Nieuwe wetgeving in de gezondheidszorg

Page 1


Nieuwe wetgeving in de gezondheidszorg



Nieuwe wetgeving in de The new Netherlands Financial gezondheidszorg Services Complaints Tribunal (KiFiD) Complaints settlement in the financial services market in the Netherlands

Mr. R.J.W. Analbers Mr. M.M. van den Broek M.L. Prof.Hendrikse dr. mr. J.K.M. Gevers J.G.J. Rinkes Mr. N.C. Haase Mr. C.M. Harmsen Mr. M.C. van der Kamp Mr. D.J. Rutgers Mr. S.W.A.M. VisĂŠe

Zutphen2007 2015 Zutphen

uitgeverij

Paris


Nieuwe wetgeving in de gezondheidszorg

ISBN 978-94-6251-061-6 NUR 882 © 2015 Uitgeverij Paris bv, Zutphen Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in een bloemlezing, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting Pro (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro). Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteurs, redacteur(en) en uitgever geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor de gevolgen hiervan.


Inhoudsopgave

Woord vooraf / 7 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Het veranderende wettelijke kader – Sjef Gevers / 9 Inleiding / 9 Het huidige wettelijke kader / 9 Poging tot verandering: het voorstel Wcz en aanvullende wetsvoor stellen / 11 De nabije toekomst / 13 Conclusie / 14

2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5 2.3 2.4 2.5

Bestuur en toezicht in de zorg – Bas Visée / 17 Inleiding / 17 Huidige regime / 18 Overzicht / 18 Rechtskracht Code / 18 Bestuursmodellen / 19 Bestuur / 20 Raad van toezicht / 21 Toekomstige regeling / 22 Commentaar / 23 Conclusie / 24

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Kwaliteit van zorg – Sjef Gevers / 25 Inleiding / 25 De Kwaliteitswet zorginstellingen / 25 Komend recht / 27 Commentaar / 30 Conclusie / 32

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Klachten en geschillen – Nadia Haase / 33 Inleiding / 33 Huidige regelgeving / 33 Toekomstige regelgeving / 34 Commentaar / 37 Conclusie / 38

5

Medezeggenschap in zorginstellingen – Merel van der Kamp en Dirk Jan Rutgers / 39 Inleiding / 39 Huidige regeling / 40

5.1 5.2

5


INHOUDSOPGAVE

5.3 5.4 5.5

Toekomstige regeling / 42 Commentaar / 44 Conclusie / 46

6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Winstuitkering in de zorg – Matthijs van den Broek / 47 Inleiding / 47 Huidige wetgeving / 48 Toekomstig recht / 49 Commentaar / 52 Conclusie / 55

7

Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in de zorg – Rik Analbers en Karen Harmsen / 57 Inleiding / 57 Het huidige aansprakelijkheidsregime / 59 Interne aansprakelijkheid / 59 Externe aansprakelijkheid / 61 Het toekomstige aansprakelijkheidsregime / 63 Commentaar / 64 Conclusie / 65

