Issuu on Google+

9 789077 525159

ISBN: 978-90-77525-15-9

landschapsatlas van

s­ ociaal-economische veranderingen. Bij natuurlijke veranderingen denken we aan klimaat­verandering, zeespiegelstijging, geotektonische bodemdaling en aan de verandering van biodiversiteit. Sociaal­economisch hebben we te maken met een k­ rimpende bevolking en een andere positionering van de landbouw op Walcheren: binnen het kleinschalige k­ arakter meer regionaal dan mondiaal georiënteerd. Een ­kwaliteitsslag voor de recreatie en de Walcherse ­wooneconomie is hoognodig. De landschapsgeschiedenis beslaat het grootste deel van de atlas. Deze is geïllustreerd met veel uniek kaartmateriaal, met afbeeldingen van prenten en schilderijen die voor een deel nooit eerder ­werden ­gepubliceerd, en met veel historische en nieuwe fotografische beelden. Tevens zijn reconstructies van historische landschapsbeelden kartografisch weer­ gegeven. Ook is ‘Het Nieuwste Walcheren’ in beeld gebracht, als aanzet voor het verder ontwikkelen van Walcheren op basis van de sporen van tijd.

walcheren

Een landschapsatlas als deze is nog niet eerder verschenen. Hij beschrijft de g ­ eschiedenis van het landschap van Walcheren, vanaf het ontstaan tot nu toe. Die beschrijving is het boeiende verhaal van de natuur die eerst vormgaf aan het landschap en van de bewoners van dit gebied die geleidelijk aan de ontwikkeling hebben bepaald. In de loop der eeuwen zijn duidelijke breukvlakken te onderscheiden: natuur­rampen, maar ook historische hoogte- en dieptepunten. Tijden van bloei en verval – vaak in het kielzog van perioden van investeringen en tijden van oorlog en overheersing – h ­ ebben elkaar afgewisseld en hun sporen nagelaten. Inspirerende sporen van tijd, zo luidt de ondertitel. Daarom gaat het namelijk in deze atlas: hoe ziet de toekomst van Walcheren eruit, wanneer rekening ­gehouden wordt met de sporen van tijd, die zich ­manifesteren in het aardkundig, archeologisch en cultuur­historisch erfgoed. Die toekomst moet g ­ ezien worden in het perspectief van de n ­ atuurlijke en

landschapsatlas van

walcheren inspirerende sporen van tijd


landschapsatlas van walcheren


Bos & Bรถttcher, Koudekerke 2008


landschapsatlas van

walcheren inspirerende sporen van tijd kees bos jan willem bosch Gerrie Andela Jan van Mourik Jan Zwemer


© Bos & Böttcher publiciteit, Koudekerke en Bosch Slabbers tuin- en landschapsarchitecten, Middelburg, 2008. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een g ­ eautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door ­fotokopieën, of op enige andere manier, zonder vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

ISBN/EAN: 978-90-77525-15-9


voorwoord Het landschap van Walcheren spreekt bij velen tot de verbeelding en is vooral in het verleden veel bejubeld. Het Walcheren van nu is het resultaat van een lange landschapsgeschiedenis, maar wat we nu zien is een momentopname. Deze atlas laat zien dat het ­landschap voortdurend verandert en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Nadat het land op natuurlijke wijze uit de zee was gegroeid hebben mensen er bezit van genomen. De natuurlijke condities h ­ ebben de bewonings­mogelijkheden heel lang bepaald. ­Breukvlakken hebben grote invloed gehad op het aanzien van Walcheren. Eerst waren het over­stromingen, later een offensieve strijd tegen het water waardoor het land veilig bewoond en landbouwkundig gebruikt kon worden. Hierdoor nam de bevolking a ­ anzienlijk toe. De koloniale periode gaf het land opnieuw een ­geheel ander aanzien: Walcheren werd door de aanleg van enkele honderden buiten­plaatsen de Tuin van ­Zeeland. Perioden van bloei werden g ­ evolgd door e ­ conomische crises en verval. Oorlogen en ­overheersing door vreemde mogendheden lagen ­hieraan meestal ten grondslag.

De waarden en identiteit geven richting aan het ­denken en handelen voor de toekomst. Het b ­ enutten van kansen en versterken van kwaliteiten, ­waarbij de cultuurhistorie een belangrijke rol dient te s­ pelen, ­vormen dan ook de uitgangspunten voor het ­provinciale omgevingsbeleid. Daarom wordt in deze atlas eerst teruggekeken op de geschiedenis van het landschap, om vervolgens in het laatste hoofdstuk de blik op de toekomst te richten. De atlas geeft een beeld van het toekomstige Walcheren, niet omdat het echt zo zal worden, maar wel omdat nadenken over de koers die het voormalige eiland uitgaat opnieuw noodzakelijk is. Deze Landschapsatlas van Walcheren is de eerste in zijn soort die in Nederland verschijnt. Het is mooi dat juist voor dit deel van Zeeland de sporen uit het verleden naar de toekomst worden doorgetrokken. Daarmee kan deze atlas model staan voor andere gebieden. Mogen de prikkelende toekomstschetsen voor ‘Het nieuwste Walcheren’ bijdragen aan het ­inspirerend bouwen en vormgeven voor o ­ ntwikkelingen op Walcheren met een uitstraling naar andere ­gebieden in de Zuidwestelijke Delta.

Sporen uit de landschapsgeschiedenis zijn in het ­actuele Walcheren nog aanwezig in de vorm van aardkundig, archeologisch en cultuurhistorisch ­erfgoed. Ze geven het landschap betekenis, zodat het zich laat lezen als een geschiedenisboek. Niet voor niets valt Walcheren onder de aandacht van Belvedere en heeft het de status van Nationaal Landschap.

Frans Hamelink Gedeputeerde Water, Natuur en Landschap


inhoud 7

0 | Ten geleide

5 | 1800-1940

inspirerende sporen van tijd

van fransen tot duitsers

9

Kees Bos

Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

Landschap 10 Satellietbeeld 13 Erfgoed 16 Hoofdlijnen 18 Het nieuwste Walcheren

Een periode van verval 184 Nieuw elan voor Vlissingen 202 Buitenplaatsen en plantsoenen 214 Opkomst badplaatscultuur 220 Het platteland toegankelijker 224 Steenhove 236

22

183

1 | 10.000 jaar landschapsontwikkeling

van zee naar land

6 | 1900-1950

25

Jan van Mourik

een nieuwe toekomst

Het landschap in de tijd 26 De aardkundige context 28 De genese van het landschap Landschappelijke waarden 48

Gerrie Andela

241

Een typisch 'Middelburgse atmosfeer' Regeneratie van Vlissingen 250 Een oorlogslandschap 256 Het nieuwe Walcheren 264

34

242

2 | 600-1500

het middeleeuwse erfgoed

7 | 1950-2000

55

naar de eenentwintigste eeuw

Jan Zwemer

Weer bewoond en ontgonnen

Veranderingen in stroomversnelling 282 Agrarisch landschap en recreatiedruk 284 Groei van steden en dorpen 300 Het erfgoed van de Snelcommissie 324 Groenstructuurplan 330 Boerderijen en erven 334 Een ruilverkaveling van de tweede generatie Verval en herstel buitenplaatsen 340 Zeeuwse uitwerking natuurbeleidsplan 350 Maakbare natuur 352

3 | 1500-1650

een laatmiddeleeuws panorama

75

Kees Bos, Jan Willem Bosch

Museum Plantin-Moretus Koopvaardij en visserij 98 Vijftig jaar eerder 104 Vijftig jaar later 106

76

4 | 1650-1800

een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch m.m.v. Kees Bos

Walcheren als ‘Tuyn van Zeeland’ Buitenplaatsen 120 Den Dolphyn 142 Arnestein 146 Poppenroede 149 Popkensburg 155 Het Huis te Oostkapelle 160 Sint Jan ten Heere 166 Ter Hooge 172

281

Jan Willem Bosch m.m.v. Kees Bos, Jan Zwemer

56

336

113

8 | Toekomstvisie 114

het nieuwste walcheren

357 Jan Willem Bosch, Jan van Mourik m.m.v. Kees Bos e.a.

Walcheren waarheen? 358 Actuele aandachtsvelden 364 Ideeën over de toekomst 366 Mogelijke scenario’s: een proeve van kansen Epiloog 398 Noten 403 Register 409 Illustratieverantwoording

412

368


Walcheren, halverwege het jaar – een zomerdag in juni. De Pekelingseweg is een gestroomlijnde weg in ‘Het nieuwe Walcheren’. Zo ook de Domburgse Watergang, rechts ervan. Kavels volgens een heringericht, nog steeds kleinschalig patroon. Met bomen beplante erven. Dit nieuwe Walcheren is als het ware op een ouder Walcheren gelegd: dat van voor de Tweede Wereldoorlog en van nog eerder. Sporen van het landschapsverleden zijn nog aanwezig. Het is een u ­ itdaging deze niet uit te wissen, maar ze te integreren of zelfs te ­prononceren in het landschap van de toekomst.

8


hoofdstuk 0 | Ten geleide kees bos

inspirerende sporen van tijd 9


Dit is een kleurenreproductie (16,5 x 23 cm) van een schilderij van ­Johannes Goedaert (Middelburg 1617 - 1668) dat de titel draagt ‘Landscape with sportsman, and distant view of Middelburg’. Het oorspronkelijke schilderij is in bezit van het Victoria and Albert Museum in L ­ onden. ­Goedaert was een typische vertegenwoordiger van zijn tijd. “In hem komen het individualisme van R ­ eformatie en Renaissance samen”, schreef Laurens Bol in het Zeeuws Tijdschrift 1996-2. Hij is schilder en entomoloog, met b ­ ewondering voor de schepping, maar te nuchter om m ­ ysticus te zijn. In zijn landschappen is hij - net als in zijn studie en t­ekeningen van insecten - duidelijk realistisch, inventariserend en ­beschrijvend. Dat is goed af te leiden uit dit schilderij,

0.1

landschap Ten geleide Kees Bos

10

0.1

De titel van het inleidende hoofdstuk van deze ­Landschapsatlas suggereert dat er vanuit het ­landschapsverleden sporen te ontdekken zijn die ­kunnen inspireren bij de vormgeving van een ­toekomstig landschap. Het begrip ‘landschap’ is niet voor iedereen een­duidig. Voor velen betekent het een subjectieve aanblik die ons verleidt tot een belevingswaardering van mooi

of niet-mooi, en die in tweede instantie creatief verwerkt kan worden in een landschapsschilderij, in foto- of filmbeelden. (0.1, 0.2) Landschap kunnen we ­omschrijven als delen van het aardoppervlak waar natuur en ­cultuur door de eeuwen heen tezamen een ruimtelijk beeld hebben opgeleverd. Een landschap heeft d ­ aardoor per definitie een dynamisch karakter: het is blijvend in ontwikkeling omdat de biotische en


dat een goede indruk geeft van het nog middeleeuws ­aandoende landschap vlak achter de duinen. Van links naar rechts is bebossing te zien van de Manteling met Kasteel Westhove. Westhove ziet er nu anders uit. Het is illustratief om dit beeld te vergelijken met dat van een eeuw e ­ erder op het Panorama van Antoon van den Wijngaerde. Geheel rechts op de uiterste achtergrond is de Lange Jan van ­Middelburg herkenbaar. 0.2 Michiel Paalvast, Zicht op de duinen. 2008. Olie op papier (50 x 32,5 cm).

11

abiotische natuurlijke processen niet constant zijn, en bovendien omdat het door menselijk h ­ andelen steeds meer en ingrijpender wordt beïnvloed. De ­motieven voor menselijk ingrijpen zijn in eerste ­instantie van economische noodzaak. Daarnaast ­spelen in de l­andschapsarchitectuur tijdgebonden schoonheids­idealen en filosofische cultuuropvattingen een rol. Hieraan lagen en liggen steeds voort­durend ­veranderende beweegredenen ten grondslag. Een van die cultuuropvattingen betreft een wisselend inzicht in hoe de natuur er in een ideale vorm zou moeten uitzien. Voordat in onze westerse samenleving het l­andschap bewust als landschap werd ervaren, was het al ­gedurende lange tijd door interactie tussen mens en aarde gegroeid. Die periode duurde voort tot in de ­ enaissance Middeleeuwen.1 Met de komst van de R heeft de cultuur geleid tot bewuste l­andschappelijke vormgeving, die zich onder andere uitte in r­eligieus geïnspireerde barokke ontwerpen, waarbij de ­natuur g ­ esymboliseerd werd weergegeven. Met de ­Romantiek kwam de ­geïdealiseerde natuur bij de aanleg van buiten­plaatsen in zwang. In dezelfde tijd verschenen binnen Europa ook de eerste industriële ­landschappen en ging de verkeersinfrastructuur een steeds b ­ elangrijker deel uitmaken van het landschap. Ongerepte natuur was toen - zeker in Nederland reeds lang een illusie, ook al zou bij het beheer van in cultuur g ­ ebrachte landschappen de natuur aan zijn lot overgelaten ­worden. Sinds de jaren zeventig van de ­twintigste eeuw dacht men dat ‘niets doen’ de ­gewenste ­natuurwaarden zou opleveren. Het is een opvatting die ook door natuurbeschermings­ organisaties in­middels weer verlaten is en die plaats heeft gemaakt voor een creatieve benadering. Daarin is de mens een integraal onderdeel van het landschappelijk systeem waarin als ideaalbeeld de natuurlijke respons op menselijk ingrijpen wordt ­gerespecteerd en de landschappelijke diversiteit ­duurzaam wordt beheerd. Hoe ver willen we gaan in het scheppen van een ­nieuwe landschapsidentiteit en hoe ver kunnen we gaan, met het oog op de natuurlijke respons op het menselijk ingrijpen? Deze Landschapsatlas

0.2

van ­Walcheren is gemaakt vanuit de Belvedere­ gedachte ‘Behoud door ontwikkeling’. Daar waar de in vele e ­ euwen interactie tussen mens en aarde meer ­gegroeide dan geplande sporen hun betekenis h ­ ouden of ­krijgen, moeten ze een inspiratiebron of een leidraad voor veranderingen zijn. We nemen Walcheren als voorbeeld, o ­ mdat ­Walcheren door zijn langdurige eiland­status - ­waaraan pas in 1871 een eind kwam - een r­edelijk goed af te bakenen ­geografisch-landschappelijke eenheid is. Weliswaar is over Walcheren veel bekend, maar die actuele ­kennis van de l­andschapsgeschiedenis is verspreid over d ­ iverse publicaties en archieven. De reden om deze L ­ andschapsatlas te maken is het bundelen van die kennis, zodat daarmee de continue landschaps­ ontwikkeling met een aantal d ­ uidelijke ­breukvlakken wordt vastgelegd. We b ­ eginnen in dit inleidende ­hoofdstuk bij het Walcheren zoals zich dat thans aan ons voordoet, en kijken dan terug naar het ontstaan. Zo kunnen we de ­aardkundige, ­archeologische en ­cultuurhistorische sporen ­ontdekken. In het laatste hoofdstuk wordt uitzicht geboden op een betekenisvolle plaats voor deze sporen in de toekomst.


Ten geleide Kees Bos

12


0.3

Satellietbeeld Walcheren.

satellietbeeld 13

Vanuit de ruimte naar de aarde kijken: dat kan tegenwoordig. Google Earth brengt s­ atellietbeelden op ons computerscherm. Richten we de blik op Walcheren, dan zien we een landschap dat is opgebouwd uit een enorme hoeveelheid kleine vlakjes: de landbouwkavels. (0.3) Ze vormen een onregelmatig, fijnmazig patroon, waarin watergangen en wegen zich als dunne doorgaande lijnen onderscheiden van de kavel­grenzen - vaak slootjes en greppels. De vlakjes verschillen van kleur, die in seizoensgebondenheid een spectrum van donker- en lichtgroen naar geel- en grijstinten laat zien. Zo'n satellietbeeld nodigt ons uit om op ­kaarten en in het landschap te gaan onderzoeken wat die kleuren betekenen. We kunnen steden en ­dorpen h ­ erkennen, die gelijkmatig over de o ­ ppervlakte ­verspreid lijken te zijn. Kreken en vestinggrachten steken donker af. Het Kanaal door Walcheren is een strakke, driemaal geknikte lijn, die een kwart van het voormalige eiland scheidt van de rest. Langs het kanaal liggen de steden Vlissingen en Middelburg met hun bedrijventerreinen, en Veere. In het noorden zien we de zich verbredende strook van de M ­ anteling. In het westen de smalle duinreep. In het oosten lijken de kavels wat groter. In het zuidoosten is duidelijk het haven- en industriegebied van Vlissingen-Oost te herkennen. We kunnen op het Walcherse satellietbeeld i­nzoomen, zo nauwkeurig dat de details zichtbaar worden, ieder veld afzonderlijk, met af en toe een merkwaardig lijnenspel, de wegen al dan niet met bomen en hagen, de boerderijen, loodsen, huizen, schuurtjes, andere bouwsels, de parken en tuinen. (0.4 A/B/C) Met de voeten op de grond zien we het landschap vanuit het dagelijks perspectief. (0.5 A/B) We missen het overzicht vanuit de ruimte, maar we beleven het landschap in zijn voorkomen en actuele gebruik. Onze ­beleving van het landschap wordt intenser ­naarmate we er meer van weten. Elk landschap is dynamisch en het aanzien ervan zal in de loop van de tijd ­veranderen. Wie er oog voor heeft, herkent de ­aspecten van de landschapsgeschiedenis.

0.3


0.4 A

Ten geleide Kees Bos

14

0.4 B

0.4 C


0.4 A Bij het inzoomen op het satellietbeeld worden details zichtbaar. Op deze schaal is duidelijk de aan- of a ­ fwezigheid van wegbeplanting te zien. Ook kreekruggen en poel­gronden vallen te onderscheiden. Het dorp links is Grijpskerke en rechts ligt het langgerekte Sint Laurens. Beide zijn op een kreekrug gebouwd. De akkerpercelen zijn hoofdzakelijk ­daarop geconcentreerd; ze zijn in aardetinten herkenbaar, sommige groene percelen zijn ook bouwland. Het hoofd­zakelijk groene middengedeelte is laag­gelegen ­weidegebied. Als gevolg van de betere ontwatering zijn ook daar ­enkele graslanden gescheurd en omgevormd tot bouwland. ­Vergelijking met de bodemkaart maakt de patronen ­herkenbaar. Een van de fraaiste voorbeelden van ook vanaf de grond zichtbare kreekruggen op Walcheren ligt ten noorden van Grijpskerke. In donkergroen zijn daar ­fruitboomgaarden op aangeplant. Ook het verloop van de lichtgekleurde a ­ kkers op de hoge rug heeft een kenmerkend kavelpatroon ­(omgeving Steengrachtsweg/Molembaixweg).

De met afbeelding 0.4 A corresponderende uitsnede van een ­bodemkaart uit 1952 van ir. J. Bennema en dr. ir. K. van der Meer. De lichtkleurige gedeelten zijn, net als de mosterdgroene, de kreekruggen met soms in blauw een kreekbedding. De bruine vlakken zijn de kleiplaatgronden van laaggelegen poelgebieden.

0.4 B

0.4 C Hoe hetzelfde gebied in het eerste kwart van de vorige eeuw kartografisch werd weergegeven, toont deze uitsnede uit de Chromotopografische kaart des Rijks 1:25.000. Het linkergedeelte is verkend in 1918, het rechtergedeelte in 1909. 0.5 A Grijpskerke, Steengrachtsweg 1 en 2. De grond is gewelfd. Achter een windsingel van geknotte populieren bevindt zich een boomgaard op de kreekrug, die ook op het ingezoomde satellietbeeld zichtbaar is. Door de dakruiter op de kerk van Grijpskerke (op de achtergrond) is de plek goed te ­lokaliseren. 0.5 A

0.5 B

0.5 B Deze foto is op vrijwel dezelfde plek gemaakt vanaf de Steengrachtsweg, maar nu 180 graden gedraaid. Op de voorgrond de akker op de kreekrug. Daarachter een laaggelegen poelgebied met geheel op de achtergrond de met bomen beplante kreekrug van Serooskerke.

15


Inspirerende, of misschien beter intrigerende sporen op het strand. Twee foto’s die rond 1970 zijn gemaakt op het strand van Westkapelle bij de Joossesweg. Banen van klei en daartussen ruimtes met zand. In de kanten zijn nog duidelijk sporen van spa-steken te zien: hier is dus ooit gegraven. Het is goed denkbaar dat het gaat om een middeleeuwse afgraving, toen dit gebied nog binnenduins lag. De duinen verstoven daarna landinwaarts, waardoor de ­desbetreffende strook land buitenduins kwam te l­iggen. Een aanvankelijk vermoeden dat het hier gaat om een ­terrein waar g ­ emoerd is - turf gewonnen om daaruit zout te ­winnen - is ­onwaarschijnlijk geworden nadat bij een boring op 1 maart 2008 onder het recente strandzand een oudere

0.6 A/B

erfgoed Ten geleide Kees Bos

16

0.6 A

0.6 B


laag zware klei van 80 centimeter werd waargenomen met daaronder zaveliger en zandiger getijdenafzettingen. Het is deze zware klei die werd gewonnen voor een bepaald doel, mogelijk voor de ­versterking van de zeedijk, maar mogelijk ook om er ­stenen van te bakken. De op de foto’s zichtbare steenhopen zijn in dat geval misschien in de kleigroeve gedumpte misbaksels. De sporen zijn vaker onder bepaalde omstandigheden te zien geweest, zoals er ook kleiplaten bij Domburg, Dishoek en tussen Zoutelande en West­kapelle zichtbaar waren. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen men begon met zandsuppletie, zijn de sporen ­onzichtbaar geworden.

De Vlissingse oud-huisarts en lokaal historicus A. van Dijk herinnert zich in de jaren zeventig soortgelijke p ­ atronen ­gezien te hebben bij het Vlissingse badstrand. Een ­interpretatie van de bodemkaart waarop afbeelding 1.17 is ­gebaseerd, maakt moernering op die plek waarschijnlijker. 0.6 C In een vers gestoken Walcherse slootkant zijn vaak zulke zwarte veenprofielen te zien. Het zijn overblijfselen van ­moernering voor turf- en of zoutwinning, en ze behoren tot het archeologisch erfgoed.

17

0.6 C

Landschapsgeschiedenis vertelt het verhaal van de voortdurende wisselwerking tussen natuurlijke processen en menselijke ingrepen. Het resultaat is het actuele landschap. Het vormt in zekere zin een geschiedenisboek dat is opgebouwd uit lagen. Vooral op, maar zeker ook onder de oppervlakte is als het ware het familiealbum van de regio te zien. (0.6 A/B/C) Zoals de mens zijn identiteit ontleent aan zijn familie­ geschiedenis, zo ontleent een streek zijn identiteit aan de landschapsgeschiedenis. Om de kwaliteit van het streeklandschap in zijn eigen identiteit te kunnen beschermen en verder te ontwikkelen, is het nodig het album van de regio te kennen en zo zicht te krijgen op de natuurlijke grondslag en de cultuurhistorische verworvenheden die samen de identiteit vormen. Met cultuurhistorische verworvenheden wordt bedoeld: archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed, maar ook moderne bouwkunst en landschapsarchitectuur. Bij de

natuurlijke grondslag gaat het om aardkundig erfgoed en biodiversiteit die het landschap herbergt. Het laatste blad van het landschapsalbum wordt ­(onder andere) door het afstandelijke satellietbeeld weergegeven. Maar hoe zien de oudere atlas­bladen eruit? Hoe kunnen we de sporen ontdekken die een leidraad kunnen zijn voor het tekenen van een toekomst­beeld? In plaats van up-to-date satellietbeelden zijn er ­kaarten van eerdere situaties. In plaats van a ­ ctuele uitzichten zijn er foto’s, prenten, schilderijen uit een recent en verder verleden. Bovendien is er ­actuele culturele en geo-ecologische kennis van landschapsvormende ingrepen en processen. Dat maakt het ­mogelijk om ook oudere sporen van tijd te r­econstrueren. Sporen die inspireren om in ­ontwikkelingsscenario’s het voortbestaan van de ­landschapsidentiteit te waarborgen.


0.7 Voordat Middelburg een stad werd, was het een r­ing­walburg in het middeleeuwse Walcherse landschap. Het ring­vormige stratenpatroon is kenmerkend. Aan de buiten­zijde van de oorspronkelijke gracht rondom de burg ­werden huizen gebouwd met de achterzijde en tuinen aan de gracht. Met hun voorgevels vormen de opvolgers van die eerste huizen het eeuwenoude stratenpatroon. De foto is ­gemaakt op 16 juli 2006.

hoofdlijnen Ten geleide Kees Bos

18

0.7

We kunnen wat Walcheren betreft vrij ver ­terugkijken, als het ware tot de geboorte van het land uit de zee. De natuurlijke groei van het eiland, in fasen van ­vooruitgang en terugslag, vormt een onderdeel van de geologische geschiedenis van de delta van de Lage Landen. Mensen hebben het landschap de vorm van hun tijd gegeven. Zo hebben de b ­ ewoners in de prehistorische en Romeinse tijden al invloed gehad op de vegetatie en drainage, en hun bewonings­sporen in het landschap achtergelaten. Er was al vroeg sprake van landbouw - in de vorm van de teelt van g ­ ewassen en het weiden van vee (schapen) - en v­ isserij; ook was er zoutwinning uit brak veen en zeewater; nijverheid en handel ontbraken evenmin, zo blijkt uit a ­ rcheologische vondsten. Invallen van G ­ ermaanse stammen en stormvloeden veroorzaakten een intermezzo t­us­sen ongeveer de vierde en de achtste eeuw, waarin van

bewoning nauwelijks sprake was. Daarna werd de menselijke invloed op de landschapsontwikkeling steeds sterker, met aanvankelijk dezelfde a ­ ctiviteiten in de voortdurende bewoning sinds die vroege ­Middeleeuwen. Aanvankelijk was de bewoning nog gespreid. Ter verdediging tegen vijandelijke aanvallen werden drie ringwalburgen aangelegd, waarvan in M ­ iddelburg en Oost-Souburg manifeste relicten zijn o ­ vergebleven, en in mindere mate in Domburg. (0.7) De strijd tegen het water werd gevoerd met de aanleg van d ­ ammen en dijken. Bewoning concentreerde zich later in dorpen en ommuurde steden, terwijl in en buiten die steden kerken, kloosters, vliedbergen en k­ astelen beeld­ bepalende elementen werden. (0.8) Strijd­tonelen, ­inundaties en inpolderingen, e ­ conomische bloei en


0.8 Prenten kunnen een beeld geven van het Walcherse landschap van vroeger. Hier een tekening (pen en penseel in Oostindische inkt, met zwart krijt) uit de zeventiende eeuw door Goedaert. De afbeelding toont het klein­schalige landschap met Middelburg op de achtergrond. Met de hem ­kenmerkende nauwkeurigheid heeft Goedaert ook dit schilderij vanuit de duinen - vermoedelijk tussen Vlissingen en Dishoek - gemaakt. De plek waar hij getekend heeft, valt te reconstrueren als we de herkenbare g ­ ebouwen van Middelburg in het perspectief zien: van links naar rechts ­vermoedelijk de toren van Ter Hooge, de Noord­monster- of Sint Pieterskerk, de stadhuistoren, de Lange Jan, daarna vermoedelijk de toren van de Bachte S ­ gravenhovekerk

(Vischmarktkerk) en tenslotte de Gasthuiskerk. Een ­vergelijking met Goliats stadsplattegrond van Middelburg uit 1696 is illustratief (zie afbeelding 3.8). Dat de Oostkerk niet te zien is, maakt het waarschijnlijk dat de prent van voor 1650 dateert. De bouw van de Oostkerk was een langdurig project (1647-1666). In 1651 al werd de Oostkerk b ­ eschreven als ‘Een heerlyk stuk der Hedendaagse Bouwkunde’. Dat a ­ lthans valt te lezen in het in 1751 door Isaac Tirion ­uitgegeven negende deel (Zeeland) van de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden.

19

0.8

verval hebben in de loop der eeuwen d ­ rastische ­wijzigingen aangebracht in het landschap van ­Walcheren. Al in de dertiende en veertiende eeuw waren er inpolderingen in het noordoosten van het eiland. Een nieuwe haven voor M ­ iddelburg trok in de zestiende eeuw een recht spoor in het landschap. ­Verdedigingswerken in ­Italiaanse stijl ­werden ­aan­gelegd bij Rammekens, rond M ­ iddelburg en ­Vlissingen en bij Vrouwenpolder. Veel dorpen, k­ erken en kloosters werden in diezelfde eeuw ­verwoest. ­Dorpen waarvan de kerk niet werd herbouwd, ­verkommerden of ­verdwenen geheel uit het landschap. Welvaart maakte in de z­ eventiende en achttiende eeuw van ­Walcheren een Tuin van Zeeland, doordat veel rijk geworden s­ tedelingen buitenplaatsen op het platteland ­aanlegden. Bovendien werd in het oosten ook nieuw land gewonnen. De negentiende

eeuw tekende weer een ander landschapsbeeld, met Napoleontische vestingwerken en verwaarloosde, tot ruïnes vervallende en zelfs afgebroken b ­ uitenplaatsen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog waren de meest pregnante veranderingen voor het landschap: – het verlies van de eilandstatus, –h  et graven van een kanaal van Middelburg naar Veere, later het Kanaal door Walcheren, – de komst van een spoorverbinding, – industriële activiteiten bij de steden, – een tramlijn, – de aanleg van een vliegveld, –d  e opkomst van een badplaatscultuur, vooral in Domburg, – de bouw van een gemaal.


Twee foto’s van dezelfde boerderij, Wilhelmina’s Oord. In 1935 was er door al het geboomte weinig van de historische boerderij te zien. Door de inundatie van 1944 is echter veel beplanting op Walcheren verwoest. Inmiddels is de boerderij aan zijn agrarische bestemming onttrokken en heeft hij na een zorgvuldige restauratie een woonfunctie gekregen. Op de foto uit 2008 is niet goed zichtbaar dat er inmiddels een beplantingsplan is uitgevoerd. Het kost wel tijd om de nieuwe bomen tot volle wasdom te laten komen.

0.9 A/B

Ten geleide Kees Bos

20

0.9 A

De Tweede Wereldoorlog was met zijn verwoesting van vooral Middelburg, Vlissingen en Westkapelle, de bouw van bunkers en andere militaire werken, alsook de ­inundatie, de laatste en misschien wel grootste cesuur in de landschapsontwikkeling. (0.9 A/B) ­ Sindsdien zijn werken, grootschaliger dan ooit, uit­ gevoerd om ­Walcheren meer wooncapaciteit te geven, om de agrarische bedrijvigheid perspectieven te bieden, om ruimte te geven aan overige b ­ edrijvigheid, aan het massatoerisme, aan het realiseren van ­ecologische doelstellingen, kustverdediging en aan het ­toegenomen wegverkeer. De in deze laatste decennia getrokken nieuwe sporen hebben veel van de oudere uitgewist. Gelukkig zijn er toch nog sporen intact ­gebleven of slechts oppervlakkig versluierd.

Hier zijn we terug bij het satellietbeeld van ­Walcheren, zoals zich dat nu aan ons voordoet. Dit beeld vormt in combinatie met de sporen van de oudere a ­ tlasbladen het uitgangspunt voor nieuwe u ­ itdagingen.


21

0.9 B


het nieuwste walcheren Ten geleide Kees Bos

22

Toekomstig ruimtegebruik zal nieuwe bladen aan de landschapsatlas toevoegen. Publieke en private ­plannenmakers, waaronder projectontwikkelaars, zullen met ruimtevragende economische activiteiten, ecologische inrichtingen en infrastructurele werken die atlasbladen tekenen. De politiek behoort daar met ruimtelijk beleid richting aan te geven, g ­ ebaseerd op kennis en inspirerende voorbeelden. De legenda van de nieuwste bladen heeft betrekking op ­wonen, ­recreatie, industriële productie, nijverheids- en handels­activiteiten, goederenopslag, infrastructurele voorzieningen, landbouw, visserij en kustveiligheid, ogenschijnlijk grootheden die er al lang zijn. Dit is echter slechts ten dele waar. De configuratie van en de mate waarin functies aanwezig zijn, is opnieuw aan verandering onderhevig: het karakter van het ruimtegebruik zal op Walcheren zonder meer veranderen. De nieuwste atlasbladen laten een veranderd ­Walcheren zien, maar wel met een identiteit die voortbouwt op het verleden. Uiteraard zullen de echte atlasbladen van het Walcheren van 2050 er anders uitzien dan in hoofdstuk 8 is weergegeven. Er wordt een richting aangegeven die is gebaseerd op de Walcherse identiteit, en op de economische ­mogelijkheden in de komende decennia. Indien deze mogelijkheden worden onderkend en breed worden gedragen, is er voor de streek een perspectief dat economische voorspoed paart aan een opnieuw ­verrassend en hoogwaardig landschap. In die zin staat Walcheren weer voor een breukvlak, waaraan in tegenstelling tot natuurrampen, menselijke beslissingen ten grondslag liggen.


23


Van zee naar land. Oud land van door de wind a ­ fgezette zanden is zee geworden en later weer land, nog l­ater ­opnieuw zee, dan weer land. ­Walcheren is eigenlijk ­begonnen als een kwelderlandschap met zand­platen, strandwallen en getijdengeulen, waarlangs zich oeverwallen ontwikkelden. Er was een schorvegetatie, er groeide zegge en riet, uiteindelijk ook struiken en bomen. Van land naar zee. Dat gebeurt ook. Door stormvloeden of moedwillige inundaties. Het Verdronken land van Saaftinge bestaat uit polders die vanaf de zestiende eeuw overstroomd zijn. Sindsdien heeft de natuur er vrij spel. Daar is nu te ervaren hoe Walcheren er heel vroeger uit kan hebben gezien. Deze foto is in 2007 genomen in het Sieperdaschor, een voormalige polder die na een dijkdoorbraak in 1990 aan zijn lot werd overgelaten. Geulen, riet, nopjeswier. Het zou zomaar een Walchers beeld van een paar duizend jaar geleden kunnen zijn.

24


hoofdstuk 1 | 10.000 jaar landschapsontwikkeling jan van mourik

van zee naar land 25


het landschap in de tijd Van zee naar land Jan van Mourik

26

1.1 A

1.1 B

Landschappen zijn in de loop van de tijd o ­ nderhevig aan gedaantewisselingen. Dat geldt zeker voor het Walcherse landschap. Je kunt een reis door ­Nederland maken om landschappen te ervaren die i­n een tijdreeks beeldend moeten zijn geweest voor de gedaantewisselingen van het Walcherse landschap. ­ (1.1 A/B/C/D)

Het ontstaan van Walcheren hangt nauw samen met de zeespiegelstijging die inzette aan het einde van de laatste ijstijd. Het Noordzeebekken – dat in de ijstijd was drooggevallen – werd weer gevuld met zeewater en op de pleistocene ondergrond begon ruim 8000 jaar geleden de geologische opbouw van Walcheren. Meer dan acht millennia is er door n ­ atuurkrachten gewerkt aan de vormgeving van het Walcherse ­landschap. Naar menselijke maatstaven lijkt dat een ­lange tijd maar op de geologische tijdschaal is het Walcherse landschap erg jong. In die korte tijd is de natuurlijke landschapsdynamiek echter enorm geweest. Op de plaats van het huidige Walcheren was 8000 jaar geleden nog zee. Nog maar 6000 jaar


1.1 A Deze strandgeul benadert het karakter van het ­ alcherse landschap van zo’n 6000 jaar geleden: zandW platen, strandwallen en getijdengeulen domineerden het landschap.

Het landschap van Saaftinge benadert het karakter van het Walcherse landschap van zo’n 4000 jaar geleden. ­ De getijdenkreek (met oeverwallen) en de komgebieden zijn zichtbaar.

1.1 C De Romeinen moeten 2000 jaar geleden een ruigte hebben betreden zoals die nu zichtbaar is in de laatste ­niet-vergraven delen van De Peel. Vanaf die tijd zouden ­drainage en landbouw de landschapsvorming mede gaan bepalen.

1.1 B

1.1 D Het Walcherse agrarische landschap aan het eind van de twintigste eeuw. De oorspronkelijke vegetatie is vervangen door een mozaïek van landbouwgewassen; de invloed van de zee is buitengesloten.

27

1.1 C

geleden was er sprake van een waddengebied waar zee en getijdengeulen het zand aanvoerden dat leidde tot de vorming van zandplaten en strandwallen. 4000 jaar geleden was dit waddengebied veranderd in een kwelderlandschap. De getijdenkreken bleven sediment aanvoeren maar door de vertragende zeespiegel­ stijging konden planten zich vestigen op de zand­ platen en begon de afzetting van kwelderkleien. De verlanding zette door. Ongeveer 2000 jaar ­geleden namen de Romeinen bezit van het land. Uit het kwelderlandschap had zich geleidelijk een hoogveen­landschap ontwikkeld. Vanaf de Romeinse tijd zou ook de menselijke invloed een belangrijke rol gaan spelen in de verdere ontwikkeling van het ­landschap. Ontwatering, ontginning, kustverdediging en ­inpoldering zijn belangrijke ingrepen die ten grondslag liggen aan het Walcherse cultuurlandschap waarin de oorspronkelijke vegetatie voor een belangrijk deel is vervangen door een mozaïek van cultuurgewassen en waar de invloed van de zee is buitengesloten.

De combinatie van natuurlijke en cultuurlijke ­landschapsdynamiek zal er voor zorgen dat het Walcherse landschap er in de toekomst weer ­anders uit zal zien dan nu. Het interessante van die ­gecombineerde dynamiek is het gegeven dat de mens nu de ­natuurlijke risico’s beter kent en t­echnisch beter kan beheersen. Bovendien beschikken we thans over gedetailleerde kennis van karakteristiek ­aard­kundig en cultuurhistorisch erfgoed dat ook in een toekomstig landschapsontwerp behouden moet blijven. De aardkundige terugblik op het ontstaan van ­Walcheren leert ons hoe het landschap een aantal ontwikkelingsfasen doormaakte, waarvan de sporen ook nu nog herkenbaar zijn. In dit eerste hoofdstuk wordt Walcheren neergezet in zijn aardkundige context, zijn geo-ecologische ­ontwikkeling, alsmede in de benoeming van het aardkundig erfgoed en de normen van biodiversiteit die in het toekomstige landschap een plaats zouden moeten krijgen.

1.1 D


de aardkundige context Van zee naar land Jan van Mourik

28

atmosfeer en klimaat

Het is moeilijk om een goede definitie van het b ­ egrip landschap te geven. Voor een beeldend k­ unstenaar ­betekent landschap iets anders dan voor een landschaps­ecoloog. Een beeldend kunstenaar kijkt en maakt van wat hij ziet een tekening of een schilderij. Een landschapsecoloog analyseert hoe het landschap als een systeem werkt en tot welke biodiversiteit dat leidt. Het landschappelijk systeem kan prima worden ­uitgebeeld in het rangordemodel. (1.2) Het model laat zien dat het landschap uit onderdelen bestaat die elkaar in een bepaalde orde b ­ eïnvloeden. Van elk deelgebied kan een beschrijving worden g ­ egeven van de kenmerken die het Walcherse landschap zo bijzonder maken. Dat is al te zien op de foto’s die de onderdelen van het rangordemodel verduidelijken. Ieder landschap heeft een verleden, een heden en een toekomst. Op de geologische tijdschaal bestaat geen onroerend goed. Daarom is het essentieel om een ­landschap te kunnen bevatten als een moment­opname van het resultaat van drie interactieve natuur­ruimtelijke systemen, te weten het g ­ eotektonisch systeem, het geomorfologisch systeem en het e ­ cosysteem. (1.3 A/B/C)

geologische gesteldheid

reliëf

(grond)water

geotektonisch systeem Dit is het dynamische stelsel van platen die samen de aardkorst vormen. Het systeem wordt aangedreven door energie uit de aarde zelf en is verantwoordelijk voor de bewegingen van de aardkorst. De mens heeft daarop nauwelijks invloed. Verschijnselen als vulkanische eruptie, aardbevingen en tsunami’s worden er door veroorzaakt. Walcheren bevindt zich in het geotektonisch systeem op de Europese plaat, aan de rand van het Noordzee­bekken. Walcheren wordt niet bedreigd door tektonische rampen als aardbevingen, maar kan in de nabije t­oekomst wel rekenen op tektonische bodemdaling.

bodem

vegetatie

geomorfologisch systeem fauna 1.2

Dit is het complex van processen als verwering, ­bodemvorming, erosie, transport en sedimentatie, die g ­ eactiveerd worden door water, wind en ijs, maar ­aan­gedreven door zonne-energie. De mens heeft er de ­laatste eeuwen grote invloed op gehad. ­Verschijnselen als bodemerosie en rivieroverstromingen hangen s­ amen met verstoring van het geomorfologische systeem. Walcheren is opgebouwd uit deltasedimenten die


1.2 Rangordemodel van het landschap. Waarneembare elementen hebben hun plaats in dit model in een ­dynamische samenhang:

De drie natuurruimtelijke systemen die samen de landschapsontwikkeling bepalen.

1.3 A/B/C

atmosfeer en klimaat – lucht boven Westerschelde geologische gesteldheid – zichtbare geologische lagen reliëf – duinen bij Dishoek (grond)water – kreek Veerse Bos bodem – bodemprofiel vegetatie – heggentunnel op Walcheren fauna – typische bewoner van getijdennatuur Krijt

Jura

29

Perm

door de grote rivieren van Centraal Europa naar het Noordzee­bekken zijn gevoerd. Bedijking en inpoldering zijn traditionele beheersmaatregelen die bedoeld zijn om het land te verdedigen tegen wateroverlast, maar ze hebben ook een eind gemaakt aan natuurlijke ­sedimentatieprocessen. In de toekomst zal ook op Walcheren een oplossing moeten worden bedacht om het hoofd te bieden aan toenemende wateroverlast.

Carbon

geotektonisch systeem

Ordovicium

tijdschaal in millennia Cambrium

huidige continenten deel van de NW Europese plaat 1.3 A

ecosysteem Hier vindt de interactie plaats tussen bodem, flora en fauna. Essentieel in ieder ecosysteem is de ­productie van biomassa door assimilerende ­planten. De ­beschikbaarheid van licht, water en mineralen bepaalt in de meeste gevallen het n ­ iveau van de ­bio­massa­productie. Andere organismen, ­consumenten en reducenten zijn nodig om de materie­kringloop in het ­systeem te sluiten. In ieder ecosysteem o ­ ntwikkelde zich van nature een flora en fauna met een ­karakteristieke biodiversiteit. De mens heeft in de loop van de tijd in toenemende mate een sturende ­invloed gehad op de kwaliteit van eco­systemen, meestal met als resultaat: een sterke ­afname van de biodiversiteit. Vooral de moderne landbouw met bestrijdings­middelen tegen o ­ nkruiden en insecten heeft b ­ ijgedragen aan de soorten­ afname van de eco­systemen. Ook op Walcheren is de ­oorspron­kelijke ­vegetatie sterk aangetast en zal moeten worden g ­ ewerkt aan natuurherstel.

geomorfologisch systeem tijdschaal in eeuwen

+ sie ero

sedimentatie

verweringsbodem

rt spo tran

verwering

1.3 B

ecosysteem tijdschaal in jaren

zonne-energie

f

or

a n org

of e st

an

ch

isc

n is

he

ga

s

planten to

warmte

reducenten

dieren

o rg a

warmte

nisc h a f v al

1.3 C


Op deze kaart is de dikte van de kwartaire afzettingen in Nederland weergegeven. Goed te zien is de overgang van het Europese vasteland naar het Noordzeebekken. De vorming van dit bekken en het breukensysteem hangen samen met de geotektonische dynamiek.

1.4 A

Verwachte daling en stijging van het landoppervlak tot het jaar 2050 (absolute stijging of daling in centimeters ten opzichte van de situatie in 2002). De beweging is een optel­som van de natuurlijke en door menselijk handelen geïnduceerde bodembeweging. Uiteraard gaat de ­natuurlijke bodemdaling na 2050 door, als gevolg van de geotektonische dynamiek.

1.4 B

Zandsuppletie op het strand bij Westkapelle, ter hoogte van de Joossesweg. Zandsuppletie is een beheers­ maatregel die wordt toegepast waar strand en duinen door de zee worden geërodeerd. Op sommige plaatsen neemt kusterosie toe als gevolg van zeespiegelstijging en stormkracht­toename. Het is één van de mogelijke ­maat­regelen om de sterkte van de kustverdediging te ­waar­borgen.

1.4 C

Van zee naar land Jan van Mourik

30

De effecten van geotektonische processen mogen op ­langere termijn niet onderschat worden. Walcheren lift mee op de beweging van de Europese tektonische plaat. Deze ondervindt vanuit het zuiden druk van de Afrikaanse plaat. Niet alleen beweegt de E ­ uropese plaat daardoor naar het noorden, maar kantelt ­bovendien enigszins, waardoor het zuidoosten van Nederland tektonisch stijgt en het noordwesten daalt. (1.4 A/B/C)

en kk

be

ee rz

de

i Zu

Het ontstaan van Walcheren hangt sterk samen met de dynamiek van de Nederlandse kustlijn, als ­resultaat van de wisselende aanvoer van sedimenten door rivieren als Rijn, Maas en Schelde naar het Noordzeebekken, en van de schommelingen van de zeespiegel. De kustlijndynamiek wordt in belangrijke mate ­gestuurd door de klimaatwisselingen die ­kenmerkend zijn voor het Kwartair. Het Kwartair is de laatste periode in de geologische tijdschaal en beslaat ongeveer 2,5 miljoen jaar. Het wordt onderverdeeld in het Pleistoceen, waarin meerdere ijstijden afgewisseld door warmere perioden voorkwamen, en het Holoceen, de warmere periode die ongeveer 10.000 jaar g ­ eleden begon na de laatste ijstijd. IJstijden worden ­gekenmerkt door een lagere stand van de zeespiegel (60 tot 80 meter lager dan nu) en een grote opslag van sneeuw en ijs in Arctische gebieden en hoog­ gebergten. Warme tijden worden gekenmerkt door een hoge stand van de zeespiegel en een geringere opslag van ijs en sneeuw. Vooral tijdens de overgang van ijstijd naar warme tijd voerden de rivieren grote hoeveelheden sedimentrijk smeltwater uit het achterland naar de delta. Op zulke momenten in de geologische geschiedenis is er hard gebouwd aan de delta’s en ook het Noordzeebekken is in de loop van het Kwartair verder opgevuld met dikke pakketten sedimenten. Nadat de rivieren het materiaal (klei, zand en grind) naar de kust h ­ adden gevoerd, werd het niet met rust gelaten. Mariene processen – in warme tijden met hogere zeespiegel en eolische processen (winden en stormen), in koude en droge tijden met lage zeespiegel – hebben dit ­materiaal deels opnieuw verplaatst.

nk

a rd

rst

lho

le los

n Ve e Pe

e Ro

se

jn

rri

de Ne

k

en

lsl

t ch Bo

kwartaire afzettingen dikte van het kwartaire pakket

> 600 m 500-600 m 400-500 m 300-400 m 200-300 m 100-200 m 0-100 m tertiair aan de oppervlakte pre-tertiair gebergte 1.4 A


31

verwachte bodemdaling en stijging tot het jaar 2050

stijging

daling

2 cm of meer

0-2 cm

0-2 cm

2-10 cm 10-30cm

stabiel

30-60 cm

0 cm

60 cm of meer 1.4 B

1.4 C


Van zee naar land Jan van Mourik

32

jaarlijkse neerslag

jaarlijkse neerslag

1921-1950

1971-2000

toename van de neerslag in de 20e eeuw 550-600 mm

650-700 mm

750-800 mm

850-900 mm

600-650 mm

700-750 mm

800-850 mm

900-950 mm 1.5 A

Uit recent onderzoek is duidelijk geworden dat de toename van broeikasgassen bijdraagt aan de ­opwarming van de dampkring. Daardoor smelt het ijs in de arctische gebieden en hooggebergten verder af dan het van nature zou doen. Als gevolg van het smelten van het landijs, vooral door de uitzetting van het oceeanwater onder warmere omstandigheden, zal de zeespiegel stijgen. Een ander gevolg van de opwarming is de neerslagtoename in Midden- en West-­Europa. Er zal meer drainagewater uit de ­landschappen moeten worden afgevoerd om wateroverlast te voorkomen. Ook op Walcheren zal rekening moeten worden gehouden met de effecten van zeespiegelstijging en neerslagtoename. (1.5 A/B)

De natuurlijke bodem­daling, in combinatie met de te verwachten toename van de neerslag en stijging van de zeespiegel, vormen een bedreiging maar ook een uitdaging waarmee in toekomstige landschaps­ ontwerpen terdege rekening moet worden gehouden. Om de toekomstverwachting volledig te maken, moet worden vermeld dat het Holoceen al weer over zijn ‘natuurlijke’ klimaathoogtepunt heen is. Over zo’n 10.000 jaar is de volgende ijstijd aangebroken. O ­ f het landijs Nederland wel of niet zal bereiken, is o ­ nzeker. De opwarming van het klimaat door de emissie van broeikasgassen betekent dus op de geologische ­tijdschaal slechts uitstel van executie.


1.5 A Geconstateerde toename van de neerslag in de ­twintigste eeuw. Walcheren is duidelijk natter geworden. 1.5 B

Verwachte zeespiegelstijging in de 21ste eeuw.

33

80 cm

60 cm

40 cm

20 cm

0 cm 1990

2000

2010

2020

2030

2040

2050

2060

2070

2080

2090

2100

zeespiegelstijging wereldwijde zeespiegelstijging berekend voor diverse scenario´s voor de uitstoot van broeikasgassen

zeespiegelstijging voor het scenario van de hoogste uitstoot voor 2100 zeespiegelstijging voor het scenario van de laagste uitstoot voor 2100 onzekerheidsmarge in de geschatte zeespiegelstijgingen 1.5 B


Paleogeografische kaart van het reliëf (hoogtelijnen aan­gegeven in meters –NAP) van het laatglaciale dekzand­ landschap, zoals het er moet hebben uitgezien voor de holocene mariene transgressie.

1.6

de genese van het landschap Van zee naar land Jan van Mourik

34

In de afgelopen jaren zijn veel publicaties verschenen over de genese van het landschap op nationaal2 en regionaal3 niveau, waar voor de samenstelling van deze paragraaf dankbaar gebruik is gemaakt. Op de geologische tijdas is de bodem van Walcheren jong. Het landschap van Walcheren is ontwikkeld in holocene afzettingen op een ‘stevige’ ondergrond van dekzand uit het Laat-Glaciaal van de laatste ijstijd. Daarom zullen we het geologisch oudere deel van het Album Walcheren nu dichtslaan en het h ­ olocene deel openen. Daarin zal duidelijk worden dat de ­Nederlandse kustzone waar Walcheren deel van uitmaakt, het resultaat is van de invloed van de holocene klimaatverbetering en de daarmee samenhangende zeespiegelstijging. Tot in de vroege Middeleeuwen domineerden n ­ atuur­lijke processen de landschapsontwikkeling; daarna is de mens steeds meer zijn stempel op de processen gaan drukken, enerzijds door steeds meer ruimte in beslag te nemen en anderzijds door zich te gaan verdedigen tegen de aanvallen van de zee op zijn woongebied.

reliëf van het laatglaciale dekzandlandschap hoogte beneden zeeniveau:

0-3 m 3-6 m 6-9 m 9-12 m 12-15 m 15-18 m 18-20 m kwartaire afzettingen aan het oppervlak 1.6

We gaan 14.000 jaar terug in de tijd, het moment dat er een einde kwam aan de laatste ijstijd. De ­zeespiegel stond toen ruim zestig meter lager en er heerste een extreem koud en droog arctisch klimaat. De voor dit klimaat karakteristieke krachtige winden veroorzaakten in het onbegroeide landschap met ­zandige bodems omvangrijke zandverstuivingen. Door de veelvuldige transporten van zand over ­kortere en langere afstanden werd het gehele gebied ­afgedekt met een laag dekzand, zoals deze zandige windafzettingen uit het Laat-Glaciaal van de laatste ijstijd, het Weichselien, worden genoemd. De oppervlakte van het oorspronkelijke dekzandlandschap helt af naar het noordwesten. In het zuiden van NoordBrabant en Zeeuws-Vlaanderen ligt dit dekzand nog steeds aan de oppervlakte. In het overige gebied is het dekzand verdwenen onder holocene afzettingen. (1.6) Na de ijstijd werd het klimaat warmer en smolt het ijs voor een belangrijk deel af. Door de postglaciale zeespiegelstijging werd het laaggelegen deel van het dekzandlandschap overstroomd en kon de holocene sedimentatiereeks van mariene zanden, kleien en veen beginnen.


De laatglaciale en holocene temperatuurcurve en de daaruit ­afgeleide geologische en archeologische indeling van de laatste 14.000 jaar. In aardkundige studies van dat tijdvak wordt gebruik gemaakt van de jaartelling BP (Before ­Present); deze is gebaseerd op koolstofdateringen. Het nulpunt in deze jaartelling is 1950 AD, het jaar van de nucleaire experimenten in de stratosfeer waardoor de concentraties radioactieve koolstof (14C) van de lucht plotseling sterk toenamen.

1.7

35 archeologische tijdsschaal

14

c ouderdom

geologische tijdsschaal

gemiddelde temperatuur in juli

5

10

15 °C

Nieuwe tijd Middeleeuwen

1.000 jaar bp

Romeinse tijd IJzertijd

2.000

Bronstijd

00 4.000 5.000 6.000

Subboreaal Holoceen

Neolithicum

Subatlanticum

Atlanticum 7.000

Mesolithicum 8.000

Boreaal 9.000

Preboreaal 10.000 jaar bp

Jonge Dryas 11.000

Paleolithicum 13.000

Allerød Weichselien

12.000

14.000

Oude Dryas Bølling

Pleniglaciaal

1.7

Het klimaat gedurende het Kwartair werd g ­ ekenmerkt door een afwisseling van warme tijden en i­jstijden. De oorzaak van klimaatveranderingen wordt deels gezocht in verandering van de r­angschikking van ­continenten op aarde door geotektonische ­dynamiek. Die rangschikking beïnvloedde de lucht­ circulatie, het stelsel van zeestromen en uiteindelijk de temperatuur­verdeling. Maar ook periodieke variaties in de aardbaan gedurende het Kwartair konden de temperatuur­verdeling op aarde beïnvloeden. Het Laat-Wechselien en het Holoceen zijn de ­belangrijke perioden voor de geologische opbouw van het landschap op Walcheren. Uit de temperatuur­ curve en de daaruit afgeleide geologische en ­archeologische indeling van die 14.000 jaar durende

periode (1.7) is af te lezen dat de gemiddelde juli­ temperatuur in het ­Pleniglaciaal nauwelijks boven de 6°C kwam. De curve toont een e ­ erste ‘voorlopige’ temperatuur­verbetering in de ­Allerød en Bølling ­perioden, voordat de holocene warme tijd d ­ oorbrak. Toen daalde de temperatuur nog even om ­vervolgens in het Pre­boreaal opnieuw, nu voor een langere tijd, te gaan stijgen. De h ­ oogste gemiddelde juli­ temperatuur werd bereikt in het ­Atlanticum. In het Laat ­Subatlanticum zien we na een beginnende ­daling weer een o ­ pleving. Dit is h ­ oogstwaarschijnlijk het begin van de t­emperatuurdaling, op weg naar de ­volgende ijstijd, tijdelijk onderbroken door de ­opwarming die samenhangt met de uitstoot van broeikasgassen.


Van zee naar land Jan van Mourik

36 curve zeespiegelbeweging en vorming van de mariene afzettingen achter de strandgordel 0m

nap d iii

d ii

tijd van vorming afzetting van Calais

di do c iv

-5 m

c iii

tijd van vorming afzetting van Duinkerken

c ii -10 m

-15 m

-20 m

ci

gemiddeld zeeniveau -25 m

vorming van kustduinen en stranden

jonge duinen kustafslag

100%

veenvorming uitgedrukt als percentage van de veen足oppervlakte van ca. 2500 jaar geleden

oude duinen strandwallen

50%

jonge zeeklei

0%

oude zeeklei veen

stilstand veengroei en afbraak

10.000

9.000

8.000

7.000

6.000

5.000

4.000

3.000

2.000

1.000

0

C ouderdom in jaren voor heden

14

1.8


1.8 De holocene zeespiegelstijging en de daarmee samen­ hangende vernatting, met als gevolg de kust­opbouw met oude en jonge getijdenafzettingen, de vorming van ­strandwallen en duinen, en de afzetting en afslag van ­lagunair veen.

37

Toen 10.000 jaar geleden het Holoceen begon, stond de zeespiegel ruim -60 m NAP. Door het a ­ fsmelten van het ijs steeg de zeespiegel aanvankelijk snel, maar het duurde nog tweeduizend jaar voordat het Noordzee­ bekken weer onder water kwam te staan en de overstroming (transgressie) van het huidige N ­ ederlandse kustgebied begon. (1.8) Het eerste gevolg van de transgressie was vernatting van de naar het oosten opschuivende kustzone. In deze natte zone werd veen gevormd. Deze veenafzetting, het basisveen, vormde de scheiding tussen laatglaciaal dekzand en holocene mariene afzettingen. Na afzetting van het basisveen nam de invloed van de zee snel toe en rond 7500 BP begon de afzetting van oude mariene zanden en k­ leien (afzettingen van Calais). Vanaf 6000 BP ­vertraagde de zeespiegelstijging enigszins. De opbouw van de oude strandwallen en duinen begon. Er ontstond een van de directe mariene invloed afgesloten lagune, waarin veengroei belangrijk werd. Tussen 4000 en 2000 BP was het grootste deel van het lagunaire gebied door veenafzetting verland. Op enkele inbraken door de duingordel na werd het land door de zee met rust gelaten, ook al bleef de zee­ spiegel gestaag stijgen. Maar na 2000 BP werd het land opnieuw overstroomd. Veel van de lagunaire veenafzettingen werden geërodeerd en vanuit het stelsel van kreken die het oude land doorsneden, werden nu jonge mariene zanden en kleien afgezet (afzettingen van Duinkerken) op het veen. Kust­afslag en landafbraak bedreigden het voortbestaan van het landschap. Maar vanaf de vroege Middeleeuwen ­­begon de mens met de toenmalige vormen van kustbeheer zijn territorium te beschermen. Door middel van kustversterking en inpoldering werd de zee een halt toegeroepen. Oostelijk van de oude duinen kon het jonge duinlandschap standhouden. De e ­ ffectieve strijd tegen het water was begonnen. De uitdaging voor de nabije toekomst is het hoofd te bieden tegen de bedreigende combinatie van zeespiegel­stijging, neerslagtoename en bodemdaling. Rond 7000 BP (1.9 A) was de transgressie van de Noordzee voortgeschreden tot in noordelijk Zeeland. De zeespiegel was op dat moment gestegen tot -17m NAP. Walcheren maakte toen deel uit van het nog niet door de zee overstroomde pleistocene dekzand­landschap.

In de toenmalige kustzone kwam een moeras tot ­ontwikkeling waar basisveen werd afgezet. Oorzaak van de moerasvorming was vooral de stagnatie in de afvoer van continentaal regenwater door beekjes en rivieren door de opkomende zeespiegel. Tussen deze moeraszone en de gordel van strandwallen die ontstond door de ­gezamenlijke zandverplaatsing door de zeestroming en de zuidwestelijke winden, kwam een wadden- en kwelder­gebied tot ontwikkeling. Daar werden mariene zanden en kleien afgezet die worden gerekend tot de afzettingen van Calais. Omstreeks 4400 BP was de zeespiegel gestegen tot -3m NAP en was Walcheren geheel door de zee overstroomd. (1.9B) Het grootste gedeelte van Walcheren maakte deel uit van een omvangrijk kweldergebied dat zich in de luwte van de gordel van strandwallen en ­duinen kon ontwikkelen in het Schelde-­estuarium. In het noordwesten treffen we nog open water aan. De kust­duinen en strandwallen zijn in het westelijk deel van Walcheren goed herkenbaar. Ze lagen iets westelijker, in vergelijking met de huidige s­ ituatie. In het zuiden treffen we tussen het kwelder­gebied en de pleistocene oever een omvangrijk kustmoeras aan. De afzetting van basisveen was hier geleidelijk overgegaan in de ­afzetting van H ­ ollandveen. Nog steeds werd de veengroei ­gestuurd door mineraalrijk grondwater (laagveen). De omvang van dit moeras zou in de daaropvolgende tijd sterk gaan toenemen, doordat de stijging van de zeespiegel vertraagde en de veengroei de zee kon gaan terugdringen. Deze overgang van een marien ­wadden- en kwelder­landschap in een veenlandschap noemt men ook wel ­vervening. (1.10) Rond 3000 BP bereikte Hollandveen zijn m ­ aximale uitbreiding in het Schelde-estuarium. (1.9C) De zeespiegel­stijging was inmiddels voortgeschreden tot -1m NAP. De dikte van de veenafzettingen was dus­danig ­toegenomen dat de plantenwortels niet meer het mineraalrijke grondwater konden bereiken, maar g ­ enoegen moesten nemen met het in de bovenlaag van het veenpakket vastgehouden mineraalarme regen­water (hoogveen). Alleen langs de Schelde was nog een zone waarneembaar waar laagveen­planten zich konden handhaven. Het kwelderlandschap was – met u ­ itzondering van een smalle zone langs de ­Scheldemonding – geheel onder het veen verdwenen.


Van zee naar land Jan van Mourik

38

± 7000 bp

± 4400 bp 1.9 A

± 1900 bp

1.9 B

± 1200 bp 1.9 D

1.9 E


Paleogeografische kaarten van Zeeland van 7000 tot 800 BP.

1.9 A/B/C/D/E/F

39

Âą 3000 bp 1.9 C

dekzand basisveen kwelders duin/strand wad oude kwelders laagveen hoogveen

paleogeografische kaarten van zeeland

ontwaterd hoogveen water

water ontwaterd hoogveen hoogveen laagveen oude kwelders wad duin/strand kwelders basisveen

Âą 800 bp

dekzand 1.9 F

1.9


1.10

Vervening van een kwelderlandschap.

A Hier wordt uitgebeeld hoe op een zandige ondergrond de opslibbing van de kwelder (Calaisafzettingen) vanuit ­getijdenkreken verliep.

Op de hoger gelegen kreekoevers kon riet zich vestigen. Riet is een zouttolerante plant die diep kan wortelen en de afzetting van rietveen kan initiëren. Riet is in staat om in het barre kweldermilieu te overleven. Begroeiing met riet ­stimuleert bovendien afzetting van kleideeltjes, waardoor rietveen altijd een relatief hoog kleigehalte heeft. Na verloop van tijd werd de begroeiing dichter en de bodem werd ­afgedekt met rietveen. Daardoor konden ook andere planten zich op de kwelder gaan vestigen.

B

Van zee naar land Jan van Mourik

40

De invloed van de toenemende dikte van het veen­ pakket op de vegetatie is hier te zien. Door afname van het zout­gehalte in de hogere bodemlagen was de kwelder nu ook een goede vestigingsplaats geworden voor zegge en de ­afzetting van rietzeggeveen kon beginnen. Door de ­geleidelijke ophoging van het landschap veranderden de getijdenkreken in waterstroompjes in een vlak veenmoeras.

C

1.10 A

Het laagveenmilieu ging over in hoogveen. Door de toenemende dikte van het veenpakket werd het mineraalrijke grondwater onbereikbaar voor de plantenwortels. Veenmossen die genoegen namen met mineraalarm regen­ water, ­verdrongen riet en zegge. Er ontstonden koepels van veenmos, belten, die het veenlandschap een reliëfdragend aanzien gaven. Op verdrogende belten konden zich struiken vestigen die zich in een hoogveenmilieu thuis voelden.

D

1.10 B

1.11

1.10 C

1.10 D

vervening kwelderlandschap riet

veenmosveen rietzeggeveen

zegge

rietveen klei

struweel

zeezand en zavel 1.10

Zeeland op de kaart van Beekman (1300).

Omstreeks 1900 BP begon de mens voor het eerst ­invloed te krijgen op de landschapsvormende ­processen. (1.9D) De zeespiegel was inmiddels nog iets gestegen, tot -0,5m NAP. De mens heeft in de ­Romeinse tijd het veenlandschap in gebruik genomen. De menselijke invloed was nog niet intensief en van belangrijke veranderingen door landgebruik was nog geen sprake. De belangrijkste ingreep in de natuur was toen het begin van drainage van veenbodems, met als doel er enige landbouwactiviteiten op te k­ unnen verrichten. Ook een geringe mate van drainage zorgde voor klink en oxidatie, en uiteindelijk uitdroging. Rond deze tijd begon een nieuwe reeks van zee-inbraken. Natuurlijk is voor de verklaring van die inbraken de nog altijd voortgaande zeespiegelstijging, samen met stormwindactiviteit een belangrijk gegeven, maar het begin van maaivelddaling zal zeker ook een rol ­hebben gespeeld. De Oosterscheldemond werd dieper en breder en in het zuidwesten is de inbraak van het Zwin waarneembaar. De afnemende weerstand van ­gedraineerde en ingeklonken veengronden maakte het de zee gemakkelijker om grote delen van het veenlandschap weg te slaan en er een jong kweldergebied voor in de plaats te laten komen.


41

1.11

Rond 1200 BP was het veenlandschap uit MiddenZeeland verdwenen. (1.9E) Het veen was niet volledig door de zee geërodeerd; onder de jonge getijden­ afzettingen waren nog talloze resten van het veen bewaard gebleven. Op de westkust van Walcheren kon zich vooralsnog een deel van de strandwal handhaven, opgebouwd uit kustduinen en stranden. Verder waren de contouren al herkenbaar van de kernen die in de huidige bodemkaart van Walcheren als kernlanden zijn gekarteerd. De mens zou vanaf die tijd in toe­nemende mate de kwaliteit en ligging van de kustlijn gaan ­bepalen. Tegen 800 BP was het landverlies maximaal g ­ eworden. (1.9F) Walcheren is herkenbaar in zijn h ­ uidige vorm. De kwelders waaruit het eiland was opgebouwd, werden niet meer overstroomd. De mens had een relatief veilig systeem van kustverdediging o ­ ntwikkeld. Op NoordBeveland en in Zeeuws-Vlaanderen ­werden de kwelders nog regelmatig overstroomd, wat w ­ ellicht nadelig was

voor de bewoonbaarheid, maar de ­opslibbing ging voorlopig door. Deze gebieden zouden uiteindelijk hoger komen te liggen dan het bewoonde oudland van Walcheren. De paleogeografische r­econstructie van het landschap rond 800 BP komt sterk overeen met het topografische kaartbeeld dat rond 1300 is ­getekend door Beekman. (1.11) Goed zichtbaar op zijn kaart zijn de op dat moment gerealiseerde dijken. De mens probeerde het tij te keren. Kust­verdediging en landwinning door inpoldering zouden voorlopig de landschapsontwikkeling domineren. Eerst met traditionele en uiteindelijk met moderne beheersmaatregelen en technieken werden in de loop der eeuwen uit de kernen en aanwassen de Zeeuwse eilanden gebouwd. In bodemprofielen en op kaarten van de ondergrond van het Zeeuwse landschap blijven de contouren van de natuurlijke l­andschapsontwikkeling altijd herkenbaar, maar zelfs in de huidige landinrichting is de natuurlijke opbouw nog terug te vinden.


West Zeeuwsch-Vlaanderen

Walcheren

Noord-Beveland Kamperland

Veerse Meer

Veere

Middelburg

Welzinge

Ritthem

Westerschelde

Groede nap

0m

-2 m

Van zee naar land Jan van Mourik

42

-4 m

-6 m

-8 m

-10 m 0

2

4

6

8

10

12

14

16

18

20

km

ligging van de doorsnede

geologische doorsnede

Kamperland

afzettingen van Duinkerken

Middelburg

veen (Hollandveen en Basisveen) afzettingen van Calais Groede

pre-holoceen

1.12 kleiplaat

gemoerde poel

kreekrug

nap

0m

-1 m

-2 m

-3 m

0

100

200

300

400

500

600

700

800

900

1000

m

gemoerde poel verwerkte klei met zavel en veen (gemoerde poel)

zand en zavel (afzettingen van Duinkerken)

kleiplaat (afzettingen van Duinkerken)

veen (Hollandveen)

kalkarme klei (afzettingen van Duinkerken)

zavel en klei (afzettingen van Calais) 1.13


1.12

Geologische doorsnede van Walcheren.

1.13

Doorsnede van een gemoerde poel.

1.14 Moerneringspercelen bij Arnemuiden. Dit is één van de weinige plaatsen waar het reliëf van gemoerde gronden nagenoeg intact is gebleven. Deze plek is een uniek stukje archeologisch erfgoed met zowel een hoge geodiversiteit als een hoge biodiversiteit.

43

1.14

Een doorsnede van de geologische opbouw van Walcheren laat zien dat de basis wordt gevormd door pleistoceen zand. (1.12) De insnijdingen van de Oosteren Westerschelde in deze basis zijn goed herkenbaar. De holocene afzettingsreeks begint met Basisveen. Dit veen is op Walcheren na de transgressie afgedekt door oude getijdenafzetting (Calais). Toen de zeespiegelstijging vertraagde, kon de lagune achter de strandwal verlanden tot moeras. De zeespiegel bleef toch nog wat stijgen en uiteindelijk brak de zee andermaal door de strandwal. Grote delen van het veenpakket werden weggeslagen en nu begon de afzetting van jonge getijden­ afzettingen (­Duinkerken). Opvallende k­ enmerken in de doorsnede: (1) Op Zeeuws-­Vlaanderen ontbreekt door de hoogteligging van het dekzandlandschap de oude getijdenafzetting. Basisveen en Hollandveen vormen hier één pakket. (2) De jonge getijdenafzettingen ­bereiken in Zeeuws-Vlaanderen en op N ­ oord-Beveland een grotere hoogte dan op Walcheren. Dit komt doordat op Walcheren de invloed van de zee vroeger werd gestopt. Bovendien hebben in de historische tijd ­moernering en drainage grote invloed gehad op het reliëf en de maaiveld­daling van Walcheren.

Kort na de Romeinse tijd werd het Hollandveen door de zee overstroomd. De veenlagen die niet werden weggeslagen maar afgedekt door de jonge getijden­ afzetting (Duinkerken), raakten verzadigd met zout zeewater. In de Middeleeuwen werd dit zoute veen gebruikt als delfstof voor de zoutwinning. Het jonge kleidek werd verwijderd, het zoute veen naar de ­oppervlakte gebracht en verbrand. De asrest werd vermengd met zeewater en na indampen werd zout ­geraffineerd. Ten slotte werden de turfgaten weer gedicht met een mengsel van klei en veen. (1.13) Moernering moet ­hebben plaatsgevonden tussen 900 en 1400 AD.4 Voor zover de ruilverkaveling het reliëf niet heeft u ­ itgewist, zijn op sommige plaatsen in het landschap nog gemoerde poelen herkenbaar. (1.14) Ontwatering van een landschap op g ­ etijdenafzettingen heeft gevolgen voor het reliëf. Na ontwatering k­ linken afzettingen meer in, naarmate het zandgehalte kleiner en het kleigehalte groter wordt. Veen klinkt na ­ontwatering niet alleen in, maar een deel van de ­massa zal door bio-oxidatie ook nog verdwijnen. Het resultaat is reliëfinversie. (1.15) ­


Van zee naar land Jan van Mourik

44

zavel duinkerke afzettingen zand veen calais afzettingen

inversie kreek zavel afzettingen van Duinkerken zand veen afzettingen van Calais 1.15

Bodems, opgebouwd uit zand en zandige klei klinken na ontwatering nauwelijks in en zijn in het huidige cultuurlandschap herkenbaar als ruggen; bodems, opgebouwd uit klei en veen, klinken sterk in en zijn in het huidige cultuurlandschap herkenbaar als laag­ gelegen poelgronden. (1.16) Kreekruggen, poelgronden en gemoerde poelen zijn cultuurlandschapselementen. Ze maken deel uit van het cultuurhistorisch en aardkundig erfgoed. De ruilverkaveling heeft in de twintigste eeuw veel schade toegebracht aan deze landschapselementen, maar er is nog voldoende over om te behouden in toekomstige landschapsontwerpen. Daarom zou ieder ontwerp g ­ ebaseerd moeten zijn op de geologische structuur van het landschap. Deze is samengevat in de kaart van de bodemlandschappen op Walcheren. (1.17) De eenheden op deze kaart worden gekenmerkt door een bepaalde geologische ontstaanswijze, bepaalde bodemeigenschappen en een bepaalde plaats in de

1.16

geomorfologische structuur van het landschap. De ­belangrijkste bodemlandschappen zijn het kernland en de op- en aanwaspolders. Het kernland – ook wel oudland genoemd – is het gedeelte van Walcheren dat bedijkt is tussen 1000 en 1300 AD. Landschappelijk wordt het onderverdeeld in kreekruggen, poelen en kleiplaatgebieden. De k­ reken waren actieve getijdenkreken na de postromeinse trans­ gressie. Het Hollandveen werd door de transgressie geheel of gedeeltelijk weggeslagen. Daarna begon vanuit de kreken de opslibbing met jonge zeeklei. Door reliëfinversie zouden na de bedijking de met zand en zandige klei opgevulde kreken ruggen in het landschap vormen (0 t/m 1m NAP) tussen de kreek­ ruggen in lagen de lagere poelgronden. O ­ ntwatering en moernering waren verantwoordelijk voor de maaiveld­daling van deze klei op veenprofielen (-1 t/m -0,5m NAP). Moernering veroorzaakte ook oneffenheden, gemoerde poelen, in het reliëf.


1.15 Reliëfinversie die optrad bij de overgang van een ­ atuurlijk getijdenlandschap naar een ontwaterd cultuurn landschap.

Kreekrug in het landschap bij Koudekerke. H ­ oewel kreekruggen en poelen ooit de geomorfolgie van het ­Walcherse landschap achter de duinen markeerden, is door eeuwenlang ploegen en door de ruilverkaveling veel van de herkenbaarheid van deze elementen verloren gegaan. Een plek waar het reliëf van de kreekrug zo goed bewaard is gebleven, scoort derhalve hoog als aardkundig erfgoed.

1.16

1.17

Bodemlandschappen op Walcheren.

45

bodemlandschappen kernland

kleiplaatgebieden

op- en aanwas polders

kreekruggen

hoog opgeslibde zeearmen en inbraakgeulen

poelen

stranden en zandplaten duinen

bijzondere onderscheidingen

duinglooiing

voormalige kustwal bebouwing Westkapelse Zeedijk en deltadammen 1.17


Van zee naar land Jan van Mourik

46

1.18


Deze kaart (omstreeks 1676) is van Nicolaas Visscher. Het is een verkleining van de grote Visscher-­Romankaart, de eerste kaart waarop wegen waren getekend. Op de kaart is goed te zien dat in het kernland van Walcheren de ­wegen en de neder­zettingen het systeem van kreekruggen ­volgden.

1.18

1.19

Buitendijkse kustgeomorfologie.

47

Door de ruilverkaveling in de twintigste eeuw is van dat specifieke reliëf weinig overgebleven. Kleiplaatgebieden vormden een aanenegesloten gebied in het noorden van Walcheren. Ze zijn net zo gevormd als de poelgronden: opgeslibd vanuit getijden­ kreken. ­Oorspronkelijk moeten de kleiplaatgebieden op ­ongeveer dezelfde hoogte hebben gelegen als de poelen, maar de ­maaivelddaling is hier minder ­geweest. Op- en aanwaspolders zijn jonge zeekleipolders die na 1300 AD zijn bedijkt. Op Walcheren liggen de ­aanwaspolders in het noorden en oosten t­egen het kernland aan. Doordat opslibbing in deze g ­ ebieden nog kon doorgaan (bij stijgende zeespiegel) toen het kernland al bedijkt was, lag het maaiveld van de aanwas­polders hoger (0 t/m 1,5m NAP). Nog ­hoger lag het maaiveld van het hoog opgeslibde en ­ingepolderde Sloe (1 t/m 2,5m NAP). Een o ­ pmerkelijk geomorfologisch fenomeen is de voormalige kustwal tussen het kleiplatengebied en de noordelijke ­aanwaspolders. Op historische topografische kaarten is goed te zien hoe groot de invloed was van de bodem­eigenschappen op het landgebruik. (1.18) Het systeem van kreek­ ruggen van het kernland droeg de neder­zettingen en het belangrijkste deel van het wegenstelsel. Maar ook op recentere kaarten is de betekenis van de bodem­ geografische structuur nog altijd af te lezen. Het landschap van Walcheren is opgebouwd uit ­materiaal dat ooit door rivieren uit Centraal E ­ uropa naar de Noordzeedelta is gebracht en waarop ­vervolgens de krachten van de zee en de wind zich hebben kunnen uitleven. Het resultaat is de geomorfologie van het landschap zoals we dat kunnen waarnemen. Maar geomorfologische processen en ­reliëfvorming houden niet op bij de kustlijn. Sterker nog, de buitendijkse kustgeomorfologie is boeiend en mooi. Door die te kennen, wordt het duidelijker hoe we onze kust kunnen verdedigen, want een effectieve kustverdediging dient mede gebaseerd te zijn op ­offshore proceskennis. Markant in de buitendijkse kustgeomorfologie zijn de getijdendelta, de vooroever, de plateau’s en de ­banken. (1.19) Vanaf de Middeleeuwen is de

k­ ustverdediging gebaseerd geweest op dijkbouw. Toen dat niet meer voldoende was om de veiligheid van de bewoners te garanderen, was de tijd rijp voor de uitvoering van megaprojecten als de Zuiderzee- en Deltawerken. De toekomstige veiligheid stelt Nederland echter voor nieuwe uitdagingen: verplaatsen van de primaire zeewering zeewaarts en de bouw van een beschermende dijkenreeks of eilandenboog. Voor deze uitdaging is kennis van de buitendijkse kustmorfologie een ­basisvoorwaarde.

kustgeomorfologie plateau flauwe helling steile helling bank < 10 m bank > 10 m eb-getijde delta zandgolven 1.19


landschappelijke waarden Van zee naar land Jan van Mourik

48

Orizant

Sincfal

romeinse tijd veronderstelde strandwallen lagune voormalige bewoningskern Romeinse tempel 1.20

Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw stonden ­thematische karteringen centraal in aardkundig ­onderzoek. De geologische kaart 1:50.000 (RGD – Rijks Geologische Dienst) en de bodemkaart 1:50.000 (STIBOKA – Stichting Bodemkartering) kwamen in gebruik als basisdocumenten voor studies naar de samenhang in het landschappelijk ecosysteem. Het accent verlegde zich naar geo-ecologisch procesonderzoek. De geheimen van het landschappelijk ecosysteem werden stapje voor stapje ontsluierd. De kennis over het functioneren van landschappen nam toe en daarmee ook het inzicht in de negatieve gevolgen van landschapsplanning die nog niet was gebaseerd op de geo-ecologische eigenschappen van het bestaande landschap. Op beleidsniveau groeide inmiddels de belangstelling voor de cultuurhistorische en ecologische waarden van het landschap. Niet onlogisch in een tijd waarin de mens vanuit economisch oogpunt zijn behoefte aan delfstoffen, woonwijken en industrieparken omzet in een indrukwekkende verbouwing van de nationale ruimte, ten koste van de natuur. Voor het behoud van fraaie buitenplaatsen en tuinen, als onderdeel van het cultuurhistorisch erfgoed, was al eerder de ­Monumentenwet geïntroduceerd. In 1993 ratificeerden de lidstaten van de Europese Unie de Biodiversiteit­ verklaring, die een jaar eerder op de Conventie van Rio de J ­ aneiro was overeengekomen. Op nationaal niveau werd de Ecologische Hoofdstructuur ontworpen, waarbinnen gewerkt diende te worden aan de verbetering van de biodiversiteit. Het heeft tot 2003 geduurd voordat de betekenis van nationaal aardkundig erfgoed werd vastgelegd in het Aardkundig Manifest. Het is inmiddels gebruikelijk geworden om de landschappelijke waarden van door project­voorstellen ­bedreigde landschappen in kaart te brengen. ­Zo nodig kunnen procedures worden gestart om ­verdere aantasting van waardevolle landschappen te ­voorkomen. Meer economische groei van ons land zal gepaard moeten gaan met behoud van cultuurhistorische en aardkundige waarden en met versterking van de biodiversiteit. Landschappelijke schade, die ontstaat door uitbreiding van stedelijke infrastructuur, dient


1.20 De Scheldemond in de Romeinse Tijd. De b ­ elangrijkste Romeinse nederzetting heeft vermoedelijk gestaan op het toenmalige eiland Orizant, dat in de zeventiende eeuw door de zee is verzwolgen. Het Zwin (Sincfal) was toen een tweede, minder belangrijke zeehaven van Gallia Belgica.

49

elders te worden gecompenseerd. Nederland wil tussen de s­ teden, bedrijfsparken en transportbanen een landschap in stand houden dat geo-ecologisch goed functioneert, dat cultuurhistorisch en aardkundig ­interessant is en dat een hoge biodiversiteit heeft. Aardkundig ‘interessant’ slaat op reliëf en bodem­ archief. De benodigde informatie is al in kaart ­gebracht en aardkundig bijzondere landschappen kunnen desgewenst de monumentstatus krijgen.5 Bij biodiversiteit ligt dat complexer. De o ­ ntwikkeling van de biosfeer is een natuurlijke reactie op de lokale eigenschappen van bodem en klimaat met als gevolg de komst of terugkeer van de potentiële natuurlijke vegetatie; in nagenoeg heel Nederland: gematigd ­regenbos. De biodiversiteit en belevingswaarde van dat natuurbos zijn aanzienlijk lager dan van het ­mozaïek van cultuurlandschappen dat vanaf de bronstijd door menselijke landinrichting en m ­ enselijk gebruik tot stand is gekomen. L ­ andschapselementen zoals heide, vennen, zandverstuivingen en hout­ wallen hebben niet te maken met natuur maar met ­cultuur. Deze zogenaamde natuurdoelen vormen vaak het ­referentieniveau voor l­andschapsontwerpers en ­natuurontwikkelaars. Het verschil tussen de ­potentiële Nederlandse natuur en de gewenste natuur­doelen wordt duidelijk in beleidsinstrumenten als het H ­ andboek Natuurdoeltypen.6 Daarmee komt een b ­ elangrijke vraag van de eigentijdse landschaps­ ecologie in beeld: Is het uitgangspunt voor het ­toekomstige landschap herstel van de p ­ otentiële natuur, of aanleg en beheer van gemanipuleerde ecosystemen? Uiteraard is het belangrijk om een duidelijk beeld te hebben van de landschappelijke waarden van het bestaande landschap, voordat er een nieuw ontwerp wordt gemaakt. Hoe kunnen landschapsarchitecten vervolgens gewenste landschappen in stand houden of creëren ten behoeve van een omgeving die fraai is voor de bewoners en die een hoge biodiversiteit ­kunnen huisvesten? Dat is mogelijk, betaalbaar en duurzaam, wanneer processen gevolgd worden waarmee de natuur op onze gebouwde omgeving reageert. Over de betekenis van het behoud van onderdelen van cultuurhistorisch erfgoed, zoals historische bouwwerken en tuinen, zal zelden onenigheid ontstaan. Over de wijze waarop cultuurhistorische monumenten

worden veiliggesteld voor het nageslacht, kan men wel van mening verschillen. Een simpele oplossing is om er een hek omheen te zetten en het erfgoed verder buiten de nieuwe plannen te houden, maar de uitdaging ligt er juist in om onderdelen van het cultuurhistorisch erfgoed te laten functioneren in het nieuwe landschapsontwerp. Een sectie die binnen de cultuurhistorische waarden speciale aandacht verdient is het archeologisch erfgoed. Voor een deel bevindt zich dat in de bodem en behoort het tot het bodemarchief, voor een ander deel bevindt zich dat op de bodem als herkenbare overblijfselen van bouwwerken uit de oudheid. Door de postromeinse transgressie zullen in de Zeeuwse delta de meeste oude bewoningssporen – als die er al waren – zijn uitgewist. Toch zijn er op Walcheren wel enkele oude vondsten gedaan. Op de oeverwallen van de Duinkerkenafzettingen bij Oostkapelle zijn bij Duno bewoningsresten gevonden uit de jonge ijzertijd. In het veen ten noorden van Arnemuiden zijn uit dezelfde tijd nederzettingssporen aangetroffen.7 Zowel op het strand ten westen van Domburg als in de Oosterschelde bij Colijnsplaat zijn overblijfselen teruggevonden van Romeinse tempels, die duiden op het bestaan van Romeinse nederzettingen van enige betekenis.8 De toen­malige Scheldemonding was een belangrijke locatie voor de Romeinen, die van hieruit Engeland konden bereiken. In de Romeinse tijd zouden delen van het toen­ malige veenlandschap relatief intensief bewoond zijn geweest. (1.20) Door ontwatering zou toen al de maaivelddaling zijn begonnen. Niet alleen door de achteruitgang van het Romeinse Rijk maar vooral door de postromeinse transgressie kwam er voorlopig een einde aan de bewoning en werden de meeste sporen uitgewist.


Agrarisch landschap bij Sint Jan ten Heere met een van de hoogste van de negentien nog op Walcheren ­aanwezige kasteelbergjes. In het relatief jonge Zeeuwse ­landschap zijn deze bergjes de belangrijkste elementen van het a ­ rcheologisch erfgoed. Duidelijk zichtbaar zijn de ­kenmerkende ­terracettes, die in oorsprong veroorzaakt zijn door grondafschuiving bij dooi op een bevroren ondergrond. Ze zijn verder afgetrapt door vee.

