Page 1

JONG ATlANTISCH SAMENWERKINGS ORGAAN NEDERLAND

maan 1979

4e jaargang or 1

De DDR: een staatsgeleide samenleving

Het ontstaan van de twee Duitse staten W. Togtema De tweede Berlijncrisis . van der Velde Defensie in de DDR

. . . . pag.

2

. . . . . . . . . . pag. 8

. . . . . . . . . . . pag. 12

GE. Timmerman

De DDR op de niet-reguliere toer

. . . . . . pag. 16

B . de]ong

De DDR: een provincie van de Sovjet-Unie?

Kunst ten behoeve van het socialisme

路 pag. 19

....

pag.2J

B.Knapen

Bevolkingspolitiek: schuld betalen met kind

路 pag. 25

E. van Vemde en]. Mooysma

Interview met een Oostduitse onderwijzeres

路 pag. 26

B. van der Lingen en]. de Vliet

Economische versus

JO


..

"

JASON - magazine Tweemaandelijkse uitga ve van de Stichting Jong Atlantisch Samenwerkingsorgaan NederjanrJ .' ,

..-~... b.

•

j

Secrelariaal:

Redactie JASON-magazine

Van Slolkweg 10, Den Haag Telefoon:1070-502927 Ban lirek.nr.: 45.68.55.548, AMRO-bank Schevenln.9.en Gi rorek.eni ng nr. : 3.56.10.25 '.: , Redaclle-adre. JASON-magazine:

.

Hoofd redacteur

: d rs. G.W.F. Vigeveno

Ei ndredacteur Red actieleden

: M .W. Leijendekker : d rs. K.A. Nede rlof drs. P. Mulder d rs. J.Th . Hoekema d rs. G.K. Timmerman W. P. Ploeg : F. Jork : drs. Vvenne E.C. van Sluys

\

Van Slolkweg 10, Den Haag Telefoon : 070-54.27. 04 of 071-13.24.39

Tekeningen Lay-out

Voor abonnementen e.d. wende men zich tot her secreta riaat. .. ',.

Abonnemenlsprljzen:

Het volgende nummer. ..

Per jaar f 15,- (101 20 jaar f 10,-) Ad herent van de Stichting JAS ON min. f 10. - (tot.. 20 jaar f 5,- ) Adheren ten krijgen buiten het blad regelmatig publicaties van de Stichting toegestuu rd.

" eeft als thema "In vredesnaam de NAVO" . Bekeken l al worden hoe in de sombere jaren van de Koude Oorlog de NAVO is ontstaan en welke bijdrage het bondgenootschap in ds jaren 60 en 70 aan ontspanning en ontwapen ing heeft geleverd . Meer in het algemeen zullen de auteurs zich werpen op de vraag of de NAVO de vrede dient. Tot slot komt met een blik op de toekomst de vraag aan de orde " De NAVO, hoe lang nog?".

Adverlenlie. : Ad vertentietarieven worden U gaarne verstrekt door de penni ngmeester van de Stichting.

De in dit blad uitgesproken meningen blij ven geheel en al voor rekening van de betrokken auteur.

Algemeen Bestuur

JASON..... o betekent Jong Atlantisch Samenwerkings Orgaan Nederland;

Dagelijks Bestuur Voorzitter Vice-voorzitter Secretaris Penn ingmeester Hoofdred. JAS ON- magazine leden

j::~:;!::::'::::;::::::':':':':':':' :':':':':' :':':':':.:.:.:.;.:.:. :.:.:.:.; .: . :.;.; . :.: .:. :. : .:.:. : .;. :. :.:. :.;.: . :.;.;.:.:.:.:.

: mr. W.H.A.M. van den Mulj senbergh 1 : mr. M. Schutter : Marianne T. van der Meu le n : mr. L. Narralna : drs. G.W.F. Vigeveno : drs. F.Z.R. Wljchers Jacqueline Tammenoms Bakker

Raad van Advie.

drs. J.W. Baud dr. W.F. van Eekelen (voorz. ) H. de Sont (SIS) H.J.M. Aben mr. Th . Bot H. GabriĂŤls drs. J . Th . Hoekema mevr. dr. A.M.e .Th. van Heeldrs. A.F. van Leeuwen Kasteel drs. K.A. Nederlof C.C. van den Heuvel A.D. Praaning dr. L.G.M . Jaquet drs. M. Roemers drs. E. J . van Vloten drs. e.c. Sanders drs. Marianne I. Spangen berg Carlier Mariee Voskens dr. J.l.K.F. de Vries Leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leden van het Algemeen Bestuur

o is in 1975 opgericht door een groep jongeren ; o is niet gebonden aan enige politieke of maatschappelijke groepering ; o bestudeer! internationale vraagstukken;

10

organiseert lezingen. conferenties en cursussen ;

o geeft het twesmaandelijkse blad JAS ON-magazine uit dat iedere keer aan een speciaal thema is gewijd; o is een stichting waarin zitting hebben jongeren tot 35 jaar. Wilt U meer weten : Stichting JASON Van Stolkweg 10, 2585 JP Den Hallg tel. 070-502927


Redactioneel In dit nummer gewijd aan het thema "D DR : een staatsgeleide samenleving" passeen een aantal facetten van de Oostduitse samenleving de revue. Waarom de DDR ? Omdat van de huidige Oosteuropese staten de DDR de meest vergaande greep o p zijn burgers heeft verkregen. Allerlei zaken uit de dagelijkse levenssfeer die ten o nzent ieder voor zich bepaalt, worden daar door de overheid en de partij geregeld . Dit hoeft overigens niet altijd per se negatief uit te pa kke n , integendeel. De " dictatuur van het proletariaat" die volgens de ofliciële leer in alle O osteuropese la nden is ingesteld, wordt in O ost- Duitsla nd op " gründliche" wijze aangepakt. Een rypisch Duitse stempel drukt o p de DDR-variant van het socialisme. Dit blijkt o ndermeer in de relatie krijgsmacht samenleving. De vooraanstaande plaats die ook met name de Sovjet-Unie aan militaire zaken toekent, wordt in de DDR nog versterkt door een stukje oude Pruisische erfenis. Is het Duitse karakter weliswaar overal te herkennen, o ffi cieel wordt het miskend. De overhe id tracht, o m begrijpelijke redenen, het Duitse national iteitsgevoe l zo veel moge lijk uit te wissen. Zo vieren d e Oostduitsers gezamenlijk met hun " wapenbroeders" uit Rusland jaarlij ks de "overwinning" va n 1945. De hieruit voortko mende identiteitsproblematiek blijft de zwakke stede van de nu 30 jaar bestaande staa t. Een zwakte die men door een extra inspanning op het gebied van de o pvoeding tracht weg te werken. Door reeds vanaf de kindercrêche de opvoeding va n de kinderen te regu leren, tracht d e staa t nieuwe generaties voor zich te wi nne n .

ue

"Nog een muur en nog een muur. .. " Be hrendt in 1969

Da t dit tot o p zekere hoogte schijnt te lukken , blijkt uit de verhalen dat soms o uders zich nie t meer voor hun kinderen kritisch tegenover het regime durven uitlaten, uit vrees dat deze hen bij de schoolmeester aangeven. He t beste oordeel over de DDR kunnen natuurlijk alleen de Oostduitsers zelf geven. Vandaar dat in dit nummer een interview is o pgeno men van een o nderwijzeres uit d e DDR, waarin zij uitlegd wat socialisti sche opvoeding inhoudt. Voorts komt aan het woord de Vere niging Nederland DDR in de persoon van H . van Dam die een o verzicht geeft van het inte nse culturele leve n in de DDR en de wijze waaro p de staat de culturele processen stuur t. Twee artike le n zijn niet zozeer gewijd aan de Oostduitse samenleving, a ls we l aan de internati o nale verwikkelingen ro nd het ontstaa n en het voorebestaan van de DDR. Het " buitenland " speelt in de DDR namelijk een prominente ro l. Het huidige regime is in 1945/1946 door vreemde troepen geïnstalleerd e n zou zich vermoedelijk niet lang handhaven zonder d eze troepen . In dit opzicht va lt het DDR-regime te vergelijken met het zoj uist door Vietnam in Phon Penh geïnstalleerde " Kampuchea Natio naal Verenigd Front voor Na tionale Redding" . Be ide regimes hebben ondan ks hun bui tenlandse oorspro ng overigens de verdie nste menselijker met hun o nderdanen o m te springen dan hun respectievelijke voorgangers, die op zuiver nationale leest ware n geschoeid. G.V.


Het ontstaan van de twee Duitse staten In de internationale betrekkingen zijn de onderlinge betrekkingen tussen Oost en West sedert de Tweede Wereldoorlog gebaseerd op de machtsverhoudingen, waarin d e tijdens de oorlog gesloten overeenkomsten betreffende h et opbouwen van een vreedzame samenwerking lang niet alle gerealiseerd zijn. De ontwikkelingen van de Oost-West verhoudingen in Europa tonen eens te meer het overwicht aan van macht over reCht. Met andere woorden, in de machtspolitiek ziet men een meer getrouwe weergave van de actuele verdeeldheid van ons continent, dan in de juridische, morele en filosofische principes die ten grondslag lagen aan de samenwerking van de Geallieerden en aan hun streven naar een politiek, die vrede, veiligheid en gerechtigheid tussen de naties zou brengen, essentiële voorwaarden door de internationale stabiliteit. De ontstaansgeschiedenis van de twee Duitse staten is een weerspiegeling van de nieuwe situatie die na de overwinning tot stand gebracht werd door de politiek van de grote mogendheden, namelijk een politieke en territoriale reorganisatie van Europa.

Ontwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog In de plannen die de Geallieerden gedurende de oorlogsjaren maakten voor de behandeling van Duitsland, was een belangrijk. motief dat Duitsland nooi t meer over de macht mocht beschikken om de wereldvrede in gevaar te brengen. Verschillende gedachten werden ui tgewisseld en in het bijzonder vanaf 1943 waren de grote mogendheden, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie, tot de aanvaarding van bovengenoemde principes gekomen. De concrete maatregelen moesten echter nog worden uitgewerkt. Roosevelt, Churchill rn Sta/in hebben enige tijd de oplossing gezocht in een verdeling van Duitsland in kleinere staten ( 1), die te zwak. zouden zijn om het Europese evenwicht te verstoren. De AmtriAanm (in het bijzonder het State Department) waren echter tegen een Duitse deling en wensten in p laa ts daarvan een gematigde politiek. en een intergeallieerde regeling op lange termijn. Het ministerie van oorlog wilde sinds begin 1943 een meer gedecentraliseerde opzet met grote bevoegdheden voor de militaire bevelhebbers in de respectievelijke zones. De radicaalste ideeën werden uitgewerkt door het Ministerie van financiën, o nder leiding van Morgenthau. Een speciale commissie van zijn departement stelde het "Morgenthau-plan" op, dat Duitsland wilde terugbrengen tot een onderontwikkeld gebied van in hoofdzaak agrarische staten (2). Deze radicale oplossing werd aanvankelijk. door de Amerikaanse president onderschreven. De indeling in bezettingszones volgens het plan van het ministerie van oorlog, onder Stimson, had een "ontmoetingspunt" in Berlijn moeten bevatten . Tijdens de Conferentie van Moskou, op 23 oktober I943, presenteerden de Amerikanen een memorandum, waarin onder andere een intergeallieerde commissie werd voorgesteld om Duitsland te contro leren. Betreffende de verdeling van Duitsland kon Huil alleen preciseren : "the American Coverment were undecided wether forcible division of Germany into several states would be wise", maar hij (H u il) dacht wel dat "decentrali2

zation should in any event be encouraged" (3). Zelfs een jaar later hadden de A:merikanen nog geen duidelijk beeld: Byrnes schreef over deze kwestie in o ktober 1944 : " I had to admit. .. there had been confusio n in o ur own country on the policy of the United States toward Germany. The thruth is, there had even been much confusion in the Cabinet on the subject" (4). Pas in mei 1945 kwam het document van het "Joint Chiefs of StaiT" tot stand, dat een bindende richtlijn voor de Amerikaanse opperbevelhebber in Duitsland omvatte. Dit document preciseerde de demilitarisatie, denazificatie, decentralisatie, industriële ontmanteling, herstelbetaling, het in stand houden van de economie, allemaal maatregelen die al in Yalta door Roosevelt, Churchill en StaJin tot uitdrukking waren gebracht. Hier, in Yalta, was er geen sprake meer van de verdeling van Duitsland, integendeel, de drie regeringsleiders wilden de eenheid van Duitsland bewaren. Een vrij grote verandering, als men bedenkt dat in Te heran (28 nove mber - 1 december 1943) de regeringsleiders over verschillende delingspJannen hebben gepraat. Zo heeft Churchill als zijn mening te kennen gegeven dat Pruisen moest worden geïsoleerd en dat er verder een gebied Zuid-Duitsland en eventueel een Donau-federatie moest worden gevormd . Roosevelt stelde een plan voor om Duitsla nd in vijf delen te splitsen : Pruisen, Hannover met het Noord-Westen, Saksen met het gebied rond Leipzig, Hessen met het gebied ten zuiden van de Rijn en Zuid- Duitsland; en hij wilde twee gebieden onder toezicht van de Verenigde Naties plaatsen: Kiel met het Kieier Kanaal plus Hamburg, en het Roer- en $aargebied. Stalin was van mening dat verdeling niet voldoende was, omdat de Duitsers zich altijd zouden willen herenigen. Volgens Charles Bohle n , tolk. van Roosevelt in Teheran, meende StaJin dat " the best way to handle Germany would be for the Big Three to occupy permanently eertaio areas from which they could strike out against any revival of militarism or nationalism" (5). StaJin heeft echte r geen duidelijk. plan op tafel gelegd, en de uitwerking van verdere details werd aan een speciale commissie opgedragen . Deze commissie stelde op 12 september 1944 een protocol samen over de grenzen van de verschi llende bezettingszones, en op 14 november 1944 werd de orga nisatie van de intergeallieerde controleraad vastgelegd. De commissievoorstellen werden op de conforentie van Yalta in februari 1945 goedgekeurd en Duitsland werd in vier zones verdeeld, daar ook. Frankrijk. tot de bezettende mogendheden zo u gaan behoren, evenals Berlijn, dat in vier sectoren werd verdeeld (6). Deze verdeling was eigenlijk bedoeld als een voorlopige maatregel, o m het bestuur door de bezeningsmogendhede n te regelen.

De bezettingstijd : 1945-1949 Vóór de capitulatie van Duitsland (die op 7 en 8 mei 1945 plaats vond) waren er tussen de bondgenoten al duidelijke meningsverschillen zichtbaar. De kwestie van Polen was er één van. In Yalta waren de Grote Drie het er o ver eens geworden dat Polen territoriale co mpensatie zou krijgen voor het verlies van zijn oostelijke provincies aan de Sovjet-Unie. Deze had er groot belang bij, dat de traditionele PoolsRussische tegenstellingen p laats zouden maken voor een


tegenover de Sovjet-Unie vriendschappelijke houding. Dt: territoriale compensatie was de ene mogelijkheid, ten koste van (uiteraard) Duitsland ; en het aan het macht helpen van de communisten, de enigen die StaJin vertrouwde (niet alleen in Polen), was de andere waarmee StaJin zijn doelstelling hoopte te bereiken. In Polen, evenals in andere door de Sovjet-Unie bezette of bevrijde gebieden, moesten vooral in de Sovjet- Unie opgeleide communisten het instrument zijn, om de veiligheid te garanderen. De Sovjet-Unie beschouwde de door het Rode Leger bezette gebieden als haar invloedsfeer, ondanks de in Yalta geaccepteerde "Declaratie over bevri;d Europa", die juist bedoeld was om de in o ktober 1944 met Churchill gemaakte afspraken te vervangen (7). Deze ontwikkelingen aan Russische kant werden weer beïnvloed door tekenen van een toenemende anti-Russische ho uding in het Westen, die zich manifesteerde o.a. bij het afbreken van de Leen- en Pachtwet door Truman. De nieuwe presi dent baseerde de Amerikaanse po litiek o p twee premiJJen: I. De Sovjet-Unie was bezig de in Yalta gemaakte gemeenschappelijke afspraken over Polen en heel Oost-Europa te schenden. 2. Amerika zou de nieuwe o rdening uitvoeren, en wanneer de Russen niet bijdraaiden ko nden ze niet meer rekenen op Amerikaanse hulp en vriendschap (8).

Het bezit van de atoombom versterkte de Amerikaanse houding. Om de gerezen moeilijkheden zoals de kwestiePolen tot een o plossing te brengen, stelde Churchill een conferentie voor tussen de drie regeringsleiders. Bij de Conferentie ie Potsdam ( 17 juli - 2 augustus) hielden de Grote Drie vast aan de te Yalta overeengeko men beginselen, zoals: bestraffing van de oorlogsmisdadigers, uitroeiing van het natio naa l-socialisme, vernietiging van de naziwetten, ontmanteling van alle oorlogsindustrie, reparaties van de oorlogsschade en heropvoeding van het Duitse volk in democratische geest. Duitsland werd o nder bestuur van een Controleraad geplaatst, bestaande uit de vier o pperbevelhebbers, die vanaf augustus de hoogste regeringsinstantie vormde. De Gro te Drie stelden ook uitdrukkelijk dat Duitsland gedurende de bezettingstijd als een economische eenheid moest worden beschouwd. Er was geen sprake van een Duitse regering, maar men heeft wel besloten tot de vorming van een aantal centrale Duitse bestuursorganen voor financiën, transpo rt, verkeer en industrie, o nder toezicht van de Comroleraad. De bepaling dat de politieke structuur gedecentraliseerd moest wo rden, betekende geen aanwij zing voor een toekomstige opsplitsing van het land. Politieke activiteiten werden weer toegestaan alleen o p lo kaal en regionaal niveau, streng gecontroleerd doo r de Controleraad, en het

'Modemenrenze'

1 Betonplottenwond mit oder ohne Rohr

2 3 4 5 6

Metollgitterzoun Kontrollstreifen [ K SI Beleuchtungsonloge Kfz-Graben Unie der vorderen Begrenzung des Grenzpostens

I I

7 Kolonnenweg

8 Hundelaufanloge 9 Signalgeröt

I --"""'"'..,;,;.\lï.~'"'"~··

12 Schutzbunker

10 Scheinwerfer 13 Kontaktzaun 11 Beobachtungsturm 14 Wildfangzaun

Gebiet der Grenzsicherungs-

I I

"""""~;."

~-~~--- oder Pioniertechnischen Aniogen ~

I

3


mogendheid moest zijn vordering in zijn eigen zone verhalen. Door deze regeling werd het eenheidsbeleid op economisch gebied in feite onmogelijk gemaakt. De verschillende bevelhebbers waren al eerder begonnen in hun respectievelijke zones, ieder voor zich, buiten de Controleraad om, maatregelèn te treffen. Dit resulteerde in het leeghalen van vooral de Russische zone: hele industriële uitrustingen, zelfs technici en personeel werden naar de Sovjet-Unie gestuurd.

De vorming van de Bondsrepubliek en de DDR

De " lnnerdeuuche Grenze" .

nieuwe politieke leven ging zich ontwikkelen vanuit die eenheden. Er bleven te Potsdam verscheidenen vragen open: een directe verklaring over de Duitse eenheid ontbrak, o.a. omdat de Grote Drie van mening verschilden of dit het Duitsland van 1937 of dat van 1945 zou betekenen. De SovjetUnie beschouwde de Oder-Neisse-Jinie als definitieve grens tussen Duitsland en Polen, de Verenigde Staten en Groot Brittannië wilden de definitieve regeling van de grenskwestie uitstellen tot het sluiten van een vredesverdrag met een Duitse regering. De verdrijving van de Duitsers en het eigenmachtig overdragen van het gehele gebied ten oosten van de Oder-Neisse linie aan de Polen was een fait accompli. Onder protestlegden de westelijke mogendheden zich daarbij neer (9). Andere problemen die niet geregeld konden worden, vormden de herstelbetalingen en schadevergoedingen. De Geallieerden kozen een noodoplossing : iedere bezettings-

Na de Conferentie van Potsdam kon men noch over politieke, noch over economische eenheid van Duitsland praten. Ondanks het voornemen en de wens van beide kanten om tot samenwerking te komen, leidden de verschillende methoden en opvattingen van de geallieerden tot toenemende tegenstellingen tussen Oost en West. Onder denazificatie en democratisering verstonden de Russen een fundamentele, revolutionaire verandering: een radicale sociale omwenteling. Hun voornaamste doel was de uitroeiing van het fascisme en de invordering van de herstelbetalingen. Om dit te bereiken voerden ze in hun zone, in de herfst van 1945, in overeenstemming met de marxistische leer, een radicale economische en sociale hervorming door. Dit betekende in de praktijk : onteigening van het grootgrondbezit, gepaard gaande met grootscheepse landbouwhervormingen, distributie van grond onder de kleine boeren, liquidatie van het particuliere bankwezen en gedeeltelijke socialisatie van het grootbedrijf. De " invoering van het socialisme' lag aanvankelijk niet in deze politiek besloten, omdat de Sovjet-Unie de basis voor een samenwerking met het Westen inzake Duitsland niet wilde vernietigen ( 10). In de westelijke zones waren Generaal L.D. Clay (Amerika), Generaal B . Roberts (Engeland) en Generaal de Lattre de Tas signy (Frankrijk) verantwoordelijk voor het ten uitvoer brengen van de beginselen waarop de geallieerde politiek ten aanzien van Duitsland was gebaseerd . Hun taak was tweeërlei : ten eerste, denazificatie, ontwapening, demilitarisering en de bestraffing van oorlogsmisdadigers; ten tweede, het creëren van een democratisch Duits bestuursapparaat en de economische wederopbouw. Deze laatste werd bijzonder bemoeilijkt door de chaotische situatie waarin Duitsland verkeerde. Miljoenen Duitse staatsburgers waren verdreven en een enorme volksverhuizing vond plaats ten gevolge van de oorlogshandelingen. De voedselsituatie was rampzalig, vooral in de drie westelijke zones, wegens het verlies van de door de Russen en Polen bezette gebieden. In deze omstandigheden versnelden de Britten en de Amerikanen de wederopbouw van de politieke structuur in hun zones. Generaal Clay handelde vanuit de gedachte dat de bezetting slechts kort zou duren. Politieke functionarissen werden door hem benoemd in de deelstaten, en na het oprichten van politieke partijen op plaatselijk niveau en in november 1945 op regionaal niveau (binnen de deelstaten), werden in januari 1946 gemeenteraadsverkiezingen toegestaan (in plaatsen met minder dan 20 duizend inwoners). Spoedig daarna volgden de raden van de Landkreise (april) en gemeenteraden met meer dan 20 duizend inwoners. Op 30 juni vonden verkiezingen plaats voor de constitutionele vergaderingen van de deelstaten, en de constituties werden op 3 november 1946 per referendum goedgekeurd (11 ). In de Russische bezettingszone waren de politieke partijen sinds 10 juni 1945 officieel toegelaten. Maarschalk G.K.