7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.3 7.4 7.5

Bijlage 1 / 67 Bijlage 2 / 75 Bijlage 3 / 103 Bijlage 4 / 117

6


Woord vooraf

De wet- en regelgeving op het gebied van de gezondheidszorg is complex, zelfs als men zich beperkt tot de hoofdtaken van instellingen in de zorg (cure en care). Er is sprake van een groot aantal regelingen dat de verschillende aspecten van het zorgstelsel betreft, zoals financiering, marktregulering, kwaliteit van zorg, beroepsuitoefening en patiëntenrechten. De regelgeving in de gezondheidszorg is bovendien sterk aan verandering onderhevig. Leek met de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz, vanaf juni 2010 in behandeling bij de Tweede Kamer) een wet in zicht waarin althans een aantal voor instellingen relevante wettelijke regelingen zouden worden samengebracht, het kabinet-Rutte II liet begin 2013 weten dat van dit ambitieuze (en overigens ook omstreden) wetgevingsproject werd afgezien. De Wcz wordt inmiddels in onderdelen opgeknipt en aangevuld met een aantal andere wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel inzake winstuitkering. Met deze publicatie bieden wij inzicht in een aantal recente ontwikkelingen in het recht betreffende zorginstellingen. Daarbij worden vooral thema’s behandeld die ook in het bovengenoemde wetgevingstraject centraal staan. Hierbij moet worden gedacht aan ‘kwaliteit van zorg’, ‘klachten en geschillen’, ‘goed bestuur’, ‘medezeggenschap’ en ‘winstuitkering’. Wij hebben dit aangevuld met een bijdrage over aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders. Een uitvoerige juridische analyse is niet beoogd; ons doel is eerst en vooral om de lezer een beeld van het veranderend wetgevingslandschap te geven en te informeren over de ontwikkelingen rond de wetgeving in de gezondheidszorg. De tekst van deze publicatie is bijgewerkt tot eind november 2014. Wij zijn allen als advocaat of adviseur verbonden aan Rutgers & Posch dat een toenemend aantal cliënten in de zorgsector bedient. Sjef Gevers Bas Visée Nadia Haase Merel van der Kamp Dirk Jan Rutgers Matthijs van den Broek Rik Analbers Karen Harmsen

7



Hoofdstuk 1 Het veranderende wettelijke kader Sjef Gevers*

1.1

Inleiding

Zorginstellingen hebben met een breed scala aan wettelijke regelingen te maken. In deze publicatie gaan wij in op de wet- en regelgeving die zich richt op instellingen als zorgaanbieder, en in het bijzonder op wat van een zorginstelling uit het oogpunt van het verlenen van goede zorg verwacht mag worden. Andere wetgeving, bijvoorbeeld gericht op zorgverzekeringen, marktordening, contracteren van zorgaanbieders, aanbesteding en dergelijke, blijft buiten beschouwing. Het wettelijk kader voor zorginstellingen is aan verandering onderhevig. In dit eerste hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het huidige wettelijke kader voor zorginstellingen eruitziet, wat de overheid de afgelopen jaren daarin wilde veranderen, en wat daarvan terecht is gekomen. Daarbij wordt ook ingegaan op de ontwikkelingen die nu gaande zijn en op de plannen van het kabinet-Rutte II op dit gebied. 1.2

Het huidige wettelijke kader

Centraal in de instellingsgerichte wetgeving staat de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwz, Stb. 1996, 80). Het betreft een kaderwet, die de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van normen voor goede zorg primair bij beroepsorganisaties, wetenschappelijke verenigingen en andere partijen in het veld legt. Instellingen en (organisaties van) beroepsbeoefenaren dienen door zelfregulering inhoud te geven aan het in artikel 2 Kwz neergelegde algemene begrip ‘verantwoorde zorg’. Dit kan bijvoorbeeld met de ontwikkeling van kwaliteitssystemen, richtlijnen en dergelijke. Onder ‘verantwoorde zorg’ wordt volgens de wet verstaan ‘zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht moet worden verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de patiënt’. De daaropvolgende wetsartikelen voorzien in een aantal uit die algemene zorgplicht van de zorgaanbieder voortvloeiende verplichtingen, die betrekking hebben op het te voeren kwaliteitsbeleid en het zorgen voor systematische kwaliteitsbewaking en -bevordering. Andere bepalingen hebben betrekking op het melden van calamiteiten, het uitbrengen van een kwaliteitsjaarverslag en handhaving en toezicht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) alsmede enkele bijzondere handhavingsinstrumenten (het geven van een aanwijzing of bevel). Aanvankelijk is het beoogde proces van kwaliteitsnormering door veldpartijen slechts moeizaam op gang gekomen. Dit geldt ook voor het op instellingsniveau *

Prof. dr. mr. J.K.M. Gevers is als adviseur verbonden aan Rutgers & Posch te Amsterdam. Sjef Gevers was meer dan 20 jaar hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam (zowel in de juridische als de medische faculteit) en heeft een grondige kennis van de juridische aspecten van de gezondheidszorg.

