Page 1

JONG ATLANTISCH SAMENWERKINGS ORGAAN NEDERLAND

juni/juli 1976 nummer 4 INHOUD pag .

" "

2. 4. 6. 8. 9.

A. van Staden A.G . van der Spek C.C. Sanders A.D. Praaning L.H . Brinkhorst

17. F.L.M. Lafort 18. W. Lomeiko

Werkelijkheid en mythe van het M.I.C. Het Kapitalisme: de bron van het M.I.C. Enige vragen bij het MiI.lndustr.Complex Inleiding op het conferentie-thema Atlantische samenwerking In Noord-Zuid perspectief Interview met Navo-secr.gen. Luns De Ontspanning, zoals Moskou die ziet


JASON - magazine Tweemaandelijkse uitgave van de Stichting Jong Atlantisch Samenwerkingsorgaan Nederland Secretariaat: Van Stolkweg 10, Den Haag Telefoon 070 - 54.27.03 Bankrekening nr.: 45.68.55.548, AMRO-bank Utrecht Girorekening nr.: 3.56.10.25

A~U.

JASON-rugazlne

Hoofdredacteur redactie-leden

lay-out

: : : : :

KA Nederlof drs. Marianne I. CarIIer drs. J.Th. Hoekema F.l.M . !.afort Yvonne E.C. van Sluys

Redactie-adres JASON-magazlne: Hooglandse Kerkgracht 13, Leiden Telefoon 071 - 13.24.39 Voor abonnementen e.d. wende men zich tot het secretariaat.

AbonnementspriJzen: Per jaar f 15,- (tot 20 jaar f 10,- ) Adherent van de Stichting JASON min. f 10,- (tot 20 jaar f 5,-) Adherenten krijgen buiten het blad regelmatig publicaties van de Stichting toegestuurd. Men wordt verzocht het verschuldigde bedrag eigener beweging over te maken op de bank- of girorekening van de Stichting, tenzij men na ontvangst van een factuur wenst te voldoen . Advertenties: Advertentietarieven worden U gaarne verstrekt door de penningmeester van de Stichting. De in dit blad uitgesproken meningen blijven geheel en al voor rekening van de betrokken auteur.

Dagelijks Bestuur: Voorzitter Algemeen Secretaris Landelijk Secretaris Internationaal Secretaris Penningmeester Hoofdredacteur JASON-mag.:

juni/juli 1976 nr. 4 In het volgende nummer:

R.D. Praaning Prawlra Adlnlngrat drs. Marljke A. van Drunen Littel Nicolette Geveke drs. Marianne I. CerUer drs. F.R.M . Lekkerkerker K.A . Nederlof

Algemeen Bestuur: W.G. Aldershof drs. A.J . Goedbloed mr. B. Kruys drs. e.c. Sanders mr. Bea e.c. van Schayck Machteld Schmldt M . Schutter H.J. Smallenbroek M .F. Stutter heim dr. J.LK.F. de Vries

Leden van het Dagelijks Bestuur zijn tevens leden van het Algemeen Bestuur.

Een actueel thema, de diverse aspecten van de ZeerechtconferentIe. zullen in het volgende nummer van JASON belicht worden . Tevens zal een verslag worden opgenomen van de In juni gehouden Europaan Youth and Student Meeting in Warschau ; een voorbereidende conferentie kreeg enige tijd geleden eveneens in dit blad aandacht. Het oktober/november nummer zal (onder voorbehoud) in het teken staan van de alschrlkklngatheorl"n. Bijdragen voor dit nummer worden, na overleg met de redactie, graag ingewacht v贸贸r 10 oktober 1978. Dit nummer zal ook een bijdrage bevatten over de waarde en toepassing van simultatiespelen, met het oog op het te houden simulatiespel door JASON en de VIRO (Vereniging voor de Verenigde Naties); zie hiervoor elders In dit blad.


foto omslag: De leden lIQn het panel (eerste dag) o.l.lI. dr. J.L.K.F. de Vries (Je Wln links)

Redactioneel Militair·]ndustrieel Complex Niet zonder inspanning is dit vierde nummer van jASON lOl stand gekomen. Inspanning kost het maken van een blad altijd, maar hel passen en meten om de beschikbare hoeveel· heid (Opy op te nemen, hadden wc nog nier meegemaakl. De twec thema 's, Militair Industrieel Complex en het eonre· Temie-thema Atlamische samenwerking en Noord-Zuid dialoog moesten gezamenlijk ecn plaatsje vinden. De actualiteit gedoogt niet dal hel verslag van de ]ASON-conferentie naar het volgende nummer wordt geschoven en het thema Militair Industrieel Complex kan niet uit elkaar worden getrokken zonder schade voor de leesbaarheid en waarde van het geheel.

•••

De artikelen die over hel Militair Industrieel Complex gaan (de gangbare afkorting is MIC), spreken voor zichzelf. Geopend wordt met een overzicht van de theorieën die over dit complex bestaan, door A. van Staden. De auteur besluit met de beoordeling of het MIC in een mythe omaardt. De heer A. G. van der Spek is van mening dat het MI C bestaat, niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Nederland . Hij noemt als voornaamste oorzaak het kapitalisme en de belangen die daaraan kltnnen worden ontleend. Het is al vaker aangegeven dat he. redactionele standpunt van jASON is, artikelen van uiteen :opende (en tegengesieldd visie over één en het zelfde onderwerp te publiceren. Dat verlevendigt de discussie en maakt de opinievonning minder eenzijdig. Deze formule impliceert dat de redactie niet "ingrijpt" in de artikelen die worden opgenomen, waar tegenover staat dal ze "geheel en al voor rekening van de betreffende auteur blijven". Dat heeft nooit problemen gegeven zolang we niet de indruk kregen dat de kolommen van ons blad werden gebruikt om persoonlijk gerichte beschuldigingen te uilen. Dal hebben we helaas moelen constateren in de 7e al inea van het artikel van de heer Van der Spek; er is weinig schranderheid nodig om hierin de beschuldiging te lezen dat het Wereldnatuurfonds en de Bilderbergconferentie ren daarmee Prins Bernhard) betrokken is geweest bij "ongehoorde smeerlapperij",zoals onthuld door de commissie Church en dal Illen"de betrokken heren aan ee n scherpe ondervraging onder ede" dielll te onderwerpen. Het artikel van C. C. Sanders sluit de rij met enige reserves over het bestaan van het MIC .

De JASO N ·conferentie

Onzekerheid bij de bestuursleden van jASON overheerste bij de ope ning van de eerste nationale conferentie. Onzekerheid of het thema zou aanslaan (er hadden zich niet zoveel mensen vooraf ingeschreven), of er geen sprekers zouden uitvallen, de geluidsinstallatie het zou houden .... . . kortom: de gebruikelijke onzekerheid over het welslagen. Wel, als de kwaliteit van de lezingen bepalend hiervoor is dan mag de conferentie Atlantische Samenwerking en Noord-Zuid dialoog een succes genoemd worden. D~ toespraak van staatssecretaris Brinkhorsl kum u in jASON lezen. Van de overige sprekers hebben we steeds een beknopt verslag opgenomen, niet omdat hel belang hiervan minder zou zijn maar door de eindigheid van de pagina's van dil blad (dat met 20 pagina's dikker is dan nonnaal). Ook van de discussies hebben we een kort verslag opgenomen, waaruit u de sfeer van de conferentie kunt destilleren. Vooral de minuten die de vertegenwoordigers van jongerenorganisaties (en jongeren in de politieke partijen) kregen toegemeten, werden zinnig gevuld. We waren zeer coment dat van uiteenlopende politieke gezindheid vertegenwoordigers waren gekomen, ook hi er geldl weer dal een eenzijdige discussie géén discussie is. K. A. Nederlof

*** Vertraging.

Tot onze spijt is bij het uilbrengen van dit nummer van jASON enige vertraging ontstaan. Onze excuses hiervoor. Redactie

1


DE THEORIE VAN HET MILITAIR-INDUSTRIEEL COMPLEX: WERKELIJKHEID EN MYTHE Door de strijd om de opvolging van de Starfightc:r o.a. in Nederland en de meer recente oD!hullingen over de verkooppraktijken van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant Lockheed is de discussie over de rol van industriële belangengroepen bij beslissingen over wapenaankopen en militaire veiligheid in hel algemeen opnieuw losgebrand. De vraag waar hel hierbij om gaat is niet of deze groepen gebaat zijn bij de instandhouding en zo mogelijk vergroting van de militaire bestedingen, of dat deze groepen zullen proberen overheidsbeslissingen in voor hen gunstige zin te beiilvloeden. Natuurlijk zijn zij daarbij gebaat (we spreken niet voor nicts over belangengroepen) en natuurlijk proberen zij die invloed uil te oefenen. De vraag is wel in hoeverre de pogingen om invloed uit te odenen gepaard gaan met ongeoorloofde pressie, zoals het omkopen van openbare gt:zagsdragers en het storten van bedragen in partijkassen. En, in ruimer verband, of industriële belangengroepen in een gecoördineerd optreden met andere belangengroepen (bijv. het militaire "establishment" in het overheidsapparaat en bepaalde volksvertegenwoordigers) erin slagen, ongeacht de aard van de internationaal-politieke situatie (dreigend of niet), hun wil door te zetten en een beslissend stempel op het ddensiebeleid te drukken. Wij zullen ons verder met deze laatste vraag bezighouden, omdat in het bevestigend antwoord hierop in essentie de theorie van het militair-industrieel complex (afgekort MIC) is aangegeven.

DE THEORIE

VAN HET M.I.C. WERKELIJKHEID EN MYTHE Het is overigens ietwat hacnelijk om over de theorie van het MIe te spreken. Want binnen de algemene visie op het mechanisme dat bewapeningspolitiek voortbrengt zijn tenminste twee verschillende versies te onderscheiden. In de eerste versie verschijnt het MIe als een doelbewuste samenzwering, voortspruitend uit de winsthonger van wapenproducenten en de carrière- en statuszucht van militaire leiders. Deze versie doet denken aan de vooroorlogse devil theory of war, waaraan de naam van Charles Beard is verbonden. Beard, een Amerikaans historicus, poogde het oorlogsverschijnse! vanuit de duistere machinaties van profiteurs te verk laren. In de tweede versie wordt het MIe gezien als een coalitie van deelbelangen, waarvan de vertegenwoordigers ten onrechte zouden geloven in het algemeen belang te handelen. Sommige, sterk marxistisch beïhvloede schrijvers brengen het ve rsch ijnsel voor~s in verband met structurele maatschappelijke veranderingen en beschouwen het als een typisch en min of meer onvennijdeJijk produkt van wat de laat-kapitalistische oorlogsmaatschappij wordt genoemd. Alle aanhangers van de theorie zijn het er over eens dat het complex un ideologie nodig heeft om zijn positie binnen de politiek-economische structuur te waarborgen . Deze ideologie , de ideologie van de Koude Oorlog genaamd, zou een valse en overtrokken voorstelling geven van de politieke bedoelingen en militaire mogelijkheden der tegenstander.

2

Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat, anders dan hierboven wellicht wordt gesuggereerd, de theorie van hel MIC zowel op de westelijke als op de communistische landen van toepassing is verklaard. In laatstbedoelde landen, zo wordt aangenomen, bestaat het complex uit een hecht samenwerkingsverband tussen militairen, de leiders van de staatsdefensiebedrijven en met beslissingen over militaire aangelegenheden te maken hebbende functionarissen binnen partij - en staatsorganen. Tussen de MIe' s in Oost en West zou in feite een soort van belangen·harmonie bestaan, aangezien zij elkaars bestaan zouden legitimeren. Tot zover een aanduiding van de inhoud van de theo rie. Beoordeling van de theorie Lezing van bijv. een serieus boek als het door Steven Rosen geredigeerde verzamc:lwerk Testing the Theory of the MilitaryIndustrinl Complex laat geen andere indruk achter dan dat in de Verenigde Staten en in de Sovjet-Unie tussen de industriële belangen, die steunen op (hoge) militaire uitgaven, onderling èn de militaire bureaucratieën nauwe betrekkingen bestaan. Deze betrekkingen zijn waarschijnlijk zo nauw dat militairen en delen van de industrie in staat kunnen worden geacht op een wederzijds ondersteunende manier aanzienlijke politieke invloed tot gelding te brengen. Een en ander houdt echter nog geen totale omverwerping in van het reeds door de socioloog C. Wright MiJls in zijn bekende boek Th e Power Elite (1956) bekritiseerde model van het democratisch pluralisme, volgens hetwelk met name in de Amerikaanse samenleving elkaar beconcurrerende groepen in verschillende sociale sectoren en in wisselende samenstelling beurtelings de politieke macht zouden uitoefenen. Want m.i. terecht wordt in Rosen's werk erop gewezen dat in de VS (en trouwens ook in de USSR) het MIe niet het enige complex van politiek-economische belangen is. Men kan immers in deze landen even goed spreken van een onderwijs- en landbouw· comp lex, van een "stedelijk" complex (stadsvernieuwing en verkeersvoorzieningen) en van een consumenten- of duurzame consumptiegoederen-complex. En al is het vermoedelijk zo dat de politieke invloed van het MIC groter is dan van ieder van de overige pressiegroepen afzonderlijk, het valt zee r te betwijfelen of het onder alle omstandigheden tegen een mogelijke coalitie van niet-m ilitaire deelbelangen zal zijn opgewassen .


Dat het MIe niettemin in een land als de VS vaak als overwinnaar in de strijd om de toewijzing van schaarse publieke middelen te voorschijn is gekomen, is niet in de laatste plaats toe te schrijven aan het feit dat de wapentechnologie in belangrijke mate een eigen stuwkracht heeft ontwikkeld en aan de omstandigheid dat de parlementaire controle op het gehele proces van militair onderzoek en ontwikke ling, produktie en ingebruikneming van wapensystemen te wensen heeft overgelaten. Tot nader begrip diene dat meer dan eens al in vroege Casen van dit proces door of namens de regering aan het geinteresseerde bedrijfsleven bepaalde toezeggingen worden gedaan of met dat bedrijfsleven afspraken worden gemaakt. die op het moment van hun publieke bekendwording veelal onherroepelijk blijken te zijn, althans als zodanig worden beoordeeld. Ook in geval van twijfel hieromtrent maken overwegingen van werkgelegenheid en/of een door belanghebbenden handig opgezette constructie van strategische of tactische behoeften het voor een volksvertegenwoordiger uitennate moeilijk het gevraagde groene licht niet te geven. Het valt positief te beoordelen dat de diverse schrijvers over het MIe voor al dit soort zaken aandacht hebben gevraagd. Waar de theorie van het MIe naar mijn mening in mythevonning ontaardt, is in haar sterke suggestie als zou de bewapeningswedloop tussen Oost en West nauwelijks of niets meer met externe, internationaal-politieke factoren te maken hebben, ja als zou men strikt genomen niet eens meer van een wapenwedloop mogen spreken. Vooral de Westduitse vredesonderzoeker Dieter Senghaas en een aantal zijner Nederlandse imitators geven voortdurend voedsel aan de gedachte dat de bewapening5complexen in Oost en West nog maar losjes met elkaar verbon路 den zijn; m.a.w. dat hun groei zich tegenwoordig autonoom (d.w.z. hoofdzakc:lijk onder invloed van binnenlandse impulsen) voltrekt. Dit lijkt mij een veel te simpele opvatting. Het moge van de andere kant waar zijn dat bewapeningswedlopen niel louter in tennen van eindc:loze ketens van op wederzijds wantrouwen gebaseerde acties en reacties van staten zijn te beschrijven en te verklaren, dit neemt niet weg dat op langere tennijn gezien de militaire uitgaven in een groot aantal westc:lijke landen (ik spreek hier alleen van westelijke landen omdat daarover rc:latief betrouwbare cijfers voorhanden zijn) wel degelijk gevoc:lig bleken te zijn voor veranderingen in de internationaal-politieke situatie. Heel bepaald gaat dit ook op voor de VS!