Zjoekow, de hoogste autoriteit in de Russische zone, plaatste elk van de Länder in deze zone onder Russische Militaire Administratie, waarvan het voornaamste het Politieke Bureau was dat o nder de centrale leiding van S. Toelpanow stond. Deze leidde de communistische partij naar de fusie met de sociaal-democraten. Naast de Militaire Administratie stonden de veiligheidsdienst, die als po litieapparaat o ptrad en zich met zuiveringen bezighield, en verscheidene commissies, zoals handels- en herstelbestalingscommissies. Verschillende bureaus, o nder geschikt aan het Russische militaire bestuur, hadden tot taak de Russen te assisteren bij het o p ga ng brengen van het econo misch leven . Deze bureaus regelden de energie- en brandstofTenvoo rziening, het transport, de landbo uw, etc.; de Russen oefenden daarmee een indirecte bestuursmetho de uit. De Russen stuurden aanvankelijk aan op een coalitie tussen alle democratische groepen. De Communistische Partij pro pageerde o nmiddellijk de vorming van een " blo k van antifascistische partijen". Een groep Duitse communisten onder leiding van W alter Ulbricht was uit Moskou naar Ber lijn geko men en ging aan het werk. Ze hadden een aantal bestuurseenheden ingericht waarin communisten en an-

dere progressieve figuren waren bijeengebracht. Op 14 juli kwam het anti-fascistisch-democratische Einheitsfront tot stand, samengesteld uit de SPD (So zialdemokratische Partei Deutschland ), de Christlich-Demokratische Union (CDU), de Liberal-Demokratische Panei Deutschland (LDPD) en de Co mmunisten ( 12). Inmiddels werd het steeds duidelijker dat in de Co ntroleraad geen effectiefbeleid mogelijk was. De Fransen verzetten zich tegen de voo rstellen tot instelling van centrale Duitse o rganen voor econo mische vraagstukken, en omdat de Russen geen inzage in hun o ntmantelingspo litiek verleenden en bovendien o p de lopende industriële produktie voo r schadeloosstelling beslag legden, stopten de westelijke geallieerden in mei 1946 hun leveringen aan de Sovjetzo ne. Op initiatief va n de Amerikaanse o pperbevelhebber L. Clay werden in januari 194 7 de Britse en Amerikaanse zone samengevoegd tot één econo misch blok ( 13 ). De geallieerde koerswijziging ging gepaard met de po litieke o ntwikkelingen in de diverse zones. In de Russische zone waren de co mmunisten en een vleugel van de Sozialdemo kratische Partei onder leiding van O tto Grotewo hl in april 1946 een fusie aangegaan als Sozialistische Einheits-

De Gro te Drie b~sloten in Potsd~_m de door de " European Advisory Commissio n" voorgestelde Co ntroleraad met zij n werk te laten begmnen. De e•genhJke raad werd gevormd door de opperbevelhebbers van de vier, die samen in Duitsland het hoogste gezag ui toefend en. Van links naar rechts : veld maarschalk Mo ntgomery (GB), generaal Eisenhower (VS), maarschalk Zj oekow (SU) en generaa l De La urede Tassigny (Frankrijk).

5


panei Deutschland (SED) om een breed socialistisch front op te bouwen. Deze fusie leidde echter tot een scheuring in de socialistische gelederen. De overgrote meerderheid van de SPD onder leiding van Kurt Schumacher formeerde zich opnieuw te Hannover in mei en keurde daarbij elke versmelting met een grote meerderheid af. In de Russische zone drukten de communisten na de fusie steeds onverbloemder hun stempel op de SED. Bij de verkiezingen in september 1946 haalde de SED 57%, een magere overwinning gezien het feit dat deze meerderheid was behaald door de fusie met de Socialisten, o ndanks de uitgevoerde 'Bodenreform' en collectivisatie van kapitaal en industrie. De Controleraad was na de fusie van de Britse en Amerikaanse zone inmiddels een volslagen onbruikbaar instrument geworden. Een conferentie van de Duitse ministerpresidenten uit de vier bezettingszones in juni 194 7 te München eindigde met de aftocht van de oostelijke delegatie, omdat hun voorstel om een centraal Duits bestuurslichaam in te stellen afgewezen was. De eenheid van Duitsland verstikte in de ideologische LegeruLellingen van de Koude Oorlog ( 14). In het Westen bepleitten de Amerikanen, Engelsen en later ook de Fransen onderlinge samenwerking. Nadat de Russen de Marshall-hulp afgewezen hadden, uit vrees voor verdergaande Amerikaanse invloed op economisch en politiek terrein, stelde Ulbricht in september 1947 een "DeuLscher Plan" voor, dat landhervorming, socialisatie van industrie en kapitaal beloofde. Op de Westelijke stappen bleven de Russen het antwoord niet schuldig. In september 194 7 werd in Warschau de Kominform opgericht om het vanuit het Westen dreigende gevaar te keren. Eind februari 1948 werd Tsjechoslowakije door een staatsgreep geheel binnen de Russische invloedsfeer getrokken (15) en op 20 maart verliet Sokolowski de vergadering van de Controleraad. De westerse mogendheden besloten in het voorjaar 1948 tot een drastische geldsanering in hun zones. De Russen antwoordden door de toegangswegen naar Berlijn af te grendelen. Daarmee begon een blokkade die de kans op een gewapend conflict met zich bracht. Het volhouden van het Westen en de luchtbrug hadden uiteindelijk succes. Maar er wa~eer aan de hand, want " de blokkade van Berlijn was een reactie op de Westerse politiek van restauratie van Duitsland. De verdeling van Duitsland, die nu op handen was, maakte het nodig de boedelscheiding te regelen" ... (16) In de westelijke zones was een commissie gevormd om een constitutie voor een voorlopige federatieve republiek op te stellen. In mei 1949 kwam de Westduitse grondwet gereed die op 23 mei plechtig werd afgekondigd ; o p 21 september 1949 werd de Duitse Bondsrepubliek bij officiële proclamatie opgericht. De ontwikkelingen m.b.t. de oprichting van de Duitse DtmocraLiJche Republiek verliepen parallel. Het plan voor de stichting van de DDR is waarschijnlijk al eind 194 7 opgekomen, toen duidelijk werd dat het Westen voor de oplossing van de Duitse kwestie geen overeenstemming kon vinden met zijn Russische tegenstanders in de Controleraad. In onderling overleg tussen Moskou en de Oostduitse communisten groeide de DDR uit de zgn. "Volkscongres-beweging" . Begin 1948 kreeg een commissie van het Volkscongres onder leiding van Grotewohl opdracht een grondwet voor te bereiden. In hetzelfde jaar werd Berlijn bestuurlijk in tweeën gedeeld (maan 1948 ). De nieuwe Duitse centrale instanties in de Russische zone kregen de6

zelfde predikaten als die in het Westen : de nieuwe Oostduitse staat zou een voorlopig karakter dragen, de enig rechtmatige Duitse staat zijn en aan de basis staan van een latere oplossing voor geheel Duitsland. De nieuwe grondwet van de DDR werd op 19 maart 1949 aangenomen, dus twee maanden eeräer dan de Westduitse grondwet. De officiële oprichting van de Duitse Democratische Republiek vond tenslotte plaats op 7 oktober 1949. L. Sütö WtlnuchapptlyA mdtwtrAtr aan htt Poltrnologisch l mtrtuuL lt Gronmgm

Noten I. R. Beitzell, The Uneasy Alliance, New Vork, 1972, pag. 337. 2. J.L. Snell , Wanime crigins of !he East· West Dilemma O ver Gerrnany, ew Orleans, USA, 1959, pag. 75- 76. 3. Survey of lmernalional Affairs, America, Britain &: Russia, Their Co-operalion and ConOict 1941 - 1946, London etc., 1953, pag. 333. 4. J. Bumes, Speaking Frankly, Lo ndo n, 194 7, pag. 181. 5. R. Beitzell, ibid. pag. 3 15-3 16. 6. H. Siegler, Wiedervereinigung und Sicherheit Deutschlands, Bonn, Juni 1974, pag. 2 en 4. 7. Survey o f 1mernatio nal AITairs, ibid. pag. 559. 8. H.W. von der Dunk, Van Revolutie tol Koude Oo rlog 2, Utrecht, 19n, pag. 62. 9. Churchill schrijft ergens in zijn Memoires dat hij liever de Conferenlie van Po tsdam had laten mislulc.kken, omdat hij niet van plan was de Oder· eisse grens te accepteren, maar de uitslag van de verlliezingen in Engeland heeft zijn plan doorkruist. 10. J.W. Nobel, De Opkomst van de Koude Oorlog (194 5- 1949), Polemo· logisch Instituut Rijksuniversiteit Groningen, 1976, pag. 42. 11 . A. Kersten, De Britse e n Amerikaanse Beze ttingspolitiek in Duitsland, in : OnzeJaren 45-70, N. 7, pag. 208. 12. A.F. Manning, Prof. Dr., Voorrang voor links, in : Onze Jaren 45· 70, N. 7,pag.2 15. 13. Von der Dunk, Het Duitse Vraagstuk, in : a Hitier en H irosjima, Bussum etc., 1969, pag. 138. 14. G . van Roon, Duitsland en de Ko ude Oorlog, in : Het stiefkind van Europa, Amhos-boek, Baarn, 1970, pag. 11 5. 15. Zie : Z. Hejzlar, Reformkommunismus, Zur Geschichte der Kommunistischen Panei der Tscechoslowakci, Europ:tische Verlagsanstah, Köln, 1976, pag. 42-49. 16. J.W. Nobel , ibid ., pag. 77.

DDR-jeugd meldt zich voor front in Vietnam In de DDR zouden zich een groot aantal jonge vrijwilligers hebben gemeld voor krijgsdienst in Vietnam. Volgens het Oostduitse persbureau ADN heeft de Chinese inval bij de officiële jeugdorganisatie FDJ " een golf van stormachtige en krachtdadige protesten uitgelokt". Desondanks is van daadwerkelijke uitzending van troepen uit de DDR naar het oorlogsgebied in het Verre Oosten nog geen sprake. De Voorzitter van het Vietnamcomité in Oost-Berlijn Kun Seibt zei gisteren dat Hanoi nog een verzoek o m militaire vrijwilligers aan de DDR had gericht. Daarom was een dergelijke uitzendi ng van vrijwilligers niet nodig. Kun Seibt zei verder te hopen dat dit "ook in de toekomst niet nodig zal zijn". Westelijke waarnemers houden wegens het Chinees-Vietnamese conflict een waakzaam oog gericht op de DDR. Uit het verleden is bekend dat de Sovjet-U nie wel van Oostduitse legereenheden gebruik maakt om op d eze indirecte wijze politie-militaire accenten te zetten. Zo doken vorig jaar ook DDR eenheden op in Ethiopië en in Angola.


De opstand van 17 juni 1953

.-

.;:::..

-----~

==--- --

Op J7 juni 1953 kwamen arbeiders uit de Sovjct-scClor va n Berlijn in opsta nd tegen hel Sovjet-besluur. Zij cisl(~n grotere \'rijheid, vrije verkiezingen en een fauoenlijke behandeling van de Ouilsen. Daarnaast verzet ten zij zich tegen de verhoging van de preslaticnormen , die een indirecte loonsverlaging betekt'nde. De overgang in mei 1953, twee maanden na dc dood van Slalin, van militaire naar politieke comrole door df' Russen (",," hoge commissa ris in plaau van de Colllrolecommissiel bleek niet veel verschil uitte malu:n: de Berlijnse opslëmd werd door de Russen fel de kop inged rukl. Hel resuha,u was 267 doden, 92 executies e n ruim 1000 veroordeli ngen IQI arbcids k.ampen. De rolO links loolll de o nmacht van dc arlx-'idcn : stenen legen lanks. Op de 1010 hieronder wordl hel plaalscn va n de: Duilse: vlag op de Brandenburger Tor mei luid gejuich bt'groci.


De tweede Berlijncrisis : 1958-1962 De 'Berlijnse Muur', op 13 augustus 1961 realiteit geworden, was het dramatische hoogtepunt van de zgn. 'Tweede Berlijnse Crisis', die in 1958 begonnen was. Aanleiding voor deze crisis vormden de pogingen van de Sovjet Unie ook West-Berlijn in te lijven bij de DDR, door voor te stellen alsof de drie Westelijke mogendheden geen aanspraak meer konden maken op hun bezettingsrechten van het westelijke stadsdeel. Toen de crisis in haar derde jaar was gekomen en gebleken was dat de positie van de DDR ernstig ondermijnd dreigde te worden door de omvangrijke vlucht van Oostduitsers, via West-Berlijn, naar het Westen, werd de 'Muur', opgeworpen als dam tegen deze vluchtweg, een feit. Na oktober 1962 werd de toestand rond West-Berlijn geconsolideerd, doordat de SU haar politiek en diplomatiek offensief tegen de Westelijke positie in West-Berlijn staakte. De voor de SU negatieve afloop van de Cubaanse rakettencrisis was hiermede debet aan. Vanwaar de benaming van deze episode, 'Tweede Berlijnse Crisis'? In 1948 had de 'Eerste Berlijnse Crisis' plaatsgevonden met de blokkade van West-Berlijn. Dat in een betrekkelijk korte periode twee crises plaatsvonden rood de positie van West-Berlijn behoeft geen verbazing te wekken. West-Berlijn bevindt zich midden in het grondgebied van de DDR, waardoor een blokkade van de stad überhaupt mogelijk werd (overigens was een luchtbrug naar het westelijke stadsdeel wél mogelijk, via vliegroutes waarover door de Geallieerden afspraken waren gemaakt: West-Berlijn behoefde daarom de noodzakelijke bevoorradingen niet te ontberen). Daarbij mag ook niet vergeten worden dat beide crises plaatsvonden ten tijde van de 'Koude Oorlog'. Wat de rechten en verplichtingen van de Geallieerden ten aanzien van Berlijn betrof, dient men te bedenken dat, hoewel de SU, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog een bepaalde sector kregen toegewezen, deze niet alleen hun eigen sector betroffen, maar ook Berlijn in zijn geheel. Er bestond een zgn. 'Verantwoordelijkheid van de Vier Mogendheden". Door de bouw van de Muur werd hieraan in feite een eind gemaakt. Overigens was deze 'gezamenlijke verantwoordelijkheid' al vrijwel direct na de Tweede Wereldoorlog aan steeds verdergaande erosie onderhevig geweest door tegenwerking van de SU.

Het ontstaan van de crisis Chroesjtsjow probeerde in 1958 in een groots opgez.el politiek offensief het politiek en militair evenwicht luSJen de VS en de SU in ziJn voordeel te wijzigen. In het kader daarvan deed hij ook een poging de Westelijke positie in Berlijn aan te ta.slen. Hoewel hij meende, dal het "de meest juiste en meest natuurlijke oploHing" wu zijn om West-Berlijn in de hoofdstad van de DDR te incorporeren, stelde hij. voor West-Berlijn in een gedemilitariseerde, vrije stad te ver- · anderen ( 1). De reden van het Russische offensief kan onder meer gezocht worden in het overwicht in de ruimte, dat de SU z.ich in oktober/november 19 57 meende te hebben verworven met het lanceren van de eerste RuJJische ruimtevaartuigen, de zgn. 'Sputniks'. Het Westen reageerde voorzichtig, in elk geval niet resoluut op dit Russische offensief 8

Chroesjtsjows ultimatum In november 1958 verklaarde Chroesjtsjow dat de Westelijke mogendheden hun bezettingsrechten in West-Berlijn hadden verspeeld, omdat ze de belangrijkste bepalingen van het Verdrag van Potsdam niet waren nagekomen. Hij verklaarde het Protocol van Londen, van 12 september 1944, voor vervallen en verlangde de "beëindiging van de onrechtmatige bezetting van West Berlijn" (2). Binnen een termijn van zes maa nden diende zijn voorstel te zijn aangenomen. Zo niet, dan zou de SU haar functie als bezettingsmacht aan de DDR overdragen. De Westelijke mogendheden zouden dan, wat de toegangswegen tot Berlijn betreft, tot overeenstemming moeten komen met de DDR. Westelijke zegslieden benadrukten evenwel dat de Westelijke bezettingsrechten in Berüjn direct voortvloeiden uit de onvoorwaardelijk overgave van Duitsland en daarom absoluut waren. Er waren verscheidene overeenkomsten van de vier mogendheden, die het Westen recht van toegang tot West-Berlijn verschaften, én het recht om aldaar troepen te stationeren. Over het hoe en waarom van Chroesjtsjows ultimatum bestaan verschillende verklaringen. Het effect van de 'Sputnik' -successen is al genoemd. Verder is het waarschijnlijk dat Chroesjtsjow eind 1958 dacht de Westelijke eenheid, toch al niet meer zo sterk na de afloop van de Suez-crisis en na meningsverschillen over veiligheidskwesties, verder te kunnen verzwakken. Chroesjtsjow hoopte door een voor hem gunstige oplossing va n de kwestie- Serlijn het Duitse vraagstuk naar eigen goeddunken te kunnen regelen. Door middel van zijn Berlijn-ultimatum wilde hij de Bondsrepubliek isoleren inzake haar verwerping van de Russische theorie van de twee Duitse staten. Om dit doel te bereiken verlengde hij de vervaldatum van het ultimatum van zes tot twaalf, en ui teindelijk tot achttien maanden (3). De houding van het Westen De Bondsrepubliek zag in de persoon van Konrad Adenauer de greep naar Berlijn als een poging de eenheid van het Westen te doorbreken en de republiek uit de Westelijke Alliantie los te weken. Adenauer beschouwde de actie vooral als een provocatie en niet zozeer als een voorbode van oorlog. Daarom verlangde hij van de Westelijke mogendheden een gelaten afwachten, totdat Chroesjtsjow vanzelf tot bedaren zou zijn gekomen. Voorwaarde hiervoor was natuurlijk wel dat het Westen zijn eenheid bewaarde (4). Het Verenigd Koninkrijk o.l.v. het conservatieve kabinet MacMillan wenste uit te gaan van de gesloten verdragen omtrent Berlijn, maar hechtte veel waarde aan een politiek die op ontspanning was gericht. Wat de Verenigde Staten betreft: op 15 april 1959 overleed de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en architect van de Amerikaanse buitenlandse politiek, j ohn Foster Dulles. Nog vóór Chroesjtsjows ultimatum had hij gesproken over de mogelijkheid Oostduitse beambten, die de toegangswegen naar Berlijn controleerden, te beschouwen als agenten va n Moskou; dit zou geen erkenning hebben ingehouden van de DDR. Hieruit komt duidelijk een stuk Amerikaans- Duitse vervreemding naar voren. Dulles begreep ook niet dat de kwestie- Bedijn los gezien moest worden


va n het Duitse vraagstu k e n de veiligheidspro b lematiek, zoals Adenauer voorsto nd (5). In FrankriJk had De Gaulle sinds kort de ma cht overgeno men . De Russen verwachtten va n hem een tegemoetko mende ho uding. De Ga ulle immers gold als een tegensta nder va n Westelijke integratie, als voorstander van een Duitse deling en als stimu lator va n na uwe Frans-Russische betrekkingen. Maar de goede verstandho uding d ie zich tusse n De Gau lle en Adenauer on twikke lde, stelde hen teleur. Chroesj tsjow meende dat Adenauer doelbewust poogde een Fra ns- Ru)sische toenadering te verhinderen door zijn versta ndho uding met De Ga u lle verder uit te bo uwen. Deze opvatting was niet irreëel : inderdaad toonde Adenauer zich voortdurend bezorgd voor een herleving van de oude Frans- Russische coali tie tegen Duitsla nd (6).

Berlijn, hereniging en vredesverdrag De tweedefase in de Berlijn-crisis loopt vanJanuari 1959 tol de bouw van de Berlijme Muur op U augUJtw 1961. In Januari 1959 bleek dat de SU de theorie van de twee Duitse staten had

opgegeven en nu uitging van drie .staten, waaronder We.st-Berlyn. Op ba.si.s van neutraliteit werd llU een confederatie voorge.slaan van drie Duit.se deel.slalen. De SU probeerde zich te diJtantieren van de 'Verantwoordelijkheid van de Vier Mogendheden ' voor de hereniging, maar kwam hier later op terug door in te stemmen met een confermtie van de vier mini.sler.s van builenland.se z.akm. Tijden.s dez.e conferentie bood het We.sten vergaande concessies aan, waarop de SU niet nader inging, omdat Chroe.sjt.s.Jow verwachtte tij"dem 1.ijn kommde bewek aan de VS met EiJenhower ulf tot een grote mate van overemslemming te komen. /lel pakte andm wl: de SU had le hoge eisen gesteld. Ook tijdem de ontmoeting tUJsen Kmnedy en ChroeJ)IJ)OW in W men, op J en 4 )11111 196 I kwam men niet nader lot elkaar. fnlegmdeel: in JUli 1961 kondigde Kennedy difemieve maatregelen aan, die blijk gaven van l.Ïjn wms om Ie komen tol versterking van de Westelijke eenheid. De Sovjet Unie wenst een vredesverdrag De tweede fa.se in den· zenuwoorl og werd bereikt toen o p I 0 januari I 959 de SU de tekst van een ont werp-vredes-

.....

. · ·~

.

--·~

Een Vopo houdt de wacht bij hersrdlings" erkzaamhcden aan de Berlijnse Muur, 1962.