HET VERANDERENDE WETTELIJKE KADER

9


1.2

HET HUIDIGE WETTELIJKE KADER

realiseren van een cyclisch proces van kwaliteitsbewaking en -verbetering. Gaandeweg is door het veld echter meer aandacht besteed aan de ontwikkeling van kwaliteitssystemen, protocollen en richtlijnen, later gevolgd door belangstelling voor het meten van kwaliteitsinspanningen met behulp van kwaliteitsindicatoren. Daarbij heeft de toenemende druk vanuit overheid, beleid en samenleving om van kwaliteit en veiligheid van zorg een eerste prioriteit te maken een grote rol gespeeld. Het feit dat verzekeraars toenemend inhoud geven aan de hen toebedachte rol op de zorginkoopmarkt (inclusief het hanteren van veelbesproken volumenormen in de medisch-specialistische zorg) heeft dat proces verder versterkt. In het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw zijn, als onderdeel van zich uitbreidende wetgeving die aan de positie van de patiënt/cliënt gestalte moest geven, nog twee andere wetten tot stand gekomen die voor instellingen van direct belang zijn. Het betreft in de eerste plaats de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz, Stb. 1995, 308) die, in aanvulling op de formeel-juridische procedures in het kader van tuchtrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid, zorgaanbieders verplicht een klachtregeling in het leven te roepen of zich bij een bestaande regeling aan te sluiten. Hierbij is een klachtencommissie van ten minste drie leden en een onaf hankelijke voorzitter die conform een behoorlijke procedure een oordeel uitspreekt over een door of namens de cliënt ingediende klacht verplicht. De zorgaanbieder moet vervolgens laten weten welke maatregelen hij naar aanleiding van dat oordeel zal nemen. Halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw kwam ook de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz, Stb. 1996, 204) tot stand. Deze verplicht de zorgaanbieder ervoor te zorgen dat in elke door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad komt ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van cliënten. Daartoe stelt de zorgaanbieder een schriftelijke regeling vast en treft hij een aantal voorzieningen, in het bijzonder het organiseren van verkiezingen. De cliëntenraad moet kunnen adviseren over voorgenomen besluiten die een aantal in de wet genoemde onderwerpen betreffen. In sommige gevallen mag de zorgaanbieder alleen onder bijzondere voorwaarden van dat advies afwijken. Verder kan de cliëntenraad voor de benoeming van ten minste een lid van de raad van toezicht een bindende voordracht doen. De laatste belangrijke instellingsgerichte wet is de Wet toelating zorginstellingen (WTZi, Stb. 2005, 571). Deze is begin 2006 in het kader van de introductie van het nieuwe zorgstelsel gelijktijdig met de Zorgverzekeringswet in werking getreden. Het belangrijkste element van de WTZi is de toelatingsregeling voor zorginstellingen in het kader van de wettelijke ziektekostenverzekeringen, waarbij voor het mogen verlenen van verzekerde zorg aan de zorginstellingen voorwaarden kunnen worden opgelegd. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld de bestuursstructuur en de bedrijfsvoering van de zorginstelling (zie in dit verband de in het Uitvoeringsbesluit WTZi opgenomen transparantie-eisen). De WTZi voorziet in een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te ontwikkelen beleidsvisie, te concretiseren in beleidsregels waaraan bij de beoordeling van aanvragen voor toelating wordt getoetst. Belangrijke aspecten daarbij zijn de spreiding van voorzieningen, in het bijzonder het waarborgen van een goede bereikbaarheid van de acute zorg. Een tweede element is de regulering van de intramurale capaciteit door