Hiennee bedoel ik natuurlijk niet te -zeggen dat binnenlandse factoren dus te verwaarlozen zijn. Dat zijn zij allerminst niet. Maar wc:l dient men in te zien dat de effectiviteit van binnenlandse pressie, die gericht is op instandhouding of verhoging van de defensieuitgaven, wezenlijk wordt beinvloed door de aard van de internationale toestand: is deze gespannen dan zal pressie in de meeste gevallen eerder succes hebben dan wanneer zij ontspannen is. Of om het meer in sociaal-wetenschappelijke taal te fonnuleren: zo men uitgaat van een relatie waarin binnenlandse tendenties als onafhankelijke, verklarende variabelen worden gekozen en bewapeningsniveaus als afhankelijke. uitkomst-variabc:len, dan zal men op zijn minst rekening moeten houden met de interventie in deze relatie van de mate van aanwezig geachte uitwendige dreiging. Nu weet ik uiteraard wel dat feitelijke dreiging en perceptie van dreiging twee verschiUende ding(n zijn. Maar de door sommiRe schriivers wc:l geuite stellina: dat ook in ons wc:relddec:l dreig-voorstellingen naar believen kunnen worden opgewekt, doet naar mijn smaak groot onrecht aan de rijk geschakeerde berichtgeving in de meeste westelijke landen over de problematiek van vrede en veiligheid en last but not least aan het onderscheidingsvennogen van veel burgers.

De situatie in Nederland Het lijkt mij sterk overdreven om in de Nederlandse context van een MIe te spreken. De enkele pogingen die in het verleden zijn ondernomen om het bestaan van een Nederlandse MIe te onthullen, hadden m.i. vc:c:l weg van de spreekwoordelijke berg die een muis baarde. De relatieve omvang van de defensieseclor in ons land is nu eenmaal klein en in de verste verten niet met die van de VS en de Sovjet-Unie te vergelijken. Verreweg het meest interessant zijn te!l onzent de internationale contacten en verbindingen in Westeuropees verband van nationale producenten van wapens of daarvoor benodigde onderdelen en vanzelfsprekend de manieren waarop buitenlandse leveranciers in onze nationale besluitvonning trachten te penetreren. Onderzoek hiernaar kan nuttig zijn. wellicht is het vanuit democratisch oogpunt zelfs geboden; al wekken de van een dergelijk onderzoek fer:ventc voorstanders wel eens de indruk de eraan verbonden praktische moeilijkheden te onderschatten. Maar dit laatste zou op zichzelf geen reden mogen zijn om het achterwege te laten. A. van Staden

3


HET KAPITALISME - DE BRON VAN HET MILITAIR INDUSTRIEEL COMPLEX Men spreekt van een militair-industrieel complex, wanneer delen van het particulIere bedrijfsleven en van net militaire apparaat

·zulke nauwe banden met elkaar hebben, dat beslissingen van de overheid op defensiegehied (en met name op het terrein van de aankoop van wapens) onder invloed van het belanghebbend bedrijfsleven tot stand komen in plaats van geheel onafhankelijk daarvan. De vraag of er een Nederlands militair-industrieel complex bestaat, is naar mijn mening bijna een retorische. Het Amerikaanse militair-industrieel complex is berucht. Het bestaan ervan wordt door niemand ontkend. Integendeel: zelfs president Eisenhower waarschuwde zijn opvolger Kennedy, toen hij in ja~uari 1961 het Amerikaanse presidentschap aan Kennedy overdroeg, voor de groeiende invloed van het militair-industrieel complex. Waarom zou in een land als Nederland met een sociaal-economische structuur van dezelfde aard als die van de USA en met een krijgsmacht die nauw gelieerd is aan de Amerikaanse zo'n complex dan niet bestaan? Met die vergelijkbare sociaal-economische structuur bedoel ik dan niet alleen dat het een kapitalistische structuur is, maar ook dat de militaire pro duktie in beide landen belangrijk is en dat in beide landen dezelfde bedrijfstakken, de zogenaamde speerpuntindustrieën, in hoge mate bepalend zijn voor de economische ontwikkeling: de computerindustrie, de lucht- en ruimtevaartindustrie eri de industrie op het gebied van de kernenergie.

Informele clubs Men dient overigens wel te bedenken dat er nauwelijks van nationale militair-industriële complexen kan worden gesproken. De internationalisering van het bedrijfsleven en in h,e t bijzonder van de wapenindustrie in de ruimste zin van het woor4 (dus incl. elektronica en dergelijke) is vér gevorderd. De Nederlandse wapenindustrie in engere zin is met vele banden aan het WestDuitse bedrijfsleven gebonden. De Kruithoorn is deel van het Quandt-concern, het vroegere staatsbedrijf de A.I. is in handen van Dynamit Nobel. Fokker vormt met de VFW Bremen één concern (overigens met 10 procent van de aandelen in handen van N orthrop). Ook in andere zin is een duidelijke afgrenzing van het militairindustrieel complex niet goed mogelijk. We kennen oo k het nucleair-industrieel complex en iets van een medisch-t'ndustrt'eel complex. Deze verschillende weefsels hangen met elkaar samen en vonnen onderdeel van een meer algemene machtsconcentratie. ' Door de sociale watenschappen wordt bij het onderzoek naar invloeden zoals die in het militair-industrieel complex, in hoofdzaak gewerkt met relatiepatronen. Men gaat na welke functionarissen elkaar geregeld ontmoeten binnen formele verbanden, zoals adviescommissies, en welke cumulaties van functies bij hen optreden. Daaruit trekt men de conclusie van mogelijke beihvloeding. Hoezeer die conclusie ook voor de hand ligt, de methode is weinig bevredigend. Maar het·is door de aard van de materie dan ook erg moeilijk om betere meilioden te gebruiken. Het gaat om zaken, die met de grootste geheimhouding worden omgeven. Het belang van de Staat in de zin van de zogenaamde veiligheid van de Staat verzet zich tègen elk~ openheid en openbaarheid van enige omvang, Maar niet alleen het Staatsbelang. , Bij twee interpellaties die ik in de tweede kamer heb gehouden over Nederlandse wapenfabrieken, weigerde de regering vele nogal voor de hand liggende vragen te beantwoorden onder verwijzing naar dat Staatsbelang, maar bovendien onder verwijzing naar de concurrentiebelangen van de betrokken particuliere bedrijven. Het zou daarom aanbeveling verdienen, dat er veel meer werd onderzocht dan de genoemde relatiepatronen. Om te b,eginnen moeten m ,i. ook informele clubs aan een dergelijk onderzoek worden onderworpen, zoals de Bt'lderberggroep en het Wereldnatuurfonds. Vele vooraanstaande figuren uit bedrijfsleven en

4

overheid ontmoeten elkaar daar in een ongedwongen sfeer, die wellicht nog meer kansen geeft op ongewenste beihvloeding dan de ontmoeting in formele commissies, Maar veel belangrijker: men zou de handel en wandel van de betrokken heren door hen te onderwerpen aan scherpe ondervragingen onder ede, meer in de openbaarheid moeten brengen, Dit directe onder· zoek door de senaatscommis-st"e Church in de USA heeft ont· hullende hoeveelheden smeerlapperij, zowel van de multinationale ondernemingen als van de CIA boven water gebracht. En het is duidelijk dat de bovengenoemde belemmeringen er oorzaak van zijn dat zelfs deze hoeveelheden nog maar een klein deel van de werkelijkheid vonnen, Overheid é~ bedrijfsleven Nu eerst iets over de formele relatiepatronen in Nederland, De Adviesraad voor de militaire productie bestaat uit 7 hoge ambtenaren, 6 werkgeversvertegenwoordigers en 3 werknemers· vertegenwoordigers. Van de ambtenaren zijn er 4 van Defensie (de kwartiermeester-generaal van de landmacht, de directeur materieel van de luchtmacht, de vlagofficier materieel van de marine en de voorzitter van de materieelraad), 2 van Economische Zaken (het hoofd van het commissariaat voor de militaire produktie en de directeur-generaal voor industrie en handel) en 1 van Buitenlandse Zaken (de directeur NA VO- en WEU zaken) , De 6 werkgeversvertegenwoordigers zijn van Philips, DAF, Fokker, VMF, RSV en Akzo. De 3 werknemersvertegenwoordigers zijn de voorzitters van NVV, NKV en CNV De Navo Industn'ële Advt'es Groep bestaat uit 7 vertegenwoordigers van elk land, steeds 2 van de overheid en 5 van het bedrijfsleven. In de Nederlandse sectie zitten het hoofd van het commissariaat voor de militaire produktie van Economische Zaken, de directeur NAVO- en WEU zaken van Buitenlandse Zaken en vertegenwoordigers van Philips, DAF, De Oude Delft, Fokker en Nevesbu (Nederlandse vereniging van scheepsbouwbureaus). Tot 1973 was er nog de Raad van Overleg omtrent research en ontwikkeling ten beb,oeve van de koninklijke landmacht met als leden: .de, chef genera1e staf, de kwartiermeester-generaaJ, de voorzitter van de materieelraad, de voorzitter van de adviesraad voor de militaire productie, de voorzitter van de rijksverdedigingsorganisatie TNO, het hoofd van het commissariaat voor de militaire produktie van Economische Zaken, de directeur NAVO en WEU zaken van Buitenlandse Zaken en vertegenwoordigers


van de elektronische industrie, de voertuigen industrie, de mechanische industrie, de chemische industrie en de fijnmechanische industrie. Hoe weinig de functies van overheid en bedrijfsleven uit elkaar worden gehouden moge blijken uit het volgende: Enkele jaren geleden kreeg de vaste commissie voor Defensie van de tweede kamer een uitnodiging van de staatssecretaris voor de landmacht Haex, om een excursie te maken naar het beproeven van in ontwikkeling zijnde infrarood apparatuur voor het besturen van militaire voertuigen in het donker. Toen de commissie de uitnodiging in principe had aanvaard kwam later de definitieve uitnodiging met het gedetailleerde programma van de excursie. Deze laatste uitnodiging was echter niet door de staatssecretaris ondertekend, maar door Philips! Bekend is trouwens het veel voorkomende verschijnsel dat hoge officieren overstappen van de krijgsmacht naar topfuncties in de wapenindustrie. Niet oninteressant is ook om te vermelden dat de verenigingen Ons Leger, Onze Luchtmacht en Onze Vloot, die als doel hebben om de band tussen volk en krijgsmacht te versterken (en die alle de inspecteur-generaal van de krijgsmacht als beschermheer hebben) in hun Algemene Raden zowel hoge officieren als vele topfiguren uit de oorlogsindustrie tellen. Defensienota Het duidelijkst echter wordt het bestaan van het militairindustrieel complex aangetoond door de Nederlandse overheid zelf en wel door Vredeling in zijn Defensienota 1974, waarvan het belangrijkste de aankondiging was van een grote verhoging van de investeringsquote van het defensiebudget. Voor de ' marine van 24 op 32%, voor de landmacht van 19 op 23% en voor de luchtmacht van 18 op 26%. Hier volgt een aantal citaten uit de Defensienota: "Deze beginselen zijn niet alleen van militair, doch ook van economisch belang, omdat leveringsopdrachten voor militair materieel essentieel kunnen zijn voor het behoud van bepaalde industrieën (bijv. vliegtuigindustrie). Bij aankopen van militair materieel wordt dan ook met dit aspect, alsmede met de ontwikkelingen binnen de EEG rekening gehouden. Aangezien hierbij technologisch geavanceerde industrieën, veelal over de grenzen heen, betrokken zijn. moet op genoemde ondernemingen een zodanige invloed kunnen worden uitgeoefend dat de politieke besluitvorming m.b.t. de veiligheid niet in gevaar komt." "Teneinde de onderlinge afhankelijkheid tussen defensie en bepaalde bedrijven en de daaraan verbonden gevaren tegen te gaan kan het wenselijk blijken dat de produktiepakketten van bepaalde bedrijven worden verbreed." "Andere dan defensiebelangen spelen immers vaak een rol bij de vraag waar iets moet worden aangeschaft, ja zelfs of een bepaald produkt moet worden aangeschaft." "Dit neemt overigens niet weg dat het mogelijk is dat de overheid, bijv. in het kader van het herstructureringsbeleid, maatregelen neemt waardoor een bedrijf zich meer in het bijzonder gaat richten op de produktie v:an militair materieel." "Een voordeel is dat militaire produktie in eigen land intensief contact tussen fabrikant en gebruiker waarborgt. Dit kan een produkt opleveren dat beter voldoet aan de specifieke eisen van de gebruiker. Bovendien bevordert intensieve samenwerking de deskundigheid van de gebruiker, hetgeen het rendement van het materieel kan doen toenemen. Voorts kan een nationale producent gemakkelijker worden ingeschakeld bij het onderhoud van het materieel. Dit onderhoud moet in verband met tijdverlies en transportkosten liefst in eigen land plaatsvinden. Bij produktie in eigen land behoeft men dan geen afzonderlijke onderhoudsfaciliteiten op te zetten. Deze voordelen, verbonden aan de produktie van militair materieel door de nationale industrie, kunnen in de hand werken dat aankopen van militair materieel, .van wezenlijk belang voor het onderhoud van de eigen industrie, bij voorkeur niet in het buitenland worden geplaatst."

In het eerste hoofdstuk van de Defensienota komt een waarschuwing voor tegen het technologisch automatisme, dat dus tot nieuwe wapenontwikkelingen en nieuwe wapenaankopen leidt, zonder dat er een externe aanleiding voor bestaat. Nu heb ik in hoofdstuk IV, waarin het materieelbeleid in bijzonderheden wordt besproken, het aantal gevallen geteld waarin zaken als cn'sisbeheersi";g, tactische veroudering van wapens, ontwikkelingen blï de tegenstander e.d. als argument voor de aanschaf van nieuwe wapens worden gebruikt en daarnaast het aantal plaatsen waar duidelijk de technologische vernieuwing de achtergTond vormde. Het eerste kwam 19 maal voor, het tweede 46 maal en dat ondanks de waarschuwing tegen het technologisch automatisme in hoofdstuk I. Het frappantste voorbeeld is wel de bewering dat onderzeeboten onontbeerlijk zijn voor marines, die onderzeebootbestrijdingsgroepen bezitten en wel omdat deze bestrijdingsmiddelen moeten worden getcetst aan onderzeeboten. Wie dan die onderzeeboten heeft moet volgens deze redenering onderzeebootbestrijdingsmiddelen vernieuwen omdat de onderzeeboten weer daaraan getoetst moeten worden. Dat is dus een bewapeningSSpiraal zonder tegenstander.