1.21

Van zee naar land Jan van Mourik

50

1.21

Vanaf 600 AD keerde de bewoning terug. Op de locatie van het huidige Domburg ontwikkelde zich na 600 AD de handelsplaats Walcheren, later de naam voor het gehele eiland. Door de i­nvallen van de ­Noormannen omstreeks 900 AD werd het nood­ zakelijk om burchten voor de b ­ evolking te gaan ­bouwen. De uit die tijd daterende r­esten van de burchten Domburg en Souburg zijn o ­ pgegraven. Op het land werden ook ringvormige terpjes – ­hollestellen – a ­ angelegd om bescherming voor ­herders en ­schapen te creëren. Na de stormen van 1014 en 1134 AD werd Walcheren bedijkt en ­verloren de terpjes hun functie. Ze groeiden uit tot

dorpsterpen of bewoningshoogten. Een deel ervan werd mogelijk verhoogd tot kasteelbergjes die in de late Middeleeuwen werden voorzien van versterkte ­torens. Deze kasteelbergjes waren vooral symbolen van ­status.9 Een aantal ervan staat nog als landmark overeind in het huidige landschap. Het is een ­uitdaging om deze overblijfselen, ooit passend in de context van het toenmalige landschap, als cultuurhistorisch erfgoed te beschermen. (1.21, 1.22) Het is niet zo eenvoudig om aan te geven hoe de biodiversiteit van een gebied ontwikkeld moet worden. Op de kaart van de potentieel natuurlijke vegetatie in ­ enheden Zeeland (1.23) worden op Walcheren twee e


1.22

Archeologisch erfgoed op Walcheren.

1.23

Potentieel Natuurlijke Vegetatie.

51

legenda

Duinheide, -g en duin-eiken

Essen-Iepenb

archeologisch erfgoed

potentieel natuurlijke vegetatie

in het landschap herkenbare vliedberg

duinheide, -grasland en -struweel,

vindplaats Domburg: uit Romeinse- en ijzertijd

duin-berken en duin-eikenbos

vindplaats West-Souburg: burcht vroege Middeleeuwen

essen-iepenbos

fort Ritthem

eiken-beukenbos 1.22

aangeduid. Vooral van het natuurlijke essen-iepenbos is weinig overgebleven. Bij het invullen van de 足Provinciale Ecologische Hoofdstructuur wordt aan andere natuurdoeltypen de voorkeur gegeven, maar in elk aangelegd bos of park zullen deze soorten zich vanuit de natuurlijke zaadvoorraad aanbieden. Zij 足zullen concurreren met soorten die door de mens worden aangeplant.

in het landschap herkenbare vliedberg vindplaats Domburg: uit Romeinse- en ijzertijd vindplaats West-Souburg: burcht vroege Middeleeuwen fort Ritthem

1.23


1.24

De uitbreiding van het urbane district.

1.25 Gebieden binnen de aardkundige structuur van ­ alcheren die volgens de Nationale Signaleringskaart W ­Aardkundige Waarden beschermd dienen te worden als aardkundig ­erfgoed.

Van zee naar land Jan van Mourik

52

Op het fragment van de kaart met floradistricten van Nederland en Vlaanderen zijn op Walcheren drie eenheden g ­ ekarteerd: het Duindistrict, het F ­ luviatiel/ Estuarien district en het Urbaan district. (1.24) Ook op ­Walcheren is het ruimtebeslag van de grote steden zodanig t­oegenomen dat de urbane ruimte niet ­genegeerd kan worden als habitat voor planten en dieren. ­Bovendien levert de stad zijn eigen unieke ­bijdrage aan de biodiversiteit van de regio.10 Het gevolg is dat naast potentieel natuurlijke soorten ook urbane s­ oorten gaan meedoen in de competitie om over­leving in de rurale ruimte van het eiland. In tegenstelling tot cultuurhistorisch erfgoed is voor ­natuurbeheer de oppervlakte van het te b ­ eschermen areaal essentieel. Simpelweg een hek om een te beschermen bosje plaatsen heeft weinig nut als de lopende diersoorten daardoor over een te klein areaal zullen beschikken om een gezonde p ­ opulatie in stand te houden. Om die reden bestaat de E ­ cologische Hoofdstructuur uit kernen en corridors. De kernen zijn vaak delen van landschappen waarop tot nu toe geen enkele projectontwikkelaar zijn oog heeft l­aten ­vallen. Corridors tussen de kernen zijn snel op de kaart ­getekend, maar minder snel functioneel g ­ erealiseerd. In ieder nieuw landschapsontwerp zal het een u ­ itdaging zijn om het toekomstige landschap in te ­weven ­in de geo-ecologische functionaliteit van de regio. Sinds de acceptatie van het Aardkundig M ­ anifest in 2003 mag nu als laatste aandachtspunt het ­aardkundig erfgoed aan de orde komen. De ­uitdrukking ‘aardkundig erfgoed’ wordt gebruikt om delen van het landschap met een op­merkelijke geomorfologische of bodemkundige opbouw aan te duiden. ­Aardkundig ­erfgoed wordt geïdentificeerd op basis van aard­ kundige waarden die aan landschaps­­­een­heden worden ­toegekend op grond van twee variabelen. Ten eerste: hoe kenmerkend is de in het landschap zichtbare aardkundige structuur van de eenheid? Ten tweede: hoeveel is er van deze aard­kundige ­eenheid in N ­ ederland (nog) aanwezig? Op grond van de per vierkante kilometer berekende aardkundige waarden is een n ­ ationale signaleringskaart ontworpen. De gebieden met hoge aardkundige waarden komen in aanmerking voor ­bescherming als aardkundig erfgoed

of zelfs voor s­ electie als aardkundig monument. De Walcherse gebieden met hoge waarden op de ­Nationale Signaleringskaart hebben we g ­ eprojecteerd op de vereenvoudigde aardkundige structuur van ­Walcheren. (1.25) Op deze kaart is zichtbaar welke delen van de poelgronden, de kreekruggen, het ­duin­landschap en de inpolderingen op grond van de toegekende aardkundige waarden tot het aardkundig erfgoed gerekend moeten worden. Uiteraard betekent dit niet dat de rest van Walcheren bestaat uit aard­ kundig waardeloze terreinen, maar de score daar is ­ op grond van de gekozen variabelen lager. De bescherming van aardkundig erfgoed lijkt het best gewaarborgd binnen de beheersgebieden van de ­Ecologische Hoofdstructuur. Immers, werken aan ­natuurontwikkeling en biodiversiteit gaat heel goed samen met het beschermen van de aardkundige ­structuur. Een belangrijk deel van het Walcherse aardkundig erfgoed ligt, evenals de meeste kasteelbergjes die deel uit­maken van het cultuurhistorisch erfgoed, in landbouw­gebied. In nieuwe ­landschapsontwerpen zal rekening moeten worden gehouden met de ­bescherming van al dat erfgoed. Maar zou het ­eigenlijk niet vanzelf moeten spreken om elk nieuw ontwerp te baseren op de geo-ecologische s­ tructuur van het b ­ estaande landschap? Dat is immers niet alleen de beste waarborg voor het behoud, maar vermoedelijk ook voor het functionele hergebruik van ­landschappelijke waarden.


53

floradistricten

aardkundige waarden

fluviatiel en estuarien district

poelgronden

urbaan district

kreekruggen

Kempens district

duinen en strandvlakten

hafdistricten

inpolderingen

duindistrict

hoge aardkundige waarden 1.24

1.25


December 2007. Een zwarte baan in klei, oud cultuur­ historisch spoor, o ­ verblijfsel van middeleeuwse grond­ werken. Slechts kort zichtbaar nadat een graafmachine de slootkant van de Meliskerkse Watergang op de kruising met de ­Hogelandse Weg heeft afgevlakt, want s­ poedig zal hier moerasvegetatie de overgang van sloot naar akker een ­milieuvriendelijk karakter geven. Het zwarte spoor is een strook verdronken veen, waarop zilt water een laag klei van ongeveer 125 centimeter heeft afgezet. De middeleeuwers wisten dat ze dat veen konden delven, d ­ rogen, verbranden en de as mengen met zeewater en dat ze het dan onder vuur konden laten indampen. Zo ­wonnen ze kostbaar zout om vis tegen bederf te pekelen, om g ­ erechten op smaak te brengen, om handel mee te d ­ rijven. Vanuit een pad werd aan weerszijden de klei opzij gezet. Daarna werd de turf gedolven en als dat was g ­ ebeurd, werd de klei weer terug­ gezet. Waar het pad was, bleef het veen met daarboven de kleilaag intact. Het kleidek is nu vanaf het maaiveld tot die 125 centimeter of meer met een flauwe helling weer ­afgegraven. Vandaar die mooie, h ­ orizontale baan, die een oude geschiedenis voor een paar weken zichtbaar maakt. In steile slootkanten is soms zo’n zelfde baan verticaal, en profile, te zien.

54


hoofdstuk 2 | 600-1500 jan zwemer

het middeleeuwse erfgoed 55


2.1 De zogenaamde ‘Ouwe Vievert’ in het landgoed ‘­Zeeduin’ is het restant van een oude grote kreek. Hij werd pas ­bedwongen ná de aanleg van de ringdijk en wel – dat is tenminste waarschijnlijk – door het aanleggen van brede dammen die de stroom onderbraken. Eén van die dammen, later het Laoge (of ook wel het Hoge) Diekje genoemd, is nu een breed, hoog gelegen pad met bomen erlangs. 2.2 De ringwalburg van Souburg, midden op de foto – ­ongeveer 250 meter in d ­ oorsnede – is nog steeds onbebouwd.

weer bewoond en ontgonnen Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

56

2.1


57

hoog wonen Na het door Germaanse invallen en post-Romeinse overstromingen ontstane intermezzo waarin vrijwel geen menselijke bewoning mogelijk was, werd vanaf ongeveer 600 de draad weer opgepakt. In de luwte van de oude duinen in de buurt van het latere kasteel Westhove, ontstond bij een kreek een nederzetting die vermoedelijk ‘Walk-hara’ (Germaans voor vochtige zandrug) heette. Mogelijk was dit de hoofdplaats van het koninklijk domein met die naam, dat tot in het begin van de elfde eeuw bezit was van de Frankische koningen en Duitse keizers. Ook ­abdijen uit Gent en Echternach hadden er uitgestrekte ­bezittingen. De nederzetting was een knooppunt in de handel tussen Engeland en het vasteland. De rest van Walcheren was een schorgebied waar ­kreken (geulen) doorheen stroomden die langzaam met klei en zand werden opgevuld. Tussen de kreken rustte de klei op het veen en werden op de ­vegetatie van gras en ruigte schapen gehouden. In deze ‘poelgebieden’ kwam het maaiveld geleidelijk lager te liggen doordat het veen inzakte. Zo kwamen de voormalige kreken hoger te liggen dan de omgeving en uit het netwerk van kleine en grote kreken ontstond een geheel van ‘kreekruggen’. Daar waar de kreken nog in verbinding stonden met de zee, werd bij hoge vloeden nog weer een nieuw laagje klei afgezet. Van de grote geul die bij Valkenisse in zee uitmondde, is bekend dat hij in de elfde eeuw nog open was. De kreekruggen waren de veiligste plekken om te ­wonen: er was zoet water uit welputten en er kon landbouw worden bedreven. Net als in de Romeinse tijd leefde men echter vooral van schapenteelt en visserij. Ook won men zout door ‘darink’, het zoute veen onder de klei vandaan op te graven en te verbranden. Het ‘darink­delven’ ging door tot in de late Middeleeuwen en maakte dat de poelgebieden nog lager kwamen te ­liggen. Het werden hobbelige landschappen die tot in de twintigste eeuw alleen maar geschikt waren als weide­ gronden. De kreekruggen zijn nog steeds herkenbaar als welvingen in het landschap met daarop de o ­ udste, bochtige verbindingswegen en de meeste neder­ zettingen. Sommige van de oude geulen bleven intact, in versmalde vorm en min of meer rechtgetrokken, voor de afvoer van regenwater: sprinken en sloten. (2.1)

2.2

vluchtburgen en stelbergen In de negende eeuw, toen de bewoners van de Schelde­delta nog hoofdzakelijk verspreid woonden, werden op een aantal plaatsen in de kust­gebieden vluchtburgen gebouwd. Dat werd gedaan op i­nitiatief van de beheerders van het koninklijk domein ­Walcheren en van de domeinen van de abdijen van Echternach en de Gentse Sint Baafs. De vlucht­ burgen moesten bescherming bieden tegen invallen van de Noormannen. Werd er een inval gevreesd, dan ­konden de bewoners van het omliggende land zich hier ­verzamelen. Er waren ook keizerlijke troepen aan­ wezig. De burgen waren ongeveer 250 à 300 meter in doorsnee en bestonden uit een ringvormige a ­ arden wal van een paar meter hoog. Ze werden a ­ angelegd op de hoogste delen van een oeverwal in de bocht van een kreek – dus op een natuurlijke hoogte – en ­gedeeltelijk al met een ringgracht eromheen. ­Vervolgens werd rondom de hele burg een ringgracht gegraven. Ringwalburgen waren er in ­verschillende ­delen van het Karolingische Rijk. Walcheren had er drie: die van Souburg (de zuidburg), Domburg ­(duinburg) en Middelburg (midden op het eiland). In de elfde eeuw, toen het gevaar van de Noormannen al lang geweken was, ging men de burgen permanent bewonen. In de eeuwen daarna bouwden de bewoners een kerk net buiten de omwalling, en huizen aan de buitenkant van de gracht, met de achterkant aan het water. Aan de voorkant van de huizen ontstond een nieuwe ringvormige weg. In Middelburg bestaat nog het ringvormige stratenpatroon, dat teruggaat op de gracht aan de achterzijde van de huizen. De burg van Oost-Souburg bleef onbebouwd; ze ligt nog steeds in het hart van het dorp. (2.2) Het terrein waarop de burg van Domburg lag, raakte later bedolven onder ­stuifduinzand.


2.3 Boerderij aan de Oostkapelseweg te Serooskerke. Niet alleen de hoge ligging wijst op bewoning vroeg in de ­Middeleeuwen, ook de naam ‘de berg Cetra’ die genoemd wordt in bronnen uit de zeventiende eeuw. De betekenis van ‘Cetra’ is onduidelijk. 2.4 Deze weel ligt een kleine honderd meter voor de poort van de boerderij Duno bij Oostkapelle. Waarschijnlijk is de ­Dunoweg ter plaatse ontstaan als dijk voorlangs een oudere dijk nadat deze bij inbraak van de zee doorbroken was. Waarschijnlijk ligt de weel op de plek van die oude ­dijkdoorbraak (exacte locatie: zie afbeelding 2.15). De weel heeft geen vaste bodem.

Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

58

Behalve de grotere dorpsterpen zijn er in het ­landschap lage terpjes te vinden. Ze worden ook wel ‘werven’ genoemd. Dat wil zeggen: een hoge plaats waarop een huis wordt gebouwd. Vaak staat er nog een boerderij op. (2.3) De oorspronkelijke boerderijen in de elfde en twaalfde eeuw waren eenvoudige houten bouwsels met lemen vloeren, rieten daken en muren van leem tussen een houtconstructie. Vele tientallen boerderijen in het huidige Walcherse landschap staan op een plek waar ooit zo’n eenvoudige hoeve was. Die plekken zijn dus ononderbroken bewoond geweest.

strijd tegen het water

2.3

De schapenhouders die in het gebied achter de duinrug woonden, legden overal stelbergen aan: ronde aarden bergjes met in het midden een drinkput, ­waarin zoet regenwater bleef staan voor de s­ chapen. ­Schapen en herders konden bij hoge vloeden een veilig heenkomen zoeken op deze stelbergen of ­‘hollestellen’. Om de stellen wat makkelijker te b ­ ereiken, zullen de schapenhouders hier en daar dammetjes hebben gelegd in een kreek. Bij de stelbergen werden een schaapskooi en eenvoudige huizen gebouwd. Toen na het jaar 1000 de bevolking in de Zeeuwse delta sterker begon te groeien, waren hier de e ­ erste bevolkingsconcentraties. De stelbergen werden ­aangelegd op de hogere ruggen, en een enkele ook in de poelgebieden. Veel van de oudste woonkernen in Zeeland liggen nog wat hoger dan de directe omgeving. Dat komt door de schapenmest die in grote hoeveelheden in de ­nederzettingen gedeponeerd werd. De mest kwam op stro terecht en na verloop van tijd werd eroverheen een nieuwe laag stro uitgespreid. Op den duur werden ook de stallen en de huizen verhoogd. De laag mest die vaak in de bodem wordt aangetroffen, is soms bedekt met klei, die erop wijst dat de oorspronkelijke ­nederzetting overstroomd is geweest. Veel Zeeuwse dorpen, ook op Walcheren, liggen dus op een soort dorpsterpen.

Na het jaar 1000 kreeg de zee weer meer invloed op de gebieden achter de duinruggen en moest de mens zich sterker gaan verdedigen tegen het water. ­Walcheren, de Bevelanden en Vlaanderen werden in de jaren 1014, 1134 en misschien ook in 1042 ­geteisterd door grote stormvloeden. Er moeten heel wat slachtoffers gevallen zijn en de bewoonde d ­ elen van het eiland werden van elkaar gescheiden. Een grote vloed brak het oude kernland van ­Walcheren aan de oostkant af en ruimde grote stukken van westelijk Zuid-Beveland op. Zo ontstond tussen ­Middelburg en ’s-Heer Arendskerke de binnenzee die destijds de Lemmel heette; later werd die het Sloe met het Veerse Gat. Alleen het randgebied met de nederzettingen Zanddijk en Kleverskerke kwam van tijd tot tijd droog te liggen. Het is goed mogelijk dat de bewoning in dorpjes bij de oorspronkelijke stelbergen en het opwerpen van werven in het buitengebied een reactie waren op de eerste van deze stormvloeden. Zomaar onbeschermd in het buitengebied wonen, durfde men een tijdlang blijkbaar niet aan. Van het terrein ten noorden van de Molenweg te Serooskerke is bijvoorbeeld bekend dat het tot in de twaalfde eeuw bewoond werd, tot dat door voortdurende overstromingen onmogelijk werd. De stormvloeden lieten ook een aantal welen a ­ chter in het landschap: restanten van diepe geulen, die de inbrekende zee en het getij in de bodem h ­ adden uitgeslepen. Toen er dijken werden gelegd om de nieuw ontstane geulen dicht te maken, bleven de diepste stukken van de geul over als langgerekte waterpartij. De welen die rond zijn, zijn later o ­ ntstaan


59

2.4

na de ­doorbraak van een al bestaande dijk. Vaak werd een vervangende dijk vóór de weel gelegd, zodat veel welen achter de nieuwe dijk k­ wamen te liggen. Op Walcheren zijn veel van de oudste d ­ ijken later vlak gemaakt, zodat de welen midden in het land liggen. Tientallen ervan werden bij de na­oorlogse ­herverkaveling in de jaren 1950 dicht­gegooid. ­Sommige waren wel 30 meter in doorsnee. Andere, zoals de weel ten oosten van de boerderij Duno bij Oostkapelle, (2.4) hebben geen vaste bodem: de ondergrond bestaat alleen maar uit modder. Dat is een bewijs dat ze ontstaan zijn als diep uitgeslepen inbraakgeulen. Na de stormvloed van 1134 werd er stelselmatig ­bedijkt met de hulp van een soort ringdijk, nadat eerst de stroomgeulen afgedamd waren. Deze grote werken werden van bovenaf geleid door a ­ fgevaardigden van koningen en graven en van de grote abdijen, die ­bezittingen op Walcheren hadden. De ringdijk die aan­gelegd werd, sloot in het noorden aan op de duinenrij bij Duno ten noorden van Oostkapelle. De naam Duno komt van Duun-hovede, dus het hoofd van de duinen. Oostelijk hiervan waren in de t­ waalfde eeuw nog geen duinen. Van Duno liep de ringdijk naar het zuidoosten, tot een punt iets ten noorden van de huidige weg van Oostkapelle naar S ­ erooskerke (bij de

boerderij Ter Mee) en vandaar oostwaarts. Het latere Serooskerke lag zo’n twee kilometer achter deze ringdijk. Ten noorden van de ringdijk lag een uitgestrekt schorrengebied. De duinen van het Walcheren van de twaalfde eeuw waren jonge duinen, opgestoven met het zand van de allengs in zee verdwenen oude duinen. Alleen bij Westkapelle zijn de oude duinen nog in de ondergrond terug te vinden. Vanaf de tweede helft van de tiende eeuw vond het steeds hoger opwaaien van het duinzand versneld plaats. Zo ontstond er ook een ­duinenrij zuidwestelijk van Westkapelle. De oude ­duinenrij verdween in de breder wordende mond van de Westerschelde. Het eind van die nieuwe duinenrij lag in de twaalfde eeuw bij Dishoek (Dijkshoek), een plek die genoemd is naar de vandaar naar het zuidoosten toe aangelegde dijk. Op dat moment werd Westkapelle nog door duinen beschermd. Pas in de vijftiende eeuw was de afslag van de duinen op de westpunt van het eiland zodanig bedreigend ­geworden dat er een dijk moest worden aangelegd.


Op het tapijt van Bayeux komt een kasteelberg voor als achter­grond bij een strijdtoneel. De toren die erop staat, is ongeveer tweemaal zo hoog als de beschermende palissaden.

2.5

Het kasteel Sandenburgh bij Veere was o ­ orspronkelijk een versterkte boerenhofstede. De daarbij gelegen vliedberg lag later binnen de kasteelgracht. Hoewel deze vliedberg niet voorkomt op de kaart van Jacob van Deventer en het Panorama van Antoon van den Wijngaerde, die toch beide behoorlijk nauwkeurig waren, is hij er wel degelijk geweest. De kroniekschrijver Jan Reygersbergh, die d ­ estijds in Veere woonde, schreef in 1551 over ‘eenen hooghen zandtbergh’. Deze prent is een reconstructie, gebaseerd op ­opmetingen van Isaac Hildernisse in 1679. Op de top is nog een ­gebouwtje te zien, misschien een duiventil. Later deed de berg dienst als buskruitberging en als ijskelder. Van ­kasteel en berg is nu bovengronds niets meer over. (Zie Tiny ­Polderman, Sandenburgh bij Veere; ts. Zeeland jrg.4 nr. 3)

2.6

Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

60

Gapinge op een prent uit De Nieuwe Cronyk van ­ eeland van Matthias Smallegange (1696). Zichtbaar Z zijn twee vliedbergen. De bovenste is in gereconstrueerde vorm nog steeds aanwezig aan de Snouck Hurgronjeweg. De bochtige weg vanuit het dorp in de richting van Veere op de achtergrond heeft ook nu nog hetzelfde b ­ ochtige verloop over de aanwezige kreekrug. Het was – naast de Oude Veerseweg – tot de totstandkoming van de Veerseweg rond 1670, een belangrijke ­verbinding ­tussen de steden ­Middelburg en Veere. Het vrij levendige verkeer wijst daar ook op. De ­houten standaardmolen is vervangen door een molen aan de andere kant van de weg: de stelling­molen ‘De Graanhalm’ uit 1896. Het t­orentje op de a ­ chtergrond links is van het ‘Huijs te Gapinge’.

2.7 A

2.5

Recent beeld van de vliedberg aan de Snouck Hurgronjeweg met daarachter de molen. Rechts de kerk van Gapinge, een van de weinige kerken die niet verwoest is tijdens de ­Tachtigjarige Oorlog.

2.7 B

2.6

afwatering Hoe de afwatering in het middeleeuwse Walcheren geregeld was, is niet volledig bekend. Er werden in elk geval ‘wateringen’ gevormd, gemeenschappen van gebieden die via één systeem van sloten, sprinken en watergangen afwaterden. Volgens ­mediëvist prof dr P.A. Henderikx kan de oudste van die ­wateringen, die van de Vijf Ambachten al vóór 1200 gevormd zijn, mogelijk na de afdamming van de grote kreek t­ussen Poppendamme en ­Valkenisse. Die ­maakte dat er ineens in een heel andere r­ichting afgewaterd moest worden. Waterde een deel van Walcheren eerst nog in het noorden af, tussen ­Oostkapelle en Vrouwen­polder, later werd het land­ water algemeen in oostelijke richting afgevoerd.

Ingrijpend was ook het graven van de Domburgse water­gang in de loop van de vijftiende eeuw die het ­water van het westen van het eiland naar M ­ iddelburg voerde. Daar kon het via de Arne en later het M ­ iddelburgs ­havenkanaal bij laag water naar zee stromen. Er waren daar sluizen die met hoog water gesloten en met laag ­water opengezet werden. Ook het water van de Zuid­ watering, de omgeving van Oost-Souburg, R ­ itthem en het gebied ten noorden van R ­ itthem werd naar het oosten afgevoerd. De sluis bevond zich in de buurt van het aan het Sloe gelegen – later ­verdwenen – dorpje Welzinge. Het gebied van B­iggekerke, K ­ oudekerke, West-Souburg en Vlissingen moet in de middel­eeuwen rechtstreeks via de haven van ­Vlissingen zijn overtollig water zijn kwijtgeraakt. Het noordoostelijk deel van het eiland waterde af via een sluis bij Veere. Aan het eind van de vijftiende eeuw was het watergangen­stelsel compleet: het bleef verschillende eeuwen zoals het toen was. Waar een watergang een weg kruiste, was een heul gemaakt: een brug of een


61

2.7 A

grote duiker die het water onder de weg door voerde. Het afvoeren van het landwater bleef echter steeds problematisch. Dat kwam door de vele kilometers die het water door de bochtige watergangen moest afleggen voor het de sluis bereikte, maar ook door de lage ligging van het land. Volgens een verklaring van een landmeter uit 1569 lag het land in het oosten van Walcheren tussen 60 en 120 centimeter beneden zeeniveau.

vliedbergen: kasteeltjes met status In de tijd dat de ringdijk werd aangelegd en ook nog nadien, tussen 1050 en 1200, verrezen in het ­Walcherse landschap de vliedbergen die we nu nog kennen: er zijn er negentien over van de meer dan zestig die er waren. De ronde terpen waren ­destijds echter niet kaal zoals nu, maar er stond een ­versterking op. Het waren dus kasteelbergjes, ­gebouwd door leden van de boeren-adel, die ook als lokale bestuurders (ambachtsheren) optraden. Zulke kasteel­bergjes komen voor in Friesland, Groningen, de Achterhoek, het Rijnland, Zeeland, Vlaanderen, ­Noordwest-Frankrijk en Engeland – altijd in vlakke gebieden. Op het elfde-eeuwse tapijt van Bayeux uit Normandië is zo’n kasteelberg afgebeeld: een plaggen­heuvel met een palissade rondom, een gracht en een hoge trap naar de top, waar een torenachtig bouwwerk staat. (2.5) De kasteelbergjes dienden niet alleen als vestingwerk, maar ook als statussymbool. Plaatselijke macht­ hebbers die in staat waren zo’n bouwwerk te laten ­optrekken, gaven ermee aan ‘mee te willen tellen’.

2.7 B

Vaak werd de kasteelberg aangelegd naast hun boerderij en omsloot de ringgracht ook de oudere ­boerderij. De nabijheid van een kasteelberg moet een gevoel van veiligheid hebben gegeven. In een tijd dat er gevochten werd met zwaarden, pijl en boog en slinger­werktuigen, bood de combinatie van een ­palissade en een toren een redelijke bescherming. De torens waren eerst van hout, later ook wel van steen. Sommige kasteelbergjes werden opgeworpen ­boven op een oudere woonterp uit de tijd van voor de bedijkingen, andere werden in één keer opgeworpen. De berg werd voornamelijk gemaakt met grond die afkomstig was uit de gracht. Een brug over de gracht verbond de hoeve met het buitengebied. (2.6, 2.7 A/B)


Het 1.60 meter hoge restant van de vliedberg aan de Bieweg bij Zanddijk ligt nu op een vierkant terrein, maar werd eerst omgeven door een min of meer cirkelvormige sloot.

2.8

2.9 A/B Bij de berg van Boudewijnskerke (A) is een deel van de ­ringgracht nog zichtbaar (B).

Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

62

2.8

In de loop van de eeuwen zijn veel kasteelbergjes of vliedbergen afgegraven of door langdurig p ­ loegen veel lager geworden. Zo liggen in de buurt van ­Zanddijk, ten zuiden van Veere, twee lage bergjes in het landschap. De één is anderhalve meter hoog, de andere een meter hoger (2.8). Ook de berg in het dorpje Kleverskerke is erg van aanzien veranderd: in de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitsers er een bunker in ingegraven. De hoogste bergen zijn ­negen à tien meter hoog en liggen in het westen van Walcheren: tussen Westkapelle en Aagtekerke bij de buurtschap Sint Jan ten Heere en tussen Westkapelle en Zoutelande bij het voormalige dorpje Boudewijnskerke (2.9 A/B). In het vlakke land tussen Middelburg en Biggekerke (Hoogelande) liggen twee vlied­ bergen bij elkaar die van grote afstand te zien zijn. Het is een imposante aanblik. Zo moet op veel meer ­plaatsen het Walcherse landschap er in vroeger tijden ­hebben uitgezien: met tientallen bergjes op zicht­ afstand. ­Biggekerke heeft twee vliedbergen binnen de ­dorpskom en twee erbuiten.

dorpen en steden

2.9 A

De meeste nederzettingen op Walcheren werden ­gesticht in de elfde, twaalfde en dertiende eeuw. Voor de ontwikkeling van kerkdorpen was de stichting van een parochiekerk van groot belang: waarschijnlijk begonnen de dorpen pas te groeien na het moment van de kerkstichting. Aanvankelijk was de bevolking verspreid over alleenstaande boerderijen en kleine gehuchtjes. Ook de kleinschalige en onregelmatige verkaveling van het land – met tal van kronkelige wegen en paadjes – zoals die bestond tot aan de herverkaveling in de jaren 1950, gaat voor een aanzienlijk deel terug tot de elfde, twaalfde en dertiende eeuw. Alle Walcherse dorpen die uit deze tijd dateren, zijn ringdorpen. Een kerk met een ringvormige straat eromheen vormt het centrum. Van de oorspronkelijke kerk in Middelburg werden in de elfde eeuw vier andere kerken afgesplitst: één in Middelburg zelf en verder die van ­Westkapelle, ­Oostkapelle en West-Souburg. Van deze vijf p ­ arochies werden in de late twaalfde, de dertiende en de vroege ­veertiende eeuw 35 dochterparochies met een ­eigen kerkgebouw afgesplitst. Het hoge a ­ antal


63

2.9 B

kerk­stichtingen hing niet alleen samen met een ­aanzienlijke toename van de bevolking, maar ook met de ­Gregoriaanse hervormings­beweging, die erop gericht was het kerkelijk leven te intensiveren. Deze ideeën werden in Zeeland vooral verbreid door de ­Norbertijnen van de in 1123 in Middelburg gestichte Abdij. Bovendien werden vanaf het midden van de twaalfde eeuw plaatselijke bestuurs- en gerechtsdistricten gevormd, de ‘ambachten’. Ambacht en parochie vielen aanvankelijk samen, zodat elke ambachtsheer een dorpskerk moest (laten) bouwen. Door splitsing van de ambachten bij vererving kon het gebeuren dat op korte afstand van de ene parochie weer een andere

ontstond. Sommige nederzettingen kregen dan ook de naam van de ambachtsheer die er de kerk liet bouwen: Biggekerke (de kerk van Bego), Meliskerke, Serooskerke (’s-Heer Alardskerke) en Ser-Poppekerke. Middelburg moet zich al vroeg hebben ontwikkeld tot het regionale marktcentrum voor heel Walcheren. Het had een haven aan het naar de Lemmel in het oosten stromende riviertje de Arne. De ontwikkeling tot havenplaats begon al in de tiende eeuw, tegelijk met de achteruitgang van de handelsnederzetting ‘Walcheren’ aan de noordwestkust. De stichting van de Abdij maakte de stad nog belangrijker. In dezelfde tijd was Middelburg ook het bestuurscentrum van Zeeland tussen de Wester- en Oosterschelde.


2.10 In het midden van de zestiende eeuw was OudVlissingen nog niet opgenomen in de jongere havenplaats Vlissingen. Kaart Jacob van Deventer, ca. 1550. 2.11 De handelsstad Veere, het oorspronkelijke dorpje ­ anddijk en het kasteel Sandenburgh op de kaart van Z ­Jacob van Deventer.

Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

64

2.10

Verder maakte een aantal vissersnederzettingen aan de kust een stedelijke ontwikkeling door: Domburg, Westkapelle, Vlissingen en Veere. De twee laatste ­ontstonden in de periode na de vele parochie­ stichtingen. Nieuw-Vlissingen en Veere groeiden aan de zeekant langzaam uit tot nederzettingen die zich in het eerste kwart van de veertiende eeuw afsplitsten van de oorspronkelijke parochies die verder land­ inwaarts lagen, Oud-Vlissingen en Zanddijk. (2.10) ­Oud-Vlissingen groeide vervolgens helemaal niet meer en werd later opgeslokt door de andere nederzetting. Zanddijk bleef een dorp van beperkte omvang. Vanuit de Walcherse kustplaatsen werd op het eind van de dertiende eeuw al niet meer alleen gevist: schippers uit Arnemuiden, Veere, Vlissingen en Westkapelle vervoerden wol van Engeland naar het vasteland. De graven van Holland en andere machthebbers ­stimuleerden de ontwikkeling van deze havenplaatsen door hen het stadsrecht te verlenen. (2.11) “Al met al”, aldus Henderikx, “kan men zeggen dat aan het begin van de veertiende eeuw de hoofdlijnen van de nederzettingsstructuur van Walcheren voor eeuwen vast liggen: kerkdorpen en akkerbouw op de grotere kreekruggen, met daaromheen alleenstaande ­boerderijen op de kleinere kreekruggetjes, en er tussen op veel plaatsen sterk door moernering getekende weidegronden. Daarnaast een aantal kleinere s­ teden in wording: havenplaatsen met visserij en een zich ontwikkelende handel. En tenslotte Middelburg: in de dertiende eeuw en daarna een volwassen stad, die z­ owel op bestuurlijk, kerkelijk als op economisch ­gebied een centrale plaats op het eiland inneemt.”11 (2.12, 2.13, 2.14)

2.11


Schilderij uit 1724 naar een verloren gegaan origineel uit 1511. Centraal de Arne, de oudste toegangsweg naar de haven van Middelburg. Grotere schepen moesten toen al voor Arnemuiden overgeladen worden, wat een grote bloei van deze stad veroorzaakte. Linksboven het dorp Welzinge, rechtsonder Middelburg. Op de kaart staat nog het oude Arnemuiden, dat prijsgegeven moest worden aan het water door er een ringdijk achter omheen te leggen. Noordelijk 足ervan, aan de overzijde van de Arne, wat verderop aan de kust (linksonder op de kaart) werd een vervangende 足nederzetting gebouwd: het huidige Arnemuiden.

2.12

65

2.12


Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

66

2.13


Deze kaart van het middeleeuwse Middelburg, uit het Braun-Hogenberg Stedenboek (1572-1618), dateert uit 1572. De Westmonsterkerk op de Markt – in 1575 ­afgebroken - staat hier nog op. Deze kaart is trouwens niet erg ­betrouwbaar; de stads­plattegronden uit 1550 van Jacob van Deventer waren qua detail en afmeting veel beter (zie afbeelding 2.20). De Westmonsterkerk bijvoorbeeld stond dichter bij het stadhuis, zoals bleek in 1998, toen bij de reconstructie van de Markt de fundamenten ervan bloot­ gelegd werden (2.14). De Markt was ook niet zo groot als hier getekend is. ­Middelburg had in die tijd acht poorten; hier ontbreekt de Koepoort. Ook het stratenpatroon en de ­bebouwing moet men met een grote korrel zout nemen.

2.13

2.14

Fundamenten van de Westmonsterkerk.

67

2.14


Reconstructie van de inpolderingen ten noorden van Oostkapelle en Serooskerke vanaf de late twaalfde eeuw, door A. Maljaars en J.P. Zwemer

2.15

De 500 meter lange inlaagdijk bij Westkapelle uit 1483 was rond 1550 zo’n 2.300 meter lang geworden. De twee kilometer lange buitendijk, die ongeveer toen in zee kwam te liggen, was oorspronkelijk een smalle duinenrij geweest.

2.16

Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

68

??

I

II D lijdijk

??

D D

??

lijdijk

??

R2 R3

?

??

R1

reconstructie van de inpolderingen

landwinst en -verlies

ten noorden van Oostkapelle en Serooskerke vanaf de late 12e eeuw

Het uitgebreide schorrengebied voor de kust van Oostkapelle en Serooskerke werd vanaf eind t­ waalfde eeuw stukje bij beetje ingepolderd. De ­vroegste ­poldertjes liggen voor Duno, waar de o ­ pslibbing vermoedelijk eerst bevorderd werd door de aanleg van brede dammen in zeewaartse r­ichting, haaks op de oudste ringdijk. Mogelijk zijn de oprij­lanen van de latere buitenplaatsen Overduin, Zeeduin en het ‘Hoge dijkje’ in het bos van Zeeduin restanten van zulke dammen. Waarschijnlijk is ook de Monnikendijk in het dorp Vrouwenpolder (later) op dezelfde manier ontstaan. (2.15) Het initiatief voor de inpolderingen na die bij Duno lag bij twee bestuurlijke grootheden die ­waarschijnlijk met elkaar concurreerden, maar misschien ook ­(tijdelijk) samengewerkt hebben. De abdij van ­Rijnsburg in ­Holland had een vestiging ten oosten van ­Oostkapelle op het oude land en polderde rond 1200 ­daartegenaan een gebied van veertig h ­ ectare in,

nog bestaande dijk afgegraven of weggeslagen dijk vermoedelijk tracé ringdijk (bestaand) vermoedelijk tracé ringdijk (verdwenen) vermoedelijke dijk, later pad of weg (bestaand) vermoedelijke dijk, later pad of weg (verdwenen) ?

tracé onzeker

??

sterk hypothetisch tracé

R1

vroegste inpolderingen van Rijnsburg

D

dijk van 1580

vroegste polders vóór Duno voornaamste afwatering, met stroomrichting vóór de sluiting

I

afwaterende kreek bij Overduin

II

afwaterende kreek bij Zeeduin (sluiting vermoedelijk 15e eeuw) bestaande weel gedempte weel 2.15


69

waarop vervolgens een ‘uithof’ gesticht werd. Die werd het centrum van waaruit vervolgens allerlei ­poldertjes in noordoostelijke richting werden bedijkt. Daarbij moest de grote kreek de Zwene bedwongen worden. Vanuit het uiterste oosten van het ­onbedijkte schorren­ gebied begonnen iets later de heren van Zanddijk in te polderen. Dat waren in deze tijd de machtige edelen Wolfert I, II en III van Borselen. De polders die zij vanuit het oosten tot in het tweede kwart van de ­veertiende eeuw inpolderden, vallen waarschijnlijk ­samen met de latere heerlijkheid ­Vrouwenpolder. Sommige van de polders gingen ten dele verloren door inbraken van de zee. Ze werden voor een deel vervangen door polders van kleinere omvang, door de aanleg van meer landinwaartse dijken. In 1314 werd bij het latere Vrouwenpolder een kapel gesticht en tien jaar later een kerk. Tussen de polders voor Duno, het land waarop de uithof van Rijnsburg lag, en de nieuwere polders van Rijnsburg bleef een stuk schorrengebied nog lange tijd in verbinding staan met de zee. Het oude land van Oostkapelle en Serooskerke en diverse van de nieuwe polders waterden hier af en zo bleef de oude m ­ onding van de Zwene naar de zee toe intact, ook nadat de geul met die naam was a ­ fgedamd. Verschillende malen moet aan de randen van deze inham de zee doorgebroken zijn, getuige de vele welen die er waren in het gebied ­tussen Oost­kapelle en Serooskerke. Waarschijnlijk in de dertiende eeuw werd een zware dijk gelegd om de inham ­definitief af te dammen: de dijk onder de latere Koningin Emmaweg, ten oosten van de buitenplaats Zeeduin. Na dit tijdstip veranderde de kust van Walcheren nog wel enigszins van aanzien, waar men een terug­ trekkende beweging landinwaarts moest maken. Enerzijds gebeurde dat door verstuiving van duinzand; landbouwgebied ten noorden van Oostkapelle werd daardoor minder vruchtbaar en voor een deel ook onbruikbaar. Het aanleggen van stuifdijkjes hielp niet veel en zo raakte er in de loop van de vijftiende eeuw de buurtschap Rikendale (of Rikendamme) ontvolkt. Ook aan de kust bij Zoutelande en Dishoek

2.16

waaide veel zand het land in. Hier was het niet a ­ lleen ­bezwaarlijk vanwege het teloorgaan van landbouwgrond, maar ook vanwege de verzwakking van de z­ eewerende duinen. Zeker vanaf het eind van de vijftiende eeuw werd bij Westkapelle en Domburg helm in de duinen aangeplant om het verstuiven tegen te gaan. Anderzijds bedreigden stormvloeden de dijken: er waren in elke eeuw wel enkele dijkdoorbraken. Op deze bedreiging reageerden de verantwoordelijken voor de dijkzorg door inlaagdijken te leggen: dijken achter een bedreigde plek, die in geval van een doorbraak de functie van zeedijk direct konden overnemen zodat de schade beperkt bleef. Zo worden rond 1400 zowel bij Dishoek als bij Welzinge, in het zuidoosten van het eiland, inlaagdijken aangelegd. Ten zuiden van ­Vlissingen was de terugtrekkende beweging al ­eerder begonnen: de oorspronkelijke dijk lag ruim een kilometer zuidwestelijk van de huidige boulevard. Het tussenliggende land ging bij twee dijkdoorbraken, waarvan de laatste zich in 1439 voltrok, verloren. Bij elke doorbraak werd de inlaagdijk omgevormd tot eerste zeewering. Ook ten westen van Veere werd een inlaag gemaakt, die later bekend kwam te staan als de Kattepolder. De inlaagdijk achter de duinen bij Westkapelle, die later zeedijk werd, dateert van 1483. (2.16, 2.17)


2.17 Een verticale veenbaan in een steile slootkant. Het bodem足archief toont hier het relict van middeleeuwse 足moernering als een stukje archeologisch erfgoed.

Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

70

2.17


Uitbeelding van de zoutwinning in Zeeland. Links het steken van plaggen darink in laaggelegen veen­gebied en ­daar­boven het opstapelen van de plaggen in een boot. Rechts de zoutketen waar de darink – met zeewater ­vermengd – ­verhit werd zodat zout ontstond dat geschikt was voor ­menselijke consumptie.

2.18

71

2.18

Bij Welzinge werden in 1526 nog twee inlagen gelegd. Eveneens om het effect van een inbraak in de zee­ dijken te verkleinen, verbood de landsheer in 1452 het effenen en slechten van binnendijken. Tot dat tijdstip werden veel dijken die geen waterkerende functie meer hadden bij de aangrenzende landbouwpercelen getrokken. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de oudste inpolderingen van de uithof van Rijnsburg. Andere oude dijken waren inmiddels vooral in gebruik als verbindingsweg. Als het om lage dijken ging, en dat was meestal het geval, dan waren ze op den duur niet meer als dijk herkenbaar. Zo werd de dijk tussen de Boshoekweg en de Lepelstraat, 200 tot 300 meter ten oosten van de Lijdijkweg, in de zestiende eeuw nog ‘dijk’ genoemd, maar later ‘Kleiweg’.

Een andere maatregel van hogerhand was in 1515 het verbod om klei voor de steenbakkerijen te ­winnen binnen 360 meter van de dijken. Dat gebeurde tot die tijd blijkbaar. Het resulteerde in een terrein met allemaal ‘putten en poelen’. Ook het darinkdelven werd aan banden gelegd. Dat was al vele malen eerder gebeurd, maar met weinig succes. Wanneer de ­darink (het veen) en ook de kleilaag verwijderd ­werden, ­daalde het maaiveld soms met zo’n twee meter ­tegelijk. De overblijvende grond kwam g ­ emakkelijk langdurig onder water te staan en daalde sterk in waarde. Van de Walcherse poelgebieden werd per eeuw ruim twaalf procent uitgegraven voor darink: zes hectare per jaar. (2.18)


Het Middeleeuwse erfgoed Jan Zwemer

72

2.19 A

Lage en drassige plekken waar geen landbouw kon worden bedreven waren ook de resten van voormalige kreken en diepten, en de directe omgeving daarvan. In de administratie van de Polder Walcheren komen nog lang ná de Middeleeuwen op verschillende plaatsen tussen Serooskerke en Vrouwenpolder ‘­de wilge­bomen’ voor en percelen ‘daer de wilgebomen op staen’ of ’t wilgen bos’. Deze bossen werden waarschijnlijk ­benut voor het winnen van ‘wissen’ (éénjarige twijgen die g ­ ebruikt werden om takkenbossen te binden) en ­andere producten van wilgenhout. Het watergangenstelsel is één van de landschaps­ elementen die het huidige Walcheren heeft over­ gehouden aan het middeleeuwse landschap – al zijn sommige van de hedendaagse watergangen pas in de twintigste eeuw aangelegd. Andere e ­ lementen die uit de middeleeuwen dateren zijn de moernerings­

gebieden, de vluchtburgen, de vlied­bergen, de ­hooggelegen kernen van de dorpen met hun kerk­ ring, de kleinschalige structuur met soms om de paar kilometer een ander dorp of voormalig dorp, een flink aantal boerderijen die op een woonhoogte liggen, enkele welen, een handvol inlagen en in het n ­ oorden van het eiland een aantal binnendijken. Hoe het ­middeleeuwse landschap er verder heeft uitgezien, weten we niet – vast staat wel dat het kleinschalig is geweest – maar dankzij het aantal overgebleven beeldbepalende elementen kunnen we ons er wel een beetje een voorstelling van maken. De eerste bron die ons een redelijk waarheidsgetrouwe voorstelling ­aanreikt van het Walcherse landschap is de Zelandiae Descriptio door ­Antoon van den Wijngaerde uit 1550. Dan bestaat het havenkanaal van Middelburg naar de Welzinge al. (2.19 A/B)


Tussen 1532 en 1535 werd ter vervanging van de bochtige Arne een nieuw havenkanaal voor Middelburg gegraven dat ruim twee kilometer zuidelijker dan Nieuw Arnemuiden op het Sloe uitkwam.

2.19 A

2.19 B Aan het eind van het Havenkanaal ligt de Zaagmolen足polder, opvallend is dat het op deze kaart 足getekende weeltje langs de Zaagmolendijk, nog steeds aanwezig is.

73

2.19 B


Speciaal voor deze foto is de k­ artonnen koker uit de kluis gehaald en is een stukje van de kaart uitgerold op de tafel in de kleine bibliotheek van het Antwerpse Museum PlantinMoretus/Prentenkabinet. Daar, tegen het decor dat de sfeer van Europese, renaissancistische eruditie en cultuur vertegenwoordigt. Hij hoort er thuis in de verzameling kaarten, globen, astrolaben, aardrijks­kundige boeken, dictionaires en andere wetenschappelijke uitgaven van de handelaar, uitgever en drukker Christoffel Plantijn en zijn nazaten. Het is een voor Walcheren uniek document: het Panorama dat Antoon van den Wijngaerde rond 1550 van het eiland maakte. Iedere keer als Patricia Kolsteeg, die als registrator ­verantwoordelijk is voor bruiklenen en fotobestellingen, de ­koker opent en de in zuurvrij vloei­papier gewikkelde t­ekening uitrolt, is ze weer even geboeid als de bezoeker die er na speciale toestemming een blik op mag werpen. Kijken naar een meer dan 550 jaar oud document van ruim tien meter lang en 43 centimeter hoog, dat vernuftig uit 23 bladen is samengesteld, is een sensatie die niet door het kijken naar een gedrukte weergave g ­ eëvenaard kan worden.

74


hoofdstuk 3 | 1500-1650 kees bos, jan willem bosch

een laatmiddeleeuws panorama 75


museum plantin-moretus Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

76

In het Antwerpse Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet bevindt zich een zeldzame, gedetailleerde en voor een groot deel met waterverf ingekleurde tekening, waarop het laatmiddeleeuwse Walcheren panoramisch staat afgebeeld. Het Panorama dateert uit ongeveer 1550 en is hoogstwaarschijnlijk gemaakt door Antoon van den Wijngaerde. Vermoedelijk deed hij dat in opdracht van het Hof van Karel V. Het is de eerste kartografische afbeelding met een r­ealistische impressie van het toenmalige Walcheren en als ­zodanig een bijzondere bron van informatie. Een halve eeuw later verscheen de kaart van ­Zacharias Heyns (1598), die weliswaar de t­opografie van Walcheren vermeldt, maar waarop verder niets over het landschap valt af te lezen. We moeten ­wachten tot ongeveer 1655 voor er een b ­ etrouwbare kaart van het eiland verschijnt: die van Nicolaas ­Visscher en Zacharias Roman. Latere kaart­makers zoals Joan Blaeu (1662), Ottens (1725), S ­ eutter (1733) en Le Rouge (1748) namen de kaart van ­Visscher als basis en men heeft een loep nodig om de ­veranderingen te kunnen waarnemen. De g ­ ebroeders Hattinga deden in het midden van de achttiende eeuw eigen kartografische opmetingen. Hun kaarten vormden een nieuw betrouwbaar uitgangspunt voor de interpretatie van het Walcherse landschap; dan zijn we echter wel tweehonderd jaar verder. Terug naar het Panorama van Walcheren van Antoon van den Wijngaerde. Van deze Antwerpenaar zijn weinig biografische gegevens bekend. Hij was in 1510, 1517 en 1522 als schilder en graveur ingeschreven in het Sint Lucasgilde. Hij maakte stadsgezichten van onder andere Rome, Genua, Londen, Brussel, Brugge, Amsterdam, Dordrecht en Utrecht. In het standaardwerk van Jan Denucé – Oud-Nederlandse kaart­ makers in betrekking met Plantin – wordt vermeld dat hij ook verschillende afbeeldingen van de Zeeuwse eilanden met hun steden en h ­ avens heeft gemaakt. Deze kaarten waren in 1582 te zien in een zaal van het Prado. Daarnaast heeft hij t­ekeningen gemaakt van militaire overwinningen van de H ­ absburgers. Nadat hij het grootste deel van zijn werk al had g ­ erealiseerd, verhuisde hij in 1561 naar Madrid. In dienst van het Hof van Philips II legde hij zich vooral toe op het ­schilderen van landschappen in de k­ oninkrijken

Aragón en Castilla. Hij overleed in 1571. Antoon van den Wijngaerde wordt geroemd om zijn schitterende techniek, die resulteerde in p ­ anoramische tekeningen met een duidelijk beeldend effect. Hij onder­scheidde zich daarmee volgens Montserat Galera i Monegal van zijn tijdgenoten zoals Jacob van Deventer (circa 1505–1575) en Franz Hogenberg (circa 1540–1590) en een voorganger als Hartmann Schedel (circa 1440–1514).12 Het Panorama dat Van den Wijngaerde van ­Walcheren maakte, is eigendom van Museum PlantinMoretus/Prentenkabinet aan de Antwerpse Vrijdag­ markt. Daar hoort het ook thuis. Het museum is een bolwerk van Europese cultuur, gevestigd in de voormalige patriciërswoning annex drukkerij uit 1555 van Christoffel Plantijn of – in het Frans – Christophe Plantin. Plantin werd rond 1520 in Avertin in de buurt van Tours geboren en in Caen opgeleid tot boekbinder en boekverkoper. In Parijs leerde hij het drukkersvak en in 1549 trok hij naar Antwerpen, de metropool die destijds als kruispunt van handels­wegen en vergader­ plaats van reizigers uit alle E ­ uropese landen een centrum van handel en cultuur was. Hij kocht en verkocht kaarten, globen en astrolaben, aardrijks­ kundige boeken en andere werken. Daarnaast b ­ egon hij een drukkerij die op zijn hoogtepunt zestien persen telde en tachtig werknemers in dienst had, waarmee hij een van de grootste boekdrukkers van E ­ uropa werd. Beroemde boeken van g ­ erenommeerde ­geleerden zijn van die persen gerold. Plantin drukte werken van humanisten, protestanten en katholieken. Ook ­dictionaires en een meertalige bijbel zagen aan de Vrijdagmarkt het licht. Op de vlucht voor S ­ panjaarden was hij een aantal jaren als universiteitsdrukker in Leiden gevestigd, maar in 1585 keerde hij terug naar Antwerpen waar hij in 1589 overleed. De d ­ rukkerij werd voortgezet door zijn schoonzoon Johan M ­ oerentorf, die in het Latijn Moretus heette. Tot 1866 was de ­drukkerij in bedrijf. Huis en drukkerij in ­Antwerpen herbergen nu het Museum Plantin-Moretus/­Prenten­ kabinet, uniek in de wereld vanwege de nog a ­ anwezige drukkerij, de in renaissancestijl ingerichte patriciërs­ woning en de prachtige verzamelingen, die hun ­oorsprong vinden bij Plantijn. Het Panorama van Antoon van den Wijngaerde maakt deel uit van de


3.1 Op deze uitsnede uit het weggelaten deel van het ­ anorama zijn veel schepen te zien, en ook een deel van P Engeland (Anglia Pars).

3.1

exquisiete collectie. Wie het onder ogen krijgt, raakt onder de indruk van de schoonheid, de h ­ elderheid, de detaillering. Officieel staat het te boek als Z ­ elandiae Descriptio ofwel ‘Beschrijving van Zeeland’. Het is echt uniek dat er uit het midden van de zestiende eeuw een afbeelding van een zo hoge kwaliteit en gedetailleerd­heid van het eiland b ­ eschikbaar is. De titel benadrukt dat Walcheren in die dagen de ­ belangrijkste geografisch-strategische eenheid in het deltagebied was: het eiland wordt gelijkgesteld aan Zeeland. Hoewel er verschillend over wordt gedacht, lijkt het vrij zeker dat het Panorama is getekend vanuit het midden van het eiland, kijkend naar de randen. De aaneenschakeling van steeds onder een andere hoek getekende perspectieven op de randen is op zo’n ingenieuze wijze aan elkaar gesleuteld, dat de hoekverdraaiing niet opvalt. In een apart katern bij het boek De Nederlandse Delta uit 1982 is een facsimile van de Zelandiae ­Descriptio op ongeveer tweederde van de ware grootte

­ epubliceerd. De aandacht bij deze publicatie ging g voornamelijk uit naar de handels- en visserij­activiteiten die erop te zien zijn. Deze zijn, net als de stads­ gezichten en de dorpen, kloosters en kastelen redelijk gedetailleerd getekend. Van het landschap­pelijke karakter van Walcheren heeft Van den Wijngaerde eigenlijk niet meer dan een impressie gegeven. Het is zeer de moeite waard om het Panorama ­intensief te bekijken en te interpreteren, want geen andere bron uit die tijd geeft meer informatie over het eiland als geheel. Dat is dan ook de reden waarom het landschappelijke deel van het Panorama integraal in deze Landschapsatlas is opgenomen. Het gaat om ongeveer 6,70 meter op het originele Panorama. Het zeegedeelte voorbij Westkapelle met de vele ­(vissers)scheepsmodellen en de aanduiding van ­Engeland, de Far Oër en de Shetland Eilanden zijn achterwege ­gelaten (op het origineel is dat nog ­ongeveer 3,5 meter). (3.1)


koopvaardij en visserij Een van de zaken die opvallen, is dat er sprake moet zijn geweest van bruisende h ­ andelsactiviteiten. Overal zien we koopvaardijschepen getekend: op het Veerse Gat bij Veere, op de Welzinge en op de ­Westerschelde. De grootste concentratie schepen is te zien aan de oostkant van het eiland bij ­Arnemuiden, dat ­gedurende eeuwen de voorhaven van M ­ iddelburg was. Arnemuiden had overigens al sinds 1535 aan belang ingeboet. In dat jaar werd de aanleg van het M ­ iddelburgse Havenkanaal voltooid. Tot die tijd was Middelburg per zeeschip alleen bereikbaar over de kronkelige Arne. Beide waterwegen staan fraai afgebeeld. De nieuw gegraven getijdehaven moet in die tijd voor Middelburg een i­nfrastructureel werk van enorme importantie zijn geweest. Hij was als ­remplaçant van de verzandende Arne van ­essentieel belang voor verdere economische bloei van de stad, die in de volgende eeuw zou volgen. Voor ­Arnemuiden betekende de opening van het Havenkanaal het begin van de teloorgang als handelsstad. Uit de ­geschiedenis weten we dat de handelsactiviteiten die op het Panorama zijn afgebeeld, nog geen relatie met de koloniën hadden. De handel op Indië kwam pas tegen het einde van de zestiende eeuw op gang: in 1595 bereikte het eerste Nederlandse schip de OostIndische Archipel! De op het Panorama getekende koopvaardijschepen zijn op dat moment symbolisch voor een vooral Europese handels­scheepvaart die – getuige het aantal – aanzienlijk moet zijn geweest. Een internationaal gezelschap van kooplieden uit Duitse, Franse, Spaanse, Portugese, Italiaanse, Schotse, Engelse handelssteden en ook die uit het Hanze­conglomeraat zorgden toen en ook in de ­voorafgaande eerste bloeiperiode van Middelburg voor welvaart en werkgelegenheid, met handel en doorvoer van vooral wijnen, ook wol, zuidvruchten, ijzer, olie en andere producten.13 Ter beheersing van de nieuwe scheepvaartroute, alsook van die over de Westerschelde werd in 1547 op het uiterst strategische punt waar de Welzinge in de Honte of Westerschelde uitkwam, het Fort Zeeburgh gebouwd. (3.2) Later werd voor het fort de naam Rammekens overgenomen van de dijkhoek met een wachthuisje, dat ook op het Panorama staat vermeld. De naam Rammekens komt al vanaf

1439 voor in Middelburgse stadsrekeningen. Het fort is d ­ uidelijk op het Panorama getekend. Landvoogdes Maria van H ­ ongarije, de zuster van keizer Karel V, wees de plek aan en gaf opdracht tot de bouw van een modern fort volgens de principes van de r­enaissancistische Italiaanse vestingbouwkunde. Architect was de in de wereld van de vestingbouw beroemde Donato de Boni Pellezuoli, afkomstig uit Bergamo, die in 1548 in Vlissingen ook tekende voor de bouw van het Keizers­bolwerk. Na de uitvinding van het buskruit en de m ­ ogelijkheid om te schieten met grof ­geschut, voldeden de rechte, met een gracht ­omringde ­middeleeuwse stads- en kasteelmuren niet


3.2 Beeld van de Heerlijkheid van Welsingen uit de Cronyk van Smallegange (1696). Ondanks het feit dat de Cronyk 146 jaar later verscheen dan het Panorama, is de g ­ elijkenis ­tussen beide afbeeldingen opvallend. Zo komt de door Van den ­Wijngaerde getekende dijkenstructuur, die vanaf het dorp ­Welsingen (links op de afbeelding) doorloopt tot Fort ­Rammekens (Zeeburgh), vrijwel identiek terug in de C ­ ronyk. Bekend is dat Welzinge veel te lijden heeft gehad van dijkdoorbraken, zelfs zodanig dat het dorpje buitendijks is komen te ­liggen.

Dit a ­ spect is eveneens zowel op het Panorama als op de ­afbeelding uit de Cronyk terug te vinden. Wellicht nog ­interessanter – in r­elatie tot het Panorama – is de vliedberg die rechts op de afbeelding staat getekend. Ook deze is op het Panorama terug te vinden, waarbij het erop lijkt dat het door Van den Wijngaerde getekende huisje naast de ­vliedberg er in 1696 ook nog stond.

99

3.2

meer, zoals die door Antoon van den ­Wijngaerde nog rond Veere, Middelburg en Vlissingen zijn g ­ etekend en zoals dat ook bij kasteel Sandenburg te zien is. Als de ­muren kapotgeschoten zouden worden, ­vergemakkelijkte het puin in de vestinggracht het voor de vijand om binnen te dringen. Dit was gebleken bij een inval van de Franse koning Karel VIII in NoordItalië in 1494. Volgens de nieuwe inzichten moesten de muren lager en dikker worden; vooral moesten in plaats van ronde bastions veelhoekige bastions gebouwd worden, zodat het voorland goed bestreken kon worden, en vooral de zijkanten vanuit de bastions verdedigd konden worden.14


Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

100

 e Middelburgse stadsmuur op het Panorama d D ­ ateert uit het begin van de veertiende eeuw. Een o ­ udere stenen ommuring uit de periode 1232 – 1236 was na een bezetting van de stad door de ­Vlamingen in 1303 verwoest en daarna weer opgebouwd. Die muur was voorzien van veel muurtorens en acht ­poorten.15 De gravure van Bast toont de situatie van eind ­zestiende eeuw. (3.3) De stadsmuren en -­ wallen van Veere d ­ ateren uit het midden van de veertiende


3.3 Gravure van Pieter Bast, Middelburg met stads­muren, ­ etekend vanuit het zuidwesten. Bast is in de tweede g helft van de zestiende eeuw in Antwerpen geboren en in 1605 in Leiden overleden. Er zijn weinig persoonlijke gegevens van hem bekend. Hij heeft wel onder andere veel stads­plattegronden en stadsgezichten nagelaten, die alle g ­ ekenmerkt worden door een hoge mate van nauw­ keurigheid. De weg op de voorgrond moet de weg naar Koudekerke zijn. De molens op de voorgrond zijn ook op de kaart van Jacob van Deventer terug te vinden. Zo te zien is Middelburg nog ommuurd; dat betekent dat de gravure van voor 1585 -1595 is. De Lange Jan is herkenbaar, het stadhuis ook, en de kerk links ervan moet de Noordmonster­ kerk zijn. Het kerktorentje rechts van de Lange Jan zou van de Vismarktkerk kunnen zijn. De vlaggen van de vele schepen zijn waarschijnlijk te groot afgebeeld. Het is niet on­aannemelijk dat het forse poortgebouw de Langeviele­ poort moet zijn geweest. Vergelijken we de gravure met het Panorama van een kwart eeuw eerder, dan zouden de daarop rechts van Middelburg getekende m ­ olens kunnen corresponderen.

Bij Vlissingen tenslotte is aan de landzijde een dikke poort getekend. Het is in de tijd dat Antoon van den Wijngaerde het Panorama tekende de nieuwe ­Middelburgse Poort uit 1540. De plek is thans te ­lokaliseren iets ten westen van de kruising van de Spuistraat met de Coosje Buskenstraat. Aan de ­westelijke waterzijde is de Westpoort, de huidige Gevangentoren te zien. Aan de oostkant, links van de molen staat de Oostpoort of Blauwpoort. Beide ­moeten voor 1396 zijn gerealiseerd. De poorten waren onderling ­verbonden door palissaden. Verder ­bestonden de verdedigingswerken uit het Molen­water en een eenvoudig o ­ ntwikkeld grachtenstelsel. Na een aanval in 1485 door Sluizenaars gaf Filips van Bourgondië opdracht de palissaden te verwijderen en wallen en muren op te werpen.17 Deze situatie is door Van den Wijngaerde vastgelegd.

3.3

eeuw. ­Omstreeks 1520 hadden ze het a ­ anzien zoals getekend op het P ­ anorama, met ook aan ­zeezijde versterkte muren. (3.4) In 1503 werden oude verdedigings­torens op het ­Noorder- en Zuiderhoofd afgebroken en op een kleine afstand van de afbraakplaats vervangen door nieuwe torens. Een daarvan betrof de Campveerse Toren, die op de tekening goed herkenbaar is. De andere – ook zichtbaar – is bij een grondbraak in 1630 verdwenen.16

Walcheren werd in zijn geografische c ­ ontext ­getekend. Noord- en Zuid-Beveland en ook S ­ chouwen, inclusief de plaats Zierikzee worden vermeld, en tegenover Vlissingen wordt de Vlaamse overkant aangeduid. Interessant is dat ook een deel van Engeland in het zeegebied voorbij Westkapelle als ‘Anglia pars’ wordt vermeld met de aanduiding van de afstand, zijnde 30 mijlen of 24 uur varen. Dit geldt ook voor een deel van de Far Oer (­‘Pharilia pars’) en de Shetland Eilanden (‘Hitlandia pars’). De afstand tot die gebieden wordt aangegeven als 200 mijlen of zes dagen varen. Het zijn gebieden die o ­ ngetwijfeld van belang waren voor de visvangst. De visserij­activiteiten op Walcheren werden gedetailleerd in beeld g ­ ebracht. Zo is buiten de veste van Vlissingen een groot nettenboeters­veld te zien. Ook op ­verschillende p ­ laatsen in de duinen, ondermeer bij Dishoek en bij Zoutelande zijn vissersnetten op­gehangen. Het P ­ anorama gaat ter hoogte van ­Westkapelle g ­ edetailleerd in op de visserijpraktijk uit die dagen.

101


Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

3.4 Deze prent uit de collectie Bodel Nijenhuis (­Universiteit Leiden) geeft een beeld van het Middeleeuwse Veere, gezien vanaf het Veerse Gat. Het Panorama van Antoon van den Wijngaerde laat de stad juist van de andere kant zien. Dat onderstreept de veronderstelling dat Van den ­Wijngaerde het Panorama vanuit het midden van het eiland heeft getekend. Rechtsboven is de Warwijkse Poort met links daarnaast de Mijnsheeren Poort, waardoor de weg naar kasteel Sanden­burg loopt. De beplante waterweg die buiten de poort te zien is, is het toenmalige begin van de huidige Veerse ­Watergang.

Via die waterverbinding kon wol vervoerd worden van Veere naar Middelburg en landbouwproducten naar de stad en het kasteel. Kort na deze situatie werden nieuwe bolwerken aangelegd.

agrarisch landschap en tuincultuur

Het Panorama geeft een beeld van het laat­ middeleeuwse landschap op de overgang naar de ­Renaissance, in feite voordat zich grote v­ eranderingen in het landschap zouden gaan ­voordoen. Een voorbode van deze veranderingen is op het P ­ anorama zichtbaar rond Kasteel Westhove bij D ­ omburg. Kasteel Westhove wordt reeds in een oorkonde van Floris V uit 1277 genoemd. In de veertiende eeuw was het een bekende lusthof van de abten van ­Middelburg. Dat deze tuin ook echt iets voorstelde, blijkt uit de woorden van Guicciardini, een Italiaan, die in zijn Description de tous les Pays-Bas (1582) zijn bewondering uitspreekt over de tuin van Westhove. Dit is opmerkelijk uit de mond van een Italiaan, want de renaissance-tuinkunst kende toen in Italië al een enorme bloei. Westhove was hiermee voor Walcheren en voor Nederland een vroeg voorbeeld van tuinkunst. De tuin die Guicciardini in 1566 zag, staat al op het Panorama afgebeeld. Duidelijk is een ommuurde tuin te zien. De muren worden begeleid door bomenrijen. In het midden van de tuin staat een opvallende fontein, geheel naar Italiaans voorbeeld. Naast de ommuurde tuin ligt nog een eenvoudiger tweede tuin. Dit gedeelte is omgeven door een palissade, waarin een poort is opgenomen. Binnen het Walcherse landschap vormt de tuin van Westhove het enige – volgens stijlprincipes – bewust door de mens vormgegeven landschapselement. Dat er op de Zelandiae Descriptio naast het ­voorbeeld van Westhove verder niets wijst op de a ­ anwezigheid van een tuincultuur op Walcheren, is voor een laatmiddeleeuws beeld in Noordwest-Europa geen bijzonderheid. We moeten terug naar de O ­ udheid om een werkelijke tuincultuur tegen te komen. In Perzië, in het oude Egypte en in Rome b ­ estonden reeds fraaie tuinen. Rond bijzondere gebouwen en villa’s werden ze aangelegd. Enerzijds hadden ze het doel om verpozing en rust te bieden binnen de toen ook al aanwezige stedelijke hectiek. Anderzijds imponeerde de eigenaar met zijn bezit. De tuin was dus tevens een beeldmiddel om rijkdom en welvaart te tonen. In de Middeleeuwen was er daarentegen, zeker in ­Noordwest-Europa, veel minder sprake van een tuincultuur. Zo er al tuinen waren, dan waren ze gekoppeld aan kloosters en abdijen en lag het accent sterk op

102

Het grondgebruik en het uiterlijk van het a ­ grarisch landschap van het eiland is niet goed afleesbaar, omdat de invulling daarvan slechts een i­mpressie is. Landbouwkundige activiteiten zijn niet a ­ fgebeeld. Het lijkt bijna alsof het eiland voor een b ­ elangrijk deel uit woeste grond bestond. Uit andere b ­ ronnen ­weten we echter dat Walcheren wel degelijk a ­ grarisch werd ­geëxploiteerd. Overlopers zeggen daar iets over. Overlopers zijn beschrijvingen van o ­ pgemeten ­blokken land, waarbij de karteerders l­etterlijk over het land moesten lopen. Uit die van 1566 ­(Oostwatering) en 1584 (Vijf Ambachten), beide bronnen met b ­ etrekking tot Noord-Walcheren, blijkt dat er ­destijds meer ­boerderijen waren dan we van de eerste ­kadastrale kaarten uit de negentiende eeuw kennen. In het vierde blok van Oostkapelle, in de omgeving van Rijnsburg, zijn naast Rijnsburg drie hofsteden vermeld. Het land was volgens de overlopers in veel percelen verdeeld, mogelijk zelfs in meer kavels dan aan het begin van de twintigste eeuw. Bij O ­ ostkapelle lagen volgens de overlopers 1.432 percelen land met een totaal o ­ ppervlak van 3.300 gemet. Het ­gemiddelde perceel was dus 2,3 gemet groot, o ­ ngeveer 90 are. (Hier werd gerekend in het z­ ogenaamde Bloois gemet: 3.924 m²). De ­verkaveling was dus nogal kleinschalig. H ­ elaas geeft het ­Panorama daar niets over prijs. De twintig molens die op het Panorama van Van den Wijngaerde zijn afgebeeld herkennen we als standaard­molens, die destijds altijd k­ orenmolens ­waren. Hier werd het graan gemalen dat op ­Walcheren werd verbouwd en mogelijk ook ingevoerd graan. We zouden er uit kunnen opmaken dat er sprake is van een behoorlijke bevolkingsconcentratie. Wel zijn op het Panorama verspreide bosschages te zien, plaatselijk met een aanzienlijke omvang. Ook alle dorpen zitten goed in het hout. De bosschages ­worden afgewisseld met onregelmatig gevormde grazige gedeelten. Opvallend zijn verder de grillig gevormde waterlopen, die nog sterk de gedaante van een kreekrestant hebben. Op sommige plaatsen zijn bruggetjes getekend, waaruit kan worden afgeleid dat het eiland relatief goed ontsloten was.


103

3.4

de kweek van (medicinale) kruiden en veel minder op verblijf en verpozing. De middeleeuwse tuin was naar binnen gekeerd, door muren omsloten en had d ­ ikwijls een vierkante basisvorm. Van een r­elatie met het ­omliggende landschap was geen sprake. Tijdens de Middeleeuwen was men veeleer bezig het eigen vege lijf te redden. De zorg voor eten, drinken en een onderdak stond centraal. Tevens zocht men bescherming in de (overvolle) stad en was het platteland gevaarlijk terrein, waar men – zeker ’s nachts – beter niet kon vertoeven. Het was lange tijd relatief leeg. De Renaissance maakte een einde aan het in vele opzichten duistere tijdvak van de Middeleeuwen. De opbloei van kunsten, wetenschap en in het kielzog hiervan handel en nijverheid had haar oorsprong in de ‘wedergeboorte’ van de verworvenheden van de

­ lassieke Oudheid. De Renaissance begon in Italië K al in de dertiende of veertiende eeuw en b ­ ereikte de noordelijke streken van Europa pas in de zestiende eeuw. Met de komst van meer welvaart en r­ijkdom werd ook het platteland veiliger en werd het in ­na­volging van Italië en Frankrijk als exclusief woon­ gebied door de rijken ontdekt. Vanaf het einde van de ­zestiende eeuw was dit ook op Walcheren het geval. In ruim een eeuw tijd veranderde het beeld van een ­relatief leeg middeleeuws Walchers platteland, zoals dat is afgebeeld op het Panorama, tot een met een grote reeks lusthoven gevuld landschap. Aan deze periode ontleent het eiland zijn faam als Tuyn van Zeeland.


vijftig jaar eerder Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

104

3.5


Kaart van Walcheren uit 1505. De kaart is onderdeel van een kaart van de Schelde van Rupelmonde tot aan zee. Hij wordt ­bewaard in het Gemeentearchief van Antwerpen.

3.5

105

In het Gemeentearchief van Antwerpen bevindt zich een Scheldekaart van Rupelmonde tot aan de zee, ­ ngeveer vermoedelijk uit 1505. (3.5) Deze is dus nog o vijftig jaar ouder dan het Panorama van Antoon van den Wijngaerde. De kaart is 5,47 meter lang en 75 centimeter hoog; geheel links is ook het eiland ­Walcheren afgebeeld. Volgens de stadsarchivaris van de stad Antwerpen, tevens conservator van het Museum Plantin-Moretus J. Denucé (1878-1944) zou het om een kopie gaan van een nog enkele decennia oudere kaart, die zich in het Algemeen Rijksarchief te Brussel bevindt, waarvan echter het westelijke deel ernstig is aangetast. M.K. Elisabeth Gottschalk en W.S. Unger beweren dat het niet om een kopie zou gaan, maar dat het twee verschillende kaarten zijn. In 1830 heeft Jan Frans Willems voor het eerst de aandacht op de Antwerpse kaart gevestigd, er een reproductie in steendruk van vervaardigd op een vijfde van de ware grootte en er een beschrijving aan gewijd. De kaarten zijn vervaardigd om als illustratiemateriaal te dienen in de talrijke tolprocessen die in de loop van de vijftiende eeuw voor de Hoge Raad te Mechelen gevoerd zijn over wie er bevoegd was op bepaalde plaatsen tol te heffen op schepen en ladingen. Het was ook een kwestie van waar nu precies en hoe ver de rivier de Honte liep en welke gebieden en water­ wegen onder de jurisdictie van de graaf van Holland en Zeeland, dan wel die van Vlaanderen vielen. De Brusselse kaart is veelvuldig gebruikt; steeds zijn er nieuwe aan­tekeningen op gemaakt. Na het vonnis in 1504 zal Antwerpen behoefte hebben gehad aan een eigen kaart, meer uitgebreid, met name naar het westen, en deze moet wellicht gezien worden als een vastlegging van de situatie na de rechtsuitspraak. In landschappelijk opzicht laat de kaart weinig zien – dat was ook niet het uitgangspunt. Toch staan er in topografische zin wel een aantal aardige ­bijzonder­heden op. Bijvoorbeeld een blokhuis aan de noordzijde van de Arnemonding. Ook is vanuit de zee te zien dat Dishoek en Rammekens mogelijk belangrijke redes waren met een wachthuis, in verband met de tolheffing via tolschepen of wachtschepen. Dat er ­kerken staan getekend, kan niet juist zijn. Bij ­Rammekens zal de kerk van Ritthem bedoeld zijn en

bij Dishoek die van Koudekerke. Middelburg en Veere zijn ommuurde steden, Vlissingen nog niet. Dat laatste kan er op ­wijzen dat hier gebruik is gemaakt van de gegevens van de oudere Brusselse kaart, want de eerste om­walling van Vlissingen dateert uit omstreeks 1491. Ook is te zien dat bij Westkapelle mogelijk verdedigingswerken waren, hetgeen het belang van Westkapelle als een nederzetting met stadsrechten in de M ­ iddeleeuwen onderstreept. In een landschapsatlas van Walcheren mag de kaart niet ontbreken, ook al moeten er zelfs bij de ­topografische gegevens – binnen het p �� erspectief waarin ze zijn getekend – vraagtekens worden ­geplaatst. In dat opzicht is het Panorama veel ­betrouwbaarder.


3.6 Op een plattegrond uit 1598 is de nieuwe situatie bij Veere te zien. Er waren toen vijf bolwerken. Aansluitend op de dijk richting Vrouwenpolder ligt het Oranjebolwerk. Aansluitend op de dijk naar Arnemuiden ligt het Mauritsbolwerk. Daartussen liggen, gezien vanaf het Oranjebolwerk, het M ­ olenbolwerk, het Warwijksebolwerk en het Zanddijksebolwerk. 3.7 Arnemuiden op de plattegrond van Guicciardini uit ongeveer 1616.

vijftig jaar later Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

106

3.6

In de ruim vijftig jaar na de Descriptio Zelandiae van Antoon van den Wijngaerde zou Walcheren de ruimtelijke consequenties ondergaan van de strijd­ tonelen na het uitbreken van de Nederlandse Opstand in 1568. Na de Beeldenstorm van 1568 en vooral na oorlogsverwoestingen in de periode van het beleg van Middelburg (1572 – 1574) zijn veel Walcherse dorpen geruïneerd. Het betrof vooral de kerken. Daar waar die niet meer werden opgebouwd, zijn de middeleeuwse dorpen gereduceerd of zelfs geheel van de hedendaagse kaart verdwenen.18 In de onzekere oorlogsperiode van de Nederlandse Opstand zijn de middeleeuwse stadsmuren van Veere, Middelburg en Vlissingen onder handen genomen en omgevormd volgens dezelfde principes als die bij Rammekens golden. Veere was daarin de e ­ erste. Vermoedelijk is er al in 1570 mee begonnen, toen de stad nog onder Spaans bewind was. In 1572 schaarde ­Veere zich bij het kamp van de Opstand. Direct daarna werd er voortvarend aan de nieuwe vesting gebouwd. Tussen 1572 en 1600 werden vijf nieuwe bolwerken met grachten aan­gelegd. ­Gezien vanaf de zeedijk naar ­Vrouwenpolder waren dat ­achtereenvolgens het ­Oranjebolwerk, het M ­ olen­bolwerk, het ­Warwijksebolwerk, het Z ­ anddijksebolwerk en het Mauritsbolwerk. (3.6) Drie poorten ­gaven ­toegang tot de stad: de ­Warwijksepoort, de Z ­ anddijksepoort en de ­Arnemuidensepoort. Het kasteel Sandenburg is in 1574 afgebroken, de stenen kregen een bestemming in de bouw van het Oranjebolwerk.19 Ook Arnemuiden kreeg in die periode voor het eerst verdedigingswallen. In de Spaanse tijd van de stad was de bedreiging door de Opstandelingen, met name de Watergeuzen aanleiding om schansen voor de havenhoofden te bouwen. Na een korte onder­ breking in 1572 toen de stad in handen van de prinsgezinden viel, heroverden de Spanjaarden de stad in hetzelfde jaar en begonnen ze met een verdere uitbouw van de versterkingen aan de landzijde. In 1574 kwam Arnemuiden weer onder het bewind van de prinsgezinden. De plannen van de Italiaanse vestingbouwer Scipio Campi uit de Spaanse periode werden aangepast en verbeterd door ingenieur Abraham Andriessen. Aan de kant van de rede werden voor de wallen palissaden gebouwd. (3.7) ­


107

3.7

Er kwamen drie waterpoorten. Aan de landzijde 足werden de grachten uitgediept en er kwamen twee poorten voor de toegang over land: de Middelburgse足 poort en de Veersepoort.20 Tussen 1585 en 1598 werden de middeleeuwse stadsmuren van Middelburg afgebroken en vervangen door een verdedigingsstelsel van dertien bolwerken. Ook de acht middeleeuwse poorten werden alle vervangen: Noorddampoort, Zuiddampoort, Koepoort, N 足 oordpoort, Seispoort, Langevielepoort, Vlissingsepoort en de SintGeertruids- of Segeerspoort. Op de bolwerken werden in 1634 iepen en linden aangeplant. De Koepoort werd in 1735 vervangen door een sierpoort.21 (3.8)


Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

108

3.8


De plattegrond van Cornelis Goliat uit 1657 toont de ­ iddelburgse bolwerken zoals die in 1598 zijn gereed­ M gekomen, nadat de stadsmuur uit de tweede helft van de dertiende eeuw was afgebroken. In de tijd na het P ­ anorama werd het havenkwartier eerst nog in het oosten en noordoosten van de stad uitgebreid tussen de Zuiddam en het Veersebolwerk. Deze zijn onderdeel geworden van het ­vestingspatroon uit 1598.

3.8

Dit is een detail van de kaart van het Noorderstrand van Walcheren uit 1791, die door G. de Feyter is getekend. Het laat de situatie van Fort den Haak zien, ruim twee­ honderd jaar na de bouw en achtien jaar voor de inval van de Engelsen. Op deze kaart is van de zeewaartse bastions niet veel meer over; van de landwaartse is alleen het ­ noordelijke bastion nog intact, het zuidelijke slechts in aanzet.

3.9 A

3.9 B Opnieuw ongeveer tweehonderd jaar later zijn er in het l­andschap bij de aanzet van de Veersedam nog contouren van het fort herkenbaar.

109

3.9 A

3.9 B

In 1588 is er bij Vrouwenpolder een begin gemaakt met de bouw van Fort Den Haak, een schans die het hoofd moest bieden aan vijandige invallen van overzee en die ook het scheepvaartverkeer in het Veerse Gat onder controle kon houden. Het fort was een vrijwel vierkante schans met aarden wallen en een gracht aan de naar land gekeerde zijden. Aan de landzijde waren twee volle bastions aangelegd, aan de zeezijde twee halfbastions. Het fort heeft te lijden gehad van zandoverstuivingen, nalatig onderhoud en over­ stromingen. Herstel volgde naar gelang er oorlogs-

dreiging was, maar in 1750 werd besloten tot sloop en verkoop van nog resterend houtwerk. Toch zijn er in dezelfde eeuw weer nieuwe reparaties uitgevoerd en heeft het fort zelfs nog een rol gespeeld bij de inval van de E ­ ngelsen in 1809.22 (3.9 A/B) In Vlissingen begon men in 1571 onder het b ­ ewind van Alva met de bouw van een dwangburcht, die nooit is afgebouwd, omdat de stad in 1572 zich na een ­opstand van de bevolking aansloot bij de p ­ rinsgezinden. Het stadsgerichte deel van de ­citadel werd geslecht: daar werd de Nieuwe H ­ aven ­gerealiseerd en later de zogenaamde ‘nieuwe stad’ gebouwd. De naar buiten gerichte omwalling werd ­onderdeel gemaakt van de vesting die onder Prins Maurits tussen 1609 en 1614 werd gebouwd door Johan van Valkenburgh en D ­ avid van Orliens.23 ­Tussen de oude citadellen werd de Rammekens­ poort gebouwd. Aan de landzijde werden de bol­ werken met elkaar verbonden in een eenvoudig tracé van ­inspringende hoeken. De m ­ uren maakten plaats voor aarden wallen. Aan zeezijde ­werden de dijken ­bemuurd en er kwamen bolwerken bij. (3.10) In de ­periode 1609 – 1613 werd de haven uitgebreid en de omwalling van de landzijde aan­gepast tot een vesting­werk van acht bastions, met een gracht ervoor. De nieuwe haven, ‘s Lands Dok – met de daarin gelegen oorlogsschepen en scheepswerven van de Admiraliteit – kwam zo binnen de vesting te liggen.24


3.10 Vlissingen op een kaart van Guicciardini, omstreeks 1612. De bolwerken rechts op de kaart maakten deel uit van de onvoltooide en afgebroken citadel van Alva. Links ervan zijn de nieuwe havenuitbreidingen te zien. Rondeel en Keizersbolwerk bij de ingang van de oude en de nieuwe havens zijn in het huidige stadsbeeld nog aanwezig, net als de Westpoort, de huidige Gevangentoren.

Walcheren ten tijde van Antoon van den Wijngaerde. Deze kaart is een reconstructie die is gemaakt op basis van een beperkt aantal bronnen: de stedenkaartjes van Jacob van Deventer en het Panorama. Dat verklaart de g ­ edetailleerde randen, de zone waar het Panorama zich op richt.

3.11

Een laatmiddeleeuws panorama Kees Bos, Jan Willem Bosch

110

3.10

Was de ruimtelijke ontwikkeling van Walcheren in deze periode vooral een kwestie van ruïneuze oorlogs­ handelingen en van nieuwe inzichten in de s­ trategie van vestingbouw, daarna kreeg het Walcherse ­landschap een enorme impuls die gebaseerd was op de bouw van buitenplaatsen met een Italiaans­renaissancistische tuincultuur. (3.11) strand duinen bebouwd gebied bebouwing water bos weg dijk strandpalen kerk molen 0

1

2 km


111

3.11


Kaartenmakers tekenen een streek alsof ze vanuit de hoogte ernaar kunnen kijken. De gebroeders Hattinga waren daar echte meesters in. Op hun weergave van Walcheren, die in 1753 bij Isaac Tirion in Amsterdam werd uitgegeven, zijn meer dan 110 buitenplaatsen getekend. Voor Walcheren was de achttiende eeuw een Gouden Eeuw waarin het agrarisch landschap veranderde in een ware lustwarande. Het moet een spectaculair mooi landschap zijn geweest, vergelijkbaar met wat we nu nog in de Gooi- en Vechtstreek zien. Een deel van de buitenplaatsen is op deze afbeelding te zien: het zijn de buitenplaatsen tegen het duin die we nu nog kennen als de Manteling van Walcheren. Hollandse Barok maakte van heel Walcheren â&#x20AC;&#x2DC;De Tuyn van Zeelandâ&#x20AC;&#x2122;. Aan het eind van de achttiende en in de negentiende eeuw, werden de meeste buitens weer afgebroken en kwam er een eind aan de cultuur die Walcheren een eeuw lang aanzien gaf.