10

HOOFDSTUK 1


POGING TOT VERANDERING: HET VOORSTEL WCZ EN AANVULLENDE WETSVOORSTELLEN

1.3

middel van vergunningen voor bouw en voor gebruik van gebouwde voorzieningen.1 Ten slotte bevat de WTZi een subsidieregeling voor de sanering van zorginstellingen. De WTZi is bedoeld als een tijdelijke wet, ter begeleiding van de overgang van een stelsel van centrale aanbodsturing, naar een decentraal vraaggericht stelsel. Reeds drie jaar na invoering van de WTZi meende de regering dat de wet ‘zijn functie om de transitie naar vraagsturing te begeleiden (heeft) vervuld’.2 Een aantal elementen dat men wilde behouden, zoals de regels voor governance, verbod winstuitkering, verplichting tot het aanbieden van acute zorg en behoud van vermogen voor de zorg, zouden elders in wetgeving kunnen worden ondergebracht, eerst en vooral in de voorgenomen, omvattende Wet cliëntenrechten zorg (Wcz). 1.3

Poging tot verandering: het voorstel Wcz en aanvullende wetsvoorstellen

Toen de Zorgverzekeringswet in 2005 door de Tweede Kamer werd behandeld, deed de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) het voorstel om een nieuwe, integrale ‘zorgconsumentenwet’ te ontwikkelen. Leidend daarbij was de wens om de rechten van de patiënt, respectievelijk verzekerde, opnieuw te regelen, aan te vullen en te versterken. De NPCF vond dat in het beoogde nieuwe systeem van vraaggestuurde zorg in een marktgeoriënteerde context de patiënt beter in staat zou moeten worden gesteld om als marktpartij te fungeren. Dit voorstel kon op veel politieke bijval rekenen en ondanks een aantal kritische reacties uit juridische hoek, inspectie en adviesorganen legde de toenmalige Minister van VWS in het voorjaar van 2008 plannen voor een dergelijke wet aan het parlement voor. Begin juni 2010 volgde indiening bij de Tweede Kamer van het voorstel voor de Wcz.3 Volgens de toelichting beoogde de wet de individuele en collectieve positie van de patiënt als derde partij naast zorgaanbieder en verzekeraar te versterken. Daarbij moest de cliënt volgens deze wet worden voorzien van effectieve middelen voor handhaving van zijn rechten en moesten de verantwoordelijkheden van zorgaanbieders voor de kwaliteit van zorg duidelijker vastgelegd worden. De belangrijkste punten van het wetsvoorstel Wcz waren:4 – De bestaande patiëntenrechten zoals neergelegd in de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) worden verbreed naar de sectoren verpleging en verzorging en gaan gelden voor alle zorgrelaties. – De verplichtingen die in de Wgbo aan de hulpverlener worden opgelegd, worden geformuleerd als rechten van de cliënt en aangevuld met een aantal nieuwe basisrechten (zoals het recht op een medezeggenschapsregeling). – Die rechten van de cliënt zijn niet af hankelijk van het bestaan van een overeenkomst maar volgen uit de wet en kunnen op grond daarvan altijd worden ingeroepen tegenover de zorgaanbieder.

1. 2. 3. 4.

Inmiddels is dat bouwregime – waarbij de capaciteit van de zorginstellingen normatief door de centrale overheid werd bepaald – niet meer operationeel. Kamerstukken II 2007/08, 31467, 1. Kamerstukken II 2009/10, 32402, 1-4. Zie J.K.M. Gevers, ‘De Wcz: achtergrond, opzet en reikwijdte’, TvGR 2010, p. 589-596.

HET VERANDERENDE WETTELIJKE KADER

11


1.3 –

POGING TOT VERANDERING: HET VOORSTEL WCZ EN AANVULLENDE WETSVOORSTELLEN

De zorgaanbieder moet een interne regeling treffen voor de opvang en af handeling van klachten en moet zijn aangesloten bij een externe geschilleninstantie. De rechten van de cliënt worden door representatieve organisaties van zorgaanbieders en cliënten sectorgewijs nader uitgewerkt in tweezijdige algemene voorwaarden waarvan de naleving in rechte afdwingbaar is. De Kwz, de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz), de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en de WTZi komen te vervallen; de inhoud van deze wetten keert in aangepaste vorm grotendeels in de Wcz terug. Van de Wgbo (artikelen 7:446 e.v. BW) worden de meeste bepalingen overgeheveld naar de Wcz.