9


verdrag toezond aan die landen, wier troepen hadden deelgenomen aan de oorlog tegen Duitsland, benevens aan West Duitsland en aan de 'Sowjetische Besalz.ungn.one' (SBZ), zoals de DDR werd aangeduid door die landen die de DDR nog niet erkend hadden. De SU stelde voor dat de onderhandelingen over Duitsland tijdens een grote vredesconferentie moesten worden gevoerd en dan in eerste instantie door de beide Duitslanden zelf. Het Westen ging hier niet op in, zich daarbij beroepend op de Verantwoordelijkheid van de vier mogendheden, en stelde een conferentie voor van de vier ministers van buitenlandse zaken; de Duitse staten zouden op gelijkwaardig niveau aan deze conferentie moeten deelnemen. Dit was een z.ware slag voor de herenigingspolitiek van de Bondsregering. Want voor de eerste keer was op internationaal niveau het alleenvertegenwoordigingsrecht van Bonn op de ' Realität' van de DDR stukgelopen. Nadat Chroesjtsjow op I 7 februari 1959 nog had gedreigd een afzonderlijk vredesverdrag met het Oostduitse regime te sluiten, toonde hij zich tenslotte toch bereid tot een conferentie van de ministers van buitenlandse zaken van de Vier. Op 19 maart erkende hij de Westelijke rechten. Pro forma hielden de Westelijke mogendheden nog wel vast aan de Verantwoordelijkheid van de Vier, maar er waren steeds meer aanwijzingen, dat deze mogendheden zich voor wat betreft die verantwoordelijkheid op West-Berlijn zouden terugtrekken. Het presidentschap van john Kennedy, dat in januari aanving, zou hierin geen verandering brengen. Het ging Kennedy er vooral om de vri;heid van de Westberlijnse bevolking te garanderen, evenals de vri;e toegang tot dit stadsdeel vanuit het Westen. Onderbandelingen mislukken Van 11 mei tot 20 juni en van 13 juli tot 5 augustus 1959 vond de conferentie van de vier ministers van BZ plaats te Genève. Het eerste gemeenschappelijke Westelijke voorstel werd gedaan op 14 mei . Er werd een plan voorgesteld, dat uit vier stadia bestond. Hierin werd de herenigi ng van Berlijn gezien als eerste stap, en de ondertekening van een vredesverdrag met geheel Duitsland als laatste. Voor de SU beperkte het vraagstuk-Serlijn zich tot het vinden van een overgangsoplossing voor West-Berlijn, zolang inlijving in de Sovjet-zóne niet mogelijk was. Bij het vraagstuk-Serlijn stond voor haar de erkenning centraal van twee Duitse staten. Het voorstel van de Jreie Stadt', het vredesverdrag, Duitse confederatie en Europees veiligheidspact waren de middelen om het doel te bereiken (7 ). Het Westelijke voorstel viel niet met dat van de SU te ri;men. Op 16 en 19 juni deden de Westelijke mogendheden voorstellen, die zodanige concessies inhielden, dat bij Russische aanvaarding het Westberlijnse zelfbeschikkingsrecht ernstig op de tocht zou komen te staan. De Sovjet- Unie toonde zich bij monde van haar minister van BZ, Gromijko, hiermee niet tevreden en eiste meer. En dit, terwijl het Westen al aan de fundamentele eisen van de SU was tegemoetgekomen. Het Westen had immers sti lzwijgend al de eis van vrije verkiezingen laten vallen, terwijl de bereidheid om Russische vertegenwoordigers in WestBerlijn toe te laten het bestaan van een vrij West- Berlijn · bedreigde. Deze vertegenwoordigers zouden namelijk zitting nemen in een commissie van de vier mogendheden, die tot taak had om 'subversie en spionage' in Berl ijn tegen te gaan. De harde Russische eisen deden de onderhandelingen 10

schipbreuk lijden, omdat Chroesjtsjow verwachtte tijdens zijn komende bezoek aan de VS tot een vergaande mate van overeenstemming te komen met President Eismhower. Tijdens deze bijeenkomst op 26 en 27 september kondigde Chroesjtsjow aan dat aan verdere onderhandelingen het onvoorwaardelijke karakter ervan moest worden ontnomen. Een succes voor Chroesjtsjow was dat Eisenhower nu eveneens de positie van West-Berlijn als "abnormaal" aanduidde (8). Naar aanleiding van de verschrikte reacties in het Westen nam de Amerikaanse president deze uitspraak echter weer terug. Ondanks deze nieuwe geest oefende het Oostblok al spoedig weer lokale druk op Berlijn uit. Het Westen verklaarde hierop dat nieuwe onderhandelingen weer volledig opnieuw dienden te beginnen. Begin 1960 dreigde Chroesjtsjow wederom een afzonderlijk vredesverdrag met de DDR te zullen gaan sluiten. In de tweede helft van 1960 poogde de SU de verbindingen van West- Berlijn met het Westen te onderbreken. Deze pogingen om Berlijn van Bonn te isoleren werden door Walter Ulbricht in een reeks van maatregelen voortgezet, die door de Berlijners als 'salami-tactiek' werden gekwalificeerd. Het Amerikaanse antwoord Op 3 en 4 juni 1961 vond de ontmoeting plaats in Wenen tussen ChroeS.JlSJOW en Kennedy. De meest serieuze gesprekken betrofTen Duitsland en Berlijn. Chroesjtsjow probeerde Kennedy in Wenen te overdonderen, maar dit pakte averechts uit: op 4 juni kwam er een Sovjet-memorandum uit, dat de Russische vastbeslotenheid benadrukte om de vraagstukken Berlijn en Duitsland naar eigen opvattingen op te lossen . Het Amerikaanse antwoord kwam op 17 j uli en hield een verwerping in van het Russische memorandum. Op 25 juli 1961 kondigde Kennedy tijdens een TV-uitzending de opvoering aan van de Amerikaanse defensieinspanningen. Hij wees erop dat de kwestie-Serlijn geen geïsoleerd probleem was, maar daarentegen van mondiale betekenis. West- Berlijn was een "greallesling place". Na deze TV -rede van de Amerikaanse president werd in de NAVORaad de westelijke strategie geformuleerd rond drie 'essenliah', wezenlijke voorwaarden voor de veiligheid en de vrij-

U ILH~ichl, (111e1

"de man van d<·muut", tcMI' gt·J.it•n dol>l Beltrend in 1966. dank aan Hel PatouD


heid van West-Berlijn: Aan de aanwezigheid van de Westelijke mogendheden .in West-Berlijn mocht niet worden getornd, evenmin als aan het vrije verkeer tussen Berlijn en de Bondsrepubliek. Bovendien dienden de economische en andere banden tussen Berlijn en de Bondsrepubliek gehandhaafd te worden. De NAVO zou zo nodig van het atoomwapen gebruik maken, wanneer van oostelijke kant inbreuk zou worden gemaakt op deze 'essentials'.

De Berlijnse Muur en de nasleep Zoals in hel voorafgaande al werd vastgesteld besloot de SU in 1961 tot de bouw van de Berli]me Muur om de verdere ven:.walcking van hel Oostduitse regime, als gevolg van de grote aantallen vluchtelingenstromen, tegen te gaan. Hel Westen reageerde traag op de bouw van de muur, mede als gevolg van het feit dat het deu stap niet had verwacht. President Kemudy besloot een speciale vertegenwoordiger naar Berlijn te sturm, Generaal Clay, en maaJcte duidelijk dat de Amerikaanse garanties voor Berlijn nog steeds golden. Tijdens de ontwapeningsbespreki11gen in Genève, eind I 96 I, tussen Washington en Moskou werd mede over Berlijn gesproken, maar verdere vooruitgang werd niet geboekt. In Berlijn z.elj werd de toestand minder gespannen 11a het Russische debàcle op Cuba- de Cubaanse rakettencrisi.s. Wellicht ook werd door het Amerikaanse optreden in de Cuba-offaire een mogelijke Russische aanval op West -Berlijn voorkomen. Omdat het de SU duidelijk was geworden dat de status van WestBerlij"n niet kon worden veranderd z.onder daarbij het risico van ee11 atoomoorlog te lopen, werd besloten tot de oprichting van de Muur. Alleen op deu wijz.e kon de positie van de DDR worden veiliggesteld. De bouw van de Berlijnse Muur impliceerde dat verderreikende doelen werden opgegeven - z.oals mede uil het voorafgaande valt op te malcen. Het Westen reageert traag De bouw van de Berlijnse Muur stelde het Westen voor een verrassing. Men had namelijk een overval op West-Berlijn verwacht. De Muur echter was niet offensief bedoeld, maar defensief. De verontwaardiging in het Westen over de Muur wa niet algemeen, hoewel de Vier-Mogendhedenstatus van Berlijn toch duidelijk was aangetast. De Westelijke landen hadden zich tot de dertiende augustus behaudenel opgesteld. Ook in augustus nog maakten de leidende kringen in de VS - van senator Humphrey tot President Kennedy zelf - zich vooral bezorgd over een eventuele reuolutwnmre opstand in Oost- Duitsland, waardoor het aanzien van de VS opnieuw zou kunnen dalen, zoals in de crises van 1953 (de opstand in Oost-Berlijn) en van 1956 (de opstand in Hongarije), toen Amerika gedwongen werd tot het aannemen van een passieve houding. Ondanks de verrassing in het Westen over de bouw van de Muur waren er tekenen ge'>eest die op een gewijzigde opstelling va n de SU en de DDR hadden gewezen. Alleen al het feit dat duizenden Oostduitse vluchtelingen berichtten over een o p handen zijnde grenssluiting spreekt boekdelen en had moeten leiden tot Westelijke voorbereidingen (9). De Engelse auteur Ta111rr vraagt zich af, waarom het zgn. 'Acheson -report', waarin een Russische zet tegen West- Berlijn werd voorspeld (en wel binnen het jaar), niet au sérieux is genomen . Een verklaring hiervoor vindt hij in de algemene tendens van orga nisaties te handelen op basis van voor gaande ervaringen. Sinds het Berlijn-conllict van 1948/49 waren frieties tussen Oost en West meestal ontstaan als

gevolg van Russische pogingen inbreuk te maken op Westelijke toegangsrechten tot Berlijn. Vandaar dat bij de Westelijke Geallieerden eerder rel:.ening werd gehouden met een Sovjet-blokkade van het westelijke stadsdeel, en niet met de bouw van de Muur (I 0). De Verenigd e Staten maken een vuist De teleurstelling van de Westberlijnse bevolking over de Westelijke reacties op de bouw van de Muur leidde tot één van de zwaarste crises om de stad. Aanvankelijk hulden zowel de VS a ls de Bondsrepubliek zich in een d iep stilzwijgen, dat pas na enkele dagen door de VS werd doorbroken met een formeel protest voorzover het de Vier-Mogendhedenstatus van Berlijn betrof. Zowel de Amerikaanse president als diens minister van Buitenlandse Zaken, Dean Rusk, toonden zich opgelucht, dat de volksopstand in Oost-Duitsland was uitgebleven. De werkelijke belangen van Berlijn waren immers niet geschaad. Kennedy, gefrustreerd door de b ureaucratische rompslomp op het State Depanment, waardoor niet adequaat kon worden gereageerd (het duurde bijvoorbeeld vier dagen voordat een officieel protest aan Moskou werd gezonden), besloot Generaal Clay als zijn persoonlijk vertegenwoordiger en raadgever m.b.t. Berlijn aan te stellen. Op 19 en 2 1 augustus zond Washington zowel vice-president Lyndon j ohnson als Generaal Clay naar Berlijn. De VS bekrachtigden hun garanties aan West-Berl ijn door een m ilitaire een heid over de Autobahn naar West-Berlijn te sturen: aan de sectorgrens streed Clay met niet aflatende energie voor toelating in Oost- Berlijn van het Amerikaanse garnizoen en bestuur en voor handhaving van het VierMogendhedenrech t. Het optreden van de generaal werd Washington -dat weer toenadering zocht tot de Sovjet Unie - tenslotte toch al te krijgszuchtig : op 11 m~i 1962 werd hij naar de VS teruggeroepen. De laatste episode In samenhang met de ontwapeningsbesprekingen in Genève, eind 1961, trachtten zowel de SU als de VS door onderling contact te weten te komen hoe het stond met de mogelijkheden voor ontspanning aangaande de kwestie-Berlijn. De Amerikanen, die rekening hielden met de eventualiteit van een Russische blokkade van de toegangswegen tot West- Berlijn, en die een coolliet tussen beide grote mogendheden wensten te vermijden, stelden de Russen in november 1961 voor om een internatio naal orgaan te creëren, dat zowel de toegang via de Autobahoen als via de luchtcorridoren moest kunnen garanderen. Kennedy stipte daarbij aan dat deelname van Oost-Duitsland overwogen werd. De SU ging niet op dit voorstel in en andere Amerikaan e voorstellen werden d oor Chroesj tsjow uitgelegd als tekenen van zwakte. Omstreeks september 1962, aldus de toenmalige burgemeester van West Berlijn, Willy Brandt, bereikten hem meldingen over verontrustende troepenconcentraties in de DDR. De Geallieerden achtten een overrompeling op Berlijn niet uitgesloten. Mogelijk wenste het Oosten het Westen voor een fait accompli te stellen. Brandt noemt dit de 'heimliche Berlin-krise', daar alleen ingewijden zich van het gevaar bewust waren. In deze weken zou een confrontatie met atoomwapens zeer nabij zijn geweest. Zoals aan de VS bekend was, hadden de Russen .raketinstallaties ingericht : de Russische activiteiten op Cuba en de troepenconcentra-

11


-ti

ties in de DDR werden gezien als gecombineerde acties ( 11 ). Hadden de Russen inderdaad een overrompeling in de zin gehad, dan was in november en december 1962 hun opstelling grondig veranderd. Door zij n debàcle op Cuba hield Chroesjtsjow niet langer meer vast aan een termijn voor het sluiten van een vredesverdrag. Na de Cubaanse rakettencrisis had het er veel van dat Kennedy een twuledig doel had bereikt: de situatie in Berlijn was minder gespannen en de NAVO had veel aan kracht gewonnen, waardoor de ka ns o p succes bij onderhandelingen met de SU over Berlijn aanzienlijk was vergroot. Tot d usverre was een vergclij k met de SU telkens weer illusoir gebleken. W.Togtcma .\ tudmt gflrhudmu lt (,rollmgm

Noten I. Prt'\St'· und lnlo m l<llto nsatm der Bundesregierung. dit Btrlm-Rtgr-

'2. 3. 4.

.S . b.

7.

8. 9. 10 . 11.

/ung, /)ru l ~tmuuhlt· AbAommm ubrr Brrlm und dtr rrganu ndrn Vtrtm banngm Bonn. 1971 , p. 240. tlmkm, p. '239 . Pdul No.ttk. Dtulirhr AUJltnpobttA m t 194 1 Swugatl, 1972. p. 74 . Kom ad Aclma ut•t , fnnnrrungm 19 11- 1919. Stuugan , 1967, p. 45 74S9. Wdldt:mar Bt·•sun, V1t AUJunpoltttA dtr BundrJrrpubltA Munchcn, 1970, p. 114 . il..tidem. p. 212. For.rhungsim1i1u1 dt-r Dcu1schen Gt·sdlschah lür Auswänigc Polilik, dit Btrlrn -Fragr 1111hm wtltpolituchm Vrrjluhtung. München 197 2, p. 34 . Han1 Hcrzldd. Brrlmm dtr WtltpoltltA /945 - 1970. Bcrlin 1973, p. 44 6 . Jedn Edward Smuh, Thr Dtfmu of Bnlm. Bahimo re 1963, zie hel belrellt·nde hooldswk. Raymond Talllt'l , Modtllrng and Managmg lntrma/tonal Conflrc/J . Tht Btrlm Cnm. Londun, 1974 , p . 64 -66. Willy Brand1, Brgrgnungrn und E11utchtrn Hamburg. 1976, p. 36-38.

1

Defensie in de DDR In dit artikel wordt een aantal facetten van het Oostduitse defensieapparaat belicht. Aan de hand van een vergelijking wordt eerst de reguliere strijdmacht " die Nationale Volksarmee" (NV A) beschreven, gevolgd door een beschrijving van de diverse paramilitaire organisaties die de DDR kent. Daarnaast wordt aan het slot van het artikel nog in het kort ingegaan op de " Group ofSoviet Forces in German y".

Een vergelijking Gemeend is het Nationale Volksleger en de Oostduitse paramilitaire organisaties te moeten benaderen vanuit een vergelijking. Dit om de lezer niet al te lastig te vallen met een reeks weinig zeggen sterktecijfers. Mogelijkerwijs vormen de onderzoeksresultaten naar het machtsquotum van een politiek Europa, die prof. Dewachter, drs Clijsters en drs Tegenbos vorig jaar in de Internationale Spectator publiceerden (I), een geschikt uitgangspunt. Voor dit onderzoek werd door hen uitgegaan van een vijftal hoofdvariabelen (machtsbases), te weten: natuurlijke rijkdom, economische sterkte, technologie, politieke cohesie en militaire sterkte. Vervolgens construeerden zij aan de hand van deze variabelen een tabel van de " dertig machtigste landen" ter wereld. De Duitse Democratische Republiek komt in deze tabel op de 24e plaats, met een totaal van 1153 IWM (Index pumen van wereldmacht). Nederland gaat daaraan vooraf; een 15e plaats met 1363 IWM . Zonder verder de vraag te stellen in hoeverre de tabel bruikbaar is voor de kenn is van de internatio nale realiteit -sommige lezers zullen onwillekeurig denken aan zoiets als "spel-zonder-grenzen" of aan het algemeen klassement van de "To ur de France" - zal nu dieper ingegaan worden op de hoofdvariabele militaire sterkte. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan een vergelijking tussen de paramilitaire organisaties der beide landen.

Aanpassing

Ulbricht in 1945

12

Om het bovenstaande te kunnen verwezenlijken dient eerst de hoofdvariabele militaire sterkte va n Dewachter c.s. aangepast te worden. Zij analyseerden de indicatoren : aantal manschappen, conventio nele uitrusting en nucleaire sterkte. Nu is voor dit arti kel de nucleaire indicator van geen enkel belang, geen va n beide naties beschikt immers o ver een autonome nucleaire capaciteit. Van de twee resterende variabelen kan nog gezegd worden dat de conventionele indicator door Ocwachter c.s. wordt uitgewerkt in de subindica toren : aantal tanks, aantal vliegtuigen en aantal duikboten (2). Deze indicatoren en subindicatoren komen ook hier van pas, zij het dat de subi ndicator duikboot/onderzeeër vanwege het feit dat het hier slech ts conventionele kan betreffen veel aan -strategische - vergelijkingswaarde heeft ingeboet. Verder zijn voor de vergelijking van belang de factoren bevolking en BrutO Nationaal Produkt. Immers uit de bevolking worden de soldaten gerecruteerd en uit het Nationaal Inkomen worden de uitrustingsstukken en de wedden betaald. Tenslotte worden hier, zoals vermeld, ook de cijfers met betrekking tot de paramili taire organisaties vergeleken. Aan de hand va n de gezaghebbende "Military Balance 1978 - 1979" (3) kwam de navolgende tabel tot stand.


Na een blik op de sterktecijfers van het ationale Volksleger, wekt het geen verrassing dat door velen deze strijdmacht als de hoeksteen van het Warschau- Pact word t beschouwd. Geheel vreemd is dit niet want de DD R heeft de langste grens met de NAVO en vormt (mede), in geografisch opzicht, de natuurlijke poon tussen Oost en West. De O ostduitse landmacht omvat twee pantserdivisies en vier pantserinfanteriedivisies ( ederland heeft twee parate divisies en één mo bilisabele), twee SCUD-brigades - SCUD taat voor mobiele lanceerinrichting van nucleai re geleide projectielen - rwee anillerieregimenten, twee luchtafwcerregimenten, één luchtlandingsb rigade en twee antitankbataljons. De zes d ivisies zij n zodanig uitgerust da t ze onmiddellijk en met volle kracht aan een eventueel oorlogsgebeuren kunnen deelnemen, zonder dat er wapens uit opslagplaatsen

moeten worden gehaald of soldaten moeten worden opgeroepen. (Categorie I divisies noemen mi litaire kenners dat. ) j uist de hoge graad van paraatheid en conti nue inzetbaarheid maakt deze troepen kwa litatief tot verreweg de beste in het Warschau-Pact (4). De Oostduitse luchtmacht bezit meer dan 300 gevechtsvliegtuigen voornamelijk van het wat oudere type MIG-21 (5 ). Deze vliegtuigen hebben geen aanvallende of troepenondersteunende taak, maar dienen binnendringende vijandelijke vliegtuigen te onderscheppen. Bommenwer pers heeft de DDR niet. Wel- zoals vermeld- een aantal lanceerinstallaties voor nucleaire raketten en geleide wapens, ingedeeld bij de landmach t. Zo bezit de DDR 24 lanceerinstallaties voor de FRO G- 7, een (niet-geleide) nucleaire raket, te vergelijken met de Westerse Honest john.

13


- .....-· ... .. .._.~

~

-

De '"plaue wagen'" die lungeen als vervoenniddel en lanceerinrichting voor de tactisch nucleaire SCUD-raket (bereik 300 km)

Nederland heeft acht van deze wapensystemen die overigens op het punt van uitfrasering staan. Verder beschikt de DDR over 16 SCUD-8 lanceerinrichtingen -zo'n lanceerinrichting bestaat, net zoals bij de FROG, uit een soort van ~ele zware vrachtwagen - voor de SCUD geleide projectielen welke doelen tot 250 km kunnen bereiken. De onlangs door Nederland aangeschafte LANCE, -waarvan het bereik minder dan de helft bedraagt - valt hier maar ten dele mee te vergelijken. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat het de LANCE is die in Nederland de Honest John gaat vervangen. De Volksmarine is het kleinste krijgsmachtdeel en omvat een honderdvijftig voor het merendeel kleinere schepen. De meeste van deze schepen zijn gebouwd in de jaren zestig en dus al wat o uder. De kern van de marine wordt gevormd door een vijftigtal motortorpedoboten van diverse klassen. De twee frega tten van de Riga-klasse die de Volksmarine rijk was zijn in 197 7 uit de vaart genomen. Vergeleken met de Koninklijke marine bezit de Oostduitse marine weliswaar meer schepen, maar nagenoeg geen enkel schip van ruime afmeting. Een standaardfregattenbouwpro~amma voor 12 fregatten zoals Nederland in de jaren tachug hoopt te verwezenlijken, is voor maritiem OostDuitsland geheel onbekend. Opvallend detail is het feit dat, niettegenstaande de belangrijke rol van de "U-boot" in het -overigens afgezworen - . historische verleden van het Duitse Rijk, de DDR-manne over geen enkele onderzeeër beschikt. Nederland heeft zes (conventionele) onderzeeërs.

