Page 1


•• colofon © 2016 Nijgh & Van Ditmar / Sare Bakkers, Celyna Demkes, Nina Elise, Aicha Foudaili, Sara van Gennip, Patrick Gerritsen, Jeroen van Goor, Krista Izelaar, Selin Kuşçu, Raoul Noortmann, Iduna Paalman, Eelco Rommes, Sandor van Rosmalen, Jacob Steen, Emma Stomp, Angela Stoof, Tyche Tjebbes, Werner de Valk, Anne Veenman, Femke Vulto. Omslagontwerp: Twizter / Peter te Bos

••• Deze digitale uitgave wordt u gratis aangeboden door Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, NRC en Lowlands.

•••

•••

•••

••• ••• •••


Inhoud ••• Zondag – Sare Bakkers Brood- en boterkruiden – Celyna Demkes YOLO – Nina Elise Vintage – Aicha Foudaili Het krimpen van meisjes – Sara van Gennip Vleugels – Patrick Gerritsen In de hutkoffer – Jeroen van Goor Rollende schapen – Krista Izelaar Je loopt met een omweg naar huis – Selin Kuşçu Beladen lading – Raoul Noortmann Jij lijkt ons perfect – Iduna Paalman De draadjesjongen – Eelco Rommes De laatste dans – Sandor van Rosmalen Veel sterker dan ritalin – Jacob Steen We zijn allemaal verdwaald – Emma Stomp Reis door de nacht – Angela Stoof Ruis – Tyche Tjebbes Knikker – Werner de Valk I James Deen – Anne Veenman Grijsgele wolken – Femke Vulto

•••


Sare Bakkers

Zondag

••• Ik pak een koffiefilter uit de porseleinen houder, het is de laatste. Ik schep er drie afgestreken scheppen grof gemalen koffie in en vul het waterreservoir tot het zesde streepje. Ik geef ze een halfuur. Er zou weleens file kunnen staan en bovendien is er altijd iets. De een is thuis iets vergeten en de ander moet onderweg plassen of wordt wagenziek. Een halfuur. Tegen die tijd zal de koffie nog goed op temperatuur zijn. Vanochtend heb ik alle klokken opgewonden. Het wieltje aan de keukenklok draaide stroef. Mijn vingers verliezen aan kracht. Aan de slinger, die als een deinend schip de seconden aftikt, hangt een rozenkrans. Die hield ze tussen haar vingers toen ze me de eerste keer kuste en zei dat ze altijd bij mij wilde zijn. Ik wilde ook alle tijd bij haar zijn. De krans heeft haar kleur verloren. Ik laat de deur naar de keuken openstaan als ik de trap beklim. Twaalf treden. Ik ga op de rand van het bed zitten. Door de vitrage kan ik de straat zien. De vitrage zou eigenlijk al lang vervangen moeten worden. Maar wat is lang. Tweeëntachtig jaar, dat vind ik lang. Alhoewel de buurman vijfennegentig is geworden en het vrouwtje daarnaast wel honderddrie. Dat is pas lang. Ik moet er niet aan denken. Tenminste, niet alleen. Beneden pruttelt de koffie. Nog vijfentwintig minuten. Ik ben nooit goed geweest in wachten. Tijd is kostbaar. Het is onzeker hoeveel tijd een mens krijgt, maar dat het tijd krijgt zolang het hart pompt, is zeker. ‘Gaat ze het redden?’ vroeg ik aan de dokter toen Marie op de tegels in de badkamer lag. Dat is toch een vrij normale vraag. De huid om mijn vingers wordt dan wel dikker en vormlozer met de dag, maar mijn brein doet zijn werk nog. Het leven is als een bad waarin het schuim langzaam verdwijnt en ledematen slapper worden. De arts had me zo glazig aangekeken. Alsof ik hem een vraag stelde waar hij zich over verbaasde. Hoeveel weegt een kalf? Geen antwoord. Op het nachtkasje staat de schaal gedroogde mandarijnen. Siermandarijnen. Gedroogd door eigen hand en versteend door de tijd. Niet alle mandarijnen drogen mooi uit als je ze op een bakplaat in de zon ieder uur met toewijding omdraait. Sommige mandarijnen verrotten als je ze laat liggen. Ze


verschrompelen en verschimmelen. Alles wat leeft, gedijt het beste onder aandacht. ‘Ik weet het niet,’ zei de dokter uiteindelijk. Je zou toch zeggen dat die gasten opgeleid worden tegenwoordig. Wie brengt zijn geliefde naar het verzorgingstehuis als hij zelf nog in staat is voor haar te zorgen? Dat is iets wat ze niet lijken te begrijpen. En dat ik telkens de telefoon terug op de haak wierp als ze van een of andere zorginstantie belden om hulp aan te bieden, begrepen ze ook niet. Het waren die schelle vrouwenstemmen met hun adviezen die me zo tegenstonden. Eén keer stond er zo’n gans voor de deur. Ze droeg een schort en plastic klompen. ‘Ik zal u eens laten zien hoe u haar moet verschonen.’ Ze lachte er ook nog bij, alsof ze me haar vieze moppen vertelde. Ze tilde het laken op tot Maries navel en trok zo de onderbroek naar beneden. Het was alsof ze mij verschoonde. Alsof ze kwam controleren of ik mijn kont goed had afgeveegd. Met een natte washand wreef ze langs de billen en schaamlippen van mijn lieve en vroeger zo mooie geliefde. Ik luisterde naar het wegtikken van de secondes. Ik heb al zo lang geleefd, waarom duurt dit moment dan opeens zo lang, dacht ik toen. Ze drukte de washand in mijn hand. We oefenden op een pop die vijftig jaar geleden mijn achternaam had aangenomen, op voorwaarde dat alleen de dood ons nog zou kunnen scheiden. De gans schreeuwde vreselijke dingen. ‘Komaan, mevrouwtje, billetjes omhoog. Goed zo. Dank u wel!’ Alsof ze kaartjes voor de loterij in het dorp verkocht. Een euro voor drie kansen, vooruit dan, met een gratis borrel toe. Als je eenmaal uit dat bad stapt, dat bad van het leven, en je huid volledig gerimpeld is, denken ze dat je de dingen niet meer begrijpt. Maar ik heb mijn kop toch boven het water gehouden? Dat een mens vergeet filterzakken te kopen wil nog niet zeggen dat hij gek geworden is. Ik heb maar één keer mijn broek ondergescheten, omdat ik mijn evenwicht verloor en met mijn hoofd tegen de lamp viel. Natuurlijk schaamt een mens zich dan. Maar mededogen? Nee hoor. Mijn kinderen smullen bij zulk nieuws. Ze kunnen zeggen dat hij nu echt oud is geworden. Zal wel beginnende dementie zijn. En dat ze toen besloten hebben dat Marie hier niet meer kon wonen. Dat het nu toch echt tijd was haar naar het verzorgingstehuis te brengen. Hoe ze hier kwamen. Die dokters. Ze spraken alsof die klap op mijn achterhoofd mij in een tweejarige veranderd had. ‘Achterlijken!’ riep ik naar die gestudeerde minkukels. En ik sloeg de klok van de muur, want dat ding was zo aan het tikken dat ik er gek van werd. Als je oud bent zoeken ze naar een manier om je zo snel mogelijk imbeciel te maken. Over tien minuten zullen ze er toch wel zijn? Ze bleken het gepast te vinden om hun oude pa nog eens te bezoeken bij zijn zoveelste verjaardag. Ze zullen de kinderen wel al hebben moeten sussen met beloftes en beloning. ‘Het is maar een uurtje. Als jullie je goed gedragen en nog eens een vraag stellen, krijgen jullie na afloop een ijsco.’ Beneden staat alles klaar, zodat ze me niet zullen verdenken van voorbedachte rade. Ik wil mijn


laatste dagen niet bij de psychiatrie slijten. Bovendien moet ik zeggen dat een beetje meelij van mijn eigen kinderen wel gewenst is. Ik moet toegeven dat mijn knieën nu toch wel knikken. Met mijn handen omklem ik mijn dijen. Die zijn door de jaren toch wel dunner geworden. Er is niet veel over. Botten verliezen in tweeëntachtig jaar toch wel veel van hun kracht. Ik hoop niet dat mijn rug breekt. Die zal ik wel recht proberen te houden. Mijn benen zijn toch al oud en broos. Zo’n rolstoel lijkt me zo vervelend nog niet. Ik denk aan Marie. Ze knapt vast en zeker op als ik er ben. Misschien zal ze zelfs wel haar ogen openen, zomaar heel even, om er zeker van te zijn dat het haar echtgenoot is, die de kamer met haar deelt. Ik zal haar uitleggen dat het nooit mijn idee was geweest om haar naar het verzorgingstehuis te brengen. Marietje zal wel weten wat ik me altijd aan mijn beloftes houd. Ik heb gezegd tot de dood ons scheidt, en zeker niet tot een bloedend haarvaatje in de hersens ons scheidt. Daar heb ik nooit op toegezegd. Op straat klinkt gestommel. Ik schuif de vitrage een stukje opzij. Onmiskenbaar. Een voltallig gezin stapt uit een blauwe Fiat Punto. Niet dat ik die auto ooit eerder heb gezien, maar tegenwoordig kopen ze alles wat los en vast zit. Ik schuifel naar de trap. Het is lastig om nu haast te maken, het lijkt alsof mijn benen het nu al hebben begeven. Het zal niet meer lang duren voordat ik bij Marie ben en nog korter voordat ze de voordeur laten rinkelen. De koffie zal ondertussen zeker al klaar zijn. Ik ben benieuwd of ze hem nog zullen opdrinken en of ze erachter komen dat ik de filters ben vergeten aan te vullen. Ik draai me alvast om en houd de trapleuning voorlopig nog stevig vast. Mezelf achterstevoren laten vallen lijkt me in vele opzichten gemakkelijker dan een voorwaartse val. Ik hoop maar dat die broze botten in mijn benen het zullen begeven. Hoe sterk zouden mijn botten met tweeëntachtig jaar nu nog kunnen zijn? Mijn borst klopt bijna harder dan de secondewijzers van de klok die boven me hangt. Misschien had ik ze toch niet moeten opwinden vandaag, wat heeft het voor zin gehad? Misschien was de tijd vanzelf wel gestopt als ik niet aan de wieltjes had gedraaid. Het is alsof ik alleen mijn eigen lichaam hoor. Het is ook zo stil hier. De koffie pruttelt nu echt niet meer. Ik moet zeggen dat ik toch wel de neiging heb om me om te keren en de trap gewoon af te lopen. Maar als ik het vandaag niet doe, zal het wel minstens drie weken duren voordat ze me vinden. Dat wil ik niet. Tegen die tijd is de gang misschien wel al zo besmeurd met uitwerpselen, urine en bloed dat ze het de moeite niet meer vinden om me toch enigszins op te lappen en in een verzorgingstehuis te stoppen. Ze zullen getrouwde stellen toch wel bij elkaar zetten in zo’n tehuis? Niet dat ik de kamer zal moeten delen met een vrouwtje dat al haar botten heeft gebroken. Als dat zo is, laat het dan in hemelsnaam ook haar kaakbot zijn, zodat ze tenminste niet de hele tijd tegen me kan zeveren. Ik doe


mijn ogen dicht. Daar zie ik Marie. In voel haar hand over mijn schouder wrijven. Dat geeft mij moed. Maar ik zal wachten totdat ik de deurbel hoor, zodat ze zullen horen dat er iets aan de hand is. Voorlopig is het enige wat ik hoor een wegtikkende seconde. En nog een.

•••


Celyna Demkes

Brood- en boterkruiden

••• De worsten zijn behoorlijk bleek vandaag. Carl moet ze veel langer braden dan hij normaal gesproken zou doen, maar uiteindelijk geven ze zich over aan het spetterende vet en kleuren hun huidjesprachtig goudbruin. Onherkenbaar inmiddels, vergeleken bij de haast perzikachtige kleur die het vlees had toen hij het van de dijen van het beest afsneed. Hij geeft de voorkeur aan die plek, is ervan overtuigd dat er meer sappen in zitten dan elders in het lijf. Maar de lichte kleur van deze partij vlees had hem zorgen gebaard. De rauwe worsten hadden er als witte kielbasa’s uitgezien en hij vreesde dat mensen hem zouden beschuldigen van het verkopen van rot vlees. Dat zou hij nooit doen; hij heeft zijn trots.

••• De avondspits op het Ostbahnhof brengt hem een reeks bekende en onbekende klanten. Sommigen kent hij bij naam en hij zorgt ervoor dat hij die naam altijd secuur uitspreekt. Iedere lettergreep nadrukkelijk gearticuleerd, vooral bij de vrouwen. Hij bakt in romige boter, in tegenstelling tot zijn concurrenten, en daarom blijven zijn klanten terugkomen. Hij ziet de vrouwen het liefst, kijkt tijdens het bakken af en toe door zijn stompe wimpers omhoog om te zien of er bekende figuren van de stationstrap af komen lopen. Zijn brood- en boterbruiden. Hun lange rokken verbergen het grootste gedeelte van hun lichaam, maar dat deert hem niet. Hij kan hun dijen misschien niet zien, maar hoort ze bij iedere beweging. De sappen klotsen, deinen, vinden een grens in de zachte huid en storten zich vervolgens over het zoete vlees heen. En als je erin knijpt, is het net een waterbed, meent hij.

••• Carl Grossmann kijkt graag in spiegels. Hoewel hij zichzelf geen mooie man vindt, ziet hij een gelaat dat een eindeloze hoeveelheid mogelijkheden biedt. Zijn gezicht bezit alle kenmerken van zwakzinnigheid; ogen die te dicht bij elkaar staan, een platte neus, ingevallen jukbeenderen en een weinig zichtbaar onderscheid tussen kin en nek. Hij draagt zijn uiterlijk met genoegen, heeft zich in het lichaam van een zwakzinnige genesteld zonder de geestelijke minpunten ervan te hoeven verduren. Hij gebruikt zijn gezicht naar behoeven. Men onderschat hem, koestert hem, prijst zijn middelmatigheid. Hij accepteert deze kleine giften ongegeneerd. Er zijn veel klanten die hem een


stuiver meer betalen dan hij vraagt. Als ze de fooi met een knipoog in zijn vuist stoppen, lacht hij zijn spitse tandjes bloot en stopt hij de stuiver in een apart blikje. Daar betaalt hij het voedsel voor de beesten van. Hij zorgt er altijd voor dat hij zijn logees een gezond maal aan kan bieden. Als je ze uithongert, verliest het vlees kostbaar vet. En taaie worst weigert hij te verkopen. Daarom zorgt hij goed voor zijn handelswaar, zowel de levende als dode exemplaren. Niemand wordt gebraden zonder een stevige massage te hebben gekregen. Carls vingers zijn kort en breed, hebben de juiste verhoudingen om het vlees soepel te kneden en passen precies om het heft van zijn kostbare vleesmes heen. Alsof God hem bewust voor dit leven geschapen heeft. Dat vindt hij een fijne gedachte.

••• Hij houdt de mooiste stukken vlees voor zichzelf, verkoopt de resten op de zwarte markt en gooit het afval in de Spree. Hoewel zijn handel goed loopt, moet Carl zuinig blijven. Hij kan zijn prijzen laag houden door de beesten in zijn appartementje te houden. Eén of twee per keer, meer is niet mogelijk, maar vaak zit er genoeg vlees aan om hem een goede twee weken van handelswaar te voorzien. In de hoek van zijn keuken heeft hij een gesloten hekwerk gebouwd waaraan een tweetal emmers hangt: één leeg, één met water gevuld. Niet dat ze lang in zijn keuken verblijven; daar heeft hij het geduld niet voor. Als ze er eenmaal zijn, moeten ze eigenlijk vrij snel van hun vlees ontdaan worden. Hij wil ze niet laten vergaan, wil ze niet blootstellen aan hun houdbaarheidsdatum. Vandaag moet er nieuwe waar ingeslagen worden; het vlees afkomstig van zijn vorige dier is zo goed als op.

••• Tussen de kudde arbeiders die het station oploopt, ziet hij een magere vrouw. Ze is van nature mollig, dat kan hij zien, maar omstandigheden hebben haar van haar vetreserves beroofd. Ze treuzelt op een paar meter afstand van zijn kraam en steekt haar handen in de zakken van haar vuile overgooier, speelt alsof ze op zoek was naar munten. Ingedikte lijven bewegen om haar heen. De kudde mensen splitst zich als de Rode Zee aan weerszijden van het meisje. Een van hen stopt bij Carl en vraagt om een drietal broodjes. Hij wimpelt de man af, mompelt dat het vlees op is. Ondertussen komt het meisje dichterbij. Ze zoekt oogcontact. Met opgetrokken wenkbrauwen trekt ze haar handen uit haar zakken. Op twee meter afstand blijft ze staan. Carl glimlacht en laat een worst tussen een broodje glijden.

••• Haar lippen hebben de kleur van champignonsporen en als ze haar mond opent om een hap te nemen, ziet hij dat ze gescheurd zijn in de hoeken. Haar ogen draaien weg en ze kreunt. Verder, denkt hij. Nog verder draaien. Het glazuur op haar tanden kleurt bruin door de sappen, die ze vervolgens schaamteloos langs haar kin laat druipen. Dat ze een hoer is, vindt hij alleen maar prachtig. Ze mag met hem mee naar huis, zegt hij haar. De avondspits is zo goed als voorbij, maar eerst moet hij nog


even een boodschap doen, als zij het niet erg vindt. Ze protesteert niet, hoort alleen rinkelende munten als hij spreekt. Op een halfuur lopen van het Ostbahnhof ligt een veemarkt waar ze mooie zeugen verkopen.

••• Haar dijen zijn ingezakt en wanneer ze haar benen samenklemt, ontstaat er een holte waar zijn hoofd precies in past. Als hij zijn neus in het sponsige vlees steekt en diep inademt, vult zijn lijf zich met een warme muskusgeur. De zeug ligt naast hen in bed. Dat had het meisje eerst wat vreemd gevonden, maar geld maakt alles dragelijk. Ze slapen allebei, zijn twee diertjes, naakt en kleverig. Dit is het perfecte moment, vindt Carl. Hij tilt een van hen uit bed en draagt haar de slaapkamer uit, de keuken in. Haar zware ledematen hangen omlaag, strelen zijn vuile schort bij iedere nieuwe stap. Het slaapmiddel houdt haar koest. Over de keukentafel ligt een zeil, zodat de onvermijdelijke vlekken het hout niet permanent aantasten. Carl pakt een aantal vuile lappen en zijn mes uit een keukenkastje. Een bromvlieg zweeft loom boven de tafel. Carl laat het insect met rust; hij heeft nog nooit eerder geslacht voor een publiek en het idee spreekt hem wel aan. Aangemoedigd door een applaus van zoemende vleugeltjes heft hij zijn mes op en gaat hij aan het werk.

••• Als Carl de slaapkamer weer in loopt, heeft het andere dier de deken van zich afgeschopt. Ze ligt op haar zij en knort een beetje in haar slaap. Carl wast zijn handen in de kleine emmer water die naast de deur staat. Hij gaat weer in bed liggen en slaap zijn arm om haar heen, terwijl het vlees in de keuken ligt te rusten. Het beestje had overigens een vrij donkere huid. Daar moet hij om lachen, want haar vlees is perfect roze. Pas als het mes door de oppervlakte glijdt, kun je de ware aard van het dier zien. De bromvlieg landt op het vlees en vlijt zijn harige pootjes samen. Dat vindt Carl niet erg. Hij deelt zijn werk graag.


Nina Elise

YOLO

•••

Eigenlijk wilde ik gewoon iets leuks doen. De laatste weken ging ik als verlamd door het leven, nu begon ik langzaam weer te bewegen. Ik besloot mijn laatste beetje verdriet te bedelven onder een stapel nieuwe kleren. Een middagje winkelen, zoals ik weleens met mijn moeder deed als we tijd voor elkaar wilden maken. Dan gingen we naar Utrecht of Arnhem, en zocht ik me wezenloos naar leuke kleren tussen de rekken terwijl zij binnen een paar minuten een broek had gevonden waarvan ze wist dat hij goed op mijn heupen aan zou sluiten. Dan zei ze: ik hoef slechts naar mijn eigen lichaam te kijken om te weten wat jou past. Ik bekeek ons dan in de spiegel en merkte op: onze lichamen zijn vrijwel identiek, we zijn beiden smal bij de taille en voller bij de heupen, maar mama heeft smallere schouders dan ik. Als de mensen maar niet denken dat ik mannenschouders heb. Etalages gevuld met gekleurde jurken en witte schoenen begroetten me. Om de verschillende soorten stof op mijn huid te voelen, raakte ik zoveel mogelijk kledingstukken aan. Ik paste katoenen topjes en stelde me mezelf voor over straat lopend met een ontblote onderbuik. Mijn buik is niet om aan iedereen te laten zien, mijn buik is privé, slechts geschikt voor een selecte groep ogen. Ik paste boyfriend-jeans, die niet erg flatteus om mijn heupen hingen. Ik begon aan zijden bloesjes en voor het eerst in mijn leven kanten strings, vervolgens paste ik chino’s, jurken en rokken. Uiteindelijk was alles waardeloos. Deze kleren waren voor een ander soort persoon, mensen die voor elke situatie een geschikte outfit hadden. Wanneer ik het even niet wist, droeg ik simpelweg alleen maar zwart. Mama vroeg dan altijd of ik boos was, maar ik kende mezelf gewoon lang genoeg om te weten dat niets mij zomaar paste. Op weg naar de uitgang voelde ik iets op mijn bovenlip. Met de palm van mijn hand veegde ik het weg. Het gekriebel kwam terug. Rode druppels landden op mijn witte jas, steeds sneller, steeds meer. Ik haastte me naar de dichtstbijzijnde balie waar een strenge, grijze vrouw met een te grote zwarte bril me zakdoekjes gaf en met haar hoofd naar een hoek wees. In de twintig minuten die daarop volgden keek ze me niet meer aan. Hoe kan dit, dacht ik. Ze bekommert zich meer om het welzijn van de klanten die geen hulp nodig hebben, om de munten van tien cent in haar kassa. Neem nooit genoegen met een plekje in de hoek, zei mijn moeder altijd, terwijl dat precies was


wat ik keer op keer deed. Soms nam ik daar zelfs vrijwillig plaats, in de hoek. Vanaf daar had je goed zicht op iedereen, terwijl zij in een flauwe bocht langs je liepen. Ik wist ook wel dat ik daarmee moest kappen. Toch stond ik daar, de hoek waarin twee muren elkaar ontmoetten vertrouwd in mijn rug, te hopen dat die muren een opening zouden vormen waarin ik kon verdwijnen. Ik werd omringd door steriele kleding en witte muren en duwde zakdoekjes in mijn neus, in een wanhopige poging het bloeden te stoppen terwijl ik niet helemaal wist hoe. Moet ik mijn hoofd kantelen en zo ver mogelijk naar boven kijken? Zal ik in mijn neus knijpen? Op welke plek? Is het beter om alles eruit te snuiten? Er zijn duizenden tips die anderen je kunnen geven in situaties als deze. Het was niet mogelijk ze allemaal uit te proberen en ik was te onervaren met bloedneuzen om te besluiten welke tactiek het beste voor me zou werken. Mijn moeder zou geweten hebben wat ik moest doen.

••• Een aantal maanden geleden bezochten mijn ouders me. Op een zondagmiddag hadden ze een uur autogereden om mij te kunnen zien. Als een kind rende ik door het huis om alles schoon te maken en de kussens netjes op de bank te leggen. Toen ze er eenmaal waren, maakte ik thee en stelde ik voor om later op de dag uit eten te gaan. ‘Nina?’ Ik draaide me om. ‘We zijn niet alleen gekomen om je te zien,’ met het uitspreken van deze zin gaf mijn moeder zich over. Rimpels die haar anders levendig maakten, stonden als strakke lijnen in haar gezicht. ‘Ga even zitten.’ ‘O.’ Ik legde iets neer. De wereld zweeg. Ik keek naar de bank. Mijn ogen vonden een plek waar ik plaats kon nemen. Langzaam boog ik mijn benen. Ik landde op het leer. Het kraakte. Ik keek op. Mijn vader keek naar mijn moeder. Mijn moeder keek bang. Toen keek ze naar mij. Mijn moeder heeft kanker. Misschien heeft mijn moeder kanker. Kanker. Mijn moeder, de persoon die me heeft geleerd om altijd warmte naar anderen uit te stralen, zelfs wanneer dat bijna te moeilijk is om te doen. Mijn moeder, die ik wil bellen om tips wanneer ik later mijn eigen kinderen opvoed. Mijn moeder, die lieve kaartjes op mijn kussen legde voordat ik van school thuis kwam, wetend


dat ik bekaf zou zijn door de pfeiffer. Mijn moeder, die elegante jurken voor me kocht, tot net boven de knieën, zodat ze me slank maakten en mijn rondingen verhulden. Mijn moeder.

