Sdu Focus 2016

Page 1

Han Noten analyseert de voortgang in het sociaal domein

Samenwerking overheden cruciaal voor slagen Omgevingswet

Opnieuw Thuis wil regiodeals huisvesting vluchtelingen

Buitenlandse Zaken bereidt zich voor op EU-voorzitterschap

20156 201 Richtinggevend voor bestuurders en topambtenaren

KABINET HEEFT FINISH IN ZICHT Wat de overheid in 2016 kan verwachten


2

Colofon

Inhoud

Focus is een uitgave van Sdu

IN DIT NUMMER

Redactieadres Postbus 20025 2500 EA Den Haag 070 378 96 39 www.sdu.nl/focus focus@sdu.nl Hoofdredactie Cindy Castricum Redactie Rutger van den Dikkenberg, Leo Mudde, Marten Muskee, Richard Sandee, Paul van der Zwan Eindredactie Wouter de Jong Medewerkers Ren辿 van Asselt, Jiri B端ller, Yvonne Kroese, Arenda 足Oomen, Maurits van den Toorn Vormgeving Dimdim grafisch ontwerp

4

16

Wat staat het kabinet in 2016 te wachten? Agenda voor de resterende periode

28

Samenwerking tussen overheden cruciaal

Toezicht op decentralisaties geen sinecure

Bestuursakkoord Omgevingswet getekend

Almelo en Limburg over hun nieuwe rol

In beeld

Dossiers

Uitgever Dineke Sonderen Marketing Wanda Bolte

22 Jan van Zanen (VNG)

Sales Adnovus BV Drukker Senefelder Misset

Het magazine is online te lezen via

www.sdu.nl/

focus

41 Milieu

42 Rechtspositie

44 Fiscaal

36 Johan Remkes (IPO)

Oplage 30.000 exemplaren Sdu Focus wordt in oktober 2015 naar de abonnees van VNG Magazine, SC en Het Waterschap gestuurd.

39 Vluchtelingen

50 Peter Glas (UvW)

Columns Water in de stad 15 Stefan Kuks Watergraaf Vechtstromen

Uitbesteden taken Nieuwe economie 58 Odd Wagner 31 Annet Bertram SG Metropoolregio Wet足houder (GroenRotterdam Den Haag Links) Den Helder

VISIE OP 2016

8 Aedes | 12 Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen | 14 Koninklijke Boekverkopersbond | 18 Netbeheer | 20 Plantum | 30 Bestuursacademie Nederland | 34 Bovag | 38 Menselijke Maat | 47 Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek | 48 Philadelphia Zorg | 52 Nederlandse Vakbond Varkenshouders

2016


3

Inhoud

STOF VOOR DE SCHAAR

N 10

‘Het komt wel goed’ Han Noten over de voortgang in het sociaal domein.

24

Grote vragen van de arbeidsmarkt Vijf dossiers waar minister Asscher (SZW) het nog druk mee gaat krijgen.

54

‘Het is geen erebaan’ Hoe Buitenlandse Zaken zich voorbereidt op het EU-voorzitterschap. Plus: de inzet van de decentrale overheden.

u VVD en PvdA zich steviger ten opzichte van elkaar gaan profileren, is het maar de vraag of het kabinet de eindstreep haalt. Premier Rutte gaf tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen aan daar wel vertrouwen in te hebben, maar voegde er direct aan toe dat ‘hij zich verzet tegen het idee dat het uitzitten van de rit politiek gesproken een doel in zichzelf zou moeten zijn’. Voorlopig gaan we er maar vanuit dat het kabinet nog een tijdje aan blijft. Of dat tot de verkiezingen op 15 maart 2017 is, zullen we bezien. Volgens Rutte ‘ligt er nog veel stof voor de schaar’, zo zei hij tijdens de beschouwingen. Een onbekende uitdrukking – zelfs taalgoeroe Jan Kuitenbrouwer weet niet van het bestaan – maar we begrijpen wat hij bedoelt. ‘Op het gebied van de uitvoering en de hervormingen moet nog veel gebeuren,’ zei Rutte. In deze tweede editie van Focus richten we ons op 2016: welke twistpunten, uitdagingen en bananenschillen zal het kabinet nog tegenkomen? En waar zal het – als gevolg daarvan – in gemeenten, provincies en waterschappen over gaan? Met Han Noten – voorzitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein – spraken we over de stand van zaken omtrent de decentralisaties van zorg en jeugd. Hij ziet het de goede kant opgaan, maar geeft aan dat er nog veel werk te doen valt. ‘Het is niet de bedoeling dat 2016 ook een overgangsjaar wordt,’ aldus Noten. Iets verderop in het magazine gaan we dieper in op het toezicht op de uitvoering van de taken in het sociaal domein. Het is immers van cruciaal belang om te controleren of de taken doelmatig worden uitgevoerd en of de gemeentefinanciën niet in gevaar komen. Ambtenaren van de vier betrokken bestuurslagen vertellen wat ze komend jaar al gaan doen met de Omgevingswet, die in 2018 van kracht moet worden. Het samenvoegen van 26 wetten tot één overkoepelende regeling geldt als een van de grootste hervormingen van het tweede kabinet-Rutte. Omdat de arbeidsmarkt nooit af is, zetten we vijf thema’s op een rijtje die de komende tijd van het kabinet – onder aanvoering van minister Asscher – de nodige aandacht mogen verwachten. We duiken ook een aantal dossiers in, te weten de huisvesting van vluchtelingen, het klimaatvonnis tegen de Staat, de rechtspositie van ambtenaren en belastingheffing. De voorzitters van de decentrale koepels reageren op de kabinetsplannen voor 2016 en we vroegen drie bestuurders naar hun belangrijkste ambitie voor komend jaar. Tot slot blikken we vooruit naar het Europees voorzitterschap. Nederland is vanaf 1 januari een half jaar voorzitter van de EU en op het ministerie van Buitenlandse Zaken voelen ze de hete adem in de nek. De voorbereidingen lopen al een tijdje, maar er moet nog veel gebeuren. Er ligt nog veel stof voor de schaar, zoals premier Rutte zou zeggen. Cindy Castricum Hoofdredacteur Focus

2016


4

Den Haag

Tekst Maurits van den Toorn | Beeld Dimitry de Bruin

Twistpunten, uitdagingen en bananenschillen AGENDA VOOR DE RESTERENDE KABINETSPERIODE

Wat kunnen we in een pre-verkiezingsjaar nog van het kabinet verwachten? Veel nieuw beleid zal het niet zijn. Dat is geen schande, al zal de oppositie met graagte hameren op het gebrek aan dadendrang. Het is de gebruikelijke gang van zaken, want de voornemens uit een regeerakkoord zijn na twee tot drie jaar uitgevoerd óf mislukt. Het is nu vooral een kwestie van bijsturen van zaken die misgaan en reageren op gebeurtenissen ‘van buiten’. Ook dat is niet zonder risico’s. Focus zet de belangrijkste twistpunten, uitdagingen en mogelijke bananenschillen op een rij.

P

ositief is dat de economie weer begint op te krabbelen. Volgens De Nederlandsche Bank komt het bruto binnenlands product eind dit jaar voor het eerst weer boven het reële niveau van 2008 en neemt de economische groei toe. Het betekent voor het komende jaar een begroting met ruimte voor lastenverlichting, al hebben de bewindslieden eendrachtig ingewreven dat we daar vooral nuchter onder moeten blijven. De coalitieafspraak dat de partijen elkaar wat gunnen, werkt nog steeds. Van de tot 750 miljoen oplopende meevallers besteedt de VVD ‘haar’ helft aan Defensie, terwijl de PvdA geld uitgeeft aan extra kinderbijslag, meer beschutte werkplekken voor mensen

met een beperking, betere verpleeghuiszorg en langer vaderschapsverlof na de bevalling. Het zijn de bij sociaaldemocraten al sinds de dagen van Joop den Uyl geliefde ‘leuke dingen voor de mensen’. De vijf miljard euro aan lastenverlichting kan helaas niet gekoppeld worden aan een nieuw belastingstelsel. ‘Een lastenverlichting zonder een bijbehorende stelselherziening is een gemiste kans,’ schreef staats­secretaris Wiebes van Financiën vorig jaar al. De Raad van State vindt dat ook, zo bleek op Prinsjesdag uit het advies bij de Miljoenennota. Het floppen van de belasting­herziening kan in het bakje met kabinetsmislukkingen worden gelegd, net als ‘provinciale

2016

samenvoeging’, ‘alleen nog 100.000plus gemeenten’ en ‘fusie waterschappen’. Toch is er één belangrijk verschil: anders dan bij die BZK-projecten wordt de noodzaak van een belastingherziening wél breed gedragen. De partijen zijn alleen gestruikeld over de manier waarop. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal er overigens blij mee zijn, ze heeeft nu meer tijd voor haar lobbypogingen ter vergroting van het lokale belastinggebied (met de zegen van de Raad van State). Minister Dijsselbloem van Financiën liet op Prinsjesdag doorschemeren erover te willen nadenken. Gaat er dan tot de Tweede Kamer­ verkiezingen van 15 maart 2017 niets


5

Den Haag

meer gebeuren? Toch wel, er zijn genoeg potentieel problematische onderwerpen. We maken een – met zekerheid niet uitputtend – rondje. Wat betreft het misgaan en het bijsturen hebben we de kwestie van de persoonsgebonden budgetten. Staatssecretaris Van Rijn (VWS) heeft al zeven Kamerdebatten hierover doorstaan en meerdere rituele moties van wantrouwen geïncasseerd. Omdat het gemeenten niet lukt om de herbeoordelingen voor de pgb-ontvangers tijdig gereed te krijgen, hebben ze uitstel tot 1 mei 2016 gekregen, in de hoop dat het dan wél lukt. We voorspellen een nieuw Kamerdebat. Rond de jeugdzorg en de wijkteams is het verrassend stil gebleven, al zal het eerste incident dat zich voordoet daar ongetwijfeld verandering in brengen. Minister Schippers (VWS) werkt met haar collega’s van Justitie en SZW aan een wetsontwerp om het medisch beroepsgeheim voor verzekerings- en keuringsartsen te beperken als het vermoeden bestaat dat er fraude in het spel is. Het heeft al tot boze reacties vanuit medische kring geleid; in de politiek zal de PvdA ongetwijfeld het belang van privacy en de VVD het belang van fraudebestrijding benadrukken.

Kinderpardon voor asielkinderen die minimaal vijf jaar in Nederland zijn DECEMBER 2012

Dat er de komende tijd geen reuring ontstaat rond de gas­winning in Groningen is bijna uitgesloten. Minister Kamp van Economische Zaken heeft de hoeveelheid te winnen gas afgelopen zomer weliswaar al van 39,5 miljard kuub tot 30 miljard teruggebracht (wat de schatkist een paar miljard euro scheelt), of de Groningse bodem zich daar veel van aantrekt, is onbekend. Deze zomer trad de Wet werk en zekerheid van minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in werking, met nieuwe regels voor ontslagrecht en flexibele arbeid. Dat VVD-fractieleider Zijlstra tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen behoorlijk kritisch was over de schijnzekerheid van een vaste baan moet Asscher niet vrolijk hebben gestemd. Verder moet hij nog steeds namens het kabinet met een standpunt komen over de positie van zzp’ers – in de ogen van de VVD ideale flexibele werkkrachten, in de ogen van de PvdA een ondermijning van het stelsel van collectieve voorzieningen. Minister Plasterk (BZK) moet wellicht zijn Wet normering topinkomens nog wat finetunen. Het salarisplafond in de publieke sector is tamelijk eenvoudig te

omzeilen, bleek afgelopen zomer. Ook zijn er ‘unieke talenten’ voor wie de norm niet geldt, zoals topwetenschappers, musici, luchtverkeersleiders en econometristen. Het is verder de vraag of zijn wetsontwerp voor het uitbreiden van de afluisterbevoegd­heden van de geheime diensten zonder kleerscheuren door het parlement komt. De telecomsector heeft al laten weten het een onwerkbare wet te vinden, en ook werkgeversorganisatie VNO-NCW verzet zich ertegen vanwege de kosten en vrees voor het investeringsklimaat. Gelukkig heeft de minister ook de Agenda Stad onder zich, een programma om groei, innovatie en leefbaarheid van steden te versterken. Een mooi programma dat zo veelomvattend en diffuus is dat het niet kán mislukken; Nederland hoopt er tijdens het komende EU-voorzitterschap goede sier mee te kunnen maken. Bij het ministerie van OCW staat staatssecretaris Dekker nog een grote klus te wachten: het aangenomen krijgen van zijn wetsvoorstel over de herstructurering van de publieke omroep. Daarmee vergeleken is de wijziging van de Wet op de vaste boekenprijs voor minister Bussemaker klein bier. Zij heeft haar finest hour tijdens deze kabinetsperiode al beleefd met het leenstelsel voor studenten.

Onteigening van bank/ verzekeraar SNS/Reaal

Kabinet houdt niet langer vast aan fusies tot 100.000+ gemeenten

Eerste zorg­ akkoord tussen kabinet, werkgevers- en werknemers­ organisaties

Kabinet besluit alsnog tot 6 miljard aan extra bezuinigingen

FEBRUARI 2013

MAART 2013

APRIL 2013

AUGUSTUS 2013

NOVEMBER 2012

FEBRUARI 2013

MAART 2013

APRIL 2013

JULI 2013

SEPTEMBER 2013

Installatie kabinetRutte II

Woonakkoord met D66, ChristenUnie en SGP (de ‘C3-oppositie’)

Kabinet besluit tot 4 miljard extra bezuinigingen

Sociaal akkoord tussen kabinet, FNV, CNV, MHP, VNO-NCW, MKB en LTO over o.a. ontslagrecht en WW

Tweede zorg­ akkoord tussen kabinet, patiënten­ organisaties, zorgverzekeraars en werkgevers­ organisaties

Energie­ akkoord tussen kabinet en meer dan veertig belangen­ organisaties

KRONIEK VAN HET KABINET De belangrijkste wapenfeiten van Rutte II 2016


6

Den Haag

Minister Van der Steur (VenJ) worstelt met een politiere­organisatie die langer duurt en minstens twee keer zo duur wordt als was geraamd. Tegelijk blijkt dat de kwaliteit van de recherche onder de maat is. Dat is ook te zien aan de opsporingscijfers in Nederland, die in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland erg laag zijn. De Nederlandse politie lost minder dan een kwart van alle geregistreerde misdrijven op – 22,4 procent in 2013 volgens het CBS – terwijl dat in Duitsland 54,5 procent is, aldus het Bundeskriminalamt. Bovendien bleek afgelopen zomer uit een enquête van de Nederlandse Politie Bond dat driekwart van de agenten vindt dat de dienstverlening aan burgers is verslechterd sinds de start van de Nationale Politie. Minister Schultz van Haegen van IenM kon in juli haar Omgevingswet door de Tweede Kamer loodsen. Als ook de Eerste Kamer akkoord gaat – wat waarschijnlijk het geval is, gezien de brede steun in de Tweede Kamer – worden 26 wetten en enkele honderden algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vervangen. Het venijn zit in de staart, zou je kunnen zeggen, want de wet geeft slechts kaders. De komende jaren moeten die worden uitgewerkt in allerlei

regelingen – er verdwijnt dan wel veel, maar een deel komt in andere gedaante gewoon terug. Het is een proces dat niet tot politieke ongelukken zal leiden, maar het is wel veel werk waarbij de bestuurslagen die de regels uiteindelijk moeten uitvoeren zeker willen meepraten. Op staatssecretaris Mansveld van IenM rust de schone taak om iets te doen met de rechterlijke uitspraak in de Urgendazaak. Weliswaar is de Staat in beroep gegaan, maar het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard; de beroepsprocedure heeft dus geen opschortende werking. Begin volgend jaar gaan de uitkomsten van een onderzoek naar de effectiviteit van CO2-reductie­maat­ regelen naar de Kamer, met de vervolgstappen die het kabinet denkt te gaan nemen. Gezien de verschillende opvattingen van PvdA en VVD over milieubeleid geen eenvoudige klus. Boven de markt hangt ook het rapport van de parlementaire enquêtecommissie die het Fyra-debacle heeft onderzocht. Weliswaar gaat het grotendeels om zaken die zich hebben afgespeeld ten tijde van Mansvelds voorgangers, gezien de twijfel of ze de spoorsector wel in de hand heeft en het ongenoegen over de manier waarop ze de Kamer daarover (niet) inlicht, kan er ineens veel nadruk worden gelegd op de

staatsrechtelijke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris.

Conflictbron Maar de meeste onzekerheden komen ‘van buiten’. Conflictbron in de coalitie is al vanaf het begin alles wat met vreemdelingen te maken heeft. Het kinderpardon, de strafbaarstelling van illegalen, de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers met bed-badbrood, PvdA en VVD denken over bijna alles diametraal tegengesteld aan elkaar. De recente vluchtelingencrisis en het met veel moeite uitgedokterde plan voor de opvang zet die tegenstelling nog eens op scherp. Het Midden-Oosten is permanent een bron van problemen, maar het conflict in Oekraïne kan van de ene op de andere dag weer oplaaien, met de dreiging van verdergaande Russische (territoriale) aspiraties boven de markt. Minister Koenders van Buitenlandse Zaken is er maar druk mee. In het licht van de onrustige internationale situatie is het dan ook – helaas – een verstandige keuze om weer meer geld uit te trekken voor Buitenlandse Zaken en Defensie. Het ‘vredesdividend’ is sinds 1990 met graagte geïnd, de krijgsmacht heeft sindsdien bijna dertig kleine en grote bezuinigingsrondes meegemaakt. Het

Definitief besluit tot aanschaf van de JSF

Tweede Kamer akkoord met overheveling jeugdzorg naar gemeenten

Akkoord met C3 over een nieuw pensioen­ stelsel

Akkoord met VNG over decentralisatie langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning

SEPTEMBER 2013

OKTOBER 2013

DECEMBER 2013

DECEMBER 2013

Tweede Kamer stemt in met wetsvoorstel tot normalisering van de rechts­positie van ambtenaren FEBRUARI 2014

SEPTEMBER 2013

OKTOBER 2013

NOVEMBER 2013

DECEMBER 2013

FEBRUARI 2014

MAART 2014

Onderwijs­ akkoord tussen kabinet, werkgevers- en werknemersorganisaties in het onderwijs

Begrotings­ akkoord 2014 met C3

Besluit tot deelname aan de VN-missie in Mali

Wet over maatregelen voor de woningmarkt, met onder meer de verhuurderheffing

Akkoord over de Participatiewet met C3

Fusies en later de opheffing van de waterschappen zijn van de baan

2016


7

Den Haag

aandeel van Defensie in de Rijks­ begroting is gedaald van ruim 12,8 procent in 1971 tot 2,8 proent in 2015. De Navo-norm van 2 procent van het bbp wordt bij lange na niet gehaald, Neder­land zit op zo’n 1,2 procent. Overigens halen de meeste Navolidstaten de 2 procent niet. In 2014 kreeg minister Hennis-Plasschaert van Defensie er weliswaar 100 miljoen bij, maar de door het eerste kabinet-Rutte ingezette bezuinigingen van 1,3 miljard gingen gewoon door. Als gevolg daarvan daalden de defensie-uitgaven in 2014 met 191 miljoen euro tot 7,4 miljard euro, meldde het CBS kort voor Prinsjesdag. De defensie-uitgaven zijn sinds 2009 met 1,1 miljard euro afgenomen. De dit voorjaar aangekondigde 250 miljoen extra betekent dan ook hooguit dat er een beetje minder hoeft te worden bezuinigd. Dat geldt ook nog steeds voor de 220 miljoen, oplopend tot 345 miljoen, plus 60 miljoen specifiek voor missies die als wens van coalitiepartner VVD extra naar Defensie gaat. Om aan de Navo-norm te voldoen zouden er miljarden nodig zijn. Al te grote verwachtingen over wat je met dat extra geld kunt doen moeten we niet hebben. Door alle missies slijten de spullen sneller dan was verwacht,

materieel is onvoldoende inzetbaar, er is gebrek aan reserveonderdelen en munitie. Het geld is bestemd voor het verbeteren van de ‘operationele inzetbaarheid’; het is te hopen dat het niet toch naar nieuwe spullen gaat, zoals de joint strike fighter die flink duurder blijkt uit te vallen dan was geraamd.

Profileringsdrift Meer spanningen tussen de coalitiepartners zijn te verwachten door profileringsdrift met het oog op de verkiezingen in 2017. PvdA-voorzitter Spekman gaf begin september in een interview in de Volkskrant de aftrap: de PvdA moet zich weer meer en openlijker afzetten tegen coalitiegenoot VVD. Wat hem betreft ‘gaat het weer knallen in de Tweede Kamer tussen ons en andere partijen. Dat is goed voor het land’. Samsom heeft volgens hem de kwaliteiten om de confrontatiekoers aan te gaan. Als partijvoorzitter hoort hij dat natuurlijk ook te zeggen, maar na drie verkiezingsnederlagen op rij wordt er hoorbaar aan Samsoms stoelpoten gezaagd. Naar sociaaldemocratische traditie gebeurt dat grotendeels in de media. Vorig jaar gingen de partijprominenten Ruud Koole en Adri Duivesteijn daarin voor, onlangs ging Felix Rottenberg lekker

los in Vrij Nederland. Weliswaar trok hij zich daarna geveinsd-geschrokken terug als voorzitter van de partijcommissie die het profiel van de komende lijsttrekker opstelt, de zaaggeluiden zijn daarmee niet verstomd. Bij de VVD slaagt men er meestal beter in de vuile was binnen te houden, maar ook daar is niet iedereen voluit gelukkig met de gang van zaken. Zo is het breken van de verkiezingsbelofte van premier Rutte (‘geen cent meer naar Griekenland’) niet overal goed gevallen. Mogelijk gevolg: rechtsere geluiden in de fractie. Met al dit gerommel is het komend jaar niet eens de minderheidspositie in de Eerste Kamer interessant – daar is niet zoveel nieuws onder de zon, al is het nu nóg lastiger om een meerderheid voor de kabinetsstandpunten te krijgen – maar kan de meerderheid van slechts één zetel in de Tweede Kamer een bananenschil worden. Een of twee afwijkende stemmen – van een Kamerlid dat niet op de kandidatenlijst voor de verkiezingen komt en zo alsnog een moment of glory binnenhaalt, of domweg per ongeluk – en het gaat mis. In een situatie waarin partijen én Kamerleden veel profileringsdrang vertonen zit een ongeluk in een klein hoekje.

Akkoord over de Wet langdurige zorg met C3

Kabinet besluit het herindelingsontwerp voor Flevoland, Noord-Holland en Utrecht niet in te dienen

Kabinet besluit tot deelname aan de strijd tegen IS

Nieuwe opzet voor opvang en uitwijzing van uitgeprocedeerde asielzoekers, ‘bed-bad-enbrood’ in de vijf grootste steden en in Ter Apel

APRIL 2014

JUNI 2014

SEPTEMBER 2014

APRIL 2015

Tweede Kamer stemt in met Omgevingswet JULI 2015

APRIL 2014

MEI 2014

AUGUSTUS 2014

DECEMBER 2014

JUNI 2015

JULI 2015

Er komt geen wetsvoorstel over strafbaar­ stelling illegaliteit

Akkoord over de Studie­ financiering (invoering leenstelsel) tussen kabinet, D66 en GroenLinks

Begrotings­ akkoord 2015 met C3

De Eerste Kamer verwerpt het voorstel tot beperking van de vrije artsenkeuze, met steun van drie PvdA-senatoren

Kabinet besluit tot vermindering aardgaswinning in Groningen

Tweede Kamer stemt in met Wet Natuur­ bescherming

2016


8

Visie

PRESTATIEAFSPRAKEN NIEUWE STIJL

GEMEENTELIJKE WOON­VISIE VORMT UITGANGSPUNT De Woningwet die sinds 1 juli van kracht is, legt duidelijk de taken van woningcorporaties vast en de rol van gemeenten en huurders. Een concrete verandering is dat het maken van prestatieafspraken verplicht is als er een gemeentelijke woonvisie ligt. Prestatieafspraken zijn niet iets nieuws, maar de opzet ervan is dat wel. Huurders krijgen bijvoorbeeld meer te zeggen. Wat niet verandert: woningcorporaties blijven verschil maken waar structurele problemen in het wonen opgelost moeten worden.

Foto: Evert Doorn Fotografie

D

e nieuwe Woningwet beperkt het werkterrein van corporaties tot de kerntaken: goede en betaalbare huizen voor mensen met lage inkomens. Verder geeft het huurders meer invloed en de gemeente een grotere rol. De Woningwet is het resultaat van een jarenlang proces van wetgeving en een parlementaire enquête naar woningcorporaties. ‘De Woningwet regelt een nauwere samenwerking tussen corporaties en gemeenten,’ zegt Marc Calon, voorzitter van Aedes vereniging van woningcor-

poraties. ‘Eigenlijk zoals wij dat al jaren willen: de gemeente legt in een woonvisie vast wat er nodig is. Wij werken aan een maatschappelijke taak, onze omgeving beslist mee. Dat geldt ook voor meer invloed van huurders, in de praktijk gebeurt dat al volop.’

Huurders aan tafel Een concrete verandering voor corporaties, huurders en gemeenten is dat prestatieafspraken vanaf 2016 verplicht zijn als er een gemeentelijke woonvisie ligt.