Liefde voor free enterprise Het is niet verwonderlijk dat we militair-industriële en dergelijke complexen hebben. Er is sprake van een toenemende vervlechting van Staat en economie. Die is in het moderne kapitalisme een levensnoodzaak voor dat kapita1isme en niet een terugdringing daarvan. Enkele van die bemoeienissen van de Staat noem ik hier ten adstructie van de vorige stelling. 1. De overheid neemt verliesgevende particuliere bedrijven over, waarvan het bijv. sociaal onverantwoord is om ze te sluiten. Daardoor wordt de overheidssector nog onrendabeler dan hij al was en de particuliere sector nog profijtelijker dan tevoren. 2. Bij zeer grote projecten is het zelfs voor grote bedrijven niet goed mogelijk om op de kapitaalmarkt voldoende kapitaal voor de aanvangsinvesteringen aan te trekken. De overheid neemt dan een zeer groot ~eel van die investeringen voor zijn rekenin~. maar trekt ze weer terug zodra de nieuwe onderneming rendeert i.p.v. overheidsinvloed in die onderneming er aan te verbinden. 3. Voor de continuïteit van de moderne onderneming is een gegarandeerde hoge afzet van belang. O.a. bij de wapenindustrie geeft de overheid deze garantie. 4. Bij de huidige hoogwaardige technologie zijn de kosten voor speurwerk en ontwikkeling, de research en developmentkosten, dikwijls te hoog voor het particuliere bedrijfsleven. De overheid neemt deze kosten, o.a. bij de wapenfabricage, voor zijn rekening. Dit gebeurt dikwijls direct, ook wel indirect doorda~ deze r. en d. kosten in de prijs van de wapens zijn opgenomen, terwijl ze niet worden toegerekend aan de civiele produktie van hetzelfde bedrijf, waar dezelfde research en development zowel voor de ~nilitaire als voor de civiele produkten zijn toegepast. Het zal duidelijk zijn dat vooral de laatste twee gevallen van belang zijn i.v.m. het onderwerp van dit artikel. Daarnaast is er de algemene stabiliserende invloed van de waste-produktie (en dat is vooral, maar niet alleen, wapenproduktie) op de kapitalistische economie. Het is dan ook niet toevallig dat 15 belangrijke kapitalistische . staten tot de NAVO horen. En een aantal andere wel geen lid zijn, maar door hun nauwe militaire relaties met de VS toch zijdelings meedoen. Die NAVO heeft naar mijn oorded geen andere functie dan het verdedigen en stabiliseren van het kapitalisme. Wat de 15 verenigt, is niet de liefde voor de parlementaire democratie en voor de menselijke vrijheden (zie Portugal, Griekenland, Turkije, Hitler-officieren op hoge NAVO-posten enz.), evenmin het bewaren van de vrede (vele leden v,an de NAVO, vooral de VS, hebben flink wat oorlogen gevoerd). Wat hen verenigt is de liefde voor de free enterprise. De bewapeningswedloop vervult zo de essentiële functie in de kapitalistische economie dat het verband tussen militairindustrieel complex en bewapeningswedloop (al heeft die zijn gTenzen) evident is. Ik verwijs nogmaals naar vele passages uit

5


de Defensienota. Diverse internationale accoorden op het gebied van de wapenbeperking zijn dan ook eerder als bijdrage tot de bewapeningswedloop te beschouwen. Eén voorbeeld : De SALT-l overeenkomst tussen de VS en de Sowjet-Unie hield de kwantitatieve beperking in van de anti· raket-raket systemen. Dat was zinnig omdat het verder in de breedte uitbouwen ervan een geld verslindende zaak was, terwijl men elkaars systemen precies kende. Hierdoor kwamen grote kapitalen vrij door de zeer dure ontwikkeling van geavanceerder offensieve wapensystemen. Tenslotte nog iets over de vraag of de rol van het militairindustrieel complex terug te dringen is zonder gehele of gedeeltelijke ontwapening. Daarover ben ik pessimistisch. Onderzoek à la dat van de commissie Church, het bl oo t1eggen' van invloeden en verbanden, het intensiveren van dem ocratische controle is belangrijk. Het zal enig effect hebben, maar tenslotte afstuiten op de muur van de grote gehe imh ouding. Nationalisatie van de wapenindwtrie is ook een mogelijkheid, maar alleen dan wanneer dit begrip zeer ruim wordt opgevat, dus bijv. ook de elektronische industrie omvat. Vooral door deze uitbreiding is nationalisatie binnen een overigens kapitalistische economie ondenkbaar. En zelfs als we eens zo ver komen dat er geen particuliere sector van de economie bestaat, dan nog zullen de belangen van de wapenfabrikanten en van het militaire establishment samengaan in het verzet tegen echt democratische controle. Dan nog blijft het dus moeilijk om het militair-industrieel complex geheel te elimineren. Alleen : de vraagstelling is nu rijkelijk theoretisch geworden. Want een ontwikkeling die het socialisme 'brengt, zal zo sterk mede geïnspireerd zijn door de militaire aspecten van het kapitalisme (en de daarbij behorende bedreiging van het voortbestaan van de mensheid) dat het militaire apparaat als zodanig ook d oor die omwenteling zal worden weggevaagd. Nog afgezien van het feit dat in een socialistische wereld, een klassenloze were ld, het leger geen enkele functie meer kàn hebben. A.G. van der Spek Tweede Kamerlid voor de PSP

ENIGE VRAGEN BIJ HET MIL. IND. COMPLEX Inleiding. Bij elke discussie over het al of niet bestaan va n een Militair Industrieel complex (in den vervolge af te konen: MIC), in welk land dan ook, is hel nodig dat eerst wordt vastgesteld wat precies met dit begrip bedoeld wordt. Weinigen zullen van mening verschillen over het feit dat er in besdlrijvende zin zoiets bestaat als een MIC; d.w.z. het totaal van de militaire industrie in een land en de klant. de nationale strijdkrachten. De pretenties van het begrip,zoals dat van het begin af aan is gebruikt. gaan echter verder dan deze bescheiden component.

6

De titel van het boek waarin de Amerikaanse socioloog Wright Mills als eerste in 1956 het co ncept heeft gefonnuleerd, 'Tht Power Elite' geeft al aan dat het hierbij vooral gaat o m de concentratie van (economisch militaire) macht in de handen van een betrekkelijk kleine groep. op basis van een hechte relatie tussen enerzijds de klant (de strijdkrachten) en anderzijds de leverancier (bewapenings-ind4strie). De publieke discussie over het MIC kwam op gang in de VS nadat president Eisenhower in zijn afscheidsrede in 196 1 het volgende had gezegd : 'Hel vtTbond van em enorme militaire organisatit m em grole wapmindwtrie is tm nieuwe AnuriA:aanst ervaring. De tolale invloed, t conomisch, politid en ulJs gmttlijA, iJ mtrAbaar in iedere stad, in het Huis van AJkroaardigdm van iedert staal, in ieder ministerie van de ftderale overheid . ... . . We mottm waken tegen de vtrUJerving van onrechtmatige invloed, oftUu nu btUJWt of onb<wwt tot stand Aomt, dtKJr "'t militairindustrUtl comp!.• . Dt mogtlijAMid van ten rampzaligt groei van misplootstt 7MCht b<staat en ""I blijven btStaan'. In eerste instantie zou de vraag aan de orde moeten komen in hoeverre deze machtsconcentratie bij k.lant en levera ncier op militair-industrieel gebied afwijkt van de andere machtsco ncentraties die.men nonnaliter in een democratische samenleving tegenkomt; zoals b.v. vakbonden, de landbouwsector, de pers etc. alsook · de vraag hoe het is gesteld met de democratische co mrole op de activiteiten in elk van deze belangen-groepen. Op zich is echter de vraag naar de do mocratische co ntro le op te grote machtsco ncentraties in een samenleving niet vo ldoende om de grote belangstelling voor de problematiek van het MI C te verklaren, daar is meer voor nodig. De Gevolgen. Aangezien, in de ogen van diegenen die aan het bestaan ervan niet twijrel en ~ de belangen van het MIC gediend zijn met een steeds grotere productie en verkoop van steeds geavanceerder militair materieel, zou het MIC een autonome en opwaartse druk uitOefenen op de spiraal van de bewapenings-wedloop . En dit los van de verklaring die traditioneel voor het o mstaan van de bewapenings-wedloop gegeven wordt, nl. de bestaande spanning tussen OOSt en West. In de bovenbedoelde visie is het dus de binnelandse pressie van het MIC die de bewapenings- uitgaven de pan uit doen rijzen. Het antwoord op de vraag naar het al dan niet bestaan van een MI C heeft dan ook verderserekkende co nseq uenties dan het MI C alleen, het zou tevens belangrijke implicaties kunnen hebben voor de oorzaken van de bestaande span ning tussen OOSt en West. Kortom, als het MIC zou bestaan, is de bewapenings-wedloop geen gevolg van - doch wordl zelf één der veroorzakers va n de spanning. DeVS Zoals hierboven reeds aangegeven is de probleemstelling van hel MIC afkomstig uit de VS, en met name in het begin van de jaren zeventig is veel empirisch wetenschappelijk onderzoek verricht om vast te stellen wal hel M IC wèl was en veroorzaakte, en wat niet. Aanleiding voor deze onderzoekingen waren voora l de Vietnam-oorlog en de algemene tendens in de sociale wete nschappen om zich bij voorkeur te gaan co ncentreren op meer 'maatschappij-relevante' problematiek. Daarnaast is de V5-als gebied van. onderzoek voor di.t onderwerp interessant omdat militaire aanschaf en produClie daar voor het overgrote deel een nationale zaak is, hetgeen de studie uit ana lytisch oogpul1t.slerk vereenvoudigt. Enkele belangrijke bevindingen van dit onderzoek zijn onder meer dat ee n succesvolle bcwapenings-industrie geen voorwaarde per sé is voor hel goed functioneren van de VS eco no mie. Pas na beëindiging van de oorlogsinspan ning in


Vietnam leefden de koersen op Wallstreet weer op. Dit staat ongetwijlèld in verband met het feit dat het aandeel van de militaire productie, zowel in de VS als elders, slechts een gering deel uitmaakt van het tmale industrieële productiepakkeI. De gemeenschappelijke belangen tussen de militaire autoriteiten als klant en de bewapenings-industrie als leverancier behoeven ook lang niet altijd parallel te lopen. De militaire a'.II1schalfers zijn immers gediend met een zo goedkoop Illogelijk product en willen daarom ook vermijden dat een bepaald bedrijf len opzichte van hen in een monopolie-positie komt te verkeren. Hiertoe worden onwikkelings opdrachten voor wapensystemen dan ook allijd aan tenminste {wee concurrerende industrieën verstrekt, hetgeen de belangen van de industriële zijde van het MIe nauwelijks ten goede lijkt te komen. Een andere interessante bevinding in de VS is dat er geen verband is gebleken te bestaan russen het stemgedrag van afgevaardigden van staten met weinig en staten met veel militaire industrie (Texas, California) waar het kwesties van buitenlands beleid en defensie betrof. De venneende invloed van hel MIe in de politiek blijkt dus ook niet geheel vast te staan. Naast hel bovenstaande heeft het onderzoek in de VS uiteraard nog vele andere gegevens opgeleverd, doch men kan in het algemeen stellen dat de belangstelling voor het onderwerp als lOdanig is afgezwakt. nadat bleek dat noch het bestaan, noch het niet-bestaan van het MIC op snelle en doeltreffende wijze aan te lOnen was, omdat hel onderzoeksgebied nu eenmaal zeer uitgebreid is. Men moet immers niet alleen hel MIe zelf onderzoeken om zijn relatieve invloed te kunnen vaststellen, doch ler vergelijking ook dezelfde gegevens van soortgelijke machtsconcentraties verzamelen. Ten slotte dient voor de goede orde nog te worden opgemerkt dat de laatste tijd bijzonder in de belangstelling staande malversaties (steekpenningen etc. ) in de VS geen deel uitmaken van de specifieke MIe problematiek. Onregelmatigheden, waar dan ook, vormen een afzonderlijk probleem en het één dient niet met het ander verward te worden. Nederland Zoals zovele zaken is ook de belangstelling voor het Mie met l--en vertraging van enige jaren vanuit de VS in Nederland opgedoken. Vooropgesteld dient echter dat de situatie op dit gebied in Nederland geheel verschillend is en niet vergeleken kan worden met die in de VS. De strijdkrachten in de VS betrekk.en hun materieel zoals bekend vrijwel geheel van de nationale industrie, terwijl in Nederland het belangrijkste deel van de militaire apparatuur in het buitenland wordt aangeschaft, hetgeen aan het probleem een internationale dimensie toevoegt. Dit maakt enerzijds de toegankelijkheid van de materie voor wetenschappelijk onderzoek moeilijker, maar maakt anderzijds ook de mate waarin sprake is van een ongecontroleerde machtsconcentratie minder, in die zin dat de nationale industrie als factor veel minder meetelt en de beter onder overheidscontrole staande militaire sector overblijft, Wat tot op heden in Nederland aan serieus onderzoek is verricht naar het bestaan van een MIC hier te lande. kOlllt (algezien van enige journalistieke bijdragen) vrijwel geheel uit l11al'Xistische hoek. Zonder l'en uitspraak te doen over de juistllt'id van de bevindingen. dient toch gesteld (bH vanuit de Illó.lrxistische visie in het Westen per definitie sprake is van een

(kapitalistische) concentratie van economische (d.i. in het marxisme de enig belangrijke vorm van) macht, bij een kleine groep. Of men deze nu aanduidt als het MIe of als bevoorrechte klasse is dan niet zo interessant meer. Overigens wordt in de Amerikaanse literatuur ook dikwijls gesproken over de aanwezigheid van een M IC in de Sovjet-Unie. De vraag in hoeverre toch ook in Nederland een meer dan norm.tle 'btlangenverstrmgeling ' tussen onze (zeer bescheiden) militaire industrie en onze strijdkrachten bestaat, heeft thans ook in bredere kring belangstelling gekregen. De discussie over de '200 van Merlen.s ' die destijds over de concentratie van macht bij het bedrijfsleven in het algemeen (dus niet specifiek militair) is gevoerd, kan als een vroegtijdige inleiding worden beschouwd op de thans actueel wordende Mie-problematiek. Op het eerste gezicht zijn er dadelijk al bepaalde feiten aan te wijzen die, evenals dat in de VS het geval was, direct duidelijk maken dat ook hier geen eensluidend ja of nee als antwoord gegeven kan worden. Het feit bijvoorbeeld dat bij de belangrijke beslissing over de aanschaf van de F-16 de meest betrokk.en nationale industrie (i.c. Fokker) meer voelde voor de Franse Mirage wijst niet direct in de ridlling van parallelliteit in militaire en industriële belangen. De vraag naar de f'unclÎe van gepensioneerde militairen bij hel bedrijfsleven (in dit verband ook onlangs weer in de Eerste Kamer gesteld) zou bij nader inzien in het tegendeel kunnen verkeren. Immers, evenals bij belasting-inspecteurs die halverwege hun carriere met de verworven know how overstappen naar de particuliere sector, worden deze functionarissen dikwijls juist geduchte tegenspelers van hun vroegere werkgever, wiens belangen daarmee lang niet altijd zijn gediend. Nadat bij enkele gelegenheden de problematiek van het Mie in de Tweede Kamer ten tonele is gevoerd, is thans in de omwapeningsnota door de regering toegezegd dal zij het ' . . . niettemin gewenst acht een aamal vragen te laten onderzoeken die hier te lande spelen, teneinde een duidelijker inzicht te verkrijgen'. Binnen afzienbare tijd zullen we dus hopelijk ook in Nederland precies weten waar we aan toe zijn, hebben ook wij een MIC ja of nee ? Conclusie. Enige vraagtekens bij het MIe. Meer dan dat is niet mogelijk in dit zeer korte bestek. Samenvattend kan gesteld dat uit het op dit moment beschikbare feitenmateriaal geenszins een afgerond antwoord gegeven kan worden op de vraag of madusconcentratie in de militair-industrieële sfeer beduidend al'... ijkt van die in een aantal andere maatschappelijke sectoren. Dat militairen en industriëlen van tijd tot tijd gemeenschappelijke belangen hebben is juist, evenals het feit dat deze belangen soms ook uiteen kunnen lopen. In ieder geval lijken de soms zeer verstrekkende, ja welhaast mystieke kwalificaties die aan hel MIe concept worden toegekend door diegenen die 'erin geloven' en er daarom bevreesd voor zijn (Ol op heden zeer zeker niet door de feiten gerechtvaardigd. Wellicht dat het bo\"cngenoemde door de regering toegezegde ondel7.ol'k ons in de nabije toekomst op afdoende wijze inzicht I.al \'l'I"Khallen in wal het MIe wel is, en vooral ook in wat het uit,t i~. Or...

c.c. Sanders

\\,,'11./.1,1111

up het

lI1illi~t{'I 'it' '",lil BlIiu'lIlalld~{' Ltkl'1l

7


Een inleiding op het conferentie-thema De Atlantische samenwerking. De Stichting jASO N heeft een zeer ruime opvatting over het ""'begrip Atlantische samenwerking. Voor ons is -het militair· defensieve aspeCt er slechts één (zij het een niet onbelangrijke) en vonnt een volledige ALiantische samenwerking niet het uiteindelijke doel, maar een tussendoel , een fase op weg naar iriternationale samenwerking. De Adantische wereld heeft veel te bieden; wat geld en kennis betreft meer dan enig ander samenwerkingsverband. De Verenigde Staten en West Europa zijn niet weg te denken uit een veelheid van internationale organisaties, die zonder hen niet meer dan een lege huls zouden zijn. Ook in de in belang zo sterk toegenomen Noord·Zuid relatie spelen de VS en West· Europa - de Europese Gemeenschap· een hoofdrol.

dan de VS (95% van de in de EG gebruikte o lie wordt geimpor. teerd, verder 75% ijzererts, 75% uranium, 99% fosfaat, en bijna all e koper, bauxiet, mangaan, magnesium en wolfraam). In de Amerikaanse buitenlandse politiek echter valt 'de laatste tijd ook een nog sterker groeiende belangstelling voor landen met energiebronnen waar te nemen. Althans in die zin, dat het erop lijkt, dat de 'bronnenbelangen' de strategische belangen naar de kroon gaan steken.l ndien men daarbij stelt, dal vooral zowel de VS als de EG economische groei een prioriteit is, en deze groei alleen gewaarborgd is bij een voortdurende toevloed van grondstoffen, ( die men zelf dus niet of niet in voldoende mate bezit), dan is daarmee een deel van de probleemstelling van de conferentie aangegeven. De belangen van de VS en de EG zouden elkaar wel een kunnen kruisen.

