' over te gaan tot een vermindering van haar middellange-afstand, nucleaire waptnJ;

voort, van mening, dat htt niet alleen gaat om de Nederlandse veiilgheid, maar aalt om die van Europa; verzoeAt de regering, in het NA VO-overleg het ,tandPUnl in te nemen, dat 1. thans geen besluit tot modernisering van nieuwe middellange-afstand.! ;'ernwapens moet worden genomen; 2. een aanbod wordt gedaan aan de SOVjet-Unie, zo ,poedig moge/ij;' te ;'omen tot onderhandelingen over vermindering van middelllange-afstand.! ;'emwapens; .J. aan de SOVjet-Unie zal worden meegedeeld, dat zal worden besloten lot modemiJering, indien er v贸贸r de voorjaarn.itting van de NAVO van mei 1981 geen resultaten zijn berei;'t met betre;';'ing tot de wapenbehtersing,onderhandelingen,

o.a. over de voortgaande produ;'tie en invoering van de SS20; 4. indien het bovenstaande niet tot multaatleidt en tot produAlie en stationering moet worden overgegaan, een eentijdig uit Nederland weren van de", wapens niet verdedigbaar is; en gaat over tot de orde van de dag. "

Enkele weken later, op 1 december, was het woord aan de ALV. Deze nam met zeeT grote meerderheid de strekking van de

volgende tekst aan: " ... dat D '66 van mening is dat htt ontwi;';'elen, bezitten en de bereidhtid tot htt gebruiJcen van ;'emwapms afgewezen moet worden als zijnde in ,trijd met de fundamen!ele mmselij;'e waardightid en de rechten van de mms . .. " Daaraan werd toegevoegd:

" ... dat dit niet bete;'ent dat D'66 - onmiddellij;' uitutting uit Nederland van de ;'ernwapms eut, - Nederland uit de nucleaire NAVO wil hebben, - niet mag samenwer;'en in parlemen! en regering met partijen die haar ,tandpunl dienaangaande niet delen, maar wel bete;'ent dat D '66 zich verPlicht in parlement, regering en internationale organisaties een zodanige vredes rn veiligheidsbeleid te onlwi;';'e/en, dat daarin ;'emwapms binnen afzienbare termijn geen rol meer ,pelen. .. " w

Eerder vm chmm in de NRC, 9 - 11 - /979

11


Sttmming OV" tm motit ttgm aanmaaĂ&#x201E;: m pltJa/.jing van dt nituwt AnnwaptnJ op htt D'66-congrts (foto ANP)

VeIVolgens nam de ALV met overweldigende meerderheid de volgende motie aan :

" ... de ALV. .. overwegende dal met AraclU moet worden geltreefd naar terugdringen van kt bewapeningJniveau van NAVO en WaTJChau Pact, dal vooral de rol van de Aembewapening moet worden beperAt, JpreeAt GiJ haar mening uit dal met AraclU geltreefd moet worden naar bewapeningJbeperAende overeenAormten met kt WaTJChau Pact, dal vooruitlopend daarop belloten moet worden tot kt niet modemiseren van de NAVO-tactische Aemwaperu, dal ooA een principe belluit tot modemiserin~ met de bedoeling dit belluit niet uit te voeren GiJ met kt WarJChau Pact een bewapeningJbeperAingJovereenAormt gesloten Aan worden, moet worden afgewezen, dal een mogelijAe bewapeningJachtmtand van de NAVO tengevolge hiervan moet worden geaccepteerd, venoeAt de Tweede Kamerfractie van D'66 haar invloed dienovtTunlt.0m5tig aan te wenden . .. H

De teksten van beide moties laten aan duidelijkheid niets te wensen over.

12

De debatten in de Tweede Kamer van december 1979 mag ik bekend veronderstellen. In diezelfde tijd besloot de NAVO-ministerraad over te gaan tot modernisering van het kernwapenarsenaal door te besluiten tot produktie en stationering in Europa van 572 lange-afstands kernwapens. De Nederlandse regering maakte een voorbehoud t.a.v. plaatsing in Nederland. Hierover zou eind 1981 moeten worden beslist. Daarmee ontstond voor D'66 een geheel nieuwe situatie. Het vast te stellen beleidsprogram zou zich moeten richten op de nog door de Nederlandse regering te nemen beslissing, uitgaande van het reeds genomen NAVO-besluit (hoe zeer ook door D'66 afgewezen). Het hoofdbestuur besloot de ALV twee ontwerp-teksten voor het beleidsprogram voor te leggen, waaruit de AL Veen keuze zou kunnen doen. De eerste tekst - gesteund door een meerderheid in het hoofdbestuur -luidde:

"De NAVO-landen kbben besloten ; 72 nieuwe lange-afttandJ wapem te produceren en in Europa te stationeren. Nederland keft over de opJtelling in ons land nog niet belloten. Hiervan moet gebruiA worden gemaaAt om de rol en kt aantal van de NA VO-AemwapenJ terug te dringen. Dit beteAent dal Nederland plaalJing in om land moet afwijzen GiJ het aantal


van , 72 nitt '/trk wordt vmnindtrd, bij voorkeur (maar niet alleen) op basis van een ovmeMomst met de SU, SALT-ll niet wordt gtratijiutrd of de SU bmid blijkt tot een militair relevante vermindering van haar langere-afttaruis kernwapens. TevlnJ lal alJ voorwaarde motlen worden gesteld ten vmnindering door de NAVO van het aantal tactische kernwapens in Europa ."

,ituatie. Bij· de beoordeling hiervan kunnen de Nederlandse atoomtaken, de plaat,ing van middellange afttandssy'temm in Nederland en het niveau van de conventionele bewapening opnieuw overwogen worden. Dit geschiedt in het licht van o.m. de resultaten van de ondtrhandelingen tus,en NAVO en Warschau Pact, de 'tappen die geut tijn op weg naar een denuclearisatie van Centraal Europa en de vmnindering van het aantal It.emwapms . "

Het alternatief, een minderheidsstandpunt van het hoofdbestuur, was als volgt geformuleerd : "De NAVO -landen hebben besloten '72 nieuwe lange -afttand, wapens te produetren en in Europa te ,tationeren. Dit betekent een kwalitatieve vtrgroting van de binnen de NAVO beschikbare vtrnittiging,kracht door middel van kernwapens. N edtrland heeft OVtr de op,telling in ons land nog niet besloten. . . . D '66 is van mening dat PÛUll'ing van de middellange afttand,wapens in Europa ongewenst is. Bovendien is de door de NAVO voorgenomen modtrnisering militair niet noodakelij~ . Zij levtrt een extra veiligheidsri,ico op voorr West-Europa, omdat de nieuwe wapens wel Russisch grondgebied kunnen bmiken, maar Amerikaans gebied buiten schot blijft. Nedtrland dient voort te gaan de NAVO-bondgenoten te OVtrtuigen dat aanschaf en plaatsing van deu wapens onjuist is en derhalve in de huidige omstandigheden plaat,ing op Nederlandse bodem nitt aanvaard kan worden. Indien tich ontwikkelingen voordoen die de internationale militair-,trategische ,i/uatie ingrijPend vtrondtren, tal D '66 tich opnieuw beraden over de N edtrlandse veiligheid. "

Deze tekst- die ongewijzigd in het verkiezingsprogramma is opgenomen - geeft niet alleen een standpunt t.a.v. plaatsing van de nieuwe lange-afstandswapens in Nederland, maar levens een duidelijke marsroute voor het verder te voeren beleid op het gebied van vrede en veiligheid . En last but not least garandeert hij een blijvende discussie binnen D'66. Dat mag ongemakkelijk zijn, het is tevens broodnodig. Het doel is immers bekend, maar de weg erheen zullen wij met elkaar moeten blijven zoeken. D.K.). Tommel kand . Tweede Kamerlid voor 0 '66

Op de in Ucreeht op I november 1980 gehouden ALV bleek een sterke wil tot integratie van deze twee standpunten aanwezig. Dit kwam tot uiting in het aanvaarden van een amendement waarvan mevr. S. Bischoff de eerste on-

dertekenaar was. De tekst ervan luidde a.v. : "De NAVO-landen hebben besloten '72 nieuwe middellangeafttaruiswapens te produeeren en in Europa te ,tationeren. Dit betekent een kwalitatieve vergroting van de binnen de NAVO beschikbare vtrnietiging,kracht door middel van kernwapens. Weliswaar werd dit besluit mede gemotiveerd door de modernisering van vtrgelijkbare Sovjtt-'y,temen gericht op West-Europa, doch de NAVO-reactie was ovtrdreven en draagt daardoor bij· aan een dreigende nucleaire wapenwedloop in Europa. D'66 is daarom van mening dat plaaLJing op Nederlandse bodem van middellange-afttandsraketten in de huidige omstandigheden niet aanvaard Aan worden. Nederland heeft over de op,/tlling in ons land nog niet besloten. Hiervan moet gebruik gemaakt worden om de rol en het aantal van de kernwapens terug te dringen. N edtrland dient daarom te trachten met concrete en geloofwaardige voorstellen de NAVO -bondgenoten te overtuigen dat een beptrkte bewapening,achterstand van de NAVO kan worden geaccepteerd, onder meer teneinde optimale conditie, te scheppen voor wapenbeperkende overeenkomsten met het Warschau Pact. Nederland toekt ook naar andere wegen om de kernbewapening ,erieus aan de orde te ,tellen, toals in de VN en in nieuwe overlegkadm mtt bepaalde landen in Europa (toals in de Scandinavische landen, Polen en Roemenië). Aangttien tr onukerheid bestaat towel ovtr de bereidheid van de S U en VS hun bewapening kwalitatief en kwantitatief terug te brengen, als over de ontwikkeling van de militair-,trategische ,ituatie, is het noodtaAelijk dat D'66 tich regelmatig beraadt over de totale veiligheids-