Paramilitaire organisaties Paramilitaire organisaties zijn organisaties die op militaire wijze zijn georganiseerd, bewapend en geüniformeerd, onder nationaal gezag staan en actief kunnen bijdragen tot de verdediging van het land . ~~ twee paramilitaire organisaties die Nederland rijk is, ZIJn maar kleine "clubjes" in vergelijking tot die van de DDR. Uitgedrukt in aantal manschappen komt het neer op een verhouding van I : 70. Zelfs in de DDR vormt het aantal manschappen behorende tot de paramilitaire organisaties een veelvoud van het aantal reguliere militairen. Tot de Oostduitse beroepsmilitaire organisaties behoren de Veiligheidstroepen (25.000 man ) met als taak de handhaving van de openbare orde. Een gedeelte daarvan wordt gevormd door het zgn. " Wachregiment" (7.000 man) voor de bewaking van ministeries en andere openbare gebouwen en voor de begeleiding van hoge functionarissen. De grensbewakingstroepen (" Grenztruppen" ) vormen met hun_46:500 man de voornaamste andere paramilitaire orgamsatJe, eveneens bestaande uit beroepspersoneeL Sinds 1973 zijn deze troepen niet langer krijgsmachtonderdeel van het Nationale Volksleger. Wel kunnen zij militaire opdrachten vervullen (6). De Koninklijke marechaussee (3800) is de enige Nederlandse beroepsparamilitaire organisatie. Het korps is belast met militaire politietaken, grensbewakingstaken en de handhaving van de openbare orde. Nederland kent nog een organisatie : de Nationale Reserve (4500) bestaande uit burger-vrijwilliger~ die in de weekeinden oefenen. Zij zijn - o~~erverdeeld m een honderdtal pelotons- in oorlogstiJd belast met de bewaking en beveiliging van bepaal-


de objecten (bruggen, bedrijven, enz.). Voor de uitvoering van deze in feite streekgebonden taken beschikt de Nationale Reserve voornamelijk over lichte infanteriewapens (pistolen, geweren en pistool-mitrailleurs). Ook de DDR heeft ook zijn uit "vrijwilligers" bestaande paramilitaire organisatie : de arbeidersmilitia (" Kampfgruppen der Arbeiterklasse"). Deze organisatie, geboren uit het idee van de bewapende arbeidersklasse, bestaat uit zo'n 400.000 manschappen en heeft sterke bindingen met de Oostduitse socialistische partij.

Dit blijkt o.m. uit de belofte van trouw. Belooft een NV Asoldaat in de eerste plaats trouw aan het vaderland en in de tweede plaats aan he t socialisme, een lid van de arbeidersmilitia belooft zijn leven over te hebben voor de partij. " !eh bin bereit, als Kämpfer der Arbeiterklasse die Weisungen der Panei zu erfüllen . . . und mein Leben für sie einzusetzen". (7) Aan vrijwilligers is dan ook geen gebrek. In feite is voor elk SED- lid dienst bij de arbeidersmilitia een partijopdracht en ook elk niet-partijlid , dat hogerop wil, kan zich nauwelijks aan dienst bij de arbeidersmi litia onttrekken.

De " Kampfgruppen der Arbei tersklasse", uniek in de wereld, va llen uiteen in norma le en zware bataljons. De normale bataljons hebben in oorlogstijd een streekgebonden taak zoals het bewaken van bedrijven, bruggen, verkeersknooppunte n enz. Zij zijn daarvoor uitgerust met lich te infanteriewapens. De zware bataljons, ongeveer 150 in getal en elk bataljon bestaande uit zo'n driehonderd man, hebben uitgebreider militaire taken en vervullen een belangrijke ro l bij de territoriale verdediging. Voor de uitvoering van deze taken beschikken de zware bataljons over pantserwagens, a rtillerie, a ntitankgeschut en luchtafweergeschut en zelfs over ta nks (de T-54 e n T-55) (8). Daarbij komt nog het feit dat de leden van de arbeidersmilitia regel ma ti g de samenwerking met het ationa l Volksleger beoefenen (9). Het zal uit het voorgaande duidelijk zijn dat het niet zonder grond is dat Honecker van de " Kampfgruppen" gezegd heeli, da t zij zich tot slagvaardige een heden hebben ontwikkeld, "die ihren festen Platz in der Landesveneidigung der DDR einnehmen" ( 10).

Conclusie Om nog even terug te komen op het onderzoek van Dewachter c.s., het zal duidelijk zijn dat NederJand's voorsprong van 210 Indexpunten van wereldmacht (1363 tegen 1153) zeker niet te verklaren is uit een voorsprong ten aanzien van de hoofdvariabele militaire sterkte. Het tegendeel blijkt eerder. In feite vormt de constatering dat de DDR over meer militairen, militaire uitrusting en paramilitaire "vrijwilligers" beschikt dan Nederland één van de weinige conclusies die hier over de defensie van d e DDR kan worden getrokken. Immers de militaire kracht van de DDR is -net zo als die van Nederland -geen autonome internationaal-politieke factor. Het Nationale Volksleger kan aangaande zijn militaire mogelijkheden uiteraard niet los worden gezien van het Warschau-Pact en van de Sovjet Unie. Nu is het trekken van conclusies niet het doel van dit artikel geweest, doch slechts het geven van een "vergelijkend" overzicht van het Oostduitse defensie-apparaat zowel regulier militair als paramilitair. Wat dit a lles betekent voor de Oostduitse samenleving leze men elders in ditJASON -nummer. drs. J. van d er Velde

Noten I. illlt'lllalionait' Spetl<ll01, ,1p1ill':J78, hlt 245-210. 2 Dt· "In ijve1·, tullen lm·1 ondt"l lt't't'l' heelode u. De hu1d1gt• o ndcnc:ci.' l kiln 111 rcge1mdhng 101 <k tlu1khoo1 ,n·l lang<·• ondt·l Wdlcr blijven. h·n A1m·rikddll\l' '" ,u<·gi\t ht· o ndt•llt'l'lT \T1 hli1h lWt't' lllddndcn a&n

i·l·n \l uk ondt·r wttlt'r . 3. Mrli1.1ry Baldnu· I'J7ll- 197q, II SS. Lo 1ukn 1978. 4. Ahh.m~ samen na·t dt· Sm•J<'tuniruot•pt·n in de DDR, dldu' Paolo l\1diiiiO in Arm<'' 8c We<tpom. nu. 42. april1978 . .S. tud1engruppe M1ln.u poli uk. " Dil· Narionale Volk'-lllllt't'", Ro wohh. lldmlmrg 1976, bit bS. 6. Srudiengmppt•, bit :13. 7. ll oiLwt'isTig, lnlo1m.uion lu1 dit· T1u ppe. 1976, 111 . 9, bit 54. M. DieWeh, ISju11i 197H,III. 13 7, bit 13. <J. ll oltwei57ig, blt 5S t·.v. 10. l:.u1opäischt· Wdllku11cle 1:.1/78, bl1 607 .

Buitenlandse troepen

Tot slot nog enkele opmerkingen over een a nder belangrijk militair fenomeen in Oo t-Duitsland: de aanwezigheid van troepen uit de SO\jet Unie. Zijn er in ederland een handvol " vliegende" Amerikanen op Soestcrberg e n ee n aantal Westduitse (opleidings) eenheden gelegerd, in de DDR staa n er, wat betreft buitenlandse militairen, 20 zeer mo dern bewapende Sovjetdivisie opgesteld. Deze " Group of Soviet Forcesi n Germany" - 10 pam erinfimteriedivisies en 10 pantserdivisies- bechikt over 50 gevechtsvliegtuigen en heeft reeds de moderne Russi sche tank, de T- 72 in zijn bewapening. Ingaan op de rol en betekenis van deze geweld ige strijdmacht valt echter buiten het kader van di t artikel. He t niet noemen van deze militaire factor zou evenwel een venekend beeld van de mi litaire krachten in de DDR hebben opgeleverd.

Russische soldaten op wach1 voor de BrandenburgerTor in Oost- Berlijn. De srerke Russische aanwezigheid is waarschijnlijk de beste manier om de DDR bevolking eraan te herinneren dar zij Duitsers zijn.

15


De DDR op de niet-reguliere toer In het voorgaande artikel worden Nederland en OostDuitsland in militair opzicht met elkaar vergeleken. Vastgesteld wordt dat Oost-Duitsland kwantitatief de meerdere is. Een beschouwing van de impulsen tot en de sfeer rond de militaire inspanning levert nog meer verschillen op. Uiteraard mag niet beweerd worden dat zich aan gene zij de, in tegenstelling tot hier , een krijgszuchtig volkje zou ophouden, maar de respectieve relaties krijgsmachtbevolking, alsook die tussen de krijgsmacht en de politieke sector, in casu de staat, wijken wel sterk van elkaar af. Dat heeft zowel te maken met algemeen-historische ontwikkelingen als met meer specifieke gegevenheden.

Verbrokkeling en éénwording In de loop van de tijd hebben zich in Europa tal van veranderingen voorgedaan ten aanzien van de inrichting van de samenleving (in staa tkundige en in maatschappelijke zin), inclusief de krijgsmacht. In het vcrleden is een proces opgang gekomen, dat ertoe leidde dat een steeds groter deel van de bevolking bij de politiek-bestuurlijke besluitvorming betrokken werd. Formeel is dit verder uitgebreid en bestendigd door de invoering van het algemeen kiesrecht. Dit proces ging samen met de vorming van natio nale staten. Dit laatste nu bleef niet lOt Europa beperkt. Waren er meer dan 150 jaar geleden ruim 20 staten in de wereld, in de eerste helft van deze eeuw liep dit aantal op tot in de 60. Ondanks de voorspelling van E. H. Carr (aan het einde van de Tweede Wereldoorlog) dat we geen wereld zouden zien met meer dan zestig staten, zijn dat er toch ruim tweeeneenhalf maal zoveel geworden. Wij spreken hier over een ontwikkeling van staten in de moderne zin van het woord. Er heeft niet alleen een verbrokkeling van politieke eenheden plaatsgevonden, tal van min of meer soevereine formaties zij n ook samengevoegd . Zo bestond het Duitse Rijk ooit uit 900 staten, in 1648 (Vredesverdrag van Westfalen) ongeveer uit 350. Bij de Duitse éénwording in 18 71 werden het er twaalf en hedentendage zijn er, zoals men weet, twee Duitslanden. En zo komen we weer bij ons eigenlijke onderwerp .

Pruisen Bij bovengenoemde ontwi kkelingen van democratisering, nation -building en emancipatie waren ook de strijdkrachten betrokken, zij het dat dit in de verschillende landen niet o p parallelle wijze verliep. Aan deze uiteenlopende betrokkenheid lagen o.a. geografische omstandigheden ten grondslag ( 1). De o ntwikkelingen met betrekking lOt de vormgeving en inrichting van staat en maatschappij zijn in Midden-Europa anders verlopen dan in meer maritiem gerichte landen als de Republiek (waaruit Nederland is voortgekomen) en Engeland. De relatie met de geografie is hierin gelegen dat Pruisen lange en moeilijk beschermbare grenzen had, die een permanente paraatheid vereisten, terwijl tevens militaire kracht bij gebrek aan natuurlijke rijkdommen het gewicht in de Europese politieke schaal legde. Hierdoor heeft meer dan hier te lande het leger in Pruisen zijn stempel op de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling gedrukt. 16

Er was sprake van een duidelijke vervlechting tussen het militaire en het civiele leven; de kazerne en allerlei mili taire beginselen en dogma's werden als maatgevend beschouwd voor het openbare leven. Zoals prof.dr. H.W. von der Dunk het uitdrukte (2): het leger was symbool en spil van de monarchaal-feodale orde. Dit kwam sterk naar voren bij het ofllcierscorps, dat min of meer een aparte stand vormde en een nauwe loyaliteits band had met de vorst. Het zijn ook de vorsten geweest die met behulp van militaire organisatievormen aan de maatschappelijke orde gestalte wisten te geven. Onder de Keurvorst Frederik Wil tem I kwam de ontwikkeling van een militair-ambtelijk bestuursapparaat op gang. De militaire o rganisatie stond model en de militaire deugden diende als voorbeeld. Ferrero heeft een aantal van deze "soldateske" deugden genoemd : zelftucht en discipline, gehoorzaamheid, subordinatie, moed en opofferingsgezindheid (3). Prof. Van der Dunk merkte op dat terwijl in Engeland het ideaal de " gentleman" was, in het Pruisen van wen de jonge luitenant de ideale figuur was. a verloop van tijd werd echter het leger ook naar buiten toe aangewend en dit leidde tot een stijging van Pruiseos macht en aanzien op het Europese po litieke toneel. De relatie tussen krijgsmacht en samenleving had in het toenmalige Pruisen dus heel bepaalde organisatOrische en ideële aspecten. Op dit laatste doelde Max Scheler toen hij het had over "Gesinnungsmilitarismus". Militaristische gezindheid behof'ft echter niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met het verlangen de wapenen op te nemen . Er is zelfs een tijd geweest dat men zei: "Die Preussen schiessen nicht" (4). In 1860 sch reef de Londense "Times" dat Pruisen er de voorkeur aan geeft op conferenties vertegenwoordigd te zijn in plaats van in het strijdperk te treden. De Pruisische militair-maatschappel ijke constellatie was zodanig dat de uitdrukking " Pruisisch militarisme" een begrip geworden is en nog steeds van toepassing is op hedendaagse situaties. Het kan dan slaan op situaties waarin militairen zelf verkeren, alsook op de politiek-maatschappelijke o rde. Bij de bestudering van vannen van militarisme zal men zich dus niet mogen beperken tot de aard en structuur van een militair apparaat, maar dienen eveneens de invloeden op respectievelijk vanuit de maatschappelijke omgeving in beschouwing genomen te worden. Voor o ns o nderwerp houdt dit in - en dan ko men we o p de meer specifieke factoren - dat allereerst iets gezegd moet worden over de kenmerken van de Oostduitse samenleving. Van fundamenteel belang is de ro l van de overheid (lees : de partij), want "der Charakter eirur Armee wird beJiimml vom Charakler deJ SlaaleJ, dem Jie dimt ".

Ontwikkelingen in Duitsland De deling van Duitsland is een direct gevolg geweest va n het verloop van de Tweede Wereldoorlog en van de zich daarna toespitsende tegenstellingen binnen het geallieerde front, waarbij de hoofdrollen gespef'ld worden door de Verenigde Staten en de Sovjet- Unie. Duitsland werd verdeeld in bezettingszone , de Sovjet- Unie kreeg de super-


"De militarisering doordringt nu het gehele openbare leven}} Lenin. visie over het oostelijke deel. Van meet af aan werd daar gewerkt aan een maatschappelijke orde waarbij het ordeningsbeginsel in hande n lag van een voorhoedepartij op marxistisch-leninistische grondslag. Dat wil zeggen: één en ander geschiedde overeenkomstig de beginselen van het "democratisch centralisme", het leidende principe voor zowel de partij als de staatsorganisatie "ter realisering van de soevereiniteit van het 'werktätige Volk' " . Het begon met de groep- Ulbricht die op 30 april 1945 vanuit Moskou naar Duitsland werd gebracht, en dit liep uit -ongeveer een jaar later- op een samensmelting tussen sociaaldemocratische en communistische partijkaders: de "Socialistische Eenheidspartij van Duitsland" (SED) was opgericht. Onder aanvoering van deze partij werd verder gewerkt aa n de anti-fascistische zuivering en de "Umgestaltung" van de maatschappij in communistische richting. Het is de SED geweest die een a llesbeheersende greep op maatschappelijke verbanden en staatsorganen verkreeg en van de op 7 oktober 1949 opgerichte Duitse Democra tische Republie k een zg. "Socialistische Staat van Arbeiders en Boeren" (artikel I van de Grondwet) maakte. Bij de vo lvoering hiervan we rd zwaar geleund op de aanwezigheid van het Rode Leger. Nog altijd bevinden zich in de DDR 20 Sovjet-divisies.

Verbondenheid Naast de SED bestaan nog e nkele a ndere politieke partijen. Zij geven het Oostduitse politieke landschap een wat minder eentonig karakter, maar moeten wel de leidende rol van de SED erkennen. Waar de marges voor veranderingen in een Westelijke democratie, om De n Uyl te citeren, al smal zijn, zijn ze in een volksdemocratie wel héél smal! (5) Alle geledingen va n de maatschappij zijn ervan doordrongen dat alle krachten gericht moeten zijn op de opbouw van het socialisme en de vervolmaking van het maatschappelijke systeem. Dit alles als deel van de socialistische statengemeenschap, in het besef van een sterke, wapenbroederlijke verbondenheid met de Sovjet-Unie, hetgeen zelfs juridisch verankerd is (Wellicht ten overvloede: wanneer in deze tekst socialisme geschreven staat, wordt gedoeld o p hetgeen de aa nhangers van het communisme daaronder verstaan.) Keer op keer wordt deze verbondenheid betoond. De verbondenheid met de Sovjet- Unie is zo groot dat ieder jaar een "Week van de Wapenbroederschap" gehouden wordt. Verleden jaar, toen het So,jet-leger ze tig jaar bestond, be tempelde de Oostduitse minister van Defensie Kari Heim Hofl'mann bij die gelegenheid de onoverwinnelijkheid van dit leger als een "wet" voor he t Natio na le Volksleger. Ho necker benad rukt e dat de gunstige voorwaarden voor social isme en communisme, als ook voor vrede en ontspanning, afhingen van de kracht en hechtheid van de verenigde socialistische mi litaire macht, vooral van de "gevechtskracht en -bereidheid van het So,jet -leger". De partijleiding va n de DDR wil daar het hare aan bijdragen. Aan een sterke en indrukwekkende krijgsmacht (6) wordt dan oo k grote waarde gehec ht. Het blijfi niet alleen bij verklaringen : men getroost zich niet geri nge inspa nnin gen . Dit gaat gepaard met een voortdurende waakzaam-

heid, die de gehele maatschappij doortrekt; de DDR is eigenlijk altijd op haar hoede : tou;ours en vedette, om een term van Frederik de Grote te gebruiken.

Actieve functie Die waakzaamheid is bijzonder groot. Ook op dit te rrein heeft de socialistische staat, evenals het socialistisch recht trouwens, een "actieve functie". In het algemeen komt de praktijk va n deze functie er op neer dat de staa t op ideologische wijze de perspectieven van de burgers begrenst. Leszek Kolakowski noemt da t totalitair : " I take the word totalitarian in a commonly used sense, meaning a politica[ system where all social ties have been entirely replaced by State-imposed organiz.ations and where, consequently, all groups and indivzduals are supposed to act only jor goals which both are the goals rif the State and were defined as such by the State". In overeenstemming hiermee is de militaire weerbaarheid niet tot de staande krijgsmach t beperkt: in zaken de verdediging betreffend gaat men ook sterk o p de niet-reguliere toer. Uit het vorige anikei blijkt al hoe groot het aandeel is van paramilitaire eenheden als de " Kampfgruppen der Arbei terklasse". Ook andere verba nden zijn niet vrij van (para)m ilitaire smetten. Eén daarvan is de " Geselischaft für Sport und Technik (GST)" die in 1952 opgericht is en waarvan de benaming onschuldiger is dan de activiteiten. He t gaat om een vereniging waarin jongeren (vanaf het begin der puberteit) voorbereid worden op de dienst in het volksleger. In een besluit van de Ministerraad ( 1968) heet het dat de GST een massa-organisatie van de DDR is, waarvan de hoofdtaak in het systeem van de "socialistische krijgsopvoeding" erin bestaat o m jongeren alvast voor te bereiden op het vervullen van de dienstplicht in d e strijdkrachten van de DDR. Tal van takken van sport worden beoefend, waarbij allerlei militaire vaardigheden bijgebracht wo rde n. Er wordt bijv. aan parachutespringen, watersport en hardlopen gedaan, maar ook aan bescherming tegen atoom- en gasaanvallen en aan het werpen van handgranaten. In het geheel van de prestaties neemt de schietvaardigheid een belangrijke p laats in. Ho nderdd uizenden zijn zo aan hun bewijs van schietvaardigheid gekomen. Ten behoeve van de GST zijn in geheel Oost-Duitsland talrijke schietbanen aa ngelegd. Zoals reeds gesteld, gebeurt dit allemaal niet als tijdverdrijf, maar in het belang van de socialistische weerbaarheid. De leidende functionarissen zijn alTicicr-en en reservisten van de Nat ionale Volksarmee (N VA ). Generaal-majoor Erich Mielke, die nu het ministerie voor de Staatsvei ligheid leidt, zei het al in 1960 : " Der Spon is bei uns in der DDR kein Privatvergnügen, sondern eine po litische Betätigung. Soweit er nicht auf den Leistungsspon abgestelh ist, schall't er die Voraussetzungen für Mut und Ausdauer, Eigenschafien, die wir in den bewall'neten Organen unset-er Staates verlangen". In het Westen ontbreken niet zelden co mmerciële belangen in de spon, waardoor het sportieve element o p de achtergrond geraak t maar de spon staa t er niet in dienst van een uitdrukkelijke politiek-militaire doelstelling. De spon in

17


GST-verband heeft niet alleen een militair karakter , er bestaat ook een organisatorische relatie met de NVA. Het leger zorgt voor materieel en uitrusting ; de opleiding wordt verzorgd door reservisten en staa t o nder leiding van respectievelijk officieren en reservisten. Op die manier heeft men o p het mo ment dat o fficieel bij het Volksleger dienst gedaa n moet worden, al een behoorlij ke militaire scho ling achter de rug.