Interdependentie. . Interdependentie is eigenlijk geen politiek geladen woord. Een stelsel van onderlinge afhankelijkheden tussen staten is niet iets waar je vóór of tegen kUOl zijn. Zolang dat nog wel het geval is en er gebeuren geen rampen, dan is er nog geen of niet voldoende interdependentie, De Noord·Zuid dialoog, door sommigen ook wel confrontatie genoemd, is bij uitstek een testgebied voor onderlinge afhankelijkheden. De Zuidlanden, de ontwikkelingslanden, zijn arm, maar bezitten 's werelds grootste reserves aan voor geïndustria· liseerde landen onmisbare grondstoffen. De Noordlanden, de VS en de EG, zijn rijk, maar vooral de EG is abs~ luut niet in staat zich in zijn grondstoffen· behoefte uit eigen bodem te voorzien, Zeker na de oli ecrisis zijn de Zuid landen zich bewust geworden van hun schrijnende economisl.:he achterstand maar ook van hun potentiële macht. De onlangs in Nairobi afgesloten UNCTAD·conferentie is daar een getuige van. De vraag die nu gesteld mag worden is, of de ontwikkelings· landen, de VS en de EG erin zullen slagen een stelsel op te bouwen, waar allen voordeel bij hebben . of, zoals minister Kissinger het in Nairobi lei: waarin iedereen in waardigheid kan leven. Het is niet moeilijk te bedenken welke problemen zich zullen voordoen. De Zuid landen bijvoorbeeld eisen onder meer een soeverein beheer van eigen hulpbronnen en economische activiteiten, een stijgend aandeel in de verwerking van grondstoffen en grotere en niet·discriminerende toegang tot ele markten van de omwikkelde landen. De belangen van de VS en de EG zijn daaraan in grote lijnen tegengesteld. Daarbij is,zoals reeds gezegd, de EG veel afhankelijker van andermans grondstoffen

Het andere probleem. TOL dusver hebben we alleen gesproken over de VS en de EG, maar imerdependent denken betekent uiteraard meer dan praten over de relaties tussen de VS, de EG en de ontwikke· lingslanden alleen. Er is maar een kleine stap voor nodig om de Sowjet· Unie, China en japan bij de discussie te betrekken. Wij beperken ons hier tot de rol van de Sowjet· Unie . en in hun kielzog de overige OostbloK.staten. De belangen van de Sowjet·U.nie zijn zo ongeveer gelijk te stellen met die van hun gro te tegenvoeter, de VS. De Sowjet· Unie weet zich in ieder geval wat betreft de industriele grondstoffen rede lijk gedekt. Maar hoe zijn de relaties tussen Oost.[uropa en de ontwikke· lingslanden? Zijn die op dezelfde leest geschoeid als die van de EG ofvan deV~? De Oosteuropese staten rekenen zich niet tot de Noordlanden. Voor hen zijn dat de geïndusrialiseerde kapitalistische landen. De samenwerking die bestaat lussen de Sowjet· Unie en de ontwikkelingslanden is er een die gericht is op ' het ondersteu· nen van het gewettigde streven van de jonge staten, hun vastbeslotenheid orp zich ten volle van de imperialistische uitbuiting te bevrijden en om zelf over hun nationale rijkdommen te beschikken' (L. 1. Brezhnew tijdens zijn rede· voering op het 25e partijcongres der CPSU). De Sowjet·Unie voert daarbij ''''en strikte politiek van niet inmenging, zoekt geen voordelen voor zichzelf, jaagt geen concessies na, streeft niet naar politieke heerschappij of solliciteert naar het vestigen van militaire baSes'. Zij steunt natuurlijk wel alle revolutionaire krachten en dat kan nage· noeg alleen m.et wapens. In verband mu de détente, die er tussen Oost en West zou (moeten ) bestaan gaat de conferentie in op de vraag welke de gevolgen voor de Atlantische wereld en daarmee voor de Noord·Zuid relalÎe kunnen zijn bij een dusdanige OOSt· Zuid relatie. Het is tenslotte bekend, dat het Kremlin in de versterking van de ontwikkelingslanden een ven:wakking van het Westen ziet. Deze inleiding op de eerste nationale jASON·conferentie moge voldoende zijn , Wellicht zal er geen antwoord gevonden worden op de vraag of de Noord-Zuid dialoog een stimulans of een bedreiging voor de Atlantische samenwerking zal zijn. Ik ga er in ieder geva l van uÎ[, dat een eenvormig Atlantisch beleid ten bate van de ontwikkelingswereld een stimulans voor beide zou zijn en alleen daarom al de Noord-Zuid dialoog een · stimulans zal moeten zijn voor de Atlantische samenwerking. R.D. Praaning

8


Openingstoespraak staatssecretaris Brinkhorst

Atlantische samenwerking in · Noord-Zuid perspectief

zeer prominente rol in het internationaal economisch systeem. Als gevolg van de economische groei en diversificatie is de verhouding van Europa tot Amerika geleidelijk aan evenwichtiger, meer symmetrisch geworden. Op economisch gebied is de Atlantische verhouding uitgegroeid cot een mature partnership gebaseerd op relatieve gelijkheid en bijeengehouden door talloze onderlinge banden en afhankelijkheden . De geleidelijke gelijkschakeling van economische ontwikkeling en welvaart a;:m beide kanten van de oceaan heeft ook met zich meegebracht dat de problemen waarmee de Amerikaanse en Europese samenlevingen zijn geconfronteerd, in hoge mate gelijk zijn. En niet alleen gelijk, .m aar tot op grote hoogte ook gemeenschappelijk in de zin dat zij a lleen door gezamenlijke inspanningen effectief kunnen worden aangepakt. Ik hoef slechts een aantal te noemen: werkloosheid, inflatie, monetai-re instabiliteit, vervui ling, energie en andere grondstoffenvoorziening, maar ook meer typische welvaartsproblemen zoa ls verspi lling, recreatie, verstedelijking e.d. Voor zover deze problemen grensoverschrijdend zijn, zal een nationale benadering ontoereikend zijn. Sterker nog, eenzij dige maatregelen waarbij niet de partnerlanden worden betrokken, zu llen op kortere of langere termijn alle belangen, inclusief het eigenbelang, schaden. In dit licht gezien is het bemoedigend dat de ernstige economische problemen van de laatste tijd er niet toe hebben geleid dat de Atlantische partners op hande\sgebied zijn teruggevallen op nationalistische en protectionistische posities, maar zich integendeel redelijk hebben gehouden aan de trad, pl,dg' , gedaan in de OESO. Als ik hier spreek van gezamenlijke Europees-Amerikaanse inspanningen, dan bedoel ik daarmee zeker niet dat bestaande overleg kaders gepasseerd of ondergraven zouden moeten worden. Integendeel. Door onderling overleg kunnen in die kaders, of het nu gaat om de 0 ESO, de VN, of de elES, betere resultaten bereikt v·lOrden. Onaanvaardbare uitholling

Het thema van deze conferentie is bijzonder goed gekozen. Hel brengt twee concepties met elkaar in verband, die beide toe zijn aan doorlichting en herformulering. Zowel de Atlantische samenwerking als de Noord·Zuid relatie hebben fundamentele wijzigingen ondergaan in de afgelopen jaren. Naar mijn overtuiging hebben beide zoveel met elkaar te maken dat het nuttig en belangrijk is ze in onderling verband te bestuderen. Vandaar mijn waardering voor opzet en doel van deze conferentie. Vandaar ook het genoegen waarmee ik Uw uitnodiging om de beraadslagingen hier te openen, heb aangenomen. Wat de Atlantische samenwerking betreft is er duidelijk sprake van veranderde verhoudingen. Niet zozeer op veiligheidsgebied, waarop ik verder ook niet zal ingaan omdat het buiten het directe kader van deze conferentie valt. Laat ik wat dit betreft slechts stellen dat het militair-strategische overwicht van de VS binnen de Alliantie nog even evident is als altijd en een essentiële, wederzijds aanvaarde hoeksteen van het bondgenoodschap blijft. Gemeenschappelijke problemen Waar de verhoudingen wel door vele nieuwe ontwi kkeli ngen zijn beïnvloed, is op het geb ied van sociaal-economische betrekkingen. Deels door intensieve samenwerking met de VS zijn de landen van West-Europa erin geslaagd economisch weer op krachten te komen . Als groep zijn zij tot de belangrijkste internationale handelspartner uitgegroeid en spelen een

In dit verband ook een woord over het zojuist aangekondigde initiatief om wederom een kleine topconferentie van de grote wes telijke industriële landen en Japan bijeen te roepen dat de grote landen met elkaar hun problemen willen bespreken, zitten aan een insti tutionalisering hiervan bedenkelijke kamen voor zowel de Atlantische als, vooral, de Europese samenwerking. Een werkelijk gemeenschappelijke aanpak wordt door dit soort exclusief overleg tussen alleen de grote landen uitgehold. Het geeft voedsel aa n de idee van een directorium binnen de geïndustrialiseerde wereld en, in navolging, binnen de EEG, die onaanvaardbaar is. Waar directe gerpeenschapsbevoegdheden in het geding zijn, zoals op het punt van de handelspolitiek of t.a.v. de NoordZuid dialoog, waar in Parijs alleen de EG vertegenwoordigd is, kan alleen de Gemeenschap als zodanig spreken. Daarom biedt eventueel ook het uitnodigen van de Europese Gemeenschap, waardoor indirect ook kleinere la nden zouden meespelen bij dit beperkte overleg, geen werkelijke oplossing. Ook als optische manoeuvre zal het niet overtuigen, omdat de gelijktijdige aanwezigheid van de grootste lid-staten naast de venegenwoordiging van de Gemeenschap een principieel onwenselijke figuur blijft. Vanuit Europese optiek zijn alleen twee fonnules aanvaardbaar: ófwel een aanwezigheid van alle negen lid-staten, zoa ls ten tijde van de Washingtonse energieconferentie, ófwel een venegenwoordiging van alleen het Presidentschap van de Raad en van de Commissie, die zouden spreken voor de gehele Gemeenschap. In het laatste geval dient ui teraard binnen de EG een ma ndaat te worden voorbereid op basis waarvan de Gemeenschapsposi tie wordt uiteengezet. Een werkelijke voortgang op weg naar een gemeenschappelijk extern beleid is alleen mogelijk wanneer a lle staten bereid zijn af te zien van het spelen van 'cavalier seul' .

9


Dit brengt me tot de kwestie van Europese samenwerking en integratie, een proces dat in hoge mate de evolutie van de Atlantische betrekkingen naar een relatief symmetrisch deelge.nooLSchap heeft bevorderd. Dit integratieproces - hoe langzaam, hoe moeizaam, hoe stokkend dit ook voortschrijdt - is even belangrijk voor de Europese landen als voor de V.S. Juist nu vele van de gemeenschappelijke problemen en uitdagingen waarvoor onze landen staan een geZamenlijke aanpak eisen. Het is duidelijk dat een dergelijke benadering erbij gebaat is als aan Europese zijde een gemeenschappelijk i.p.v. ongecoördineerd, fragmentarisch of zelfs tegenstrijdig beleid wordt gevoerd. Vandaar dat de Nederlandse regering zoveel belang hecht aan een doorbreking van de huidige malaise m.b.l. Europese eenwording. Vandaar ook onze interesse in steun van derden voor de integratiepogingen. Wat dit laatste betreft, lijkt het wel eens dat de V.S. zich in het verleden een groter voorstander van Europese integratie hebben betoond dan de laatste tijd. Ik zou wensen dat de V.S. zich opnieuw duidelijk en ondubbelzinnig zouden uitspreken pro uitbreiding en verdieping van de Europese samenwerking, al was het alleen maar om twijfels over de Amerikaanse positie weg te nemen en vermeende tegenstellingen op dit punt uit de wereld te helpen.

ness' zoals Barbare Ward het onlangs noemde, misschien wel te constateren is bij nieuwe generaties politici, academici, journalisten en overheidsfunctionarissen om niet te spreken van het hier aanwezige gezelschap! De herbezinning wordt vooral ook ingegeven door het besef dat het vigerend systeem op losse groeven is komen te SLaan en niet toereikend lijkt om de combinatie van nieuwe en oude problemen in onze delen van de wereld, die ik eerder noemde. het hoofd te bieden. In het licht van de m.i. gefundeerde externe en interne kritiek is een herziening van de bestaande internationale economische ordening geboden. Ik zeg 'herziening', en riiet 'tocale verandering', omdat ik ervan overtuigd ben dat slechts concrete, gerichte maatregelen vanuit de bestaande internationale economische orde voor de ontwikkelingslanden reêle resultaten lullen opleveren. Samenwerkin~