D. Tammtl

13


Vrede, veiligheid en samenwerking in het CDA-program De opstelling van het actieprogram voor de jaren 19811985 heeft, inclusief voorbereiding en verwerking van amendementen, bijna anderhalf jaar in beslag genomen. In die periode van anderhalf jaar kwam een breed samengestelde programcommissie (Âą 15 personen) frequent bijeen om de stukken, die door de rapporteurs (medewerkers van het Wetenschappelijk Instituut) of door de leden zelf geschreven waren, te bespreken. Steeds heeft de intentie vooropgestaan om een zo concreet mogelijk program te maken, waarin de relaties tussen het te voeren beleid en de

politieke uitgangspunten zo helder mogelijk zijn aangegeven en waarin een onverbloemd beeld van de problemen en de te volgen weg wordt geboden. Dit resulteerde in een omvangrijk document, waarin voor de diverse beleidsterreinen de situatie werd geanalyseerd. Daarna volgt per hoofdstuk een aantal "benaderingJarMefen ", die qua abstractieniveau tussen de artikelen van het Program van UitgangJpunten en de actiearti*elen in liggen. Deze benaderingsartikelen worden van groot belang ge-

acht, omdat zij - de politieke achtergronden aangeven, - de actieartikelen in een verklarend kader plaatsen, waardoor de lezer het "waarom" sneller doorziet,

- gedurende de komende zittingsperiode vooral bij onverwacht opduikende problemen een politiek houvast bieden voor de beleidsvoering.

democratische benadering en de leden wilden die op zoveel mogelijk punten tot uitdrukking laten komen.

Internationale solidariteit, Europese samenwerking De paragrafen "Internationale solidariteit" (hoofdzakelijk ontwikkelingssamenwerking) en "Europa" geven een breed uitgewerkte normatieve benadering van het politieke beleid terzake. De Europa-paragraaf, voor een groot deel voorbereid door een vertegenwoordiger van het CDJA in de programcommissie, legt een sterke nadruk op de groei naar Europese eenheid, uitbreiding van de politieke rol van de Europese Gemeenschap en op de betekenis van een nauwe samenwerking met de Verenigde Staten. De paragraaf over internationale solidariteit bevat veel aanknopingspunten voor een streven naar rechtvaardiger internationale economische orde, waarbij de Westerse samenwerking ten behoeve van de derde wereld wordt benadrukt. De rol van de Verenigde Naties in de ontwikkeling van de derde wereld wordt onderstreept. In deze paragrafen zitten geen artikelen, die ten aanzien van de Atlantische samenwerking knelpunten of tegenstellingen binnen het CDA bevatten.

Vrede en veiligheid

Het belang van deze artikelen werd onderstreept door ze (anders dan de analyses) amendeerbaar te maken. De daarna volgende actie- of beleidsartikelen bevatten de concrete voornemens voor de komende vier jaren.

Toch zijn er wel punten geweest, waarbij duidelijke en moeilijk overbrugbare verschillen van inzicht naar voren kwamen. Zij waren ook duidelijk zichtbaar in het concept, dat aan de partij werd voorgelegd.

Het CDA kan als nieuwe partij niet rusten op de veronderstelde lauweren van traditionele, gevestigde "duidelijkheid" en spreekt zich derhalve in zijn program gedetailleerd en concreet uit over tal van problemen. Een beknopt en mede daardoor vaag program zou teveel vragen openlaten. Men zou kunnen verwachten dat deze opzet in de programcommissie tot veel conflicten aanleiding zou geven. Er zou dan immers veel meer te bevechten en te beslissen zijn. Deze verwachting is des te meer voor de hand liggend, omdat de programcommissie was samengesteld uit delegaties van de vier "poten" van het destijds nog gefedereerde CDA (ARP, CHU, KVP, rechtstreekse leden). Bij de samenstelling van die delegaties was alleen enigszins rekening gehouden met de gewenste diversiteit in disciplines. Overigens had iedere "poot" bij de benoeming van de eigen delegatie zoveel mogelijk het eigen profiel benadrukt. De verscheidenheid tussen de commissieleden kan derhalve optimaal worden genoemd. Toch kan niet worden gezegd dat het commissiewerk een kwestie van touwtrekken is geworden. Integendeel. Er werd uitdrukkelijk gezocht naar een gezamenlijke christen-

Het was van meet aan duidelijk, dat de defensieparagraaf met grote zorg moest worden voorbereid. Daardoor is dat ook de laatste, die aan de programcommissie ter behandeling werd voorgelegd.

14

De parlementaire debatten van eind 1979 waren met bezorgdheid gevolgd. De voorbereiding van de NAVO-besluitvorming was mede oorzaak van het onbevredigende van die debatten. Tijdens het vorige kabinet was immers al een ambtelijke voorbereidingsgroep ingesteld, waarin de Nederlandse vertegenwoordigers naar beste kunnen hun bijdragen hadden geleverd. De politieke instructies sloten echter steeds minder aan bij de opvattingen, die in de Nederlandse politieke wereld leefden. Op zichzelf is het alleszins begrijpelijk dat er spanning bestaat tussen de opvattingen in het parlement en de resultaten van onderhandelaars op het internationale vlak. De meningen in de andere landen zijn immers de laatste jaren steeds meer van de Nederlandse trend gaan verschillen. Terugkerende in het nationaal politieke milieu voelt een onderhandelaar zich gemakkelijk miskend als hij de beoordeling van de bereikte resultaten moet ondergaan. Binnenslands bestaat er


vaak weinig begrip voor het feit, dat het Nederlands politieke spectrum ten opzichte van dat in het NAVO-buitenland aanmerkelijk verschoven is. Dat loopt wederzijds uit op een flinke kater. Teruggaan met andere voorstellen is erg moeilijk. Nog eens teruggaan ondermijnt het vertrouwen dat het internationale gezelschap in de onderhandelaar stelt. En toch was er voor het december-debat bepaald veel bereikt, met name terzake van het aantal kerntaken. Nederland oefent mede een belangrijke invloed uit op het streven om kernwapens met korte dracht terug te dringen, af te schafTen en te vervangen door conventionele wapensystemen. Minister Scholten had best goede redenen om enige

tevredenheid over zijn werk te koesteren. Toch vonden belangrijke groepen in het parlement de resultaten onvoldoende. Sinds het CDA inzake de afwijzing van een neutronengranaat het voortouw had genomen (het wapen zou te gemakkelijk en zonder voldoende politieke controle kunnen worden ingezet) is de houding van het parlement tegenover de nucleaire bewapening duidelijk verscherpt. De PvdA kan zich niet permitteren om op dit punt door het CDA te worden "ingehaald". Mede op grond daarvan werd in de PvdA-fractie een stemming gekweekt, die door bepaalde buitenlandspecialisten in eigen kring gevaarlijk gevonden werd en wordt. In de CDA-fractie bestond onrust over de modernisering van de kernbewapening, omdat daardoor een strategie voor de hand liggend werd, waardoor nucleaire oorlogvoering niet meer absurd en onmogelijk lOU zijn maar "denkbaar". De meningsvonning, die na de discussie rond de neutronengranaat in beweging gekomen was, werd bo-

vendien beinvloed door onder kerkelijk etiket opererende actiegroepen (J ). Hoewel de opinie in_de fractie misschien niet eens zo sterk uiteenloopt is er altijd een lijn te ttekken, waarbij een deel van de fractie aan de ene kant belandt en een ander deel aan de andere. Dit gebeurde door de motie, waarin het onderhandelingsresultaat in december '79 beoordeeld werd. De regering kwam in een dwangpositie vanwege het feit dat de verschillen tussen de coalitiepartners WD en CDA hier weinig handelings- en uitingsvrijheid lieten. Het vermoeden dat de oppositie zich in deze kwestie meer tegenover het kabinet en het CDA profileerde dan tegenover het vraagstuk zelf, heeft het katerige gevoel, dat bij het aanzien van het december-debat bij menig chris-