••• Ik besloot het bovenste deel van mijn neus dicht te knijpen en met mijn rug recht te staan. Het bloed bleef eruit stromen, de zakdoekjes raakten op. Vanuit de hoek zag ik hoe andere klanten me bekeken. Ze fluisterden wat naar elkaar, draaiden zich om, dan terug naar mij, mijn hoofd werd warm. Ze keken snel weg wanneer ik oogcontact maakte, medelijdend, gegeneerd. Ze vinden me vast een troosteloos schepsel, dacht ik. Er stonden nu zeker vijf mensen, ze keken me aan alsof ik een verkeerd geplaatste etalagepop was. Terugkijken, moedigde ik mezelf aan. Recht in hun ogen, seconden lang. Iedereen heeft weleens een bloedneus. Ik staarde terug, hun ogen hielden aan, keken daarna weg, naar de grond, naar andere mensen, hun nieuwe aankoop, ik werd kalmer, concentreerde me op mezelf. Het is slechts stress, zei ik tegen mezelf, slechts stress. Een deur die ik eerder niet had gezien sloeg open en vanuit het niets kwam er een medewerkster naar binnen. Ze liep vluchtig langs me heen, stopte, keek om en liep verder. Na een poos kwam ze terug met nieuwe zakdoekjes. Ze ging voor me zitten en bekeek me aandachtig. Even ontmoetten onze ogen elkaar, ik zag de bruine ogen van mijn moeder voor me, hun ronde vorm, hun zachte warmte. ‘Je ziet bleek.’ ‘O,’ ik nam de doekjes aan. ‘Je ogen zijn waterig,’ ze wees naar haar eigen ogen en pakte daarna mijn hand. De winkel werd stil. Alle andere mensen werden onzichtbaar. Ik sloot mijn ogen, haalde diep adem, in, uit, in, uit, en pakte haar vast, omhelsde haar, snoof haar geur op, was op haar schoot geklommen als het kon, nestelde mijn hoofd op haar schouder en bleef zo staan.

••• Mijn moeder bleef een nacht in het ziekenhuis, met mijn vader zocht ik haar op. Ik arriveerde eerder dan hij. De route naar mijn moeders kamer had ik opgeschreven, ik nam een stap, nog een stap, stelde me mijn moeder voor, geel van het verdovingsmiddel, buisjes in haar neus. Ik draaide me om en besloot op mijn vader te wachten, alsof dit een achtbaan was waar ik niet zonder volwassene in mocht. Toen hij er was, liepen we samen naar boven. Ze deelde haar kamer met twee andere vrouwen. Haar pyjama hing los over haar lichaam, ze paste er twee keer in. Op de uitslag moesten we twee weken wachten, twee lange weken waarin ik niemand durfde te vertellen over mijn angst, nog een bloedneus kreeg, mijn scriptie liet liggen, geen groenten


maar koekjes at en me vervolgens afvroeg: waarom zou ik eten? Studeren? Waarom zou ik me voorbereiden op een toekomst die zo overduidelijk onvoorspelbaar is? De telefoon rinkelde, mijn ouders belden met de uitslag van de operatie. Dit is dat moment, je hebt het gezien in films, je huilde. Anderen hebben verteld over het moment waarop ze hoorden dat een van hun ouders ziek was. Je raakte hun schouder aan en hoopte dat het steun bood. Sommige van mijn eigen vrienden hadden moeders met kanker. Overleden moeders. Het was zo alomvattend dat het moeilijk was me er iets bij voor te stellen. Zoiets maakt de wereld weer groot, ruig, door niemand ontdekt. Alsof er overal dingen gebeuren waar we niets van weten. Ik nam op. ‘Geen kanker!’ schreeuwde mijn moeder in mijn oor. ‘What the fuck?’ Ze begon te lachen. Ik riep dat het niet grappig was. Ze begon te huilen. Ik begon ook te huilen, zachtjes, zodat niemand het kon horen.

••• Het meisje worstelde zich los, keek me aan, verbijstering in haar ogen, haar mond een beetje open. ‘Blijf alsjeblieft hier,’ zei ik tegen haar terwijl ik naar mezelf wees. Andere medewerkers trokken haar weg, één had zijn arm over haar schouders geslagen, ze namen haar mee naar deur waar ze vandaan kwam, de deur die ik eerder niet had gezien. Snel liep ik achter ze aan, slalommend om de rekken heen. De deur was zwaar en wit en viel voor mijn neus dicht. Het was stil in dit deel van de winkel, de klap van de dichtvallende deur klonk na in mijn oren, onder het geroezemoes van de winkelende klanten.

•••


Aicha Foudaili

Vintage

••• In de gang van het kinderdagverblijf ruikt het naar Zwitsal en kots. Ze slalomt op haar hakken voorbij een bolderkar en pop zonder onderbroek. De leidster wacht haar op bij de deur van het klaslokaal. ‘Daar ga je,’ zegt Britta tegen Lucy. ‘Vanmiddag is mama er weer.’ De stevige kindervuistjes laten haar bontjas pas op het laatst los. De leidster kijkt haar aan en Britta voelt dat ze faalt. Moeders horen de eerste keer te huilen, maar Britta heeft geen tranen meer over. ‘Je mag Lucy’s spullen in het mandje doen met haar naam erop.’ De leidster wijst. ‘De tweede deur links.’ Achter haar zitten de kinderen braaf in een kring. Britta knikt. Ze strijkt Lucy over haar bolle wang en wacht op het lachje dat haar geweten sust. ‘We moeten nu echt beginnen hier,’ zegt de leidster. ‘Het liefst hebben we dat de kinderen vóór negen uur worden gebracht zodat we gezamenlijk de dag kunnen beginnen.’ Pas als de deur voor haar neus is dichtgeduwd, komt Britta in beweging. Niet voor de eerste keer die week bekruipt haar het gevoel dat ze in het verkeerde leven terecht is gekomen, één waarin ze weer bij haar ouders woont, zonder man en dakterras, met kind, ver van het bruisende Amsterdam waar ze vijftien jaar geleden naartoe was vertrokken.

••• De mandjes staan in een ruimte die met een houten hekje is afgesloten. Britta rammelt tevergeefs aan het slot. Na een schop met de punt van haar stiletto schiet het ding open. Op de mandjes staan namen die bij dit fantasieloze dorp horen: Olivier, Emma, Anne, Tom. De gewoonheid van de dingen zit hier in alles: in de windjacks van de mannen, in de fietstassen van de vrouwen, in de ketens van de enige winkelstraat. Achter haar hoort ze iemand binnenkomen. ‘Brix? Ben jij dat?’ Britta verstijft. Niemand noemt haar meer zo. Ze draait zich om en kijkt in het gezicht van Marije – dezelfde bolle wangen met rode schilfertjes, dezelfde blik die naar het plafond schiet en weer terug. ‘Ja, it’s me. Dat is lang geleden,’ zegt Britta.


Natuurlijk heeft ze er rekening mee gehouden bekenden tegen te komen, maar ze had niet verwacht dat ze haar zouden herkennen, verstopt onder die hoed, het haar vijf tinten blonder. ‘Ik zag je naam op de lijst van nieuwkomers staan. Ik zit in de oudercommissie.’ Marije kijkt naar de opengeritste luiertas. ‘Dus je woont weer hier.’ ‘O, God, nee.’ Britta’s lach, die ze kopieerde van haar vriendinnen uit de stad, klinkt schel. Geen van de meiden heeft haar recent gebeld. ‘Het is tijdelijk.’ Op de middelbare school werden Marije en zij bestempeld als vriendinnen, als ze al door de anderen werden opgemerkt. In werkelijkheid waren ze tot elkaar veroordeeld. Na het eindexamen liet Britta alles achter om te worden wie ze diep vanbinnen was. Van alle mensen die ze van vroeger kende, paste Marije het minst in het leven dat ze voor ogen had. Britta herinnert zich die keer dat ze was meegevraagd door de twee populairste meisjes van de klas om samen naar school te fietsen. Op de route, bij de kinderboerderij, stond Marije zoals altijd op haar te wachten, één arm om de lantaarnpaal, de voeten op de trappers. Bij het voorbijrijden keek Britta niet opzij. Marije zei er die dag niets van, ook niet de volgende ochtend toen Britta er gewoon weer was, omdat het meevragen bij die ene keer was gebleven. ‘Jij bent dus nooit weggegaan,’ zegt Britta. Ze laat haar ogen langs de gestalte in de deuropening glijden. Zijzelf heeft tenminste de moeite genomen om mascara op haar wimpers te smeren en haar wallen weg te werken. Vrouwen die alles maar laten gaan, daar kan Britta geen respect voor opbrengen. ‘Hoe houd je het hier in godsnaam vol?’ ‘Ik kreeg kinderen,’ zegt Marije, alsof dat alles verklaart. ‘Janke is tien maanden, Olivier is bijna twee jaar en Jasmijn is vier. Het is hier kindvriendelijk. Ik vind het prima.’ Britta probeert zich voor te stellen hoe dat voelt, iets prima vinden. Ze moet aan haar mindfulnessklasje denken. Accepteer wat er al is, zei de stem op de cd. Ze heeft te weinig geoefend de laatste tijd. ‘En die van jou?’ vraagt Marije. ‘Meisje of jongen?’ Britta pakt het enige mandje zonder naam erop. Ze zijn Lucy vergeten. ‘Wat een ongeorganiseerde bedoening. Ik las online dat deze crèche goed stond aangeschreven.’ Ze legt het stapeltje luiers op de bodem van het mandje en vouwt een roze rompertje erbovenop. ‘Lucy heet ze. Ze is vier maanden.’ Marije glimlacht naar haar zoals vrouwen dat zijn gaan doen sinds ze een baby heeft. ‘Je hebt het goed voor elkaar in Amsterdam,’ zegt ze. ‘Ik zie al die foto’s op Facebook van leuke feestjes en dat mooie appartement van je met dat dakterras.’ Britta kan zich niet herinneren Marije als Facebookvriend te hebben geaccepteerd. ‘Je vriend is een bekende Nederlander, toch?’ gaat Marije door. ‘Hij speelt in die tv-serie…’ Ze knipt met haar vingers. ‘Nu ben ik de naam even kwijt.’


‘Kramer & Kramer.’ Het verbaast Britta hoe vertrouwd het voelt om die woorden uit te spreken, ook al is het haar leven niet langer. ‘Ja, dat is het! Knappe man hoor, met die kaaklijn. Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’ Verwachtingsvol kijkt Marije haar aan. Het is sneu hoe sommige mensen per se deelgenoot willen zijn van haar glamourleven. Normaal grijpt Britta elke gelegenheid aan om te vertellen over alle bijzondere dingen die haar overkomen. Maar ze is zichzelf niet, ze heeft al dagen geen foto’s op Instagram geplaatst. Het is onmogelijk zich te verschuilen achter een vakantie. Het rijtjeshuis van haar ouders met de versleten meubels en de kleine tuin vallen op geen enkele manier geloofwaardig te combineren met de hashtag #evenertussenuit. ‘Gewoon,’ zegt Britta. ‘We kwamen elkaar tegen in het café.’ Het laatste wat ze wil is over Leon praten. Hij moet nadenken over de toekomst, vertelde hij. Britta gelooft niet in pauzes. Dat is uitmaken zonder het te hoeven zeggen. Britta heeft zich de afgelopen nachten afgevraagd wat er gebeurd zou zijn als er geen baby was. Vanmorgen riep ze zichzelf tot de orde. Je kunt een kind niet zo jong al de schuld geven. ‘Dus binnenkort loop ik een heuse BN’er tegen het lijf in de Appie?’ ‘Nee,’ snauwt Britta. ‘Hij zit nog in Amsterdam.’ De gedachte aan Leon maakt haar misselijk. Het lijkt wel alsof Marije haar wil pakken, met al die vragen. ‘Drie kinderen, toe maar,’ zegt Britta om de aandacht af te leiden. ‘Ik ben jaloers. Het lijkt me soms weleens fijn huismoeder te zijn.’ Een sneer verpakt als compliment, daar is ze goed in geworden. ‘Gewoon lekker thuis zijn met een pot thee.’ ‘Ik zou het niet weten,’ antwoordt Marije. ‘Wat?’ ‘Hoe het is om fulltime moeder te zijn.’ ‘Werk je nog steeds in die ijssalon?’ vraagt Britta. ‘Venetia, toch?’ ‘Uh, dat was een zomerbaantje, vijftien jaar geleden. Wat denk je zelf?’ Marije klinkt geïrriteerd. ‘Sorry hoor. Er is niets mis met ijs scheppen. Ik bedoelde het niet…’ ‘Neerbuigend? Ach, dat bedoelde je wel, maar dat maakt niet uit.’ ‘Nee, echt…’ ‘Ik werk niet in de ijssalon, maar kom er nog wel met de kids. Ik heb tegenwoordig mijn eigen bedrijf.’ ‘Wat voor bedrijf?’ vraagt Britta. Zou Marije zo’n kansloze moeder met een cupcakebedrijfje zijn? ‘Ik zit in de online retail. Vintage chesterfieldbanken, ken je die?’ ‘Oude kringloopmeubels bedoel je?’ vraagt Britta. ‘Nou nee,’ antwoordt Marije. ‘Het begon als hobby, maar het is wat uit de hand gelopen. Ik heb zelfs personeel in dienst moeten nemen.’


‘Personeel?’ ‘Dertig man tegenwoordig. Maar ik ga de boel binnenkort verkopen, de manager uithangen is niets voor mij.’ ‘Waarom zou je dat doen als de zaken zo goed gaan?’ ‘Er zijn geïnteresseerden die mooie bedragen bieden. Er komt wel weer een volgend creatief project op mijn pad.’ Het is moeilijk voor te stellen dat haar oude klasgenoot het zich kan permitteren een creatief project boven zakelijk succes te kiezen. ‘En je bent zeker ook heel gelukkig in de liefde?’ Britta kijkt van de ring aan Marije’s vinger naar haar eigen afgebladderde nagellak. Ze heeft tevergeefs gezocht naar remover in het badkamerkastje van haar ouders. ‘Matthijs en ik zijn nu veertien jaar samen. We kwamen elkaar tegen in het jaar dat jij vertrok.’ ‘Veertien jaar. Jezus.’ ‘Het is niet altijd eenvoudig geweest. Als je dat soms denkt.’ De mand glipt uit Britta’s handen. ‘Fuck.’ Het zijn die verdomde koffievingers, vier kopjes tegenwoordig vóór acht uur. Zonder cafeïne staart het leven haar zo dreigend aan. De reserverompertjes en -broekjes eindigen rond haar voeten – merken die ze niet meer kan betalen. Vanaf maat 74 zal Lucy het met de Wibra moeten doen. Marije zit al op haar hurken, leniger dan haar lichaam doet vermoeden. Britta wil protesteren. ‘Als jij nou gewoon gaat zitten. Ja? Dan komt het allemaal goed.’ Britta laat zich zakken op het krukje dat tegen de muur staat. ‘Zo. Doen we haar spullen hierin.’ Marije hevelt de kleding en de luiers over naar een mandje met Lucy’s naam erop, in hetzelfde sierlijke handschrift als bij de rest. Britta denkt aan haar dochter die ze toch niet vergeten zijn. Er komt een moment dat Lucy’s vuistjes niet vanzelf loslaten. Er komt een moment dat ze haar moet uitleggen waarom papa niet bij hen woont. ‘Drink op.’ Uit haar tas heeft Marije een flesje spa blauw gehaald. Britta gehoorzaamt. Het water doet haar goed. ‘Ik zit met Lucy en vier koffers bij m’n ouders,’ zegt ze. ‘Het is een grote puinzooi. Alsof ik te vroeg in mijn leven gepiekt heb en nu weer terug bij af ben. Leon blijft in Amsterdam. Ik denk niet dat het nog goed komt.’ Ze krijgt al bijna spijt van haar openhartigheid als ze Marijes hand op haar schouder voelt. ‘Ben je op de fiets?’ vraagt ze. Er zit geen leedvermaak in Marijes blik. Misschien bestaan er ook mensen die geen plezier halen uit andermans verdriet. ‘Nou?’ Britta knikt. ‘Kom, dan fietsen we een stuk samen. Zoals vroeger.’


Marije heeft zich al omgedraaid. ‘Ik ben op de fiets van mijn moeder. Met van die lompe fietstassen.’ Britta rolt met haar ogen zoals ze dat vroeger als pubers ook deden wanneer het over hun ouders ging. ‘Dan kan daar mooi die hoed van je in.’ Met een soepel gebaar opent Marije het houten hekje. ‘Met deze wind waait dat ding zo af.’ Britta volgt haar de gang in, langs de bolderkar en de pop met de blote kont.

•••


Sara van Gennip

Het krimpen van meisjes

••• De wereld is mij te groot geworden. Mijn huid hangt in losse vellen om me heen en mijn huis bestaat uit meer kamers dan ik bewonen kan. Deze wereld dijt maar uit en ik weet niet meer of ik krimp of simpelweg niet groter groei. ’s Nachts lig ik daar wakker van, in mijn veel te grote bed in een veel te grote pyjama die van mijn schouders glijdt. Terwijl de vlek op mijn plafond transformeert in iets dat lijkt op een olifant realiseer ik me dat alles anders moet. Of in ieder geval: een kopje kleiner moet. Ik stop mijn voeten in sokken en in schoenen, steek een sleutel in een slot en rijd midden in de nacht met 120 kilometer per uur richting Duitsland, naar camping ‘Immer wieder Sonntags’. Omdat je soms terug moet naar het begin om te begrijpen hoe het in vredesnaam allemaal begon.

••• Ik herinner me een meisje. Ze wordt wakker. Boven haar hoofd hangt een mobiel met olifantjes. De dieren werpen vreemde schaduwen op het plafond. Het meisje draait met een wijsvinger cirkeltjes in haar blonde haar. Rond en rond, haar voor haar, tot de vinger erin verstrikt raakt. Ze geeft er een rukje aan. De haren trekken zich strakker, snijden in haar vel. Ze trekt uit alle macht. Haar wangen kleuren rood, het topje van haar vinger blauw. Haar grote ogen knijpen zich tot spleetjes en haar lippen trillen. Dan begint ze te huilen. Eerst zachtjes, met kleine pauzes, maar al snel luider en luider, hoger en hoger, tot ze onafgebroken schreeuwt. Een deur gaat open en kleine voetjes drentelen driftig richting haar bed. Het slaaphoofd van haar twee jaar oudere zusje verschijnt. Ze is vijf en woedend. In haar linkerwang zit een vouw van het urenlang slapen op haar knuffel genaamd Eddy, een vaalgele leeuw. Ze klautert het bed in en drukt kordaat haar vinger op de lippen van haar zusje. ‘Ssst!’ sist ze. ‘Ssssst!’ Het meisje blijft schreeuwen. Haar zus duwt nu beide handen op het huilende gezichtje. Tranen en snot druppen langs haar vingers. Dan voelt ze hoe twee armen haar vanachter omhelzen, optillen en op de grond zetten. De moeder van de meisjes kust haar jongste dochter en knipt met een nagelschaartje de haren los van de blauw aangelopen vinger. ‘Ssst!’ sist haar oudste nogmaals. ‘Sssssst!’ sist nu ook de moeder terwijl ze van haar hand een slang maakt die onder pyjama’s kruipt en bolle buikjes kietelt.

•••


Nog voor de zon opkomt, staat mijn tentdoek strak en glimmen de haringkoppen in het natte gras. Zittend op een stukje zeil kijk ik om me heen. Er tjilpt een vogel, er knapt een tak en in de verte hangt een zelfgeschoten haas te drogen aan de waslijn. Deze wereld is mij groot genoeg. Een keurig vlechtwerk van felgekleurde tentjes op veldjes op volgorde van het alfabet. Ik rits me mijn nieuwe onderkomen in. Deze tent is mijn paleis. Mijn opvouwbaar koninkrijk van zorgvuldig dichtgestikt polyester te midden van bomen en beekjes en braadworst en bier. Op mijn rug wurm ik me een spijkerbroek in. Voor het eerst voel ik me groter dan mijn eigen huis, groter dan mijn eigen huid. Ik adem in, uit, in. De geur van rondbuikig bierzweet vermengt zich met die van uitgebakken spek. De camping ontwaakt. In mijn vuist klem ik een stalen tentharing, geschikt voor een storm, en ik ga op pad.

••• Ik herinner me twee meisjes. Ze kunnen niet slapen. De een is vijf, de ander drie. De een aait een vaalgele leeuw over zijn kaalgeknuffelde lijf, de ander staart naar de schaduw van een kudde olifanten op het plafond. De meisjes houden elkaars handen vast. Hun vader heeft ze vanavond in hetzelfde bed gelegd. Hij loopt heen en weer tussen de bank in de woonkamer, de keuken, de hal, de tuin en zijn bed waar hij niet in liggen wil. Soms kijkt hij of zijn dochters al slapen. Soms krijgen ze een kus. Soms denken ze alle drie even dat ze iets willen zeggen maar zwijgen dan toch. Af en toe kraakt er iets, klinkt er iets en kijken ze elkaar met grote ogen aan. Maar nooit is het haar voetstap, nooit meer haar stem die zachtjes sist.

••• Op een groot bord naast de receptie van de camping hangt een plattegrond. De stacaravans staan links achterin, nog voorbij het meer. Ik loop langs de tentjes, het speelterrein en de gesloten snackbar naast het voetbalveld. Een jongen in zwembroek schiet herhaaldelijk een bal richting een leeg doel. Opeens ben ik me weer bewust van de tentharing in mijn hand, die ik zo stevig vasthoud dat mijn knokkels wit zien. Ik jongleer er wat ongemakkelijk mee als een willekeurige campingclown, maar de jongen kijkt niet op of om en haalt uit om opnieuw te scoren. Ik loop verder, sla bij het meer linksaf en zie vijf nette straatjes met stacaravans. Bij nummer 53 blijf ik staan. Het dak is mintgroen, de voordeur opvallend wit. Een rij van tuinkabouters staat van klein naar groot gesorteerd aan de rand van een vijvertje dat groen ziet van kroos. Ik blijf kijken hoe de zon hoger en hoger klimt en de witte deur uiteindelijk openzwaait. In de deur een man van begin zestig, in korte broek en geruite blouse. Hij kijkt naar mij en naar de haring in mijn hand. En ik, ik kijk naar hem. Hoe hij een plastic kam uit het borstzakje van zijn blouse haalt. Hoe hij er zorgvuldig mee door zijn grijze baard strijkt. Van links naar rechts. Eerst de voor-, dan ook de achterkant. Hoe hij de achtergebleven haren uit de kam haalt en hoe de wind ze wegwaait. Hoe hij de kam afveegt aan zijn mouw en weer opbergt in het katoenen


zakje voor zijn hart. Ik kijk naar hem en voel de wereld slinken tot de vierkante meter onder mijn voeten. Probeer me te herinneren welk formaat de wereld ooit had. Groot genoeg om te kunnen ademhalen, klein genoeg om geborgen te zijn. Voor de eerste keer sta ik oog in oog met de man die mijn moeder drie keer in haar buik stak, voordat hij een kogel door haar hart schoot. En de wereld kantelt.

••• De meisjes lopen achter een lange zwarte wagen. Beiden houden een hand van hun vader vast, de jongste links en de oudste rechts. Het is een lange man en hij loopt iets gebogen om de handjes niet te laten glippen. Achter hen een stoet mensen met regenjassen aan. Er is zwaar weer voorspeld maar er valt die dag geen druppel uit de lucht. De auto stopt en voor even laat de vader de handen van zijn dochters los. Ze kijken elkaar aan. Een van de meisjes peutert aan het lint van haar donkerblauwe jurk. Langzaam trekt ze de strik los, houdt het lint boven haar hoofd als een vlag en laat het dan vallen in het gras. Het oudere meisje schudt haar hoofd, bukt en raapt het glimmende ding op. Ze zet een stap naar haar zusje toe en probeert het lint weer om haar middel te binden. Deze draait haar heupen van links naar rechts en van voren naar achteren, alsof ze een onzichtbare hoelahoep probeert hoog te houden. ‘Ssssst!’ sist de oudste. ‘Ssssssta ssssstil!’ De jongste staat abrupt stil, haar armen als bevroren langs haar lijf. Het meisje bindt het lint om haar middel en haar armen en doet een poging tot een strik. Dan flitst er een camera vanachter het hek. Iemand verheft zijn stem, een ander schopt tegen een steen. De foto staat op vrijdagochtend in de krant.