Pedagogie en Propaganda O o k de desbetreffende acti viteiten van de pio niersorganisatie "Ernst T hälmann" (voor jeugdigen vanafzes j aar) en van de "Freie Deutsche jugend " (FDJ), bestaande uit tieners, mogen niet uitgevlak t worden. In deze organisaties liggen de accenten o p het verwerven van " praktische kennis" door sport èn spel (zoals kaartlezen), alsmede o p po litiek-ideologische en militair-theoretische scho ling. Reeds o p vroege leeftijd word t begonnen met het opbo uwen van een soort social istische standvastigheid en probeert men een positieve betro kkenheid bij het socialisme in al zijn uitingen te o ntwikkelen. Dit dient er niet alleen toe de bereidheid to t het beschermen van de socia listische verworvenheden te vergroten, maar is er ook o p gericht identificatie met het socia listische systeem te doen plaats vinden. Pedagogische en propagand istische technieken zijn daarbij behulpzaam . Zelfs militair speelgoed speelt een ro l, want, zo wo rdt gezegd, dit wekt bij de kinderen technische belangstelling en maakt een gesprek over de socialistische landsverdediging mogelij k. O o k kinderboeken blijven van deze o nderwerpen niet verschoond . Een eersteklasser ka n in één va n zijn leerboeken in de " brief van soldaat Heinz" aan de "J o nge Pio niers" lezen: " Onze dienst is zwaar. Maar wij d oen het graag, want da n kunnen juliie in alle rust leren en spelen. Geen vija nd zal o nze Duitse Democratische Republiek durven aa n te va llen" . Het gaat er bij dit alles o m een bepaalde instelling ingang te doen vinden en militaire voorkennis o p te laten doen. Geko ppeld hieraan worden vaardigheden in de militaire sfeer beoefend. Dit gaat vergezeld va n po li tiek-ideologische vorming, die tot en met de milita ire dienst doorloopt. Deze vorming is duidelijk gestempeld door een bepaald wereldbeeld en betreft zowel de principiële uitmuntendheid van de socialistische samenlevingen, waaro nder oo k haar principiële vredesgezi ndheid valt, als de verdorvenheid en de intrinsieke agressiviteit van de kapitalistische landen. Deze tegenstelling wordt zo ver doorgevoerd da t waar het gaa t o m de ho uding tegenover de vijand, gewerkt wordt met haal. Een tekenend citaat terzake: " Der Charakter des modernen Krieges erfo rdert, die Erziehung zum Hass auf den Feind erheblich zu steigern. Scho n in Friedenszeiten musse d ieses Gefü hl ausgeprägt sein . .. " De vo rming valt, zo ku nnen we stellen, uiteen in een positieve en een negatieve indoctrinatie: enerzijds word t getracht aanhankelijkheidsgevoelen o p te roepen met betrekking rot het vaderland, de strijdkrachten, enz.; anderzijds, in het verlengde daarvan, d ienen de Westelij ke " imper ialisten en militaristen", die dit alles belagen, met haat tegemoet getreden te word en. O p dialectische wijze wo rdt dit laatste verdedi gd als " consequent huma nisme". Het zijn slechts de allerj o ngsten d ie alleen de " positieve" vorm van de po litiek-ideologische scho ling deelachtig worden. Op (niet veel) latere leeftijd wo rdt daarnaast een angstopwekkend beeld va n de vijand ingeprent. 18

Het proces van weerbaarheidsopvoeding vormt één geheel, aangezien de ver schillende vormen en niveaus o p elkaar afgestemd zijn. Dit geheel is verbonden met het algehele systeem van Erziehung und Bildung. Onder het eerste wordt verstaan het proces van de vorming en o ntwikkeling van het socialistisch bewustzijn en de houding va n de mensen, terwijl het bij het tweede begr ip gaat o m kennis, bekwaamheden en eigenschappen, die het de mensen mogelijk moeten maken zich in de werkelijkheid te bewegen, deel te nemen aa n het maatschappelij k arbeidsproces, de klassenstrijd en het culturele leven. Dit o nderscheid correspondeert met dat tussen bereidheid en vaardigheden. Blijkbaar heeft aan het één en het ander o nder de jeugd toch no g het nodige gemankeerd, want van staatswege is verleden jaar " Wehrunterricht" als een apart leerplan in het lesrooster van de negende en tiende klas van de polytechnische middelbare scho len voor algemeen o nderwijs opgenomen. Er is nog even spra ke van geweest dat deze lessen ui tgesteld zouden worden, met name vanwege de kritiek va n de kant der kerken, maar per I september 19 78 is het er toch van geko men. Het is de bed oeling dat alle 15- en 16 -jarigen in ieder geval het theo retische o nderricht krijgen (op dit mo ment betreft het nog 20 procent van deze leeftijdscategorie). Voor de meisjes in de negende klas is een speLiale leergang in de civiele verdediging o pgesteld. Voor jo ngens ligt, a ls zij willen, een kamp in het verschiet, waarbij o.a. geoefend wordt in het om gaan met kleinkaliberwapens. Toen het plan bekend werd, hebben de O ostduitse kerken o nm iddellij k hun bezorgdheid ken baar gemaakt, o.a. o mdat de problematiek van oorlo g en vrede eenzijdig benaderd zou worden en gemakkelijk een vriend-vijand dichta mie in de geest kan o ntstaan, hetgeen ten koste kan gaan va n het vredesbewustzijn. Bo vend ien kunnen o uders door dit specia le o nderwijs in gewetensconflict geraken. In een gesprek met de kerken heeft de staa tssecretaris voor kerkelijke vraagstukken er o .m . op gewezen dat het militaire o nderwijs in relatie moet worden gezien met de vredespolitiek van de DDR en dat er aspecten aa n dit o nderwijs zitten die overeenko men met het bedrijven van christelijke naastenliefde, zoals dat het geval is bij bescherming bur gerbevo lking en eerste hulp . Beide partijen hebben elkaar niet weten te overtuigen. aa r alle waarsch ij nlijkheid is deze vorm va n mi li ta ire instructie bedoeld o m een terugga ng in de mo tivatie o p te vangen en lOt meer discipline te ko men. Het is namelijk aannemelijk dat men zich in regerings kringen en in de communistische partij zorgen maakt over zekere pacifistische en anti -collectivistische tendenzen (7). Weliswaar zijn gemotiveerdh eid en discipl ine voor àlle strijdkrachten o no ntbeerl ijk, maar de géést waarin één en ander gebracht wo rdt, maakt uit wat in dit opzicht al of niet betamelijk is. Bo vendien maa kt de betro kkenh eid van de gewapende machten en de samenwerking met j eugdvereni gingen de zaak nog bedenkel ij ker (8). Het vak schept pri ncipieel gezien geen nieuwe feiten. Maar als uitbreiding en versterking va n de maatschappelijke inspanningen ten aanzien va n de militaire en psycho lo gische weerbaa rh eid - partijpo litiek gereguleerd en ideologisch gekleurd - vertoo nt het sterker wordende militaristische tendenzen. "'Konsequenl wird die enge Verzalmung z.iviler Bürgerpjlichlen mil mililärischem Denken und ihre Ausrichlung aufdie Linie der Parlei- und Staaliführung gelehrl " (9). Gelukkig ziet het er niet naar uit dat een daadwerkelijk


militair treffen plaats gaat vinden. De stimulering van de strijdvaardigheid is er evenwel niet minder zorgelijk om. Laten we hopen dat de diverse instructieprogramma's niet dié effecten zullen krijgen die beoogd worden, ja, dat zelfs averechtse effecten zullen optreden. Noch geografisch, noch qua traditie dekken Pruisen en de DDR elkaar geheel, maar in beide opzichten is wel sprake van een relatie. Het is interessant dat niet alleen in de Bondsrepubliek, maar ook in Oost-Duitsland er toenemende belangstelling is voor Pruisen (10). Voor wat betreft een aantal aspecten zet zich een nieuwe theoretisch-positieve waardering door, ook aan een praktische doorwerking is men niet ontkomen. drs. G. K. Timmerman

I. Zie voor het belang van de geografische factor dr. F.C. Spits, De Metamorfose van de Oorlog (Assen: Van Gorcum & Comp. N.V., 197 1), p. 29 e.v. 2. Op een door de Koninklijke Militaire Academie georganiseerd symposium, 12 oktober 1978. 3. Spits, op.cit., p. 32.

4. Ibid., p. 33. 5. Vgl. drs. E. Hofland, "Partij en staat in Duitse Democratische Republiek", lnlemalionale Spectator, april 1978, pp. 219-226. 6. Een militaire parade in Oost-Berlijn b.v. maakt altijd indruk, zij het voor een buitenstaander bepaald niet in opbeurende zin. 7. Neue Zürcher Zeitung, 19/20 november 19 78. 8. Gelijke oriëntaties komen hier bij elkaar. Dit spreekt temeer, wanneer men weet dat, zoals generaal Sergei Shtemenko in het militaire Sovjet-tijdschrift Za Rubn.hom heeft geschreven, in de Warschaupact-landen speciale aandacht word t gegeven aan de opleiding van de zaak van het socialisme toegedane militaire specialisten ; 97 procent van de Oostduitse officieren is lid van deSED. Zie Survival (Lo nden : International lnstitute for Strategie Studies, juli/augustus 1976), pp. 169-170. 9. NZZ, op.cit. 10. International Herald Tribune , 20 december 1978.

De DDR: een provincie van de Sovjet-Unie? Enkele kanttekeningen bij de relatie DDR-Sovjetunie De "Deutsche Demokratische Republik" (DDR) is net als de "Bundesrepublik Deutschland" (BRD) voortgekomen uit een bezettingsregime. Het ontstaan van twee Duitse staten na 1945 vond zijn directe oorzaak in de groeiende tegenstellingen tussen de mogendheden die het verslagen Duitsland bezet hielden, met name de Verenigde Staten en de Sovjetunie. De DDR is in 1949 opgericht. Wat er in de Sovjetunie

gebeurde en wat de Sovjet-leiders wilden, heeft voor een belangrijk deel de ontwikkelingen in de DDR vanaf 1949 bepaald. De DDR en de andere regimes in Oost-Europa zijn door de Sovjetunie in het zadel geholpen. In laatste instantie is hun politiek voortbestaan afhankelijk van de aanwezigheid van het Sovjetleger, dat kan ingrijpen om een bepaald regime in het zadel te houden of juist ten val te brengen (DDR 1953, Hongarije 1956 en Tsjechoslowakije 1968).

19


De partij die het in de DDR voor het zeggen heeft, is de SED (Sozialistische Einheitspartei Deutschlands). De SEDleiders met Ulbricht aan het hoofd creëerden in het begin van de jaren vijftig in de voormalige Sovjet-bezettingszone een samenleving die zeer sterk lijkt op die van de Sovjetunie. Alle po litieke koerswijzigingen binnen de Sovjetunie werden door Ulbricht c.s. o p de voet gevolgd. Toen dat op zeker mo ment niet snel genoeg gebeurde, werd Ulbricht afgezet, zoals we nog zullen zien. Het bestaan van een andere, op het Westen georiënteerde Duitse staat wordt door de leiders van de DDR gezien als een constante bedreiging voor de legitimiteit van hun regime. De BRD is vanaf haar o ntstaan economisch superieur aan de DDR, zij beschikt over een groter aanta l inwoners en vond praktisch vanaf de eerste dag van haar bestaan algemene internationale erkenning. De DDR werd tot in het begin van de jaren 1eventig maar door een handjevol mogendheden volkenrechtelijk erkend. Van de economische successen en de hoge levensstandaard in de BRD zij n de DDR-burgers nu uitstekend op de hoogte, doordat in de O ostd uitse huiskamers de TV- uitzendingen uit het buurland goed kunnen worden ontvangen.

Economische banden De Sovjetunie en de DDR hebben zeer nauwe economische banden en zijn voor elkaar belangrijke handelspartners. De uitbreiding van de Sovjet-handel met de BRD en de Verenigde Staten van de laatste jaren heeft het relatieve belang van de importen van hoogwaardige industriële produkten uit de DDR enigszins doen dalen. Toch neemt de DDR oo k in 19 77 een groter percentage van d e buitenlandse handel va n de USS R voor haa r rekening dan enig ander land. Voor 19 77 was dit meer dan I0%, hetgeen meer dan het dubbele is van de totale o mvang van de handel tussen de BRD en de Sovjetunie. (De BRD is de belangrijkste handelspartner onder de niet-communistische landen. ) Het aa ndeel van de Sovj etunie in de buitenlandse handel van de DDR is vele malen groter. Het hoogtepunt viel in het midden va n de jaren zestig toen het Sovjet-aa ndeel 43% bedroeg. In 1975 was het bijna 36%. Op het punt va n de grondstofTenvoorziening is de O ostduitse afhan kelijkheid van de Sovjetunie bijna totaal. Zo voorziet de USS R in de DDR-behoefte aan: -aardgas voor I 00%, - ruw ijzer voor bijna I00%, - aardol ie voor meer dan 80%, - ijzererts voor 80%, -gewalst staal en alum inium voor meer dan 70%, - hout en katoen voor meer dan 90%. Tal van economische projecten worden d oor de DDR en de Sovjetunie gezamenlijk o ndernomen. Zo neemt de DDR met een bedrag van 8 miljard mark deel aan de aanleg van een 27 50 km lange aardgaspijpleiding, die va n O renboerg in de O eral naar de westgrens van de USS R loopt en waard oor in de toekomst oo k de DDR aardgas zal on tvangen.

"Volledige overeenstemming" Als de leiders van de DDR en de Sovjetunie elkaar ontmoeten, is er in de officiële co mmuniqués altijd sprake van "volledige overeenstemming der opvattingen over alle actuele kwesties".

20

Volgens de Sovjet- ideologie (het marxisme-leninisme) kunnen er tussen socialistische landen geen diepgaande ('antagonistische') tegenstellingen bestaan; er kunnen hoogstens verschillen van mening bestaan m.b.t. detailkwesties. u is er inderdaad altij d overeenstemming geweest tussen de Sovjetunie en de DDR over een aantal fundamentele kwesties. Zo heeft de SED-leiding de Sovjethegemonie in O ost-Europa altijd met woord en daad erkend en ondersteund. Dit was voor Ulbricht c.s. immers de enige manier om in het zadel te blijven. Net als de leiders van de DDR hadden de Sovjet-leiders belang bij het systeem va n interne repressie in de DDR. Het maatschappelijk systeem in de DDR mocht immers op geen enkele manier op een alternatief voor dat van de Sovjetunie gaan lijken. Tenslotte hebben de leiders van de SED en van de CPS U (Communistische Partij van de Sovjetunie) er zich gezamenlijk steeds voor ingezet, de politieke, economische en militaire krachtsverhoudi ngen in Europa ten gunste van de socialistische landen te wijzigen. Dat er achter de 'volledige overeenstemming' van de perscommuniq ués ook confli ctstof verborgen kan liggen, bleek uit de gang van za ken rond de toenadering tussen de Sovjetunie en de BRD (Bo nn's "Ostpolitik" ) tegen het eind van de jaren zestig. De Sovjetunie probeerde tot ongeveer die tijd aan haar behoefte aan techno logie en hoogwaardige industrieprodukten te voldoen door importen uit de DDR. De DDR is namelijk het industrieel meest o ntwi kkelde lid van de Comecon en het heeft het hoogste bruto natio nale produkt per hoofd van de bevolking van alle Oosteuropese landen. Toen echter bleek dat de DDR niet aan alle behoeften van de Sovjetunie kon voldoen, leek een toenadering tot Westerse industrielanden wenselijk. Behalve in de import va n Westerse technologie en het verkrijgen van kredieten zou de tOenadering tot de BRD ook moeten resulteren in het houden va n een Europese veiligheidsconferentie, waar de naoorlogse grenzen in MiddenEuropa (met name de z.g. Oder-Neisse grens tussen de DDR en Po len) volkenrechtelijk zo uden moeten worden erkend. Voor het slagen van deze opzet was de aanwezigheid van de BRD aan de conferemietafel vereist. Deze " Westpolitik" van de Sovjet-leiders stuitte bij Ulbricht en andere DDR-leiders o p grote weerstand. De DDR ontleende immers voor een belangrij k deel haar politieke legitimiteit aan haar voorhoederol in de strijd tegen het Westduitse revanchisme. Dit is het streven naar een revanche voor de in Wereldoorlog I I geleden nederlaag. Dit streven werd door de USS R aan de BRD toegeschreven en de Sovjet-leiders waren er zeer beducht voor. Ulbrichts starre houding tegenover de BRD bleek het duidelijkst uit zijn eis dat de BRD de DDR vo lkenrechtelij k moest erkennen, voordat over de status va n West-Berlijn en over pasjes- en bezoekersregelingen voor bu rgers van de beide Duitsla nden onderhandeld kon worden. Ulbricht had tientallen jaren de Sovjet-lijn o nvoorwaardelij k gevolgd. Ironisch genoeg was het juist hij die het einde van zijn po litieke loopbaan bespoedigde door aan de belangen va n 'zijn' DD R steeds groter gewicht toe te kennen. Ook de door Ulbricht herhaaldelijk verkondigde these dat pas de ontwikkeling in de DDR had aangetoond , dat het socialisme ook in een ind ustrieel hoog ontwikkelde maatschappij mogelij k is, kan gemakkelijk tot irritatie bij de Sovjetleiders hebben geleid. Alles wijst erop, dat de Sovjetleiders de hand hebben gehad in het plotselinge aftreden


25 Jaar DUitse Democratische Republiek Familiefee st van Ulbricht in mei 1971. Al enkele maanden daarna ko mt er een regeling over Berlijn to t stand; volkenrechtelijke erkenning door de BRD al~ voorwaarde vooraf wordt niet meer geëist.

Sovjet-vetorecht itcindelijk heeft ook de DDR de vruchten gep lukt van de toenadering tot de BRD en de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, in de vorm van intensivering ,·an de handel co ntacten met de BRD en volkem·echtelijke erkenning door tal \'an landen. Achteraf bezien zijn de vcrschillen \'an mening rond de toenadering tol de BRD niet meer da n een tijdelij kt• episode. Daarna was de samenwerking hechter dan ooit tevoren . Verschi llen va n m ening blijven natuurlijk mogelijk. Tekenend is bijvoorbeeld de gang van zake n rond het aftreden van Horst Sindermann als voorzitter van de ministerraad in de herfst van 19 76. Volgcm de Westduitse DDR-deskundige Peter Ludz wi lden

de Russen Sindermanns aftreden omdat hij zich voorstander had getoond van een evenwi chtiger buite nlandse handel. Hij had zich uitgesproken voor een sterkere oriëntering \'an de buitenlandse handel van de DDR op het Westen. De gang van z.aken rond het aftreden van Ulbricht in 1971 en dat van Sindermann in 1976 maakt duidelijk, dat de Sovjet-leiders een vetorecht hebben waar het de bezetting van topposities in hetpanij- en staatsapparaat van de DDR betreft.

Nauwere banden Onder Ulbrichts opvolger Erich Ho necker wordt met name het buitenlandse beleid van de DDR nog meer op dat van de Sovjetunie afgestemd. De loyaliteitsverklaringen aan het adres van de USS R zoals die in officiële documenten zijn vastgelegd gaan veel verder dan in andere Oosteuropese landen gebrui kelijk is. De nieuwe grondwet van de DDR die in 1974 van kra cht werd geeft hiervan een 21


"Voor altijd broederlijk verbonden met de So~jetu ni e." De bevrijding die 30 jaar geleden geschiedde slaat op de Duitse nederlaag van 1945.

goed voorbeeld. In anikel6lid 2 lezen we het volgende: 'Die Deutsche Demol!raLische Republil! ist für immer und unwiderruflich mit der Union der Soz.ialistischm Sowjetrepubliken verbündet.' Het meest recente partijprogramma van de SED, aangenomen op het !Xe Congres in mei 1976 leen o ns dat de vrede en veiligheid van de DDR gegarandeerd worden door 'die unerschütterliche WafTenbruderschaft mit der Sowjetarmee und den anderen Bruderarmeen' (d.w.z. de Legers van de andere Warschaupactstaten). Het verdrag van vriendschap, samenwerking en wederzijdse bijstand dat eind 1975 tussen de DDR en de Sovjetunie werd gesloten gaat nog verder. Dat het verwijzingen bevat naar de eenheid en het gesloten fro nt van de socialistische landen is niet ongewoon. Er is echter een passage waarin wordt gezegd, 'dass die Untmtütz.ung, die Festigung und die Schutz. der sozialistischen Errungemchciften, die dank der heldenhciften Amtrengungen und der aufopferungsvollen Arbeit der Völker erz.ielt werden, gemeimame intemationalistisihe Pflicht der soz.ialütischen Länder sind. . .'(I) Dit is een vrij onomwonden weergave van de z.g. ' Brezjnevdoctrine', die in het najaar van 1968 werd geformuleerd om de inval van Warschaupactlanden in Tsjechoslowakije achteraf te rechtvaardigen. In de praktijk betekent dit dat de Sovjetunie en de andere Warschaupactlanden het recht hebben om eventueel met de wapens in de binnenlandse omwikkelingen van een van de andere lidstaten in te grijpen, als er een ontwikkeling plaats vindt die de Sovjet-leiders niet zint, zoals in 1968 in Tsjechoslowakije het geval was. Zo'n openlijke verwijzing naar het recht op interventie van de overige Warschaupactlanden was in het vorige vriendschapsverdrag tussen de Sovjetunie en de DDR uit 1964 niet te vinden. 22

Artikel S in het verdrag van 1975 gaat over militaire bijstand en geeft een interessant verschil te zien met de tekst van het vorige verdrag. In de tekst van 1964 is de bijstand geografisch beperkt: zij wordt verleend op basis van het Pact van Warschau. Deze verdragsorganisatie is de Oosteuropese tegenhanger va n de NATO en is afgestemd op het voeren van een eventuele oorlog tegen de Verenigde Staten en hun Westeuropese bondgenoten. In het verdrag van 197 5 is het verlenen van mili taire bijstand echter niet geografisch beperkt tot West-Europa. In theorie houdt dit de mogelijkheid in dat de "Nationale Volksarmee" (het leger van de DDR) bij een eventueel gewapend conflict tussen de Sovjet-Unie en de Chinese Volksrepubliek in Siberië zou worden ingezet. Eenzelfde geografisch onbeperkte bijstandsclausule is overigens te vinden in het verdrag tussen de Sovjetunie en Tsjechoslowakije uit 1970. Hoe beducht sommige Sovjetleiders voor een oorlog met China zij n, kan o.a. worden afgeleid uit recente uitlatingen van de Russische tapideoloog Ponomarjov. Deze verklaarde dat de onlangs door Moskou voorgestelde verhoging van de defensieuitgaven noodzakelij k is vanwege de Chinese dreiging (2). De volgzaamheid van de DDR in dit soort kwesties contrasteert sterk met de Roemeense weigering om aan de verhoging van de defensielasten mee te werken. Ook uit Polen kwamen trouwens niet-officiële, kritische reacties op dit voorstel. In het vriendschapsverdrag uit 1975 is ook een artikel opgenomen waarin gezegd wordt dat de verdragspanners bij alle belangrijke kwesties elkaar zullen informeren en consulteren en vanuit gemeenschappelij ke posities zullen ha ndelen. Zo'n vergaande coördinatie van het buitenlandse beleid wordt in het oude verdrag niet genoemd. Hoe frequent de onderlinge consultaties plaats vinden, blijkt o.a. uil het feit dat de twee topleiders Honecker en Brezjnev elkaar va n j uni 19 7 I tot december 19 76 maar liefst 25 maal ontmoetten. Ook lagere partijfunctionarissen van CPSU en SED komen heel regelmatig bij elkaar.