CDA, dat onder voorzitterschap van de heer Neumann was

opgesteld, ondersteunde de eerstgenoemde optie. Terwijl de programcornrnissie aan het werk was, bestond er ook een commissie-Donner van het Wetenschappelijk Instituut, dat tot taak had om de verschillende standpunten over kernbewapening weer te geven en op hun merites te onder-

zoeken. De kwestie trekt in het CDA namelijk al geruime tijd sterk de aandacht, maar een uiteenzetting van de standpunten voor het brede CDA-publiek was nog niet voorhanden. De belangstelling is mede daarom zo groot, omdat daarbij de vraag aan de orde is naar de politieke ethiek en naar de elfecten die deze op het beleid kan hebben. Voor een partij op evangelische grondslag raakt deze vraag het hart van z'n bestaan. De pastorale taak van de kerken brengt hen ook in aanraking met de onrust over de bewapening. Vandaar dat synodes zich uitspreken en wel tegen de kernbewapening, die als zodanig een gevaar voor de samenleving is. Bij politieke partijen ligt echter de verantwoordelijkheid om, mede gelet op die uitspraken, met een beleid te reageren. Politieke ethiek kan het nucleaire vraagstuk niet geisoIcerd van de internationale situatie benaderen. De vraag is

nu welke gevolgen van een terugdringingsbeleid, op ethische gronden, wèl en welke niét aanvaardbaar zijn. Aan de

hand van die afWeging zal het beleid gestalte moeten krijgen. Van het Donner-rapport is geleerd dat het huldigen van een van de standpunten niet op monopolisering van de ethiek mag berusten. Niemand kan in deze serieus gevoerde discussie zich op een ethisch voetstuk plaatsen. Dat

is een belangrijke winst. Terecht lan immers gevreesd worden, dat zo'n monopolisering zich binnen het CDA zou gaan aftekenen. Wederzijdse miskenning van motieven en

bedoelingen maakt een zinnige discussie onmogelijk. Door de publikatie van het Donner-rapport is ook het besef versterkt, dat we in het CDA nog niet aan definitieve

oordelen over het kemwapenbeleid als zodanig toe zijn . De komende jaren moet "aan de basis" verder worden ge-

sproken. De sfeer in de programcommissie kwam in grote lijnen overeen met bovengenoemde conclusies van het Donner-

rapport. Men spande zich in, om een gemeenschappelijke

ten-democraat ontstond, alleen maar versterkt.

lijn te vinden, maar liet elkaar vrij waar men wist dat een overeenstemming niet direct zou kunnen worden bereikt.

In het CDA als zodanig variëren de standpunten betreffende de plaatsing van kruisraketten - de produktie is een

Voorbereiding van het concept

zaak. van de Verenigde Staten - tussen de optie van Helmut Schmidt (t vrniuttl plaatsing, maar dan aanzienlijk

minder dan het voorgestelde aantal) tot de keuze van de atoompacifisten. Algemeen wordt het niet-ondertekenen van het SALT II -verdrag door de VS ernstig betreurd. Het rapport van het Wetenschappelijk Instituut voor het

Het concept, waarover de programcommissie sprak, was

uitvoerig voorbereid in de sectie, die zich met de opstelling van de buitenlandparagrafen bezighield. De rapporteur had zeer veel materiaal verzameld uit de fractie-adviesgroep voor defensiezaken (een adviesgroep van het Wetenschappelijk Instituut, die als klankbodem en brainstormingsclub ten behoeve van Kamerleden fungeert). De fractiecommissie voor defensie en de buitenlandspecialisten

werden uiteraard gehoord. Ook fungeerde de rapporteur

CDA

christen

als luisterpost in de Donner-commissie. De programcommissie en de betreffende sectie daarvan opereerden echter

appèl

in grote zelfstandigheid. Bij de rondgang door het CDA werden uiteraard verschil-

democratisch

lende standpunten vernomen. Haviken, waatvan het Don-

ner-rapport twee soorten beschrijft, werden onder de geraadpleegde deskundigen echter niet gevonden. 15


Op het punt van de "plaatsingsbeslissing" (kruisraketten) heeft de programcornrnissie in grote lijnen het al bestaande fractiestandpunt gevolgd. Algemeen bestond de opvatting dat Nederland zich initiatiefrijk moest opstellen ten aanzien van onderhandelingen tussen Oost en West. In de

defensieparagraaf worden veel mogelijkheden genoemd om aan wederzijds vertrouwen gestalte te geven. Het pro·

gram pleit voor de mogelijkheid van het met kleine stappen gestaag voortgaan. Daartoe worden ook eenzijdige, door de NAVO gedane, stappen niet uitgesloten. Alles moet echter een zinnige rol spelen in de Oost-West onderhandelingen. Het streven naar wapenbeheersing en ver-

mindering kan door middel van de NAVO maar met name ook in VN-verband gestalte krijgen. Voorstellen voor een optreden van Nederland, samen met Scandinavische landen en enkele Warschaupact-staten (bijvoorbeeld Roeme-

kring veel animo voor die afschaffing. En zo haalde dit (alternatieve) tekstvoorstel royaal de eindstreep. Erg gelukkig was het partij presidium daar niet mee. Het bevond zich in een onelegante situatie, omdat helemaal geen overleg was gevoerd met de kerken voor wie dit een belangrijk punt was. Dit punt is voor de sfeertekening rond de behandeling van de CDA-defensieparagraaf enigszins van psychologisch belang, omdat zij licht werpt op de reden, waarom de behandeling van andere artikelen betrekkelijk moeiteloos scheen te verlopen.

Stromingen in het CDA In de programcommissie was men het erover eens dat nu

treft men echter niet aan. De keuze van deze weg wordt

nog niet een definitief oordeel kon worden geveld over de vraag of de kruisraketten tezijnertijd wel of niet geplaatst

nogal onwezenlijk geacht, omdat het hier staten betreft, die nog minder invloed op nucleaire strategieen hebben dan wij. Indien men dat inzicht heeft, dan gebiedt de eer-

zouden moeten worden. Het betreffende artikel omvatte een reeks van condities, die eind 1981 bij de beslissing afgewogen zouden moeten worden. Daarmee werd het

liJkheid om er niet mee te koketteren .

fractiestandpunt aanvaard. In zijn volledigheid luidde het artikel als volgt:

ni~)

Er waren echter enkele punten, waarop overeenstemming

niet voor de hand lag. Deze betroffen globaal gezien de sterkte van onze banden met de NAVO: - Is de NAVO onmisbaar, of van groot belang als instru-

ment van oorlogsvoorkomen? Besluiten wij over de modernisering in bongenoot-

schappelijk overleg of ná bondgenootschappelijk overleg ? --'- Hangt die beslissing af van het bereiken van duidelijke resultaten in wapenbeheersingsoverleg met de Sowjet-

Unie of is het voldoende als daarop althans een betrouwbaar uitzicht wordt verkregen?

Hier kwamen twee verschillende stromingen tot uitdrukking, die in de fractie, wat berreft de kwantitatieve verdeling, op representatieve wijze vertegenwoordigd zijn.

Geestelijk ambt Tenslotte was er nog een punt in de defensieparagraaf, waarover de meningen uiteenliepen. Dat betrof de dienst-

plicht voor personen, die een geestelijk ambt (dominee of priester) vervullen of voor dat ambt in opleiding zijn. Deze vrijstelling had een historische achtergrond. In vroeger tijden heeft een remplaçantenstelsel bestaan, waarbij "lotelingen" zich konden laten vervangen door iemand die voor

de dienstplicht was uitgeloot. Als een uitgelotene geen bezwaar had om toch in dienst te gaan, kon hij een financiele vergoeding incasseren door de plaats van een ander in te

nemen. Bij de afschaffing van dit stelsel werd de uitzondering voor de categorie van personen, die een geenelijk

ambt vervullen, ingevoerd. Die geestelijken en theologiestudenten konden zodoende van vervulling van dienst-

plicht gevrijwaard worden. Het is een oude kwestie uit de tijd van Schaepman.en Abraham Kuyper, die in hun dagen tot democratisering van het leger wilden komen, maar

daarbij stuitten op behoudende krachten in katholieke en protestantse kring. De afschaffing van de vrijstelling van dienstplicht voor kerkelijke ambtsdragers werd niet als een zeer belangrijk punt beschouwd. Toch was van protestantse zijde aandrang uitgeoefend. Kans op succes werd voor dit streven niet verwacht, maar tot verbazing van velen was ook in katholieke