112


hoofdstuk 4 | 1650-1800 jan willem bosch

een tijdelijke buitenplaatscultuur 113


walcheren als ’tuyn van zeeland’ Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

114

4.1

De zeventiende eeuw wordt historisch aangeduid als De Gouden Eeuw. De stad Amsterdam nam daarin het voortouw, maar Middelburg bleef niet ver a ­ chter: de stad liftte mee vanuit zijn eerder gevestigde r­eputatie en reeds bestaande internationale betrekkingen. In die zeventiende, maar vooral in de achttiende eeuw leidde de nieuw verworven rijkdom tot de aanleg van buitenplaatsen, vooral door Middelburgse koop­lieden. Ook regenten, ambtenaren en andere beroeps­groepen die als gevolg van de koloniale economie rijk g ­ eworden waren, investeerden in het buiten wonen. De door deze mensen geïnvesteerde kapitalen h ­ ebben, met ­gebruik­making van de in die tijd heersende ideeën over n ­ atuur, landschap en cultuur, van ­Walcheren een ware ‘Tuyn van Zeeland’ gemaakt.


4.1 Achter dit en het volgende zeventiende-eeuwse schilderij gaat meer schuil dan zij in eerste instantie doen vermoeden. Dankzij de (hier afgebeelde) omvangrijke h ­ andelsactiviteiten zou het landschap achter de kustlijn i­ngrijpend gaan ­veranderen. Zeeuwse kooplieden ­vergaarden, vooral door de scheepvaart, rijkdommen die zij op grote schaal ­konden ­inzetten voor de aanleg van buitenplaatsen. Beide ­schilderijen zijn van een (nog) onbekende schilder. Uit ­particulier bezit zijn ze kortgeleden in bruikleen gegeven aan het Maritiem MuZEEum in Vlissingen en niet eerder ­gepubliceerd.

Dit schilderij geeft een prachtig beeld van hoe de s­ chepen vanuit de Welzinge de in 1535 gegraven haven van ­Middelburg konden in- en uitvaren. Op het silhouet van ­Middelburg is behalve de stadhuistoren, de Lange Jan en de Sint Pieterskerk ook de Oostkerk zichtbaar (gebouwd tussen 1664 en 1666). Was het schip links wellicht een ­kaperschip? De molen en behuizing links van de haven­ ingang komt nog niet, of niet meer, op de kaart van Hattinga voor, terwijl de bebouwing aan de overzijde van de haven op deze kaart wel staat aangegeven.

115

Anders dan in de Gooi- en Vechtstreek, die nog steeds als een landschap van buitenplaatsen ­gekenmerkt wordt, is die cultuur op Walcheren ­verloren gegaan. Dat zal er onder andere mee te maken ­hebben dat de Gooi- en Vechtstreek met zijn zand- en veengronden landbouwkundig minder interessant en daardoor ook minder lucratief was dan de Walcherse. Ook zal de directe nabijheid van Amsterdam – als grootste stad van Nederland en als internationaal financieel ­centrum – voor de klasse van buitenplaatsbezitters minder aanleiding zijn geweest om hun landelijke eigendom van de hand te doen. Tuin van Zeeland, zo werd Walcheren nog lang ­genoemd, ondanks het desastreuze verlies van al die buitenplaatsen in de negentiende eeuw. Een kleinschalig landschap met coulissen van meidoornhagen, en een afwisseling van open poelgebieden als weiden voor vee en meer beplante kreekruggen voor kleinschalige landbouw kwam ervoor in de plaats. Maar dan zijn we alweer een eeuw verder.

specerijeneconomie Voordat de Indonesische archipel aan het eind van de vijftiende eeuw door de Europeanen o ­ ntdekt werd, b ­ estond er al vele eeuwen lang handel in ­specerijen vanuit Azië naar Europa. H ­ eerschappijen en ­individuele rijkdommen waren er op g ­ ebaseerd. ­Oorlogen zijn er om gevoerd. Feniciërs, R ­ omeinen en Arabieren waren distributeurs voor de g ­ ebieden rond de Middellandse Zee, Venetianen vooral voor ­noordelijker Europa. In het oosten werd de h ­ andel ­gedreven door onder andere C ­ hinese en Indische kooplui, die de kostbare g ­ oederen via gevaarlijke ­karavaanroutes en met schepen naar h ­ andelsplaatsen als bijvoorbeeld Goa en ­Calcutta brachten, ­vanwaar ze door ­Arabieren per ­karavaan over land naar Alexandrië werden ­vervoerd. ­Alexandrië had lang een s­ leutelpositie en de ­Arabieren het m ­ onopolie. Ook de Venetianen, toen die de L ­ evantijnse handel ­beheersten, hebben lang een hoofdrol gespeeld. Geen wonder dat alleen al ­vanwege de transport­ kosten de oosterse kruiden l­etterlijk peper­duur ­waren. Het verhaal gaat dat de verkoopprijzen van de ­Venetianen achtmaal die van de aankoopprijs in het oosten b ­ edroegen. De ­schaarste en de hoge p ­ rijzen

vormden een sterke stimulans voor de Europese ­ontdekkingsreizen naar Zuidoost-Azië. De Portugezen waren in 1498 de eersten die om Kaap de Goede Hoop voeren en Indië bereikten. Zij zorgden aanvankelijk voor een gestage aanvoer van specerijen naar Europa en brachten die ook naar Antwerpen. Hun hegemonie hield geen stand in de concurrentie­ strijd die ze moesten voeren met a ­ ndere naties die ook de zeeweg naar het Verre Oosten g ­ ingen ­gebruiken: Nederlanders, Fransen en E ­ ngelsen. ­Uiteindelijk zijn Hollandse en Zeeuwse kooplieden daarin lange tijd het meest succesvol gebleken. (4.1, 4.2) ­ msterdam werd voor de specerijen in de zeventiende A eeuw het grootste internationale distributie­knooppunt. Het bleef niet bij de handel op de Oost. Ook WestIndië werd in de verre handel opgenomen. Voor het eiland ­Walcheren ­betekenden die ­ontwikkelingen een d ­ rastische verandering in het aanzien van het land­schap door de bouw van buiten­plaatsen met een ­Italiaans-renaissancistische tuin­cultuur. Voor de verklaring daarvan moeten we terug naar de ­internationale handel, vooral naar de in M ­ iddelburg gevestigde koop­lieden en hun handels­huizen die daarin een rol van betekenis hadden. Was de eerste bloei­periode van M ­ iddelburg vooral een zaak van de ­kantoren van E ­ uropese handels­huizen die hier een vestiging hadden om hun waren vanuit de stad verder over het achterland te kunnen d ­ istribueren, in de tweede bloeiperiode – die van de zeventiende eeuw – lag het initiatief bij de eigen regenten- en koopmans­ families die deelnamen in de handels­syndicaten, welke binnen het kader van de samen­werkende overheden van de Nederlandse R ­ epubliek het monopolie verwierven op de trans­oceanische handel. (4.3)


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

116

4.2 A

4.3


De geschilderde kustlijn is in landschappelijk ­ pzicht interessant. Rechts Fort Rammekens uit 1547 o met de bebouwing daarbinnen. Vervolgens het silhouet van ­Middelburg. Geheel links zijn de contouren van ­Vlissingen zichtbaar, met onder andere de Sint Jacobskerk. ­Afbeeldingen 4.2 B/C/D zijn details uit dit schilderij.

4.2 A

Duidelijk zichtbaar op de kustlijn is een wachthuis met een seinpaal. Dit zou hetzelfde wachthuis kunnen zijn dat op het Panorama van Antoon van den ­Wijngaerde staat afgebeeld bij de naam Rammekens. Later werd het ook Commiezenhuis of Polderhuis genoemd. Het is in de ­negentiende eeuw (tot 1902) een tijdlang tevens h ­ erberg ­geweest, ‘De Schoone Waardin’. Ook op de kaart van ­Hattinga van rond 1750 staat op deze plek een b ­ ehuizing getekend. ­Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het in zijn ­laatste voor­komen gesloopt.

4.2 B

4.2 B

4.2 C

4.2 C Het silhouet van Middelburg is heel precies ­ eschilderd. Rechts torent de Lange Jan omhoog. Naar g links de Noordmonsterkerk, die op de kruising Lange ­Noordstraat/Hofplein heeft gestaan. Iets verder naar links zijn de contouren zichtbaar van de West-Indische P ­ akhuizen. Ze hebben op een plek gestaan die door het graven van het Kanaal door Walcheren is verdwenen, ten westen van het huidige station. Nog meer links is de stadhuistoren ­herkenbaar.

Fort Zeeburgh, dat later Fort Rammekens genoemd zou worden. Ook deze versterking is realistisch geschilderd.

4.2 D

Een gezicht op Vlissingen, met op de achtergrond een deel van het Walcherse landschap zoals dat er in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitgezien kan h ­ ebben. Een kwart eeuw later dan de tekening van Johannes Goedaert, die vanaf de Vlissingse duinen in de richting van M ­ iddelburg een betrouwbare impressie van het landschap gaf (zie afbeelding 0.8). In tegenstelling tot Goedaert is er van de maker van dit schilderij in de handboeken niets terug te vinden. Op een drijvend plankje onder het hoofd voor het Keizers­bolwerk heeft hij het gesigneerd en gedateerd: Petrus Segaers 1669 (99 x 198,5 cm). Dat het om een b ­ etrouwbare ­voorstelling gaat, is af te lezen uit de nauwkeurigheid ­waarmee ­Vlissingen is afgebeeld. Van links naar rechts zien we naast een molen de Westpoort, het stadhuis aan de Grote Markt, een van de torentjes van het oudere stadhuis, het ­Keizersbolwerk met daarachter het Beursgebouw, de Sint Jacobskerk, het Lampsinshuis, de Nieuwe kerk, het ­imposante Prinsenhuis, de Oostkerk en het Oranjebolwerk. Fort Zeeburgh (Rammekens) is ook duidelijk herkenbaar. Op de achtergrond is de Lange Jan van Middelburg te zien. Tussen rede van Vlissingen en Middelburg een arcadisch landschap, waarin – verscholen in het groen – de eerste buitenplaatsen zijn gesitueerd.

4.3

4.2 D

compagnieën De Atlantische scheepvaart en handel waren sinds de vijftiende eeuw lange tijd in handen geweest van de Spanjaarden en Portugezen. Engelsen en ­Fransen probeerden de positie van de Iberische handel te ­ondermijnen. Nederland bleef hierbij lang achter, h ­ etgeen opmerkelijk was, gezien de sterke ­positie van de Nederlanders in de E ­ uropese handel en s­ cheepvaart. Eind zestiende, begin ­zeventiende eeuw kwam de verandering. Die werd mede ­ingegeven door de p ­ olitieke ontwikkelingen in die dagen, ­waar­onder de Val van Antwerpen. In 1585 ­veroverden en p ­ lunderden de Spanjaarden de stad onder ­leiding van Alexander Farnese. Als tegenmaatregel sloten de noordelijke gewesten de Schelde af, de ­­definitieve scheiding van Antwerpen met de noordelijke ­Neder­landen. Dit leidde tot een massa-emigratie van g ­ ekwalificeerde ambachts­ lieden, kooplui, i­ntellectuelen en kunstenaars naar de noordelijke gewesten. Enigszins trapsgewijs ging het richting Amsterdam, waarbij ook Middelburg als eind- of ­tussenstation belangrijk was. De met deze vlucht meegekomen kennis en het kapitaal dat nodig was voor e ­ xpedities naar verre streken, gaf een extra ­impuls aan de handels­activiteiten naar het Verre ­Oosten en Westen.

117


4.4 A Adriaen van de Venne, ‘Vertrek van een hoogwaardigheids­ bekleder uit Middelburg’, 1615, olieverf op doek (64 x 134 cm). Het betreft Robert Sidney, de graaf van Leicester. De ­schepen moesten door paarden vanaf M ­ iddelburg door het drie kilometer lange havenkanaal getrokken worden, omdat de wind verkeerd stond. Het schip met de Zeeuwse en de Middelburgse vlag in top is het oorlogsschip ‘De Zeehondt’. Het schilderij is een levendig en weids geschilderd t­afereel, met tal van landschappelijke details. Het silhouet van ­Middelburg op de achtergrond toont duidelijk de markante West-Indische pakhuizen, de stadhuistoren, de Lange Jan en de Noordmonsterkerk. Aan de andere kant van het ­Kanaal staan gewone Zeeuwen toe te kijken en geheel rechts

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

118

4.4 A

Om de verre reizen te kunnen financieren en er ­gezamenlijk profijt van te hebben, besloten negen Amsterdamse kooplieden in 1594 tot oprichting van een gezamenlijke onderneming, De Compagnie van Verre. Ze waren echter niet de enigen met dit idee en kregen dus al snel concurrentie. Zo vertrokken er in maart 1598 twee Zeeuwse vloten naar Indië. De eerste was uitgerust door de Middelburgse C ­ ompagnie van Adriaan Hendriksz. Ze voeren met drie schepen uit onder bevel van Gerard le Roy. De tweede vloot was die van de Veerse Balthasar de Moucheron. Twee schepen van deze Veerse Compagnie ­vertrokken een paar dagen later onder bevel van Cornelis Houtman. In 1601 gingen beide compagnieën samen verder als de Verenigde Zeeuwse Compagnie. Behalve in Zeeland waren er tal van zulke zogenaamde voor­ compagnieën. Aziatische leveranciers p ­ rofiteerden van die concurrentie door het opdrijven van hun prijzen. Omgekeerd daalden de prijzen op de E ­ uropese markten door het grote aanbod. Het was Johan van

Oldenbarnevelt, de raadpensionaris van de R ­ epubliek der Zeven Verenigde Nederlanden, die aan het ­economisch profijt voor het geheel van de R ­ epubliek een gunstige draai probeerde te geven door tot samen­werking te overreden. Uiteraard ging het Johan van Oldenbarnevelt niet alleen om het e ­ conomische profijt, maar ook om het politieke overwicht in de strijd tegen de Spaanse machtsinvloeden. Na tal van o ­ nderlinge fusies werd in 1602 door de Staten­Generaal de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht, waarbij Zeeland een eigen ‘kamer’ of kantoor in Middelburg kreeg. De VOC m ­ onopoliseerde de handel met Oost-Indië, India, Ceylon, Korea, Japan, China, en vestigde eigen handelsposten en kantoren in die gebieden; daarnaast exploiteerden ze eigen plantages en factorijen. In de VOC namen zes steden deel: Amsterdam, Rotterdam, Delft, Hoorn, ­Enkhuizen en Middelburg. Deze steden benoemden een directie van zeventien leden, de zogenaamde Heren XVII.


op het schilderij is een stukje agrarisch landschap te zien. Adriaen van de Venne (1589 – 1662) werd in Delft g ­ eboren uit ouders die uit de Zuidelijke Nederlanden waren ­uitgeweken. Van 1614 tot 1624 werkte hij in Middelburg als schilder en illustrator van boeken, onder andere van Jacob Cats. Deze werkte van 1603 tot 1623 ook in Middelburg, eerst als stadsadvocaat en later als pensionaris. Van de Venne woonde in een pand op de hoek van de Bogardstraat en de Balans. Zijn broer Jan had in Middelburg een d ­ rukkerij en ook zijn vader was er gevestigd. Als landschapsschilder wordt Adriaen wel gerekend tot de Middelburgse Breughel­ groep, waartoe ook de aan het Molenwater wonende ­Johannes Goedaert behoorde.

Er is niet zo veel verbeelding nodig om hier de schepen nog te zien varen. De aanleg van de N57 maakt aan deze illusie binnenkort een einde.

4.4 B

119

4.4 B

Het duurde nog tot na de afloop van het Twaalfjarig Bestand in 1621 voordat de West-Indische C ­ ompagnie (WIC) werd opgericht. Net als de VOC was de WIC georganiseerd als een naamloze vennoot­schap, ­­op­gericht door de Staten-Generaal om de handel met Noord- en Zuid-Amerika alsook die op West­Afrika te monopoliseren. De WIC was i­ngedeeld in vijf kamers of kantoren die schepen u ­ itrustten: ­Amsterdam (vier negende), Middelburg (twee ­negende), Rotterdam, Hoorn en Groningen (telkens één n ­ egende). Het bestuur bestond uit 74 bewinds­ leden, uit wie een dagelijks bestuur van negentien leden werd gevormd, de z­ ogenaamde Heren XIX. Onderdeel van de WIC-­handel was de zogenaamde ’triangular trade’, de d ­ riehoekshandel. Die bestond ­eruit dat wapens, buskruit, ijzer, textiel, alcohol en snuisterijen naar West-Afrika werden vervoerd, daar geruild werden voor goud, ivoor en slaven die naar West-Indië (­Brazilië, Berbice, Demerary, Essequebo,

Suriname en de ­Antillen) werden getransporteerd om er op de p ­ lantages te werken, en waar ­vervolgens cacao, koffie, tabak, katoen, rum, suiker en andere koloniale ­producten werden gekocht om terug te voeren naar de Republiek. Deze driehoekshandel met een naar de huidige maatstaven treurige faam van slaven­handel – die echter niet los gezien kan worden van de toen geldende praktijken ook in de West-­Afrikaanse oorsprongsgebieden – was de meest ­lucratieve van de WIC. Daarnaast hield de WIC zich, net als de VOC, actief bezig met het exploiteren van eigen plantages en factorijen. Dat ook de door de ­bewindvoerders gelegaliseerde Kaapvaart profijt bracht, weet i­edere Nederlander die de geschiedenis van Piet Hein kent, al was het maar van het lied over de gewonnen ­zilvervloot. (4.4 A/B)


Twee min of meer willekeurige beelden uit de Cronyk van Zeeland van M. Smallegange (1696), hier opgenomen ­omdat ze veel van het landschap laten zien.

4.5

buitenplaatsen Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

120

4.5 A

Veel stedelijke regentenfamilies, waaronder die van Middelburg – destijds na Amsterdam de b ­ elangrijkste stad van het land -, waren als aandeelhouders ­betrokken bij de VOC en WIC. De inkomsten die daarmee werden gegenereerd, leidde tot aanzienlijke ­investeringen in koopmanshuizen in de stad en in buiten­plaatsen op het Walcherse platteland. (4.5 A/B)

Van de families die tussen 1710 en 1754 voor t­en­minste 250 Vlaamse ponden (680 euro) aandelen h ­ adden in de VOC én in de WIC, bezaten 30 families rond 1750 een buitenplaats op Walcheren. Datzelfde gold voor vier families met voor minstens 250 ponden aandelen in alléén de VOC en voor acht families met minstens hetzelfde bedrag aan aandelen in alléén de WIC.


A­ Op de afbeelding van Schellach, één van de Walcherse ­ orpen die in de Tachtigjarige Oorlog zijn verwoest, is de d kleinschaligheid van het landschap goed te zien. Veel ­percelen zijn omzoomd met meidoornhagen en geven een goede indruk van het toen besloten landschapsbeeld. We kijken vanuit noordoostelijke richting op de met opgaande ­beplanting begroeide en deels bebouwde kreekrug met ­Middelburg en Sint Laurens. Daarnaast is ook de in opkomst zijnde buitenplaatscultuur afleesbaar in de vorm van het symmetrisch aangelegde ’t Hof de Fruijtberg.

Op de tekening van ‘Oostersouburch’ is het klein­schalige landschap – als een lappendeken – eveneens fraai zichtbaar. Dat er aan het dorp Oost-Souburg gewerkt is met gevoel voor esthetiek, straalt de afbeelding uit. De ronde vorm op de voorgrond is de langs de rand bebouwde ­Karolingische Burcht. Het fraai beplante rechthoekige plein met rechts de kerk is het huidige Oranjeplein.

B

121

4.5 B

Omdat sommige families meer dan één buitenplaats bezaten – enkele wel drie of vier – waren deze 42 grote aandeelhouders van de compagnieën tezamen goed voor zo’n 65 buitenplaatsen. Voor de bepaling van het eigendom van de buitenplaatsen is gebruik gemaakt van de kaart van Hattinga, die rond 1750 getekend werd. Daarop komen ruim 110 buitenplaatsen voor

waarbij de tekenaar een naam vermeldde. Ruim zestig procent daarvan was dus in handen van families die voor een aanzienlijk bedrag deelhebber waren in één van de twee compagnieën. Voor de buitenplaatsen die Hattinga niet belangrijk genoeg vond om de naam van de eigenaar erbij te zetten, zal dit percentage ­waarschijnlijk (veel) lager geweest zijn.25


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

122

Families met veel aandelen in een Compagnie ­hadden naast hun bestuurlijke inbreng in VOC en/of WIC vaak ook invloed in het stadsbestuur van ­Middelburg en in mindere mate in dat van Vlissingen en Veere. Veel buitenplaatsen waren dus in handen van de leidende families uit de Walcherse steden, die bij toer­ beurt de stadsbestuurders leverden: b ­ urgemeesters, schepenen en raden. Ook hadden heren met a ­ ndere hoge functies een buitenplaats, zoals l­eden van de Raad van de Admiraliteit van Zeeland en van de Raad van State, Ontvangers-Generaal van Z ­ eeland, leden van de Unie en Raadsheren in het Hof van Vlaanderen te Middelburg. Deze ­functies c ­ ombineerden zij soms met die van stads­bestuurder. Ook enkele predikanten en hoogleraren in de t­heo­logie bezaten een buitenplaats, evenals sommige VOC-functionarissen: een uit Oost-Indië g ­ erepatrieerde resident, een kassier of een boek­houder. Het betrof dan meestal kleinere buiten­ plaatsen, net als bij de lieden met militaire functies die er een buiten op na hielden: een bevelhebber van Fort Lillo bij Antwerpen, een kapitein van de ­Mariniers te Vlissingen en hoge officieren bij de ­Burgerwacht uit die laatste stad. Zelfs koopvaardij­ kapiteins en meer bescheiden kooplui, de postmeester uit Middelburg en een arts bezaten buitenplaatsen van bescheiden omvang. Het bouwen van buitenplaatsen mag niet alleen als exuberantie van rijkdom worden gezien. Z ­ oals in een eerder hoofdstuk aangegeven, speelden vooral ­culturele en wetenschappelijke aspiraties een grote rol. De oprichting van het Koninklijk Zeeuwsch ­Genootschap der Wetenschappen in 1769 is d ­ aarvan een uiting. Kunsten en Wetenschappen stonden in hoog aanzien. De ideeën van de Verlichting en die van ­Calvinistische ingetogenheid moesten een vorm vinden. Op vergelijkbare schaal gebeurde dit in Nederland in de Gooi- en Vechtstreek, op de strandwallen in het Kennemerland en in de Haagse regio (Den Haag, Wassenaar, Rijswijk, Voorburg en Voorschoten). In ­tegenstelling tot Walcheren domineren de land­ goederen in deze gebieden nog steeds het beeld van het landschap. Zeker langs de Vecht is dat manifest. Als de buitenplaatsen op Walcheren intact waren

gebleven, zou Walcheren van een vergelijkbare a ­ llure zijn geweest als het nu veelgeprezen Vecht­gebied. Het rigoureuze slopen ervan zou nu o ­ ndenkbaar zijn en aanleiding geven voor grootscheepse p ­ rotesten. Ter vergelijking: het rooien van het ‘stukje’ bos bij het ­gerenommeerde landgoed Amelisweerd in de ­Provincie Utrecht voor de realisering van de A27 (­begin jaren tachtig van de vorige eeuw) valt in het niet bij wat er op Walcheren eind achttiende b ­ egin ­negentiende eeuw gebeurde. Vele honderden h ­ ectaren bos, vele tientallen landhuizen en tuinen zijn toen met de grond gelijkgemaakt. De belangrijkste oorzaak hiervan was het economisch ­verval g ­ edurende de Franse tijd. De vruchtbare grond leverde meer op als er landbouwgewassen op werden v­ erbouwd. Er was relatief veel vraag naar hout, ­waardoor kap rendabel was. De stenen van de gesloopte landhuizen ­werden hergebruikt bij de bouw van boerderijen. Kortom, alle ingrediënten waren aanwezig voor een nieuwe, grootscheepse ruimtelijke verandering op het eiland. Nergens anders in Nederland waren de ruimtelijke ­veranderingen als gevolg van deze crisis zo omvangrijk als op Walcheren. Van een multifunctioneel lustoord – waarin de landbouw hand in hand ging met de woonfunctie met een hoge culturele waarde – ­veranderde het eiland in relatief korte tijd in een monofunctioneel, kleinschalig landbouwgebied. De natuurlijke situatie van hoger gelegen kreekruggen en lager gelegen poelgronden bleef het karakter van de landbouw beheersen in de vorm van akkerbouw en veeteelt. Concluderend: de opkomst van de buitenplaats­ cultuur was sterk gekoppeld aan de opkomst van Kunsten en Wetenschappen vanuit de Verlichting, en de opbloei van Handel en Nijverheid; de ondergang van de ­Walcherse buitenplaatscultuur had een sterke relatie met de Franse overheersing en de hiermee samenhangende economische crisis. I­nvesteringen in het landschap kwamen tot stand in tijden van ­economische voorspoed, landschappelijk verval trad op in tijden van ernstige economische crises. De ­economie is in positieve en negatieve zin b ­ elangrijk sturend gebleken voor de landschapsvorming ­gedurende de z­ eventiende, achttiende en negentiende eeuw.


4.6 In de plattegrond van Hofwijck weerspiegelt zich de ­ enselijke maat. Deze verhoudingen symboliseren de ideale m natuur zoals God die bedoeld zou hebben.

123

de barokke leidraad In het voorafgaande is op hoofdlijnen ingegaan op de vraag waarom men op Walcheren op zo’n grote schaal tot de aanleg van buitenplaatsen over­ ging. Daarnaast is de verschijningsvorm van de ­buitenplaatsen van belang. Hoe zagen de buitenplaatsen er uit en wat was hiervan in vormgevende zin de achtergrond? De opkomst van de wetenschap tijdens de Verlichting leidde tot de gedachte dat de mens de natuur zou kunnen beheersen of zelfs naar zijn hand zou k­ unnen zetten. Vanuit empirisch onderzoek zou de hele ­natuur tot een stelsel van logische, mathematische wetten herleid kunnen worden. Deze gedachte was echter z­ eker niet zonder respect voor de natuur; men was zich zeer bewust van de natuur. De natuur werd ­symbolisch in de tuinkunst weergegeven. De overzichtelijke, symmetrische vormgeving van de b ­ arokke tuinen vormde de weerspiegeling van de ideale natuur zoals de Schepper die bedoeld zou hebben. Hofwijck aan de Vliet in Voorburg, dat ontworpen is door C ­ onstantijn Huygens, vormt hiervan het ultieme voorbeeld. (4.6) Daer is één middel-lijn, die Hofwijck scheidt in deelen, Daer van de slincker van de rechter niet en schelen: Een’ Oost, een’ Wester poort, een’ Oost een’ Wester laen, Een Eiland Oost, een West, in bey gelijcke pa’len; Een boomgaerd middenin, een Plein, een Vijver, […] Wie die verdeeelingh laeckt, veracht voor eerst sijn selven, En ’t schoonste dat God schiep. Eer ick bestond te deleven, Nam ick des wijsen less tot richtsnoer van mijn doen: ‘k besagh mijn selven, meer heeft niemand niet van doen. Twee vensters voor ’t gesicht, twee voor den Reuck, twee ooren Twee schouderen in ’t kruys, twee Heupen daer sij hooren, Een’ Dye van weder zijds, een’ Knie, een Been, een Voet; Is, seid’ ick, dat Gods werck, soo is ‘ volkomen goed, En, waer ick henen sagh, ick wist geen wett te soekcken Die by dees’ gelden mocht: wegh, riep ick scheeve hoecken, En oneenparigheit, […]

4.6


4.7 De buitenplaats Molembaix bij Grijpskerke, zoals ­ fgebeeld in de Cronyk van Zeeland van M. Smallegange a (1696). De opzet van Molembaix is één van de meest ­symmetrische van de Walcherse buitenplaatsen. 4.8 Lijntekeningen van de opzet van Versailles, van Het Loo en van Poppenroede, weergegeven op dezelfde schaal. Het ­verschil in grootte is illustratief voor de mate van feodaliteit van het grondbezit van Frankrijk, ten opzichte van N ­ ederland en de positie die de Walcherse buitenplaats binnen ­Nederland innam.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

124

4.7

In de plattegrond van dit bescheiden buiten van de staatsman weerspiegelen zich dan ook de ­verhoudingen van het menselijk lichaam. De mens werd gezien als een van de belangrijkste onderdelen van Gods schepping. Het menselijk lichaam stond symbool voor de goddelijke verhoudingen. De sterk symmetrische opzet van de barokke tuinen kwam dus tot stand vanuit een diep religieus besef. In het voorbeeld van Hofwijck werd dit heel letterlijk in de plattegrond vertaald. Feit is dat in alle barokke tuinen de natuur symbolisch, religieus geïnspireerd en ­geïdealiseerd werd weergegeven. (4.7) Daarnaast speelde in de barokke tuinkunst ook gevoel voor pracht en praal een nadrukkelijke rol. De landheer onderstreepte met zijn buitengoed zijn welvaart en macht en het menselijk kunnen. De vormgeving overweldigde en overrompelde, ter meerdere glorie van de landheer. In de Renaissance was een object nog sterk in zichzelf gekeerd met nauwelijks relaties tot zijn omgeving, in de Barok echter was men zich onder invloed van kunsten en wetenschappen ervan bewust geworden dat de mens deel uitmaakte van een groter geheel. Dit resulteerde in de gedachte dat een object altijd in relatie staat tot zijn omgeving. Een typisch kenmerk van de kunst uit de Barok is dan ook

dat de afzonderlijke delen van een kunstwerk niet op zichzelf staan, maar vooral tot hun recht komen in de samenhang van het geheel. Ook is onbegrensdheid een belangrijk aspect van de barokke kunst. In de barokke tuinen zetten lanen­ stelsels zich buiten de tuin in het landschap voort. De beheersing van perspectief werd gebruikt om de indruk van oneindigheid nog te versterken.26 In de Barok werd wel onderscheid gemaakt naar de opdrachtgevers: de katholieke kerk, absolute ­vorsten en representanten van b ­ urgerlijke zelfstandigheid. In de Verenigde Provinciën van de Nederlandse ­Republiek stond de Barok veel meer in dienst van die burgerlijke zelfstandigheid dan van ­vorstelijk ­absolutisme zoals men dat in F ­ rankrijk, P ­ ruisen, Rusland en Oostenrijk kende, of k­ erkelijke pracht en praal van het contra­reformatorische k­ atholicisme. Hier kreeg de Barok een meer ­symmetrische en soberder uitdrukkingsvorm, hoewel er binnen de verschillende gewesten van de Republiek wel verschillen waren in de mate van feodaal grootgrondbezit, die in het oosten van het land meer heeft geleid tot kolossale land­ goederen, in het westen meer tot klassieke buitenplaatsen. Het Hof Honselersdijk (gesloopt in 1814) en Het Loo bij Apeldoorn gelden als de grootste barokke aanleggen van Nederland. Het Loo is sinds 1984 volledig in barokke luister hersteld. Een vergelijking van Het Loo met ­Versailles geeft d ­ uidelijk aan hoe de verhoudingen lagen. Wordt hier een gemiddelde Walcherse buitenplaats mee ­vergeleken, dan zegt dat eveneens iets over de o ­ mvang van de Zeeuwse feodaliteit. (4.8) De Walcherse buitenplaatsen van die tijd volgden in verschillende mate van perfectie volledig de algemene stijlprincipes van de Barok. Via een geleidelijk proces dat parallel liep met de economische ontwikkeling van het eiland is het landschap van barokke landgoederen en buitenplaatsen tot stand gekomen. Vanwege de omvang ervan is het zeker gerechtvaardigd om van een barok landschap te spreken. De Walcherse buitenplaats kwam – net als die in ­Holland – dikwijls voort uit een vroege hofstede. De Walcherse buitenplaats was over het algemeen sober en vrij bescheiden van opzet, maar ook op deze regel waren tal van uitzonderingen.


Versailles, Frankrijk

125

Het Loo, Apeldoorn

Versailles, Frankrijk

0

Poppenroede, Middelburg

500

1000

1500

2000

2500

Het Loo, Apeldoorn

0

500

1000 m

4.8


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

126

4.9 A Het ‘Steenen padt van der Vere’ in de jaren 1640, even ten zuiden van Zanddijk op een tiendenkaart, vóórdat er een weg langs gelegd werd. De Veerseweg zelf werd pas na 1669 aangelegd. Het is enigszins verwarrend dat de kaart niet noord-zuid is georiënteerd, maar andersom. Op de kaart staat de verdeling in grasland en akkerland aangegeven: ‘sayelant’ en ‘weye’. Jan Soetelieffs hofstede staat links afgebeeld aan de Groeneweg, de weg links op de tekening. Later kreeg deze boerderij een verbinding met de Veerseweg door middel van een ‘baene’, een dreef. ­Helemaal linksonder bevindt zich de Platteweg. Aan de Kruisweg rechts van de Veerseweg staan twee hofsteden getekend. Duidelijk is te zien dat het pad, en later de Veerseweg, een doorsnijding is van bestaande patronen. Let hierbij vooral op het perceel grasland in het midden van de tekening. Het pad is ­smaller afgebeeld dan de overige wegen op de tekening. De ‘vliender­­boom’ rechts op de kaart is een vlier, die waar­schijnlijk naast de sloot geplant is om de grens van het tiendblok aan te geven. Het huisje met de omschrijving ‘blauwe poorte’ bij de zuidelijke kruising van het pad met de oudere weg, is mogelijk de voorloper van de herberg ‘Het Huis ten Halve’ die in de negentiende eeuw precies op die plaats lag. 4.9 B Ontwerp van de Zeestraat (thans de Scheveningse­ weg) van Constantijn Huygens uit 1643. Deze a ­ fbeelding is ­vervaardigd door C. Elandts en geeft een p ­ anoramisch beeld van de weg, gezien vanuit Den Haag naar S ­ cheveningen. Als kaarsrechte barokke lijn is de weg, gericht op de kerk van Scheveningen, dwars door de duinen aangelegd in 1665. De Veerseweg dateert uit ongeveer dezelfde tijd en is in ruimtelijk opzicht één van de weinige met de Zeestraat vergelijkbare wegen in het westelijk deel van Nederland. 4.9 C Beeld van de huidige toestand van de Veerseweg, armetierig beplant; de allure is verdwenen. 4.9 D De Scheveningseweg heeft haar barokke allure groten­ deels weten te behouden. Opvallend is dat het profiel zelfs nu nog niet uit haar jasje is gegroeid: er is voldoende ruimte voor eigentijdse infrastructurele functies, van autoweg tot vrij liggende trambaan, ruiterpad en fiets- en wandel­paden.

4.9 A

4.9 B


127

4.9 C

4.9 D

de veerseweg De barokke gedachte kwam niet alleen tot uiting in de aanleg van buitenplaatsen. Nog voordat de buitenplaatsen op grote schaal werden aangelegd, is op Walcheren in de tweede helft van de zeventiende eeuw een groot infrastructureel project met een sterk barok karakter uitgevoerd. Het gaat hier om de aanleg van de Veerseweg. Na de aanleg van het Havenkanaal in 1535 was dit het tweede infrastructurele project met (landschappelijke) betekenis op regionale schaal. De Veerseweg is als een kaarsrechte verbinding t­ussen Middelburg en Veere aangelegd. De weg is met het Havenkanaal het enige doorgaande element op het eiland dat het patroon van kreekruggen en poelgronden negeerde. Op 30 januari 1669 verleenden de Staten van Zeeland octrooi aan Middelburg en Veere om tussen de steden ‘een ruyme gecalcyde en daernevens een gesande rijweg’ aan te l­eggen naast het bestaande voetpad. (4.9 A) Dit pad was ­bestraat en dateerde uit het eind van de 16e eeuw. In zijn ­Beschrijving van het eiland Walcheren uit 1895 schreef J.A. van Noppen (een hoofdonderwijzer uit

Mijnsheerenland) over de Veerseweg: “Behalve langs den kanaaldijk kan men Veere langs een breden, bijna lijnrechten, welbeplanten straatweg in ruim een uur tijds bereiken”.27 De weg vertoont grote gelijkenis met de Scheveningseweg, die eveneens kaarsrecht ­tussen Den Haag en Scheveningen is aangelegd. (4.9B) De ­Zeestraat, zoals de Scheveningseweg toen werd ­genoemd, is ontworpen door Constantijn Huygens. Huygens kwam al in 1643 met zijn plan. Het duurde echter nog tien jaar voordat hij het Haagse stads­ bestuur van nut en noodzaak van de weg had overtuigd. Geheel naar de vormgevingsprincipes van de Barok werd de Scheveningseweg als het ware o ­ pgespannen van kerktoren naar kerktoren. De Veerseweg loopt van bolwerk tot bolwerk. Alleen in het gedeelte bij ­Zanddijk is van het kaarsrechte tracé a ­ fgeweken. Zowel de Veerseweg als de Scheveningseweg ­waren ­oorspronkelijk voorzien van een bij de barokke ­cultuur passende, monumentale laanbeplanting. De Scheveningse­weg heeft de laanbeplanting door de eeuwen weten te behouden, de Veerseweg is die ­helaas geheel kwijt geraakt. (4.9 C/D)


4.10 Deze uit 1754 daterende kaart van het Arnemuidsegat, ­getekend door J. Massol naar origineel van Hattinga uit 1750, geeft een beeld van de Middelburgsepolder en de Nieuwerkerkerpolder. De Middelburgsepolder vertoont ­duidelijk barokke trekken. Opvallend is de grootse maat van deze polder. Net als bij de buitenplaatsen speelde s­ ymmetrie in de polderaanleg een belangrijke rol. De lange beplante middenas, de Langeweg, deelt de Middelburgsepolder globaal in gelijke delen. Ook de polderdijken zijn beplant met bomenrijen die passen in het barokke beeld. Het eveneens planmatig ontwikkelde dorp Nieuwland b ­ evindt zich juist ten noorden van de hoofd-as van de p ­ older. Polderstructuur en dorpsstructuur staan hierdoor min of meer los van elkaar.

Aan de uitgebreide hoeveelheid slikken en schorren is het verlandingsproces van de vaarweg goed waarneembaar. Ten noorden van de vaarweg is naast het oude land van ­Walcheren ook de Oranjepolder uit 1618 te zien. Uiterst links op de kaart, naast de haventoegang naar M ­ iddel­burg (zie afbeelding 4.4) is de Zaagmolenpolder a ­ fgebeeld met de ­Veerdam aan de noordzijde van de ­Welzinge. De Zaagmolen­polder werd in 1723 tegen het o ­ udland van de Polder ­Walcheren aangelegd. Op 28 j­anuari 1723 werd de oprichtings­akte gepasseerd van de M ­ iddelburgse Sociëteit van Zaagmolens. Deze onderneming polderde het land in met het doel er acht zaagmolens te ­vestigen. Dit lukte, en in een kort tijdbestek ontstond een b ­ loeiend bedrijf.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

128

inpolderingen Afgezien van de buitenplaatsen en de Veerseweg kwam er in de zeventiende eeuw al een uitgebreid barok landschap tot stand. Op grootschalige wijze vond inpoldering plaats, die begon op het uitgebreide stelsel van slikken en schorren aan de overzijde van de Welzinge. (4.10)


F.P. Polderdijk publiceerde over dit windmolenpark avant la lettre. Hij kwam tot de conclusie dat de eerste molen al in 1724 in bedrijf werd genomen. Op de kaart zijn vier van deze molens afgebeeld. De houthandel aan de monding van het Middelburgs havenkanaal bleek zeer rendabel. Niet alleen de ligging aan het kanaal, maar ook de aanwezigheid van grote hoeveelheden bos in het achttiende-eeuwse Walcheren heeft aan het succes van de houtindustrie bijgedragen. Ten noorden van de Middelburgsepolder is de oude haven van Middelburg, de verzande monding van de Arne, zichtbaar. Oostelijk hiervan staan de ‘zoutkeeten’ van Arnemuiden. In de Middeleeuwen vond de winning van zout plaats uit veen (zie 2.18). Het winnen van zout uit veen was onder andere in

landbouwkundig opzicht rampzalig. De Cisterciënzers gingen reeds vanaf de twaalfde eeuw moernering tegen.28 In ambachtsheerlijke kring (waaruit de keuren van de Zeeuwse waterschappen stammen) was men zich in de dertiende eeuw bewust van de funeste gevolgen van de moernering. In de veertiende eeuw nam het buitendijks moeren de overhand. Een gevolg van het buitendijkse moeren was dat de zout­ verwerking die vroeger ter plaatse van het moeren gebeurde, verhuisde naar de steden. Hierbij werd meestal een plaats in de buurt van een haven opgezocht. Ook vanwege brand­ gevaar werden de zoutketen buiten de stad gebouwd. Zo ook bij Arnemuiden.

129

4.10

Nieuwlandpolders is de verzamelnaam voor de ­polders die vanaf 1631 aan de zuidoostkant van Walcheren zijn toegevoegd. De polders kwamen tot stand ten zuidoosten van het vaarwater dat vanaf het Veersegat langs Arnemuiden naar Rammekens liep. De Oud-Sint Jooslandpolder (266 hectare) was de eerste in een reeks polders. De polder kwam tot stand op initiatief van de ‘gemene ambachtsheren’

van ’s-Heer Arendskerke, Heinkenszand en Ovezande. De opwas die werd ingepolderd, was in feite ZuidBevelands gebied. Naar alle waarschijnlijkheid ging het om herdijkingen van een behoorlijk aantal kleinere polders die dateerden uit de veertiende eeuw en die bij stormvloeden in de vijftiende eeuw al weer verloren waren gegaan. (4.11)


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

130

4.11

In de zuidwesthoek van de Oud-Sint Jooslandpolder ligt het Oudedorp. Dit thans nog bestaande gehucht is een miniatuurversie van een voorstraatdorp. Zo is de Sint Jooslandstraat -‘straatje’- loodrecht op de Boomdijk/Binnendijk aangelegd. (4.12) Tot 1918 stond hier de herberg De Witte Zwaan. Dit ten opzichte van de andere huizen veel grotere pand, was ­vermoedelijk het eerste huis van het dorp. Van 1669 tot 1816 was dit pand het parochiehuis van Sint Joosland. Het geulengebied tussen het oudland en het ­nieuwland slibde in de zeventiende eeuw snel verder dicht. Meer schorren waren rijp voor bedijking. Zo werd op initiatief van de stad Middelburg in 1644 de ­Middelburgschepolder aangelegd. Middelburg ­verkocht de polder nog in datzelfde jaar. Inpolderen was voor de stad een l­ucratieve zaak: de stad ontving

een bedrag van o ­ ngeveer 175.000 gulden. Dit was ruim het dubbele van wat men aan ontginnings­kosten kwijt was. Net als de Oud-Sint Jooslandpolder kenmerkte de Middelburgschepolder zich door een g ­ rootschalige, rechtlijnige polderopbouw. (4.13 A/B) In ­samenhang met de polderstructuur werd aan de zuidkant van de centrale weg door de polder het dorp ­Nieuwland gebouwd. Net als Oudedorp is dit dorp ­planmatig tot stand gekomen. Ook bij Nieuwland zijn de ­vormgevingsprincipes van het voorstraatdorp ­herkenbaar, zij het in enigszins aangepaste vorm. Zo neemt de Kerkstraat de plaats in van de voorstraat, waarbij opvallend is dat deze weg niet loodrecht op de polderdijk is georiënteerd, maar op de Veerstraat. (4.14) Ten opzichte van Oudedorp werd een kleine schaalsprong gemaakt: in Nieuwland werd alles net


De Heerlijkheyt van Nieuwland, zoals afgebeeld in de Cronyk van Smallegange. Op de voorgrond de Welzinge, met de veerhaven en de dam die door de Waaienburg­polder richting Nieuwland loopt. Dit deel van de Welzinge is in 1668 ingepolderd. Op de achtergrond de Middelburgsche­ polder en in de uiterste punt het dorp N ­ ieuwland met zijn. ­planmatige en rechtlijnige karakter. De dijk- en ­laanbeplanting op de Langeweg, en de centrale as door de ­polder, ­corresponderen goed met het beeld van de kaart van ­Massol (zie afbeelding 4.10).

4.11

De Sint Jooslandstraat, ‘minivoorstraat’ van het Oude dorp. Aan deze straat stond tot 1918 herberg De Witte Zwaan. 4.12

4.13 A De Boomdijk en het restant van een kreek die bij de inpoldering is opgenomen in de polderstructuur van de ­Middelburgschepolder. De grillige vorm van de buitenkant van de polder, die goed uitkomt door de populieren­ beplanting op de Boomdijk, staat in contrast met de rechtlijnige o ­ pbouw van het barokke wegenpatroon in de polder.

Hier is de grootschalige, rechtlijnige polderopbouw zichtbaar.

4.13 B

4.14 De Kerkstraat van Nieuwland, in feite de voorstraat van het dorp. De stedenbouwkundige structuur is hier, vergeleken met de ontstaanssituatie van het dorp, niets veranderd.

131

4.12

4.13 A

4.13 B

4.14

een maatje groter uitgevoerd. In 1671 volgde aan de zuidkant de Nieuw Sint Joosland­polder, gevolgd door de Molenpolder (1672), de R ­ apenburgpolder (1756) en de Suzannapolder (1766). Prins Maurits had als Markies van Veere het eigendoms­recht over een uitgebreid schor t­ussen ­Veere en Arnemuiden. In het begin van de z­ eventiende eeuw was dit schor, Ten Halven Crijte g ­ enaamd, al ver genoeg opgeslibd om voor i­npoldering in aan­merking te komen. Prins Maurits nam hiertoe het initiatief, waar­door in 1618 de Oranjepolder gereed kwam. In 1661 volgde de inpoldering van de Nieuw Oranjepolder. Deze polder kwam tot stand op het Zilveren Schor dat zich in het Veerse Gat bevond. Men had zich echter verkeken op de i­nvloed van de zich steeds verplaatsende meanderende hoofdgeul, die zo dicht in de richting

van de polder kwam, dat deze al in 1675 inundeerde en er een einde kwam aan Nieuw Oranjepolder. Onder de verzamelnaam Arne- en Welzingepolders zijn de bedijkingen in het geulengebied tussen het Veerse Gat en de Westerschelde tot stand g ­ ekomen. Op het moment van inpoldering was dit gehele geulen­stelsel door verzanding al vergaand verland. Door afdamming van verzande gedeelten ontstond een reeks van kleinere polders. Aanvankelijk had men het idee om de vaargeul door middel van i­npoldering te versmallen en zo op diepte te houden. Het ­natuurlijke verlandingsproces was echter te krachtig. ­Uiteindelijk werd in 1770 een strook schorren van 200 meter breed en circa twee kilometer lengte langs de ­Middelburgschepolder ingepolderd. Hierdoor werden de Nieuwlandpolders en de Oranjepolders definitief aan de eilandkern van Walcheren verbonden.


Na het overlijden van Willem van Oranje (1584) werden zijn zoons het aanvankelijk niet eens over de verdeling van de erfenis. Dit langslepende c ­ onflict kreeg pas in 1609 zijn beslag met een ‘Tractaat van P ­ artage’. Prins Maurits kreeg toen het Markizaat van Veere toebedeeld. Of deze nieuwe eigendomssituatie aanleiding was om het bezit nauwkeurig op te meten, is niet ­helemaal duidelijk. In ieder geval zijn in het Nationaal Archief (­Collectie ­Hingman) drie kaarten aanwezig van de hand van S.P. Wadde, die gereedgekomen zijn in 1612 en een g ­ edetailleerd beeld geven van de duinen van noordelijk Walcheren in die tijd. Bron: Anton van Haperen.

4.15

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

132

A Kaart door S.P. Wadde van de duinen tussen Oranjezon en Oostkapelle. Rechtsonder zien we het hakhout van het Markizaat van Veere, waarvan het huidige Oranjebos nog een restant is. In de zeventiende eeuw strekte het zich ook uit over het westelijk deel van de Beekshoekpolder. Het werd met een vijfjarige cyclus gehakt. De uit twee delen ­bestaande langgerekte verticale structuur in het midden van de kaart stelt de zogenaamde Princevijver voor, waarvan de resten thans nog in het Oranjebos aanwezig zijn. In de zeventiende eeuw werd deze vijver nog wel aangeduid als ‘oude creeke’ en speelde toen een rol in de afwatering naar zee. Hij gaat waarschijnlijk terug op een oude middeleeuwse kreek (zie afbeelding 2.15). Links op de kaart zien we een rechthoekige structuur, die in de tekst wordt aangeduid als ‘het click’. Dit gebied is 51 gemet groot en wordt op de kaart aangewezen als te beplanten. Het betreft hier het gebied van het huidige Slikkenbosch bij Oostkapelle. In de duinen staat verschillende keren het cijfer 16. Volgens de tekst zijn dit ‘conyns aerden’, dat wil zeggen konijnen­waranden, die steeds voor zeven jaar verpacht werden voor de konijnenvangst.

Ook op de kaart van Hattinga staat het Oranjebos, ‘­Prince Bos’ genoemd, afgebeeld. De Princevijver die bij ­afbeelding 4.15 A wordt beschreven, is ook nauwkeurig ­afgebeeld. Het is de uit twee delen bestaande verticale vijver links naast de woorden Prince Bos. Ook het ‘houten k­ raantje’ ten noorden van Oostkapelle is afgebeeld.

B

Ook nu, bijna vierhonderd jaar nadat de tekening van Wadde is vervaardigd, is de Princevijver nog terug te vinden in het natuurgebied.

C

4.15 C


133

4.15 A

4.15 B

oranjebosch Helemaal aan de andere kant van het eiland had het Huis van Oranje ook bezittingen. Niet dat men hier actief bezig was met landaanwinning of landinrichting, maar veeleer met exploitatie van eigendommen. Dit gebeurde in de polders bij Vrouwenpolder, die al in de veertiende eeuw waren aangelegd. In de ­Middeleeuwen viel Vrouwenpolder onder de macht van de Van Borsseleâ&#x20AC;&#x2122;s, de heren van Veere. Hun markizaat werd in 1567 gekocht door Koning Philips II. Na diens afzwering in 1581 werd het gebied eigendom van Prins Willem van Oranje. Hier ligt de oorsprong van het latere kroondomein. Onderdeel van het verworven eigendom van de Oranjes was het bos dat ook al op het Panorama van Van den Wijngaerde te vinden is.

Hier bevindt het bos zich nog volledig ten westen van de Beekshoekpolder. Duidelijk is op het Panorama een kreekje te zien; dit is hetzelfde water dat later de Princevijver genoemd werd en dat op de kaart van S.P. Wadde uit 1612 als een uit twee delen bestaand recht kanaal staat afgebeeld. (4.15 A/B/C)


4.16 A Kaart van ‘de opruijminge ende uutdelvinghe van de grachten op ’t Slijck int eijlant van Walcheren’, door S.P. Wadde. Het gaat hier om een deel van het gebied dat op afbeelding 4.15 A wordt aangeduid als ‘het click’. Op deze kaart heeft het een oppervlakte van achttien gemet, die beplant zouden worden, waarschijnlijk met elzenhakhout. Daartoe werden nieuwe sloten gegraven en oude gedolven. De kaart geeft een overzicht van dit voorgenomen werk. De geschetste afwateringsstructuur is thans nog grotendeels aanwezig. Met name de ringsloot is nog geheel te volgen en ook de visgraatachtige structuur aan de noordzijde is nog grotendeels intact. In het midden van het gebied bevindt zich thans een kooiplas, die in het laatst van de negentiende

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

134

4.16 A

De aanleg van het Oranjebosch dateert dus al van voordat de O ­ ranjes ­eigenaar werden. Uit ­onderzoek van Anton van H ­ aperen in het archief van de ­Nassause Domeinraad blijkt dat het bos vooral ­exploitatief werd gebruikt.29 (4.16 A/B) In opdracht van de Prins van Oranje werd in 1774

nog een kaart van het gebied gemaakt. Hierop is ­ondermeer te zien dat het Oranjebosch in oostelijke richting in de Beekhoekspolder is uitgebreid met een fijn verkaveld elzenbos. De kaart voorziet in nog ­verdere bosuitbreiding van het vroon. (4.17, 4.18)


eeuw is gegraven. De percelen en greppels aan de westzijde (‘de dune reekens’) zijn inmiddels grotendeels met duinzand overstoven. Interessant is de grote sloot, die het water van het Slijk moet afvoeren in zuidelijke richting. Deze mondt uit in de binnenduinrand, in een ‘buijse ofte zijl tenden de nieuwe gracht’. Dit punt staat op achtiende-eeuwse kaarten van Oostkapelle vaak aangeduid als het Houten Kraantje, een plek waar min of meer permanent water uit de duinen stroomde. Deze kaart laat zien dat de voeding van deze bron omstreeks 1612 werd gegraven en afkomstig was van het Slijk.

4.16 B In de huidige situatie is de visgraatstructuur rond de eenden­kooi – die enkele jaren geleden is gerestaureerd – nog steeds herkenbaar aanwezig. De oriëntatie van deze kaart is gelijk aan die van de kaart van het Slijk, het noorden is links.

135

weide

bebouwing

strand

water

duinen

bos

bebouwd gebied

weg 4.16 B


4.17 Kaart van Blaauwkamer uit 1772. In het westelijk deel van de Beekshoekpolder zijn fijn verkavelde percelen ­elzenhakhout te zien. In het bijschrift is de grootte van de percelen aangegeven, ook wanneer het perceel gehakt moet worden. De witte vlek ten westen van dit perceel is de hoeve Oranjezon, die dateert van omstreeks 1600 en in 1725 is verbouwd. Op de kaart is een plan ingetekend voor de verdere bebossing van het vroon. Dit plan werd in de periode 1773-1810 uitgevoerd. De valleien in het duingebied werden beweid door de pachter van de hoeve. Ook op deze t­ekening is de Princevijver weergegeven als een uit twee delen ­bestaand kanaal. De kaart geeft niet alleen inzicht in hoe het gebied er uitzag, maar ook hoe het beheerd werd.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

136

4.18 Gehele kaart van het Noorderstrand van het ­Wachthuis Oostcapelle tot aan Fort Den Haak (zie afbeelding 3.9 A) uit 1791 door G. de Feyter. Afgebeeld zijn de hoofden, rijswerken en vronen. Naast het wachthuis is een vuurbaken a ­ fgebeeld. Op de kaart komen meerdere van dergelijke bakens voor. Ook het Prince Bos en het Slijk (’t Slikke Bos) zijn op de kaart afgebeeld. De watergang van ’t Slikke Bos naar het Houten Kraantje is – in tegenstelling tot de kaart van Hattinga – hier wel ingetekend. Verder geeft de kaart een mooi beeld van het aangroeiende duin ten noorden van de Beekshoek­polder.


137

4.17

4.18


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

138

4.19


Kaart van het gehele eiland, getekend door Christophel Bernards, circa 1641/1643. Het kader van de tekening is gebaseerd op opmetingen van Van Deventer. De invullingen zijn van Bernards. De kaart geeft inzicht in de mate waarin de buitenplaatscultuur zich halverwege de zeventiende eeuw had ontwikkeld. Opvallend is dat de meeste, reeds aangelegde buitenplaatsen zich rond Middelburg en Vlissingen bevonden. In het noordelijk deel van het eiland was de dichtheid van buitenplaatsen nog relatief gering. De breedte van de duinen is in bijna vier eeuwen tijd vrijwel gehalveerd.

4.19

139

het landschap verbeeld Dat we relatief veel weten over de verschijnings­vorm van de grotere ­Walcherse buitenplaatsen, hebben we onder andere te danken aan tekenaars en kaartmakers die ze in beeld hebben vastgelegd. We noemen met name ­Matthias Smallegange, Mattheus Gargon, Jan Arends, Cornelis Pronk en de Gebroeders Hattinga

matthias smallegange Matthias Smallegange, geboren en over­ leden te Goes (1624 – 1710) heeft de ­bekende Nieuwe Cronyk van Zeeland, gedateerd 1696, het licht doen zien. Hij ging naar de Latijnse School in M ­ iddelburg, studeerde filosofie en rechten in Utrecht, reisde naar Frankrijk, woonde een aantal jaren in Amsterdam. Hij werd verbannen uit deze patricische regentenstad wegens een Oranjegezind gedicht ter ere van ­stad­houder Willem III. Daarna was hij weer afwisselend in Amsterdam en Zeeland te vinden. Hij reisde veel door dit gewest om materiaal voor de Cronyk te verzamelen, die hij als een levenswerk zag. Hij maakte daarvoor veel kosten, die hij nauwelijks kon o ­ pbrengen uit zijn inkomsten als ­afwisselend advocaat, weesmeester en vooral vertaler. Hij overleed in a ­ rmoedige omstandigheden. Naast een l­ijfpensioen van de Staten van Zeeland moest hij het hebben van giften van bevriende ­wel­gestelde Zeeuwen. Hoewel als uitgavejaar 1696 staat vermeld, is de Cronyk in ­werkelijkheid in 1700 gedrukt. Het is in feite het eerste deel van een werk dat uit twee delen zou moeten bestaan en dat de kennis van oudere kroniek­schrijvers moest samen­ vatten en actualiseren. Het manuscript voor het tweede deel is ­verloren gegaan. Wat deze Cronyk voor ons b ­ ijzonder maakt zijn de vele gravures van steden en buiten­ plaatsen die er in zijn opgenomen.

Van een enkele is bekend wie de ­vervaardiger is, maar van veel gravures is de maker ­onbekend. De betrouwbaarheid van de weergaven is wisselend. De indruk bestaat dat de grootsheid en de recht­ lijnigheid op de afbeeldingen overdreven zijn.

gargon Mattheus Gargon (1661 – 1728) – geboren te Haarlem – was predikant, aanvankelijk in Brabant, later in Serooskerke (Walcheren) en Vlissingen. Daarnaast was hij directeur van de Latijnse School te Middelburg. Naast theologische werken schreef hij de Walcherse Arkadia (1715). Aan dit werk ontleent Gargon zijn grootste bekendheid en dankzij dit werk is er veel bekend over het Walcheren van begin achttiende eeuw. De buitens omvatten naast de inrij­ hekken, dienstgebouwen en herenhuizen een uitgestrekte parkaanleg. Direct om het huis lagen vaak siertuinen met parterres, hagen en gesnoeide bomen. Ook waren er ­oranjerieën en kassen met bijzondere gewassen. Huis en siertuin lagen vaak in uitgestrekte parkbossen met lange lanen en geometrisch gevormde waterpartijen.

arends De Dordtenaar Jan Arends woonde van 1771 tot 1787 in Middelburg. In deze tijd heeft Arends zijn tekeningenserie van de ­Walcherse buitenplaatsen gemaakt, in sepia

en aquarel. De tekeningen geven een enigszins stijf maar wel zeer nauwgezet beeld van de buitenplaatsen. Ze zijn van grote cultuur­historische betekenis, o ­ mdat ze de buitenplaatsen, waarvan er vele relatief kort hebben bestaan, in volle glorie w ­ eergeven. In respectievelijk Het Arkadisch ­Walcheren en Jan Arends doen jhr. dr. H.W.M. van der Wyck en Martin van den Broeke verslag van met name het Zeeuwse leven en werk van Jan Arends. Arends verhuisde omstreeks 1771 naar Middelburg, een stad waarin het intellectuele en kunstzinnige leven bloeide. Bekend is dat een aantal rijke en invloed­rijke Middelburgers zich hadden toegelegd op het verzamelen van kunst van ondermeer Pieter Paul Rubens, Gerard Dou, ­Aelbert Cuyp en Jacob van Ruysdael. De belangstelling voor kunst was ­weliswaar groot, maar het aantal ­kunstenaars was beperkt. De komst van Arends naar ­Middelburg voorzag dan ook in een grote behoefte. Bekend is dat hij min of meer op de bonnefooi naar M ­ iddelburg reisde en een kamer in een pension aan de Vlasmarkt huurde. In een advertentie in een krant bood hij vervolgens zijn diensten aan: “De Kunstschilder en Tekenaar J. Arends, welke zedert eenigen tyd alhier te ­Middelburg is aangekomen, maakt bekend dat hy zig thans verledigd om Lessen te geeven in Tekenkunst, een kunst zoo noodig voor de opvoeding van jonge luiden van Rang, om dat men door haar een smaak verkrygd van kennisse der fraaie kunsten. Hy tekend ook gezigten van Buitenplaatsen naar het leeven af, en heeft er reeds veele voor de eerste luiden van deze Stad tot genoegen gemaakt; verzoekende zeer vriendelyk de gunst van alle Kunst­lievende; verzekerd een ieder van goede b ­ ehandeling, en woond by D.H. van O ­ orspronk op de Vlasmarkt”.30 In de jaren zeventig van de achttiende eeuw groeide bij Arends een groots plan: hij wilde


4.20 Kaart van Le Rouge, gebaseerd op de kaart door Visscher-Roman uit circa 1745. In een eeuw tijd nam de dichtheid aan b ­ uitenplaatsen, met name in het noordelijk deel van het eiland, enorm toe. Tussen ­Middelburg, Oostkapelle en Domburg ontwikkelde zich een lint van ­individuele buitenplaatsen. Ten opzichte van de kaart van Bernards (zie afbeelding 4.19) is de verandering groot. Toch was de buitenplaats­ cultuur hier nog niet op zijn hoogtepunt. Zo ontbraken ondermeer nog ­belangrijke buitenplaatsen als Sint Jan ten Heere en Poppenroede (beide zijn later aangelegd). De grafische kwaliteit van de kaart is hoog. Op hoofdlijnen wordt een goed ruimtelijk inzicht in het landschap gegeven. Gedetailleerde invullingen als weg- en kavelgrensbeplanting o ­ ntbreken grotendeels op de tekening. Wel is de barokke beplanting langs de Veerseweg duidelijk weergegeven.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

140

een prentenboek uitgeven over Walcheren met daarin een verzameling gezichten met het accent op de Walcherse buiten­plaatsen. Dergelijke prentenboeken waren in de achttiende eeuw erg in de mode. Rond het midden van de achttiende eeuw verscheen bijvoorbeeld Het Verheerlykt Nederland, als plaatswerk bij de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, met g ­ ravures van Hendrik Spilman. Erg bekend zijn verder De Zegepraalende Vecht uit 1719 en ­Hollandse Arkadia of de Vermaarde Rivier den Amstel uit 1741. Deze prentenboeken tonen de ­gezichten van gebieden waar landgoederen en buitenplaatsen een belangrijke rol s­ pelen. Arends was van plan het boek ­internationale allure te geven. Hij zou het boek in het Nederlands en in het Frans opstellen en zou gebruikmaken van ­gerenommeerde Franse graveurs. Het uitbreken van de Vierde Engelse oorlog in 1780 en het uitbreken van de Franse ­Revolutie van 1789 verhinderde verdere contacten met de Fransen, waardoor zijn ‘Arkadisch Walcheren’ nooit is verschenen. Het Arkadisch Walcheren door H.W.M. van der Wyck is een reconstructie van het werk dat Jan Arends voor ogen stond. Voor de uitgave kreeg Arends fi ­ nanciële steun van een van zijn eerste opdracht­ gevers, mr Daniël Rademacher. ­Rademacher was eigenaar van de ­Middelburgse buitenplaats Poppenroede aan de Seisweg. Reeds in 1771 had Arends opdracht gekregen deze buitenplaats in beeld te brengen. Uit Rademachers ­kasboek (1777) blijkt de sponsoring van Arends: “Jan Arends voor ’t graveeren van de plaat in Vrankrijk pond 2:16:8”.

pronk Ook van andere tekenaars als bijvoorbeeld Cornelis Pronk zijn tekeningen en gravures bekend. Pronk werd in 1691 in Amsterdam geboren als zoon van een k­ orenhandelaar.

Nadat hij enkele jaren op het kantoor van zijn vader had gewerkt ging hij lessen ­nemen in tekenen en portretschilderen. Van 1734 tot 1737 was hij in dienst van de VOC voor de levering van ontwerpen voor ­porselein. Pronk is vooral bekend om zijn t­opografische tekeningen. Vanaf 1742 werkte hij in opdracht van de A ­ msterdamse uitgever Isaac Tirion aan de uitgave ­Verheerlijkt Nederland of Kabinet van ­hedendaagse gezigten. Daartoe maakte hij reizen naar verschillende Provinciën, onder andere naar Zeeland. Zijn tekeningen geven eveneens een uitstekend beeld van de vaak hoge kwaliteit van de buitenplaatsen op Walcheren.

gebroeders hattinga De meest gedetailleerde informatie over de vorm en de aanleg van de Walcherse ­buitenplaatsen hebben we te danken aan de kaart uit 1750 van de gebroeders ­Hattinga. David Willem en Antonie Hattinga werden in Lillo geboren, David Willem op 7 april 1730 en Antonie op 17 juni 1731. Ze werden landmeter in het leger en vervaardigden de bekende kaarten van de Zeeuwse eilanden, die in 1753 bij Isaac Tirion te Amsterdam werden uitgegeven. De Walcherse kaart is van een zodanige detaillering dat hiervan nog steeds betrouwbare topografische gegevens kunnen worden afgeleid en in het veld kunnen worden teruggevonden. Daarom worden uitsneden van deze kaart gebruikt als illustratie bij de b ­ eschrijving van een selectie van de Walcherse ­buitenplaatsen in het laatste deel van dit hoofdstuk.


141

4.20


den dolphyn Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

142

Een dubbele relatie De opkomst van de tuinkunst betekende een sterk landschapsvormende factor voor het achttiendeeeuwse Walcheren. Door de aanleg van de land­ goederen vond een ware transformatie van het landschap plaats. De optelsom van de reeks van ruim 110 buitenplaatsen die op de kaart van Hattinga voorkomen, bepaalde het nieuwe landschapsbeeld. Bij de buitenplaatsen waren twee belevingsaspecten van belang. Er was de beleving van buitenaf, vanuit het landschap, en er was de interne beleving vanuit de veelal besloten wereld van de buitenplaats zelf. Dat die dubbele relatie er was, kwam doordat de achttiendeeeuwse buitenplaats naast de interne beslotenheid ook ruimtelijke relaties met zijn omgeving aanging, in de vorm van zichtassen die vanuit de buitenplaats in het omringende landschap doorliepen. Vanuit het landschap gezien manifesteerden de buitenplaatsen zich in de achttiende eeuw vooral als een massa van bomen en bos. Vanwege hun aantal ­droegen de buitenplaatsen belangrijk bij aan een besloten landschapsbeeld. Dit beeld moet in de voorgaande zeventiende eeuw al zo’n besloten karakter hebben gehad door het stelsel van meidoornhagen, dat zich als gevolg van natuurlijke successie vanaf de Middeleeuwen op de kavelgrenzen had ontwikkeld. In het werk van H.M.W. van der Wijck en Martin van den Broeke31 zijn veel buitenplaatsen beschreven en in beeld gebracht. Hierbij lag sterk de nadruk op de interne belevingswereld van de buitenplaats. In deze landschapsatlas is het interessant om aandacht te besteden aan de dubbele relatie, waarbij er juist aandacht is voor de relaties met de omgeving. De buitenplaatsen die hier nader in beeld worden gebracht, zijn sprekende voorbeelden van die dubbele relatie.


Buitenplaats Den Dolphijn zoals afgebeeld in de Cronyk van Zeeland van M. Smallegange (1696). De zicht-as op de Lange Jan is hier goed terug te vinden. Dit geldt niet voor de diagonale lijnen richting de Koepelkerk en molen De Koning.

4.21

143

4.21

Den Dolphyn werd voor het eerst genoemd op een kaartje van landmeter Abraham Veessaert van 26 augustus 1672 “ ’T Hoff den Dolphyn genaemt”.32 (4.21) Het principe van de interne beslotenheid en de incorporatie van het landschap bij de aanleg door gebruik te maken van zicht-assen, was bij deze niet meer bestaande buitenplaats Den Dolphyn optimaal uitgebuit.33 Op een van de tekeningen die Arends van deze buitenplaats maakte, is dit prachtig in beeld gebracht. Door middel van het zicht op de Lange Jan werd de hoofdas van de buitenplaats beëindigd. De beide diagonale zijassen die net als de hoofdas bij de vijver uitkwamen, werden beëindigd door de thans niet meer bestaande molen De Koning (westelijke as)

en de Oostkerk (oostelijke as). (4.22 A/B) Den Dolphyn is bewust op deze taferelen ontworpen. De grond waarop het buiten werd aangelegd moest vanwege de barokke eis tot symmetrie op een strak afgebakende plek liggen, anders had dit tafereel nooit op deze wijze ontworpen kunnen worden. De molen De Koning heeft plaats moeten maken voor de aanleg van het Kanaal door Walcheren (1871).


Jan Arends tekende rond 1772 een heel andere opzet van Den Dolphijn, waarin de diagonale zicht-assen op molen De Koning en de Koepelkerk wel werden opgenomen. Hieruit blijkt dat de tuinen werden aangepast aan nieuwe inzichten. De zeventiende-eeuwse Walcherse tuin was meer naar binnen gericht dan de achttiende-eeuwse. Er werd bewuster gebruik gemaakt van taferelen uit de omgeving.

4.22 A

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

144

4.22 A


4.22 B Reconstructie van de zicht-assen van de buitenplaats Den Dolphijn2 geprojecteerd op de Chromotopografische Kaart des Rijks uit 1912. De omgrachting van het huis en restanten van de grote vijver en een bassin van de â&#x20AC;&#x2DC;nieuwe aanlegâ&#x20AC;&#x2122; aan de overzijde van de Segeersweg zijn op deze kaart nog aanwezig. Een vergelijking van deze reconstructie met de tekening van Jan Arends (zie afbeelding 4.22 A) leert dat Arends nauwgezet tekende. De hoek die de linker diagonale as met de hoofd-as maakt, is groter dan de hoek van de rechter diagonale as. Dit komt op de tekening van Arends tot uiting door het verschil in breedte van de twee hagen aan weerszijden van de hoofd-as.

145

4.22 B


Uitsnede van de kaart van Hattinga (1750) waarop ­ uidelijk te zien is dat het riviertje de Arne geïntegreerd is d in de buiten­plaats Arnestein. Het op de volgende illustraties van Jan Arends afgebeelde ronde bassin is juist onder het woord ‘Arnesteijn’ te zien. De kom steekt half in de aanleg.

4.23

4.24 A Het Walchers landschap met Middelburg op de achtergrond, gezien vanuit de buitenplaats Arnestein. Een landschap met hollebollige weilanden, met bloeiende meidoorn­heggen op de kavelgrenzen en opgaand hout van de buitenplaatsen, getekend door Jan Arends in 1780. 4.24 B Het ronde bassin van Arnestein lag op de overgang van de buitenplaats naar het agrarisch landschap. Het ­idyllische beeld van drinkende koeien werd hierdoor ­onderdeel van de beleving vanuit de buitenplaats. Jan Arends, 1785.

arnestein Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

146

4.23

Centraal element in de aanleg van Arnestein was de loop van het voormalige riviertje en haventoegang tot Middelburg, de Arne. (4.23) De reeks tekeningen die Jan Arends van Arnestein maakte, geven een goede indruk van het achttiende-eeuwse Walcherse landschap. Dit is uitzonderlijk, omdat hij zich vooral ­beperkte tot het vastleggen van de interne belevingswereld van de buitenplaatsen. ‘Het gezicht van het Huis Arnestein op de Stad Middelburg’ (4.24 A) laat de omliggende kleinschalige weilanden zien. Koeien ­grazen op de hollebollige weilanden die herinneren aan het moerneren in de Middeleeuwen. Meidoorn­ hagen omzomen de percelen, terwijl op de achtergrond ­Middelburg te zien is. De bomenrijen maken

deel uit van het landschap van de buitenplaatsen. Op het ‘Gezicht over het bassein van het Huis Arnestein’ (4.24 B) is zowel een deel van de beplantings­aanleg van Arnestein te zien als het omliggende landschap. Hier wordt goed duidelijk hoe een buitenplaats in het landschap lag. Er is sprake van een scherpe overgang tussen het landbouwkundige gebruik en de a ­ anleg van het buitengoed. Een bomenrij en g ­ eschoren beplanting omzomen het ronde bassein. Hier werd het landschap als het ware geïntegreerd in de aanleg van de buitenplaats. Vanaf gene zijde van het bassein had de ‘landheer’ uitzicht op het mooie Walcheren. Er spreekt duidelijk eerbied voor het landschap uit deze prenten van Arends.


147

4.24 A

4.24 B


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

148

4.25

Een andere specifieke eigenschap van Arnestein is, dat een bestaand landschappelijk element – de ­kronkelige loop van de Arne – in de aanleg werd ­geïntegreerd. (4.25) Dit kwam, met uitzondering van de aan de duinen grenzende buitenplaatsen, ­verder niet voor. Zo k­ wamen onder andere bij Duynvliet en ­Zeeduyn zicht-assen voor die gericht waren op de ­duinen. Hier werd de woeste natuur, als het ware ­gezien door een venster, deel van de aanleg. (4.26)

4.26


4.25 De kronkelige Arne werd op geraffineerde wijze in de aanleg van de buitenplaats Arnestein betrokken. Jan Arends, 1780.

Op de kaart van Hattinga (1750) ontbreekt de ­ uitenplaats Poppenroede volledig. Dit is logisch, omdat de b buitenplaats door mr. Daniël Rademacher pas in 1763 is aangelegd.

4.27

4.26 Bij de buitenplaats Zeeduin is nog een historische zichtas vanaf het huis op de duinen aanwezig.

poppenroede 149

4.27

De eveneens verdwenen, vlak bij Middelburg g ­ elegen buitenplaats Poppenroede had een groot Grand Canal. (4.27) Dit Canal was een ­landschappelijk ­element dat de aanleg van een bijzonder l­anen­stelsel met bos, vijvers en een reeks bijzondere tuinen ­verlengde, als een lange lijn die zich uitstrekte in het aangrenzende lager gelegen poelgebied van

de Zandvoortseweihoek. (4.28) Het aanzien van de buitenplaats werd er sterk door vergroot. Het Canal bood enerzijds zicht op het huis en anderzijds op het omliggende landschap, dat hier vanouds vanwege zeer natte omstandigheden een open karakter had. Dit Grand Canal was ongetwijfeld één van de meest spectaculaire van de Walcherse buitenplaatsen.


Poppenroede’s Grand Canal getekend door Jan Arends in 1771. Op meerdere Walcherse buitenplaatsen ­waren dit soort kanalen, vaak aanwezig in de h ­ oofd-as van de aanleg. Het Grand Canal van Poppenroede was i­ndrukwekkend, een kleine twintig meter breed en ­ongeveer 250 meter lang. Het kanaal bevond zich aan de ­noordzijde van de woning, als een los element buiten de overige a ­ anleg. Ruimtelijk vormde het kanaal de link t­ussen de aanleg en het toen ook al open poelgebied van de ­Zandvoortseweihoek.

4.28

4.29 A Het conceptplan voor ‘de Hofstede Poppenroede Ambagt’ van mr Daniël Rademacher uit 1763. 4.29 B De opzet van de hoofd-as is ook in het uitgevoerde plan terug te vinden. De invulling van de tuinruimten van de zij-assen is in het uitgevoerde plan echter zeer ­verschillend van het ­conceptplan van Rademacher. Het uitgevoerde plan heeft meer schwung dan het enigszins stijve plan van ­Rademacher. De verbindingen tussen de tuinkamers zijn ook geraffineerd vormgegeven.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

150

4.28

Poppenroede is aangelegd door de Middelburger mr Daniël Rademacher, Heer van Nieuwerkerk. Bij een openbare verkoping op 30 december 1762 was hij eigenaar geworden van Poppenroede Ambacht, dat toen bestond uit een herenhuis met o ­ pstallen en de bijbehorende boerderij ‘Groot Driewegen’. R ­ ademacher stamde uit een rijk Middelburgs koopmans­geslacht en had grote belangstelling voor natuurwetenschappen en muziek. Hij woonde aan de Dam en bezat daar ‘De Groote en Kleine C ­ hristoffel’. Hij maakte reizen naar het buitenland. Uit een r­eisjournaal blijkt dat hij in ­Frankrijk tuinen heeft bezocht en deze met grote interesse voor de ­maatverhoudingen heeft bekeken. Hijzelf heeft dan ook de eerste schets voor zijn toekomstige buiten ­vervaardigd. (4.29 A) Dit plan brengt de indeling van de

tuin en het huis (op de begane grond) in beeld. Huis en tuin zijn duidelijk in samenhang met elkaar o ­ ntworpen. De aanleg van het park, waarmee men in 1763 begon, week op een aantal punten af van het c ­ onceptplan van Rademacher. (4.29 B) Het belangrijkste verschil was de toevoeging van het Grand Canal in het ­verlengde van de hoofdas. Op de topografische kaart van 1912 (verkend in 1909) is het Grand Canal van ­Poppenroede nog aanwezig. Opvallend is verder dat de basisopzet van Rademacher is aangehouden, maar dat de invulling van de verschillende tuindelen geraffineerder is vormgegeven. Dit roept de vraag op of Rademacher nog ‘professionele’ hulp gehad heeft bij de uitwerking van zijn conceptplan.


151

4.29 A

4.29 B


Foto van het nog bestaande slingerpad op de buitenplaats Berkenbosch bij Oostkapelle. Dit pad is wat betreft ­locatie en belijning goed vergelijkbaar met het slingerpad van P ­ oppenroede. De rododendronbeplanting dateert uit de negentiende eeuw en is een toevoeging uit de periode van de Engelse landschapsstijl.

4.30

4.31 A Er bevond zich nog een bassin aan de achterzijde van het huis. Dit bassin was veel korter, maar breder dan het Grand Canal. Tezamen moeten de bassins een b ­ ijzonder ­perspectief hebben gegeven aan het achterliggende ­polderlandschap.

De invulling van de tuinruimten aan weerszijden van de hoofd-as waren zeer verschillend. Naast intensieve tuin­ invullingen was er ook een ruimte gevuld met twee bassins, een vierkant en een rechthoekig. Tekening van Jan Arends uit 1771.

4.31 B

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

152

4.30

Dit is ondermeer af te leiden uit de grotere samen­ hang tussen de verschillende tuindelen in het ­definitieve plan. Zo werd er meer samenhang ­aan­gebracht in de structuur van de paden die de ­verschillende tuindelen met elkaar ­verbonden. ­Opvallend is ook dat de geraffineerd vormgegeven slingerpaden in de oorspronkelijke t­ekening ontbraken. De aanleg van Poppenroede is in hoofdlijnen een zuiver voorbeeld van een achttiende-eeuws formeel park. Wordt de invulling onder de loep genomen, dan vallen met name de slingerpaden op. P ­ oppenroede was daarmee dan ook een voorbeeld van een laat achttiende-­eeuws buiten. Deze slingerpaden m ­ aakten deel uit van een overgangsfase van Barok naar ­Engelse landschapsstijl. Of deze overgangsfase als

Rococo bestempeld moet worden, is de vraag. De overgangsfase is ontstaan vanuit de vormentaal van de Barok. Uit verveling over de grote regelmatige baroktuinen zocht men naar afwisseling. Anders dan bij de Engelse landschapsstijl het geval was, lag aan de overgangsfase geen nieuw natuurbegrip ten grondslag. De overgangsfase vormde – wederom ­anders dan de Engelse landschapsstijl – dan ook geen radicale breuk met de barokke vormgevingsprincipes. Veeleer werd er uit oogpunt van a ­ fwisseling iets aan toegevoegd. Opvallend bij Poppenroede was ondermeer het buiten het lanenstelsel gelegen slingerpad aan de oostzijde van de tuin. Een dergelijk slingerpad is, eveneens buiten het kader van de lanen, nog ­aanwezig op de buitenplaats Berkenbosch in de Manteling. (4.30)


153

4.31 A

4.31 B


De oprijlaan gezien vanaf de entree bij de Seysstraat, de huidige Middelburgsestraat. Dubbele rijen bomen, ­geflankeerd door strak geschoren hagen, geven het ­buitenhuis allure.

4.31 C

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

154

4.31 C

De tekeningen die in opdracht van Rademacher door Arends zijn vervaardigd, geven een goed beeld van de buitenplaats. Arends leverde zijn set tekeningen in tweevoud, zoals blijkt uit de volgende r­ekeningpost: “1772, juli 1, Jan Arends voor 12 afteikeningen van mijn Buytenplaats Poppenroede Ambagt, met lijsten en glazen, in couleuren, idem nog 12 copyen in oost­indische inkt, pond 36.16.8”. De gekleurde ­tekeningen werden door Rademacher in de boven­ galerij op ­Poppenroede gehangen. De kopieën borg hij ’ter ­gedachtenisse’ voor het nageslacht bij de familie­papieren op. (4.31 A/B/C) Hierbij zat de volgende aan­tekening: “Tien originele afteekeningen van Myn ­Buytenplaats Poppenroede Ambagt gelegen aan de Seis straatweg een quartier uurs van de stad ­Middelburg in Zeeland door mij onderschrevene te jaare 1762 ­gekogt, zijnde den aanleg der Plantage vijvers etc. door mij zelfs geconcipieerd en werkstellig gemaakt en te jare 1771 geheel voltooit.”

Bekend is dat Rademacher op 2 juli 1786 de Prins van Oranje met zijn gezin op Poppenroede heeft ontvangen. Vanwege deze gebeurtenis stelde hij zijn buitenplaats die dag open voor het publiek. Rond de duizend bezoekers maakten van de gelegenheid gebruik om de lusthof te bezoeken. Rademacher overleed op 8 maart 1803 te ­Middelburg. Zijn dochter Petronelle Maria, gehuwd met Jan Willem van Dusseldorp de Superville, erfde Poppenroede. Hun dochter Jacoba Sara huwde in 1813 Reinbrand Johan Boddaert die in 1834 overleed. Nog in dat zelfde jaar liet zijn weduwe het hoofd­ gebouw van Poppenroede slopen. Andere restanten van het buiten zijn veel langer bewaard gebleven; zo was het Grand Canal nog in de tweede Wereld­oorlog aanwezig. De huidige eigenaar weet zich nog te herinneren dat het grote bassin en een aantal andere formele vijvers nadien is gedempt.


4.32 De Heerlijkheit van Sint Laurens, afgebeeld op de kaart van Hattinga (1750). Het kasteel is omgracht en o 足 pgenomen in een nogal rommelig ogende aanleg, die waarschijnlijk in een groot aantal fasen tot stand is g 足 ekomen. Het dorp maakt deel uit van deze aanleg.

popkensburg 155

4.32

In enkele gevallen had de aanleg van een buitenplaats een directe relatie met de dorpsopbouw. Dit was het geval bij Sint Laurens (Popkensburg) en 足Oostkapelle (het Huis te Oostkapelle). (4.32)


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

156

4.33


Kasteel Popkensburg temidden van de Heerlijkheit van Sint Laurens, zoals weergegeven in de Cronyk van ­Smallegange (1696). De opbouw correspondeert in grote lijnen met de kaart van Hattinga. Linksonder is nog net een gedeelte van een voorname hofstede te zien. Dit zou de hofstede kunnen zijn die op afbeelding 4.35 A te zien is.

4.33

4.34 Tekening van Sint Laurens, gezien van de Noordweg. Het beeld correspondeert goed met de kaart van Hattinga. Het stukje weg (of water) dat linksonder zichtbaar is, is op de kaart van Hattinga duidelijk weergeven als de Sint Laurense watergang. Mét bochtje. Volgens de gemeenteatlas van 1866 liepen daar een weg en een sloot of watergang naast elkaar.

Blijkbaar is de tekening gemaakt vanaf de heul, dus de plek waar de watergang de Noordweg kruiste. Rechts naast de kerk is de oprijlaan naar het kasteel te zien. De wereld van moestuinen en kleine akkertjes is prachtig en natuurgetrouw weergegeven. Opvallend is dat er één woning prominent aanwezig is. Waarschijnlijk was dit de enige woning in het rijtje met een verdieping. Ook op de kaart van Hattinga komt de nederigheid van het dorp ten opzichte van het Huys goed naar voren.

157

4.34

De geschiedenis van Sint Laurens is nauw met ­Popkensburg verweven. Ook in ruimtelijk opzicht is het dorp nauw aan het buiten verbonden. De n ­ amen Popkensburg en Sint Laurens werden in feite s­ ynoniem gebruikt. De kerk bij het kasteel werd al in 1323 ­vermeld; als enige kerk op Walcheren was ze g ­ ewijd aan de martelaar Sint Laurentius. De door de beelden­ storm (1566) zwaar getroffen kerk moest worden gesloopt. In 1644 is op de fundamenten van de oude kerk de huidige protestantse kerk gebouwd. Het kasteel bevond zich op een vierkant eiland met een gracht

rondom. De contouren van dit eiland zijn g ­ edeeltelijk ­ prijlaan van nog herkenbaar. (4.33) De belangrijkste o het kasteel was op de zuidoostelijke punt van het eiland gericht; halverwege deze laan bevond zich de kerk. De huidige Kerklaan bevindt zich iets zuidelijker en komt recht op de kerk uit. Het dorp Sint Laurens bestond oorspronkelijk uit één straat, de huidige Van Citterstraat. (4.34) De straat liep door in het uitgebreide lanenstelsel van het hof Popkensburg. Dit lanenstelsel had overigens een nogal o ­ nregelmatige opbouw. Van een geraffineerde barokke aanleg was geen sprake.