Na indiening van het wetsvoorstel was er vooral kritiek op de in de Wcz gekozen benadering en op de merites van de voorgelegde wettekst. Niettemin zijn ook de vraagtekens bij het bestaansrecht van een omvattende ‘zorgconsumentenwet’ gebleven. Men vroeg zich af wat de toegevoegde waarde was van de nieuwe wet en of deze een dergelijk omvattend wetgevingsproject zou rechtvaardigen. Voorts werd de vraag gesteld of dit wetsvoorstel de aandacht niet zou afleiden van de noodzaak om reeds bestaande wetten aan te passen aan de veranderende context waarin de zorg wordt verleend en of de inspanningen op wetgevingsgebied daar niet op gericht zouden moeten zijn. Ook aan de kant van zorgaanbieders werden vraagtekens gezet. De Raad van State adviseerde om niet verder te gaan met het wetsvoorstel. De minister zette de parlementaire behandeling echter door tot in 2012 het kabinet-Rutte I viel. Daarmee werd de Wcz door het parlement ‘controversieel’ verklaard en moest men afwachten of de nieuw te vormen regering er verder mee wilde. Toen het kabinet-Rutte I in april 2012 viel, was er al een aantal tussentijdse aanpassingen en aanvullingen van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend, waarvan sommige samenhingen met wijzigingen van andere wetten dan de Wcz. Dit kwam voort uit de behoefte om een aantal nieuwe onderwerpen (mede) in de Wcz te regelen. De belangrijkste daarvan zijn: – Het wetsvoorstel voorwaarden voor winstuitkering.5 Dit wetsvoorstel heeft tot doel het winstverbod (thans nog opgenomen in de WTZi) voor instellingen van medisch-specialistische zorg op te heffen en onder voorwaarden een winstuitkering mogelijk te maken. Hierdoor zouden zorgaanbieders, die in het nieuwe zorgstelsel zelf verantwoordelijk zijn voor hun kapitaalbeheer, voor het oplossen van financiële problemen en het voortbestaan van hun organisatie, risicodragend kapitaal kunnen aantrekken. Tot de gestelde voorwaarden behoort onder meer dat wordt getoetst of de zorgaanbieder aan zijn verplichtingen op het gebied van veiligheid en kwaliteit van zorg heeft voldaan en of hij aan bepaalde solvabiliteitseisen voldoet. – Het wetsvoorstel taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg.6 Dit beoogt een aantal taken en verantwoordelijkheden te bundelen en te leggen bij het Zorginstituut Nederland (tot nu toe het College voor zorgverzekeringen). Belangrijke taken worden daarbij uitgevoerd door het Kwaliteitsinstituut, een apart onderdeel van het Zorginstituut. Hierbij moet worden 5. 6.

12

Kamerstukken II 2011/12, 33168, 1-3. Kamerstukken II 2011/12, 33243, 1-3.

HOOFDSTUK 1


DE NABIJE TOEKOMST

1.4

gedacht aan bijvoorbeeld het stimuleren en zo nodig initiëren van de ontwikkeling van professionele standaarden en het inzichtelijk maken van de kwaliteit van de verleende zorg door het bevorderen van de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren. Het wetsvoorstel waarborgen van continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg.7 Dit wetsvoorstel introduceert drie maatregelen. Ten eerste een earlywarning systeem voor zorginstellingen en zorgverzekeraars ingeval de continuïteit van bepaalde vormen van zorg in gevaar komt. Daarnaast een verplichte concentratie-effectrapportage bij een fusie van zorginstellingen, te toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Ten derde de bevoegdheid van de Minister van VWS om zorginstellingen te splitsen of zorgverlening door een zorgaanbieder te beëindigen.