16

''Ten aanzien van de nucleaire middellange afitand,waptnJ houdt Nederland Vlllt aan zijn binnen de NAVO gemaaJrte voorbehoud, inJwudende dal het emt in dtctmher 1981 een btsliuing uzi nemen over htt al dan niet stationeren van dtu waptnJ op zijn grcmdgebied. Deze beliiHing zal worden genomen in bondg<TWotlChappelijk overleg, mede tegen de achtergrond van de eigen verantwoordelijkheid van Nederland ttTU1Áe (alUmlll.ief 'dm beliiHing z.al worden genomen na bondgenootlchappeüp. overleg en tegen de achtergrond van de eigen verantwoordelijAhtid van Nederland tmAJu ') . Deze beliiHing dient met name te worden bepaald door de volgende factoren: -de mate waarin eind 1981 concrete en duidelijl, multaten zulltn zijn bereikt in het wapmheheming,overleg met de Sowjet-Unie tenaAt de vermindering van Euro-strategischt kemwapern (alternatief toevoegen 'of altham daarop un betrouwbaar uit:dcht is ver/(regen'); - de mate waarin tevens in onderhandelingen resultaten zijn bereiJtt tenaju het daadwerkelijk verminderen van het aantal in Europa opgeliagen tactuche kemwaptnJ; -of eventuele plaat,ing van nieuwe waperny,temm op Nederland, grondgebied z.al leiden tot een vermindering van de bestaande Nederlandse nucltairt talten; (alltrnatief toevoegen: - de overweging dat Nederland voor de produktiebeliu,ing gun verantwoordelijlheid draagt.) Teneinde het wapenbeheming,- en vermindering,proctl daadwerkelij" te helpen bevorderen, ut Nederland zich krachtig in voor ratificatie van het SALT IJ-verdrag, in niet wezenlijk vorm, alsmede voor een voortutting van het SALT -proces met optimale inschoJceling van de Europm bondgenoten. " Ook hechtte ieder veel waarde aan het NAVO bondgenootschap : "In het licht van de internationale verhoudingen blijft de NAVO voor de voonienbare toekom.st onmubaar (alternatief: 'van groot belang') ai> imtrument van oorloglVoorkoming, ten ditnJte van de behtersing van crises en voor htt bevorderen van vrede en veiligheid, ai>mede voor de btlChmning van dtmOcratuche en maatlchappelij"e waarden die in onze ,amenieving


geldm. Initia/ievm m heJluitm hinnm de NAVO wordm voortdurtnd getotlJt aan hovmgmoemde doelstellingm. De NAVO-stra/egie is gehasttrd op em h"hlt hand twsm NoordAmema m West-Europa. Em intmsivtring van de politide en militaire consultaties, twun West-Europa en Noord-AmeriAa, is noodz.ai.elijA voor het welslagm van pogingm ter venekering van de internationale vrtde en veiligheid. etc . .. . u

Men besloot al snel om het Partijbestuur op een aantal punten alternatieve teksten aan te bieden (zie de aangehaalde artikelen). Dat werd zuiverder geacht. Niemand

Het eerste punt waarover een compromis kon worden be-

reikt, was dat over de vraag of de NAVO als onmisbaar dan wel als van groot belang moet worden geacht. Uitkomst bood het Program van Uitgangspunten dat tot stand was gekomen tijdens de periode waarin de programcommissie met het verkiezingsprogram bezig was. In dat uit-

gangspuntenprogram heette de NAVO "hoofdinstrument van beleid" . Niemand kon daar iets tegen hebben, omdat deze formule inmiddels door de partij, met het hele program, was geaccepteerd.

wilde de ander dwingen . In feite was men over en weer

elkaar behulpzaam bij de formulering van elkanders voorkeurtekst of alternatief. Dat leverde een eigenaardig schouwspel op, dat evenwel goed past bij de stijl die men bij zulke vragen gaarne in het CDA ziet. Het ging immers over gewetensvragen. Tevens is deze wijze van handelen de basis geweest voor de laatste overeenkomst. Het zal de lezer duidelijk zijn dat zij, die met de uitvoering van de politiek belast zijn, met het bestaan van alternatieven in de programtekst niet zo goed geholpen waren. Het Dagelijks Bestuur was dan ook van mening dat toch nog een poging moest worden gedaan om alsnog met een gemeenschappelijk standpunt naar de Partijraad te gaan. Er zijn als gevolg van dat streven na afronding van de concepten door de programcommissie, en terwijl deze concepten bij de partij-afdelingen al in bespreking waren, indringende gesprekken gevoerd over de betekenis van de alternatieve formules. Men was van beide zijden vrij dicht naar elkaar toe gekropen, opdat het eigen standpunt in de partij zoveel mogelijk kansen zou kunnen krijgen.

Bij de andere kwesties lag het moeilijker. Een nuchtere staatsrechtelijke analyse leerde dat besluiten in NAVOvergaderingen genomen, altijd de goedkeuring van het nationale parlement behoeven. De NAVO is immers geen supra-nationale organisatie, maar een bondgenootschap. Een overeenkomst over eventuele plaatsing van kruisraketten zou zelfs de vorm van een verdrag kunnen krijgen tussen de leden van het genootschap. In elk geval moest steeds rekening gehouden worden met "de eigen autonomie en verantwoordelijkheid van Nederland" . Aan deze formule kon en wilde niemand zich onttrekken. Deze werd derhalve toegevoegd aan de formule "in bondgenootschappelijk. overleg". Het woordje Ilna H in plaats van "in" kon worden teruggenomen, zodat ook de vrijblijvende toon daarvan niet in het program behoefde door te klinken. Parlementaire controle geeft immers feitelijk voldoende garantie voor het onderstrepen van de eigen verantwoor-

delijkheid .

En-dtrvtrSdln&m indt NRC, 21 -22- 1979

17


Premier Van Agt en minUter van dtJt1Uテ四 Scholten op hit CDA-congres (foto ANP)

Terzake van de vOOlwaarde van de "concrete resultaten" die in de Oost-West onderhandelingen moesten worden bereikt alvorens van plaatsing kon worden afgezien, stemde men in met de toevoeging die in het alternatief was vervat "of althans daarop een bettouwbaar uitzicht is verkregen". Deze formule geeft wat ruimte om al te rigide reacties te kunnen voorkomen. De internationale toestand, met name na de regeringswisseling in de Verenigde Staten, was immers zodanig veranderd dat men niet meer duidelijkheid van de programtekst kon verlangen dan de gang van zaken toeliet. Op de parlementsfractie komt zodoende een extra veranrwoordelijkheid te liggen, om t.Z.t. in de lijn van het program tot creatieve standpuntsbepalingen te komen.

Behandeling in het partijbestuur Met enige inspanning werd nu het oordeel van het algemeen bestuur tegemoet gezien. De meest geprofileerde vertegenwoordigers van de oorspronkelijke standpunten waren als leden van de programcommissie voor deze bijeenkomst uitgenodigd. Het algemeen bestuur reageerde met een zekere opluchting en ook wel verrast op de gepresenteerde eensgezindheid.

18

Na een uitvoerige discussie over de betekenis van de aanvankelijke teksten en de bereikte overeenkomst, werd deze laatste unaniem aanvaard. Die unanimiteit werd waarschijnlijk door niemand verwacht. En in de wandelgangen kon men dan ook uitingen van dankbaarheid en enthousiasme opvangen over het feit dat zoiets, en nog wel over zo'n heet hangijzer, in het CDA mogelijk was. Uiteraard zijn de bestuursleden met deze resultaten teruggegaan naar hun kamerkringbesturen. Daar is waarschijnlijk eveneens met bijzonder genoegen kennis genomen van de discussies, de achtergronden en de uitkomsten. Zodoende was de partijraad ten aanzien van de defensieparagraaf uitstekend voorbereid, en waren de debatten daar lang niet zo fel als voorheen verwacht was, zulks tot teleurstelling van menig journalist. Juist de zaak die men voorheen als probleemloos had bestempeld, bleek op de partijraad plotseling de meeste discussie uit te lokken. Dat was het veel minder goed voorbereide artikel over het geestelijk ambt, waarover in de vorige paragraaf werd gesproken.