4.35 A/B Een Walcherse boerderij van omstreeks 1600. Waarschijnlijk gaat het hier om de herenboerderij ­Popkensburg bij Sint Laurens. De materialen waaruit de boerderij is o ­ pgetrokken, geven aan dat het niet zo maar een boerderijtje is. De gebouwen zijn van baksteen, de daken gedekt met dak­pannen en een schoorsteen in plaats van een rookgat. Ook de omvang van de gebouwen is boven­gemiddeld. Op de achterzijde van één van de tekeningen staat: “dat huys in Zeelant” en “Jonker Valckesteijn”. Ze zijn gedateerd “eind der 16e of begin der 17e eeuw”. Valckesteijn kwam in 1567 in het bezit van het goed Popkensburg op ­Walcheren. ­Onduidelijk is of hiermee ook het kasteel Popkensburg

­ edoeld wordt. Waarschijnlijk heeft de hier afgebeelde b ­hofstede in de nabijheid van het kasteel gelegen. Rekening houdend met de op de tekening a ­ angegeven noord-zuid-oriëntatie en het gegeven dat het erf is o ­ mgeven met water, zou het de hofstede kunnen zijn die op de kaart van Hattinga juist ten zuidwesten van het kasteel ­Popkensburg staat afgebeeld. De tekeningen geven niet alleen een goede indruk van de gebouwen, ook de inrichting van het erf dat is omgeven met water en knotbomen is fraai weergegeven. Het weggetje waaraan de hofstede ligt, is beplant met knotbomen die (grotendeels) opvallend laag zijn afgezet.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

158

4.35 A

De kaart van Hattinga geeft een goede indruk van de ruimtelijke band tussen het dorp en het kasteel. Door deze planmatig tot stand gekomen relatie neemt Sint Laurens een ­bijzondere positie in. Het i­mposante kasteel werd in 1863 gesloopt. Tegenwoordig bevindt zich hier de boerderij Popkensburg, waar een woon­ gemeenschap voor ouderen is gevestigd. (4.35 A/B)


159

4.35 B


het huis te oostkapelle Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

160

4.36

Ook in Oostkapelle vormden dorp en buitenplaats in ruimtelijke zin een bijzonder geheel. (4.36) Het in de directe nabijheid van de dorpsring gelegen buitenhuis dateerde oorspronkelijk uit 1679. Het werd gebouwd door mr. Willem le Sage. Zijn lijfspreuk was ‘Le sage espère en Dieu’ (een wijs man vertrouwt op God).34 Niet in de laatste plaats hierom zal hij zijn i­mposante

woning in de directe nabijheid van de kerk van ­Oostkapelle hebben gebouwd. Het werd halverwege de achttiende eeuw afgebroken. In 1750 werd een nieuw huis gebouwd onder leiding van de Antwerpse architect J.P. van Baurscheit, die ondermeer ook het Van de Perrehuis in Middelburg, het in 1986 gesloopte Van Dishoeckhuis te Vlissingen en het Huis Der Boede


’t Huys te Oostcapelle met de uitgebreide a ­ anleg, ­zoals weergegeven op de kaart van Hattinga (1750). O ­ pvallend is dat het huis meer op het dorp en de kerk is georiënteerd dan op deze aanleg.

4.36

4.37 De Ambachts-Heerlykheyt Dorp en Heeren-Huys van ­ ost-Capelle. Cronyk van Zeeland, M. Smallegange (1696). O De importantie van het Huys ten opzichte van het dorp, maar ook de (ruimtelijke) verbondenheid van het Huys met het dorp komt hier goed tot uiting.

161

4.37

in Koudekerke op zijn naam heeft staan. Gelijktijdig met de bouw kwam de omvangrijke parkaanleg rond het nieuwe huis tot stand, waarvoor eveneens Van Baurscheit tekende. Zowel het oude als het nieuwe huis bevond zich op een eiland dat zich a ­ symmetrisch ten opzichte van de parkaanleg bevond. Het eiland raakte aan de dorpsring met de monumentale kerk.


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

162

4.38 A

4.38 B


Jan Arends tekende het Huis te Oostcapelle in 1772. Het huis maakte in feite deel uit van de bebouwing van de kerkring.

4.38 A

De aanwezigheid van de kerk was voor mr J ­ ohan Gualtherus van der Poort van groter belang dan de ­barokke principes. Gezien van de achterkant van het huis ­vormden het huis, de tuinaanleg en de kerk één ruimtelijke ­compositie.

4.38 B

Kaart door S.P. Wadde uit 1612 van het duingebied westelijk van Domburg, dat toen veel breder was dan nu. Rechtsonder is nog juist de kerktoren van D ­ omburg te zien. Vijf valleien zijn prominent weergegeven, genummerd en opgemeten. Zij werden in die tijd verpacht voor beweiding met rundvee. Op de kaart zijn beplante kavel­grenzen te zien, evenals hofsteden die ruim zijn ­beplant. Het was rond 1612 nog te vroeg voor de buitenplaats­cultuur, met uitzondering van kasteel Westhove (zie het hoofdstuk over het Panorama van Van den ­Wijngaerde). Tuinen met stijlkenmerken komen op de tekening van Wadde dan ook niet voor. Bron: Anton van Haperen.

4.39

163

4.39

Kennelijk was de nabijheid van de kerk ook voor de nieuwe eigenaar (mr Johan Gualtherus van der Poort) van meer belang dan trouw aan de barokke principes, waarbij het huis altijd in de hoofd-as van de a ­ anleg moet worden gerealiseerd. Ook Van Baurscheit zelf had hierover zijn twijfels: “[…] een buytenhuys dient geplaetst te syn gelyck het herte in een mensche Lichaem, waer aen alle principaele gesichte van de heele plaetse soo veel het doenlijk is moeten ­toe­gebracht worden”.35 De omvangrijke vierkante ­aanleg van Van Baurscheit werd omgeven door lanenstelsels, waarbij de meest oostelijke laan op de kerkring gericht was. Hierdoor werd de aanleg sterk gehecht aan de dorpsstructuur. Het vierkant was in feite een groot sterrenbos met centraal daarin een grote ronde vijver. Opvallend was de enorme omvang van het buiten ten opzichte van het dorp, dat daardoor enigszins feodale trekken vertoonde. Het is niet helemaal zeker of Van Baurscheit ook daadwerkelijk als architect van het huis kan worden aangemerkt. Meningsverschillen tussen de opdrachtgever Van der Poort en Van Baurscheit maken het waarschijnlijk dat zijn Middelburgse collega Jan de Munck het ontwerp heeft vervolmaakt en de uitvoering heeft begeleid.36

Van zowel het oude als het nieuwe huis te O ­ ostkapelle zijn fraaie afbeeldingen beschikbaar. Zo laat ­Smallegange het oude huis als een ­monumentaal paleis met een enorme tuinaanleg zien. (4.37) Op ­Spilmans gravures naar tekeningen van Pronk is het oude huis duidelijk bescheidener afgebeeld, ­waarschijnlijk meer in overeenstemming met de ­werkelijke verhoudingen. Ook in vergelijking met de latere aanleg van Van Baurscheit, zoals weergegeven op de kaart van Hattinga, komt de afbeelding uit de Cronyk van Smallegange nogal onwaarschijnlijk groots over. (4.38 A/B) De helft van de gracht van het huis te Oostkapelle bestaat nog steeds. Op de restanten van het eiland staat nu een schoolgebouwtje. De ronde vijver was tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw nog aanwezig. De nieuwbouw van Oostkapelle kwam hier tot stand zonder enige kennis van het imposante verleden. In de omgeving van Domburg waren, behalve ­Westhove, in 1612 nog geen buitenplaatsen a ­ anwezig. (4.39) Vanaf het eind van de eeuw komen er enkele buitenplaatsen bij. (4.40 A/B/C)


4.40 A Uitsnede van Domburg, zoals afgebeeld op de kaart van Hattinga (1750). Domburg werd aan zowel de west- als de oostzijde geflankeerd door in de binnenduinrand gelegen buitenplaatsen. Op de plaats van ’t Hof te Domburg bevindt zich thans het dag- en verblijfsrecreatiegebied De Parel. Op de plaats van ’t Hof Loverendale staat nu (de tweede versie van) het Badhotel. Naast ’t Hof Duynenburg aan de ­zuidkant staat de voorloper van de molen die later door Mondriaan geschilderd zou worden.

Prent van de stad Domburg uit de Cronyk van ­ mallegange (1696). De standaardmolen op de voorgrond is S gebouwd in 1620. De gedraaide ligging van de buitenplaats

4.40 B

Duynenburg komt goed overeen met de kaart van Hattinga. Rechts tekenen zich reeds de contouren af van het huidige Groentje, het pleintje aan de oostkant van het centrum van Domburg. Als meerdere kustplaatsen in Nederland heeft Domburg een opbouw die op hoofdlijnen meegaat met de kustlijn waaraan dwarsverbindingen loodrecht op de kust zijn toegevoegd. 4.40 C Tekening van J. Perkois, 1777. Deze tekening is 27 jaar na de kaart van Hattinga gemaakt. Vanuit het zuiden is de standaardmolen met aan de rechterkant de buitenplaats Duynenburg te zien.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

164

4.40 A


165

4.40 B

4.40 C


Sint Jan ten Heere zoals weergegeven op de kaart van Hattinga (1750). Het behoorde tot de grotere en meest imposante buitenplaatsen van het eiland. De weergave ­correspondeert in grote lijnen met het oorspronkelijke ­ontwerp.

4.41

sint jan ten heere Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

166

4.41

Buitenplaatsen kwamen niet alleen in concentraties voor, zoals in de Manteling of tussen Middelburg en Vlissingen, ook meer verspreid en soms zelfs alleenstaand kwamen ze voor. (4.41) De buitenplaats Sint Jan ten Heere tussen Aagtekerke en Westkapelle is hiervan een voorbeeld. Sint Jan ten Heere is een heel grote en voorname buitenplaats ­geworden en is tot stand gekomen op de plaats waar tot 1572 een klooster of een gasthuis van de Ridders van Sint Jan of de Monniken van de Johannieterorde had gestaan. Officieel heette dit klooster Kerkwerve en is als zodanig ook op het Panorama van Van den ­Wijngaerde terug te vinden. Bekend is dat op het omgrachte complex een vroege hofstede heeft gestaan.37

Jonker Arend van Dorp kocht in 1576 de landerijen, die tezamen ruim 50 hectare groot waren. In 1679 was de hofstede als zomerverblijf in gebruik bij de Middelburgse stadsthesaurier François Velters. In 1732 kwam het goed in bezit van mr Johan P ­ ieter van den Brande. Van den Brande gaf opdracht aan de ­Antwerpse architect J.P. van Baurscheit om een stadshuis aan de Lange Delft te Middelburg en een buitenverblijf te ontwerpen. In opdracht van de zoon van Van den Brande, Johan Pieter junior, heeft Jan Arends van de buitenplaats een serie ­prachtige ­tekeningen gemaakt. Van Baurscheits werk was van uitzonderlijke kwaliteit. Met name het huis aan de Lange Delft, een waar stadspaleis, gold als een hoogtepunt van barokke bouwkunst. Het huis werd


Sint Jan Ten Heere op originele ontwerptekening. Naast het huis is ook de parkaanleg ontworpen door de ­Antwerpse a ­ rchitect J.P. van Baurscheit. Deze bouwkundig ­architect hield zich nauwkeurig aan de barokke ­principes van t­uinaanleg. Bij het huis ging Van Baurscheit veel ­onconventioneler te werk, hetgeen hier blijkt uit de ­plattegrond met de twee schuine vleugels.

4.42

167

4.42

v­ erwoest bij het bombardement op Middelburg op 17 mei 1940. Maar ook het huis en het park van Sint Jan ten Heere waren van bijzondere kwaliteit en ­omvang. Ook het ontwerp van het park was van de hand van Van Baurscheit, die zich hierbij liet leiden door La theorie et la Pratique du j­ardinage, het handboek voor barokke tuinaanleg van A.J. Dezallier d’ ­Argenville. Van den Broeke illustreerde dit treffend aan de hand van een reeks voorbeelden, variërend van de ­toepassing van het ‘Patte d'oie’ (­ganzenvoet) tot aan het model voor een ‘Bois de haute futaie’ (een hoog opgaand bos). Dat het ontwerp van Van Baurscheit grotendeels is uitgevoerd, is te zien op de kaart van Hattinga, die hiermee een grote gelijkenis vertoont. (4.42)


4.43 Sint Jan ten Heere herbergde een in de stijl van een ­Chinese tempel uitgevoerd theater. Hier treedt de ­Chinoiserie naar voren, die ook in de tuinkunst eind ­achttiende eeuw opgeld deed. Tekening van Jan Arends (1778). In de negentiende eeuw werd de tempel verbouwd in Zwitserse stijl en deed dienst als hertenstal en tuinhuis.38

Westkapelle achter bij het vinkenbaantje. Een van de weinige echte landschapstekeningen van Jan Arends. De tekening geeft een goede indruk van het Noord-Walcherse vroonlandschap ten westen van Sint Jan ten Heere. De koeien liepen er los en werden bewaakt door koeienwachters.

4.45 A

De buitenplaats Sint Jan ten Heere aan het b ­ egin van de negentiende eeuw, getekend door J.H. R ­ eygers (1809). De formeel vormgegeven bassins zijn nog g ­ eheel intact. Bekend is dat rond die tijd op het buiten e ­ nige ­veranderingen naar de Engelse landschapsstijl zijn d ­ oorgevoerd.39

4.44

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

168

4.43

Het huis van Sint Jan ten Heere was vooral b ­ ijzonder door de centrale koepelzaal met daarvoor twee ­vleugels. De koepelzaal was wel 60 voet hoog. Z ­ eker voor een buitenplaats was dit een o ­ nconventionele opzet. Rond 1770 deed zich in de tuinkunst de ­zogenaamde chinoiserie-rage voor.40 Aan Sint Jan ten Heere is deze rage niet voorbijgegaan, getuige de Chinese tempel die Jan Arends op één van zijn ­tekeningen heeft afgebeeld. (4.43) Sint Jan ten Heere overleefde de Franse tijd, maar werd kort na 1875 toch afgebroken. (4.44) De l­aatste ­eigenaar van Sint Jan ten Heere was jhr Willem Versluis, die kinderloos stierf. Bij zijn overlijden in 1875

werd het Middelburgse huis aan de G ­ ereformeerde Gemeente nagelaten. De buitenplaats viel toe aan ­familieleden. Zij verkochten het voor de afbraak. ­Bekend is dat met een legaat van Versluis een kerk­gebouw voor de Gereformeerde Gemeente in Aagtekerke werd gebouwd en dat de stenen van de zijmuren afkomstig waren van het koetshuis van de buitenplaats. De overige stenen van de buitenplaats werden hergebruikt bij de bouw van vier boerderijen. Ter plaatse herinnert nog weinig aan een van de pronkstukken van de Walcherse buitenplaatscultuur; alleen de contouren van het verdwenen buiten zijn nog enigszins herkenbaar in de verkavelingstructuur.


169

4.44

4.45 A


De stad Westcapelle afgebeeld in de Cronyk van Smallegange (1696). De rechtlijnig opgebouwde ‘stad’ is een afwijkend type nederzetting voor het oudland van ­Walcheren. Op de inzet is Oud Westcapelle te zien dat veel meer dan de nieuwe stad een concentrische opbouw had. Rechtsboven het vroon dat ook op de tekening van Arends is afgebeeld. De Westcappelsen Dyk, waaraan vrijwel voort­ durend werd gewerkt, ontbreekt uiteraard niet.

4.45 B

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

170

4.45 B


De kaart van Hattinga (1750) vertoont veel gelijkenis met voorgaande afbeelding uit de Cronyk van Smallegange. Goed te zien is dat de â&#x20AC;&#x2DC;stadâ&#x20AC;&#x2122; inmiddels aan de noordzijde aanzienlijk is uitgebreid. Achter de zeedijk is een smalle lage duinenrij te zien.

4.45 C

171

4.45 C


Huys en Ridderlyke Hofstede van der Hooghe, ­ emaakt voor 1640, in opdracht van Phillippo de Borssele g van der Hooghe, telg van het geslacht Van Borssele. Ter Hooge kwam al in de veertiende eeuw in handen van de Van ­Borssele’s. De tekening geeft een goed beeld van het laatmiddeleeuwse ridderlijke huis. De ommuurde t­uin­delen hebben nog een uitgesproken nutskarakter, waarmee ­bedoeld wordt dat er in tegenstelling tot bijvoorbeeld Kasteel Westhove, geen siertuinen met stijlkenmerken te zien zijn. Deze conclusie komt overeen met hetgeen over Ter Hooge en Westhove op het Panorama van Van den Wijngaerde te zien is.

4.46

ter hooge Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

172


173

4.46


Tuinontwerp van J. de Lage uit 1753. Hierop zijn de samengevoegde bosketten met de Rococo slingerpaden te zien. Het bassin aan de westkant van het huis is door Jan Arends afgebeeld en te zien op de afbeeldingen 4.49 B/C.

4.47 A

4.47 B Kaart van Ter Hooghe, van de hand van Willem de Meester uit 1752. Onduidelijk is of hier een eerste aanzet is te zien van de in 1753 door De Lage ontworpen tuin. In ieder geval ontbreken de slingerpaden in de bosketten, die op het ontwerp van De Lage wel voorkomen. Ook zijn er op de 足tekening van De Meester vier bosketten te zien, terwijl deze op het ontwerp van De Lage zijn samengevoegd tot twee meer langwerpige bosketten. Het middeleeuwse kasteeltje is op deze tekening nog 足aanwezig; wel zijn de randen van de slotgracht stilistisch aangepakt. Duidelijk is de grillig gevormde vijverrand te zien.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

174

4.47 A


175

4.47 B

Ter Hooge is het belangrijkste buiten dat in de ­nabijheid van Middelburg nog aanwezig is. Al aan het einde van de dertiende eeuw werd de naam Ter Hooge voor het eerst genoemd, in relatie tot Simon van der Hooge.41 Ter Hooge was een van de weinige ridderlijke huizen op Walcheren. (4.46) De middeleeuwse verschijning van Ter Hooge bestond uit een aaneen­ schakeling van meerdere bouwvolumes met een onregelmatige opbouw. In 1713 werd de Middelburgse koopman Steven Scheyderuyt eigenaar van het slot. Hij liet er een formele tuin bij aanleggen. De aanleg bestond uit een sterrenbos, een gracht en een laan achter het huis. In de tweede helft van de achttiende eeuw liet het echtpaar Van Borssele-Coninck het oude kasteel afbreken en hiervoor in de plaats kwam een moderner buitenhuis. Ook de tuinaanleg werd grootscheeps aangepast. J.W. te Water beschrijft het huis in de achttiende eeuw: “Eene ruime en visrijke vijver, sierlijke waterkommen, uitmundende laanen, welige beplantingen en alleraangenaamste vergezigten ­geven geen geringe sierraad aan dit kasteel”.42

In opdracht van de in Den Haag woonachtige ­familie Van Borssele-Coninck tekende J. de Lage het plan voor de heraanleg van het domein. (4.47 A/B) Van den Broeke legt een link tussen dit ontwerp en het boek La Théorie et la Pratique du jardinage van A.J. D ­ ezallier d’ Argenville. Van dit beroemde handboek voor t­uinaanleg was in 1739 een uitgave in Den Haag verschenen. Gelet op de overeenkomsten tussen de richt­lijnen uit het handboek en het ontwerp van De Lage gaat Van den Broeke ervan uit dat De Lage dit werk ­zeker gekend moet hebben. Zo geeft D ­ ezallier d’ Argenville in zijn boek aan dat er achter het huis een parterre aangelegd moest worden, aan het einde ­afgesloten met een halve cirkel van b ­ omen. De ­belangrijkste laan hoorde in de symmetrie-as te ­liggen, corresponderend met het huis en de a ­ anleg. Alle lanen dienden vrij zicht te hebben op het ­omliggende ­platteland.


Ter Hooge op de kaart van Hattinga (1750). Van den Broeke gaat er vanuit dat Hattinga de situatie van rond 1753 weergaf, omdat de kaart tot dat jaar was bijgewerkt.43 In ieder geval is de aanleg van Ter Hooge verder voltooid ten o ­ pzichte van de kaart van De Meester (4.47 B). Het bosket is regelmatig afgemaakt en het lanenstelsel is aan de noordzijde uitgebreid. Tevens is de ruimte in het buitenste lanenstelsel verder bebost.

4.48

Reeks van tekeningen van Jan Arends waarop het ‘nieuwe’ Ter Hooge te zien is zoals dat door De Lage is ­ontworpen. Zowel het huis als de landschappelijke aanleg was van zijn hand. De tekeningen zijn alle rond 1785 gemaakt. 4.49

A Gezicht op de voorzijde van het huis. De opzet van de hoofdvolumes van het gebouw komt goed overeen met de huidige situatie. B Beeld van het door De Lage ontworpen bassin aan de z­ ijkant van het huis. Het water had niet alleen een sier­ functie, het werd ook gebruikt voor vermaak en ‘spelevaren’. C Hetzelfde bassin als op afbeelding 4.49 B, maar nu in ­omgekeerde richting gezien, met de duinen op de ­achtergrond. Het omliggende landschap werd bewust als tafereel de tuin ingehaald.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

176

4.48


177

4.49 A

4.49 B

4.49 C


Een opvallend afwijkend romantisch beeld binnen de ­achttiende eeuwse buitenplaats Ter Hooge.

4.49 D

4.50 Ontwerp voor de achtertuin van Ter Hooge. Landschapsstijl­aanleg van de hand van de Middelburgse tuinarchitect Pieter Schuppens. Het gebied is grootscheeps op de schop gegaan om de negentiende-eeuwse vormgevings­ idealen – waarbij een geïdealiseerde weergave van de natuur een belangrijk uitgangspunt was – tot zijn recht te laten komen. Waarschijnlijk was J.D. Zocher Sr. verantwoordelijk voor de wijzigingen aan het rechte bassin, dat werd veranderd in een slingerende waterpartij. Schuppens’ inbreng is op de rest van deze tekening zichtbaar.

Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

178

4.49 D

Dezallier ging ervan uit dat het terrein met behulp van verschillende bosketten werd ingedeeld. Hierbij werd waarschijnlijk gebruik gemaakt van de sterrenbossen uit de tijd van Scheyderuyt. De aanleg van De Lage voldoet in grote lijnen aan de door Dezallier geschetste principes. De slingerende paden die in de ­bosketten zijn opgenomen, zijn toevoegingen van vroege ­Rococo. Er is nog één belangrijk verschil met Dezalliers ­principes. De Lage voegde een grote waterpartij toe aan het ensemble op Ter Hooge. Op de kaart van Hattinga (1750) zijn aan de noordzijde de eerste veranderingen volgens het plan van De Lage zichtbaar. (4.48) Het bassin is door ­Hattinga nog niet afgebeeld, evenmin als de door De Lage ­ontworpen bosketten. Anders is dat op de ­tekeningen van Jan Arends, waarop het b ­ assin met uitzicht op het Walcherse landschap in volle ­glorie staat ­afgebeeld. (4.49 A/B/C) Het bassin was een

van de g ­ rootste van de Walcherse buitenplaatsen. ­Overigens geven al Arends’ tekeningen een prachtig beeld van de barokke allure van Ter Hooge. Hierop is één o ­ pmerkelijke u ­ itzondering: de laatste tekening in de reeks van Ter Hooge geeft een geheel ander beeld. (4.49D) Op deze prent is een veel wildere – niet ­gecultiveerde – vorm van natuur te zien. Een bijna ­romantisch beeld dat een voorschot nam op de ­dingen die zouden komen, ondermeer op Ter Hooge. Ter Hooge kreeg in het begin van de negentiende eeuw een landschappelijke aanleg. Hoe deze tot stand is gekomen, is niet geheel duidelijk. ­Waarschijnlijk zijn de veranderingen in twee fasen uitgevoerd. De voorzijde en zijkant met de grote vijver werden als e ­ erste ­ edeelten aangepakt.44 De centrale oprijlaan en g van het bos werden verwijderd en maakten plaats voor een vista. In deze vista werd een slingerende laan ­opgenomen. De vijver naast het huis kreeg een


179

4.50

s­ lingerend verloop. De uiteinden verdwenen met een draai in de aangrenzende donkere b ­ osbeplanting. ­Gelet op deze kenmerken gaat Martin van den Broeke er van uit dat deze transformatie aan de Haarlemse tuin­architect Jan David Zocher Sr. (1763-1817) toegeschreven kan worden. Deze beschrijving vertoont grote gelijkenis met de veranderingen in Engelse ­landschapsstijl bij K ­ asteel Westhove, waarvan op basis van een in het ‘oud a ­ rchief’ van de g ­ emeente ­Domburg gevonden ­tekening, wordt ­aangenomen dat deze door Zocher Sr. zijn ontworpen (afbeelding 5.29).

Bekend is verder dat de Middelburgse tuinarchitect P. Schuppens verantwoordelijk was voor de v­ erdere ­verlandschappelijking van het geheel van Ter Hooge. (4.50) De ontwerpen die Schuppens maakte zijn ­opgenomen in het Magazijn van Tuin-sierraden van de kweker en tuinarchitect Gijsbrecht van Laar, het ­beroemde voorbeeldenboek voor tuinen en tuin­ gebouwen. Het verscheen in meerdere afleveringen, tussen 1802 en 1809.


Een tijdelijke buitenplaatscultuur Jan Willem Bosch

180

4.51 Walcheren, Tuyn van Zeeland, ten tijde van H ­ attinga. Deze naam dankt Walcheren aan een aantal l­and­goederen en buitenplaatsen die in de achttiende eeuw tot stand ­kwamen op de hogere delen van het eiland. Het meest aaneengesloten kwamen ze voor aan de noordkant van ­Walcheren. Later is deze zone in de binnenduinrand ­Manteling gaan heten. Ook meer verspreid, vrijwel altijd gekoppeld aan kreekruggen, werden veel grote en kleine buitenplaatsen aangelegd. Van noord naar zuid vormden ze een band over het eiland. Ook tussen Middelburg en ­Vlissingen was een grote concentratie landgoederen. De bebouwing van de steden Middelburg, Vlissingen en Veere bevond zich nog volledig binnen de vesten. Ook de dorpen waren nog heel klein. In de meeste gevallen waren ze niet groter dan de kerkring, aangevuld met een bescheiden bebouwingslint. De kleinere groene vlekken op de kaart zijn de boerderijen. De kaarten van Hattinga en Le Rouge laten alleen de bebouwing, de wegen, de waterlopen, de boerderijen en de buitenplaatsen zien. Maar was de rest van het eiland verder leeg en kaal? Aangenomen mag worden dat in de ­achttiende eeuw op de kavelgrenzen en langs wegen en ­paden ook al beplanting aanwezig was. Afbeelding 5.45 laat de situatie tussen de Franse Tijd en de Duitse b ­ ezetting zien. Op dat ­moment was er een uitgebreid stelsel van meidoorn­hagen op het eiland aanwezig. Dit stelsel kwam als gevolg van n ­ atuurlijke successie tot ontwikkeling. Een deel van het stelsel is als aanname op de achttiende-eeuwse situatie overgenomen.

strand duinen bebouwd gebied bebouwing water bos en beplanting weg laan dijk strandpalen 0

1

2 km


181

4.51


Een betonnen sculptuur lijkt het. Het zijn de overblijfselen van het Fort de Ruyter die symbool kunnen staan voor de ­periode van Fransen tot Duitsers. De ruïne ligt in de bocht achter de zeedijk ten oosten van de Vlissingse B ­ uitenhaven. De op deltahoogte gebrachte dijk maakt dat het thans nog nauwelijks is voor te stellen dat het fort vroeger een strategische ligging had. Met ruim schootsveld over de ­Westerschelde was het van eminent belang voor het ­beheersen van de toegang tot de haven van Antwerpen. ­Napoleon heeft dit fort in 1811 gebouwd. Het heeft tot 1867 dienst gedaan. Daarna is het gesloopt. In 1913 werd opnieuw met de bouw begonnen, maar de Duitse keizer weerhield het in de Eerste Wereldoorlog neutrale Nederland ervan het fort af te bouwen. In 1926 is het opgeheven en in de Tweede Wereldoorlog heeft het nog als munitie­opslagplaats dienst gedaan. Nu zijn de vervallen bunkers het domein van ­schapen en speel­terrein voor kinderen uit de buurt.

182


hoofdstuk 5 | 1800-1940

kees bos, jan willem bosch, jan zwemer

van fransen tot duitsers 183


een periode van verval Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

184

5.1

In de anderhalve eeuw tussen de Franse bezetting (1795-1814) en de Duitse bezetting (1940-1944) van Walcheren, veranderde het aanzien van het ­agrarische platteland niet zozeer. (5.1) De voornaamste ­ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw waren de uitbreiding van het aantal klinker­ wegen en de langzame opkomst van het toerisme, terwijl na 1900 een tramlijn werd aangelegd en later een gemaal werd gebouwd. De boeren begonnen net als elders stenen landbouwschuren te bouwen. Daarbij maakten ze soms gebruik van stenen van gesloopte buitenplaatsen. (5.2) De steden lieten wel veel grotere veranderingen zien, met name ­Vlissingen en Veere. Veere kreeg in de Franse Tijd een o ­ m­walling die tot in deze tijd het landschap rondom het stadje d ­ omineert.

Vlissingen werd eerst omringd door een forten­stelsel, dat naderhand weer grotendeels o ­ pgeruimd werd om plaats te maken voor havens en woonwijken. ­Middelburg groeide nauwelijks, maar kreeg wel, zoals Vlissingen te maken met de a ­ anleg van het Kanaal door Walcheren en de spoorlijn rond 1870: een forse ingreep in het landschap, maar tegelijkertijd – met name voor Vlissingen – een sterke stimulans voor verdere economische groei. Zo’n stimulans was nodig voor het n ­ egentiende-eeuwse Walcheren. Een ­belangrijke ­welvaartsbron was ­namelijk opgedroogd: in de Franse Tijd werd de o ­ verzeese ­handel vanuit M ­ iddelburg getroffen door de i­nlijving van Zeeuws-Vlaanderen bij F ­ rankrijk en door de opheffing van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.


5.1 Tekening van J.H. Koekkoek, ‘Gezicht op Middelburg’, ­ mstreeks 1820. Waarschijnlijk is deze impressie g o ­ etekend op een punt tussen de Noordweg en de Seisweg. Deze tekening geeft een goed beeld van het negentiende-eeuwse Walcherse landschap nabij Middelburg. Het met name aan de linkerkant met reliëf geromantiseerde tafereel laat verder een redelijk natuurgetrouwe weergave van het kleinschalige landschap zien, waarin het vee meer op de voorgrond stond ten opzichte van veel andere Zeeuwse gebieden.

De buitenplaats Molembaix tussen Grijpskerke en ­ ost­kapelle, gefotografeerd in 1897. Hij ziet er tamelijk O ­vervallen uit. Kort erna volgde afbraak.

5.2

185

5.2

Daarna werd het Continentale Stelsel ingevoerd, waarbij ­Napoleon de handel met E ­ ngeland volledig ­stillegde. Bij de inlijving in 1810 van overig Zeeland bij ­Frankrijk werd alle handel met Holland stop­ gezet. (5.3) ­Middelburg kende in die jaren een grote ­werkeloosheid in de ­handel en de nijverheid. Na het vertrek van de F ­ ransen – later dan uit de rest van Nederland ­vanwege het ­strategische belang van Walcheren – keerde de handel op ‘de Oost’ niet naar Middelburg terug. De stad bleek zijn positie als overslag­plaats voor de graanhandel uit overig ­Zeeland en ­Vlaanderen niet herwonnen te h ­ ebben. De West-Indische C ­ ompagnie was al in 1791 opgeheven. Tot 1795 had Middelburg haar e ­ conomische positie nog ­gehandhaafd. ­Hoewel er al minder gehandeld

werd op ‘de Oost’ en ‘de West’ dan in de z­ eventiende eeuw, wist de stad dat te c ­ ompenseren door een deel van de uitvoer van onder andere graan uit ­Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen naar zich toe te trekken. In Vlissingen was het veel minder gelukt om zo’n andere welvaartsbron te vinden en die stad had dus in de achttiende eeuw al aan b ­ elang ingeboet. Middelburg was in 1795 nog altijd het hart van de Zeeuwse z­ akenwereld. Er ­verzamelde zich veel meer kennis, ­kapitaal en macht dan in ­andere steden van het ­gewest. Door landaankopen en inpolderingen ­investeerden Middelburgse kooplieden ook in andere delen van Zeeland. (5.4 A/B/C)


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

186


Detail van een in werkelijkheid 1.90 meter lange ­ autische kaart van Antwerpen tot aan zee. De kaart is n gemaakt door de hydrograaf Charles-François BeautempsBeaupré, in opdracht van het het Franse Ministerie. Hij geeft informatie over waterdiepten, zandbanken en de getijdenstromen. De kaart is ten behoeve van de Britse marine­ officieren in 1804 in Londen gedrukt. Bijzonder is dat ook de kustgebieden nauwkeurig zijn ingetekend; zo krijgen we een beeld van de Walcherse kust van Westkapelle tot Middelburg in de eerste jaren van de negentiende eeuw. De d ­ uinenrij bij Zoutelande is nog intact; achter de duinen is een ­klein­s­chalig kavelpatroon zichtbaar. Middelburg is nog met het open water verbonden via de in 1534 gegraven haven naar de Welzinge.

5.3

Deze kaart, opgenomen in 1796, gekopieerd in 1805, laat een detailsituatie zien van wat nu een deel van de ­Boulevard en het Vlissingse Nollebos en noordelijke ­om­geving is. ­Achter ’t Slandshuis de Nolle Magazyn en Schuure liggen ’t Lage Vroon en rietpoelen. Ook is te zien hoe voor de dijk duintjes zijn ontstaan – zoals dat thans ook het geval is voor de Nolledijk. Op de duintjes op deze kaart is later het Badhotel (Britannia) gebouwd en de b ­ oulevard aan­gelegd. De oude dijk loopt thans over het tracé van de Kenau ­Hasselaarstraat.

5.4 A

5.3

5.4 A

187


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

188


5.4 B De kaarten 5.4 B/C zijn gebaseerd op de kaart van Hattinga, maar later in de jaren negentig van de achttiende eeuw bijgewerkt. Het gaat hier vooral om ­veranderingen in dijken en aanwassen. Op deze kaart zijn rond ­Vlissingen in het groen de hofsteden en buiten­plaatsen te zien die thans naam hebben gegeven aan straten en wijken z­ oals ’t hof Sottegem, Bakkensburg, Bossenburg, Weyvliet, ­Paauwenburg, Lammerenburg, ’t Geslegte Slot Swanenburg, Slot ­Aldegonde en andere. 5.4 C De situatie tussen Vrouwenpolder en het ’t Arnemuids ­Canaal.

189

5.4 B

5.4 C


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

190

5.5 A


5.5 A Een prentbriefkaart van de arbeiderswijk ­ ieuw-­Middelburg. Architect was J.A. Vertregt, die in N opdracht van de ­Algemene Woningbouwvereniging 115 ­degelijke, ­traditionele arbeiderswoningen ontwierp. Ze ­werden g ­ ebouwd in de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een foto uit de jaren dertig van één van de twee v­ illaparkjes die buiten de Middelburgse wallen werden ­gebouwd. Hier het Park van Nieuwenhove.

5.5 B

191

5.5 B

Met de komst van de Fransen veranderde die positie definitief. Het inwonertal van Middelburg, dat in de achttiende eeuw vermoedelijk steeds rond de 17.000 geschommeld had, kelderde naar 11.400 in 1807.45 De groei daarna was bescheiden. In 1871 waren er 16.000 inwoners: nog altijd minder dan een eeuw daarvoor. Bij de eeuwwisseling waren het er een kleine 19.000. Tot aan de Tweede Wereldoorlog had de stad binnen de wallen maar net voldoende ruimte om de groei van de bevolking tot 21.000 op te vangen. Alleen kwam er toen wat bebouwing langs de ­buitensingels en lint­bebouwing langs de toegangs­wegen (Veerseweg, Noordweg, Seisweg, Koudekerkseweg, Nieuwe Vlissingse­weg). Ook het

arbeiderswijkje Nieuw-­Middelburg uit de jaren twintig van de t­ wintigste eeuw en de villaparkjes Nieuwenhove (1925-1935) aan de Noordsingel en Park de Griffioen (1935) aan de Seissingel zijn vooroorlogs. (5.5 A/B) In 250 jaar was de stad nauwelijks gegroeid. Wel had zich kort na de Franse Tijd een ingrijpende verandering in het landschap voorgedaan. Het als alternatief voor de verzandende Arne in 1535 ­gegraven getijdehavenkanaal vanuit Middelburg naar de Welzinge verloor aan betekenis, eveneens door verzanding. Daarvoor in de plaats werd een nieuwe en rechtstreekse waterverbinding naar het Veerse Gat ­gegraven, die daar ten westen van de boerderij ­Wulpenburg het open water bereikte (1817). (5.6 A/B)


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

192

5.6 A

Eerdere plannen van Middelburg (1600) om het havenkanaal naar de Welzinge te vervangen door een soortgelijk kanaal naar Rammekens, waren door politieke tegenwerking van Veere en Vlissingen nooit uitgevoerd.46 Het tracé van het havenkanaal uit 1535 is tussen Middelburg en Nieuw- en Sint Joosland nog steeds goed zichtbaar in het landschap (zie ­afbeelding 4.4 B). Ook in Vlissingen tekende de neergang zich ­aanvankelijk af in een terugloop van de b ­ evolking (van ­ongeveer 8.000 in het midden van de ­achttiende eeuw, 5.700 in 1795 naar 4.500 in 1815). Daarna groeide Vlissingen sterker dan ­Middelburg en had het bij de eeuwwisseling zijn achterstand op de provinciehoofdstad ingehaald. Die positie b ­ ehield Vlissingen tot aan het begin van de Tweede ­Wereldoorlog. Veere tenslotte was al eerder in verval geraakt. Had de stad in de zestiende eeuw nog rond 4.000 ­inwoners, dat was in 1795 al teruggelopen tot minder

dan de helft. In de negentiende eeuw halveerde het opnieuw tot ongeveer 900 inwoners, een aantal dat nauwelijks zou veranderen in de periode tot 1940. Werd Middelburg in 1940 voor een groot deel ­verwoest door een Duits bombardement en de daarop volgende brand, Vlissingen had behalve in de Tweede ­Wereldoorlog al eerder, in 1809, veel te lijden van verwoestingen door Engelse beschietingen. Het jaar daarvoor was er veel schade door de watervloed van januari 1808. In augustus 1809 werden 317 ­gebouwen geruïneerd, waaronder het mooie stadhuis uit 1594, dat gebouwd was naar het voorbeeld van dat van Antwerpen. De afloop van de Engelse invasie is bekend. Sneuvelden er 400 Engelse militairen in de strijd, aan de Zeeuwse koortsen overleed het tienvoudige: 4.000 manschappen. In december trok het Engelse leger zich terug. Vlak voor die aftocht werden de dokken en vestingwerken van Vlissingen vernield.47 Zo begon de periode van Fransen tot Duitsers met achteruitgang en verval.


J.H. Koekkoek, Opening van de Nieuwe Haven door ­ oning Willem I op 9 augustus 1817 te Middelburg, olieK verf op paneel, (29 x 43,5 cm). Schilderij gemaakt naar ­aanleiding van de opening van het nieuwe kanaal van ­Middelburg naar het Veerse Gat. Koekkoek werd g ­ eboren in 1778 te Veere. Hij was leerling aan de Middelburgse Teekenacademie. Om aan de kost te komen, werkte hij als behangselschilder in een b ­ ehangselfabriek. Hij is stam­ vader van het bekende schildersgeslacht Koekkoek en werd ­voornamelijk bekend om zijn schilderijen van water en schepen.

5.6 A

Op deze topografische kaart – volgens o ­ pmetingen van het Kadaster door P. Lampert – uit 1852 is de forse ­land­schappelijke ingreep te zien die het Kanaal van ­Middelburg naar het Veerse Gat (1817) veroorzaakte.

5.6 B

193

5.6 B


5.7 A Deze kaart uit 1867 toont hoe in de Franse Tijd buiten de zeventiende-eeuwse vestingwallen de Napoleontische vesting is opgebouwd. De buitenrand van de voorgracht is het tracé van de huidige Singel. 5.7 B Een topografische kaart uit 1865, die de situatie van de rondom de stad gebouwde schansen weergeeft. Van links naar rechts zijn dat achtereenvolgens Fort Montebello, later Fort De Nolle genoemd, het Linker-, het Midden- en het Rechter Reduit en uiterst rechts het Fort Saint Hilaire, het latere Fort De Ruyter.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

194

­

5.8 A De N ­ apoleontische uitbreidingen van de vesting­werken van Veere zijn duidelijk te zien. De molen staat op het ­Molenbolwerk met rechts aansluitend het ­Warwijksebolwerk uit de zestiende eeuw; links ervan, tegen het stadje aan ligt het Oranjebolwerk (zie afbeelding 3.6). De grote daarbuiten l­iggende bolwerken zijn uit de Franse Tijd. De aanleg van het ­Kanaal door Walcheren in 1873 betekende het einde van de b ­ olwerken aan de oostkant van de stad (de bovenzijde van de foto).

Op de kaart uit 1848 is te zien hoe Veere vóór de aanleg van het Kanaal door Walcheren ingebed lag in de zeventiende-eeuwse Mauritiaanse bolwerken en de ­negentiende-eeuwse Napoleontische.

5.8 B

5.7 A

5.7 B


195

5.8 A

Al vrij snel kreeg het landschap rond Vlissingen, Veere en bij Rammekens een ander aanzien door de bouw van Franse vestingwerken die de o ­ udere vesting­werken incorporeerden en uitbreidden. (5.7 A/B) Al voor de Engelse invasie werd met die werken begonnen, daarna werden ze met kracht voortgezet. Vlissingen en Veere moesten ­vestingen van de e ­ erste rang worden. Doordat Veere niet ­verder groeide, zijn daar de overblijfselen van die vestingwerken nog pregnant aanwezig. (5.8 A/B) In Vlissingen zijn ze door industrialisatie en stadsuitbreiding uit het landschap verdwenen, al zijn er nog sporen z­ ichtbaar. In Fort R ­ ammekens zijn de ­Napoleontische sporen goed waar te n ­ emen; rond het fort zijn ze na de i­nundatie van 1944 sterk ­vervaagd. (5.9 A/B/C) Iets ten westen van Fort ­Rammekens werd Fort Lacoste, het latere Fort ­Zoutman, gebouwd. Hiervan is nog slechts een vormspoor in de huidige inundatiekreek ­overgebleven. 5.8 B


In de Franse Tijd is Fort Rammekens gemoderniseerd. De luchtfoto toont de actuele situatie. De kazernegebouwen en de kapiteinswoning op de binnenplaats zijn gesloopt. Tegen de buitenmuren kwamen brede aarden wallen met ingebouwde kazematten. Buiten het fort werden kroon足werken aangelegd. De vorm van een ervan is rechtsonder nog duidelijk herkenbaar. Na de bombardementen op de dijk in 1944 werd de vestinggracht deel van het krekenstelsel.

5.9 A

Bij archeologische opgravingen in 1982 en 1983 zijn de funderingen van de gebouwen teruggevonden die op deze kaart van Johan Blaeu uit 1649 zijn getekend.

5.9 B

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

196

5.9 A

5.9 B

5.9 C


Ook de vestinggracht van Fort L ­ acoste – later Fort Zoutman – in deel van het krekenstelsel geworden. In het ­krekenpatroon ten westen van ­Rammekens is de vorm van Fort Zoutman nog aanwezig. Op de kaart van Staatsbosbeheer uit 1993 – met ­aanduiding van het gebruik van de verschillende gebiedsdelen rondom Rammekens – is dat onderaan zichtbaar, links van het m ­ idden.

5.9 C

Fort De Ruyter bij Vlissingen ligt als een ruïne in het l­andschap. De plaatsing van windturbines, direct op dit cultuurhistorisch gegeven, doet geen recht aan het adagium ‘Behoud door ontwikkeling’.

5.10

197

5.10

Onderdeel van de vesting Vlissingen was Fort Saint Hilaire, later Fort De Ruyter, dat na opheffing van de vesting in 1867 werd gesloopt. In 1913 begon de ­herbouw, maar die is nooit voltooid omdat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog geen geschut wilden leveren en in 1920 besloten werd om geen kustforten meer te bouwen. De ruïne van dit fort is nog aanwezig. (5.10) De stationering van het Loodswezen en de ­vestiging van de marinewerf in Vlissingen (1814) zorgden voor nieuwe werkgelegenheid. Ook de provinciale stoomboot­veerdienst op Breskens droeg daaraan bij. De ermee gepaard gaande bevolkingsgroei moest

binnen de wallen van de vesting worden opgevangen. Ondanks het opheffen van de vesting in 1867 en het vertrek in 1868 van de marinewerf – met verlies aan arbeidsplaatsen – woonden er rond die tijd ongeveer 10.500 mensen binnen het keurslijf van de vesting­ wallen. Het opheffen van de vestingstatus betekende dat de stad zich van dit keurslijf kon ontdoen. De ­wallen en poorten werden afgebroken en er kwam ruimte voor nieuwe ontwikkelingen . Er werden in deze tijd nogal wat infrastructurele werken uitgevoerd, die Vlissingen tot een nationale haven zouden moeten doen uitgroeien,48 waarvan ook Middelburg en – in mindere mate – Veere moesten profiteren.


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

198

5.11 C

5.11 B


In de Franse Tijd was dit nog het beeld van de haven­ toegang van Middelburg. De prent is weliswaar ouder – uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw – maar deze ­situatie zal tot 1815 niet wezenlijk veranderd zijn. Daarna werd in het midden op de voorgrond een dam gelegd en een nieuwe toegang tot de zee gegraven naar het Veerse Gat. Nog weer later, in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw veranderde de situatie rigoureus door de aanleg van het spoor en het Kanaal door Walcheren richting Vlissingen. De voorgrond van deze prent werd voor het g ­ rootste deel van de kaart geveegd, van links de ­Vlissingsepoort tot en met het bolwerk geheel rechts. Goed te vergelijken met de afbeeldingen 5.11 B/C.

5.11 A

Stadsplattegrond van Middelburg uit de achttiende eeuw met het zeventiende-eeuwse stadspatroon. De stad is hier nog omgeven door de bolwerken van 1598.

5.11 B

5.11 C Plattegrond uit 1887. De vesting Middelburg is ­ eslecht. De bolwerken zijn omgevormd tot een romantisch g stadspark naar ontwerp van K.G. Zocher. Aan de zuidkant zijn de stadswallen verdwenen door de aanleg van het ­Kanaal en de spoorlijn.

199

5.11 A

In 1871 verloor Walcheren de eilandstatus door de aanleg van de Sloedam, die nodig was voor de ­spoorlijn van Bergen op Zoom via Goes naar ­Middelburg en Vlissingen. De oude verkeersader – de Postweg, tot dan toe onderbroken door het Sloeveer – kreeg zijn tracé over de dam naast de spoorlijn. Tegelijk met de aanleg van de spoorverbinding werd het Kanaal door Walcheren gegraven. Daarvoor werd gebruikgemaakt van de bestaande waterverbinding tussen Middelburg en Veere, waarbij het laatste deel (drie kilometer) via een knik in de richting van Veere werd verplaatst. Het stadje wilde economisch voordeel halen uit de ligging aan de kanaalmond, maar daar is nooit veel van terecht gekomen. Wel verloor Veere door de verlegging van de kanaalmond aan de ­oostkant een deel van zijn wallen. Voor Middelburg

had de aanleg van het Kanaal veel grotere gevolgen, omdat daar de oostelijke stadsbolwerken werden geamputeerd. (5.11 A/B/C, 5.12 A/B) Arnemuiden verloor door de aanleg van het spoor zijn haven aan het Sloe. Vanaf die tijd hadden de Arnemuidse vissersschepen Veere en Vlissingen als thuishaven.


Station Middelburg, gezien vanaf de naar Goes v­ erplaatste voetgangersbrug ter hoogte van de Segeersweg. Opvallend is de beplanting op de restanten van het zuidelijk deel van de bolwerken in combinatie met de b ­ eplanting van de buitenplaats Veldzigt. De molen op de foto is de korenmolen Johanna aan de Segeerssingel, die op 17 mei 1940 uitbrandde als gevolg van de Duitse aanval op M ­ iddelburg.

5.12 A

5.12 B Op deze tekening is goed de ruimtelijke ingreep te zien, die noodzakelijk was voor de aanleg van het Kanaal door Walcheren. Het Kanaal is dwars door het zuidelijk deel van de bolwerken aangelegd. Let op: het noorden is ­beneden afgebeeld.

Spoorlijn en Kanaal door Walcheren moesten ­ lissingen nieuw elan geven. Op deze ontwerpkaart uit 1873 V zijn de oude havens in het huidige Bellamypark (Koopmanshaven) en Spuistraat (Achterhaven) en Engelse Kaai uit 1443, alsook die uit de zeventiende eeuw Pottekaai, ‘s Lands Dok en de Ooster Dokhaven) nog aanwezig. De noord- en oostzijde worden echter gedomineerd door het Kanaal door Walcheren, de aanleg van de twee binnenhavens, de buitenhaven en de spoorlijn.

5.13 A

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

200

5.13 B Er zijn verschillende plannen voor havenuitbreiding geweest, onder andere dit nooit uitgevoerde plan voor de aanleg van vijf binnenhavens ten zuiden van de huidige Singel, waar de Napoleontische vestinggracht liep.

5.12 A

5.12 B


201

5.13A

5.13B


nieuw elan voor vlissingen Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

202

5.14


5.14 Vlissingen, werf De Schelde, aquarel Louis Heijmans, 1923. 5.15 Aanleg van het Kanaal door Walcheren. Eén van de grootste infrastructurele werken ooit uitgevoerd op ­Walcheren, met mankracht, schop en kruiwagen!

203

5.15

In Vlissingen werden tegelijk met de spoorweg en de kanaalwerken binnenhavens, sluiswerken en een buitenhaven aangelegd. (5.13 A/B, 5.15) Ook wilde men Vlissingen op de kaart van het toerisme z­ etten met de exploitatie van een badhuis (1872) aan het begin van de duinen. Veertien jaar later werd het Grand Hotel des Bains, het latere B ­ ritannia, ­opgericht. De grootste veranderingen begonnen echter in 1875 met de komst van de scheepswerf De Schelde en de Stoomvaart M ­ aatschappij ­ irecte ­Zeeland. (5.14) Deze laatste – met een d

l­ijnverbinding naar Engeland – was niet a ­ lleen goed voor de werk­gelegenheid, maar s­ timuleerde ook het toerisme.49 De spoorlijn naar Vlissingen aan het Kanaal kreeg een aftakking naar de terminal van de ­Stoomvaart Maatschappij. Daar werd een nieuw station ­gebouwd. (5.16 A/B/C/D)


Potloodtekening uit 1874 van een onbekende maker: Gezicht op het verbrede Kanaal. Links de brug en keersluis, die dient om de waterstand in het Kanaal door 足Walcheren onafhankelijk van dat van de binnenhavens te kunnen regelen. Rechts de Tweede Binnenhaven. Het torenachtige gebouw in het midden van de tekening is het oude stationsgebouw uit 1872. Het lag naast het Kanaal en heeft slechts tot 1894 dienst gedaan. In 1940 is het verwoest doordat een Duitse oorlogsvlieger ertegenaan vloog.

5.16 A

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

204

5.16 A


5.16 B Op de plaats van het huidige station werd in 1873 het ­station Vlissingen-Haven geopend. Het speelde een ­belangrijke rol in de verbinding met Engeland. Deze ­afbeelding is van het gebouw dat ervoor in de plaats kwam. Het dateert uit 1894 en is gebouwd in de stijl van de ­Hollandse Renaissance. Het station beschikte o ­ nder andere over een vorstelijke wacht­kamer. Van 1881 tot aan de Eerste Wereldoorlog reden er over de Zeeuwse spoorlijn ­internationale treinen van Berlijn naar ­Vlissingen en ­om­gekeerd. Via de veerdienst van de Stoomvaart ­Maatschappij Zeeland liep de verbinding naar Londen. Dit stationsgebouw is in 1944 gebombardeerd. Na de oorlog is op dezelfde plaats het huidige station gebouwd.

5.16 C

Het oude stationsgebouw uit 1872.

5.16 D Het huidige stationsgebouw dateert uit 1950. Het is in neo-barokke stijl ontworpen door Sybold van Ravesteyn.

205

5.16 B

5.16 C

5.16 D


Op deze foto uit 1915 wordt de bij De Schelde ­ ebouwde mailboot De Equador de Dokhaven uitgesleept. g Recht achter het schip is de wijk De Tachtig Plagen te zien met rechts daarvan het Oud Arsenaal.

5.17

5.18 Op dit uitbreidingsplan van 1886 is te zien hoe de Badhuisstraat als verbinding van de oude stad met de badplaats (het Badhotel) is gepland. Ook het patroon van radiaal­wegen en tussenliggende verbindingsstraten zoals ­burgemeester Arie Smit die voor zich zag is duidelijk. Het Badhotel (Grand Hotel des Bains) werd op de westelijke ­ zeeboulevard geprojecteerd; op de oostelijke het gebouw van het Belgische Loodswezen.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

206

5.17

Het groeiend ruimtebeslag van de scheepswerf zou de stad 135 jaar lang in zijn greep houden. De toenemende vraag naar arbeidskrachten leidde tot de eerder gesignaleerde bevolkingsgroei, die ­Vlissingen tegen het begin van de Tweede Wereldoorlog op gelijke hoogte bracht met Middelburg. Voor al die mensen waren woningen nodig. De Schelde nam het voortouw. Eerst werden nog binnen de vestinggrenzen woningen gebouwd, namelijk in de Walstraat achter de smederij en in de voormalige Prinsentuin, tegen de muur van de Willem III-kazerne. Het eerste project buiten de vestinggrenzen was de arbeidersbuurt De Tachtig Plagen. Het betrof 91 woningen achter het


207

5.18

Oud Arsenaal aan het Marinedok. (5.17) De buurt en de straten (Evertsenstraat en Bankertstraat) werden na de Tweede Wereldoorlog afgebroken. Bedrijfs­ gebouwen van De Schelde kwamen er voor in de plaats, ten noorden van de huidige Commandoweg. In het verlengde van de Walstraat werd de huidige Badhuisstraat aangelegd om de zich o ­ ntwikkelende badplaats te verbinden met de oude stad. (5.18) Dit was in feite de eerste radiaalweg vanuit de oude stad. Later volgden de Scheldestraat, de Van ­Dishoeckstraat en de Lampsinsstraat. De laatste werd later onderdeel van het Scheldeterrein en verloor

daarmee zijn status als woonstraat. Tussen deze radiaalwegen werden de Aagje Dekenstraat, Glacisstraat en Kasteel­straat aangelegd in het tracé van de gedempte vestinggracht, die in oorsprong terugging op de vroeg zeventiende-eeuwse stadsverdediging uit de stadhoudertijd van Prins Maurits. Rond de vorige eeuwwisseling waren al deze straten bebouwd met arbeidershuizen voor voornamelijk werknemers van de scheepswerf. Voor personeel van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland en van de Spoorwegen werd er vanaf 1892 een woonwijk op het oostelijk deel van het Eiland gerealiseerd. In 1902 woonden daar ruim tweeduizend mensen.


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

208

5.19 A

5.19 B


5.19 A Het uitbreidingsplan van Van Niftrik uit 1906. De ­ lobale driedeling was bedoeld om aansluitend aan g het ­Kanaal door Walcheren het gebied een industriële ­bestemming te geven, in het westen, aansluitend aan de Boulevard en verder westelijk een wijk voor villa’s en land­ huizen ten behoeve van de gegoede inwoners; daartussenin de woningen voor de arbeidende klasse en de middenstand. 5.19 B Op de plattegrond uit 1920 is te zien wat er ­ iteindelijk op dat moment van de plannen van Van Niftrik is u ­gerealiseerd.

5.20 A Het Wooldhuis in 1936 met de in één e ­ nsemble ­ ebouwde bijgebouwen Waailust en De Zandlooper, g ­respectievelijk de chauffeurswoning en de woning van de directeur van de Haven van Vlissingen. Opvallend is de ­soberheid van de inrichting van de openbare ruimte, ­waardoor de gebouwen erg mooi tot hun recht komen. Hier is goed te zien hoe het landelijke Walcheren nog aan de boulevard raakt.

Actuele foto van het gerestaureerde Wooldhuis dat in 1932 door ir. Dirk Roosenburg is gebouwd voor de toen­ malige burgemeester Van Woelderen.

5.20 B

209

5.20 A

De Woningwet van 1901 was gericht op betere ­woonomstandigheden. Uit die wet vloeide voor snelgroeiende steden van meer dan 10.000 inwoners de verplichting voort om uitbreidingsplannen te maken. Het eerste uitbreidingsplan van Vlissingen dateert van 1906. (5.19 A/B) De toenmalige progressief-liberale wethouder J.G. van Niftrik heeft er zijn stempel op gedrukt. Zijn vader was stadsingenieur in Amsterdam, zijn broer was architect. Hij zal er waarschijnlijk wel met hen over gesproken hebben. Het globale idee was om in het noorden, aansluitend aan het Kanaal door Walcheren, tussen de huidige Van Dishoeckstraat en Koningsweg het gebied een industriële ­bestemming te geven. In het westen was de badplaats in o ­ ntwikkeling. (5.21 A/B) Tussen het meest westelijke deel van de B ­ adhuisstraat en de Koudekerkseweg zouden vrijstaande en dubbele villa’s en herenhuizen een plaats kunnen krijgen. Voor een latere uitbreiding van deze wijk zou de begraafplaats gesloten en op termijn geruimd moeten worden. (5.22) Voor een gemeentelijk ziekenhuis werd een terrein ­gereserveerd aan een voetpad naar de begraafplaats, nu Koudekerkseweg. De Noordzeeboulevard was aangewezen om aaneengeschakeld te bebouwen

met ­huizen van standing, passend in de b ­ estemming als elitaire badplaats. Het sluitstuk daarvan vormde de villa die burgemeester Van Woelderen in 1932 liet b ­ ouwen op het eind van de boulevard. (5.20 A/B) ­Architect was ir Dirk Roosenburg uit Den Haag, die ­later zou tekenen voor het nieuwe stadhuis. ­Tussen deze twee u ­ itersten van villawijk en industriegebied werden ­terreinen aan­gewezen voor burgerwoningen en arbeiders­wijken. Een brug over de Vlissingse Watergang, die nu de Brouwenaarstraat en de Bonedijke­ straat met elkaar verbindt, vormde een schakel tussen de arbeiderswijken ten noorden en ten zuiden van de Singel. De Paul Krugerstraat werd ontworpen als hoofdweg die de radiale wegen van west naar oost doorsneed. De Singel, ongeveer op de plaats van het uiterste restant van de Napoleontische vestinggracht, kreeg ook zo’n hoofdwegfunctie in het uitbreidingsplan.

5.20 B


5.21 A Een panorama uit omstreeks 1900. Het geeft een beeld van de badplaatsontwikkeling met naast het Badhotel (het Grand Hotel des Bains, het latere Britannia) de bouwlocatie voor het Wooldhuis. Er was toen al bebouwing onder andere langs de zeeboulevard en de Badhuisstraat. Ook de Rooie Buurt is herkenbaar.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

210

5.21 B


Beeld van de Boulevard uit 1923. Inmiddels ­waren enkele panden naast het hotel gebouwd. Net als op het ­panorama is hier goed te zien dat de Boulevard nog ­nauwelijks een stedelijke context had.

5.21 B

5.22 Deze foto uit 1890 is genomen vanaf het duin, ­ ngeveer waar de huidige Leeuwentrap is. De foto staat o in het ­Gemeentearchief Vlissingen geregistreerd als ‘Over ­Bakkersdorp’. Bakkersdorp was een gehucht ongeveer daar waar nu de Bakkersdorplaan is, het gebied waar de villawijk is geprojecteerd. Links iets boven het midden is de begraafplaats gedeeltelijk te zien, waarvan nu een duidelijk restant aanwezig is tussen de Julianalaan en de Koudekerkseweg.

211

5.21 A

5.22


5.23

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

212

5.24


5.23 Arbeiderswoningen in de Callenfelsstraat, in de richting van de Kasteelstraat. Deze zijn gebouwd in 1912. De straat maakt deel uit van de zogenaamde Rooie Buurt. 5.24 De huizen in Tuinstad Vlissingen (1917) zijn gebouwd naar een ontwerp van de Vlissingse architect A. Dijkstra, die in die tijd veel woningen voor Vlissingen ontwierp. Ook die van het naastgelegen Tuindorp. Tuinstad Vlissingen ten noorden van de Singel breidde zich tot aan de Tweede ­Wereldoorlog uit (Bloemenbuurt).

Links op de afbeelding de omgeving van de Bonedijke­straat en de Schuitvaartgracht. Deze woningen zijn ontworpen door de Haagse architect ir Machiel Vrijenhoek. Middenrechts zijn de huizen van het Tuindorp te zien, geheel rechts die van Tuinstad.

5.25

213

5.25

Onder architectuur van de broer van de ­wethouder werd in het westen begonnen met de aanleg van de villawijk. De grote behoefte aan arbeiders­ woningen gaf de aanzet tot de ontwikkeling van het gebied tussen de villabebouwing en het industrie­ terrein. De initiatiefnemers daarvoor waren de woningbouw­verenigingen. Zoals overal in het land ontstonden die ook in ­Vlissingen. De eerste was de door De Schelde en ­andere werkgevers opgerichte ­Vereeniging tot ­Verbeetering der Volkshuisvesting, de VVV (1906), gevolgd door de katholieke Sint-Joseph en de protestants-­christelijke woningbouwvereniging ­Gemeenschappelijk Belang (1911), waarna in 1920 een socialistische, Goed Wonen, niet kon uitblijven. In 1937 kwam de Woningstichting Sint-Willibrord erbij. Het eerste project van de VVV was tussen 1910 en 1917 de realisatie van de zogenaamde Rooie Buurt, het gebied dat omsloten wordt door de Kasteelstraat, de Nicolaes Honingstraat, de Verkuyl Quakkelaarstraat en de Callenfelsstraat. (5.23) De wijk is ruim van opzet in een traditioneel rechthoekig stratenpatroon. In 1924 kwam er een uitbreiding in dezelfde stijl. De architect was de Vlissinger A. Dijkstra, die ook voor ­andere projecten van de VVV de ontwerpen maakte. In West-Souburg werd in 1915-1916 het Tuindorp van 86 eenverdiepingshuizen gerealiseerd. Vrijwel gelijktijdig, in 1916-1917 werd de Tuinstad Vlissingen ten noorden van de Singel gebouwd. (5.24)

Behalve de VVV was hier ook G ­ emeenschappelijk Belang actief. Goed Wonen bouwde in 1920 de buurt rond de as van de Bonedijkestraat, ten ­noorden van de Schuitvaartgracht, begrensd door ­Sottegemstraat en Arbeidsstraat. (5.25) Architect was ir Machiel ­Vrijenhoek uit Den Haag. In 1936 ontwierp hij het b ­ esloten Ravesteyn­plein. Tot aan de Tweede ­Wereldoorlog werd er in de jaren dertig in de Tuinstad ­(Bloemenbuurt) nog bijgebouwd.50 Om aan de toenemende behoefte naar woningen te kunnen voldoen, werd in 1937 een nieuw uitbreidings­ plan ontworpen. Formeel was C. Ouwehand, d ­ irecteur Gemeentewerken daarvan de auteur, maar in werkelijk­heid was in het plan de hand zichtbaar van Dirk Roosenburg en zijn pas afgestudeerde assistent, jhr ir Jan de Ranitz. Zie hierover hoofdstuk 6.


5.26 Aquarel van de Koudekerkseweg bij Middelburg uit 1876, waarschijnlijk door Jacobus Hollestelle. Ongeveer 130 jaar geleden was het mogelijk hier ongestoord een hondje uit te laten; de buitenplaatsen Ter Hooge en Torenvliet ­domineerden het landschap. De Koudekerkseweg geeft een representatief beeld van een weg over de kreekrug met verspreide agrarische bebouwing en voorzien van een ­opgaande laanbeplanting.

buitenplaatsen en plantsoenen Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

214

In hoofdstuk 4 is reeds gewezen op de rigoureuze ­afbraak van ­tientallen landhuizen en tuinen en honderden h ­ ectaren bos, nog in de Franse periode. De grond werd gebruikt voor de in die periode van verval meer lucratieve verbouw van gewassen. Er was bovendien veel vraag naar hout, wat de kap rendabel maakte. De stenen van gesloopte buitenhuizen werden hergebruikt bij de bouw van boerderijen. In de tweede helft van de negentiende eeuw overspoelde opnieuw een golf van afbraak de kastelen en buitenplaatsen in Nederland, alweer ­omdat er een groot tekort aan bakstenen en hout was; de bossen en de sloopstenen van oude h ­ uizen vertegenwoordigden een aanzienlijke waarde. In de Manteling bijvoorbeeld verdwenen in deze tweede sloopperiode de grote buitenplaatsen Huis ten Duine (afgebroken in 1849) en Rijnsburg (afgebroken in 1868). Toch zijn er na het vertrek van de Fransen op ­Walcheren nieuwe buitens gerealiseerd. Hoewel ­Middelburg nooit meer zo belangrijk is geworden als in de zeventiende en de achttiende eeuw, en Rotterdam zich ten koste van de Zeeuwse steden als handels- en scheepvaartstad sterk kon profileren, was Middelburg in de negentiende eeuw nog in trek bij mensen met een aanzienlijk vermogen. Daarnaast bleef de stad het bestuurlijk centrum van Zeeland, waardoor het ook in de negentiende eeuw een stad van regenten bleef. Geleidelijk aan kwam ook het buitenwonen weer in zwang. Oud geld en nieuw verworven rijkdom – met name door de koloniale handelsband met Indië – leidden tot nieuwe investeringen, onder andere in het landschap. De wijze waarop dit gebeurde, was zowel kwantitatief als kwalitatief geheel verschillend van de voorgaande periode. De mensen in de negentiende eeuw hadden een andere houding ten opzichte van de natuur dan in de achttiende eeuw. Waar tijdens de Barok de natuur (mede onder invloed van de religie) gesymboliseerd werd weergegeven, keerde men zich in de negentiende-eeuwse Romantiek af van die d ­ ogmatische principes. Nieuwe inzichten in de tuinkunst kwamen voort uit veranderende maatschappelijke opvattingen, zoals in Frankrijk de kritiek op het absolutisme en nieuwe ideeën over de ideale

maatschappij, waarin vrijheid, gelijkheid en leven in harmonie met de natuur centraal stonden. Vooral in Engeland ontwikkelde zich als consequentie van die gedachten een nieuwe tuinstijl, die zich als bijna ­vanzelfsprekend sterk afzette tegen de starre opzet van de barokke tuin. Met name het onnatuurlijke ­ervan viel niet langer in de smaak. In de Engelse tuinkunst deed de Romantiek al vroeg zijn intrede. Reeds rond 1760 was daar al een ­volgroeide landschapsstijl ontwikkeld: een afgewogen landschappelijke compositie met boomgroepen, op brede rivieren gelijkende vijvers en glooiende gras­ vlakken met loslopend vee. Er werd een beheerst ­landschap gemaakt, rustig, eenvoudig en a ­ fwisselend. Met de landschapsstijl in Engeland werd de natuur op een ogenschijnlijk ongecultiveerde wijze e ­ envoudig maar op een grootse schaal weergegeven. In de plaats van het park in één keer te overzien en te ­begrijpen, zoals in de Barok, was er nu plaats voor dolen door een ‘ideaal landschap’. De veranderde samenleving van vrijheid en individualiteit lag aan deze ontwerpopvatting ten grondslag. De natuur werd hierbij (soms sterk) geïdealiseerd weergegeven. Scherpe licht-donker-contrasten gaven een schilder­ achtig e ­ ffect aan de als een schilderij g ­ ecomponeerde ­taferelen. Een uitheemse landschapssfeer, het ­klassieke Arcadië, inspireerde hiertoe. Vanuit Engeland verspreidde de romantische ­beweging zich over heel Europa. In Nederland werd de romantische stijl eerder uit m ­ odeoverwegingen geïntroduceerd dan dat daaraan een diepere ­maatschappijfilosofie ten grondslag lag. Immers, ­Nederland werd al veel minder feodaal geregeerd dan de ons omringende landen. De burgercultuur die de negentiende eeuw kenmerkte met een (ten o ­ pzichte van het absolutisme) democratischer k­ arakter, ­bestond in Nederland in feite al veel langer. Hoewel het Nederlandse landschap zich door zijn ­vlakheid ­minder dan het Engelse glooiende heuvel­landschap leende voor een subtiel spel met de omgeving, ­ontwikkelde zich ook hier – veel later dan in E ­ ngeland – een nieuwe tuincultuur die van grote invloed is geweest op het Nederlandse landschap. Waar het in Engeland gemakkelijker was om een tuinaanleg zo te


215

5.26

situeren en vorm te geven dat het buitenlandschap daarin harmonisch kon meespelen, kon toch ook in Nederland door het gebruik van diverse ruimtelijke middelen een aardige illusie geschapen worden van een zich buiten de tuin voortzettende compositie. Behalve het verschil tussen een glooiend en een vlak landschap waren de voor de aanleg beschikbare terreinen in Nederland meestal veel kleiner dan in Engeland. Dat is de reden waarom de tuinen hier meer afgesloten werden van de omgeving: slechts op enkele plaatsen haalde men het landschap naar binnen, zodat het leek of de situatie van de voorgrond zich buiten de tuin voortzette. Ook op Walcheren was

dat het geval. Tot een wedergeboorte van de ‘Tuin van Zeeland’ heeft het echter niet geleid. Op ­Walcheren bleef de invloed van de landschapsstijl relatief ­beperkt tot de omvorming van een aantal vervallen barokke buitens in Engelse landschapsstijl. Binnen de ­contouren van hun achttiende-eeuwse aanleg ontstonden nieuwe romantische landschapsparken. Voorbeelden hiervan zijn Westhove, Duinbeek, Huis ten Duine, Zeeduin, Overduin, Rijnsburg, Molenwijk en Torenvliet. (5.26) Meerdere van deze parken kwamen tot stand onder leiding van professionele ontwerpers. Het is bekend dat Jan David Zocher Sr. (1763-1817) en P. Schuppens (1769-1850) op Walcheren actief waren.


5.27 A De originele ontwerptekening van de buitenplaats 足 choonoord te Oostkapelle, van de hand van K.G. Zocher. S De ontwerptekening is met aquarelverf ingekleurd en van een signatuur voorzien: K.G. Sr., Architect te Utrecht. Op de tekening is ook de plaats van het originele huis te zien, dat eveneens door K.G. Zocher werd ontworpen. Dit oude huis Schoonoord was in zeer slechte staat, mede door de inundatie van 1944. Het is in 1959 afgebroken en vervangen door het huidige huis, naar ontwerp van W.J. de Haan uit Serooskerke.

5.27 C Duinvliet, aangelegd in landschapsstijl, omstreeks 1900. De romantische bedoelingen komen hierbij goed uit. Van het neo-klassieke huis (kenmerkend voor de stijl van K.G. Z 足 ocher) wordt niet meer dan een tipje van de sluier 足opgelicht.

Foto van de huidige situatie van de buitenplaats Duinvliet met zicht op de vijver en het huis.

5.27 D

5.27 B Kadastrale opmeting van Duinvliet uit 1912. De 足slingerende waterpartij is nu nog in dezelfde vorm aanwezig.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

216

5.27 A


217

5.27 B

5.27 C

Omstreeks 1840 werden ook drie nieuwe buiten­ plaatsen in Oostkapelle aan de Noordweg/­ Domburgseweg gesticht: Duinvliet, Schoonoord en Ipenoord. Deze drie buitenplaatsen zijn ontworpen door Karel Georg Zocher (1796-1863), de broer van Jan David Sr. Alleen van de buitenplaats Schoonoord (aangelegd in 1839) is de originele ontwerptekening bewaard gebleven; ze is met aquarelverf ingekleurd en van een signatuur voorzien: K.G. Sr., Architect te Utrecht. (5.27 A/B/C/D) In 1894 werd in Serooskerke de door J.J. van Nieukerken ontworpen buitenplaats ­Welgelegen (Vrederust) gebouwd. Ook hier heeft de tuin een aanleg in Engelse landschapsstijl. Karel Georg Zocher was zowel tuinarchitect als bouwkundig architect. Op Schoonoord ontwierp hij ook

5.27 D

de gebouwen. Het hoofdhuis is in 1959 afgebroken. Het koetshuis is – weliswaar verbouwd – nog steeds aanwezig. Aangenomen wordt dat Karel Georg Zocher eveneens de huizen op Duinvliet en Ipenoord heeft ontworpen. De boerderij Klein Zeeduin aan de Lijdijkweg in Vrouwenpolder vertoont grote gelijkenis met zijn architectuur en hetzelfde geldt voor het pand Dorpsstraat 52 te Oostkapelle. Het vermoeden bestaat dat beide ontwerpen aan hem zijn toe te schrijven. Eveneens is de vernieuwde aanleg op Overduin (1839) van zijn hand. Ook het ontwerp van de omvorming van de fortificaties van Middelburg tot een romantisch wandelpark is van Karel Georg Zocher, die “de stadswallen van Middelburg op eene aangename wijze in wandelingen hervormd heeft”. (5.28 A/B/C)


5.28 A

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

218

5.28 B


Van vesting naar park. De bolwerken hadden hun militair-strategische functie verloren en werden veranderd in ­wandelparken (zie afbeelding 5.11 C). Twee beelden van de ­romantische aanleg van de bolwerken van Middelburg, zoals deze tot stand zijn gekomen naar het ontwerp van K.G. Zocher.

5.28

Op deze tekening staat de aanleg bij Westhove ­ fgebeeld kort na 1800. De kaart betreft een pentekening op a geolied linnen, zoals dat omstreeks 1910 gebruikelijk was. De kaart is waarschijnlijk een overtreksel van een oudere kaart. Voor het kasteel is de landschappelijke aanleg te zien. De brede paden stellen slingerende lanen voor; de smalle paden zijn ­onbeplant.

5.29

A Op een prentbriefkaart is het uit boomstammen v­ ervaardigde voetgangersbrugje ter hoogte van de Koepoort te zien. Dergelijke bruggen horen bij de E ­ ngelse landschapsstijl. Van de Koepoort is dankbaar g ­ ebruik gemaakt in de romantische aanleg. B De bolwerken aan de noordzijde van M ­ iddelburg, ­ etekend door J.F. Schutz in het midden van de g ­negen­tiende eeuw. Hier komen de bedoelingen van de ­landschapsstijlaanleg optimaal tot uiting: het water rond de vesting is omgevormd tot een schijnbaar oneindig ­romantisch meanderende rivier.

219

Huidige situatie van het Bolwerk, ter hoogte van de villa Singelzicht. Het reliëf, het meanderende water, in combinatie met de inpassing van de villa leveren een landschapsbeeld op dat tot in het oneindige lijkt voort te gaan. Zocher’s plan dateert uit 1841. Singelzicht is gebouwd in 1867. De villa lijkt deel uit te maken van het door Zocher ontworpen tafereel, maar dit kan niet meer geverifieerd worden, omdat er geen plattegrond van het plan teruggevonden is.

C

Op andere buitenplaatsen brachten eigenaren zelf veranderingen aan in de landschapsstijl. Dit gebeurde lang niet altijd even professioneel: op Berkenbosch en Hoogduin was ronduit sprake van een d ­ ilettantische aanpak. In rechte paden werden eenvoudige ­modieuze slingers aangebracht; het park was geen afgewogen eenheid. Bij Duinbeek werd een slingerende uitloper toe­ gevoegd aan de rechthoekige vijver rond het huis. De paden kregen met uitzondering van het gedeelte bij de ­entree, die zijn barokke allure behield, eveneens een slingerend beloop. Het is goed mogelijk dat de ­aanleg van Kasteel Westhove in een ‘volwaardige’ landschapsstijl, tot stand kwam naar ontwerpen van Jan David Zocher Sr. Op stilistische gronden werd deze aanleg al toegeschreven aan een van de leden van de Zocher-familie.51 De datum van aanleg wijst op Jan David Zocher Sr., van wie bekend is dat hij ­omstreeks die tijd ook een bezoek aan ­Walcheren bracht. Met de ontdekking van een tekening in het oud-archief van de gemeente Domburg is dit ­vermoeden verder versterkt. (5.29) Zoals eerder gesteld, heeft de aanleg van r­omantische buitens in de negentiende eeuw op Walcheren in ­tegenstelling tot de achttiende eeuw niet tot echte landschapsvorming geleid: daarvoor was de o ­ mvang van de herinrichting van acht en de aanleg van slechts drie nieuwe landgoederen simpelweg te g ­ ering. Wel leefde de buitenplaatscultuur op en kreeg het beplantings­areaal op de vervallen buitens een impuls.

5.28 C

5.29


opkomst badplaatscultuur

5.30 A

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

220

5.30 B

5.30 C


5.30 A

Ten oosten van Domburg, tussen de buitenplaatsen en het strand, lag een nog ongerept duinlandschap. De bossen van deze buitenplaatsen werden in 1843 voor het publiek ­opengesteld.

men thee kon drinken en een krant lezen. Bij goed weer kon dat op het terras plaatsvinden. Uiterst rechts het in 1866 geopende Badhotel, gebouwd door de Middelburgse ­timmerman A. de Landmeter.

Domburg was vanaf de jaren 1860 als badplaats in trek. Ook de schilderachtige ligging van Domburg sprak de ­toeristen aan.

5.31

5.30 B

Villa’s bovenop de duinenrij tussen Zoutelande en ­Vlissingen, 1934.

5.30 C De eerste toeristische bebouwing bij het dorp ­ omburg, waar de landbouwschuren en arbeidershuisjes D het beeld nog domineren. Links, dichtbij de zee, het in 1837 opgetrokken Badpaviljoen, dat bestond uit één zaal, waarin

221

5.31

In Domburg vertoefden al ‘badgasten’ vanaf de jaren 1860. Het toerisme nam er vooral toe nadat in de jaren tachtig een ‘Comité tot bevordering van de belangen van de badplaats Domburg’ gevormd was. (5.30 A/B) Zeker nadat de fysiotherapeut dr J.G. Mezger, die meende dat zijn behandeling het beste resultaat zou bieden in combinatie met gezonde zeelucht, zich er in 1887 vestigde, nam de bekendheid van Domburg sterk toe. Welgestelde burgers uit Holland, i­ndustriëlen uit Duitsland, vorstelijke personen uit diverse E ­ uropese landen, allen vonden ze met hun families hun weg naar Domburg. In de Domburgse zeereep ­verrezen na verloop van tijd grote villa’s, een badhotel en een badpaviljoen. (5.30 C) Daartussenin kwamen ­omheiningen, paden, trappen en loopplanken. Op het strand onder­aan de duinen verschenen vanaf 1907 de eerste ­’tenten’, de voorlopers van de strandhokjes. Dit geheel van voorzieningen en gebouwen dat Domburg

het ­cachet van badplaats gaf, lag vlak tegen het oude dorp aan met zijn eenvoudige, armelijke arbeidershuisjes. Op de duinen in de omgeving van Zoutelande en ­Dishoek verrezen villa’s en hotels, de meeste pas na de Eerste Wereldoorlog. (5.31) Het merendeel ervan zou gedurende de Tweede Wereldoorlog gesloopt worden om plaats te maken voor de kustverdediging. Aan de zuidwestkust kwam het toerisme later op gang dan in ­Domburg. (5.32, 5.33) Vlissingen nam het leeuwendeel voor zijn rekening.


5.32 Zoutelande was niet alleen een locatie waar veel foto’s werden gemaakt van kinderen in streekdracht, ook de ­bebouwing werd als schilderachtig ervaren door toeristen en kunstenaars. Een schilderij door Abraham van der Zee uit 1923 (39,5 x 34 cm). 5.33 Echte rustzoekers gingen in de jaren 1930 naar ­ rouwenpolder. In een weide onderaan de duinen lijkt te V worden gekampeerd. 5.34

Het perron van de stoomtram te Koudekerke.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

222

5.32

5.33


223

5.34

Een deel van de duinen in de buurt van Klein­Valkenisse werd in 1882 in gebruik gesteld voor het winnen van drinkwater voor de gemeente ­Vlissingen. Voornamelijk aan de binnenkant van de duinen kwamen sprengen die het grondwater verzamelden, vergaarbassins, een reservoir en een pompstation. Het gemeentelijk waterleidingbedrijf van Middelburg legde vanaf 1888 soortgelijke voorzieningen aan in het duingebied Oranjezon, westelijk van Vrouwenpolder. Vanaf 1910 werd het water er niet meer uit bronputten, maar uit kanalen gehaald. Dat had als consequentie dat het gebied niet meer betreden mocht worden. Sinds 1900 werden in de duinen van Oranjezon op grote schaal dennenbossen aangeplant om verstuiving van het zand tegen te gaan. Hoe belangrijk de ontwikkeling van het toerisme werd gevonden, blijkt uit de geschiedenis van de tram­ wegen op Walcheren. Toen de sinds 1881 bestaande stoomtram tussen de Middelburgse en de Vlissingse binnensteden in 1910 werd geëlektrificeerd, werd het eindpunt in Vlissingen verlegd naar het Badhuis. ­Verder werden al vanaf 1874 plannen gemaakt voor een stoomtram die de badplaats Domburg via één van de steden met het landelijke spoornet zou m ­ oeten verbinden. Pas in 1906 werd deze 21 k­ ilometer lange lijn van Domburg naar Middelburg g ­ erealiseerd. Er waren vier halteplaatsen tussen Domburg en

­ oudekerke. In Koudekerke was behalve een halte ook K een remise en vandaar liep een zijlijn naar – ook weer – het Vlissingse Badhuis. Deze stoomtram bleek niet rendabel en werd in 1937 opgeheven; de e ­ lektrische tram van Middelburg naar Vlissingen was in gebruik tot 1944. (5.34) Eveneens kort van duur was het ­bestaan van het vliegveld ‘Vlissingen’, dat sinds 1926 was ­gelegen op het voormalige exercitieterrein van het leger, even ten zuidwesten van West-Souburg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een militair vliegkamp geweest, maar pas na de bouw van een vliegtuigloods in 1926 en het aanbrengen van landingslichten in 1927 kon het vliegveld in gebruik worden genomen. In 1933 werd een stationsgebouw geopend en in de tweede helft van de jaren dertig werd het vliegveld aanzienlijk uitgebreid. Tussen 1932 en 1939 was deze luchthaven opgenomen in de KLM lijnverbinding ­Amsterdam/Rotterdam/Haamstede/Vlissingen (en ­later) /Knokke. Het vliegveld werd tot in 1943 – na 1940 door de Duitsers – gebruikt; in februari 1944 werd het opgeheven en werden de landingsbanen opgeblazen. Pas enkele tientallen jaren later werd in een van de nieuwe Sloepolders – op de grens met Zuid-Beveland – een nieuw vliegveld ingericht voor voor­namelijk recreatieve doeleinden: Midden-Zeeland.


het platteland toegankelijker Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

224

5.35 A

Tussen de delen van Walcheren was er lange tijd een aanzienlijk verschil in t­oegankelijkheid. Straat-, grind- en macadamwegen liepen tussen de steden en via Serooskerke naar Domburg, maar het ­westen van het eiland was aangewezen op onverharde ­wegen. Koudekerke en Grijpskerke lagen aan verharde wegen, Zoutelande en Westkapelle waren bereikbaar via een weggetje langs de duinen, maar ­Biggekerke, Meliskerke en Aagtekerke beschikten niet over een verharde verbinding met de buitenwereld. (5.35 A/B/C) De vele ­aarden wegen en de honderden voetpaden werden wel redelijk onderhouden, maar waren vooral ­geschikt voor verkeer te voet. Van de herfst tot ver in het ­voorjaar waren de aarden wegen modderig en bij veel regen vaak onberijdbaar. Het voornaamste vervoer naar

Middelburg werd in deze dorpen in het winter­seizoen dan ook verzorgd door de dagelijkse bodedienst met de ‘schuit’, waarmee eventueel ook enkele p ­ assagiers konden meevaren. In deze situatie kwam in het laatste kwart van de negentiende eeuw verandering: ­Koudekerke, Biggekerke, Meliskerke en Zoutelande werden met een dicht net van straatwegen onderling verbonden, terwijl er ook straatwegen van Aagtekerke en Zoutelande naar Westkapelle a ­ an­gelegd werden. Ook Vrouwenpolder en Ritthem kregen de beschikking over een stenen weg. (5.36 A/B)


Doorgaande wegen zoals de Breeweg tussen ­ iddelburg en Biggekerke bestonden uit een onverharde M baan voor paard en wagen (uiterst links) en daarnaast een voetpad dat ook ’s winters meestal begaanbaar bleef. De foto is van 1895.

5.35 A

5.35 C Tot in het derde kwart van de negentiende eeuw waren dorpen als Zoutelande en Westkapelle in het winter­ halfjaar, als de aarden wegen moeilijk berijdbaar waren, ­alleen bereikbaar via een zandweg onderlangs de duinen. Hier de Duinweg te Zoutelande in een iets latere periode.

5.35 B Aarden wegen zoals deze waren maar een deel van het jaar berijdbaar. In het winterhalfjaar werden ze vaak zo modderig dat paard en wagen er niet overheen konden. De linkerkant werd zo te zien door voetgangers gebruikt en bleef ook in de winter bruikbaar.

225

5.35 B

5.35 C


5.36 Rond 1910 is het net van straatwegen op Walcheren al dichter geworden.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

226

5.36 A


A De laaggelegen gebieden zoals hier bijvoorbeeld de 足Schellachse weihoek waren nog slecht toegankelijk.

Het gebied rond Meliskerke, Zoutelande en Biggekerke is al beter ontsloten. In rood zijn de (half)verharde wegen weergegeven. Het in 1906 aangelegde tramspoor is al aanwezig.

B

227

5.36 B


De weg naar Hoogelande na langdurige regenval aan het begin van 1916. De weg stond onder water, boeren­ erven waren eilandjes geworden.

5.37 A

5.37 B De weg naar Hoogelande, 2 januari 1916. Zelfs met ­ ehulp van planken was hier niet met droge voeten overheen b te geraken. Deskundigen oordeelden dat in de lage delen van Walcheren eigenlijk één twintigste van de oppervlakte uit sloten en watergangen moest bestaan. Dat cijfer werd lang niet gehaald: voor het hele eiland was het destijds één ­vierenveertigste deel.