9

Visie

TILBURG MAAKT AL JAREN PRESTATIEAFSPRAKEN De meeste corporaties en gemeenten hebben wel eens prestatieafspraken gemaakt. Nieuw is dat huurders een plek aan tafel krijgen en dat het proces aan regels gebonden is. ‘De grotere invloed van huurdersorganisaties bij de prestatieafspraken is belangrijk,’ zegt Calon. ‘Huurders legitimeren het werk van corporaties en van gemeenten. Zij zijn uiteindelijk degenen die in onze huizen wonen en in de wijken leven. Door ze echt te betrekken maak je plannen waar iedereen achterstaat.’ Ook de rol van gemeenten verandert in de nieuwe Woningwet. De gemeentelijke woonvisie is bijvoorbeeld het uitgangspunt voor de prestatieafspraken. Belangrijk is daarom dat die visie voldoende aanknopingspunten geeft voor concrete afspraken tussen gemeente, corporatie en huurders, stelt Calon. ‘De provincie zou hierin een aanjagende een faciliterende rol in kunnen spelen.’

Inzicht in financiële effecten Voor gemeenten, corporaties en huurders zal de nieuwe werkwijze rond prestatieafspraken even wennen zijn. Uit een enquête van Binnenlands Bestuur (19 juni 2015) blijkt bijvoorbeeld dat gemeenten nooit echt hebben gekeken naar de financiële mogelijkheden van corporaties en dat zij er tegenop zien om dit nu te gaan doen. ‘Daar kan de Transparantietool die Aedes ontwikkelt bij helpen,’ zegt Calon. ‘Dat is een hulpmiddel waarmee corporaties de financiële effecten van mogelijke beleidskeuzes inzichtelijk kunnen maken voor stakeholders. Het laat direct zien wat de financiële gevolgen zijn van bijvoorbeeld meer nieuwbouw of minder huurverhoging.’

Betrouwbare partner Ook met de nieuwe Woningwet blijven corporaties betrouwbare gelijkwaardige partners voor gemeenten en ze blijven het werk doen dat nodig is. Calon: ‘Woningcorporaties kunnen verschil maken, juist waar structurele problemen in het wonen opgelost moeten worden. Denk aan stedelijke vernieuwing: herstructurering en bouwen aan gemengde wijken. Maar ook door te investeren in krimpgebieden. Die activiteiten zijn vaak niet interessant voor commerciële partijen. Corporaties kunnen daar hun meerwaarde bewijzen in samenwerking met gemeenten.’

I

n Tilburg is het al jaren vanzelfsprekend dat gemeente, woningcorporaties en huurdersbelangenorganisaties samen prestatieafspraken maken. In 2015 maakten ze voor de derde keer afspraken, die vijf jaar gelden. Wethouder Berend de Vries (D66) en directeur-bestuurder René Scherpenisse van Tiwos over hun ervaringen. ‘We hebben een uitstekende gelijkwaardige samenwerking.’ ‘We hebben een traditie van prestatieafspraken met de corporaties, al voordat het woord prestatieafspraken bedacht was,’ vertelt wethouder Berend de Vries. Dus toen hij de nieuwe wet zag dacht hij: huurders betrekken is volstrekt logisch. ‘Omdat je graag draagvlak wilt voor je afspraken en een constructieve samenwerking wilt. Het is gek als dat niet in dialoog plaats zou vinden met de mensen waar het om draait.’ René Scherpenisse, directeur-bestuurder van Tiwos, sluit zich daarbij aan: ‘Prestatieafspraken hebben een grote impact. Daar horen huurders over mee te praten.’

sadeurs van de afspraken. En ze zijn extra scherp op het in de gaten houden of de afspraken wel gerealiseerd worden.’ Dat werkt, want tot nu toe zijn belangrijke afspraken uit de prestatieafspraken gerealiseerd: de herstructurering in een aantal Tilburgse wijken loopt op schema en de verduurzaming van woningen loopt zelfs voor. Gelijkwaardige samenwerking Officieel geeft de Woningwet gemeenten een grotere rol, maar Scherpenisse verwacht niet dat dat gevolgen heeft voor de verhouding die zijn corporatie heeft met de gemeente. ‘We hebben een uitstekende gelijkwaardige samenwerking.’ De Vries sluit zich daarbij aan: ‘Per saldo verandert er voor ons weinig. De beste afspraken die ik de afgelopen jaren maakte, zijn de afspraken die wederzijds tot stand kwamen. Daar heb je veel meer aan dan wanneer je als gemeente regels oplegt. Ik heb het geluk dat corporaties op dezelfde manier de samenwerking zoeken.’

Tips Gemeenten moeten corporaties en huurders niet alleen betrekken bij prestatieafspraken, De meest recente Tilburgse prestatieafspramaar ook bij de woonvisie, zoals in Tilburg ken uit 2015 gaan vooral over betaalbaargebeurt, stelt Scherpenisse. ‘Dat maakt het heid van de woningen. Een thema dat de voor corporaties makkelijker hun beleid huurdersbelangenorganisatie agendeerde. daarop af te stemmen en dat leidt weer tot Scherpenisse: ‘Het was opvallend om te betere prestatieafspraken. En zo krijg je een merken dat huurders meer dan andere netwerkproduct waar iedereen achter staat. belanghebbenden de nadruk leggen op beHet is een kwestie van respect, samenwertaalbaarheid voor zittende huurders, ook als dat iets ten koste gaat van de kwaliteit van king en vertrouwen.’ Een aantal andere tips een woning.’ In de prestatieafspraken staat voor gemeenten, corporaties en huurders nu dat er in ieder geval 800 die per 2016 prestatieafwoningen een lagere huur spraken gaan maken: maak krijgen en dat er 800 wonineen gezamenlijke analyse: waarom doe je dit eigenlijk gen met een huur onder de Aedes stelde een en waar wil je naartoe? En 600 euro bijkomen. handreiking op voor ook belangrijk: zorg voor on­corporaties, ­huurders Huurders als ambassadeur dersteuning van huurders en gemeenten over het De Vries vindt het belangdoor een adviseur. De Vries: ­maken van prestatie­ Wij betalen die als gemeenrijk dat er meer draagvlak afspraken. Deze ontstaat voor de prestatieafte en corporaties samen. Zo hand­­reiking en meer creëer je gelijk speelveld. spraken door de betrokkeninformatie over de Het gaat namelijk best om heid van de huurdersbelan­Woningwet staan op aedes.nl/woningwet. De ingewikkelde zaken waarin genorganisaties en de input Transparantietool is hier ook Rene Scherpenisse en die zij leveren. ‘Huurders eind 2015 ook te vinden. ik ondersteuning krijgen.’ zijn op die manier ambas-

HANDREIKING

Aedes vereniging van woningcorporaties behartigt de belangen van bijna 350 woningcorporaties. Daarnaast is Aedes de werkgeversorganisatie van de corporatiesector. Kijk voor meer informatie op www.aedes.nl.


10

Sociaal

Tekst Leo Mudde | Beeld Jiri Büller

‘Het is niet de bedoeling dat 2016 ook een overgangsjaar wordt’

2016


11

Sociaal

‘We lijken te zijn vergeten waar we vandaan komen’ HAN NOTEN OVER DE VOORTGANG IN HET SOCIAAL DOMEIN

De Transitiecommissie Sociaal Domein is in september 2014 door het kabinet opgericht om een vinger aan de pols te houden bij de decentralisaties in het sociaal domein. Verloopt het naar wens, zijn de gemeenten en de zorgaanbieders op de goede weg, komen de beloofde nieuwe arrangementen van de grond? Voorzitter Han Noten ziet het de goede kant opgaan, maar er is nog veel werk te doen.

V

an nature is Han Noten een optimistisch mens. De voorzitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein die de effecten van de decentralisaties bijhoudt en hierover periodiek verslag doet aan coördinerend minister Ronald Plasterk, zegt in het gesprek met Focus regelmatig dat ‘het wel goed komt’, dat de zorgpunten ‘oplosbaar’ zijn en dat hij in de praktijk veel goede dingen ziet gebeuren. Aan de andere kant ziet hij, driekwart jaar na de transitie van taken naar de gemeenten, ook nog ‘zorgpunten’. Neem het beschermd wonen. Notens commissie signaleerde in haar derde rapportage ‘zorgelijke praktijksituaties’ bij herindicaties. ‘Gemeenten zien dat betrokken cliënten vaak niet in staat zijn zelf de regie te voeren over hun budget noch over de uitvoering van zorg. De kans op misbruik door pgb-aanbieders is groot en gemeenten ontvangen hierover ook concrete signalen. Het gaat ook om huisvesting die niet voldoet aan de kwaliteitseisen van beschermd wonen.’

OVER DE TSD

De Transitiecommissie Sociaal Domein is tot en met 2016 gesprekspartner voor gemeenten, de zorgsector en het kabinet over de effecten van de drie decentralisaties. De commissie maakt risico’s en onzekerheden bespreek­ baar, biedt een helpende hand waar nodig en creëert een lerende omgeving.  www.transitiecommissie­ sociaaldomein.nl

wordt, vindt hij. Er moeten nu wel meters gemaakt worden. Een ander zorgpunt zijn de administratieve problemen rondom de persoonsgebonden budgetten en dan vooral de declaraties en betalingen. Tussen gemeenten en zorgaanbieders loopt dat nog niet goed, zegt Noten. ‘De uitwisseling van gegevens verloopt niet optimaal en door problemen met het berichtenverkeer en privacyvereisten komt de facturatie niet goed op gang of wordt buiten het systeem om gewerkt. Soms wordt gewerkt met voorschotten, maar in sommige gevallen worden aanbieders niet of niet tijdig betaald. Ook niet na acht maanden. En als deze praktijk aanhoudt, waar de oorzaak ook ligt, dan dreigen voor zowel gemeenten als aanbieders op korte termijn financiële risico’s.’

Meters maken

Rechtmatigheid

Daardoor komen gemeenten in de knel met de herindicaties. Gemeenten winnen tijd door indicaties te verlengen, maar Noten is daar eigenlijk geen voorstander van. 2015 was een overgangsjaar, het is niet de bedoeling dat 2016 dat óók

En wat iedereen kan zien aankomen, is het vraagstuk van de rechtmatigheid, zegt Noten. ‘Bij de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet hanteren gemeenten een scala aan eisen. Het Lees verder op pagina 13 2016


12

Visie

DE BETEKENIS VAN PEDAGOGEN

HOE PASSEND ONDERWIJS WÉL KAN SLAGEN Passend onderwijs maakt beloftes nog niet waar, zegt de Kinderombudsman. Dat merkt u ook als gemeente. Een pedagoog kan helpen. de Kinderombudsman wijst ook op professionals die de nieuwe mogelijkheden wél gebruiken om maatwerk te bieden. Maar elk kind dat thuis komt te zitten, is er één te veel. Elk kind dat onnodig naar het speciaal onderwijs wordt verwezen, is er één te veel. Elk kind dat meer ondersteuning nodig heeft dan regulier onderwijs kan bieden en te lang blijft ‘aanmodderen’, is er één te veel.

Weinig draagvlak

P

assend onderwijs is weer ‘hot topic’ in media en politiek. Een jaar na de invoering verschenen achter elkaar verschillende onderzoeken, die als alarmerend werden bestempeld. Zo deed DUO samen met het AD onderzoek naar de beleving in scholen. De Kinderombudsman signaleerde dat de praktijk van alledag nog lang niet altijd een antwoord heeft op de problemen die passend onderwijs wil oplossen: minder thuiszitters en meer maatwerk voor leerlingen. Als gemeente bent u niet verantwoordelijk voor passend onderwijs. Dat zijn de schoolbesturen. Maar u heeft er wel mee te maken; zo is de leerplicht in het geding als leerlingen thuis komen te zitten en bent u verantwoordelijk voor het leerlingenvervoer als leerlingen worden verwezen naar het speciaal onderwijs. Vaak komt u de leerlingen om wie het gaat -en hun ouders- ook tegen in de jeugdhulp. Voor deze kinderen en hun ouders is het belangrijk dat scholen en jeugdhulp goed samenwerken. Eén gezin, één plan. Is het dan echt zo slecht gesteld met passend onderwijs? Nee,

Het onderzoek van DUO is in het nieuws gekomen omdat er weinig draagvlak onder docenten is. Dat valt niet te ontkennen. Maar het onderzoek laat ook zien dat de schoolleiding wél positief is. De belangrijkste vraag is dan misschien ook wel: hoe komt het dat de schoolleiding en docenten passend onderwijs zo verschillend ervaren? En wat moet er gebeuren om die klaarblijkelijke kloof tussen schoolleiding en docenten te overbruggen? Hier kan een pedagoog iets betekenen. De Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) krijgt net als de Kinderombudsman het signaal dat scholen vergaande beslissingen nemen over toelating, verwijdering of plaatsing van leerlingen op basis van een papieren dossier. Hoewel scholen zorgplicht hebben, verzuimen zij regelmatig om aan hun onderzoekplicht te voldoen. Ook als leerkracht en schoolleiding met hun handen in het haar zitten, schakelen zij vaak geen deskundige pedagogen in om een leerling te observeren en leerling én leerkracht advies te geven. Terwijl veel samenwerkingsverbanden die mogelijkheid wél bieden. Scholen stellen het wettelijk verplichte ontwikkelingsperspectief niet of te laat op. Terwijl dat, zeker als er een deskundige professional bij betrokken is, een handvat geeft voor systematische doelgerichte begeleiding. Leerlingen worden regelmatig naar het speciaal onderwijs verwezen op basis van een dossier van de school, zonder dat een pedagoog de situatie in de praktijk heeft bekeken. Het onderzoek van de Kinderombudsman laat zien dat passend onderwijs vaak stagneert op het inschakelen van andere organisaties. Ook daarin kan een pedagoog toegevoegde waarde hebben. Want een pedagoog die werkt in het onderwijs, moet ook een netwerk in de jeugdhulp hebben.

Meer weten over de bijdrage van pedagogen? Kijk op www.nvo.nl en neem contact op met de NVO via info@nvo.nl.


13

Sociaal

Vervolg van pagina 11

opstellen van een passende verantwoording en het aantonen van de rechtmatigheid is daardoor bijna niet te doen. Voor zowel aanbieders als gemeenten levert dit risico’s voor de bedrijfsvoering op.’ De contractpartijen moeten op zoek naar passende en realistische oplossingen, meent Noten. Meer coulance betrachten bij de facturatie, bijvoorbeeld. En voor de langere termijn zouden een landelijk normenkader en een model controle­ protocol uitkomst kunnen bieden.

Anders denken In het algemeen zullen gemeenten anders moeten gaan denken, zegt Noten. Daar is de voorbije negen maanden een begin mee gemaakt, maar ze zijn er nog lang niet. ‘We leven nog in de geschiedenis. De wereld is anders geworden en vooralsnog hebben we onze weg daar nog niet in gevonden. Het accent heeft te veel gelegen op de overheveling van bevoegdheden, maar decentralisatie is zoveel meer. Het is vooral bedoeld om burgers in samenhang te helpen en te bedienen. Dus niet alleen kijken naar de zorgvraag, maar ook naar de meervoudige problematiek waaronder de schuldhulpverlening. Dat zijn we als overheid niet gewend. Al ons handelen is altijd gericht geweest op waar mensen recht op hebben, nu gaat het over doelmatigheid. En daarvoor verantwoording afleggen, dat is veel lastiger. Het vraagt een heel andere kijk op de rol van de overheid.’

HAN NOTEN

(1958), voor­ zitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein, is sinds 2011 burge­ meester van Dalfsen en onder meer voorzitter van de raad van commis­ sarissen van Espria, een organisatie op het gebied van ouderenzorg, thuis- en kraamzorg. Hij was eerder lid van de Eerste Kamer en daar gedurende acht jaar voorzitter van de PvdA-fractie. In het verleden was hij onder meer bestuursvoorzitter bij ActiZ, een organisatie van zorgon­ dernemers en lid van de directie van Centraal Beheer (Achmea). In 2005 leidde hij een PvdA-commissie over hervorming van de verzorgingsstaat.

Wijkteams De afgelopen maanden hebben Noten en zijn commissieleden vooral gekeken naar de praktijk van de sociale wijkteams. En daar, zegt Noten, is hij positief over. ‘Je ziet er de innovatie loskomen, er ontstaan nieuwe arrangementen. Daar, in die teams, begint het echt van de grond te komen.’ Maar tegelijkertijd zit daar ook nog veel, wat Noten ‘institutioneel verzet’ noemt. Vooral bij de vertegenwoordigers van jeugdzorg en ggz-organisaties. ‘Daar heerst nog een gebrek aan vertrouwen in de gemeenten of in de deskundigheid van de gemeente. Men wil niet echt tot nieuwe arrangementen komen, dat proeven wij in het veld. Dat ligt niet per se aan de mensen in de wijkteams, het heeft ook te maken met de brancheorganisaties. Zij vertragen, bijvoorbeeld door berichten de wereld in te zenden dat het

‘In de sociale wijkteams begint het echt van de grond te komen’ 2016

niet goed gaat. Terwijl dat vaak aantoonbaar niet klopt. Gelijktijdig hebben we te maken met gemeenten die betwijfelen of de zorgaanbieders het cliëntbelang wel vooropstellen en vervolgens daardoor in de controlestand gaan staan. Al dat wantrouwen zorgt voor een sfeer van onderhandelen in plaats van samenwerking, met complexe transacties en administratief verdriet als gevolg.’ De media gaan daarin mee. Noten: ‘Die zijn vooral geïnteresseerd in slecht nieuws, veel minder in wat goed gaat. Het lijkt wel alsof we vergeten zijn waar we vandaan komen. Wat was ons vertrekpunt? De discussies gaan over incidenten en macrobudgetten en maar heel beperkt over zaken als de maatschappelijke betrokkenheid en het leggen van nieuwe verbindingen.’ Een pluspunt is dat het sociaal domein nu wel volop ‘leeft’ bij gemeenten, los van de soms moeizame samenwerking en de problemen met de financiering. ‘Ik denk dat het goed gaat komen,’ zegt Noten. ‘Het is een kwestie van tijd. Ik zie al veel aanpassingen, daar ben ik optimistisch over.’

Loyaliteit Zo positief als hij oordeelt over de werkwijze van de wijkteams, zo kritisch is Noten over de instituties die hun gevestigde belangen tegen de stroom in blijven verdedigen. Maar Noten verwacht dat de kracht van de wijkteams uiteindelijk de doorslag gaat geven. ‘Ik was op bezoek bij een wijkteam en daar zat ook de wijkverpleegkundige aan tafel. Zij had daar drie rollen: lid van het wijkteam, werknemer van een grote zorgorganisatie en wijkverpleegkundige. Waar ligt in dat wijkteam dan je eerste loyaliteit, wat ben je in de eerste plaats? Ik denk dat die eerste loyaliteit ligt bij het vak waarvoor je hebt gekozen, niet bij de organisatie. Zij is vooral wijkverpleegkundige. Dat geldt voor iedereen: jij bent ook in de eerste plaats journalist en daarna pas onderdeel van een uitgeverij. Als we ons nu eens allemaal realiseren dat mensen vooral vanuit hun professie en hun passie denken en handelen, dan is er geen reden meer om organisaties en instituties met argwaan tegemoet te treden. Bij die professionals moet de vernieuwing vandaan komen, omdat zij niet vanuit een institutioneel belang meedenken maar vooral vanuit hun vak.’


14

Visie

‘VAN DE EEUW VAN BEZIT NAAR DE EEUW VAN TOEGANG’

DE BOEKWINKEL ALS CULTURELE INSTELLING INNOVATIE

H

et boek is een cultuurgoed. Wie de wereld wil begrijpen, of het nu gaat om de economische ontwikkeling van China of – heel actueel – de migratieproblematiek in Europa, komt vroeg of laat bij de boekhandel uit. Net als scholen, bibliotheken, volksuniversiteiten en musea maken boekhandels het publiek wegwijs in een enorme hoeveelheid informatie, geschiedenis en ontspanning. De boekwinkel zou je, ook al vanwege de allianties met culturele instellingen, dan ook eerder moeten vergelijken met een theater of een museum dan met de detailhandel in het algemeen. Met slechts enkele ondersteunende overheidsmaatregelen (de vaste boekenprijs en het lage btw-tarief) draagt de boekwinkel het beleid van de overheid uit. Dat is een goede zaak, stelt voorzitter Ed Nijpels van de Nederlandse Boekverkopersbond: ‘We hebben cultuur nodig voor een geletterde maatschappij, en dat betekent dat we een pluriform aanbod van boeken nodig hebben. De Nederlandse boekwinkel voorziet daarin.’ De bijzondere positie van boekwinkels blijkt ook uit de band die ze met hun klanten hebben. Er zijn succesvolle voorbeelden te vinden van crowdfunding (denk aan de wederopstanding van de voormalige Polare-boekhandels) en uit onderzoek is gebleken dat een gebied met een goede boekwinkel in aanzien wint. De boekwinkel heeft dan ook een prachtige toekomst, maar moet zich wel op die toekomst

voorbereiden. Michael van Everdingen, directeur van de Boekverkopersbond: ‘De boekverkoper is een commercieel-culturele verbinder die als geen ander in staat is cultuur bij zijn klanten te brengen. Maar we bewegen van de eeuw van bezit naar de eeuw van toegang en netwerken. Dat betekent dat de boekverkoper zijn focus verlegt van het anticiperen op de toekomst naar het maken van de toekomst, van goed kunnen luisteren naar in gesprek gaan, van boeken goed kennen naar een relatie met de klant opbouwen, van ingetogen lezer naar uitgesproken verbinder en tot slot van een reactieve liefhebber naar een uitgesproken verbinder.’ De boekverkopersbond heeft daarvoor onder meer het co-creatieprogramma ‘boekondernemer van de toekomst’ opgezet. Boekverkopers leren daarin hun klanten te kennen en met ze mee te denken en hun winkelformule te ontwikkelen. Van Everdingen: ‘De boekwinkel heeft een goede toekomst, zolang de ondernemer zich ontwikkelt en zorgt voor een duidelijke formule. Hij kan zich heel specifiek richten op alleen boeken, maar ook op een breder palet aan diensten en verbreding van het assortiment. Het gaat erom dat de klant zich persoonlijk verbonden voelt met ondernemer en winkelmerk. Niets is zo funest als een winkel zonder duidelijk profiel.’ Het DNA van een boekverkoper is uniek. Dat biedt grote kansen voor een vitale toekomst.

De Koninklijke Boekverkopersbond (KBb) is de brancheorganisatie die de ondernemers in de boekenbranche (1500 verkooppunten en 10.000 medewerkers) ondersteunt in hun professionalisme, hun personeelsbeleid, hun innovatie en hun besef van duurzaamheid. Dankzij de Wet op de vaste boekenprijs en het lage btw-tarief voor boeken is de boekencultuur in Nederland laagdrempelig en geografisch gespreid, en nauwelijks afhankelijk van rechtstreekse subsidiëring. www.boekbond.nl

De boekenbranche is een van de best georganiseerde branches in de detailhandel én in de cultuur. In de jaren van economi­ sche crisis die we nu achter ons laten, heeft de Neder­ landse boekhandel geïn­ noveerd en geïnvesteerd in nieuwe vakopleidingen en digitalisering. Er zijn meer web-boekhandels gekomen om online-shoppers beter van dienst te kunnen zijn. Van Everdingen: ‘We hebben wel eens een beetje het imago dat we een ouder­ wetse sector zijn, maar er is juist heel veel innovatie in de boekenbranche. We vergeten daar vaak over te praten en mogen dat vanuit onze trots en passie best meer naar buiten brengen.’ De resultaten van die inspanningen beginnen zichtbaar te worden, de boekverkopen trekken dit jaar duidelijk aan. Goed nieuws voor de branche, maar ook voor de winkel­ straten in het hart van dorp en stad, want de inspira­ tie die boekhandels als oplaadpunt voor persoonlijk welbevinden bieden stimu­ leert de levendigheid van het hele winkelgebied.


15

Column

Stefan Kuks Watergraaf van waterschap Vechtstromen

E

Water en leefbare steden

en vitale stad drijft op water. Het gebeurt nog wel eens dat ik verwonderd word aangekeken als ik dat zeg. Niet alleen over die uitspraak, maar ook over de aanwezigheid van waterschappen in de stad. Natuurlijk, waterschappen zijn actief in stedelijk waterbeheer en in transport en verwerking van afvalwater. Maar hun positie is een veel bredere en, wellicht meer dan u denkt, een hele logische, ja zelfs een gewenste. Ik neem u even mee terug naar september 2015. Door een breuk in een waterleiding kwam de kelder van het VU medisch centrum onder water te staan. Cruciale installaties raakten defect, evacuatie van het gehele ziekenhuis en tientallen miljoenen euro’s schade waren het gevolg. Nu was dit een waterleidingbreuk, maar wat een overstroming voor vitale infrastructuren van de stad en daarmee voor het dagelijks leven kan betekenen, laat zich raden. Naast overstromingsrisico’s hebben we te maken met hitte en droogte die de leefomgeving in de stad beïnvloeden. Nederland is kortom kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, en dat geldt niet in de laatste plaats voor de stad. De noodzaak tot waterrobuust inrichten van de stad is groter dan ooit. De Klimaatactieve Stad (KAS) is een beweging waarbij gemeenten, waterschappen en alle andere betrokkenen elkaar in een vroeg stadium opzoeken en gezamenlijk vanuit een integrale blik – dus vanuit iedere stedelijke opgave – de klimaatopgaven benaderen en klimaatmaatregelen doorvoeren. KAS levert een concrete bijdrage aan een leefbare stad, die vanuit een brede kijk goed met water en klimaat omgaat. Een stad waar kelders niet onderlopen, de hitte binnen de perken blijft en slimme groene en blauwe infrastructuren de stad gezond houden. KAS is een beweging van onderop, en zet aan tot het versnellen van de realisatie van klimaatmaatregelen. Met resultaat: de afgelopen jaren hebben we al legio voorbeelden voorbij zien komen: waterpleinen, waterparken, wadisystemen, groene daken, ondergrondse bergingen, noem maar op. Een goed voorbeeld is het winkelcentrum Miro in Enschede. Dit veertig jaar oude en gedateerde winkelcentrum was dringend toe aan vernieuwing. Gemeente en projectontwikkelaar hebben daarbij het perspectief omgedraaid. Wat eerst benaderd werd als waterprobleem, werd uiteindelijk de identiteit van het winkelcentrum. Het nieuwe winkelcentrum is voorzien van groene daken, die water vasthouden, gedoseerd afvoeren en daarmee wateroverlast voorkomen. Maar de daken zorgen ook voor verkoeling, en ze leggen een verbinding tussen twee ecologische zones. Met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit is het bovendien fraai ingepast in de omgeving. Het moet natuurlijk niet bij mooie voorbeelden blijven. Nederland klimaatrobuust inrichten vereist een brede toepassing van maatregelen. Voor 2016 zet KAS daarom in op een verdere intensivering en verbreding van de beweging. De focus nog meer verleggen van agenderen naar realiseren. Daarvoor heeft KAS massa nodig. Gemeenten, woningbouworganisaties, projectontwikkelaars, kennisinstellingen en waterschappen kunnen daarbij niet zonder elkaar. De klimaat- en wateropgaven zijn complex. Het gaat veel verder dan een technische oplossing voor een probleem. Water kent tal van verschijningsvormen, functies en toepassingen. De variatiegraden van water in de stad zijn eindeloos. Dat vergt bestuurlijke keuzes. Bij de bouw, de inrichting en het beheer is de stad onlosmakelijk met water verbonden. Want een vitale stad, die drijft op water.