Atoompacifisme Inmiddels was de positie van de atoompacifisten enigszins in discussie geraakt door de bekwame zorg van een jouma-


list van het dagblad Trouw, die in langdurige telefoongespreld~en met een lid van de Donner-commissie enige uitspraken over diens opvatingen had kunnen ontlokken, die tezamen en buiten hun context weergegeven, suggereerden dat er ten aanzien van het atoompacifisme op den duur een scheiding der geesten zou moeten plaatsvinden. In het CDA is men op dat punt zeer gevoelig, omdat juist mensen als Hans de Boer, vaak om andere redenen dan zijn atoompacifisme, in brede kring groot aanzien geniet vanwege zijn integriteit en trouw aan de christen-democratie. In de programcommissie was ook een lid dat het atoompacifisme voorstond, hetgeen eveneens tot een, voor de hele defensieparagraaf geldende, alternatieve formule had geleid . Deze beide feiten noopten het partijbestuur ertoe om in de benaderingsartikelen van de vrede- en veiligheidsparagraaf expliciet op te nemen dat ook vanuit het atoompacifisme waardevolle bijdragen werden verwacht bij het zoeken naar wegen om het bewapeningsvraagstuk te kunnen aanpakken. Deze formule paste in feite wel bij het Donner-rapport dat, hoewel het het atoompacifisme als zodanig geen oplossing achtte, toch een aantal waardevolle aspecten van het atoompacifisme had willen benadrukken. Uiteraard speelde in dit alles ook een rol dat het CDA het zou betreuren als op grond van een meningsverschil op ĂŠĂŠn belangrijk punt, leden de partij zouden verlaten. De geschiedenis van de christen-democratische partijvorming kende al zo'n ongelukkige breuk rond de kwestie van het algemene kiesrecht (eind vorige eeuw, kieswet Tak) waar de AR -of CH - richting in Tallianen en antiTallianen uiteenviel. Naderhand blijkt zo'n breuk in feite als onwezenlijk te worden ervaren. Sociologische processen worden in zo'n geval echter in werking gezet, die hereniging geruime tijd bemoeilijken. Zoiets wil men ten aanzien van de kwestie van de nucleaire bewapening niet nog eens doormaken.

Nasleep binnen en buiten het CDA De behandeling van de defensieparagraaf heeft zodoende ondanks een zeer moeilijke start, waarin Goudzwaard vanwege de afloop van het december-debat in 1979 zijn lidmaatschap van de programcommissie opschortte en later wegens algemeen politieke bezwaren afhaakte, toch een zeer bevredigende afloop gehad. De lezer zal wellicht willen weten hoe de bovenbeschreven programtekst bij een man als Goudzwaard is overgekomen. Officieel is dat niet bekend, aangezien de eerste concepten van de tekst van de defensieparagraaf pas na het bedanken van Goudzwaard aan de programcommissie werden aangeboden. Zijn vertrek uit de programcommissie vond dus daarin zeker zijn aanleiding niet.

sering wel aanvaardbaar is. Sommigen wensen nu reeds uit te spreken dat plaatsing van kruisraketten nimmer dient plaats te vinden. Anderzijds zijn deze fractieleden ook van mening dat met dit voorwaardelijke artikel wel een praktisch aanvaardbare weg is gekozen, mede omdat de nieuwe versie de speelruimte voor de fractie nog wat heeft vergroot. Of het dus tot indiening van een gravamen (zwaarwegend bezwaar) zal komen is niet zeker. Aangezien het bij zoiets om een gewetenszaak gaat, dient men het al of niet indienen van een gravamen aan het geweten van de betrokkenen over te laten. Het CDA acht het echter verstandig en meer van politieke werkelijkheidszin getuigend, om het eindresultaat over de modernisering te laten afhangen van de hopelijk binnen korte tijd te starten Oost-West onderhandelingen terzake. De programma's van VVD en PvdA zien ten onrechte af van de internationale ontwikkelingen. In het CDA ziet men dat als een uiting van zorgeloosheid over het kernwapenvraagstuk c.q. als een miskenning van de waarde van onderhandelingen, waarin immers van geven en nemen sprake moet kunnen zijn. Het doel is immers om zowel aan deze als gene zijde tot beheersing en vermindering van kernwapens te komen. De verschillen van mening t.a.v. de moeilijke punten uit het concept-program van actie zijn door deze uitvoerige behandeling wel dichter bij elkaar gekomen, maar zijn nog niet geheel verdwenen. De tegenstellingen liggen echter aanzienlijk minder scherp dan binnen de PvdA-gelederen, als men tenminste de publikaties van die zijde maatgevend mag achten. Vanwege de wat minder strakke fractiediscipline in het CDA zullen de verschillende opvattingen echter gemakkelijker tot uitdrukking komen, en daardoor ook een significant effect kunnen hebben op het verloop der zaken. In dit geval meent men echter dat het respect voor elkanders gewetensbeslissingen voorrang dient te hebben op het streven om op te treden als een gesloten blok. Te hopen en te verwachten valt dat ieder van de zodoende geboden ruimte met ernst en bescheidenheid gebruik zal maken. Drs. A.M. OostJander Directeur van het Wetensdiappel ijk Instituut voor het CDA

Noot van de redactie I. Zie hierover o.a. JASON-magazine, 5e jaargang nr. 4 : " Wie beĂŻnvloedt

het kemwapenbeleid ?"

De tekst van de vrede- en veiligheidsparagraaf is wel aanstonds aan Goudzwaard toegezonden, vanwege het feit dat hij als een oude vriend wordt gezien. Zijn bezwaren zijn op andere wijze wel publiek geworden. Hij richt zich met name tegen een afschrikkingssysteem dat op massale vernietiging is gebaseerd. De hele NAVO-strategie komt daarmee onder kritiek te liggen. Een atoompacifist is Goudzwaard echter niet. Vanuit de partijraadbijeenkomsten bestaat er tenslotte nog een discussie, met name door enkele fractieleden op gang gebracht, of het voorwaardelijke artikel over de moderni-

drJ. A.M . OoJtlandn-

19


Eenheid in de VVD In kort bestek zou ik in dit artikel willen beschrijven hoe het besluitvormingsproces plaats vindt met betrekking tot de totstandkoming van de buitenland- en defensieparagrafen van de verkiezingsprogramma's van de WD.

Procedure Het hoofdbestuur van de WO benoemt een commissie, die zich belast met het ontwerpen van een verkiezingsprogramma. Van deze commissie maken o.a. ook deel uit de voorzitters van de WO-fractie in de Eerste en Tweede Kamer. Dit concept-verkiezingsprogramma is bedoeld als discussiestuk voor de partij om de meningsvorming over de te voeren politiek tot de volgende parlementaire periode te stimuleren. Het programma bevat twee elementen : un bmhrijvmd gedulte, dat een globaal beeld geeft van het op basis van liberale uitgangspunten te voeren beleid. Men zou dit gedeelte kunnen zien als een toelichting op het tweede element, nl. de meer exact geformuleerde punten. Deze laatstgenoemde punten vormen een richtsnoer voor het door de WO-fracties in de Staten Generaal te voeren beleid. De toelichting -het beschrijvende gedeelte bevat een bepaalde gedachtengang, die als basis dient voor antwoorden op nieuwe vraagstukken, die zich in de loop van een volgende parlementaire periode voordoen en die niet in de punten zijn of kunnen worden behandeld, omdat ze nog niet bekend zijn.

Partijcommissie De commissie die door het hoofdbestuur is belast met het opstellen van het verkiezingsprogramma laat zich adviseren door de fractie-specialisten en partijcomrnissies. Voor wat betreft buitenlandse zaken en defensie geldt, dat de beide partijcommissies die zich met deze disciplines bezig houden, eenmaal per maand vergaderen en onderwerpen behandelen als Oost-West verhoudingen, veiligheidsbeleid, Europese integratie, internationale rechtsorde en voor wat betreft de defensiecommissie meer specifiek de zaken die te maken hebben met de krijgsmachtdelen zowel op personeel als materieel gebied. Beide commissies hebben zich uitputtend bezig gehouden met de kemwapenproblematiek. In algemene zin kan ge-

zegd worden dat deze comm1ss1es de taak hebben het hoofdbestuur van de WO en de Nederlandse liberalen in vertegenwoordigende lichamen op nationaal en internationaal gebied te adviseren over vraagstuklc.en, die te maken hebben met het buitenlands en defensiebeleid. Deze adviezen worden zowel "gevraagd als ongevraagd" gegeven. Beide commissies bestaan elk uit ongeveer tien personen, die geacht kunnen worden deskundig te zijn op bepaalde deelgebieden. De specialisten op het terrein van buitenlandse zaken en defensie uit de beide fracties van de Staten-Generaal zijn adviserend lid van de bovengenoemde commissies.

Het concept-programma Zoals gezegd, worden de bouwstenen voor het verkiezingsprogramma aangedragen door de fractiecommissies en de leden van de beide fracties (Tweede en Eerste Kamer). Waar het de terreinen van buitenlands beleid en defensie betreft zijn deze terug te vinden in het hoofdstuk 9 van het WO verkiezingsprogramma "Nederland en de wereld" . In het beschrijvend gedeelte staat vermeld "Het liberak beginsel van buitenlandse polilid is het streven naar een intemaLionak rechtsorde, waarin de rechten van de mens worden gtierbiedigd. Daardoor Aan vrede in vrijheid worden bereiAt. Om dat doel te benaderen gelden voor de Aommde Aabinetsperiode een aantal hoofddoelstellingen. De regering behartigt en verdedigt de belangen en waarden van onu samenleving. Als bondgenoot van andere vrije, democratische staten bevordert ons land de internationale vrede en vrijheid. Als dulneernster aan de wereldpolitieA moet onu regering de rol en beteAmis van ons land trachten te versterAm en een bijdrage van goede Awaliteit aan de internationale besluitvorming leveren."