De speciale en intensieve band tussen CPSU en SED bleek ook uit de voorbereiding van de conferentie van Europese communistische partijen die in de zomer van 1976 in Berlijn geho uden werd . De organisatie van deze conferentie was in handen van de SED en in de maanden voorafgaande aan de bijeenkomst was het de taak van functionarissen van deze partij o m met de andere conferentiedeelnemers to t overeenstemming te ko men over de inho ud van congresresoluties e.d . De SED kwam hierbij steeds met voorstellen die met name bij de grote Westeuropese communistische partijen geen enkele kans maakten. Deze voorstellen hadden o.a. betrekking op de leidende ro l van de CPS U binnen de internatio nale communistische beweging. Men mag aannemen dat er de Sovjet-leider veel aan gelegen was, dat zij niet zélf deze voorstellen naar voren hoefden te brengen. Dan zou het ook makkelijker zijn o m zelf in een later stadium met compromisvoorstellen te ko men.

Kunst ten behoeve van het socialisme

Samenvattend . .. De economische banden tussen de Sovjetunie en de DDR zijn zeer intensief. Ondanks de toename van de handel tussen de USSR en sommige Westerse landen waaronder de BRD, is de DDR nog steeds de belangrijkste handelspart ner van de Sovjetunie. De USS R voorziet voor een zeer groot deel in de Oostduitse behoefte aan een aantal belangrijke grondstoffen. Het buitenlands beleid van de Sovjetunie en de DDR wordt in een proces van intensieve consultatic en overleg op el kaar afgestemd. De verschillen van mening tussen de lei ders van de twee landen over de toenadering tot de BRD rond 1970 werden tenslotte opgelost door het aftreden van Ulbricht in 197 I. Sindsdien heeft de DDR haar beleid nog meer op Moskou afgestemd. Ben de jong /Jm dr } oll!{ hrrft poiltlcolog~r gr~tudurd m H a/1 wrltrllchnpptl•;k ambtm aar 1Wbomlm '""' hrt O o•t-1- uropa lrntltllut te AmMnrlam.

Noten J. " f-l l'l >I<'Uilt'll, \t'"lt'l kt'll 1'11 \!'llft"tfigt'll \'olll dt' \ITWOI'\'l'llhtx ft·n van ht·l Soudli ~ n H·. dit• ht·11·ik1 "I" d.mk tij de llt'lllt.~lllgt• impdnning t·n de o p ollt·• ing,gt·nndt· .11 ht·td '·'" d t· Volkt·tt·n. " dt' gt'7.dlllt'lllijke plidu '·" ' dt• " " i.tlhl"t he l.tndt·n " ~ ' RC/ H ,IIHkhhldd d .d . I S d t•tt•mht'l 1971!.

Gebruikte literatuur: ~ . O ldt•nhuq( , .,.

C . Mt·it·o , " Dt'l Vt·llr.tg üht'r ht·und,tfwil , Zmammt·n ,uiJt' ll und gt·gt'll'<'iligt·n lki,1.11111 twistht·n dt·t Smvj t·lunion und dt·r DDR""" 7 o kwht'l I q7t;": lk t odllt' dt'\ Bundt''""IIIUI> luo OSI\\issen" h.aill odH· ua ttl nllt'Jit,Hto n.tlt· l udtt' n : 197'i 111. S9. (ll il'llld : Bt'll<h lt' .. {, \\'t·nag. " Lu dt·n Bt·llt'ltungt·n tWt>< he n So"J''IUIIH>II und DDR an den 19()q. l q JS": Bt·tuhit·.. .. 19 75 nr. 23 { •. Wt·iug. o.. , Vt·ohdhlli' '"'" ht'll Stmjt·lunion und DDR in dt't Deul sth · l.lltdpu lnok. Bt•Jidllt·.. .. 1974 111. 14 ~ . Oldt'llhuo g t'll C. Mt·u·o. " /uo11 Vt·t hähni' UtiSS R/ DDR '"'' h d em XXV. P.lllt'H,tgdt•t Kl't!S L' ", Bt•tttlm·.. .. 197b 111.4 3 t>.C. Ludt. " Dtt· DDR'"'""''" 0'1und \Vt''l. Von 1961 his 19 76 ": Mün du·n 19 7 7

J·""''"

De cultuurpolitiek van de DDR Tijdens een wandeling van ''Hotel Stadt Berlin" naar de Brandenburger Tor (nauwelijks I km. ) telde ik niet minder dan 6 boekwinkels, d ie alle goed waren voorzien, niet alleen met DDR- of Sowjctliteratuur, maar ook met werken van bv. Simenon en Agatha Christie. Ik zag op de reklamezuilen niet alleen reklarnes van theaters en bioskopcn, maar ook van disco's en voorstellingen van fab rieksarbeiders. Ik zag niet alleen theaters, maar ook een politiek kabaret. Ik zag niet alleen gerestaureerde of in restauratic zijnde gebouwen, maar ook zoveel verschillende bouwstijlen, dat men hieraan al bijna kan zien in welk jaar deze zijn ontworpen. Deze fascinerende overdaad van kultureel aanbod -waar blijkbaar een markt voor is - bracht mij er toe de reden hiervan eens nader te bekijken. Bij de beschouwingen over welk o nderwerp in de DDR dan ook moeten rwee za ken steeds wo rden blijv<"n bezien: a . de histori che ontwikkeling van de staat, waardoor met name het zich afzetten tegen het fascisme en het fascistisch verleden to l een leidende drijfveer van het po li tieke, openbare en kuhurcl e leven geworden is, b. het feit dat begrippen als "vrij heid", "democratie" en vele andere in de DDR een geheel andere betekenis hebben dan in Nederland; zo ziet de DDR-kunstenaar het werk van zij n ederlandse kollega bekno t door de geldzorgen, die het kap itali me hem direkt of indirekt b(•7orgt. Bij de opbouw van het kulturele leven na de Tweede Wereldoorlog hebben drie elementen meegespeeld: a. in 1944 is in Moskou een plan gemaakt door het Duitse communistische Po litbüro voor een " democratische vernieuwing van de kultuur". Nog steeds wordt volgens de in dit plan neergelegde beleidslijnen -een soort kulturele prioriteitenstelling - de kultuurpolitiek in de DDR bepaald, b. de terugkeer uit gevangenschap van veel belangrijke en socialistisch georiënteerde kunstenaars, c. de houding die de Sowjet- Russische bezettingsmacht tav. de kulturele ontplooiing van de Duitsers innam. 23


Het is daarom tekenend dat het eerste boek dat na de oorlog uitkwam "Ein Wintermärchen " van Heinrich Heine was; en daarbij als eerste première op het toneel " Nathan der Weise" en op de film " Die Mörder sind unter un s".

Niet weg te denken bij de kulturele opvoeding van de Oostduitse jeugd van toen is het feit dat binnen een tijdsbestek van een paar maanden niet minder van 40.000 nieuwe onderwijzers en leraren -voornamelijk afkomstig uit de kring van fabrieksarbeiders - na een spoedkursus werden gerekruteerd ter vervanging van het door een fascistisch verleden besmette onderwijzend personeel. De prioriteit, die de Sowjet-Russische machthebbers aan de kulturele ontplooiing van de Duitsers stelden, werd tijdens die spoedopleiding aan hen overgedragen en van hen weer op de huidige DDR-burgers. En zo is een tegenstelling ontstaan, nl. : de arbeidersklasse treedt ook op het gebied van kunst en kultuur als leidende klasse op. Deze tegenstelling ontstaat door het feit dat juist deze arbeidersklasse tot deze kunst en kultuur moet worden opgevoed. Om deze tegenstelling als "schijnbaar" te kunnen kwalificeren moet een typische socialistische redenering worden gevolgd, die niet per sé o njuist hoeft te zijn. " De heersende ideeën van een tijd waren steeds slechts de ideeën van de heersende klasse", schreef Kar! Marx; waren de kunstenaars vroeger in dienst van maecenassen en vorsten, nu is binnen het kapitalistische systeem de invloed van de grote o ndernemers -direkt of indirekt - onmiskenbaar. In het kapitalisme bestaan de democratisch gekozen overheden, die de kunsten subsidiëren, immers bij de gratie van de grote ondernemers. Daarom wo rden binnen het kapitalisme slechts die kunstwerken van overheidswege geentameerd, die het kapitalisme welgevallig zijn. (Vanuit het kapitalisme wordt trouwens hetzelfde argument ten aanzien van het socialisme gehanteerd.) De werkelijke kulturele belangen van d e werkende bevolking zijn o nderdeel van een onderliggende kultuur, die pas in een socialistische maatschappij ond erdeel van een heersende kultuurpo litiek kan worden, o mdat alleen in die maatschappijvo rm deze ongeremd tot ontplooiing kunnen worden gebracht. In deze zin bestaan de kunsten binnen het socialisme en daarom ook ten behoeve van het socialisme. In het begin van de vijftiger jaren werd deze redenering maar al te letterlijk in praktijk gebracht: de pompeuze beelden en schilderijen, alsmed e een afschuwelijke architektuur uit die tijd zijn daar het gevolg van. Aan het eind van de vijftiger jaren, toen er tekening begon te komen in de onvoorstelbare puinhoop, die de DDR toen was, verlegden veel kunstenaars hun werkplaats van Berlijn naar "de provincie" om op deze manier inhoud te geven aan de gedachte van socialisme in de kultuur. Als we het gevolg daarvan in blijvende kunstwerken zien, is dit een omwikkeling met niet al te fraaie gevolgen geweest -geestelijk heeft het echter de DDR-bevolking rechtstreeks en direkt zich met kunstprod ukten doen konfron teren en " zich eigen" doen voelen. Om dit te begrijpen moet men het idee " Br igade" aanvoelen, hetgeen zich wellicht het beste doet venalen als 24

" nabuurschap", maar dan overal en in alle geledingen doorgevoerd. Dus niet alleen in de buurt, binnen het fiatgebouw, maar ook op het werk en in de sportclub : overal zij n brigades, die vaak niet zozeer georganiseerd zijn, maar doorgaans voortkomen uit een gevoel van belangengemeenschap. In deze gevoelsmatige voedingsbodem binnen en buiten de hoofdstad ko nden de kunstenaars zich diep wortelen, hierin gesteund door de prio riteiten, gesteld in de opleiding van kort na de oorlog : in iedere brigade was wel een kunstenaar. Alhoewel de DDR naar buiten graag als een kollektief optreedt is het zeker een land waarbinnen tegenstrijdige meningen mogelijk zijn . De " Brigade" - de kleinschalige solidariteit - is echter onaantastbaar en waar de kunstenaars aan het eind van de vijftiger j aren de materiële nood van hun brigadeleden trachtten te verkleinen, daar werden ook zij geholpen doordat begrip en affektie voor hun werk tot stand kwam. Dit proces zelle zich in de zestiger en zeve ntiger jaren door en betekent nu een werkelijke belangstelling binnen alle lagen van de bevolking voor kunstzinnige en kulturele evenementen. In hoeverre zou echter het werk van een DDR-kunstenaar worden beperkt omdat hij binnen en ten behoeve van een socialistische staat zijn arbeid verricht ? Als uitgangspunt moet men hierbij een citaat uit een brief nemen, die Bertold Brecht in 1951 heeft geschreven, waarbij hij zich uitsprak voor "een volledige vrijheid voor het boelt, het theater, de beeldende lr.unst en de film, doch met uitzondering van die lr.unstwerlr.en, die tot oorlog lr.unnen doen opwelt/ten of deze als onvermijdelijlr. zouden lr.unnm dom voorstellen of de haat lwsen vollr.en zouden lr.unnen stimuleren". Aan dit citaat is in de loop der jaren een wat gewijzigde interpretatie gegeven. Zo was in de periode van de Koude Oorlog nagenoeg iedere kunstvorm uit een kap italistisch land taboe, omdat het kapitalisme per definitie als oorlogszuchtig werd beschouwd. u echter is de verhouding van binnenlandse tot bui tenlandse literatuur a l 3: I ; in 1976 zijn 422 boeken (titels) uit kapitalistische landen in de DDR verschenen, waar een " uitvoer" van 133 tege nover stond. Ook theater- en muziekgroepen treden tegenwoordig in relatief gro ten getale in de DDR op. De DDR-kunstenaar moet zijn werk echter steeds aan bovengenoemde norm toetsen. Hierbij is door de "affaireBiermann" nog een norm bijgekomen, nl. "u zult zich niet verkopen aan, noch uw werken laten gebruiken voor de politieke belangen van het kapitalisme". Over het algemeen ervaart men bij de DDR-burger een sterke betrokkenheid met da tgene, wat er op kunstzinnig en kultureel gebied gebeu rt; uiteraard zijn de kulturele erfenis en d e historische o ntwikkeling va n het land daar mede debet aan . Het princi pide o nder cheid met ederla nd is echter het feit dat kunstbelevi ng als een der cerMe levensbehoeften wordt beschouwd, niet tot o ndersteu ning van het po litiek systeem, maa r als basis van geestelijk wel zijn. Hans van Dam tilrrhtrw ifu/lr .\ rho1111•illlrj!. /u/ hoojdbflltl/lr l frt' IIIJ!IIIJ! ,\ rtffl/t111tf IJ/JR .


Bevolkingspolitiek: schuld b.etalen met kind Overgenomen uit het NRC/H andelsblad va n 24 jan. 1979

" Abkindern" noemt men het in Oost-Duitsland . Het is een werkwoord dat aan Westduitse zijde niet bestaat maar dat in de DDR onmiddellijk begrepen wordt en zoiets betekent a ls: het afbeta len van sch ul d door middel van kinderen. Dat gaat zo; een jong echtpaar kan de in DDR 5000 mark renteloos van de staat lenen. Het echtpaar kan dit bedrag óf geleidelijk terugbetalen óf het bedrag met ki nderen verrekenen. Bij de geboorte van het eerste kind scheldt de staat 1000 mark kwij t, bij het tweede kind 1500 en bij het derde kind de resterende 2500 mark. Wie dus niet wenst of kan aflossen dient drie kinderen op de wereld te zetten, waannee de lening is "abgekindert ". Deze startpremie van 5000 mark is een van de financiële prikkels die de Oostduitse overheid sinds enkele jaren uitdeelt om de geboortedaling een halt toe te roepen. Het is onderdeel van een heel pakket voordeeltjes dat voor echtparen en aanstaande moeders wordt aangeboden en dat de laatste twee jaar to t een werkelijke baby-explosie in de DDR heeft geleid. In tegenstelling tot West- Duits land waar het geboortecijfer almaar blijft dalen is de ommekeer zo krachtig gekomen dat het de Oostduitse functionarissen va n het planbureau zelf wat heeft verrast. In 1977 bijvoorbeeld kwamen er 27.600 nieuwe DOR-burgenjes méér bij dan vooruit was berekend- een misrekening van elf procent. Het afgelopen jaar werden met in totaal232.136 babies weer 9000 kinderen méér geboren dan het voorafgaande jaar 19 7 7. De voordelen zijn er dan ook naar. Behalve het aantrekkelij ke " abkin dem" van 5000 mark krijgt de moeder bij het eerste kind een ha lf jaar betaald verlof (een maatregel die de Westduitsers nu hebben overgenomen) en bij het tweede en vo lgende ki nd maar liefst een jaar betaald vrijaf. Behalve een oplopende kinderbijslag is er verder bij el ke geboorte nog een premie va n 1000 mark, wat vergelijkbaar is met een extra maandsa laris.

Wie eenmaal drie kinderen heeft -dus "abgekinden" heeft- zal de verleiding van een vierde kind op den duur maar moei lijk kunnen weerstaan, want dan wordt het pas werkelijk interessant. Met vier kinderen kom je in aanmerking voor een woning, voor een va kantiehu isje enkele weken per jaar, voor goedkope en renteloze leningen en voor gratis voeding voor de kinderen op school. H et is niet overdreven te zeggen dat het Duitse volksdeel in de DDR na de invoering van deze premies zonder talmen aan het voortplanten is geslagen, maar het zo u onj uist zijn daaruit dan ook maar meteen de conclusie te trekken dat vele ongewenste kinderen in de DDR omwille van de smeer ter wereld komen. Het langdurige verlof stelt de vrouw (het geldt niet voor de man ) voor het eerst in staat om het kind de eerste periode zelf op te voeden en dat lokt velen aan in een land, waar meer dan tachtig procent va n de vro uwe n in het prod uktieproces is opge nomen. Vroeger kostte een kind alleen maar geld en was men al gauw genoodzaakt het naar een crèche te brengen. Zoals een 38-jarige moeder (met al een 13-jarige zoon en een 15-jarige dochter) zei: " Ik heb erover nagedacht: wanneer krijg ik vóór mijn pensionering nog een heel jaar lang vrijaf; een jaar la ng niet te hocven werken en in plaats daarvan zoiets moois als een baby te hebben voor mij was dat babyjaar doorslaggevend." Als zij haar derde kind metee n weer naar een crèche had moeten sturen, was zij er helemaal niet meer aan begonnen. Intussen druppelt in ingezo nden brieve n in de Oostduitse pers ook kritiek door op het nieuwe systeem. Vooral van feministische kant wordt erop gewezen dat alle stimulansen eerst en vooral de moeder weer terugdringen in de vroegere rol van huissloof en keukenmeid. Daar komt bij dat teveel kinderen in te kleine behuizingen gauw tot span ningen in het gezin leiden. Bekend is dat ouders daarbij de handen noga l los

aan het lichaam hebben hangen en er wo rdt dan ook herhaa ldelijk in Oostduitse bladen gewaarschuwd voor de schadelij ke gevolge n van al te autoritaire en rigoureuze opvoedingsmethoden. Hoewel de autoriteiten en planningsbureaucraten een dergelijke babyboom zoals nu aan de gang is niet hadden verwacht, waren zij er vijf jaar geleden wel van overtuigd dat er snel iets moest gebeuren om een rampza lig geachte geboortedaling om te keren . Het geboortecijfer bereikte toen met 179. 127 een absoluut d ieptepunt in het bestaan van de DDR. In 1972 was na het eerste en tot nu we enige gewetensvrije parlementsdebat in de Vo lkskamer de abortus gelegaliseerd. Voorbehoedsmiddelen werden sindsdien gratis verstrekt, maar uit het feit dat in 1972 op elke vijf geboorten drie zwangerschappen vroegtijdig werden afgebroken, blijkt duidelijk dat de geboortecijfers door dit besluit van 1972 naar beneden werden gehaald. (Het abortus-cijfer is intussen echter snel gedaald.) Hoewel het babyplan-succes de verwachtingen dus enigszins heeft overtroffen en de autoriteiten in verlegenheid heeft gebracht, is het op korte termijn ondenkbaar dat de financiële voordelen worden teruggedraaid. Vele gezinnen hebben er hun leven op afgestemd; de televisie of de tweedehands Trabant is op "abkindern" gekocht en het regime zou zich ernstige moeilijkheden o p de hals halen als ~at al te abrupt op zulke consumptievoordelen wordt beknibbeld. Blijft voor de DDR een geluk bij een ongeluk over : in de Bondsrepubliek loopt het geboortecijfer tot ongenoegen van de overheid allengs verder terug en dus presenteen de DDR zich nu met enig leedvermaak in het Westen als het kinderparadijs. Dat komt mooi uit in het Jaar van het Kind.