••• Ik kijk naar de man en ik herinner me de twee meisjes, van wie ik de jongste was. De wereld en hoe groot die groeide. Een fotoboek waar krantenberichten de plek innamen van vakantiekiekjes. Onze namen, die het argument werden voor elk debat. Onze gezichten die op mokken verschenen voor de goede zaak. De dag dat mijn moeder als een lappenpop neerviel op straat, verloor ik mijn identiteit. Mijn huid werd uitgerold tot spandoek, mijn stem werd radioruis. De wereld werd mij te groot. Tegenover mij staat de man nog steeds kalm in zijn deuropening. De man die ik gehaat heb. Die ik een tentharing zijn ogen in wilde dringen tot ik de achterkant van zijn schedel zou horen barsten. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes, alsof hij me nog beter probeert te zien. En ik laat hem kijken. Naar hoe groot ik ondanks hem geworden ben. Dan spreid ik mijn armen, open mijn mond en schreeuw. Niemand sist, niemand sust, niemand zegt dat ik stil moet zijn. Ik schreeuw tot mijn longen leeg zijn en mijn ogen droog. De tentharing werp ik voor de voeten van de rij tuinkabouters en ik begin te lopen. Langs het meer, de gesloten snackbar, het voetbalveld en de tentjes. En met elke stap pas ik beter in mijn eigen vel.

•••


Patrick Gerritsen

Vleugels

••• Twee elkaar passerende vliegtuigen tekenen een X van kankerverwekkende stoffen in de egaal blauwe ochtendlucht. De laagstaande zon streelt de boomtoppen en de duizenden daken die zich zo’n veertig meter onder mij bevinden met een prachtig pallet van gele en oranje tinten. Vanaf hier kun je op een heldere dag als deze de hele stad zien. Ik steek een sigaret op. Dan toch echt de laatste, zeg ik tegen mezelf. Het begon allemaal op een bewolkte zomerdag zo’n achtentwintig jaar geleden. Het hemelwater kwam met bakken uit de lucht. Zo’n venijnige bui die even abrupt op komt zetten als dat hij weer voorbijtrekt. Samen renden we als bezetenen tot we min of meer tegelijkertijd bij de bushalte aankwamen. Mijn schoenen waren zompig geworden van het water en haar haren plakten in slierten langs haar tedere gezicht. Ik was onderweg naar het meisje op wie ik verliefd meende te zijn. En ik baalde. Ik vloekte meer dan eens en zocht driftig naar mijn vochtig geworden pakje sigaretten. Toen gebeurde er iets dat mij tot op de dag van vandaag bij is gebleven. Ik moet het verhaal Lotte wel duizend keer verteld hebben. Het voor mij onbekende meisje stapte de bushalte uit, spreidde haar armen en aanvaarde het geweld niet alleen, ze omarmde het. Ze hief haar kin omhoog en sloot haar ogen. En ik stond daar met een open mond en een nog niet ontbrande sigaret in mijn handen naar haar te kijken. Ze draaide zich om, met die lieve donkerblonde sliertjes langs haar gezicht geplakt en ze lachte de mooiste lach die ooit door een mens gelachen moet zijn. Die lach, die ik nu ook vaak op het gezicht van Lotte zie verschijnen, was oprecht volmaakt en heeft mijn leven tot op de dag van vandaag van de mooiste kleuren voorzien. Ze had er elke man mee kunnen krijgen, maar om voor mij onverklaarbare redenen verkoos ze mij boven elk van hen. Als ik onzeker was, wat iedere man met zo’n vrouw van tijd tot tijd zou zijn, dan zei ze me dat ze hetzelfde in mij zag als ik in haar. En hoe moeilijk dat soms te geloven was, wist ik ergens zeker dat ze het meende. Ik neem een trek van mijn sigaret. Ik houd de rook zo lang mogelijk in me voor ik het langzaam uit mijn longen laat ontsnappen. Op het schoolplein van de school waar ik Lotte dagelijks naartoe bracht


zie ik een groepje jongens achter een voetbal aanrennen. Onder me vaart een met alg bedekt motorbootje. Een man met een ontbloot bovenlichaam vol tatoeages heeft het roer in zijn ene hand en een pilsje in zijn andere. Ik ga op de rand van het gebouw zitten en ik voel hoe de zwaartekracht voorzichtig aan mijn benen trekt. Ze was altijd al beter in het omgaan met tegenslagen. Op de een of andere manier liet ze alles zonder merkbare strubbeling van zich afglijden. Op een dag, Lotte moet drie jaar oud zijn geweest, zaten we in de tuin van ons eerste huis. We dronken citroenlimonade met ijs in de schaduw van de oude wilg, toen haar vader de tuin in kwam gelopen. Dat deed hij wel vaker onaangekondigd. Soms zag je hem weken niet en soms leek het alsof hij van plan was ongemerkt bij ons in te trekken. Ik vond het nooit erg als hij er was. Hij had een vriendelijkheid over zich heen die even zeldzaam als vertederend was. Ik kan me geen moment herinneren dat hij zichzelf te serieus nam. Zelfs toen Lotte snikkend bij zijn sterfbed stond, zijn huid kleurloos en zijn blik vochtig, pakte hij haar hand en zei: ‘Ach lief kind, om mij hoef je geen traan te laten hoor. Ze zullen daarboven toch verdomme ook wel Ajax uitzenden?’ Hij bracht het hete koffiekopje dat ik voor hem had ingeschonken naar zijn lippen en nam voorzichtig een nipje voor hij hem op het houten tuintafeltje neerzette. ‘Ik zeg het je, popje,’ want zo noemde hij zijn dochter altijd, ‘het is een koolmeesje. Een mus zingt minstens twee octaven hoger.’ Ze konden uren discussiëren, die twee, over de meest triviale, nietszeggende zaken die het leven te bieden heeft. Onderwerpen waar ze beiden geen enkele noemenswaardige kennis over bezaten. Meer dan eens zou ze doorgaan tot ze met die oogverblindende lach het bewijs voor haar gelijk, en niet minder belangrijk, zijn ongelijk, onder zijn neus duwde. Hij zou dan in de lach schieten en hij zou het met zijn ondeugende oogjes wegwuiven. ‘Pap, het zijn twee musjes. Heus. Ze maken zoveel geluid omdat ze bang zijn voor de kat.’ Vanachter mijn boek wierp ik steelse blikken op ze. Met de jaren begon ik hem ervan te verdenken dat hij expres de meest willekeurige standpunten innam om vervolgens zijn dochter ijverig haar gelijk te zien halen. Ik denk dat hij genoot van haar koppigheid. En hij was niet de enige. Toen ze een uur later met z’n tweeën naar de bouwmarkt waren gegaan om een nieuwe kamerlamp te kopen – ze had haar gelijk inmiddels gehaald – lag ik met Lotte in mijn armen languit in het warme gras. In de hoge vlierbessenstruik zag ik de musjes samen in gevecht met een felrood stukje draad dat met een tak verstrengeld was geweest. Ze waren samen een nest aan het bouwen in de iep vlak naast


onze tuin en zagen in het draadje klaarblijkelijk kostbaar materiaal voor het stulpje. Ik keek naar Lotte. Haar gezicht was een perfecte afdruk van dat van haar moeder. Haar ogen hadden dezelfde schakeringen groen in zich verstopt en haar wangen hadden dezelfde zachte welving. De rest van de middag heb ik met Lotte gekeken naar de musjes. We hadden ze aangemoedigd, tot ze uiteindelijk het draadje los kregen van de tak en het samen naar hun nest brachten. Het was aandoenlijk. Terwijl ik daar in dat hoge gras dat voorzichtig in mijn nek kriebelde lag, besefte ik voor het eerst pas echt hoe gezegend ik was. Met haar. Met de prachtige dochter die ze me gegeven had. Met ons leven samen. Die avond in bed heb ik haar voorhoofd wel duizend keer gekust. Ik sloeg mijn arm stevig om haar heen en nam de zachte kokosgeur van haar nog vochtige haren in mij op. De volgende ochtend, toen ik buiten mijn eerste sigaret van de dag wilde roken, vond ik het aangevreten musje op de deurmat, onze kat ernaast. In de herfst van dat jaar, nu achttien jaar geleden, begonnen de hoofdpijnen. Niet veel later de duizelingen. En toen viel ze plotseling om terwijl ze voor de klas stond. De dag voor Sinterklaas kregen we de diagnose. Het was niet groter dan een borrelnootje, zei de oncoloog, wat ik een merkwaardige woordkeuze vond om een tumor te omschrijven. Agressief. Niets meer aan te doen. Vlak voor ze stierf beloofde ik haar dat er geen dag voorbij zou gaan waarop ik Lotte niet zou vertellen over haar moeder. Over deze oogverblindende vrouw, die zoveel meer om haar had gegeven dan ze ooit voor mogelijk had kunnen houden. Tot op de dag van vandaag heb ik me aan die belofte gehouden. Bij elk besluit dat ik nam dacht ik aan wat zij zou hebben gewild. Lotte is nu volwassen, heeft haar vleugels gespreid en woont nu samen met een geweldig lieve, zachtaardige jongen. Als ze nu lacht zie ik haar moeder weer bij dat bushokje staan terwijl de regen op haar neerdaalt en haar overspoelt. Ik neem een laatste trek van mijn sigaret, gooi hem naar beneden en kijk naar de dwarrelende weg die hij aflegt voor hij op het asfalt terecht komt. Voor het eerst ga ik dan toch een keuze maken waarvan ik zeker weet dat ze het er niet mee eens is. Maar ik kan niet anders. Of we elkaar weer zullen zien weet ik niet, maar al is er niets, dan zullen we samen niets zijn. Samen voor eeuwig niets. Ik spreidde mijn armen zoals zij dat achtentwintig jaar geleden had gedaan. Ik aanvaarde het geweld dat mij te wachten stond niet alleen, ik omarmde het.


Ik sprong. En ik vloog. Naar haar. Ik vloog.

•••


Jeroen van Goor

In de hutkoffer

••• In de krant stuitte ik op een advertentie voor een hutkoffer. Hij stond ergens verstopt tussen smoezelige contactadvertenties en er stond geen plaatje of nadere omschrijving bij, alleen de tekst ‘Te koop: hutkoffer. Af te halen na kennismaking.’ Omdat ik al een tijdje op zoek was naar een geschikte hutkoffer, belde ik het nummer dat erbij stond. ‘Hallo?’ zei een man met schorre stem. ‘Dag, ik bel voor de hutkoffer.’ ‘Wat zegt u? Hoe komt u aan dit nummer? Een moment.’ Ik wachtte een minuut, tot een vrouw het gesprek voortzette. ‘Hallo? Belt u naar aanleiding van de advertentie?’ ‘Dat klopt. Ik ga per schip op reis en wat ik heb wil ik veilig kunnen opbergen. Veilig en droog. Kan ik de hutkoffer komen bekijken?’ ‘Jazeker. Morgenmiddag om drie uur. Schikt dat?’ Op de achterkant van een envelop noteerde ik een straatnaam en huisnummer. ‘Tot dan,’ zei de vrouw, maar nog voor ik iets terug kon zeggen werd de verbinding verbroken.

••• Wolkjes nevel uitblazend keek ik door de spijlen van een gietijzeren poort naar een enorme villa. Ik meldde me via de intercom en even later zoemde de poort open. Het grind knerpte onder mijn voeten, het uitgestrekte gazon was bedekt met een dun laagje sneeuw. Achter mij viel het hek in het slot; een duif klapwiekte op uit een dennenboom, dikke brokken sneeuw vielen naar beneden. Een vrouw in badjas deed open. Ze had kort zwart haar en droeg stilettohakken. ‘Dag,’ zei ik. ‘Ik kom voor de hutkoffer.’ ‘Precies op tijd,’ zei ze, ‘Heel goed. Ik ben Iris. Kom binnen, doe je schoenen uit en neem plaats bij de anderen. Ik maak thee en kom zo bij je.’

••• De garderobe puilde uit met dure jassen, daaronder stond een rij glimmend gepoetste schoenen en hoge hakken bezet met diamantjes. Ik schopte mijn oude sneakers uit en zette ze ernaast. Er steeg een


muffe geur uit op. Het was een grappig gezicht, net een stel zwervers in de rij voor de opera. Achter een glazen deur klonken stemmen, serviesgoed rinkelde. Er werd gelachen maar zodra ik binnenkwam viel het stil, alleen de kroonluchter tinkelde wat na. In een ruime kring zaten ongeveer dertig mensen, mannen en vrouwen door elkaar heen, allemaal naakt. Een dikke, behaarde man bekeek me van top tot teen, fronste en krabde aan zijn ballen, een wat oudere vrouw trok haar wenkbrauwen op en plukte aan haar borsten, terwijl Iris zich over een tafeltje boog en thee inschonk. ‘Suiker? Melk? Nee? Ga toch zitten.’ Ze verdween achter een haag van kamerplanten en ik blies in de thee. Op de stoel naast mij staarde een man met uitpuilende ogen naar het stompje van zijn sigaar. Hij zat wijdbeens en zijn kleine pik leek net een vogeltje dat zijn rode snavel uitstak boven een nestje van grijze takjes. Toen hij met zijn ogen knipperde brak de sliert as en viel uiteen op het tapijt. ‘Vreemd dat hier geen asbakken staan,’ klaagde zijn buurvrouw. ‘We zitten hier al zo lang te wachten, iemand had ondertussen wel asbakken neer kunnen zetten.’ ‘Hoelang zitten jullie hier al?’ vroeg ik. ‘Komen jullie ook voor de hutkoffer?’ Nog voordat ze antwoord konden geven keerde Iris terug. Haar badjas was in de keuken achtergebleven en op haar hakken na was ze nu ook naakt. Schitterend naakt. Ze hurkte in het midden van de kring, met haar handen losjes op de knieën, en richtte haar blik op mij. Ik moest mijn best doen om niet naar haar borsten te kijken, die op en neer deinden op haar ademhaling. ‘Er is weer iemand voor de hutkoffer gekomen,’ zei ze. ‘Daar zit hij. Ik krijg de indruk dat hij uit het goede hout is gesneden.’ Het werd rumoerig. Een man met een gelig gezicht slaakte een kreet en sprong op, waarbij zijn geslacht heen en weer zwiepte als een slap touw in de wind. ‘En wij dan!’ riep hij uit, ‘Weet je wel hoelang wij al zitten te wachten? Hoeveel we hebben betaald? Ik hou het niet meer uit!’ Iris stak waarschuwend een vinger op en hij kromp ineen. Ook de anderen hielden zich gedeisd en keken naar de grond. Ze gebaarde dat ik haar moest volgen en dat deed ik, alsof ze me leidde aan een onzichtbaar koord. We bestegen een wenteltrap, liepen door een lange gang en stapten toen een spaarzaam verlichte slaapkamer binnen.

••• *

••• ‘We zullen zien of jij eigenlijk wel weet wat een hutkoffer is.’ Iris duwt me een schrijfblok en een potlood in handen. ‘Teken er maar een.’


Ik tekende naar wat mij voorkwam een hutkoffer en liet haar het resultaat zien. ‘Laat me niet lachen! Dat is hoogstens een doos!’ Ze schudde haar hoofd en trok een mes. Waarvandaan was me een raadsel, maar het mes was echt en het lemmet blonk. Ze hield de scherpe punt op mijn keel gericht. ‘Trek je kleren uit,’ gebood ze. Ze ging zitten in een fauteuil naast het bed en keek toe hoe ik me uit mijn kleren wurmde. Toen ik naakt was kwam ze op me zitten en boog voorover. Ze fluisterde in mijn oor: ‘Je bent een dwaas, een moedige dwaas, dat hoorde ik al over de telefoon. Ik was benieuwd naar je…’ Haar toon veranderde, ze klonk nu bijna bezorgd: ‘Maar het is gevaarlijk wat je wilt, begrijp je dat?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik wil de hutkoffer zien,’ zei ik. ‘En als hij me bevalt neem ik hem.’ Iris kuste me zo hard dat onze tanden tegen elkaar kletterden. Ik proefde bloed en kreeg een waas voor ogen. Ze schoof met haar bekken heen en weer, ik greep haar middel vast, kneedde haar billen en likte aan haar borsten. Kreunend wierp ze haar hoofd in haar nek, het mes kletterde op de grond.

••• *

••• Er klonk gestommel en gehoest. Een oude, kromgegroeide man schuifelde naar binnen, steunend op een wandelstok. Hij nam zijn hoed af en liet zich in de fauteuil zakken. ‘Dag jongeman,’ zei hij vriendelijk, ‘wat een gedoe nietwaar. Gaat het een beetje?’ Bij zijn binnenkomst schrok Iris wakker, draaide zich razendsnel om en viel bijna uit bed. Ze had loom in mijn armen gelegen maar ineens wist ze niet hoe snel ze zich uit de voeten moest maken. In de deurpost wierp ze me nog een kushandje toe en ze verdween in de gang. Even later tikten haar hakken de wenteltrap af. Bij het zien van het mes op de grond schudde de oude baas zijn hoofd. Driemaal stampte hij met zijn stok op de vloer. Van beneden klonk gejammer, een glas viel kapot. ‘Dus je komt voor de ladekast?’ informeerde hij. ‘Die van de advertentie?’ ‘Nee, voor de hutkoffer,’ zei ik. Hij streek zijn rimpels glad en zoog zijn wangen naar binnen. Hij keek me oplettend in de ogen en knikte. ‘Goed, als je het zeker weet. Ik zal je laten zien waar hij staat. Maar je moet me wel ondersteunen, mijn gewrichten zijn niet zo best meer.’

••• Op de inmiddels donkere gang zag ik links het gat van de wenteltrap. Rechts in de verte knipperde


een groen lichtje – daar moesten we blijkbaar naartoe, want ik kreeg een zetje in die richting. De oude man hing aan mijn arm. Voetje voor voetje kwamen we vooruit. Het rook op de gang alsof er natte dozen te drogen waren gelegd. Spinrag bleef plakken aan mijn gezicht en oren, de planken kraakten onder mijn voeten en ik dacht dat ik erdoorheen zou zakken, maar de man kneep geruststellend in mijn arm. ‘Je hoeft niet bang te zijn. Nou ja, straks misschien wel, maar uiteindelijk valt het allemaal mee. In zekere zin weet je alles al over de hutkoffer wat er te weten valt, we hoeven de kwestie alleen nog maar af te ronden, zogezegd. Nog even volhouden dus, we zijn er bijna.’ Daar snapte ik niks van. Ik had ook wel wat anders aan mijn hoofd, want inmiddels voelde ik geen muren meer. De gang leek te zijn overgegaan in een soort loopbrug, die schommelend boven een peilloze, inktzwarte diepte hing. Op de tast vond ik een touw dat naast de brug was gespannen en ik hield me goed vast terwijl de man met elke stap zwaarder leek te worden. Eindelijk kwamen we bij het knipperende licht. Het deed me denken aan zo’n groen bordje voor een nooduitgang – alleen het witte rennende mannetje ontbrak. ‘Hier moet je wezen,’ zei de man, ‘hierbinnen staat de hutkoffer. Neem deze zaklamp mee, anders zie je geen hand voor ogen.’ Ik wilde hem bedanken maar hij wuifde mijn woorden weg en steunde op zijn wandelstok. ‘Ik blijf buiten wachten,’ zei hij. ‘Het kan even duren, maar we komen elkaar wel weer tegen.’

••• Het voelde alsof ik de koeling van een slachterij in stapte. Het vroor hier minstens twintig graden. Ik knipte de zaklamp aan en scheen de bundel in het rond, als een grafdelver in Egypte. In het midden van de ruimte, op een stenen verhoging, stond de hutkoffer, een rechthoekig, lederen gevaarte dat tot boven mijn middel kwam. Ik liep er omheen en betastte de klinknagels, voelde aan het gladde leer en rook eraan; zo te zien was de koffer van oerdegelijke makelij. Met mijn licht bevroren vingers wist ik het deksel te openen en ik richtte de zaklamp naar binnen. Op het rode fluweel waarmee de hutkoffer was bekleed lag een zuigeling, nog helemaal rozig en verfrommeld, de oogjes dichtgeplakt. Een ventje, stelde ik vast. Er straalde een enorme, onweerstaanbare warmte van hem af. Ik klauterde over de rand en liet me in de hutkoffer zakken. Er klonk een gedempt geluid toen ik het deksel sloot, en in de gloed van de zaklamp ging ik naast de baby liggen en sloeg mijn armen om hem heen. Algauw trok zijn warmte door mijn lichaam, ik werd een beetje slaperig. Met mijn oor tegen zijn ruggetje hoorde ik een geruis als van de zee, een hart dat bonsde als de machinekamer van een vrachtschip. Ik zonk weg in een wolk van dansende bubbeltjes, het zonlicht scheen vervormd door het wateroppervlak en werd steeds zwakker.

•••


De zaklamp knipperde nog wat, tot de batterijen het begaven en de duisternis volkomen werd.