Als afgeleide daarvan zijn een 26-tal punten opgenomen, die betrekking hebben op de internationale rechtsorde, het Midden Oosten, de rechten van de mens, de ontwiklc.elingssamenwerking en Europa. Voor de WO zijn de maatstaven, waaraan ons buitenlands beleid dient te voldoen: doeltreffendheid, geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Ten aanzien van de defensieparagraaf stelt de beschrijvende tekst : "Voor de meest weunlijAe liberak grondbeginselen, vrijheidsbeleving en meruelij'ke ontplooiing, tijn het behoud van vrede en veiligheid onmisbare voorwaarden. De bewapening moet op basis van wederAengheid worden teruggedrongen en moel leiden lol evenwichtige verhoudingen op een lager peil van bewapening. Daartoe dienen lussen Oost en West verantwoorde afspraAen te worden gemMAt en overeenAomsten te worden gesloten over wapenbeheersing en wapenbeperAing. Gezien in het licht van de huidige Arachtsverhoudingen zal dit streven slechts Aans van slagen hebben wannur het Westen bereid is een ge-

20


loofwaardige dtjtruie-irupanning te leveren. De Nederland" dtjtruie-irupanning ontlunt haar beteAt/w aan het bondgenoot5ChappelijA verband ter verdediging van de centrale "ctor van Wt>t-Europa en zijn aanvoerlijnen. Ten einde het bovtrutaande te verweunlijlen dient de Aracht5verhouding tW5en Oost en Wt>t niet verder ten nadele van het Westen te vtTlchuiven. IJ

GeĂŞnt op deze tekst zijn 11 afgeleide punten opgenomen, waarin ook een duidelijke kemwapenparagraaf is opgenomen, inhoudend dat deelname aan nucleaire taken - mede als teken van onderlinge solidariteit teel niet kan worden gemist.

momen-

Verdere behandeling Het concept-verkiezingsprogramma wordt gepubliceerd als bijlage bij. het partijblad "Vrijheid en Democratie", wdat alle leden ervan kennis kunnen nemen. Daarna wordt het in een bepaalde periode besproken in door de partij-afdelingen uitgeschreven ledenvergaderingen. Dat geschiedde in de periode oktober tot december 1980. De daaropvolgende maand werden de zogenaamde ondereentrales (regionale groeperingen van afdelingen), partijcommissies en andere groeperingen, zoals de Stichting "Vrouwen in de WO", de Vereniging van Staten- en Raadsleden van de WO en de Groep Nederland van de liberale lnter-

, -~

.-~

nationale ingeschakeld, terwijl in januari 1981 de Kamercentrales (18) hun vergadering hielden om het verkiezingsprogramma te bespreken. De opzet van deze procedure houdt in, dat vanaf de basis amendementen en moties op het programma kunnen WOTden ingediend. Dat bevordert een uitgebreide politieke discussie. De vergaderingen van de onder- en kamercen-

trales zijn nodig om de amendementen, die door de ledenvergaderingen van de afdelingen zijn ingediend, te bespreken. Deze vergaderingen beslissen met gewone meerderheid van stemmen tot vervanging van amendementen die

dezelfde strekking hebben, tot terugtrekken van ingediende wijzigingsvoorstellen als blijkt dat er onvoldoende steun is te verwachten. Bovendien kan een centrale vergadering beslissen, dat een amendement niet wordt ingediend, als een derde of minder van de stemmen zich v66r indiening uitspreekt. Deze procedure mondt via een aparte vergadering van vertegenwoordigers van de 18 Kamercentrales en de hierboven genoemde bijzondere groeperingen uit in een publikatie van alle overgebleven en vervangende amendementen, een maand voor de algemene ledenvergadering, in het partijblad .

Partijcongres Tenslotte is er dan de algemene ledenvergadering, waarbij het gehele verkiezingsprogramma wordt besproken. Na

.

-

" ... en hou nu eens eindelijk op ons met jullie TNF-moderniseringsplannen te pesten . .. M tt danA aan FrUr. 8thrtndl

21


stemming over alle overgebleven amendementen met een al of niet positief advies van het hoofdbestuur wordt het officiĂŞle verliezingsprogramma vastgesteld. Ten aanzien van de buitenlandparagraaf heeft de discussie zieb vooral toegespitst op Zuid-Afrika. Niet op een eventuele boycot, maar wel over de wijze waarop Nederland kan bijdragen tot een werkelijke dialoog tussen zwart en blank in dat land. Discriminatie naar huidskleur is in strijd met de meest fundamentele beginselen van liberalisme en democratie. Economische dwangmaatregelen gaan ten koste van de zwarte bevolling. Daarom heeft de WD gekozen voor een benadering, die de Zuidafrikaanse regering wil aanmoedigen tot hervonningen, die gericht zijn op verwezenlijking van een volwaardig staatsburgerschap van alle mensen in Zuid-Afrika. In de paragrafen die betrekking hebben op de veiligheidsaspecten, heeft de WD duidelijk stelling genomen tegen de eenzijdige ,tappen, die andere politieke partijen in Nederland willen zetten op nucleair gebied. Wapenbeheersingsoverleg met de Sowjet-Unie dient naar onze mening te geschieden vanuit een geloofwaardige onderhandelingspositie. Daartoe lenen zich eenzijdige stappen niet.

Conclusie Met betreklUng tot welke problemen zich voordeden bij de samenstelling van het verkiezingsprogramma, heb ik hierboven enkele punten aangestipt - zonder volledig te kunnen zijn - die in de discussie aan de orde zijn geweest op het gebied van buitenlandse zaken en defensie. Over deze materie wordt in de WO in het algemeen niet controversiul gedacht. Er is in de afdelingsvergaderingen, tijdens deelcongressen (twee over buitenlandse zaken en defensie in het

.1 . Ploeg

afgelopen jaar) zeer intensief en goed van gedachten gewisseld. Ieder lid van de partij heeft de mogelijkheid gehad tot inspraak - de hele procedure tot en met de uiteindelijke vaststelling van het verkiezingsprogramma heeft ongeveer 9 maanden geduurd, de nonnale termijn om te komen tot een goed programma. Het inzicht dat een goed buitenlands beleid en een daarvan afgeleid defensiebeleid een grote mate van eensgezindheid vereist, opdat doelmatigheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid aan kracht winnen, is bij de WD in ruime mate aanwezig. A. Ploeg defensiespecialist van de wo in de Tweede Kamer

A letter from a Transatlantic friend A110w me to introduce myself. I am an American professor of international relations long interested in Atlantic Alliance affairs and arm. control. I have been in your country only three times -onee as a GI in April 1945; later, during tbe Middle Ea.t Cri.i. of October 1973; and most recently last month to leam more about rurrent Duteb thinking on NATO problem â&#x20AC;˘. I have been impressed by eertain Duteb eharaeteristics candor and open-mindness, an appreciacion of what it means to be independent in tbis world, and a deep commitment to the moral-humanist ideals of Western civilizacion. During my 1973 visit, tbe East-West negotiarions on Cooperation and Seeurity in Europe (CSCE) were just starting. My own goveroment pursued a prudent "low-profile" policy toward Moscow, but the Duteh delegates did not hesitate to hector the Soviet Union for its flagrant viola22

tions of human rigts. Both then and later in the case of Andrei Sakharov, I admired your willingness to speak out for freedom. Let me speak to you frankly, confident tbat you will give me a fair hearing, and not charge me with trying to intervene in your international political process. As democratie allies, you and me must speak eandidly to eaeb otber. We botb realize that tbe old diehotomy between foreign policy and domestic polities is less valid tban it was formerly. As a citizen of tbe Adantie Alliance, I feel perfeedy free to say what is on my mind.

The antinuclear movement in Holland The antinuclear movement in your country is a very disturbing development within the West. It is a movement in tbe direction of neutralism - tbe same kind tbat failed to proteet your seeurity in 1940. You are surely aware tbat tbe


position of the antinudearists in your country, especially in the PvdA, has had a definite impact on the FltmiJh SocialiJt Party of Belgium. We now see the spectade of the Low Countries, which originally inspired the formation of the Atlantic Alliance in the late 1940s and which have always played a pivotal political role within NATO, now impairing Alliance unity by delaying on TNF modernization. Undoubtedly a deep moral conviction undergirds much (but not all) of the Dutch opposition to nudear weapons. It sterns from religious belief and the teaching of the Churches, and is readily understandable. Every thinking, feeling human being is bound tot be appalled at the prospect of nudear war. On this point there can be no disagreement. Disagreement arises over tbe best way of minimizing tbe risk of nudeaf catasrrophe in a world in

which there is no safe policy course, since every policy course involves at least some danger. Ta my mind, tbe

antinuclear movement constitutes an extremely clangeraus proposal. One prominent leader of the Outch antinudear movement assured me that tbe campaign is aimed "only" at nudear

weapons, not at NATO. Such a distinction is so sub tie as to lose all validity in the case of an alliance which depends heavily upon nudear strategies for deterrence and defense.