Watergraaf Stefan Kuks (Vechtstromen) over het klimaatrobuust maken van Nederland

31 Secretaris-generaal Annet Bertram (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) over de metropolitane samenwerking in de zuidelijke Randstad 2016

58 Wethouder Odd Wagner (Den Helder) over het uitbesteden van gemeentelijke taken


16

Ruimte

Tekst Marten Muskee | Beeld Werry Crone/HH

Omgevingswet vraagt om samenwerking overheden MOTTO: RUIMTE VOOR ONTWIKKELING EN WAARBORGEN VAN KWALITEIT

Met de ondertekening van het bestuursakkoord committeren Rijk, VNG, IPO en UvW zich tot een gezamenlijke koersbepaling bij de implementatie van de Omgevingswet. Hoewel de uitvoeringsregelgeving nog niet klaar is, lichten vier beleidsspecialisten toe wat er komend jaar gaat gebeuren. De nieuwe wet voor de leefomgeving, die in 2018 van kracht moet zijn, staat of valt met de samenwerking tussen de overheden.

O

p dezelfde dag van de ondertekening van het bestuursakkoord stemde de Tweede Kamer vlak voor de zomer met een ruime meerderheid in met de Omgevingswet. In die ene wet voor de leefomgeving worden 26 huidige sectorale wetten opgenomen, waardoor een aanvrager vanaf 2018 nog maar naar één loket hoeft en slechts één vergunning nodig heeft. Ook gaan, in eerste instantie, ongeveer zestig amvb’s (algemene maatregel van bestuur) terug naar vier.

Wilco de Vos, coördinerend juridisch adviseur bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, legt nog eens kort het hoe en waarom van deze majeure operatie uit. De regelgeving voor de leefomgeving moet eenvoudiger, beter en flexibeler, met meer ruimte om lokaal een gebiedsgerichte afweging te maken. Daarvoor komt nu één kader waarin de leefomgeving van dakkapel tot hoogovens en van het aanleggen van snelwegen tot het beschermen van natuurgebieden centraal staat. ‘Het gaat daarbij niet alleen om de regelgeving, maar

2016

ook om een cultuurverandering, de overheden moeten over hun grenzen leren kijken. Zij moeten nadrukkelijk samenwerken met elkaar en met andere afdelingen binnen de eigen organisatie, zowel in beleid als in handhaving.’

Interbestuurlijke leest De Omgevingswet betekent een brede stelselherziening waarbij de betrokkenheid van alle partijen cruciaal is. Het doel van de wet moet ook in de uitvoeringsregelgeving tot stand komen, daar wordt komend jaar aan


17

Ruimte

gewerkt. Dat stelsel moet regels en instrumenten bevatten waar iedereen die een rol heeft in de leefomgeving, mee uit de voeten kan. Bij de implementatie in 2016 gaat het om de voorbereiding op de nieuwe regels, daar is ook inzicht in de werking en de werkprocessen voor nodig. Dat gebeurt onder meer aan de hand van de ervaringen met de pilots in het project Nu al eenvoudig beter. Rijkswaterstaat richt in samenwerking met de medeoverheden in 2016 een informatieloket in rond de werkprocessen. ‘IenM is stelselverantwoordelijk maar het is allemaal op interbestuurlijke leest geschoeid. Alle bestuursorganen kunnen hun rol vervullen. Daarom zijn zij van meet af aan nauw betrokken bij de stelselherziening. De wet moet werkbaar zijn voor alle partijen,’ aldus De Vos. Naast de omgevingsregelgeving moet er ook omgevingsbeleid komen. Het Rijk zal ook één omgevingsvisie moeten maken. ‘Dat dwingt ons tot samenwerking met de andere departementen om tot samenhangend rijksbeleid voor de leefomgeving te komen. Dan gaat het ook om cultuur- en gedragsverandering. We gaan van een toetsende benadering naar een fase waarin actief beleid en beheer van de leefomgeving voorop staat. Motto van de wet is: ruimte voor ontwikkeling en waarborgen van kwaliteit. Het wetsvoorstel is nu in behandeling bij de Eerste Kamer. De uitvoeringsregelgeving in de vorm van de vier amvb’s staat volgend jaar op de rol. Dan is er een internetconsultatie en worden de ontwerpen aan het parlement

toegezonden. Ook komt er consultatie over de invoeringswetgeving. Die zorgt voor een goede overgang van het huidige naar het nieuwe regime en daar hoort ook het overgangsrecht bij. De Omgevingswet zoals die nu voorligt, wordt nog uitgebreid met wetsvoorstellen over natuur, geluid, bodem, en grondeigendom. Daarover verschijnen dit najaar beleidsbrieven om de discussie met de Tweede Kamer te voeren.

Achter het loket Willem Wensink is teamcoördinator bestuurlijk juridische zaken bij de Unie van Waterschappen (UvW) en projectleider Omgevingswet. Grote verandering zit wat hem betreft in de samenwerking tussen de overheden achter het loket. ‘Ambtenaren moeten nog meer integraal leren denken en afwegingen maken. De waterschappen denken vaak wat meer sectoraal omdat het functioneel bestuur is. De kunst is om breder te kijken dan de pijler water. Medewerkers moeten vroegtijdig de samenwerking zoeken met andere overheden en goed snappen wat de ander doet.’ Voor de invoeringsbegeleiding stelt de UvW bij alle waterschappen een projectleider implementatie aan. De vier overheden tuigen een landelijk implementatietraject op waarbij de bestuurders onder leiding van de minister de strategische keuzes maken. Daaronder zit een overlegcircuit met directeuren en beleidsmedewerkers. Het directeurenoverleg wordt ondersteund door specialisten op het gebied van ict

Van drie… Ruimtelijkeplannen.nl Alle bestemmings­plannen digitaal

Activiteitenbesluit Internet Module Bedrijven registreren nieuwe activiteiten

Omgevingsloket Online (OLO) Vergunningaanvragen

en financiën. ‘De directeuren moeten een goed verhaal hebben willen ze van die adviezen afwijken. Deze adviesgroep geldt als veiligheidsklep zodat er verantwoorde beslissingen worden genomen bij de implementatie. Zeker op het vlak van digitalisering, dat technisch ingewikkeld is en veel geld gaat kosten. Het directeurenoverleg is de opdrachtgever. Daarnaast is uit de vier overheden een programmaraad samengesteld die, onder leiding van Rijkswaterstaat, de opdrachtnemer is.’ Om de samenwerking te borgen is een belangrijke rol weggelegd voor de digitalisering. Drie huidige systemen worden in 2018 omgevormd tot één nieuw digitaal systeem (zie kader). Voor de langere termijn liggen er vier scenario’s klaar die stapsgewijs naar de toekomstvisie in 2024 toewerken, het zogeheten digitaal stelsel Omgevingswet. Daarbij wordt gewerkt met een stuk of elf zogenaamde informatiehuizen voor onder meer ruimte, geluid en water. Wensink: ‘In een huis liggen data zodanig opgeslagen dat de aanvrager over dezelfde informatie beschikt als de overheid. De huizen liggen langs een “snelweg” en de data stromen er als het ware overheen. In die ideële situatie geeft iemand die een schuur wil bouwen de geo-coördinaten door en op de digitale kaart komt de regelgeving in beeld die op dat perceel van toepassing is.’ Om de implementatie realistisch te houden wordt nu toegewerkt naar het scenario om in 2018 met de wet te kunnen werken, waaronder de inrichting van een digitaal loket. Ondertussen wordt onderzoek gedaan naar wat het scenario 2024 betekent voor zowel de technische haalbaarheid als de onkosten. Het bestuursakkoord is opengelaten op dat punt. De komende maanden worden die financiële kosten en baten in beeld gebracht en dat moet leiden tot financiële afspraken over de implementatie.

Transitie Met name voor de gemeente als eerste overheid vormt invoering van de nieuwe Omgevingswet een heuse transitie. ‘Wetende dat de amvb’s nog niet klaar zijn, is het voor gemeenten wel zaak nu al voorbereidende stappen in de eigen organisatie te zetten,’ zegt

…naar één digitaal systeem in 2018 Nieuw digitaal loket Omgevingswet

Lees verder op pagina 19 2016


18

Visie

NETBEHEERDER WORDT SYSTEEMBEHEERDER

OP WEG NAAR EEN FLEXIBELER ENERGIENETWERK De netbeheerders van het Nederlandse energienetwerk staan de komende jaren voor een grote opgave: het managen van de decentralisering van het energiesysteem. De decentralisering is het gevolg van de verduurzaming van de energiesector. De stroomopwekking met fossiele brandstoffen maakt gaandeweg plaats voor zon en wind. Dat betekent een decentralisering van het energiesysteem: met één windmolen of zonnepaneel ben je al in business.

O

p lokaal niveau ontstaan allerlei initiatieven om energie op te wekken. Doordat de prijzen van zonnepanelen omlaag gaan, wordt dat ook steeds makkelijker mogelijk. ‘Deze verandering met eindgebruikers die stroom aan het netwerk leveren, heeft een enorme impact op het stabiel houden van het systeem,’ legt directeur André Jurjus van Netbeheer Nederland uit. ‘Het netwerk wordt een tweerichtingssysteem. Dat is een nieuwe uitdaging voor de netbeheerders.’ Om goed met deze verandering om te kunnen gaan zijn nieuwe regels nodig. In de huidige Energiewet hebben de netbeheerders eigenlijk maar één taak: de pieken in de gaten houden en voldoende kabels aanleggen om die te kunnen verwerken. Het energiegebruik van huishoudens en de pieken daarin waren goed te voorspellen. Tegenwoordig is dat moeilijker vanwege nieuwe pieken door bijvoorbeeld het opladen van elektrische auto’s. En dat gaat hard, want dankzij de 10.000 laadpalen die de stichting e-laad heeft geplaatst, is Nederland koploper in elektrisch rijden. Jurjus: ‘Het is niet alleen lastig en duur om je netwerk op die nieuwe pieken in te richten, het is ook niet eerlijk. De kosten van het netwerk zijn gesocialiseerd, iedereen betaalt hetzelfde voor het gebruik ervan, terwijl er niet overal pieken zijn. We moeten daarom aan peak shaving gaan doen, de pieken in het energiegebruik afvlakken.’ Het wetsontwerp Stroom inclusief de tijdelijke taken en experimenten, dat momenteel bij het parlement in behandeling is, creëert daarom ruimte voor een flexibeler energiesysteem. Denk daarbij aan de mogelijkheid om prijs­

SLIMME METER De veelbesproken slimme meter is een wezenlijk onderdeel van het nieuwe energienetwerk. Het real time beschikbaar zijn van gebruikers­ data is nodig om gebruik te kunnen maken van variabele tarieven. De consument krijgt dankzij de slimme meter beter inzicht in het energiege­ bruik waardoor energie bespaard kan worden. De privacy mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Jurjus: ‘Het is van groot belang dat de klant zélf kan kiezen op welke manier zijn energiedata worden gebruikt en welke partijen dat mogen doen. Met de slimme meter zit de consument zelf in de drivers seat – daar moet iedereen nog aan wennen, ook de energiesector.’

prikkels in te voeren voor het gebruik van het net. ‘Op drukke momenten willen we liever niet dat mensen hun auto gaan opladen. Dat betekent dat we aan laadsturing moeten doen: wie snel weg moet, kan eerder of sneller laden, maar betaalt daar meer voor.’ Dergelijke prijsprikkels kennen we al lang in de vorm van goedkopere nachtstroom, maar het kan veel effectiever door nieuwe technologieën. ‘We moeten nog ervaring opdoen met wat het beste werkt. Het is daarom goed dat in de nieuwe wet de mogelijkheid komt voor de systeembeheerder (de nieuwe term voor de netbeheerder) om met bijvoorbeeld stroomopslag in batterijen piekgebruik op te vangen.’ Het is duidelijk dat dit voordelen biedt voor het beheer van het systeem. Als het commercieel levensvatbaar blijkt, wordt het ook interessant voor energieleveranciers om er gebruik van te maken.

Netbeheer Nederland is de brancheorganisatie van alle energienetbeheerders. De tien Nederlandse netbeheerders maken het energienet klaar voor de toekomst en de transitie naar duurzame energiebronnen. Voorbeelden hiervan zijn smart grids, het faciliteren van elektrisch vervoer en het transport van groen gas.


19

Ruimte

Vervolg van pagina 17

VNG-programmamanager Kristel Lammers. Voor wat betreft die bewustwording trekt de VNG sinds kort door het land met bijeenkomsten, workshops en congressen voor de verschillende doelgroepen binnen gemeenten. Via regionale ondersteuning vindt kennisuitwisseling plaats en er wordt vanaf 2016 ook gewerkt aan opleidingsmodules en scholing. Die activiteiten pakt de VNG samen op met de G32, G4, P10 en het Platform Middelgrote Gemeenten, en ook gemeentesecretarissen (VGS), informatiemanagers (IMG) en directeuren ruimtelijke ordening gaan een rol spelen. Voor het eind van dit jaar wil de VNG een contactpersoon per gemeente hebben die in eigen huis aan de slag gaat met deze veranderingsopgave. In november gaan regionale bijeenkomsten van start samen met de andere drie overheden. Dat zijn zogeheten ‘roadshows’ waarin duidelijk wordt gemaakt wat de impact van de wet zal zijn. Daarnaast is 1 oktober gestart met de Verkenning Informatievoorziening Omgevingsdomein (VIVO). Daarmee wordt inzichtelijk welke veranderopgave gemeenten hebben op het digitale vlak. Lammers: ‘Zo moet collectief worden nagedacht over zaken als regelbeheer, herontwerp van het werkprocessen, aanpassing van gemeentelijke architectuur en nieuwe standaarden. Denk daarbij aan de noodzaak van een gegevensknooppunt zoals in het sociaal domein. De generieke werkprocessen moeten gemeenten én standaardiseren, én flexibel houden om beleidsruimte te bieden. Daarbij moeten we ook nadenken hoe de eigen lokale regels in de landelijke systemen op te nemen. Ook hier geldt net als bij het sociaal domein, dat er lokaal verschillen kunnen ontstaan over hoe gemeenten omgaan met de algemene regels die het Rijk stelt.’ De wet schrijft algemene regels voor en het is aan de gemeente om die al dan niet verder in te kaderen. Het vraagt volgens Lammers wel visie van gemeenten om die beleidsvrije ruimte te benutten. Daarvoor moeten

ze plannen maken en zelf onderzoek doen naar de haalbaarheid en wenselijkheid daarvan. De handhaver werkt straks niet meer met een checklist op grond van informatie uit de vergunning. Die zal veel meer vanuit algemene kaders en uitgangspunten de handhaving moeten uitvoeren vanuit de filosofie ‘wat kan in plaats van wat moet’. De Omgevingswet vraagt ook om aanpassing van de bestuurscultuur. Lammers: ‘De wethouder zal vroegtijdig de verbinding met collega’s moeten leggen omdat de fysieke ruimte ons allemaal raakt. De raad zal tijdig moeten nadenken welke kaders hij wil stellen bij gebiedsgerichte planningen. Daarnaast zal de samenleving vroegtijdig betrokken moeten zijn. Het is een nieuwe werkwijze en we

‘Er kunnen lokaal verschillen ontstaan’ beginnen er nu mee om het bewustzijn te vergroten. We willen daar als VNG samen met gemeenten en andere overheden kleuring en richting aan geven.’

Haags feestje Tjeerd Kampstra is sinds half mei belast met het programma voor de implementatie van de Omgevingswet bij de provincies. In dat kader heeft hij een plan van aanpak voor de komende jaren gemaakt. Daarnaast maakt hij een ronde langs alle provincies. ‘Vooral in de beginfase merkte ik dat de Omgevingswet in hoge mate ervaren werd als een Haags feestje. Als iets niet leeft, heeft het ook geen vrienden. Ik moet er nu in eerste instantie voor zorgen dat het gaat leven bij de provincies, dat ze zich realiseren wat eraan zit te komen,

2016

welke taken daaraan hangen en wat dat betekent voor de samenwerking met gemeenten, waterschappen en omgevingsdiensten.’ Bij zijn bezoeken inventariseert Kampstra waar de provincies behoefte aan hebben. Met die input probeert hij het in Den Haag zo te regelen, dat iedereen straks het gevoel heeft dat die wet van alle overheden is en dat ze daar goede dingen mee gaan doen. ‘De twaalf provinciesecretarissen vormen daarbij mijn opdrachtgever,’ zegt Kampstra. ‘Verder houd ik me bezig met het organisatorisch implementatietraject zoals de digitalisering.’ De Omgevingswet biedt een zekere mate van beleidsvrijheid voor het bevoegd gezag. Ambtenaren moeten integraal leren adviseren en in hun ambtelijk voorbereidingsproces kijken welke beleidsruimte er is. Kampstra: ‘Bij ingewikkelde kwesties zou ik er voorstander van zijn om te werken met opties en die samen met de vooren nadelen mee te geven in de advisering richting bestuur. Dat moeten we op een goede manier in onze eigen organisatie vormgeven. De amvb’s zijn er nog niet, maar duidelijk is wel dat de advisering rond die ene integrale vergunning heel anders zal gaan lopen dan tot nu toe. Op dit moment wordt dat voor een deel gedaan door de 29 omgevingsdiensten. Gaan die de nieuwe taken van de provincie overnemen, gaan de provincies het zelf doen en trekken ze één lijn?’ Kampstra wijst er daarbij op dat bij de omgevingsdiensten niet voor één model is gekozen. Er zijn diensten die als gebiedsautoriteit of als uitvoeringsorganisatie werken. Er zijn netwerkdiensten, diensten binnen veiligheidsregio’s, diensten die de veiligheidsregio’s overstijgen en diensten die bijzondere BRZO-taken hebben en de vierhonderd grote bedrijven in Nederland aan de vergunning hebben hangen. Kampstra: ‘Dus zowel bij de provincies als omgevingsdiensten zijn er verschillen waarvan we ons moeten afvragen of dat zo moet blijven of dat we tot één model moeten komen. We onderzoeken hoe we de omgevingsdiensten mee kunnen nemen in de lopende processen.’


20

Visie

KENNISGEDREVEN SECTOR

PLANTENVEREDELING IS TOPTECHNOLOGIE

Nederland is een belangrijke speler in de wereld als het gaat om plantenveredeling. Het is een sector met een omzet van 2,5 miljard euro per jaar. Er werken 11.000 mensen en de werkgelegenheid groeit jaarlijks. Het is een hoogtechnologische én internationale sector, een speerpunt bij de ontwikkeling van een kenniseconomie. Dat is goed nieuws, maar er is werk aan de winkel om te zorgen dat de sector het ook op de langere termijn goed blijft doen.

D

e toegang tot de biodiversiteit, de ‘input’ en basis van de sector, leidt soms tot problemen. Directeur Niels Louwaars van Plantum legt uit wat hij daarmee bedoelt. ‘Plantenveredeling begint met het creëren van diversiteit door het kruisen van bestaande rassen. Om nieuwe biodiversiteit in het gewas te brengen is materiaal nodig uit de genenbank in Wageningen of uit het land waar het gewas van nature voorkomt – denk aan aardappelen in de Andes of spinazie in Centraal Azië. Het beheer van de biodiversiteit valt onder de soevereine rechten van een land. Een land kan daardoor bepalen of iets wel of niet mag worden gebruikt. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar de manier waarop de regels worden geïnterpreteerd dreigt de biodiversiteit geen goed te doen. Als de input wordt beperkt, zal de output minder biodivers zijn met alle gevaren van dien voor de voedselvoorziening en de keuzes voor de consument.’ Bij die output, bijvoorbeeld uniforme rassen die zo goed mogelijk geschikt zijn voor de gewenste teeltmethode, is een verrassende ontwikkeling waarneembaar. ‘De vrees is dat de biodiversiteit door die uniformering afneemt, maar dat is niet zo. Door beter gestuurde veredelingsmethoden – ‘vreemd’ materiaal is tegenwoordig sneller in te kruisen – neemt de diversiteit tussen plantenrassen in Nederland de laatste jaren juist weer toe.’ Het is daarom belangrijk dat de toegang tot genetische bronnen beschikbaar blijft en dat dit niet door

regelgeving of vele administratieve lasten onmogelijk wordt gemaakt.

Betere balans

OOK BIOLOGISCH Voor álle teeltsystemen zijn zaden nodig die zijn aangepast aan klimaat, bodem, vochtigheid en, niet in de laatste plaats, aan de wensen van de consument. Bij dat laatste denken we allereerst aan smaak, maar ook het uiterlijk speelt een rol: wij willen rode tomaten, Chinezen zien ze liever roze. Anders dan wel eens wordt gedacht, is veredeling ook voor de biologische teeltsector van groot belang. De eisen daar zijn zo mogelijk nog een tikje strenger dan voor de ‘gewone’ kweek. Een voorbeeld: sommige plantenziekten zijn via het zaad overdraagbaar, maar je mag geen chemische middelen gebruiken om de planten te beschermen. Dat betekent dat je zaden door verdere veredeling resistent moet zien te krijgen en extra aandacht in de zaadproductie moet steken. Omdat je geen gewasbeschermingsmidde­ len mag gebruiken, kun je voor biologische teelt het best speciale rassen gebruiken die snel opgroeien, zodat het gewas al sterk is vóór het onkruid de gelegenheid heeft gehad om op te komen. De verede­ lingssector heeft deze rassen beschikbaar en blijft zich hierin ontwikkelen.

Toegankelijkheid speelt ook bij octrooien. Nederland kent van oudsher het kwekersrecht, dat net als een octrooi het exclusieve recht op commercialisatie toekent. Het verschil met een octrooi is dat het materiaal wél mag worden gebruikt voor verdere veredeling, de kwekersvrijstelling. Octrooien zijn in de plantenwereld een betrekkelijk recent verschijnsel dat samen met ontwikkelingen in de biotechnologie is komen overwaaien uit de VS. Louwaars: ‘De overgrote meerderheid van onze leden ziet graag een inperking van het octrooirecht, juist vanwege het belang van het vrij gebruik van diversiteit. De Tweede Kamer en het kabinet steunen ons daarin, de staatssecretaris van Economische Zaken heeft beloofd dat ze zich in Brussel zal inspannen voor een betere balans tussen kwekersrecht en octrooirecht. Het lastige is dat plantenveredeling eigenlijk alleen in Duitsland, Frankrijk en Nederland een economisch relevante bedrijfstak is; in de meeste andere EU-lidstaten is er nauwelijks belangstelling voor. Maar de land- en tuinbouw in die landen is wél afhankelijk van wat er bij ons gebeurt. Dat betekent dat de Nederlandse beleidsmakers


21

Visie

geruime tijd in de weg. Europa komt daardoor op achterstand te staan ten opzichte van andere regio’s. Louwaars: ‘Europa moet echt snel een besluit hierover nemen, want we zitten bij kruisingsveredeling soms aan het plafond als het om resistentie en opbrengstniveau gaat. In een wereld die te maken heeft met klimaatverandering moeten we snel een volgende stap zetten. Onze gewassen moeten beter bestand worden gemaakt tegen hitte en droogte, of – zeker in Nederland van groot belang – een ziltere bodem. Door deze nieuwe methodes kunnen we het plafond hoger leggen en inspelen op de veranderende omstandigheden waar de planten in moeten groeien.’

Toptechnologie

GELIJK SPEELVELD Bij het gebruik van gewasbeschermings­ middelen is er in Europa geen level playing field. Middelen die in Nederland niet zijn toegestaan, mogen nog wel worden gebruikt in andere landen in Europa. Inspanningen om in Europees verband meer eenheid te creëren zijn daarom nog steeds hard nodig.

een grote verantwoordelijkheid hebben, ze moeten aan andere landen duidelijk zien te maken hoe belangrijk het onderwerp ook voor hun is.’