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

228

5.37 A

Minstens zo problematisch als de toestand van de wegen op het Walcherse platteland, was de kwestie van de ontwatering. Van oudsher werd met laag­water het regenwater door middel van sluizen g ­ eloosd op de zee. De sluizen lagen al eeuwenlang aan de oostkant van het eiland: een in Veere en drie op ­verschillende punten aan het Middelburgs haven­kanaal naar d ­e Welzinge. Twee van de laatste ­vervielen nadat dit kanaal vervangen was door het kanaal naar Veere (1817) en het open water van de Welzinge aan ­verdere opslibbing was overgelaten; het werd in delen ­ingepolderd in 1846 en 1860. Slechts één nieuwe


229

5.37 B

sluis bij Middelburg kwam in de plaats van de twee die ­opgeheven waren. Na de verlenging van het Kanaal door Walcheren en de spoorwegwerken rond 1870 werd een sluis aangelegd in de zeedijk aan de westkant van Vlissingen. Het land aan de oostzijde van het Kanaal waterde af via een sluis ten zuidwesten van Ritthem. Voor het noorden en midden van Walcheren bleven twee (nieuwe) sluizen bij Veere over. Al met al waren deze ‘verbeteringen’ totaal niet ­afdoende om een goede afvoer van het landwater te garanderen. Een deel van de laagste gronden stond ’s winters meestal blank, terwijl in winters met veel

regenval zelfs verbindingswegen onbruikbaar werden en soms een veertiende deel van Walcheren (zoals in 1909/1910) onder water stond. (5.37 A/B) De sluizen konden het landwater maar langzaam afvoeren, terwijl ook de vele bochten in de sprinken en watergangen de afvoer hinderden. Door de eeuwen heen h ­ adden de boeren uit de poelgronden hierover geklaagd bij het polderbestuur: hun vee stond soms nood­ gedwongen van half september tot half mei op stal en bij tijd en wijle spoelde het hooi van het land.


5.38 In het polderbestuur was tot ver in de jaren twintig geen meerderheid te vinden voor de bouw van een gemaal. Het gemaal De Boreel ten zuiden van Middelburg werd pas in 1930 gerealiseerd.

Het kleinschalige Walcherse landschap met zijn ­ eggen tussen de landbouwpercelen, gezien vanaf de zuidh westelijke duinenrij in 1890. Rechts een hotel of enkele villa’s.

5.39 A

Walcheren, Dirk van Gelder, 1940, potlood en kleurpotlood (24 x 44,5 cm). De Walcherse landbouwgrond was verdeeld over erg veel kavels.

5.39 B

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

230

5.38

De belangen van de boeren op de hogere gronden waren echter tegengesteld aan die van de boeren uit de lage delen van Walcheren: een snelle afwatering betekende daar een laag waterpeil in de sloten en in droge zomers een gebrek aan drinkwater voor het vee. Bij laag peil werd dat water ook zouter, omdat dan het aandeel van regenwater daalde. Om hieraan enigszins tegemoet te komen, ging men er in de loop van de negentiende eeuw toe over om in drogere jaren ergens in het westelijke deel van de Domburgse ­Watergang een dam te slaan. Dan was het peil voor een deel van de hogere gronden in de zomer wat ­hoger. In 1912 werd dat systeem verfijnd door de plaatsing van drie schotdeuren die met hoog water

konden worden opgehaald; een vergelijkbaar s­ ysteem zou later, aan het eind van de twintigste eeuw, ­ opnieuw geïntroduceerd worden. De niet-landbouwers in het Walcherse p ­ olderbestuur, de boeren uit de lagere delen en ook b ­ uiten­staanders maakten zich sinds het laatste kwart van de negen­ tiende eeuw sterk voor bemaling van de Polder Walcheren. Op Schouwen was in 1877 immers al een stoomgemaal in plaats van spuisluizen gekomen, op Tholen gebeurde dat in 1900, terwijl Zuid-Beveland sinds 1884 een hulpstoomgemaal had. Zo’n stoomgemaal vergde echter een forse investering, oftewel een verhoging van het geschot (poldergeld) dat per hectare grond betaald moest worden. Dat zou de


231

5.39 A

5.39 B

­ rote boeren hard treffen en de grote boeren h g ­ adden hun land juist op de hoge gronden. Zij hadden dus relatief weinig last van de hoge winterwaterstand. Omdat er naar verhouding veel grote boeren in het polderbestuur zaten, duurde het tot 1927, een jaar met een erg natte zomer, voordat een meerderheid zich voorstander van de bouw van een stoomgemaal verklaarde. Dat gemaal, De Boreel – genoemd naar de o ­ ntwerper, hoofdingenieur J.L. Boreel – werd in 1930 in g ­ ebruik genomen. (5.38) Het maalde het water uit de Polder Walcheren uit in het Kanaal door ­Walcheren op een laaggelegen punt even ten zuiden van M ­ iddelburg. Om de toevoer van water naar het g ­ emaal te

v­ erbeteren, werden enkele nieuwe watergangen ­gegraven, bijvoorbeeld van Biggekerke naar de ­Domburgse watergang. Deze laatste stroomde uit in de veste van Middelburg, die rechtstreeks in ­verbinding stond met het aanvoerkanaal van het gemaal. De capaciteit van De Boreel bedroeg 467 kubieke m ­ eter water per minuut. Daarmee was de ­wateroverlast in Walcheren bewesten het kanaal verleden tijd. De ­boeren ten oosten van het kanaal moesten nog ­wachten tot 1936 en 1938 voordat er gemalen ­gesticht werden, bij Ritthem voor het z­ uidelijk deel en ten oosten van Veere voor het gebied van Kleverskerke en Arnemuiden.


Tussen 1890 en 1930 versnipperde de landbouwgrond op Walcheren verder doordat arbeiders voor zichzelf een klein boerenbedrijfje begonnen. Er waren genoeg boeren met maar één paard en bijvoorbeeld een driewielskar. Zo’n kar zien we op deze foto van het weidegebied, grenzend aan de duinen bij Vlissingen.

5.40 A

Walcheren had in het eerste kwart van de twintigste eeuw de grootste agrarische bevolkingsdruk van Nederland. Ook ­grotere boeren werkten nog met weinig machines en met veel personeel en/of familieleden.

5.40 B

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

232

5.40 A

5.40 B


De meidoornheggen tussen de weiden fungeerden als 足afscheiding: prikkeldraad was hier niet nodig.

5.40 C

5.40 D Ingekleurde prentbriefkaart van de ru誰ne van de Kapel van Hoogelande, omstreeks 1920. De Kapel werd in 1964/1965 opnieuw opgebouwd.

233

5.40 C

5.40 D


Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

234

5.41 A

Het landschap van Walcheren veranderde tussen ongeveer 1890 en 1930 ook nog door een ­verdere versnippering van het landgebruik: het aantal boeren­bedrijven nam toe. (5.39 A/B) Het waren in veel ­gevallen landarbeiders die voor zichzelf begonnen te ­boeren en daarom waren het vooral kleine b ­ edrijfjes die ­ontstonden in deze lange periode van goede landbouw­prijzen. (5.40 A/B/C/D) Een deel van deze nieuwe boeren was tevens als losse arbeider bij één of meer grote boeren in dienst gedurende een deel van het jaar. Gewassen die sterk in opkomst waren, zoals de suikerbiet en de aardappel, waren erg geschikt

voor het kleinbedrijf. De komst van de stoomtram in 1906 bevorderde toen de snelle afvoer – en dus de ­aantrekkelijkheid van de teelt – van deze producten. Met name de hoge landbouwprijzen tijdens de Eerste ­Wereldoorlog vormden een extra impuls voor mensen om een eigen boerenbedrijfje te beginnen. (5.41 A/B) In 1930 telde Walcheren 565 bedrijfjes kleiner dan vijf hectare, terwijl 74 landarbeiders en 250 a ­ nderen er bij wijze van nevenberoep landbouw bedreven. Gedurende de crisis van de jaren dertig ­verminderde het kleingrondgebruik enigszins: in 1940 ging het


Gezicht op het Walcheren van vóór 1940 door H.E. ­Roodenburg (104,5 x 134 cm), geschilderd vanaf de 23 ­meter hoge duintop de Hooge Hil in Domburg. In de verte de Middelburgse Abdijtoren.

5.41 A

5.42 Het scheuren van grasland in de Kievitshoek onder ­ erooskerke in 1942. Tijdens de bezetting werden in het S belang van de voedselvoorziening van de bevolking op deze manier veel weiden omgeploegd tot bouwland. De hout­ wallen geven het landschap een besloten aanzien.

Gezicht op Walcheren, vanaf Zoutelande, G.H.J.A. Huijsser, olieverf op doek (60 x 80 cm). Gerard Huijsser schilderde dit kleinschalige landschap in het midden van de jaren 1930.

5.41 B

235

5.41 B

om respectievelijk 517, 57 en 262 bedrijven kleiner dan vijf hectare. Van de 1.792 boerenbedrijven op Walcheren bestond dus meer dan de helft uit zulke kleine ­boerderijtjes. Hoezeer het kleingrondgebruik domineerde, blijkt echter vooral uit de cijfers voor de boerderijen kleiner dan drie hectare: dat waren er 629, oftewel 35 procent van alle boerenbedrijven. (5.42) Doordat de kavelgrenzen van de landbouwpercelen, met name op de kreekruggen, uit meidoornhagen bestonden, had de kleinschaligheid tot gevolg dat het Walcherse landschap een sterk besloten karakter had. 5.42


5.43 A Deze typische dertiger jaren villa werd in o ­ pdracht van G.J. Bensink (directeur van de Stoomvaart M ­ aatschappij Zeeland) ontworpen door architect Z. Terwin. Later werd de villa eigendom van de ­Koninklijke Maatschappij De Schelde en fungeerde enige decennia als directeurswoning. Sinds 1986 is de familie J.M. ­Vaandrager eigenaar. De foto’s zijn afkomstig uit het album dat tijdens de bouw van de woning is bijgehouden. 5.43 B

Koudekerkseweg ter hoogte van Steenhove rond

1936.

steenhove Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

236

5.43 A

5.44 A

5.43 B

Ook in de twintigste eeuw was er - ondanks de crisis­ jaren rond 1930 - sprake van een kleine o ­ pleving van de buitenplaatscultuur in Nederland. Een schaars Walchers voorbeeld hiervan is de buitenplaats ­Steenhove aan de Koudekerkseweg te Middelburg. Van de bouw van dit huis is een fotoalbum bewaard gebleven. De foto’s geven een goed beeld van het omliggende landschap; vandaar dat in dit hoofdstuk aan Steenhove aandacht besteed wordt. De ­geschiedenis van het buiten gaat echter veel verder terug. (5.43 A/B) Bekend is dat op deze plaats in 1595 een boerderij stond, want er bestaat een koopakte van. Koper was Frederik Hermans, lid van de Hoge Raad van H ­ olland en Zeeland. Zijn dochter erfde de boerderij en l­ater


5.44 Tijdens bewoning door Johan Honingh in de periode 1670-1692 kreeg de buitenplaats Steenhove zijn barokke aanzien. A

Situatie ca 1750.

De eerste vroege verandering in landschapsstijl ­ (situatie 1796). Achter het huis bleef het Grand Canal toen nog gehandhaafd.

B

In 1846 kreeg de buitenplaats een volledige ­landschapsstijlaanleg.

C

237

5.44 B

zijn kleindochter, die getrouwd was met Nicolaas ­Honingh en die de hoeve in 1637 ­verbouwde tot een ‘stenen hove’. Hun zoon Johan erfde S ­ teenhove in 1655 en vormde hem in de jaren tussen 1670 en 1692 om tot een barokke buitenplaats. De toren werd verhoogd en de tuin werd vergroot en s­ ymmetrisch aangelegd, inclusief een Grand Canal. (5.44A/B) Op een afbeelding van honderd jaar later is te zien hoe de aanleg toen al veranderd was. (5.44 C) ­Achter huis werd het Grand Canal gehandhaafd. Wie voor deze ­verandering verantwoordelijk was, is niet b ­ ekend. ­Martin van den Broeke kwam in het heemkundig tijdschrift De Wete (1994-2) terug op zijn eerdere ­vermoeden dat de aanleg van de hand van Johan David Zocher was. In 1846 werd de buitenplaats volledig in landschapsstijl aangelegd. Hiervan is de

5.44 C

ontwerper evenmin bekend. De vijver die op deze ­afbeelding te zien is, werd voor het eerst getoond op het k­ adastrale minuutplan uit 1820. In 1866 kwam Steenhove in handen van Willem van der Oss uit ­Vlissingen. Hij liet het huis slopen en alle ­bomen k­ appen. Slechts de vijver van de buitenplaats ­resteerde. In april 1936 werd op de historische plaats een nieuwe woning voltooid die opnieuw de naam S ­ teenhove kreeg. Het is een typisch gebouw uit de jaren dertig. In Den Haag komen veel van dergelijke villa’s voor maar voor Walcheren is het een zeldzaamheid.


Walcheren tussen de Franse Tijd en de Duitse ­ ezetting. De buitenplaatsen zijn gedecimeerd; alleen in de b ­Manteling is nog sprake van een concentratie. Wie goed speurt, treft op de kaart nog veel relicten van de buitenplaatsen aan. Zo zijn het Grand Canal van Poppenroede en veel ronde vijvers terug te vinden, die in de achttiende eeuw zijn ­gegraven. Het uitgebreide stelsel van meidoornhagen dat via n ­ atuurlijke successie tot ontwikkeling was g ­ ekomen, vormde op ­sommige plaatsen een waar labyrint. De lager gelegen ­poelgebieden, die door het hoge grondwater ­minder geschikt waren voor meidoorns, zijn op deze kaart goed ­herkenbaar als open graslandgebieden. De bebouwings­ linten van de dorpen hebben zich ten opzichte van de achttiende eeuw behoorlijk uitgebreid. Daarnaast vallen de ontwikkeling van de Vlissingse haven, in combinatie met het Kanaal door Walcheren op, en de fortificaties rond de stad.

5.45

Van Fransen tot Duitsers Kees Bos, Jan Willem Bosch, Jan Zwemer

238

akkerbouw weide strand duinen bebouwd gebied bebouwing water bos en beplanting weg wegbeplanting spoor stoomtram dijk strandpalen 0

1

2 km


239

5.45


De Langevieleweg in Middelburg, gefotografeerd in 2008. Een knusse straat zo te zien, maar wel breed. Op de weg­ indeling na is er eigenlijk niet veel veranderd sinds dit deel van de wijk ’t Zand in 1942 werd gebouwd. Dat leert de vergelijking met een foto uit die tijd (zie afbeelding 6.5). De uitgangspunten voor de wederopbouw van Middelburg betekenden dat er slechts 205 van de 450 verwoeste panden in de binnen­stad k­ onden worden teruggebouwd. Ter compensatie werd nog tijdens de oorlog begonnen met dit stadsdeel buiten de veste. De Langevieleweg moest breed zijn voor het ­gemotoriseerde verkeer, ter weerszijden korte, geknikte zijstraatjes met een intiem karakter. De huizen werden in een ‘streekeigen’ stijl ontworpen met t­opgeveltjes, hoge slanke schoorstenen, witte kozijnen, wisselende goot­ hoogtes en ­verschillende gevelkleuren. Daarmee werd er een h ­ armonische aansluiting gezocht bij de herbouw van de binnenstad in varianten van traditionalisme. Nog voor de ­inundatie begon hier de nieuwe toekomst van ­Walcheren, een toekomst, waaraan destijds ook na de overstroming planmatig werd vormgegeven. Daarmee zou de weder­ opbouw geschiedenis schrijven als een van de eerste ­voorbeelden van regionale planvorming.

240


hoofdstuk 6 | 1900-1950 gerrie andela

een nieuwe toekomst 241


een typisch ‘middelburgse atmosfeer’ Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

242

6.1 A


Luchtfoto van Middelburg uit 1928: vooroorlogs ­ iddelburg. Op het eerste gezicht lijkt het huidige stratenM patroon nauwelijks anders. De ring is herkenbaar, de oude stadsgracht en de bolwerken. Toch zijn de veranderingen aanzienlijk, zoals blijkt uit afbeeldingen 6.3 A/B.

6.1 A

De bebouwing tegen de Nieuwe Kerk is bij de ­weder­opbouw verdwenen.

6.1 B

243

Hun drijfveer was een oprechte zorg over de ­teloorgang van het unieke karakter van Walcheren. In 1935 brachten de stedenbouwkundige jhr ir J. de Ranitz en de architect D. Roosenburg het Rapport over de ontwikkeling van Walcheren uit, waarin ze hun ongerustheid uitten over het verdwijnen van de ­natuurlijke schoonheid en c ­ ultuurhistorische waarde van het Walcherse landschap. (6.1 A/B) ­Belangrijkste oorzaken ­waren in hun ogen de woekering van ­zomerwoningen in bossen en duingebieden, de ­lint­bebouwing langs uitvalswegen en de slecht ­functionerende verbindings­wegen tussen ­gemeenten. Een streekplan moest deze o ­ ngecoördineerde en woekerende ontwikkelingen een halt toeroepen. Het pleidooi kreeg weerklank: in 1937 werd een streekplan­ commissie opgericht en beide initiatiefnemers k­ regen de opdracht een streekplan op te stellen. Twee jaar ­later verscheen een voorlopig verslag, waarin de ­contouren werden geschetst van de t­oekomstige ­ruimtelijke ontwikkelingen op Walcheren. Een ­industriële expansie lag niet in het verschiet. Het eiland zou zich beter kunnen richten op de ontwikkeling van de landbouw en het bevorderen van het toerisme. Ook verdiende het a ­ anbeveling ­natuurschoon te beschermen en bebouwing te concentreren. Het verslag hield de belofte in van een nieuw landschaps­beeld dat berustte op een nieuwe economische realiteit, waarvan bestaande cultuur­ historische en natuurlijke waarden deel uitmaakten. De Tweede Wereldoorlog met zijn verwoestende ­gevolgen voor het Walcherse landschap, voor ­Middelburg en ook voor Vlissingen, bracht het ­denken over de toekomstige inrichting in een stroom­ versnelling en plaatste het in een nieuw perspectief. Veel van wat zich gedurende eeuwen had gevormd, was vernietigd. De belangrijkste opgave werd herstel van de geleden schade. Gevoed door het gemis van het vertrouwde en de geknakte trots over het teloor­ gegane Zeeuws eigene, streden reconstructie van het verleden en de wens tot vernieuwing om voorrang. Het voorlopige streekplan bleek een belangrijk richtsnoer. Een week nadat het Duitse leger Nederland was ­binnengevallen, dropten vliegtuigen van de Luftwaffe op 17 mei 1940 rond het middaguur hun brisant­

6.1 B

bommen op de stad. Het vuur greep snel om zich heen. Doordat burgemeester J. van Walré de Bordes de bewoners eerder die dag had gemaand een veilig heenkomen te zoeken, bleef het aantal slachtoffers beperkt tot tweeëntwintig. De materiële schade was echter groot. Vooral het centrum met de Markt, de omgeving van het Raadhuis, de Lange Delft en de Wal waren zwaar getroffen. Hier werden ruim 450 panden verwoest, waaronder enkele cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, zoals de vroegere Zeeuwse Kamer der Verenigde Oost-Indische Compagnie, het Raadhuis en de Abdij. De aanblik was ­verschrikkelijk: “Puinhopen en nog eens puinhopen rondom. Je moet zoeken naar de ingang van de verschillende straten die op de markt uitkomen, je vindt ze niet, je kunt je ternauwernood oriënteren. Bergen stenen, zwart­ geblakerde muren, rokende verkoolde balken, krom­ getrokken verwrongen stangen, buizen en ijzeren balken. ’t Is vreselijk! Alleen de voorgevel met een paar stukken van de zijgevels en de romp van de t­oren staan – zwaar beschadigd – nog overeind.”52 (6.2)


Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

244

6.2

Herstel van dit verwoeste erfgoed oversteeg het lokale belang en viel daarom onder r­echtstreeks toezicht van de ­Algemeen Gemachtigde voor de Weder­ opbouw en de Bouwnijverheid, dr ir J.A. R ­ ingers, die werd ­bijgestaan door een Advies­commissie ­Stedebouw. ­Ofschoon reconstructie van het voor­ oorlogse M ­ iddelburg ook mogelijk was, mede gelet op het grote aantal nog o ­ nbeschadigde g ­ ebouwen, stond deze optie van meet af aan op g ­ espannen voet met de wens om de stad aan te passen aan nieuwe eisen op het gebied van verkeer, bedrijvigheid en huisvesting. Het streekplanonderzoek wees uit dat de ­economische positie van de stad niet rooskleurig

was. De ­bereikbaarheid en verkeers­circulatie waren ­onvoldoende, omdat een goede ­noordzuidverbinding ontbrak, de stadswallen een obstakel vormden en de straatprofielen niet breed genoeg waren voor de ­toename van gemotoriseerd verkeer.53 Volgens de ­samenstellers van het streekplan Roosenburg en De Ranitz (inmiddels Inspecteur van de ­Volkshuisvesting van Zeeland) moest Middelburg zich in de toekomst richten op ­verbetering van zijn t­oeristische a ­ ttractiviteit, op zijn functie als mark­tp ­ laats voor Walcheren en als bestuurs­zetel van de Provincie Zeeland. De bevindingen waren ­bepalend voor het wederopbouwplan.


6.2

6.3 A

Het verwoeste centrum in 1940. Stadsplattegrond van Middelburg vóór 1940.

Het wederopbouwplan voor de stad van P. Verhagen, 1940.

6.3 B

245

De Ranitz, woonachtig in Middelburg, maakte kort na het bombardement een eerste schets. Hij ging daarbij uit van zowel herbouw van het centrum als het ­aanbrengen van enkele nieuwe ­verkeersverbindingen in het centrum en voor het doorgaande verkeer een rondweg ten noorden van de stad. Zijn suggestie om langs de Abdij een verkeersstraat aan te leggen, ontlokte bij Ringers de opmerking: “De toerist behoort geen haast te hebben. Voor den boer is verkeers­ verbetering op dit punt weinig nodig.”54 De rijks­ overheid ondersteunde reconstructie in ideologische zin door het directief ‘streekeigen te bouwen’, als een gebaar van verzet tegen de bezetter. De Ranitz’ rol als ontwerper bleek niet te ­verenigen met zijn functie als inspecteur: hij zou zijn eigen ­plannen moeten beoordelen. Mede op zijn a ­ anraden nam ir P. Verhagen, van wie verwacht kon w ­ orden dat hij in de geest van het voorstel zou d ­ oor­werken, het werk over. Verhagen, een gerenommeerd stedenbouw­kundige, behoorde tot de traditionele richting in de Nederlandse architectuur, maar hij gaf daar op zeer persoonlijke wijze uitdrukking aan, vaak met veel oog voor landschappelijke kwaliteiten. Ook ging hij forse ingrepen niet uit de weg wanneer ­maatschappelijke veranderingen daarom vroegen. Hij meende dat de stedenbouw gefundeerd lag in de sociaal-­economische en culturele grondslagen van de ­bestaande maatschappelijke verhoudingen. Dragers van zijn plannen waren kerk en staat, die stonden voor het geestelijk en wereldlijk gezag. “Kerkgebouw en raadhuis behoren tot de primaire massa’s, het plein tot de primaire ruimte, waarmee een stedebouw­ kundige werkt.”55 Deze denkbeelden bepaalden ook zijn wederopbouw­ plan voor Middelburg. Leidraad was niet een l­etterlijke reconstructie, maar het herscheppen van de t­ypisch ‘Middelburgse atmosfeer’, een o ­ mschrijving die hem de mogelijkheid bood de stedenbouw­kundige ­structuur aan nieuwe eisen aan te passen. De t­yperende lange middellijn van de stad, Lange Burg – Korte Burg – Balans, kreeg in zijn voorstel een knik om zo de massa en de ruimtelijke werking van de belangrijkste gebouwen, het Raadhuis en de Abdij als visuele ankerpunten te versterken en om hun ­schoonheid te benadrukken. (6.3 A/B)

6.3 A

6.3 B


Schets van de toekomstige Lange Delft, getekend door G. den Butter, 1942. 6.4 A

Gezicht op het stadhuis vanuit de Lange Delft, getekend door A. van Kranendonk, 1942.

6.4 B

6.4 C Herbouwplan voor het stadhuis, gevel aan de Lange Noordstraat, A. van der Steur, 1943.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

246

6.4 A

6.4 B

Rond het Raadhuis plande hij horeca- en winkel­ bedrijven en rond de kerk woningen en bestuurs­ functies, zodat er twee gebieden ontstonden met een eigen, respectievelijk profane en spirituele sfeer. Sinds de confiscatie tijdens de Nederlandse Opstand waren er vooral bestuursfuncties in het Abdijcomplex gehuisvest. Verhagen vergrootte de afmetingen van de bouw­blokken en doorsneed ze met straatjes en stegen. Een beplante binnenring verbond de binnenterreinen van de blokken. Het gemeentebestuur en Ringers keurden het plan goed, maar van Duitse zijde eiste men onder andere een betere afstemming met het op handen zijnde streekplan en het uitbreidingsplan dat Verhagen en De Ranitz in deze tijd eveneens voorbereidden. Ook waren betere verkeersverbindingen nood­zakelijk. Zonder de essentie van zijn plan aan te tasten, loste Verhagen dit op door een nieuwe route vanaf de ­uitvalsweg naar Domburg te introduceren en een nieuwe verbinding aan de zuidkant van de ­Abdij­kerk naar de Lange Delft. Het Abdijcomplex kwam ­daarmee ­centraal in het stadshart te liggen. Dat de stedenbouwkundige ook in Middelburg ­rigoureus durfde in te grijpen, bewees de maat­ regel dat hij – om de gewenste verkeersingrepen en nieuwe openbare ruimte te kunnen realiseren – in het ­centrum 46 extra, onbeschadigde ­woningen liet afbreken. Van de ruim vijfhonderd gesloopte ­woningen zouden er slechts 205 terugkomen, omdat hij ­prioriteit gaf aan het herstel van de bedrijvigheid (winkel­panden) en vanwege de nieuwe, grotere pandbreedte. Dit betekende een verlies van vijftig procent. ­Vervangende huurwoningen bood het uitbreidingsplan ’t Zand (700 woningen) buiten de stads­wallen ten westen van het Kanaal.56 Ondanks de kritiek van belanghebbenden, die zich door de geringere kaveldiepte sterk benadeeld voelden, ging de herbouw eind 1940 van start. De coördinatie van de werkzaamheden en de ontwerp­begeleiding berustte bij de Stichting Herbouw M ­ iddelburg met ­Verhagen als directeur, die ook de s­ upervisie droeg over de uitvoering van zijn weder­opbouwplan.57 Deze ­stapeling van functies stelde hem in staat zijn stempel op het nieuwe stadsbeeld te d ­ rukken.


247

6.4 C

In de architectuur probeerde Verhagen de b ­ eoogde Middelburgse sfeer te verwezenlijken door uit te gaan van verticaal gelede straatwanden met ­wisselende goothoogtes, vaste pandbreedtes van zes à z­ even ­meter, geverfde of gepleisterde g ­ evels en een ­bescheiden detaillering. Baksteen was voor ­Verhagen uit den boze: “Ik ben bang voor een baksteen-stad, dood­gewoon. Het is somber (op den duur) en ook al gauw eentonig. En het is Middelburg niet, […].”58 ­Architecten moesten zich ‘aan de geest van de stad Middelburg’ aanpassen en niet te zeer hun eigen p ­ ersoonlijkheid laten spreken, maar in nauwe ­onderlinge afstemming het stadsbeeld o ­ pbouwen. Door een architect niet twee naast elkaar gelegen panden te laten ontwerpen, p ­ robeerde hij de eigenheid van een gebouw veilig te stellen. Voor de venster­grootte en de roedeverdeling kwamen er p ­ reciezere regels, vooral om te voor­komen dat er te grote etalageramen in de winkelpanden z­ ouden ontstaan. (6.4 A/B) Vanuit de gedachte dat elke streek zijn eigen k­ arakter en kenmerkende architectuur had, beoordeelde een provinciale commissie welke architecten voor de bouwopgave in aanmerking kwamen. Op de ­geheime namenlijst in Middelburg, ingedeeld volgens de ­categorieën eenvoudige panden, grotere winkel­ panden en monumentale panden, stonden ongeveer dertig architecten, onder wie A. van Kranendonk,

M.P. Schutte en G. den Butter. Verhagen benaderde zelf G.A. O ­ verdijkink (Staatsbosbeheer) om een beplantings­­plan voor het nieuwe stadscentrum te ontwerpen met de linde als hoofdhoutsoort. Ondanks de uitgangspunten en richtlijnen bleek het moeilijk de verlangde atmosfeer in architectuur tot ­uitdrukking te brengen. Sommige ontwerpen waren volgens ­Verhagen te ‘schilderachtig’ en ‘willekeurig’ of leunden teveel op vroegere vormentalen. Waar ­mogelijk greep hij in en verzocht de architecten hun voorstel wat terughoudender te maken. Zijn stedenbouwkundig plan bepaalde ook de randvoorwaarden voor de herbouw van het Raadhuis en de Abdij. In overleg met de Rijkscommissie en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg werd besloten om de meest monumentale beschadigde gebouwen en delen van gebouwen zorgvuldig te restaureren, zoals het oude Stadhuis en de Lange Jan, terwijl voor andere delen een meer rekkelijke handelwijze werd toegepast. (6.4 C) Hier waren de oorspronkelijke vorm en materiaal­toepassing richtinggevend en waar nodig ondergeschikt aan nieuwe programmatische eisen. De nieuwe vleugel van het Raad­huis werd in een ­‘Gotische sfeer’ opgetrokken. Voor het nieuwe provinciehuis was de vormentaal van het t­raditionalisme ­bepalend. Naar duidelijke contrasten tussen oud en nieuw werd niet gezocht. Het herstel diende de historische ­Middelburgse sfeer te onderstrepen.


Streekeigen woningbouw van P.H.N. Briët in ’t Zand, buiten de westelijke stadswal, 1942.

6.5

6.6 Moderne woningen met lessenaardaken in De G ­ riffioen, ontworpen door A. Rothuizen en P.J. ’t Hooft.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

248

6.5

6.6

De herbouw van het centrum kwam langzaam op gang door de materiaalschaarste en het o ­ nttrekken van arbeidskrachten en bouwmateriaal door de D ­ uitsers. Op 1 juli 1942 werd een a ­ lgemeen ­bouw­verbod van kracht; alleen de gebouwen ­waaraan men een maand eerder was begonnen, mochten worden afgemaakt. Ook mocht, na verregaande ­bezuinigingen, de bouw van het eerste door architect ir Paul H.N. Briët ontworpen deel (circa. 150 ­woningen) van de n ­ ieuwe wijk ’t Zand worden voortgezet. (6.5) Het wijkje werd bepaald door het gedachtegoed van ­Verhagen en de algemene eis van de rijks­overheid om streek­eigen te bouwen. Verhagen meende dat

de woningen met het oog op een h ­ armonische opbouw m ­ oesten aansluiten op het karakter van de ­binnenstad. De ­architectonische vorm­geving hoefde niet strikt t­raditionalistisch te zijn, “een h ­ erinnering, een pittige verwijzing naar de traditie in een vrije ­compositie” was voor hem al voldoende.59 Wel dienden de gevels te worden geverfd. Bij het ontwerp van het stratenplan moest rekening worden gehouden met het ­gemotoriseerde verkeer. Briët maakte een hiërarchisch stratenplan met een rechte, beplante verkeersstraat en korte geknikte z­ ijstraatjes. Het streekeigene bracht hij tot uitdrukking in de topgeveltjes met hoge slanke schoorstenen en in de witte kozijnen en goten. Ook paste hij wisselende goothoogtes en verschillende gevelkleuren toe. Houtvester Overdijkink ontwierp een beplantingsplan voor het buurtje. Het woningtekort in de Zeeuwse hoofdstad was groot. In het najaar van 1944 sloeg het oorlogsgeweld opnieuw toe. Door de inundatie van ­Walcheren liepen de buiten de stads­wallen gelegen wijken onder water, t­erwijl ­beschietingen nog meer panden vernielden. De eerste reparaties waren provisorisch. Met drijfhout, m ­ ateriaal van gesloopte woningen, oorlogsbuit en in beslag genomen goederen en ook door de aanleg van noodkaden over en langs de bolwerken, slaagde men erin een deel van de woningen weer b ­ ewoonbaar en toe­ gankelijk te maken. Ook kwamen er na de b ­ evrijding geprefabriceerde Bruynzeel-noodwoningen. Maar dit alles was bij lange na niet voldoende om de e ­ rnstige woningnood in de naoorlogse jaren te l­enigen. Daarvoor was een grootschaliger aanpak nodig. De directeur Gemeentewerken paste Verhagens uitbreidingsplan uit het begin van de oorlog aan; de geplande zeven uitbreidingsgebieden werden samengevoegd tot vier. De lintbebouwing van arbeiders­ woningen aan de uitvalswegen moest wijken voor ­middenstandswoningen. Zelf vond ­Verhagen het resultaat te mager, vooral omdat het niet g ­ etuigde van nieuwe inzichten over de g ­ enormaliseerde woningbouw, een in deze jaren alom b ­ esproken ­onderwerp, dat ­antwoord moest geven op het i­mmense woningtekort in Nederland. Hem stond in de naoorlogse tijd het beeld voor ogen van “een frisch, verjongd Middelburg om de gave, ­traditierijke binnenstad”.60 Zo kon volgens hem de geplande, beknellende rondweg


Het bebouwingsplan (1947) van A. Rothuizen en P.J. ’t Hooft voor De Griffioen, met een kleuterschool in het centrale buurtparkje en theehuis in de groene zoom aan de noordzijde.

6.7 A

Het uitgevoerde plan van A. Rothuizen en P.J. ’t Hooft voor De Griffioen.

6.7 B

6.7 C Bebouwingsplan voor de wijk De Griffioen ten noordwesten van de stadswal, 1941.

249

achterwege blijven, omdat de beoogde brug over het Kanaal was komen te vervallen. De aanleg van de weg bleef a ­ chterwege. Voorts moest meer van de ­landschappelijke condities g ­ eprofiteerd worden. Zoals Verhagen ook in andere steden­bouwkundige plannen het landschap als groene wiggen diep in de stad liet doordringen, adviseerde hij ook hier het landschap tot op de stadswallen en singels open te houden, zodat de oude stadsvorm plaatselijk zijn eigen karakter zou behouden en de nieuwe woonwijken zich nadrukkelijker als ‘voorstadjes met een eigen structuur’ p ­ rofileerden. Hoofdinspecteur De Ranitz deelde zijn opvattingen. Streekeigen bouwen was niet langer de meest voor de hand liggende weg. Er waaide een nieuwe geest en dat moest ook in het nieuwe uitbreidingsplan naar ­voren komen. De niet-Zeeuwse, modernistische ­architect M. Duintjer kreeg opdracht het plan van de Directeur Gemeentewerken verder uit te werken ­volgens de ideeën van Verhagen. Hoezeer de denkbeelden waren veranderd, bleek al spoedig bij de bebouwing van de wijk De Griffioen. Toonde het eerste tijdens de Tweede Wereldoorlog gerealiseerde deel nog traditionele, twee-onderéén-kap plattelandswoningen in een verspringende rooilijn langs gebogen straten, (6.6) de nieuwe delen, ­ont­worpen door het architectenbureau Rothuizen en ’t Hooft, kregen een open strokenverkaveling. (6.7 A/B/C) Ook de woningen met lessenaardaken en grote vensters ademden de sfeer van het licht-, lucht- en ruimte-denken van de modernisten. Het herstel van de binnenstad werd na de b ­ evrijding voltooid volgens de opzet van Verhagen. O ­ fschoon hij zich daar toen zelf niet meer goed in kon ­vinden, gezien de veranderde maatschappelijke ­omstandig­heden, ontstond er een op traditionele leest geschoeid centrum. De gerestaureerde Abdij en het Raadhuis vormden daarin als nooit te voren, de n ­ ieuwe brandpunten. De verkeersstructuur was verbeterd, ­stedelijke functies waren geconcentreerd en ook was een groot deel van de volkshuisvesting uit het centrum ­verdwenen. Het bleek de opmaat voor een Middelburg waarvan het aanzien spoedig weer als ‘het historische stadsbeeld’ zou worden bestempeld. Juist of niet, toeristen maalden er niet om; die vonden weldra weer hun weg naar de Zeeuwse hoofdstad.

6.7 A

6.7 B

6.7 C


regeneratie van vlissingen Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

250

eeuwse uitbreidingen), de geringe hoeveelheid groen, het tekort aan woningen en aan ontspannings­ mogelijkheden in en nabij de woonwijken. Veel m ­ ensen pendelden op en neer tussen de randgemeenten en Vlissingen.

6.8

Ook Vlissingen werd ernstig getroffen door het oorlogs­geweld. Volgens architect Roosenburg waren de vernielingen zwaarder dan in Middelburg: “Voor een gewone leek lijkt het nog heel wel, maar wanneer je het verval ziet door alle treffers over de geheele stad en de beschadigingen aan allerlei leegstaande panden en het verval dat daar het gevolg van is, dan moet je zeggen: Vlissingen is erger dan Middelburg, en een groot gat in de stad is beter dan zoo’n schot hagel waar overal een beetje kapot is.”61 Het aantal dodelijke slachtoffers bedroeg ongeveer 300. De wederopbouw van de geleden schade maakte deel uit van een bredere visie over de ontwikkeling van de stad. (6.8) Aanzet vormde het uitbreidingsplan (1937) van Directeur Gemeentewerken C. Ouwehand en zijn adviseurs Roosenburg en De Ranitz. (6.9) Door het streekplanonderzoek waren ze goed op de hoogte van de structurele problemen waarmee de stad kampte, zoals de nabije, beknellende ligging van het vliegveld ten noorden van de stad, de uitdijende scheepswerf De Schelde met zijn dok in het oosten; de slechte ­verkeersverbindingen tussen ­verschillende stads­delen (de oude stad, het Eiland en de vroeg­twintigste-

Het uitbreidingsplan toonde verwantschap met andere stedenbouwkundige plannen uit deze jaren, door zijn structurerende betekenis van het groen. Het beoogde de aanleg van een rondweg, radiaalwegen en groene wiggen die de nieuwe woonwijken min of meer ­begrensden. De arbeiderswoningen lagen in het oosten bij de industrieterreinen, de middenstands­ woningen ten westen daarvan en de villa’s in de nabijheid van groen, bij het Nollenbos. Ook waren er speelterreinen, plantsoenen, een begraafplaats en voorzieningen als scholen en winkels gepland. Deze uitbreiding van de stad, waarbij rekening werd ­gehouden van een omvang van 25.000 inwoners in 1960, vereiste volgens Ouwehand c.s. een nieuwe situering van het excentrisch aan de oostkant van de stad gelegen Stadhuis. Ongevraagd presenteerden ze daarom ook een ‘Bebouwingsplan voor de voormalige Nieuwe Markt’ (tussen Paul Krügerstraat en Singel), met een nieuw, aan een plein gesitueerd Raadhuis, omringd door andere openbare gebouwen en voor­ zieningen. Het voorstel gaf een nieuw perspectief op de inrichting van de binnenstad. Het uitbreken van de oorlog belemmerde de ­uitvoering van de plannen, niet alleen vanwege de schaarse middelen, maar ook omdat de b ­ ezetters het in beslag genomen vliegveld vergrootten, waardoor de oostelijke woonbuurten niet meer konden worden gebouwd. Ouwehand c.s. h ­ erzagen hun uitbreidings­ plan buiten de b ­ ezetter om, ­waarbij ze de gemeentegrenzen negeerden, omdat de stad op de grenzen van zijn grondgebied stuitte. ­Vlissingen moest zich in hun ogen uitbreiden in de richting van K ­ oudekerke, waar ze een nieuw stadsdeel p ­ rojecteerden met de buurten Lammerenburg en Paauwenburg. Uitbreiding van de industrie en de haven (nieuwe havenkommen) werd in het o ­ osten gepland. Samen met de functie als bad­ plaats met horeca vormde deze bedrijvigheid een van de e ­ conomische pijlers van de stad.


De badplaats Vlissingen met Boulevard De Ruyter in de jaren dertig.

6.8

Uitbreidingsplan (1937) voor Vlissingen, met een groene gordel rond de stad en een nieuw stadhuis aan de Paul Krugerstraat.

6.9

251

6.9

Hun eerdere suggestie om ook het Stadhuis te ­verplaatsen, namen de ontwerpers in de h ­ erziening mee, waarmee deze ingrijpende wijziging een officiële status kreeg. Rond het nieuwe Raadhuis p ­ rojecteerden ze een zakencentrum (‘city’), uitgaans­gelegenheden en winkels. De ambitie illustreerde een zakelijke ­benadering van het nieuwe stadscentrum, waarin het wonen ondergeschikt was. De t­raditionalistische ­ideologie die zijn stempel op het centrum van ­Middelburg drukte, ontbrak hier. Het Raadhuis zou door Roosenburg worden ontworpen, die een ­functionele benadering van architectuur hanteerde.


6.10

6.11 A

De verwoeste Boulevard De Ruyter in Vlissingen. De Gravestraat vóór 1940.

De nieuwe streekeigen bebouwing van de Gravestraat in de jaren vijftig. 6.11 B

6.12 A Herbouwplan (1953) voor de Gravestraat met de nieuwe Simon Stevinstraat. 6.12 B Herbouwplan (1953) voor de Breewaterstraat, met een open stedenbouwkundige structuur.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

252

6.10

De veranderde visie op de binnenstad typeerde ook de herbouwplannen. Ofschoon vooral de haven doelwit was van de bombardementen door de geallieerden, ­liepen ook de woningen in de binnenstad ernstige schade op. Tevens hadden de Duitsers voor hun ­versterkingen hele huizenblokken gesloopt, alsmede de karakteristieke bouwwerken die Vlissingen als bad­plaats typeerden: het badpaviljoen, de badhuisjes en de ­wandelpier. Ze wilden voorkomen dat de geallieerden de pier als een aanlegsteiger zouden gebruiken. (6.10) De Stichting Herbouw Walcheren (vanwege zijn ­grotere aandachtsveld was dit de nieuwe naam van de ­Stichting Herbouw Middelburg) bereidde ­samen met Directeur Gemeentewerken Ouwehand de ­herbouwplannen voor, waarbij de stichting de

regie hield over de architectenkeuze. De Dienst van de ­Algemeen Gemachtigde, waarin ook Verhagen ­figureerde, stelde de ’technische en aesthetische richtlijnen’ voor de herbouw vast. Gevels moesten in baksteen of handvormbaksteen worden o ­ pgetrokken, daken alleen met pannen, lei of koper bedekt; schoorstenen moesten in het silhouet meespelen; erkers en balkons waren niet toegestaan, tenzij de super­ visor die noodzakelijk achtte. Te grote ramen zouden afbreuk doen aan de beoogde geslotenheid van de straatwanden. Platte daken waren uitgesloten. Ook moesten ’te sterk historiseerende en modieuze d ­ etails van twijfelachtige technische en aesthetische waarde’ worden vermeden.62 Conform het rijksbeleid waren de voorschriften gericht op het maken van een streekeigen


253

6.11 A

6.12 A

6.11 B

architectuur. Stedenbouwkundig adviseur Roosenburg werd supervisor. Uitgangspunt voor de binnenstad was een g ­ rondige vernieuwing van de reeds voor de ­oorlog sterk ­verpauperde gebieden rond de Graves­traat in het ­oosten en de in het westen. De b ­ eschadigde bebouwing vond men van te weinig waarde om weer te herstellen. Ook pasten de kleine achterstraatjes niet meer in het gewenste stadsbeeld. De h ­ erbouwplannen, Plan Gravestraat en Plan B ­ reewaterstraat (6.12 A/B) gingen uit van een betere wegen­structuur en een meer ordelijke ­bebouwing. Parallel aan de Gravestraat kwam een nieuwe straat, de Simon Stevinstraat. Een aantal zijstraatjes werd o ­ pgeheven, waardoor de Gravestraat een meer ­gesloten wand vormde. (6.11 A/B)

6.12 B


6.13

Het nieuwe door D. Roosenburg ontworpen stadhuis.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

254

Het herbouwgebied tussen de Breewaterstraat en stadsboulevard kreeg een nieuwe, meer open ­stedenbouwkundige structuur met korte zijstraten en enkele tussengelegen plantsoentjes. Langs de ­boulevard werd een hogere bebouwing g ­ eprojecteerd langs een enigszins naar achter gelegde rooilijn, in verband met de verwachte toename van het ­gemotoriseerd verkeer langs het water. Het gemeente­ bestuur wilde de functie van Vlissingen als ­badplaats weer herstellen: “Wat het winkelcentrum is voor een gemeente, welke als verzorgingscentrum van een streek of regio fungeert, zijn de boulevards in ­Vlissingen als centrum van de badplaats.”63 Evenals in Middelburg kwamen ook hier noodwoningen. De uitvoering van de herbouwplannen zou grotendeels pas in de jaren vijftig plaatsvinden. De pier werd niet meer herbouwd. Vanwege de excentrische ligging zou aanvankelijk ook het Eiland worden gesaneerd. Voor het uitbreken van de oorlog woonde daar een hechte gemeenschap van vissers, oud-zeelieden en industrie­ arbeiders. In verband met de aanleg van de Atlantik­ wall hadden de Duitsers de bebouwing gesloopt. Na de oorlog bleek het gebied toch een geschikte ­bouwlocatie, omdat het niet door de inundatie was getroffen. Daarbij wilde een deel van de bewoners er graag terugkeren. De herbouw kreeg een ruimere opzet met ongeveer een kwart (78) van het aantal woningen en enkele b ­ edrijfjes. Om overlast te voor­ komen werd tussen de bedrijfjes en de ­woningen een plantsoentje ­aangelegd. Met de herbouwplannen daalde het aantal ­woningen in de binnenstad. Compensatie bood het uitbreidings­ plan, dat opnieuw werd aangepast. Het werd gepland op een locatie ten oosten van de stad, mede omdat het door de Duitsers omgeploegde vliegveld daar ­vrijkwam. De verplaatsing bood nieuwe expansiemogelijkheden voor het noordoostelijke stadsdeel, waardoor de beoogde grenswijziging en de bouw van Paauwenburg tot 1966 kon worden uitgesteld. Daarbij veranderden de prognoses voor de omvang van de bevolking: men ging nu uit van 30.000 in 1960. De oude uitvalsweg naar het noorden werd opgeheven, er kwam een rechtstreekse weg vanaf het nieuwe Stadhuis­plein. De strook ten westen van het Kanaal

werd bestemd voor industrie en havenactiviteiten. Groene buffers scheidden de drie geplande woon­wijken van elkaar. De bestemming (villa’s, middenstands­woningen en sociale woningbouw) was sinds 1937 niet veranderd. Ook hier trad R ­ oosenburg als adviseur op. Aanvankelijk golden voor de ­architectuur de richtlijnen die ook de herbouw in de binnenstad bepaalden, maar gaandeweg k­ regen de woongebieden het moderne, open aanzien dat ook andere naoorlogse wijken in Nederland zou b ­ epalen, met gestandaardiseerde woningen in strokenbouw, etagewoningen en hoogbouw, ontworpen door ­gerenommeerde architecten als W. van Tijen, H. Maaskant en E. Groosman. Ook het nieuwe ­Vlissingen verloor zijn lokale karakteristiek. Anders dan in Middelburg, waar het traditionalisme zijn stempel op de wederopbouw drukte, werd het ­herstel van Vlissingen getypeerd door een meer ­pragmatische aanpak, ondanks de voorwaarde streekeigen te bouwen. Er werd voortgebouwd op vooroorlogse plannen om de stad op een structurele wijze te verbeteren, waarbij vooral de verplaatsing van het bestuurscentrum van doorslaggevende betekenis was. De oorlogsvernietigingen vormden aanleiding tot sanering van vervallen stadsdelen. Het vernieuwende elan vond zijn bekroning in het door Roosenburg ontworpen Stadhuis, geënt op een ­functionele grondslag, maar met oog voor ­architectonische tradities. Het stond symbool voor de wijze waarop de stad na de oorlog opnieuw vorm kreeg. (6.13)


255

6.13


een oorlogslandschap

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

256

defensie wo ii bunker mijnenuitkijkpost verdedigingswerk 6.14


Strategische posities van de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog.

6.14

6.15

Oorlogslandschap op Walcheren.

257

6.15

Terwijl architecten, stedenbouwers, bestuurders en andere betrokkenen zich bogen over het h ­ erstel van de geleden schade, trok de Duitse bezetter in het ­ommeland een verdedigingslinie op die in N ­ ederland zijn weerga niet kende en die tot de dag van ­vandaag zijn sporen heeft nagelaten. ­Aanvankelijk ging het hierbij vooral om de verdediging van b ­ ezette h ­ avens. Zo stelde de Duitse marine al in 1940 kust­batterijen op langs de monding van de Westerschelde. Toen ­tegen het eind van 1941 duidelijk werd dat de ­verovering van de Sovjet-Unie minder s­ ucces­vol ­verliep dan beoogd, besloot Hitler tot de bouw van een ­betonnen verdedigingslinie langs de West-Europese kust, van Denemarken tot Spanje, om een invasie door de ­geallieerden te voorkomen.64 Alle drie de krijgsmacht­onderdelen (Marine, Land- en Luchtmacht) moesten een bijdrage leveren. Het voornemen had voor Zeeland verstrekkende ­gevolgen. Vlissingen werd evenals andere haven­steden in februari 1942 tot ‘Stützpunkt’ (Stp.) verklaard. Nog dezelfde maand werd een begin gemaakt met de bouw van een reeks verdedigingswerken rond de stad, een ‘Landfront’ dat aanvallen van tanks en infanterie moest afslaan en een ‘Seefront’ dat landingen vanuit zee moest weerstaan. Het ‘Landfront’ omvatte een met prikkeldraad geflankeerde tankgracht die het havengebied, het vliegveld en West-Souburg omsloot en eindigde bij de duinen van Zwanenburg. De zone

langs de kust bestond vooral uit lichtgeconstrueerde bunkers. In juni 1942 waren er al zeventig gereed. Nog geen maand later werd Vlissingen tot ­‘Verteidigungsbereich’ (V.B.) verklaard, met de h ­ oogste fortificatie-graad. Er kwam een bouwprogramma (in augustus 1942) voor de verdedigingslinie die later de naam ‘Atlantikwall’ kreeg. Het omvatte de bouw van 15.000 permanente vestingwerken in twee ­categorieën (met muren van respectievelijk d ­ rieënhalf en twee meter dik), als ruggengraat voor een verdedigings­linie waartoe uiteindelijk ruim 100.000 kleine en grote werken zouden gaan behoren. De megaoperatie moest op 1 mei 1943 voltooid zijn. Op Walcheren ontvouwde zich een oorlogslandschap. Het ‘Landfront’ van Vlissingen werd naar het noorden toe verlegd om ook het waterwingebied bij Valkenisse en de twee noordelijker gelegen marinebatterijen bij Dishoek en Vrijburg binnen de linies te verkrijgen. Er kwam een nieuwe zigzaglopende tankgracht vanaf Fort Rammekens via Nieuw Abeele, Groot Abeele en Koudekerke naar Groot Valkenisse, waarbij zoveel mogelijk gebruik werd gemaakt van bestaande water­ lopen. Ten westen van het Kanaal door Walcheren en in Groot Valkenisse kwamen duurzame betonnen versperringen, terwijl bij Fort Rammekens een drie ­kilometer lange betonnen muur in het dijklichaam werd opgenomen. Langs de tankgracht trok men ­kazematten en bomvrije bunkers op. (6.14, 6.15)


6.16 Franse militair voor een bunker op het strand bij ­ rouwenpolder, met versperringen die de aanlanding van V boten moesten belemmeren.

Rommelasperges, staken waar soms ook mijnen aan ­bevestigd waren, op het geïnundeerde Walcheren in 1944.

6.17

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

258

6.16

Ook de verdedigingslinie langs de kust werd ­versterkt met talloze zware en minder zware bunkers, ­gegroepeerd in of nabij de duinen en de dijken. De concentratie was het grootst tussen Vlissingen en Westkapelle. In Vlissingen zelf bouwde men in het westelijke stadsdeel een groot bunkercomplex voor 150 à 200 man infanteriereserve. Langs de boulevard kwam een forse tankmuur en bij het Bethesda-Ziekenhuis een m ­ ilitair bunkerhospitaal, evenals in het havengebied, dat tot een ‘Kernwerk’ werd benoemd. Hier moest men zich bij een dreigende inname tot het laatst kunnen verschansen. Het kreeg, ook om de Westerschelde te kunnen beheersen, een zware verdedigings­structuur van kazematten, onder andere in de oostelijke ­kanaaldijk, en een tankgracht aan de oostzijde. Daarbinnen werd een geschutsbatterij van zware bunkers met pantserkoepels gevestigd. Het hoofd­kwartier van de V.B. Vlissingen bracht men onder in een bunker in het zogeheten Linker Reduit van de oude vesting­ wal. De vestingwerken kregen namen waarin de ­Germaanse mythologie doorklonk, zoals Lohengrin (bij Zoutelande), Brünhild (bij Middelburg) en Heinrich der Löwe (bij Aagtekerke). In de eerste week van 1943 kwamen op Walcheren en Zuid-Beveland samen elke week tussen de vijf en tien gevechtsbunkers tot stand, die elk zo’n 1200 kubieke meter beton vergden. Halverwege het jaar

­ onstateerde men dat Walcheren wegens gebrek aan c materiaal en vaklieden achter liep op het p ­ rogramma; van de geplande 600 waren er ‘slechts’ 230 in g ­ ebruik.65 Begin 1944, toen de dreiging van een ‘angel­sächsische Landung’ steeds manifester werd, h ­ erzag de Duitse legertop de status van Vlissingen opnieuw; e ­ venals IJmuiden en Hoek van Holland werd de stad nu ­beschouwd als een ‘Festung’, waar de ­verdediging nog meer verdicht moest worden. In april werd heel ­Walcheren tot ‘Festung’ verklaard, waarmee het eiland het zwaarst verdedigde gebied in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta werd. S ­ peciale kust­versperringen van met mijnen, granaten of met scherpe m ­ etalen punten verzwaarde boomstammen of reeksen stalen balken m ­ oesten de aanlanding van boten ­belemmeren. (6.16) De ­stammen waren afkomstig van het achterland, waar hele bomenrijen werden gekapt. Op het land werden 4,5 meter lange palen ­aangebracht om het landen van zweefvliegtuigen tegen te gaan. Zij staken 3 meter boven het maaiveld uit en werden Rommelasperges genoemd naar veldmaarschalk E.J.E. Rommel.66 (6.17) Voorts kwamen er uitgestrekte mijnenvelden langs het strand, aan de binnenduinrand en ­verder landinwaarts. Landbouw en veeteelt waren hier v­ oortaan verboden. Ondanks de extra inzet van het 15e leger, half ­september 1944, bleek de verdediging onvoldoende om de opmars van de geallieerden te weerstaan. Diezelfde maand besloten zij de Duitse linie te b ­ reken door inundatie van de ‘Festung Walcheren’. Op 3 oktober sloegen Lancaster bommenwerpers een bres van tachtig meter breed in de zeedijk ten zuiden van Westkapelle, die uiteindelijk 120 meter breed werd. Vier dagen later waren de dijken bij Vlissingen – in het westen bij de Nolledijk en in het oosten bij Fort Rammekens – doelwit. Het water stroomde op drie plaatsen Walcheren binnen. Een vierde gat ontstond bij Veere en op 17 oktober werd de dijk bij West­­kapelle weer gebombardeerd. Bunkers vulden zich met water, telefoonverbindingen vielen uit en alle transport werd onmogelijk. Op 20 oktober was tachtig procent van Walcheren ondergelopen; alleen de hoger gelegen duinstreken en de centra van Vlissingen, Middelburg en Veere waren nog droog. Daarna werd de a ­ anval vanuit Zuid-Beveland over de Sloedam ingezet.


259

6.17


Overzicht van de schade op het eiland Walcheren. Door de invloed van het getij (3,30 meter verschil) vielen bij laag ­water grote delen van Walcheren droog om bij hoog water weer te overstromen. Door de getijstromen ontstonden de kreken.

6.18

6.19 A De inundatie heeft in een jaar tijd op laaggelegen plaatsen zo'n 50 centimeter slib afgezet. Hier goed te zien bij het schoonscheppen van de straat.

Mosselen hechtten zich tijdens de inundatie aan een hek en bomen.

6.19 B

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

260

Nadat na heftige beschietingen op 5 november het ­‘Kernwerk’ in Vlissingen was ingenomen, kon drie dagen later het laatste verzet op Walcheren worden gebroken.

6.18

Bijna een jaar lang vormde het eiland een binnenzee, waarbij het in- en uitstromende water de dijkgaten verder uitschuurde. (6.18) De verdedigingswerken bleven ­nutteloos achter. De bressen werden na de b ­ evrijding gedicht, aanvankelijk op traditionele wijze met zinkstukken van rijshout, stenen en zand, daarna met gebruik van afgedankt oorlogsmaterieel, b ­ etonnen en metalen caissons en torpedo-netten. Het Duitse oorlogslandschap werd g ­ roten­deels geruimd. Talloze bunkers werden gesloopt of ­ondergegraven, vanwege het beleid van de ­Nederlandse regering na de oorlog om de zeewering te vrijwaren van gevaarlijke en ‘lelijke’ bouwsels. Ook wilde men de herinnering wegvagen. Een aantal bunkers bleef gehandhaafd. Na het ­verstrijken van de tijd werden deze dankzij de ­toe­nemende belangstelling voor militaire relicten ­langzamerhand in kaart gebracht en getypeerd, ­onder andere door de Stichting Bunkerbehoud. ­­ Zo bevinden zich bijvoorbeeld in het openbare park Toorenvliedt enkele bunkers van verzetsnest B ­ rünhild, bij Zoutelande twee van steunpunt Lohengrin en bij Westkapelle een aantal van steunpunt H ­ ötzendorf. Ook staan langs het Kanaal door Walcheren nog enkele bunkers, waaronder bij Abeele. Een stuk ­anti-tank­­muur is bij Fort Rammekens te zien, de tankgracht bij Koudekerke (Valkenisse Watergang), de betonnen drakentanden van de tankversperring bij Goot Valkenisse en langs de Nieuwe ­Vlissingseweg bij Abeele. De restanten vormen de getuigenissen van een ingrijpende periode die het aanzien van ­Walcheren definitief veranderde. (6.19 A/B/C/D)

6.19 A


261

6.19 B


6.19 C/D

De verwoestingen zijn onvoorstelbaar.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

262

6.19 C


263

6.19 D


het nieuwe walcheren

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

264

6.20

Walcheren moest een hoge prijs betalen voor de bevrijding van Zuid-Nederland. De vele beschietingen, de bombardementen en tenslotte de inundatie lieten een geruïneerd landschap achter. Het zilte water dat maandenlang het landschap bedekte, vernietigde vele houtopstanden. Bij Veere, Westkapelle en R ­ itthem waren diepe kreken ontstaan. Het herstel van het ­cultuurlandschap vroeg ingrijpende maatregelen. Begin 1945 begon het overleg onder leiding van ir M. de Vink, directeur van de Provinciale ­Plano­logische Dienst (1943) die hierbij vooral ­samenwerkte met de Inspectie Zeeland van de

Rijksdienst voor Landbouw­herstel, de Dienst Droogmaking ­Walcheren, het Ruilverkavelingbureau te Breda, de Polder ­Walcheren en de Cultuurtechnische ­Dienst. Een belangrijk ­fundament bleek het voor­ oorlogse streekplan­onderzoek waaruit een weinig ­florissante landbouw naar voren kwam. Het aantal kleine b ­ edrijven werd groot genoemd: 45 p ­ rocent van de land­gebruikers bewerkte minder dan een hectare en 72 procent minder dan vijf hectare. Ook was de verkaveling versnipperd en oneconomisch. P ­ ercelen lagen her en der verspreid, veel l­andbouwwegen waren onverhard en liepen dood. Streekplansamensteller


Noodboerderijen boden tijdelijk onderdak aan ­ grarische bedrijven. Er werden 144 noodwoningen en a 193 stallen gebouwd.

6.20

265

De Ranitz achtte een ­herverkaveling noodzakelijk om percelen samen te voegen en de waterhuishouding en het wegen­stelsel te verbeteren. Hij meende “dat er slechts één mogelijk­heid is om het landschapsschoon, een groot cultuurbezit, te behouden, namelijk het scheppen van een nieuw landschapsbeeld, dat ­economisch meer ­verantwoord is dan het oude.”67 Behalve de landbouw moest volgens hem ook het vreemdelingenverkeer als aanvullende bron van inkomsten worden b ­ evorderd, door natuurschoon te beschermen en bebouwing (villa’s en zomerwoningen) te concentreren en in duinen en bossen te verbieden. Ook moest er bij de wegenaanleg aandacht zijn voor de landschap­pelijke behandeling. Samenvattend stelde hij: “Kortom, het geheele complex van nieuwe ­bestemmingen zal z­ oodanig moeten zijn, dat het nieuwe beeld als het ware vergroeit met het fraaie historische gegeven.” De herstelopgave gaf De Ranitz’ ­opvattingen een nieuwe a ­ ctualiteit. (6.20) Een Driemanschap voor de Ruilverkaveling, met ir A.H. Smale, cultuurconsulent bij de Cultuur­ technische Dienst voor Zeeland en West-Brabant, C. Krombeen, hoofd van het Ruilverkaveling­ bureau te Breda en De Vink, kreeg de opdracht een ­voorlopig plan van wegen en waterlopen op te stellen als grondslag voor de herverkaveling. De ­problematiek oversteeg echter het niveau van een gewone r­uil­verkaveling, gezien de ernst en omvang van de schade van het totaal ontwrichte landschap. ­Bovendien besefte men dat door samenvoeging van percelen er boeren zonder werk zouden komen. Voor hen moest compensatie worden gezocht in de vorm van een afvloeiingsregeling of door elders grond aan te bieden. Er mocht geen ‘agrarisch proletariaat’ ­ontstaan, zoals De Vink het uitdrukte. Hier was een rol voor het Rijk weggelegd. De agrarische structuur werd bestudeerd door een Agrarische Commissie, waarin ook de boeren waren vertegenwoordigd. Mede door de inbreng van e ­ xterne deskundigen als de van Walcheren a ­ fkomstige ­directeur van de Cultuurtechnische Dienst, F. P. Mesu, en P. Bakker Schut van het Instituut voor het ­Volkshuisvesting en Stedebouw, werd het ­aandachtsveld opgerekt. Vooral Bakker Schut pleitte

voor een regionaal plan dat voortbouwde op het ­vooroorlogse streekplanwerk. Opvallend was het lidmaatschap van R.J. Benthem die als landschaps­ adviseur van Staatsbosbeheer in Noord-Brabant het landschappelijke aspect behartigde. Dit kreeg van meet af aan de volle aandacht. Bij gewone ruil­verkavelingen gebeurde dat in die tijd hooguit ­achteraf. Samen met houtvester E. Reinders schreef Benthem het Voorlopig rapport inzake de b ­ ehartiging van de landschappelijke, bosch-bouwkundige, ­recreatieve en natuurwetenschappelijke belangen ­binnen het kader van het Herstelplan ­Walcheren ­(augustus 1945). Het bleek van fundamentele ­betekenis. Het vormde niet alleen een pleidooi om de landschapscomponent direct als inrichtingsfactor in de planvorming te betrekken, maar het reikte ook een strategie aan die uit het landschap zelf voortkwam. Basisidee was om bij de inrichting sterk rekening te houden met de geomorfologische structuur van het eiland, een benadering die vooral landschaps­architect dr ir J.T.P. Bijhouwer in deze jaren propageerde en toepaste. Recent bodemonderzoek liet namelijk het patroon van kreekruggen en poelgronden zien. Op deze ruggen waren de belangrijkste ­nederzettingen en verbindingswegen ontstaan, terwijl de lager g ­ elegen poelgebieden als weidegebied in gebruik waren. ­Nieuwe wegen zouden als het enigs­ zins mogelijk was, ook op aanwezige zandruggen aan­gelegd moeten worden. Volgens de auteurs moest niet een ­volkomen nieuw ‘modern landschapstype’ dat ­voldeed aan r­ationele eisen op het gebied van de landbouw, ­verkeer en volkshuisvesting leidraad zijn, maar ­gestreefd zou moeten worden “naar het doen voortleven en ten deele herscheppen van het als het ware van nature ontstane karakter met de ­daarmee g ­ epaard gaande schoonheid van het eiland ­Walcheren, voorheen zo terecht de Tuin van Zeeland genoemd.”68 Het rapport kreeg de instemming van de medecommissieleden, met de aantekening dat op ­enkele plaatsen recreatieve belangen ten o ­ nrechte prevaleerden boven landbouwkundige. In haar ­eind­advies aan het College van Gedeputeerde Staten bepleitte de Agrarische Commissie een sanering van de kleine landbouwbedrijven op het eiland.


Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

266

6.21


6.21

Reconstructieplan voor het herstel van ­Walcheren, 1946.

6.22

Ontwerp voor de wegprofielen.

267

Om alle belangen en doelstellingen te stroomlijnen, kwam op initiatief van Verhagen in augustus 1945 de Snelcommissie Walcheren tot stand, waarin alle ­hoofdrolspelers vertegenwoordigd waren. Verhagen was kort daarvoor algemeen stedenbouwkundig ­adviseur van Ringers geworden. Halverwege het ­traject trad ook de reeds genoemde Bijhouwer toe. Voorzitter was gedeputeerde J.H. van Bommel van Vloten, het secretariaat lag bij De Vink. Taak van deze provinciale commissie was binnen acht ­maanden “een plan op te stellen dat als grondslag zou kunnen dienen voor de herverkaveling van het geïnundeerde gedeelte Walcheren, het herstel van het landschap en de recreatieve m ­ ogelijkheden, alsmede voor de ­verbetering van het verkeer en de ­vestigings­­mogelijkheden van de industrie.”69 Hierbij mocht volgens Verhagen niet worden volstaan met een herstelplan voor alles wat vernield was, maar het moest maatregelen omvatten die van Walcheren weer een “levend organisch geheel” zouden kunnen maken, als een gezond onderdeel van N ­ ederland. Met ­andere woorden, het moest de voorwaarden bieden voor de ontwikkeling van een nieuw en ­wel­varend ­Walcheren. Er vonden fundamentele discussies plaats. Een ­aantal commissieleden, zoals cultuur­technicus Smale, m ­ eende dat – nu het landschap zo vernield was – de kans te baat zou moeten worden g ­ enomen een m ­ oderne landbouwkundige ­indeling door te voeren met hoofdzakelijk rechte lijnen en g ­ rotere eenheden. Ook zou het wegenstelsel een nieuwe en meer z­ akelijke structuur moeten krijgen. Anderen, onder wie De Vink en Benthem, waren van oordeel dat er nog genoeg van het landschap r­esteerde om op voort te kunnen bouwen, waarbij vooral het ­bodemreliëf werd genoemd dat van o ­ uds­her richtinggevend was g ­ eweest. Wel beseften ze dat er hedendaagse aanpassingen nodig waren. Want afgezien van de ­deplorabele toestand waarin het ­wegenstelsel ­verkeerde, waren de oude wegen v­ olkomen ­on­toereikend voor de bestaande en toekomstige samenleving. Bovendien was helder dat er, gelet op de grote investeringen, ook een kwalitatieve verbetering moest plaatsvinden. De Commissie bracht verslag uit in haar concept­ rapport Het Nieuwe Walcheren (augustus 1946). (6.21)

6.22

Het weerspiegelde een brede, toekomstgerichte visie die bepalend zou worden voor de o ­ ntwikkeling van het gebied. Het eiland werd in een nationaal p ­ erspectief geplaatst door de drie belangrijkste functies te benadrukken: landbouw (herverkaveling), i­ndustrie ­(afstemming vestigingsbeleid op weg-, rail- en water­ vervoer) en recreatie (gereguleerde b ­ ebouwing en het openstellen van natuurterreinen). De visie op het landschap was getoonzet door Benthem en zijn adviseurs. Men aanvaardde dat het oude ­landschap definitief verloren was gegaan, maar het bood nog wel de aanknopings­punten voor vernieuwing. “Door de ­aanpassing van de nieuw aan te brengen landschaps­ elementen aan het natuurlijk bodemreliëf en de ­verdere relicten van het oude Walcheren, alsmede door den aard van de beplanting, is er […] naar gestreefd het nieuwe land­schap een uitgesproken Walchersch karakter te geven.”70 (6.22)


Luchtfoto van april 1944, een half jaar vóór de i­nundatie. Koudekerke en omgeving. Duidelijk zichtbaar is de kleinschalige kavelstructuur zowel op de kreek­ruggen als in het daartussen gelegen poelgebied. De door de Duitse bezetter gegraven tankgracht vormt een markant ­landschappelijk element.

6.23

6.24 A De kleinschalige verkaveling op Walcheren vóór de reconstructie. 6.24 B

De verkaveling in 1984.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

268

6.23


269

6.24 A

6.24 B


Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

270

6.25 A

6.25 B


6.25 A

De wegenstructuur vóór de reconstructie.

6.25 B

De wegenstructuur in 1984.

271

Uitgangspunt werd dat er voortgebouwd zou w ­ orden op de bestaande landschappelijke structuur van stroomruggen en poelgronden. (6.23) Dat zou het kader vormen voor de modernisering. De C ­ ommissie verwees hierbij naar het herstel van Middelburg, waar voor de te restaureren gebouwen een ‘­passend milieu’ werd geschapen. Haar taak was het “voor de ­verbeterde technische bedrijfsvoering een sfeer te scheppen die het oude Walcherse landschap […] waardig zou zijn.” De herverkaveling zelf bleef ­onbelicht, omdat daarvoor ondertussen een noodwet in voorbereiding was. Wel werd op voorhand een kaveldiepte van 300 à 400 meter aangehouden en een volgens de ­Agrarische Commissie wenselijk g ­ eachte minimum bedrijfsgrootte van tien hectare. Om l­andschappelijke redenen waren kavels met tenminste twee evenwijdig lopende zijden voldoende, in plaats van drie of vier, hetgeen rendabeler was. (6.24 A/B) Het wegenstramien, dat voortging op het door het Driemanschap ontworpen schema, berustte op drie basisvoorwaarden: – op Walcheren waren geen autosnelwegen n ­ odig ­afgezien van de rijksweg van Nieuwland naar ­Vlissingen; –u  it landschappelijke én vooral ook financiële ­overwegingen verdiende het de voorkeur om zoveel mogelijk de oude wegtracés te volgen; –d  e hoofdverkeerswegen moesten zoveel mogelijk door de dorpskommen worden geleid. De meerderheid van de Commissie meende dat de verkeerstoename die zich in Nederland zou ­voordoen, op Walcheren zou achterblijven, omdat er geen ­doorgaand verkeer was. Bovendien was het locale verkeer juist op de dorpskommen gericht en dan lag het niet voor de hand om het om de ­kommen heen te leiden. Er waren ook landschappelijke ­bezwaren. Wel stelde men voor het wegprofiel hier en daar te ver­breden, onder andere in Domburg en ­Biggekerke, waar de oorlogsvernietigingen ruimte hadden ­geschapen, en in Zoutelande waar enkele woningen moesten wijken om de grootste verkeers­ belemmeringen weg te nemen.

Volgens de Commissie vroeg het interlokale verkeer aanzienlijke verbetering. Middelburg kreeg een nieuwe uitvalsweg richting Serooskerke, om landbouwkundige (voldoende kavelgrootte) en landschappelijke redenen op ruime afstand van de bestaande Noordweg. Aan het bezwaar dat de weg door een kom liep ging men uiteindelijk voorbij. Ook werd de aanleg voorgesteld van de ‘ontbrekende schakel’ tussen Serooskerke en Grijpskerke (Hondegemsweg) in de route Veere– Zoutelande. De weg tussen Grijpskerke en Meliskerke (Mariekerkseweg) en tussen Meliskerke en Zoutelande (Blauwpoortseweg) moest door bochtafsnijdingen worden verbeterd. Een tweede belangrijke diagonale verbinding tussen Domburg en Vlissingen vormde de nieuwe weg Biggekerke-Meliskerke-Aagtekerke ­(Kaasboerweg en Koekoeksweg). De derde belangrijke eilandweg, de Noordweg, bleef om historische en landschappelijke redenen – als grens tussen twee verschillende gebiedsdelen – de belangrijkste route tussen Middelburg en Domburg. Wel stelde men enkele bochtafsnijdingen voor. (6.25 A/B) Het stelsel van landbouwwegen werd behalve door geomorfologische gegevens, vooral bepaald door landbouwkundige en cultuurtechnische eisen en door de grondgesteldheid. De Ruilverkavelingwet schreef voor dat alle kavels een uitweg op een o ­ penbare weg moesten krijgen en dit principe gold ook voor ­Walcheren. Vanaf het begin was duidelijk dat er veel nieuwe landbouwwegen moesten worden a ­ angelegd door de ongunstige ligging van de kavels op het oude Walcheren. Bestaande wegen ­moesten worden verhard en ontdaan van hun scherpste bochten. De structuur varieerde per gebiedsdeel. In het midden­ gebied overheerste een zekere rechtlijnigheid, die soms het resultaat was van een compromis, z­ oals in het gebied ten oosten van de Oostkapelseweg. ­Sommige commissieleden verlangden hier de ­rationele grootschaligheid van Zuid-Beveland, o ­ mdat er volgens hen zo weinig van het oude landschap ­resteerde. Anderen vonden dat een dergelijke recht­ lijnige structuur niet op Walcheren paste, te meer omdat de gemiddelde bedrijfsgrootte veel minder was. Richtlijn werd regelmaat, maar al te rechte ­lijnen moesten worden voorkomen, door variatie in de ­richting van de kavelblokken op te nemen.


Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

272

Aan de westkust kwam een dichter net van landbouw­ wegen, vanwege de kleinere bedrijven die hier ­gesitueerd werden, maar ook om l­andschappelijke en recreatieve redenen. De beplanting langs de ­wegen zou de fietsende bewoners en recreanten luwte bieden tegen de zeewind en een aantrekkelijk beeld ­opleveren. Maar de luwte zou “in de eerste plaats de landbouwgewassen ten goede […] komen”. Er waren echter ook nadelen, zoals later zou blijken. Speciaal voor het toerisme was voorzien in een nieuwe, licht gebogen recreatieweg op enige a ­ fstand en evenwijdig aan de duinenrij tussen Vlissingen en Z ­ outelande. Deze kreeg het profiel van een iets ­verbrede landbouwweg, want voorkomen moest ­worden dat de weg een korte snelle verbindingsweg tussen Zoutelande en Vlissingen zou worden. Ook werd bewust niet gekozen voor een autoweg zoals langs de Belgische kust. Het rapport bevatte ook ­regels voor de andere wegprofielen. Veel aandacht was er voor de landschappelijke ­inrichting. Spraken Benthem c.s. in hun Voorlopig Rapport nog over een “netwerk van groene aders van telkens wisselende breedte”, de Snel­commissie bracht een duidelijke ordening aan en ging uit van een c ­ ompartimentering. De intensief beplante hoge r­uggen waarover de hoofdwegen liepen, ­vormden ‘coulissen’, terwijl daartussen de meer open ­compartimenten (verschillende gebiedsdelen) l­agen met elk een eigen karakter. De ruggen moesten een laanbeplanting krijgen, terwijl de beplanting in de lage kommen veelal beperkt zou blijven tot wat struikgewas en boomgroepen op resthoeken en langs waterlopen, en tot de inrichting van de boerenerven. U ­ itzondering vormden de gebieden die ook op een s­ troomrug lagen, zoals ten noorden van Gapinge, tussen ­Grijpskerke en Meliskerke en tussen Koudekerke en Dishoek. Hier kon de beplanting dichter worden. Het landschap langs de kust zou door het beplanten van het dichtere landbouwwegennet een intiemer k­ arakter krijgen. Tussen Zoutelande en Vlissingen werd een nieuwe manteling voorgesteld. Men besefte dat er veel minder aangeplant zou ­worden dan er vroeger aanwezig was, ook omdat de meidoorn als perceelsbegrenzing verdween. Daarom werd voorgesteld om, met het oog op het toerisme

en de houtproductie, nieuwe boscomplexen aan te brengen, aansluitend op bestaande bossen en bij de nieuwe kreken bij Westkapelle, Veere en R ­ ammekens. Dichtspuiten van de waterlopen zoals de gemeente Veere wilde, was erg kostbaar en leverde slechts onvruchtbare zandgrond op. Wel suggereerde de ­Commissie de beplanting te beperken tot de met zand overspoelde oevergronden. De nieuwe beplanting moest qua sortiment in overeen­stemming zijn met die van vroeger. In ­aanmerking kwamen inheemse soorten als de witte en zwarte els, de kurkiep, de esdoorn, de vlier, de ­hazelaar, de es en de meidoorn. Sierheesters en ­ligusterhagen moesten worden geweerd. De Commissie adviseerde – waar mogelijk – oude buiten­plaatsen te herstellen. Tevens deed ze het ­voorstel, nieuwe buitenplaatsen op te richten van tenminste twee hectare groot, waarbij minimaal een hectare van het perceel beplant diende te zijn met opgaand hout en boomgaard. De recreatie vroeg ook om specifieke maatregelen. Het eigen karakter van de badplaatsen moest worden benadrukt: Vlissingen als een modern badcentrum met hotels en misschien een concert- en theaterzaal; een meer landelijk Zoutelande met kleine hotels en pensions en Domburg als een familiebadplaats. Vrouwenpolder, een badplaats in opkomst, ontleende vooral betekenis aan zijn zomerhuisjes en pensions. Voor het toeristische en plaatselijke verkeer bepleitte men de aanleg van afzonderlijke fiets-, wandel- en ruiterpaden. Dat gebeurde mede op aandrang van de ANWB en de Commissie De Weg in het Landschap. Eerder was dat al bepleit door de Streekplan­ commissie en ook door Benthem c.s., als a ­ lternatief voor de door de herinrichting verdwenen k­ erkpaden. Ondanks de visie dat de landbouwwegen zich in ­principe voor fietsverkeer leenden, stelde men ­daarnaast enkele vrijliggende fietspaden voor, onder andere tussen Middelburg en Domburg. Ook k­ wamen er wandel- en fietspaden bij de kreken van Veere en Westkapelle. Nadat de ANWB een kosten­berekening had gemaakt die bleek mee te vallen, reserveerde men eveneens ruimte voor ruiterpaden, onder andere langs de nieuwe weg Middelburg-­Serooskerke.


De beplanting van Walcheren getekend door Nico de Jonge.

6.26

A

De fijnmazige begroeiing in de n ­ egentiende eeuw.

De nieuwe ‘Tuin van Zeeland’ getekend volgens het Plan van de Snelcommissie, 1946.

B

273

De Snelcommissie had haar taak volbracht: er lag een richtsnoer voor de herinrichting van Walcheren dat in de navolgende jaren zou worden gevolgd. Grondslag vormde de speciale Herverkavelingwet Walcheren (1947), waarvan de mogelijkheid tot onteigening die de Ruilverkavelingwet niet kende, een o ­ mvattende en snelle aanpak mogelijk maakte, alsmede de ­gewenste bedrijfsverplaatsingen en sanering van het kleine b ­ oerenbedrijf. De leiding berustte bij de Herverkaveling­commissie Walcheren. Een deel van de boeren kon – mits ze voldeden aan criteria van vakbekwaamheid en voldoende financiële armslag en in maatschappelijk en moreel opzicht ­correct waren – in de pas drooggevallen Noordoostpolder een nieuw bedrijf beginnen. De grond die de boeren achterlieten, werd herverdeeld onder de blijvers. In totaal kwamen 370 bedrijven voor s­ anering in aanmerking. Een aantal boeren verhuisde op ­Walcheren naar de nieuwe boerderijen, die in ­verband met de doorgevoerde nieuwe verkaveling in de voorheen ‘lege’ gebieden gebouwd werden, zoals in de Zuidwatering en in het middengebied. Conform het advies van de Snelcommissie sloot de architectuur van de gebouwen aan op de traditionele boerderij­ bouw. Ze kregen een gesloten opbouw en een sobere detaillering. Voor het welslagen van de kostbare herinrichting vond er een intensieve bedrijfstechnische en s­ ociale ­begeleiding plaats. Toch was er ook enig verzet. ­Sommige boeren protesteerden tegen de uitvoering van de egalisatiewerken, omdat ze een waarde­ daling van hun grond vreesden. Daarop zegde de Herverkaveling­commissie een grotere zorgvuldigheid toe. De cultuurtechnische herinrichting gaf het a ­ grarisch landschap een nieuwe open aanblik, met een ­aanzienlijk grotere maatvoering. Door de efficiëntere kavelindeling en optimalisering van het wegen­stelsel werd 35 procent van de oude wegen o ­ pgeheven, ­terwijl het aantal percelen verminderde van ruim 31.000 tot 11.000. De schaalvergroting typeerde ook de landschappelijke inrichting. Ontwerper van het landschapsplan (1948) was de uit Zeeland afkomstige landschapsarchitect N. de Jonge (Staatsbosbeheer). (6.26 A/B)

6.26 A

6.26 B


Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

274

6.27


6.27

Hattinga, Kaart van Walcheren, circa 1750.

6.28

Ontwerp van De Jonge voor de kreek bij Veere, 1960.

275

6.28

Uitgangspunt vormde het rapport van de ­Snel­commissie en supervisor was Benthem. Naar ­eigen zeggen liet De Jonge zich inspireren door de ­beroemde achttiende-eeuwse kaarten van Hattinga, die het Zeeuwse landschap in zijn volle glorie, met tal van buitenplaatsen en lanenstelsels toonde. (6.27) Hij ontwierp een landschap waarin een openheid werd afgewisseld met meer besloten delen. De hoofd­ wegen kregen een laanbeplanting terwijl tertiaire wegen ­werden beplant met lagere boom- en struik­ beplanting, waaronder iepen en de voor Walcheren zo typerende meidoorn. Op de perceelsgrenzen keerde deze struik niet meer terug: het onderhoud paste niet meer bij de nieuwe rationele bedrijfsvoering van de boeren. De Jonge kon zich hierin vinden omdat de historische kaarten lieten zien dat deze perceels­ begrenzingen er vroeger ook niet waren geweest. Achteraf bleek de iep geen gelukkige keuze.

Zijn grote wortelgestel verdrong de wortels van de meidoorn en later werd de boom getroffen door de iepziekte. Aanvankelijk stuitte de beplanting van de brede b ­ ermen in landbouwkringen op verzet, niet ­alleen vanwege het verlies aan landbouwgrond maar ook om praktische bezwaren. In natte zomers kon de wind niet vrij over het land waaien om het graan te drogen. Ook was voor suikerbieten de kans op ziekte groter. De Herverkavelingscommissie hield echter vast aan haar uitgangspunten. Het door De Jonge voorgestelde royale b ­ oscomplex rond de Veerse kreken stuitte ook op bezwaar van landbouwzijde vanwege het vermeende verlies van landbouwgrond. Hij moest zich beperken tot de met zand bedekte randen die voor de landbouw ­on­geschikt waren. Toch wist De Jonge het gebied een heel eigen landschappelijke en recreatieve waarde te geven. (6.28)


Twee boerderijen die in het kader van de weder­opbouw op Walcheren werden gezet.

6.29

A De eerste wederopbouwboerderij dateert uit 1948 en is van de familie Joosse aan het Kleverskerksepad te ­Middelburg. Hij is gebouwd naar een ontwerp van de ­architect Gerrit Tuinhof, die zich liet inspireren door de Friese boerderijen van het type ‘kop-hals-romp’.

Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

276

6.29 A

Op verschillende plaatsen kwamen nieuwe buiten­ plaatsen tot stand volgens de ’tweehectareregeling’ van de Snelcommissie, met subsidie van Staats­ bosbeheer. Ook voor de beplanting van de boeren­ erven was extra geld beschikbaar. Zoals onder anderen Bijhouwer met zijn boekje Nederlandsche Boerenerven (1943) had laten zien, vormden de erven een wezenlijke landschapsvormende c ­ omponent. Met hun verschillende onderdelen (gebouwen, opslag­ ruimten, boomgaard, moestuin en bloementuin) ­kenden ze verschillende functies zoals ­­­werk- en ­opslagruimte, fruitteelt, kraamkamer en siertuin. (6.29 A/B) ­Bepalend voor de inrichting waren behalve het gebruik ook de ligging, de bodem en de omgeving.

Bij het ontwerp voor de boerenerven bij de ­ naoorlogse reconstructie hechtte Bijhouwer, die hierbij namens de Rijksdienst voor Landschapsherstel als ­adviseur optrad, veel waarde aan de informatie van de boeren zelf. Zij kenden het gebruik als geen ander. Aan de windzijden kwam veelal een windsingel van ­mengingen van populieren, abelen, essen, zwarte ­elzen en een onderbeplanting van meidoorns. ­ Moes- en bloementuinen werden veelal omzoomd met ­liguster of haagbeuk. (6.30 A/B) C.P. B ­ roerse, de van Walcheren afkomstige tuin­ architect die later vermaard zou worden door zijn heemparken in Amstelveen, ontwierp de b ­ eplanting in en nabij de dorpen. Kort voor zijn benoeming


Collega-­architecten van Walcherse oorsprong keurden dat af: het was immers geen Walcherse boerderij. Er zijn nog andere varianten te zien bij de wederopbouwboerderijen, maar meestal gaat het toch om een woonhuis met aan­ gebouwde schuur, of soms ook met het woonhuis los van de schuur, zoals dat vooral bij kleinere boerderijen traditie was. De boerderij aan de Oude Veerseweg is uniek voor ­Walcheren.

De laatste wederopbouwboerderij is gebouwd in 1953. Hij is van de familie De Buck-Besuyen aan de Zanddijkseweg te Veere. Van dit type boerderij zijn er meerdere.