B. Knapen correspondent voor N RC/ Handelsblad in Bonn (BRD)

25


nErziehung und Bildung" Interview met een Oostduitse onderwijzeres Hel onderwiplJlleem in de DDR verloont een aanlal kenmerkende aJpeclen die, ter inleiding op onderllaand interview, de aandacht verdienen. Al/ereml dient te worden gewezen op hel principe van 'Einheitlichkeil ', dal aan dit lJlleem ten grondllag ligt. Mel dit principe wordt het lireven bedoeld naar eenduidigheid van doeleinden ten aantien van onderwijl en opvoeding. Hel bieden van gelij/re opleidinglIramen voor iedereen llaal bij dal laallte centraal. Dez.e "Einheitlichkeit' lluil overigenl differentiëring in hel onderwip in de DDR niet uil, maar - zo kan worden betoogd- deze verlcheidenheid vereist in alle gevallen een belangrijke gemeenschappelijke en homogene kern en een gelij.kvormige baJiJ. Zo bezien ligt hel principe van 'eenduidigheid ' eerder ten grondJiag aan verdere differentiëring, dan dal het daarmee in tegerupraalr zou zijn. In ondmtaand artikel wordt aan de hand van een interview met Waltraud Skladny, een voormalig Ierarel aan een baJÎJlchool in DoltBerlijn, nader ingegaan op het principe van 'Einheitlichkeit' en op de wijze waarop de di.fferentiifring in het DDR-onderwijHJlleem wordt geconcretiJeerd. De nadruk valt daarbij vooral op het onderwijl in de zgn. 'onderbouw'-jaJe, de eente drie JrlaJJen van de baJÎJlchool. Daarnaast biedt dit interview nadere informatie over de dagelijlru gang van zalren op een lchool in Oolt-Duitlland en op de belangri;ke plaatl die het onderwip inneemt in het maatJehappelijk leven aldaar. Het interview iJ overgenomen uit 'Oolt Europa Verkenningen' nr. J6,Jebruari 1978, pp. 8- 12, met toeltemming van de redaktie van OEV. Waltraud, kun ; e ietl vertellen over de lchool waar ;e gewerkt .hebt.1 Mijn school staat in een nieuwbouwwijk in Berlijn. Ongeveer 720 leerlingen bezoeken deze school. Deze leerlingen zijn verdeeld over 24 klassen, zodat een klaskollektief maximaal uit 30 leerlingen bestaat. Elke klas heeft zijn eigen klasseleraar(es). Daarnaast zijn er leerkrachten voor speciale vakken als muziek en sport. In totaal werken er ± 35 leerkrachten op mijn school. De meeste leerlingen ko men uit inteJlektuele (ambtenaren) milieus. IJ er een kleutmchool by de lchool betrolrlren? Hoe iJ de overgang

van het kleuter naar het baJiJonderwi]J? Er zijn een aantal kleuterscho len verbonden aan mijn school. De kleuterschool vormt een o nderdeel van het uniforme socialistiese onderwijssysteem. Op de kleuterschool worden de kinderen voorbereid op het maatschappelijk leven en leren ze zelfstandig werken in klasseverband. Kleuter- en basisonderwijs zijn nauw o p elkaar betrokken. Dit komt o.a. tot uiting in het programma van de kleuterschool dat grotendeels afgestemd is op dat va n de basisschool : -Een belangrijk programmapunt is b.v. het het kind vertro uwd te doen raken met de moedenaal en de literatuur. Reeds op de kleuterschool wordt met boekjes gewerkt, die later in het basisonderwijs gebruikt worden. - VerschiJlende werkzaamheden, die op de kleuterschool verricht worden, zoals planten verzorgen, handenarbeid, hygiene en het schoonhouden va n het klaslokaal worden in de eerste klas in het lesprogramma o pgenomen. -De kleuterleidster en de lerares van de eerste klas houden elkaar voortd urend wederzijds op de hoogte van het lesprogramma en de o ntwikkelingen van de kinderen. Dit om een goede inschatting van de kinderen te verkrijgen en de overgang van kleuter naar basisonderwijs soepeler te laten verlopen. -In het laatste jaar gaan de kinderen 2 maal 10 minuten per dag gekoncentreerd W('rken - dit om alvast te wennen aan de leersituatie in het basisonderwijs (stilzitten! ). 26

De kinderen pelen veel : in het spel leren ze hun eigen lichaam en omgeving kennen, terwijl ze tevens voorbereid worden op het werken in groeps/klasseverband. De kleuterschool is niet verplicht. Toch gaat 75% van de 3tot 6-jarige kinderen erheen. Oe oorzaak van dit hoge percentage is, dat de meeste moeders een beroep uitoefenen of studeren. Tot 3 jaar kunnen de kinderen naar de krèche. Kinderen, die niet naar de kleuterschool gaa n, krijgen een o proep I maal per week de zgn. peel- en leermiddagen te volgen. Dit o m een eventuele achterstand te voorkomen. Volgens een nieuwe regeling kan een ouder na de geboorte van het 2e kind een jaar thuis blijven (met behoud van de arbeidsplaats). Dit kan een reden zijn, dat kinderen de kleuterschool niet bezoeken. Hoewel aan het gezin een belangrijke opvoed ingsrol toegekend wordt, wordt er met nadruk


op gewezen, hoe belangrijk het kleuteronderwijs is ter voorbereiding op het basisonderwijs en voor de ontwikkeling van het kind. Hiermee wordt er bewust naar gestreefd een zo groot mogelijke gelijke startpositie voor alle leerlingen te kreëren.

In Oost Europa wordt de differentiatie gebruikt om alle leerlingen de in het leerplan gestelde doelen te laten bereiken. De wegen naar die onderwip leerdoelen worde11 gedifferentieerd. - Kun ;e iets meer vertellen hoe dit op jullie school prakties uitgewerkt wordt·' Alvorens in te gaan op de praktijk van de d ifferentiatiemethoden in de onderbouw wil ik erop wijzen, dat deze praklijk gezien moet worden binnen het raam van de doelstelling van het algemeen-vor·mende, onderwijs en opvoedingssysteem , zoals dat in de onderwijswet van de DDR vas tgelegd is. Daarin wordt de doelstelling van o nderwijs en opvoeding als volgt geformuleerd: "het ontwikkelen van een alzijdige (geestelijk, moreel en lichamelijk) en harmoniese persoonlijkheid, die bewust het maatschappelijk leven vormgeeft en de natuur verandert om een zinvol, gelukkig en menswaardig leven te leiden" . Getracht wordt dit doel te bereiken met behulp van een pedagogies plan, dat als volgt om schreven is : "een planmatige en d oelgericht beïnvloeding op de omgang van de mens met zij n o mgeving, om die o mgeving te beheersen. Dit proces is maatschappelijk bepaald d.w.z. ze draagt een duidelijk klassekarakter. Opvallend is, dat 'onderwijs en opvoeding' de gehele mens betreft. Zij is dus niet enkel op jongeren gekoncentreerd en besteedt naast het 'hoofdwerk' ook aandacht aan de ontwikkeling van het lichaam. Dit pedagogies plan wordt verwerkelijkt door 'onderwijs en opvoeding' (Bildung und Erziehung). Bildungen Erziehung zijn twee begrippen, die weliswaar onderscheiden, maar niet gescheiden van elkaar kunnen optreden. Een prakties voorbeeld hiervan is b.v. de dagindeling : De schooldag is verdeeld in een morgen en een middagdeel, waarbij in de morgenuren het aksent o p Bildung valt en in de middaguren op Erziehung. Bildung (onderwijs): is een zeer breed begrip, waarin de drie genoemde komponenten (geestelijk, moreel en lichamelijk) niet van elkaar te scheiden zijn. Uitgangspunt is, dat het kind niet als objekt, maar als subjekt van onderwijs en opvoeding gezien moet worden. Als leerkracht heb je de taak het kind in zijn ontwikkeling te begeleiden. Erziehung (opvu~:ding): di t gebeurt hoofdzakelijk in de zgn. 'Hort' . Vroeger was de Hort ee nvo udi g de plaats, waar de kinderen van de werkende ouders na schooltijd bezig geho uden werden. Tegenwoordig maakt de Hort een wezenlijk o nderdeel uit van het o nderwijsprogramma. Hoe ziet nu zo' n schooldag eruit ? -van 8- 11 .45 wordt het o nderwijs gegeven waarin de verschillende vakken aan bod komen. -van 11 .45- 14.00 is er een middagpa uze, waarin meestal gezamenlijk gegeten wordt. - na de middagpauze begint het zgn. opvoedingsprogramma in de 'hort' (van 14.00-16.00) voor de klasse n I

t/m 4. De rest van de middag brengen de kinderen vaak door met buitenschoolse akti viteiten, in klubs en jeugdorganisaties. }ij' hebt ulf in een 'hort' gewerkt . Welke elementen vind je daarin belangrijk t.a.v. de differentiering van het onderwijs in de onderbouw.'

De ' Hort' is niet iets dat 'erbij' komt (na schooltijd), het is een wezenlij k onderdeel van het o nderwijsprogram. Daarin gaat het o m een verdieping van datgene wat de kinderen tijdens de schoo luren geleerd hebben. Hoewel de ouders niet verplicht zijn de kinderen naar de ' Hort' te sturen, maakt het merendeel van de kinderen van de ' Hort' gebruik. Gemiddeld zij n er zo' n 25 kinderen in een ' Hort'. Dit aantal is eigenlijk te groot gezien de aard van de aktiviteiten. Getracht wordt de o ntwikkeling van een socialistiese persoonlijkheid (humaniteit, solidariteit en het aktief deelnemen aan het gestalte geven van de samenleving) op een speelse manier te verwerkelijken. Er wordt veel nadruk gelegd op de vrijetijds besteding. Interessen van de kinderen worden verder ontwikkeld - daarbij valt te denken aan de volgende aktiviteiten: - kulturele bezigheden (poppenkast, theater, knutselen, boekbespreking) - natuurwetenschappelijke en techniese, - maa tschappelijke en po litieke (solidariteit in de klas en de maatschappij ) aktiviteiten, - hygiene en sportaktiviteiten. In de eerste tijd gaat het hoofdzakelijk om een kennismaking met de verschillende aktiviteiten en vaardigheden, die bij aanwezigheid van aanleg en talent bij een kind· verder o ntwikkeld kunnen wórden in zgn. 'Arbeitsgemeinschaften'. Terwijl men in de 'Hort nogal gekoncentreerd is op de gemeenschappelijke interessen kunnen de kinderen in de Arbeitsgemeinschaften' bepaalde (individuele) interessen op het gebied van spon, muziek, etc. ) verder o ntwikkelen. Daarbij wordt een intensief gebruik gemaakt va n de programma's van kultuurinstellingen en sportverenigingen. Een deel van de ' Ho rt' wordt besteed aan het maken van huiswerk. Het huiswerk heeft tot doel dat wat in de onderwijsuren geleerd is verder te verdiepen en vaardigheden te o ntwikkelen om zelfstandig te leren werken, leermoeilijkheden te boven te komen en zich rationeel de stof eigen te maken. Als lerares in de ' Ho rt ' heb je de taak dagelijks kontakt te ho ud en met de leerkracht, die het huiswerk o pgeeft. Wanneer een leerling b.v. met zijn huiswerk niet klaarko mt wordt er geza menlijk met de leerkracht naar de oorzaken gezocht. Leerl ingen die moeilijkheden hebben bij het huiswerk krij gen extra aandacht. In de beginklassen wordt niet langer dan 30 min. gekoncentreerd het hui swerk gemaakt, dagelijks o p dezelfde tijd (om te wennen aan een goede dagindeling). In de latere klassen wordt er een uur gewerkt, waarbij de kinderen tevens hun eigen volgorde etc. bepalen. 27


De strijd tegen het z.ittenblyven is een van de belangrijJute punter. in het socialĂźties onderwipsysteem. Hoe staat het op jouw school met het zittenblij'ven.1 Een enkele keer kan het nodig blijken, dat een kind een klas moet overdoen. Dit komt echter zelden voor, omdat ernaar gestreefd wordt de oorzaken van leermoeilijkheden bij een kind in een zo vroeg mogelijk stadium te ontdekken. De beoordeling van de kinderen gaat volgens een cijfersysteem, dat overigens veel in diskussie is. De beoordeling geschiedt echter niet naar het subjektieve oordeel van de leerkracht, maar naar 'einheidiche' richtlijnen waarbij de leerkracht vanaf de eerste dag de ontwikkeling van het kind moet volgen.

De differentiatiemethoden/middelen worden niet ojgestemd op de grmiddelde leerling, maar de differentiatie moet nivoverhogend werlten. Hoe Ăťe Je dit praltties in de ltlassen? Het socialisties onderwijssysteem biedt alle mensen de mogelijkheid hun begaafdheden en talenten te ontwikkelen. In alle onderwijsinstellingen wordt een hoog onderwijsnivo geĂŤist. Degenen die dit onderwijsnivo niet kunnen bereiken moeten door de leerkrachten en de gemeenschap geholpen worden (aldus de o nderwij~wet ). Vooropgesteld dient te worden dat de 'Einheitlichkeit' van het o nderwijs in de DDR ten grondslag ligt aan de differentiatie. In de gehele DDR wordt er gewerkt volgens dezelfde leerplannen. Bij de in het leerplan gestelde doelen is uitgegaan van een zich normaal ontwik.kelend kind. Via verschillende methoden wordt getracht de leerplandoelen te bereiken : voor degenen die moeite hebben dit nivo te bereiken worden ekstra maatregelen getroffen. - degenen die boven het gestelde nivo uitkomen, worden gestimuleerd zich verder te ontwikkelen. Welke talenten er verder ontwikkeld worden hangt af van de ek.onomiese situatie. Differentiatie vindt dus in twee richtingen plaats. I . Bijzondere maatregelen voor leerlingen, die om bepaalde redenen (familieomstandigheden, sociaal milieu) de leerstof niet aankunnen: - de leerkracht besteedt ekstra aandacht aan deze leerling (de 'snellere' leerlingen worden intussen zelfstandig aan het werk gezet, zodat deze zich niet hoeven te vervelen) -bemerkt de leerk.racht leermoeilijkheden bij een kind, dan wordt het kind langere tijd geobserveerd om de oorzaken van deze moeilijkheden te ontdekken. Vaak ligt de oorzaak in de sociale situatie van de leerling (woonprobleem, a-sociaal milieu etc.). De leerkracht neemt kontakt op met de ouders en de betreffende wijkinstanties om tot een verbetering van de situatie van het kind te komen. De ouders wordt geleerd hoe zij hun kind kunnen ondersteunen. - Wanneer de oorzaken organies/rysies zijn kan het kind bijzonder onderwijs volgen op daartoe speciaal ingerichte scholen en instellingen . De leerkracht maakt de klasgenootjes duidelijk, dat een kind met leermoeilijkheden niet 'slecht' of 'dom' is en stimuleert juist dit kind door aan te knopen bij zijn sterke 28

kant. Beoordeling geschiedt dan niet op grond van prestatie, maar naar de vooruitgang die het kind maakt. Ook de karaktereigenschappen worden in de beoordeling betrokken - (bv. 1'\ulpbereidheid en solidariteit in klasseverband). Vanaf de tweede klas wordt er veel in groepjes gewerkt, de zgn. brigaden. Een brigade (6-10 kinderen) heeft tot doel de kinderen te leren gezamenlijk een bepaalde opgave te maken. Hiermee probeerde ik verschillende vakgebieden te integreren terwijl ik de kinderen tevens leerde in groepsverband tot een bepaald resultaat te ko men (werkverdeling, etc.). Elke brigade heeft een ouder uit de ouderkommissie tot zij n beschikking. Ik ontvang mijn brigade vaak thuis om met hen klasproblemen door te spreken of de voorbereidingen voor een feest of een gezamenlijke kulturele aktiviteit te maken. In de brigaden kunnen ook de zgn. Leh rpannerschaften gevormd worden: een goede leerling maakt samen met een 'zwakkere' leerling het huiswerk. De kinderen leren in klasseverband elkaar te helpen. Ook besteedt een o uder uit de ouderkommissie ekstra aandacht aan het 'zwakkere' kind . Enkele differentiatiemiddelen zijn : herhalingsoefeningen, non -verbale middelen en een snelle afwisseling van verschillende methoden. De mogelijkheid bestaat 8 klassen te volgen, waarna in een beroepspraktijk de vaak sterkere kant van het kind verder ontwikkeld kan worden. In totaal omvatten de kinderen met leermoeilijkheden nog geen I% van de leerlingen. 2. Differentiatie houdt echter ook in: een stimulering van bijzondere begaafdheden en talenten . Dit moet niet als tegenspraak gezien worden met de Einheitlichkeit van het onderwijs. Gestreefd wordt naar een hoog onderwijsnivo voor alle leerlingen. De mogelijkheid daarbij bijzondere talenten verder te ontwikkelen is niet iets buitengewoons, het gaat erom een deel van de nieuwe generatie zo op te leiden, dat ze aa n de bijzondere eisen van wetenschap, ekonomie, spon en kultuur kunnen voldoen. Daartoe zijn in beperkte mate de zgn. speciale klassen en scholen ingericht, die een verdere ontwikkeling op het gebied van o.a. techniek, natuurwetenschap, taal, kultuur en sport mogelijk maken. Deze speciaalklassen/scholen vormen een onderdeel van het algemeen vormende basisonderwijs. Ze werken volgens hetzelfde leerplan met dit verschil dat een bepaald vak meer aandacht krijgt. De meeste speciaalscholen bereiden voor op de universi teit. In samenwerking met de k.lasseleraar(es) beslissen de ouders of hun kind naar de speciaalschool gaat. De uiteindelijke beslissing wordt door een wijk-schoolraad getroffen. Daarbij wordt gelet op: -maatschappelijk engagement, bijzonder talent, verhouding tussen jongens en meisjes en de sociale positie (de bezetting van de universiteit moet een afspiegeling zijn van de beroepsbevolking). Zoals we gezien hebben biedt de onderwijswet verschillende mogelijkheden om het onderwijsdoel te bereiken. In de praktijk zal het steeds weer om de vraag gaan hoe deze mogelijkheden worden benut door leerkrachten, opvoeders en o uders. Hiertoe zijn enkele pri ncipes opgesteld die dienen als richtlijnen. Een belangrijk principe is bv. de opvoeding d.m.v. arbeid, de verbinding van theorie en praktij k, van o nderwijs en produktief bezig zijn. Hoe wordt dit nu prakties uitgewerkt in de onderbouw ? In de


klassen I, 2 en 3 leren de kinderen eenvoudige techniese handelingen en werken ze in de schooltuin. Deze werkzaamheden worden vanaf het begin in een maatschappelijke kontekst geplaatst. Een klein voorbeeld hiervan : we werken met hout. Naast het leren omgaan met het materiaal hout gaan we tegelijkertijd vragen bespreken als: waar komt het hout vandaan, hoe wordt het verwerkt, wat is het nut van oud papier en vragen, die betrekking hebben op het milieu.

Ontwikkeling is een aktief proces, dat de persoon(lijkheid) door zijn/haar aktiviteit zelf voltrekt. Nu hebben niet alle leerlingen dezelfde akliviteiten (bv. door de gezinssamenstelling, het werk van de ouders of het wel of niet lid zijn van een klub of builenschoolse aktiviteit) . Hoe werken deze verschillende aklivileilen door in het schoolse gebeuren .1 En hoe zijn de ouders hierbij betrokken .1 In de o nderwijswet wordt ervan uitgegaan, dat de school niet de enige o pvoedings- en o nderwijsinstelling is. Als belangrijke opvoedingsfaktor wordt het gezin en de jeugdorganisaties gezien. Er bestaat dan ook een wisselwerking tussen school, gezin en jeugdo rganisatie. Op verschillende manieren worden b.v. de ouders betrokken bij het onderwijs: -in het bedrijf wordt informatie over o pvoedingsproblemen gegeven

-verder d.m.v. tijdschriften ("Elternhaus und Schule"), radio, t.v. en films. - regelmatig wordt er een spreekuur voor de gehouden. Daarnaast probeert de leerkracht de ouders te bezoeken. - Twee maal per jaar worden er de ouderbijeenkomsten gehouden. Hier worden bepaalde pedagogiese problemen besproken, zoals de verhouding tussen 'onderwijs' en 'opvoeding', ook wordt de stand van de klassesituatie van het afgelopen halfjaar ge毛valueerd en de nieuwe plannen besproken. De o uders wordt geleerd hoe ze hu n kinderen kunnen ondersteunen (daarbij gaat het er niet om dat de ouders herhalen wat op schoo l gebeurd is). In de ouderbijeenko msten wordt ook het 'ouderkomitee' geko zen : een komitee van ongeveer acht ouders dat regelmatig bij elkaar komt en met de leerkrachten en andere o uders nauw samenwerkt. Elke ouder heeft daarbij een speciale opdracht. De ouderko mmissie onderhoudt de persoonEjke kontakten met o uders en leerlingen en neemt aktief deel aan bepaalde schoolaktiviteiten (ekskursies naar een bedrijf, etc.) Hiervoor krijgen ze vrijstelling van het bedrijf waar ze werken.

F.ls van Vemde en Johanna Mooysma

路------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----------路 Een kort overzicht van de basisschool (de algemeen vormende polytechniese schooi) De I0-jarige algemeenvormende polytechniese school -ook wel "Oberschule' (bovenschool) genoemd - is het voornaamste schooltype in de DDR. Het begrip 'Obmchule" drukt uit dat er relatief hoge algemene vorming gegeven wordt ter voorbereiding o p het hogere onderwijs en de beroepspraktijk. De term polytechnies geeft aan , dat o nderwijs en opvoeding nauw met het leven, met de praktijk verbonden zijn. De Obmchule is onderverdeeld in drie geledingen: I . de Onderbo uw- klas I, 2 en 3. 2. de Middenbo uw-klas 4, 5 en 6. 3. de Bovenbo uw - klas 7, 8, 9 en 10. De Or1derbouw (klas 1-3) vormt een voorbereiding op het daaropvo lgend o nderwijs, waarbij de 4e klas als een soort overgangsklas naar de middenbouw funktioneert. In de onderbouw leren de kinderen de beginselen van lezen, schrijven en wiskunde. De kinderen worden gekonfronteerd met hun di rekte o mgeving en de maatschappij waarin ze leven. Tevens worden ze voorbereid op de leersituatie, het werken in kla everband. De voornaamste vakken zijn : duit , geschiedenis en wiskunde (inzicht krij gen in eenvoud ige wiskundige samenhangen en wetmatigheden). Verder omvat het programma: - Werk- en schooltuino nderwijs. Hier wordt elementaire techniese, technologiese en ekologiese kennis verwerkt d.m.v. het werk in de schoo ltuin en het verrichten van eenvo udige techniese handelingen geleerd en inzicht verkregen in de ekonomiese struktuur van de samenleving aan de hand van voorbeelden uit de direkte o mgeving van huis en school. - zingen, muziek, tekenen en spon.

In het geheel van de 'Obmchule' maken de maatschappijvakken (duits, geschiedenis, literatuur, kunst en staatsinrichting) 42,2% va n de o nderwijsuren uit. De wiskunde en natuurwetenscha ppen : 29,8%, vreemde talen (vanaf de 5e klas): I 0,6%, inleiding in de socialistiese produktie (ESP) en produktie-arbeid (PA) (va naf de 7e klas): I 0,6% en sport: 7,9%. Tot slot nog een kort overzicht van de school in zijn relatie tot gezin en maatschappij:

ouders: ouderspreekuur huisbezoek ouderbijeenkomsten tijdschriften, li teratuur, t.v. , radio en bedrijf school kleuterscholen (kontakt met Ie klas) Maalschappelijke organisaties: I)

atio nale Front (FDJ en jonge pioniers) 2) Staatsbedrijven : zgn. pottenbrigaden 3) Andere maatschappelijke organisaties: biblio theken, musea , theaters, bioskopen en sponverenigingen, d ie speciale diensten verlenen aan schoolgaande kinderen (ekskursies, speciale kinderprogramma's, etc.)


Economische versus ruimtelijke planning Wat we in dit artikel willen beschrijven is de- geografisch bepaalde - relatie tussen twee onderling afhankelijke vormen van planning : de economische en de ruimtelijke. Juist in een land als de DDR is deze relatie interessant te noemen, daar er sprake is van een typische tegenstelling tussen de oude "kapitalistische" erfenis in de vorm van een aantal zeer geconcentreerde industriegebieden, "Ballungsgebiete" genaamd en de wens om volgens socialistische principes de ruimte in te richten. De instrumenten om tot deze inrichting te komen zijn nu j uist van tijd tot tijd in zekere zin tegenstrijdig te noemen: als bijvoorbeeld een ruimtelijke planningsmaatregel als zodanig aan de planningsprincipes voldoet, dan is het heel goed mogelijk dat dit vanuit economisch oogpunt juist een nadelig effect zou kunnen hebben. Hoe in de - overigens nog slechts korte - historie van de DDR economische en ruimtelijke planning op elkaar hebben ingespeeld, zal in dit artikel worden beschreven.