The call for the eventual removal of all nudear weapons from The Netherlands is a call for unilateral disarmament on the installment plan. Holland cao only make an appropriate contribution to the military capabilities of NATO by continuing to field forces that are equipped with both conventional and nudear weapons. While in yOUT country I heard no serious calls for a significant increase in Outch conventional forces to compensate for what would be lost if the nudear role is reduced to one or at most two tasks. as the PvdA platform prescribes. For years, Holland has resisted the appeals of its NATO allies to place more than one brigade on the Central Front. lt cannot be denied that any reduction in the Outch nudear role will weaken the Dutch contribution to NATO, and increase proportionate-

Iy the importance of the Bundtswthr on the Continent - a development that the present leadership of the Federal Republic certainly does not wish to see come about.

The objections of Mr. Klaas de Vries (PvdA) FOT the most part, tbe antinuclearists prefer to take theiT

stand on the basis of an aversion to nuclear weapons, whether intuitive, religious or ideological, and they do not

relish arguments which employ the kind of technical, statistical and logical arguments which are the stock-in-trade of strategic theorists. One notabie exception is Labor defense expert KlaaJ dt VrieJ, who engages in a mode of analysis which American

nization of NATO TNF will "Iower the thrtshald" -

a fa-

vorテ四e cliche of antinuclearists who, unlike Mr. de Vries,

use the terminology without comprehending it - and it is presumed that the lowering of the NATO threshold will increase the probability of nudear war. I ,trongly diJagrtt with Mr. de Vries' three principal objections to NATO TNF for the following reasons. Fint, TNF modernization is essential, in my view, as a

means of bringing about a greater degree of strategic symmetry in the European theater. Mr. de Vries is correct when he points out that more than one-fourth of the nudear weapons presently assigned by the United States to NATO are carried by medium- and long-range delivery systems, induding F-Ill aircraft, carrier-based A-7s and submarine-Iaunched ballistic missiles (SLBMs), many of which are capable of reaching Soviet territory. But he has no quarrel with statistics indicating that the USSR has 5,000 medium- and long-range nudear weapon systems compared to only 2,000 for NATO . NATO aircraft systems may be substantially degraded by a surprise attack and by attrition against formidable Soviet air defenses. NATO SLBMs can be more properly considered to be Eurostrategic systems, but they suffer from an accuracy problem which makes them appropriate only for a city-busting role - a fact which has increasingly impaired their credibility as a deterrent. The Soviet Union is deploying, at the rate of at least one SS-20 (with three warheads) per week, a modern force of mobile, invulnerable and accurate missiles

targeted on Western Europe. NATO now lacks a comparabie countercapability and would be most unwise to concede to Moscow a monopoly right to modernize theater nuclear forces, mereby increasing unilaterally the

vulnerability of Western Europe. I cannot understand how Mr. de Vries, after fairly presenting the NATO arguments in favor of deploying 108 Pershing lis and 464 Tomahawk ground-Iaunched cruise missiles (GLCMs) can arrive at the gratuilOUS conclusion mat mey are unnecessary and will

add nothing significant to NATO's exisiting capabilities. Actually, they will provide NATO with an enhanced ability to strike second and third echelon Warsaw Pact/Soviet military targets and also to control escalation in a conflict. NATO badly needs this enhanced ability to give visible reassurance to netvous West Europeans. I agree fully with Mr. de Vries that the decision taken by the NATO Ministers last December contains an important political com-

ponent, as all Alliance dテォcisions must. But I totally disagree with his contention that TNF modernizations add nothing militarily. If he really believes that, then he should devote more effort to reassuring me leaders in Moscow

that they have no reason to be provoked or disturbed.

strategie theoriSls can understand even if we do not agree

with his condusions. Mr. de Vries offers thrtt principal objecti= to the modernization of NATO TNF : (1 ) It is Unntctj ,ar; because NATO already possesses long-range theater nuclear forces capable of reaching Soviet targets, and therefore the new missiIe forces will add nothing to NATO's capabilities but will merely setve to provoke the Soviet Union. (2) It willitad to tht decoupling of European defense and theater deterrence from the U.S. strategie deterrent forces, and thereby make more likely a nudear war limited to the soil of Western Europe while the territory of the two superpowers rernains immune. (8) Moder-

Secood, far from leading to the decoupling of European deterrence and defense from U.S. strategic forces, the new NATO missiIe force will tighten the bond of security between Europe and America, and every Soviet strategic planner knows it, because all 572 warheads will remain under U.S. control. There is no basis for the fear that the new missiIe force will make it possible for the superpowers to wage a nudear war limited to Europe. That has always been a rather fanciful notion, which ought to be laid to rest for good once TNF symmetry has been achieved and the 23


Russians learn what ir feels like to be just as vulnerable as the West Europeans. The Soviet Union will tban be far less likely to be led into tbe temptation of thinking that it could launch an attack westward while preserving its own territory as sanctuary. In my opinion, NATO TNF modernization will diminish botb tbe chance and tbe fear of Soviet aggression, and make for a more stabie, peaceful Europe.

Third, TNF modemization will raise tbe nuelear tbreshold and decrease tbe probability of nuelear war. As tbe new long-range missiles are deployed, NATO will be in a better position to witbdraw tbose shorter-range nuelear systems deployed in tbe 1960s which have become militarily less useful for botb deterrence and defense as Soviet TNF capabilities have grown. NATO has already announced its intention to carry out a unilateral witbdrawal of 1000 (or a net of 428) nuelear weapons. Furtber numerical reductions, eitber unilateral or negotiated, will become feasible as the new long-range missiles become operational. I am not suggesting tbat all short-range nuelear systems can be eliminated. But I agree witb your analysts who say tbat a substantial number of NATO's nuelear weapons are not as usabie as a prudent military planner would like. They are of too high a yield, too short a range and too vulnerable to being overrun by an advancing army before tbe order to employ tbem is likely to be received. These are tbe weapons which have given rise to tbe greatest confusion in NATO's effort to develop a coherent strategie doctrine of deterrence and defense during tbe last fifteen years, largely because tbey blur tbe line in theory and practice between conventional and nuclear responses to Soviet aggression. These weapons have also lost some (but certainly not all) of their credible utility in recent years, as Soviet theater nuelear forces have grown. The NATO deployment of long-range TNF will fill a dangerous gap in tbe Western defense line. lt will enable NATO to shift witb confidence toward a higher nuelear threshold. It will make more certain tbat tbe Soviet Union will not blunder into nuelear war in Europe by overestimating its prospeets for victory by conventional means. On several counts, the Western deterrent to war in Europe will be significantly strengthened, and tbe probability of nuelear war will be reduced. That, I presume, is what we all want to achieve in a manner compatible witb tbe continued freedom of Western Europe ratber tban its Finlandization.

Some considerations The political and military dimensions of tbe current situation a~~ elosely related. This artiele has treated primarily tbe mlhtary aspects. In tbe final analysis, tbe political factors may be more important than the military, because the problems of a successful deterrent alliance of democratie countries are basically politica!, and military defense policies are significant primarily as evidence of politica! will. In elosing, tberefore, I would like to mention briefly Jour important politica! c07lJidtratio7lJ : 1. If The Netberlands anc! perhaps Belgium adhere too long to a policy of delay on TNF modernization for NATO, tbis is likely to grow into a policy of opposition tbat will increase tbe danger tbat tbe Low Countries, wbicb bave always played a crucially significant rol as 24

brokers of sensible compromise among the major AUies, will become politically estranged from tbe United States, Britain, Germany and ltaly, and will become sources of conflict rather than consensus wĂ&#x17D;thin NATO. 2. An antinuelear policy is certain to decrease tbe opportunity whicb The Netberlands would otherwise have to play a part in tbe development of a coherent, reasonable NATO strategie doctrine to govem tbe new theater missile force. It would be ironie if tbe Duteh, after working so long and successfully to bring about an end to the practice of rotation witbin tbe Nuelear Planning Group (NPG) which formerly limited tbe voice of tbe Smaller Powers, should now find tbeir valuable influence in tbat body diminished. This could impair Holland's ability to contribute as fully as possible to the formulation of a sound Alliance approach to U.S. Soviet negotiations for TNF anns control. 3. Chancellor Helmut Schmidt, who fiTSt publiely asserted tbe need for NATO TNF modernization in 1911, is now engaged in a delicate effort to restabilize detente in Europe by pursuing tbe " two track" approach of advocating simultaneous missile deployment and EastWest TNF negotiations. Thus far his efforts have met witb some signs of success. 1 hope tbat the socialist Labor parties in Holland and Belgium will exhibit solidarity witb him and his SDP instead of undercutting him in his difficult course of diplomacy. 4. It i, important that NATO at tbis criticaljuncture in it, hi'tory ,hould not project an image of an alliance tom by intemal divi,ions and disagreements over basic ,trategy. Some Dutch analysts sincerely tbink tbat it would have been better if tbe Alliance had waited anotber six montbs or a year so tbat it could make its approach to tbe East before taking tbe decision on TNF. But a majority, ineluding tbe United States and tbe principal European allies, after assessing tbe strategie and theater military buildup, as weil as tbe behavioral pattem, of the Soviet Union in recent years, decided that the Atlanuc Alliance had already postponed a responsive action long enough, and tbat furtber delay could be misinterpreted to mean that the Western allies were willing to make a gesture of appeasement because tbey were afraid to do what was necessary both to enhance tbeir own security and to acquire tbe bargaining leverage likely to make East-West negotiations more productive. Rather than presenting Moscow with exploitable divisions within the West, it is now time for tbe NATO allies to work out a single. unified position on tbe basis of which it can confidently proceed to improve the prospeelS for stabie peace in Europe.