Het is duidelijk dat èn Amerika èn Europa in deze herstructurering van economische relaties een doorslaggevende rol te spelen hebben. T.a.v. de Noord-Zuid relaties zullen ze meer tegemoetkomend moeten zijn dan in het verleden. Op practisch alle kwesties van belang voor de Derde Wereld zijn ze tot dusver tekort geschoten. Dit ondanks alle plechtige verklaringen, verbale toezeggingen en betuigingen van sympathie en bezorgdheid. De hulpprestaties zijn over het geheel genomen Stappen naar herziening pover geweest en in feite de laatste tijd gestagneerd of zelfs verslechterd. Hoe ook de Europese-Amerikaanse betrekkingen verder zulOnder deze omstandigheden kan men de verlangens van de len evolueren qua inhoud en intensiteit, het is zeker dat zij van Derde Wereld in hun totaliteit gezien moeilijk anders dan als grote invloed zullen zijn op de rest van de wereld. Met name ook op de landen van de Derde Wereld . Zij maken immers redelijk en gematigd beoordelen. Zij hebben trouwens ook nauwelijks andere opties. Theoretisch zouden de ontwikkedeel uit van het wereldwijde economische systeem dat in feite door de geïndustrialiseerde landen is gecreëerd en, laten wij lingslanden natuurlijk een koers kunnen volgen van verredat niet verhelen, gedomineerd. De huidige internationale . gaande ontkoppeling en, zoals dat heet co{Lective seif-reLiance. economische orde maakt hen uiterst afhankelijk van de beInderdaad lijkt een zekere dissociatie mogelijk en in bepaalde gevallen ook wenselijk teneinde extreme en ongewenste afhansluitvorming en omwikkelingen in de rijke landen die zoals gezegd een dominante cemrumpositie innemen. Tegen deze kelijkheid van de rijke landen ongedaan te maken. Maar het is vitale kwetsbaarheid wordt van de kant van de Derde Wereld toch moeilijk voorstelbaar hoe de gegroeide interdependentie op werkelijk drastische wijze kan worden teruggedraaid zonal sinds lang verzet aangetekend, dat echter goeddeels vruchteder grote schade voor de ontwikkelingslanden zelf. In feite zou loos is gebleven. Sinds kon is er echter van enige kentering sprake. De ontwikeen radicale ontkoppeling veel schadelijker zijn voor de Derde kelingslanden zijn er - in geslaagd hun rijen wat hechter te Wereld dan vopr het Westen met zijn enorm potemieel - technologisch, economisch - om het zonder de produkten van ontsluiten en gemeenschappelijke posities vis-à-vis de geïndustrialiseerde wereld in te nemen. wikkelingslanden te stellen dan wel deze te vervangen, zij het Zij zijn tot onderlinge overeenstemming gekomen over een nielzonder politieke cn maatschappelijke kosten. aantal uitgangspunten en maatregelen, die tezamen wel met de In vele opzichten is het daarom in het belang - het verlichte weidse benaming Nieuwe Internationale Economische Orde worden eigenbelang - van zowel Noord als Zuid om een koers van saaangeduid. Die NIEO is zeker niet een blauwdruk voor een menwerking, construclive partnership te volgen in plaats van confrontatie en polarisatie. Het Atlantisch verband moet dan ook nieuwe wereld, maar geeft toch wel aanwijzingen voor concremede in oit licht worden gezien en beoordeeld. te stappen om de onevenwichtigheden en strukturele tekortkoHoewel ook de medewerking van de communistische landen, mingen van het huidig economisch stelsel te corrigeren . Het spreekt vanzelf dat als ik spreek over de Derde Wereld, ik b.v. bij de regeling van grondstoffen markten, geboden is, zijn niet de illusie koester dat dit een homogeen, monolithisch het toch vooral Amerika en Europa die zeer belangrijk kunnen blok is. Tussen de ruim 100 ontwikkelingslanden bestaan grobijdragen tot verbetering van de situatie in de Derde Wereld te v·erschillen - culturele, economische, sociaal-psychologien, daardoor, hun betrekkingen met de Derde Wereld kunnen sche, ideologische. Niettemin zijn zij één in de zin dat zij allen uitbouwen en versterken. de overtuiging zijn toegedaan dat het huidige systeem hun Wat de communistische landen betreft mag wel eens gezegd worden dat zijveelal de grote afwezigen zijn als het er om gaat geen fair deal geeft, weinig toegesneden als het is op hun bestructurele veranderingen in hetwereld-economisch bestel aan hoeften en mogelijkheden. te brengen. Bilateralisme viert vaak hoogtij in hun betrekking Het zou politiek onverstandig zijn om met dit gegeven geen en met ontwikkelingslanden en dan nog zijn hun bijdragen rekening te houden en al te lichtzinnig uit te gaan van ondermeestal pover. Neen, het zal, zoals ik zei, vooral aankomen op linge verdeeldheid en tegenstrijdige belangen binnen de Derde Europa en Noord-Amerika Wereld. De kritiek van de Derde Wereld op hel huidig economisch Daarbij val.l ook te bedenken dat van hun construclieve systeem krijgt nieuwe relevantie en zelfs een zekere urgentie nu samenwerking een gunstige voorbeeldwerking zal uitgaan op ook in de Westerse wereld twijfels en 'second thoughts' worandere geïndustrialiseerde lande." waarbij ik met name aan den uitgesproken. Niet zozeer of zelfs maar in de eerste plaats Japan denk. Ik stel mij voor dat op een vijftal gebieden uit bewogenheid met het huidig en toekomstig lot van' de omvervolg op pag. J6 wikkelingswereld - hoewel een 'reevalution of consciemious·

10


Ir.J.van Ettinger-

Prof dr. F. van Dam -

"Wereldregering geen oplossing problemen"

Bij sectorale aanpak UNCfAD niet meer nodig

Hoewel hij directeur van het R.I.O. (Reshaping the International Order)-project is, begon Ir. Van Ettinger met te te stellen dat hij geen visie van een vakman aan zijn gegehoor kon voorleggen, hooguit een educated opinion. De centrum-periferie-theorie, van belang voor de verhouding rijke en arme landen, geeft een inzicht in de afhankelijkheden die er in de internationale betrekkingen bestaan. Toch twijfelde Van Ettinger over de geldigheid van deze theorie. aangezien "we daarbij te veel naar de Oost-West relatie kijken en dit tot een soort navelstaren

Na de inleiding van de conferentie door staatssecretafl:t Brinkhorst volgde het betoog van Prof. dr. F. van Dam, die de conferentie meermalen verraste door zijn boude uitspraken en sombere voorspellingen. "Was er vóór 1970 een opgaande lijn te bespeuren in de ontwikkelingssamenwerking, na 1970 was er alleen maar achteruitgang. Alle onrwikkeHngsfondsen die in het voorafgaande decennium waren opgericht stierven een stille dood", aldus Van Dam. Hij benadrukte dat de Derde Wereld niet meer over één kam is te scheren, maar dal zij uiteenvalt in landen die geen hulp meer nodig hebben (Opec-landen), Derde Wereld-landen die in een traditionele armoedekarakteristiek verstrikt zitten {Sahel-landen} en tenslotte de groep aime, maar zich industrialiserende landen (met India en Pakistan als voorbeeld).

wordt". Hij vroeg zich, naar aanleiding van het betoog van Prof. Van Dam, af of we door moesten gaan met het proces van de humanisering en materialiscring. Het is dringend noodzakelijk dat er nieuwe internationale verhoudingen komen, aldus Van Ettinger, omdat tal van wetmatigheden die vroeger golden (zoals het vrije-marktmechanisme) in deze tijd niet meer opgaan. "Een wereldregering is niet haalbaar, we moeten trachten tussen dé natie·Slaten overeenstemming te bereiken over de gezamelijke problemen." aldus de spreker. In een profiel van.die herschepping van de internationale samenleving stelde hij aan de orde: waarom we deze herschepping nodig hebben, wat er tot die nieuwe orde behoort en tenslotte de actIeprogramma 's. Ten aanzien van dit laatste wordt de nadruk gelegd op de bestrijding van de armoede, een harmonieuze groei en de "mondiale planning voor grensoverschrijdende problemen" . "Het rapport over het R.I.O.-project moet worden gezien als een begin, niet als het einde van het denken over een nieuwe internationale orde," zo stelde Ir. Van Etting~r. "er moet allereerst een dialoog tussen specialisten onderling tot stand komen, een dialoog tussen spacialisten en de besluitvormers en tenslotte eep dfaloog tussen de specialisten en het grote publiek." Hij besloot zijn rede met de vraag op te werpen of 1976 nict een zeer belangrijk jaar zou woorden, waarin zou blijken of de wereld de beslissende stap naar nieuwe verhoudingen zou kunnen nemen.

Er hebben zich volgens de spreker een aantal veranderingen in de relatie Noord-Zuid voorgedaan. Het dekolonisatieproces is voltooid, de ontwikkelingslanden volgen een onafhankelijker koers, de olie-crisis en de recessie in de "rijke wereld" hebben de verhoudingen grondig herzien en er treedt tenslotte een verzakelijking in de betrekkingen op. Slechts bij enkele westerse landen is een toegeeflijkere houding bespeurbaar ten aanzien van de ontwi~~lings­ land~n, maar Prof. Van Dam vroeg zich af "wanneer puntje bij paaltje komt deze landen nog wel bereid zullen zijn de gemaakte afspraken na te komen", aangezien "de aftocht toch door de Verenigde Staten, West-Duitsland en Japan gedekt wordt". Ook bij de Derde Wereld-landen is verdeeldheid ontstaan door verschillen in economische en politieke ontwikkeling. India en Pakistan en over enige tijd de Opec-landen zullen gebaat zijn bij lage grondstoffenprijzen om hun economische expansie mogelijk te maken. Het is, volgens Van Dam, een slimme zet van de Rijke landen geweest door middel van de UNCTAD het geheel van economische verhoudingen door alle betrokken landen te laten bespreken. "Zo werkt de tijd in ons voordeel'\ aldus Prof. Van Dam. De spreker pleitte voor het houden van sectorale besprekingen die zeer gericht bedoeld worden om een bepaald gedeelte van de economische fricties te lijf te gaan. Het is zijns inziens ook niet nodig dat alle Derde Wereld-landen en alle Rijke landen aan dergelijke besprelc.ingen deelnemen, alleen die landen die een aanmerkelijk belang bij de onderhandelingen hebben. Opzienbarend was voorts zijn pleidooi Om hetReviewing the International Order (R.I.O .), project waar mede panel-genoot IT. J. van Ettinger directeur van is, en conferenties als de UNCTAD op te hefTen. Ook ziet hij geen heil meer in ministeries van ontwikkelingssamenwerking die naar de mening van Prof. Van Dam beter vervangen kunnen worden door werkelUk relevante ministeries zoals die van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken.

K.A. Nederlof

11


Forum Ie dag -

Regionale, globale of gemengde aanpak? Tijde~s

de paneldiscussie spitste de vragen zich tOe op de kwestie hoe bepaalde problemen, zoals inflatie, werkeloosheid, tekorten aan grondstoffen. instabiele markten hel beste opgelost zouden kunnen worden. Prof. Van Dam bleef op zijn standpunt van een sectorale aanpak staan. Op wereldniveau is het nauwelijks mogelijk. definitieve afspraken te maken; een nieuwe economische of zogenaamde internationale orde zag hij dan ook geheel niet zitten. Dit ontlokte het commentaar van staatssecretaris Brinkhorst dat hel scheen alsof Kissinger en Prof. Van Dam wat deze kwestie betrof aan de zelfde kam stonden. Vo lgens Brinkhorst kan een nieuwe internationale orde alleen ontstaan door nieuwe verhoudingen te laten evolueren ; door het opstellen van bepaalde spelregels moet een herverdeling plaatsvinden. De heer 8rinkhorst is het overigens met wel met Prof. Van Dam eens dat een zakelijke aanpak op dit momem zeer gewenst is. Ook de heer Van Ettinger voelde wel voor een regionale aanpak waar dit noodzakelijk blijkt te zijn, maar zoiets mag de discussie over een nieuwe internationale orde niet in derweg staan. Concluderend kan gesteld worden dat Prof. Van Dam voor een regionale, seClorale aanpak bleek te zijn. Staatssecretaris 8rinkhorst zag een aanpak op beide niveaus en Van Ettinger leek nog het meeste te voelen voor een globale aanpak. Prof. Van Dam leek onder meer Nederland op het oog te hebben toen hij nogal provocerend opmerkte dat sommige westerse landen zich zeer royaal hebben kunnen opstellen (bijvoorbeeld op de laalSte UNCTAD-conferentiel omdat ze weten dat deze voorstellen toch niet aanvaard en derhalve nier gehonoreerd behoeven te worden. M. I. Carli ...

Pro/dr. F. van Dam

12

Dr. O. Kuschpeta -

Economie Comecon versterkt Dr. Kuschpèta belichtte. op de tweede dag van de confe· rentie, de grondslagen van de COMECON'politiek en schetste als onderdeel daarvan de (economische) buitenlandse politiek van de Sowjet Unie. Het doel van de COMECON is volgens de spreker behalve een economische integratie van haar lidstaten te bevorderen ook " versterking van de positie van de COMECON-landen in de wereldeconomie teneinde op de lange duur een ovetwinning te kunnen behalen in de economuche wedijver met het kapitalisme" . Deze economische wedijver is een onderdeel van de politiek van vrudz.amt colxiJtrnlie die niet is bedoeld en niet bedoeld kán zijn om de " wetten van de klassenstrijd" aan te tasten. De heer Kuschpèta stelde dat de Sowjet Unie de politiekeen economische versterking van de ontwikkelingslanden bescho~wt als een verzwakking van de kapitalistische ("Noord" ) landen en daarom naar "verzelfstandiging" van de ontwikkelingslanden streeft. Maar aangezien de handel van Comecon-landen met landen van de Derde Wereld slechts 12 1/ 2% van de totale Comecon handel bedraagt, staan haar hoofdzakelijk andere dan handelsmiddelen ter beschikking. De Sowjet Unie geeft dan ook op ruime schaal wapenhulp (anderha lf maal zoveel als de Verenigde Staten) en streeft ernaar bevrijdingsbewegingen prioriteit te verlenen, aldus Kuschpèta. " Naar verhouding is het aandeel van de comeconlanden bij de ontwikkelingshulp kleiner dan van het aandeel van deze landen in de industriële wereldproductie vetwacht zou kunnen worden," zei dL Kuschpèta, "maar de Comecon- landen verdedigen dit door te stellen dat ze geen koloniaal verleden hebben en dus geen $chuld aan de Derde Wereld. " Voor het grootste deel zijn de communistische landen ze lfvoorzienend wat betreft grondstoffen, een zeer groot gedeelte daarvan komt uit de Sowjet Unie. De spreker concludeerde dat de prijsontwikkelingen op de grond· stoffenmarkt de economie van de USS R op de wereldmarkt en binnen de Comecon versterkt hebben . "De Sowjet-leiders zullen zeker dil feit samen met hun tegenwoordige gunstige militaire positie aangrijpen om een politiek overwicht op de Verenigde Stalen te verkrijgen," aldus Or. Kuschpèta.