Nieuwe methoden Het kruisen van planten bestaat al tweehonderd jaar. Genetische modificatie is een recente ontwikkeling die nog steeds tot veel discussie leidt. Daarnaast zijn er nu verscheidene methoden die grote mogelijkheden bieden voor betere rassen voor teler en consument. Jammer genoeg staat politieke discussie besluitvorming over toepassing van die methoden in Europa al

De sector is kennisgedreven en heeft zich in Nederland ontwikkeld samen met de publieke kennisinfrastructuur. Gemiddeld gaat meer dan 15 procent van de omzet naar R&D, in sommige gevallen ligt dit percentage zelfs op 25 tot 30 procent. ‘Nederland is nu een topland in veredeling. Zo heeft een groot buitenlands bedrijf onlangs een gloednieuw laboratorium in Nederland geopend. Dat is een investering van tientallen miljoenen euro’s die ze ook aan de andere kant van de grens hadden kunnen doen.’ Nederland is een topland door de goede kennisinfrastructuur met Wageningen University en nog een aantal universiteiten. Het is ook een topland omdat er naast toegepast onderzoek ruimte is voor fundamenteel onderzoek. ‘Juist fundamenteel, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek zonder duidelijk doel leidt tot wat je disruptive innovations kunt noemen. Dergelijke innovaties hebben we nodig. Het onderhoud van die ‘infrastructuur’ is net als bij wegen een taak van de overheid. Bedrijven investeren daarnaast miljoenen in het meer toegepaste onderzoek bij de Nederlandse kennisinstellingen. Bovendien geldt dat plantenveredeling per definitie een lange horizon heeft, bij de ontwikkeling van een aardappelras duurt het al gauw vijftien jaar voordat je het op de markt kunt brengen.’ Louwaars: ‘We zijn een hartstikke mooie sector, we moeten er daarom voor zorgen dat de bedrijven in Nederland in de wereld mee kunnen blijven doen.’

Plantum, opgericht in 2001, is de branchevereniging voor bedrijven uit de sector plant­ aardig uitgangsmateriaal. De vereniging heeft ruim 300 leden die actief zijn in veredeling, vermeerdering, opkweek en handel van zaden, bollen, knollen, stekken en jonge planten. Sectoren waarin Nederland bij uitstek sterk is: groenten, aardappelen, sierteelt en gras.


22

In beeld

Beeld Jiri Büller

VNG | IPO | UvW

Jan van Zanen Burgemeester Utrecht

Voorzitter Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) De rijksbegroting bevat geen grote verrassingen. Helaas, zou ik willen zeggen. Het is absoluut goed nieuws dat de economie weer aantrekt en dat het kabinet mensen daarvan wil laten meeprofiteren. Maar wij hadden verwacht dat het kabinet daarbij tegelijk naar de nijpende financiële situatie van gemeenten zou kijken. Gemeenten zullen ook volgend jaar moeten bezuinigen, ten koste van belangrijke voorzieningen. Het Rijk wil de lokale democratie versterken. Dat is positief, want in gemeenten gebeurt heel veel, dichtbij mensen. We nemen onze

verantwoordelijkheid voor werk, zorg, lokale veiligheid, de openbare ruimte, enzovoorts. En als er urgente situaties zijn die snel om praktische oplossingen vragen, zoals nu bij de opvang van vluchtelingen, dan stáán we er. Maar om dat goed te kunnen blijven doen is het noodzakelijk dat er evenwicht blijft in de verhouding tussen gemeenten en het Rijk. Afgelopen voorjaar leek het er even op dat een historische en broodnodige verandering van ons belastingstelsel in het verschiet lag, met een verschuiving van belastingen van het Rijk naar gemeenten. Voor de zomer stonden

GEMEENTEN ZULLEN 2016


23

In beeld

Het is aan ons om onze inwoners maatwerk te bieden

de plannen alweer in de ijskast. Het Rijk heeft hier een enorme kans gemist. Dan was het mooi geweest als het kabinet had gezocht naar andere manieren om gemeenten financieel wat lucht te geven. Een simpele optie zou zijn het schrappen van eerdere ongefundeerde bezuinigingen, zoals de opschalingskorting. Die bezuinigingen tellen samen op tot meer dan 1 miljard euro. Dat blijft de komende jaren doorwerken in gemeentelijke begrotingen. In de begroting Binnenlandse Zaken staat ook een veelzeggende passage over het sociaal domein: “In deze fase van transformatie gaat het om

vernieuwing en wordt toegewerkt naar een overheid die ondersteuning en zorg biedt waar dat nodig is en aansluit bij het zelfoplossend vermogen van de samenleving en de behoefte van mensen om zelf regie te voeren over hun leven.� Wat hier eigenlijk staat is dat de bezuinigingen in het sociaal domein vanaf volgend jaar voelbaar worden, als het overgangsrecht van mensen afloopt. Het is aan ons om onze inwoners maatwerk te bieden. Laat bezuinigingen van het Rijk dat alsjeblieft niet onmogelijk maken.

WEER MOETEN BEZUINIGEN 2016


24

Werk

Tekst Rutger van den Dikkenberg | Beeld Yvonne Kroese

Grote vragen van de arbeidsmarkt ALLES DRAAIT OM TOEKOMSTBESTENDIGHEID

We moeten blijven nadenken over de grote vragen van de arbeidsmarkt, schrijft minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn begroting voor 2016. Meer flexibiliteit en zelfstandigheid en een toenemende digitalisering vragen andere vaardigheden van werknemers. De werkloosheid blijft hoog, het aantal zelfstandigen groeit rap. Maar coalitiegenoten VVD en PvdA worden het maar moeilijk eens over de oplossing. Welke vijf arbeidsmarktdossiers komen in 2016 sowieso aan de orde?

‘E

r is heel veel beleid om de koek te verdelen, maar de vraag hoe we die koek groter maken, ontbreekt,’ zegt arbeidssocioloog Fabian Dekker van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Om de arbeidsmarkt meer toekomstbestendig te maken, moet het kabinet meer doen dan alleen boekhoudkundige maatregelen nemen, meent Dekker. ‘Ik mis een economische groeiagenda. We zien nu allerlei regelingen om arbeid goedkoper te maken. Maar de vraag is wat het toekomstige verdienmodel is. We moeten investeren in research and deve­ lopment en in onderwijs, maar die budgetten dalen.’

HERSTEL WERKGELEGENHEID Langzaam krabbelt de Nederlandse economie op, en dat stemt het kabinet optimistisch. Maar premier Rutte baalt ervan dat ondanks de groei van het aantal banen – meer dan honderdduizend erbij in de afgelopen vijf kwartalen – het aantal werkzoekenden nog steeds niet onder de 600.000 is gedaald. ‘Dat vind ik simpelweg teveel,’ zei de premier

2016

tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Het gaat steeds beter met de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid, zo bleek in september uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat er ondanks de groei van de werkgelegenheid in augustus net zoveel mensen werkloos waren als een maand eerder, komt vooral doordat meer mensen zich als werkzoekende melden. Schoolverlaters bijvoorbeeld, maar ook mensen die vanwege de crisis het zoeken even hadden opgegeven. Uitkeringsinstantie UWV gaat uit van een groei van het arbeidsaanbod van 51.000 mensen dit jaar en 62.000 mensen volgend jaar. Maar 604.000 werkzoekenden is voor het kabinet nog altijd veel te veel. De werkgelegenheid herstelt zich na een economische crisis altijd later dan de economie zelf. Werkgevers proberen de toenemende vraag eerst met het huidige personeelsbestand op te lossen. Het UWV


25

Werk

bijvoorbeeld verwacht dat arbeidskrachten het komend jaar door efficiëntere productieprocessen ongeveer 1 procent productiever worden, zo blijkt uit de afgelopen zomer gepubliceerde Arbeidsmarktprognose.

Desondanks duurt het herstel van de werkgelegenheid het kabinet veel te lang. Nadat er al 600 miljoen euro is geïnvesteerd in sectorale banenplannen, maakt het voor komend jaar 5­ miljard euro vrij voor

lastenverlichting. Door onder meer de loonkosten voor lagere inkomens gericht te verlagen, wordt arbeid goedkoper voor werkgevers. Dat leidt volgens ramingen van het Centraal Planbureau tot 35.000 nieuwe banen.

de overheid, terwijl de uitgaven voor bijvoorbeeld infrastructuur, veiligheid en sociale zekerheid niet dalen. Daardoor dreigt de belastingdruk voor werkgevers en werknemers verder te stijgen, schreef minister Dijsselbloem van Financiën in de taakopdracht aan de onderzoekscommissie. Het eindrapport is al lange tijd klaar. In de coalitie is er onenigheid over de vraag hoe er vervolg aan gegeven moet worden; regeringspartijen VVD en PvdA komen er niet uit. Volgens arbeidssocioloog Dekker van de Erasmus Universiteit Rotterdam is er weinig aan de hand. Volgens hem is 90 procent van de zelfstandigen uit vrije wil zzp’er geworden. ‘Zij zeggen steeds dat ze niet op inmenging van de overheid zitten te wachten. Ze maken gebruik van de zelfstandigenaftrek, maar willen verder geen gedoe. De

fiscale maatregelen geven hen nu juist een duwtje in de rug. En vergeet niet dat zzp’ers een deel van de economische crisis hebben opgevangen.’ Dekker ziet één groot probleem met de zelfstandigen: ze doen te weinig aan scholing. ‘Ze hebben geen tijd, geen geld of geen zin om te investeren in hun inzetbaarheid. Maar ze zijn op de langere termijn wel erg belangrijk voor de Nederlandse economie.’ Daarbij: zelfstandigen zijn niet hun hele leven zelfstandig, een deel komt op een later moment weer in loondienst. Dan zijn ze kwetsbaar op de arbeidsmarkt, zegt Dekker. ‘Werkgevers zien het niet altijd als een pre als je zzp’er bent geweest, omdat ze denken dat je geen teamspeler bent. Je kunt je positie sterker maken door te laten zien dat je een cursus hebt gevolgd.’

ZELFSTANDIGEN De hoge werkloosheid leidt er ook toe dat steeds meer werkzoekenden het proberen als zelfstandige. Het aantal zelfstandigen zonder personeel is de afgelopen jaren fors gestegen. In september maakte het CBS bekend dat er in een jaar tijd 32.000 zelfstandigen bij gekomen zijn. ‘Het aantal zzp’ers in de werkzame beroepsbevolking is in de laatste jaren steeds verder toegenomen,’ aldus het planbureau, ‘van ruim 8 procent in 2003 tot ruim 12 procent in 2015. Dit zijn ruim 1 miljoen zzp’ers.’ De grote verschuiving van loondienst naar zzp’er zorgt potentieel voor problemen op de arbeidsmarkt, maar ook voor de inkomsten van het Rijk. Al maanden werkt het kabinet aan een reactie op een groot interdepartementaal beleidsonderzoek naar zelfstandigen zonder personeel. Dat richt zich op de consequenties van het groeiend aantal zzp’ers voor bijvoorbeeld de houdbaarheid van sociale zekerheid en de belastingwetgeving, maar ook op de vermogenspositie van zelfstandigen. Zelfstandig ondernemers genieten belastingvoordelen, zoals de zelfstandigenaftrek, die werknemers in loondienst niet hebben. Ook betalen ze geen sociale premies. Dat zorgt voor lagere belastinginkomsten voor

SCHOLING Eerder dit jaar bepleitte de SociaalEconomische Raad (SER) in een advies over de toekomstbestendige arbeidsmarktinfrastructuur dat er veel meer gedaan moet worden om werkloosheid te voorkomen. Het probleem, volgens de SER, is

dat er een keiharde scheiding zit tussen het moment voorafgaand aan werkloosheid, en de periode daarna, en dat maatregelen om werkloosheid te beperken en het liefst helemaal te voorkomen onvoldoende zijn. Dat ziet ook het Sociaal Cultureel Lees verder op pagina 27

2016


groen bloed doet de overheid goed.

Bij Bij de de overheid overheid zijn zijn grote grote veranderingen veranderingen aan aan de de gang. gang. Ingegeven Ingegeven door door de de politiek. politiek. Dus Dus is is het het hier hier en en daar daar een een beetje beetje schipperen. schipperen. En En niet niet altijd altijd even even logisch logisch en en soms soms verre verre van van ideaal. ideaal. Maar Maar zo zo werkt werkt de de politiek politiek nu nu eenmaal. eenmaal. Aan Aan ambtenaren ambtenaren de de taak taak om om die die veranderingen veranderingen in in goede goede banen banen te te leiden. leiden. Dat Dat kost kost veel veel inspanning, inspanning, incasseringsincasserings- en en doorzettingsvermogen. doorzettingsvermogen. Daar Daar kunnen kunnen ze ze best best wat wat steun steun bij bij gebruiken. gebruiken.

nodig nodig zijn zijn als als de de boel boel vast vast dreigt dreigt te te lopen. lopen. Mensen Mensen met met frisse frisse energie, energie, die die van van aanpakken aanpakken weten. weten. Die Die in in het het weekend weekend uitkijken uitkijken naar naar de de maandag. maandag. Wij Wij zeggen: zeggen: mensen mensen die die groen groen bloed bloed door door hun hun aderen aderen hebben hebben stromen. stromen. Constructieve Constructieve onrustonruststokers stokers die die outside outside the the box box denken, denken, maar maar inside inside the the box box handelen. handelen. Het Het soort soort mensen mensen waarvan waarvan je je er er graag graag een een op op je je afdeling afdeling hebt. hebt. groen groen bloed bloed doet doet goed. goed.

Wij Wij zijn zijn Maandag Maandag速速.. De De detacheerder detacheerder van van de de publieke publieke sector. sector. Wij Wij weten weten wat wat voor voor mensen mensen er er


27

Werk

Vervolg van pagina 25

Planbureau (SCP). In een twee­ jaarlijks onderzoek onder 2800 werkgevers concludeerde het SCP deze zomer dat ‘ondanks de grote aandacht voor de duurzame

inzetbaarheid’, werkgevers niet meer zijn gaan investeren in scholing van hun medewerkers. Door de crisis was er bij ondernemingen domweg amper geld voor beschikbaar. In het

onderzoek meldt bijna de helft van de ondervraagde ondernemingen dat de omzet de afgelopen twee jaar gedaald is.

ROBOTISERING Maar het gaat niet alleen om cursussen om kennis bij te houden. Van de huidige werknemers worden andere vaardigheden gevraagd. Ondernemerschap bijvoorbeeld, om het als zelfstandige zonder personeel te kunnen rooien. Meer en meer groeit de vraag naar analytische vaardigheden. Door de opkomst van ict is de werkgelegenheid in het middensegment onder druk komen te staan, concludeerde het Centraal Planbureau (CPB) afgelopen juli. Computers nemen het routinematige werk over dat deze werknemers tot op heden deden. Daardoor verdwijnen de banen. Werknemers die dergelijk

werk deden, hebben nu vaker lager betaalde banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, aldus het planbureau. Dat zorgt voor druk op de lonen.

Maar de vraag naar werknemers die de uitkomsten van de computerberekeningen en -processen kunnen duiden en analyseren, neemt toe. Minister Asscher zwengelde vorig jaar de discussie over de gevolgen van robotisering aan. ‘Hoewel ik een rasoptimist ben, moet ook ik toegeven dat het scenario dat robots zullen leiden tot vooral technologische werkloosheid zeker niet ondenkbaar is,’ zei hij in het najaar van 2014 op een congres. Hij heeft de SociaalEconomische Raad onlangs een advies gevraagd over de gevolgen van nieuwe technologieën, zoals robotisering, voor de arbeidsmarkt.

Zo hebben de vakbonden professionele onderhandelaars en hebben ze meer afstand tot ‘actueel gedoe op de werkvloer’. ‘Eigenlijk gaat de discussie over de vraag of het nog nodig is de arbeidsvoorwaarden collectief te sturen,’ reageert hoogleraar arbeidsrecht Evert Verhulp van de Universiteit van Amsterdam. ‘Maar die kerstboom hebben werkgevers wel zelf opgetuigd.’ Willen ze van dure regelingen af, dan moeten werkgevers daarover onderhandelen met de vakbond en een ‘vergelijkbaar pakket’ bieden. ‘Ze moeten niet zeggen dat het verouderd is en dat het in de cao met minder af kan,’ zegt Verhulp. ‘De kern van het probleem is dat iedereen voelt dat het economisch beter gaat. Maar de vraag is waar we de winst laten.’ Die vraag speelt onder meer bij de politie, waar de acties van agenten steeds harder worden. Maar ook bij de rijksoverheid is nog geen overeenstemming over een volledige cao, al sloot minister Plasterk van Binnenlandse Zaken eerder wel een loonakkoord met drie van de vier

ambtenarenbonden. Complicerende factor is de opstelling van de FNV. De grootste bond profileert zich scherp en stemde niet in met het akkoord, dat volgens FNV leidt tot een verslechtering van het pensioen. Verhulp: ‘De Nederlandse vakbeweging heeft zich altijd bekwaamd in een zorgvuldige opstelling. Dat is economisch heel goed, maar de beloning is alleen maar ledenverlies geweest. Ze stellen zich nog steeds zorgvuldig op, maar ze bewogen vroeger minder mee dan dat ze nu lijken te willen.’ De strengere opstelling nu leidt misschien wel tot ledenwinst, suggereert Verhulp.

CAO Hoe modern zijn de collectieve arbeidsvoorwaarden nog? Bieden ze werkgevers genoeg maatwerk? Werkgevers zien nog heil in de cao’s, maar vinden dat de regelingen in de loop der jaren veel te gedetailleerd zijn geworden. Ook bevatten ze onderdelen die niet meer van deze tijd geacht worden; ouwelullendagen bijvoorbeeld. De cao is veel te dichtgeregeld, vinden ze. En dus kijken ze naar Den Haag, waar onder meer VVD en D66 vinden dat de cao meer ruimte moet bieden voor maatwerk. VVD-Kamerlid Anne Mulder werkt aan een voorstel om dat te regelen. Hij bepleitte in september nog dat niet de vakbonden, maar de ondernemingsraden de cao-onderhandelingen moeten voeren. Die weten volgens het Kamerlid beter dan de vertegenwoordigers van de vakbond wat er speelt in een bedrijf. Minister Asscher maakte eind september in een Kamerdebat korte metten met het voorstel van de VVD’ er. ‘ Er zijn goede redenen dat juist vakbonden en niet ondernemingsraden met werkgevers onderhandelen over een cao, zei Asscher.

2016


28

Toezicht

Tekst Paul van der Zwan

Toezicht op uitgaven decentralisaties geen sinecure GEMEENTEN EN PROVINCIES OP ZOEK NAAR NIEUWE INVULLING VAN HUN ROLLEN Begin dit jaar werden niet alleen taken op het gebied van jeugd, zorg en participatie van het Rijk en de provincie overgeheveld naar gemeenten maar ook geld. Worden die taken doelmatig uitgevoerd en brengen zij de gemeentefinanciën niet in gevaar? Werk aan de winkel voor het toezicht binnen gemeenten én op gemeenten.

RAAD ALMELO VULT TOEZICHT­HIAAT OP Niet alleen taken binnen het sociaal domein zijn overgegaan naar gemeenten, dat geldt ook voor het toezicht op de uitvoering ervan. Om daaraan te voldoen, richt Almelo een onafhankelijke toezichtkamer in. Daarmee denkt de gemeente de rol van de raad te versterken.

G

emeenten krijgen steeds meer toezichthoudende taken. Aanleiding vormt de inwerkingtreding van de Wet revitalisering generiek toezicht, die op 1 oktober 2012 van kracht is geworden. Corrie Steenbergen, griffier van de gemeente Almelo: ‘Voor die datum was toezicht op gemeenten vooral verticaal, dus van Rijk of provincie op gemeente. De nieuwe wet draagt het toezicht op ongeveer honderdvijftig medebewindstaken over naar gemeenteraden.’ De decentralisaties op het gebied van jeugd, zorg en participatie vallen

Corrie Steenbergen

eveneens onder dat generieke toezicht. ‘Die nieuwe taken beslaan een groot deel van onze gemeentebegroting, ongeveer 90 miljoen euro op de 300 miljoen. Dat is zo’n 30 procent,’ aldus Steenbergen. Het toezicht op de decentralisatieuitgaven is geen sinecure. In 2019 is er een verwacht tekort alleen al op de Wet sociale werkvoorziening van 2,3 miljoen euro. ‘De raad heeft er een grote verantwoordelijkheid bij.

2016

Wordt het geld voor gedecentraliseerde taken bijvoorbeeld uitgegeven conform de vooraf gestelde doelen en levert dat het gewenste effect op voor de burger?’ Een taak voor de rekenkamercommissie, zo lijkt het. Maar dat klopt volgens Steenbergen niet. ‘Bij gedecentraliseerde taken wordt veel gedaan door externen. Gemeenten maken onder meer kwaliteitsafspraken met hen. En dat is nog maar één aspect. De rekenkamer kan het toezicht op de nieuwe taken slechts bij wijze van project doen. Zij kan echter niet zorgen voor structureel toezicht.’ Daar komt bij dat de raad maar geringe invloed heeft op het werk van de rekenkamercommissie. Volgens de Gemeentewet kan de raad de onafhankelijke rekenkamercommissie geen opdrachten geven. Een hiaat voor de raad in het gemeentelijk toezicht op de decentralisatietaken dreigt.

Monitoren Om dat gat te dichten, heeft de raad van Almelo ingestemd met het


29

Toezicht

ontwikkelen van een toezichtkamer. Steenbergen: ‘Aan zo’n kamer kan de raad wel opdrachten geven. En een toezichtkamer is in staat om de uitgaven in het sociaal domein frequenter te monitoren dan de rekenkamercommissie kan en beperkt zich niet tot onderzoek.’ Die toezichtkamer is er niet op stel en sprong. ‘De raad laat onderzoeken welke informatie zij nodig heeft voor dat toezicht en welke structuur de toezichtkamer dan nodig heeft.’ De raad heeft ingestemd met een

onafhankelijke toezichtkamer inclusief een secretaris, leden en een budget. Steenbergen: ‘Vooralsnog bedraagt dat budget een ton per jaar. Uiteindelijk moet blijken wat structurele informatie voor de raad is en waarvoor onderzoek nodig blijft.’ Douwe Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, is benoemd als extern lid van de rekenkamercommissie. Hij krijgt de gelegenheid om de toezichtfunctie te ontwikkelen. Steenbergen verwacht binnenkort het plan van

aanpak voor de toezichtkamer of eigenlijk de toezichtfunctie. De raad van Almelo wil verder onderzoeken of een gezamenlijke toezichtfunctie binnen de regio Twente opgericht kan worden en daarvoor loopt een experiment samen met Hengelo en Enschede. Steenbergen: ‘De andere gemeenten willen dat vooralsnog niet, maar er komt al verandering in en naarmate onze onafhankelijke toezichtkamer of -functie meer gestalte krijgt, volgen er meer.’

LIMBURG ALERT OP FINANCIËLE RISICO’S DECENTRALISATIES De decentralisaties gaan gepaard met een toename van financiële risico’s voor gemeenten. De provincie moet daar als toezichthouder dus alert op zijn. Op dit moment kan zij nog niet veel doen, aldus gedeputeerde Marleen van Rijnsbergen (SP) van de provincie Limburg. ‘Maar we houden wel intensief contact met de Limburgse gemeenten.’

A

lle Limburgse gemeenten voldeden met hun begroting voor 2015 aan de criteria in de Gemeentewet voor het lichte repressieve toezicht, zo staat in het verslag over het door de provincies uitgevoerde financieel toezicht op gemeenten 2014. Zij kunnen dus zonder goedkeuring vooraf van de provincie hun begroting uitvoeren. Niets aan de hand voor die gemeenten, zou je denken. Schijn bedriegt, want het financiële beeld van de Limburgse gemeenten voor de periode tot 2018 is slechter dan de situatie van de afgelopen jaren. Meer gemeenten kampen met forse tekorten die met ombuigingen moeten worden afgedekt. Daarnaast wijst het verslag op een toename van risico’s door de decentralisatie van taken per 2015. Van Rijnsbergen schetst de risico’s voor de gemeenten in haar provincie. ‘In Limburg gaat het budget voor die overgehevelde taken van 2015-2020 terug met 121 miljoen euro. Daarvan zijn 94,3 miljoen euro rijksbezuinigingen (kortingen op het budget) en 25,8 miljoen euro aan vermindering ontstaat door negatieve

Marleen van Rijnsbergen

herverdeeleffecten.’ Gemeenten moeten dus dezelfde taken uitvoeren voor minder geld. Nu die taken in gemeentelijke hand zijn, kan dat allemaal veel efficiënter, is de gedachte. Van Rijnsbergen: ‘Dat ligt er natuurlijk maar aan hoe snel de transformatie van die taken doorgevoerd wordt.’