De uitgangspositie van de beide Duitslanden na de Tweede Wereldoorlog Vaak heeft men gewezen op het "Wirtschaftswunder" dat zich in de Bondsrepubliek heeft voltrokken. Veel aandacht aan wat hun oosterburen in dezelfde periode presteerden heeft men ech ter nooit geschonken. Toch is datgene wat men destijds in de DDR bereikte minstens net zo'n "Wunder", al moet men wel rekening houden met de enorme offers die daarvoor moesten worden gebracht. De DDR had een slechtere uitgangspositie, in economisch opzicht, dan de BRD. Allereerst: vrijwel alle industriesectoren waren oververtegenwoordigd in het westelijke deel van het vroegere Duitsland. In het gebied van de DDR werd bovendien zo'n 40% van het industrieel potentieel door oorlogsgeweld vernield, terwijl dit in de BRD "slechts" 20% bedroeg (Schat, 1975, p. 115). Een ander nadeel was · dat de traditionele afzetgebieden van de oostelijke industriegebieden door de politieke scheiding onbereikbaar werden, waardoor onder meer de gehele infrastructuur diende te worden gereorganiseerd. Immers, de voornaamste transportverbindingen waren hoofdzakelijk oost-west gericht. Bij dit alles komt nog dat de DDR niet zo iets had als de "Marshallhulp" . Integendeel, de Sovjet- Unie presemeerde de DDR tot aan 1956 een gepeperde oorlogsrekening. Schattingen lopen uiteen van 20 à 25 miljard dollar. Het is in deze context dat we eerst zullen ingaan op de economische planning en de daar aan verwam zijnde problemen.

De economische planning vanaf 1945 Gezien de chaotische situatie in de beginjaren na de oorlog leek er slechts één remedie te zijn tegen het gevaar van een totale economische ineenstorting : een zich volledig concentreren op een snelle stijging van de produktiviteit. Daarvoor diende bijna alles te wijken. Dit strakke beleid is ondermeer oorzaak van de grote uitstroom van velen naar de BRD. Het spreekt voor zichzelf dat het vertrek van 3,5 miljoen mensen (veelal hooggeschoolden) ernstige proble30

men met zich bracht voor een land met 19 miljoen inwoners. Een direct economisch gevolg hiervan was, dat er te weinig gekwalificeerd personeel was om een optimale produktiestijging te verwezenlijken. Een bijkomend indirect gevolg van deze massale uitstroom was een onevenwichtige demografische opbouw (m .n. te veel o uderen). Dit bracht eveneens problemen met zich mee. In de periode 1945 - 1963 kregen met name de zware industrie en de primaire sector (landbouw en mijnbouw) de hoogste prioriteit. De industrie kreeg van de overheid, d.m.v. zeer strak opgestelde " Kennziffern", produktiebevelen. Van enige invloed hierop door de bedrijven zelf was geen sprake. Deze situatie leidde tot de zg. "Tonnenideologie" , een puur kwantitatief produktiestreven. Aan kwaliteit van de produktie werd nauwelijks aandacht besteed. De meest effectieve manier om een snelle produktieverhoging te bewerkstelligen bleek de concentratie van investeringen in de oude industriegebieden te zijn, de zgn. " Balluugsgebiete". In feite beschouwde men deze gebieden als een kwalijke erfenis uit d e kapitalistische periode. Deze periode van de "Tonnenideologie" kwam in 1963 ten einde. Er werd toen ingevoerd het " Neues oekonomisches System der Planung und Leitung". De bedrijven kregen een eigen planningsverantwoordelijkheid, overigens wel in een strak landelijk kader. In plaats van de ineffectief gebleken " Kennziffern" ging men nu meer uit van rentabiliteitsberekeningen. Hierdoor ontstond ook een betere prijsstructuur. Voorts ko nden de bedrijven nu ook meer intern investeren. In het algemeen kan men stellen dat in deze periode de verantwoordelijkheden, weliswaar niet volledig, werden gedeconcentreerd. Ook de productiestructuur veranderde. In de eerste periode na de oorlog vonden voornamelijk breedte-investeringen plaats, vanaf 1963 lag het accent meer op de diepte-investeringen, hetgeen wijst op een zich di versifieerende industriële omwikkeling.

Tegenvallende groei Rond 196 7 vond er een verandering van de planning plaats. H et was niet zo zeer een ommezwaai als wel een bijsturing, uitbouw van de vorige periode. De planning werd nu beter gefundeerd in het zgn. " Perspektivplan", waarin als vast element een " feed-back" werd ingebouwd vanuit de bedrijfsverenigingen (VVB's). Eén van de praktische gevolgen was dat er meer aandacht werd besteed aan de investeringen in de R&D-sector (meer industrieel onderzoek). In 19 7 1- 197 2 werden hercentralisatiemaatregelen van kracht. De partij (SED ) was uiteindelijk niet gelukkig met de vanaf 196 7 voortdurend toegenomen " Selbstregulierung der wirtschaftlichen Teilsystemen", die ongetwijfeld het gevaar inhielden dat de SED wat van haar invloed zou kunnen verliezen. Het waren echter voornamelijk economische redenen die voor de o mmezwaai zorgden. In de jaren '67- ' 71 bleek de geplande groei van het nationale inkomen zwaar tegen te vallen: in ' 70-' 7 I bv. werd slechts 6% groei gehaald, terwijl 8% was gepland. Ook de investeringsplanning viel tegen ( 13,4% gepland tegen 7% als uiteindelijk resultaat). Het bleek dat " die p roduktivste territoriale Form der Wirtschaft" (G. Mohs, geci-


teerd door Van den Bosch, 197 5, pp. 86-8 7), namelijk het Ballungsgebiet, geleidelijk haar agglomeratievoordeel had verloren, waardoor de investeringen ook m inder produktief bleken te zijn. Dit leidde dan ook tot een lager groeicijfer in het begin der jaren '70. Men stapte nu over op een produktie die gericht werd op de volkshuisvesting, de d uurzame consumptiegoederen en daarmee samenhangende algemene verhoging van het consumptiepeil van de bevolking. Hiervoor was wel een produktiviteitsverhoging noodzakelijk die dan voornamelijk gehaald diende te worden uit technologische innovaties. In het vijfjarenplan 1976-1980 wordt deze lijn nog verder getrokken. Hoofdopgave is namelijk een uitbouw van de eerder geschetste omwikkeling (SED, IX. Parteitag, 1976,

p.

16).

Nu de hoofd lijnen van de economische planning zijn geschetst zullen we verder ingaan op de ruimtelijke planning van de DDR. Allereerst echter aandacht voor de grondslagen van ruimtelijke planning in socialistische landen in het algemeen.

Grondslagen van de marxistische ruimtelijke planning. Door de marxistische klassieken werden weinig uitspraken over de ruimtelijke planning gedaan. Marx noemt in zijn voorwaarden voor het omstaan van een socialistische staat onder meer de onteigening van het grondeigendom, centralisatie van het transportwezen, stichting van staatsbedrijven, omginning van nieuw land door de staat, opheffi ng van de tegenstelling tussen stad en platteland en collective~i ng van de landbouw. Lenin heeft ook uitspraken ?ver d1_t ~oort zak:!l ~edaan. Hij was voor vestiging van 10dustne 10 de nabiJheld van de grondstoffen, concentratie van bedrijven, zodanig dat maximale schaalvoordelen o ntstaan, _en voor regionale zelfvoorziening van de Sovjetrepubheken. Engels benadru kt een vergaande spreiding van de industrie om de tegenstelling tussen stad en platteland tegen te gaan. Uiteindelijk zijn de volgende marxistische locatieprincipes ontwikkeld (Hamilton, 1970, p. 85): ( l) locatie in nabijheid van grondstoffen (zware ind., landbo uw en toerisme); 2) l~catie in de nabijheid van afzetmarkten (fabricage van emdprodukten, handel, voorzieningen huisvesting en recreatie); ( 3) interregionale samenwerking o m regionale specialismen o p grote schaal te kunnen benutten; ( 4) zo hoog mogelijke mate van regionale zelfvoorziening ; ( 5) zo gelijk mogelijke spreiding van de industrie o ver het land ; 6) industrialisatie van het platteland, gericht op het doen ontstaan van proletarische kernen ; 7) het bevoordelen van achtergebleven gebieden, of gebieden waar minderheidsgroeperingen gevestigd zijn; 8) het elimineren van culturele verschillen tussen stad en platteland ; 9) strategische locaties o m verwoestingen tijdens eventuele oorlogen te voorkomen ; (10) streven naar optimale internationale arbeidsverdeling (in eerste instantie binnen COMECO Nverband. Men ziet dat een aantal principes elkaar tegenspreken. Toch vormden deze principes de basis voor de ruimtelijke omwikkeling van de DDR.

De ruimtelijke planning van de DDR vanaf 1945. De verschillende perioden van de economische planni ng in de DDR hebben een duidelijke weerslag gehad op de ruim telijke planning. Aanvankelijk ging men in de DDR uit van twee globale doelstellingen van ruimtelij ke planning, o ntleend aan de marxistische locatie principes: ( I) de landsdelen moeten zich gelijkmatig ontwikkelen; (2) de produktie moet plaatsvinden op de plaats waar het het goedkoopste is. Het agrarische noorden was het meest achtergebleven, zodat daar enige ontwikkeling " in te halen" viel. Daar vond dan ook de nieuwe industrialisatie plaats. Rostock werd de belangrijkste zeehaven van de DDR en er vond een snelle omwikkeling van de scheepsbouw plaats; in Eisenhüttenstadt en Calbe a/d Saaie werd staalind ustrie gevestigd en in Schwedt en Launitz kwam chemische bedrijvigheid. Daarnaast was er in de DD R om economische redenen grote aandacht voor de zware industrie en mijnbouw in de Ballungsgebiete (Tonnenideologie). Het bleek dat de DD R het nauwelijks aankon beide aandachtsvelden, het noorden en de Ballungsgebiete, te overzien. Het noorden bracht extra initiële investeringen met zich mee i.v.m. een teko rt aan geschikte arbeidskrachten en de slechte infrastructuur. Reali_sering van doelstelli ng (I ) was daarom moeilijk. Bovendien bleek dat de effectiviteit van de investeringen in de zware industrie niet groot was. Men wilde de produktie in de Ballungsgebiete houden, maar dan wel efficiënter (doelstelling (2)). I ~ de periode van het "Neues oeko nomisches System .... " d1e nu volgde werd het rentabili teitsprincipe ook ru imtelij k vertaald. Men onderkent de agglomeratievoordelen en het feit dat regio's zich het beste kunnen specialiseren op voor hun typer_ende industrietakken en hun toeleveringsbed rijven, tene10de het rendement te verhogen. Vanuit deze redenering behoeven agrarische gebieden niet langer als achtergebleven gezien te worden. Zij kunnen hun eigen "specialisme" ontwikkelen. Het uitbouwen van industriële kernen op het platteland (noorden) kwam dan ook op een lager ~Jan te -~taan. Doelstelling (I) ko n gehandhaafd blijven. U1t de oJfers over het rendemem van de industrie en de arbeidsproduktiviteit bleek echter op den d uur dat het agglomeratievoordeel en het voordeel van regionale specialisatie geleidelijk verminderden. In 197 1- 1972 nam men de hercentraliseringsmaatregelen. Het is in deze periode dat men aandacht kreeg voor het belang van imerne differentiatie van de Ballungsgebiete. Met nam_e om de economische produktiviteit te verhogen en beter 10 te spelen op het regionaal beschikbaar arbeidsp_ot~nt i_eel. Dit alles heeft een afname van de regio nale speoahsaue to t gevolg.

Conclusie In het voorgaande zijn de beide planningsvormen apart behandeld, d it om te laten zien welke o ntwikkeli ng beide hebben doorgemaakt. Vanuit een economisch-geograflsch_e visie zijn r uimtelijke en econo m ische planning zo'n beetje als water en vuur. Dit blijkt d uidelij k uit het volgende voorbeeld. Bij de uitbreidi ng en modernisering van de chemische ind ustrie in Schwedt (noorden) was de ko mst van een fli nk aantal hooggeschoolde arbeidskrachten uit de chemische VEB Buna en VEB Leuna (Ballungsgebiete) 31


noodzakelijk, om de gedane investeringen produktief te maken. De produktiviteit in de twee " moederbedrijven" in de Ballungsgebiete daalde echter onmiddellijk na het vertrek van mensen naar Schwedt. Het noorden ontwikkelen ging zodoende ten koste van het economisch rendement van de produktie. In het algemeen blijven ontwikkelingen naar een meer gelijke ruimtelijke ontwikkeling moeizaam verlopen vanwege de geografische "inenie" van de produktiemiddelen. Dit is de centrale pro blematiek geweest in de beginperiode van de DDR. Later aanvaardde men toch min of meer deze ruimtelijke verdeling van de produktiemiddelen. Een indirecte methode om ideologische principes met economische principes te laten stroken was de herwaardering van de landbouw als economische activiteit. Hierdoor verviel de noodzaak om een industriële relocatie na te streven. Het platteland zou dan door middel van een sterk verbeterde infrastructuur toegang moeten hebben tot de culturele voorzieningen die de dichtstbij -

gelegen stad zou bieden, om op deze manier de gelijke ontwikkeling van alle mensen in de DDR te kunnen bewerkstelligen. Het zal duidelijk zijn dat dit nog zeer vele problemen zal gaan opleveren. B. van der Lingen en J. de Viet 11udtntm Joaaü gtograjit RUU

Literatuur H.J .M. van den Bosch : ' Ideologie en regionale omwi kke ling in de DDR', in : KNAC Geograllsch Tijdschrift IX ( 1975), nr. I, 2, pp. 81 -96. F.l.E. Hamihon, 'Some aspecu of spatial behaviour in planned economies', in : Papers Regional Scicnce Association 1970, pp. 83- 105. P.A. Schat: 'Veranderi ngen in de economasche plannmg in de DDR sinds 1961 ', in : K AG -Geografisch Tijdschrift IX ( 1975), nr. I, 2 pp. 63-80. S.E.D. Direkth·e des IX Parteitages der SED zum Fün~ahrpl an for die entwicklung der Volkswinschaft der DDR in den Jahren 1976- 1980, 1976, Berlin, HaupiSiadt der DDR.

:-:·:-:-:-:-:-:-:·:·:·:·:-:·:·:·:·:·:·:·:<·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:-:-:-:·:·:·:·:·:·:·:·:-:-:·:·:·:·:·:<·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:::.:::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::: Voor meer informatie m.b .t. de DDR en m.b .t. Oost Europa in het algemeen, kan men zich wenden tot : Werkgroep Oost Europa Projecten Parkstraat 9 UTRECHT tel. : 030 - 314381

::·:·:·:·:·:·:·:·:·:-:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:<·:·:·:·:·:·:.:·:·:·:·:·:-:·:·:·:.:-:·:·:.:·:·:·:-:-:-:-:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:-:-:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:-:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:·:

Het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) organiseert bij gelegenheid van zijn 150-jarig bestaan een symposium, gewijd aan het thema :

(West European Navies and the Future, In het kader daarvan zullen de volgende inleidingen worden verzorgd : 'Limits of the Traditional Out-look' door Prof. Dr. Michael Salewsky 'Future Wartime Missions' door Prof. Dr. Laurence W. Man in 'Future Peacetime Missions' door Johan J. Holst 'The Challenge ofTechnology" door Joho E. Moore 'Naval Forces and Arms Control' door Dr. S. Rozemond 'West European Navies in an Unstable World' door Prof. Dr. Cun W. Gastcyger Het symposium zal worden beslo ten met een panel-discussie onder leiding van Prof. Dr. F.A.M. Alting von Geusau , met medewerking va n Prof. N. Andrén (Stockholm), Mr. J.L. Heldring (Den Haag), Prof. Jaqucs Vcmalll (Parijs) en Prof. C.M. Kelleher (Verenigde Staten). Het symposium zal worden gehouden va n 6 tot en met 8 juni 1979, in het Ko ninklijk. Instituut voor de Marine te Den Helder. De voertaal is Engels. · Voor verdere info m1atie kan men zich wenden tot:

The Symposium Committee 'West European Navies and the Fulure" Het Nieuwe Diep 8 178 1 AC Den Helder Telefoon : 02230 - 11234 (toestel 27 13) 32


tijd is geld! wij besparen u beide!

boekdruk +offset /boekhandel /kantoorboekhandel vestest,aat le I

he,eng,acht 26 I

postbus 3023 I

2301 CA lelden I leloloon 10711 12 63 41路


cm:':':':':':':':': ':':':':':':' :~ ' :':':':':':':' :': ':.:.:.:.:.:.:.;.:::::: ::::;:: :::;:;:::::::;:::::::::;::::::::::::::::::;~/~::::::::::: ::: :::::::::::::::::::::::::::::::::::: ::::::::::::::::::::::::::: ::::::::::::::::::::::::::::::::::::::.:::::.:.:.:.:.:.:.:.:~~~

,. INDEXJASON-magazine 1978 Wapcn~b«ning R.D . pT(uuung

P.H. Kooymaru X.A. N.dtrwf

MEL. FWcm

M.l . v.d. Zee S. Vorovets ·

G W F Vi

:.:

'. .

,',

IgrotrW

Gewapcnd~ Interv~Dti~

m Wapenbeperking

G. W .F. Vigtvtno

Bewapening en O ntwapening : Feiten en Fictifi Ontwapening en On cwilleling Imttview met Minincrvan der Klaauw over Onrv.-apening Jongeren en Ontwapening Speciale Zitting VN : teken aan de wand Wapenwedloop stoppen : eenta.a1voordeVN Neutronenbom niet inhumaner

2/ 2 , 2/ 8 )

dan overige kemwa~ns

2/15

1/20 2/ 5

2/10

2/ 12

::.: Oo. t-We.t verbouding .

8rtT~U.ing~n lussen d~ VS ~n d~ USS R vanl917tol1941

M.D. Schulman

Am~rik.aans- Russisch~ betr~kk.ing~n :

R. Hoddn' WiJlianu P. Krug

Interventie in Libanon : oorzaak. van of ~nig redmiddel? K.A. NtdnloJ Int~ti~ : rwt VI machtspolitiek VttSlag van deJASON-conferentie over g~~nde interventie (29 oktober 1978). m~t bi.idrag~n van drs.J.H . Lturdijk, dr. W.F. van Eekelen. dr. L.G.M. Jaquet en Prof. K . Tudyk.a bloedvergi~te n

Socia1~

5/12 5/22

5/ 2

Verdediging

G. Sh.arp Sociale Verdediging : optie voor Europa Venlag Studiedag over Sociale Verdedigi ng : voordrachten van

's/ 14

.5125

:;:e: e: : : : : ; : He.senendn.JG Siccama

G.D. Emlme

j . v.d. VaLI

.:.

t~g~nstelling~n sam~nw~rki ng .. _L De b IJ~l lAomst~n van ~I grado : ~n pas op d~ plaats ? De nialwe Afrik.apoliti~k van d~ SU Ideologie vs Econom i~ : de Oost-West ~rhouding in ~n ni~uw licht

1/7 1/ 15

5/17 0/ 2 ;;}

GW F '

.. VignJt'I'W

j .Th . Hodtma j.LK.F. fÛ Vrits Oi~n

5/27

ka d ld I Hoe n~nDer~WCTl'! oorog ontstaan ? Dagboekvan een delegati~lid bij deSAVVN Energie en internationale machtsverhoudingen Afrika ( bijdrag~n van G.J .P. deVnes, W.H.A.M. van d~n Muijsenbcrgh, J .H . Meesman en R.O. Praaningl

::::

.•..

.:.:.i.:

5/16 4/56 1/ 17

"9

Adanti.cbe Samenwerking B.R. BDi

.'.

EJ. fÛ Ryll . d. Grachl G. W.F v..-""""

m · :::

De Negen en d~ NAVO Politiek o ...erleg in de NAVO

I/ 2

endeEPS

2/ 16

....

De NAVO·strateg;e : van ·M..,ive

R~taliation' 101 'Flexïble Respons'

Mini/I

m MilitaireTecbnologie :.•;:..

G.C. B_H ->j ~,1lIIO

:::

::: BJ. vanEenntn/Mm :::. ::: L. "'.cL •

Fr ,

tie

::: :::: A. Pl«g

::::

Ni~uwe techno logi~ ~n d~

krachtsverhouding [ussen Oost~n West De implicaties van precisi~geleide waJXIU voor afschrikk.ing. verdediging en

omwa~ning

Meer technologisch bel~id voor minder technologische bed~iging Vermindering van technologi~ : ~n middel tOt ontspa nning ?

4/ 5

4/24 4/50

4/.54

JASONin 1978: 5 magazines en 1 mini-JASON

r

::::

t

Degenen die denken dat zij jASON-magazine nr. 6 van 1978 niet hebben ontvangen willen wii:.t geruststellen : er is ;:. ;:. geen nr. 6 verschenen. Doordat nr. 4 (over militaire tech- :::: nologie> in feite een dubbelnummer was en nr. 5 (over :::: gewapende interventie) een anderhalf nummer, zag de :::: Stichting geen kans meer om in 1978 nog een 6e nummer :::: .. te produceren. Wel is er een mi ni-JASON over strategie ::;: verschenen, die zowel aan de adherenten als aan de abon- :::; nees is toegestuurd. ::::

~.:::.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:. :.:.:.:.:.:.:.:.: .:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:.:. :.:.: .:.:.:.:::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::: : ::: : ::: ::::::::::::::: :::::::::::::::::::::::::::::::: : :::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::::;:~~ Zojuist verschenen:

mini-JASON nr. 1

NA VO-strategie van "massive retaliation" tot "flexible response" door drs. G.W.F. Vigeveno De brochure geeft een overzicht van de ontwikkelingen die de NAVO-strategie van 1949 tot op beden heeft doorgemaakt. Met name worden de verschillende functies belicht. die het bondgenootschap in de loop der tijd aan kernwapens heeft loegekend.

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1979), jaargang 04 nummer 1  

Jason magazine (1979), jaargang 04 nummer 1