B

277

6.29 B

(1946/1947) door de Stichting Nieuw Walcheren had hij zich in een reeks artikelen kritisch uitgelaten over de herbeplanting van Walcheren. Vooral de i­nferieure kwaliteit, de aanplant van verkeerde soorten en het slechte onderhoud stoorden hem. Er moest met meer kennis van zaken geplant worden en wel zo dat het landschap weer een eigen karakter kreeg. Op ­bepaalde terreinen konden de ingenieurs het werk van de tuin- en landschapsarchitect niet missen, zo meende hij.71 Voor het werk van zijn collega De Jonge, die zich vooral richtte op de grote lijnen in het land­ schap, kon hij echter weinig waardering opbrengen. Ook strookte het meer abstracte denken van Benthem niet met zijn voorkeur voor de kleine schaal en nadruk

op sortimentskeuze. Het belangrijkste uitgangspunt voor ­Broerse was steeds het bestendigen of ­versterken van het landschappelijke karakter ter plaatse. In een dijkbeplanting mochten bijvoorbeeld meidoorns en wilde rozen niet ontbreken. Voor uitvoerig historisch onderzoek was overigens ook weinig tijd: het land­ schap moest herbouwd worden. De beplantings­ plannen voor de verschillende gemeenten besprak Broerse vooral met supervisor Bijhouwer. Op 1 februari 1953 werd Zuid-Nederland opnieuw door een ramp getroffen. Een zware storm veroorzaakte verschillende dijkdoorbraken, waarbij grote delen onder water liepen. Ook op Walcheren was de schade aanzienlijk.


Een nieuwe toekomst Gerrie Andela

278

6.30 A

Bij Veere overstroomde na een dijk­doorbraak de ­Kattepolder, maar de eerder o ­ ntstane kreken b ­ leken een goede waterberging. Ze voor­kwamen dat er een grote oppervlakte cultuurgrond overspoelde. De dijkgaten bij Fort Rammekens en bij het gemaal ­veroorzaakten wel aanzienlijke schade: grote d ­ elen van de Zuidwatering liepen onder. Ook bedekte ­instromend water tussen Westkapelle en Domburg een stuk landbouwgrond met zand. De Polder Walcheren begon direct met de r­eparatie van de gaten, waarbij men profiteerde van het ruimschoots aanwezige materieel en van de bij de

r­econstructie betrokken deskundigen. Het herstel kon daarom relatief snel worden geklaard. De watersnoodramp bleek weinig schade te hebben toegebracht aan de jonge houtopstand. Wel waren er andere tegenvallers, zoals de teleurstellende resultaten in het windrijke westelijke deel van het eiland, waar de beplanting zich niet wilde sluiten. Maar hierbij moest men de hand in eigen boezem steken: uit zuinigheids­ overwegingen was er slechts beperkt onderhoud gepleegd, de waarschuwing van Broerse jaren eerder ten spijt. In 1958 kon de herverkaveling van Walcheren worden beëindigd.


6.30 A Ontwerp voor de ten dele gesubsidieerde ­herbeplanting van een boerenerf na de inundatie. 6.30 B

Hetzelfde erf in de huidige situatie.

279

6.30 B

Er was een nieuw verzakelijkt landschap gecreëerd waarin het oude landschapspatroon voortleefde in de structuur van stroomruggen, die zowel het wegenpatroon als de landschappelijke inrichting bepaalde. Daarnaast vormden de dorpsbeplantingen, de vele nieuwe boerenerven, de bewaard gebleven én enkele nieuwe buitenplaatsen het beeld. In landbouwkundig opzicht voldeed het nieuwe landschap aan de voorwaarden voor een rendabele bedrijfsvoering. Maar ook die was tijdgebonden, zoals later zou blijken. In recreatief opzicht moest het jonge landschap zich nog bewijzen.

Voor landbouwkundig Nederland en voor de nieuwe generatie landschapsarchitecten vormde de brede, omvattende benadering van de herinrichting van een geografisch afgebakende eenheid – waarbij behalve sanering en boerderijverplaatsing ook de landschappelijke en recreatieve betekenis in ogenschouw werd genomen – een schoolvoorbeeld voor inrichtings­ opgaven in andere delen van Nederland.


Zomaar een zomerdag. Loom grazende en herkauwende koeien in een wei met bosschages. Hier bij Vrouwenpolder. Het zou bijna een vooroorlogs beeld kunnen zijn. Maar ­Walcheren heeft onder water gestaan, het landschap is ­erdoor kaal geslagen. Met veel inspanning is de woestenij weer omgevormd tot een volwassen landschap, waarbij het hoofd geboden moest worden aan beperkingen van het klimaat en optredende plantenziekten. De landschaps­ vormende ­processen zijn nog gaande. Op weg naar de 21ste eeuw hebben naast de kenmerkende beplanting ook de groei van dorpen en steden, de voorzieningen voor het ­accommoderen van het massatoerisme, moderne ­agrarische bedrijfsgebouwen en de uiterlijke gevolgen van de industriële en zeehavenontwikkeling een sterke invloed gekregen op het Walcherse landschapsbeeld.

280


hoofdstuk 7 | 1950-2000 jan willem bosch

naar de eenentwintigste eeuw 281


Met de opkomst van de industrie werd de Walcherse ­ conomie minder eenzijdig. Landbouw en groeiende e ­recreatie waren niet langer de enige middelen van bestaan. Een van de eerste industriële vestigingen in Vlissingen-Oost was Hoechst (1969).

7.1

veranderingen in stroomversnelling Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

282

Lange tijd had ‘het jaar 2000’ een magische klank. Zelfs in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw leek deze mijlpaal nog eindeloos ver weg. Het leven had na de wederopbouw zijn normale loop hernomen en het bestaan bood voldoende zekerheden. Het was een tijd van optimisme - the golden sixties - en van de ‘babyboom’. Achteraf bezien raakten vanaf de jaren zestig de ontwikkelingen in een s­ troomversnelling, met vérstrekkende ruimtelijke gevolgen. Een groot deel van Walcheren kreeg daardoor een andere functie en daarmee een andere ­verschijningsvorm. De relatieve kleinschaligheid bleef echter bestaan en die werd steeds meer gewaardeerd. Tussen 1960 en het eind van de twintigste eeuw ­veranderde Walcheren in bestuurlijk en e ­ conomisch opzicht sterk. Bestuurlijk door de gemeentelijke h ­ erindelingen: na twee rondes (in 1966 en 1997) resteerden er van de oorspronkelijke negentien gemeenten nog drie: Middelburg, Vlissingen en de plattelandsgemeente Veere. Deze laatste was met zijn 22.000 inwoners in het jaar 2000 naar n ­ ationale maatstaven vrij klein. De in 1992 naar aanleiding van landelijk b ­ eleid aan Vlissingen en Middelburg t­oegekende status van ‘stadsgewest’ stelde rond de eeuw­wisseling nauwelijks meer iets voor. De u ­ itwisseling tussen de inwoners van de drie ­gemeenten was en is sterk. Zij wonen, werken en r­ecreëren over en weer en zijn vaak op Walchers niveau actief in maatschappelijke o ­ rganisaties. ­ Economische veranderingen waren er vooral door de forse groei van de recreatieve en i­ndustriële ­bedrijvigheid en van de dienstensector. Economisch gezien bleef de relatief kleine schaal overeind in de landbouw, de detailhandel en de horeca. In de ­industriesector verdween de dominantie van de ene grote ‘fabriek’, de Vlissingse werf De Schelde. ­Andere industrieën vestigden zich en de dienstensector breidde zich uit. Domineerde in de jaren vijftig nog de snelle afname van het agrarische aandeel in de beroepsbevolking, tussen 1960 en 2000 werd het beeld bepaald door de bijzonder sterke opkomst van de dienstensector, ten koste van zowel landbouw als nijverheid.

economische hoofdsectoren in de beroepsbevolking

1960 1965 2000

Landbouw

11 %

10 %

3%

Nijverheid

37 %

43 %

23 %

Diensten

52 %

47 %

72 %

In de jaren zestig en zeventig kwam een g ­ rootschalige industrialisatie tot stand, een voor Zeeland nieuw fenomeen. De komst ervan hield verband met de ­nationale politieke agenda van de jaren zestig. Men ging toen nog uit van een bevolkingsgroei tot twintig miljoen inwoners in het jaar 2000 en er werd naar overloopgebieden gezocht, zowel voor de ­verdichting van de bevolking in de Randstad als voor de zee­ haven- en industriegebieden van Rotterdam en ­Amsterdam. Uitbreiding van de havens van ­Terneuzen en Vlissingen paste in dat beleid. Op provinciaal ­niveau was het beleid eveneens gericht op toename van de bevolking en het versterken van de hoofd­ zakelijk agrarische economie met industriële en havenactiviteiten. (7.1) De sinds 1875 in Vlissingen gevestigde scheepswerf De Schelde zocht naar mogelijkheden om een reparatie­werf aan diep vaarwater aan te leggen, ­omdat de toegang via sluizen tot het bestaande ­terrein in de binnenstad een belemmering was om de groei van de wereldschepen bij te houden. Om de uitbreiding van de haven te kunnen realiseren, werd in 1962 de derde Sloedam aangelegd, ten zuiden van de tweede Sloedam. Die tweede Sloedam was in 1949 aangelegd, waardoor toen ten zuiden van de eerste Sloedam (spoorverbinding uit 1871) de Quarlespolder ontstond, een landbouwgebied van meer dan 420 hectare (plus 60 hectare water). Met de aanleg van de derde Sloedam veranderde opnieuw een gebied van slikken en schorren, nu niet in akkerbouwpercelen, maar in een industrie- en havengebied met een Rotterdams karakter. Mede door de vestigingspremies die het Rijk tussen 1965 en 1971 verstrekte, werd VlissingenOost een economisch succes. Er werden met behulp van deze premies en door de medewerking van het


283

7.1

provinciebestuur en semi-provinciale organen vooral chemische bedrijven aangetrokken. Het eerste s­ ucces was de vestiging van Hoechst, spoedig gevolgd door M&T (voormalig Billiton), aluminiumsmelter P ­ echiney en olieraffinaderij Total. In het midden van de jaren negentig werkten zo’n 6.500 mensen in het havengebied, waarvan ruim driekwart in de industrie en de overige in vervoer en logistiek. Vlissingen-Oost werd naast een industriegebied steeds meer een vestigingsplaats voor trafieken, die met de overslag van stuken bulk­goederen – waaronder brandstoffen, auto’s, hout- en celluloseproducten, voedings­middelen – een ­belangrijke positie binnen het samenwerkings­verband Zeeland Seaports zou gaan innemen. ­ Zeeland Seaports is de uit het Havenschap ­Terneuzen en het Havenschap Vlissingen (1971) in 1997 ­gefuseerde Zeeuwse havenonderneming, die qua omzet na Rotterdam en Amsterdam de derde haven van Nederland is. Na 1990 ging het met de industrie minder voor­ spoedig. Van de namen van de pioniers Hoechst, M&T, Pechiney en Total is in 2008 alleen de laatste nog overgebleven. De andere bedrijven zijn o ­ pgesplitst en overgenomen. De Schelde, langdurig de g ­ rootste ­industrie in Zeeland, wist door regeringsorders voor marineschepen en door haar reparatiewerf eerst nog te ontkomen aan de algehele malaise in de ­Nederlandse scheepsbouw. Door wanbeleid bij het Rijn-Schelde-Verolme-concern, waarvan het bedrijf sinds 1971 deel uitmaakte, moesten e ­ chter vanaf 1983 honderden werknemers ontslagen w ­ orden. Rijk en ­Provincie namen de aandelen over. In de jaren ­negentig volgde verdere afslanking en werd het a ­ antal ­werk­nemers gehalveerd. In 2000 kocht D ­ amen

­ hipyards de aandelen. Zo werd de K S ­ oninklijke ­Schelde Groep één van de vele w ­ erkmaatschappijen van dit scheepsbouw­conglomeraat, met als ­specialisatie de bouw van grotere vaartuigen voor marine- en ­patrouilledoeleinden en luxe jachten. Vlissingen, eens de ‘company-stad’ van De Schelde, kreeg door Damens specialisatie in luxe jachten en een deel van de marinebouw op de oude locatie in Vlissingen, en verplaatsing van andere activiteiten naar Vlissingen-Oost, de gelegenheid om een groot deel van het oude Scheldeterrein weer toe te voegen aan zijn binnenstads­ambities. Als gevolg van de babyboom en het vestigings­ overschot breidden de steden en de dorpen zich in ­relatief grote stappen uit. Zeker voor de dorpen geldt dat gebroken werd met de historische, g ­ eleidelijke, ­organische groei. In plaats van de linten - de kreek­ ruggen volgend - werd in steeds grotere vlekken en op projectmatige basis gebouwd. Deze wijze van dorps- en stadsuitbreiding brak met de traditie van de oorspronkelijke occupatie, waarbij vooral op de hogere delen werd gebouwd. In al de naoorlogse ontwikkelingen was er een sterke regierol voor de overheden. Aanvankelijk zat hier vooral de gedachte achter dat de samen­leving ‘maakbaar’ was. Tegen het eind van de eeuw trad een t­oenemende individualisering en een s­terkere rol voor het particulier initiatief naar voren. Niet ­alleen de samenleving werd maakbaar geacht, in het ­verlengde hiervan groeide het besef dat ook de natuur maakbaar zou zijn. De overheid ontwierp de Ecologische Hoofdstructuur, in het kader waarvan ook op ­Walcheren tal van natuurontwikkelingsprojecten in uitvoering werden genomen.


agrarisch landschap en recreatiedruk Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

284

7.2

In landschappelijk opzicht kreeg ‘het nieuwe ­Walcheren’ in de jaren zestig en zeventig de kans om uit te groeien tot een min of meer volwassen landschap. Geleidelijk kwam de beplanting van wegen en erven tot wasdom. Daarmee kwam het ruimtelijk effect van het naoorlogse landschapsplan tot zijn recht. (7.2) Ook werd er weer volop geboerd, maar de landbouwkundige structuur van Walcheren bleef – zelfs na de herverkaveling – twijfelachtig. De gemiddelde bedrijfs-

grootte bleef ver achter bij andere delen van Zeeland. De verkavelingssituatie was eind jaren zeventig al weer zo problematisch dat opnieuw een ruilverkaveling in voorbereiding werd genomen. (7.3) Dit landinrichtings­ project van de tweede generatie zou vooral tot een schaalvergroting in de landbouw moeten leiden. Er werd op Walcheren nog relatief lang – tot in de jaren zeventig – met paarden gewerkt. Door de kleine bedrijfsgrootte werden met name de kleinere boeren


De beplanting van na de Tweede Wereldoorlog had ­ ecennia nodig om een min of meer volwassen uiterlijk d te krijgen.

7.2

7.3 Mede omdat de agrarische bedrijfsstructuur relatief k­ leinschalig bleef, zorgde de landbouw ook aan het einde van de twintigste eeuw voor verrassende beelden.

285

7.3

al snel na de oorlog gedwongen uit te kijken naar neveninkomsten. De opkomst van zowel de industrie in het Sloegebied als de ontdekking van Walcheren als toeristische bestemming boden hier uitkomst. Vooral in het kustgebied tussen Vlissingen en ­Westkapelle werden landbouwbedrijven (gedeeltelijk) omgezet in kampeerterreinen. Met name de gemeente Veere werd sterk afhankelijk van het toerisme. Niet alleen werkte een b ­ elangrijk

deel van de beroepsbevolking in de recreatie­sector, ook het aantal horecabedrijven groeide tot het ­drievoudige van het Nederlands gemiddelde, gemeten per inwoner. Toerisme en horeca boden rond de eeuw­ wisseling werk aan bijna een kwart van de beroepsbevolking. Dankzij het toerisme kreeg de gemeente ook een veel fijnmaziger netwerk van winkels dan in vergelijkbare plattelandsgebieden.


7.4 Het kamperen-bij-de-boer op minicampings heeft aan het einde van de twintigste eeuw een grote vlucht genomen en zorgde voor een welkome aanvulling op het inkomen van de boer. In landschappelijk opzicht zijn er minder geslaagde en geslaagde voorbeelden.

Stacaravanterrein bij Westkapelle, gelegen in de binnen足 duinrand, met hoge verkavelingsdichtheid. De kwaliteit van het landschap en de kwaliteit van het r足ecreatief product staan onder druk.

7.5

A Minicampings zien er steeds meer als een reguliere camping uit, door het grotere aantal kampeermiddelen dat werd toegestaan.

Het kamperen in agrarische sfeer vormt de toegevoegde waarde van de Walcherse minicamping.

B

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

286

7.4 A

7.4 B


287

7.5

Al voor de oorlog was Walcheren in trek als vakantie­ bestemming, zij het bij een relatief klein publiek. In Domburg was onder invloed van de Duitse arts dr Mezger een begin gemaakt met het gezondheids­ toerisme. De Duitse kuurtraditie werd naar de Noordzee­kust overgebracht. Zie hiervoor verder het hoofdstuk Tussen Fransen en Duitsers. Ook het kleinschalige cultuurlandschap, bij velen bekend als de ‘Tuin van Zeeland’, had eveneens bij een klein publiek al aantrekkingskracht als vakantiebestemming. Aanvankelijk betrof dit kleine hotelletjes en pensions bij mensen thuis. Al in de jaren vijftig, toen het economisch beter ging en een groot deel van de bevolking meer vrije tijd kreeg, werd de kampeerwagen uitgevonden. Vakantiebestemmingen aan zee werden voor veel mensen met de auto en de caravan ­bereikbaar. De opkomst van het toerisme werd maar ten dele veroorzaakt door de uitvoering van het Deltaplan; de betere verbinding via de dammen b ­ eïnvloedde ­Schouwen-Duiveland en de Bevelanden naar ­verhouding sterker dan Walcheren. Al in de jaren vijftig liet het toerisme op Walcheren een sterke groei zien, waarbij de belangrijkste verkeersstromen van de recreanten van oost naar west voerden. Met name

het aandeel van de Duitsers was erg groot: ongeveer een derde van het totale aantal vakantiegangers in 1964, terwijl het in de jaren zeventig en tachtig tot boven de 80 procent steeg. Na de aanleg van de Westerschelde­tunnel in 2003 nam ook het aandeel van de Belgen toe. Zij kwamen vooral als dagjesmensen en de Duitsers voornamelijk als verblijfstoeristen. Het aantal toeristische overnachtingen op Walcheren steeg van ruim een half miljoen in 1959 tot bijna vier miljoen in 1999 alleen al in de gemeente Veere. Het toerisme stelde veel landbouwbedrijven in staat om te overleven. Het was een ontwikkeling die begon met het plaatsen van enkele caravans of tenten op het boerenerf, maar die vaak leidde tot grote kampeerbedrijven. Daarnaast nam het aantal boerenbedrijven met een neventak in de vorm van het kamperen-bijde-boer een hoge vlucht. In 2000 telde de gemeente Veere 164 minicampings met 1.574 kampeereenheden. (7.4 A/B) Aanvankelijk had men op de kampeerterreinen veel ruimte. Toen het kamperen echt massaal ontdekt werd, richtte men de terreinen op intensief gebruik in. Plaatsen werden kleiner ten koste van de beleving van natuur en landschap. Met name de stacaravan­ terreinen langs de zuidwestkust vertoonden die ­recreatieve druk op het landschap. (7.5)


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

288

7.6 A

7.6 B

7.6 C

Deze kampeerterreinen kenmerkten zich over het ­algemeen door een zo intensief mogelijke ­verkaveling met een randje groen er omheen. De overheid zag in dat kampeerterreinen in r­uimtelijk opzicht vaak weinig interessant waren en weinig t­oevoegden aan het ­landschap. (7.6 A/B/C) Dit heeft vanaf de ­jaren tachtig geleid tot een veranderde regel­geving, ­waarbij de kampeer­plaats groter moest worden en er meer a ­ andacht kwam voor de landschappelijke ­inpassing van het kampeerbedrijf. Tot pareltjes in het ­landschap heeft deze benadering echter nog niet geleid. ­Verbazingwekkend genoeg geldt voor de ­minicampings op het boerenerf hetzelfde. Er zijn maar heel weinig van deze terreinen die in landschappelijk opzicht tot de verbeelding spreken. Rond de eeuwwisseling had driekwart van de b ­ oeren neveninkomsten buiten de landbouw. Voor 40 p ­ rocent van de boeren was dat een baan buitenshuis, maar tegelijkertijd had 42 procent van alle Walcherse landbouwers inkomsten uit een minicamping, de ­verkoop van eigen producten aan huis of het s­ tallen van ­caravans tijdens de winter. Het inspelen op de ­toeristische vraag naar rustig recreëren was voor de boeren des te noodzakelijker, omdat de prijzen voor hun producten in de jaren negentig een dalende tendens vertoonden. Een ander antwoord op die ontwikkeling was dat een deel van de boeren zich niet langer richtte op de zuivere akkerbouw; de in een eerdere periode als gunstig beschouwde ‘ontmenging’ werd daarmee ten dele tenietgedaan. De gemiddelde bedrijfsgrootte steeg door het ontbreken van o ­ pvolgers van achttien hectare in 1991 tot 25 hectare in 1999. Bedrijfseconomisch gezien is deze oppervlakte nog steeds verre van toereikend om er een g ­ ezinsinkomen uit te halen. Aanvankelijk lag bij het kusttoerisme het accent op Domburg en Zoutelande; vanaf de jaren z­ estig ­ontwikkelden ook Oostkapelle en Vrouwenpolder zich tot echte toeristenplaatsen. De nadruk lag er steeds op het gezinstoerisme, wat de recreatie een rustiger aanzien gaf dan bijvoorbeeld in Domburg, waar ­veel­ ­jongelui vertoefden. Als er op Walcheren al weerstand was tegen toerisme, was die kort van duur: de ­economische noodzaak ervan voor de r­egionale ­economie was ook rond 1960 al overduidelijk.


7.6 De ontwikkeling van boerderij tot grootschalig kampeer­ terrein van Camping Dishoek.

7.7 A

A Foto uit de eerste helft van de jaren vijftig. Direct aan de duinvoet liggen de kleine landbouwperceeltjes.

7.7 B De Langeweg enkele jaren later, ten tijde van deze foto Strandweg genoemd. De na de verhardingswerkzaamheden aangebrachte beplanting is goed aangeslagen.

B

De Langeweg te Vrouwenpolder- nu de Fort den ­Haakweg- kort nadat deze in 1934 verhard werd.

Later begon men bij de boerderij een minicamping.

Nu is het één van de grote kampeerterreinen aan de z­ uidwestkust. C

7.7 C De Fort den Haakweg in 1950. Er is geen nieuwe ­beplanting aangebracht. 7.7 D

Huidig beeld van de Fort den Haakweg.

289

­ oogstens liep de komst van campings wat vertraging H op in de toenmalige gemeente Meliskerke, waar de SGP beducht was voor aantasting van het ingetogen karakter van het dorp. Naast de gewone kampeerterreinen en het kamperenbij-de-boer zijn er langs de kust aanzienlijke zomerwoningcomplexen tot stand gekomen. Ook deze ­ontwikkeling begon schoorvoetend. De oudste en aardigste zomerwoningcomplexen zijn Breezand I bij Vrouwenpolder en het Vebenabos bij Dishoek.

7.7 A

7.7 B

7.7 C

7.7 D

breezand De ontwikkeling van het Park Breezand I dateert al van voor de oorlog. De Langeweg, nu de Fort den Haakweg, werd al in 1934 verhard. De prijs voor een macadam­weg was 2.500 gulden, voor een klinker­ weg was dat 4.100 gulden. Uit de notulen van ­Burgemeester en Wethouders blijkt dat voor een ­macadamweg werd gekozen. Toch lag er rond 1938 een klinkerweg van 2,50 meter breed. (7.7 A/B/C/D)


â&#x20AC;&#x2122;t Hof Elizabeth was een van de eerste agrarische ­ edrijven met een toeristische neventak. De foto dateert uit b 1938.

7.8

7.9 A/B/C/D Beelden van recreatie in de Vrouwenpolderse binnenduinrand, met tussenpozen van enkele decennia.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

290

7.8


291

Rond 1930 werd in Vrouwenpolder al een VVV ­opgericht en ontstonden de eerste pensions, onder andere in het Hof Elisabeth van de familie A. Mesu aan de Noorddijk. (7.8) De kosten voor vol pension ­waren 2,50 gulden per persoon per dag. Er was plaats voor twee families, met elk een woonkamer beneden en slaapkamers op de zolder. Het ‘stilletje’ bevond zich in de tuin achter het huis! In het vroon werd g ­ ekampeerd in houten dagtenten, buiten gebruik zijnde kippenhokken en kampeerwagens.72 (7.9A/B/C/D)

7.9 A

7.9 B

7.9 C

7.9 D

In juni 1933 gaf de gemeente Vrouwenpolder aan op welke plaatsen in het vroongebied zomerwoningen ­gebouwd mochten worden. De eerste planologische regelgeving schreef al ruime onderlinge a ­ fstanden van de huizen voor. “Langs den verharden weg ­mogen ­zomerwoningen worden gebouwd met een ­onder­lingen afstand van ten minste twintig meter en daar, waar een zoodanige weg ontbreekt, dus in het o ­ nderhavige geval langs den duinvoet- met ­onderlinge afstand van tenminste tachtig meter.”


7.10 Hosa Semna en Duinrust waren de eerste zomer­ woningen die in het vroon werden gebouwd. De foto’s dateren ­waarschijnlijk uit 1934. A Hosa Semna. B Duinrust. C/D Hosa Semna en Duinrust bestaan nog steeds.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

292

7.10 A

7.10 B

7.10 C

7.10 D

Op 7 juli 1933 kwam de eerste aanvraag voor de bouw van een zomerwoning op perceel A419. In dat zelfde jaar volgde de bouw van het Zeepaardje en Hosa Semna. Dit laatste huis stond midden in het vroon. Het vee werd door middel van een hekwerkje van de gevel gehouden. (7.10 A/B/C/D) In 1934 werd Duinrust gebouwd. Voor 1940 k­ wamen er nog twee huizen bij, Vreugduin en de Wijde Blik. In het totaal stonden er voor de oorlog zes ­vakantiewoningen. Zij vormden het prille begin waaruit na de oorlog het Park B ­ reezand I is voortgekomen.


De situatie rond 1953/54: de eerste woningen volgens het plan van Duintjer zijn gerealiseerd. 7.11 B Luchtfoto van begin jaren zestig. Breezand I was voltooid en de beplanting - ontworpen door C.P. Broerse begon ­structuur te krijgen. 7.11 C Het park is nog zeer in trek; de opzet van de jaren vijftig biedt nog steeds een bijzonder recreatief product. 7.11 D Nog altijd ademt het park Breezand I een gevoel van ruimte. 7.11 A

293

Het park is ten opzichte van r­ecentere Walcherse vakantiewoningcomplexen ruim van opzet en er heerst een sfeer van wonen-in-het-bos. Al voor de oorlog gaf het provinciaal bestuur aan dat niet volstaan kon worden met een ­verordening, maar dat voor Vrouwenpolder een volwaardig ­uitbreidingsplan moest worden gemaakt, waarin de vakantie­woningen in het Vroon meegenomen ­moesten worden. Met het oog op landschapsschoon en ­efficiëntie ging de voorkeur van de Provincie uit

7.11 A

7.11 B

7.11 C

7.11 D

naar een meer ­concentrische ontwikkeling. “Een te ­verspreide b ­ ebouwing vormt een gevaar voor de duinen en kan vanuit oogpunt van landschapsschoon bezwaarlijk zijn.” En: “[…] immers alleen bij een min of meer concentrische bebouwing zal het mogelijk zijn om de woningen aan te sluiten op het elektriciteitsnet en de waterleiding.” De Snelcommissie Walcheren had in haar advies nog grote bedenkingen tegen deze ontwikkeling en wilde de bouw in de directe binnenduinrand beperken tot een aantal villa’s.


7.12 Breezand II is gebouwd volgens een veel individueler concept: huisje met tuintje en weinig of geen openbare ruimte. 7.13 A In 1948 begon Jac. Duvekot de ­Theeschenkerij ­ uinoord. Deze theeschenkerij was een economische D ­afgeleide van de ontwikkeling van Breezand I.

De als onderdeel van de Deltawerken gerealiseerde Veersegat­dam (1961) maakte Walcheren vanuit de Randstad veel beter bereikbaar. Vrouwenpolder veranderde van een perifeer dorp tot entree van het eiland Walcheren.

7.14

A

Beeld uit 1962.

Deze foto is van enkele jaren later, toen de Randstad de nieuwe mogelijkheden werkelijk had ontdekt.

B

Later kwam hieruit het gelijknamige Hotel Café ­ estaurant voort. R

7.13 B

C

Beeld van de huidige situatie op dezelfde plek.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

294

7.12

7.13 A

7.13 B


295

Uiteindelijk kreeg architect M. Duintjer uit Amsterdam na de oorlog de opdracht om het uitbreidingsplan voor de dorpskern van Vrouwenpolder en het zomerwoningterrein op te stellen, dat - in afwijking van het advies van de Snelcomissie - wel in de binnenduinrand werd geprojecteerd. Duintjer kwam in eerste instantie met het voorstel om 80 woningen in het Vroon te plaatsen. Door de Provinciale Planologische Commissie werd dit aantal teruggebracht tot 65. De woningen werden ­verspreid in het terrein geplaatst dat verder grotendeels bebost werd. Tuinen waren taboe: de woningen, bos en gras moesten het beeld bepalen. (7.11 A/B/C/D) In de toelichting op het plan werd aangekondigd dat het terrein van het voormalige Fort Den Haak bestemd werd voor kampeerterrein. “Het zomerwoningterrein zal rijkelijk beplant worden met bomen en struiken…” Dat gebeurde door de Stichting Nieuw Walcheren aan de hand van het beplantingsplan van landschapsarchitect C.P. Broerse. Er werd bewust voor gekozen om de grond in ­erfpacht uit te geven. “Door deze werkwijze kan in ieder ­geval voorkomen worden dat de gebruikers naar eigen i­nzicht omheiningen, bloementuintjes en ­dergelijke z­ ullen plaatsen of aanleggen, waardoor de ­ontwikkeling van het gehele terrein in handen van het gemeentebestuur blijft.” Al in 1960 ontwierp ir P.J. ’t Hooft een groot ­uit­breidingsplan bij het park. Ondanks de slogan “Voor een ton in de zon” werd er tot begin jaren ­negentig weinig verkocht en gebouwd. Toen kwam de grond in handen van René C ­ olthof. Hij zag kans om in een paar weken de nog niet gebouwde woningen met behulp van een brochure te verkopen. De opzet en uitstraling van Breezand II is wezenlijk anders dan van Breezand I. De woning­dichtheid is veel groter, de huizen kregen individuele tuintjes en er werd gebouwd in witte breuksteen. De discussie over ‘witte schimmel’ met betrekking tot de uitbreiding van dorpen is mede door de bouw van Breezand II gevoed. Een belangrijk verschil tussen de beide parken is, dat Breezand I ruimtelijke beleving aan Walcheren heeft toegevoegd, in de sfeer van wonen-in-het-bos. ­Breezand II neemt slechts ruimte in en voegt geen belevingsaspecten toe. (7.12, 7.13 A/B, 7.14 A/B/C)

7.14 A

7.14 B

7.14 C


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

296

7.15 A

7.15 B

7.15 C

7.15 D


Net opgeleverde vakantiewoning in het Vebena ‘bos’, vroeg in 1953.

7.15 A

7.15 B Het Vebenabos in de beginjaren; de woningen waren nog dominant ten opzichte van het aangeplante bos. Op deze foto is de boerderij van Schout nog te zien.

Schout besefte dat er voor hem nieuwe mogelijk­ heden ­waren en begon later de supermarkt, die op deze foto te zien is.

7.15 C

7.15 D

Dit is de Spar die nu nog steeds aanwezig is.

297

vebenabos Het Vebenabos ademt wellicht nog meer dan ­Breezand I de sfeer van wonen-in-het-bos. Ook hier is bewust gekozen voor huizen zonder individuele tuinen. De in het leven geroepen Stichting Nieuw Walcheren (tot bevordering van Walcherens welvaart) voerde een actie met het devies: “Plant een boom op Walcheren”. Er werd voor ruim 80.000 bomen ingetekend. In dit kader is de aanplant van het zeven hectare grote Vebenabos ten zuiden van Dishoek aangeboden door de Vereeniging ter Behartiging van de Nederlandsche Aardappelhandel (V.B.N.A.). De gift die de aanleg mogelijk maakte, bedroeg 23.517 gulden. Als onderstichting van de Stichting Nieuw Walcheren werd op 25 mei 1949 de Stichting het Vebenabos ­opgericht. Deze stichting had ten doel vakantie­ woningen te bouwen in het een jaar eerder al door de gemeente Koudekerke aangelegde bos en er zorg voor te ­dragen dat de bossfeer van het park met de vakantie­woningen behouden zou blijven. De keuze om hier in de binnenduinrand een vakantiewoningenpark te realiseren, was ingegeven vanuit het advies van de Snelcommissie. De Snelcommissie was uiterst terughoudend als het ging om de o ­ ntwikkeling van Dishoek. Het werd ongewenst geacht Dishoek te laten uitgroeien tot een echte badplaats: In dit licht stelde de commissie voor een golfterrein en een ­zomerwoningterrein aan te leggen. Het golfterrein is er nooit gekomen, het zomerwoningterrein wel. Ook de gemeente Koudekerke speelde een actieve rol in het totstandkomen van het vakantiepark. In het bos waren open ruimten uitgespaard waarin de zomerwoningen gebouwd konden worden. Dit g ­ ebeurde bewust gefaseerd, ondanks de ruime b ­ elangstelling voor de kavels. Op een gegeven m ­ oment was de interesse zo groot dat het bestuur een optieregeling instelde. Vanaf 1950 kon er voor vijf gulden per jaar een optie op een bouwkavel genomen worden. Vanwege toenemende belangstelling werd het optiebedrag in 1952 verhoogd naar 25 gulden per jaar. Het beplantingsplan voor het park was net als bij Breezand I ontworpen door C.P. Broerse. Of B ­ roerse

ook de ontwerper was van het gehele park, is niet helemaal duidelijk. Er is een uitbreidingsplan73 van het park bekend dat in 1954 is getekend door Arend R ­ othuizen van het Middelburgse architecten­ bureau Rothuizen. De uitbreiding had betrekking op gronden aan de oostzijde van het park die eerder niet ­verworven konden worden. Dit uitbreidingsplan bouwde volledig voort op het reeds bestaande ­stramien van het park. Broerse tekende vervolgens voor deze uitbreiding opnieuw een beplantingsplan. De beplantings­ontwerpen van Broerse kenmerkten zich door een uitgebreide soortenlijst, waarin wel 29 boom- en struiksoorten voorkwamen! Eik werd het meest aangeplant, gevolgd door berk, esdoorn, haagbeuk, iep, wilg, abeel, es, beuk en ­ratelpopulier. Liguster was favoriet in de onder­ beplanting, gevolgd door – in afnemende a ­ antallen – meidoorn, lijsterbes, kornoelje, krent, Gelderse roos, katwilg en wegedoorn. Maar ook soorten als vuilboom, vlier, geoorde wilg, sleedoorn, hondsroos en e ­ gelantier werden in nog kleinere aantallen aangeplant. Veel van de oorspronkelijk aangeplante soorten zijn nu niet meer terug te vinden. Zo is de iep vanwege de iepziekte volledig verdwenen en hebben minder sterke soorten de concurrentie met sterke groeiers niet ­overleefd. Het huidige beplantingassortiment van het Vebenabos wordt gedomineerd door eik, esdoorn, abeel en es. In de onderbeplanting is meidoorn en liguster dominant aanwezig. De aanleg van het park liet particuliere tuinen niet toe. “Planten en bloemen die in een siertuin p ­ assen zijn niet goed voor het Vebenabos”, zo liet het b ­ estuur van de stichting in 1958 in een schrijven74 aan de bewoners weten. Deze brief ging vergezeld van een lijst met i­nheemse planten, waarvan het planten door de huizen­bezitters moest worden gestimuleerd. Op deze lijst kwamen soorten voor als lievevrouwe­bedstro, diverse sleutelbloemen, gele dovenetel, holwortel, ­eikvaren, mannetjes- en wijfjesvaren, brunel, klaverzuring, r­obertskruid en hondsdraf. Deze op zichzelf - plantensociologisch - wat merkwaardige lijst was opgesteld door Broerse, die veel belangstelling had voor de kruidenlaag in het bos. (7.15 A/B/C/D, 7.16 A/B)


7.16 A

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

298

7.16 B


7.16 A Vebenabos, gezien vanaf de duinen bij Camping Dishoek. 7.16 B Het concept wonen-in-het-bos is het leidende principe van het Vebenabos. Het bos is openbaar toegankelijk en daardoor voor iedereen beleefbaar.

7.17 Zowel Kustlicht I als II nemen net als Breezand II vooral ruimte in. Wellicht geldt dit nog meer voor Kustlicht I dan voor II, hoewel de bedoelingen van een ‘duinpark’ maar ­fragmentarisch tot uiting komen. A Zicht op Kustlicht I vanaf de duinen, met de rode daken van Kustlicht II op de achtergrond. B

Kustlicht II.

299

Breezand I en het Vebenabos kenmerken zich door een eenvoudige opzet, zowel wat betreft de ­architectuur van de woningen als de landschaps­ architectonische opzet. De uitbreidingen van B ­ reezand in de jaren tachtig kwamen op basis van een veel individuelere verkaveling tot stand. Ze zijn dichter bebouwd en missen de landschappelijke t­oegevoegde belevingswaarde van de oudere parken. Deze ­parken zijn, net als bijvoorbeeld Kustlicht I en II bij ­Zoutelande, te beschouwen als nieuwbouwwijken in het buitengebied. (7.17 A/B) Aanvankelijk waren vooral de Walcherse stranden de trekpleister voor het massatoerisme; later ­werden daar meer elementen aan toegevoegd. Aan het in 1961 ontstane Veerse Meer werden op Walchers grondgebied twee jachthavens ontwikkeld: in de oude stadshaven van Veere en ten westen van het stadje. Tegen het einde van de vorige eeuw groeide de ­belangstelling voor de groene ruimte. In de doorsnee vakantieperiode kreeg het rustige genieten van natuur en landschap een plek. Daar speelde de gemeente Veere op in met het aanleggen van een netwerk van fietspaden. Daarnaast bleef Middelburg met zijn monumentale binnenstad steeds een belangrijke publiekstrekker, zowel voor de verblijfstoeristen als voor de dagjesmensen. Vlissingen, waar in de jaren zestig en zeventig veel monumentale panden waren ­gesloopt, trok vanaf de jaren negentig veel b ­ ezoekers die afkwamen op het maritieme verleden. De stad herbergt zowel een maritiem muZEEum als het ­maritiem attractiecentrum Het Arsenaal.

7.17 A

7.17 B


groei van steden en dorpen Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

300

De babyboom, het vestigingsoverschot en de ­verkleining van huishoudens betekenden een hausse in de naoorlogse woningbouw. Er was veel ruimte mee gemoeid. Dat gold vooral voor de steden M ­ iddelburg en Vlissingen. De eerste ontwikkelingen staan in hoofdstuk 6 beschreven, maar ook daarna verliep de groei voor Walcherse begrippen stormachtig qua ruimtebeslag en die groei liet ook de Walcherse ­dorpen niet ongemoeid.

Prooyens park

Klarenbeek

Veersepoort

Nieuw Middelburg

Ramsburg

Griffioen

middelburg

Binnenstad

t Zand

Kort na de Tweede Wereldoorlog maakte M. D ­ uintjer een uitbreidingsplan voor Middelburg. (7.18 A/B) Hierin was voorzien in een rondweg en in een groei van de stad volgens het vingermodel, ­waarbij de ­stads­uitbreidingen gescheiden werden door groene ­ruimten.

Arnestein Breewijk

Dauwendaele

Veldzigt

Stromenwijk

Magistraatwijk Mortiere

Erasmuswijk

Reyershove

7.18 A

7.18 B

In de jaren vijftig werd als één van de eerste g ­ rotere naoorlogse nieuwbouwwijken de S ­ tromenwijk ­gerealiseerd. º(7.19) Het stedenbouwkundig plan van deze wijk was van architect Piet Götzen. Vanaf het ­midden van de jaren vijftig heeft hij veel in Z ­ eeland en daarbuiten gebouwd. Zo realiseerde hij in de jaren zestig meer dan 2000 woningen. Gevormd in de ­weder­opbouw­stijl van de Delftse School ­ontwikkelde hij zich in die periode tot een radicaal modernist. Andere woningbouwprojecten van hem in M ­ iddelburg waren de Statenlaan en de flats aan de N ­ assaulaan. (7.20) Horizontale belijning waarin de dakrand een ­belangrijke rol speelde en licht hellende daken zijn kenmerkend voor zijn werk. Hij was verder een ­meester in standaardisatie, hetgeen noodzakelijk was ­gezien de omvang van het door hem g ­ erealiseerde bouwvolume. Door samenwerking met het Bouwbedrijf De Delta, dat in 1962 was ontstaan uit een ­oorspronkelijk Gronings bouwbedrijf dat kort na de oorlog een nevenvestiging in Zeeland stichtte om woningen en boerderijen te (her)bouwen, realiseerde Götzen overal in het land wijken die er net zo uitzagen als de M ­ iddelburgse Stromenwijk, onder andere in ­Groningen, Assen en Purmerend. Naast grootschalige volkswoningbouwprojecten o ­ ntwierp Götzen ook de Middelburgse Schouwburg aan het Molenwater en diverse particuliere woningen. (7.21)


7.18 A

Overzicht van de Middelburgse wijken.

De modernistische stijl die Götzen kenmerkt, komt in de flats van de Statenlaan goed tot uiting.

7.20

Schematische weergave van Middelburg met de ­ itbreidingsgebieden en de geplande rondweg in het u ­uitbreidingsplan van 1941 van M. Duintjer. Duidelijk is hierin het vingerstadmodel te herkennen.

7.21 De op een bolwerk gebouwde Middelburgse ­Schouwburg, naar ontwerp van Piet Götzen.

Karakteristiek beeld van de woningbouw in de door Piet Götzen ontworpen Stromenwijk.

7.22 Parkeerpleintjes, een intern labyrint en verborgen groen­voorzieningen kenmerken het Johannes Post K ­ wartier, onderdeel van de in de jaren zeventig gebouwde wijk ­Klarenbeek.

7.18 B

7.19

301

Het nieuwe gedeelte van de wijk Griffioen is in de jaren zeventig door de gemeente zelf ontworpen. Het eerste gedeelte - tegen de Laan der ­Verenigde Naties - ­kenmerkt zich door een eenvoudige ­verkaveling met doorzonwoningen, aangevuld met hoogbouw van een bescheiden karakter. Het meer op de overgang naar het buitengebied gelegen gedeelte b ­ estaat voor het overgrote deel uit vrijstaande villabouw met een sterk individueel karakter. Gescheiden door een groene ruimte werd ten noorden van G ­ riffioen – ook in de ­jaren zeventig – de wijk Klarenbeek

7.19

7.20

7.21

7.22

­ ebouwd. Dit stadsdeel bestaat voor een groot deel g uit op ­relatief grote kavels door individuele opdrachtgevers ­gerealiseerde, vrijstaande villa’s. Daarnaast zijn er ­enkele projectmatig gebouwde ­woonblokken, waar­onder het door Rothuizen ’t Hooft ontworpen buurtje met daarin het Johannes Post Kwartier. (7.22) Deze buurtjes ademen helemaal de geest van de jaren zeventig: gele b ­ aksteen, parkeerpleintjes en een vrij complexe, bijna doolhofachtige interne ­structuur, waarin bescheiden groenvoorzieningen zijn ­opgenomen.


Beeld van een ‘knus’ voetgangersstraatje in de ­Diamantwijk, achter het Middelburgse station.

7.23 A

In de tegenpool van het straatje, de pleintjes achter de ­woningen, is de auto vrij dominant aanwezig.

7.23 B

7.24 Jos Jobse, de architect die verantwoordelijk was voor het ontwerp van de Diamantwijk, ontwierp ook particuliere woningen zoals deze villa aan de Noordweg in Sint Laurens. 7.25 In andere delen van de wijk Dauwendaele is het opvallend dat echte voorkantsituaties ontbreken, waardoor schuurtjes en auto’s het straatbeeld bepalen.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

302

7.23 A

7.23 B

7.24

7.25

Ten oosten van het Kanaal – in het stadsdeel dat merkwaardig genoeg Middelburg-Zuid wordt ­genoemd - werd eind jaren zeventig direct achter het station de door architect Jos Jobse ontworpen Diamantwijk gebouwd. Deze wijk is eveneens typerend voor de jaren zeventig. Bewust werd een sfeer van kleinschaligheid en knusheid gecreëerd, met smalle straatjes en pleintjes. Auto’s werden uit de voorkanten van de wijk geweerd. Ook het idee van het woonerf, in dit geval autovrij, was in de opzet verweven. De binnen­ruimten achter de woningen werden bestemd

voor parkeren. Dat maakte de aanwezigheid van auto’s daar nogal dominant. (7.23 A/B, 7.24) Ook in andere delen van de wijk Dauwendaele, die ontworpen zijn door bureau Berghoef-HondiusLamers, komen veel woonerven voor. De sfeer is hier minder knus dan in de wijk van Jobse. De auto is hier wel geïntegreerd in de wijk aanwezig. (7.25) De Meanderflat in Dauwendaele is ontworpen door prof ir J.F. Berghoef. In de jaren zestig had het ­bureau Berghoef-Hondius-Lamers een E ­ ngels beton­skelet, het zogenaamde Airey-systeem in


De inmiddels gerenoveerde Meanderflat van Berghoef is een van de weinige hoogbouwblokken van Dauwendaele. De flat is in totaal zo’n 390 meter lang. Als voorbeeld van een ­megastructuur van de jaren zeventig gaat er nu voor Walcheren al bijna monumentale waarde van uit.

7.26

7.27 A/B De uitbreiding van de Abdij en de herbouw van het ­ olderhuis, beide ontworpen door Berghoef, passen in de P geest van de wederopbouw van Middelburg. C Het provinciale kantoor van de Directie Ruimte Milieu en Water aan de tangent - ontworpen door Hondius - ademt een veel modernere sfeer.

303

Nederland ­geïntroduceerd en verder ontwikkeld. In de ­weder­opbouw­periode na de Tweede Wereld­ oorlog werd vanwege de schaarste aan materiële en financiële middelen geëxperimenteerd met nieuwe, ­industriële bouwwijzen. De Meanderflat was d ­ aarvan een r­esultaat. Achteraf was Berghoef er niet zo ­gelukkig mee. (7.26) Ook de uitbreiding van de Abdij, de nieuwbouw van het Polderhuis Walcheren en het politiebureau zijn ontworpen door Berghoef. Het gebouw van de

7.26

7.27 A

7.27 B

7.27 C

­ irectie Ruimte Milieu en Water van de provincie d ­Zeeland, met een bijna nieuw zakelijk karakter, langs de ­Middelburgse tangent is van de hand van ir J.F. Hondius. (7.27 A/B/C)


7.28 A De tangent uit de jaren zeventig, een verkeers­ doorbraak langs de binnenzijde van de b ­ ol­werken.

De tangent loopt door de achtertuin van de Kloveniers­doelen: een nieuwe tuinmuur scheidt het ­monument van de infrastructuur.

7.28 B

Doorzonwoningen, opgetrokken uit lichte baksteen, bepalen het karakter van de Magistraatwijk, samen met het een­voudig opgezette maar prettig aandoende stratenplan.

7.29 A

7.29 B Een nieuw, recent gebouwd centrum heeft de wijk een echt hart gegeven.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

304

7.28 A

7.28 B

7.29 A

7.29 B

De aanleg van de tangent was, mede door stads­uitbreiding, een noodzakelijk geworden verkeers­ doorbraak. Het noord-zuidverkeer kon zo langs het centrum worden geleid. De tangent snijdt als het ware langs de bolwerken en heeft diverse ­voor- en achterkantsituaties nogal op zijn kop gezet. Tot op de dag van vandaag is dit z­ ichtbaar, onder andere bij achtertuin van de ­Kloveniersdoelen, die met een noodmaatregel in de vorm van een toen gebouwde t­uinmuur van de ­tangent werd gescheiden. (7.28 A/B)


Luchtopname van Middelburg-Zuid met de wijken Reyershove en Erasmuswijk op de voorgrond, verder naar achteren de Magistraatwijk en Dauwendaele. De groene voorgrond maakt deel uit van de Geledingszone, het laatste open stukje tussen Middelburg en Oost-Souburg.

7.30

305

7.30

De Magistraatwijk aan de westkant van de Schroeweg kwam tot stand naar een ontwerp van Bert Klunder uit Rotterdam. Het is de grootste wijk van M 足 iddelburg geworden. Ook in deze wijk stond de bescheiden doorzonwoning van de jaren zestig centraal. Het stratenplan is nog eenvoudig van opzet. Voor- en achterkantsituaties zijn eenduidig ontworpen. De wijk heeft een aangename afwisseling van straten en groene pleintjes. De enige hoogbouw die in het plan was opgenomen, waren twee flatgebouwen aan de Rentmeesterlaan en de J. van Reigersbergstraat.

Deze flatgebouwen en een klein winkelcentrum zijn 足inmiddels gesloopt en h 足 ebben plaatsgemaakt voor een nieuw (winkel)hart van de wijk, dat is ontworpen door Van Aken Architectuur. (7.29 A/B, 7.30)


7.31 De in de jaren tachtig veel gebruikte witte breuksteen leidde er toe dat Nederland werd overspoeld door ‘witte schimmel’. Deze trend is niet aan Middelburg voorbij­gegaan. De foto is gemaakt in de wijk Reyershove.

De uitbreiding van de Middelburgse jachthaven is in het Maisbaai-project geïntegreerd.

7.32

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

306

7.31

De wijk Reyershove laat als typisch product van de jaren zeventig en tachtig een heel ander beeld zien. De eenvoud is uit het stratenplan verdwenen en de witte breuksteen heeft de plaats ingenomen van de lichtkleurige baksteen, die kenmerkend is voor de Magistraatwijk. (7.31) De Erasmuswijk uit de jaren negentig bouwde voort op de trend van Reyershove. Het stratenplan is ­ingewikkeld en er komen veel doodlopende wegen in voor, waaronder zelfs de hoofdweg van de wijk, de Amnestylaan.

Nadat Vitrite (een onderdeel van het Philipsconcern) verhuisde naar het industrieterrein Arnestein, kwam aan de Loskade ruimte vrij. Deze prachtig aan het Kanaal gelegen locatie is ingevuld met woningbouw. Hierbij is er niet voor gekozen om de structuur met de herenhuizen van de Loskade door te t­rekken. Het ­stedenbouwkundig plan van het Maisbaai­project was van de architecten Aldo van Eijck en Theo Bos. Het voorzag in de bouw van appartementen­ complexen die zo veel mogelijk op het kanaal ­werden ­georiënteerd. Het eerste complex is ingevuld met


307

7.32

s­ ociale ­woningbouw (ontworpen door architect Guus van ­Bebber). De overige delen die bestaan uit luxere koopappartementen, zijn ontworpen door ir Lucien Lafour. In het Maisbaaiproject was ook een nieuw ­stedelijk museum voor moderne kunst o ­ pgenomen. Dit ­museum, 13/9 gedoopt naar aanleiding van de stemverhoudingen waarmee het a ­ anvankelijk in de ­gemeenteraad was aangenomen, is er nooit g ­ ekomen. Het ontwerp van Aldo van Eijk, met m ­ edewerking van Karel Appel, heeft de ­gemoederen jarenlang beziggehouden. De financiën speelden h ­ ierbij een

hoofdrol. Het o ­ orspronkelijke plan ­voorzag op de punt (tegenover De Punt) in de bouw van een hotel. Ook dat is er nooit gekomen. Hiervoor in de plaats werd in ­Middelburg-Zuid Hotel Arneville gebouwd. Het plan heeft door het verlies van deze functies aan levendigheid ingeboet, die nu alleen nog van de jachthaven komt die in het plan was o ­ pgenomen. (7.32)


7.33 De Veerse Poort is opgezet rond het centraal g ­ elegen wijkpark. De woonhoven zijn allemaal langs dit park ­gesitueerd, terwijl de ‘vrije bouwers’ keurig zijn afgezoomd met een randje architectuur.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

308

7.33

In 1999 werd gestart met de bouw van de nieuwe woonwijk Veerse Poort. (7.33) Architectuur­studio ­Herman Hertzberger tekende het masterplan voor de wijk, n ­ adat eerdere plannen van Theo Bos, waarin ­hoogbouw was opgenomen de eindstreep niet ­haalden. Het ontwerp voor de Veerse Poort is ­opgebouwd rond een reeks van woonhoven die aan een grote, schuin vormgegeven waterpartij zijn ­gekoppeld. De Veerse Poort heeft een autonome structuur waarin het park – ontworpen door Bosch Slabbers – en de waterpartij een centrale positie ­innemen. Ten opzichte van a ­ ndere recente woonwijken zijn in de Veerse Poort meer eigentijdse architectuurexperimenten opgenomen. De wijk paart de hand van de oude meester Herman Herztberger – hij voerde ook het supervisorschap – met de inbreng van jonge ­architecten als het Laboratorium voor Architektuur.


7.34

Ontwikkelingen in het Stationsgebied:

A Het kantoor van de Directie Zeeland van Rijkswaterstaat, gebouwd langs lange lijn. Architectenbureau Paul de Ruiter. B Het kantoor van het Waterschap Zeeuwse Eilanden, robuust en sculpturaal langs het Kanaal. Bureau Rothuizen Van Doorn ’t Hooft. C Het Stadskantoor van Middelburg – als een afgemeerd schip – van Thomas Rau.

309

Na een tijd van relatieve rust verscheen in o ­ ktober 1998 de Kwaliteitsatlas voor Middelburg, die ­stedenbouwkundige Riek Bakker in opdracht van de gemeente had gemaakt. Hierin werd een beeld ­geschetst van Middelburg in 2030. De atlas stopte niet bij de grenzen van de gemeente, maar keek ook naar de context van de stad binnen Walcheren. Onder het motto ‘stilstand is achteruitgang’ pleitte zij voor een groei van de stad naar 56.000 inwoners. De stad telde op dat moment zo’n 45.000 inwoners. Deze groei was ­volgens Bakker noodzakelijk om het voorzieningenniveau in c ­ oncurrentie met andere plaatsen in de regio op peil te houden. De b ­ elangrijkste planonderdelen waren de o ­ ntwikkeling van het stationsgebied, de bouw van de woonwijk de Mortiere en de ontwikkeling van een waterrijk woon­gebied ten noorden van ­Arnemuiden. Het Veerse Meer werd hierdoor ten koste van veel landbouw­ gebied naar b ­ innen gehaald. Vooral vanwege het ‘opofferen’ van deze landbouwgrond is dit onderdeel van de Kwaliteitsatlas gesneuveld. Thans is de door het stedenbouwkundig b ­ ureau Wissing ontworpen woonwijk Mortiere in aanbouw. Het stationsgebied waarvan het masterplan is g ­ emaakt door Jaap van den Bout (Palmboom & Van den Bout stedenbouwkundigen) is grotendeels gerealiseerd. Hier zijn belangrijke nieuwe gebouwen tot stand gekomen, waaronder het kantoor van de ­Directie Zeeland van Rijkswaterstaat, ontworpen door Paul de Ruiter, het kantoor van het Waterschap Zeeuwse ­Eilanden, waarvan Taco Tuinhof van Bureau Rothuizen Van Doorn ’t Hooft de architect was, en het Stads­kantoor van Middelburg, ontworpen door Thomas Rau. (7.34 A/B/C) Het stations­gebied is hiermee opgebouwd uit forse g ­ ebouwen langs het Kanaal door Walcheren. De schaal van de gebouwen wijkt af van de korrel van de historische bebouwing langs het Kanaal, maar in relatie tot de maat en schaal van het Kanaal zelf kan het g ­ ebied deze nieuwe maat goed aan. Eén van de ­belangrijke ­kwaliteiten van het gebied is dat het station zijn centrale en dominante positie in het geheel heeft weten te b ­ ehouden. Minder geslaagd is de voetgangersroute vanaf de stationsbrug naar het stadskantoor. Voet­ gangers en fietsers worden hier van het Kanaal afgeleid. Oorspronkelijk was er een directe fiets/voetgangersbrug vanuit de oude stad naar het Stadskantoor gepland. Deze brug is er echter nooit gekomen.

7.34 A

7.34 B

7.34 C


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

310

7.35

Vrijburg

Lammerenburg Papegaaienburg

Rosenburg

West-Souburg

Oost-Souburg

Bossenburgh Westerzicht

Paauwenburg

Middengebied

Baskensburg

Villapark

Toekomstige Kenniswerf Dokkershaven

Buitenhaven Binnenhavens

Binnenstad

Het Eiland

7.36


7.35

De Mortiere in aanbouw.

7.36

Overzicht van de Vlissingse wijken.

7.37 A Het naar de principes van de Modernen strak ­ pgezette Middengebied in Vlissingen. Op de voorgrond, o half afgesneden, het Fort met de oorspronkelijke bebouwing, naar een ontwerp van Van Tijen. 7.37 B De huidige stedenbouwkundige situatie met de nieuwe invulling van het Fort door Wisse-Tuinhof-Slemmer ­Architecten.

311

Het stationsgebied is een eigentijdse toevoeging van de stad geworden. Dit kan niet worden gezegd van de Mortiere met zijn architectuur die sterk t­eruggrijpt op de jaren dertig. De Mortiere vormt samen met de Woonboulevard en het nog te ontwikkelen gebied van het Zeeuws Evenementen Platform (ZEP) de nieuwe entree van de stad. (7.35) In het ZEP moet ondermeer een nieuwe versie van Miniatuur Walcheren een plaats krijgen, in combinatie met een op voetbal gerichte ­vermaakvoorziening. De entree van de stad heeft hiermee een uitgesproken commercieel aanzien g ­ ekregen.

vlissingen Het uitbreidingsplan voor het Middengebied is het eerste grote naoorlogse uitbreidingsplan van ­Vlissingen, ontworpen door de Rotterdamse architect Willem van Tijen. Hij was een van de belangrijkste pioniers van de volkswoningbouw in Nederland en was daarnaast een baanbrekend architect op het gebied van het ontwerpen van flatgebouwen. Niet alleen het stedenbouwkundig plan was van Van Tijen, hij heeft ook de rijwoningen ten noorden van de Singel ­ontworpen. De bouwblokken langs de Rooseveltlaan zijn van Piet Götzen. De twee-onder-één-kap ­woningen naast het Tuindorp zijn door Van Tijen o ­ ntworpen. Het voormalig Fort vormde een onderdeel van zijn ­stedenbouwkundig plan. Deze woningen zijn in de jaren tachtig van de vorige eeuw alweer gesloopt. Het Fort is opnieuw ingevuld volgens een ontwerp van Wisse-Tuinhof-Slemmer Architecten uit Vlissingen.

7.37 A

(7.36, 7.37 A/B) 7.37 B


Oorspronkelijke opzet van de wijk Paauwenburg in ­Vlissingen.

7.38 A

Ook hier is de oorspronkelijke bebouwing van ­ aauwenburg zichtbaar. Het kleurrijke kunstwerk is Familia P Beata van Bob Pingen.

7.38 B

7.38 C Nieuwe invulling van Paauwenburg. Het centraal ­ elegen hofje is ontworpen door het Laboratorium voor g Achitektuur.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

312

7.38 A

7.38 B

7.38 C

De woonwijk Paauwenburg is ontworpen door Piet Götzen. In de jaren negentig is deze gedeeltelijk ­vernieuwd, naar een plan van Ashok Bhalotra van Kuiper Compagnons. Paauwenburg kenmerkte zich in eerste aanzet door een helder opgezet stratenplan. In de latere delen die in de jaren zeventig tot stand k­ wamen en meer aan de buitenkant van de wijk ­liggen, deed ook het woonerf zijn intrede en werd de structuur minder overzichtelijk. (7.38 A/B/C) Piet Götzen was net als in Middelburg ook in ­Vlissingen actief, niet alleen met s­ tedenbouw­kundige plannen, maar ook met in het oog s­ pringende ­gebouwen. Hiervan is de Westpoortflat aan de B ­ oulevard De Ruyter in Vlissingen wel het ­belangrijkste. (7.39) Dit langgerekte gebouw bepaalt ter hoogte van de Gevangentoren voor een belangrijk deel het beeld van de Vlissingse boulevard. ­Vanwege het klimaat koos Götzen bewust voor inpandige ­balkons. Alle balkons zijn zodanig ten opzichte van elkaar verschoven dat steeds een deel van het b ­ alkon wordt overschaduwd door het daarop volgende balkon, terwijl een ander deel lege ruimte boven zich heeft. Door deze verspringingen is een dynamisch gevelbeeld ontstaan, met een ten dele overdekte ­balkonruimte waar het onder verschillende weers­ omstandigheden aangenaam toeven is. De wijken Rosenburg en Lammerenburg zijn door de stedenbouwkundigen van de eigen Gemeentelijke Dienst ontworpen. Rosenburg is concentrisch o ­ pgezet om een tot een ronde vijver vergraven deel van de Meliskerkse Watergang heen. Rond het water, centraal in de wijk, staan de duurste vrijstaande huizen. In de meer naar buiten gelegen ringen is de bebouwingsdichtheid groter. De wijken Bossenburgh en Papegaaienburg zijn ­gezamenlijk ontworpen door Jos Jobse; zowel het ­stedenbouwkundig plan als de architectuur van de wijken zijn van zijn hand. Bossenburgh was een ­co-productie van Jos Jobse en Stad en Landschap (het latere stedenbouwkundige bureau R.B.O.I.) De wijk Bossenburgh lijkt in veel o ­ pzichten meer op de ­Diamantwijk in Middelburg dan de wijk Papegaaienburg. Aan de opzet met kleine woonstraatjes zonder auto’s en aan de andere kant de pleintjes waar de geparkeerde auto’s juist dominant aanwezig zijn,


De Westpoortflat aan de Boulevard De Ruyter in ­ lissingen is in de ogen van velen een saai gebouw. V Toch kent de gevel een bijzondere ritmiek, door de p ­ laatsing van de inpandige balkons die deels twee verdiepingen hoog zijn. Bovendien winnen de balkons hierdoor enorm aan gebruikswaarde.

7.39

313

7.39

is de hand van Jobse goed afleesbaar. In de wijk Papegaaien­burg hebben de woningen nauwelijks een relatie met de hoofdontsluiting van de wijk. De ­woningen liggen vaak aan doodlopende insteek­ weggetjes, waar voor- en achterkantsitueringen vaak gelijktijdig in het straatbeeld aanwezig zijn. De vele draaiingen in het stratenplan zijn typerend voor de ­jaren zeventig. Oriëntatie in deze wijken is daardoor niet eenvoudig. (7.40 A/B)


Typerend voor de stedenbouw uit de jaren zeventig is dat op de hoofdontsluiting van de wijk geen voorkanten zijn georiënteerd. Lange lijnen ontbreken in het straatbeeld, de volgende bocht is altijd nabij. Een voorbeeld hiervan is de wijk Bossenburgh.

7.40 A

De overgang van privé-terrein naar openbaar gebied is een vergeten onderdeel van de woningbouw in de jaren zeventig en tachtig; hier een voorbeeld uit Papegaaienburg. 7.40 B

7.41 A De hoofdontsluiting van de wijk Westerzicht is breed opgezet. De stedenbouwkundige invulling van de ruimte is nogal rafelig. De ruime opzet biedt veel mogelijkheden voor verbetering. 7.41 B Westerzicht vanuit de lucht. De brede hoofdontsluiting is goed zichtbaar, evenals de groene middenzone en de groene openbare ruimten achter de woningen. 7.41 C De wijk heeft een groene sfeer aan de achterkant van de woningen en is er een centraal groengebied.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

314

7.40 A

7.40 B

De wijk Westerzicht is ontworpen door Hein ­Klarenbeek. Hij was lid van de Stichting H ­ erbouw ­Walcheren, waarbij hij veel samenwerkte met ir D. Stam, Hoofdinspecteur voor de Volks­huisvesting in Zeeland. Stam werd later Directeur Gemeente­ werken in Vlissingen. In die hoedanigheid nodigde hij Klarenbeek uit Westerzicht te ontwerpen. Westerzicht is opgebouwd uit een zeer ruim opgezette, ring­ vormige hoofdontsluitingsweg, waaraan op zichzelf staande doodlopende woonstraatjes zijn gekoppeld. Deze stenige straatjes komen uit op een centraal groengebied in de wijk. Hetzelfde geldt voor de openbare groene ruimten achter de woningen. De opzet van de wijk is hiermee onderscheidend van de andere wijken uit de jaren zeventig. (7.41 A/B/C) Vanaf 1875 had de scheepswerf De Schelde de d ­ okken en de havens van de stad geleidelijk ­omgevormd tot scheepsbouwwerf. De werf had r­uimtelijk en sociaal grote invloed op de stad. Het lawaai van de werf in de binnenstad kon soms oor­ verdovend zijn. De ontwikkeling van het scheepsbouwterrein maakte een einde aan het openbare karakter van de havens en de dokken (Tot 1868 was het deel dat Marinewerf was niet openbaar). Ruimtelijk vormde de werf een barrière in de binnenstad. Begin jaren tachtig kwam hier al gedeeltelijk een einde aan. Toen werd het centrum van de stad aanzienlijk vernieuwd. De monumentale smederij van de scheepswerf aan de Walstraat, die in feite in het centrum van de stad stond, werd gesloopt. (7.42 A/B/C) Eerder was al de ­elektriciteitscentrale (eveneens van De Schelde) aan de overkant van de straat gesloopt en ingevuld met een door Wisse-Tuinhof-Slemmer ontworpen ­appartementencomplex.


7.42 A Historische smederij De Schelde in 1975, thans is hier het Scheldeplein. 7.42 B

Scheldeplein, huidige situatie voorzijde.

7.42 C

Scheldeplein, huidige situatie achterzijde.

315

7.41 A

7.42 A

7.41 B

7.42 B

7.41 C

7.42 C


7.43 A

Lange Zelke in 1970.

7.43 B

Lange Zelke overkapt.

Voormalig Scheldeterrein, de toekomstige ­Dokkershaven.

7.44 A

7.44 B Stedenbouwkundig plan voor de Dokkershaven van VHP.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

316

7.43 A

7.43 B

Bijzonder industrieel erfgoed verdween uit de ­binnenstad en de directe band met de werf werd doorgeknipt. In de plaats van de loods kwam het ­nieuwe Scheldeplein met winkels en woningen ­erboven. Het complex heeft net als de vroegere ­smederij een ronde kop die op de stad gericht is. De woningen keren daarmee het terrein van de scheepswerf de rug toe. Aan de binnenzijde werd een ­parkeergarage gebouwd. Positief aan het plan is dat de winkelstraten Walstraat en Scheldestraat door de nieuwbouw met elkaar werden verbonden. De ­herinrichting van de openbare ruimte van de binnenstad dateert uit dezelfde periode. Onderdeel van dit plan was de overkapping van de Sint Jacobsstraat en de Lange Zelke en het aanbrengen van luifels in de Walstraat. Zowel het stedenbouwkundig plan als het herinrichtingsplan voor de openbare ruimte is ­ontworpen door Wisse-Tuinhof-Slemmer. (7.43 A/B) Met de aankoop van het Scheldeterrein door de ­gemeente in 2004 werd het terrein in zijn g ­ eheel bij de binnenstad gevoegd. Het inmiddels ‘­Dokkershaven’ gedoopte stedenbouwkundig plan van het ­Rotterdamse stedenbouwkundige bureau VHP maakt van het gebied weer een levendig o ­ nderdeel van de ­ itvoering van binnenstad. (7.44 A/B) Het gebied gaat bij u het plan niet alleen deel uitmaken van de binnenstad, maar het krijgt ook de functie van s­ tadsentree. De dokken worden in die entree weer openbaar beleefbaar. De hoofdontsluiting van het Dokkershaven­gebied ligt in het directe verlengde van de Nieuwe Vlissingseweg, langs het Kanaal door Walcheren. Hier zal een laan worden aangelegd die langs de jacht­haven en het industrieel erfgoed voert, om vervolgens via een nieuwe brug toegang te geven tot de binnenstad. Bij het stedenbouwkundig plan heeft het behoud van het industrieel erfgoed een belangrijke rol gespeeld. Dit kan voor Vlissingen gezien worden als een gelukkige trendbreuk. Dokkershaven zal volgens het ontwerp een modern onderdeel van Vlissingen worden, waarbij het maritieme verleden van het gebied niet alleen afleesbaar is aan het water, maar ook aan de inpassing van ondermeer de voormalige scheeptimmerwerf en kantoorgebouwen van De Schelde.


317

7.44 A

7.44 B


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

318

7.45 A

7.45 B

7.45 C

7.45 D


7.45 A In 1864 was de bebouwing van Middelburg en ­Vlissingen nog volledig binnen de wallen.

In 1950 was uitbreiding buiten de wallen duidelijk zichtbaar.

7.45 B

7.45 C

In 1972 groeiden de steden naar elkaar toe.

In 2005 was er nog maar weinig open ruimte over ­tussen de twee steden.

7.45 D

Voorbeelden van reeds gerealiseerde bolwerken, die de stedelijke stadsgrens moeten markeren en vastleggen. De vraag is of van deze invulling voldoende kracht uitgaat om verdere verstedelijking te weerstaan.

7.46

A Het stadsgewestelijk zwembad als ‘bolwerk’ aan de ­Vlissingse zijde. B

Het Bastion in Oost-Souburg.

319

de geledingszone Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw werd het gebied tussen Vlissingen en Middelburg a ­ angewezen als ‘geledingszone’ tussen de bebouwing van beide steden. In diverse streekplannen en visies is deze als open ruimte vastgelegd. Zo staat in het S ­ treekplan Zeeland 1997 dat agrarische en s­ pecifieke r­egionale kwaliteiten daar richtinggevend moeten zijn. In de Kwaliteitsatlas Middelburg 2030 wordt voor dit gebied eveneens gepleit voor het b ­ ehoud van ­landschappelijke openheid. De groei van de bebouwing van Middelburg en ­Vlissingen heeft bijna volledig sinds het b ­ egin van de twintigste eeuw plaatsgevonden. (7.45 A/B/C/D) In 1864 bevonden de steden zich nog volledig binnen hun vesten. Eind twintigste eeuw zijn ze ­onsamen­hangend bijna aan elkaar gegroeid, o ­ ndanks het beleid om de ruimte tussen de steden open te houden. Het ­gewenste effect van het beleid van de ­laatste ­decennia is kennelijk uitgebleven. In 1994 werd een poging gedaan om meer samenhang in de o ­ ntwikkeling van de geledingszone te b ­ rengen. De door het stedenbouwkundig bureau Kuiper ­Compagnons opgestelde visie Ieder uniek en samen sterk ging ervan uit dat de steden moesten worden afgerond met een laatste stedelijke ontwikkeling, waarbij van achterkanten voorkanten werden gemaakt. Middelburg kreeg hierbij een ‘boulevard’ en ­Vlissingen werd afgerond met ‘bolwerken’. Het tussen deze z­ ones gelegen gebied moest open en l­andschappelijk blijven. De invulling van de visie kwam tot aan de eeuwwisseling en ook in het begin van het nieuwe ­millennium maar moeizaam op gang. De bouw van het nieuwe stadsgewestelijke zwembad in 2003 zou het begin moeten zijn van een reeks van bolwerken aan de Vlissingse zijde, waarin een sportboulevard ­opgenomen zou worden. (7.46 A) Aan de Souburgse kant is inmiddels ook een ‘bolwerk’ gerealiseerd. De vorm van het aangebrachte reliëf refereert aan een historisch verdedigingswerk dat hier nooit gelegen heeft. (7.46 B) De gerealiseerde hoogteverschillen zijn bovendien zo miniem dat het geen echt vestingwerk kan zijn geweest. Een meer eigentijdse vertaling en vormgeving van het begrip bolwerk had dit bouw­ project naar een bijzonder niveau kunnen optillen.

7.46 A

7.46 B


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

320

7.47

dorpen De meeste Walcherse dorpen hadden begin jaren zestig nog hun herkenbare oorspronkelijke structuur. Bij de ringdorpen grensde de kerkring nog direct aan het agrarisch gebied. Op de kreekruggen strekten zich vanuit de kerkringen bescheiden en gevarieerd samengestelde bouwlinten uit. De bouwstroom die op gang kwam, maakte in relatief korte tijd een einde aan deze kenmerkende structuren. Er werd gebroken met de traditie van organische groei van het dorp. In plaats van jaarlijks enkele huizen aan het bebouwingslint toe te voegen, werden er net als in de steden uitbreidingswijken ontworpen. De eerste wijkjes, nog met eenvoudige stratenplannetjes, werden direct tegen de kerkring gerealiseerd. De band tussen de kerkring en het omringende agrarische landschap werd hierdoor al minder. Al snel werden de uitbreidingen omvangrijker en werden grote bebouwingsvlakken aan het dorp

t­oe­gevoegd. Deze wijken hebben hun eigen structuur los van de oorspronkelijke kenmerken van het (ring)dorp. Aan de structuur en de architectuur van de ­uitbreidingen is de tijd waarin ze zijn gebouwd af te lezen. Tot welk dorp de nieuwbouw hoort, is niet meer herkenbaar. (7.47) In de meeste Walcherse dorpen zijn de oorspronkelijke bebouwingslinten vanuit het landschap niet meer zichtbaar. (7.48 A/B/C) Ze liggen verstopt achter de uitbreidingen die in de tweede helft van ­vorige eeuw zijn gerealiseerd. Van binnen uit zijn de ­linten nog goed herkenbaar en wat betreft de b ­ ebouwing vaak nog van hoge kwaliteit. De kwaliteit van de openbare ruimte staat hiermee vaak in schril contrast. Door de toename van het autoverkeer is een groot gedeelte van de openbare ruimte door de verkeersfunctie in beslag genomen. Dit proces is geleidelijk gegaan: steeds ­opnieuw zijn er ten behoeve van de auto, of ter vermindering van de snelheid van het autoverkeer, aanpassingen aan de openbare ruimte uitgevoerd.


Aan dergelijke nieuwbouw is niet meer af te lezen in welk dorp het is.

7.47

7.48 A Het dorpslint van Brigdamme tekent zich nog 足markant af in het landschap.

Ook het dorpslint van Gapinge is nog zeer 足herkenbaar.

7.48 B

Dit in tegenstelling tot Serooskerke, waar alleen de hogere kerktoren nog herinnert aan het historische silhouet. Het lint van de Noordweg zit verstopt achter nieuwbouw.

7.48 C

321

7.48 A

7.48 B

7.48 C


7.49 A De Noordweg in Serooskerke in het begin van de twintigste eeuw. 7.49 B Deze foto is van ongeveer dezelfde plaats. Esthetiek is uit de openbare ruimte verdwenen, ten gunste van de verkeersfunctie.

De smalle profielen van de eerste uitbreidingswijk van ­Souburg sluiten goed aan bij de dorpse sfeer.

7.50

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

322

7.49 A

Deze aanpassingen kwamen grotendeels op ad-hoc basis tot stand. De dorpen hebben er een bovenmatig verkeerskundige uitstraling door gekregen. Veel van de oorspronkelijke sfeer is verdwenen door de aanleg van trottoirs, die in de plaats kwamen van de geklinkerde rabatstroken, die de overgang vormden tussen de rijbaan en de tuinen. (7.49 A/B) Voor de gemeentelijke herindeling van 1997 bestond er een Centrale Dienst Gemeentewerken, waarin de zes Walcherse plattelandsgemeenten samenwerkten. Deze dienst werd vrijwel louter bemand door civieltechnici, met als gevolg dat er weinig oog was voor de cultuurhistorische aspecten van de openbare ruimte. Koudekerke is sterk gegroeid, vooral door het op Middelburg en Vlissingen georiënteerde forensisme; Serooskerke, Grijpskerke en andere dorpen volgden in meer of mindere mate. De groei van Oost-­Souburg had vooral betrekking op de werkgelegenheid in Vlissingen en het havengebied Vlissingen-Oost. De eerste grote nieuwbouwwijk bij Oost-Souburg was ­Nagelenburg (totaal 320 woningen). Deze door ­Götzen ontworpen wijk luidde het begin in van een bijna stedelijke ontwikkeling. Voordat Nagelenburg aan het dorp werd toegevoegd, bestond Souburg a ­ lleen nog uit de bebouwing van het historische c ­ entrum rond de ringwalburg. Nagelenburg was dan ook een

7.49 B

enorme uitbreiding. Opvallend aan N ­ agelenburg zijn de heel smalle straatprofielen, die overigens wel ­aansluiten op de meer historische straatjes van het dorp. (7.50) In Veere ontstond rondom het oude gehucht Zanddijk een geheel nieuwe woonwijk. Zoutelande en Domburg zijn onder invloed van het toerisme sterk gegroeid. Bij Aagtekerke en Meliskerke moet de oorzaak van de groei voor een belangrijk deel gezocht worden bij de kinderrijke gezinnen van de reformatorisch gezindte families. Dorpen als Gapinge en Kleverskerke groeiden in beperkte mate en hebben mede hierdoor veel van hun oorspronkelijke sfeer behouden. (7.51) De in de dorpen gerealiseerde uitbreidingsplannen zijn met uitzondering van Arnemuiden grotendeels ontworpen door de Zeeuwse stedenbouwkundige bureaus R.B.O.I. en Rothuizen Van Doorn ’t Hooft. In Arnemuiden zijn veel uitbreidingsplannen van de hand van Kuiper Compagnons uit Rotterdam.

walcheren in retrospectief De naoorlogse woningbouwontwikkeling op ­Walcheren vormt een doorsnee van het Nederlandse bouwen in deze periode. Er is geen sprake van een Zeeuwse ­vertaling van modes of trends. Eigenlijk is dat ook niet zo verwonderlijk, want zo is het altijd geweest. Zo was ook de woningbouwontwikkeling van bijvoorbeeld


7.51 Gapinge heeft als een van de weinige Walcherse ­ orpen een dorpse sfeer weten te behouden. Dit komt d omdat in de Dorpsstraat - in tegenstelling tot veel andere plaatsen – geen trottoirs zijn aangelegd.

323

7.50

de wijk Nadorst in Middelburg typisch voor de jaren dertig uit de vorige eeuw, die elders in het land op veel plaatsen vrijwel identiek gerealiseerd werd. Ook de ­Middelburgse patriciërswoningen lijken op die van Amsterdam. Streekeigen bouwen moet - met ­uitzondering van het agrarisch erfgoed - daarom op zijn minst worden gerelativeerd. Door de grote snelheid en de omvang van het ­naoorlogse bouwproces werd de hechte band t­ussen het aardkundige en daarop gebaseerde bebouwings­ patroon van het eiland verbroken. Het cultuur­ historische verleden was geen inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen.

7.51


Op de achtergrond is de laanbeplanting van de Koudekerkseweg zichtbaar, ter hoogte van Steenhove. Deze beplanting is met veel moeite tot stand gekomen. Diverse stormen waren er de oorzaak van dat de aanplant keer op keer mislukte.

7.52 A

Huidig beeld van de laanbeplanting van de Koudekerkse­weg; het is een van de weinige voorbeelden van volgroeide laanbeplantingen op de Walcherse kreekruggen.

7.52 B

het erfgoed van de snelcommissie Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

324

7.52 A

Op 6 juni 1952 berichtte de H ­ erverkavelingscommissie Walcheren het College van Gedeputeerde S ­ taten dat men zover was dat de wegen overgedragen k­ onden ­worden. Maar de vraag was aan wie e ­ igendom en beheer van de wegen en zijn beplanting in handen moest worden gegeven. Het wegbeheer was voor de oorlog sterk versnipperd. De Polder ­Walcheren ­beheerde een deel en voor het overige waren de verschillende gemeenten verantwoordelijk. De ­Herverkavelingscommissie vond terugkeer naar die oude beheerssituatie geen goede zaak en a ­ dviseerde om het beheer aan één lichaam op te dragen. Men voorzag dat er van goed onderhoud door de zeer kleine gemeenten weinig terecht zou komen. Er werd een onconventionele oplossing bedacht: een ­Wegschap dat met de juridische structuur van een Waterschap verantwoordelijk moest worden voor het beheer over wegen en hun beplanting. Zo geschiedde: het Wegschap Walcheren werd op 22 december 1952

­ pgericht. Het duurde nog tot 1958 voor het beheer o van de nieuw aangelegde wegbeplanting aan het Wegschap werd toegekend. Het was geen voltooid product dat aan het beheer het Wegschap werd overgedragen: vanwege het barre klimaat waren diverse stukken beplanting niet goed aangeslagen. Het onderhoud van een groot areaal jonge wegbeplanting vraagt om een bijzondere inspanning, waarmee het Wegschap aanvankelijk veel moeite had. Gaf de Herverkavelingscommissie jaarlijks ongeveer 70.000 gulden aan onderhoud uit, het Wegschap had slechts 25.000 gulden ter beschikking. Dit was verre van voldoende om de nog onvoltooide en plaatselijk mislukte aanplant volgens het oorspronkelijk plan te voltooien. Pas met een bedrag van 100.000 gulden gedurende een periode van vijf jaar zou het plan op aanvaardbare wijze kunnen worden afgerond. In 1957 was het duidelijk dat het oorspronkelijke beplantings-


325

7.52 B

plan onvoltooid zou blijven als men op dezelfde wijze voort zou gaan. Het Wegschap heeft toen g ­ esprekken gevoerd met N. de Jonge, hoofd van de afdeling landschapsarchitectuur van Staatbosbeheer om deze instantie te bewegen het onderhoud van de ­beplanting voor zijn rekening te nemen. Staatsbos­ beheer wilde dat niet, maar het bood wel zijn diensten aan om samen stapsgewijs tot een goede structuur van het onderhoud en de heraanleg van mislukte aanplant te komen. Dat aanbod werd aanvaard en leidde tot een gezamenlijke aanpak van het reguliere onderhoud van reeds geslaagde wegbeplanting, tot plannen voor het vervangen van mislukte beplanting en tot ­plannen voor de aanleg van nieuwe beplanting. Rond 80 procent van de kosten werd door Staatsbos­ beheer ­gedragen. In 1961 werd het laatste grote beplantingsplan uitgevoerd. Ook de eerder mislukte aanplant langs de provinciale weg MiddelburgKoudekerke-­Vlissingen werd meegenomen, net als

die van de t­ertiaire wegen Seisweg, Middelburgseweg, ­Loodholseweg, Pekelingseweg en Prelaatweg. In de maanden juli en augustus van 1962 ging veel van deze jonge beplanting door felle stormen al weer verloren. Via een apart subsidiepotje werd ze in 1963 alsnog hersteld. (7.52 A/B) Niet alleen aan de financiële steun van S ­ taatsbosbeheer, vooral aan de d ­ eskundige ­adviezen van deze o ­ rganisatie is het te danken dat het ­omvangrijke ­herbeplantingsplan een succes werd. Met dank n ­ oteerde het Wegschap dat de werken in de meest prettige sfeer van samenwerking waren ­verlopen. Met spijt constateerde men ook dat niet ­alles gelukt was “het optrekken van opgaande bomen zoals in het oorspronkelijk plan was opgenomen, is grotendeels niet haalbaar gebleken. Om reden van hoge kosten is deze beplanting er nooit gekomen”. Het Wegschap stond vanaf 1964 geheel alleen voor de omvangrijke taak het grote areaal jonge beplanting te beheren.


7.53 Het fluitenkruid langs de Walcherse wegbermen is ­geïntroduceerd door de Wageningse hoogleraar Zonderwijk.

De door Jo den Herder van de firma Den Herder ontwikkelde maaibalk – de Herderarm – maakte m ­ achinaal scheerbeheer van de wegbeplanting mogelijk, met de voor Walcheren inmiddels karakteristieke heggentunnels als resultaat.

7.54

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

326

7.53

In de jaren zeventig heeft het Schap kunnen profiteren van subsidieregelingen om werklozen in te s­ chakelen. Niet alleen de beplanting, maar ook kleefkruid, distels, brandnetels en kweekgras groeiden als kool. Dit baarde vooral de boeren zorgen: ze waren bang dat ze deze onkruiden op hun akkers zouden krijgen. Het onkruid werd aanvankelijk chemisch bestreden. Het gevolg was dat op de kale grond met name een pioniersoort als kleefkruid massaal de kop op stak. Kleefkruidbestrijding kreeg vervolgens alle aandacht. Op advies van professor Zonderwijk van de Landbouw Universiteit Wageningen werd een proef genomen met het zaaien van fluitenkruid. Het fluitenkruid zou in staat moeten zijn het kleefkruid en andere onkruiden te verdringen, zo was de theorie. (7.53)

In meerdere opzichten bleek de aanleg van smalle wegen en wegbermen niet zo verstandig. Landbouw­ machines werden steeds breder, waardoor veel bermen kapotgereden werden. Daarnaast groeide de weg­beplanting fors in de breedte uit, wat noodzaakte tot het snoeien aan de wegzijde. Eerst g ­ ebeurde dit handmatig, later ontwikkelde men samen met de firma Den Herder te Serooskerke speciale ­maaibalken. (7.54) Door deze onderhoudsmethode zijn de voor het huidige Walcheren zo herkenbare heggen­tunneltjes ontstaan. Het Wegschap streefde ernaar om elke b ­ eplanting eens in de vier jaar te scheren. Deze t­ussenpoos bleek te lang, omdat er veel snel­groeiende soorten als wilg en veldiep waren aan­geplant, die trouwens voor meer onderhouds­


327

7.54

problemen z­ orgden. Ze werden zo veel mogelijk als boom opgesnoeid. Ook aan de landzijde langs de slootkanten moest het opschot periodiek worden ­verwijderd. Door de wortel­uitlopers van de veldiep dreigden veel s­ loten dicht te groeien, waardoor de water­afvoerende ­functie in ­gevaar dreigde te k­ omen. In totaal m ­ oesten er o ­ ngeveer 25.000 bomen ­periodiek worden ­op­gekroond. In de jaren zestig en zeventig g ­ roeiden de kosten van het onderhoud het Wegschap b ­ oven het hoofd. Men besloot daarom tot radicalere m ­ ethoden, waarbij wilgen en iepen tot vlak boven de grond werden ­afgezaagd. Toen reeds waren er bij het publiek ­bedenkingen tegen deze onderhouds­methoden.