Weinig ervaring Want gemeenten hebben weinig ervaring met de uitvoering van die nieuwe taken. ‘Ze hebben een vast budget, maar ze weten niet hoeveel geld ze eraan kwijt zullen zijn. Als het geld op is in bijvoorbeeld oktober, kunnen gemeenten toch nog aanvragen krijgen voor zorg voor dit jaar. Dan overschrijden zij het budget, want de zorg eindigt natuurlijk niet als het budget op is.’ Is dat reden voor de provincie om extra alert te zijn bij haar toezicht? Van Rijnsbergen: ‘Formeel niet.’ Limburg beoordeelt elke gemeente één keer per vier jaar met een verdiepingsonderzoek. Dat onderzoek is uitgebreider dan het jaarlijkse standaardonderzoek van de gemeentelijke begroting. ‘Die systematiek houden we aan; het

2016

kost te veel tijd en moeite om vaker een verdiepingsonderzoek te houden, gesteld dat we dat al willen.’ Want informeel valt er volgens Van Rijnsbergen ook wel wat te doen. ‘We zitten vaak met gemeenten aan tafel, ook over de financiële risico’s van decentralisaties. Dus afgezien van dat verdiepingsonderzoek, houden we voldoende financieel toezicht.’ Toch kan de gedeputeerde niet zeggen of er Limburgse gemeenten zijn die al dit jaar in de financiële problemen komen door de decentralisaties. ‘Dat is op zijn vroegst te zien wanneer de jaarrekening over 2015 verschijnt; dat is in de eerste helft van het komende jaar.’ Dat maakt het bijsturen in de begroting van 2016 ook zo lastig. Op dat moment is die begroting immers al lang en breed opgesteld en goedgekeurd.’ En hoe zit het met de risico’s in de komende jaren? ‘Ik zou een glazen bol moeten hebben om dat te beoordelen, maar ik ga ervan uit dat 2015 een overgangsjaar is. Allengs zullen gemeenten die nieuwe taken beter in de vingers krijgen en zullen zij beter vooruit kunnen kijken.’ Of Limburgse gemeenten in de toekomst te maken zullen krijgen met een strenger toezichtregime, zoals preventief toezicht, durft Van Rijnsbergen niet te zeggen. ‘Maar we gaan er wel alles aan doen om dat te voorkomen. Daartoe zullen we in gesprek blijven met gemeenten en proberen te bevorderen dat Limburgse gemeenten kennis en ervaring op het gebied van decentralisaties beter gaan delen.’


30

Visie

BREDERE SCHOLING VEREIST

TALENTONTWIKKELING STEEDS BELANGRIJKER VOOR OVERHEDEN Het is bepaald geen slechte zaak dat het na alle veranderingen van de afgelopen jaren beleidsmatig de komende tijd wat rustiger blijft binnen het sociale domein. Gemeenten krijgen daardoor de gelegenheid om aandacht te schenken aan de praktische gevolgen van de transformatie. Die gevolgen zijn groot, zeggen Cor Vink en Maarten van Diggelen van Bestuursacademie Nederland.

‘D

e veranderingen in het sociale domein vergen een andere houding van de mensen die de nieuwe regels moeten uitvoeren,’ aldus Van Diggelen, HRM Programma­manager bij de Bestuursacademie Nederland. Ze moeten meer samenwerken met andere partijen en contacten leggen met burgers. Het is niet langer slechts de letter van de wet uitvoeren, maar het is veel meer handelen en beslissingen nemen in de geest van de wet. Daar zijn andere vaardigheden en een andere attitude voor nodig.’ De Bestuursacademie Nederland speelt in op die veranderingen. Cor Vink, directeur van de academie, legt uit op welke manier dat gebeurt. ‘Wij zorgen er met onze programma’s al meer dan vijftig jaar voor dat onze klanten kennis opdoen om de wet- en regelgeving goed uit te voeren. Dat blijven we natuurlijk doen, maar de medewerkers bij de gemeenten krijgen nu ook andere taken en rollen en komen in een competitievere en complexere omgeving te werken. De me-

Maarten van Diggelen

ONTWIKKELING GEMEENTELIJKE ACADEMIES

Cor Vink

dewerkers moeten zich er dus van bewust worden dat het speelveld anders is dan een aantal jaren geleden.’ Talentontwikkeling is momenteel niet voor niets heel belangrijk voor gemeenten. Enerzijds moeten ze nieuwe mensen zien te krijgen, anderzijds mensen zien te houden. Alleen kennis hebben van wet- en regelgeving is niet meer voldoende, er is bredere scholing gewenst. Van Diggelen: ‘We gaan van het leren van hard skills naar een combinatie met het trainen in soft skills, naast vakkennis zijn sensitiviteit van politiek en omgeving en inlevingsvermogen nodig. Als Bestuursacademie Nederland zetten wij daar op in, er is meer aandacht voor soft skills in onze trainingen. Veel gemeenten werken in het sociale domein met elkaar samen. Dat betekent dat verschillende organisatieculturen aan elkaar moeten wennen. Dat zijn langdurige processen, het kost al gauw een jaar of vijf om als organisatie een andere houding te krijgen. Naast de inhoudelijke opleidingen bieden we daarom ook teamontwikkeltrainingen aan.’

De Bestuursacademie Nederland bouwt samen met klanten en partners aan de professionalisering van overheidsorganisaties. Via een compleet pakket aan vakopleidingen en praktijkgerichte cursussen worden jaarlijks duizenden medewerkers binnen de overheid opgeleid en getraind. Overheidsorganisaties krijgen advies op het gebied van human resources, organisatie- en teamontwikkeling, leiderschap en cultuurverandering.

De afgelopen jaren hebben veel gemeenten eigen oplei­ dingsacademies opgericht. Het is een goede zaak dat ze meer aandacht voor HRD hebben – voor de al genoemde talentontwikke­ ling is dat ook broodnodig – maar het is de vraag of een eigen academie op termijn wel de beste oplossing is. De investeringen om een goed niveau te krijgen en dat met name ook te houden zijn hoog, want het is nodig om te blijven investeren in kennisont­ wikkeling en innovatie in didactische werkvormen en in bijvoorbeeld een digitale leeromgeving. Van Diggelen: ‘Het verschil tussen een gemeentelijke academie en de Bestuursacademie Nederland is dat opleidin­ gen ontwikkelen al meer dan vijftig jaar onze core business is. Bovendien verzorgen wij erkend onder­ wijs met een bijbehorend diploma.’


31

Column

Annet Bertram secretaris-generaal Metropoolregio Rotterdam Den Haag

I

De economische motor aanjagen

n 2005 schetste de toenmalige fractievoorzitter van de VVD Jozias van Aartsen in de Tweede Kamer een beeld van Nederland in 2015. Hij stelde hardop de vraag waarom Nederland niet het New York van Europa zou kunnen zijn. Met het Groene Hart als Central Park en een metroverbinding tussen de grote steden. Een toekomstbeeld waarin Nederland een hoofdrol heeft in nieuwe sectoren als energie, ict en water. Vorige maand sprak Ahmed Aboutaleb in de H.J. Schoo-lezing over het ongekende (economische) potentieel dat wij in de regio hebben: ‘Het Westland en de Rotterdamse haven zijn koplopers op het gebied van voedselproductie en logistiek.’ Deze visies en het besef dat wij alleen door samen te werken de economische motor kunnen aanjagen, zijn voor mij de basisgedachten achter de dit jaar opgerichte Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Ga eens na wat een kracht dit oplevert: 23 gemeenten, 20.000 gemeenteambtenaren en een kleine gemeenschappelijke organisatie, die zich gezamenlijk inzetten om economisch gezien nog beter te presteren. De economische groei en werkgelegenheid in de regio Rotterdam Den Haag blijft namelijk achter bij andere regio’s in Nederland en Europa. Ondanks de nabijheid en complementariteit van veel sterke economische sectoren komen samenwerking en cross-overs nog onvoldoende tot stand. De fysieke verbindingen in en naar de regio zijn nog niet overal op orde om economische groei te kunnen faciliteren. Daarom moeten wij investeren in de verbetering van de (internationale) bereikbaarheid, de vernieuwing van de economie, verduurzaming en attractiviteit van de regio. Zo hebben wij onlangs nog een financiële bijdrage geleverd aan het Fieldlab Smartfood. Een proeftuin om nieuwe technologieën in het foodcluster te ontwikkelen. Zetten wij in op de ov-verbindingen van en naar Rotterdam The Hague Airport, omdat deze verbindingen onmisbaar zijn voor de bereikbaarheid van de zuidelijke Randstad op internationale schaal. Ook werken wij aan de viersporigheid van de treinverbinding tussen Rotterdam en Den Haag, zodat een betrouwbare en hoog frequente treindienst mogelijk is. En zijn we druk bezig met de warmterotonde; restwarmte van de Rotterdamse haven, de Westlandse glastuinbouw en geothermie wordt gebruikt voor het verwarmen van woningen. De ontwikkeling hiervan zorgt voor werkgelegenheid, is een voorbeeld van technologische vernieuwing en leidt bovendien tot lagere energielasten voor huishoudens. De MRDH doet dit overigens niet alleen, maar werkt in veel projecten samen met de provincie Zuid-Holland, kennis­ instellingen en het bedrijfsleven. Dit zijn slechts een paar voorbeelden waaraan wij nu werken. Wij moeten nadenken over de vraag waar de regio Rotterdam Den Haag staat over twintig jaar. Waarmee verdienen wij dan ons geld? Hoe spelen we in op wereldwijde ontwikkelingen als robotisering en digitalisering? Met andere woorden: waarin moeten wij gezamenlijk investeren en welke acties zijn nodig om te komen tot een next economy? Een nieuwe economie met volop kansen voor nieuwe bedrijvigheid en banen op elk niveau. Daarom brengen wij dit nu in kaart. In 2016 verwachten wij de eerste resultaten, zodat de MRDH hieraan verder kan bouwen. De MRDH is pas net begonnen. De verbondenheid van 23 gemeenten is cruciaal voor de metropolitane samenwerking. Het is en blijft de basis. Laten we de moed hebben om vooruit te durven kijken, over onze grenzen te kijken, onze pluriformiteit te benutten voor een gezamenlijk toekomstbeeld. Ik zie de MRDH als het vliegwiel om de economie aan te jagen voor de welvaart en werkgelegenheid van onze inwoners.

15 Watergraaf Stefan Kuks (Vechtstromen) over het klimaatrobuust maken van Nederland

Secretaris-generaal Annet Bertram (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) over de metropolitane samenwerking in de zuidelijke Randstad 2016

58 Wethouder Odd Wagner (Den Helder) over het uitbesteden van gemeentelijke taken


32

De cijfers

Beeld René van Asselt

Beter dan verwacht, maar niet goed genoeg RIJKSBEGROTING 2016

I

n het koffertje van Lieftinck bood minister Dijsselbloem van Financiën op de derde dinsdag van september de Miljoenennota 2016 aan de Tweede Kamer aan. In 1946 had een ambtenaar van minister Lieftinck van Financiën de koffer voor een paar gulden op de kop getikt en er gouden letters op aangebracht. Sindsdien bood het koffertje onderdak aan een groot aantal Miljoenennota’s en was het getuige van de wederopbouw. Het werd symbool van verstandig begroten, maar ook van vernieuwde voorspoed. Een passend eerbetoon, aldus Dijsselbloem, om het originele koffertje dit jaar te gebruiken om de Miljoenennota aan te bieden. Het gaat met de Nederlandse economie beter dan verwacht, maar niet goed genoeg, waarschuwde de bewindsman op Prinsjesdag. ‘De groei geeft reden tot optimisme, maar Nederland heeft nog steeds een te hoge werkloosheid die langzaam daalt en te weinig ruimte om te groeien. Het kabinet verlaagt daarom structureel de lasten op arbeid, brengt de koopkracht in balans en gaat door met de ingezette hervormingen. Een overzicht van de belangrijkste cijfers uit de Rijksbegroting 2016.

2016


33

De cijfers

2016


34

Visie

DE SMEEROLIE VAN DE ECONOMIE

LANG LEVE DE AUTO Milieuzones, torenhoge parkeertarieven, bonnenmachines, ontmoedigingsbeleid. Het lijkt er soms op dat de auto, net als in de jaren zeventig, weer richting verdomhoekje gemanoeuvreerd wordt. Als een reflex op de problemen van vandaag. Dat is jammer en dat is onnodig. De auto is niet het probleem van nu, de auto is de oplossing van de toekomst.

D

Met vallen en opstaan, werken we gestaag aan innovatie

e auto mag dan de heilige koe genoemd worden, heilig is hij niet. Mocht u dat soms denken na het lezen van bovenstaande inleiding. Natuurlijk beseft BOVAG als geen ander dat er ook zoiets als openbaar vervoer is. En fietsen. En dat 8,2 miljoen auto’s en 885.000 bestelauto’s, 165.000 vrachtwagens en bussen ook de nodige problemen met zich mee brengen. Maar die problemen worden in rap tempo kleiner en er breekt een heel mooie, nieuwe toekomst aan voor de auto. Vooropgesteld, de auto, in welke vorm dan ook, is onmisbaar in onze maatschappij en onze economie. De personenauto’s, bestellers en trucks in Nederland zijn de smeerolie van de economie. En de auto is voor heel veel mensen dé toegang tot de wereld van werken, recreëren en sociale interactie.

Illusie Het is dan ook een illusie te denken dat de maatschappij zonder, of met heel veel minder auto’s toe zou kunnen. Wel is het heel goed voorstelbaar dat we auto’s en transport op een andere manier gaan gebruiken. Daar zie je nu al de eerste tekenen van. In binnensteden daalt de behoefte aan bezit van een auto. Daar is een grote rol weggelegd voor fietsen, ov en elektrische scooters. We schuiven bovendien op richting deeleconomie. Mensen lenen een auto bij vrienden of buren. Of ze huren er een, passend bij de behoefte van het moment. Mensen stellen hun auto beschikbaar aan onbekenden. Dat is geen experiment, maar inmiddels een business case. Privéauto’s worden ook ingezet als taxi. Daar kun je van alles van vinden, feit is dat het gebeurt en daarmee is het een teken aan de wand. Maar het delen zal nog veel verder gaan. De auto wordt straks niet alleen gedeeld als vervoermiddel, maar ook decentraal opslagpunt voor energie. En bezorgplek voor pakketjes.

Waarmee de auto niet alleen een vervoermiddel is, maar onderdeel wordt van het energienetwerk en van het landelijke transportnetwerk. En wat te denken van de connected car en de zelfrijdende auto, die op hun beurt een bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van de fileproblematiek? En die auto’s van de nabije toekomst kunnen ook het openbaar vervoer in de buitengebieden verzorgen en de daling van het aantal verkeersongevallen versnellen. Stuk voor stuk voorbeelden van de auto als oplossing in plaats van als probleem.

Nuance Het is jammer dat de auto nog steeds de zwarte piet krijgt toegespeeld als het gaat om milieu. Alsof het uitbannen van auto’s alle milieuproblemen in een klap zou oplossen. Alsof zee- en binnenvaart, energiecentrales, vuilverbranding, open haarden en industrie niet ook het hunne bijdragen aan het belasten van het milieu. Ik pleit hier dus voor nuance in de discussie. En dat is lastig zat in een periode waar de autosector onder vuur ligt vanwege een forse misstap van een prominente autofabrikant. Toch durf ik de stelling aan dat er nauwelijks sectoren zijn waar in de afgelopen decennia zoveel milieuwinst geboekt is als de automotive sector. De emissie van fijnstof en stikstofoxiden is met vele tientallen procenten gedaald. Bij personenauto’s en vrachtwagens. Er zijn schitterende, innovatieve technieken ontwikkeld om de milieuvriendelijkheid van auto’s en trucks te verhogen, ook door de autofabrikant in kwestie. Alleen is dat momenteel een lastig te verkopen boodschap, vanwege het aangetaste vertrouwen. Ik zing deze lof niet om het straatje van de autosector schoon te vegen, ik doe dat om de innovatiekracht aan te tonen. Als het moet, dan kan het. En het moet. Dat vinden


35

Visie

Bertho Eckhardt Algemeen voorzitter BOVAG

we met z’n allen. En ook de sector heeft een duwtje in de goede richting nodig. En dat krijgen we. Door de verplichte invoering van het roetfilter. Door de stapsgewijs steeds strenger wordende Europese emissie-eisen voor fabrikanten – ook wel bronbeleid genoemd. Daar gaat de komende tijd weer een schep bovenop en dat is prima. Met vallen en opstaan, werken we gestaag aan innovatie. In het licht van de huidige ontwikkelingen moeten we ook rap werk maken van een degelijke mondiale testcyclus voor nieuwe auto’s, die waarden oplevert die matchen met meetwaarden in de praktijk. Zodat we verbruikscijfers en emissiewaarden kunnen communiceren die geloofwaardig en onomstotelijk zijn. Dat is de enige manier om het vertrouwen te herstellen. En laten we bijvoorbeeld ook kijken naar de grenswaarden van de emissietest in de APK. Die kunnen wel wat strenger. Zodat we gemakkelijker manipulatie van techniek en software kunnen opsporen. We zijn daar al over in gesprek met het ministerie van Infrastructuur & Milieu. En uiteraard moeten we ernaar streven om dat vervolgens ingevoerd te krijgen in heel Europa. Strenge, gelijke APKeisen in heel de Europese Unie, dat is iets waar BOVAG al sinds jaar en dag voor pleit.

Nationale kop Waar BOVAG minder gecharmeerd van is, is de nationale kop bovenop Europese eisen. Met name als het gaat om CO2. Dat hebben we de afgelopen jaren gezien. Dat heeft de Nederlandse samenleving miljarden gekost aan fiscale douceurtjes en het heeft voor het milieu bitter weinig

betekend: elke superzuinige auto die een fabrikant hier in Nederland extra verkoopt, zorgt ervoor dat hij in een ander Europees land een onzuiniger auto kan verkopen zonder dat zijn Europese doelstelling voor gemiddelde CO2-uitstoot in gevaar komt. Het zogenoemde waterbedeffect. Dat is ook onderkend door de Rekenkamer en door staatssecretaris Wiebes. Goed dus, dat de overheid nu inzet op het Europese bronbeleid – aanspreken van de fabrikant – en afziet van al te zware ingrepen in Nederland. Dat laat onverlet dat je als Nederland nieuwe, veelbelovende technieken best een tijdelijk steuntje in de rug kan geven. Je mag de vooruitgang best een handje helpen. Denk aan de tank/laad-infrastructuur. Denk aan echte nul-emissie-auto’s, met een batterij of op waterstof. Waarbij je niet alleen de zakelijke rijder moet stimuleren. Voor de acceptatie van de nieuwe techniek in kwestie en het draagvlak van de stimuleringsmaatregel is het belangrijk om ook de particuliere rijder te ondersteunen. Ook bij de aanschaf van een gebruikte elektrische auto, zoals recent bepleit in de gezamenlijke voorstellen van autobranche en milieubeweging. Maar op enig moment zal de markt het moeten kunnen overnemen. Stimuleren moet altijd beperkt en tijdelijk van aard zijn. Daarom is het goed dat de bevoordeling van plug-in hybrides nu geleidelijk, stap voor stap wordt afgebouwd. Vanaf 2019 moeten die op eigen benen kunnen staan. Ik geloof in de innovatiekracht van de auto-industrie en in de toekomst van de auto. In zijn klassieke rol van vrijheidsbrenger. Maar ook in zijn nieuwe rol van probleemoplosser. Lang leve de auto. En de fiets.

BOVAG is de brancheorganisatie van personenauto- en truckdealers, algemene auto-, tweewieler-, caravan-, aanhangwagen-, motorenrevisie-, autoverhuur- en autowasbedrijven, verkeersoplei­ dingen en tankstations. BOVAG behartigt de belangen van ruim 9.000 ondernemers, die een gezamenlijke omzet hebben van 45 miljard euro en werk bieden aan ruim 80.000 mensen.


36

In beeld

Beeld Jiri Büller

VNG | IPO | UvW

Er zitten voor ons geen rare financiële boodschappen in de Miljoenennota

BEHOEFTE Johan Remkes

Commissaris van de Koning Noord-Holland

Voorzitter Interprovinciaal Overleg (IPO) Het woord provincie komt in de rijksbegroting 2016 niet al te vaak voor, maar dat mis ik ook niet echt. De provincies hebben op dit moment gewoon behoefte aan stabiliteit, zodat we in alle rust ons werk kunnen doen. We hebben de ruimte nodig om met andere overheden en maatschappelijke groeperingen grensontkennend samen te werken. Met de beleidsvoorstellen die nu in de begrotingen van onder meer BZK, EZ en IenM worden gedaan, zullen de provincies niet gehinderd worden. Er zitten voor ons geen rare financiële boodschappen

2016

in de Miljoenennota. Het kabinet komt de afspraken en toezeggingen gewoon na. Onder andere met het Natuurpact dat we twee jaar geleden met het Rijk hebben gesloten. We hebben geen enkele reden om te klagen. Ik ben blij dat we de jaren waarin we elkaar in de put aan het praten waren, achter de rug hebben. De toonzetting kan gelukkig weer anders zijn. De economie is aan het groeien, hoewel de werkloosheid nog steeds hoog is. Daarom blijven de provincies ook investeren in het versterken


37

In beeld

AAN STABILITEIT van de regionale economie en het vergroten van de werkgelegenheid. Bijvoorbeeld door het faciliteren van start-ups en andere innovatieve initiatieven in het midden- en kleinbedrijf. Daar waren we al langere tijd met het kabinet over in gesprek. Mooi dat daar nu 35 miljoen euro voor wordt vrijgemaakt. Energietransitie is een belangrijk element in alle collegeprogramma’s die na de Provinciale Statenverkiezingen van dit voorjaar zijn opgesteld. Het energiebeleid van het kabinet staat – naast een visie

op 2050 die eind dit jaar wordt verwacht – in 2016 vooral in het teken van de uitvoering van bestaande afspraken en de evaluatie van het energieakkoord. Wij hebben dat akkoord medeondertekend en gaan er onder meer voor zorgen dat we in 2020 6000 MW wind op land hebben gerealiseerd. Op de provinciale werkvloer worden daar natuurlijk wel politieke discussies over gevoerd, maar we hebben deze afspraak gemaakt, dus het kabinet kan ons erop aanspreken. (CC)

2016


38

Visie

TRANSFORMATIE ALS LEERPROCES

MENSELIJKE MAAT MAAKT RESULTAAT INZICHTELIJK

Met Menselijke Maat kunnen gemeenten meten in welke mate organisaties bijdragen aan de doelen van de Wmo en de Jeugdwet. Daarmee monitort u de wat-vraag op het hoogste niveau. De hoe-vraag kunt u veel meer overlaten aan de professionals.

menselijke maat auto nomie

W

eet u welk verschil Wmo-ondersteuning maakt in het leven van inwoners? Kunt u de gemeenteraad volledig informeren over de outcome van de Wmo en Jeugdwet? Menselijke Maat maakt dit inzichtelijk. Niet enkel om te verantwoorden, maar vooral om van te leren. De transformatie zien wij als een leerproces voor gemeenten en sociale professionals, waarin Menselijke Maat ondersteunt.

compe tentie

Menselijke Maat is uitvoerig getest op validiteit en begrip door de Universiteit Twente. Vragen sluiten aan op de leefwereld van cliënten. Cliënten zijn eigenaar van hun gegevens en hebben als enige inzicht in hun eigen resultaten. Via een dashboard krijgen gemeenten inzicht in geaggregeerde resultaten. Uitkomsten kunnen worden gesorteerd naar postcodege­ bied, doelgroep, zorgsoort, zorgaanbieder en meer.

sociale relaties

Onze visie: 1) De transformatie vraagt van inwoners om meer zelf te doen en meer samen met anderen te doen. 2) De transformatie draait om de inwoner, maar begint bij de sociale professional: die zal zich anders moeten opstellen in contact met de inwoner. De centrale vraag is: hoe ervaren cliënten de invloed van ondersteuning op hun kwaliteit van leven; op hun welbevinden? Kosten en uren (output) worden meestal prima geregistreerd, Menselijke Maat maakt de effecten van de geïnvesteerde middelen inzichtelijk. Sturen en bijsturen wordt daardoor een stuk simpeler. En dat is precies wat veel gemeenteraden willen: inzicht in gemeentelijk handelen en stevige inzet op verbetering en verandering.

Menselijke Maat is een initiatief van Arcon. Arcon is een non-profitorganisatie gericht op innovatie in zorg en welzijn. Meer weten? Maak een afspraak met Aad Francissen: Kader body 074 – 24 26 520 of a.francissen@menselijkemaat.nl. www.menselijkemaat.nl

Rijksbegroting 2015


39

Dossiers 39 Opnieuw Thuis wil regiodeals huisvesting vluchtelingen

41 Klimaatvonnis heeft gevolgen voor lokaal beleid

42 Wijzigen rechtspositie 44 Eenvoudiger ambtenaren nog lang niet belastingstelsel afgerond vereist terugdringen instrumentele functie

Vluchtelingen

BUURGEMEENTEN HELPEN ELKAAR STATUSHOUDERS TE HUISVESTEN AMBASSADEUR MARCO FLORIJN MAAKT AFSPRAKEN PER REGIO Gemeenten helpen steeds meer vluchtelingen met een verblijfstatus aan woonruimte, maar toch lopen de achterstanden bij die huisvesting op. Asielzoekers blijven immers naar onder meer Nederland komen. Platform Opnieuw Thuis helpt gemeenten om aan hun wettelijke taak voor huisvesting te voldoen. Belangrijke troeven van ambassadeur Marco Florijn: onconventioneel huisvesten van mensen en regionale afspraken voor onderlinge uitruil door gemeenten.