•••


Krista Izelaar

Rollende schapen

••• Ik ben opgehouden met tekenen, want van tekenen werd ik misselijk. Ik zei tegen papa en mama dat ik moest overgeven, en papa vloekte. ‘Wat kan dat kind daar nou aan doen?’ had mama gesnauwd. Toen we gestopt waren op de vluchtstrook hoefde ik niet meer over te geven. Terwijl we naast de auto stonden begon het te regenen. Papa had me een beetje hard bij mijn arm gepakt en weer terug op de achterbank gezet. Mama had me een kus gegeven en een walkman, samen met een koffertje vol oude cassettebandjes. Toen ik de bandjes een voor een bekeek, werd ik bijna weer misselijk. Daarom kijk ik nu tussen de voorstoelen door naar de weg, zoals mama had gezegd. Dat helpt. Voor ons rijdt een grote vrachtwagen met daarop de slogan: Altijd Onderweg naar U. Met daarnaast een levensgrote foto van een man met een bouwhelm op die naar ons wijst. Papa draait het raampje verder open en steekt een sjekkie op. We rijden langs muren vol graffiti met daarachter dijken. Op sommige stukken gras staan schapen te grazen. Met twee van hun poten staan ze hoger dan met de andere twee, omdat het zo schuin is. Ik vraag me af of er ooit een schaap is omgevallen en de weg is opgerold. Papa piekt zijn peuk op het wegdek. Mama kijkt even opzij naar hem en dan kijkt ze mij aan via de achteruitkijkspiegel, waaraan twee pluchen dobbelstenen bungelen. ‘Gaat het weer een beetje, Piertje?’ vraagt mama. Ik knik. Dan draai ik me om, ga op mijn knieën zitten en kijk in de kofferbak. ‘Hoi Nina,’ zeg ik tegen het konijnenhok. Nina zit in een hoekje te bibberen. Ik rek me uit en steek mijn vingers door de tralies. ‘Ga op je reet zitten,’ zegt papa. Ik draai me half naar hem om. ‘Ga maar even zitten Piertje,’ zegt mama. ‘We zitten midden op de snelweg.’ Wij hebben een heel oude auto zonder gordels. Daarom rijden we nu al de hele tijd aan de rechterkant van de weg, al vindt papa dat onzin. ‘Die ouwe rochel haalt nog makkelijk honderd,’ zegt hij altijd. Maar mama zegt dat de auto te veel herrie maakt als ze boven de tachtig rijdt en dat vindt ze eng. Dus rijden we nu tussen de vrachtwagens. Vroeger reed papa altijd, maar dat mag al heel lang niet meer van de politie. Dat is omdat papa te veel biertjes drinkt, zegt Bobby. Bobby is mijn


buurjongen en hij heeft het weer van zijn vader, onze buurman. Ik had zin om Bobby op zijn lelijke kop te slaan, maar in plaats daarvan zei ik dat zijn vader een fabricagefout is, wat papa dan weer altijd over de buurman zegt. Ik doe een bandje in de walkman. Op het hoesje staat een man met zwart borsthaar en een raar baardje. Hij heeft mascara op. Hij heeft ook een heel hoge stem, maar ik vind de muziek leuk. Een soort dansmuziek, maar dan heel oud. Ik neurie mee en ga op de achterbank liggen met mijn benen omhoog tegen het dak. Met mijn tenen probeer ik alle bruine vlekken te raken. Sommige hebben de vorm van een bloem, of van een vlinder. Ik wil aan mama vragen hoe er vlekken op het dak van onze auto kunnen komen. Ik druk op de pauzeknop. ‘…doe nou niet of het míjn schuld is, Marie.’ Ik druk weer op play en zet de muziek harder. Als het nummer is afgelopen hoor ik mama zeggen: ‘…het was onvermijdelijk Willem, dat weet je. Clara en ik…’ De man met het rare baardje begint weer te zingen. Ik zie papa druk gebaren, er loopt een traan over mama’s wang. ‘…ze is precies wat ik nu nodig…’ ‘…godverredomme mens, denk nou eens aan…’ Ik ga rechtop zitten. Mama en papa zwijgen nu. Ik geef een kus op papa’s arm, op het stukje blote huid tussen twee tatoeages in. Het smaakt een beetje zout. Zonder om te kijken steekt hij zijn rechterarm naar achteren en woelt even door mijn haar. Mama durf ik geen kus te geven. Als ze aan het rijden is mag ik haar niet aanraken. Door de achteruitkijkspiegel glimlacht ze even naar me. We zijn gestopt bij het benzinestation. Ik zit in mijn eentje aan een houten picknicktafel te wachten tot papa en mama klaar zijn met tanken. Ik wilde Nina mee naar buiten nemen zodat ze even wat kon rondhuppen in het gras, maar dat mocht niet. Ik denk aan juf Clara, van haar zou ik Nina vast mee naar buiten mogen nemen. Juf Clara is lief. Ze draagt altijd wijde jurken en gekleurde brillen. Maar volgens papa is juf Clara een ‘vies, vuil kutwijf met een lelijk pottenkapsel’. Papa komt aanlopen met een halve liter bier en een Cornetto. ‘Je moeder wacht in de auto,’ zegt hij als hij zijn benen over het bankje slingert. Met een sis opent het bierblik. We eten en drinken terwijl de vrachtwagens naast ons optrekken en piepend achteruit rijden. Papa slaat zijn arm om mijn schouders en drukt me tegen zich aan, zo hard dat ik wat moeilijker adem kan halen. ‘Het komt wel goed, meis,’ zegt hij, meer tegen zichzelf dan tegen mij. ‘Het komt wel goed.’ Als we verder rijden, ben ik weer misselijk. ‘Wie geeft dat kind dan ook een Cornetto,’ zegt mama. Papa rolt zwijgend een nieuw sjekkie. Ik pak mijn tekenblok en teken een schaap met twee korte en twee lange poten. Dan teken ik Nina met twee korte en twee lange poten. En ten slotte teken


ik papa en mama met één lang en één kort been. Ze moeten elkaars hand vasthouden om niet om te vallen. Dan kijk ik weer op de weg, want anders moeten we straks weer stoppen omdat ik moet overgeven. Mama draait de snelweg af. We komen langs lage flats met grote schotels erop. Ik hoop dat papa’s nieuwe huis ook een schotel heeft, dan ga ik elk weekend contact proberen te maken met ruimtewezens. Alhoewel ik denk dat papa de schotel er meteen af zal halen als hij er één heeft, hij heeft het niet zo op schotels. Mama slaat weer af, twee keer, drie keer. We rijden langs een verlaten speeltuin en dan stopt ze voor een flat. ‘Hier is het dan, Piertje.’ Papa stapt zwijgend uit en haalt Nina uit de kofferbak. Hij pakt ook de twee sporttassen die ernaast staan. Mama blijft een hele tijd in de auto zitten, maar dan gaat het portier toch open. Als ze uitstapt, heeft ze rode vlekken in haar gezicht en hals. Ook mama omhelst me zo hard dat het een beetje pijn doet. ‘Dag Pier, tot maandag.’ Ze kust me wel duizend keer op mijn wangen, op mijn hoofd, op mijn mond. Als de auto pruttelend wegrijdt, sjokt papa richting de ingang van het portiek. Dan laat hij met een klap het hok met Nina op de stoep vallen en de twee sporttassen. Zijn schouders schokken. Zijn gesnik begint zachtjes maar verandert al snel in gierende uithalen. Hij zakt op de grond. De automatische schuifdeuren openen en sluiten zich steeds voor zijn neus. Als ik twee armen om papa heen sla, zie ik Nina het hok uit springen, de weg op.

•••


Selin Kuşçu

Je loopt met een omweg naar huis

••• Je spreekt de taal niet. Je spreekt de taal niet en daarom begrijp je de mensen niet. Andere mensen denken misschien dat deze mensen als vanzelfsprekend met jou verbonden zijn, dat verwantschap net zo vanzelfsprekend hoort bij verwant. Een taal kan iets anders zijn dan woorden, zeggen ze. Maar dan weet je niet hoe je moet lezen hoe zij hun lichaam bewegen, hun voeten over de vloer sjokken, jouw kant op schuiven en hun armen naar je uitstrekken: je herkent hun taal niet en dus loop je zo langzaam mogelijk over de galerij, verstijf je in de deuropening van hun flat. Je staat op een getopte deurmat die ligt op het vaalblauwe vloerzeil. Je probeert het te voelen: je luistert en kijkt, maar deze omgeving komt je niet vertrouwd voor. Ze lezen geen boeken, ze hebben geen dure computers en er staan foto’s van vreemden op het dressoir. Dit huis kan geen huis zijn waar jij in thuis hoort. Je hebt al veel eerder geconstateerd dat lichaamstaal niet universeel is: de taal van het lichaam is pas met betekenis te laden als je het kunt verbinden met de woorden die ze uitspreken, dus loop je als laatste naar binnen door de voordeur. De gang ligt vol slippers en uitgetrapte instappers. Je herkent de geur niet, behalve als de geur die nou eenmaal bij dit huis is gaan horen. Er verandert hier nooit iets. Niemand evolueert, niets kan hier groeien. Je schuilt achter je moeder omdat je niet weet welke woorden er teruggezegd moeten worden. Ook dat is niet helemaal waar, want je bent hier vaak geweest, maar het voelt zo onoprecht om iets te zeggen waar je eerst lang over moet nadenken, niet op gevoel kunt formuleren. Je moeder fluistert het je voor: ‘Pak haar hand maar, geef er een kus op.’ Deze beweging heb je eerder gemaakt, eigenlijk doe je het bijna elke maand, maar het voelt nauwelijks als jouw gezicht dat afdaalt naar die zachte, gerimpelde uitgestoken hand. Als je hier iets herkent, dan is het die oranjerode verlopen henna, en de verkleurde vingertoppen van het aardappels bewerken. Haar hand is niet hard en daarom niet gevaarlijk. Trouwens, soms doe je die handkus niet, want het voelt elke keer alsof je het verkeerd doet. Alleen jij maakt je er druk om: anderen hebben niet door dat er iemand hier een taal spreekt die voor jou onbekend is. Zij vloeien met hun woorden, zeggen uitzinnig Merhaba. Waarom groeien andere baby’s mee met hun omgeving, groeien ze naar binnen en leggen ze wortels, maar loop jij weer voor het eerst over die galerij, sta je wiebelend in


het deurkozijn, lees je niets in de ogen van je ebe en dede? Het gezicht van je oma. Haar hoofddoek is van een soepele, dunne stof, zwart met een wit motief. Langs de rand zitten gehaakte lusjes die haar ronde hoofdje omlijsten als een klassiek meesterwerk. Haar donkerbruine, grote ogen en volle, geplooide mond er middenin. Ze is zo klein als een kind, toen ze nog een kind was moet ze mooi zijn geweest. Dit is jouw familie en de afstand kon niet groter.

••• Je hebt van je tante een kussen gekregen met daarop in krullerige letters Seni Seviyorum en een deurmat met Merhaba. Je stelt je voor hoe dat gaat: je tante heeft ergens een deurmat zien liggen en aan jou gedacht. Misschien kon ze kiezen uit een douchegordijn, een dekbed, of pannenlappen, maar koos ze voor de meest prominente plek in het huis, waar geen gast omheen kan, omdat ze misschien wel te gemakkelijk om je achtergrond heen gaan. Voelen ze zich ontkend? Nu niet meer! En vooral: nu ook jij niet meer. Weten zij niet dat dit een steek onder water is? Mensen vragen je vaak waarom je het Turks niet geleerd hebt. Dat is een moeilijke vraag. Je haalt je schouders op, je weet het ook niet. Het antwoord kun je makkelijk geven, maar je weet ook niet waarom jij buitengesloten bent, de enige in de familie die haar talen niet kent. Hebben zij het je niet geleerd? Heb je zelf niet geluisterd? Je kent zelfs de scheldwoorden niet, die je Nederlandse vrienden opdissen als ze zich plotseling, op de fiets tussen de kroeg en thuis, herinneren dat je in wezen niet een van hen bent, slechts een halve van hen. Maar zij kennen de scheldwoorden. Zij hebben hun lompe repertoire en jij kunt op z’n hoogst tot tien tellen. Je vader trekt zich jouw beschuldigingen aan en zegt dat het hem spijt dat je zijn taal niet kunt spreken. Hij wilde zo graag het beste voor je, een toekomst voor je. Daar kun je geen ruzie over maken. Je leert dat alleen de persoon tot wie je nu bent uitgegroeid, hebt kunnen uitgroeien, een toekomst met zich meebrengt. Je parkeert je fiets naast de deur en strompelt binnen. Je huis voelt onmiddellijk minder thuis sinds het in een vreemde taal met je spreekt. Elke ochtend hoor je de stem van je tante. Ze zegt Merhaba als je weggaat en Merhaba als je thuiskomt, een met hoge noot Merhaba, een langgerekte Merhabaaa, maar het voelt niet als welkom. Zij weten heus wel dat dit een steek onder water is. Mensen denken altijd dat dingen vanzelf goedkomen, totdat vanzelf voorbij is en dan is het te laat. Dan start het rennen achter de feiten aan. Je kunt niet zomaar een van hen worden, nu je je op een afgezonderde plek hebt ingegraven, nu je decennialang hebt geweigerd een onderdeel te zijn. Wanneer zitten wortels zo diep in de grond dat ze zich nergens meer mee kunnen verstrengelen?

••• In het huis van je opa en oma wordt veel gepraat. De woorden glijden van je af. Klanken stromen langs je heen als het geruststellende geluid van een met bamboe gemaakte regenmaker, vermengen zich met het gekras van vorken op borden met rijst en bonen en sperziebonen. Je dept het zachte, witte


brood in de tomatensaus en zorgt dat je mond weer vol is voordat hij leeg is. Je vraagt je moeder hoelang jullie nog blijven. Na het eten speel je spelletjes op je telefoon. Soms herken je iemands naam tussen de woorden, maar hun gesprekken zijn heus niet interessant.

••• Er is weer eens een vriend die zich herinnert wie je eigenlijk bent, waar je vandaan komt. ‘Zeg eens iets in het Turks?’ Je zegt: ‘Merhaba.’ Hij zegt: ‘Zeg het nog eens?’ Hij vindt het sexy en je bent het ermee eens: Turks is een mooie taal. Het is sensueel, dankzij de klemtonen, maar de mensen die het spreken hebben schelle stemmen. Je leest een bijsluiter voor, maar dan stokt het dansen, omdat je de klanken wel kent maar het ritme niet, en verander je snel van onderwerp. Later, als je thuiskomt, geef je de deurmat een trap, maar die blijft als een mantra herhalen: Merhaba. Je staart naar de haren van de mat en oefent je uitspraak. Jouw stem vermengt zich met die van je tante. Ineens meent ze het. Je pakt haar hand. Je omarmt het. Samen spelen jullie met de rollende r, de korte a, een h vanuit achterin je keel. Dit is het eerste woord dat je nodig hebt om ergens binnen te stappen, of om iemand die binnenstapt zich op z’n gemak te laten voelen, zo kan zich een wereld ontsluieren.

••• ‘Waar je op moet letten, is dat Turken nauwelijks lidwoorden gebruiken. Ze hebben alleen het lidwoord bir, wat een betekent. Een onbepaald lidwoord.’ De vrouw voorin het lokaal wijst naar een rijtje woorden op het whiteboard. ucuz bir otel iyi bir arkadaş büyük ülke Je begrijpt de mensen die bij je horen niet en daarom ben je anders. Voor je het weet sta je iets verderop, van een afstand toekijkend hoe jullie verschillen. Niets is onoverkomelijk, maar dingen worden wel steeds groter. De weg tussen jullie lijkt onneembaar ver weg. Er verandert niets zolang je stilstaat en voor je uit staart. Geluidloos herhaal ik de woorden die op het bord staan.

•••


Raoul Noortmann

Beladen lading

••• Om kwart voor zeven meldt Peter zich aan de poort van het Stichtse reinigings- en havenbedrijf. Peter is te laat. Hij zegt dat hij er niks aan kan doen en dat het door het weer komt. Dat zijn Tomos niet gewend is aan de hitte. Het is zijn eerste dag op zijn eerste werkervaringsplek en als hij zijn best doet mag hij blijven.

••• In de kleedkamer trekt hij een van onze overals aan. Langzaam en bleek van de slaap. Zijn bovenarmen zijn die van een volwassen man. Zijn nek is de nek van een puber. Met ontelbare etterende puistjes en geïrriteerde stoppels. Hij spreidt zijn armen. De mouwen zijn te lang. Daar heeft hij gelijk in. De rubberlaarzen die ik hem aangeef laat hij zonder aarzeling op de vloer vallen. ‘Luister,’ zegt Peter. ‘Als ik dan toch de hele dag aan het zeulen ben, wil ik er wel een beetje goed bijlopen.’ Ter verduidelijking presenteert hij mij zijn linkervoet. Een spierwitte sportschoen. ‘Kun je niks van zeggen, hè?’ Ik knik. Verder niks. Ik kan hem vertellen dat ze aan het eind van de dag bruin of zwart, misschien wel bordeauxrood van een halfvolle wijnfles zijn maar dat doe ik niet. Ik kan er inderdaad niks van zeggen en dat bevalt mij uitstekend.

••• Om tien over zeven rijden we volgetankt het terrein af.

••• ‘Dat vroege opstaan,’ begint Peter, als we de provinciale weg opdraaien. ‘Niks voor mij, nooit niet.’ Met zijn wijsvinger trekt hij een streep door de lucht zoals straaljagers doen. ‘Weet je wat het is?’ gaat hij verder. ‘Niet iedereen is ervoor gemaakt, ik ben gewoon meer een nachtmens.’ Een van zijn sportschoenen laat gomachtige strepen op het dashboard achter en zijn arm hangt nonchalant uit het raam dat maar voor de helft open kan. Een nachtmens. Na een korte stilte zegt hij dat hij er zo snel mogelijk weer uit wil. Niet uit de cabine, om te laden, nee dat niet, gewoon, zo snel mogelijk eruit en hup, terug de bijstand in. Hup, alsof het een sprong van een duikplank is. Ik


krijg er zin van om te zwemmen.

••• Door de voorruit tuur ik langs het glimmende asfalt. Op het kruispunt staat een kleine frietkraam waar ik vroeger nog weleens kaassoufflé at. Lang voordat er Chinezen in stonden. Lang voordat Willem en de anderen werden vervangen als gloeilampen. Scheve Nelis, Dikke Gerard en Rinus, Rinus die zo perfect inparkeerde dat iedereen zijn bijnaam vergat. Allemaal Gloeilampen. Terwijl ze nog best een tijd meekonden. Peter kijkt mij grijnzend aan. ‘Kaassoufflés,’ zegt hij. ‘Werden die vroeger niet door bejaarde vrouwen gegeten?’ Ik grijns terug, al weet ik zeker dat er niks te lachen valt.

••• Een tijdje volgen we de dijk die een van de veenplassen in tweeën deelt. Richting de houten huisjes aan het water. In de cabine klinkt een irritant geklik. Het is Peter die rommelt met de schuifjes van de ventilatie. ‘Doe geen moeite,’ zeg ik. ‘Koeler wordt het niet en die lucht die je ruikt komt niet van buiten.’ Met mijn duim wijs ik over mijn schouder, naar de stalen kolos die iedere rit vijf ton vuilnis verplettert. Dat vertel ik erbij, van die vijf ton vuilnis, dat je er nog een hoop andere dingen mee kan verpletteren laat ik achterwege. In plaats daarvan zeg ik dat hij maar beter aan de stank kan wennen.

••• Peter duikt in de kraag van zijn overal en snuift. ‘Ik wen helemaal nergens aan. Het is al erg genoeg dat ik dit een dag moet doen, laat staan de rest van de zomer.’ ‘Hoezo moeten?’ vraag ik. ‘Er is hier niemand die je tegenhoudt.’ Hij schudt zijn hoofd en slaat met zijn hand een paar keer hard op het dak. ‘Je hebt zeker nog nooit zonder werk gezeten of wel?’

••• Hij heeft gelijk. Weer gelijk. Ik heb altijd mijn eigen centen verdiend. Net als mijn vader, de kraakpersman. Steeds minder van die centen, dat wel. Zelfs in de rijke dorpjes langs de rivier hebben ze er last van. Stonden er eerst twee keer per week volle vuilniszakken op de stoep, nu is een halfgevulde kliko de uitzondering. Zo bekeken is er eigenlijk niet zo veel te doen met z’n tweeën.

••• ‘Moet je luisteren,’ Peter zet de radio harder. Door de cabine klinkt een nummer dat ik lang geleden voor het laatst hoorde. Everywhere you go,


always take the weather with you. ‘Daar ligt het aan,’ zegt hij vrij stellig. ‘Weet je waarom het hier zo fucking heet is? Vanwege die Syriërs, die brengen dat kutweer hiernaartoe.’ Ik kijk hem aan. Onderzoekend. Het is niet eenvoudig te zien of hij een grapje maakt. ‘Neem je me in de maling?’ vraag ik voor de zekerheid. ‘Hou op, schei uit! Liedjes liegen niet. Denk je nou echt dat ze dit verzonnen hebben?’ ‘Nou nee, maar vluchtelingen?’ ‘Dat hoor je toch?’ Nu zet hij ook zijn andere sportschoen op het dashboard. Hij ritst de overal tot zijn navel open om bij een klein tasje hangend om zijn nek te komen. Nog meer puistjes. Het nummer op de radio is bijna afgelopen. Ik hoor de presentator de laatste paar zinnen meezingen voor hij de naam van de band noemt.

••• ‘Daar heb je het,’ zegt Peter. ‘Crowded House, weet je wat dat betekent? Dat het hier vol is.’ Hij frommelt een pakje Marlboro uit het tasje. ‘Vol is vol, dat zei die kale homo toch? En wat hebben ze met hem gedaan? Afgemaakt! Afgemaakt als een zieke hond!’ Hij steekt een van zijn sigaretten op en blaast de rook richting het openstaande raam. Het waait terug naar binnen. Ik weet zeker dat hij geen gelijk heeft.

••• Bij het laatste houten huisje stop ik de wagen. Er is stilte, mensen die nog slapen, en Peter. Hij houdt zijn sigaret omhoog. Hij is halverwege. ‘Niet ouwehoeren,’ zeg ik zo gemoedelijk mogelijk. ‘Buiten kun je ook roken,’ Zuchtend zakt hij uit de cabine. Richting het huisje verdwijnen zijn witte sportschoenen smakkend tussen het riet. Er wordt hard gevloekt. Ik kijk in de zijspiegel en schud mijn hoofd. Het is mijn stilte die verbroken wordt, niet de zijne.

••• Crowded House, zelf ben ik meer een Motown-man. Smokey Robinson, The Temptations, dat werk. Ik laat Peter en zijn sportschoenen voor wat ze zijn en speel net zo lang met de draaiknop van de radio tot ik iets hoor waarvan ik mij geen videoclip voor de geest kan halen. Iets waar soul in zit. Iets van Marvin Gaye. Marvin is halverwege een van zijn bekendste nummers als Peter naast de wagen verschijnt. Met twee donkergrijze vuilniszakken en een wit bijzettafeltje. Er ontbreekt een poot. ‘Achterin!’ roep ik. Mijn duim maakt hetzelfde gebaar als daarvoor. ‘Die tafel moet je kleiner


maken!’

••• De twee zakken komen met een doffe knal tegen de stalen binnenmuur van de lege perscontainer. Alsof een vogel tegen de voorruit vliegt. Het tafeltje maakt meer lawaai. Het schuurt en kraakt. Niks breekt. Via de zijspiegel zie ik hem achter de wagen verdwijnen. Hetzelfde lawaai. Hetzelfde gevloek. Zijn linkervoet op het treetje dat niemand ooit gebruikt en zijn vuist om de stalen pijp geklemd. Zoals jongens in films achterop de wagen staan. Onpraktisch. Geen zicht op de zakken, geen zicht op de bochten in de weg.

••• Zijn voet verdwijnt na een minuut uit de spiegel. Ik kijk naar het pakje sigaretten op de bijrijdersstoel en hoor hoe hij de tafel tegen de binnenkant van de container kapot probeert te slaan. Ik klop op de buitenkant van de deur. Twee keer snel. ‘Iets verder!’ roep ik. De tafel wordt tegen de achterwand gesmeten. ‘Je hebt gelijk oudje!’ hoor ik hem schreeuwen. ‘Ik kan hier wel aan wennen!’ Zijn stem klinkt dichtbij en veraf. Zoals de stank die wordt tegengehouden door de stalen wanden van de container en tegelijkertijd, als niemand kijkt, de cabine insluipt.

••• Mijn ogen dwalen van zijn sigaretten naar de grote rode knop naast de versnellingspook. Ik glimlach. Omdat ik die tafel gewoon op de veengrond kapot had gegooid of omdat ik niet als gloeilamp ga eindigen. Misschien wel omdat ik meer een Motown-man ben. ‘Ain’t no sunshine when he’s gone,’ neurie ik, terwijl de drie overgebleven poten van het tafeltje een voor een breken. De rest hoor ik niet. Omdat mensen van nature minder weerstand bieden en omdat ik meer een Motown-man ben.

••• Als het liedje is afgelopen, de hydraulica tot stilstand komt en de dieselmotor die de pers aanzwengelt van stationair naar slaapstand gaat, zet ik de radio uit. Samen met zijn pakje sigaretten blijf ik in de cabine zitten wachten, tot de zon verdwijnt.

•••


Iduna Paalman

Jij lijkt ons perfect

••• Johannes, vaste klant van de speelgoedwinkel waar ik werk, jaar of zevenendertig, basisschoolleraar, afstammeling van bierbrouwers uit de Achterhoek en naar eigen zeggen bewustzijnsfreak, vroeg me of ik hem eens buiten werksetting wilde ontmoeten. Ik had net de kassabon van zijn aankoop – negenentwintig flesjes bellenblaas – uitgedraaid en terwijl ik hem die overhandigde zei ik dat ik dat wel wilde. Op een zondag niet lang daarna duwde ik de deur van de Volksvlakte open. Een smeuïge en vruchtbare broedplaats, noemde Johannes deze plek in de berichten na zijn voorstel. Het leek hem geschikt hier af te spreken. Hij zat er al, lezend aan een grote tafel. ‘Wat lees je?’ vroeg ik terwijl ik op hem afliep. Mijn hand maakte een ruitenwisserbeweging door de lucht. Johannes keek op, zijn ogen lagen diep, eromheen een kring donkere huid. Vulkanen die nonactief waren maar waarvan je dat eigenlijk niet helemaal zeker wist. ‘Over bijnieruitputting,’ zei hij en hij hield het boek omhoog, In strijd met bijnieruitputting stond er. Naast zijn kopje thee lag een vogelveertje waarvan ik vermoedde dat het zijn boekenlegger was. In de open keuken spoelde een roodharige jongen iets om. De muren waren onbewerkt, er stond een piano in de hoek. Een oude man draaide aan de bar een biertje tussen zijn duim en wijsvinger rond, daarnaast, aan een laag tafeltje, zaten twee vrouwen met schetsblokken op hun knieën. Ze tekenden elkaar na.