De twee laatstgenoemde wetsvoorstellen (inzake taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg respectievelijk het waarborgen van continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg) zijn eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaard.8 Het eerste (inzake winstuitkering) was in de laatste maanden van 2014 nog bij de Eerste Kamer in behandeling, maar de verwachting was dat het voor de jaarwisseling zou worden aangenomen. 1.4

De nabije toekomst

Niet lang na het aantreden van kabinet-Rutte II werd duidelijk dat het kabinet niet verder wilde gaan met de Wcz. In de brief van 8 februari 2013 inzake de beleidsdoelstellingen op het gebied van VWS stellen de desbetreffende bewindslieden dat ‘gebleken is dat de gekozen opzet van het wetsvoorstel veel vragen oproept en weerstanden ontmoet’. Om met de belangrijkste onderwerpen uit het wetsvoorstel toch voortgang te boeken, zou het in delen worden geknipt. Dit zijn de onderwerpen klachten en geschillen, kwaliteit, goed bestuur en medezeggenschap, en aanpassing van de Wgbo respectievelijk de WTZi. In een brief aan de Tweede Kamer van 19 maart 2013 heeft de Minister van VWS dit toegelicht.9 Een belangrijke drijfveer voor de ingezette koerswijziging was, naast de kritiek op de Wcz, de wens om met voorrang aanpassingen in de wetgeving rond kwaliteit, klachten en geschillen te realiseren. In april 2013 is een eerste stap gezet ter uitvoering van het nieuwe wetgevingsbeleid. Bij de derde nota van wijziging10 is de inhoud van de Wcz beperkt tot regels inzake de behandeling van klachten en geschillen, kwaliteit van zorg en meldingen. De bepalingen inzake cliëntenrechten, medezeggenschap en governance, alsmede het intrekken van de WTZi zijn uit het wetsvoorstel geschrapt. In verband daarmee is ook de naam van de voorgestelde wet gewijzigd van Wzc in Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze nieuwe, afgeslankte wet moet de Kwz en de Wkcz vervangen. Verder wordt aangegeven dat met de geschrapte onderdelen op een andere wijze verder wordt gegaan. 7. 8. 9. 10.

Kamerstukken II 2012/13, 33253, 1-3. Stb. 2013, 578 respectievelijk Stb. 2013, 592. Kamerstukken II 2012/13, 32402, 11. Kamerstukken II 2012/13, 32402, 12.