Dr. James E. Dougherty Dr. James E. Dougherry is hoogleraar in de Politieke Wetenschappen aan Saint Joseph's Univeniry Philadelphia, PA en Senior SLilfT Member aan het lnstitute for Foreign Policy Analysis in Cambridge, Ma.n . Hij is de auteur van een groot aanLilI boeken op het terrein van de internationale bet~llingen, waaronder Conlmding ThLmts of InlmuJlionaJ Rtlatioru (revised edition 1981 ), WorM Polities (1975), Atlantic Community in Crisu (979) en Tht Fait/ui Ends and SluuJts a/SALT (1979 ). Pro~essor Dougherty was vorig jaar in Nederland en Belgie voor een st~dle van de Nederlandse en Belgische percepties t.a .v. een aant:al ontWIkkelingen en (~nds die het huidige NAVO-beleid kenmerken, in het bijzonder ontwikkelingen op het gebied van de Theater Nuclear Forces.


JASO N -Simulatiespel Sinds de kleuterjaren niet meer verpleegster of treinconducteur gespeeld en toch de behoefte om - zij het op een meer "volwassen" wijze -

voor een tijdje de rol uit te beelden van dip lomaat, internationaal politicus, beroemd journalist of

het publiek? JASON wil aan deze behoefte tegemoet komen en wel door middel van een simulatiespel over internationale betrekkingen . In een simulatiespel wordt in het klein en enigszins vereenvoudigd een situatie uit de werk.elijkheid nagehootst. Hel is

nog niet zo lang geleden dat voor het eerst in de Leer der Internationale Betrekkingen ("Internationale Politicologie") door de "Middle-Range theorists" ofwel de "Behavioralisten" deze tchniek voor het naspelen van bepaalde situaties naar voren werd gebracht om een beter inzicht te krijgen in de internationale politiek. Een "wereld" wordt opgezet waarbij aan de hand van diplomatiek overleg, internationale kranteberichten, "binnenlands" politiek. overleg etc., wordt onderzocht hoe internationale verhoudingen zich ontwikkelen, met name als zich crises voordoen , en wat de rolopvattingen van de spelers zijn.

De gesimuleerde wereld zal bestaan uit vijf landen : de supermogendheden Erika en Ursa; de staten Neda - klein maar welvarend - en Rumië, met een zwak omwikkelde economie; en tenslotte Oriënt, een ontwikkelingsland èn een belangrijk. olieleverancier. De wereld kent verder drie bondgenootschappen: twee militaire en een economisch . De Erika·Neda

Veiligheidsorganisatie (de "ENVO") en het Ursa-Rumië Pact (het zg. "UITU-Pact") zijn samenwerkingsverbanden op militair gebied, Orient en RumiC! werken samen op economisch gebied (ontwiklelingsvraagstukken) en staan internatio-

naal een politiek van neutraliteit voor. De "Raad van Landen" waarvan alle landen lid zijn, fungeert als internationaal overlegorgaan . HetjASO N-,imulatiespel zal plaats vinden op 12 tot 14 juni 1981 in Huize "Bergen" te Vught. Vertegenwoordigers van verscheidene West- en Oosteuropese landen zijn uitgenodigd en de deelnemers zullen afkomstig zijn uit velerlei politieke groeperingen. De inschrijvingskosten bedragen f 25,- per persoon, en voor deelname is een redelijke beheersing van de Engelse taal vereist. Voor inschrijven verwijzen wij naar het hierbij afgedrukte opgaveformulier of de rondgestuurde uitnodiging. Te zijner tijd za l er een Mini-JASON met een uitvoerige inleiding en een scenario verschijnen. Voor nadere informatie kunt

U altijd contact opnemen met het secretariaat vanjASON. Tot ziens in Vught!

frank.~T~n

als bTi~fkaaTt

jASON Van Sto lkweg JO 2585 JP Den Haag


JASON-m agazine Secretariaat en Redactie:

Redactie JASON-magazine

Van Stolkweg 10, 2585 JP DEN HAAG Telefoon: 070-545988 (maandag en dinsdag ) Postgiro: 3561025 Bank : 45.68.55.548 (AMRO-Bank te Scheveningen)

Hoofdredacteur Redactieleden

Lay-out

: Maurits Dolmans : Hans Fortu in Peter Mulder Kees Nedertof Gert Timmerman Guido Vigeveno : Anke Bat jet-Peters

Abonnementsprijzen:

1

20,- per jaar (6nummers, behoudens versch ij ning van een dubbelnummer). Jongeren tot 20 jaar:

Het volgende nummer

115,-. Adherenten van de Stichting JASON: Minimaal 1 10, - per jaar boven de abonnementsprijs op JASON -magazine . Jongeren tot 20 jaar: minimaal 1 5, - . Adherenten krijgen naast het blad tevens andere publikaties en mededelingen van de Stichting toegezonden .

Het eerstvolgende nummer van JASO N-magazi ne zal zijn gewij d aan Spanje, haar geschiedenis tot 1975, en de interne ontwikkeli ngen na de dood van Franco , m.n. het regionalisme, de democratie en de bu itenlandse politiek. Het daaropvolgende nummer zal als thema Zuidelijk Afrika hebben, een reg io van groot belang in de internation ale politiek om zijn militair-strateg ische ligg ing , de confli cten tu ssen Zu id-Afrika en de omliggende landen , de bemoeieni s van de VN etc.

Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarne verstrekt door de penningmeester van de Stichting . De in dit blad uitgesproken meningen blijven geheel en al voor rekening va n de betrokken auteur.

Degenen die geïnteresseerd zijn in redactie of eindredactie van JAS ON-magazine of in een functie in het bestuur, kunnen contact opnemen met Maurits Dolmans, telefonisch bereikbaar op 071-130405, Steenstraat 29, 2312 BT Leiden

Dagelijks Bestuur Voorzitter Secretaris

Degenen die, door het schrijven van een artikel of het geven van suggesties, denken een bijdrage aan bovengenoemde toekomstige nummers te kunnen leveren, worden van harte aangespoord zich op korte termijn in verbinding te stellen met de redactie.

: Winfried van den Muljsenbergh : Bert van BarIingen

Penningmeester : Marianne van der Meuten Hoofdred. JAS ON-magazine : Maurits Dolmans Leden

: NaneUe Neuwahl Michaäl Coppes

Rob Knuist

Overname van artikelen . .. Algemeen Bestuur

Raad van Advies

L. Aaien drs. A.F. van Leeuwen

dr . W .F. van Eekelen (voorz.)

drs . P.J.C. Mulder mr. l. Narralna drs. K.A. Nederlof A.D. Praaning drs. M . Roemers

H. Gabrlêls mevr. dr. A.M.e .Th . van HeelKasteel

drs. A. Scholten

drs. E.J. van Vloten

H.J.M. Aben

e.c. van den Heuvel dr. LG .M. Jaquet

drs. M .I. Spangenberg-Carl ler

J. Tammenons Bakker M . Verwey drs. G.W.F. Vlgeveno Leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leden van het Algemeen Bestuur

. .. uit JASON-magazine is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming van de re dactie te hebben verkregen en onder vermelding van de auteur , het nummer waaruit het artikel afkomstig is , het thema van dat nummer en het adres van de stichting JASON . De bronvermelding dient derhalve naar het volgende voorbeeld te zij n gemodelleerd : "Onderstaand artikel van de hand van (auteur) is overgenomen uit JASON- magaz ine van apri l/ mei 1979, dat gewijd is aan het thema "In vredesnaa m de NAVO" . JASON-magazine is het tweemaandelijkse tijdschrift van de stichting JASO N, gevestigd Van Stolkweg 10, Den Haag."

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1981), jaargang 06 nummer 2  

Jason magazine (1981), jaargang 06 nummer 2  

Advertisement