••• Het was vijf maanden geleden dat ik dit voor het laatst deed. De man heette Hjalmar, kocht een aankleedridder bij me met verwisselbare maliënkolders en kon goed roeien. Ik zei dat er weinig sporten zijn die me werkelijk kunnen boeien, wat als tegenvaller bedoeld was, maar klonk als uitdaging. Hjalmar zei: ‘Dan ben je de juiste trainer nog niet tegengekomen.’

••• Ik schoof het stoeltje tegenover Johannes naar achteren en sloeg mijn jas om de rugleuning. ‘Bijnieruitputting,’ zei ik, ‘heb jij dat?’ ‘In feite heeft iedereen dat.’ Johannes legde het boek neer en haalde een hand door zijn haar. ‘Ga


zitten Liesbeth. Dat is Klaus.’ Hij wees naar de keukenjongen, ‘Klaus uit Kassel, mooi hè.’ Ik heb zelf ook een zwak voor alliteraties en knikte. Voordat ik kon gaan zitten liep Klaus op ons af en gaf me een hand. ‘Liesbeth,’ zei ik. Als ik mijn naam hardop uitspreek moet ik altijd nog denken aan liesbreuken omdat mijn eerste vriendje beweerde dat het een met het ander samenhing. ‘Uit Limburg.’ ‘Klaus runt hier de boel. Wat wil je drinken?’ Johannes veegde met zijn enorme handen over de tafel, alsof hij ergens ruimte voor wilde maken.

••• Hjalmar had drie roeiboten waarvan er één niet lek was. De andere lagen in een loods naast de roeibaan, meestal met een nieuwe laklaag die hij er in de weekenden met zijn zoontje op aanbracht. ‘Ik leer hem onderhouden,’ vertelde hij me toen we de eerste keer het water op gingen, ‘het is een ambacht.’ Ik wilde hem vragen of het aan– en uitkleden van ridders ook een ambacht is, of het zoontje nu bij zijn moeder was en of hij van hem hield, maar hij was me voor. ‘Hou je van kinderen?’ vroeg hij, ‘wil je Lars misschien ontmoeten?’

••• Klaus liep weer de keuken in. Er hingen planten voor de ramen, op de houten palen in het midden van de ruimte waren affiches getimmerd voor feministische festivals en djembéconcerten. Ik hoorde het krassen van de potloden van de vrouwen. Johannes keek me rustig aan en nam een slok van zijn thee. ‘Liesbeth,’ zei hij, ‘stralend middelpunt. Waarom ben je speelgoed gaan verkopen?’ ‘Om ervoor te zorgen dat jouw leerlingen flink bellen kunnen blazen.’ Mijn lach vond nergens aansluiting. Ik voelde me niet op mijn gemak, het waren waarschijnlijk die ogen, dat ononderbroken fonkelend op mij gerichte. ‘Mijn vader heeft zijn hele leven in het brouwen gezeten,’ zei Johannes, ‘die kan je de gistingstijden van elke hopsoort vertellen. Was er nooit, weet je wel, altijd daar, drinken, drinken, dat wil ik niet, zo wil ik het niet.’ ‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat is naar.’ ‘Mijn moeder, vorig jaar overleden. Mijn klas is er, snap je, ik ben er, wij zijn zo verdomde tegenwoordig allemaal. Zij, jij, ik. Daarom heb ik je uitgenodigd, jij bent ook zo verdomde tegenwoordig.’ Er leek vocht langs de wanden te stromen. Smeuïg en vruchtbaar. Wat wilde deze man? Alsof er iets was afgesproken stond Klaus weer naast ons. Geen dienblad of de koffie die ik bij hem besteld had, niets. Hij had een mooie kaak, een lange nek. Ik vroeg me af waar Kassel lag, was dat met die opgestapelde stadsmuzikanten? ‘Ik heb niet zomaar met je afgesproken,’ zei Johannes en hij kuchte in zijn tot koker gerolde hand.


••• De tweede keer dat we in een roeiboot te water gingen hadden we Lars bij ons. ‘Van mama moet ik een zwemvest aan,’ zei hij tegen mij. ‘Van mij ook,’ zei Hjalmar en hij trok er een onder een zitje vandaan. Hij liet Lars voorin zitten en gaf mij een spaan. Hij had me gekust, net, Lars keek er niet van op. ‘Liesbeth,’ had het joch alleen gezegd, en daarna nog eens, ‘Lies-beth.’ We gleden door de schaduw van een bomenrij, Lars’ nekvel was lichtrood en ik zei: ‘Daar moet even wat op.’ ‘Wat goed dat je dat zegt,’ zei Hjalmar, ‘ik zou het zo vergeten. Wat goed dat ik je bij me heb.’

••• Klaus had al net zulke diepliggende ogen als Johannes. Het was alsof ze vernauwden en vernauwden, overgingen in zijn wenkbrauwen, overgingen in zijn kaaklijn. Zijn gezicht was zo’n tekening die verschijnt als je op de juiste manier alle punten met elkaar verbindt. ‘Jij lijkt ons perfect,’ zei hij. ‘We willen je wat vragen,’ zei Johannes. ‘Jij bent tegenwoordig, zo kijk je. Jouw ogen, die willen we terugzien.’ Hij legde zijn hand nu op de onderrug van Klaus, aaide daar wat heen en weer. ‘Heb je een kinderwens?’ ‘Of ben je al moeder?’ Klaus draaide zijn onderkaak rond en ik dacht aan de dinosauriërs in mijn winkel, die hebben ook verstelbare onderkaken, aan te passen op welke prooi je voor ze in gedachten hebt. ‘Ik zoek mijn moeder,’ zei Johannes. ‘Soms denk ik over haar na, ze is er niet meer. En nu is ze er opeens weer wel. Als je begrijpt wat ik bedoel.’ ‘We zoeken een moeder,’ zei Klaus. ‘Al een tijdje.’

••• Niet lang na dat tweede tochtje, we deden het nog geen zes weken met elkaar, betrapte Lars ons. Mijn hoofd hing net boven Hjalmars onderbuik toen ik voeten over het tapijt hoorde schuiven. Buiten raasde een trein langs. ‘Wat doen jullie?’ Hjalmar schoot overeind. Verborg verder niets en zei: ‘Dit is wat papa en mama doen. Dit doen ze.’ Ik zei tegen Lars dat hij maar weer met zijn ridders moest gaan spelen en dat het allemaal niets gaf. Daarna boog ik me opnieuw voorover en pijpte op het ritme van papa, mama, papa, mama.

••• De man aan de bar schraapte zijn keel, zijn bier was op. De ene vrouw schetste de neus van de andere, hij was op haar tekening slanker dan in het echt maar misschien deed ze dat expres.


‘Ik ben geen moeder,’ zei ik. ‘Wil je het worden?’ vroeg Johannes. ‘Nee,’ zei ik. Klaus’ wenkbrauwen gingen geschrokken omhoog. ‘We dachten dat je het zou willen,’ zei hij. De actrice die Tatort-commissaris Lena Odenthal speelt schijnt uit Kassel te komen, misschien was dat zijn moeder wel. Misschien kon zij mijn schoonmoeder worden. ‘Nee, ik ben er niet geschikt voor,’ zei ik. Ik dacht aan mijn eigen moeder, die heeft altijd tegen me gezegd dat ik maar beter geen kinderen kan nemen omdat ik toch alleen maar aan mezelf denk. Hoe is het immers anders mogelijk dat ik niet eens de tijd kan vinden haar een keer in de week te bellen. ‘Daar geloof ik niets van,’ zei Johannes. Zijn handen lieten het theekopje los en schoven langs het veertje naar die van mij.

••• Hjalmar zag ik na die keer niet meer. Ik belde hem een dag later op en zei dat ik het niet erg vond, dat Lars er altijd bij mocht zijn. Het is zo’n leuk joch, zei ik, we kunnen het prima vinden samen. Maar Hjalmar zei dat we het beter rustig aan konden doen, de dingen toch maar niet moesten overhaasten. ‘Lars is een allemansvriend,’ zei hij.

••• Ik heb later opgezocht waar de bijnieren voor dienen. Ze schijnen de aanmakers van energiehormonen en geslachtshormonen te zijn. Ik stel me voor dat Johannes en Klaus me niet met een uitgeputte spermaproductie tegemoet wilden treden, tegen elkaar zeiden dat alles in staat van opperste paraatheid moest verkeren. Iemand die speelgoed verkoopt zegt ja tegen het leven, zo is het toch? ‘Denk erover na,’ zei Johannes terwijl zijn grote, warme, geruststellende handen om de mijne lagen. ‘Het maakt niet uit met wie van ons.’ ‘Of met wie eerst,’ zei Klaus voordat hij naar de bar liep om koffie voor me te maken. Naast me hoorde ik het geritsel van de schetsblokken. De ene vrouw keek van haar papier naar voren en terug naar haar papier, mompelde nee en gumde met driftige streekjes de neus van haar vriendin weer uit.

•••


Eelco Rommes

De draadjesjongen

••• De verpleegsters zeiden tegen Steef dat hij er niets aan kon doen. Ze zeiden: ‘Ongelukken gebeuren nou eenmaal.’ Ze zeiden: ‘Je moet niet denken dat het jouw schuld is.’ Ze zeiden het zo vaak dat hij begreep dat ze logen: grote mensen besteedden nooit veel aandacht aan de waarheid, maar hun leugens herhaalden ze totdat ze er zelf in geloofden. Hoewel hij zich niet ziek voelde, moest Steef de hele dag een pyjama dragen. Hij kreeg een bed in een kamer waar al iemand lag, een jongen die vol zat met draadjes. Ze staken uit zijn armen en waren met zuignappen op zijn borst geplakt. De draadjes liepen naar een machine die naast zijn bed stond. Steef wist dat er stroom in zulke draadjes zat. De jongen moest erg ziek zijn als er zoveel elektriciteit nodig was om hem in leven te houden. Hij had meteen een hekel aan de draadjesjongen. Bijna de hele dag sliep hij, zodat Steef niemand had om mee te spelen. Ook begon de jongen soms zomaar te stinken. Dan werd hij wakker en tastte hij in paniek naar de knop boven zijn hoofd waarmee je een verpleegster kon roepen. Steef kneep zijn neus dicht als de geur van zieke stront de kamer vulde. Hij liet pas los als de draadjesjongen naar de wc was gebracht en zijn bed was verschoond. Hoewel de draadjesjongen saai was en ook stonk, kwamen zijn ouders iedere dag bij hem op bezoek. Ze zaten naast hem en fluisterden met elkaar. De vader bracht stripboeken mee, elke dag een ander: Donald Duck, Garfield, Snoopy. Hij schoof de albums voorzichtig onder het hoofdkussen van zijn slapende zoon. Steef zat in kleermakerszit op zijn bed en deed alsof hij iets bouwde van de Lego die een zuster hem had gebracht. De blokjes zaten onder de vlekken, alsof ze zelf ook ziek waren. Steef hield de ouders van de draadjesjongen goed in de gaten. Hij zag hoe de moeder het haar uit de ogen van haar zoon streelde, hoe de vader steeds diep moest zuchten en dan een arm om de moeder heen sloeg, dat zij dan haar hoofd tegen zijn schouder legde. Vooral zag hij hoe mooi ze was: met haar krullen en haar grote ogen was ze bijna net zo mooi als Steefs eigen moeder. Hij wist nu zeker dat hij de draadjesjongen haatte. ‘Mooie moeder heb jij,’ zei Steef, toen de draadjesjongen wakker was.


Hij knikte. ‘Maar de mijne is liever.’ ‘Echt niet.’ ‘Dat weet jij niet. Alleen ik ken ze allebei, dus ik kan het weten.’ De draadjesjongen probeerde overeind te komen. ‘Waar zijn je ouders dan? Waarom komen ze nooit op bezoek?’ Steef haalde zijn schouders op. ‘Onze auto is kapot door het ongeluk. Ze moeten eerst een nieuwe kopen.’ De draadjesjongen leek tevreden met dit antwoord. Hij liet zich achterover vallen in zijn kussens en sloot zijn ogen. ‘En als de nieuwe auto er is,’ zei Steef, ’dan mag ik voorin zitten.’

••• De dagen in het ziekenhuis vloeiden vormloos in elkaar over. Steef lag er eindeloos lang toen een verpleegster hem meenam. Ze legde een koude hand in zijn nek terwijl ze door de vierkante gangen liepen. Langs de wanden stonden bedden op wielen. Het licht was hard, misschien omdat de ziektes zich dan niet konden verstoppen. Talloze deuren passeerden ze, de meeste stonden open. Oude mensen lagen te wachten, te oud om nog beter te worden. Misschien wachtten ze op iemand om het haar uit hun ogen te strelen. Sommige deuren waren gesloten. Daar lagen de mensen die al dood waren. ‘Waar is mama?’ ‘We gaan nu naar haar toe.’ ‘Waarom is ze niet naar mij gekomen?’ ‘Je bent toch een grote jongen? Jij kan makkelijk lopen.’ Steef dacht even over dat antwoord na. ‘En papa?’ ‘Je moet niet zoveel vragen stellen, jij.’ Hij zweeg maar. Het belangrijkste was dat hij zijn moeder weer zou zien. Hij wilde alleen dat de verpleegster wat sneller zou lopen. Hij begon te huppelen om het goede voorbeeld te geven, maar ze plantte haar vingers in zijn nek zodat hij zijn schouders hoog moest optrekken en alleen nog kon sloffen. ‘Daar zijn we al.’ Ze duwde hem een zaaltje in waar zes bedden stonden. Zijn hart bonsde terwijl hij zijn moeder zocht. Hij voelde de paniek in zich opkomen. Misschien was het mislukt, misschien hadden de


dokters haar niet beter kunnen maken. Toen zag hij haar. Ze lag met haar rug naar hem toe en ze leek kleiner geworden. Er waren geen draadjes in haar geprikt. Ineens verlegen scharrelde hij naar het bed toe en ging ernaast staan, niet goed wetend wat hij moest doen. Zijn moeder bleef onbeweeglijk liggen. ‘Kijk toch eens, mevrouw Wijnstra. Uw zoontje is er.’ Steef stak een wijsvinger in zijn mond en zette zijn tanden in zijn nagel. De verpleegster leidde hem om het bed heen. Zijn moeders gezicht was melkwit. De huid rond haar ogen was gaan rimpelen, alsof ze een ballon was die elke nacht een beetje verder leegliep. Ze staarde naar een punt ergens in de ruimte voor haar, een vlek op de vloer of het wiel van een bed. Naar Steef keek ze niet. Hij wilde zijn moeders armen om zich heen voelen, zijn hoofd tegen haar aan duwen en dan haar hart horen kloppen. Hij wilde haar ruiken en heel diep inademen, die warme, zoete geur als ze in bad was geweest, zelfs de geheimzinnige lucht die soms om haar heen hing als ze net uit bed kwam. Maar de moeder die hier lag, zwijgend en starend en leeg, was kapot. Hij zette een stap achteruit en keek om zich heen, steun zoekend bij de andere volwassenen in het zaaltje. Een man met een leesbril liet zijn krant even zakken en gaf Steef een knikje. De andere patiënten negeerden hem. Hij wendde zich weer naar zijn moeder. Als een omgevallen standbeeld lag ze daar. Steef nam twee snelle passen en drukte heel even zijn lippen tegen haar wang. Zonder haar reactie af te wachten liet hij zich op zijn hurken zakken en kroop weg onder haar bed. Het was als een kamer voor hem, hoog genoeg om rechtop te zitten en hij kon er dicht bij zijn moeder zijn zonder dat hij haar hoefde aan te kijken. Hij sloot zijn ogen en probeerde haar te zien zoals ze vroeger was geweest. Mooi en vrolijk en warm. Toen hij zich begon te vervelen, kroop hij onder het volgende bed door en kwam boven. Een man was bezig te sterven, je kon het zien aan de holle buisjes die uit zijn neus staken. Daarmee vingen ze zijn adem op, net zolang tot hij leeg was. De man was al zover verschrompeld dat zijn mond een propje papier leek. Er kwam voortdurend een zacht kermen uit die mond, zelfs nu hij sliep. Dat deed hij vast veel, want sterven kostte veel energie. Steef stond daar een tijdje te kijken toen een verpleegster zonder waarschuwing zijn moeder met bed en al de zaal uit rolde. Zijn maag draaide een pirouette. Twee andere verpleegsters kwamen de zaal binnen. Steef dook weg onder het bed van de stervende man. Een van de verpleegsters trok een gordijn rond het bed dicht. In klompen van wit leer schuifelden ze rond het bed. Soms ging een van de twee op haar tenen staan, dan schudde het bed heen en weer en kreunde de stervende man wat harder. Steef hield zich stil. Als ze hem zouden ontdekken, stuurden ze hem naar zijn kamer en hij moest hier zijn als zijn moeder terugkwam. Er landde een zak van doorzichtig plastic op de grond, gevuld met iets wat op appelsap leek. Hij


legde zijn hand erop. Het voelde warm. Dit was geen appelsap, dit was de plas van de stervende man. Dat tapten ze dus ook al af. ‘Ik blijf het sneu vinden voor dat jong,’ zei een van de verpleegsters. ‘Oké, maar wie neemt er nou een kind op schoot in de auto?’ ‘Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar dan vraag je er ook om.’ ‘Karma.’ ‘Jij zegt het.’ Steef trok zijn knieën op en sloeg zijn armen om zijn onderbenen. ‘Toch lijkt het me zwaar hoor, in je eentje voor zo’n kleine zorgen.’ ‘Voorlopig kijkt ze niet naar hem om.’ ‘Sommige vrouwen zijn gewoon niet geschikt als moeder.’ ‘Weet je wat ik gek vind?’ De klompen hielden even op met schuifelen en het vervolg werd gefluisterd. ‘Zij en dat joch hebben nog geen schrammetje. Terwijl die vader…’ ‘Ze is anders wel volledig ingestort.’ ‘Dat zit allemaal tussen de oren.’ Ze lieten hun tongen tegen hun tanden klakken. De klompen kwamen weer in beweging, het bed schudde, de man kreunde. Steef duwde zijn handen zo hard tegen zijn oren dat het pijn deed. In zijn hoofd zong hij het liedje van de maneschijn, steeds opnieuw, tot lang nadat het gordijn weer openging. Toen hij er zeker van was dat ze weg waren, kroop hij onder het bed van de stervende man uit en rende hij door de gangen terug naar zijn eigen kamer. De draadjesjongen was wakker. Het zweet liep als een slakkenspoor van zijn voorhoofd over zijn wang. Steef liep naar hem toe en stak een hand onder het kussen. Hij trok een stripboek tevoorschijn. Het was de nieuwste van Guust Flater. ‘Mag ik deze hebben?’ vroeg Steef. ‘Jij hebt er al zoveel.’ De jongen keek hem zwijgend aan. Hij stonk erger dan anders. ‘Of denk je dat alles van jou is? Kun je soms niet meer praten?’ De jongen knipperde traag met zijn ogen. ‘Rotzak,’ zei Steef. Hij ging met het boek in zijn eigen bed liggen. Midden in de nacht werd hij wakker van mensen die door de kamer liepen. Hij ging overeind zitten en wreef de slaap uit zijn ogen. Iemand duwde hem zachtjes terug en stopte hem opnieuw in. ‘Mama?’ ‘Ga maar weer slapen.’


’s Ochtends was het bed van de draadjesjongen weg. Steef voelde onder zijn kussen. Het stripboek lag er nog.

•••


Sandor van Rosmalen

De laatste dans

••• Het geheim van een goed huwelijk is een geheim dat je deelt. Maria en ik deelden een geheim. We walsten op de avond voor onze trouwdag op de Bolero van Ravel. Niemand die ons ooit zag dansen en niemand die van ons geheim afwist, zelfs onze kinderen niet. Op de vooravond van ons huwelijksjubileum wachtten we, opgewonden als twee hitsige pubers die zich hadden onttrokken aan het ouderlijke gezag, tot ze sliepen. Dan schoven we het meubilair aan de kant en deden we de gordijnen toe tegen ongewenste pottenkijkers. Onze schoenen gingen uit en we zetten de muziek op fluistersterkte. Samen in elkaars ogen starend een kwartier lang zwieren. Een paringsdans, een bezegeling van ons huwelijk, een verklaring van onze liefde voor elkaar.

••• Ik zat naast Maria in de gemeenschappelijke huiskamer van het verzorgingstehuis. Ik keek naar haar, zij keek niet naar mij. Op een paar bewoners na, die willekeurig verspreid waren,was het verlaten. Een stevige verpleegster kwam met nog stevigere passen op ons af gelopen. ‘Wilt U nog een kopje koffie?’ vroeg ze aan mij. ‘Nee, dank je wel, ik moet nog rijden.’ Ik was niet in de stemming om grapjes te maken. Het was een pavlovreactie, een opmerking die ik al zo vaak gemaakt had dat ik er niet meer bij nadacht. Het duurde even voordat bij de verpleegster het kwartje viel. De vertwijfelde uitdrukking op haar gezicht maakte plaats voor een lach. Maria reageerde niet. Ze keek gebiologeerd naar haar voeten. Met haar benen gestrekt en haar hakken op de grond wipte ze haar voeten op en neer. Ze deed het met een intensiteit alsof ze dit voor het eerst zag. ‘Wilt U misschien iets drinken, mevrouw Uittenboogaard?’ vroeg de verpleegster duidelijker gearticuleerd en met een iets luidere stem. Maria schudde haar hoofd zonder op te kijken. Ik keek de verpleegster aan en zuchtte. ‘Ze heeft een van haar mindere dagen,’ zei ik. De verpleegster beaamde dit met een knikje.

••• Dansen deed ik niet totdat ik Bram leerde kennen. Bram en ik waren vrienden vanaf de dag dat hij met


zijn ouders naast ons was komen wonen. Onze nieuwe buren mochten onze telefoon gebruiken, omdat ze zelf nog geen aansluiting hadden. In die tijd en in het dorp waar we woonden was dat vanzelfsprekend. Vanaf dat moment waren alle gesprekken die we kregen voor Bram en het waren allemaal meisjes. Henriëtte, Renate, Willemijn, Simone. Waar kende hij die allemaal van? Hoe deed hij dat toch? Dansen, legde Bram uit, dat was de sleutel tot zijn succes. De beste manier om met vrouwen in contact te komen. Niet de moderne dansen van die tijd zoals rock-’n-roll, de twist of de jive, maar ballroomdansen. Dat wilde ik ook wel, dus oefende ik met Bram de basispassen. Het ging moeizaam. Ik voelde me een houten klaas in een bad met stroop. Ik stapte verkeerd of op Brams voet. Uiteindelijk kon ik bewegen als iets wat leek op dansen wanneer je vanaf een afstand keek met samengeknepen ogen. Dat weekend zou mijn vuurdoop worden in danslokaal Le Bohémien in de grote stad.

••• In Le Bohémien deed waar ik het beste in was, nonchalant tegen de bar aan leunen en de omgeving verkennen. Daar zat ze, Maria. Aan een tafeltje te keuvelen en giechelen met haar vriendinnen. Ze droeg een grijze plooirok, witte blouse en een appelgroene sjaal. Haar bruine haren droeg ze in een paardenstaart. Ze was de mooiste meid in de ruimte. Ze was de mooiste die ik ooit gezien had. Als ze danste werd ze nog mooier en haar paardenstaart danste sierlijk mee met haar elegante bewegingen. Ik bespiedde haar nauwgezet, hoe ze praatte en lachte. Ik nam elke minuscule beweging in me op. Als ze mijn richting op keek, keek ik snel weg. Ik fantaseerde hoe ze met mij danste als ze met een andere jongen danste. Het bleef bij fantaseren. Ik durfde haar niet te vragen, te bang om het te verprutsen. Ik zou zomaar met mijn volle gewicht op haar tenen kunnen gaan staan, wat bij Bram ook regelmatig gebeurd was. Dan zou ik het voorgoed bij haar verbruid hebben. Dus bleef ik aan de bar staan. Bram was af en toe langsgekomen om mij aan te sporen ook een meisje ten dans te vragen. Steevast antwoordde ik: ‘Strakjes.’ Strakjes werd nooit. Toen de laatste dans voorbij was, stond ik nog aan de bar zonder één dans gedanst te hebben.