HET VERANDERENDE WETTELIJKE KADER

13


1.5

CONCLUSIE

Aanpassing van de cliëntenrechten inzake informatie, toestemming, dossier en bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal volgens de toelichting op de nota van wijziging ‘hopelijk nog deze kabinetsperiode haar beslag krijgen in een afzonderlijke wijziging van de Wgbo’. Ook ‘een aanpassing of vervanging van de WTZi zal naar verwachting nog deze kabinetsperiode aan de Tweede Kamer worden voorgelegd’. De onderwerpen goed bestuur en medezeggenschap worden in een afzonderlijk wetsvoorstel opgenomen. Volgens de nota van wijziging zou gestreefd worden naar indiening in het najaar van 2013. Die datum is niet gehaald. In een brief van 19 september 2013 heeft de regering de indiening verschoven naar het voorjaar van 2014,11 maar ook laat in 2014 was er nog geen wetsvoorstel ingediend. Wel geeft de brief al enig zicht op wat van dat wetsvoorstel te verwachten is. Het zal betrekking hebben op de verplichting te voorzien in een adequate bestuurs- en toezichtstructuur, inclusief bepalingen die de invloed van medezeggenschapsorganen op het beleid moeten borgen. Daartoe worden op deze gebieden onder meer wettelijke resultaatsnormen geïntroduceerd. Het meest opvallend aan het voorstel is dat de uitvoerige (en aangescherpte) regeling betreffende de cliëntenraad in het wetsvoorstel Wcz aanmerkelijk gedereguleerd lijkt te gaan worden. Uiteraard zullen na aanvaarding van deze wet de huidige Wmcz en de governancebepalingen in de WTZi respectievelijk het Uitvoeringsbesluit WTZi kunnen vervallen. Voor wat betreft de in paragraaf 1.3 genoemde wetten/wetsvoorstellen ter aanvulling van de Wcz geldt dat deze zodanig zijn opgezet dat rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de Wcz niet door zou gaan (de zogenoemde terugvaloptie). Voor die situaties bevatten zij bepalingen die erin voorzien dat de geregelde onderwerpen worden opgenomen in andere, bestaande wetten. Het wetsvoorstel inzake winstuitkering is zodanig aangepast dat de bepalingen die oorspronkelijk in de Wcz zouden komen te staan, bij aanvaarding van het wetsvoorstel terechtkomen in de WTZi. De bepalingen ten aanzien van taken en bevoegdheden op het gebied van kwaliteit van zorg van het Zorginstituut Nederland en het daarvan deel uitmakend Kwaliteitsinstituut zijn opgenomen in de Zorgverzekeringswet. Ten slotte is van de wettelijke regeling inzake het waarborgen van de continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg de opsplitsingsbevoegdheid inmiddels opgenomen in het hierboven genoemde wetsvoorstel Wkkgz dat de Kwz gaat vervangen. De overige maatregelen zijn gerealiseerd via aanpassing van de Wet marktordening gezondheidszorg. 1.5

Conclusie

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de gezondheidswetgeving die zich op instellingen als zorgaanbieder richt, sterk in beweging is. Dat is begrijpelijk omdat het zorgstelsel en de maatschappelijke omgeving waarin het functioneert nog altijd veranderen en zorginstellingen hier middenin staan. Het gevolg is een vooralsnog weinig overzichtelijk wetgevingslandschap. De Wcz had daar meer samenhang in aan kunnen brengen. Het voordeel van het ‘opknippen’ van de Wcz is echter dat nu sneller voortgang kan worden geboekt met vernieuwing van wetgeving waar dat er werkelijk toe doet en dat daarbij ook prioriteiten kunnen worden gesteld. 11.

14

Kamerstukken II 2013/14, 32012, 15. Deze brief is in dit boek opgenomen als bijlage 3.

HOOFDSTUK 1


CONCLUSIE

1.5

Per saldo lagen in de laatste maanden van 2014 van de genoemde wetsvoorstellen het wetsvoorstel Wkkgz en het wetsvoorstel inzake winstuitkering nog ter behandeling bij het parlement. Beide wetsvoorstellen hadden wel de Eerste Kamer bereikt. De wetsvoorstellen inzake het waarborgen van continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (waarvan inmiddels een onderdeel is opgenomen in de Wkkgz) en inzake taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg, zijn zoals hierboven aangegeven al eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaard. De wetgevingsvoornemens op het gebied van goed bestuur en medezeggenschap zijn uiteengezet in de brief van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer van 19 september 2013 (zie paragraaf 1.4); daaruit blijkt dat nog een wetsvoorstel op dat terrein te verwachten is. Dat laatste geldt ook voor de toegezegde bijstelling van de Wgbo en de WTZi, die nog deze kabinetsperiode zijn beslag zou krijgen. Kortom, aan vernieuwing van wetgeving wordt gewerkt; dat werk is echter volop in uitvoering. Vooralsnog is de te vervangen ‘oude’ wetgeving (Kwz, Wkcz, Wmcz en WTZi) in wezen nog steeds van kracht,12 ook al zijn zij eind 2013 door twee nieuwe wettelijke regelingen aangevuld.

12.

Wel zijn in sommige wetten in de afgelopen jaren op onderdelen wijzigingen doorgevoerd.

HET VERANDERENDE WETTELIJKE KADER

15