Syrische vluchtelingen met een verblijfsvergunning wonen in Amsterdam onder één dak met studenten (Foto: Marc Driessen/HH) Tekst Paul van der Zwan

D

e geografische kaart met de voortgang van de huisvesting­ opgave op de site van Opnieuw Thuis (zie kader op pag. 40) spreekt boekdelen. Een groot deel van de gemeenten is rood gekleurd; dat betekent dat zij tot nu toe verhoudingsgewijs minder dan de helft van de vluchtelingen met een verblijfsstatus die zij dit jaar moeten huisvesten, aan een woning hebben geholpen. Hoe verder het jaar verstrijkt, hoe roder de kaart, zo blijkt. Toch prijst Florijn de inspanningen van gemeenten. Zij hebben dit

jaar samen al 16.000 vluchtelingen gehuisvest. ‘Dat is veel meer dan de jaren ervoor. Gemeenten pakken met ronkende motor door.’ Des te frustrerender vindt hij de achterstanden voor gemeenten. Zij moeten tot het eind van het jaar nog ruim 15.000 vluchtelingen een dak boven hun hoofd bieden. En dan te bedenken dat de taakstelling voor volgend jaar alleen nog maar groter kan worden. Volgens Europese afspraken neemt Nederland immers ook een deel op van de stroom asielzoekers die momenteel naar Europa komt. Het getal ligt nu op 7200 asielzoekers extra voor de komende jaren;

2016

die komen bovenop de 2000 asielzoekers extra uit een eerdere afspraak. Hoe lang deze cijfers actueel zijn, valt uiteraard niet te zeggen. Florijn noemt de achterstanden bij de huisvesting van vluchtelingen alarmerend. ‘Die mensen zitten daardoor langer in asielzoekerscentra (azc’s) dan nodig. Dat belemmert hun integratie in de samenleving.’ Daarnaast houden deze mensen plekken bezet in azc’s die zijn bedoeld voor nieuwe vluchtelingen. ‘Mede daardoor zijn nieuwe azc’s hard nodig.’ Gemeenten moeten vluchtelingen huisvesten naar rato van het aantal inwoners. Florijn: ‘Dat is wel erg rigide,


40

Dossiers

maar op dit moment het minst slechte systeem. Toch kun je gemeenten niet over één kam scheren.’ Hij wijst bijvoorbeeld op gemeenten met veel studenten. ‘Het is logisch dat die minder mogelijkheden hebben om vluchtelingen te huisvesten. Het kan zijn dat een buurgemeente juist relatief veel woonruimte beschikbaar heeft voor statushouders. Een uitruil lijkt me een goede oplossing.’ Om die oplossing dichterbij te brengen, wil Florijn regionale afspraken. ‘Eén daarvan is dat gemeenten binnen die regio met elkaar afspreken dat ze de gezamenlijke taakstelling proberen te halen en dat de ene gemeente de andere kan helpen.’ En zo streeft Florijn naar zo’n tien afspraken per regio. Nog dit jaar wil Florijn, die half juli begon als ambassadeur, vijf ‘regiodeals’ hebben gesloten.

Voorzieningen redden Niet alleen de mogelijkheden voor gemeenten om vluchtelingen te huisvesten verschillen, dat geldt ook voor regio’s. ‘Limburg kent een roep om vluchtelingen, want daar krimpt het aantal inwoners, wat een bedreiging vormt voor de voorzieningen. De komst van vluchtelingen kan die voorzieningen redden.’ Delen van de provincie Groningen zijn eveneens krimpgebieden. ‘Daar zijn de voorzieningen vaak al verdwenen, dus zijn vluchtelingen minder noodzakelijk.’ Hoeveel vluchtelingen op te nemen, vormt niet de enige vraag van gemeenten. Het samenlevingsverband van de vluchtelingen kan ook een rol spelen. ‘Zo kan het zijn dat gemeenten vooral eengezinswoningen voor hen in de aanbieding hebben. Veel gemeenten weten niet dat zij dergelijke voorkeuren kunnen doorgeven aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.’ Het is naar het oordeel van Florijn essentieel dat mensen daar geplaatst worden waar werk is. ‘Dus de techneut in de regio Eindhoven, de advocaat de stad en de zorgprofessional in een vergrijsd gebied. Dat gebeurt nu nog te weinig waardoor mensen onnodig lang in de bijstand zitten. “Direct aan de slag” is mijn motto. Niet thuis zitten met alleen drie dagdelen taalles; dat is voor niemand goed.’

Opnieuw Thuis steunt gemeenten bij de huisvesting van vluchtelingen. Dat Marco Florijn werd aangesteld als ambassadeur is gezien zijn verleden niet zo vreemd. ‘Als wethouder in Leeuwarden en Rotterdam had ik al te maken met de huisvesting van vluchtelingen.’ Daardoor kent Florijn de gemeentelijke mogelijkheden daarvoor wel zo’n beetje.

Kennis ontbreekt Die kennis ontbreekt bij gemeenten wel eens. Bijvoorbeeld voor het huisvesten van vluchtelingen in kantoorgebouwen moeten bestemmingsplannen tijdelijk worden gewijzigd. Florijn merkt dat gemeen­ ten niet altijd op de hoogte zijn. ‘Dat komt soms door de organisatie van het werk. De zorg voor vluchtelingen is dan belegd bij een ambtenaar die in het sociaal domein zit, maar niet in het fysieke domein. Deze weet bijvoorbeeld niet zo goed hoe woningcorporaties werken.’ Het Platform Opnieuw Thuis stelt praktische kennis beschikbaar aan gemeenten. ‘Als je woningen maakt in een kantoorgebouw, moet je bijvoorbeeld overal toiletten aanbrengen. Daarvoor heb je een brede afvoer nodig, maar het is een hels karwei om die aan te leggen. Er zijn echter

PLATFORM OPNIEUW THUIS Het Platform Opnieuw Thuis wil de huisves­ ting van toegelaten vluchtelingen versnellen en verbeteren. De toestroom van asielzoe­ kers is in één jaar tijd verdubbeld. Een ken­ tering is nog niet in zicht. Vluchtelingen met een verblijfsvergunning hebben recht op een dak boven het hoofd. Alleen dan kunnen zij een nieuwe start maken en een bijdrage aan de samenleving leveren. Gemeenten staan voor de taak dat te organiseren. Een opgave waarbij ze steun krijgen van Opnieuw Thuis. Het Platform is een samenwerkingsver­ band van gemeenten, woningcorporaties, provincies, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, vereniging van woningcorpo­ raties Aedes, de VNG, het Interprovinciaal Overleg, Platform 31 en ministeries SZW, VenJ en BZK.

2016

ombouwpakketten in de handel met toiletpotten als in vliegtuigen, wat een soort vermalers zijn. Er zijn eveneens andere creatieve oplossingen denkbaar. Daarvoor hebben we experts beschikbaar.’ Het platform kan eveneens wijzen op innovaties. Zo kunnen antikraakwoningen worden gebruikt voor vluchtelingen. ‘Dan gaat het vooral om mensen met minder grote trauma’s en alleenstaanden.’ Specifieke keuzes die gemeenten maken, kunnen eveneens rekenen op aandacht van Opnieuw Thuis. ‘Zo heeft de gemeente Nijmegen Eritreeërs bij elkaar geplaatst. Je kunt je afvragen of dat verstandig is, het gevaar van clanvorming ligt immers op de loer. Gelukkig houdt Nijmegen de vinger goed aan de pols.’ Het platform werkt momenteel aan een handreiking voor gemeenten voor het maken van goede samenstelling van mensen in een pand.’ Ook procesverbetering is een belangrijke taak van het platform. ‘Er is een top 15 gemaakt van problemen in de processen. Een projectgroep van ons gaat overbodige bureaucratische rompslomp aanpakken.’

Meerwaarde Florijn heeft een aanstelling tot eind dit jaar. In december beslist het Platform of hij door kan gaan. ‘Ik maak natuurlijk zelf ook mijn afweging. Ik ga alleen door als ik een meerwaarde kan bieden.’ Plannen heeft hij overigens te over. Zo gaat hij zijn best doen om de huisvesting van vluchtelingen beter op de agenda van gemeenten te krijgen. ‘Kleinere gemeenten hoeven vaak maar acht vluchtelingen per jaar te huisvesten. Met een kleine achterstand van soms maar één, lijkt de noodzaak van een regioafspraak niet zo groot. Toch wil ik ook daar de urgentie benadrukken.’ Dit jaar en in 2016 organiseert Florijn daarom een bijeenkomst in iedere provincie. Dat doet hij samen met onder meer bestuurders en ambtenaren van gemeenten en provincies, met corporaties en met Vluchtelingenwerk Nederland. Florijn zet de vaart er dus in. ‘Maar we moeten niet naïef zijn: het duurt wel even voordat we goed op gang zijn met deze complexe huisvestingstaak.’


41

Dossiers

Milieu

OOK GEMEENTEN MOETEN ‘INFERNO OP AARDE’ AFWENDEN KLIMAATVONNIS HEEFT GEVOLGEN VOOR LOKAAL BELEID Het geruchtmakende klimaatvonnis van afgelopen zomer is ook bij gemeenten niet onopgemerkt gebleven. Juridische gevolgen zijn er niet direct voor lagere overheden. Toch zal de uitspraak invloed hebben op het lokale klimaatbeleid in 2016, denkt Urgenda-directeur Marjan Minnesma. Tekst Richard Sandee

E

ind juni stelde de Haagse rechtbank klimaatactiegroep Urgenda en negenhonderd aangesloten burgers in het gelijk. Hun eis: verder terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen die zorgen voor opwarming van de aarde. Het kabinetsbeleid leidt tot een reductie van slechts 17 procent in 2020 ten opzichte van 1990. Dat moet omhoog naar 25 procent, bevestigde de rechter. ‘Zelfs dat is nog lang niet genoeg, maar het helpt ten minste een beetje om een soort inferno op aarde af te wenden, waar we echt op afkoersen met 4 tot 6 graden temperatuur­ stijging deze eeuw,’ zegt Minnesma in een vraaggesprek met Focus. ‘Daar is de hele wetenschap het over eens en het kabinet heeft die gevaren steeds onderschreven. In dat licht moet je de uitspraak zien. Het is in juridische termen een onrechtmatige

POEP EN PIES Wat is er nodig om het door de rechter opgelegde doel van minder CO2-uitstoot te halen? Volgens Minnesma moet vooral ook buiten de gebaande paden worden gekeken. Een onconventionele maar zeer effectieve maatregel is het verwerken van mest, zegt ze. ‘Die poep en pies ligt nu vaak te rotten op boerenbedrijven en stoot daarbij een hoop methaan uit, een broeikasgas dat 22 keer zo erg is als CO2. Dit kan versneld worden verwerkt tot groen gas en grondstoffen als fosfaat, waardoor weer minder kunstmest hoeft te worden geïmporteerd. Boeren moet daarbij wel ondersteund worden.’

Foto: Kees van de Veen/HH

daad om burgers hier niet tegen te beschermen.’

Vraagtekens Critici vinden dat de rechter ‘op de stoel van de politiek’ is gaan zitten. Ook het kabinet zet ‘vraagtekens bij de omvang van de toetsing door de rechter van de aan de overheid toekomende beleidsruimte en de daarmee gepaard gaande afweging van uiteenlopende belangen’, aldus verantwoordelijk staatssecretaris Mansveld in een brief aan de Kamer. De Staat besloot dan ook in hoger beroep te gaan. Mansveld schrijft tevens dat de Staat hangende het hoger beroep ‘begint met het uitvoeren van het vonnis’. Hoe serieus dat is, zal moeten blijken. In de eerste plaats worden slechts lopende onderzoe­ ken afgewacht. In de eerste helft van

2016

2016 volgt een brief waarin het kabinet aangeeft ‘welke vervolgstappen zullen worden genomen’. Ondertussen zorgt de uitspraak ook in gemeenteraden voor beroering. Raadsvragen werden gesteld in onder meer Den Haag, Gouda en Eindhoven. Daarbij wordt natuurlijk gevist naar de lokale gevolgen. ‘Hoe interpreteert het college de betekenis van deze uitspraak voor gemeenten in het algemeen, en voor de gemeente Den Haag in het bijzonder?’ vroeg een ruime meerderheid van de fracties in de Hofstad. Het antwoord van het college is helder: ‘De Staat wordt aangesproken om actie te ondernemen en niet gemeenten. In die zin heeft de uitspraak geen directe betekenis voor gemeenten of voor de gemeente Den Haag in het bijzonder.’ Het


42

Dossiers

stadsbestuur spreekt wel van een ‘extra steun in de rug’ voor het plaatselijke klimaatbeleid. Minnesma onderschrijft deze lezing. ‘In essentie is het een uitspraak tegen de Staat. Hoe de Staat hier uitvoering aan geeft, is aan hem. Wat we wel zien is dat meteen na het vonnis in alle hoeken van het land, in gemeenten en provincies, spontaan de vraag opkwam “moeten wij dit niet gaan invullen?” Her en der zijn ook moties aangenomen om extra inspanningen te leveren.’

‘Her en der zijn moties aan­genomen om extra inspanningen te leveren’

In de clinch Maar de gemeente is dus niet aan­­ spreekbaar op het vonnis, ook niet voor bijvoorbeeld burgers die geen toestemming krijgen om zonne­ panelen te plaatsen. Evenmin heeft het vonnis een interbestuurlijke betekenis. Zo kan de gemeente Amsterdam niet met de uitspraak in de hand afdwingen dat de provincie windmolens toestaat – iets waarover de bestuurslagen al lang in de clinch liggen.

Enerzijds is het afdwingen van minder uitstoot ook echt een nationale aangelegenheid, omdat er wetgeving en middelen uit de rijksbegroting voor nodig zijn. ‘Als je bijvoorbeeld de industrie zou dwingen tot 2 procent energiebesparing per jaar, ben je al heel eind. Je kunt ook denken aan het sluiten van kolencentrales, ondersteund door herinvoering van de kolentaks,’ zegt Minnesma.

Anderzijds ziet zij wel degelijk moge­ lijkheden voor gemeenten. ‘Bedrijven zijn nu al wettelijk verplicht tot het nemen van energiebesparingsmaat­ regelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Het gebeurt alleen niet, want er wordt niet op gehandhaafd. Ik kan me goed voorstellen dat gemeenten hierin – in overleg met IenM – een rol zouden kunnen spelen.’

Morele plicht Sowieso vindt Minnesma dat een ‘morele plicht’ rust op alle bestuurders om te doen wat ze kunnen. Verder is het voorstelbaar dat decentrale overheden via het Rijk een deel van de besparingsopgave op hun bord krijgen. ‘Het zou tenslotte niet de eerste keer zijn dat verantwoorde­ lijkheden naar beneden worden geduwd. Niet alles hoeft bovendien hard en wettelijk. Het Rijk kan ook heel verstandig met VNG en IPO om de tafel gaan zitten, om te kijken hoe we dit samen gaan klaren.’

Rechtspositie

PLASTERK MOET AAN DE BAK RECHTSPOSITIE AMBTENAREN OP DE SCHOP De Eerste Kamer is kritisch en beslist waarschijnlijk in november. Als de senaat dan instemt met de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, moet het omvangrijke wetgevingsproces nog beginnen. Tekst Rutger van den Dikkenberg

D

ie klus laten de Kamerleden die het wetsvoorstel indienden, Steven van Weyenberg (D66) en Mona Keijzer (CDA), over aan minister Plasterk van Binnenlandse Zaken. Op z’n vroegst eind 2016 denkt hij de voorstellen daarvoor naar de Raad van State te sturen, waardoor de wet zelf niet eerder dan in 2018 in werking kan treden. Lagere overheden wacht eenzelfde traject, waarschuwt de minister. Met de normaliseringswet wordt zoveel mogelijk een einde gemaakt aan de situatie waarin de arbeidsrechtelijke

positie van werknemers in de private sector en ambtenaren in dienst van de overheid van elkaar verschillen. Dat wordt geregeld door het leeuwendeel van de bijzonderheden voor ambtenaren af te schaffen en hen onder het arbeidsrecht van de private sector onder te brengen.

Bestuursrecht Ambtenaren vallen als het gaat om hun arbeidsrechtelijke positie nu nog onder het bestuursrecht. Werknemers in de marktsector vallen onder het burgerlijk of civiel recht. Anders dan werknemers, waarbij werknemer en werkgever beiden hun

2016

handtekening onder een dienstverband sluiten, worden ambtenaren eenzijdig per besluit aangesteld. Daarnaast biedt het bestuursrecht veel meer mogelijkheden om tegen besluiten in beroep te gaan dan het civiel recht. Oneerlijk, aldus de indieners. Dat verandert dus. De wet houdt overigens de benaming ‘ambtenaar’ in stand; en ambtenaren blijven verplicht om bij indiensttreding de eed af te leggen. Maar de indieners, Tweede Kamer­ leden van D66 en CDA, regelden in hun wet alleen de hoofdzaken. In het kort komen die erop neer dat voor de grootste groep ambtenaren – agenten,


43

Dossiers

Foto: Phil Nijhuis/HH

militairen en de rechterlijke macht zijn uitgezonderd – het Burgerlijk Wetboek leidend wordt als het gaat om de arbeidsrechtelijke positie. Nu is dat nog de Ambtenarenwet. Dat betekent dat onder meer het civiele ontslagrecht voor hen gaat gelden. Dat is recent, met de Wet werk en zekerheid nog grondig gewijzigd.

Wetgevingstraject Nu die wet is aangenomen, is er nog een fors tweede wetgevingstraject nodig, waar verantwoordelijk minister Plasterk van Binnenlandse Zaken de komende jaren nog wel zoet mee is. ‘De omzetting van de systeemwijziging in de wetgeving is een grote operatie, maar deze operatie is eenmalig,’ schreef de bewindsman in juni aan de Eerste Kamer. Plasterk schat nog zo’n twee tot drie jaar nodig te hebben voor alle wetswijzigingen. Uit een voorlopige inventarisatie blijkt dat er ongeveer honderd wetten gewijzigd moeten worden, evenals een nog onbekend aantal lagere regels. In al die wetten staan tal van verwijzingen naar bijvoorbeeld de aanstellingswijze van ambtenaren. Die moeten allemaal aangepast worden, een operatie die complexer is dan een simpele ‘zoek- en vervangopdracht’. Omdat een aantal groepen ambtenaren onder het oude regime blijft vallen – moet er ook voor hen nieuwe wetsbepalingen worden geschreven. ‘Voor

hen moeten bijvoorbeeld de rechtspositionele ­voorwaarden wettelijk geregeld blijven,’ aldus Plasterk. De screening die daarvoor nodig is, leidt tot aanpassingen op bijna alle ministeries. Plasterk gaat daarom komend jaar werken aan drie afzonderlijke wetsvoorstellen. De eerste betreft een algemene ‘verzamelwet’ en is de meest omvangrijke van de drie. Daarin worden alle wijzigingen in gewone wetgeving geregeld. Het gaat voor een deel om aanpassing van juridische terminologie. Zo bevatten veel wetten een verwijzing naar het feit dat ambtenaren ‘benoemd’ worden. Die verwijzingen moeten worden vervangen door het ‘aangaan van een arbeidsovereenkomst.’ Ontslag moet

INITIATIEFWET-KOSER KAYA/VAN HIJUM De oorspronkelijke initiatiefwet normalise­ ring rechtspositie ambtenaren werd in 2010 ingediend door toenmalig Tweede Kamerle­ den Fatma Koser Kaya (D66) en Eddy van Hijum (CDA). Van Hijum is inmiddels lid van Gedeputeerde Staten in Overijssel. Koser Kaya verliet de Kamer in 2012 om wethouder in Wassenaar te worden. Sinds afgelopen zomer is ze weer terug als Kamerlid, maar laat de behandeling van het wetsvoorstel over aan haar collega Van Weyenberg.

2016

vervangen worden door ‘beëindiging van de arbeidsovereenkomst.’ Domweg knippen en plakken kan niet: bij elke bepaling moet gekeken worden wat de consequenties zijn van de aanpassing en of er geen onbedoelde effecten optreden. In diezelfde wet worden ook de uitzonderingen geregeld. Het tweede en derde wetsvoorstel zijn kleiner. Die hebben betrekking op bepalingen in rijkswetten, die ook geldig zijn op Aruba, Curaçao en Sint Maarten, of op bepalingen die gaan over de rechtspositie van Tweede Kamer. Daarvoor is een tweederdemeerderheid nodig. Maar daarmee is het proces nog niet voltooid. Gelijktijdig met de wetsvoorstellen moeten er echte cao’s worden afgesloten. Hoewel de bonden en de overheid nu ook onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden, worden die formeel eenzijdig door de overheid vastgelegd in regelingen. Voor het Rijk gaat het om de ROP-regeling en het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), bij gemeenten betreft het de CAR-UWO-regeling. Vooral bij het Rijk is het afsluiten van een cao geen sinecure: daar is al jaren onenigheid over een eventuele loonsverhoging. Ook verwacht Plasterk dat het omen bijscholen van personeelsmedewerkers, arbeidsjuristen en managers tijd kosten. Dat geldt ook voor het updaten van administratiesystemen.


44

Dossiers

Fiscaal

MONSTERLIJKE TREKKEN WETENSCHAPPERS ZIEN OPMARS IN INSTRUMENTELE BELASTINGHEFFING Aan een grote belastingherziening waagt het kabinet zich niet meer. Ondanks steun voor onderdelen van de plannen ontbrak het in politiek Den Haag aan draagvlak om de zaken grondig aan te pakken. Wat blijft, is hap-snapbeleid waarbij belastingmaatregelen te lichtzinnig worden ingezet. Tekst Richard Sandee

B

elastingen blijken namelijk steeds weer een geliefd instrument om gedrag te sturen. Fiscalisten beginnen daarbij al snel te morren. Maar Leo Stevens en Koos Boer tonen begrip voor de instrumentele functie. Het moet wel minder en doordachter, zeggen ze. Voordat een Nederlander de geur van zijn nieuwe auto opsnuift en voor de eerste keer het gaspedaal indrukt, wordt hij volop gestuurd. Auto’s die

weinig CO2 uitstoten, hebben een streepje voor bij de overheid. De aanschafbelasting BPM valt daardoor aanzienlijk lager uit. In het gebruik reken je minder motorrijtuigenbelasting af. En vergeet ook niet de brandstofaccijns, die voor zuinige modellen nogal wat betaalbaarder uitpakt. Leaserijders worden volop geprikkeld in dezelfde richting. Bij deze groep gebeurt dat via de zogenaamde bijtelling voor privégebruik. Bepaalde modellen kunnen daardoor erg in trek zijn. Zeker als

de regels op het punt staan te veranderen. Dan ontstaat soms een ware run op de fiscaal bevoordeelde voertuigen. Zoals eind 2013 met de plugin-hybride Mitsubishi Outlander, die sindsdien niet meer te missen is in het straatbeeld.

Gedoe Niet iedereen staat te juichen bij deze ingrepen van de overheid. Hoogleraar algemeen belastingrecht Koos Boer van de Universiteit Leiden spreekt enigszins schertsend van ‘dat

advertentie

EE2016_advertentie_180x135.indd 1

9/29/2015 9:11:48 AM


45

Dossiers

ingewikkelde gedoe met die groene autootjes’. Stimuleren van zuinige auto’s lijkt misschien eenvoudig, maar dat is het niet, zegt hij. ‘Aan de ene kant kun je zeggen, hartstikke goed dat de overheid dit doet, zo sparen we het milieu. Maar hoe milieuvriendelijk zijn die auto’s nu precies als je bijvoorbeeld rekening houdt met het verwerken van de batterij als die heeft afgedaan? Hoe terecht is de stimulans dan nog?’ Leo Stevens, emeritus hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, signaleert ook tekortkomingen. ‘Het is evident dat bijvoorbeeld die plug-in-hybrides lang niet allemaal worden ingeplugd. Met andere woorden, ze gebruiken conventionele brandstof, en wellicht zelfs méér dan auto’s die als milieuonvriendelijk te boek staan. Ik denk dat zulke stimuleringsmaatregelen

‘Je creëert ongelijkheid; daar moet je niet bang voor zijn’

Koos Boer

hun doel voorbijschieten, hoewel de recente wijzigingsvoorstellen zeker verbeteringen inhouden.’ Een punt dat ook voortdurend discussie oproept, is in hoeverre de genoemde Outlanders (vanaf 40.000 euro) en met name de Tesla’s (tegen de 80.000 euro) stimulering van de overheid nodig hebben. ‘Daar gaat gevoelsmatig wel iets scheef,’ zegt Boer. ‘Iedereen vindt de Tesla een prachtige auto, ze zien er supergaaf uit en ik misgun niemand de lol om erin te rijden. Maar gevoelsmatig moet je ook de belasting betalen die bij zo’n duurdere auto hoort. Hoe valt de fiscale bevoordeling uit te leggen aan iemand die wél stevig autobelastingen betaalt?’ Staatssecretaris Wiebes zette in zijn autobrief een voorzichtige stap om deze stimulering van het luxe segment af te bouwen. Vanaf 2017 wil hij een einde maken aan de gunstige bijtelling voor het deel van de aankoopwaarde boven de 50.000 euro. Dat leidde meteen weer tot de kritiek dat hij doet aan ‘Tesla pesten’. Een verwijt dat de bewindsman wegwuifde, maar daarmee is het laatste woord er waarschijnlijk niet over gezegd. De definitieve plannen moet nog in wetsvoorstellen worden uitgewerkt.

Gedrag sturen Het gedoe met de auto’s is exemplarisch voor wat er speelt rond ‘instrumentele belastingheffing’, waarbij fiscale maatregelen (mede) bedoeld zijn om gedrag te sturen. Stevens leverde al vaak kritiek op het ondoordachte gebruik van het fiscale beleidsinstrument. De verstoring van het draagkrachtbeginsel is een van zijn bezwaren. ‘Dat draagkrachtbeginsel is een wezenlijk kenmerk van het stelsel, en dient de rechtvaardigheid ervan. Dit doorkruis je als bepaald gedrag met fiscale prikkels wordt ontmoedigd of juist aangemoedigd.’ Boer zegt: ‘Je creëert ongelijkheid. Daar moet je denk ik niet bang voor zijn, maar er moet altijd een redelijke rechtvaardiging voor bestaan.’