••• Ik fietste met Bram terug naar het dorp en de volgende dag het hele pokkeneind weer naar de stad, omdat ik mijn portemonnee in Le Bohémien had laten liggen. Ik belde aan. Tot mijn schrik deed Maria open. Mijn adem stokte. ‘Jij komt zeker voor je portemonnee?’ zei ze, voordat ik iets kon zeggen. ‘Eh, ja,’ stamelde ik. Met haar wijsvinger wenkte ze me naar binnen en ik volgde. Nu ik achter haar aan liep en haar niet in de ogen kon kijken voelde ik me wat meer op mijn gemak. ‘En jij woont hier?’ ‘Ja, zoiets. Ik geef hier straks dansles,’ zei ze met een lach in haar stem, ‘Je hebt mazzel. Ik ben net


twee minuten binnen.’ Ze reikte over de bar heen en pakte mijn portemonnee. Ze draaide zich om en hield hem triomfantelijk omhoog. Op het moment dat ik hem wilde pakken, trok ze hem weg en ik greep mis. ‘Waarom heb je me gisteren eigenlijk niet ten dans gevraagd?’ Het was alsof er een bom ontplofte in mijn hoofd. Ik was betrapt. Ik moet een vuurrode kop hebben gehad. Het leek een eeuwigheid te duren voordat ik er een zin uit kon hakkelen. ‘Ik kan niet dansen,’ loog ik. Ik durfde niet. Op dit moment durfde ik haar niet eens aan te kijken. ‘Ik kan het je wel leren, hoor.’ Ik keek op, er was dus toch een God. ‘En de eerste les is gratis,’ voegde ze eraan toe. Daar was die betoverende lach weer. ‘Wanneer dan?’ ‘Nu.’ Ze liep naar de bar. Achter de bar zette ze een plaat op. ‘Kom,’ zei ze en ze liep naar het midden van de zaal. Stijfjes kwam ik voor haar staan. Ze pakte mijn hand en legde haar hand op mijn rug. Ik legde mijn hand op haar rug. De eerste maten van de Bolero klonken. Pas toen ik zo dicht tegen haar aanstond, merkte ik hoe lekker ze rook. De geur deed me denken aan een naaldbos na een regenbui. Tegenwoordig rook ze naar verzorgingstehuis, mottenballen geweekt in ontsmettingsmiddel.

••• Ons geheim was alleen nog maar mijn geheim. Maria was mijn Maria niet meer. Ze was een volstrekte vreemde geworden. Een vreemdeling met wie ik niets deelde, geen verleden samen, geen herinnering, alleen een plek naast elkaar, hier in het verzorgingstehuis. De laatste paar maanden was ze snel achteruit gegaan en herkende ze me alleen nog als ze een goede dag had. Die dagen werden steeds schaarser. De huiskamer was leeg. De laatste bewoners waren door de verpleging naar bed gebracht. De verpleegster kwam op ons af lopen met dezelfde doortastende tred als altijd. ‘Ik breng haar wel naar bed,’ riep ik nog voordat ze bij ons was. De verpleegster stak een duim omhoog en draaide zich om. ‘Kom, gaan we naar je kamer. Het is tijd om te gaan slapen,’ zei ik. Maria keek me nietszeggend aan. Ik pakte haar hand beet. ‘Kom. We gaan,’ zei ik resoluut en ik trok lichtjes aan haar hand.

••• Ze lag in bed in haar nachthemd en ik zat ernaast. Ik pakte de afstandsbediening. ‘Je mag nog wel even televisie kijken voor het slapen gaan.’ Ik kreeg een brok in mijn keel, omdat ik merkte dat ik hetzelfde toontje gebruikte wanneer ik vroeger bij mijn kinderen in het gevlei wilden komen door ze een gunst te verlenen. Ik had het echter tegen mijn vrouw. Ik drukte een knop in. Er


gebeurde niets. ‘Rotding,’ mompelde ik. Ik probeerde het nog een keer. Weer niets. Ik stond op en ging vlak voor de televisie staan. Verbeten drukte ik de stand-byknop in. De televisie sprong aan. Een dirigent hief zijn armen. Langzaam kwamen zijn armen in beweging. De eerste maten klonken zachtjes. Het was de Bolero. Ik staarde naar het scherm. Met het aanzwellen van de muziek, vulden mijn ogen zich met vocht. Ik bleef kijken, maar het beeld werd steeds waziger en ten slotte zag ik alleen nog mijn eigen herinnering. Ik zag mijzelf dansen met Maria, die allereerste keer in Le Bohémien. Ik ontwaakte uit mijn dagdroom door een hand op mijn schouder en een schrille meisjesstem die zei: ‘Wilt u met me dansen?’

•••


Jacob Steen

Veel sterker dan ritalin

••• Een maand nadat ze me had achtergelaten in het huis zag ik de rat voor het eerst. Hij knaagde aan een beschimmelde pizza ansjovis die vlak naast mijn bed uit een opengereten vuilniszak stak. Ik ging ervan uit dat het zijn eerste bezoek was, anders had ik hem zeker eerder opgemerkt. Ratten leven bij voorkeur ’s nachts, en sinds een maand deed ik dat ook. Ik was naakt. Wat dat betreft hadden we geen voorsprong op elkaar. Instinctief liet ik me op handen en knieën zakken. Op Animal Planet leerde ik dat de meeste dieren behoorlijk geïntimideerd raken door potentiële tegenstanders die in staat zijn zich bij dreiging plotseling veel groter te maken. Zulke tegenstanders zijn moeilijk in te schatten en dus niet te vertrouwen. Zo onverwacht mogelijk sprong ik op, maakte me los van de grond, waarbij ik mijn armen en benen spreidde zoals je een eekhoorn soms ziet doen wanneer hij naar een andere tak springt. Ik landde pijnlijk op mijn schouder. De rat had niet bewogen en kauwde onverstoord verder op een stukje ansjovis. Zijn oogjes waren gitzwart. Zijn staart glom in het licht van de straatlantaarns – ze had de gordijnen meegenomen, die waren immers nog van haar moeder geweest. Ik krabbelde overeind en probeerde het opnieuw, ditmaal gewapend met een paraplu, die ik tijdens het opspringen met veel kabaal openklapte. De rat likte loom zijn voorpootjes schoon. Ik was naakt omdat zij altijd had gewild dat ik naakt was. In ieder geval tijdens het slapen, ook in de winter, als de ramen wijd openstonden omdat zij dat prettig vond. Zelf droeg ze een dubbelgevoerde pyjama, die haar het aanzien gaf van een babyolifant. Het was niet dat het mij veel uitmaakte, al kwam dat waarschijnlijk vooral door de ritalin die zij dagelijks door mijn eten mengde. Daar kwam ik na acht jaar huwelijk pas achter. Mijn vrouw was psycholoog en dat was ze vierentwintig uur per dag. ’s Nachts werkte ze door in bed, waar ik meestal bedolven werd onder de mappen en ordners met informatie over haar patiënten. Hoewel dat vooral in de winter best prettig kon zijn, zei ik haar op een nacht: ‘Misschien zou je het werk wat minder mee naar huis moeten nemen.’


‘Ook al zou ik het willen,’ zei ze terwijl ze een map onder mijn billen vandaan trok. ‘Het is niet mogelijk. Mijn werk is immers al thuis. Dat ben jij lieverd, mijn levenswerk.’ Ze herhaalde wat ze zo vaak zei. Dat ze me had aangetroffen als een gebroken ziel en dat ze me in huis had genomen om me te repareren. ‘Maar dit was toch gewoon mijn huis?’ vroeg ik fluisterend. Ze keek me streng aan, de leesbril op het puntje van haar neus. ‘Ik heb beloofd dat ik jou ga repareren,’ antwoordde ze. ‘Maar je moet wel meewerken.’ Ze schoof een stapel ordners op mijn borst en zei: ‘Ik ga jou fiksen.’ Al met al waren we samen tamelijk gelukkig, zei zij vaak, en ik beaamde dat dan. Het enige waar we echt van mening over verschilden was het nemen van een huisdier. Tot ik haar leerde kennen had ik altijd huisdieren gehad, die waren nu eenmaal makkelijker in de omgang dan mensen. Ik had een tamme duif, een Turkse tortel, die ik los door het huis liet vliegen. Dezelfde week dat ik haar leerde kennen trok ze bij mij in. Dat hadden we niet echt afgesproken, de bel ging, gewapend met een Samsonite-koffertje stond ze voor de deur. Ze overviel me. Ik stond nog wat te treuzelen bij de voordeur terwijl zij mijn huis inspecteerde. Toen ik even later de kamer binnenkwam zat er een bloederige afdruk van mijn tortel op haar koffertje. ‘Dat ondier moet door het raam naar binnen gevlogen zijn,’ zei ze. En daarna: ‘Morgen gaan we de boel hier eens opnieuw inrichten.’ Met tegenzin kocht ik een zakje gif om de rat mee te doden. Na een week was ik gesteld geraakt op zijn nachtelijke aanwezigheid en eerlijk gezegd wilde ik het diertje helemaal niet doden, maar ik besefte dat ik moeilijk samen kon leven met een rat. Ook al had ik dat al jaren gedaan met haar. Maar ik mocht niet langer voer zijn, niet voor ratten en niet voor psychologen. Het gif deed niets. Op internet las ik dat vooral in de steden ratten een aasschuwheid ontwikkelen en sommige zelfs niet eens meer vatbaar zijn voor het gangbare gif dat in winkels wordt verkocht. Resistente ratten, worden ze genoemd. Op een forum kwam ik met Nico in contact. Hij zei een expert te zijn op het gebied van rattenverdelging. Die middag stond hij voor mijn deur. Hij had lang blond haar dat in een paardenstaart over zijn schouders hing en droeg een pet van een Amerikaans honkbalteam achterstevoren op zijn hoofd. ‘Ik kom voor de rat,’ zei Nico. ‘Een dikke, vette rat,’ beaamde ik. Nico’s ogen begonnen te glimmen. ‘Hoe groot is-ie?’ wilde hij weten. Ik moest het aangeven met mijn handen. ‘Dat is heel normaal,’ zei hij teleurgesteld.


Nico vertelde dat het bovendien heel normaal was dat de ratten resistent werden tegen het gif. ‘Het komt allemaal door de regering,’ zei hij treurig. ‘Die verdomde regelgeving.’ Nico legde uit dat er twee soorten gif bestonden. Acuut werkende middelen en multidosesmiddelen. De eerste soort was sinds de jaren zestig verboden omdat die te wreed was. Dat laatste zei hij heel zachtjes, alsof iemand meeluisterde. ‘En nergens meer te krijgen,’ zei Nico. ‘Maar,’ vervolgde hij nu bijna fluisterend. ‘Ik maak het zelf. En véél beter.’ Hij vertelde dat het eigenlijk heel simpel was en dat hij eerst de Difenacum verwisselde voor wat Bromadiolon maar toen hij zag hoe weinig dit mij zei, staakte hij zijn verhaal en liet hij mij een zakje zien met een stuk of twintig bolletjes gif erin. ‘Het zit nog wel in de experimentele fase,’ zei hij. Hij had het gif nog nooit in de praktijk gebracht. Maar ik mocht het proberen. Die avond duwde ik een bolletje gif in een stukje worst dat ik midden op het kleed in de kamer legde. De rat wist het aas te vinden. Hij schrokte de worst met gif en al naar binnen. Ik wachtte. Er gebeurde niets. Met enige trots vertelde ik mijn vrouw eens dat ik als kind nooit had gekropen. Van zitten was ik in één keer gaan lopen. Vol afgrijzen luisterde ze naar mijn verhaal. ‘Dat is geestelijk gezien anders heel ongezond hoor,’ zei ze. Vanaf toen mocht ik me na vijven alleen nog kruipend door het huis bewegen. ‘Je hebt behoorlijk wat uurtjes in te halen,’ zei ze streng. De volgende nacht was de rat nog steeds springlevend. Hij leek zelfs groter geworden, maar dat beeldde ik me natuurlijk in. Ditmaal besloot ik hem twee bolletjes van het gif toe te dienen. Na drie weken waren mijn knieën opgezwollen van het kruipen. ‘Ik doe het niet langer,’ zei ik. En ik sloot me op in de badkamer. Toen ik er na een uur weer uitkwam hield ze me een doosje pillen voor. ‘Het wordt tijd dat jij overstapt op concerta,’ zei ze, terwijl ze twee tabletten in mijn mond stopte. ‘Dat is hetzelfde als ritalin, alleen dan veel sterker.’ Het maakte het kruipen in ieder geval wel makkelijker. Ik had me niets verbeeld, de rat wérd groter. Na drie bolletjes gif was hij zo groot als een kater. Na tien bolletjes kon hij zittend op de grond van tafel eten. Het maakte me niet bang, integendeel, nadat ik hem ’s nachts nieuw gif toediende mocht ik hem over zijn rug krabben. Het enige nadeel was dat hij erop stond om overdag in mijn bed te slapen, soms mocht ik erbij, maar meestal moest ik gewoon op de bank. Mijn vrouw had mij al eens eerder verlaten. Ik was niet te repareren. Na een paar maanden belde ze dat ze haar pannenset wilde ophalen. Ze kwam maar ging niet meer weg. Tot een maand geleden.


Ik had nog maar twee bolletjes gif toen zij belde. Ze had wat kleren laten liggen die ze graag op zou halen. Toen ze ophing, voelde ik mijn hoofd zwaar worden. Ze kwam haar kleren halen. Het was midden in de nacht toen ik de rat hoorde ontwaken. Ik ging naast hem op het bed zitten. Ik liet de laatste twee bolletjes door mijn handpalm rollen. De rat volgde de bolletjes met zijn ogen. Maar in plaats van dat ik het gif op zijn tong legde, zoals normaal, stopte ik de bolletjes in mijn eigen mond. De rat gromde en haalde uit met zijn klauw. Ik kon nog net wegspringen en de deur achter me dichttrekken. Ik hoorde gekrijs en het scheuren van linnen. Ik wachtte tot het gif mijn organen zou vernietigen. Het was licht toen ik weer wakker werd. Mijn ogen brandden en mijn maag schuurde. Er ging een steek door mijn kop. Om het sterven te rekken besloot ik naar buiten te gaan en een wandeling te maken. Het bloed moest nog even blijven stromen. Over een uur zou zij voor de deur staan, het idee om dood voor haar voeten neer te vallen sprak me steeds meer aan. Ik liep langs het water toen ze belde dat ze voor de deur stond. Ik zei haar dat ik onderweg was, maar dat ze de sleutel had en gerust naar binnen kon gaan. Ik wachtte even en toen zei ik: ‘De kleren liggen op het bed.’ Ik hoorde haar naar binnen gaan, we bleven aan de lijn. Ze liep door het huis, ik hoorde hoe ze de deur van de slaapkamer opendeed. Een moment later klonk er gekrijs, gesis, een lichaam dat door de kamer werd gesmeten. Daarna werd het heel erg stil. Ik liep rustig door, maar plotseling viel ik voorover. Ik kroop op handen en voeten over het schelpenpad. Ik voelde hoe mijn broek aan de achterkant openscheurde. Met een plof viel er achter mij iets op het pad wat vervolgens zwaar achter mij aan sleepte. Ik keek naar mijn armen, die langzaam bedekt raakten met een bruine vacht. Ik voelde, nee, ik hoorde mijn nagels groeien. Het tikken.

•••


Emma Stomp

We zijn allemaal verdwaald

••• De meeste dingen gebeuren in een vlaag van verstandsverbijstering en misschien vind ik mezelf daarom nu terug op een vliegtuigstoel, ingeklemd tussen twee Amerikaanse vrouwen met overgewicht. Het is wel duidelijk dat we er alle drie niet op gehoopt hadden dat we in deze opstelling terecht zouden komen, maar we knikken beleefd naar elkaar zoals sollicitanten die in dezelfde ruimte zitten te wachten op hun gesprek. Een stewardess kijkt een paar keer zorgelijk onze kant op en even denk ik dat ze me een andere plek aan gaat bieden maar het enige wat er gebeurt is dat de dikke vrouwen extra stoelriemen krijgen omdat de gewone riemen niet over hun buiken heen passen. Een man schuin tegenover me ligt te slapen of doet alsof, een jongen en een meisje kussen elkaar langdurig, want zolang je kust lijkt het net of je je ergens anders bevindt. Ik probeer op mijn manier te verdwijnen door naar mijn telefoonscherm te staren. Vijfenzeventig mensen steken hun duim op vanwege het feit dat ik op een vrijdagmiddag in januari naar Berlijn vlieg. Altijd wanneer ik likes krijg deel ik het aantal op in schoolklassen, soms moet je cijfers behapbaar maken, en ik kan het niet helpen om nu mijn vrienden, familie en kennissen in drie klaslokalen te zien staan met hun duimen opgestoken in de lucht. Ik vraag me af of Markus mijn status al gezien heeft en of hij het een ander nu met elkaar in verband aan het brengen is of dat hij niets met elkaar in verband brengt, dat hij gewoon aan het bestaan is, ergens op de grens tussen Neukölln en Kreuzberg. ‘Where are you going?’ vraagt de Amerikaanse vrouw naast me, wat ik niet goed begrijp omdat we allemaal in hetzelfde vliegtuig zitten op weg naar dezelfde bestemming, dus antwoord ik: ‘Kreuzberg,’ om wat specifieker te zijn. ‘And you?’ Ik probeer er niet aan te denken dat ze gigantisch is, zoals ik er ook nooit aan probeer te denken als iemand in een rolstoel zit. ‘Stockholm,’ zegt ze, waardoor haar vorige vraag opeens betekenis krijgt. Er bestaat ook nog zoiets als overstappen. ‘Nice,’ en ik bedenk dat ik werkelijk niks van Stockholm weet, dat je vat met kennis soms leeg blijkt te zijn. Maar de vrouw glimlacht alleen maar en misschien wou ze gewoon iets tegen me zeggen


om de situatie iets minder ongemakkelijk te laten lijken.

••• Soms denk ik dat we allemaal met een verdrietdetector in ons binnenste rondlopen en dat de mijne afging toen ik Markus ontmoette. Ik ben verdwaald, zei hij die eerste avond, wat ik begreep omdat iedereen in Berlijn op een bepaalde manier verdwaald is. Het was acht uur ’s ochtends, de muziek deed niet meer wat het met me zou moeten doen en ik vroeg me af of oud worden daarop neerkwam: nergens meer van onder de indruk zijn. Markus vertelde over het casino waar hij op sommige avonden gitaar speelde, boven het geluid van de gokautomaten uit. Volgens hem was niemand daar in staat om naar hem te luisteren, omdat iedereen te druk bezig was met winnen. Heb je ooit zoiets ongemakkelijks gehoord? vroeg hij. Waar we het de rest van die avond over hadden weet ik niet meer, maar wel dat Markus me die avond mee naar zijn huis nam en dat ik daar een tijdje zou blijven.

••• Ik had gedacht dat wanneer ik terug zou gaan alles hetzelfde zou zijn, maar dat dit een waardeloze theorie is, blijkt al zodra ik het vliegtuig uitstap. De temperatuur is twintig graden gedaald sinds mijn laatste bezoek, waardoor alles me opeens onbekend voorkomt. In de S-bahn zit iedereen zichzelf naar een ander bestaan te wensen, want de S-bahn heeft geen verwarming. Terwijl de metrostations aan me voorbijtrekken bel ik Markus zes keer en ik krijg zes keer zijn voicemail. Ik laat geen bericht achter omdat bepaalde dingen weinig zin hebben. Op de trap van Hermannplatz passeer ik een zwerver die een tas lege statiegeldflesjes achter zich aansleept. ‘Je moet nooit ergens spijt van hebben!’ roept hij, maar dat heb ik wel, anders zou ik hier niet zijn. In mijn hoofd heb ik al een heleboel dingen op een rijtje gezet, een hele reeks grappen en anekdotes die ik zo dadelijk aan Markus ga vertellen. Het enige probleem is dat ik me vijfhonderd meter van zijn appartement bevind en hij nog geen teken van leven heeft gegeven. Ik denk aan de vijfenzeventig mensen die mijn status geliked hebben en hoeveel van hun duimen er over zouden blijven wanneer ik mijn status zou veranderen in: ‘Moederziel alleen dwalen door Neukölln terwijl het 10 graden vriest.’ Of ik dan likes zou krijgen uit solidariteit, dat mensen zouden denken dat het een grap was of dat het compleet stil zou blijven.

••• Ik druk mijn vinger op de bel naast het plaatje waar Schöllmeyer op staat. Er gebeurt niks, maar ik blijf voor de deur staan alsof ik iemand ben die haar bezoek van tevoren heeft aangekondigd. Ik druk nog een paar keer op de bel. Ik weet niet hoelang ik er sta als de buurman aan komt lopen. Markus vertelde eens dat de buurman een verzamelobsessie heeft. Dat zijn huis zo vol met spullen staat dat er


alleen een smal pad is overgebleven tussen de voordeur en de keuken. Dat zijn vrouw om die reden bij hem was weggehaald. Toch klamp ik me nu aan de buurman vast alsof ik ooit al mijn geheimen aan hem heb opgebiecht tijdens een drankspel. ‘Ik ben de vriendin van Markus.’ De buurman knijpt zijn ogen tot spleetjes. ‘Jullie zijn allemaal hetzelfde,’ zegt hij. Hij ziet eruit alsof hij flink in de war is, maar dat maakt niet uit, want dat ben ik ook. ‘De vriendin van Markus,’ ik wijs naar mezelf en dan naar het raam op de derde verdieping om het geheel wat duidelijker te maken. Als een antwoord uitblijft zeg ik: ‘Het zit dus zo, hij is laat terug van werk en ik was al eerder klaar en hij zei dat ik alvast hierheen kon gaan en dat u een sleutel zou hebben.’ ‘Ja dat zal wel,’ zegt de buurman, maar ergens moet hij me toch begrepen hebben want hij gebaart dat ik hem moet volgen. Ik blijf voor zijn voordeur staan wachten tot hij na tien minuten terugkomt met een bak vol sleutels. Je hebt een verzamelobsessie of je hebt het niet. ‘Een van deze sleutels moet het doen,’ zegt hij. Ik twijfel aan zijn theorie maar ik neem de bak mee naar de voordeur van Markus. Elke sleutel die niet past laat ik op het tapijt vallen en na een kwartier kom ik erachter dat de buurman gelijk had want de deur gaat open.

••• Markus z’n appartement ziet er nog precies hetzelfde uit, waardoor het lijkt alsof ik nooit ben weggegaan en is dat niet precies waar ik naar op zoek was? Ik loop een paar rondjes door de verschillende kamers en denk aan alle gelukkige scènes die zich hier afspeelden. De scènes waarin we niet langer bezig waren met het feit dat er altijd wel ergens sirenes krijsen, dat er altijd wel iets tot ontploffing wordt gebracht. Ik eindig mijn trektocht door het huis in Markus z’n slaapkamer en ik ga in zijn bed liggen, want sommige dingen blijf je nou eenmaal doen uit gewoonte. Hoe langer Markus en ik samen waren, hoe meer ik moest denken aan planten die uit hun natuurlijke leefomgeving worden gehaald en in een laboratorium worden gestopt. Dat we de natuur hierdoor dichter naar ons toe halen maar er ook verder vanaf gingen staan. En of dat dan precies het probleem was, dat ik ook uit mijn natuurlijke leefomgeving was gehaald en niet langer een representatieve weergave van mezelf vormde. Dat het daarom niet meer ging. Mijn telefoon gaat af, Markus op de display. ‘Jezus Nikky, wat is er aan de hand?’


Ik kruip wat dieper onder de dekens, waardoor het net lijkt alsof Markus naast me ligt in plaats van dat hij een paar kilometer verderop met me staat te telefoneren. ‘Hoe bedoel je?’ ‘Je hebt me zes keer gebeld.’ ‘O, zo.’ Ik denk aan alles wat ik op dit moment tegen hem zou kunnen zeggen, maar ook aan het feit dat alle woorden die we nu gebruiken uiteindelijk in onbruik zullen raken. Dat ik iemand ben met goede intenties maar dat goede intenties ook verkeerd over kunnen komen. ‘Dat moet dan per ongeluk zijn geweest.’ Ik hang op en kijk naar buiten. Ik vraag me af of de Amerikaanse vrouw al in Stockholm zit.