Mr, A,F.K. Hartogh -

Noord-Zuid dialoog geen splijtzwam NAva "Als ik. zou moeten antwoorden op de vraag wat de taak. van de NAVO is met betrelling tot de Noord-Zuid dialoog, dan zou dat zijn: geen." aldus Mr. Hartogh, Nederlands ambassadeur bij de NAVO. Wel meende hij dat de verdragsorganisatie zich niet lc.an afsluiten van de wereldproblemen en daardoor betrokken wordt bij zaken als de Noord-Zuid dialoog. Uitlatingen over deze vraagstuk.ken worden bemoeilijkt doordat de NAva bedoelingen in de schoenen worden geschoven (over uitbreiding van de NAVO-activiteiten (0( in Zuidelijk Afrika) die. naar de heer Hartogh verklaarde, volstrekt ongegrond zijn. De hardnek.kigheid van geruchten illustreerde hij met een anekdote die de Amerikanen betrof. "Kissinger was zo verbolgen over persberichten die het bestaan van een Sonnenfeldt-docmne zouden bevestigen, dat hij tijdens de recente NAVO -ministervergadering in Oslo uitriep: If I can't kill oITthe Sonnenfeldt doctrine, r il have to kill oIT Sonnenreldt himseln" Ambassadeur Hartogh schetste zijn visie op de tegenwoordige krachtsverhoudingen in de wereld ~n co~clu­ deerde dat de werekleijke krachtscentra de SowJet Ume e? de Verenigde Staten zullen blijven. dit ondanks het feIt dat er steeds meer hoogbewapende landen bijkomen, met de daaruit voortvloeiende kans op conflicten. Dat de internationale verhoudingen het afgelopen decennia wel ingrijpend is gewijzigd, blijkt wel,. aldus de heer Hanogh, uit het aandringen van de Chmezen op ~u­ ropese eenheid en in zekere zin zelfs .~p een krachu~e NAVO. Deze ontwikkeling valt natuurlijk te verklaren Uit de nog steeds groeiende vijandschap tussen de Chinese Volksrepubliek en de Sowjet Unie, ontstaan door "ideo. logische en geo-politieke tegenstellingen.'. Mr. Hartogh waarschuwde zijn gehoor de RUSSische successen (zoals recentelijk in Angola ) niet al te zeer te overtrekken. "Het gaat de Sowjets in de Derde wereld niet voor de wind". Verder merkte hij op dat wat aa~vankelijk als ~n "jplY'l'z.wam" in de Atlantische betrekkingen werd gezl~n, bijvoorbeeld de olie-crisis, later juist ee~ .versterkmg bleek te zijn. Toch hoopte hij op meer politiek overleg. resulterend in een grotere politieke eensgezindl;Ieid onder de leden van het Atlantisch bondgenootschap op de gemeenschappelijke problemen het hoofd te kunnen bieden. K.A, Nederlof

Drs, F. Rondagh -

"Marges van handelen voor een Verenigd Europa groter" "Er moet nogal wat veranderd worden om een Nieuwe Economische Orde te krijgen", merkt drs. F. Rondagh op. Voor hem speelt de Europese eenwordingsgedachte bij deze Nieuwe Economische Orde (NEO ) een belangrijke rol gezien het feit dat deze gedachtengang als een rode draad door zijn betoog liep. Rondagh: "Europa moet daarbij met één stem spreken, De eerste aanzetten zijn hierbij gegeven in de rapporten Tindemans en Spierenburg, " Voor de secretaris van de Europese Beweging blijken er krachten in de internationale politiek te zijn die een eigen weg zoeken. "Intergouvermenteel overleg wijst de weg naar een betere toekomst niet aan" zegt de heer Rondagh. De follow-up van Ramboui llet heert volgens hem de discussie over het eenwordingsproces van Europa weer op gang gebracht, "wat een verheugende zaak is", De heer Rondagh ziet deze problematiek passen in het framework van de Noord-Zuid dialoog. "Hoewel de problematiek te complex is. Je weet niet welke boom je eerst moet vellen. " Toch wil hij een aanzet lOt "het vellen van de bomen geven" door te stellen dat een "zelfstandig Europa een grotere verantWoordelijkheid voor de vrede en veiligheid in deze wereld zal krijgen" , In de discussie zou hij deze stelling voortichtig uitwerken, "Ik geloof dat Europa op dit moment een kleine marge van handelen heeft. Voor een verenigd Europa zal die marge groter zijn", aldus Rondagh. In de nabije toekomst, merkt hij op, zullen de belangen [ussen Europa en Amerika verder uit elkaar gaan lopen. Met name door de energiepolitiek in het Midden-Oosten, eventuele participatie van de communisten binnen een Italiaanse regering etc. Gezien eventuele tegenstellingen tussen de beide westerse blokken zal Europa zelf zijn militair materieel uit zijn eigen lidstaten moeten gaan betrekken, Frankrijk heeft al een ahernatief gegeven door zijn eigen defensie-uitgaven met 5096 te verhogen. Men spreekt daar volgens Rondagh ook al over de verdediging van "norre continent", wat in zijn visie neerkomt op " hel Europese alternatief voor de huidige Nato-conceptie" . Rondagh bestempelde een " eventuele Noord-Zuid dialoog" als een confrontatie. "Het is de voortzetting van een regionale politiek waarin economische en militaire belangen een rol spelen", aldus de secretaris van de Europese Beweging, F.L.M. Lafort

13


Politieke jongeren

'Ontwikkelingssamenwerking moet voorrang hebben' Arjos De Arjos-vertegenw. S[elde, dat het buitenlands beleid primair gericht dient te zijn op het bereiken van een eerlijker welvaansverdeling in de wereld en op het verschaffen van een menswaardig bestaan aan een ieder. Het risico dat wij met een dergelijk uitgangspunt als "een land van dominees" beschouwd zullen worden, was voor hen geen enkel probleem. Voor de verschillende regio's stelden zij de prioriteiten in het beleid als volgt: Hel beleid t.a.v. Oost-Europa moet gericht zijn op het wegnemen van belangentegenstellingen en het afremmen van de bewapeningswedloop. Vooral nu Europa nog in ontwikkeling is, is dJ' Atlantische samenwerking zinvol en kan deze een tegenwicht zijn tegen een opnieuw opkomend nationalisme. De ontwikkelingssamenwerking, het"geven wat de arme landen toekomt", is een zaak van solidariteit en gerechtigheid, die nooit als sluitpost beschouwd mag worden. DS'70 Wat men"nieuwe economische orde" noemt,zal uiteindelijk leiden tot een herverdeling en een overheveling van industriële capiciteit naar de ontwikkelingslanden. Als de gevolgen van dit proces voelbaar worden, zal eerst blijken hoe onze samenleving hierop reageert (vgl. de ondernemingsraden van de bij de fabricage ;an reaktorvaten betrokken bedrijven, die vóór levering aan Zuid-Afrika waren ). Ed van der Ouderaa onderstreepte vervolgens het belang van een Nederlandse bijdrage aan de Europese eenwoording, omdat wij anders aan belangrijke ontwikkelingen geen deel meer zullen hebben. De noodzakelijke welvaartsgroei in de ontwikkelingslanden zal met name gerealiseerd worden zolang er een stabiel machtsevenwicht tussen Oost en West bestaat, hetgeen mede door de NAVO wordt gegarandeerd. Als de verbondenheid met de VS wegvalt, kan men slechts Finlandisering verwachten, met eventueel als bijkomstig probleem en risico de oprichting van e.e n europese kernmacht.

lOVD Johan Remkes signaleerde met instemming, dat in het conferentie-thema niet hel machtsdenken centraal staat (zoals dat onder meer in boycot-acties tOl uiting komt), maar de dialoog. H ij sprak de overtuiging uit, dat een nieuw evenwicht noodzakelijk is en ook ongetwijfeld tot stand zal komen. Deze ontwikkeling, die een deel van de welvaartsgroei overhevelt van rijke naar ontwikkelingslanden, kan een zware daim zijn op o.a. West-Euro.pa.

14

Het uiteindelijke doel van de ontwikkelingssamenwerking is de zelfstandigheid van de betrokken landen . De hiermee samenhangende internationale, sociale problemen dienen prioriteit te hebben boven onze nationale sociale vraagstukken. De praktijk leert dat een dergelijke mate van betrokkenheid grotendeels ombreekt, onder meer omdat de voorlichting over de aard en de resultaten van ontwikkelingshulp tekort schiet. De heer Remkes stelde vervolgens dat hij hel oneens was met WO-voorstellen om op ontwikkelingshulp te bezuinigen. Het " nieuwe evenwicht" is in feite een nieuwe taakverdeling; met name de basisindustrie zal verschuiven naar ontwikkelingslanden, hetgeen heel iets anders is dan een Nulgroei -mentaliteit. Voor het Westen geldt dat een gezonde economische ontwikkeling van niet-geïndustrialiseerde landen op den duur ook een steun en afzetmogelijkheid voor de eigen economie is. . Een toenemend aamal economische komakten met OostEuropa kan de Oost-West verhouding meer omspannen en meer menselijk maken. De spreker achtte het belang van de Atlantische samenwerking dermate evident, dat deze z.i. ook. in de Noord-Zuid dialoog behouden dient te blijven. Wel dient daarnaast de Europese integratie voort te gaan (zonder te veel politieke voorwaarden, maar ook met reële bevoegdheden voor het Europees parlement). Ook op internationale conferenties dienen de VS en West-Europa meer eensgezindheid te tonen; tenslotte zou niets ondernomen moeten worden om de Amerikaanse rol in de Europese verdediging te verkleinen, dus ook geen bezuinigingen in de defensie. . PPR

Als eerste stappen op weg naar overleving en ontplooiingsmogelijkheden voor iedereen noemde Gert-Jan van Oven: een nieuw veiligheidssysteem, minder nationalisme, meer regionale verbanden en interdependentie. Hij beschouwde zowel NAVO als Warschau~pact als historische fouten, met de bewapeningswedloop als gevolg. Juist vanwege de bewapening, de blokvorming, e.d. is de PPR tegenstander van de NAVO. Een anti-proliferatieverdrag of SALT-afspraken zijn allerminst tekenen van omspanning; er is eerder sprake van een ze:er labiel evenwicht met enorme I-isico's. Aanleidingen voor konflikten zijn er te o~er, en men k.an m~eili.ik uitgaan van rationele besluitvorming in tijden van spannIng.


In feite is de wereld nog steeds bipolair, al is de machtsstrijd verplaatst naar het Zuidelijk deel van de wereld. Terwijl de SU een zeer beperkte invloed heeft, IS de Invloed van de VS In vele landen (waaronder Nederland) zeer aanzienlijk. In de derde wereld zijn vooral de rijkere ontwikke.lingslanden v.o.~rbeelden van deze beïnvloeding, zoals IndonesIe, Iran, Brazlhe; Nederland is ten dele medeplichtig aan de ongewenste gevolgen van deze invloed . Het denken in blokken dient doorbroken te worden. Aan een Europa dal een eigen kernmacht zou kunnen gaan opbouwen, werkl de PPR niel mee. Ontwikkelingshulp diem niet slechts volgens de door prof. van Dam geschetste lijnen te verlopen, maar diem ook solidariteit met bevrijdingsbewegingen te omvauen. Wanneer na de huidige periode van stilstand de Noord-Zuid dialoog weer op gang komt, zal dit voor elke echte integratie een stimulans zijn, maar voor een elitaire VS - West Europa club zal ze een bedreiging zijn. Met beide mogelijkheden kan de PPR haar instemming betuigen. Enige flitsen uit de diskussie (ARJOS): Het vervangen van de Starfighter is niet in strijd met de uiteengezette beleidslijnen; als men op dit mo~em de NAVO accepteert. ligt het voor de hand haar ook de mIddelen tot een efficiënte taakuitvoering te verschaffen en verouderd materieel te vervangen. De leyering van kernreaktoren aan Zuid-Afrika is één van de ethische problemen, waarvoor momenteel geen geheel afdoende oplossing gegeven kan worden. Binnen het CDA erkent men dat er nog wel meer problemen bestaan zonder passende oplossing, zoals b.v. het dreigen met atoomgew~ld en de afkeuring van het gebruik van atoomgeweid. (jOVD): Hoewel een Europees kernwapen de wereldvrede niet dient, dient dit punt niet als voorwaarde vooraf biJ het Europees parlement op tafel te worden gelegd. Alle sprekers waren het er over eens dat de ontwikkelingssamenwerking door een aparte minister in het kabinet verteenwoordigd dient te zijn, in tegenstelling tot een eerder door prof. van Dam geopperd voorstel (dit laatste om langs deze weg voor verantwoordelijke andere ministers geen ,alibi voor inertie te verschaffen). De sprekers waren van memng dat de bevoegdheden van de minister uitgebreid dienen te worden, met name op het punt van buitenlandse investeringen.

Dr. ].L.K.F. de Vries

Forumdiscussie 2e dag

WEL OF GEEN EUROPESE KERNMACHT? . Is een Europese ~ernmacht wenselijk? Dit was de essentie van enkele vragen die de congresd~lnemers aan enkele forumleden voorlegden. Volgens drs. Rondagh is .. deze vraagstelling niet relevant omdat er nog geen Europese kernmacht is". (Ook na hernieuwde vragen was de heer Rondagh niet te bewegen zich over de wenselijkheid van een Europese defensie (met of zonper kernmacht) uit te spreken. "Ik·dring er alleen op aan dat men zich over dit onderwerp bezint. ") De heer Hartogh, à titre personnel, keerde zich tegen iedere Europese atoommacht en tegen iedere vonn van een ge~een ­ schappelijke defensie-eenheid omdat er nog geen sprake IS van een gezamenlijke Europese buitenlandse politiek. Nadat eerst voornamelijk de militaire aspecten voor het Westen de aandacht kregen spitste de discussie zich daarna toe op de vraag wat de reactie van de Derde Wereld zou zijn op een onafhankelijk Europa met een eigen defensiesysteem dat los zo.u moeten staan van de VS. De Nederlandse pennanente vertegenwoordiger bij de NATO signaleerde het verschijnsel dat gewezen koloniën aansluiting zoeken bij het "oude moederland". Hij herhaalt hier nog eens zijn persoonlijke opmerking dat er geen reden bestaat om een eigen Europese kernmacht op te richt~n. De betrekkelijk tamme discussie (van atomaire gtmoulsexplosies was geen sprake) deed de heer Kuschpèta n.a.v. een vraag over Rusische infiltratie opmerken, dat de Sowjet-Unie de nadruk legt op een ideologische expansie. Voor mr. Hartogh stond het vast dat Cuba nooit in Angola had kunnen interveniëren zonder materiële steun van de Sowjet-Unie. Het laatste deel van de discussie draaide vooral om het image van de NAVO . "Is dat niet achterhaald?" Mr. Hartogh gaf hierop een zeer duidelijk antwoord (overigens een v~n de weinige duidelijke antwoorden). Voor hem verkeèrt de diSCUSsie hierover in een vicieuze cirkel. "Critici merken op dat als de NAVO zich met andere dan militaire aangelegenheden bezighoudt dit buiten de bevoegdheden van het Atlantisch Bondgenootschap valt. Als men zich bezighoudt met zuiver militaire zaken heeft men daar ook kritiek op als zijnde te beperkt. "

15


vervolg van p~g. 10 intensieve Amerikaans-Europese consultaties op redelijke termij.n tot praktische resultaten zou kunnen leiden, mits men elkaar niet gaal overtroeven in het minimaliseren van stand· pumen, maar integendeel probeert zich bij benadering te houden aan wat internationaal is vastgelegd en, met meer o f minder reserves, is aanvaard. De vijf probleemgebieden waaraan ik denk, zijn grondstoffen. finan ci~le kwesties, waaronder het hulpvolume en schuldenregeling, voedselhulp, het APS en richtlijnen en garanties voor internationale investeringen. .Onderhandelingen in ""perkte kaders. Voordat ik nu LOL een onverbeterlijke optimist v~rklaard word, laat ik. U v~rzekeren dat ik heel goed besef dat een groot aantal economische en po1itieke -factoren het voorgestelde overleg bemoeilijkt. Op elk van de genoemde terreinen bestaan er, niet alleen tussen de VS en Europa, maar evenzeer tussen de Europese landen onderling - met name binnen de Gemeenschap - belangrijke verschillen van mening. Misschien mag ik. hiel- zijdelings even opmerken dat in de inleidende stellingen voor deze Conferentie van het secretariaat, aan de interne verschillen van inzicht binnen Europa wel wat gemakkelijk is voorbij gegaan. De recente UNCTADconferentie in Nairobi heeft deze nog eens pijnlijk aan het licht gebracht. Het compromis dat daar op de valreep is bereikt t.a.v. grondstoffen en schulden is uiterst mager en betekent in feite uitstel van besluitvonning.Nieuemin is er nu een 'commilmenl 10 "'golwe ' zoals mijn collega Pronk het heeft genoemd, en daannee is een opening gemaakt naar toekomstige overeenstemming. Daartoe zullen niet alleen in UNCTAD maar ook in andere, beperktere kaders reële onderhandelingen op gang moet~n komen. In dat verband krijgt de CIES oftewel de Noord-ZUId dialoog in Parijs, extra betekenis, juist nu dit overleg zijn volgende fase ingaac De eerste paar maanden zal in dit overleg de inventarisatie van problemen nog wel voortduren, maar tegen het einde van het jaar zal er een echte doorbraak moete.n komen, wil men niet in een nieuwe spiraal van confrontatie verzeild raken. De bijzondere besluitvonningsstructuur van de Cl ES is in dit stadium de meest gunstige voor het bereiken van tastbare resultaten. Uiteraard dient steeds ook terugkoppeling naar mondiale kaders plaats te vinden. Waar het bij dit alles op aan komt, is een constructieve opstelling met redelijke doses poliLieke wil. Gezien de belangrijke rol die de EG in de CIES speell, zal er van Nederland, dat hel komende halfjaar het voorzitterschap bekleedt, veel worden gevergd. Als Nederlands bewindsman zie ik die voorzittersrol niet als een gelegenheid om particularistische posities uit te dragen, maar veeleer om standpunten van andere landen in opwaartse richting te drukken. In diezelfde zin zie ik ook het nut van de eerder bepleite Atlantische dialoog. Het zou een groot politiek en moreel verlies zijn als de Atlantische partners deze gelegenheid niet zouden aangrijpen om hun globale verantwoordelijkheden waar te maken en hun relaties met twee-derde van de wereld te verbeteren en uit te bouwen. De fundamentele waarden die wij zeggen te koesteren en te verdedigen zullen daannee aan geloofwaardigheid en overtuigingskracht winnen. M r. LH. Brinkhorst