2016

Leo Stevens

‘Echt simpel zal het niet kunnen worden’

Een tweede bezwaar is dat het stelsel er ingewikkeld van wordt. Zowel Stevens als Boer wijst op dit breed onderkende nadeel. Ook Wiebes moet dit in zijn autobrief toegeven. ‘Door maatschappelijke veranderingen, politieke wensen en budgettaire noodzaak is ons fiscale systeem, de autobelastingen voorop, erg complex geworden,’ schrijft de staatssecretaris. Echt simpel zal het niet kunnen worden, zegt Stevens er meteen bij. ‘Een complexe samenleving brengt van nature een complex belastingstelsel voort. Maar ik zou al zeer tevreden zijn als er niet lichtzinnig, opportunistisch en politiek gedreven stimuleringsmaatregelen worden ingevoerd. Doe dit pas na zorgvuldige analyse.’ Dat het er weleens te gemakkelijk aan toegaat, lijdt eigenlijk geen twijfel. Boer sprak in zijn oratie in 2013 over


46

Dossiers

de ‘monsterlijke trekken’ die het instrumentalisme aanneemt. ‘Soms wordt het wel griezelig,’ licht hij toe, ‘dan heeft het met goede wetgeving weinig te maken. Bijvoorbeeld de Bedrijfopvolgingsfaciliteit in de Successiewet. Die regeling maakt dat erfgenamen binnen een ondernemersgezin nauwelijks belasting hoeven te betalen over een nalatenschap. Met als achterliggende gedachte: anders verpatsen ze het bedrijf om de erfbelasting te kunnen betalen en dat is slecht voor de werkgelegenheid. Qua maatvoering is de huidige faciliteit echter enorm scheef. En waarom zou je eigenlijk niet eerst afwachten of er daadwerkelijk liquiditeitsproblemen ontstaan en daarvoor een voorziening bieden?’

Dubbel dividend Een aspect dat de instrumentele functie bemoeilijkt, is dat de regelingen ofwel niet werken óf aan hun eigen succes ten onder gaan. Boer: ‘Er wordt vaak gesproken van een “dubbel dividend”: winst voor het milieu én voor de schatkist. Maar ben je met het ene succesvol, dan haal je het andere niet. Dus bereik je een goed milieu, dan is er geen belastingopbrengst. Je hebt een groen oerwoud zonder geld, óf je zit in de smog met geld in je portemonnee.’ Stevens maakte deel uit van verschillende commissies die nadachten over groene belastingen. ‘Het blijkt moeilijk een opzet te vinden die niet alleen duurzaam uitpakt voor het milieu, maar ook in termen van de grondslag,’ beaamt hij. ‘Ook is de al snel disproportionele regeldruk daarbij een belangrijke risicofactor.’ Dit hoeft niet te betekenen dat je geen groene belastingen kunt heffen, maar wel dat je bijvoorbeeld moet kijken naar tijdelijke regelingen, vinden de deskundigen. Soms hoor je fiscalisten roepen dat ze helemaal tegen instrumentalisme zijn. In de Tweede Kamer heeft bijvoorbeeld onafhankelijk Kamerlid Roland van Vliet, de ex-PVV’er die

wordt gewaardeerd om zijn fiscale vakkennis, er een handje van. In het autodebat verklaarde hij zich nog een ‘principieel tegenstander’ van deze sturingsdrift. ‘Dat betekent dat ik nihiltarieven enzo om gedrag van mensen en chauffeurs te sturen niet zie zitten.’ Stevens en Boer zijn allebei niet van die school. ‘Ik behoor niet tot de categorie dogmatici die zeggen dat de belastingheffing alleen maar het financieren van collectieve voorzieningen dient. Het belastingstelsel is een uitdrukking van wat we belang-

‘Dat het kabinet voorlopig niet tot een belasting­ hervorming lijkt te komen, verbaast dan ook niet’ rijk vinden in het leven. Dat vind ik juist zo mooi van ons vakgebied,’ benadrukt Stevens. Zijn vakbroeder: ‘Het is iets dat inmiddels bij het normale beleidsinstrumentarium hoort. Wel is de vraag relevant: in hoeverre geloof je in een maakbare samenleving? Het antwoord daarop bepaalt in belangrijke mate of je in dit soort instrumenten gelooft. Maar je moet er altijd voorzichtig mee zijn, de maatvoering in de gaten houden.’

Bonussen of aftrek De koning van het instrumentalisme was staatssecretaris Willem Vermeend (PvdA), die met de paarse kabinetten in de jaren negentig van alles uit de belastingtrukendoos toverde. ‘Toen was het schering en

2016

inslag. Je kon overal bonussen of aftrek voor krijgen. Bijvoorbeeld als je met de fiets naar het werk ging,’ zegt Boer. Maar ook tegenwoordig, nu het kabinet voor meerderheden steeds deals moet sluiten, zien we weer een opmars, zegt Stevens. ‘Door die versplintering van het politieke landschap ontstaat hap-snapbeleid. Partijen zijn het ook nergens over eens. Dat maakt het moeilijk om tot een gedragen visie en consistent beleid te komen. Dat het kabinet voorlopig niet tot een belastinghervorming lijkt te komen, verbaast dan ook niet.’

Stofkam Op dit moment is het instrumentalisme nog te wijdverbreid, daarover zijn de geleerden het eens. ‘De belangrijkste ambitie moet zijn het stelsel eenvoudiger te maken. Het terugdringen van de instrumentele functie is daarbij noodzakelijk,’ vindt Stevens. Boer wijst erop dat opeenvolgende belastingcommissies hebben geadviseerd met de stofkam door de instrumenten te gaan. ‘Dat zou denk ik niet verkeerd zijn. De insteek moet dan zijn “afschaffen, tenzij”. Maar voor een wetenschapper is dat makkelijk praten, ik weet dat een politicus zich daarmee heel wat op de hals haalt. Ga je bijvoorbeeld voorstellen de goededoelenaftrek af te schaffen, dan is de ellende niet te overzien. Alles en iedereen valt dan over je heen.’ Voor de politici die het aandurven, ziet Boer nog ‘enorm veel ondernemers- en milieufaciliteiten’ die bij een operatie stofkam tegen het licht gehouden moeten worden. ‘De Algemene Rekenkamer heeft er rapporten over gepubliceerd, waaruit blijkt dat de effectiviteit in veel gevallen geheel ontbreekt of niet inzichtelijk is,’ zegt Boer. ‘Daarbij gaat het om belastinguitgaven. Het is wel écht geld dat hierin wordt gestoken. De effectiviteit zou voorop moeten staan, verder zijn het politieke beslissingen.’


47

Visie

LASTENDRUK EN CONCURRENTIEPOSITIE ONDERSCHAT

INDUSTRIE OP DE VLUCHT

Met ontwapenend positivisme etaleerde de Troonrede 2015 de resultaten van regeringsbeleid. Beleid voor de maakindustrie ontbreekt. Een gemiste kans, aldus directeur Ewald L.J. van Hal van Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek (KNB). De industrie, dus ook die voor gebakken bouwmateriaal, vormt de (te vanzelfsprekende) motor voor werkgelegenheid en welvaart in Nederland. Hoe lang nog? De uittocht naar buurlanden is al begonnen!

D

roge voeten in Rotterdam? Dat komt niet alleen door de gebakken straatsteen. Van veel groter belang is de kleiwinning voor deze producten stroomopwaarts van de rivier. Dat gebeurt al eeuwenlang door fabrikanten van baksteen en gebakken dakpannen, dus heeft niemand het er meer over. Ook de fraaie riviernatuur is resultaat van verantwoorde kleiwinning door deze fabrikanten. Deze is zelfs zo waardevol dat het hoogst denkbare beschermingsniveau (Natura 2000) werd bereikt. Geweldig, zeker, maar de fabrieken staan toevallig wel in of net naast deze zelf gecreëerde natuurgebieden wat nu hun continuïteit kan gaan bedreigen.

Innovatieve koppeling Wat als deze industrie wegvalt? Niet ondenkbaar gezien het beleid van deze regering; of beter: het ontmoedigingsbeleid. Wie haalt dan de klei uit onze uiterwaarden, een wetenschappelijk aangetoonde hernieuwbare grondstof? Welke industrie ver-

zorgt dan de innovatieve koppeling tussen natuurontwikkeling, waterveiligheid en een duurzaam bouwmateriaal? Keramiek heeft, gezien de lange levensduur, het laagste initiële energiegebruik en is onderhoudsarm zodat geen milieubelastende componenten hoeven te worden gebruikt. Kortom: duurzaamheid en innovatie avant la lettre verenigd in een klassieke industrie die door de eeuwen heen als vanzelfsprekende motor voor werkgelegenheid en regionaal-economische groei functioneert. Zo vanzelfsprekend dat het vergeten wordt.

Feiten zijn anders Natuurlijk, ook deze Troonrede heeft het over een betere concurrentiepositie en lagere lasten. De feiten zijn anders. Nog steeds kent Nederland een gasbelasting voor de productie van bouwkeramiek (en andere mineralogische bouwmaterialen). Dat is afwijkend van onze buurlanden waar identieke industrieën fiscaal zijn vrijgesteld. Logisch, want energie is voor deze sectoren

een gróndstof, geen brandstof. Tot op heden weigert de regering de Europees toegestane vrijstelling in Nederland over te nemen. De Miljoenennota 2016 kent zelfs opnieuw hogere tarieven, wat de sectoren niet prikkelt maar prikt. Hoezo concurrentiekracht? De Nederlandse (bouwkeramische) industrie staat internationaal op achterstand door gemis aan een in heel Europa echt gelijk speelveld. Die opgave is niet aan andere lidstaten of de EU, maar aan Nederland zelf. Denk ook aan de ongelijke handhaving van gelijke Europese regels. Een goed voorbeeld is de nota bene rechtstreeks werkende Europese CE-regeling. Deze wordt in Nederland sterk bureaucratisch gehandhaafd. Duitse en Belgische toezichthouders gaan veel ­empathischer te werk.

Nat gaan De Troonrede noemt als grootste uitdaging het aan werk helpen van de vele, vooral lager opgeleide, werklozen. Niet genoemd, maar haast nog belangrijker, is het voor Nederland behouden van het klassieke bedrijfsleven. Juist de maakindustrie, ook van bouwkeramiek, helpt Nederland aan de broodnodige banen en economische groei. Producenten van keramisch sanitair en rioleringen, vlakglas en (straks) cement verdwenen al definitief uit Nederland. Het heeft geen zin te spreken over meer banen en het goedkoper maken van arbeid als de industrie ondertussen naar het buitenland wordt gedreven. Dan gaat Nederland nat!

Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek verenigt nationale en multinationale ondernemingen die in Nederland op industriële wijze klei omzetten in gebakken bouwmateriaal: baksteen, dakpannen en tegels. De sector verschaft in 42 fabrieken werk aan 2500 personen. De directe omzet bedraagt ca. 0.5 mrd euro. Zie www.knb-keramiek.nl

Rijksbegroting 2015


48

Visie

VAN ‘DE CLIËNT EN ZIJN BEPERKING’ NAAR ‘DE MENS EN ZIJN NETWERK’

ZELFSTANDIGHEID EN ÉCHT MEEDOEN STAAN CENTRAAL Voor een grote groep mensen ging ruim een half jaar geleden de Wmo in. Ook voor mensen met een verstandelijke beperking die, over het algemeen, wel zelfstandig wonen, maar niet in alles zelfredzaam zijn. In sommige situaties hebben zij ondersteuning nodig. Er is vrees dat er geleidelijk aan steeds meer zorguurtjes worden ‘geschrapt’, dat de zorg verschraalt en een ‘sluitpost’ wordt. Philadelphia greep de Wmo juist aan om de dienstverlening anders in te richten. En introduceerde vorig jaar Mijn Netwerk. Zelfstandigheid en écht meedoen in de maatschappij staan centraal.

M

ijn Netwerk van Philadelphia bestaat uit verschillende ondersteunende diensten, op verschillende momenten en op verschillende plaatsen. Zo hebben cliënten onder andere toegang tot ontmoetingsplekken in de buurt, cursussen, spreekuren en zijn ze aangesloten bij DigiContact; een 24-uurs online dienstverlening. DigiContact bestaat sinds april 2014 en sindsdien zijn er bijna duizend cliënten bij aangesloten. De resultaten zijn positief. ‘Deelnemers geven zelf aan dat ze daadwerkelijk zelfstandiger worden. Ze breiden zelf hun eigen netwerk uit. Hun wereld wordt groter en ze staan er middenin,’ vertelt Corrie van Randwijk,

directeur cluster Werk en Begeleiding van Philadelphia.

Zelfstandig en zelfredzaam Van Randwijk: ‘Wij vinden het heel belangrijk dat mensen met een verstandelijke beperking volop in het leven kunnen staan. Vanuit die gedachte is Philadelphia al jaren geleden, dus ruim vóór de Wmo, begonnen met de ontwikkeling van een totaal andere manier van ondersteuning aan zelfstandig wonende cliënten. We wilden de cliënten en onszelf niet laten beperken door geijkte diensten, op vaste momenten, op een geijkte plek. Wij vinden het belangrijk dat iedereen achter de voordeur vandaan komt.

Daarom kijken we samen wie er in welke situaties ook, of misschien zelfs wel beter kan helpen. Zodoende brengen we het netwerk van de cliënt in kaart. Dit netwerk kan bestaan uit familie, mensen uit de buurt, mensen van het werk. Wij helpen de cliënt bij het vinden van die mensen en het opbouwen van een netwerk, bijvoorbeeld via een opleiding, werk of dagbesteding.’

Activatie in de buurt ‘We zijn natuurlijk niet over één nacht ijs gegaan,’ vervolgt Van Randwijk. ‘We begonnen met diverse pilots en proeftuinen met leerwerktrajecten, ontmoetingsplekken en ondersteuningsvormen op afstand. Daaruit


49

Visie

is uiteindelijk DigiContact ontstaan. Bij elke pilot kregen we waardevolle input van cliënten waarop we Mijn Netwerk steeds verder optimaliseerden. Neem bijvoorbeeld de Ontmoetingsplekken. Dat zijn pleisterplekken waar we burgers in contact met elkaar brengen. Mensen uit de buurt die een kopje koffie komen drinken en tegelijkertijd vrijwilligerswerk doen. Zij helpen onze cliënten bijvoorbeeld met voor hen lastige dingen, zoals een moeilijke brief. Ook onze persoonlijke begeleiding, die voorheen altijd aan huis kwam, proberen we zoveel mogelijk in de ontmoetingsplek te laten plaatsvinden. We dagen cliënten als het ware uit om niet met problemen te wachten tot wij eens langskomen, maar om actief naar ons te komen en om zich heen te kijken naar andere mogelijke hulpbieders. En het werkt! Niet alleen voor onze cliënten, ook andere doelgroepen hebben hier baat bij.’

24 uur per dag bereikbaar Binnen Mijn Netwerk behoudt de cliënt professionele ondersteuning, maar richt die zich meer op de rol van verbinder, verwijzer, meedenker. Zo is DigiContact een belangrijke en gewaardeerde schakel binnen Mijn Netwerk. Cliënten die bij DigiContact zijn aangesloten kunnen 7 dagen per week, 24 uur per dag via hun computer of tablet contact opnemen met een begeleider. ‘Meestal gaat dat via beeldbellen, dus de begeleider en cliënt kunnen elkaar horen en zien. Ook is er is een chatfunctie aanwezig. Een “gewoon” telefoongesprek kan ook. Als een cliënt inbelt, spontaan of op afspraak, heeft de begeleider van DigiContact meteen een cliëntkaart paraat. De begeleider kent de cliënt, maar ook de mensen uit zijn of haar netwerk. Onze begeleider helpt dan niet alleen de acute vraag op te lossen, maar denkt ook mee over wie een handje zou kunnen helpen. We wijzen op bijvoorbeeld mantelzorgers, vrijwilligers of organisaties en stimuleren zoveel mogelijk om daar zelf contact mee op te nemen. Op die manier bieden we met DigiContact 24-uurs ondersteuning en helpen we tegelijkertijd bij het zelfstandiger worden. Het is prachtig om te zien hoe de gebruikers groeien. Je ziet ze meer zelfvertrouwen krijgen en je hoort hoe enthousiast ze zijn over de wijze waarop ze meer deelnemen aan de maatschappij. Een grotere voldoening kun je in je werk niet krijgen.’

NICO: ‘IK BEN ZELFSTANDIGER EN MONDIGER GEWORDEN’ Wat zijn de ervaringen met de nieuwe ondersteuningsvormen? We vroegen het aan Nico Bijman, cliënt volgens de Mijn Netwerk-gedachte van Philadelphia en een van de eerste gebruikers van DigiContact. Hoe maakte je kennis met DigiContact en hoe vind je het? ‘Vorig jaar ben ik naar een Philadelphia-bijeenkomst over DigiContact geweest. Dat leek me wel wat. Ik gebruik het nu een jaar, dat bevalt goed. Ik kan er altijd mijn ei kwijt. Als je ergens mee zit, hoef je het niet in je hoofd te houden. Want dan loop je er maar mee rond. Met DigiContact kun je het direct met iemand bespreken.’ Welke dingen bespreek je zoal? ‘Bijvoorbeeld hoe ik een formulier moet invullen. En ik wist niet hoe een ov-chipkaart werkte, dat hebben de mensen van DigiContact mij geleerd. Nu kan ik er goed mee overweg. Mijn vrouw en ik kunnen nu in vakanties met de trein reizen. Soms bel ik om de week door te spreken. Of over wat mijn vrouw en ik het weekend hebben gedaan. Of hoe het was op mijn werk in de kaarsenfabriek.’ Met DigiContact spreek je niet steeds dezelfde begeleider. Hoe vind je dat? ‘Het is inderdaad steeds een verrassing wie in beeld komt. Maar ik vind het niet erg, want ik kan wel altijd mijn verhaal kwijt.’ Ga je naar de ontmoetingsplek? ‘Ja, meestal op zondagmiddag. Ook daar kan ik een begeleider spreken. Over dingen waar ik moeite mee heb. Ik leer er nieuwe mensen kennen. Mensen die je niet dagelijks tegenkomt. Als er iets is met mijn computer, verwijzen medewerkers

Meer weten over Mijn Netwerk of de wijze waarop wij in uw gemeente kunnen bijdragen? Bel dan met 0800-0830 voor een vrijblijvend gesprek.

Foto: Marieke Duijsters

van DigiContact mij soms ook door naar de ontmoetingsplek.’ Ben je veranderd door DigiContact? ‘Ik ben zelfstandiger en mondiger geworden. Dat komt door DigiContact, maar ook door mijn begeleider Manon én doordat ik lid ben van de lokale Cliëntenraad. Het speelt allemaal mee. Ik durf nu beter “nee” te zeggen als mensen bellen of aan de deur komen om iets te verkopen.’ Heb je meer mensen die je helpen? ‘Ja, een oud-collega die op de fabriek werkte als secretaresse. Zij doet mijn belastingaangifte. Ik heb twee zussen en een broer. Met mijn oudste zus ga ik weleens rondsnuffelen of iets kopen bij Ikea of zo. Maar ik help ook anderen. Ik ben handig met mijn handen. Ik doe regelmatig klusjes voor mijn schoonmoeder: een lamp ophangen, een buitenlantaarn aanleggen of het droogrek repareren. Laatst heb ik stalen schroeven in een deur gedaan, toen was-ie weer stevig.’


50

In beeld

Beeld Jiri B端ller

VNG | IPO | UvW

NU Peter Glas

Watergraaf De Dommel

Voorzitter Unie van Waterschappen (UvW) Waterveiligheid heeft hoge prioriteit, zei de Koning aan het einde van de Troonrede. Ik was blij verrast, want dit is op deze manier nog niet vaak zo expliciet aan de orde geweest. Er zijn voor de waterschappen geen onverwachte zaken gepresenteerd. Het kabinet maakt waar wat we eerder hebben afgesproken. Vorig jaar op Prinsjesdag zijn de Deltabeslissingen gepresenteerd, in de vorm van het Deltaplan. Daarin zijn plannen en ambities voor onder meer hoogwaterbescherming en zoetwatervoorziening opgenomen met een looptijd

tot 2050. In het Deltaprogramma 2016, dat Deltacommissaris Kuijken op Prinsjesdag aan minister Schultz van Haegen heeft overhandigd, laten we zien hoe we de plannen van vorig jaar hebben omgezet in concrete projecten. Tot op het niveau van individuele projecten laten we zien wat de stand van zaken is. De ondertitel van het programma is niet voor niets En nu begint het pas echt. Natuurlijk blijft er altijd iets te wensen over. We zouden wat beter door de bril van kwetsbaarheid naar onze vitale infrastructuur moeten kijken, naar kabels en leidingen, snelwegen, rails. Neem het VU medisch centrum dat laatst

2016


51

In beeld

We zijn soms misschien wat ongeduldig

BEGINT HET PAS ECHT

ineens onder water stond. Dan zie je hoe kwetsbaar zo’n gebouw is. De overheid zou er samen met het bedrijfsleven en projectontwikkelaars voor moeten zorgen dat we steeds meer waterproof worden. Dat wordt wel onderkend, maar moet concreter worden dan het nu is. Dan is er nog het punt van de waterkwaliteit. Die is de laatste decennia sterk verbeterd, maar we hebben nog wel te maken met een cocktail van kleine vervuilingen door onder meer medicijn- en drugsresten. Dat kan een bedreiging vormen voor onze drinkwatervoorziening, of

in elk geval een hoge kostenpost om het op te lossen. Dit probleem is geagendeerd en de beide staatssecretarissen [Mansveld en Dijksma, red.] zien het onder ogen. Maar tussen nu en een paar jaar willen we tot concrete afspraken komen. We zijn soms misschien wat ongeduldig. De waterschappen zijn een echte doe-organisatie, dus de fase van uitvoering waarin we ons nu met het Deltaprogramma bevinden, ligt ons goed. Wat we zeggen dat we doen, maken we ook waar. (CC)

2016


52

Visie

NEDERLANDSE VAKBOND VARKENSHOUDERS VRAAGT PROVINCIES EN GEMEENTEN OM ONTWIKKELRUIMTE

‘EXTRA REGELS HOUDEN VERDUURZAMING VARKENSHOUDERIJ TEGEN’ De Nederlandse varkenshouderij loopt wereldwijd voorop in duurzaamheid op het gebied van dierenwelzijn en milieu. De sector wil met het Recept voor Duurzaam Varkensvlees (RDV) nog verder verduurzamen en zoekt daarbij hulp van lokale en provinciale overheden. ‘Het klinkt misschien vreemd, maar dwingende regelgeving houdt verdere verduurzaming juist tegen,’ zegt voorzitter Ingrid Jansen van de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV).

J

ansen is sinds mei 2014 voorzitter van de NVV en heeft zich ten doel gesteld om het Nederlandse varken nationaal en internationaal nog beter op de kaart te zetten. Ook wil ze de maatschappij laten zien dat de Nederlandse varkenshouderij koploper is én wil blijven op het gebied van duurzaamheid. ‘Lokale en provinciale overheden kunnen ons helpen om dit te bereiken. Niet door méér extra regels op te leggen bovenop de al zeer strenge Europese en Nederlandse wetgeving, maar juist door dit níet te doen.’

Dat is een opmerkelijke stelling, kunt u dat uitleggen?

Recept vooR duuRzaam vaRkensvlees visie van de samenwerkende varkensvleesketen september 2014

Het Recept voor Duurzaam Varkensvlees beschrijft de duurzame ambities van de Varkenshouderij (Foto: RDV)

Rijksbegroting 2015

‘Het is een misverstand dat extra regels en wetten de verduurzaming in de varkenshouderij versnellen. Het beeld dat dwingende regelgeving nodig is, wordt vooral in stand gehouden door bepaalde ngo’s, zoals Wakker Dier en Milieudefensie. Zij willen verduurzaming afdwingen via de wet, maar vergeten dat alle regelgeving die tot nu toe in wetten is verankerd, de boer geen inkomsten heeft opgeleverd. Immers, zijn gedwongen investeringen worden door niemand vergoed en de consument hoeft er niets extra’s voor te betalen. Doordat de boer wel alles moet betalen, maar niets verdient, houdt hij geen geld over om nog duurzamer te werken dan de wet vereist.’

Maar meer eisen zijn toch juist goed om duurzamer te werken? ‘Er is een verschil tussen extra eisen en extra regels. Wij zijn als varkenssector niet tegen extra


53

Visie

eisen, maar wel tegen extra regels en wetten, zonder dat deze uit de markt worden betaald. Als de burger wil dat de boer zijn dieren nog meer dierenwelzijn biedt, of nog meer doet aan milieumaatregelen dan staan wij daar vierkant achter. Ook de varkenshouder zelf heeft immers nog meer arbeidsvreugde als hij kan werken met oog voor mens, dier en omgeving én dat hij daarvoor wordt gewaardeerd. Echter, wetten en regels opgelegd door de overheid verhinderen dat hij zijn investeringen kan terugvragen uit de markt. Met andere woorden: hij móet van het Rijk, provincie of gemeente extra investeren, maar moet óók alle maatregelen zelf betalen. De maatschappij hoeft niets extra’s voor het vlees te betalen. Wanneer je de varkenshouder stimuleert om op vrijwillige basis nog duurzamer te werken, dan worden die kosten in de keten gedeeld, verdient de varkenshouder er ook iets aan en kan hij met dat geld nog meer investeren in dierenwelzijn en milieu.’