De organisatie van het Wegschap was in handen van civieltechnici die van het beplantings­onderhoud weinig kennis hadden. Staatsbosbeheer zag hun onderhouds­methoden met lede ogen aan. Veel ­mogelijkheden voor subsidiëring van het beheer van weg­beplanting waren er niet. Wel bestond er de ­zogenaamde ‘Bosbijdrage­regeling’ die voorzag in de subsidiëring van boseigenaren met 70 gulden per ­hectare per jaar. Een aanvullende subsidie van 75 ­procent kon worden verstrekt als een boseigenaar voor de instandhouding van het bos onrendabele maat­ regelen (zoals verdunning van het bos) moest nemen. Onder het motto ‘In Zeeland staat het bos op de d ­ ijken en langs de wegen’ kreeg de toenmalige houtvester en landschaps­consulent ir P. de Wit het voor elkaar om het ­Wegschap als bosbeheerder te laten aanmerken. Het Wegschap beheerde ruim twee miljoen bomen en struiken, hetgeen in omvang menig bosareaal o ­ vertrof. In 1978 kwam de subsidie voor het Wegschap ter beschikking, onder voorwaarde dat er een plan voor het beheer van de beplanting werd opgesteld. Het eerste plan werd opgesteld door de Grontmij en werd in maart 1979 door Staatsbosbeheer goedgekeurd. Het beheersplan werd leidraad voor de jaarlijks op te stellen werkplannen. Het Wegschap werkte hierbij nauw samen met Staatsbosbeheer. Vooral in de eerste helft van de jaren tachtig werd op basis van het beheersplan fors in de beplanting ­gekapt. De bomen waren zo groot geworden dat de kronen al het licht op de ondergroei van s­ truiken ­wegnam, waardoor deze dreigde te verpieteren. Bomen werden uitgedund, waardoor ze op grotere afstand van elkaar kwamen te staan; de struik­beplanting werd tot vlak boven de grond gesnoeid, waarop deze jong en vitaal opnieuw kon uitlopen. Ook deze methode van onderhoud wekte weerstand op bij het publiek. De maatregelen werden niet b ­ egrepen; het werd ervaren als kaalslag. Net nu Walcheren weer iets van zijn oude beslotenheid terug had, begon het Wegschap bomen te kappen. Dit kreeg men niet a ­ nders uitgelegd dan: “Walcheren is hard aan de kapper toe”. Ook het toenmalig hoofd van de t­echnische dienst van het Wegschap ing C. Krul kwam niet verder dan “snoeien is groeien”. Vanwege ­aanhoudende protesten besloot het Wegschap met deze ‘onderhoudsmethode’ te stoppen.


7.55 Omdat het aandeel veldiep in de beplanting erg hoog was, leidde de iepziekte op Walcheren tot een gehavende beplantings­structuur.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

328

7.55

Maar hoe moest het dan wel? Deze vraag werd des te nijpender, omdat de relatief nog jonge beplanting erg vatbaar bleek te zijn voor ziekten als bacterievuur en iepziekte. Het aandeel meidoorn – gevoelig voor het bacterievuur – en veldiep – gevoelig voor de iepziekte – was zo groot dat opnieuw voor een ramp in de beplanting gevreesd moest worden. In feite had de rigoureuze onderhoudsmethode de ­situatie er a ­ lleen maar erger op gemaakt, omdat sterk ­groeiende soorten als de veldiep als ‘haren op een hond’ ­terugkwamen, ten koste van de andere soorten. Een sterk ziektegevoelige soort kreeg door de gekozen onderhoudsmethode nog meer de overhand in het areaal.

Opnieuw op initiatief van Staatsbosbeheer kwam er een plan voor de Walcherse wegbeplanting. Dit ­Landschapsbeleidsplan combineerde een ­landschappelijke visie met een beheersvisie. Het werd in 1987 opgesteld door de H ­ eidemaatschappij. Voor het eerst werd de planopstelling b ­ egeleid door een commissie waarin v­ ertegenwoordigers van m ­ aatschappelijke organisaties zitting h ­ adden. ­Belangrijke conclusie van het plan was dat er aan omvorming van de ziektegevoelige ­veldiepen niet viel te ontkomen. In plaats van de veldiep k­ onden ­gevarieerdere en beter beheersbare struik­vormende soorten worden aangeplant, zoals v­ eldesdoorn, ­kornoelje, hazelaar, liguster, k­ ardinaalshoed,


329

­ egedoorn, geoorde wilg, waterwilg, bittere wilg, w ­Gelderse roos en sleedoorn. Met deze s­ oorten zou beter dan met de veldiep een haag­achtige b ­ eplanting gerealiseerd kunnen worden. Wat b ­ etreft de ­beplanting die voor vrijwel 100 p ­ rocent uit meidoornhagen bestond, werd een p ­ eriodiek h ­ akhoutbeheer aanbevolen. Hierdoor kon de m ­ eidoorn zich verjongen en was deze minder vatbaar voor het bacterievuur. Net als het plan van de Snelcommissie ging het Landschapsbeleidsplan ervan uit dat de beplanting de hiërarchie van de wegen ondersteunde. De t­ertiaire doorgaande (hoofd)wegen kregen in deze visie een laanbeplanting, de secundaire wegen een haag­ beplanting. Voor de uitvoering van het Landschapsbeleidsplan nam het Wegschap bewust de tijd. Eigenlijk zijn in het kader van dit plan alleen relatief kleinschalige projecten uitgevoerd. Met het hakhoutbeheer voor de meidoornhagen ten noorden van Gapinge werd een serieus begin gemaakt. Maar de angst voor reacties van het publiek zat er toch een beetje in. De aandacht werd noodgedwongen overigens ook meer en meer gericht op de iepziekte. Aanvankelijk was de Rijksoverheid verantwoordelijk voor de bestrijding ervan; dit werd in 1978 vastgelegd in het Besluit Bestrijding Iepziekte. De overheid voerde een gecoördineerde campagne tegen de ziekte. De Plantenziektekundige Dienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij stelde in gebieden waar veel iepen groeiden en veel iepziekte heerste zogenaamde ‘iepenjagers’ aan. Deze ‘jagers’ spoorden de zieke iepen op, waarna het ­Wegschap ze verwijderde. Jaarlijks werden twee opsporingsrondes gehouden. De theorie achter de campagne was dat, ­wanneer consequent alle zieke bomen werden weggehaald, de ziekte geen kans meer zou hebben zich uit te breiden en zelfs uitgebannen kon worden. De ziekte ­verspreidde zich namelijk vooral via de reeds a ­ an­getaste zieke bomen. Dit waren de broedbomen voor de iepen­ spintkever, het beestje dat via het leggen van eitjes onder de bast een voor de iep dodelijke s­ chimmel verspreidde. Het aantal iepen dat ­verwijderd moest worden, nam ondanks deze ­werkwijze ­jaarlijks toe.

Op plaatsen waar het ene jaar enkele zieke b ­ omen verwijderd waren, moest men het jaar daarop ­terugkomen voor een veelvoud e ­ rvan. De campagne werd hierdoor steeds duurder en werkte blijkbaar niet. Intussen was een groot deel van de Walcherse ­beplanting verworden tot ­‘gatenkaas’. (7.55) In 1986 stopte de Rijksoverheid met het b ­ estrijden van de iepziekte. Hoewel volgens de officiële zienswijze van het Ministerie de ziekte ‘beheersbaar’ was geworden, lagen aan dit besluit vooral financiële ­overwegingen ten grondslag. Dat de campagne zeker in een g ­ ebied als Walcheren met een e ­ norme infectie­ druk niet ­werkte, is nooit erkend. Naar s­ chatting omvatte het areaal (veld)iepen op Walcheren op dat m ­ oment nog zo’n 200.000 exemplaren. Het ­Wegschap had geen geld om de campagne voort te zetten en b ­ eperkte zich de laatste tien jaar van haar bestaan tot het ­weghalen van bomen die gevaar voor het ­verkeer opleverden. Intussen was de a ­ andacht voor het L ­ andschapsbeleidsplan volledig op de achtergrond geraakt en werd de toestand van de beplanting j­aarlijks ernstiger. Op 1 januari 1996 hield het Wegschap op te bestaan, evenals overigens de Waterschappen Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Schouwen-Duiveland en Tholen. Het Wegschap ging op in het nieuwe, gefuseerde Waterschap Zeeuwse Eilanden.


7.56

Kaart van het Groenstructuurplan.

groenstructuurplan Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

330

Al snel na de oprichting van het Waterschap Zeeuwse Eilanden deed zich de noodzaak voor om lijn te ­brengen in het totale beplantingsbeheer van de ­nieuwe organisatie. Er waren grote kwalitatieve en kwantitatieve verschillen in het beplantingsareaal van de voormalige fusiepartners. Maar ook in de wijze waarop het beplantingsbeheer vorm kreeg waren er aanzienlijke verschillen. Het op één lijn brengen van het beheer, met oog voor de regionale k­ waliteiten, was een belangrijke doelstelling van het Groen­ structuurplan. Dit liet het Waterschap in 1998 – kort na de fusie – door Bosch Slabbers opstellen. (7.56) Het totale beplantingsareaal van het ­Waterschap werd in dat jaar geïnventariseerd en in een g ­ eautomatiseerd bestand vastgelegd. Dit g ­ ebeurde in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht.  it de analyse bleek dat de beplanting van het U ­Waterschap gekenmerkt werd door een onevenwichtige opbouw in leeftijd en een eenzijdige samenstelling van soorten. Ook werd vastgesteld dat de beplanting sterk ziektegevoelig was. Door de aanwezigheid van een onevenwichtig groot aandeel iepen was het p ­ robleem van de onbeteugelbare iepziekte zeer ernstig. Het Groenstructuurplan ­constateerde dan ook dat er vanwege de ernst van de problemen geen andere weg meer overbleef voor Walcheren dan tot een grootschalige om­vorming van de (iepen)beplanting over te gaan. Ook in 1987 was dit al de conclusie van het toen in opdracht van het Wegschap Walcheren ­opgestelde Landschapsbeleidsplan. De prioriteitsstelling kwam tot stand op basis van de inventarisatie in vier categorieën: goed, redelijk, matig en slecht. De beplanting in de categorie ‘slecht’ kwam voor onmiddellijke omvorming in aanmerking in de uitvoerings­periode van het eerste beheersplan (1999-2004). Er werd onderscheid gemaakt tussen bomen en landschappelijke b ­ eplanting (exclusief de ­individueel te beheren ­bomen). Van de bijna 11.000 bomen was 34 procent ‘slecht’, twintig procent ‘matig’, 28 procent ‘redelijk’ en ­achttien procent ‘goed’. Dit betekende dat meer dan de helft van het bomenbestand op Walcheren matig tot slecht was. Van de landschappelijke beplanting – meer dan 300 kilometer – was 69 procent ‘slecht’,

21 procent ‘­matig’, negen procent ‘redelijk’ en slechts één p ­ rocent ‘goed’. Dat betekende dat 90 procent van de l­andschappelijke singelbeplanting een matige tot slechte conditie had. ‘Slecht’ waren bomen of struiken zonder een levensvatbare toekomst als gevolg van ziekten of ouderdom. Bij een matige beplanting was er nog enige twijfel over de toekomstverwachting. Bij ‘goed’ of ‘redelijk’ kon worden uitgegaan van een min of meer gezonde ­toekomstverwachting. Geconcludeerd kon worden dat het erfgoed van de Snelcommissie ernstig werd bedreigd. Nadat de algemene vergadering van het ­Waterschap het plan had aangenomen, werd voortvarend met de uitvoering ervan begonnen. Als een van de ­eerste p ­ rojecten werd de Golsteinseweg rigoureus ­aangepakt. De weg werd vanaf de westkant tot aan de Prooijense­weg in één keer aan beide zijden kaal gemaakt en opnieuw ingeplant. In de ogen van een aantal aan­wonenden was deze aanpak te i­ngrijpend en hij strookte ook niet met de a ­ anbevelingen van het Groenstructuurplan, waarin juist werd g ­ epleit voor een gefaseerde aanpak in tijd en ruimte, ­waarbij ­om­vormingen per weghelft moesten plaats­ vinden. Actie tegen de kaalslag bleef niet uit. Om de ­bezwaren te bundelen, werd in 2001 de Stichting Tuin van Zeeland opgericht. Wegens de m ­ aatschappelijke ­bezwaren tegen het plan werd het in 2002 tussentijds geëvalueerd. De b ­ ezwaren richtten zich met name op het begrip kaalslag en het gegeven dat er veel ­gezonde beplanting onnodig gerooid werd. (7.57)


331

groenstructuurplan

laanbomen laanbomen met ondergroei knotbomen te verwijderen beplanting singel met struikvormers

bosstrook 7.56


7.57 PZC, 15 november 2003. De beplanting op ­Walcheren houdt de gemoederen flink bezig. Overigens stonden ­soortgelijke koppen ook tien jaar eerder in de krant. Aan een omvangrijke omvorming viel vanwege de beplantings­ problemen echter niet te ontkomen.

7.58 A De Schellachseweg nadat de oostzijde van de ­beplanting is omgevormd. 7.58 B Situatie in 2008: de westzijde is aangepakt. Op de ­oostelijke wegberm groeit intussen weer een vitale beplanting.

De zuidkant van de Meliskerkseweg is omgevormd. Hier zijn de abelen net geplant.

7.58 C

7.58 D

De bomen krijgen al landschappelijke betekenis.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

332

oudste meidoorns zonder pardon gerooid

kaalslag stoort tuin van zeeland MIDDELBURG – De stichting Tuin van Zeeland heeft verontwaardigd gereageerd op de kap van een fiks aantal oude meidoorns langs de Schellachseweg/Golsteinseweg bij M ­ iddelburg. Twee dagen voor het rooien, diende de stichting een schorsingsverzoek in bij de M ­ iddelburgse ­rechtbank. ”Desondanks is het Waterschap Zeeuwse Eilanden als een d ­ olle gaan kappen”, zegt woordvoerster V. Schepers. Het werk ligt i­nmiddels stil.

Het waterschap rooit de meidoorns op ­Walcheren om de verspreiding van de planten­ ziekte bacterievuur tegen te gaan. Het schap heeft om besmetting tegen te gaan rond alle kwekerijen en fruittelers een cirkel gerekend. Binnen die cirkel moeten alle meidoorns gekapt worden. De Stichting Tuin van Zeeland,die zich inzet voor natuurbehoud op Walcheren, wil dat het waterschap zich juist meer richt op de zorg voor de meidoorn. Het is volgens de stichting ook helemaal niet nodig om de bomen te rooien. Als de zieke struiken worden teruggesnoeid, genezen ze vaak en zijn ze er na een paar jaar weer bovenop.“Het waterschap loopt met het rooien voor de trein uit”, vindt Schepers. “Het waren de oudste meidoorns op Walcheren.” De stichting had de rechtbank gevraagd spoed

te zetten achter het schorsingsverzoek om te voorkomen dat meer bomen zouden sneuvelen. “Maar het waterschap gaat gewoon door. Straks blijft er niks meer over.” Een woordvoerder van het waterschap in Goes zegt dat donderdag nog contact is opgenomen met de rechtbank. Toen was niets bekend over een ingediend schorsingsverzoek. ’s Middags om half twee ging de zaag in de meidoorn. “Er was geen reden om niet te beginnen”, aldus Zeeuwse Eilanden. Gisteren is er opnieuw tele­ fonisch ­contact geweest met de rechtbank in Middelburg. Daaruit bleek dat er wel degelijk een verzoek lag van de Stichting Tuin van Zeeland om het rooien te staken. “Het werk is daarop stilgelegd”, aldus de woordvoerder. Woordvoerster Schepers van Tuin van Zeeland zegt in de directe omgeving van de Golsteinse­

weg geen fruitkweekbedrijven te vinden zijn. Boomkweker J. Kole aan de bewuste weg heeft in een eerder stadium al aangegeven dat de meidoorns van hem mogen blijven staan. windsingel Fruitteeltbedrijf de Zoete Kers in S ­ erooskerke heeft ook geen enkele moeite met de ­meidoorns.De bomen werden vroeger gebruikt als wind­singel. Het snoeihout ging in de bak­ keet, omdat het erg goed brandde. De Zoete Kers heeft zelf een aantal meidoorns aan­ geplant, die om de zoveel jaren een snoeibeurt ­krijgen. De eigenaar heeft in het geval van ziekte de ­meidoorns rondom z’n boomgaard zelf ­gesnoeid. Hij denkt dat het rigoureus kappen van de bomen een financiële kwestie is. – Ab van der Sluis

7.57

Hierbij werd door de bezwaarmakers veelal niet ­ingegaan op de onderliggende problemen, als de extreme ziektegevoeligheid (iep, es, meidoorn), de ouderdom (populier en wilg) en verminderde vitaliteit (als gevolg van andere oorzaken, zoals gebrek aan onderhoud in het verleden, wegverbreding, te smalle bermen en d ­ ergelijke). Bij het rooien van veldiepen ging het nooit om een gezonde beplanting met een goede toekomstverwachting. Dit gold eveneens voor de oude populieren en wilgen, die door onder andere nalatig onderhoud in een slechte conditie verkeerden.

De problemen met de Walcherse beplanting en zeker het iepziekteprobleem werd door de bezwaarmakers onderschat. Na de evaluatie waren de partijen het er unaniem over eens dat de iepziekte een probleem was dat om een integrale oplossing vroeg. De bezwaarmakers kregen gelijk met betrekking tot een meer genuanceerde werkaanpak. Het volledig rooien, waarbij meidoorns werden meegenomen, zoals bij de Golsteinseweg, hoorde na de evaluatie tot het verleden.


333

Tijdens de evaluatie speelde zich een felle d ­ iscussie af tussen de vertegen­woordigers van de stichting Tuin van ­Zeeland en de georganiseerde landbouw over het aanplanten van meidoorns. Meidoorns k­ unnen bacterie­vuur verspreiden dat kan overslaan op fruit­ bomen en omgekeerd. Men was het er wel over eens dat de meidoorn op Walcheren niet g ­ emist kan ­worden, maar het ­potentiële gevaar van de b ­ esmetting met bacterie­vuur was reëel. Uit­eindelijk is er een rationeel c ­ ompromis

7.58 A

7.58 B

7.58 C

7.58 D

gevonden dat leidde tot de afspraak om geen ­meidoorns te planten binnen een straal van 250 meter van fruitteelt­bedrijven en daarbuiten intensief te controleren op bacterievuur. De noodzakelijke omvorming van de ­wegbeplanting zou voortaan gefaseerd uitgevoerd worden; het ­resultaat daarvan leverde geen beeld van kaalslag meer op. (7.58 A/B/C/D)


Rond 1995 zag deze monumentale boerderij aan de 足Meliskerkseweg er ogenschijnlijk nog goed uit.

7.59 A

7.59 B

Anno 2008 bleek redding niet meer mogelijk.

De erfbeplanting rond deze vervallen boerderij nabij 足Westkapelle is volledig door de iepziekte aangetast.

7.60

boerderijen en erven Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

334

7.59 A

7.59 B

7.60


Hof Nagelenburg in het water, 1944, Collectie erven Dirk van Gelder, potlood (245 x 375 cm).

7.61 A

7.61 B

Huidige situatie van Hof Nagelenburg.

335

7.61 A

Op weg naar de 21ste eeuw bleek het steeds ­moeilijker om monumentale boerderijen met grote ­gepot­dekselde zwarte of gele schuren (dat laatste met name in de buurt van Mariekerke) overeind te h ­ ouden. De toestand van het erfgoed bleek veel slechter dan verwacht. Veel eigenaren waren niet in staat om de voor restauratie noodzakelijke hoge kosten op te ­brengen. Alleen voor de officiële rijksmonumenten was er geld beschikbaar, maar niet altijd voor het ­ensemble van huis en schuur. Vaak werd dan het huis gered en de schuur opgegeven. (7.59 A/B, 7.60) Het aantal Walcherse schuren is hierdoor zo ongeveer gedecimeerd. De achteruitgang van het erfgoed is een sluipend proces, dat ondanks inspanningen van de Boerderijenstichting Zeeland te weinig b ­ estuurlijke aandacht heeft gekregen. Zeker in relatie tot de ­toeristische belevingswaarde is dit agrarisch erfgoed van onschatbare betekenis. Dezelfde problemen als in de wegbeplanting deden zich ook in de erfbeplanting voor. De h ­ erbeplanting van de Walcherse erven kwam grotendeels tot stand in de naoorlogse herverkaveling. De boom- en struiksoorten die in de wegbeplanting werden gebruikt, zijn ook in de erfbeplanting toegepast. Naast veel snelgroeiende soorten als wilg en populier werd ook hier de veldiep in een hoog percentage opgenomen in de erfbeplantingsplannen. Vanaf de jaren zeventig

werd dan ook veel erfbeplanting door de i­epziekte ­geteisterd. Daarnaast was men ook hier zuinig ­geweest met het aanspreken van grond ten behoeve van de beplanting. De erven werden veel minder ­robuust aangeplant dan in de vooroorlogse situatie. Veel ontwerpen voor de herbeplanting van de erven waren gemaakt door de Heidemaatschappij. (7.61 A/B) Ondanks het verval dat in de erfbeplanting o ­ ptrad, is – anders dan bij de wegbeplanting van het ­Waterschap - een integrale aanpak voor een ­streek­eigen herstel ervan uitgebleven. Het zijn de ­individuele eigenaren die bepalen of er iets aan het erf gebeurt. Toch is een gezonde en robuuste erf­beplanting van groot belang, zowel voor de l­andschappelijke kwaliteit van Walcheren als voor de kwaliteit van het individuele erf.

7.61 B


Twee bosuitbreidingsmodellen uit het advies l­andschapsbouw van Staatsbosbeheer, geprojecteerd op de gerealiseerde bosuitbreidingen van de herverkaveling en de ruilverkaveling.

7.62 A/B

een ruilverkaveling van de tweede generatie Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

336

Op 8 mei 1979 werd er opnieuw door drie landbouw­ organisaties een ruilverkaveling voor Walcheren aangevraagd. Het grondeigendom was dertig jaar na de afsluiting van de Herverkaveling opnieuw ernstig versnipperd. Door de Provincie Zeeland waren in het S ­ treekplan Zeeland duidelijke kaders voor de nieuwe ruil­ verkaveling opgenomen. Het moest behalve op de verbetering van de landbouwkundige toestand van het gebied mede worden afgestemd op de andere te ­versterken functies, zoals die van natuur, landschap, recreatie en infrastructuur. Hier werd in feite aan­ gegeven dat het landbouwkundig belang alléén het project niet kon legitimeren. Dit gegeven drong echter moeizaam door tot de leden van de landinrichtingscommissie, met als gevolg dat er in de commissie jaren werd onderhandeld over de niet-agrarische aspecten. De voorbereidingstijd van deze v­ erkaveling was dan ook extreem lang. Vanaf het moment van de installatie van de commissie op 9 september 1982 duurde het tot 1993 voordat het project ter s­ temming aan de streek werd voorgelegd. De v­ erkaveling was hiermee zo ongeveer het laatste traditionele ­landinrichtingsproject dat via deze procedure werd uitgevoerd. Het maatschappelijk draagvlak voor deze projecten brokkelde snel af, zowel bij de agrariërs als bij overige maatschappelijke organisaties. Zo werd enkele jaren later de ruilverkaveling Aardenburg ­afgestemd, hetgeen het definitieve einde betekende van de traditionele landinrichting. De totstandkoming van een ruilverkavelingsplan werd in die tijd voorafgegaan door een reeks van sectorale adviezen: – Landbouwstructuuradvies Ministerie van L ­ andbouw, Directie Landbouw – Advies Openluchtrecreatie Ministerie van Landbouw, Directie Openlucht­recreatie – Advies van de Natuur Wetenschappelijke C ­ ommissie onafhankelijk adviesorgaan van de regering – Advies Landschapsbouw Staatsbosbeheer

Staatsbosbeheer kreeg nu voor de tweede keer ­bemoeienis met de opstelling van een landinrichtings­ plan voor Walcheren; daardoor was er gelegenheid om de toestand van de naoorlogse plannen nog een keer integraal tegen het licht te houden. Het Advies Landschapsbouw75 toonde in een analyse de l­andschappelijke gevolgen van de stormachtige ­ontwikkeling in de kustrecreatie. Daarnaast werd de toestand van de wegbeplanting in ogenschouw ­genomen. Staatsbosbeheer deed de aanbeveling om in de kustgebieden substantieel meer bos aan te ­leggen, waarin grootschalige ­recreatieontwikkelingen beter ingepast zouden kunnen worden en de ­recreatieve gebruiksmogelijkheden groter konden ­worden. In feite borduurde het Advies hiermee voort op de plannen van de Snelcommissie. Ook deze Commissie had graag een substantiële b ­ osuitbreiding tot stand gebracht, met name in het kustgebied ­tussen Westkapelle en Vlissingen. Net als de voorstellen van de Snelcommissie haalden die van Staatbosbeheer ook niet ongeschonden de eindstreep. Uiteindelijk werd ongeveer de helft van de voorgestelde bosuitbreiding in het Landinrichtingsplan opgenomen. Volgens de vertegenwoordigers van de landbouw – een ruime meerderheid in de Landinrichtings­commissie – moest er zo min mogelijk vruchtbare landbouwgrond worden opgeofferd. Het Advies Landschapsbouw kwam daarop met twee alternatieven voor bosuitbreiding: een i­ntegrale ­verzwaring van de na de oorlog a ­ angelegde (te) ­smalle Manteling en een bosuitbreiding haaks op de kust, op een aantal zorgvuldig gekozen p ­ laatsen. Dit laatste alternatief voorzag in een b ­ osgordel ­waardoor Koudekerke en Biggekerke met de kust werden v­ erbonden. Het waren twee heldere, ­ruimtelijke ­modellen die het ook niet haalden in de Landinrichtings­commissie. (7.62 A/B) Uiteindelijk kwam er een compromis tussen beide varianten uit de bus.


337

7.62 A

7.62 B


7.63 A Beeld van het inmiddels volwassen Veerse Bos. De uit de Tweede Wereldoorlog daterende doorbraakkreken zijn prachtig in het Veerse Bos opgenomen. 7.63 B De eerste bosuitbreidingen van de ruilverkaveling op ­ alcheren krijgen inmiddels vorm. Deze uitbreiding sluit W goed aan op de belijningen van het bestaande bos.

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

338

Boeren bleven ook moeite houden met dichte ­begroeiing langs hun percelen en daarom zijn de beplantingsbreedtes en -intensiteit veel geringer ­geworden dan eigenlijk de bedoeling was. Ook de royale laanbeplanting die op de kreekruggen was voorzien, is lang niet overal echt uitgevoerd. Zo spontaan als er in de achttiende eeuw door de eigen bewoners van de streek in het landschap werd geïnvesteerd zo moeilijk leek dat te zijn geworden, zowel direct na de oorlog als ten tijde van de tweede generatie landinrichting.

7.63 A

7.63 B

De Dienst Landelijk Gebied, waarin delen van Staatsbosbeheer en de Landinrichtingsdienst zijn opgegaan, is verantwoordelijk geweest voor de uitvoering van het Landschapsplan van de ruilverkaveling die op 12 juni 2008 werd afgesloten. Ondermeer ­vanwege de lange uitvoeringsperiode van de r­uilverkaveling is door veel verschillende ontwerpers aan de bosuitbreidings­ plannen gewerkt. De eerste bosuitbreidingen die tot stand kwamen vertonen nog verwantschap met de lijn die door Nico de Jonge is uitgezet, g ­ ekenmerkt door eenvoudige belijningen en een ­soortensamenstelling die garant staat voor een e ­ venwichtig bosbeeld. (7.63A/B) Geleidelijk aan is hiervan steeds meer a ­ fgeweken en zijn sterk gedifferentieerde – soms bijna karikaturale – bosplannen ontstaan. (7.64 A/B) De basisgedachten omtrent de bosuitbreidings­ plannen zijn verwoord in het Advies Landschapsbouw van Staatsbosbeheer. Een bos moest vooral als een mooi bos worden vormgegeven, met een eigen ­innerlijke schoonheid en een eenvoudige s­ tructuur. Ook wat betreft de locatiekeuze bouwde het Advies voort op de naoorlogse bosuitbreiding. Belangrijke aspecten hierbij waren de verbreding van de bosmanteling tussen Zoutelande en ­Vlissingen en een versterking van de structuur van het Veerse Bos. De bosuitbreidingen bij Westkapelle, en B ­ iggekerke en de uitbreiding van het Veerse Bos zijn relatief e ­ envoudig gehouden en er is echt bos gemaakt. Bij latere ­uitbreidingen lijkt het of bos geen bos meer mag zijn en gingen de plannen meer en meer lijken op de ­natuurontwikkelingsplannen.


Net ingeplant bos bij Westkapelle. De zwarte grond is ­beplant. De padenstructuur en de belijningen zijn complex.

7.64 A

7.64 B Bosuitbreiding bij Westkapelle. De aanwezigheid van een vliedberg geeft (kennelijk) aanleiding tot inspiratie. 7.65 A

Locatie van latere bosuitbreiding bij Zoutelande.

De bosuitbreiding wordt niet meer als een bij ­ alcheren passende culturele opgave opgevat. Er is een W ovaalvormige vijver gegraven; daarachter ligt een losse wal. Er is geen totaalcompositie gemaakt.

7.65 B

339

Een o ­ nsamenhangend gedifferentieerd beeld ­ontstond, met plukjes b ­ eplanting, hier en daar een ­weitje en een poel. Deze ontwerpen hebben te ­weinig oog voor de naoorlogse Walcherse landschaps­ architectonische traditie. De culturele component, die in ­landschapsarchitectonische zin voor een ­meer­waarde zorgt, wordt gemist. (7.65 A/B)

7.64 A

7.65 A

7.64 B

7.65 B


verval en herstel buitenplaatsen Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

340

7.66

Ook op de overgebleven Walcherse b ­ uitenplaatsen had de Tweede Wereldoorlog een vernietigende ­invloed. In het begin van de oorlog kapte de bezetter in de Manteling een grote hoeveelheid bomen om het schootsveld te verbeteren. Ook werden veel bomen getopt en als een soort grote speren in de landerijen geplaatst om luchtlandingen van de geallieerden te bemoeilijken (rommelasperges). Op Kasteel ­Westhove is deze ingreep nog altijd te zien aan een aantal ­lindebomen. (7.66) Behalve de hoger gelegen buitenplaatsen in de ­Manteling (Westhove, Berkenbosch, Duinbeek, Z ­ eeduin en Overduin) werden alle overige b ­ uitenplaatsen door de inundatie van het zoute water zwaar getroffen

(Ter Hooge, Toornvliet, Moesbosch en Der Boede). De herbeplanting van deze landgoederen kwam tot stand onder leiding van de directeur van het landschaps­architectonisch bureau van de S ­ tichting Nieuw Walcheren C.P. Broerse, die op voordracht van professor Bijhouwer gevraagd was voor de ­functie. Hij aanvaardde de baan, maar bleef ook in ­Amstelveen werkzaam, waar hij al voor de oorlog hoofd van de Dienst Gemeenteplantsoenen was. Broerse heeft op Walcheren tot 1955 (het jaar dat het landschaps­architectonisch bureau van de Stichting werd ­opgeheven) voor ongeveer 300 projecten de ­ontwerpen verzorgd. Ook het naoorlogse herstelplan voor Toornvliet was van zijn hand. In 1949 werd de


Aan deze lindebomen bij Kasteel Westhove is de ‘­oorlogsschade’ nog altijd af te lezen. In de oorlog zijn de bomen getopt. Deze toppen dienden als z­ ogenaamde ‘Rommelasperges’, teneinde luchtlandingen van g ­ eallieerden te bemoeilijken.

7.66

7.67 A

Het ontwerp voor Toornvliet van Zocher.

7.67 B

Het herstelplan van Broerse.

7.67 C Achterzijde van het huis Toornvliet. De vijver heeft na de oorlog een geheel andere vorm gekregen.

341

7.67 A

7.67 B

buitenplaats eigendom van de gemeente M ­ iddelburg. Kort hierop maakte Broerse het plan. In een gesprek op 26 september 1990 vertelde hij geen speciaal historisch onderzoek naar het vooroorlogse ­Toornvliet te hebben verricht; gezien de grote hoeveelheid werk die er omstreeks 1950 op de Stichting afkwam, was hiervoor geen tijd. De eerste zorg ging uit naar het weer bewoonbaar maken van Walcheren. De p ­ lannen moesten in korte tijd worden gemaakt. Het h ­ erstelplan van Broerse vertoonde dan ook grote ­verschillen met de vooroorlogse aanleg die aan Zocher wordt toe­ geschreven. Omdat aanleg van een slingervijver al in 1802 tot stand kwam, is naar alle waarschijnlijkheid J.D. Zocher Sr. de ontwerper geweest. (7.67 A/B/C) 7.67 C


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

342

7.68 A

7.68 B

Ook met de herinrichting en herverkaveling van 足Walcheren verdwenen veel historisch waardevolle resten van (voormalige) buitenplaatsen, waaronder het Grand Canal van Poppenroede en de grachten van Sint Jan ten Heere. Ook in de gemeente Domburg werden tal van restanten, met name van waterpartijen, geruisloos opgeruimd. (7.68 A/B/C) De prioriteit lag in deze wederopbouwperiode immers bij de landbouwkundige inrichting. Na de oorlog werden de parken van buitenplaatsen zoals die voor de oorlog bestonden, door de Heidemaatschappij opnieuw ingeplant. In veel gevallen werd de herbeplanting vergoed, als zijnde oorlogsschade. (7.69 A/B) In de periode na de Tweede Wereldoorlog was er relatief weinig belangstelling voor buitenplaatsen en 7.68 C


7.68 A De eikels van Groot Middenhof herinneren nog aan de ­verdwenen buitenplaats.

Het eiland waar het ’t Huys te Oostkapelle heeft ­gestaan.

7.68 B

Van de ronde kom van de buitenplaats ’t Huys te Oostkapelle resteert nog slechts een kwart. Dit kwart is ­‘ingepast’ in de nieuwbouw van het dorp.

7.68 C

Ter Hooge werd na de oorlog volgens dit door de ­Heidemaatschappij opgestelde ontwerp opnieuw ingeplant.

7.69 A

Voorzijde van het kasteel Ter Hooge, ingebed in de naoorlogse beplantingen.

7.69 B

343

Overduin is een voorbeeld van een buitenplaats waar het beheer altijd een zekere mate van continuïteit heeft gekend, althans voor het oorspronkelijke landgoed: het gedeelte ten zuiden van de Koningin Emmaweg. Ook in de huidige situatie, kijkend over de waterpartij ten oosten van het huis, is dit nog steeds waarneembaar. Op de achtergrond is het bruggetje te zien dat typisch is voor de aanleg in landschapsstijl.

7.70

7.69 A

7.69 B

trad er (opnieuw) een periode van verval in. S ­ ommige eigenaren hadden interesse noch de benodigde financiële middelen voor het noodzakelijke onderhoud. Het gevolg was dat lanenstelsels aftakelden, g ­ rachten niet meer werden uitgebaggerd en paden niet meer werden onderhouden. Ook werden noodzakelijke ­dunningen van de herbeplante bospercelen niet altijd op tijd uitgevoerd. Oevers groeiden dicht met pionierhoutsoorten als de els, waardoor de jaarlijkse bladval in de grachten alleen maar toenam. De geschetste ontwikkeling was vooral van ­toepassing op buitens als Hoogduin, Duinvliet, Westhove, D ­ uinbeek en ­Berkenbosch. De buitenplaatsen Z ­ eeduin en ­Overduin vormden gunstige uitzonderingen. Het ­beheer heeft hier altijd een zekere continuïteit ­gehouden. (7.70) 7.70


Eind jaren tachtig: beeld van de vrijwel volledig verlande kasteelgracht van Westhove.

7.71

7.72 A

Tekening herstelplan Westhove en omgeving.

De huidige lanen van Westhove zijn een restant van het veel uitgebreidere achttiende-eeuwse lanenstelsel.

7.72 B

7.72 C De landschapstuin van Zocher was nog aanwezig, maar vrijwel niet meer beleefbaar.

Ten behoeve van het herstel van de grachten en de ­beplantingsstructuur werden omvangrijke rooi­ werkzaamheden uitgevoerd. Direct hierna toonde het nog kaal; inmiddels krijgt de nieuwe aanplant betekenis.

7.72 D

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

344

7.71

Tot het begin van de jaren zeventig waren alle buiten­ plaatsen in particuliere handen. Als gevolg van de financiële situatie van de eigenaren werden toen drie buitens door de Rijksoverheid (Staatsbosbeheer) aangekocht: Westhove (met uitzondering van het kasteel en de directe omgeving), Duinbeek en Berkenbosch. De opstallen van zowel Duinbeek en Berkenbosch ­werden vervolgens weer in erfpacht aan belang­ stellende particulieren uitgegeven. Met deze aankoop had Staatsbosbeheer de ­bedoeling de natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden van de buitens in stand te houden of te herstellen. In de eerste beheersplannen voor de ­buitenplaatsen werden deze doelstellingen vast­

gelegd. Er vond geen gedegen onderzoek plaats naar de ­cultuurhistorische waarden van de gebieden. Het ­beheer beperkte zich in eerste instantie tot ‘niets doen’, omdat dit beter zou zijn voor de natuurwaarden. Als gevolg van deze nieuwe benadering werd besloten op bepaalde plaatsen paden en waterpartijen niet meer te onderhouden. Intussen nam het dagrecreatief gebruik van de Manteling aanzienlijk toe. Vanwege het slechte onderhoud van de historische padenstructuur zocht het publiek letterlijk zijn weg buiten de paden. Niet alleen het aanzien van de buitenplaatse leed hieronder, ook de vegetatie werd door het ongeleide gebruik bedreigd. Eind jaren tachtig waren de meeste waterpartijen vrijwel volledig verland als gevolg van de bladval die decennia lang vrij spel had gehad. (7.71)


345

herstelplan westhove en omgeving zee

bos

strand

laan

duinen

pad

0

250

500

750 m

7.72 A

7.72 B

Het inzicht groeide dat doorgaan op deze weg zou ­leiden tot een onherstelbaar verlies van het k­ arakter van de buitenplaatsen en dat ook de natuur­ wetenschappelijke waarden van de ­buitenplaatsen er niet mee gediend waren. Staatsbosbeheer gaf landschaps­architectenbureau Bosch Slabbers ­opdracht om een herstel- en beheersplan voor de ­buitenplaatsen te ontwerpen. Aan de plan­opstelling ging historisch onderzoek vooraf en de aanwezige ­situatie werd vergeleken met historische kaarten. ­ ieruit bleek dat uit diverse aanlegperioden nog H ­belangrijke stijlelementen aanwezig waren, maar dat inmiddels ook al veel kenmerken verloren ­waren ­gegaan. Bij het herstelplan werd niet gestreefd

7.72 C

naar één bepaalde stijl of periode bij de restauratie van de buitenplaatsen. Daarvoor was de uitgangs­ situatie te divers, de financiële mogelijkheden en het ­maatschappelijk draagvlak te gering. Bij Westhove bijvoorbeeld was zowel een restant van het barokke lanenstelsel aanwezig als de landschapstuin die aan Zocher Sr. moet worden toegeschreven. Het naast elkaar voorkomen van beide stijlelementen werd als waardevol gezien en als zodanig h ­ erkenbaar ­opgenomen in het herstelplan. Ook werd er niet voor gekozen om wat verdwenen was, weer terug te brengen. (7.72 A/B/C/D) Zo werd bij Berkenbosch ­alleen het nog bestaande lanenstelsel in het herstelplan o ­ pgenomen, terwijl het historische stelsel veel ­uit­gebreider was.

7.72 D


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

346

Inmiddels hebben lanenstelsels opnieuw herkenbaarheid gekregen en maken ze weer deel uit van de r­ecreatieve ontsluiting. (7.73 A/B/C) Alle beplanting rondom de waterpartijen is verwijderd, waardoor het baggeren mogelijk werd. Massa’s rottend blad en modder zijn verwijderd. Het was opvallend hoe snel na de baggeroperatie de vijver bij Westhove zich opnieuw vulde met kraakhelder duinwater. 7.73 A

Waarschijnlijk mede geïnspireerd door het herstel van de omgeving van Kasteel Westhove ging een ­aantal particuliere eigenaren actief aan de slag met het ­herstel van hun buitengoed. Het omvangrijkste voorbeeld van particulier herstel vond plaats op de ­buitenplaats Hoogduin; Hoogduin BV gaf aan Bosch Slabbers opdracht om analoog aan het ­voorbeeld van Westhove een herstelplan voor het landgoed op te stellen. Landgoed Hoogduin is de enigszins ­verwarrende verzamelnaam voor drie voormalige Domburgse buitenplaatsen. Hierbij gaat het van west naar oost om ’t Hof Landlust, ’t Hof het Hooge Duyn en ’t Hof Duinvliet. Ook hier werd het terrein u ­ itgebreid geïnventariseerd. De eigenaar die het terrein bij ­aanvang van de studie nog maar kort in bezit had, wist zelf de waarde van het erfgoed niet h ­ elemaal te plaatsen.

7.73 B

Bij de waardering van het t­errein speelden ook hier historische kaarten een b ­ elangrijke rol. In het b ­ ijzonder was de kaart van Hattinga (1750) behulpzaam. Al snel bleek dat de historische c ­ ontouren en de tracés van het lanenstelsel van de achttiende-eeuwse aanleg van de voormalige buitenplaats Duinvliet nog ­volledig ­aanwezig waren. Bewust wordt hier over ‘tracés van het historische lanenstelsel’ gesproken, omdat de lanen fysiek nog maar ten dele aanwezig waren. Op basis van de kaart van Hattinga konden alle tracés in het veld worden teruggevonden. Vaak vormden aangetroffen greppels hiervoor een concrete aanwijzing. Ook het eiland in de symmetrie-as van de aanleg waar het hoofdgebouw had gestaan, was vrijwel in de oorspronkelijke vorm aanwezig. Het Grand Canal dat aan de noordzijde gericht op de d ­ uinen in deze as had gelegen, werd in vergaande staat van verlanding teruggevonden. (7.74)

7.73 C


De Noorddreef op Berkenbosch heeft haar allure terug足gekregen.

7.73 A

7.73 B

Ook de diagonale laantjes zijn hersteld.

7.73 C De gracht bij het achterplein van het historische 足 erkenbosch is in 2008 hersteld. Ook het diagonale laantje B is hier goed zichtbaar. 7.74 Het Grand Canal van de buitenplaats Duinvliet is in 足vergaande staat van verlanding nog aanwezig in de 足binnenduinrand.

347

7.74


Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

348

herstelplan buitenplaats hoogduin domburg zee

lanenstramien met grasbanen

strand

tuininvulling

duinen

paden

bos

toeganspoort besloten terreindeel

water

bomkraters

bebouwing

ornament / folly

gras

slagboom duinpad

0

100

200

300 m

7.75 A


7.75 A

Plankaart reconstructie Hoogduin.

7.75 B

Herstelde laan van de buitenplaats Duinvliet.

De gracht rond het eiland waar het hoofdgebouw van Duinvliet heeft gestaan is gebaggerd en de belijningen zijn hersteld.

7.75 C

7.75 D Er is een rijke stinzenflora aanwezig. Bloeiende Scilla’s in het voorjaar.

349

Ondanks de omstandigheid dat enkele paden van het voormalige Duinvliet op primitieve wijze, ­waarschijnlijk in de negentiende eeuw, een s­ lingerend verloop ­hadden gekregen en het hoofdgebouw niet meer bestond, waren de overige ingrediënten van het achttiende-eeuwse buiten in beginsel nog aanwezig. Hoe anders was dat bij ’t Hooge Duyn en Landlust. Op ’t Hooge Duyn was het (inmiddels g ­ esloopte) bejaarden­tehuis Ter Mantelinge gebouwd. Bij L ­ andlust had het hoofdgebouw plaatsgemaakt voor een reeks van villa’s langs de Domburgseweg. N ­ ergens op Walcheren was een buitenplaats aan­wezig b ­ innen de oorspronkelijke contouren en b ­ elijningen van de ­achttiende eeuw; alleen bij Duinvliet was dit nog het geval. Dit gegeven bepaalde de keuze voor de ­reconstructie van Duinvliet in belangrijke mate. ­Intussen is een voortvarend begin gemaakt met het herstel. Grachten zijn uitgebaggerd en delen van het lanenstelsel zijn volgens de authentieke tracés ­opnieuw aangelegd. (7.75 A/B/C/D) Ook andere particuliere eigenaren van l­andgoederen of buitenplaatsen werken aan het herstel van het erfgoed. Zo is bij Zeeduin de zicht-as op de ­duinen in ere hersteld (zie afbeelding 4.26). Op het ­negentiende-eeuwse Duinvliet dat tegenover het voormalige Duinvliet werd aangelegd, is de waterpartij uitgebaggerd en wordt gewerkt aan het herstel van de aanleg in landschapsstijl van K.G. Zocher. Zo zien we dat er tegen het einde van de twintigste eeuw een algemene toename was van de belangstelling voor het erfgoed van de buitenplaatsen.

7.75 B

7.75 C

7.75 D


zeeuwse uitwerking natuurbeleidsplan Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

350

7.76 A

In 1990 werd op rijksniveau het Natuurbeleidsplan vastgesteld. In dit stuk werd de Ecologische Hoofdstructuur (E.H.S.) van Nederland voor het eerst benoemd en vastgelegd. Ook de verantwoordelijkheid van Nederland voor grensoverschrijdende natuur­ waarden - waaronder die van de Delta - zijn in het Natuurbeleidsplan vastgelegd. Het Natuur­beleidsplan benoemt niet alleen de bestaande natuur, maar ook de als onderdeel van de Ecologische Hoofd­ structuur te ontwikkelen nieuwe natuur. De Provincie Zeeland werkte in de periode 1991-1994 de Zeeuwse ­Ecologische Hoofdstructuur uit. Hierbij stonden de ­typisch Zeeuwse kwaliteiten voorop. Het accent kwam te liggen op de ontwikkeling van de karakteristieke, natte natuur in de verschillende Zeeuwse landschaps-

typen, waaronder de duinen, de poel­gebieden, de ­kreken en de deltawateren. Voor Walcheren kwam het accent te liggen op de ontwikkeling van aaneen­ gesloten g ­ raslandgebieden in de Zandvoortseweihoek en in het gebied van de Oude Veerseweg tegen het Kanaal door Walcheren. (7.76 A) Verder werd het vroongebied tussen Domburg en Westkapelle i­ntegraal aangewezen als natuurontwikkelingsgebied. Hetzelfde gold voor een aantal poldertjes in de directe binnen­duinrand nabij Vrouwenpolder. De uitvoering van ruim 200 hectare nieuwe natuur, zoals benoemd in de Zeeuwse uitwerking van het Natuurbeleidsplan is in het Landinrichtingsplan van de ruilverkaveling ­Walcheren meegenomen.


7.76 A

Natuurontwikkeling in de Zandvoortseweihoek.

7.76 B

Fietspad langs de Vlissingse Watergang.

351

7.76 B

De teller voor de bosuitbreiding, waarover de commissie zo lang discuteerde, bleef uiteindelijk staan op 268 hectare. Voorts is er ruim 33 kilometer berm­ beplanting aan­gelegd. Daarnaast is er ruim 17 kilometer berm ­verbreed. Deze verbrede bermen zijn eveneens ­ingeplant volgens het Groenstructuurplan van het ­Waterschap. Ook is er ruim 16 kilometer dijk­ beplanting aangelegd, zowel rond Vrouwenpolder als bij Nieuwland. Tot slot is er ruim 20 kilometer nieuw fietspad aan­ gelegd, waaronder het fietspad langs de bunkers van de Vlissingse Watergang. (7.76 B) Al met al heeft de tweede ruilverkaveling op ­Walcheren voor een landschappelijke impuls

­ ezorgd, waarbij het van groot belang is geweest g dat het Groenstructuurplan van het Waterschap en de ­Zeeuwse uitwerking van het Natuurbeleidsplan zijn meegenomen in de ruilverkaveling. De discussie over de bosuitbreiding heeft het project geen goed gedaan. Net als na de oorlog voerden kwantitatieve vraagstukken, de strijd om hectares, de overhand. Hierdoor werd de aandacht voor de kwaliteit van het landschap naar de achtergrond gedrongen. Landbouw­kundig is door ruil en samenvoeging van percelen een beperkte schaalvergroting opgetreden. Deze is echter zo gering dat het vrijwel onopgemerkt is gebleven.


7.77 De ruimtelijke invulling van de verschillende natuurontwikkelings足projecten in Zeeland vertoont altijd grote gelijkenis, ongeacht de ruimtelijke context: graven van grillig gevormd water en het aanbrengen van wat struweel. Vaak is de grondbalans een probleem. Het gevolg is dat gebieden erg sterk op elkaar gaan lijken.

maakbare natuur Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

352

7.77 A

7.77 C

7.77 B

7.77 D


A

Natuurontwikkeling in Zeeuws-Vlaanderen.

B

Natuurontwikkeling op Walcheren; de Beekhoekspolder.

Voormalige situatie van de Noorder Nieuwlandpolder bij ­Vrouwenpolder.

E

Natuurontwikkeling heeft plaatsgevonden. Welke situatie heeft meer ruimtelijke kwaliteit?

F

Landbouwgrond ten oosten van het Oranjebosch vóór de natuurontwikkeling. C

D Huidige situatie op dezelfde plek. Welke situatie heeft meer ruimtelijke kwaliteit?

Met de opkomst van de natuurontwikkelings­gedachte, zoals vastgelegd in het Natuurbeleidsplan werd ­opnieuw een omslag gemaakt in het denken over de natuur. In de Barok werd de natuur gesymboliseerd weergegeven, zoals de schepper die bedoeld zou ­hebben. In de Romantiek werd de natuur geïdealiseerd weergeven. In de tweede helft van de 20e eeuw groeide het besef dat natuur maakbaar is. Het Handboek ­Natuurdoeltypen76 van het ministerie van LNV geeft een omschrijving van maar liefst 159 natuurdoeltypen. Mits de juiste omstandigheden worden gecreëerd dan zijn de natuurdoelen realiseerbaar, zo luidt de theorie. Op Walcheren werd het meeste belang gehecht aan natuur die verbonden is met de ligging in het Delta­ gebied. De meeste aandacht gaat dan ook uit naar de ontwikkeling van open grazige gebieden met een hoge grondwaterstand. Het grondwater op Walcheren is door diverse peilaanpassingen verlaagd, waardoor het niet eenvoudig is om zonder kunstgrepen gebieden te vernatten. Waar mogelijk werd het water opgezet (lokale peilverhoging). Op veel plaatsen werd echter voor een integrale verlaging van het maaiveld g ­ ekozen. Belangrijk aspect hierbij is dat tevens de door het landbouwkundig gebruik verrijkte bovengrond wordt afgevoerd. Zo wordt een schralere en nattere uitgangspositie gecreëerd. In toenemende mate werden er voor natuurontwikkeling grote gebieden op de schop ­genomen. De voor deze projecten gemaakte eind­ beelden lijken zeer sterk op elkaar. Het gevolg daarvan is een landschappelijke vervlakking. Ongeacht de ligging, in Zeeuws Vlaanderen of op Walcheren, de inrichtingen kenmerken zich door vrijwel dezelfde elementen en vormentaal. (7.77 A/B/C/D/E/F) Het meest in het oog springend is deze vervlakking in de binnenduinrand nabij Vrouwen­polder. Bij de Beekhoeks­polder is het onderscheid tussen duin- en poldergebied sterk vervaagd. Natuur mag dan maakbaar zijn, maar dat er ook een culturele component zit aan grootschalige inrichtingsopgaven wordt wel eens vergeten. Ook de factor tijd speelt een belangrijke rol bij het tot stand brengen van natuurwaarden. Geheel naar de geest van de tijd lijkt het of ook de natuur gisteren klaar moet zijn. Terwijl het toch bekend is dat voor de ­ontwikkeling van stabiele ecosystemen tijd nodig is.

353

7.77 E

7.77 F


Het kaartbeeld van het eiland in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. Ten opzichte van de situatie tussen ‘Fransen en Duitsers’ is de groei van de bebouwing enorm te noemen. Het rurale Walcheren is met name aan de zuidkant verdwenen. Hier is sprake van een forse ­verstedelijking. Ook de groei van de dorpen is ten opzichte van de oorspronkelijke omvang spectaculair. In het kaartbeeld is de invloed van twee generaties land­inrichtingsprojecten verwerkt. In de naoorlogse ­herverkaveling is het ‘Nieuwe Walcheren’ tot stand g ­ ekomen, waarbij vooral de aanleg van het zorgvuldig ontworpen ­stelsel van wegbeplantingen belangrijk is. Goed is te zien hoe bij dit plan de opbouw met kreekruggen en poelen is gerespecteerd. De wegen op de kreekruggen en in de randgebieden van het eiland zijn beplant, terwijl de poelgebieden als grotere open gebieden goed herkenbaar zijn gebleven. Het grondgebruik van de poelen is als gevolg van de ­verbeterde ontwatering geschikt geworden voor de akkerbouw. De hoeveelheid grasland is hierdoor a ­ anzienlijk afgenomen. In de laatste ruilverkaveling is in het p ­ oelgebied van de Zandvoortseweihoek een groter aaneengesloten natuurgebied met een eigen waterhuishouding g ­ erealiseerd. Dit gebied heeft hierdoor een graslandkarakter kunnen ­behouden. Ook de uitbreiding van de bossen, met name langs de zuid-westkust is in de laatste ruilverkaveling ­gerealiseerd.

7.78

Naar de eenentwintigste eeuw Jan Willem Bosch

354

akkerbouw weide strand duinen natte natuur bebouwd gebied recreatieterrein bebouwing water bos boomgaard weg wegbeplanting spoor dijk strandpalen 0

1

2 km


355

7.78


Verse ploegvoren in de Walcherse klei. De grond wordt na de oogst gekeerd. De symboliek is die van het oude dat plaatsmaakt voor het nieuwe. Sinds de industriële revolutie, de enorme groei van de wereld­bevolking en de globalisering is de landbouw voor een groot deel van karakter ­veranderd. Moderne landbouw staat tegenover traditionele. De vraag is welke ruimte geschikt is voor het één en welke voor het ander. ­Walcheren is door zijn klein­schaligheid niet het meest ­aangewezen gebied voor op de wereldmarkt gerichte, ­moderne agrarische productie. Walcherse landbouw is meer geschikt voor lokale of regionale markten. Wat b ­ etekent dat voor het landschap? Welke a ­ ndere dragers zijn er – om met respect voor het verleden – voor de aardkundige en cultuurhistorische waarden het nieuwste Walcheren in te vullen? En hoe kan daarbij rekening worden gehouden met klimaat­ verandering, bodemdaling en zeespiegelstijging?

356


hoofdstuk 8 | Toekomstvisie jan willem bosch, jan van mourik

het nieuwste walcheren 357


8.1 De dunbevolkte Zeeuwse delta wordt omringd door ­stedelijke gebieden met miljoenen inwoners.

walcheren waarheen? Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

358

sterk verstedelijkt gebied verstedelijkt gebied > 200 inw/km2 < 200 inw/km2 water 8.1

In de vorige hoofdstukken is een beeld gegeven van de ontwikkeling van Walcheren tot aan het begin van de 21ste eeuw; in dit laatste hoofdstuk kijken we naar de toekomst. Voorspellen is een hachelijke zaak. Toch kan erover worden nagedacht en kan een bewuste keuze worden gemaakt voor een bepaalde ontwikkelings­richting. Daarbij is het van belang om de positie van Walcheren in een grotere samenhang ­binnen Zeeland te bezien. De Zeeuwse Delta vormt een groenblauwe oase, omringd door grote stedelijke agglomeraties. (8.1) Een logische consequentie van dit feit is dat met name de groenblauwe kwaliteit ten grondslag moet liggen aan de vormgeving van de Walcherse toekomst.

In het kader van deze atlas is het vooral interessant om na te denken over ontwikkelingen die – gebaseerd op de Walcherse maat en schaal en passend in het cultuurhistorisch perspectief – voor landschappelijke impulsen kunnen zorgen. De actuele situatie vormt het uitgangspunt voor het verdere denkwerk. Wat was het dat Walcheren gemaakt heeft tot wat het is en welke mogelijkheden voor een goede verdere ontwikkeling zijn er? Welke koers moet worden uitgezet? We beginnen met een foto-impressie van het h ­ uidige Walcheren. De eerste beelden tonen typische ­Walcherse kwaliteiten. In de tweede reeks hebben we een aantal knelpunten vastgelegd.


Kwaliteiten

359


Kwaliteiten

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

360


361


Knelpunten

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

362


363


actuele aandachtsvelden Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

364

kustveiligheid Een absolute voorwaarde voor een voorspoedige ­ontwikkeling is de kustveiligheid. De zeespiegel stijgt en de bodem daalt. Inmiddels wordt hard gewerkt om van ‘zwakke schakels’ in de kust weer robuuste ­zee­weringen te maken. Waar mogelijk worden de recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden en de ­mogelijkheden voor natuurontwikkeling en water­berging integraal meegenomen. Een verdergaande, meer integrale bescherming van de kust lijkt ­onafwendbaar. De vraag is hoe we in de toekomst omgaan met deze bedreigingen en hoe we nieuwe mogelijkheden kunnen scheppen. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt daarom op de toekomstige bescherming van de kust en het kustbeheer ingegaan. Vervolgens wordt opnieuw achter dijken en duinen gekeken naar de tendensen in het landgebruik.

woningbouw De grootste groei van de bevolking is achter de rug. Terughoudendheid met voortgaande forse stads- en dorpsuitbreidingen lijkt om demografische ­redenen gewenst. Als er verder wordt uitgebreid, is dit vooral een kwalitatief vraagstuk en nauwelijks nog k­ wantitatief. Dit leidt ertoe dat moet worden ­nagedacht over een hoogwaardige afronding van steden en dorpen en over de vormgeving van de ­overgangen naar het landelijk gebied. Om de demografische ontwikkeling het hoofd te bieden, wil de Provincie Zeeland de ontwikkeling van een wooneconomie bevorderen. Mensen van buiten de provincie moeten worden verleid om in Zeeland te komen wonen. De specifieke Zeeuwse en Walcherse kwaliteiten kunnen hierbij worden ingezet. In Middelburg en Vlissingen is een begin gemaakt met sanering en renovatie van in de jaren zestig en zeventig gebouwde wijken. Gelet op de kwaliteit van de woningvoorraad uit deze periode is een verdere sanering een logisch vervolg.

landbouw De landbouw is altijd gezichtsbepalend geweest voor het platteland van Walcheren. Van de t­raditionele landbouw ging bekoring en allure uit. Door de ­eenzijdige aandacht voor de landbouwkundige

bedrijfs­voering was er minder tijd voor de landschaps­ verzorgende taken die vroeger impliciet, bijna als ­vanzelfsprekend werden meegenomen. Erven zijn minder verzorgd en stalen damwandloodsen bepalen meer en meer het beeld. Aan het eind van de vorige eeuw kreeg de sector het ook in bedrijfseconomisch opzicht moeilijker, zelfs zodanig dat de landbouw niet langer de e ­ conomische hoofdfunctie van het landelijk gebied was. Vooral in kleinschalig opgebouwde gebieden met veel en ­versnipperd grondeigendom speelde dit sterk. De moderne landbouw – en zeker de akkerbouw – produceert voor de wereldmarkt en veel minder dan voorheen voor lokale of regionale markten. Dit heeft een schaalvergroting van de agrarische productie tot gevolg gehad. Niet in alle gebieden is een dergelijke schaalvergroting mogelijk of wenselijk. Op Walcheren is het grondbezit kleinschalig: de gemiddelde bedrijfsgrootte is ongeveer 20 hectare, te klein om een boerenbedrijf rendabel te houden. Vormgeven aan de toekomst van Walcheren betekent ook: uitzicht bieden op de toekomst van de landbouw, binnen de beperkingen die de gebieds- en bedrijfsstructuur hier nu eenmaal met zich meedraagt.

recreatie Net als de landbouw is de verblijfsrecreatie een ­belangrijke economische sector, die een a ­ anzienlijk ruimtebeslag legt op het l­andelijk gebied. De reis- en verblijfsmarkt mondialiseert, waardoor het steeds ­minder zeker is dat de toerist ook volgend jaar ­dezelfde camping of hetzelfde vakantie­huisje zal gebruiken. De ligging in een wisselvallige klimaatzone en de relatief hoge prijzen in relatie tot het geboden product maken ook de recreatiesector in toenemende mate kwetsbaar. De noodzaak tot product­vernieuwing en -verbetering dringt zich ook aan deze sector op.

zeehaven en industrie De ligging aan diep vaarwater heeft tot de ­ontwikkeling van het Sloegebied geleid. Het Sloegebied, dat voor een deel tot Walcheren behoort en ­optisch bij het Walcherse landschap aansluit, heeft aanzienlijk bijgedragen aan de economische ­ontwikkeling van de regio. Ondanks het feit dat een


365

grootschalig zeehaven- en industriegebied niet één op één te rijmen is met het gegeven van een groen­blauwe oase, zijn haven en havengebonden ­activiteiten niet weg te denken uit het landschap. Een landschap dat overigens los van de vraag ‘mooi of ­lelijk’ zijn eigen bekoring en dynamiek heeft. Zonder uitbreidingsmogelijkheden kan de voor de economie zeer waardevolle logistieke functie van het havengebied in de knel komen. Daarom gaan we in een toekomstscenario ook in op uitbreidings­mogelijkheden die tevens in landschappelijk opzicht betekenis ­hebben.

infrastructuur Voor de functies die een gebied vervult, is een ­toegesneden infrastructuur een voorwaarde voor ­succes. Zo heeft de recreatie enerzijds baat bij een goede hoofdontsluiting, waardoor de recreatie­ gebieden eenvoudig en vlot bereikbaar zijn, zonder overlast voor andere functies. Anderzijds is er het belang van rustige fiets- en wandelmogelijkheden, los van de hoofdinfrastructuur. Elke sector heeft zijn ­specifieke eisen en wensen met betrekking tot ontsluiting. Het systeem van hoofdwegen op Walcheren is sterk gerelateerd aan de kreekruggen. Vanuit de cultuurhistorie is het zaak dat dit systeem bij verdere ontwikkeling zo veel mogelijk wordt gerespecteerd.

overheidsbeleid In de tweede helft van de vorige eeuw voerde de ­overheid een restrictief beleid met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied. Hierin is aan het begin van de 21ste eeuw verandering ­gekomen. De houding ‘nee, tenzij’ heeft plaatsgemaakt voor ‘ja, mits’. Met andere woorden: de overheid geeft mogelijk­heden voor ontwikkeling, maar stelt daar ook voorwaarden aan. Het scheppen van mogelijk­heden geldt als een duidelijke trendbreuk in het beleid. De reden waarom de overheid de mogelijkheden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen verruimde, kwam vooral voort uit de zorg over de kwaliteit en het ­functioneren van het landelijk gebied. Meer en meer werd duidelijk dat met het restrictieve beleid g ­ eleidelijk sprake was van achteruitgang van die ­kwaliteit. Tegenwoordig zijn er daardoor meer mogelijk­heden

voor investeringen in het landschap dan in het recente verleden. De particuliere investeerder krijgt meer de ‘ruimte’ in het landelijk gebied. De overheid houdt hierbij wel een regisserende rol en behoudt haar ­verantwoordelijkheid voor ruimtelijke kwaliteit, niet alleen in een toetsende rol bij particuliere plannen, maar ook bij haar eigen plannen met betrekking tot infrastructurele werken, stads- en dorpsuitbreidingen, ecologische hoofdstructuur of kustveiligheid.


De buitenplaats Der Boede vormde het decor voor de workshop over de toekomst van Walcheren.

8.2 A/B

De kustgroep opperde de aanleg van een eiland voor de Walcherse kust.

8.3 A/B

Verdichte kreekruggen, natte poelen en een nieuw Walchers vervoermiddel.

8.4 A/B

ideeën over de toekomst Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

366

Wetenschappers, beleidsmakers, ontwerpers, ­kunstenaars en vele anderen houden zich bij tijd en wijle bezig met de toekomst van maatschappij en landschap. Voor de ontwikkeling van een toekomst­visie is het van essentieel belang om ideeën van al deze groeperingen te verzamelen. Voor de voor­bereiding van de toekomstvisie in deze landschaps­atlas is dat gebeurd op een inspirerende locatie tijdens de Belvedereworkshop op 12 april 2007.77 (8.2 A/B) Tijdens die bijeenkomst werd gediscussieerd, gebrainstormd en gezocht naar oplossingsmodellen voor strategische vragen over de toekomstige ruimtelijke koers van Walcheren en de wijze waarop met kust­ veiligheid omgegaan moet worden. Ook de vraag naar de bronnen voor investeringen in het landschap was een belangrijk thema. Waar komt de toekomstige rijkdom vandaan en hoe kan die worden aangewend voor landschappelijke kwaliteit? De deelnemers hebben in drie groepen gewerkt en elk een deel van Walcheren onder de loep genomen: de kust, het agrarisch middengebied en de stadsrand tussen Middelburg en Vlissingen (de geledingszone).

de kust Als oplossing voor de kustveiligheid van ­Walcheren werd voorgesteld om een nieuw eiland voor de kust aan te leggen. De groep speelde hiermee in op ­bestaande plannen voor de bescherming van de ­Nederlandse kust. De nieuwe eilanden z­ etten ­Nederland opnieuw op de kaart als land van ­innovatieve waterbouwers. (8.3 A/B) Deze oersterke kustverdediging zou vele jaren dienst kunnen doen en een scala aan nieuwe mogelijkheden leveren. Een eiland voor de kust van Walcheren zal tot een rustige ­‘binnenzee’ leiden, aantrekkelijk voor allerlei vormen van watergebonden recreatie. De ruimte op het nieuwe eiland kan alle extra recreatieve druk opvangen, zodat de huidige kwaliteiten van de Walcherse kuststrook behouden en versterkt kunnen worden. Voor de infrastructuur werd een andere ordening voorgesteld: bij aankomst op Walcheren zal men d ­ irect de auto kunnen verruilen voor vervoer per ‘­lightrail’. Het tracé van dit schone en geluidloze treintje loopt volgens het voorstel helemaal rond de kust van Walcheren. De duinen en de bosmanteling zullen –

vooral met het oog op de recreatieve mogelijkheden – landinwaarts worden verbreed. Aansluitend hierop worden nieuwe landgoederen aangelegd, waardoor de kustzone zich nog verder zal verbreden. Omdat de zeespiegelstijging in combinatie met de bodemdaling ook zal leiden tot problemen als ­verzilting en de afvoer van regenwater, zullen in de poelgebieden de opvangmogelijkheden voor oppervlakte­water worden verruimd. Hier kunnen ­vervolgens nieuwe vormen van landbouw plaatsvinden, waaronder met zorg vormgegeven aquacultures, met mogelijkheden voor integratie van wetlands.

het agrarisch middengebied Deze groep ontwerpers nam de volgende uitgangspunten als basis: geen verdere groei van de b ­ evolking en meer vraag naar ‘kwalitatief wonen’, waarbij vooral de kreekruggen werden aangewezen voor de ­ontwikkeling van zo’n hoogwaardige wooneconomie, in combinatie met een recreatieve ontwikkeling. (8.4 A/B) De huidige dorpen zullen niet sterk meer uitbreiden. Om aan nieuwe hoge wooneisen te voldoen, worden nieuwe woonenclaves ontworpen. Bij de entrees van ­Walcheren komen transferia, waar men de auto kan achterlaten en verder kan reizen met een lightrail­verbinding. Deze leidt langs alle kustplaatsen en maakt verdere grote ingrepen in de infrastructuur op Walcheren overbodig. Vanuit de lightrail, die over ­verdichte kreekruggen voert, zijn regelmatig door­ zichten naar de open poelgebieden. De Manteling wordt met het oog op recreatief gebruik aanzienlijk verbreed. In de visie van deze groep blijven de poelen vrij voor agrarisch gebruik. Het soort landbouw zal wel ­veranderen. De poelen worden natter door de klimaat­ verandering. Het streven is om de karakteristieke openheid van de poelgebieden te behouden. Ook deze groep suggereerde de ontwikkeling van aquacultures in de poelgebieden. Hierbij werd gedacht aan bassins die niet boven het maaiveld uitkomen, of op de plek aangepast, spelend met de lijnen van het landschap, mogelijk in de vorm van een wisselcultuur, waarbij de aquacultuur zorgt voor bemesting van een opvolgend (zilt) gewas.


8.2 A

8.2 B

8.3 A

8.3 B

8.4 A

8.4 B

de geledingszone

conclusie

Het gebied tussen Vlissingen en Middelburg werd door de deelnemers als erg onsamenhangend ervaren. Zonder sturing zal het gebied langzaam steeds voller raken met gebouwen en activiteiten. Voor de i­dentiteit van Walcheren werd het van belang geacht dat de twee steden met hun eigen karakter herkenbaar ­blijven. De groep koos niet voor het behoud van ruimte, maar juist voor de omgekeerde weg: het resterende deel van de geledingszone kan als een integrale landgoederenzone bebost worden. Door een wisselwerking tussen stedelijke en landelijke objecten kan een bijzonder raamwerk vastgelegd worden, dat niet zomaar verder kan verrommelen. Een landgoederenzone is hiervoor een goed instrument: openbaar toegankelijk groen, in beheer bij particulieren.

Aan het slot van de dag kon de conclusie ­worden getrokken dat – vanuit de natuurlijke kansen en in samenhang met de gevolgen van mondiale ­ontwikkelingen – op Walcheren ingezet moet worden op de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardig wonen en recreëren, gecombineerd met bijzondere vormen van landbouw. Daarnaast mag de positie aan diep vaarwater dat goed verbonden is met het achterland, niet worden vergeten. Dit impliceert naast een groenblauwe ontwikkeling van het platteland een stedelijk-industriële o ­ ntwikkeling van Middelburg-Vlissingen in combinatie met de Sloehaven. Kustveiligheid verdient continue aandacht, waarbij als mogelijke oplossing de aanleg van een eiland voor de kust werd voorgesteld.

367


8.5 A/B Zandsuppleties (1991-2007) op strand en vooroever van het kustfundament. 8.5 C

Het Nederlandse kustfundament.

8.5 D

De zwakke schakels in de Nederlandse kustlijn.

mogelijke scenarioâ&#x20AC;&#x2122;s: een proeve van kansen Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

368 15

10

5

0

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

zandsuppleties op strand en vooroever van het kustfundament suppletiehoveelheden in miljoen m3

onderwatersuppleties strandsuppleties 8.5 A

vooroeversuppletie strandsuppletie laag water hoog water waterstand bij stormvloed vooroever

strand

waterkerende duinen 8.5 B


369

8.5 D

kustfundament doorgetrokken binnenduinrand doorgetrokken binnenduinrand duin

hoogtelijn -20 meter NAP

vooroever vooroever hoogtelijn -20 meter NAP duin beschermd natuurgebied (PKB Derde Nota Waddenzee) kustfundament

8.5 C

PKB-gebied Derde nota Waddenzee

kansen voor kustbeheer Van zee tot land, dat is kortweg de samenvatting van de ontwikkeling van Walcheren, van het ­Atlanticum tot in de Romeinse tijd. Toen een keerpunt: van land tot zee, landverlies door overstroming bij stormvloeden. De mens leerde zich verdedigen tegen de o ­ prukkende zee, aanvankelijk slechts door de bouw van woonhoogtes, maar omstreeks 1000 AD begon de ­georganiseerde kustverdediging, door het a ­ anleggen van dammen en dijken. Later werden bemaling en inpoldering de gangbare technieken om het woon­ gebied te beveiligen en te vergroten en bleef de bouw en versterking van dammen en dijken het geëigende systeem om het land tegen overstromingen te beschermen. Voor een deel hadden landeigenaren een eigen verantwoordelijkheid, voor een deel werd bestuurlijk de kustbeveiliging toen al door water­ schappen georganiseerd. De watersnood van 1953 leerde dat de afzonderlijke waterschappen niet langer in staat waren de veiligheid te garanderen. Er was een masterplan nodig dat

de lokale bestuursniveaus oversteeg. De Rijksoverheid gaf opdracht te onderzoeken wat nodig was om de ­veiligheid in de Delta op termijn te garanderen. Het pretentieuze – al veel eerder opgestelde – Deltaplan zou worden uitgevoerd. Daarin stond kustveiligheid voorop, ecologische gevolgen voor de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren leken niet zwaar te wegen. De aannamen voor het Deltaplan berustten op de toen aanwezige kennis van zeespiegel en stormkracht, maar inmiddels weten we dat de veiligheid die de Deltadijken bieden onvoldoende is, door een combinatie van zeespiegelstijging, bodemdaling en stormkrachttoename. We hebben een nieuw Deltaplan nodig. Er heeft de afgelopen jaren een ontwikkeling ­ plaatsgevonden in het bedenken van oplossings­ strategieën. In 1995 verscheen het Basisrapport Zandige Kust,78 met een overzicht van de zandbalans van de N ­ ederlandse kust en de mogelijkheden om de veiligheid van bedreigde harde en zachte kustschakels te waarborgen. (8.5 A/B/C/D)


8.6

Drie ontwerpen voor een veilige Delta 2100.

A

Nieuwe Hollandse Linie.

B

Plan Boorsma.

C

Haakse Zeedijk.

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

370

8.6 A

Zandsuppleties werden in dit rapport beschouwd als dé oplossing voor zachte kustschakels met d ­ uinen strandafslag. In sommige gevallen kon worden ­gekozen voor vergroting van de veiligheid door het landinwaarts verplaatsen van de binnenduinrand. De kustverdediging was in 1995 nog gebaseerd op het versterken van zwakke schakels onder ­verantwoordelijkheid van vooral lokale overheden, maar de noodzaak tot het opschalen van veiligheids­ risico’s naar nationale schaal werd al onderkend en de eerste ontwerpen voor een Deltaplan 2100 ­verschenen. ­Vooralsnog werden die ontwerpen ­gekenmerkt door het beperken of zelfs uitsluiten van de invloed van de zee. Eén van die ontwerpen is de Nieuwe Hollandse ­ ntwerp ­Zeelinie.79 (8.6 A) De grondgedachte achter dit o is westwaartse verplaatsing van de kustlijn door aanzienlijke verbreding van de duinzone met grote hoeveelheden suppletiezand.

8.6 B

Een ander ontwerp is het Plan Boorsma80 dat de kustveiligheid wil garanderen door aanleg van een eilandenboog, westelijk gelegen van de huidige kust, die de energie van golfslag bij extreem hoge windsnelheden zou moeten opvangen. (8.6 B) De bestaande kust zou dan intact kunnen blijven, inclusief stranden, badplaatsen en havens; de nieuwe eilanden zouden bovendien uitgebaat kunnen worden voor toeristische doelen, natuurontwikkeling en energieopwekking. Een derde ontwerp is de Haakse Zeedijk.81 (8.6 C) Daarin wordt veiligheid geboden door de aanleg van een s­ telsel van zeedijken, waardoor tussen de huidige kust en de nieuwe westelijke zeedijk zoute tot brakke binnen­zeeën worden gecreëerd, met handhaving van de huidige zeespiegel. De Haakse Zeedijk verzekert niet alleen de veiligheid van de bestaande kust, maar beperkt bovendien de toenemende zoutwaterkwel in de Hollandse polders en biedt ruimte aan rivierwater bij piekafvoer en hoge zeewaterstanden bij westerstorm. Maar hoe ingenieus deze plannen ook lijken,


371

8.6 C

ze spelen vooral in op de risico’s die ontstaan bij stormen die het zeewater hoog opstuwen. Dat heeft behalve voordelen ook nadelen. Door a ­ anleg van een eilanden­boog of een westelijke nieuwe zeedijk komt de huidige kust in de luwte te liggen en kan niet meer profiteren van de opbouwende i­nvloed van de ­natuurlijke processen bij ‘normaal’ weer. En dat ­betekent op termijn toch weer onveiligheid voor de ogenschijnlijk goed beschermde ‘binnenkust’. ­Bovendien: de nieuwe, westelijke harde kustlijn zal ­altijd tegen de erosieve kracht van het zee­water moeten worden beschermd. En zolang de zee­spiegel­ stijging aanhoudt, zal die harde kust blijvend moeten worden versterkt. Het blijft een kwestie van verdedigen tegen de zee. (8.7 A/B)


8.7 A

Beschermde gebieden

8.7 B

Zandwinning en suppleties

Doggersbank Gasfonteinen

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

372

Centrale oestergronden

Klaverbank

Borkumse stenen

Franse front

kustzee: Waddenzee

Bruinebank

kustzee

Zeeuwse banken kustzee: Voordelta beschermde gebieden -20 m NAP lijn open zee 12 mijlsgrens kustzone vogel en habitatrichtlijnen gebied begrensd en beschermd gebied overige gebieden 8.7 A


Ameland Terschelling Vlieland Texel Noord-Holland Rijnland

373

Delfland Maasvlakte Voorne Goeree Schouwen Noord-Beveland Walcheren Zeeuws-Vlaanderen

0

10

20

30

40

locaties van zandwinning en suppleties suppletiehoveelheden in miljoen m3

suppletiegebied zeezandwinning Rijkswaterstaat Actief zandwinvergunningsgebied Rijkswaterstaat suppletiezand beschermd gebied 8.7 B

De ontwikkeling van de methodiek van zand­ suppleties zou een nieuwe mogelijkheid bieden. Tot 1997 ­werden zandsuppleties vooral gerealiseerd op en bij de ­stranden van zwakke kustschakels82 met een ­negatieve zandbalans. Daarna werden steeds meer suppleties onder water op de vooroever gerealiseerd.83 In 2001 werd besloten om het beleid van dynamische handhaving van de kust uit te breiden van de basiskustlijn (de huidige vastgestelde kustlijn) tot het gehele kustfundament (de zone, begrensd door de binnenduinrand en de dieptelijn van -20 m NAP).84 Dat betekende dat de suppletie niet alleen t­oereikend moest zijn om de kustlijn te handhaven, maar ook om de zandvoorraad in het kustfundament z­ odanig op peil te houden dat dit fundament met de zeespiegelstijging kan meegroeien. De consequentie daarvan is weer dat de winbare zandvoorraad buiten het kust­ fundament, maar binnen de twaalfmijlszone niet meer

toereikend zal zijn en dat er zand g ­ ewonnen moet worden buiten de twaalfmijlszone op het continentaal plat. De volgende stap zou worden om niet alleen in te ­zetten op dynamisch handhaven van de zand­ voorraad in het kustfundament, maar de aangroei van de kust te bevorderen door middel van een overmaat aan zandsuppleties op strategische plaatsen in het kustsysteem. Dit is het principe van de ‘zand­motor’,85 een megasuppletie voor de kust, die de zandhonger van de kust kan voeden via het natuurlijke transportproces door zeewater. Dus niet langer een zand­suppletie op maat op de plek waar het urgent lijkt, maar op strategische erosielocaties in het kustsysteem van waaruit aanzandingen worden gevoed. Deze optie betrekt de dynamiek van de zee zelf bij de kustveiligheid: niet verdedigen tegen de zee, maar verdedigen mét de zee.


8.8 A

Recent beeld van de Walcherse kust.

8.8 B Nieuwe kustveiligheid als gevolg van landinwaartse v­ ersterking en verbreding van de zeewering. Het verbrede duinlandschap biedt mogelijkheden voor recreatie en ­biodiversiteit.

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

374

poelen bebouwd gebied duinen dijk 0 tot -2 m NAP -2 tot -5 m NAP -5 tot -10 m NAP -10 tot -20 m NAP > -20 m NAP

8.8 A

Hoewel de zandvoorraad in de bodem van de ­Noordzee gigantisch is in relatie tot de behoefte aan suppletie­zand, is zowel de zandwinning als de aan­zanding niet alleen maar een technische ­kwestie, maar onderworpen aan wetgeving op het gebied van waterstaat en natuur- en ruimtegebruik. Het ­Nederlandse deel van de Noordzeebodem is ­onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur en zowel zandwinning als aanzanding verstoren het eco­ systeem. Toepassing van de zandmotor, maar ook het toekomstig gebruik van nieuw gecreëerd land,

vereist dan ook een uitgebreid vooronderzoek. Daarbij gaat het in de eerste plaats om inzicht in de kust­ processen die de zandmotor zullen sturen, maar ook om ­inzicht in de bestuurlijke en ecologische regel­ geving die moet worden gerespecteerd.86 Het waarborgen van de kustveiligheid heeft consequenties voor het Walcherse landschap. Op nationale schaal wordt het kustvak Zoutelande-Westkapelle gerekend tot de zwakke schakels, waar direct versterking nodig is en dus is onderzocht welke strategieën er zijn.87 Er vinden al zandsuppleties plaats en er wordt al g ­ ewerkt


375

8.8 B

aan de versterking van deze zwakke kustschakel, door l足andinwaartse verbreding van het duinlichaam. Zandwinning en aanzanding voor de be誰nvloeding van de Walcherse kust wordt beperkt doordat het grootste deel van het kustfundament tot beschermd gebied is bestempeld. Dat stelt grenzen aan de be誰nvloeding van flora en fauna, maar vooral aan de omvang van de ontgrondingen. De landinwaartse verbreding betekent dat er ruimte moet worden vrijgemaakt voor verbreding van het duinlichaam en voor de verbreding van de bestaande

bosgordel. Deze manipulatie kan worden benut om het landschap gedeeltelijk te herstructureren en daarmee de basis te leggen voor een toekomstlandschap met een gunstig ecologisch potentieel, dat aantrekkelijk is voor bewoners en recreanten. Afgezien van de selectie van een zandwinningslocatie heeft de landinwaartse verbreding van het kustfundament geen directe relatie met de buitendijkse geomorfologie. (8.8 A/B)


Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

376

poelen bebouwd gebied duinen dijk NAP 0 tot -2 meter NAP -2 tot -5 meter NAP -5 tot -10 meter NAP -10 tot -20 meter NAP > -20 meter

8.8 C


Nieuwe kustveiligheid door de aanleg van een k­ unstmatig eiland ten noordwesten van Walcheren. Een dergelijk eiland kan benut worden voor grootschalige vormen van vis- en schelpdierteelt, nieuwe natuur en recreatie, ­waaronder een zeejachthaven.

8.8 C

Nieuwe kustveiligheid als gevolg van het aanwenden van de ‘zandmotor’ vanuit de Noordzee. Voor de bestaande kust ontstaat door aanzanding nieuw land. Dit is uiteraard van grote betekenis voor de kustecologie en de biodiversiteit, maar ook natuurbeleving en recreatie kunnen in het nieuwe landschap een plaats krijgen.

8.8 D

377

8.8 D

Het tweede scenario is gebaseerd op de constructie van een nieuw eiland voor de Walcherse kust. (8.8 C) Dit eiland kan de zuidelijkste schakel zijn van de Haakse Zeedijk of van de Eilandenboog van Boorsma. In beide ­ontwerpen is immers het eiland Walcheren de plaats waar de p ­ retentieuze zeeweringen beginnen. Dit nieuwe eiland hoeft echter niet beslist het begin te zijn van een ­nationale zeewering, maar kan ook als solitair eiland een oplossing bieden voor een aantal problemen ­waaraan Walcheren in de toekomst het hoofd moet bieden: versterking van de zwakke kustschakel tussen Domburg en Westkapelle, alsook tussen Westkapelle en Zoutelande, en meer ruimte voor hoogwaardige ­toeristische voorzieningen, natuurontwikkeling en visserij. De bouw van een nieuw eiland vereist precieze kennis van de buitendijkse geomorfologie. Na aanleg van een kunstrif moeten immers de kustprocessen, wel of niet ondersteund door een kunstmatige zandmotor, een duurzame aanzanding waarborgen.

Het derde scenario is gebaseerd op landafwaartse of zeeinwaartse verbreding van het kustfundament, door optimaal gebruik van de zandmotor. (8.8 D) Doorgaans maakt een landschapsarchitect een ontwerp voor een gebied waarvan oppervlak en reliëf bekend zijn. De eerste twee scenario’s zijn daarvan goede voorbeelden. Maar in het landafwaartse scenario is die ruimtelijke duidelijkheid er niet. De contouren van het t­oekomstige kustlandschap zijn voorlopig onzeker. Een extra ­uitdaging dus voor een landschapsontwerper. Een invloedrijk element in dit scenario is de aan­ wezigheid van het Oostgat. Deze vaargeul is op termijn bedreigend voor de zwakke kustschakel, ook in het geval van landinwaartse verbreding van het fundament. Zolang echter zeeschepen de haven van Antwerpen moeten kunnen bereiken, zal een diepe vaargeul naar de Noordzee nodig zijn, maar de geul kan zuidwestwaarts verlegd worden.


Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

378

8.9 A

8.9 B

landschappelijk profijt van ­neerslagtoename De combinatie van zeespiegelstijging, bodem­daling en neerslagtoename vraagt aandacht voor het zoetwaterbeheer. Onder de huidige o ­ mstandigheden zal als gevolg van de neerslagtoename meer regenwater moeten worden afgevoerd. Door verbetering van het huidige stelsel van watergangen en gemalen zou dat voorlopig geen problemen mogen o ­ pleveren. ­Afhankelijk van de keuzes voor de toekomstige kustversterking moet rekening worden gehouden met de waterhuishouding van de kustduinen. Indien een keuze wordt gemaakt voor een scenario waarin de ­versterking van het kustfundament gepaard gaat met groei van oppervlak en volume van het duin­ lichaam, kan gerekend worden op een toename van de zoetwater­berging in het duingebied en zoetwateruitstroom naar het achterland. Toen ooit de Romeinen begonnen met de drainage van de drassige veengronden, startte de versnelde afvoer van regenwater, waardoor het niet meer beschikbaar was voor verdere veengroei. Bodemdaling door drainage en m ­ oernering hebben de latere bewoners altijd gedwongen om

de afwatering te verbeteren. De veengronden zijn uit het landschapsmozaïek verdwenen en daarmee is ook een stukje biodiversiteit verloren gegaan. Het ligt dan ook voor de hand om het gegeven van de neerslagtoename geo-ecologisch te gebruiken in het ontwerp van het toekomstlandschap. Niet de huidige drainage verbeteren, maar zoet water opslaan in lage delen in het landschap. Een deel van de komgronden kan zo tot moeras worden ontwikkeld, waar veengroei zich herstelt. Het is van betekenis voor de diversiteit dat op Walcheren veengronden met hun kenmerkende planten en dieren kunnen terugkeren. Bovendien compenseert veengroei op de lange duur een deel van de bodemdaling en is toename van de zoet­watervoorraad ook gunstig voor het terugdringen van de verzilting. Tevens waarborgen goed beheerde ­moerassen in de toekomst de openheid van de lage delen van het landschap.

kansen voor de biodiversiteit Ook op Walcheren zullen doelen moeten ­worden ­bereikt op het terrein van de versterking van de ­biodiversiteit, binnen en buiten de Ecologische


8.9 A

Zicht naar het zuiden vanaf de Sloedam.

Zelfde positie na de aanleg van een nieuwe z­ eehaven in de Quarlespolder. Walcheren wordt weer een (schier)­eiland. Tezamen met grote infrastructurele werken, ­waaronder de aanleg van een tunnel onder de nieuwe zeehaven, maar ook de verwijdering van 12,5 km snelweg, wordt niet alleen de economie maar ook het landschap gefaciliteerd.

8.9 B

8.9 C Het doortrekken van de Westhofhaven in de Quarlespolder tot aan de Sloedam is op termijn een voor de hand liggende ontwikkeling.

379

8.9 C

­ oofdstructuur. Landschapsontwerpers kunnen H bij uitstek bepalen waar en hoe dit kan worden ­gedaan. Voor de realisatie van de meeste e ­ lementen van het toekomstlandschap zal eerst de abiotiek ­worden ­gemanipuleerd, soms op beperkte schaal, ­bijvoorbeeld voor de aanleg van nieuwe buiten­ plaatsen, soms op regionale schaal, bijvoorbeeld voor de verbreding van het kustfundament of de aanleg van een moeras. Daarna is de biotische respons aan de beurt. Dan is de keuze van natuurdoeltypen cruciaal. Natuur­ontwikkeling gebaseerd op b ­ estaande zaad­banken en tuinaanleg ­gebaseerd op ­inheemse soorten leiden in de regel tot een d ­ uurzaam landschaps­mozaïek met een gezonde biodiversiteit. Daarbij is het ­begrip ­‘inheems’ in de loop van de tijd g ­ eëvalueerd van soorten die ‘­oorspronkelijk’ op ­Walcheren groeiden tot soorten die kenmerkend zijn voor de ­historische ­Walcherse cultuur­landschappen. Cruciaal voor het toekomstlandschap is de ­mogelijkheid om ­klein­schalige ­landschapsontwerpen te tillen naar e ­ cologisch ­functionele patronen voor geheel ­Walcheren.

kansen voor de zeehavenontwikkeling Als motor voor welvaart blijft de aanwezigheid van een goed functionerend zeehaven- en industriegebied een belangrijke voorwaarde. De haven en havengebonden activiteiten moeten armslag voor groei behouden. Binnen de huidige grenzen van het Sloegebied is dit bijna niet meer mogelijk. Gezocht moet worden naar uitbreidingen waarvan ook landschappelijke b ­ etekenis uitgaat. De ontwikkeling van een op z­ eehaven-, spoor-, binnenvaart-, pijpleiding- en wegtransport ­gebaseerde logistieke functie in de Q ­ uarlespolder biedt hiertoe onvermoede mogelijkheden. De ­ontwikkeling van een groot zeehavengebied tot aan de Sloedam houdt enerzijds een substantiële ­uitbreiding van de havens van Vlissingen-Oost in; anderzijds wordt het eilandkarakter van Walcheren versterkt. De aanleg van een nieuwe autosnelweg, hier als een combinatie van de oost-west- en de noord-zuid­ verbinding, is ook onderdeel van het voorstel. Een ­tunnel onder de nieuwe Sloehaven maakt deel uit van dit ambitieuze project. (8.9 A/B/C)


8.10 A Mogelijke nieuwe hoofdinfrastructuur. Een gedeelte van de huidige A58 kan worden geamoveerd, waardoor de versnippering van het landschap sterk wordt verminderd. Hiervoor in de plaats wordt de weg rond het Sloegebied ­opgewaardeerd tot volledige (mogelijk driebaans) auto­ snelweg. Het voordeel van dit tracé is dat de snelweg het landschap veel minder doorsnijdt. Eén hoogwaardige ­oost-west verbinding moet voor Midden-Zeeland ruim ­voldoende zijn.

De Noordweg in Sint Laurens, hier nog onderdeel van het rijkswegennet (N57). De inrichting van de ruimte staat geheel ten dienste van de intensieve verkeersfunctie.

8.10 B

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

380

8.10 C Na aanleg van de nieuwe N57 kan de Noordweg ­ orden opgewaardeerd tot een authentieke Walcherse w woonstraat op de kreekrug. Het materiaalgebruik is ­een­voudig en dorps. Laanbomen zijn beeldbepalend.

N 57

De Wilgenhoekweg tussen Sint Laurens en ­Serooskerke.

8.10 D

8.10 E Na de aanleg van de N57 kan de Wilgenhoekweg hier weer worden voorzien van een laanbeplanting.

landschap en de infrastructuur van wegen De tracés van (hoofd)wegen hebben een sterke ­invloed op het landschap. Wegen verbinden niet ­alleen, ze scheiden ook. De kansen voor de toekomst van Walcheren liggen in een optimalisering van de verbindingen, met tegelijkertijd een minimalisering van de scheidende werking. De huidige hoofdinfrastructuur bestaat uit de rijkswegen A58, de oost-westverbinding door MiddenZeeland en de N57, de noord-zuidverbinding over de Deltadammen. Beide wegen worden binnenkort ­gekoppeld als gevolg van de aanleg van het nieuwe deel van de N57. Daarnaast is er de N254/N62 die langs het Sloegebied voor de verbinding met ZeeuwsVlaanderen zorgt. Deze weg heeft ten dele al het karakter van een autosnelweg. (8.10 A) Een goede oost-west- en noord-zuidverbinding zijn voor Walcheren ruim voldoende. Bezien we het huidige wegennet dan is de N254/N62 zowel onderdeel van de oost-west- als van de noord-zuidverbinding. Dit kan efficiënter en tegelijkertijd met minder door­snijding van het landelijk gebied. Door een gedeelte van de

A58 te amoveren met een gelijk­tijdige o ­ pwaardering van de N254/N62 tot volledige autosnelweg, blijft een goede oost-westontsluiting g ­ egarandeerd. Het nu door de autosnelweg ­afgesneden gebied rond ­Arnemuiden en Nieuwland gaat dan weer echt tot Walcheren horen. Ook op Zuid-Beveland ­vermindert daardoor de versnippering van het landelijk g ­ ebied. De opwaardering van de N254/N62 tot ­volledige autosnelweg heeft eveneens te maken met de ­voorstellen voor uitbreiding van het Sloegebied. Deze uitbreiding zou de motor moeten zijn van dit ­omvangrijke ­infrastructuurproject. Hierbij wordt de aanleg van nieuwe wegen gecombineerd met de sloop van bijna elf kilometer snelweg. Op Zuid-Beveland volgt de nieuwe ontsluiting van Walcheren het tracé van de N62 tot aan de N254, om vervolgens langs het Sloegebied het tracé van de bestaande N254 te volgen. Ter hoogte van de (huidige) afslag Middelburg wordt de nieuwe route aangesloten op de N57 en het bestaande tracé van de A58 richting Vlissingen. De aanleg van de nieuwe N57 vormt eveneens een scheidend element in het Walcherse landschap.


381 8.10 B N 256

A 58

N 62

8.10 C

8.10 A

­ ussen Middelburg en Serooskerke is een logisch T tracé gekozen, waarbij de scheidende effecten van de weg zijn geminimaliseerd. Bij Vrouwenpolder zou een verdiepte aanleg van de weg bij de kruising met de Dorpsdijk het dorp veel meer in zijn waarde laten.88 De wijze waarop de nieuwe N57 door de Middelburgse Havenpolder snijdt, verdient geen schoonheidsprijs. Toch is de weg onmisbaar als goede hoofdverbindingsweg. De bestaande regionale wegen door de kernen zullen worden ontlast, waarbij ruimte wordt geschapen voor herinrichtingen met een oorspronkelijk karakter.

8.10 D

(8.10 B/C/D/E)

Naast aandacht voor nieuwe hoofdinfrastructuur pleiten we hier voor meer aandacht voor historische wegtracés. In hoofdstuk 4 is het bijzondere karakter van de Veerseweg tussen Middelburg en Veere als een historische barokke weg op het eiland beschreven. De aanleg van een met deze positie corresponderende beplanting en de verkeerskundige herinrichting op Middelburgs grondgebied zou de weg haar betekenis en statuur kunnen teruggeven. 8.10 E


In dit gebied tussen Middelburg en Koudekerke komt een uitgebreide landgoederenzone tot ontwikkeling, ­aan­sluitend op de geledingszone.

8.11 A

8.11 B Centraal in de landgoederenzone ligt een Grand Canal, dat een voortzetting vormt van de zij-as van het ­historische Ter Hooge.

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

382

8.11 A

de uitdaging van een exclusieve wooneconomie Zowel uit de eerder beschreven tendensen, de ­resultaten van de workshop als het door de o ­ verheid ingezette beleid komt helder de potentie van ­Walcheren als woongebied naar voren, niet meer in de vorm van grootschalige uitbreidingswijken, maar meer exclusief, ruim van opzet in een groene setting. Met het scheppen van mogelijkheden voor landelijk wonen wordt een oude traditie op ­Walcheren weer opgepakt. Een (nieuw) landgoed kan in dat verband worden gezien als de meest u ­ ltieme vorm van ­landelijk wonen. Net als in de a ­ chttiende eeuw krijgen het landhuis en de omliggende ­landschappelijke aanleg een hechte ruimtelijke band, maar dan wel hedendaags vormgegeven.


383

8.11 B

Ook de verschijningsvorm van zowel het huis als het terrein horen bij deze tijd. Hierdoor zal een nieuwe herkenbare laag aan de occupatie van ­Walcheren worden toegevoegd. Er zal ingespeeld ­worden op het historische occupatiepatroon, waarbij ook de nieuwe landgoederen aansluiten. Het bebouwde en beplante gedeelte van een nieuw landgoed zal op de kreek­ ruggen of in de randgebieden liggen. Aanvullend is het goed mogelijk dat meer open vormen van tot het landgoed behorende natuur – grasland, water of r­ietland – in de poelgebieden liggen. Een nieuw ­landgoed kan zich dus uitstrekken van een kreekrug tot in een poelgebied. (8.11 A/B)


Het ‘wegelingwonen’ is geïnspireerd op het ­ estaande ­Walcheren, zoals te zien bij P b ­ oppendamme (A) en bij de woning aan de rand van de akker aan de ­Meliskerkseweg (B).

8.12 A/B

8.13 B

Wegeling nabij Grijpskerke, huidige situatie.

‘Wegelingwonen’ verrijkt het landschap op een bij Walcheren passende manier.

8.13 C

8.13 A Het ‘wegelingwonen’ geeft een ultieme beleving van wonen in het Walcherse landschap en voegt een bijzondere woonvorm aan het eiland toe.

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

384

8.12 A

8.12 B

8.13 A


385

8.13 B

8.13 C

Net als in de achttiende eeuw zullen nieuwe ­land­goederen zorgen voor investeringen in het ­landschap. Ze geven daarmee het landschap een sterke ­economische drager. Maar de nieuwe ­Walcherse wooneconomie beperkt zich niet tot ­landgoederen. Landschappelijk wonen kan ook op kleinere schaal, bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe kleine neder­zettingen. Altijd is er een koppeling ­tussen de bouw van de woning en investeringen in het ­landschap. Als voorbeeld van kleinschalige woningbouw op het ­platteland is het ‘wegeling­ wonen’ ­uitgewerkt. (8.12 A/B, 8.13 A/B/C) Op de rand van de kreekrug met uitzicht op Middelburg ontstaat een

specifieke ­Walcherse w ­ oonsfeer waarin waterberging, rietland en kleine ­geriefbosjes zijn opgenomen. Door toe te staan dat deze woningen ook als ’tweede eerste woning’ ­gebruikt worden, kan een omvangrijke en kapitaalkrachtige doelgroep worden aangesproken. Enkele d ­ agen per week verblijft de eigenaar in een ­appartement (in de Randstad) en lange weekeinden worden in Zeeland doorgebracht.


8.14 A De dorpsring van Biggekerke behoort tot de m ­ ooiste van Walcheren. Het bebouwingslint dat vanaf de ring in ­zuidelijke richting loopt, is vrijwel volledig ingepakt met nieuwe woonwijkjes. In noordelijke richting heeft het lint zijn authentieke karakter behouden. Voor de kwaliteit van het dorp is het belangrijk dat er ‘lucht’ in deze structuren blijft.

8.14 B Mooi is te zien hoe de bebouwingslinten vanaf de kerkring van Koudekerke lopen. De Middelburgsestraat aan de bovenkant van de foto vormt een doorsnijding van deze structuur.

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

386

8.14 A

8.14 B


8.14 C Ook Middelburg heeft de bebouwing aanvankelijk als linten op de kreekrug zien groeien. Het bebouwingslint van de Noordweg tussen Middelburg en Brigdamme vormt hiervan een sprekend voorbeeld. Rechtsboven is nog net de in de jaren zeventig gebouwde wijk Klarenbeek te zien. ­Tussen Klarenbeek, de Noordweg en het Brigdamsepadje is een oudlandgebiedje op de bekende uniforme wijze als natuurgebied ingericht.

8.14 D Gapinge was oorspronkelijk niet meer dan een dun­ bebouwd lint, op de tussen Veere en Serooskerke p ­ rachtig slingerende kreekrug. Dit beeld is ten dele nog intact. Het dorp ademt hierdoor én doordat de Dorpsstraat niet is ­voorzien van trottoirs, nog een authentieke sfeer. Op de ­achtergrond is overigens de uit boslobben bestaande ­structuur van het Veerse Bos goed zichtbaar.

387

8.14 C

8.14 D


Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

388

8.15 A

kansen voor dorpen

8.15 B

Dorpen breiden zich in de toekomst niet meer uit in de vorm van grote vlekken. Uitbreidingen zullen gericht zijn op de specifieke lokale kwaliteiten; groei kan dan weer organisch worden, omdat de noodzaak voor grote bouwstromen niet meer aanwezig zal zijn. ­Daarnaast zullen de kernen flink o ­ pgewaardeerd ­worden, met oog voor dorpse Walcherse k­ waliteiten. (8.14 A/B/C/D) De mogelijkheden hiervoor zullen ­gegenereerd worden door ondermeer de aanleg van de nieuwe N57 en rondwegen rond diverse kernen, waaronder Serooskerke (in samenhang met de N57), Domburg en Zoutelande. (8.15 A/B, 8.16 A/B/C/D) Met de herinrichting van de dorpstraverse van Koudekerke zal voortvarend kunnen worden begonnen, want de rondweg Koudekerke is al enkele jaren geleden ­gerealiseerd.

toekomst voor verblijfsrecreatie De verblijfsrecreatieve sector zal investeren en zich vernieuwen. Geleidelijk aan zal het t­raditionele ­kampeerterrein verdwijnen. Kampeerterreinen ­zullen een ruim opgezette landschappelijke aanleg k­ rijgen, waardoor de gast het idee krijgt in de natuur te kamperen. Ook het Walcherse achterland heeft op de kreekruggen volop mogelijkheden hiervoor. De ­recreatiesector wordt exclusiever en weet nieuwe ­doelgroepen aan zich te binden. Natuur maakt ­geïntegreerd deel uit van de nieuwe kampeerterreinen. (8.17 A/B)

Mede om het boerenbedrijf op Walcheren meer ­economische basis te geven, worden de p ­ lanologische mogelijkheden voor de integratie van vakantie­ woningen op en om de boerderij verruimd. Boeren mogen op hun erf of op strategisch gekozen plaatsen (op de kreekrug) enkele vakantiewoningen bouwen. Erfbeplanting wordt hiervoor ruimer opgezet, ­waarbij veel aandacht is voor streekeigen beplantings­ elementen.

8.16 A


De huidige inrichting van de Oostkapelseweg in ­Serooskerke is vooral dienend aan de verkeersfunctie.

8.15 A

8.15 B Een met laanbomen, hagen en klinkerbestrating opgewaardeerde Oostkapelseweg. De aanleg van de ­noordelijke rondweg Serooskerke en de nieuwe N57 maakt het mogelijk de weg weer een dorps aanzien te geven.

8.16 A Voorstel voor een meer organische groei van ­ erooskerke. De Zandput wordt ontwikkeld als een groen S dorps­centrum, waarin een nieuwe supermarkt en een nieuw dorpshuis in ­combinatie met een woonzorgcomplex zijn opgenomen. Aansluitend aan dit centrum worden nieuwe dorpslinten ontwikkeld. Zo wordt de historische ontwikkeling van het kerkringdorp op moderne wijze voortgezet.

Overzicht van de groei van een Walchers dorp, ­ erooskerke, van 1912 tot 2007. In bijna een eeuw is het S dorp, dat in 1912 nog Middeleeuwse structuurkenmerken had, veranderd in een klomp huizen.

8.16 B

389

1912

1962

1972

1982

1993

2007 8.16 B


Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

390

8.16 C

8.16 D


8.16 C

Serooskerke in 2008.

Serooskerke na aanleg van de N57 en de noordelijke r足ondweg. De Zandput is uitgebouwd tot een levendig dorpscentrum, naast en rekening houdend met de buitenplaats Welgelegen. Tussen het bestaande dorp en de noordelijke rondweg zijn nieuwe woonlinten tot ontwikkeling gebracht. De Oostkapelse足weg is voorzien van een monumentale laanbeplanting. Grote aaneengesloten nieuwbouwwijken zijn mede gelet op demografische ontwikkeling - overbodig.

8.16 D

8.17 A

Huidige situatie ten westen van Aagtekerke.

Voorbeeld van een nieuw kampeerterrein. Kleine 足 osjes vormen het decor voor de tenten en caravans. Het b terrein is zodanig ruim opgezet dat het kamperen zich op 足natuurlijke wijze naar het landschap voegt.

8.17 B

391

8.17 A

8.17 B


Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

392

8.18 A


8.18 A De Middelburgse tangent ter hoogte van het Hof van Tange, huidige situatie. 8.18 B De nieuwe sculpturale schouwburg, die op het Hof is 足gebouwd. Stad, Hof en bolwerken worden hier weer met 足elkaar verbonden. Als voorbeeld is hier een verschaalde 足versie van de door OMA ontworpen Casa da Musica te Porto, Portugal, gebruikt.

393

8.18 B

kansen voor de steden De steden Middelburg en Vlissingen breiden in de toekomst nog maar mondjesmaat uit. Veel aandacht zal besteed worden aan het opknappen van de wijken uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Dit gebeurt ten dele via herinrichting van de openbare ruimte, voor een ander deel door sanering en herbouw. Vanwege de demografische ontwikkelingen wordt afgezien van verdere grootschalige uitbreidingen. De grootschalige vraag naar nieuwbouw stagneert. De historische binnensteden van Middelburg, 足Vlissingen en Veere worden in de toekomst blijvend gekoesterd. Veere durft het aan om het Oranjeplein een nieuwe invulling te geven. Hierbij wordt goed gelet op de maat en de schaal van het stadje, maar de invulling is verrassend eigentijds en wordt door veel mensen gewaardeerd. Middelburg pakt de tangent aan. De bebouwing langs de tangent wordt vernieuwd: woningen, winkels en

kleinschalige kantoren richten zich met hun voorzijde op de tangent. De nieuwe schouwburg wordt gebouwd op het Hof van Tange. Hier wordt de tangent voorzien van een ondertunneling, waardoor de schouwburg een directe verbinding krijgt met de Kloveniersdoelen. Dit historische gebouw krijgt de functie van foyer. Het wordt de huiskamer van de stad. De schouwburg komt in een prachtige stedenbouwkundige reeks te staan. Van Bolwerk via Kloveniersdoelen naar de Lange Viele en de Markt. (8.18 A/B)


8.19 Regelmatig opgebouwde bomenstrips beëindigen ­ iddelburg aan de zijde van de geledingszone. In de strips M kunnen woon- en kantoorgebouwen worden opgenomen die de stad hier een duidelijke en afgebakende voorkant geven.

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

394

8.19

perspectief op de geledingszone Na de realisatie van de Mortiere en het Dokkers­ havengebied zal een voortvarend begin worden gemaakt met de afronding van de beide steden in de geledingszone. Middelburg en Vlissingen doen dat i­eder op hun eigen herkenbare wijze. De ­aanpak bouwt voort op de vigerende visie ‘Ieder uniek en samen sterk’, maar wordt voorzien van een ­landschappelijke component. Zo wordt het resterende open gebied tussen de steden ingericht en b ­ estemd als een landschapspark, waarin het Landfront ­Vlissingen wordt opgenomen.

De ontsluiting van het gebied krijgt hierbij veel ­aandacht, waarbij een scala aan gebruiks­ mogelijkheden wordt geboden. Naast de reguliere fiets- en wandelpaden wordt ruimte gecreëerd om door het gebied te struinen. Zo wordt een optimale uitloop en beleving van het gebied geboden. De afronding van de steden komt l­andschappelijk tot stand, aan de Vlissingse kant in de vorm van (woon)bebouwing, opgenomen in eigentijdse grond­ sculpturen, aan de Middelburgse zijde vormen ­bomenstrips het kader waarbinnen de stadsafronding plaatsvindt. (8.19)


De landbouw op Walcheren is wezenlijk anders van k­ arakter dan in de rest Zeeland. De bedrijven zijn kleiner. De m ­ ogelijkheden voor schaalvergroting zijn beperkt. Door de nabijheid van de steden en de aanwezigheid van het toerisme liggen op Walcheren wel meer mogelijkheden voor productie gericht op de lokale markt. Walcherse streekproducten worden herkenbaar in de markt gezet. Nieuwe combinaties van landbouw en (verblijfs)recreatie geven de landbouw extra perspectief.

8.20

395

8.20

streekeigen landbouw Traditioneel exploiteerde de agrariër grond. Door de verbreding van het boerenbedrijf met bijvoorbeeld ­minicampings exploiteert de boer in toenemende mate ruimte. Er zijn op Walcheren tal van mogelijk­ heden om de boer nog meer de exploitant van de ruimte te laten worden, waardoor enerzijds de ­landbouw op Walcheren een toekomst kan houden en anderzijds nieuwe producten worden ontwikkeld en landschappelijke investeringen op gang komen. Zo kan de bouw van vakantiewoningen in en om het ­boerenerf als een waardevol toeristisch product

de boer een inkomensimpuls geven. Het kamperen-bij-de-boer kan nog steeds, maar krijgt een veel landschappelijker aanzien, wordt r­uimer en groener van opzet. Wat betreft de agrarische ­productie zal de Walcherse boer zich met streekeigen en exclusievere producten steeds meer richten op lokale afzetmarkten. Natuur­beschermingsorganisaties laten de boeren ­grotere natuurgebieden begrazen door vleesvee als schapen, runderen en g ­ eiten. Het Walchers vlees wordt een begrip. (8.20)


Toegankelijke natuur op Walcheren, ook toenemend van 足 etekenis als trekker voor recreatie en toerisme. b Het 足Walchers vleesvee graast de weiden schraal. Natuurbouwers en landbouwers hebben elkaar gevonden.

8.21

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

396

8.21


397

versterking van natuurwaarden De uitdaging om de biodiversiteit te versterken wordt beïnvloed door de bloei van de nieuwe ­Walcherse wooneconomie. Door de realisatie van buiten­ plaatsen uit particulier initiatief vindt een substantiële ­verbreding van de Manteling plaats, zowel tussen Westkapelle en Vlissingen als langs de noordkust ­tussen Domburg en Vrouwenpolder. Ook op de kreekruggen worden veel nieuwe buitenplaatsen aangelegd. De herkenbare structuur van poelen en kreekruggen wordt hierdoor versterkt. De buitenplaatsen zijn producten van de 21ste eeuw en stralen dat uit in hun vormentaal. De realisatie komt geleidelijk tot stand, al naar gelang de vraag. Huidige grondeigenaren spelen een rol in het beheer. Natuur­beschermingsorganisaties beheren de lage delen van Walcheren. Naast natuurwaarden h ­ ebben deze poelgebieden een belangrijke functie in de ­berging van oppervlaktewater. (8.21) In het algemeen worden de economische ­functies – waaronder ook de recreatieve – veel sterker dan ­voorheen dooraderd met natuurlijke e ­ lementen, hetgeen een groot positief effect heeft op de ­natuurwaarden.


epiloog Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

398

Opvallend in de Walcherse geschiedenis zijn de breukvlakken die, zoals in de vorige hoofdstukken is beschreven, ruimtelijk grote gevolgen hebben g ­ ehad. Economische voor- en tegenspoed en oorlogs­ handelingen waren hierbij bepalend. Opnieuw staat Walcheren voor belangrijke keuzen. Boeren we door alsof er op de wereldmarkt niets is gebeurd, of ­worden bakens verzet? Een streek doet dat niet zomaar en – gelet op de Walcherse volksaard – is men extra voorzichtig. Zelfs in tijden van grote nood, zoals na de Tweede Wereldoorlog, was het lastig de streek­ bewoners op één lijn te krijgen. Dankzij visionaire p ­ lannen, bedacht en uitgevoerd door mensen als De Ranitz, Bijhouwer, Benthem, De Jonge en Broerse die het natuurlijk systeem ­begrepen, de cultuur van de streek aanvoelden en in zijn waarde lieten, heeft ­Walcheren opnieuw een bloeiperiode doorgemaakt. Dat Walcheren nu weer voor een breukvlak staat, is minder evident dan toen het eiland door het zoute ­water was verwoest. Het verval sloeg toen in één klap en onverbiddelijk toe. Nu gaan de sectoren die in grote mate verantwoordelijk zijn voor de verschijningsvorm van het landschap, geleidelijk in economische betekenis achteruit. Het verval treedt hierdoor meer geleidelijk op, ondanks alle goedbedoelde beleidsuitgangspunten. Het gaat zo sluipend dat het veel mensen niet eens opvalt. Daarnaast wordt de ruimtelijke inrichting van ­Walcheren te weinig g ­ ezien als een culturele opgave. Bij het maken van b ­ estemmingsplannen voor dorps­ uitbreidingen wordt vaak voor de gemakkelijke weg gekozen. Is de grond eenvoudig te verwerven, dan wordt het bestemmings­plan al snel in de b ­ etreffende ­richting geplooid. Ook angst voor (mogelijke) ­bezwaren zijn dikwijls meer bepalend voor bestuurlijke keuzen dan overtuigende ruimtelijke argumenten. Als het om architectuur in het buitengebied gaat, zijn de laatste decennia te beschouwen als dieptepunt in de Walcherse geschiedenis. In de steden is ruimte voor eigentijdse en soms vernieuwende architectuur. Maar ook de retro-gedachte heeft voet aan de grond gekregen, grootschalig in de Middelburgse wijk De Mortiere, maar daar niet alleen, ook het buitengebied

– met name Domburg – ontkomt er niet aan, zowel in de vorm van retro-buitenhuizen als in boerderette­ woningen. Nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen zijn in landschappelijk opzicht alles behalve een lust voor het oog. Gaan we door op de ingeslagen weg? Blijven we de dorpen op eenzelfde manier uitbreiden? Kruipt de recreatiesector uit zijn schulp, worden ook hier de bakens verzet? Vooral het naoorlogse herstel van Walcheren heeft geleerd dat bewuste keuzen met een visionair en cultureel gehalte het eiland geen windeieren hebben gelegd. Opnieuw zijn bewuste en vergaande keuzen noodzakelijk, waarbij het gebied vanwege de natuurlijk aanwezige kwaliteiten opnieuw een voortrekkersrol zou kunnen spelen. Het tonen van ambitie is hierbij van groot belang. Dit geldt niet alleen voor de gedachten van plannenmakers, maar ook voor de manier waarop deze plannen bestuurlijk worden opgepakt. Ook als het om noodzakelijke investeringen in het landschap gaat, is het niet eenvoudig om h ­ iervoor de nodige steun van de streek te krijgen. Het l­andschap van Walcheren vertegenwoordigt in economisch ­opzicht een steeds grotere waarde. Walcheren ­beschikt nog steeds over een unieke uitgangs­positie. De ligging aan de kust, de natuurlijke basis met kreekruggen en poelgronden, de aanwezigheid van drie historische steden met elk een verschillend profiel, biedt voor de toekomst bijzondere mogelijkheden voor een hoogwaardig woon- en recreatieproduct. Een ­monofunctioneel landbouwgebied is ­Walcheren al lang niet meer. In economisch opzicht is de r­ecreatie al geruime tijd belangrijker dan de landbouw. Een Walcheren zonder landbouw is echter evenmin ­denkbaar. Voor de toekomst is het zaak niet meer in tegen­ stellingen tussen enerzijds landbouw en anderzijds natuur en landschap te denken, maar te streven naar integrale oplossingen waarin de landbouw een ­natuurlijke plaats behoudt. Deze plaats moet zijn afgestemd op het gegeven van een klein­schalige bedrijfs­structuur en een productie die gericht is


399

op lokale markten en streekeigen producten, in tegen­stelling tot landbouw die is afgestemd op de ­wereldmarkt. Hierbij zou sprake kunnen zijn van een echt verbrede landbouw, waarbij het beheer van het landschap in combinatie met recreatieve en/of ­woonexploitatie gepaard zou kunnen gaan. Het zijn de mensen, de Walchenaren die ­Walcheren gemaakt hebben zoals het er nu uitziet. B ­ estuurlijke keuzen liggen hieraan ten grondslag. Het o ­ ntbreken van een duidelijke marsroute met een visie op de ­toekomst is een hypotheek op de t­oekomstige ­vitaliteit en kwaliteit van het gebied. Daarom is ook het ­nieuwste, nog onbekende Walcheren in beeld ­gebracht, als inspiratie voor plannenmakers, ­bestuurders en ondernemers. (8.22)


In het nieuwste Walcheren wordt vooruitgekeken. De kaart geeft een beeld van hoe Walcheren er over enkele decennia zou kunnen uitzien. De noodzakelijke bescherming van de kust komt aan ­zeezijde tot stand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de overvloed aan Noordzeezand. De groei van de steden en dorpen komt vrijwel tot s­ tilstand. Tussen de steden Middelburg en Vlissingen komt een ­landschapspark tot stand, waarin de s­ tedelijke beëindiging van de beide steden is opgenomen en ­vormgegeven. De woningbouw staat in het teken van de o ­ ntwikkeling van de wooneconomie. Dit aan het begin van deze eeuw door de provincie ingezette beleid wordt een ­succes, zowel in e ­ conomisch als landschappelijk ­opzicht. Op de kaart resulteert dit ondermeer in g ­ rotere ­aaneengesloten  landgoederen­zones, bijvoorbeeld ­tussen Middelburg en Koudekerke en in aansluiting op de ­bestaande Manteling bij Domburg en Oostkapelle. Maar ­bovendien komen – net als in de achttiende eeuw – nieuwe landgoederen tot ontwikkeling, verspreid op de kreekruggen. Ook het in dit hoofdstuk beschreven ‘wegelingwonen’ is met enig speurwerk op de kaart terug te vinden. De poelgebieden krijgen een belangrijke functie als natuurgebied en worden verder geschikt gemaakt voor water­ berging. Boeren dragen mede zorg voor het beheer van deze natuurgebieden.  Opvallend in het kaartbeeld is verder de amovatie van een deel van de snelweg A58. Het zuidoostelijk gedeelte van het eiland wordt hierdoor ruimtelijk weer bij Walcheren gevoegd. Het snelverkeer wordt perifeer langs het eiland gestuurd. De weg langs het Sloegebied wordt hiervoor opgewaardeerd tot volwaardige autosnelweg. In combinatie met dit infra­ structurele project wordt de Westhofhaven doorgetrokken tot in de Quarlespolder.

8.22

Het nieuwste Walcheren Jan Willem Bosch, Jan van Mourik

400

akkerbouw weide strand duinen natte natuur bebouwd gebied bebouwing water bos boomgaard weg wegbeplanting spoor dijk strandpalen 0

1

2 km


401

8.22


402


noten 403

1 T.

Lemaire, ‘Een wijsgerige wandeling door het landschap’, in Landschap in meervoud, Utrecht, 1999.

2 Twee

belangrijke publicaties op nationaal niveau over de geologische geschiedenis van het ­landschap zijn: – De Mulder et al., De ondergrond van Nederland, uitgave van het TNO-NITG, 2003. – W.H. Zagwijn, Nederland in het Holoceen, ­uitgave van de RGD, Haarlem, 1986. Met de publicatie van de uitgave De ondergrond van Nederland is door het NITG een ­stratigrafische tabel gepubliceerd met een ­aantal vernieuwde ­formatiebenamingen. Voor de geologische geschiedschrijving van het eiland Walcheren in deze atlas is ­gebruik ­gemaakt van documenten waarin de ­’traditionele’ formatienamen zijn gebruikt. ­Hetzelfde geldt voor de regionale literatuur waarin de landschapsgenese van ­Walcheren wordt beschreven (zie volgende noot). Omdat de ­bestaande inzichten in de geogenese door het veranderen van enkele formatienamen niet zijn veranderd, heeft het auteursteam er de voorkeur aangegeven om de oude b ­ enamingen te blijven gebruiken. De aansluiting van de ­gebruikte ­termen met de bestaande literatuur lijkt ­daardoor het beste gewaarborgd.

3 Twee

belangrijke publicaties op regionaal niveau over de geschiedenis van het landschap zijn: – P. van der Sluis, G.G.L. Steur en I. Ovaa, De ­bodem van Zeeland, Stiboka, Wageningen, 1965. – G. Pleijter en C. van Wallenburg, Bodemkaart van Nederland 1:50.000, toelichting bij de kaartbladen 42 W en O Zierikzee en 47/48 W Middelburg, 1994. Vervloet, ‘Inleiding tot de historisch ­ eografische cultuurlandschappen’, in g Landschapsstudies 4, Wageningen, 1984.

5 G.J.

6 D.

7 J.

8 I.

9

Maas en H. Wolfert, Aardkundige waarden in Nederland; signalering van kenmerkende en zeldzame gebieden voor een nationale ­beleidskaart. Rapport 498, Staringcentrum, Wageningen, 1997. Bal, H.M. Bije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal en F.J. Zadelhof, H ­ andboek Natuurdoeltypen, Expertisecentrum LNV, ­Wageningen, 2001. van de Berg en W. Hendrikse, ‘IJzertijdbewoning te Arnemuiden’, in ­Westerheem 28, p. 127-135, 1978. Ovaa, ‘Het landschap van Zeeland in de Romeinse Tijd’, in Archief Mededelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, p. 11-21, 1971.

K. Bos en R. van Heeringen, Vliedbergen in het Zeeuwse landschap, s­ ymbolen van status ­achter een sluier van tijd, Bos en Böttcher, ­Koudekerke, 2007.

10 J.

11  P.A.

12  Montserat

van Zoest en M. Melchers, Leven in de stad, betekenis en toepassing van de natuur in de stedelijke omgeving, KNNV Uitgeverij, Utrecht, 2006. Henderikx, ‘Land, Water en Bewoning. ­ aterstaats- en Nederzettingsgeschiedenis’ W in De Zeeuwse en Hollandse Delta in de ­Middeleeuwen, p.137, Hilversum, 2001. Galera i Monegal, Antoon van den Wijngaerde, pintor de ciutats i de fets d’armes a l’ Europe del Cinc-Cents, Madrid-Barcelona, 1998.

4 J.J.A.

13 W.S.

Unger, De geschiedenis van Middelburg in omtrek, Uitgave Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1966.

14 K.

Bos, Fort Rammekens, Middelburg, 1984.


404 15 P.W.

29  A.M.

16 P.

30 M  .

31  M.

32  Deze

33  L.

34  H.W.M.

35 M.

36  Ibidem,

p. 128.

37 Ibidem,

p. 95.

38 H.M.

39 M.

Sijnke in Atlas van historische vesting­ werken in Nederland – Zeeland, Stichting Menno van Coehoorn, Utrecht, 2004. Blom, ibidem.

17 A.C.

Tramper, ibidem.

de Klerk, Van Boudewijnskerke tot Zanddijk, Veere, 2006.

van Haperen, ‘Zeeuws Landschap in s­ pagaat’, Zeelandboek 11, p. 93, Middelburg, 2007. van den Broeke, Jan Arends, Buitenplaatsen op Walcheren, p. 198 (Advertentie Middelburgsche Courant, 7 maart 1771), Alphen aan den Rijn, 2001.

18 A.P.

19 P.

Blom in Atlas van historische vesting­werken in Nederland – Zeeland, Stichting Menno van Coehoorn, Utrecht, 2004.

20 C.

en M.P. de Ridder, ibidem.

21 P.W. 22 P.

Sijnke, ibidem.

kaart is te vinden in RAZ, FA Schorer, inv. nr. 1103. Reinders, CASCADE, Bulletin voor tuinhistorie, 13e jaargang, nr. 2, 2004.

Blom en T. de Kruijf, ibidem.

23 H.

Sakkers, De Vesting Vlissingen, Stichting Bunkerbehoud, Middelburg, 2004. Tramper in Atlas van historische vesting­ werken in Nederland – Zeeland, Stichting Menno van Coehoorn, Utrecht, 2004. van der Bijl, Idee en Interest. ­Voorgeschiedenis, verloop en achtergronden van de politieke ­twisten in Zeeland en vooral in Middelburg ­tussen 1702 en 1715, Bijlagen XXXII t/m XXXV en XLIII t/m XLVI, Groningen, 1981.

van der Wyck, Het Arkadisch Walcheren, p. 130, Alphen aan den Rijn, 2001. van den Broeke, Jan Arends, B ­ uitenplaatsen op Walcheren, p. 127, Alphen aan den Rijn, 2001.

24 A.C.

van den Broeke, Jan Arends, Buitenplaatsen op Walcheren, Alphen aan den Rijn, 2001. H.W.M. van der Wyck, Het Arkadisch Walcheren, Alphen aan den Rijn, 2001.

25  M.

26  G.

en S. Jellicoe, The landscape of Man, ­Londen, 1975.

27  J.A.

28  J.C.

van Noppen, Beschrijving van het Eiland Walcheren, Middelburg, 1895. Dekker, Tijdschrift voor Waterstaats­ geschiedenis, nr. 5, 1996.

Kesteloo, Domburg en zijn geschiedenis, p. 61, Middelburg, 1890. van den Broeke, Jan Arends, B ­ uitenplaatsen op Walcheren, p. 103, Alphen aan den Rijn, 2001.


405

40  Chinoiserie

is de benaming voor alle E ­ uropese cultuuruitingen die zich op het Verre O ­ osten ­inspireren. Uit China, Japan, India, zelfs uit ­Perzië – alles heette ‘Chinees’. Vaak had dat weinig of niets met het echte Azië te m ­ aken; chinoiserie is simpelweg de uiting van het ­verlangen naar de paradijselijke wereld die Europa niet was. In de tuinkunst was de ­chinoiserie aan het eind van de achttiende eeuw een grote rage. van den Broeke, Jan Arends, B ­ uitenplaatsen op Walcheren, p. 74, Alphen aan den Rijn, 2001.

46 M.H.

Wilderom, Tussen Afsluitdammen en Deltadijken, deel 3, Vlissingen, 1968.

47 T.

Verheul, ‘Walcheren in de Franse Tijd’, in ­ eeland, jrg. 8, nr. 4, 1999. Z T. van Gent, De ­Engelse invasie van Walcheren in 1809, ­Amsterdam, 2001. 48 A.

van der Woud, Een nieuwe wereld, het ­ ntstaan van het moderne Nederland, o ­Amsterdam, 2005.

41 M.

42  J.W.

te Water, ‘Beschrijving van de ­ Ridderlijke Hofstad Ter Hooge’, aangehaald in A.P. de Klerk, ‘Een achttiende-eeuwse ­beschrijving van het huis Ter Hooge op ­Walcheren’, Zeeuws ­Tijdschrift, jrg. 20, p. 128-134, 1970.

43  M.

van den Broeke, Jan Arends, B ­ uitenplaatsen op Walcheren, p. 79, Alphen aan den Rijn, 2001.

44  Ibidem,

p. 83.

oudere berekeningen worden aan M ­ iddelburg 30.000 inwoners toe­geschreven aan het eind van de z­ eventiende eeuw, maar recente studies maken dat onwaarschijnlijk. De bevolkingscijfers voor Middelburg, Veere en ­Vlissingen zijn ontleend aan P. Brusse en W. van den Broeke, De economische g ­ eschiedenis van Zeeland 1800-2000, Utrecht, 2005. De recente opvattingen staan beschreven in ­diverse artikelen van A. Schuurman, P. Brusse en P. van C ­ ruyningen in Archief 2006, ­Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Daarbij wordt tevens ­verwezen naar berekeningen van P. Priester in G ­ eschiedenis van de Zeeuwse landbouw circa 1600-1910, Wageningen, 1998.

49 A.

Meerman, Slopen of niet, de stadhuizen van Vlissingen, Vlissingen.

50 A.

van Hoof (samenst.), Vlissingen bijzonder wonen, 90 jaar Volkshuisvesting, Vlissingen, 1999.

51 W.

Meulenkamp, Langs historische parken en tuinen, Antwerpen, 1994.

52 K.

53 K.

54 K.

Bosma, ‘Het bombardement’ in Architectuur en stedebouw in oorlogstijd. De wederopbouw van Middelburg, p. 13, Rotterdam, 1988. In totaal waren er 253 woonhuizen, 320 zaken­ panden en 18 (semi-)openbare g ­ ebouwen verwoest.

45 In

Bosma, ‘Middelburg’, in: K. Bosma en C. Wagenaar, Een geruisloze doorbraak. De geschiedenis van architectuur en stedebouw tijdens de bezetting en de wederopbouw van Nederland, p. 127, Rotterdam, 1995. Bosma, ‘De wederopbouwplannen voor Middelburg’, in Architectuur en stedebouw in oorlogstijd. De wederopbouw van Middelburg, p. 38, Rotterdam, 1988.


406

55 K.

Bosma, ‘Stedebouw en monumentenzorg’, in Architectuur en stedebouw in oorlogstijd. De wederopbouw van Middelburg, p. 27-28, Rotterdam, 1988. Verhagen werd bijgestaan door ir L.S.P. Scheffer, hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling te ­Amsterdam en tevens lid van de Advies­ commissie Stedebouw van Ringers.

56 K.

Bosma, ‘Middelburg’, in: K. Bosma en C. Wagenaar, Een geruisloze doorbraak. De geschiedenis van architectuur en stedebouw tijdens de bezetting en de wederopbouw van Nederland, p. 131, Rotterdam, 1995. Het buurtschap ’t Zand was in oktober 1941 aan Koudekerke onttrokken.

zie ook: K. Bosma, ‘De uitvoering van de wederopbouw’, in Architectuur en stedebouw in oorlogstijd. De wederopbouw van Middelburg, p. 44-45, Rotterdam, 1988.

61 D.

62

R. Meijer, ibidem, p. 305.

63

Ibidem, p. 304.

64 H.

65 G.

66

67 J.

68 R.J.

69  Het

70

71 G.

van Hoogstraten, Dirk Roosenburg, p. 52-56 (citaat p. 54), Rotterdam, 2005. De gegevens over de wederopbouw van Vlissingen zijn vooral ontleend aan deze publicatie en aan: R. Meijer, ‘Walcheren, ­verdronken land III, De wederopbouw van ­Vlissingen,’ in: K. Bosma en C. Wagenaar, Een geruisloze doorbraak. De geschiedenis van architectuur en stedebouw tijdens de bezetting en de wederopbouw van Nederland, p. 297-306, Rotterdam, 1995.

Sakkers, J.N. Houtman, Atlantikwall in Zeeland en Vlaanderen, gedurende opbouw en strijd 1942-1944, Middelburg, 1990.

57 Ibidem,

58 K.

Bosma, ‘Middelburg’, in: K. Bosma en C. Wagenaar, Een geruisloze doorbraak. De geschiedenis van architectuur en stedebouw tijdens de bezetting en de wederopbouw van Nederland, p. 133, Rotterdam, 1995. Salet, ‘’t Zand: van buurtschap tot stads­wijk 1940-1945’, in Architectuur en stedebouw in oorlogstijd. De wederopbouw van Middelburg, p. 113-120 (citaat p. 116), Rotterdam, 1988.

van der Ham, Zeeland 1940-1945, p. 23, Zwolle, 1990.

de Ranitz, ‘De wijze van voorbereiding en voorlopige resultaten van het streekplan ­Walcheren’, Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw, nr. 6, p. 118-120, nr. 5, p. 102-105, 1940.

59 R.

van der Laan en B. Lamberts, ‘Nood­ woningen en volkshuisvesting’, in Architectuur en stede­bouw in oorlogstijd. De wederopbouw van ­Middelburg, p. 120-130 (citaat p. 128), ­Rotterdam, 1988.

Ibidem, p. 258.

Benthem, E. Reinders, Voorlopig rapport inzake de behartiging van de landschappelijke, boschbouwkundige, recreatieve en natuur­ wetenschappelijke belangen binnen het kader van het herstelplan voor Walcheren, p. 4, 1945.

60 L.

Nieuwe Walcheren, p. 4, rapport ­ itgebracht door de Snelcommissie Walcheren, u 1946. Ibidem, p. 5. Beckers, Jac.P. Thijsse Park – designed Dutch landscape, p. 40-41, Amsterdam/ Woodbridge, 2003.


407

72

 en uniek park, Onderhouds- en belangen­ E vereniging Breezand 1, uitgave bij het vijftigjarig bestaan van het park, 2002.

73  Archief

74  Ibidem.

75  J.W.

van de Stichting Vebenabos, doos 7-3, Zeeuws Archief, Middelburg.

79 W.

80 K.

81 R.

82 RWS,

83 Ibidem.

84 Ministeries

Bosch, W.H. van der Hoofd, Advies ­Landschapsbouw Walcheren, Staatsbosbeheer, 1984.

76  Handboek

Natuurdoeltypen, Expertisecentrum Ministerie van LNV, 2001.

workshop, in alfabetische volgorde: Michiel van Amerongen, planoloog; Gerrie Andela, architectuurhistorica; Annelien Bijdevaate, provincie Zeeland; Kees Bos, geograaf; Jan Willem Bosch, Bosch Slabbers; Piet Dieleman, beeldend kunstenaar; Sven Fierens, Bosch Slabbers; Piet Goossen, provincie Zeeland; Robert van Heeringen, Rijksdienst voor ­archeologie, cultuurlandschap en monumenten; Gertjan Jobse, Bosch Slabbers; Jan Kaland, gemeente Veere; Aad de Klerk, SCEZ; Johan de Koning, LAB voor architectuur ­(Middelburg); Luc Korpel, staatsbosbeheer Tilburg; Geertje van der Krogt, Zeeuwse Milieu Federatie; Jan van Mourik, UVA; Huib van der Sande, gemeente Veere; Cees van der Veeken, Buro Lola; Catherine Visser, DAF architecten; Dominique de Vries, gemeente Veere; Marius Vrijlandt, DLG Goes; Freek Wisse, gemeente Veere.

Bos, Nieuwe Hollandse Z ­ eelinie; een grote sprong voorwaarts met s­ trategische kust­ uitbreiding, 2001.

Boorsma, Een waterbouw­kundig Deltaplan voor de 21ste eeuw: een ­toekomstvisie voor ­Nederland, 2007. van den Haak, P.G. Stokman, De Haakse Zeedijk; multifunctionele oplossing voor rampen en andere problemen, 2003. Grontmij, MER Winning suppletiezand Noordzee 2008-2012, 2007.

77 Deelnemers

78 Ministerie

van Verkeer en Waterstaat, TAW, ­ asisrapport zandige kust, Ministerie van B ­Verkeer en Waterstaat, 1995.

VWS en VROM, Beleidslijn kust,

2007.

85 www.wateruitdagingen.nl

86 RWS,

87 Projectbureau

88 OKRA

Grontmij, MER Winning suppletiezand Noordzee 2008-2012, 2007. Zwakke Schakels Zeeland, Naar een kust met kwaliteit, Startnotitie Strategische Milieubeoordeling Kustversterking Zuidwest Walcheren, 2005.

landschaps­architecten, Belvedereproject | N57 Walcheren, deel 1, Utrecht.


408


register 409

zaakregister â&#x20AC;&#x2122;t Hof het Hooge Duyn 346, 349 â&#x20AC;&#x2122;t Hof Landlust 346 Aagtekerke 168, 224, 271, 322, 391 aanwas(polders) 45, 47 abdij (Middelburg) 63, 235, 245, 246, 247, 249, 303 Abeele 257, 260 Adviescommissie Stedebouw 244 afwatering 60, 68, 134, 230, 378 Airey-systeem 302 aquacultuur /-cultures 366 Arne 60, 63, 65, 73, 98, 129, 146, 148, 191 Arnemuiden 43, 49, 64, 65, 73, 98, 106, 129, 199, 322, 380 Arnestein 146, 148, 149, 300, 306 Barok 112, 123, 124, 127, 214, 353 Beekshoekpolder 132, 133, 136, 353 beplantingsplan 20, 277, 295, 297, 325, 335 Berkenbosch 152, 219, 340, 343, 344, 345, 347 Biggekerke 60, 62, 63, 224, 227, 271, 386 bodemdaling 31, 32, 366, 378 bolwerk 98, 106, 107, 109, 110, 117, 194, 199, 200, 219, 243, 304, 319, 393

Boudewijnskerke 62 boulevard 187, 206, 209, 210, 211, 251, 252, 254, 313, 319 Breezand 289, 299 Brigdamme 321, 387 buitenplaats(en) 19, 113, 214, 276, 340, 397 burcht / ringwalburg 18, 51, 57, 109, 121 chinoiserie 168 Delftse School 300 Deltawerken 47, 294 Den Dolphijn 143, 144, 145 Der Boede 160, 340, 366 dijk(en) / bedijking 18, 29 Dishoek 29, 59, 69, 105, 221, 289, 297 Domburg 19, 50, 51, 57, 64, 163, 164, 221, 223, 235, 271, 272, 287, 288, 322, 348, 397, 398

Domburgse Watergang 8, 60, 230 dorpslint 321, 389 dorpsterp 50, 58 drainage 27, 40, 43, 378 Duinbeek 215, 219, 340, 343, 344 Duinvliet 216, 217, 343, 346, 347, 349 Duno 49, 58, 59, 68, 69

Duynvliet 148 Ecologische Hoofdstructuur 48, 51, 52, 283, 350, 374 Engelse landschapsstijl 152, 215, 219 Fort de Nolle 194 Fort de Ruyter 182, 194, 197 Fort den Haak 109, 136, 295 Fort Zoutman 195, 197 Gapinge 60, 321, 322, 323, 387 gemaal 19, 184, 230 Grijpskerke 15, 224, 271, 384 Groot Abeele 257 Groot Middenhof 343 Groot Valkenisse 257 Haakse Zeedijk 370, 377 heul 60, 157 Hof Sottegem 189 Hof te Domburg 164 Hollandse Renaissance 205 Hollandveen 37, 42, 43, 44 hollestelle / stelberg 50, 57, 58 Holoceen 30, 35, 37, 42 Honte 98, 105 Hoogduin 219, 343, 346, 348, 349 Hoogelande 62, 228, 233 houtwal 49, 235 Huis te Oostkapelle 155, 160, 163 Huis ten Duine 215, 214 Huys te Oostkapelle 155 IJzertijd 35, 49, 51 inbraak (van de zee) 40, 45, 58, 59, 71 inbraakgeul 45, 59 inlaag(dijk), inlagen 69 inpoldering 19, 27, 29, 37, 53, 68, 128, 369 Ipenoord 217 Kanaal door Walcheren 13, 19, 143, 194, 199, 200, 203, 204, 229

kasteelberg / vliedberg 51, 61, 72, 99, 339 Kattepolder 69 Keizersbolwerk 98, 110, 117 Kievitshoek 235 Klein Valkenisse 223 Klein Zeeduin 217 kleiplaat(gebied)(en) 15, 42, 44, 47 Kleverskerke 58, 62, 231, 322 komgebied(en) 27

Koudekerke 45, 60, 101, 222, 223, 224, 260, 268, 272, 322, 336, 382, 386, 388

kreek, kreken 27, 29, 44, 56, 68, 131, 275 kreekrug 15, 42, 44, 45, 53, 57, 121, 214, 265, 268, 325, 365, 366, 383, 386, 387, 388, 397

kusterosie 30 Kustlicht 299 kustverdediging / zeewering 27, 30, 41, 47, 69, 369, 370, 374, 377

Kwartair 30, 34, 35 kwelder 27, 37, 39, 40, 41 Lage Vroon 187 Landschapsbeleidsplan 328, 329 Lemmel 58 Linker, Midden en Rechter Reduit 194, 258 Loverendale 164 maaivelddaling 44, 49 Manteling 11, 13, 112, 180, 238, 366, 397 Meliskerke 63, 224, 227, 322 Meliskerkse Watergang 54, 312 Middelburg 10, 13, 18, 19, 42, 57, 62, 63, 64, 65, 67, 98, 100, 105, 106, 107, 109, 114, 115, 117, 118, 119, 121, 130, 147, 184, 185, 187, 191, 192, 193, 199, 200, 214, 218, 240, 242, 271, 282, 299, 300, 301, 302, 303, 304, 305, 306, 307, 308, 309, 312, 318, 382, 387, 393, 394, 400

Middelburgs havenkanaal 60, 129 Middelburgse polder 128 moeras 37, 40, 43, 54 Moesbosch 340 Molembaix 124, 185 Molenwijk 215 Monnikendijk 68 Nagelenburg (boerderij) 335 Nieuw Abeele 257 Nieuw- en Sint Joosland 192 Nieuwe Hollandse Zeelinie 370 Nieuwerkerk 150 Nieuwerkerkerpolder 128 Nollebos 187 Nolledijk 187, 258 Noorder- en Zuiderhoofd (Veere) 101 Noorder Nieuwlandpolder 353 Noordzee(bekken) 26, 28, 29, 30, 36 Noormannen 50, 57 oeverwal 24, 27, 49, 57


410

ontwatering 27, 43, 44 Oostkapelle 49, 62, 69, 102, 135, 160, 217, 288, 343 Oost-Souburg 18, 57, 121, 319, 322 Oostwatering 102 opslibbing 41, 44, 47, 68 opwas(polders) 129 Oranjebosch 133, 134, 353 Oranjepolder 128, 131 Oranjezon 132, 136, 223 Oud-Vlissingen 64 Overduin 68, 215, 217, 340, 343 Paul Krügerstraat 209, 251, 250 Plan Boorsma 370 Pleistoceen 30 poel(grond)en 15, 43, 44, 45, 47, 53, 71, 350, 354, 374, 375 Popkensburg 155 Poppekerke 63 Poppendamme 60, 384 Poppenroede 124, 140, 149, 238 Princevijver 133, 136 Provinciale Planologische Commissie 295 Quarlespolder 282, 379, 400 Rammekens 19, 98, 105, 117, 195, 196, 257 reliëf 28, 34, 43, 44 reliëfinversie 43, 45 Renaissance 11, 103, 124 Rijnsburg 68, 69, 102, 214 Rikendale / Rikendamme 69 ringdijk 56, 59, 65, 68 ringgracht 57, 62 Ritthem 42, 51, 105, 224, 264 Rococo 152, 174, 178 Romantiek 11, 214, 353 ruilverkaveling 44, 47, 265, 271, 336, 354 Sandenburgh 60, 64 Schellachse weihoek 227 Schoonoord 216, 217 schor(gebied) 24, 57, 68, 128 Serooskerke 15, 58, 59, 63, 68, 69, 207, 235, 321, 322, 387, 388, 389, 391

Sint Jan ten Heere 50, 166, 342 Sloe 47, 58, 364, 380 Sloedam 199, 282, 379 Sloepolders 223 Slot Aldegonde 189

sluis, sluizen 60, 203, 204, 229 Snelcommissie Walcheren 267 Steenhove 236, 324 stinzenflora 349 storm(vloed) 24, 58, 368 strandgeul 27 strandwal(len) 27, 37, 48 streekplan 243, 244 Swanenburg / Zwanenburg 189 Ter Hooge 19, 172, 340, 343, 383 Ter Mee 59 Toornvliet 340, 341 Torenvliet 215 transgressie 34, 37, 44, 49 turf 16, 54 Valkenisse 57, 223, 257 Valkenisse Watergang 260 Vebenabos 289, 297 Veere 42, 64, 100, 102, 106, 130, 180, 184, 194, 195, 199, 275,

Westkapelse Zeedijk 45 West-Souburg 51, 62, 213, 257 Wulpenburg 191 Zaagmolenpolder 73, 128 Zanddijk 58, 62, 64, 322 Zandvoortseweihoek 149, 150, 350 Zeeduin 56, 68, 149, 215, 340, 343, 349 zeespiegel(stijging) 26, 30, 33, 34, 37, 364, 369, 371, 373 zout(winning) / moernering / darinkdelven 17, 18, 43, 44, 57, 70, 71, 72, 378

Zoutelande 69, 187, 221, 224, 225, 271, 272, 288, 299, 322, 339, 374

zoutketen 71, 129 Zuidwatering 60, 273, 278 Zwitserse stijl 168

personenregister

282, 285, 322, 393

Veerse Bos 29, 338, 387 Veerse Gat 58, 98, 131, 193 Veerse Meer 42, 299 Veerse Watergang 102 Veersegatdam 294 verlanding 27, 128 verstuiving (duinzand) 34, 49, 223 Vijf Ambachten 60, 102 Vlissingen 20, 64, 101, 106, 109, 110, 117, 184, 189, 192, 195, 197, 200, 202, 250, 257, 258, 272, 282, 283, 299, 311, 393, 394

Vlissingen-Oost 13, 282 Vlissingse watergang 209, 351 vooroever 47, 368 Vrouwenpolder 69, 109, 189, 222, 224, 258, 272, 288, 289, 290, 291, 293, 294, 381

Waaienburgpolder 131 wadden 27, 37 weel 59, 68, 73 Wegschap Walcheren 324, 330 Welgelegen / Vrederust (Serooskerke) 217, 391 Welzinge / Welsinge 42, 60, 65, 69, 71, 98, 115, 130 werven / woonterp 58, 61 Westhove 11, 102, 163, 219, 340, 344, 345, 346 Westkapelle 16, 20, 31, 59, 62, 64, 69, 101, 105, 168, 224, 258, 286, 338, 374

Andriessen, A. 106 Arends, J. 139, 140, 143, 144, 145, 146, 149, 150, 152, 154, 163, 166, 168, 174, 176, 178

Bakker Schut, P. 265 Bakker, R. 309 Bhalotra, A. 312 Bast, P. 100, 101 Baurscheit, J.P. van 160, 161, 163, 166, 167 Beautemps-Beaupré, Ch.-F. 187 Bebber, G. van 307 Benthem, R.J. 265, 267, 272, 275, 277, 398 Berghoef, J.F. 302, 303 Bernards, Ch. 139, 140 Bijhouwer, J.T.P. 265, 267, 276, 277, 340, 398 Blaeu, J. 76, 196 Boddaert, R.J. 154 Bommel van Vloten, J.H. van 267 Borselen, Wolfert van 69, 133 Borssele van der Hooghe, Ph. de 172 Borssele-Coninck, echtpaar van 175 Bout, J. van den 309 Brande, J.P. van den 166 Briët, P.H.N. 248 Broerse, C.P. 276, 277, 278, 293, 295, 297, 340, 341, 398 Butter, G. den 246, 247


411

Campi, S. 106 Denucé, J. 76, 105 Deventer, J. van 60, 64, 67, 76, 101, 110, 139 Dijk, A. van 17 Dijkstra, A. 213 Donato de Boni Pellezuoli 98 Dorp, jhr. A. van 166 Duintjer, M. 249, 293, 295, 300, 301 Dusseldorp de Superville, J.W. en J.S. van 154 Duvekot, J. 294 Elandts, C. 126 Feyter, G. de 109, 136 Gargon, M. 139 Gelder, D. van 230, 335 Goedaert, J. 10, 19, 117, 119 Götzen, P. 300, 301, 311, 312, 322 Groosman, E. 254 Haan, W.J. de 216 Hattinga, D.W. en A. 76, 112, 121, 128, 132, 139, 140, 142, 146, 149, 155, 158, 161, 163, 164, 166, 167, 171, 176, 178, 189, 275, 346

Heijmans, L. 203 Hendriksz, A. 118 Hertzberger, H. 308 Heyns, Z. 76 Hildernisse, I. 60 Hingman, 132 Hogenberg, F. 67, 76 Hollestelle, J. 214 Hondius, J.F. 302, 303 Hooft, P.J. ’t 249, 295 Hooge, S. van der 175 Houtman, C. 118 Huijsser, G.H.J.A. 235 Jobse, J. 302, 312, 313 Jonge, N. de 273, 275, 277, 325, 338, 398 Klarenbeek, H. 314 Klunder, B. 305 Koekkoek, J.H. 185, 193 Kranendonk, A. van 246, 247 Krombeen, C. 265 Krul, C. 327 Laar, G. van 179 Lafour, L. 307 Lage, J. de 174, 175, 176, 178

Lampert, P. 193 Landmeter, A. de 221 Maaskant, H. 254 Massol, J. 128, 131 Meester, W. de 174, 176 Mesu, A. 291 Mesu, F.P. 265 Moerentorf / Moretus, J. 74, 76, 105 Montserat Galera i Monegal 76 Moucheron, B. de 118 Munck, J. de 163 Nieukerken, J.J. van 217 Niftrik, J.G. van 209 Noppen, J.A. van 127 Oorspronk, D.H. van 139 Orliens, D. van 109 Ottens, J. en R. 76 Ouwehand, C. 213, 250, 252 Overdijkink, G.A. 247 Paalvast, M. 11 Perkois, J. 164 Pingen, B. 312 Plantin, Ch. 76 Poort, J.G. van der 163 Pronk, C. 139, 140, 163 Ranitz, jhr. J. de 213, 243, 244, 245, 246, 249, 250, 265, 398

Rau, Th. 309 Reinders, E. 265 Reygers, J.H. 168 Reygersbergh, J. 60 Ringers, J.A. 244, 245, 246, 267 Roman, Z. 76 Roodenburg, H.E. 235 Roosenburg, D. 209, 213, 243, 250, 251, 253, 254, 255 Rothuizen, A. 249, 297 Rouge, le 76, 140, 180 Roy, G. le 118 Ruiter, P. de 309 Ruysdael, J. van 139 Sage, W. le 160 Schedel, H. 76 Scheyderuyt, S. 175, 178 Schuppens, P. 178, 179, 215 Schutte, M.P. 247

Segaers, P. 117 Seutter, M. 76 Smale, A.H. 265, 267 Smallegange, M. 60, 99, 120, 124, 139, 143, 157, 161, 163, 164, 170, 171

Smit, A. 206 Soetelieff, J. 126 Spilman, H. 140, 163 Stam, D. 314 Steur, A. van der 246 Tijen, W. van 254, 311 Tirion, I. 19, 112, 140 Tuinhof, T. 309 Valckesteijn, jonker 158 Valkenburgh, J. van 109 Veessaert, A. 143 Velters, F. 166 Venne, A. en J. van de 118, 119 Verhagen, P. 245, 246, 247, 248, 249, 252, 267 Versluis, jhr. W. 168 Vertregt, J.A. 191 Vink, M. de 264, 265, 267 Visscher, N. 47, 76, 140 Vrijenhoek, M. 213 Wadde, S.P. 132, 133, 134, 163 Water, J.W. te 175 Wijck, jhr. H.W.M. van der 142 Wijngaerde, A. van 72, 74, 76, 77, 99, 101, 102, 117, 166, 172 Willems, J.F. 105 Wit, P. de 327 Zee, A. van der 222 Zocher sr., J.D. 179, 215, 219, 341, 345 Zocher, K.G. 199, 216, 217, 219, 349 Zonderwijk, Prof. 326


illustratieverantwoording 412

Indien een illustratie niet vernoemd wordt is de herkomst Bosch Slabbers, Bos & Böttcher of één van de auteurs. Indien niet anders aangegeven is de o ­ riëntatie van ­kaarten altijd met het Noorden aan de bovenzijde. Kaarten 3.11, 4.51, 5.45, 7.78 en 8.22 geven slechts een impressie van het landschapsbeeld op dat moment.

0.1 Zeeuws Archief,

ZI-II-0004.

0.2 Michiel Paalvast. 0.3 NEO/ 12provinciën.

0.4 A

0.4 B ir

NEO/ 12provinciën. J. Bennema en dr ir K. van der Meer, 1952. 0.4 C Chromotopografische kaart des Rijks. 0.8 Rijksmuseum Amsterdam. 0.9A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 7408. 1.0 Fotografie Edwin Paree. 1.1 A Idem. 1.1 B Idem. 1.2 Gebaseerd op: G. Londo, ­‘Natuurontwikkeling’; Bos- en Natuurbeheer, deel 6, p. 62-65, Backhuys Publishers, Leiden, 1997. 1.3 Gebaseerd op: J.M. van Mourik, Inleiding tot de fysische geografie, UVA-IBED-FG, Amsterdam, 2006. 1.4 A Gebaseerd op: H.J.A. Berendsen, Fysische ­Geografie van ­Nederland, Inleiding in de geologie en ­geomorfologie, p. 69, Uitgeverij Van Gorkum, 1996. 1.4 B Gebaseerd op: De Mulder et al., ‘Verwachte daling en stijging van het Nederlandse landoppervlak tot 2050’, De ondergrond van ­Nederland, p. 67, TNO-NITG, 2003.

op: J. van Boxel en L.H. Cammeraat, ‘Wordt Nederland steeds natter? Een analyse van de neerslag in deze eeuw’, Meteoro­ logica 99-1, p. 11-15, 1999. 1.5 C Gebaseerd op gegevens van het IPCC ­(inter governmental panel on climatic change). 1.6 Gebaseerd op: W.H. Zagwijn, Nederland in het Holoceen, RGD, ­Haarlem, 1986. 1.8 Gebaseerd op: W.H. Zagwijn, Nederland in het Holoceen, p. 11, RGD, Haarlem, 1986, en op: G. Pleijter en C. van Wallenburg, Bodemkaart van Nederland 1:50.000, toelichting bij de kaartbladen 42 W en O Zierikzee en 47/48 W Middelburg, p. 14, 1994. 1.9  Gebaseerd op: W.H. Zagwijn, Nederland in het Holoceen, RGD, Haarlem, 1986. 1.10 Gebaseerd op: G. Pleijter en C. van Wallenburg, ­Bodemkaart van Nederland. 1:50.000, ­toelichting bij de kaartbladen 42 W en O Zierikzee en 47/48 W Middelburg, p. 23, 1994. 1.11  Uit: P.J. Blok en A.A. Beekman, ­Geschiedkundige Atlas van ­Nederland, Nijhoff, Den Haag, 1916-1921. Beschikbaar gesteld door de Kaartenkamer van de Universiteit van Amsterdam 1.12 Gebaseerd op: G. Pleijter en C. van Wallenburg, ­Bodemkaart van Nederland 1:50.000, ­toelichting bij de kaartbladen 42 W en O Zierikzee en 47/48 W Middelburg, p. 17, 1994. 1.13 Idem, p. 23. 1.15 Gebaseerd op: H.J.A. Berendsen, Fysische Geografie van N ­ ederland, landschappelijk Nederland, ­Uitgeverij Van Gorkum, p. 154, 1997.

1.5 A/B Gebaseerd

1.17 Gebaseerd

op: P. van der Sluis, G.G.L. Steur en I. Ovaa, De bodem van Zeeland, Stiboka, Wageningen, 1965; en op: G. Pleijter en C. van Wallenburg, ­Bodemkaart van Nederland 1:50.000, ­toelichting bij de kaartbladen 42 W en O Zierikzee en 47/48 W Middelburg, p. 55-69, 1994. 1.18  Collectie antiquariaat Dat Narrenschip. 1.19 Gebaseerd op: J.S.L.J. van Alphen en M.A. Damoiseaux, ‘Geomorfologische kaart van de Nederlandse kustwateren, schaal 1:250.000, Zuidblad’, Geografisch Tijdschrift XXII, p. 161-167, 1988. 1.20  Gebaseerd op: G. Pleijter en C. van Wallenburg, ­Bodemkaart van Nederland 1:50.000, ­toelichting bij de kaartbladen 42 W en O Zierikzee en 47/48 W Middelburg, p. 26, 1994. 1.22  Gebaseerd op: J.H.F. Bloemers, L.P. Louwe Kooijmans en H. Sarfatij, Verleden land, p. 182, Meulenhoff Informatief, ­Amsterdam, 1981. 1.23  Gebaseerd op: Wetenschappelijke Atlas van Nederland, deel 16, p. 13. Staatsuitgeverij, Den Haag, 1987. 1.24  Gebaseerd op: T. Denters, ­Stadsplanten, p. 18, Fontaine Uitgevers, 2005. 1.25  Gebaseerd op: G.J. Maas en H. Wolfert, Aardkundige ­waarden in Nederland, Rapport 498, ­Staringcentrum, Wageningen, 1997. 2.6  Zeeuws Archief, ZI-II-1127. 2.7 A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 20454. 2.10 Zeeuws Archief, ZI-I-0363. 2.11  Zeeuws Archief, ZI-I-0340. 2.12  Zeeuws Archief, beeldrecht ­Gemeente Middelburg.


413

2.14  Stichting

2.15  Reconstructie

Cultureel Erfgoed Zeeland. door A. Maljaars en J.P. Zwemer. 2.16  Zeeuws Archief, Atlas van ­Deventer, 94A. 2.18  Zeeuws Documentatiecentrum. 2.19 A Zeeuws Archief, ZI-I-0294. 3.1  Museum Plantin-Moretus / Prentenkabinet, Antwerpen. Fotografie: P. Maes, Kunstuitgeverij, inv. M14.21. 3.2  Collectie antiquariaat Dat Narrenschip. 3.3  Zeeuws Archief, ZI-II-0224. 3.4  Universiteitsbibliotheek Leiden, ­collectie Bodel Nijenhuis, Port 35 N 74. 3.5  Felixarchief Antwerpen. Fotografie: P. Maes, Kunstuitgeverij. 3.6  Zeeuws Archief, 4-VTH_3488. 3.7  Zeeuws Archief, ZI-I-0271. 3.8  Collectie antiquariaat Dat Narrenschip. 3.9 A Zeeuws Archief, Polder Walcheren-2521. 3.10  Universiteitsbibliotheek Leiden, collectie Bodel Nijenhuis, Port 35 N 28. 4.0  Zeeuws Archief. 4.1  MuZEEum. 4.2 A/B/C/D Idem. 4.3  Idem. 4.4 A Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-1775. 4.5 A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 07194. 4.5 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 06288. 4.7  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 22774. 4.9 A Zeeuws Archief, part tienden walch-8-18. 4.9 B Haags Gemeente Archief, kl. B 128. 4.10  Zeeuws Archief, ZI-I-1277. 4.11  Zeeuwse Bibliotheek /

Beeldbank Zeeland, 06649. Archief, 4-VTH_1862. 4.15 B Zeeuws Archief. 4.16 A Nationaal Archief, 4-VTH_2864. 4.17 Nationaal Archief, 4-VTH_2879. 4.18  Zeeuws Archief, Polder Walcheren 2521. 4.19  Zeeuws Archief. 4.20  Collectie antiquariaat Dat Narrenschip. 4.21  Idem. 4.22 A Zeeuws Archief, ZI-II-2696. 4.22 B Gebaseerd op: L. Reinders, ­Cascade, Bulletin voor tuinhistorie, 13e jaargang, nr2, 2004. Ondergrond: Chromotopografische kaart des Rijks. 4.23  Zeeuws Archief. 4.24 A Zeeuws Archief, ZI-II-0762a. 4.24 B Zeeuws Archief, ZI-II-0762e. 4.25  Zeeuws Archief, ZI-II-0762b. 4.27  Zeeuws Archief. 4.28  Zeeuws Archief, ZI-II-0771f. 4.29 A Zeeuws Archief, ZI-II-0770. 4.29 B Zeeuws Archief, ZI-II-0771d. 4.31 A Zeeuws Archief, ZI-II-0771h. 4.31 B Zeeuws Archief, ZI-II-0771g. 4.31 C Zeeuws Archief, ZI-II-0771l. 4.32  Zeeuws Archief. 4.33  Collectie antiquariaat Dat Narrenschip. 4.34  Zeeuws Archief, ZI-II-0956. 4.35 A Nationaal Archief, 4-VTHR_289A. 4.35 B Nationaal Archief, 4-VTHR_289B. 4.36  Zeeuws Archief. 4.37  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 06229. 4.38 A Zeeuws Archief, ZI-aanw-75-2. 4.38 B Zeeuws Archief, ZI-aanw-75-5. 4.39  Nationaal Archief, 4-VTH_2863. 4.40 A Zeeuws Archief. 4.40 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 19464. 4.40 C Zeeuws Archief, ZI-II-0106. 4.41  Zeeuws Archief.

4.15 A Nationaal

4.42  Rijksdienst

voor ­Archeologie, ­ ultuurlandschap en ­Monumenten– C Zeist, VE-1594. 4.43  Zeeuws Archief, ZI-II-0109. 4.44  Zeeuws Archief, ZI-II-0111B. 4.45 A Zeeuws Archief, ZI-II-1381. 4.45 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 08298. 4.45 C Zeeuws Archief. 4.46  Zeeuws Archief, ZI-II-0167. 4.47 A Zeeuws Archief, Fam Van Lynden-170. 4.47 B Speciale collecties, Bibliotheek Wageningen UR, 01.395.02. 4.48  Zeeuws Archief. 4.49 A Zeeuws Archief, ZI-II-0178a. 4.49 B Zeeuws Archief, ZI-II-0178e. 4.49 C Zeeuws Archief, ZI-II-0178f. 4.49 D Zeeuws Archief, ZI-II-0178k. 4.50  Zeeuws Archief, Fam van Lynden-172. 5.1  Zeeuws Archief, ZI-II-0228. 5.2  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 54149. 5.3  Particuliere collectie C. Noomen. 5.4 A Nationaal Archief, 4-VTH-2889. 5.4 B Nationaal Archief, 4-VTH-2890. 5.4 C Nationaal Archief, 4-VTH-2891. 5.5 A Zeeuws Archief, ZI-P-02179. 5.5 B Zeeuws Archief, ZI-P-02023. 5.6 A Collectie Zeeuws Museum, M61-049. 5.6 B Koninklijke verzamelingen Den Haag, TO-1212. 5.7 A Gemeente Archief Vlissingen, hta1794. 5.7 B Gemeente Archief Vlissingen, hta1870. 5.8 B Nationaal archief, 4-OSPV_V2. 5.9 B Gemeente Archief Vlissingen, hta1285. 5.9 C Gemeente Archief Vlissingen, hta2266. 5.11 A Zeeuws Archief ZI-II-0212. 5.11 B Zeeuws Archief, ZI-I-1376.


414

5.11 C Zeeuws

5.12 A Collectie

Archief, ZI-I-0324. familie Mol-Enklaar. 5.12 B Zeeuws Archief, HTAM-gemeentewerken-041-II. 5.13 A Gemeente Archief Vlissingen, hta1781. 5.13 B Gemeente Archief Vlissingen. 5.14 Stichting Historische verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau, W/R IV 16. 5.15  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 43279. 5.16 A Gemeente Archief Vlissingen. 5.16 B Zeeuws Archief ZI-P-04567. 5.16 C Gemeente Archief Vlissingen, pp1472. 5.17  Gemeente Archief Vlissingen, fa27584. 5.18  Gemeente Archief Vlissingen, hta1785. 5.19 A Gemeente Archief Vlissingen, hta1786. 5.19 B Gemeente Archief Vlissingen, hta1778. 5.20 A AVIODROME Luchtfotografie – Lelystad, 15011. 5.21 A Particuliere collectie A. van Dijk. 5.21 B AVIODROME Luchtfotografie – Lelystad, 2127 5.22 Particuliere collectie A. van Dijk. 5.23 Gemeente Archief Vlissingen, fa28949. 5.24  Gemeente Archief Vlissingen, Foto Dert, fa15185. 5.25 Gemeente Archief Vlissingen, pa3345. 5.26  Zeeuws Archief, ZI-II-0143b. 5.27 A Collectie familie Citters. 5.28 A Collectie familie Mol-Enklaar. 5.28 B Rijksbureau voor Kunsthistorische ­Documentatie. 5.29 Zeeuws Archief, Oud Archief Gemeente D ­ omburg. 5.30 A/B/C Rijksbureau voor Kunsthistorische ­Documentatie.

Bibliotheek / Beeldbank Zeeland. 5.32  Stichting Historische verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau, W/R IV 26. 5.34  Collectie familie Mol-Enklaar. 5.35 A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 20743. 5.35 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 56341. 5.35 C Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 32814. 5.36 A/B Chromotopografische kaart des Rijks. 5.37 A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 56390. 5.37 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 56391. 5.39 A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 56339. 5.39 B Collectie erven Dirk van Gelder. 5.40 A/B/C Collectie W.J. Sanderse. 5.40 D Zeeuws Archief, ZI-P-09286. 5.41 A Zeeuws Archief, G02-01. 5.41 B Collectie Joost Bakker. 5.42 Collectie W.J. Sanderse. 5.43 A/B Collectie familie J.M. Vaandrager. 6.1 A AVIODROME Luchtfotografie – Lelystad, 6114. 6.1 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 64011. 6.2 Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 66946. 6.3 A/B Zeeuws Archief. 6.4 A/B/C Idem. 6.5 Idem. 6.6 Idem. 6.7 A/B/C Idem. 6.8  Gemeente Archief Vlissingen. 6.9 Idem. 6.10 Idem. 6.11 A/B Idem. 6.12 A/B Idem. 6.13 Idem. 6.14 Bron: Cultuurhistorische

5.31  Zeeuwse

Hoofdstructuur. 6.15  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland 54434. 6.16 Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland 8128. 6.17 ­Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland 14683. 6.18  Ir G. de Bakker, ‘De inundaties in Nederland in 1944 en 1945 en de gevolgen daarvan’, Tijdschrift v.h. Kon. Ned. Aardr. Genootschap 64, 1947. 6.19 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland 14698. 6.20  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland 54394. 6.21 Reconstructieplan voor het herstel van Walcheren, 1946. 6.22 Idem. 6.23  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland 54279. 6.27 Zeeuws Archief. 6.28  Nederlands Architectuur Instituut – Rotterdam, K18/84080. 6.30 A Speciale collecties, ­Bibliotheek ­Wageningen UR, ­Beplantingsplannen Walcheren. 7.0 Ruden Riemens Fotografie. 7.1  Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 62103. 7.6 A Collectie W.J. Sanderse. 7.7 A Collectie J.P. Kuiper. 7.7 B Collectie J.P. Kuiper. 7.7 C Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 25923. 7.8 Zeeuws Archief, ZI-P-01216. 7.9 A Zeeuws Archief, HTAV02154. 7.9 B Zeeuws Archief, HTAV-02130. 7.9 C Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 25941. 7.10 A Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 25842. 7.10 B Collectie J.P. Kuiper. 7.11 A Collectie N.J. Koole. 7.11 B Collectie N.J. Koole.


415

7.13 A

7.14 A

Collectie J.P. Kuiper. Collectie J.P. Kuiper. 7.14 B Zeeuwse Bibliotheek / Beeldbank Zeeland, 45622. 7.15 A Collectie H. Plasse. 7.15 B Collectie Sulkers. 7.15 C Collectie Sulkers. 7.37 A AVIODROME Luchtfotografie – Lelystad, 34177. 7.39 Gemeente Archief Vlissingen, fa30657. 7.42 A Gemeente Archief Vlissingen, fa8841. 7.43 A Gemeente Archief Vlissingen, fa6310. 7.44 B VHP ­stedenbouwkundigen + architekten + landschapsarchitekten. 7.49 A Collectie familie Mol-Enklaar. 7.52 A AVIODROME Luchtfotografie – Lelystad, 66044. 7.54 Collectie J. den Herder. 7.57 PZC, 15 november 2003. 7.61 A Collectie erven Dirk van Gelder. 7.69 A Speciale collecties, Bibliotheek Wageningen UR 8.0 Ruden Riemens Fotografie. 8.19 Gebouw van INBO, High Tech Campus, Eindhoven.


colofon 416

auteurs Dr Gerrie Andela – architectuurhistoricus, adviseur en publicist Kees Bos [eindred.] – geograaf en publicist Ir Jan Willem Bosch – landschapsarchitect, partner Bosch Slabbers tuin- en landschapsarchitecten Dr Jan M. van Mourik – fysisch geograaf en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam Dr Jan P. Zwemer – historicus en publicist

kartografie, beeldredactie en projectsecretariaat Ir Rosie Brader – landschapsarchitect, Bosch Slabbers tuin- en landschapsarchitecten

tekstredactie Tineke Muschter-Jonker

ontwerp en boekverzorging Sirene Ontwerpers, Rotterdam

druk Drukkerij Zoetewey, Yerseke

bindwerk Callenbach Van Wijk Boekbinders, Nijkerk Deze publicatie is gerealiseerd mede dankzij het positieve advies van het Comité van Aanbeveling: Prof dr G. Borger – Universiteit Van Amsterdam A.C. de Bruijn – voorzitter SCEZ K.J. Coppoolse – voorzitter Recron Zeeland F. Hamelink – gedeputeerde provincie Zeeland Drs A. van Haperen – Staatsbosbeheer regio Zuid J. Kodde – hoofdingeland van het Waterschap Zeeuwse Eilanden Mr J.M. Schouwenaar – burgemeester gemeente Middelburg Mr J.M.E. Seijdlitz – voorzitter Zeeuws Particulier Grondbezit Drs H. van Waveren – gedeputeerde provincie Zeeland G. van Zonneveld – Zeeuwse Milieu Federatie Drs R.J. Van der Zwaag – burgemeester gemeente Veere Essentieel voor het tot stand komen van deze landschapsatlas waren de subsidies van: – Stimuleringsfonds voor Architectuur – Provincie Zeeland – Gemeente Middelburg – Gemeente Veere De Stichting Panorama heeft zich ingezet voor het verwerven van additionele fondsen: – Prins Bernhard Cultuurfonds – Westwik b.v. – Woongoed Middelburg – Stichting Moerman Promotie Vlissingen – Van de Velde Publicatiefonds


9 789077 525159

ISBN: 978-90-77525-15-9

landschapsatlas van

s­ ociaal-economische veranderingen. Bij natuurlijke veranderingen denken we aan klimaat­verandering, zeespiegelstijging, geotektonische bodemdaling en aan de verandering van biodiversiteit. Sociaal­economisch hebben we te maken met een k­ rimpende bevolking en een andere positionering van de landbouw op Walcheren: binnen het kleinschalige k­ arakter meer regionaal dan mondiaal georiënteerd. Een ­kwaliteitsslag voor de recreatie en de Walcherse ­wooneconomie is hoognodig. De landschapsgeschiedenis beslaat het grootste deel van de atlas. Deze is geïllustreerd met veel uniek kaartmateriaal, met afbeeldingen van prenten en schilderijen die voor een deel nooit eerder ­werden ­gepubliceerd, en met veel historische en nieuwe fotografische beelden. Tevens zijn reconstructies van historische landschapsbeelden kartografisch weer­ gegeven. Ook is ‘Het Nieuwste Walcheren’ in beeld gebracht, als aanzet voor het verder ontwikkelen van Walcheren op basis van de sporen van tijd.

walcheren

Een landschapsatlas als deze is nog niet eerder verschenen. Hij beschrijft de g ­ eschiedenis van het landschap van Walcheren, vanaf het ontstaan tot nu toe. Die beschrijving is het boeiende verhaal van de natuur die eerst vormgaf aan het landschap en van de bewoners van dit gebied die geleidelijk aan de ontwikkeling hebben bepaald. In de loop der eeuwen zijn duidelijke breukvlakken te onderscheiden: natuur­rampen, maar ook historische hoogte- en dieptepunten. Tijden van bloei en verval – vaak in het kielzog van perioden van investeringen en tijden van oorlog en overheersing – h ­ ebben elkaar afgewisseld en hun sporen nagelaten. Inspirerende sporen van tijd, zo luidt de ondertitel. Daarom gaat het namelijk in deze atlas: hoe ziet de toekomst van Walcheren eruit, wanneer rekening ­gehouden wordt met de sporen van tijd, die zich ­manifesteren in het aardkundig, archeologisch en cultuur­historisch erfgoed. Die toekomst moet g ­ ezien worden in het perspectief van de n ­ atuurlijke en

landschapsatlas van

walcheren inspirerende sporen van tijd