16

Wie vormt het Dagelijks Bestuur? Elders in dit blad hebt u reeds kunnen lezen dat de samenstelling van het Dagelijkse Bestuur van de Stichting jason per I juli j.1. is gewijzigd . Ferdinand L~kkerkerker heeft zijn functie als Algemeen Secretaris verwisseld voor die van Penningmeester. Hij is daarmee op vertrouwd terrein : in het dagelijkse leven is hij hoofdbeamble op de afdeling kredietbewaking van de Nederlandse Bank. De nieuwe Algemeen Secretaris, voorheen onze penningmeesteresse, is Marijke van Drunen Littel (25). Zij is stagaire op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Nicolelle Geveke (28), Nationaal Secretaris van JASON, studeert rechten te Leiden en is o.a. voorzitter van het Haags jongerenparlement. Marianne Carlier is Internationaal Secretaris. Zij scudeerde Politieke Wetenschappen en is nu werkZaam bij Shell. Hoofdredacteur van jASON. magazine is Kees Nederlof (24 ). Ook hij studeert Politieke Wetenschappen in Leiden

en daarnaast kent hij vele activiteiten op politiek gebied. Tenslotte de voorzitter, Rio Praaning (23). Hij is medewerker aan het Oost-West Instituut en studeert rechten te Leiden.

Internationaal JASON/VIRO simulatiespel j ASON en de VIRO, de Vereniging voor de ~erenigde Naties, zullen op 26, 27 en 28 november a.s. In Woutschoten (Zeist) een internationaal simulatiespel organiseren. Er worden ruim 100 deelnemen alsmede ruim 30 "offidals" uit West-Duitsland, België, Zweden, Noorwegen, Denemarken en Nederland verwacht. De voorbereidingen voor dit gebeuren, een van de grootste ooit in Nederland gehouden, zijn al bijna afgerond. Er zal een boekwerkje worden uitgegeven waarin de fictieve landen en internationale organisaties beschreven staan. Getracht is ome huidige wereld vereenvoudigd na te bootsen, waarbij men uitkwam op 10 "type-landen" en 6 internationale organisaties. Hoe ontwikkelt zich deze imaginaire wereld in drie dagen, waarbij één jaar zich in 90 minuten simulatie-tijd afspeelt? Hoe gedragen zich de policici? Hoe reageert men op elkaar? . .. De pers en onbeïnvloedbare economische factoren zIJn daarbij niet vergeten. De internationale deelneming staat garant voor een pluriformiteit van opvattingen tijdens het spel. Kortom, een uniek experiment, voor de geïnteresseerde in de internationale betrekkingen niet te versmaden en zeker " voer voor psychologen en sociologen"! Nadere details zullen in de komende jASON-nummers venneld staan. Voor wie de belangstelling al gewekt is, bestaat de mogelijkheid zich (voorlopig) aan le melden. Er zu llen 10 personen namens jASON kunnen deelnemen en bekeken wordt hoe deze uit de waarschij nl ijk vele geïnteresseerde geselecteerd kunnen worden.


Luns ooer Italie, Sonnenfeldt en kernwapens

In de huidige wereldsituatie is de voornaamste zorg waar de Verenigde Staten zich mee bezig houden, de beheersing uan de economisch·socülie crisis. Het was de A merikaanse oud-minister van defensie Schlessinger die, toen hij de doeleinden van de Navo opsomde, opmerkte dat de leden van de alliantie "met alle benodigde middelen moeten vechten om de politieke en territoriale integratie van zijn lidstaten te handhaven ". Het Natoverdrag refereert wel aan de "tem"tonale integriteit" en aan de "politieke onafhankelijkheid" van zlïn lidstaten maar mOet aan hun "politieke integratie". Gelooft de heer Luns dat dl Navo naast een militaire taak nu ook een economischfpoMieke taak heeft gekregen? Luns: "De Navo heeft steeds een politieke taak gehad omdat de Atlantische Raad, waar de secretaris generaal voorzitter van is, steeds aie problemen die de Navo re chtstreeks of indirect raken bespreekt en behandelt. Meestal tracht men tot een gelijksoortige gedragslijn te komen. Die tendens is de laatste jaren versterkt, eerst door ·het rapp ort van de drie wijze mannen in 1956 en later door de Declaratie van Ottawa. De politieke accenten liggen dus zeer zwaar bij de Navo. Economisch gezien hebben de EEG, de Oeso, de dub van 10 en andere organisaties die zich met deze problemen bezighouden een zwaardere stem. In de Navo-raad echter wordt wel over economische kwesties gesproken. Met name tijdens de jongste recessie hebben er interessante besprekingen plaatsgevonden waarvan de terugslag zich heeft doen voelen in de hierboven genoemde organisaties." De heer Soames, EEG Commissaris voor de buitenlandse betrekkingen, merkte in een toespraak voor de Universiteit van Bonn op. toen hij de Robert Schumann pnïs in ontvangst nam, dat hJï er een voorstander van is dat in de toekomst de EEG een "distinctive eontn·bution" aan de Navo moet blïdragen. Ziet U dat in de toekomst ook gebeuren? "De heer Soames heeft het waarschijnlijk over het politiek overleg in de boezem van de EEG-raad gehad, waar van de negen leden er acht lid zijn van de Navo. De Navo heeft daar geen enkel bezwaar :egen, integendeel. Het enige waar ik altijd voor waarschuw is dat problemen die de Navo raken al beslist zouden zijn onder :~ch.t landen, waardoor het gevaar zou ont· staan dat alle leden gelijk zijn maar dat enige leden meer ge lijk zijn dan de anderen, zoals Orwell opmerkte." Volgens Dr: Kissinger en Generaal Haig, de Amerikaanse opper· bevelhebber van de Navo. dreigt de Atlantische ALUantie uit elkaar te vallen als in West-Europa door communisten overheerste regeringen de overhand knïgen. Volgens Dr. Kissinger zou dat tevens het einde van de Atlantische Alliantie kunnen betekenen. Deelt U die mening? "En de heer Kissinger en de heer Haig hebben zich meer genuanceerd uitgedrukt dan uit krantenberichten valt op te maken. Dat het een probleem zou vonnen als bij leden van de alliantie regeringen met communisten optreden, wil ik niet ontkennen. Veel zal afhangen van de portefeuilleverdeling bij de k~inetsformatie ~n hoe zo'n land zich in de EEG zal opstellen." Bent U die mening van Haig of Kissinger zelf toegedaan? "Ik begrijp dat sommige regeringen en sommige staatslieden hun

verontrusting hebben uitgespróken. Tenslotte gaat het over partijen die 30 jaar lang tegen de VS en 27 jaar tegen de Navo hebben geageerd en die ideologisch nog aan de Sowjet Unie gebonden zijn."

Toen in Portugal de communisten de macht dreigden over te nemen is dit land door de Navo "op het tweede plan" gezet. Zou dat Italië ook kunnen overkomen? "Ponugal heeft een tijd lang minder informaties gekregen. Italië zit in veel meer confidentiële en geheime delen van de Alliantie. Portugal was ook geen lid van de Nuclear Planning Group. Italië is dat wel." De adviseur van Dr. Kissinger, Helmut Sonnenfeldt, heeft in Londen de vrees geuit dat de nationalistische aspiraties in Oostbloklanden eventueel tot een Derde Wereldoorlog zouden kunnen leiden. Wanneer Tito komt te overlijden, gelooft U dan dat de Sonnenfeldt-"doctrine" in Joegeslavië bewaarheid kan worden? "Wat Sonnenfeldt eigenlijk gezegd heeft is dat men niet van het Westen kan verwachten dat het met geweld een eind zou trach· ten te maken aan de ondergeschikte positie van met Moskou verbonden regimes en Warschaupact-landen. Dit komt overeen met de slotakte van Helsinki, waar duidelijk wordt gezegd dat "grenzen alleen met vredelievende middelen" moeten worden veranderd. Wat Joegoslavië betreft, het is geen Warschaupactland, het heeft een regime dat communistisch is maar niet verbonden is met Moskou. Een eventueel ingrijpen echter van de Sowjet Unie in Joegoslavië zou ernstige gevolgen kunnen hebben, hoewel Joegoslavië niet gedekt is door de Navo," Onlangs is er in Roemenië een studie gepubliceerd waan·n de aanspraken op Bessarabii, de huidige republiek Moldavië, worden hernieuwd. Denkt U dat daar een eventuele kern van onrust in Oost-Europa ligt? "Bessarabië is in Roemenië zeker een geval dat daat uiterst gevoelig gelegen heeft en nog bij de Roemeense bevolking ligt. Mochten er verwikkelingen komen over Bessarabië tussen Roemenië, de Sowjet Unie en andere Warschaupact-landen, dan

17


DE ONTSPANNING (zoals Moskou die ziet)

zal de Navo daar niet bij ingrijpen. De Navo is uitsluitend een verdedigingsorganisatie. Het is duidelijk geen versterking van de Sowjetpositie wanneer landen met dezelfde regimes die aan Rusland grenzen, aanspraak maken op teruggave van gebieden."

Hecht men binnen de Navo, sinds de inuoen'ng van de Sch/esinger doctn'ne en de ,'nuoen'ng uan de mininukes (kernbommen bedoeld voor het "slagveld") nog steeds waarde aan de flexibleresponse-strategie? "In die strategie is geen verandering gekomen. Met andere woorden, de Navolanden zullen naargelang de bedreiging en naargelang de inzet beslissen over de wijze waarop zal worden geantwoord. Het is derhalve niet een voldongen feit dat de Navo zal antwoorden met taktische 'nucleaire wapens om over de strategische nucleaire wapens maar te zwijgen." Kan men zeggen dat de moderne Nato-afschn'kk,'ngstheon'e nu bestaat u,'t "moderne klassieke wapens" (bu. smart bombs etc.) en tactische kernwapens? ·"Het is een triade. Men heeft de conventionele, de tactische nucleaire wapens en de strate~sch nucleaire wapens. Als gevolg van de patstelling, dat is de gelijkschakeling van de Russische en Amerikaanse atoomkrachten, is de laatste jaren het gewicht meer komen te liggen op de conv~ntionde bewapening." Houdt dat niet een zekere gedachtenWlïziging ,'n? "Dat geloof ik niet. Men moet het zien als een consequentie van het feit dat de pariteit tussen de twee supennachten het minder waarschijnlijk maakt dat een oorlog zal worden ontketend met gebruik van nucleaire wapens. Bovendien moet men rekening houden met een tweede feit. De conventionele strijdkrachten van de Sowjet Unie zijn enonn toegenomen zodat daar duidelijk een zwaarder accent op wordt gelegd. Als hier niet een verdediging met conventionele wapens tegenover staat, zouden wij ons schuldig maken aan de verwaarlozing van de elementaire defensietaak." Volgens Generaal Brown, de opperbeuelhebber van de Amen'· kaanse troepen, zou de Nato de man'tieme stnïdkrachten uan de Sowjet Unie te groot hebben voorgesteld. "De heer Brown heeft gezegd dat de conclusie over de maritieme bewapening van de Sowjet Unie en die van het Westen te somber zijn gesteld. De Amerikaanse marine heeft nog een overwicht op de Sowjet-marine. Ik zou daartegenover willen stellen dat, wat ook door de Amerikaanse regering ten volle wordt onder· schreven, de Russische vloot zuiver offensief bedoeld is. De Sowjet Unie is een landmacht en al wat het nodig heeft in oorlogstijd vindt het binnen het landbereik. Men behoeft geen vloot te hebben die in alle opzichten superieur is aan die van de tegenstanders om het offensief te kunnen nemen. De bedenkelijke kant van de Sowjet-vloot is hierin gelegen dat ze meer dan 400 onderzeeboten hebben, wat meer is dan enig ander land ter wereld. Het feit dat wij sterker op zee zijn neemt onze zorgen niet weg dat een marine-offensief de aanvoerlijnen tussen Amerika en Europa ernstig in gevaar kan brengen." F.L.M. Lalorl

18

Ondeelbaar Wat is eigenlijk onder ontspanning te verstaan? Welke zijn haar grenzen en mogelijkheden? Wie trekt uit haar het grootste voordeel? Wie verzet zich ertegen en wie ondennijnt haar? Deze en andere vragen houden de geesten van velen, zowel in het Westen als in het Oosten, bezig. Of j'Jister: zij brengen emotie teweeg, aangezien in de internationale samenleving het begrip 'ontspanning' betrekkelijk nieuw is; het heeft de plaats ingenomen van het begrip 'koude oorlog'. Naar onze opvattingen betekent 'on tspanning' een keerpunt, namelijk van een toestand van confrontatie naar ee n van ver· lichting in de internationale politiek. De ontspanning is een proces: zij betekent dat er gezocht moet worden naar co nstructieve op lossingen voor gecompliceerde internationale problemen. Wij zeggen openlijk tegen de wereld: wij zijn voor een détente omdat zij beantwoordt aan de taken, die wij zowel op het internationaal politieke als op het binnenlands politieke vlak te vervullen hebben. Wanneer er politieke ontspanning is, dan valt het ons makkelijker onze samenleving op te bouwen. Daarover sprak Leonid Brezjnev op het 25ste congres van de CPSU toen hij zei: 'Wij maken er geen geheim van dat wij in de ontspanning een weg zien die leidt naar het in het leven roepen van gunstiger voorwaarden voor de vreedzame socialistische en communistische opbouw. Dit bevestigt nogmaals, dat het socialisme en de vrede ondeelbaar zijn'. Datzelfde zegt u, in een andere bewoording, de 'man in the street', bij ons. En hij zegt dat volkomen oprecht, omdat voor de Russen het begrip 'ontspanning' geassocieerd wordt met de begrippen vrede en samenwerking. Dit is een houding die wortelt in de wereldbeschouwing en in de psychologie van het Sovjetvolk. Aangezien wij principiële tegenstanders van de oorlog zijn - omdat hij een der middelen is om langs gewelddadige weg overtuigingen op te dwingen - verwerpen wij de politiek van het duel met de wapens en ijveren wij voor de poli. tiek van vreedzame coëxistentie tussen staten, welker stelsels van elkaar verschillen. Uitgaande van deze filosofie verwerpen wij ook de ' koude oorlog', als zijnde een fase tussen het vreedzame naast-elkaarbestaan en de strijd met de wapens. Voor diegenen die niet zó van de oorlog hebben geleden als de Russen (die 20 miljoen van hun landgenoten erdoor verloren hebben) valt het misschien moeilijk om onze gehechtheid aan de vrede te begrijpen. Zonder mij tot taak te stellen om diegenen van gedachten te doen ve r· anderen, die door hun aard of door opvoeding sceptici zijn, geef ik hier in het kort de mening van de Sovjetburgers weer: wij hebben de ontspanning nodig om de oorlog te vennijden, want die willen wij zeer beslist niet! Wanneer er ontspanning is, dan kunnen wij minder voor de defensie uitgeven en meer voor het verbeteren van het levensniveau. Wij zijn voor ontspan· ning, omdat zij het ontwikkelen van de buitenlandse handel bevordert, van de wetenschappelijke, de technische en de cuhu· rele samenwerking. evenals het uitbreiden van de uitwisseling van mensen en infonnatie.


heid en de tegenstellingen die er in de wereldsituatie bestaan, het ontwikkelen van vreedzame en vriendschappelijke verhoudingen tussen de staten, gebaseerd op gelijkgerechtigdheid en wederzijds voordeel, tot een dominerende factor werd. Deze mening wordt door vele leiders van de westelijke landen gedeeld. Terloops zij opgemerkt dat de tegenstanders van de détente net doen alsof zij niet zien dat aUe leiders van de . staten die aan de conferentie hebben deelgenomen, herhaaldelijk hun goedkeuring ten aanzien van de slotverklaring der conferentie hebben uitgesproken.