Kunt u voorbeelden geven van vleesconcepten waarbij varkenshouders vrijwillig investeren in meer dierenwelzijn of betere milieumaatregelen? ‘Enkele voorbeelden zijn het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming of vlees met een certificaat Milieukeur. Varkenshouders die hier vrijwillig aan meedoen, krijgen van de supermarkten een meerprijs voor hun varken omdat het bovenwettelijk is geproduceerd.’ Dat zijn dus al bestaande concepten. Hoe wilt u de gangbare varkenshouderij dan verder verduurzamen en welke rol hebben lokale en provinciale overheden daarin? ‘De sector vindt een verdere verduur­ zaming van de gangbare varkenshouderij noodzakelijk. De NVV vindt het belangrijk dat de Nederlandse gemeenten en provincies op de hoogte zijn van de (duurzame) ontwikkelingen in de varkenssector. Wij hebben vorige week dan ook een brief gestuurd aan alle gemeenten met informatie over ons Recept voor Duurzaam

HET RECEPT VOOR DUURZAAM VARKENSVLEES BESTAAT UIT VIER THEMA’S: Markt & consument Verduurzaming wordt zichtbaar voor de consument, met nieuwe marktconcepten en labels die de toegevoegde waarde van vlees of vleeswaren laten zien. Bedrijven in de keten – van boer tot supermarkt – ontwikkelen nieuwe verdienmodellen met een ‘faire’ verdeling van de marge.

Gezond & transparant

Ingrid Jansen: ‘Iedereen moet baat hebben bij verduurzaming. Burger, consument, overheid én de boer.’ (Foto: NVV)

Varkensvlees, die we samen met onze ketenpartners, zoals de vleessector en voerfabrikanten. Wij zullen ook provincies benaderen. In ons “recept” staan al onze duurzame ambities verwoord. Duurzame ambities die op eigen initiatief worden uitgevoerd. Deze al lopende transitie naar een nóg duurzamere varkenshouderij moet niet verstoord worden door bovenwettelijke maatregelen van provinciale en gemeentelijke overheden, bovenop onze al zeer strenge nationale en Europese regelgeving. Door extra provinciale en gemeentelijke eisen op te leggen aan varkenshouders, worden de kosten die daarmee gemoeid zijn opnieuw eenzijdig afgewenteld op de boer. Dit betekent, zoals ik al eerder stelde, dat de investeringen die de varkenshouders moeten doen, niet kunnen worden doorberekend in de keten. De NVV vraagt aan gemeenten en provincies om ons te helpen door ons ontwikkelruimte en speelruimte te bieden voor een duurzamere varkenshouderij. Onze sector is zich ervan bewust dat er stappen gezet moeten worden. Deze stappen moeten echter wel in de juiste volgorde plaatsvinden, zodat iedereen in de keten baat heeft bij verduurzaming: burger, consument, overheid én de boer.’

De varkensvleesketen werkt aan een gezonde productie. Wij staan onder meer voor een zorgvuldige en verantwoorde inzet van diergeneesmiddelen, zoals antibiotica. We ontwikkelen een nieuw ketenkwaliteitssysteem, voor het hele traject van producent tot consument. Hiermee maken we de productiewijze in de totale varkensvleesketen zichtbaar en transparant.

Maatschappij & omgeving Varkensbedrijven horen op het platteland. Ondernemers moeten een bijdrage leveren aan de gemeenschap. In het proces van bedrijfsontwikkeling bieden varkenshouders ruimte voor dialoog met hun omgeving. Wij vragen van de (lokale) overheid daarbij te faciliteren en ondernemers speelruimte te gunnen.

Varken & kringloop In de duurzame varkenshouderij die wij voorstaan, kunnen varkens hun natuurlijke gedrag vertonen en zijn geen ingrepen aan het dier nodig. In de voeding van onze dieren benutten we nevenstromen uit de levensmiddelenindustrie. De keten onderschrijft de klimaatdoelstellingen van de agrosectoren en gaat een stap verder: we werken aan de energieneutrale stal en het duurzaam benutten van mest. De NVV wil zich, samen met de gemeenten, provincie, de maatschappij en onze boeren, richten op een vitale varkenshouderij die toekomstbestendig is. De sector moet op het gebied van gezondheid, dierenwelzijn, milieu, maatschappelijke en landschappelijke inpassing verantwoordelijkheid nemen. Dit willen wij doen met het Recept voor duurzaam varkensvlees als leidraad. Het Recept voor Duurzaam Varkensvlees is op te vragen bij de NVV via: info@nvv.nl

NVV

Naam: Nederlandse Vakbond Varkenshouders Wat: Belangenbehartiger voor varkenshouders Opgericht: 21 april 1994 Hoofdkantoor: Barneveld

(0342) 418 478 info@nvv.nl www.nvv.nl

@NVVNieuws www.facebook.com/ nederlandsevakbondvarkenshouders


54

Europa

Tekst Cindy Castricum | Foto Arenda Oomen

‘Het is geen NEDERLAND BEREIDT ZICH VOOR OP EU-VOORZITTERSCHAP

Han-Maurits Schaapveld (l) en Tony Agotha zijn druk bezig met de voorbereidingen van het EU-voorzitterschap. ‘Alle ambtenaren zijn straks door een EU-wasstraat gegaan, daar hebben we nog jaren profijt van.’ 2016


55

Europa

erebaantje’ Voor de twaalfde keer is Nederland in de eerste helft van 2016 voorzitter van de Europese Unie. Als ‘Team Holland’ bereiden ambtenaren op de departementen, in Brussel én Europa zich voor. Een gesprek met Tony Agotha en Han-Maurits Schaapveld van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de inhoudelijke en organisatorische kant van het EU-voorzitterschap.

O

p moment van interviewen – begin september – duurt het nog 121 dagen eer het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie aanvangt. Tony Agotha, hoofd van de afdeling Europese Integratie op het ministerie van Buitenlandse Zaken, voelt de hete adem in zijn nek. ‘We zijn hier al jaren mee bezig en het verloopt goed,’ zegt hij, ‘maar er moet ook nog een heleboel gebeuren.’ Agotha houdt zich vanuit BZ bezig met de beleidsinhoudelijke kant van het voorzitterschap. In 2004 – de vorige keer dat Nederland voorzitter was – was hij er ook al bij, toen namens de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel. De club van Agotha, die uit achttien ambtenaren bestaat, vormt samen met de andere collega’s van de directie Integratie Europa en de mensen op de vakdepartementen de backoffice van de PV in Brussel, zoals hij het zelf verwoordt. ‘We hebben een Brussels-based voorzitterschap,’ legt Agotha uit. ‘Ons team hier op BZ vormt een belangrijke schakel, ook richting de departementen.’ Op alle ministeries zijn projectteams inhoudelijk bezig met het voorzitterschap. Het moet lang niet eenvoudig zijn iedereen op één lijn te krijgen, maar

12e

ederland is voor de N keer voorzitter van de Europese Unie

1

Het is de e keer sinds het Verdrag van Lissabon

Agotha spreekt graag van Team Holland, dat eensgezind naar een doel toe werkt. ‘We gaan elkaar niet bevechten. Ik constateer dat de neuzen op de departementen dezelfde kant op staan.’ De EU-voorzitter heeft in het post-Lissabontijdperk een andere rol dan voorheen. De Europese Raad heeft een eigen voorzitter, sinds vorig jaar in de persoon van Donald Tusk. Dat betekent dat een lidstaat met zijn voorzitterschap veel meer dienend is aan de strategische agenda van de EU. ‘Binnen die agenda kunnen we wel onze eigen accenten zetten,’ zegt Agotha. ‘Maar het is goed te beseffen dat je er als voorzitter niet primair zit namens de nationale vlag. Je kunt ook niet overal tegen zijn of een bepaald dossier er per se door willen krijgen. Zo’n houding past een voorzitter niet. We zijn er het eerste half jaar van 2016 voor om de collectieve belangen zo goed mogelijk te behartigen. Juist daarom hebben we flink geïnvesteerd in onze bondgenoten en andere like-minded partners. Zodat zij kunnen trekken aan dossiers, die wij nationaal zo belangrijk vinden.’

Cursus voorzitterschap Hoewel Nederland voor de twaalfde keer voorzitter is van de EU is het niet zo dat het organiseren ervan inmiddels gesneden

Er is centrale locatie waar alle bijeenkomsten plaats­ vinden: het Scheepvaart­ museum en het aanpalende Marineterrein in Amsterdam 2016

RIJK VOLGT STRATEGISCHE AGENDA EU De strategische agenda van de Europese Unie, zoals in juni 2014 vastgesteld door de Europese Raad is leidend voor het Nederlandse EU-voorzitterschap. Deze agenda omvat vijf prioriteiten: • Banen, groei en concurrentievermogen • Beschermen en activeren van alle burgers • Een Energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid • Vrijheid, veiligheid en recht • Een sterke mondiale speler Dit houdt onder meer in dat er tijdens het EU-voorzitterschap aandacht is voor de bilaterale onderhandelingen op handelsgebied met de Verenigde Staten (TTIP) en Japan, duurzame ontwikkelingsdoelen, mensen­ rechten, versterking van de interne markt, een effectieve Europese investeringsagenda, digitale interne markt, het stimuleren van groei en werkgelegenheid, cybersecurity, cy­ bercrime, Agenda Stad, consistentere en beter uitvoerbare milieurichtlijnen en arbeidsmobiliteit.

In 2004 – de vorige keer dat Nederland voorzitter was – wa­ ren er 27 locaties


56

Europa

11

infor­ mele minister­ raden vinden plaats tussen 1 januari en 30 juni 2016

+2 overige ministeriële bijeenkom­ sten (Urban Agenda en EU-VS-top)

+130 ambtelijke vergaderingen

koek is. Agotha: ‘De laatste keer dat we voorzitter waren, was in 2004. Dat was nog voordat het Verdrag van Lissabon in werking trad, we hebben nu een heel andere EU. Bovendien zijn er in tien jaar tijd veel nieuwe generaties ambtenaren bijgekomen.’ Om alle zeshonderd betrokken ambtenaren goed voor te bereiden op de klus die ze te wachten staat, zijn ze allemaal op voorzitterschapscursus geweest. Agotha vertelt dat deze training uit verschillende modules

Gemeenten

EUROPESE AGENDA STAD

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten kijkt uit naar de vaststel­ ling van een Europese Agenda Stad. ‘Daarmee kan een belangrijk stap worden gezet in het bereiken van een andere werkwijze in “Brussel”,’ aldus een woordvoerder. ‘Een meer integrale aanpak, met een duidelijke rol voor steden in het beleidsproces en met voldoende fondsen voor steden om binnen Europese kaders doelstellingen te realiseren.’ Nederland werkt momenteel met an­ dere lidstaten, steden en de Europese Commissie aan de Europese agenda stad. Deze agenda heeft tot doel het terugdringen en verbeteren van Euro­ pese regelgeving die stedelijke ontwik­ keling beperkt, betere toegankelijkheid en benutting van Europese fondsen voor steden en stedelijke regio’s en het delen van kennis en best practices van innovatieve oplossingen problemen waarmee steden te maken hebben. Op 30 mei 2016 vindt in Amsterdam een informele raadsbijeenkomst plaats van de ministers voor stedelijke ontwikke­ ling. Daar zou de agenda vastgesteld moeten worden.

600

Nederlandse ambtenaren zijn betrokken bij de organisatie en inhoudelijke voorbereidingen (in Den Haag, Brussel en de andere lidstaten)

bestaat. ‘Van een beginnerscursus voor mensen die helemaal niets van de EU weten tot trainingen aan mensen die echt vergaderingen gaan voorzitten.’ Uit ervaring weet hij hoe lastig het is een ambtelijk werkgroep te leiden. ‘Je dossier goed kennen is één, maar zo’n vergadering effectief voorzitten vergt veel van iemand. Je hebt niet alleen 27 lidstaten aan tafel, maar ook het raadssecretariaat links van je en aan de overkant de Commissie. Ze hebben allemaal verschillende belangen, talen en stijlen in cultuur. Het is een behoorlijke opgave om zo’n groep op een lijn te krijgen, zeker bij de moeilijke dossiers die soms heel politiek gevoelig zijn. De gunfactor speelt daarbij overigens een belangrijke rol.’ ‘Een half jaar voorzitterschap lijkt heel kort’, vervolgt Agotha, ‘maar we zijn al jaren met de voorbereidingen bezig. Het is geen erebaantje, maar we hebben al een paar maanden een informatievoorsprong op de andere lidstaten. Ons netwerk is zo verdiept en verbreed, dat werkt na 30 juni 2016 nog lang door. Alle ambtenaren zijn straks door een EU-wasstraat gegaan, daar hebben we nog jaren profijt van. Dat zal veel mensen wellicht niet interesseren, maar voor ons is het superbelangrijk omdat we door zo’n voorzitterschap veel effectiever worden in het behartigen van de Nederlandse belangen, ook als het half jaar weer voorbij is.’

CPEU2016 Han Maurits Schaapveld is projectdirecteur van de Centrale Projectorganisatie EU-voorzitterschap, kortweg CPEU2016. In september 2013 is een aantal collega’s begonnen, hijzelf is op 1 januari 2015 gestart. ‘Op 15 november staan we klaar,’ zegt Schaapveld, wiens team uit 25 fulltimers bestaat. Er zijn ook net 35 liaison officers geïdentificeerd, ambtenaren afkomstig vanuit de

2016

17.500 ministers, delegatieleden en ambtenaren worden er ongeveer verwacht

hele rijksoverheid, die meehelpen met het programma en ministers begeleiden die naar Nederland komen. Anders dan het team van Agotha is de CPEU2016 speciaal in het leven geroepen om het voorzitterschap te organiseren. ‘De ministerraad heeft besloten dat het voorzitterschap

Provincies

STEDELIJKE ONTWIKKELING

Stedelijke ontwikkeling is voor de provincies een van de belangrijke aandachtspunten tijdens het EU-voorzit­ terschap. Rob van Eijkeren van het Huis van de Nederlandse Provincies: ‘Eind mei zal er in Amsterdam een conferentie plaatsvinden over de Urban Agenda. Voor de provincies staat urban voor ver­ stedelijkt gebied, waarin de provincies optreden als gebiedsregisseur. Richting Rijk en VNG hebben we aangegeven complementair te willen zijn. De provincies kunnen een rol spelen bij het op elkaar afstemmen van zaken, zodat verkokering wordt voorkomen. Gedurende het voorzitterschap orga­ niseert het Huis van de Nederlandse Provincies elke maand een bijeenkomst. De aftrap doen we 14 oktober al tijdens de Europese Open Dagen in Brussel. Daar staat de vraag centraal hoe we onze bijdrage als medeoverheid aan het raadsproces kunnen verbeteren. Nederland is geen federale lidstaat waar de provincies over federale bevoegdhe­ den beschikken, maar we zien wel dat allerlei dossiers door decentralisatie en deregulering bij de decentrale overhe­ den komen te liggen. De vraag is hoe we daarbij onze inbreng zo goed mogelijk kunnen organiseren. De bijeenkomsten in 2016 gaan onder meer over de Euro­ pese fondsen na 2020, grensoverschrij­ dende samenwerking, de Energie-unie en transnationale transportnetwerken.’


57

Europa

E r zijn 21.600 stropdassen en 12.000 clutch bags besteld (geschenken)

De stropdassen zijn er in 2 varianten: voor de gasten en voor iedereen die aan het voorzitterschap meewerkt (ambtenaren, maar ook de kapiteins op de rondvaartboten, taxichauffeurs, cateringmedewerkers en beveiligers)

gastvrij, innovatief, sober en veilig moet zijn. Daar zijn wij verantwoordelijk voor,’ legt Schaapveld uit. ‘Van aankomst op Schiphol tot het vertrek.’ Het gaat in totaal om zo’n 17.500 ministers, delegatieleden en ambtenaren. Omdat sommigen langer dan een dag blijven, spreekt Schaapveld over 25.000 vergaderdagpersonen, hoewel hij dat geen mooi woord vindt. Schaapveld en zijn team regelen het vervoer naar en in Amsterdam, met taxi’s en rondvaartboten. Dan heb je nog de overnachtingen in hotels, catering, naambordjes, vlaggen, de bouw van vergaderzalen, inrichting, techniek, noem maar op. Een groot voordeel ten opzichte van eerdere Nederlandse voorzitterschappen is dat alle bijeenkomsten dit keer op één locatie plaatsvinden, in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam en op het aanpalende Marineterrein. ‘Dat heeft vooral een financiële reden,’ zegt Schaapveld. ‘In 2004 was het voorzitterschap verspreid over 27 locaties en waren we eindeloos bezig met het huren van accommodatie.’ Tegelijkertijd is het voor de organisatie natuurlijk heel handig dat dit voorzitterschap zo geconcentreerd is. Om nog maar niet te spreken van de eenheid in uitstraling. ‘Op alle foto’s komt straks dezelfde aankleding in dezelfde zaal terug.’

Papierloos Een andere noviteit is de ambitie om een paperless voorzitterschap te organiseren. Schaapveld: ‘Dat betekent dat er geen programmaboekjes en plattegronden zijn, maar dat alle deelnemers straks een EU-app krijgen. Daar staat de agenda van de vergaderingen in, maar ook het botenschema voor het vervoer. Het is een soort Q&A, ze kunnen alle noodzakelijke informatie in de app vinden.’ Schaapveld heeft al ervaring met zo’n papierloos

evenement. Hij was ook projectdirecteur van de Nuclear Security Summit in 2014 in Den Haag, waar met een NSS-app is gewerkt. Over het budget wil en kan Schaapveld niet zoveel zeggen. ‘We hebben een bepaald bedrag gekregen en daar houden we ons aan. Maar veel is nog onzeker, het hele veiligheids­ aspect moet nog worden bekeken.’ Hij verzekert dat er substantieel minder wordt uitgegeven dan in 2004. Dat is ook de ambitie van het kabinet, zo schreef minister Koenders in oktober 2014 al aan de Kamer. ‘Het Nederlands voorzitterschap kostte in 2004 in totaal 97 miljoen euro. Omgerekend naar 2016 zou dat ongeveer 120 miljoen euro zijn,’ aldus Koenders. ‘Door te besparen en te versoberen kunnen

Waterschappen

CIRCULAIRE ECONOMIE

Voor de waterschappen is vooral één onderwerp van de formele agenda van het EU-voorzitterschap van belang: het circulaire economiepakket. Woordvoer­ der Miranda van der Voort van de Unie van Waterschappen: ‘De waterschappen timmeren aan de weg om uit afvalwater energie en grondstoffen te halen. Het circulaire economiepakket biedt kan­ sen om belemmeringen op dat gebied te slechten, met name wat betreft het begrip afval en grondstof. Het helpt de waterschappen als er ruimte is om voorop te lopen bij dit soort innovaties. Daarnaast hebben we er belang bij als wordt voorkomen dat schadelijke stoffen in het afvalwater terechtkomen. Het helpt als in de ontwerpfase van producten hier meer rekening mee wordt gehouden, denk bijvoorbeeld aan medicijnresten of microplastics.’

2016

et budget is H ‘significant minder dan in 2004’, toen het – omgerekend naar 2016 – 120 miljoen euro bedroeg

de kosten in 2016 significant worden verminderd.’ De concentratie op één locatie is een belangrijke factor, maar ook is bijvoorbeeld het logo uit 2004 hergebruikt. ‘We geven een visitekaartje af, een typisch Hollands visitekaartje,’ reageert Agotha. ‘Het wordt geen galabal met allemaal in het lang. We zijn er om ons werk te doen, goed georganiseerd. Dat verwacht men van Nederland, dus dat moeten we ook waarmaken. Nederland kent een lange traditie met een bepaalde cultuur en ambities en dat proberen we uit te stralen. Je kunt dat sober noemen, ik noem het efficiënt. Zeker in deze tijd is het belangrijk te laten zien dat we ons willen focussen op zaken die belangrijk zijn. Het is goed dat mensen zien dat er niet met geld gesmeten wordt. Natuurlijk kost het geld, maar het blijft een sober en efficiënt voorzitterschap.’ Waar het voorzitterschap voor Agotha begin januari echt van start gaat, moet het team van Schaapveld al eerder klaar zijn. Niet alleen om alle zaken te testen, maar op 24 november vindt reeds een ambassadeursconferentie plaats in het Europagebouw. ‘Dan kunnen wij mooi oefenen,’ zegt hij. Direct erna zijn de secretarissen-generaal van alle Europese ministeries van Buitenlandse Zaken te gast en minister Ploumen organiseert in december een conferentie. Maakt Schaapveld zich nog ergens zorgen over? Nee, zegt hij. ‘We moeten gewoon zorgen dat we goed voorbereid zijn, daar zijn we nu volop mee bezig.’ Hij is tevreden ‘als het laatste delegatielid straks tevreden vertrokken is’. Schaapveld hoopt wel dat het een voorzitterschap wordt dat men een beetje onthoudt. ‘Zoals in 1997 toen de regeringsleiders door Amsterdam fietsten.’


58

Column

Odd Wagner Wethouder sociaal domein, financiën en participatie (GroenLinks) in Den Helder

Oppassen voor lege huls

O

ver het wegzetten van gemeentelijke uitvoerende taken bij externe (markt)partijen wordt te gemakkelijk gedacht. Het gevaar dreigt dat niet alleen de onafhankelijke blik, maar ook de expertise van de gemeente verdwijnt. Marktpartijen hebben namelijk ook andere belangen dan die van gemeenten. Het commerciële belang van het voortbestaan van de eigen zaak gaat niet per se samen met de maatschappelijke belangen die gemeenten voor haar inwoners behartigen. Met het uitbesteden van taken verdwijnt ook kennis erover bij de gemeente. Als niet tegelijkertijd de gemeentelijke organisatie een professionaliseringsslag maakt, waarbij ambtenaren in staat zijn om datgene wat is uitbesteed, te monitoren en er regie op te houden, dan kan zo’n gemeente een lege huls worden. Zonder die interne upgrade lopen gemeenten die hun rol als regie­ gemeente gestalte geven door uit te besteden, een risico. In het sociaal domein en bij het heffen van lokale belastingen ligt dat risico op de loer. Uitbesteden wordt vaak gezien als voordelig. Dat kun je je afvragen. Het kan zeker efficiënt zijn daar waar het takenpakket van voldoende omvang is; ‘massa is kassa’. Toch voldoet het vaak niet aan de financiële verwachtingen. Denk maar eens aan kosten van inhuur van consulenten die de gemeente dan weer nodig heeft om alsnog te kunnen monitoren waar de externe partijen mee bezig zijn. Daarnaast moeten we ervoor oppassen dat de gemeente geen opleidings­ instituut wordt. Zo’n 90 procent van de externe partijen bestaat uit voormalige ambtenaren. Zij hebben hun expertise opgedaan bij de gemeenten en bieden nu hun daar geleerde diensten aan en vertellen vervolgens de gemeenten hoe het met ze gesteld is. We denken dat we in een markt opereren, maar dat is niet zo. Want veel van wat we uitbesteden, wordt maar door een paar partijen gedaan. Aan de ene kant denken ze mee bij de beleidsvorming en aan de andere kant sluiten ze contracten voor de uitvoering. Dan moet er wel heel veel vertrouwen zijn. Het risico met marktpartijen is dat je geen baas meer bent over je eigen domein. Door uit te besteden verdwijnt de kennis uit eigen huis. De kwaliteit van de gemeente neemt daardoor af, en die is juist nu met het sociaal domein hard nodig. Vertrouwen is leuk, maar controle is beter. Is dat vertrouwen er niet dan worden allerlei garanties ingebouwd. Dat zie je nu dus gebeuren. Een regiegemeente moet dus eigenlijk een luie gemeente zijn. Eentje die veel taken uitbesteedt en daarnaast voldoende professionaliteit in huis heeft om met een dashboard de performances van de externe organisaties bij te houden en te sturen. Zo voorkomen we dat er een gemeentelijke organisatie ontstaat waarbij we consulenten nodig hebben die eerst ons horloge afpakken en ons daarna vertellen hoe laat het is. Omdat we domweg geen klok meer kunnen kijken.

15 Watergraaf Stefan Kuks (Vechtstromen) over het klimaatrobuust maken van Nederland

31 Secretaris-generaal Annet Bertram (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) over de metropolitane samenwerking in de zuidelijke Randstad 2016

Wethouder Odd Wagner (Den Helder) over het uitbesteden van gemeentelijke taken


Vaste rente uit windenergie

5%

CLIMATEBONDS VANAF € 500,-

MET EEN GEGARANDEERD DUURZAAM RENDEMENT

Beleggen met je hoofd en hart

Jaarlijks duurzaam rendement van 5% Instappen vanaf € 500,Voor € 7.000,- is uw huishouding volledig CO2 neutraal

+5%

€350,- PER JAAR BIJVOORBEELD

350,-

INLEG

350,-

€7.000

350,350,-

14 BONDS

WindShareFund investeert in rendabele, kwalitatief hoogwaardige windmolenparken op land in Duitsland. Stabiele, duidelijke energiewetgeving garandeert een veilige, betrouwbare investering. WindShareFund ClimateBonds zijn beschikbaar voor € 500,per stuk met een jaarlijks vast, duurzaam rendement van 5% met uitkeringen per kwartaal. Neem deel en deel mee!

Voor uitgebreide informatie, ga nu naar

www.WindShareFund.com of bel +31 (0)26 - 44 55 66 5

Stabiele Duitse energiewetgeving (EEG)

PARTNERS WINDSHAREFUND

WINDSHAREFUND FOUNDATION MEMBERS


DICENTIS Draadloos vergadersysteem Maximale flexibiliteit. Geen interferentie.

DICENTIS Draadloos vergadersysteem – voor een buitengewone vergaderervaring Combineer excellente akoestiek, standaard Wi-Fi-technologie, slim draadloos beheer, touch screen functionaliteit en werkelijk draadloze verbindingen, en u krijgt het meest geavanceerde, gebruiksvriendelijke en flexibele vergadersysteem verkrijgbaar in de markt. Door de eenvoudige draadloze installatie is DICENTIS ideaal voor multifunctionele ruimtes, historische gebouwen en boardrooms waar kabels niet gewenst zijn. Profiteer vanaf vandaag nog van DICENTIS. Neem contact op met Kees de Kievit via 040-2577200 of www.boschsecurity.nl