•••


Angela Stoof

Reis door de nacht

••• That’s why we’re drinking In a bar under the sea - dEUS, uit de songtekst ‘Disappointed In The Sun’ (1996)

••• Die eeuwige bron ligt diep verborgen en toch weet ik waar zij wordt gevonden, al is het nacht. - Jan van het Kruis, Spaanse mysticus (1542-1591)

••• Zal ik je vanavond mee uit nemen? Ik ken een fantastische bar waarvan ik zeker weet dat je die nog niet kent. Hij bestaat namelijk in mijn hoofd. Maar ik zweer je: het zal voelen of je er echt geweest bent. Je vingers zullen het weten, en je huid zal het weten, en je hart ook, misschien. Ben je er klaar voor? Ben je klaar om jezelf te verliezen in het verhaal van een ander, om op te geven wat je weet en kent? Als je dat niet kunt, dan zou ik zeggen: juist jij, ja jij, moet verder lezen. Het leven kan zo zinrijk zijn, bij momenten, maar soms ook weer niet. Wat kun je dan in vervoering brengen en weer terugvoeren naar waar het ook alweer stroomt? Als dit je vaag voorkomt dan zou ik je willen vragen: wanneer voelde jij je voor het laatst levend; zo levend dat je dacht dat het leven zelf uit je vingertoppen stroomde? Ik weet dat namelijk nog heel goed. En omdat ik het weet, moet jij het ook ergens weten. Het onderbewuste, of het leven zelf misschien, is als een zee, waar jij en ik niet meer bestaan.

••• Een flits, een herinnering die het nu openscheurt. De muziek beukt en de massa deint, opgaand in een universum vol rook en licht. Mijn lief is een donkere schim, dan weer hier, dan weer daar. Ik zie hem in elk gezicht, want in de rook kan elk gezicht dat van hem zijn. Ik spring vol extase, mijn gezicht begraven in de stroboscoop als ware het hemellicht. Een zware stem zet in: With the fire from the fireworks up above me… En ik sterf – alweer.

••• Ja, we moeten wel een beetje sterven, weet je. Jezelf uit handen geven, want daar, precies daar,


gebeurt het. Voel je mijn hand? Hij is wat eeltig. Dat komt van het vele basgitaar spelen. Kom, ik neem je nog wat verder mee. Die bar, waar ik je over vertelde, daar kom je niet zomaar. Er is een weg die loopt tussen hier en daar. Ken je die scene uit Lost Highway, waar een auto over een donkere weg rijdt? Het enige wat oplicht in de koplampen zijn de gele strepen midden op de weg. Weer één. Weer één. Nog weer één. Als de secondestrepen van een klok, of als een morseboodschap die je niet verstaat. Voor en achter je is het nacht, en in de nacht kan zowel niets als alles zijn. Wat zal het zijn, déze nacht? Wie zullen er zijn, in de bar? Welke muziek zal er worden gedraaid? En: zal mijn lief er zijn?

••• Laten we in de auto stappen. Ik heb hem niet opgeruimd sinds de laatste rit. Ik hoop dat je dat niet erg vindt. Die bierviltjes daar, met die gekke hanenpoten erop; ja, die zijn van de vorige reis door de nacht, of misschien wel van de nacht daarvoor. Ik weet het niet meer precies. Er is iets geks aan de hand met de tijd. Ik denk weleens dat er geen tijd is in die bar. O, natuurlijk wil je weten hoe de bar heet. Het gekke is: dat zou ik je niet kunnen vertellen. Soms heet hij Melancholia, soms The Pitt, en ik heb zelfs een keer in neonletters de naam The Titty Twister zien staan. Vergeet het, want de naam is irrelevant. Bedenk liever welke kleren je draagt, hier naast mij in de auto, terwijl de gele strepen in het donker langsflitsen. Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik kies mijn kleren altijd heel zorgvuldig uit als ik uitga. Ik trek mijn stemming van de dag zogezegd aan, want als ik ergens een hekel aan heb, is het wel om me voor te doen als iemand die ik niet ben. Vandaag heb ik een spijkerbroek aan, met daarop mijn meest afgedragen T-shirt: die grijze met die rastabasketballer erop. Mijn zwarte cowboylaarzen zitten als gegoten. Ik heb er zin in.

••• Voel je het, dat gekke gevoel in je buik? Naarmate de bar dichterbij komt, neemt de zenuwachtige spanning toe. De nacht brengt altijd wat nieuws, wat onverwachts, en ik geloof niet dat wij veel te zeggen hebben over wat het zal zijn. De nacht is als een zwangere vrouw: zij baart wat op dat moment is. Het is als met de spiegel van Galadriël, in Lord of the Rings. Als Frodo aan de elfenkoningin vraagt wat hij zal zien in de spiegel, antwoordt zij: Even the wisest cannot tell. Zo is het ook met de nacht. Vergeet je naam, vergeet je dromen en je verlangens, en zie, proef, ervaar. Je neus weet hoe de nacht geurt. Je huid herinnert zich hoe zij als een schaduw langs je heen kan strijken, als een stille kus. En je hart weet hoe zij spreekt.

••• We zijn er. Kijk, alle bekenden staan al buiten voor de bar te wachten. Gisèle is er, met haar steile, zwarte haar, dat als een gordijn voor haar gezicht hangt. Ik weet nog steeds niet wat de kleur van haar ogen is. Martijn is er ook. Aan zijn kleurige pak kan ik precies zien wat zijn stemming vanavond is.


Kijk, dat is Lévi. Ik zal je aan hem voorstellen; de meest schuchtere en aardige jongen die er bestaat. Hij is verliefd op Kiki, het barmeisje, en ik geloof dat zij dat eigenlijk wel weet. Mart is er, en Tom, op zijn motor. En daar is Hans, de uitsmijter. De wachter op de drempel. Hans en ik kunnen het goed met elkaar vinden, geloof ik. Hij zegt nooit zoveel, maar kijkt des te meer. De truc is om hem met naakte ogen aan te kijken. Je bent geen ster, je bent niet cool, je bent geen loser, je bent zelfs niet iemand die graag naar binnen wil. Je bent, en je ogen weten precies wat dat betekent. Zie je, Hans laat ons door. Je hebt goed gekeken.

••• Binnen in de bar is het warm. Er hangt een bedwelmende geur die bestaat uit een mix van sigarettenrook, de geur van verschraald bier dat al decennialang in het hout getrokken is, de geur van zweet en parfum, en de eigenaardige lucht uit de rookmachine. Ik geloof dat ik zelfs de muffe geur van de pooltafel in de hoek kan ruiken. Het is gezellig druk binnen en een voor een komen al mijn vrienden binnen. Het is fijn om te voelen hoe we steeds dichter op elkaar worden gedrukt naarmate het drukker wordt. Persoonlijke ruimtes worden noodzakelijkerwijs kleiner en uiteindelijk helemaal naar binnen gehaald, als er geen andere keus is dan huid op huid met elkaar samen te zijn. Ik voel jou tegen mijn huid. Je voelt koel, weet je dat? Misschien moet ik je wat verder meenemen naar achteren, waar de dansvloer is. Natuurlijk is er rook en licht. Minou draait vanavond. Houd je maar vast, want dat is een ruige dame. Ze leest de energie op de dansvloer en zoekt daar de muziek bij die precies past. Ach, die dansvloer. Hoe vaak heb ik daar niet als een uitzinnige staan dansen. Hoe vaak heb ik niet gedagdroomd dat er gaatjes in het plafond zouden zitten, zodat ik daardoorheen kon kijken en ongegeneerd mijn lief kon bestuderen. Als hij maar lang genoeg danste, kon ik zijn tepels door zijn bezwete witte T-shirt heen zien. Ik weet niet of hij er vanavond is, maar jij bent er wel. Hoor, dat is een fantastisch nummer. We moeten dansen, echt. Ik neem je gewoon mee aan mijn zweterige hand en plant je in de rook in de deinende menigte. Het is een zee hier, met overal armen en benen en bewegende lijven. We worden onder nog meer rook bedekt terwijl de muziek luider en luider klinkt. Ja, ik weet het: onze zintuigen worden zo overvoerd met licht, geur en geluid dat we alle houvast lijken te verliezen. Dat geeft niet. Ik ben bij je. We hebben geen huid meer, geloof ik. We zijn alleen nog maar muziek, rook, beweging, nabijheid. We worden het licht van de stroboscoop en de hand van Minou, die de volgende plaat alweer klaarzet. We worden de dansvloer, die bedekt is met drank, plastic bekers en hier en daar een verloren oorbel of muntstuk. We worden de nacht, die zichzelf heeft samengebald in één klomp zinderende energie.

••• De stroboscoop flitst en het licht gaat door mijn vingertoppen heen naar buiten. Ik weet zeker dat ik


kan toveren. Met mijn handen raak ik jouw gezicht aan. Hoe glad is het en hoe schoon. Je ogen zijn naakt. Waarom kon je me niet vertellen dat jij aldoor mijn lief was? Minou heeft het begrepen en heeft een rustiger nummer opgezet. De mensen verdwijnen van de dansvloer, zodat jij en ik alleen overblijven in de resterende rook; twee schaduwen in het niets. Onze handen vinden elkaar. Ze zijn allebei met het eelt van de dag bedekt. De nacht heeft de liefde gebaard.

••• De strepen op de weg flitsen langs. Weer één. Weer één. Nog weer één. Het is donker, voor en achter ons. Waar gaan we heen en waar komen we vandaan? Weet je het weer?

•••


Tyche Tjebbes

Ruis

••• We hadden nog geen smaak, dronken roze, mierzoete, drankjes en keken naar jongens met stekeltjes, in afgeknipte spijkerbroeken. Om de vijftien minuten sprong er wel eentje op de bar om met een grote bel te klingelen, waar de mierzoete drankjes dan weer op volgden. In de rook van de rookmachine raakten we elkaar kwijt, en vonden we elkaar gillend weer terug. Op het toilet trokken we elkaars topje recht, smeerden we glitters op onze lippen, en gilden we nog meer, als het nodig was. En het was bijna altijd nodig. In een joggingbroek en T-shirt stond hij voor me, Ravi, al wist ik toen nog niet dat hij zo heette, of ik iets vast kon houden, en hij gaf me zijn sleutels, portemonnee en telefoon, als vanzelfsprekend. Ik bewaakte zijn spullen en vergat mijn vriendinnen. Hij praatte wat achter de bar, rommelde bij de rookmachine en kwam weer terug. ‘Kom mee,’ zei hij, en ik ging mee. Hij was on-Nederlands knap, had geen stekeltjes, maar lange bruine lokken die hij steeds uit zijn gezicht moest blazen. Hij was wel verantwoordelijk voor de stekeltjes, maar die redden zich wel, zei hij. Het Leidseplein viel over ons heen, met alle deuren open, en overal klonk zijn naam, gevolgd door een aaneenschakeling van handen schudden, ruggen kloppen, en een snelle uitwisseling onder tafel. Hij was overal maar even en nam mij steeds weer mee, en daarmee waren wij samen de enige constante, ‘ik vind je lief,’ zei hij, het tl-licht ging aan, mensen dropen af, en hand in hand liepen we over de plakkerige straten rondom het Leidseplein, langs de verstilde grachten, naar het huis van mijn ouders. We slopen mijn slaapkamer binnen, in het souterrain met een deur rechtstreeks aan de straat. Het paste net, in het bed met de spijlen. Hij kuste me nog niet zei hij, pakte mijn afstandsbediening en keek de herhaling van Studio Sport op het kleine tv’tje naast het bed. Het was al half november maar nog verontrustend warm voor de tijd van het jaar. Dat zeiden ze op het nieuws, dat meteen na Studio Sport inzette. Experts maakten zich daar zorgen over. Ik maakte me nergens meer zorgen over. Mijn been moest ik tussen zijn benen leggen, zei hij, anders kon hij niet slapen. Ik deed het, en zo sliepen we de rest van de week. Elke avond wachtte ik geduldig op zijn ongeduldige geklop op de deur, keek hij Studio Sport en legde ik mijn been tussen die van hem. De avond dat hij ineens niet kwam keek ik vanuit mijn bed naar de straat en telde ik de voeten,


zoals ik ze als kind met mama telde, als ik niet kon slapen. Het werd later en er kwamen steeds minder voeten toen ik opschrok van de telefoon, trillend onder mijn kussen. Een lage mannenstem drong de donkere slaapkamer binnen. Ravi was gevallen, zei de stem, heel ongelukkig, op glas, of ik mijn adres kon geven zodat hij hem kon sturen, in een taxi. De vuisten stonden nog in zijn gezicht. Ik stelde geen vragen, zat naast het bed en haalde een doekje door een bakje water, depte voorzichtig zijn gezicht. Hij kreunde een beetje, als een aangereden hond. Ik plakte pleisters en ging voorzichtig naast hem liggen, keek naar zijn rug, een mannenrug. En ik dacht aan een jonge soldaat die noodgedwongen een man was geworden, om te vechten voor iets groters, iets wat hij niet begreep, en wat hij ook niet hoefde te begrijpen, zolang er een vrouw was die voor hem zorgde, een verpleegster, in een geïmproviseerd ziekenhuis, eigenlijk een meisje, maar voor hem een vrouw. Slapen was geen optie, ik zou waken. En om dichtbij hem te kunnen zijn pakte ik alles wat van hem was. Ik kauwde zijn kauwgom, droeg zijn sokken, en proefde zelfs, heel stiekem, een beetje van zijn bloed, heel voorzichtig likte ik het van zijn gezicht. Bitter. Hoog in het huis sliepen mijn ouders hun diepe, zorgeloze slaap en nog heel even werd hij wakker: ‘Je been,’ zei hij.

••• Het werd december en het werd kouder, ik volgde hem, door de nacht en door de stad. Steeds woonde hij ergens anders, maar altijd verfde hij de muren rood. Daar werd hij rustig van, zei hij. En altijd legde ik mijn been tussen zijn benen. De telefoongesprekken die hij voerde, trappend tegen een rode muur, probeerde ik te negeren. Ik liet de woorden en beelden van me afglijden. Boot. Haven. Partijen. Kwaliteit. Versnijding. Het was ruis uit een andere wereld, een stoorzender op de radio. We hadden seks onder de dekens, en we lachten, en het was mooi. Hij vertelde over zijn geboorteland en over Che Guevara, zijn held, over zijn vader, niet zijn held, en over zijn moeder, voor wie hij alles zou doen. We spraken over ongelijkheid en ik besloot dat ik hem alles wilde geven, omdat het tenslotte niet mijn verdienste was dat ik met dit alles geboren was.

••• Het was eind december en ik volgde hem naar het huis van zijn moeder, door de nacht die langzaam een ochtend werd. Door besneeuwde straten, stil en wit, liepen we langs mensen die autoruiten krabden en kinderkragen omhoog trokken, en ons niet zagen omdat wij bij de nacht hoorden, die al voorbij was. In de muffige flat trok hij zijn moeder uit bed en danste met haar slappe lijf. Rillend in haar witte nachthemd, hield hij haar dicht tegen zich aan, een lichte vlek in het donker, en legde haar weer terug. Samen sliepen we onderin een stapelbed volgeplakt met Looney Tunes-stickers. De volgende dag zei zijn moeder dat hij nooit een meisje meenam, en aaide ze even over mijn arm.


Ook met andere, oudere mannen die hij vrienden noemde, had ik seks. Hij vroeg het me en ik deed het. Het hoefde niet vaak, en het ging altijd op dezelfde manier. Er werd geklopt op de deur van de slaapkamer, in een van zijn tijdelijke huizen, ik deed open, ging op het bed liggen, trok zelf mijn onderbroek naar beneden en bewoog verder niet. Ik vond dat dat genoeg was, het was tenslotte niet echt mijn werk. Op Marktplaats kochten we een babyfoon en Ravi luisterde mee, zodat hij altijd dichtbij was. Ik hoopte dat hij binnen zou komen, maar hij kwam nooit, en dat was niet echt erg, want het was meestal zo voorbij. Ik keek naar het plafond, en zocht naar plekjes waar de rode verf het wit van het plafond besmette, het net over de rand ging, en ik dacht aan hoe hij me straks zou bedanken, zou zeggen dat hij het zichzelf nooit zou vergeven, dat ik hem had gered, dat er even geen andere uitweg was. En ik dacht aan dat hij zou huilen, zoals elke keer en ik hem zou troosten en zou zeggen dat het juist goed voelde om zoiets belangrijks voor hem te kunnen doen.

••• ‘Er komt zo iemand,’ zei Ravi de dag dat ik besloot ermee te stoppen. Wachtend op de slaapkamer dacht ik aan de rest van de middag, ik had er zin in, we zouden naar de film gaan, en ik hoorde zoals altijd het korte gesprekje op de gang, en het kloppen op de deur. Daar stond hij, de man die ik alleen als een vader kende. De avond ervoor was ik nog bij hem thuis geweest, vlak achter het Concertgebouw, om het wiskunde huiswerk te maken met zijn dochter, mijn vriendin van school. Of ik mee zou eten, had hij nog gevraagd, zuurkool, maar ik had mama beloofd dat ik voor het eten thuis zou zijn. Hij was aardig en hij rook lekker, verder wist ik bijna niets van hem, alleen dat hij een aktetas had die hij aan zijn bagagedrager kon vastklikken en dat hij altijd precies om zes uur thuis was. Hij sprak niet, omklemde zijn tas en deed de deur voorzichtig weer dicht, geruisloos. Ik had het niet erg gevonden als hij binnen was gekomen, hij rook tenminste lekker. Als hij die blik in zijn ogen maar niet had gehad. Schrik en schuld, maar vooral medelijden. De film was leuk, ik ging naar huis, deed mijn huiswerk en belde Ravi dat ik hem moest zien. Het was de op een na laatste dag van het jaar. Ik zag hem van ver en dacht aan de dingen die ik voor hem had gedaan. Vroeger fantaseerde ik weleens over hoe het zou voelen als je erge dingen had gedaan, maar nu ik die dingen had gedaan, dingen die ik vroeger erg had gevonden, bleken ze met jezelf mee te groeien, en leken ze minder erg, meer dagelijks. Het was al donker, het Museumplein lag tussen ons in. Een verlicht voetpad liep diagonaal over het plein. Een landingsbaan. Ik liep langzaam over het licht. ‘Ik wil het niet meer doen,’ oefende ik zachtjes. Ik trok aan de touwtjes van mij capuchon en bedekte zo veel mogelijk mijn gezicht, en toen ik heel even mijn ogen sloot zag ik mijn ouders en zusje, tijdens de vakantie in Frankrijk, nog niet zo lang geleden. Nog niet eens een jaar. Kon ik nog terug, naar hen, tussen de zonnebloemen?


‘Ik wil het niet meer doen.’ Met elke stap dichterbij klonk het zachter, totdat ik voor hem stond, hij zijn armen om me heen sloeg, en ik helemaal niets meer zei. Het lichtgevende voetpad knipperde onregelmatig en toen hield het licht er ineens mee op en was het pad niet meer te onderscheiden van de rest van het donkere plein. Ik kroop nog wat dichter tegen hem aan. Het was nog nooit zo koud geweest voor de tijd van het jaar. Maar daar maakte niemand zich zorgen over.

•••


Werner de Valk

Knikker

••• Of hij nog even wil blijven. De jongens die achteraan zitten, die het laatste het lokaal verlaten, kijken hem een voor een aan als hij wacht totdat hij alleen is met de juf. ‘Hoe vind je je nieuwe klasgenootjes?’ vraagt ze nadat ze de deur gesloten heeft. ‘Leuk.’ ‘Ja?’ Hij knikt, controleert nogmaals of hij het knoopje van zijn tas wel goed heeft dichtgedaan. Doordat hij gisteren niet goed vastzat konden ze zijn etui uit het voorvakje pakken en zitten zijn pennen nu los in zijn tas. ‘En heb je mama al gevraagd terug te bellen?’ ‘Ja,’ zegt hij. ‘De klassendecaan zei dat hij haar nu al een paar keer had gebeld, maar dat ze niet opnam,’ zegt de juf. ‘Hij wil graag met haar praten over hoe het met je gaat, in de nieuwe klas.’ Hij knikt opnieuw. ‘Je vader kon niet overdag, toch?’ ‘Nee.’ ‘En mama wel?’

••• Zijn nieuwe fietstocht is stiller; de weilanden rondom het schelpenpaadje zijn zo verlaten dat hij hardop durft te praten. Bij een bruggetje blijft hij staan, iets wat hij vroeger ook deed op weg naar huis: bij bruggetjes blijven staan en over het water kijken. Niet alles verandert, sommige dingen blijven. De fietstocht van school naar huis duurt even lang, opnieuw staat zijn bed tegen de muur waarachter zijn ouders slapen, papa blijft hetzelfde. En mama verandert maar een klein beetje. Ook nu kan hij aan het water de dag vergeten. Alsof hij het water in glijdt, zich helemaal onderdompelt en de herinneringen bubbeltje voor bubbeltje zijn lichaam verlaten. Weg klasgenootjes, weg onbekende lokalen. In de laatste bubbel zit de klassendecaan die op mama wacht – blub, weg.


Hij stapt weer op zijn fiets en rijdt door het begin van de lente. De wilgen langs de weg doen hem denken aan het parkje achter zijn oude huis. Daar maakte hij vaak wandelingetjes, in zijn eentje, en dan moest hij af en toe glimlachen. Zijn oude huis… zelfs zijn oude klasgenootjes mist hij. Zij waren net zo vervelend maar hij kende ze tenminste. Het viel allemaal wel mee als je het kon voorspellen, en hij had Floortje gehad om naartoe te gaan. Op zijn nieuwe school zijn geen Floortjes. Het was lief dat ze hem cadeautjes had gegeven op de ochtend voordat hij wegging. Ze gaf hem een schaakbord met handgemaakte stukken en een knikker. Een donkerblauwe. Ze hadden het schaakspel meteen uitgeprobeerd; Floortje was wit en hij was zwart. Ze zaten tegenover elkaar, tussen de dozen. ‘Heb je zin in je nieuwe huis?’ vroeg ze. ‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Papa zei dat we een haardvuur krijgen en dat ik in de winter houtblokken mag hakken.’ ‘En in je school?’ Ze verschoof een van haar lopers. ‘Een beetje. Ik weet nog niet of ze aardig zijn.’ ‘Natuurlijk wel,’ zei ze. ‘Je moet gewoon wat meer praten.’ Hij verplaatste een willekeurig stuk. ‘Je vindt vanzelf wel vriendjes,’ zei ze. ‘Hoe weet je dat?’ ‘Dat weet ik gewoon,’ zei ze en ze sloeg het stuk dat hij net verplaatst had. ‘Zo ging dat ook bij mij, toen ik hier kwam wonen. Voor ik het wist had ik allemaal vriendinnetjes, dat ging vanzelf. En je bent… Ze vinden je vast aardig. Schaak, trouwens.’

••• Hij wil gewoon alleen maar fietsen, maar het lokaal sluipt weer terug. Hij probeert wat harder te trappen, maar het helpt niet. De klassendecaan komt er gewoon doorheen. Toen hij daarnet wilde opstaan had de juf hem bij zijn hand gepakt en gevraagd nog even te gaan zitten, ze waren nog niet klaar. Ze zei dat het belangrijk was. ‘Als ze niet belt moeten we langskomen,’ zei ze. Dat was nieuw; ze hadden bij andere klasgenootjes gezien dat het soms hielp om extra met hun papa en mama te praten. Bijvoorbeeld als het niet goed ging met leren, of met gym, of als het niet lukte om iemand te vinden om naast te zitten. Als mama niet belde zou de klassendecaan op bezoek komen. Dan zouden ze aan de keukentafel zitten, met een kopje koffie. Samen drinken met mama. Hij heeft de rand van het dorp bereikt, nog een paar straten en dan is hij thuis. Hij zet zijn fiets in het gras, tegen een boom, en kijkt naar de huizen. Ze hebben allemaal tuinen. Een man is zijn schuur


aan het repareren, wrikt een stuk hout los. De schuur zit vol met gaten en scheve planken, alsof hij al veel vaker is gerepareerd. De man gooit fluitend het losgewrikte hout op een stapel, kijkt op en zwaait even, vrolijk. Nu kan hij niet meer blijven staan. In plaats van weer op te stappen gaat hij verder met zijn fiets aan de hand, lopend duurt het net wat langer.

••• Nadat Floortje hem schaak had gezet, hadden ze naar het bord gekeken. ‘Mat,’ zeiden ze, bijna in koor. Ze ruimden de stukken op, netjes terug in de houten doos, en gingen nog even knikkeren met zijn nieuwe donkerblauwe. Toen ze hem daarna vaarwel knuffelde, zei ze, zo eerlijk dat het wel waar moest zijn: ‘Komt goed, echt.’

••• Thuis aangekomen zet hij zijn fiets in het schuurtje, naast de houtblokken die deze winter in de openhaard zullen liggen. Hij kijkt naar zijn nieuwe huis, naar zijn nieuwe leven. Het hoeft niet op dezelfde manier. Floortje heeft gelijk, hij moet gewoon wat meer praten in de klas. Dat kan hij wel. En de klassendecaan hoeft niet te komen; mama kan heus wel even terugbellen. Hij gaat naar binnen. Mama verbergt haar gezicht in haar handen. Haar rug is gebogen – ze is kleiner. Ze schokt van het snikken, de whisky in de fles op haar schoot beweegt mee. Papa heeft een arm om haar heen geslagen. Hij kijkt op als hij hem hoort binnenkomen en zegt: ‘Mama heeft het even moeilijk.’ Ze stinkt. Hij ruikt het op deze afstand, de bittere geur van de whisky en haar hopeloze verdriet. Ze richt haar hoofd op en kijkt hem met bange ogen aan. ‘Je hoeft dit niet te zien,’ zegt ze. Ze ziet eruit als een kind dat gepest wordt. ‘Je kan boven nog wel wat spullen naar zolder brengen,’ zegt papa en hij probeert te glimlachen. Zijn benen zijn week. Hij wil door de deur verdwijnen, duizend dozen naar zolder sjouwen, maar hij loopt voorzichtig naar mama toe en klopt haar op haar arm. ‘Komt wel goed,’ zegt hij, zo eerlijk mogelijk.

••• Tijdens het avondeten is ze er niet bij. Papa had een bord naar boven gebracht en kwam even later met lege handen en ogen weer terug. En alleen door de veranderde lichtval in de gang merken ze dat ze even naar de wc is gegaan. Ze horen haar niet; ze sluit de deuren zo voorzichtig mogelijk, alsof ze bang is dat het geluid nog iets in haar kapot zou maken. Papa legt uit dat mama het lastig vindt om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Aan de nieuwe supermarkt, de buren. Dat het gewoon de stress is, daar heeft ze nu even last van, net als die


paar keren vroeger. Papa vraagt hem of hij weleens misselijk is nadat hij te veel gegeten heeft – hij knikt zachtjes – en legt uit dat mama dat nu ook heeft, dat ze misselijk is. Alleen heeft ze in plaats van te veel gegeten, te veel meegemaakt en duurt dit soort misselijkheid een beetje langer.

••• ’s Avonds in bed zit papa naast hem, hij vraagt hoe het op school was. Hij geeft niet meteen antwoord, speelt wat met zijn lakens. De enige geluiden zijn het huilen van de wind en van mama. Hij denkt aan Floortjes en aan klassendecanen aan de keukentafel. ‘Leuk,’ antwoordt hij dan. Hij geeft zijn vader een knuffel. Hij wacht totdat hij de laatste traptrede heeft horen kraken en slaat dan de dekens van zich af. Het onbekende parket voelt koud onder zijn blote voeten als hij richting de kast loopt waarop de schaakdoos en de knikker liggen. Hij neemt de knikker mee zijn bed in, houdt hem omhoog in de streep licht die door de gordijnen schijnt. Hij draait en draait, zoekt naar een mooie vorm, alsof de knikker hem daarmee iets zou kunnen zeggen. Alsof hij zou zeggen: het komt goed. Echt.

•••


Anne Veenman

I

James Deen

••• Op internet ben ik de bekende Supermod99, oprichter en moderator van een groot forum voor meisjes, maar hier in Hoestebroek kent niemand mij. Het geeft niet als je niet weet waar Hoestebroek ligt, dat weet bijna niemand, maar je hebt wel geluk dat je mij treft. De meeste Hoestebroekers hebben namelijk het idee dat ze in een wereldstad wonen. Ze zijn erg trots op het dorp vanwege de productie van waterige Monsanto-tomaten, die half Europa door de strot geduwd krijgt. De gemiddelde Hoestebroeker is nogal chauvinistisch en neemt de geuzenvlag waarop staat: ‘de United States of Hoestebroek’ overal mee naartoe. Als je goed kijkt in het publiek van voetbalwedstrijden, zie je er vaak wel iemand mee wapperen. Maar goed, je hebt dus geluk mij te treffen, door mijn online bekendheid ben ik mij er wel van bewust dat Hoestebroek niet zo’n wereldstad is als ik vroeger geloofde. Ik zou er dan ook graag weg willen, maar dat kun je hier beter niet hardop zeggen. Bovendien ben ik te jong om in mijn eentje te vertrekken, alleen door snel beroemd te worden kan ik hier misschien wegkomen. Hoestebroek ligt net ten noorden van Rotterdam. Waarom alleen het zuiden kwalificeert als onder de rook van Rotterdam heb ik nooit begrepen, het stinkt hier de hele dag naar petroleum. Bovendien is onder de rook liggen een relatief begrip, als de wind eens anders staat ligt het noorden onder de rook en kunnen ze in het zuiden een keer de was buiten hangen zonder hem zwart weer binnen te halen. Ik woon op de zolder van het huis van mijn ouders, in de Wilhelminastraat. Er zijn twee dingen leuk aan daar wonen: uit het zolderraam kijk ik zo over de weilanden op de Nieuwe Waterweg. Als er een groot cruiseschip in de haven aankomt of vertrekt, kan ik die als een enorm polyester flatgebouw over de weilanden zien glijden. Ten tweede kan ik vanuit mijn andere raam de hele straat in de gaten houden, vooral ’s nachts als ik toch wakker ben om het forum bij te werken. Ik heb hierdoor ontdekt dat zich steeds hetzelfde schouwspel voordoet in onze straat. Ongeveer een keer per jaar sluipt mijn vader ’s nachts stiekem naar buiten om de banden van de Volkswagen Golf van onze Turkse buurjongen lek te prikken. De buurjongen draait vaak hele harde Turkse muziek in zijn auto, waardoor mijn vader Hazes niet meer kan verstaan. Na lang waarschuwen moeten er dan maar hardere maatregelen genomen worden. De Turkse jongen is de volgende ochtend altijd woest en prikt


dan op zijn beurt de banden van de auto van het gereformeerde gezin tegenover ons lek. Die mensen weigeren met moslims en dus ook met de Turken te praten, dus waarschijnlijk verdenkt de buurjongen hen. Een paar nachten daarop komt dan weer de oudste zoon van het gereformeerde gezin de banden van mijn vaders Opel Astra lekprikken, omdat hij denkt dat mijn vader de dader is. Dat begrijp ik wel, als mijn vader voor het huis zit te zonnen met een biertje maakt hij altijd luidruchtige grappen over de kerk in hun richting. De volgende ochtend aan het ontbijt, als mijn vader woest zit te schreeuwen dat de Turken zijn banden hebben lekgeprikt, probeer ik mijn lach stiekem in te houden. ‘Die moslims moeten altijd de hardwerkende man treffen!’ roept hij dan vaak met een rood hoofd. Daarom stemt mijn vader PVV en daarvoor LPF en weer daarvoor vond hij dat politiek voor geleerden was die niet naar het volk luisterden. Er zijn ook dingen niet leuk aan hier wonen. Zo gaat er maar vier keer per dag een bus naar Rotterdam of Delft en er rijdt geen trein of tram. De enige manier om eigenlijk echt ergens te komen is met de auto, maar ik ben nog te jong om mijn rijbewijs te halen. Wat ook niet leuk is, is dat ik niet zoveel vrienden heb in Hoestebroek. Ik zit niet op de voetbal of de korfbal en mijn ouders gaan niet naar de kerk. Daarom heb ik de boot een beetje gemist. Ik zit alleen op toneel, een paar dorpen verderop en daar zit weer niemand uit Hoestebroek op. Mijn ouders betalen mijn toneellessen, ik denk dat acteren de enige manier is om hier weg te komen. Gelukkig heb ik een computer op mijn kamer, op internet heb ik wel vrienden. Ik heb namelijk een heel goedbezocht forum opgericht van iemand waar ik fan van ben: het James Deen Fanclub Forum. James Deen is de knapste jongen die ik ken, hij heeft prachtige lichtblauwe ogen en heerlijke zwarte krulletjes. Hij heeft een heel mooie glimlach en ziet er intelligent en studentikoos uit. Ik droom vaak dat ik een jongen als James Deen ontmoet en dat we in de stad gaan wonen en dat ik dan actrice word. James is bekend geworden met de films die hij maakte voor hotmilfs.com, en toen hij daar goed in was, mocht hij ook met knappere meisjes scènes doen. James verdient heel veel geld, op Twitter en Instagram zet hij vaak foto’s van zijn huis, zwembad en auto’s in Californië. James is heel actief op Twitter, af en toe reageert hij ook op de berichtjes die ik naar hem stuur. Die berichtjes zet ik dan weer op het forum, want niet alle meisjes van het forum mogen van hun ouders op Twitter. Ik krijg veel reacties op mijn forum en dat vind ik leuk. Laatst nog wilde RTL 4 mij interviewen, onder mijn online pseudoniem. Toen ik zag waarvoor ze het gebruikt hadden was ik wel teleurgesteld. In RTL Boulevard hadden ze een item gemaakt over hoe James Deen tienermeisjes naar pornosites lokt en daar veel geld mee verdient. Ik was een beetje boos, zo is James niet, en bovendien kijkt mijn dertienjarige broertje ook veel porno zonder dat RTL hem als een slachtoffer ziet. Ook krijg ik veel reacties van mannen op het forum. Ze vinden de films van James Deen voor mannen en noemen mij een vies meisje. Ik weet niet zo goed wat ik daarvan moet vinden. Meneer Beukers van wiskunde


noemt mij ook een vies meisje, maar dat blijkt hij altijd wel lief te bedoelen. Ik krijg bijles wiskunde van meneer Beukers omdat ik volgend jaar al eindexamen moet doen, maar nog steeds geen voldoendes haal voor mijn toetsen. Sindsdien doen we iedere donderdag na het achtste uur vieze dingen op zijn kantoor in de noodgebouwen. Hij zegt dat zijn vrouw niet veel met hem naar bed gaat en ook nooit naar zijn verhalen over wiskunde wil luisteren. Daarom heeft hij mij nodig. Eerst vertelt hij me rare verhalen, over of je wiskunde moet ontdekken of dat je het kunt uitvinden en dat de rij van Fibonacci ook voorkomt in de natuur, waarna hij zich meestal uitkleedt en daarna mij. Ik vind het fijn dat iemand mij nodig heeft en ik denk ook dat het goed is voor mijn acteren om te leren hoe het is om vieze dingen te doen met iemand die niet James Deen is. Dat zal ik later misschien wel vaker moeten doen. Vanavond gaan mijn ouders en broertje naar de wokchinees in Hoestebroek omdat mijn ouders twintig jaar getrouwd zijn. Ik had er graag bij willen zijn, ze hebben er ook all-you-can-eat-sushi, maar ik kan niet. Ik heb gezegd dat ik erge migraine heb en liever alleen in mijn donkere kamer blijf liggen. Zodra ik hoor dat mijn ouders en broertje de straat uit zijn gefietst, ren ik de trap af. Ik loop snel naar de computertafel in de woonkamer en gris de paspoorten van mijn ouders uit het onderste laatje. Ik scan en print snel de paspoorten met de printer naast de computer, eerst mijn moeder en dan mijn vader dupliceren. Ik kijk ook even op 9292 OV hoe laat de bus naar Delft gaat, ik mag hem niet missen. Dan zou ik nog twee uur moeten wachten bij de bushalte en als mijn ouders dan thuiskomen en ontdekken dat ik niet thuis ben, zou ik nog maar een paar straten verder op de bus zitten te wachten. Ik check snel mijn mail en print de verklaring die James mij gestuurd heeft. Die schijn ik ook nodig te hebben omdat ik onder de achttien jaar ben. Er moet genoeg werk voor mij zijn, in de echte United States, niet die van Hoestebroek. Tienermeisjes zijn erg gewild en als ik een paar jaar ouder ben, kan ik milf-rollen krijgen. Grappig dat ik eindig waar James is begonnen. Als ik nog niet genoeg geld heb verdiend om een huis te huren en mijn ticket terug te betalen mag ik bij James wonen. Superaardig van hem. Ik post snel een berichtje op het James Deen Fanclub Forum, dat ik op vakantie ben, en wijs een trouwe bezoeker tijdelijk aan als moderator. Ik kan niet zeggen waar ik echt heen ga, ze zouden me vermoorden van jaloezie. Ik ren de trap op naar boven en pak de tas die klaar staat met mijn mooiste ondergoed erin, meer heb ik niet nodig. Als ik bij de voordeur ben, kijk ik nog een keer achterom naar de foto’s van mijn ouders en broertje aan de muur. Ik hoop dat ik ze snel kan laten zien dat de toneellessen niet voor niets waren. Hoestebroek zal snel een bekende actrice rijker zijn. Vrolijk trek ik de deur dicht en probeer niet te huppelen naar de bushalte, waar ik de bus naar Delft neem, dan de trein naar Schiphol. Binnen vierentwintig uur zal ik geland zijn op LAX.

•••


Femke Vulto

Grijsgele wolken

••• Ik heb zo’n zonnebril met gele glazen waardoor het lijkt alsof er een Instagramfilter over de wereld is gelegd. Ik kocht hem ooit op vakantie in Californië met mijn man, we waren net een jaar getrouwd. Nog zie ik voor me hoe ik hem voor het eerst opzette, hoe mijn man lachte en vervolgens goedkeurend knikte. Hoe ik mijn blik oprichtte, van zijn fletsblauwe ogen naar de hemelsblauwe lucht. Dat is al heel wat jaren geleden nu. Mijn zonnebril heeft de tand des tijds goed doorstaan. Ik zou willen dat ik hetzelfde van mijn man kon zeggen.

••• Vandaag is de lucht niet blauw maar grijs, zie ik door het raampje tegenover mij. Ook moet ik vandaag niet aan mijn echtgenoot denken, maar aan een andere man. Mikhail heet hij. Mikhail was het zeventiende kind uit een boerengezin. Ik vraag me af hoe het is om in de schaduw op te groeien van zestien anderen. Zou hij zich verwaarloosd en eenzaam hebben gevoeld? Of is het juist heel gezellig, zoveel mensen om je heen? Hij voelde vast de druk om zich te onderscheiden, met zoveel broers en zussen om tegen op te boksen. En je kunt van hem zeggen wat je wilt, maar dat is hem gelukt. Er trekt een rilling door me heen, ik proef iets zurigs in mijn mond. Niet aan denken. Rustig ademhalen. Ik slik de zure smaak weg. In een boerengezin is het vast handig om veel kinderen te hebben, dan hoef je minder personeel aan te nemen. Ik heb altijd al op een boerderijtje willen wonen, ergens rustig op het platteland. Zelf kaas maken van de melk van onze koeien en groentes eten uit de moestuin. Ik zou ook wel een ezeltje willen, gewoon voor de gezelligheid. En lekker in het stro zitten, boekje erbij, wat kippen die om me heen scharrelen. Dat lijkt me heerlijk. Nu zit ik helemaal niet lekker, er prikt iets hards in mijn rug en mijn rechtervoet begint gevoelloos te worden. Ik probeer een stukje te verschuiven, maar er is niet veel ruimte hier. Dan vraag ik me af hoe het is om van zeventien kinderen te bevallen. Zeventien. Mijn zus vond drie al veel. Ik herinner me hoe ik met haar koffiedronk, twee maanden geleden bij de Starbucks. ‘Wat er gisteren gebeurde, dat geloof je gewoon niet, oh my God,’ zei ze. Mijn zus is vijf jaar jonger dan ik en was nog maar tien toen we naar Amerika verhuisden. Het viel me die dag op dat ze altijd praat


alsof ze acteert. Haar leven als film, en mijn zus schitterend in de hoofdrol. Die speelde ze met overgave trouwens, die zondagmiddag. ‘John kwam gisteravond thuis en zei dus opeens dat hij nog een kind wilde. Nóg één. Nummer vier. Naast de andere drie, nog een baby.’ Alsof ik niet wist dat ze al drie kinderen had. Doordringend keek ze me aan. Een blik in de camera. Ik knikte meelevend, voor haar de regisseursaanwijzing dat ze verder mocht spelen. ‘En ik was natuurlijk, like, mijn kut is toch geen waterglijbaan?’ Zelf heb ik geen kinderen, ik heb genoeg aan de zesentwintig kinderen die ik lesgeef. Een van mijn leerlingen, Robert, had gisteren een spreekbeurt over Mikhail gegeven. Daarvoor wist ik nog niks over de man. Robert was nog maar tien, zijn ouders hadden hem waarschijnlijk geholpen. Toen ik tien was hield ik een spreekbeurt over cavia’s. Vonden mijn ouders prachtig. Roberts ouders vonden dit op hun beurt fantastisch. Woedend waren ze mijn lokaal binnengestormd, toen ze hoorden dat ik hun zoon slechts een C had gegeven. Mijn oog valt op de grote stapel Trump for president-flyers die ze aan de school geschonken hebben. Ze beschuldigden mij ervan dat ik persoonlijke overtuigingen had laten meespelen in mijn beoordeling. Ik weet niet of ze ongelijk hebben. In de verte hoor ik een kind huilen. Na vijftien jaar lesgeven ben ik wel aan het geluid gewend geraakt, en toch voel ik nog altijd de instinctieve neiging op het geluid af te gaan, het kind in mijn armen te sluiten, zijn tranen te drogen. Maar ik blijf zitten waar ik zit. Dan hoor ik een doffe knal, het huilen stopt. Zou dat ook gebeurd zijn als Mikhail nooit geboren was? Mikhail Kalashnikov was zijn volledige naam trouwens. Zou Robert degene geweest zijn die aan het huilen was? Mijn nek wordt stijf, dus ik draai mijn hoofd een stukje. De lucht is nu niet zichtbaar meer, in plaats daarvan zie ik de grijze deur. Ik heb hem gebarricadeerd met een bureaustoel, maar heb ik hem ook op slot gedaan? Ik onderdruk een volgende rilling, haal diep adem en focus op de ingelijste poster die voor me hangt. Het is een goedkope reproductie van een schilderij met een weiland erop, de schilder ben ik vergeten. Waarschijnlijk gekocht bij de Expo of de Xenos, omdat kunst aan de muur is bevorderlijk voor het algemeen welzijn van werknemers, zo heeft wetenschappelijk onderzoek uitgewezen. De school zorgt graag goed voor haar personeel. De koe in het weiland kijkt me duf aan, ik kan de pixels in haar oog haast tellen. Ik heb de deur op slot gedaan. Denk ik. Mijn blik dwaalt weer af, op de grond liggen posters van mijn leerlingen. Voor maandagochtend moeten ze nagekeken zijn, schiet door mijn hoofd. Lachend staart Martin Luther King me vanaf de bovenste aan. ‘Mijn Heldenproject’ staat erboven geschreven. Ik herken het krullerige, nette handschrift meteen: alles wat dit meisje schrijft, is te herkennen aan dezelfde doelgerichte precisie. Alles wat ze doet trouwens ook. Ik behandel haar onbewust een beetje anders dan de anderen, denk ik


weleens. Een combinatie van afgunst en respect schemert door in alles wat ik tegen haar zeg. Ik vermijd haar blik vaak, maar zodra ik haar aankijk, schrik ik van de felheid in haar donkere ogen. Haar vastberadenheid is er onmiskenbaar in af te lezen, en zodra ik dat zie, weet ik dat ze verder zal komen in het leven dan ik. Misschien zal ze zelf ook ooit op een heldenposter belanden. Sommige mensen worden geboren met precies die combinatie eigenschappen die hen doet handelen in gevaarlijke situaties. Ze schakelen hun eigen levensdrift uit, denken alleen nog maar aan andere mensen. Zonder twijfel. Vastberaden. Alsof ze niks anders kunnen doen. Anderen verstoppen zich in een kopieerhok. Mijn blik glijdt verder af naar de stapels papier die over de grond verspreid liggen. Ik zal nooit op iemands poster belanden. In de verte hoor ik weer gegil, een hoge smeekbede volgt. Haar stem is al even kenmerkend als haar handschrift. Dan klinkt weer een knal. Het geluid sterft weg. Een samenleving heeft nooit genoeg helden, lijkt mij. Maar elke psychopaat is er één te veel. Ik verschuif weer een stukje. Er is weinig ruimte hier onder de tafel. Mijn oog valt op de vloer, die is stoffig. Op het tapijt zit een grote bruine vlek waar een indringende koffiegeur vanaf komt. Ik zal tegen de conciërge zeggen dat hij echt een keer moet schoonmaken hier. Elke ochtend begin ik met een kop koffie. Ik ben altijd een kwartier te vroeg op school, zodat ik de tijd heb om koffie te zetten en ondertussen de dag in mijn hoofd alvast door te nemen. Ondertussen komen de andere docenten binnen. Met sommigen ben ik goed bevriend, anderen ken ik niet zo goed. De sfeer is gezellig en ongedwongen, dat kan tegenwoordig alleen nog maar op een kleine school als deze. Als de eerste bel gaat loop ik normaal gesproken altijd naar mijn lokaal, zodat ik de leerlingen bij de deur kan verwelkomen. Normaal gesproken zou ik daar nu gestaan hebben. Maar vandaag is geen normale dag. Ik moest nog even wat printen voor de klas, een tekst over Gandhi en zijn zoutmars door India. Kinderen van tien kunnen zelf hun weg naar het lokaal wel vinden. De bel ging net op het moment dat de eerste pagina uit de printer rolde. Vandaag was geen normale dag. Een zware mannenstem riep iets, ik verstond niet wat. Bij het derde blaadje klonk het eerste schot. Bij het vierde blaadje begon iedereen te gillen, bij het vijfde blaadje ook te huilen. Het zesde blaadje rolde uit de printer. Nog meer schoten. Nog meer gegil. Rennende voetstappen. Kinderen riepen om hun moeder. Anderen huilden alleen maar. Het zevende blaadje. Ik had naar buiten moeten stormen. Iemands hand moeten pakken. Een kind weg moeten trekken. Iets doen. Wat dan ook. Het achtste blaadje. Ik was verstijfd. Kon me niet bewegen. Het negende blaadje. Mijn benen hielden me niet meer. Ik probeerde me vast te grijpen, aan de kopieermachine, aan de tafel, maar het was tevergeefs. Donkere vlekken voor mijn ogen. Ik viel op de grond, mijn koffiemok viel er in scherven naast. Donkere vlekken op het tapijt. Het elfde blaadje. Het twaalfde. De dertiende. Opeens kwam ik bij zinnen, de adrenaline stroomde door


mijn lijf en ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Ik sprong overeind, keek verwilderd om me heen. Daar, de deur, snel, op slot, voordat het te laat was. In de hoek van de kamer stond een oude bureaustoel, een afdankertje van een oud-docent. Met al mijn kracht duwde ik hem onder de deurkruk. Op het moment dat blaadje zesentwintig uit de printer rolde, zat ik al verborgen onder de tafel. Ik wilde gillen maar er kwam geen geluid uit mijn keel. Ik trok aan mijn haar, maar de pijn bracht me niet bij zinnen, liet me niet ontwaken uit deze nachtmerrie. Ik voelde mijn zonnebril op mijn hoofd. Het zou mooi weer worden vandaag. Als verdoofd zette ik hem op. Door de gele glazen keek ik naar het kleine raampje. Vijftig vierkante centimeter grijsgele wolken. Waarom was het geen mooi weer? Ik hoorde geluiden die me bekend voorkwamen uit Roberts spreekbeurt, en ik dacht aan Mikhail. Mijn zus is weer zwanger, ze belde me gister op. Zal ik haar vierde kindje ooit nog in mijn armen houden? Zware voetstappen komen dichterbij. Mijn lichaam verstijft. Ik richt mijn blik weer op, van het matgrijze tapijt naar de grauwgrijze hemel. Bam. Iemand gooit zijn volle gewicht tegen de deur aan. De lucht lijkt lichter door mijn gele glazen. Bam. De deur kraakt verontrustend. De wolken zijn in werkelijkheid donkergrijs. Bam. De bureaustoel schiet weg onder de deurklink en klettert op de grond. Het regent in ieder geval niet. Bam, de deur vliegt met een klap open. In de verte hoor ik de lucht rommelen.

Lowlands ebook 2016  

Honderden verhalen werden ingezonden voor De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd 2016. Twintig haalden de longlist.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you