W.Lom~jko.

hoojdudaCltul' persage" tschap Nowosli.

Bijbedoelingen Diegenen in het Westen die van mening zijn dat de détente een politiek betekent die door Moskou wordt opgedrongen en bij welke alleen Moskou baat heeft (er zijn toch zeker geen Russen, die er zonder bijbedoelingen voor pleiten? - redeneert men), zou men kunnen wijzen op het objectieve karakter der toenaderingen die in de wereld plaats vinden. De ontspanning werd mogelijk doordat er in het internationale strijdperk nieuwe krachtsverhoudingen zijn ontstaan. Het is niet zo, dat de wereld eenvoudig genoeg heeft gekregen van de strategie van de 'koude oorlog', van te handelen vanuit het krachtsstandpunt. De wereld is tot een nieuw patroon van wederzijdse verhoudingen gekomen nadat de politiek van de 'superiority of power', waarover de Amerikaanse senator Fullbright geschreven heeft, schipbreuk had geleden. Niet alleen een meerderheid onder het wereldpubliek, maar ook de heersende kringen in vele landen voelden dat er een sterke stroming aanwezig is voor een gelijkgerechtigde samenwerking tussen staten met van elkaar verschillende maatschappelijke stelsels, te grondvesten op een vreedzame samenwe rking. Het is met name op die basis dat er in de laatste jaren een constructieve ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de betrekkingen tussen de Sovjet Unie enerzijds met de Ver. Staten, Frankrijk, West Duitsland, Groot Brittannië, Italië,]apan, Canada, de Skandinavische en nog meer landen anderzijds. De tijd die sedert Helsinki verstreken is, heeft de vruchtbaarheid aangetoond van het met elkaar beraadslagen over veiligheid en samenwerking in Europa, welke samenwerking de vrucht is van de ontspanning en op haar beurt het succes van de ontspanning heeft verstevigd . De gang van het voorbereidende werk voor de algemene Europese conferentie zelf heeft haar deelnemers verrijkt met ervaring waar het betreft het op collectieve wijze zoeken naar onderling overeen te komen akkoorden. Na de conferentie heeft de Sovjet Unie in haar politieke en praktische activiteit de rpincipes van Helsinki verwezenlijkt door ze zowel op het bilaterale als op het multi laterale vlak toc te passen. Een opmerkelijke trek in de po litieke ontwikkeling van Europa na Helsinki is, dat ondanks de gecompli-cecrd-

Evenals reeds eerder het geval was, werd ook op het 25ste congres van de CPSU de ontspanning gekwalificeerd als de voornaamste richting in de Sovjetpolitiek ten opzichte van het Westen. In het buitenlands politieke program van de CPSU wordt bijzondere aandacht besteed aan het verder verwezenlijken van de détente en vooral van het beteugelen van de bewapeningswedloop. De Sovjet Unie stelt voor om tot overeenstemming te komen waar het betreft een verbod tot het in het leven roepen van nieuwe wapen typen die bestemd zijn om op massaschaal vernietigingen aan te richten. Het betreft hier o.a. de nieuwe onderzeeboten van het type Tn'dent en de nieuwe strategische B-1 bommenwerper in de Ver. Staten en soortgelijke systemen in de USSR. Ten einde ach ter de onderhandelingen voor het beperken van de mankracht der legers en van de: bewapening in MiddenEuropa meer vaart te zetten heeft de Sovjet Unie voorgesteld om het aantal tanks, vliegtuigen en raketinstallaties te verminderen. Ze ging er mee akkoord dat met een en ander een begin zou worden gemaakt door alleen de troepensterkten van de USSR en de USA te reduceren . De USSR heeft verklaard dat zij niet voornemens is in de Indische Oceaan militaire bases aan te leggen en zij heeft een beroep op de Verenigde Staten gedaan hetzelfde te verklaren. Ook werd het voorstel ingediend om een internationale ontwapeningsc~mfen:ntie bij~en te roepen en om het niet-toepassen van geweld In de mtematlOnale betrekkingen in een voor de hele wereld geldend verdrag vast te leggen. Dat alles vormt een concreet antwoord aan diegenen, die er niet afKerig van zijn om te spreken van de onoprechtheid der Russische vredelievendheid en van de groter wordende militaire aanwezigheid van de USSR. Onze toewijding aan de . ~~tente hebben wiJ niet alleen verkondigd, maar ook in praktiJk gebracht, getUige o.a. de verlagingen van onze defensieuitgaven. In 1971 bedroegen deze 17.9 miljard roebel of 11 pct. ~an het totaal der Sovjet-staatsbegroting. Sedert is hun aandeel In het budget verminderd; in de jaren 1972-1976 maakte het resp. 10.3,9.9,9.1,8.4 en 7.8 pct. van het totale budgetcijfer uit (1). Doch. ook .in absolute zin heeft er in onze defensie-uitgaven een ve.r,:,undenng plaatsgevonden . Sedert 1974 bedragen zij 17.4 ~Tll IJ~:d roebel, ge lijk aan ca. 24 miljard dollar. Dit komt uit op JaarhJk 95 dollar per hoofd der bevolking (2). In dit verband is het interessant te vermelden dat een leur van de Londense Times, Philipp Guthardt, berekend heeft dat een vergelijking van deze 95 dollar met de defensie-uitgaven per hoofd van enkele westelijke landen het volgende beeld te zien geeft: Groot Brittannië 184 dollar, Frankrijk 233 dollar, West Duitsland 260 dollar en de Ver. Staten 450 dollar (3) . Wanneer wij voörstellen de bewapening in te krimpen en de bewapeningswedloop aan banden te leggen, dan gebeurt dit omdat wij menen dat dit beantwoordt aan de belangen van alle volken. Zaken lieden in politiek Voor de handel en de economische samenwerking tussen Oost en West heeft de détente nieuwe mogelijkheden geopend. De handel van de USSR met de industrieel en economisch ontwikke lde kapitalistische landen is van 1971 tot begin 1976 met 170 pct. toegenomen . Dank zij de ontspanning en het groter

19


wederzijds vertrouwen werd het mogelijk omvangrijke projecten, berekend voor een duur van 20 à 25 jaar, op een multilaterale basis ten uitvoer te brengen. De tegenstanders van de détente beweren dat zij de economische successen van de So~et Unie in de hand werkt en zij verlangen daarvoor zelfs een concessie van ons (laten de Russen maar voor de ontspanning betalen). Wat moet men dergelijke 'zakenlieden in politiek' daarop nu antwoorden? Eenvoudig dat de So~et Unie geb leven is wat zij was reeds lang voor de ontspanning. In 1950 maakten de omzetten op het terrein van de industriële produktie der USSR 25 pct. uit van het overeenkomstige niveau in de Verenigde Staten, welk verhoudingscijfer in 1975 tot 97 pct. gestegen was. Vervolgens valt op te merken dat bij het huidige tempo in de wetenschappelijke en technische revolutie afzonderlijke gebieden in de wereld in toenemende mate wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. Welnu, dan valt het toch moeilijk te zeggen wie heden (en nog meer morgen) meer profijt van de coöperatie en de hande l trekt. Overigens zijn vele economen van het Westen de mening toegedaan dat, zo men rekening houdt met de energieproblemen . en het vraagstuk van de werkgelegenheid in het westen, de samenwerking tussen de USSR en de kapitalistische landen een bijzondere betekenis verkrijgt. Alleen onder het voorhanden zijn van een détente kon een initiatief geboren worden als het voorstel van de Comecon om met de EEG een overeenkomst aan te gaan waar het betreft de grondslagen voor de wederzijdse betrekkingen. De Comecon is bereid zijn medewerking te verlenen voor het regelen van zulke vraagstukken als de standaardisatie, de milieubescherming, het opstellen van economische prognoses , e.d.m. Wat de mogelijkheden voor een dergelijke samenwe rking betreft, daarvoor getuigt het volgende gegeven: de handelsomzetten van de lidstaten der Comecon met de lidstaten van de EEG zijn in het tijdvak 1970-1975 met het drievoudige gestegen. Maar het succes van deze samenwerking zal niet in de laatste plaats afhangen van het wederzijds belaPg en het wederzijds vertrouwen en van het afzien van oude vooroordelen. Het is immers geen geheim dat velen in het Westen nog onlangs hebben verklaard: zonder het erkennen van de gemeenschappelijke markt door de socialistische landen kan er van een algemeenEuropese samenwerking niet de minste sprake zijn . En thans wrijven diezelfde lieden zich verkneuterd in de handen: het blijkt dat het socialisme niet kan bestaan zonder de Gemeenschappelijke Markt, redeneren zij. En dat wordt gezegd op een moment dat het accres in de produktie van de industrieel ontwikkelde kapitalistische landen in de laatste vijf jaar slechts een kwart heeft bedragen van de stijging der produktie in de Comecon-landen. Gelet op de problemen van algemeen-menselijke aard vereist het gezonde verstand dat tot een bundeling van de inspanningen wordt overgegaan. Op het 25ste congres van de CPSU werd uiting gegeven aan de bereidheid der USSR om een actief aandeel te nemen in de internationale samenwerking voor het oplossen van het energie. en het grondstoffenprobleem, voor het tenietdoen van de meest gevaarlijke ziekten , voor het beschermen van het leefmilieu, voor het beheersen van de kosmos en voor het benutten van de wereldzeeën. Daarin zien wij het verwezenlijken van de détente.

wereld, een wereld waarin nu eenmaal klassen en verschillende maatschappelijke stelsels bestaan. leder onzer h oudt er zijn systeem van inzichten op na. Maar dat vonnt geen beletsel om gemeenschappelijk te zoeke n naar de wegen die leiden naar de vrede, naar het vertrouwen en de samenwerking. Wij pleiten voor samenwerking op de gebieden van cultuur, onderwijs, en infonnatie, onder het eerb iedigen van de soevereiniteit, de wetten en de gewoonten van ieder land en in het belang van de geestelijke verrijking der mensen, alsook van een toenemend vertrouwen tussen hen. Wij zijn tegen de ontbindende invloed die een vreemde pseudo-cultuur op het moreel van de samenleving uitoefent, tegen destructieve en van haat jegens de mensen vervulde ideeën. Zo men zo u trachten de filosofie van de ontspanning en de samenwerking op ideologisch terrein in de vonn van een bepaalde thesis uiteen te zetten, dan zou die thesis als volgt kunnen luiden: omspanning betekent de mogelijkheid om de grenzen van de samenwerking te verruimen, zonde r van anderen te verlangen dat zij afstand van hun inzichten zullen doen. Dit is mede ons antwoord op de vraag aangaande de verhouding lussen de ontspanning en de maatschappelijke status-quo. En diegenen die de USSR er van beschuldigen dat zij de ontspanning ondennijnt omdat ons land steun verleent aan de volken die opkomen voor hun nationale en maatschappelijke bevrijding, voegen wij toe dat de ontspanning daar niets mee te maken heeft. lmmers, een revolutie is een objectief proces dat niet van buiten af kan worden opgedrongen. Wij zijn tegen het exporteren van de revolutie, tegen haar verspreiding door middel van de wapens, Maar wij waren, zijn en blijven aan de zijde van diegenen die strijd voeren voor hun vrijheid en onafhankelijkheid. Wanneer ik scpetische opmerkingen hoor naar aanleiding van de ontspanning, dan zou ik de vraag willen stellen: wat kunt u als alternatief aanbevelen: terugkeer naar de 'koude oorlog'? Terugkeer naar een nieuwe confrontatie die tot de nucleaire zelfvernietiging leidt? Voor de mensen bestaat de aantrekking~ _ kracht van de ontspanning, van de détente, daarin, dal er gee n verstandig alternatief voor in de plaats kan worden gesteld. Wladimir Lomeiko h oofdredacte~r Persagentschap Nowosti

Opmerkingen, toegevoegd door de redactie

Onderstö.ande gegevens worden t.b.v. de vergelijking gegeven en spreken geen oordeel uit over de juistheid van de in het artikel verwerkte cijfers. (I)

DeMilitary Balance. uitgave 74/ 75 venneldt voor 1971 een defensÎebegroting in de Sovjet Unie van 23,17 miljard roebel.

(2)

Dit stemt niet overee n met de Military Ba/anee 75/ 76, die op pag. 10 venneldt:

Ideologische strijd

1972 23,4 În miljarden roebels in miljarden US $ (officiële koers) 28,2 in miljarden US $ (geschatte ruil 84,4 koers)

De ontspanning in de politiek verruimt ook de mogelijkheden

die er voor de culturele vooruitgang van geheel Europa aanwezig zijn, aangezien zij de uitwisseling bevordert van geestelijke waarden, van infonnatie en het vestigen van internationale contacten in de h.3:"d werkt. Soms hoort men beweren dat een détente evenmin als de samenwerking mogelijk is wanneer de ideologische strijd voortduurt. Sommigen gaan zelfs verder door van ons te verlangen dat wij van de ideologische strijd afstand zullen doen. Niemand is echter bij machte - zelfs al zou hij het abso luut willen - de strijd tussen de ideologieën op te heffen. Immers, het betreft hier een objectieve, historische categorie in de

20

1973 23 ,8 33 , 1 88,9

1974 23,8 33,7 96,4

1975 26, 1 36,4 103 ,8

Op basis van de gesch atte ruilkoers werd in de SU in 1974 $ 382 en in 1975 $ 409 per hoofd van de bevolking uitgegeven. Voor vergelijking Qlet andere landen zijn cijfers op basis van de officiële koers van roebel en dollar onbruikbaar. (bron: Military 8a/anee 75/ 76, blz. 76.)

(3)

De Military Ba/ance 75/ 76 venneldt voor 1975 per hoofd van de bevolking: Sovjet Unie 409 dollar, Groot Brittannië 184 dollar, Frankrijk 233 dollar, West Duitsland (exclusief West Berlijn) 260 dollar en de Verenigde Staten 430 dollar.


"De andere kl/nt

1/

af.chaffen, de:e raker Ireefr Irer :elfde eflecr!" (nul dallk aan hel ParoQl)

studio voor lay-out en montage litho' s, offsetplaten, fotozetsel goed drukwerk in offset en boekdruk zowel grote als kleine oplagen

meer dan 50 jaar ervaring

nieuwe rijn 83 â&#x20AC;˘ tel. 071¡122751


Stichting ]ASON Van Stolkweg 10,

DEN HAAG

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1976), jaargang 01 nummer 4  

Jason magazine (1976), jaargang 01 nummer 4  

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded