Issuu on Google+

NIEUWE WETGEVING VOOR ZORGINSTELLINGEN


NIEUWE WETGEVING VOOR ZORGINSTELLINGEN


Š Rutgers & Posch Amsterdam, 2014


NIEUWE WETGEVING VOOR ZORGINSTELLINGEN


5

Inhoudsopgave

Woord vooraf ..................................................................................................................................................................7 1. J.K.M. Gevers Het veranderend wettelijk kader .................................................................................................................................11 2. S.W.A.M. VisĂŠe Bestuur en toezicht in de zorg .....................................................................................................................................19 3. J.K.M. Gevers Kwaliteit van zorg .........................................................................................................................................................29 4. N.C. Haase Klachten en geschillen ................................................................................................................................................39 5. M. van der Kamp, D.J. Rutgers Medezeggenschap in zorginstellingen ........................................................................................................................47 6. M. van den Broek Winstuitkering in de zorg .............................................................................................................................................57 7. R.J.W. Analbers, C.M. Harmsen Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in de zorg ...........................................................................65

Bijlagen: - brief Minister VWS (19 maart 2013) over het opknippen van het wetsvoorstel cliĂŤntenrechten zorg, Kamerstukken II, 2012-2013, 32402, nr. 11 .................................................................................................................73 - tekst wetsvoorstel kwaliteit, klachten en geschillen zorg, Kamerstukken I, 2012-2013, 32402, E ..........................79 - brief Minister VWS (september 2013) inzake governance in zorgsector (goed bestuur en medezeggenschap), Kamerstukken II, 2013-2014, 32012, nr. 15 ...............................................................................................................105 - foto auteurs, Kerst 2013.............................................................................................................................................117


7

Woord vooraf

De wet- en regelgeving op het gebied van de gezondheidszorg is complex, zelfs als men zich beperkt tot de hoofdtaken van instellingen in de zorg (cure en care). Er is sprake van een groot aantal regelingen dat de verschillende aspecten van het zorgstelsel betreft, zoals bijvoorbeeld financiering, marktregulering, kwaliteit van zorg, beroepsuitoefening en patiëntenrechten. De regelgeving in de gezondheidszorg is bovendien sterk aan verandering onderhevig. Leek met de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz, vanaf juni 2010 in behandeling bij de Tweede Kamer) een wet in zicht waarin althans een aantal voor instellingen relevante wettelijke regelingen zouden worden samengebracht, het kabinet-Rutte II liet begin 2013 weten dat van dit ambitieuze (en overigens ook omstreden) wetgevingsproject werd afgezien. De Wcz wordt inmiddels in een aantal onderdelen opgeknipt en aangevuld met een aantal andere wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel inzake winstuitkering. Met deze publicatie bieden wij inzicht in een aantal recente ontwikkelingen in het recht betreffende zorginstellingen. Daarbij worden vooral thema’s behandeld die ook in het bovengenoemde wetgevingstraject centraal staan. Hierbij moet worden gedacht aan ‘kwaliteit van zorg’, ‘klachten en geschillen’, ‘goed bestuur’, ‘medezeggenschap’ en ‘winstuitkering’. Wij hebben dit aangevuld met een bijdrage over aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders. Een uitvoerige juridische analyse is niet beoogd; bedoeling is eerst en vooral om de lezer een beeld van het veranderend wetgevings-

landschap te geven en te informeren over de ontwikkelingen rond de wetgeving in de gezondheidszorg. De tekst van deze publicatie is bijgewerkt tot eind 2013. Advocatenkantoor Rutgers & Posch richt zich op juridische vraagstukken rond ondernemingen en non-profitinstellingen. De zorg, met zijn talrijke en veelsoortige instellingen, is een sector van groeiende betekenis in dat veld. Rutgers & Posch bedient een toenemend aantal cliënten in deze sector, die een geheel eigen ontwikkeling kent en om bijzondere aandacht vraagt. Een deel van onze kennis is in dit boek samengebracht. Wij hopen dat onze cliënten en relaties hierin een uitnodiging zien om, al dan niet gerelateerd aan een zaak, met ons over deze onderwerpen van gedachten te wisselen.

Sjef Gevers Dirk Jan Rutgers


Het veranderend wettelijk kader

1


Het veranderend wettelijk kader Sjef Gevers

1.1 Inleiding Zorginstellingen hebben met een breed scala aan wettelijke regelingen te maken. In deze publicatie gaan wij in op de wet- en regelgeving die zich richt op instellingen als zorgaanbieder, en in het bijzonder op wat van een zorginstelling uit het oogpunt van het verlenen van goede zorg verwacht mag worden. Andere wetgeving, bijvoorbeeld gericht op zorgverzekeringen, marktordening, contracteren van zorgaanbieders, aanbesteding en dergelijke, blijft buiten beschouwing. Het wettelijk kader voor zorginstellingen is aan verandering onderhevig. In dit eerste hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het huidig wettelijke kader voor zorginstellingen er uitziet, wat de overheid de afgelopen jaren daarin wilde veranderen, en wat daarvan terecht is gekomen. Daarbij wordt ook ingegaan op de ontwikkelingen die nu gaande zijn en op de plannen van het kabinet-Rutte II op dit gebied.

1.2

Het huidig wettelijk kader

Centraal in de instellingsgerichte wetgeving staat de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwz, Stb. 1996, 80). Het betreft een kaderwet, die de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van normen voor goede zorg primair bij beroepsorganisaties, wetenschappelijke verenigingen en andere partijen in het veld legt. Instellingen en (organisaties van) beroepsbeoefenaren dienen door zelfregulering inhoud te geven aan het in artikel 2 Kwz neergelegde algemene begrip ‘verant-

woorde zorg’. Dit kan bijvoorbeeld met de ontwikkeling van kwaliteitssystemen, richtlijnen en dergelijke. Onder ‘verantwoorde zorg’ wordt volgens de wet verstaan ‘zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht moet worden verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de patiënt’. De daaropvolgende wetsartikelen voorzien in een aantal uit die algemene zorgplicht van de zorgaanbieder voortvloeiende verplichtingen, die betrekking hebben op het te voeren kwaliteitsbeleid en het zorgen voor systematische kwaliteitsbewaking en -bevordering. Andere bepalingen hebben betrekking op het melden van calamiteiten, het uitbrengen van een kwaliteitsjaarverslag en handhaving en toezicht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) alsmede enkele bijzondere handhavingsinstrumenten (het geven van een aanwijzing of bevel). Aanvankelijk is het beoogde proces van kwaliteitsnormering door veldpartijen slechts moeizaam op gang gekomen. Dit geldt ook voor het op instellingsniveau realiseren van een cyclisch proces van kwaliteitsbewaking en -verbetering. Gaandeweg is door het veld echter meer aandacht besteed aan de ontwikkeling van kwaliteitssystemen, protocollen en richtlijnen, later gevolgd door belangstelling voor het meten van kwaliteitsinspanningen met behulp van kwaliteitsindicatoren. Daarbij heeft de toenemende druk vanuit overheid, beleid en samenleving om van kwaliteit en veiligheid van zorg een eerste prioriteit te maken een grote rol

11


12 gespeeld. Het feit dat verzekeraars toenemend inhoud geven aan de hen toebedachte rol op de zorginkoopmarkt (inclusief het hanteren van veelbesproken volumenormen in de medisch-specialistische zorg) heeft dat proces verder versterkt. In het midden van de jaren 90 zijn, als onderdeel van zich uitbreidende wetgeving die aan de positie van de patiënt/cliënt gestalte moest geven, nog twee andere wetten tot stand gekomen die voor instellingen van direct belang zijn. Het betreft in de eerste plaats de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz, Stb. 1995, 308) die, in aanvulling op de formeel-juridische procedures in het kader van tuchtrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid, zorgaanbieders verplicht een klachtregeling in het leven te roepen of zich bij een bestaande aan te sluiten. Hierbij is een klachtencommissie van ten minste drie leden en een onafhankelijke voorzitter die conform een behoorlijke procedure een oordeel uitspreekt over een door of namens de cliënt ingediende klacht verplicht. De zorgaanbieder moet vervolgens laten weten welke maatregelen hij naar aanleiding van dat oordeel zal nemen. Halverwege de jaren 90 kwam ook de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz, Stb. 1996, 204) tot stand. Deze verplicht de zorgaanbieder ervoor te zorgen dat in elke door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad komt ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van cliënten. Daartoe stelt de zorgaanbieder een schriftelijke regeling vast en treft hij een aantal voorzieningen, in het bijzonder het organiseren van verkiezingen. De cliëntenraad moet kunnen adviseren over voorgenomen besluiten die een aantal in de wet genoemde onderwerpen betreffen. In sommige gevallen mag de zorgaanbieder alleen onder bijzondere voorwaarden van dat advies afwijken. Verder kan de cliëntenraad voor de benoeming van ten minste een lid van de raad van toezicht een bindende voordracht doen. De laatste belangrijke instellingsgerichte wet is de Wet toelating zorginstellingen (WTZi, Stb. 2005 571). Deze is begin 2006 in het kader van de introductie van

het nieuwe zorgstelsel gelijktijdig met de Zorgverzekeringswet in werking getreden. Het belangrijkste element van de WTZi is de toelatingsregeling voor zorginstellingen in het kader van de wettelijke ziektekostenverzekeringen, waarbij voor het mogen verlenen van verzekerde zorg aan de zorginstellingen voorwaarden kunnen worden opgelegd. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld de bestuursstructuur en de bedrijfsvoering van de zorginstelling (zie in dit verband de in het Uitvoeringsbesluit WTZi opgenomen transparantie-eisen). De WTZi voorziet in een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te ontwikkelen beleidsvisie, te concretiseren in beleidsregels waaraan bij de beoordeling van aanvragen voor toelating wordt getoetst. Belangrijke aspecten daarbij zijn de spreiding van voorzieningen, in het bijzonder het waarborgen van een goede bereikbaarheid van de acute zorg. Een tweede element is de regulering van de intramurale capaciteit door middel van vergunningen voor bouw en voor gebruik van gebouwde voorzieningen1. Ten slotte bevat de WTZi een subsidieregeling voor de sanering van zorginstellingen. De WTZi is bedoeld als een tijdelijke wet, ter begeleiding van de overgang van een stelsel van centrale aanbodsturing, naar een decentraal vraaggericht stelsel. Reeds drie jaar na invoering van de WTZi meende de regering dat de wet ‘zijn functie om de transitie naar vraagsturing te begeleiden (heeft) vervuld’.2 Een aantal elementen dat men wilde behouden, zoals de regels voor governance, verbod winstuitkering, verplichting tot het aanbieden van acute zorg en behoud van vermogen voor de zorg, zouden elders in wetgeving kunnen worden ondergebracht, eerst en vooral in de voorgenomen, omvattende Wet cliëntenrechten zorg (Wcz).

1.3 Poging tot verandering: het voorstel Wcz en aanvullende wetsvoorstellen Toen de Zorgverzekeringswet in 2005 door de Tweede Kamer werd behandeld, deed de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie (NPCF) het voorstel om een nieuwe, integrale ‘zorgconsumentenwet’ te ontwikkelen.

1 Voor cure en)º is dat bouwregime – waarbij de capaciteit van de zorginstellingen normatief door de centrale overheid werd bepaald – inmiddels niet meer operationeel. 2 Kamerstukken II, 2007-2008, 31467, nr. 1.


13 Leidend daarbij was de wens om de rechten van de patiënt, respectievelijk verzekerde, opnieuw te regelen, aan te vullen en te versterken. De NPCF vond dat in het beoogde nieuwe systeem van vraaggestuurde zorg in een marktgeoriënteerde context de patiënt beter in staat zou moeten worden gesteld om als marktpartij te fungeren. Dit voorstel kon op veel politieke bijval rekenen en ondanks een aantal kritische reacties uit juridische hoek, inspectie en adviesorganen legde de toenmalige Minister van VWS in het voorjaar van 2008 plannen voor een dergelijke wet aan het parlement voor. Begin juni 2010 volgde indiening bij de Tweede Kamer van het voorstel voor de Wcz.3 Volgens de toelichting beoogt de wet de individuele en collectieve positie van de patiënt als derde partij naast zorgaanbieder en verzekeraar te versterken. Daarbij moet de cliënt volgens deze wet worden voorzien van effectieve middelen voor handhaving van zijn rechten en moeten de verantwoordelijkheden van zorgaanbieders voor de kwaliteit van zorg duidelijker vastgelegd worden.

organisaties van zorgaanbieders en cliënten sectorgewijs nader uitgewerkt in tweezijdige algemene voorwaarden waarvan de naleving in rechte afdwingbaar is; •  De Kwz, de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz), de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en de WTZi komen te vervallen; de inhoud van deze wetten keert in aangepaste vorm grotendeels in de Wcz terug. Van de Wgbo (artikelen 7:446 e.v. BW) worden de meeste bepalingen overgeheveld naar de Wcz.

De belangrijkste punten van het wetsvoorstel Wcz zijn:4 • De bestaande patiëntenrechten zoals neergelegd in de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) worden verbreed naar de sectoren verpleging en verzorging en gaan gelden voor alle zorgrelaties; • De verplichtingen die in de Wgbo aan de hulpverlener worden opgelegd, worden geformuleerd als rechten van de cliënt en aangevuld met een aantal nieuwe basisrechten (zoals het recht op een medezeggenschapsregeling); • Die rechten van de cliënt zijn niet afhankelijk van het bestaan van een overeenkomst maar volgen uit de wet en kunnen op grond daarvan altijd worden ingeroepen tegenover de zorgaanbieder; • De zorgaanbieder moet een interne regeling treffen voor de opvang en afhandeling van klachten en moet zijn aangesloten bij een externe geschilleninstantie; • De rechten van de cliënt worden door representatieve

Na indiening van het wetsvoorstel was er vooral kritiek op de in de Wcz gekozen benadering en op de merites van de voorgelegde wetstekst. Niettemin zijn ook de vraagtekens bij het bestaansrecht van een omvattende ‘zorgconsumentenwet’ gebleven. Men vroeg zich af wat de toegevoegde waarde was van de nieuwe wet en of deze een dergelijk omvattend wetgevingsproject zou rechtvaardigen. Voorts is de vraag gesteld of dit wetsvoorstel de aandacht niet zou afleiden van de noodzaak om reeds bestaande wetten aan te passen aan de veranderende context waarin de zorg wordt verleend en of de inspanningen op wetgevingsgebied daar niet op gericht zouden moeten zijn. Ook van de kant van zorgaanbieders werden vraagtekens gezet. De Raad van State adviseerde om niet verder te gaan met het wetsvoorstel. De Minister zette de parlementaire behandeling echter door tot in 2012 het kabinet-Rutte I viel. Daarmee werd de Wcz door het parlement ‘controversieel’ verklaard en moest men afwachten of de nieuw te vormen regering er verder mee wilde. Toen het kabinet-Rutte I in april 2012 viel, was er al een aantal tussentijdse aanpassingen en aanvullingen van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend, waarvan sommige samenhingen met wijzigingen van andere wetten dan de Wcz. Dit kwam voort uit de behoefte om een aantal nieuwe onderwerpen (mede) in de Wcz te regelen. De belangrijkste daarvan zijn: • Het wetsvoorstel voorwaarden voor winstuitkering.5 Dit wetsvoorstel heeft tot doel het winstverbod

3 Kamerstukken II, 2009-2010, 32402, nr. 1-4. 4 Zie J.K.M. Gevers, De Wcz: achtergrond, opzet en reikwijdte, TvGR 2010, p. 589-596.

5 Kamerstukken II 2011-2012, 33168, nr. 1-3.


14 (thans nog opgenomen in de WTZi) voor instellingen van medisch-specialistische zorg op te heffen en onder voorwaarden een winstuitkering mogelijk te maken. Hierdoor zouden zorgaanbieders, die in het nieuwe zorgstelsel zelf verantwoordelijk zijn voor hun kapitaalbeheer, voor het oplossen van financiële problemen en het voortbestaan van hun organisatie, risicodragend kapitaal kunnen aantrekken. Tot de gestelde voorwaarden behoort onder meer dat wordt getoetst of de zorgaanbieder aan zijn verplichtingen op het gebied van veiligheid en kwaliteit van zorg heeft voldaan en dat op zijn vroegst drie jaar na de investering winst kan worden uitgekeerd. •  Het wetsvoorstel taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg.6 Dit beoogt een aantal taken en verantwoordelijkheden te bundelen en te leggen bij het Zorginstituut Nederland (tot nu toe het College voor zorgverzekeringen). Belangrijke taken worden daarbij uitgevoerd door het Kwaliteitsinstituut, een apart onderdeel van het Zorginstituut. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld het stimuleren en zo nodig initiëren van de ontwikkeling van professionele standaarden en het inzichtelijk maken van de kwaliteit van de verleende zorg door het bevorderen van de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren. •  Het wetsvoorstel waarborgen van continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg.7 Dit wetsvoorstel introduceert drie maatregelen. Ten eerste een early-warning systeem voor zorginstellingen en zorgverzekeraars in geval de continuïteit van bepaalde vormen van zorg in gevaar komt. Daarnaast een verplichte concentratie-effectrapportage bij een fusie van zorginstellingen, te toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Ten derde de bevoegdheid van de Minister van VWS om zorginstellingen te splitsen of zorgverlening door een zorgaanbieder te beëindigen.

zorg respectievelijk het waarborgen van continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg) zijn eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaard.

1.4

De nabije toekomst

De twee laatstgenoemde wetsvoorstellen (inzake taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van

Niet lang na het aantreden van kabinet-Rutte II werd duidelijk dat het kabinet niet verder wilde gaan met de Wcz. In de brief van 8 februari 2013 inzake de beleidsdoelstellingen op het gebied van VWS stellen de desbetreffende bewindslieden dat ‘gebleken is dat de gekozen opzet van het wetsvoorstel veel vragen oproept en weerstanden ontmoet’. Om met de belangrijkste onderwerpen uit het wetsvoorstel toch voortgang te boeken, zal het in delen worden geknipt. Dit zijn de onderwerpen klachten en geschillen, kwaliteit, goed bestuur en medezeggenschap, en aanpassing van de Wgbo respectievelijk de WTZi. In een brief aan de Tweede Kamer van 19 maart 2013 heeft de Minister van VWS dit toegelicht.8 Een belangrijke drijfveer voor de ingezette koerswijziging was, naast de kritiek op de Wcz, de wens om met voorrang aanpassingen in de wetgeving rond kwaliteit, klachten en geschillen te realiseren. In april 2013 is een eerste stap gezet ter uitvoering van het nieuwe wetgevingsbeleid. Bij de derde Nota van wijziging9 is de inhoud van de Wcz beperkt tot regels inzake de behandeling van klachten en geschillen, kwaliteit van zorg en meldingen. De bepalingen inzake cliëntenrechten, medezeggenschap en governance, alsmede het intrekken van de WTZi worden uit het wetsvoorstel geschrapt. In verband daarmee wordt ook de naam van de voorgestelde wet gewijzigd van Wzc in Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze nieuwe, afgeslankte wet zal de Kwz en de Wkcz vervangen. Verder wordt aangegeven dat met de geschrapte onderdelen op een andere wijze verder wordt gegaan. Aanpassing van de cliëntenrechten inzake informatie, toestemming, dossier en bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal volgens de toelichting op de Nota van wijziging ‘hopelijk nog deze kabinetsperiode haar beslag krijgen in een afzonderlijke wijziging van de Wgbo.’ Ook ‘een aanpassing of vervanging van de

6 Kamerstukken II 2011-2012, 33243, nr. 1-3. 7 Kamerstukken II 2011-2013, 33253, nr. 1-3.

8 Kamerstukken II, 2012-2013, 32402, nr. 11. 9 Kamerstukken II, 2012-2013, 32402, nr. 12.


15 WTZi zal naar verwachting nog deze kabinetsperiode aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.’ De onderwerpen goed bestuur en medezeggenschap worden in een afzonderlijk wetsvoorstel opgenomen. Volgens de Nota van wijziging zou gestreefd worden naar indiening in het najaar van 2013. Die datum is niet gehaald. In een brief van 19 september 2013 heeft de regering laten weten dat een dergelijk wetsvoorstel pas in het voorjaar van 2014 te verwachten is.10 Wel geeft de brief al enig zicht op wat van dat wetsvoorstel te verwachten is. Het zal betrekking hebben op de verplichting te voorzien in een adequate bestuurs- en toezichtstructuur, inclusief bepalingen die de invloed van medezeggenschapsorganen op het beleid moeten borgen. Daartoe worden op deze gebieden onder meer wettelijke resultaatsnormen geïntroduceerd. Het meest opvallend aan het voorstel is dat de uitvoerige (en aangescherpte) regeling betreffende de cliëntenraad in het wetsvoorstel Wcz aanmerkelijk gedereguleerd lijkt te gaan worden. Uiteraard zullen na aanvaarding van deze wet de huidige Wmcz en de governancebepalingen in de WTZi respectievelijk het Uitvoeringsbesluit WTZi kunnen vervallen. Voor wat betreft de in paragraaf 1.3 genoemde wetsvoorstellen ter aanvulling van de Wcz geldt dat deze voorstellen zodanig zijn opgezet dat rekening is gehouden met de mogelijkheid dat zij ofwel eerder dan de Wcz tot stand zouden komen, ofwel dat de Wcz niet door zou gaan (de zogenoemde terugvaloptie). Voor die situaties bevatten de desbetreffende wetsvoorstellen bepalingen die erin voorzien dat de geregelde onderwerpen worden opgenomen in andere, bestaande wetten. Het wetsvoorstel voorwaarden winstuitkering is zodanig aangepast dat de bepalingen die oorspronkelijk in de Wcz zouden komen te staan, nu bij aanvaarding van het wetsvoorstel terechtkomen in de WTZi. De bepalingen ten aanzien van taken en bevoegdheden op het gebied van kwaliteit van zorg van het Zorginstituut Nederland en het daarvan deel uitmakend Kwaliteitsinstituut worden bij het vervallen van de Wcz opgenomen in de Zorgverzekeringswet. Tenslotte is van de

10 Kamerstukken II, 2013-2014, 32012, nr. 15.

voorgenomen maatregelen in het wetsvoorstel waarborgen continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (zoals hierboven aangegeven eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaard) de opsplitsingsbevoegdheid inmiddels opgenomen in het hierboven genoemde wetsvoorstel Wkkgz dat de Kwz gaat vervangen. De overige maatregelen worden gerealiseerd via aanpassing van de Wet marktordening gezondheidszorg.

1.5 Conclusie Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de gezondheidswetgeving die zich op instellingen als zorgaanbieder richt, sterk in beweging is. Dat is begrijpelijk omdat het zorgstelsel en de maatschappelijke omgeving waarin het functioneert nog altijd veranderen en zorginstellingen hier middenin staan. Het gevolg is een vooralsnog weinig overzichtelijk wetgevingslandschap. De Wcz had daar meer samenhang in kunnen brengen. Het voordeel van het ‘opknippen’ van de Wcz is echter dat nu sneller voortgang kan worden geboekt met vernieuwing van wetgeving waar dat er werkelijk toe doet en dat daarbij ook prioriteiten kunnen worden gesteld. Per saldo liggen nu – begin 2014 – van de genoemde wetsvoorstellen het wetsvoorstel Wkkgz en het wetsvoorstel voorwaarden winstuitkering ter behandeling bij het parlement. Het eerste wetsvoorstel heeft inmiddels de Eerste Kamer bereikt; dat geldt niet voor het (politiek meest gevoelige) wetsvoorstel inzake voorwaardelijke opheffing van het winstverbod. De wetsvoorstellen inzake het waarborgen van continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (waarvan inmiddels een onderdeel is opgenomen in de Wkkgz) en inzake taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg, zijn eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaard. De wetgevingsvoornemens op het gebied van goed bestuur en medezeggenschap zijn uiteengezet in de brief van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer van 19 september 2013 (zie paragraaf 1.4); daaruit blijkt dat een wetsvoorstel op dat terrein in het voorjaar van 2014 te verwachten is. Over de toegezegde bijstelling


16 van de Wgbo en de WTZi, die nog deze kabinetsperiode zijn beslag zou krijgen, valt weinig te zeggen. Kortom, aan vernieuwing van wetgeving wordt gewerkt; dat werk is echter volop in uitvoering.


Bestuur en toezicht in de zorg

2


19

Bestuur en toezicht in de zorg Bas Visée

2.1 Inleiding Naar aanleiding van een aantal bedrijfsschandalen, zoals met Enron en Ahold, zijn de regels over bestuur en toezicht bij vennootschappen (corporate governance) in de eerste jaren van deze eeuw aanzienlijk aangescherpt. Zo heeft de wetgever het vennootschapsrecht gemoderniseerd en is de Code Tabaksblat opgesteld. Deze code – officieel de Nederlandse Corporate Governance Code geheten – heeft zich ondanks het feit dat het geen wetgeving in materiële zin is, in de rechtspraak ontwikkeld tot een belangrijke rechtsbron. Ook in de semipublieke sector was er de laatste jaren een aantal ernstige incidenten, zoals met woningcorporatie Vestia en de zorginstelling Philadelphia. Dat heeft geleid tot veel kamervragen en een flink aantal brieven van vakministers aan de Tweede Kamer over good governance, maar tot weinige concrete verbeteringen van de wettelijke regels over bestuur en toezicht in de semipublieke sector. Zo sneuvelde het wetsvoorstel voor de maatschappelijke onderneming met governancevoorschriften bedoeld voor onder meer woningcorporaties en zorginstellingen in een zeer vroegtijdig stadium. De wel ingevoerde sectorale governancewetgeving heeft in het algemeen weinig om het lijf. Voorts zijn in de semipublieke sector een groot aantal governancecodes opgesteld, maar die steken qua inhoud vaak schril af bij de Nederlandse Corporate Governance Code. Intussen wacht de zeer summiere en sterk verouderde wettelijke regeling van de stichting

– de meest gebruikte rechtsvorm in de semipublieke sector – nog steeds op herziening.1 De Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) spreekt over een zorginstelling als een ‘organisatorisch verband’ en zegt niets over de rechtsvorm die een zorginstelling zou moeten aannemen. Omdat de meeste zorginstellingen stichtingen zijn wordt deze rechtsvorm hier ook als uitgangspunt genomen. Achtereenvolgens komen daarbij het huidige wettelijke regime aan de orde, wordt ingegaan op de toekomstige wettelijke regeling en worden enkele suggesties gedaan ter verbetering van de regeling van bestuur en toezicht in de zorg.

2.2 Huidige regime 2.2.1 Overzicht Een goede wettelijke regeling van healthcare governance – good governance voor de gezondheidszorg – moet een stevig fundament krijgen in de rechtsvorm van de zorginstelling. Op het fundament van de regeling van die rechtsvorm in het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen vervolgens specifieke voorschriften voor bestuur en toezicht van zorginstellingen worden geformuleerd. De huidige regeling van governance in de zorg is beperkt. Zo is op 1 januari 2013 de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking getreden. Deze wet is onder meer van toepassing op bestuurders en toezichthouders van zorginstellingen. Daarnaast bevat het

1 Zie over de governancestructuur van stichtingen in het algemeen en die van zorginstellingen en pensioenfondsen in het bijzonder: M.J. van Uchelen-Schipper en S.W.A.M. Visée, Bestuur en toezicht bij stichtingen, Governance bij zorginstellingen en pensioenfondsen, serie preadviezen commerciële rechtspraktijk deel 3, Zutphen: Paris 2013.


20 Uitvoeringsbesluit WTZi enkele voorschriften met betrekking tot de bestuursstructuur van zorginstellingen. Verder is de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) relevant alsmede de Zorgbrede Governancecode 2010 (Code) die is opgesteld door de Brancheorganisatie Zorg (BoZ). Hoewel de Code geen wetgeving in materiële zin is, moet de rechtskracht ervan niet worden onderschat. Juridische binding aan de Code kan op verschillende manieren ontstaan.

2.2.2 Rechtskracht Code Ten eerste is de Code door de Regeling verslaggeving WTZi wettelijk verankerd.2 Een zorginstelling dient in haar jaarverslag aan te geven welke van toepassing zijnde openbaar gemaakte normen voor goed bestuur zij hanteert. Verder moet de instelling openbaar verantwoording afleggen over haar beleid en activiteiten, waarbij de Code als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Op basis van het principe ‘pas toe of leg uit’ wordt in het jaarverslag (het zogenoemde ‘jaardocument maatschappelijke verantwoording’) aangegeven welke codevoorschriften worden toegepast en van welke normen uit de Code wordt afgeweken en waarom. Deze schriftelijke verklaring is een toezegging waaraan zij en haar bestuurders en toezichthouders kunnen worden gehouden. Uiteraard ontstaat ook juridische binding aan de codevoorschriften als die worden overgenomen in de statuten of reglementen van zorginstellingen. Een meer indirecte binding ontstaat doordat de brancheverenigingen die zijn verenigd in de BoZ, zoals de NVZ en GGZ Nederland, hun leden (dat wil zeggen: de zorginstellingen) verplichten de Code na te leven. Niet-naleving van de Code of het zonder nadere motivering afwijken van de Code is een grond voor opzegging van het lidmaatschap van de branchevereniging. Daarbij wordt op handhaving van de Code toegezien door de Governancecommissie Gezondheidszorg. Tot slot kan de Code rechtskracht verkrijgen doordat hij mede inhoud geeft aan de vele open normen in ons

rechtspersonenrecht, zoals de regels voor bestuurdersaansprakelijkheid en de algemene regel dat een rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW).3

2.2.3 Bestuursmodellen De stichting is een rechtspersoon zonder leden, zoals omschreven in titel 6 van Boek 2 BW. Daarnaast gelden de algemene regels van titel 1 van Boek 2 BW, die van toepassing zijn op alle rechtspersonen. Waar de wet bij andere rechtspersonen naast het bestuur steeds een algemene vergadering (van aandeelhouders of leden) en soms een raad van commissarissen kent, schrijft hij bij de stichting slechts het bestuur als orgaan voor. Daardoor ontbreken in de basale opzet van de stichting de checks and balances in de governance, waarvoor de algemene vergadering en het eventuele toezichthoudende orgaan bij andere rechtspersonen zorgen. De wet voorziet overigens wel in de mogelijkheid van een of meer andere organen. Voor een stichting die een geprofessionaliseerde instelling of onderneming in stand houdt, zijn in de praktijk verschillende bestuursmodellen ontwikkeld. In het ‘klassieke model’ draagt het bestuur van de stichting de eindverantwoordelijkheid voor zowel het algemene als het dagelijkse beleid. De dagelijkse leiding is in dit geval in handen van een directeur of meerhoofdige directie. De directeur of de directieleden zijn dan geen bestuurder van de stichting maar als werknemer in dienst van de rechtspersoon. In het ‘raad-van-beheermodel’ zijn de bestuurstaken en bevoegdheden verdeeld over het bestuur (aangeduid als raad van beheer) en de directie, en zijn zij statutair vastgelegd. De raad van beheer bepaalt het algemeen beleid en de directie is belast met de dagelijkse leiding. Het verschil met het klassieke model is dat de bevoegdheden van de directie in de statuten zijn vastgelegd. De raad van beheer is daarbij eindverant-

2 Dit is gebeurd op een wijze die vergelijkbaar is met de wettelijke verankering van de Nederlandse Corporate Governance Code. Ook qua inhoud is de Code duidelijk geïnspireerd door de Code Tabaksblat. Door een en ander is de Code een van de betere codes in de semipublieke sector. 3 In de vennootschapsrechtelijke rechtspraak is aldus veelvuldig rechtskracht toegekend aan bepalingen uit de Nederlandse Corporate Governance Code. Zie bijvoorbeeld HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 (ABN AMRO). Op vergelijkbare wijze kan de rechter langs de weg van artikel 2:8 BW bepalingen uit de Code toepassen.


21 woordelijk voor de uitoefening van de bestuurstaak, ook voor het deel dat aan de directie is gedelegeerd. In het algemeen-bestuur-/dagelijks-bestuurmodel wordt de dagelijkse leiding uitgeoefend door het dagelijks bestuur dat – anders dan de directie in het raad-van-beheermodel – een bestuursorgaan is van de stichting. De bestuurstaak is in dit model verdeeld over het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, al dan niet vormgegeven als twee aparte organen. Indien de bestuurstaak is verdeeld over twee aparte organen, worden de leden van het dagelijks bestuur door het algemeen bestuur benoemd. Daar waar het dagelijks bestuur deel uitmaakt van het algemeen bestuur en dus een orgaan vormt, komt het model neer op een one tier model. Tot slot is er het raad-van-toezichtmodel waarin professionals zijn belast met het bestuur van de stichting en waarin een apart orgaan bestaat dat toezicht houdt op het bestuur. Elke zorginstelling moet een orgaan hebben dat toezicht houdt op het beleid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling, en deze met raad terzijde staat (artikel 6.1 lid 1 onderdeel a Uitvoeringsbesluit WTZi). Dit betekent dat in de zorg het raad-van-beheermodel, het algemeen-bestuur-/dagelijks-bestuurmodel met twee aparte organen en het raad-vantoezichtmodel zijn toegestaan. Het one tier model lijkt niet mogelijk omdat daarin de uitvoerende bestuurders en de niet-uitvoerende bestuurders deel uitmaken van hetzelfde orgaan. In de Code wordt duidelijk gekozen voor het raad-van-toezichtmodel met twee aparte organen: een raad van bestuur en een raad van toezicht. Dat is dan ook het model dat door de meeste zorginstellingen wordt toegepast en hieronder verder wordt behandeld.

2.2.4 Bestuur Volgens de Code is de raad van bestuur eindverantwoordelijk voor en belast met het besturen van de zorgorganisatie. Dit houdt onder meer in dat de raad van bestuur verantwoordelijk is voor de realisatie van de

statutaire en andere doelstellingen van de zorgorganisatie, de strategie en het beleid en de daaruit voortvloeiende resultatenontwikkeling, en voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van bestuur zich op het belang van de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij de zorgorganisatie betrokken belanghebbenden af. De wet schrijft slechts voor dat het bestuur uit ten minste één lid moet bestaan. Volgens de Code stelt de raad van toezicht de omvang van de raad van bestuur vast. Indien er meerdere bestuurders zijn, geldt het principe van collegiaal bestuur. Het bestuur is collectief verantwoordelijk; de bestuursleden moeten dus gezamenlijk beslissen over de hoofdlijnen van het beleid. Verder zijn zij gehouden tot een behoorlijke vervulling van hun taak (artikel 2:9 BW). Bij een onbehoorlijke taakvervulling is een bestuurder in beginsel aansprakelijk ten opzichte van de stichting.4 Volgens de Code worden bestuurders benoemd5, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht. Volgens artikel 2:298 BW is het openbaar ministerie of iedere belanghebbende bevoegd de rechtbank te verzoeken een bestuurder te ontslaan, indien deze iets doet of nalaat in strijd met de wet of de statuten of zich schuldig maakt aan wanbeheer. De raad van toezicht fungeert als werkgever van de bestuurders en stelt ‘een maatschappelijk passende beloning’ vast, aldus de Code. Zorginstellingen vallen onder het zwaarste regime van de WNT, hetgeen betekent dat de bezoldiging van bestuurders is gemaximeerd op de zogenoemde Balkenende-norm. Sinds 1 januari 2013 worden beperkingen gesteld aan het aantal bestuurs- en toezichthoudende functies dat iemand bij grote rechtspersonen in de zin van het jaarrekeningenrecht mag vervullen. Zorginstellingen die verplicht zijn om een financiële verantwoording op te stellen die gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in het jaarrekeningenrecht vallen ook onder de regeling. Deze houdt in dat een voorzitter van een

4 Zie over deze interne aansprakelijkheid de bijdrage van Analbers en Harmsen (hoofdstuk 7). 5 De Nederlandse Corporate Governance Code kent een maximale benoemingstermijn van 4 jaar; deze ontbreekt in de Code.


22 toezichthoudend orgaan van een grote rechtspersoon en iemand die bij meer dan twee grote rechtspersonen een toezichthoudende functie heeft, niet tot bestuurder kan worden (her)benoemd bij een grote zorginstelling. Het stichtingenrecht kent geen bepaling over tegenstrijdige belangen van bestuurders. De Code voorziet hier wel in. Elke vorm en schijn van persoonlijke bevoordeling dan wel belangenverstrengeling tussen enig lid van de raad van bestuur en de zorgorganisatie wordt vermeden. Besluiten tot het aangaan van transacties waarbij tegenstrijdige belangen van bestuurders spelen die van materiële betekenis zijn voor de zorgorganisatie en/of voor de desbetreffende bestuurders, moeten door de raad van toezicht worden goedgekeurd.

2.2.5 Raad van Toezicht Omdat in Boek 2 BW bepalingen omtrent toezicht ontbreken, moeten de samenstelling, de taak en de bevoegdheden van de raad van toezicht statutair worden geregeld. Ook het Uitvoeringsbesluit WTZi laat alle ruimte om de samenstelling van de raad van toezicht naar eigen wens vorm te geven. Dit besluit bepaalt slechts dat het toezichthoudend orgaan zodanig is samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding van de instelling en welk deelbelang dan ook, onafhankelijk en kritisch kunnen opereren. Verder moet de zorginstelling de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het toezichthoudend orgaan en de dagelijkse of algemene leiding inzichtelijk vastleggen, alsmede de wijze waarop eventuele conflicten tussen beide organen worden geregeld. Volgens de Code heeft de raad van toezicht tot taak toezicht te houden op de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken in de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming. Daarbij staat de raad van toezicht de raad van bestuur met raad terzijde. Voorts is volgens de Code een aantal belangrijke bestuursbesluiten aan de goedkeuring van de raad van toezicht onderworpen. Volgens de Code is de raad van toezicht verantwoordelijk voor benoeming, schorsing

en ontslag van zijn eigen leden. De Wmcz bepaalt dat in de statuten van een zorginstelling moet worden vastgelegd dat de cliëntenraad bij de benoeming van tenminste één lid van de raad van toezicht het recht van bindende voordracht heeft. Sinds 1 januari 2013 geldt dat iemand die reeds bij vijf of meer andere grote rechtspersonen toezichthouder is, niet tot lid van de raad van toezicht van een grote zorginstelling kan worden benoemd (zie hiervoor paragraaf 2.2.4). Daarbij geldt dat een voorzitterschap van een toezichthoudend orgaan dubbel telt. Volgens de Code kan een iemand maximaal tweemaal voor een periode van vier jaar zitting hebben in de raad van toezicht. Voorts moet volgens de Code statutair worden vastgelegd op welke gronden een lid van de raad van toezicht kan worden geschorst of ontslagen. Als de raad van toezicht disfunctioneert, ontbreekt voor buitenstaanders de mogelijkheid om de rechter te verzoeken toezichthouders te ontslaan. Omdat een regeling voor intern toezicht in het stichtingenrecht ontbreekt, bestaat geen met artikel 2:298 BW (zie hiervoor paragraaf 2.2.4) vergelijkbare bepaling voor leden van de raad van toezicht. Ook ontbreekt in het stichtingenrecht een norm voor de taakvervulling van toezichthouders, omdat artikel 2:9 BW alleen van overeenkomstige toepassing is verklaard in geval van faillissement van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen. Daardoor wordt het aansprakelijk stellen van toezichthouders in de zorg lastig. Tenslotte ontbreekt in het BW een tegenstrijdig belang regeling voor de stichting. Wel bepaalt de Code dat besluiten tot het aangaan van transacties waarbij tegenstrijdige belangen van leden van de raad van toezicht spelen die van materiële betekenis zijn voor de zorgorganisatie en/of voor de desbetreffende toezichthouders de goedkeuring van de raad van toezicht behoeven.

2.3 Toekomstige regeling Op 11 september 2013 presenteerde voorzitter Femke


23 Halsema het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur. Minister Kamp van Economische Zaken had de Commissie onder meer gevraagd gedragsregels op te stellen voor professioneel en ethisch verantwoord handelen van bestuurders en interne toezichthouders in de semipublieke sectoren. Uiteindelijk heeft de Commissie Halsema geen nieuwe gedragsregels opgesteld maar enkele aanbevelingen gedaan. Zo adviseert de Commissie de sector richtlijnen voor gedrag en cultuur in de codes helder te onderscheiden van de regels voor de organisatie van instellingen omdat zo duidelijk wordt welke inzet van de verschillende betrokkenen wordt verwacht. De Commissie benadrukt dat een open cultuur waarin bestuurders en werknemers zichzelf en elkaar aanspreken op gedrag belangrijk is omdat het mensen helpt hun morele verantwoordelijkheid te nemen. Concreet beveelt de Commissie Halsema de politiek aan om in het BW voor verenigingen en stichtingen een taakomschrijving op te nemen voor de interne toezichthouder die vergelijkbaar is met die voor vennootschappen. Daarnaast is het raadzaam voor werknemers of burgers een sterker voordrachtsrecht te creëren in raden van toezicht. Verder adviseert de Commissie het kabinet erin te voorzien dat de Minister, cliëntenraden, bestuurders en leden van de raad van toezicht een verzoek tot enquête als ook een verzoek tot ontslag kunnen indienen bij de Ondernemingskamer. Daarnaast zou waar mogelijk de civiele aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders moeten worden aangescherpt. Overigens verplicht het Uitvoeringsbesluit WTZi zorginstellingen al om in hun statuten enquêterecht toe te kennen aan ‘een orgaan dat de cliënten van de instelling vertegenwoordigt’ (lees: de cliëntenraad). Op 19 september 2013 hebben de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een brief aan de Tweede Kamer geschreven over het wetsvoorstel goed bestuur in de zorg, dat zij begin 2014 aan de Tweede Kamer willen toezenden.6 Tot begin 2013 waren voorstellen voor nieuwe regels voor healthcare 6 Kamerstukken II, 2013/14,32012, nr. 15. 7 Kamerstukken II, 2013/14, 33750 VI, nr. 31.

governance opgenomen in het voorstel voor de Wet cliëntenrechten zorg. Dit wetsvoorstel is opgeknipt in vier delen. De voorgestelde governancevoorschriften krijgen een plaats in het wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg. De bedoeling van de Minister en de Staatssecretaris is om een nieuwe wettelijke resultaatsnorm op te stellen: “De zorgaanbieder richt zijn bestuursen toezichtstructuur zodanig in dat hij in staat is tot het verlenen van goede en veilige zorg, daarover regelmatig verantwoording aflegt jegens belanghebbenden en het toezicht daarop naar behoren kan worden uitgeoefend.” In aanvulling op de wettelijke resultaatsnorm wordt nog een aantal concrete voorstellen gedaan. Zo moet de raad van bestuur een van zijn leden specifiek aanwijzen als verantwoordelijk voor de kwaliteit (en daarmee veiligheid) van de zorgverlening. Hiermee is er een duidelijk aanspreekpunt bij een zorgaanbieder wanneer de kwaliteit niet op orde is. Verder moet iedereen een verklaring omtrent gedrag overhandigen voordat hij/zij tot de raad van bestuur kan toetreden. De raad van toezicht heeft een zogenoemde vergewisplicht ten aanzien van de kwaliteit van de aan te stellen leden van de raad van bestuur en de raad van toezicht. Voorts moet de raad van toezicht aansprakelijk kunnen worden gesteld op basis van artikel 2:9 BW. Tot slot dienen toezichthouders te kunnen worden ontslagen door middel van een verzoek dat een vertegenwoordiger van cliënten van een zorgaanbieder hiertoe indient bij de Ondernemingskamer. De door Tweede Kamerlid Karen Gerbrands voorgestelde bestuurderstoets voor de zorg is niet overgenomen door de bewindspersonen. Op 12 november 2013 kondigde de Minister van Veiligheid en Justitie in een brief aan de Tweede Kamer maatregelen aan om de kwaliteit van bestuur en toezicht in de semipublieke sector structureel te versterken.7 Begin december 2013 zou een internetconsultatie starten over een concept-wetsvoorstel inzake bestuur, toezicht en tegenstrijdig belang bij stichtingen en verenigingen maar die is nog niet begonnen. In het nieuwe wetsvoorstel zal een basisregeling voor intern toezicht worden opgenomen. Stichtingen kunnen er


24 dan voor kiezen een toezichthoudend orgaan in te stellen met een wettelijke taakomschrijving. Die taakomschrijving wordt dan ontleend aan de taakomschrijving van een commissaris bij een NV, BV, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij: bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de stichting en de daarmee verbonden onderneming. Voorts wordt in het stichtingenrecht een tegenstrijdig belang regeling opgenomen vergelijkbaar met die voor de NV en BV. Bestuurders en toezichthouders mogen dan niet deelnemen aan de besluitvorming als zij een tegenstrijdig belang hebben. Verder zal in Boek 2 BW een algemene regeling voor aansprakelijkheid van toezichthouders bij stichtingen worden geïntroduceerd. Een wettelijke regeling van de taken van toezichthouders maakt aansprakelijkstelling eenvoudiger, ook omdat dan beter parallellen kunnen worden getrokken met aansprakelijkheid van commissarissen bij NV’s en BV’s. Tot slot zal de mogelijkheid worden gecreëerd om interne toezichthouders, die zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeheer, te kunnen ontslaan. Daartoe zal het eerder genoemde artikel 2:298 BW worden uitgebreid tot toezichthouders van de stichting.

2.4 Commentaar Bovenstaande beleidsvoornemens, met name die van de Minister van Veiligheid en Justitie, zullen het bestuur en toezicht bij zorginstellingen belangrijk verbeteren. Toch zijn er nog altijd verbeterpunten. Ten eerste zou het goed zijn als de wetgever de one tier board zou toestaan bij zorginstellingen. Sinds 1 januari 2013 is dit monistische bestuursstelsel wettelijk geregeld voor NV’s en BV’s. De Minister van Justitie heeft destijds aangegeven dat er geen reden is om de wettelijke uitwerking van het monistische bestuursmodel te onthouden aan andere rechtsvormen dan de NV en de BV indien de praktijk daaraan behoefte zou blijken te hebben.8 Als de one tier board ook wettelijk is geregeld voor stichtingen, zouden ook zorginstellingen gemakkelijk kunnen kiezen voor het monistische bestuurs8 Kamerstukken II, 2008/09, 31763, nr. 6, p. 17. 9 Zie Financieele Dagblad, 31 oktober 2013.

model waarin de bestuurstaken worden verdeeld over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Ten tweede zou de wettelijke beperking van het aantal toezichthoudende functies dat één persoon bij grote rechtspersonen mag vervullen, moeten worden geschrapt. Vooral zorginstellingen hebben last van deze zeer arbitrair gekozen begrenzing: zij kunnen moeilijk goede toezichthouders vinden.9 Een CEO van een grote onderneming heeft in de regel nauwelijks tijd voor een commissariaat maar een beroepscommissaris met alleen vijf toezichthoudende functies houdt waarschijnlijk tijd over. Het rigide maximum dat is gesteld aan het aantal toezichtfuncties zou daarom moeten verdwijnen. Ten derde dient ook de indeling van zorginstellingen in de zwaarste categorie van de WNT te worden heroverwogen. De Balkenende-norm is niet passend voor een sector die steeds meer met marktprikkels te maken krijgt. Een directeur van een zorginstelling moet tegenwoordig zowel thuis zijn in de zorg als beschikken over voldoende financieel inzicht. Zo is cash management steeds belangrijker geworden in de sector. Zorginstellingen hebben last van het salarisplafond van de WNT dat volgens de plannen van dit kabinet bovendien nog eens moet worden verlaagd. De raad van toezicht van een zorginstelling moet haar bestuurders een marktconform salaris kunnen aanbieden om zo de beste mensen aan zich te kunnen binden. Tot slot wordt van toezichthouders steeds meer betrokkenheid verwacht; de raad van toezicht moet dicht op de praktijk gaan zitten. Dat betekent dat toezichthouders meer tijd aan hun zorginstelling moeten besteden; daarbij past niet een beperking van de bezoldiging van toezichthouders tot ca. € 11.000,-10. Ook hier is de norm van de WNT te rigide. Met name voor grotere zorginstellingen kan een hogere vergoeding raadzaam zijn.

2.5 Conclusie Ook in de zorg is de laatste jaren de aandacht voor goed bestuur en toezicht sterk toegenomen. De huidige 10 Voor de voorzitter van een raad van toezicht geldt een hoger maximum van ca. € 17.000,-.


25 regelgeving is niettemin nog steeds zeer beperkt, zowel wat betreft de wettelijke regels als voor de Code. Te verwachten is dat de hierboven beschreven beleidsvoornemens kunnen bijdragen aan verbetering van bestuur in zorginstellingen; dat geldt met name voor de voorstellen van de Minister van Veiligheid en Justitie. Andere aandachtspunten betreffen onder meer het vooralsnog ontbreken van de mogelijkheid te kiezen voor een monistisch bestuursmodel (one tier board), alsmede de honorering van bestuurders en toezichthouders.


Kwaliteit van zorg

3


29

Kwaliteit van zorg Sjef Gevers

3.1 Inleiding Voor wat betreft het functioneren van zorginstellingen krijgen weinig thema’s zoveel aandacht als de kwaliteit van de verleende zorg, inclusief vragen ten aanzien van verantwoordelijkheid en toezicht. Men vindt dat verbetering van de kwaliteit en veiligheid van zorg voor bestuurders en raden van toezicht eigenlijk het hoogst op de agenda zou moeten staan. Inmiddels neemt dit in het beleid van zorginstellingen een steeds centralere plaats in. Ook het feit dat zorgverzekeraars zich in hun zorginkoopbeleid in toenemende mate op kwaliteit richten, draagt daartoe bij. En als de veiligheid en kwaliteit wel in het geding raken, dan is er de inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) om op te treden. Het huidig wettelijk kader is met name neergelegd in de Kwaliteitswet zorginstellingen. Nadat die wet kort is besproken (paragraaf 3.2), volgt een beschrijving van het voorstel Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg die de Kwaliteitswet zorginstellingen binnen afzienbare tijd moet gaan vervangen. Daarnaast komt aan de orde het (eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaarde) wetsvoorstel taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg, dat strekt tot wijziging van de Zorgverzekeringswet (paragraaf 3.3). Tot slot volgen in paragraaf 3.4 enkele kanttekeningen.

3.2

De Kwaliteitswet zorginstellingen

De belangrijkste wet betreffende de kwaliteit van zorg verleend door instellingen is de Kwaliteitswet zorg-

1 Stb. 1996, 80.

instellingen (Kwz) van 18 januari 1996.1 Deze beoogt vorm te geven aan een nieuwe visie op de rol van de overheid ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van zorg, waarvoor de overheid uit hoofde van artikel 22 Grondwet eindverantwoordelijkheid draagt. Voorheen werden in de erkenningseisen voor instellingen op grond van de toen geldende Ziekenfondswet en AWBZ gedetailleerde voorschriften opgenomen. Een eventuele sanctie was daarbij de intrekking van de erkenning. Met de komst van de Kwz is gekozen voor een systeem waarin de overheid in principe op afstand staat en de primaire verantwoordelijkheid bij het veld wordt gelegd. De wetgever heeft zich beperkt tot het stellen van globale normen die door zorgaanbieders na overleg met patiĂŤntenorganisaties en verzekeraars zouden worden geconcretiseerd. De overheid (de IGZ) houdt toezicht en handhaaft zo nodig. Het gevolg is dat in de Kwz nauwelijks aandacht wordt besteed aan inhoudelijke normen en voorschriften. Die moeten immers door het veld in een proces van zelfregulering tot stand worden gebracht in de vorm van standaarden, richtlijnen, protocollen en dergelijke. Centraal in de wet staat de plicht van instellingen om een kwaliteitssysteem te implementeren en de mogelijkheden voor de inspectie en de minister om te kunnen ingrijpen in geval van onverantwoorde zorg. De reikwijdte van de Kwz is groot omdat zij alle zorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet en de AWBZ betreft. De verplichtingen uit hoofde


30 van de Kwz rusten op zorgaanbieders. Daaronder vallen alle natuurlijke of rechtspersonen die een instelling in stand houden (omschreven als: het organisatorisch verband dat strekt tot het verlenen van zorg). In de praktijk komt het erop neer dat uitsluitend beroepsbeoefenaren die werkzaam zijn in een solo-praktijk buiten de Kwz vallen. De belangrijkste materiële norm in de Kwz is dat de zorgaanbieder verantwoorde zorg moet aanbieden (artikel 2); daaronder wordt verstaan zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de patiënt. In de artikelen 3 en 4 zijn verplichtingen neergelegd ten aanzien van het zorgdragen voor een organisatie van zorg die bevordert dat verantwoorde zorg wordt verleend, respectievelijk het voorzien in een kwaliteitssysteem dat waarborgt dat er sprake is van systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van zorg. In 2005 is voorts artikel 4a ingevoegd dat zorgaanbieders verplicht om calamiteiten (een onverwachte gebeurtenis met fatale of ernstige schadelijke gevolgen voor een patiënt) en seksueel misbruik aan de IGZ te melden. Met de invoering van de Wet uitbreiding bestuurlijke handhavingsinstrumenten volksgezondheid (Wubhv, 2010) is verder een artikel 4b toegevoegd dat voorziet in een door de Minister bij te houden openbaar register van instellingen, verpleeg- en verzorgingshuizen, die niet zijn toegelaten ingevolge de Wet toelating zorginstellingen (WTZi). De artikelen 5 en 6 hebben respectievelijk betrekking op de verplichting een kwaliteitsjaarverslag te publiceren en de mogelijkheid voor de overheid om zo nodig toch bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van een bepaald onderwerp specifieke voorschriften uit te vaardigen. Op toezicht en handhaving hebben de artikelen 7 en 8 betrekking. Het belang van de Kwz ligt mede in het feit dat zij de Minister van VWS in staat stelt om via de IGZ een zorgaanbieder een schriftelijke aanwijzing te geven als hij de wet onvoldoende of onjuist naleeft. Bij de aanwijzing wordt aangegeven welke maatregelen

2 A.F. Casparie e.a., Evaluatie Kwaliteitswet zorginstellingen, Den Haag, ZonMw 2001, p. 8.

alsnog door de zorgaanbieder te nemen zijn. Als ingrijpen geen uitstel lijdt, kan de ambtenaar van de IGZ een schriftelijk bevel geven dat onmiddellijk moet worden opgevolgd. Dat kan ook het stopzetten van bepaalde activiteiten of het sluiten van een afdeling inhouden. Het bevel is bedoeld voor situaties waar sprake is van direct gevaar. De onderzoeksbevoegdheden van de IGZ in het kader van haar toezichtstaak zijn in hoofdzaak geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 5.115.20). Ingevolge artikel 7 Kwz behoort daartoe ook het binnentreden zonder toestemming van de bewoner van een woning die deel uitmaakt van een instelling. Ook kunnen de met toezicht belaste ambtenaren voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, patiëntendossiers inzien. Die laatste mogelijkheid is in de wet geïntroduceerd met invoering van de Wubhv (zie boven); bij die laatste wet is in de Kwz ook de mogelijkheid van het opleggen van een bestuurlijke boete opgenomen in artikel 9. Uit de evaluatie van de wet in 2001 bleek dat de hoofddoelstelling van de Kwz – het realiseren van een cyclisch proces van kwaliteitsbewaking en -verbetering – onvoldoende was gerealiseerd.2 Geleidelijk aan is echter door het veld meer aandacht besteed aan de ontwikkeling van kwaliteitssystemen, protocollen en richtlijnen. Dit is later bovendien gevolgd door belangstelling voor het meten van kwaliteitsinspanningen met behulp van kwaliteitsindicatoren. Een en ander is bevorderd door de behoefte om aan cliënten keuzeinformatie te kunnen verstrekken over de kwaliteit van de door verschillende aanbieders verleende zorg, maar vooral ook door toenemende druk vanuit overheid, beleid en samenleving om van kwaliteit en veiligheid van zorg een eerste prioriteit te maken. Ook op de IGZ is daarbij de nodige pressie uitgeoefend haar activiteiten in de sfeer van toezicht en handhaving te intensiveren. Kritiek op het optreden van de inspectie was en is overigens vaak incidentgestuurd en doet niet altijd recht aan het feit dat zij ten aanzien van de opvang van individuele klachten slechts


31 een beperkte taak heeft. In de loop der jaren zijn de mogelijkheden van de IGZ om op te treden versterkt, met name door de Wubhv. Naast deze wettelijke bevoegdheden heeft de inspectie zelf haar handhavingsarsenaal uitgebreid door waar nodig instellingen onder verscherpt toezicht te stellen en dat eventueel ook te publiceren. Vooral dat laatste kan de belangen van instellingen sterk raken en een wettelijke regeling op dit punt is dan ook in het vooruitzicht gesteld.3

3.3

Komend recht

De bepalingen uit de Kwz zouden oorspronkelijk in aangepaste vorm en aangevuld met een aantal nieuwe elementen worden overgenomen in de geplande Wet cliëntenrechten zorg (Wcz). Het kabinet-Rutte II heeft aangegeven niet verder te willen gaan met de Wcz, maar deze in delen te zullen knippen.4 Een belangrijke drijfveer voor de ingezette koerswijziging was – naast de kritiek op de Wcz – de wens om met voorrang aanpassingen in de wetgeving rond kwaliteit, klachten en geschillen te realiseren. In april 2013 is een eerste stap gezet ter uitvoering van dit nieuwe wetgevingsbeleid. Bij de derde Nota van wijziging5 is de inhoud van de Wcz beperkt tot regels inzake de behandeling van klachten en geschillen, kwaliteit van zorg en meldingen. Regels over andere onderwerpen zijn uit het wetsvoorstel geschrapt. In verband daarmee is ook de naam van de voorgestelde wet gewijzigd van Wzc in Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Naast de Wet klachtrecht cliënten zorgsector wordt ook de Kwz door de nieuwe, afgeslankte wet vervangen. Blijven in de Wkkgz – die sinds juli 2013 bij de Eerste Kamer ligt – de uitgangspunten en hoofdlijnen van de Kwz in grote lijn gehandhaafd, het wetsvoorstel bevat ten opzichte van de Kwz wel een groot aantal wijzigingen en aanvullingen. De belangrijkste daarvan zijn: •  De hoofdverplichting die op zorgaanbieders rust wordt nu omschreven als het bieden van ‘goede’ zorg. Aan de omschrijving van die algemene verplichting worden vergeleken met de Kwz elementen toegevoegd, zoals de verplichting van zorgverleners

te handelen overeenkomstig hun professionele standaard, inclusief de in het openbaar register voor hen geldende standaard (zie daarover hieronder bij de bespreking van het – inmiddels door de Eerste Kamer aanvaarde – wetsvoorstel taken en bevoegdheden op het gebied van kwaliteit). De rechten van de cliënt moeten daarbij zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt dient daarbij met respect te worden behandeld. • De zorgaanbieder moet zich ervan vergewissen dat de wijze waarop zorgverleners die zorg bieden aan zijn cliënten in het verleden hebben gefunctioneerd, niet belet dat zij worden ingezet. Ook moet hij, tenzij sprake is van een dienstbetrekking, met hen een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten die waarborgt dat zij zich bij hun werkzaamheden zullen laten leiden door de op de zorgaanbieder rustende wettelijke verplichtingen en de regels die de zorgaanbieder heeft vastgesteld omtrent de zorgverlening. • In verband met de aanvaarding van wetsvoorstel 33602 (omgaan door hulpverleners met geweldssignalen) in 2013 moet de zorgaanbieder een meldcode vaststellen waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan, en die ertoe bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. • De zorgaanbieder moet een interne procedure vaststellen voor het omgaan met signalen van incidenten die ertoe bijdraagt dat zo snel mogelijk maatregelen kunnen worden genomen. De gegevens die geregistreerd worden in het kader van deze meldingsprocedure zijn niet openbaar. Behoudens gegevens met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie, kunnen zij ook niet worden gebruikt in een civiel-, straf-, bestuurs- of tuchtrechtelijke procedure, noch kan een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of bestuurlijke maatregel daarop worden gebaseerd. Uitzondering op deze waarborg voor ‘veilig’ melden (zonder vrees voor

3 Zie J.A.E. van der Jagt-Jobsen, O.S. Nijveld, Actieve openbaarmaking van informatie door de IGZ: het Wetsontwerp tot wijziging van de Gezondheidswet, TvGR 2013, p. 214-225. 4 Zie hoofdstuk 1. 5 Kamerstukken II, 2012-2013, 32402, nr. 12.


32 repercussies) is echter dat gegevens voor strafrechtelijk bewijs kunnen worden gebruikt als zij niet op andere manier kunnen worden verkregen. • De zorgaanbieder verstrekt de cliënt die daarom verzoekt informatie over de aangeboden zorg teneinde hem in staat te stellen te kiezen tussen verschillende zorgaanbieders. De cliënt moet tevens geïnformeerd worden over de wetenschappelijk bewezen werkzaamheid van die zorg en over de wachttijd. Als een incident merkbare gevolgen kan hebben voor een cliënt moet hij (dan wel een vertegenwoordiger of nabestaande) direct van de aard en toedracht van dat incident op de hoogte worden gesteld. • In het verlengde van de discussie over de taak van de IGZ met betrekking tot individuele meldingen wordt bepaald dat de inspectie meldingen van calamiteiten en andere meldingen moet onderzoeken om vast te stellen of sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstig bedreiging kan betekenen of die met het oog op het belang van een goede zorg anderszins noodzaakt tot nader onderzoek. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over dat onderzoek en over het informeren van de melder respectievelijk de zorgaanbieder. • Ten slotte is een belangrijke aanvulling ontleend aan het (eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaarde) wetsvoorstel inzake het waarborgen van de continuïteit, kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (zie paragraaf 1.3 en 1.4). Als de Minister van oordeel is dat de organisatiestructuur van de zorgaanbieder in ernstige mate afbreuk doet aan het verlenen van goede zorg, kan hij ter zake een structurele maatregel (zoals splitsing van een zorgorganisatie) aan de zorgverlener opleggen. Dit is in feite een uitbreiding van de reeds uit hoofde van de Kwz bestaande aanwijzingsbevoegdheid. Vanwege het verstrekkende karakter van deze bevoegdheid is deze met de nodige waarborgen omgeven.

Een tweede wetsvoorstel betreffende de kwaliteit van zorg – minder centraal dan de Wkkgz als beoogde opvolger van de Kwz, maar wel een belangrijke aanvulling daarop – heeft betrekking op de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg.6 Dat wetsvoorstel is eind 2013 door de Eerste Kamer aanvaard. Het wetsvoorstel is voortgekomen uit het gegeven dat het veld in de loop der jaren door ontwikkeling van kwaliteitssystemen, protocollen, richtlijnen en, in een later stadium, van kwaliteitsindicatoren weliswaar actiever is geworden ten aanzien van normering van kwaliteit, maar dat het bij dat alles ontbreekt aan een ‘regisseur’. Hiermee wordt een instantie bedoeld die zicht heeft op alle veldactiviteiten, samenwerking en implementatie kan bevorderen, en kan bewerkstelligen dat ook op achterblijvende deelgebieden kwaliteitsinitiatieven worden ontplooid. Beoogd wordt om de bestaande taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg te bundelen en een zelfstandig bestuursorgaan daarmee te belasten. Om te voorkomen dat een extra instituut moet worden opgericht, wordt aangesloten bij het College voor zorgverzekeringen, dat door deze uitbreiding van zijn taken Zorginstituut Nederland gaat heten. De taken op het gebied van de kwaliteit van zorg worden uitgevoerd door een aparte afdeling van dat Zorginstituut, te weten het Kwaliteitsinstituut, en door een onder de verantwoordelijkheid van het Zorginstituut ressorterende Adviescommissie Kwaliteit.7 De belangrijkste taak van het Zorginstituut betreft zijn rol bij de totstandkoming van professionele standaarden. De verantwoordelijkheid om die te ontwikkelen wordt weliswaar in principe bij het veld gelaten, maar alle relevante partijen (cliëntenorganisaties, beroepsgroepen, organisaties van zorgaanbieders, zorgverzekeraars en de IGZ) moeten daarbij betrokken worden. Het Zorginstituut moet allereerst het toetsingskader vaststellen dat de eisen bevat waaraan de te ontwikkelen standaarden moeten voldoen. In de tweede plaats houdt het Zorginstituut een openbaar register bij waarin de door het veld ontwik-

6 Kamerstukken II, 2011-2012, 33243. 7 Zie over het wetsvoorstel uitvoerig: J.K.M. Gevers, M.C. Ploem, Wettelijke vormgeving van de regiefunctie betreffende kwaliteit van zorg: zijn we op de goede weg? TvGR 2012, p. 648-658.


33 kelde standaarden worden opgenomen als zij voldoen aan het toetsingskader; doel daarvan is om duidelijk te maken welke veldnormen als positief zijn beoordeeld. Opneming in het register geschiedt op voordracht van organisaties van cliënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars gezamenlijk, aldus het inmiddels aangenomen wetsvoorstel. In de derde plaats geeft het Zorginstituut in zijn meerjaren agenda en het jaarlijkse werkprogramma aan voor welke vormen van zorg een professionele standaard dringend nodig is. Als die niet tijdig tot stand komt, kan het Zorginstituut de Adviescommissie Kwaliteit verzoeken om die zelf tot stand te brengen. De commissie kan dan daarvoor deskundigen inschakelen; relevante partijen kunnen op het concept reageren, waarna toetsing plaatsvindt door het Zorginstituut. Vervolgens wordt de desbetreffende standaard op voordracht van de Adviescommissie Kwaliteit in het register opgenomen. Het Zorginstituut heeft hier dus doorzettingsmacht om te zorgen dat er een standaard komt als het veld in gebreke blijft.

3.4 Commentaar De Wkkgz ligt, voor zover zij het onderdeel kwaliteit betreft, in het verlengde van de huidige Kwz. Van een systeemwijziging is geen sprake, wel van verduidelijking, aanscherping en aanvulling. De kernverplichting van de zorgaanbieder om in ‘goede zorg’ te voorzien (zonder dat die grondnorm daarmee wezenlijk verandert) is verduidelijkt. Dat geldt ook voor de wijze waarop de inspectie moet omgaan met meldingen van calamiteiten en andere meldingen, inclusief de daarbij te verstrekken informatie aan zorgaanbieder of andere melder. Aanscherping is vooral te vinden ten aanzien van de verplichtingen van de zorgaanbieder betreffende de door hem ingezette hulpverleners. Spraakmakende incidenten in de afgelopen jaren hebben ertoe bijgedragen dat de zorgaanbieder nu moet nagaan of het beroepsmatig verleden van deze hulpverleners niet belet dat zij worden ingeschakeld voor de hulpverlening aan zijn cliënten. Opvallend is ook dat

8 Zie bijvoorbeeld: J. Legemaate, De Wcz en de kwaliteit van zorg, TvGR 2010, p. 597-604.

de hulpverleners zich jegens de zorgaanbieder schriftelijk akkoord moeten verklaren dat zij zich zullen voegen naar de regels die hij ten aanzien van de zorgverlening vaststelt. Ligt dit enerzijds voor de hand met het oog op eindverantwoordelijkheid van de zorgaanbieder voor de kwaliteit van de verleende zorg, anderzijds kan de wijze waarop dit geformuleerd is gemakkelijk vragen oproepen over de grenzen van de professionele autonomie van de betrokken beroepsbeoefenaren. Het (zeker in de literatuur) meest spraakmakende nieuwe element in het wetsvoorstel betreft het veilig melden van incidenten.8 In het algemeen wordt deze aanvulling van de kwaliteitswetgeving verwelkomd. Om goed functionerende kwaliteitssystemen in de gezondheidszorg te realiseren is er alle reden om in navolging van andere sectoren, zoals de luchtvaart, en bestaande wetgeving in een aantal andere landen, ter bescherming van de melder een wettelijke regeling te treffen. Er is wel kritiek op de wijze waarop dat gebeurt. Dat betreft enerzijds het feit dat meldingsinformatie volgens de voorgestelde wetstekst niet ‘gebruikt’ mag worden voor juridische procedures, maar dus kennelijk wel geraadpleegd mag worden, bijvoorbeeld door het openbaar ministerie. Een andere beperking in de bescherming van de melder is de uitzondering voor het bewijs in strafzaken als de desbetreffende gegevens niet op andere manier kunnen worden verkregen. De vraag is daarmee of de regeling uit een oogpunt van ‘veilig’ melden wel voldoende zijn doel bereikt. Een andere opvallende aanvulling vormen de nieuwe informatieplichten jegens de cliënt: het verschaffen van keuze-informatie (die de cliënt in staat stelt te kiezen tussen zorgaanbieders) en informatie over de wetenschappelijk bewezen werkzaamheid van de behandeling respectievelijk de wachttijd. Voorts ook de verplichting de cliënt over een incident te informeren zodra dat merkbare gevolgen voor hem kan hebben. Het verstrekken van precontractuele keuze-informatie kan op zichzelf zinvol zijn, maar de verplichting hiertoe bestaat reeds in zekere mate op grond van artikel


34 38 Wet marktordening gezondheidszorg. Andere in de literatuur opgeworpen vragen betreffen de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de informatie en de grenzen van deze informatieplicht van de zorgaanbieder.9 Er rijzen ook vraagtekens bij de verplichting om aan te geven of de beoogde behandeling evidence based is. Dat zal in een aantal gevallen niet of niet geheel duidelijk zijn, hetgeen niet altijd gemakkelijk uit te leggen zal zijn aan een cliënt. Het wetsvoorstel inzake taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van zorg (dat inmiddels zoals aangegeven ook de Eerste Kamer gepasseerd is) voorziet duidelijk in een lacune, te weten het ontbreken van een instantie die een centrale regiefunctie kan vervullen bij de ontwikkeling en implementatie van normen voor goede zorg. In zijn advies bij het wetsvoorstel onderschreef ook de Raad van State al het belang van het bundelen van de taken op het gebied van kwaliteit in het nieuwe Zorginstituut/Kwaliteitsinstituut. Kwaliteitsnormering blijft de verantwoordelijkheid van het veld, maar de in een proces van zelfregulering ontwikkelde standaarden worden wel getoetst en vervolgens kenbaar gemaakt via het openbaar register als zij aan de kwaliteitseisen voldoen. De doorzettingsmacht van het Zorginstituut waar het veld in gebreke blijft, vormt in beginsel een goede stok achter de deur. Kanttekeningen zijn in de literatuur wel geplaatst bij het waarborgen van het professionele karakter van de desbetreffende standaarden. Die betreffen bijvoorbeeld het zeer brede begrip ‘professionele standaard’ in artikel 1 (die bijvoorbeeld ook ‘organisatiebeschrijvingen’ omvat). Maar ook de vraag of het bij de ontwikkeling van standaarden betrekken van perspectieven van cliënten, respectievelijk van verzekeraars, niet het risico inhoudt dat standaarden het object van onderhandeling tussen partijen worden, in plaats van primair op wetenschappelijke kennis en professionele ervaring gestoelde normen die aangeven wat goede zorg in een specifieke situatie inhoudt. Hierbij speelt ook dat de nieuwe aanpak moet bijdragen aan doelmatigheid en gepast

gebruik. Is dat laatste op zichzelf legitiem en begrijpelijk, tegelijk horen kostenoverwegingen niet wezenlijk af te doen aan wat uit professioneel oogpunt geboden is. Wanneer dat onvermijdelijk is, dan ligt het meer voor de hand verzekeringsaanspraken opnieuw te bezien. Andere, onder meer in de Tweede Kamer geuite zorgen betreffen de uitvoerbaarheid en het gevaar van bureaucratie: zullen veldpartijen toch niet te veel overlaten aan het Zorginstituut? Krijgt dit instituut niet te veel werk toegeschoven, ook omdat het zal moeten optreden als bestaande standaarden niet tijdig aan nieuwe kennis en inzichten worden aangepast? Het Zorginstituut gaat immers de standaarden die het register hebben bereikt ‘periodiek beheren’. Ook moeten alle reeds ontwikkelde richtlijnen, standaarden en indicatoren alsnog langs de meetlat van het toetsingskader worden gelegd; dit is een niet-geringe inhaalslag.

3.5 Conclusie De huidige wetgeving met betrekking tot de kwaliteit van zorg gaat behoorlijk op de schop. Dat was eigenlijk al zo in het wetsvoorstel voor de Wcz; de kwaliteitsbepalingen in dat meer omvattende, maar gesneuvelde wetsvoorstel komen, aangevuld met een paar andere punten, in het voorstel voor de Wkkgz terug. De belangrijkste toevoeging aan het pakket wettelijke maatregelen betreft de concentratie van (regie)taken en bevoegdheden op kwaliteitsgebied bij het Zorginstituut. Bij deze nieuwe regels zijn weliswaar kanttekeningen te plaatsen, maar ze zijn in principe weinig controversieel. Dat blijkt ook uit het feit dat zij relatief snel na indiening de Eerste Kamer hebben bereikt. Te bezien is natuurlijk wel hoe de nieuwe wetten in de praktijk zullen gaan werken. Dat geldt voor wat betreft de Wkkgz bijvoorbeeld ten aanzien van de procedure voor ‘veilig melden’ en voor wat betreft de Wet taken en bevoegdheden op het gebied van kwaliteit van zorg ten aanzien van de vraag hoe vaak het Zorginstituut aanvullend aan het veld zal moeten optreden bij het normeren van de kwaliteit. Dat laatste zal individuele zorgaanbieders/ instellingen echter minder zorg baren: zij hebben vooral

9 A.C. Hendriks, Van patiënten- naar cliëntenrechten: oude wijn in nieuwe zakken? TvGR 2010, p. 605- 615.


35 te maken met de verplichtingen die voor hen uit de Wkkgz voortvloeien. Daarbij hoort zoals aangegeven in paragraaf 3.3 wel een aantal nieuwe verplichtingen, maar alles bijeengenomen wordt de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de kwaliteit van zorg niet veel omvattender of breder dan zij als was.


Klachten en geschillen

4


39

Klachten en geschillen Nadia Haase

4.1 Inleiding Het klachtrecht in Nederland is in ontwikkeling. In het wetsvoorstel Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is een hoofdstuk over klachten en geschillen opgenomen. Dit wetsvoorstel is de voortzetting van het in juni 2010 ingediende wetsvoorstel Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) zoals besproken in hoofdstuk 1. De naamswijziging en de inhoudelijke wijzigingen van het oorspronkelijke wetsvoorstel zijn geregeld in de derde nota van wijziging Wcz. Het wetsvoorstel Wkkgz is op 13 juli 2013 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt momenteel ter beoordeling voor bij de Eerste Kamer. Behalve op klachten en geschillen heeft het wetsvoorstel Wkkgz ook betrekking op het onderdeel kwaliteit van zorg (zie daarover hoofdstuk 3). De onderwerpen goed bestuur, medezeggenschap, de ‘Wgbo-bepalingen’ en bepalingen uit de Wet toelating zorginstelling zijn uit dit voorstel geschrapt. De voorgestelde regeling heeft de nodige consequenties voor zorgaanbieders. Zij moeten namelijk voorzien in een behoorlijke klachtopvang, -bemiddeling en -behandeling. De overheid ziet hier in beginsel geen taak voor zichzelf weggelegd, zodat het op de zorgaanbieders zelf aankomt. Het in het wetsvoorstel opgenomen onderwerp klachtrecht is van grote importantie voor de rechtspositie van de patiënt. Zonder procedurele rechtsbescherming hebben materiële patiëntenrechten in de praktijk immers weinig betekenis. De vraag is evenwel

of het wetsvoorstel op dit onderdeel een verbetering is ten opzichte van de huidige wettelijke regeling inzake het klachtrecht, opgenomen in de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz). Hieronder wordt eerst het huidige klachtrecht besproken, gevolgd door een beknopte beschrijving van het wetsvoorstel, een aantal kanttekeningen bij het voorstel en een conclusie.

4.2 Huidige regelgeving Het huidige klachtrecht is in hoofdstuk 2 ‘Behandeling van klachten’ van de Wkcz geregeld. Volgens de hierin beschreven bepalingen moet elke zorgaanbieder een klachtenregeling hebben en deze onder de aandacht van de patiënten brengen. Eventuele klachten moeten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit minstens drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de zorgaanbieder. Er kunnen klachten worden ingediend over een gedraging van de zorgaanbieder of voor hem werkzame personen jegens een patiënt, ook als deze inmiddels is overleden. Verder is van belang dat de klachtencommissie binnen een in de klachtenregeling vastgelegde termijn onder meer de klager schriftelijk en gemotiveerd moet informeren of zijn klacht gegrond wordt verklaard. Dit oordeel kan al dan niet vergezeld gaan van aanbevelingen. Als deze termijn niet door de klachtencommissie kan worden gehaald, dan moet deze


40 daarvan gemotiveerd mededeling doen en aangeven binnen welk tijdsbestek zij dan wel haar oordeel kan geven. Daarnaast moet de klachtenregeling erin voorzien dat de klager en degene over wie is geklaagd door de klachtencommissie gehoord worden (recht van hoor en wederhoor) en dat zij zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan. De zorgaanbieder deelt de klager en de klachtencommissie uiterlijk een maand na ontvangst van het oordeel schriftelijk mee of hij maatregelen zal nemen en zo ja, welke. Bij afwijking van de termijn doet de zorgaanbieder daarvan gemotiveerd mededeling aan voornoemden en maakt kenbaar binnen welke termijn dan wel inhoudelijk gereageerd zal worden. De zorgaanbieder dient elk jaar een openbaar verslag te maken met daarin opgenomen de klachtenregeling, de wijze waarop daarop de aandacht is gevestigd, de samenstelling van de klachtencommissie, het aantal en de aard van de klachten die door de klachtencommissie zijn behandeld, de oordelen en aanbevelingen van de klachtencommissie en de aard van de door de zorgaanbieder getroffen maatregelen.

4.3 Toekomstige regelgeving In het wetsvoorstel Wkkgz is het klachtrecht opgenomen in de artikelen 13 tot en met 23 van hoofdstuk 3, getiteld ‘Effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling’. Uit de memorie van toelichting blijkt dat met deze regeling beoogd wordt de positie van patiënten te versterken door hen het recht op een deugdelijke en effectieve behandeling van hun klachten over zorgverlening te geven, onder meer door de (nieuwe) verplichting voor zorgaanbieders om een klachtenfunctionaris aan te stellen en om aangesloten te zijn bij een geschilleninstantie die bindende uitspraken kan doen. Hieronder komen de betreffende artikelen kort aan de orde. Artikel 13 Zorgaanbieders moeten schriftelijk vastleggen op welke wijze zij met klachten zullen omgegaan; zij moeten dus

evenals onder de huidige regeling een klachtenregeling opstellen. Deze klachtenregeling moet, gelet op de aard van de zorg die wordt verleend en de bijzondere eigenschappen van de doelgroep ‘patiënten’, passend zijn. Instelling van een klachtencommissie wordt evenwel niet langer verplicht gesteld. Het wordt dan ook aan de zorgaanbieder overgelaten of deze meent te kunnen volstaan met een klachtenfunctionaris of dat hij toch een klachtencommissie wil instellen. De zorgaanbieder moet zijn klachtenregeling zo inrichten dat de klachten snel opgelost worden; daarbij dienen klagers zo min mogelijk met procedurele eisen te worden belast. Als de klacht betrekking heeft op de wijze waarop de zorgverzekeraar is omgegaan met een aansprakelijkstelling en daarbij behorende (forse) schadevergoeding, dan kan de zorgaanbieder ervoor kiezen de klacht niet zelf in behandeling te nemen, maar dit bijvoorbeeld via zijn aansprakelijkheidsverzekeraar af te handelen. Artikel 14 Patiënten, nabestaanden van patiënten (de zorgaanbieder is vrij in het bepalen van hoe ruim hij de kring van nabestaanden trekt) of vertegenwoordigers van de patiënt (bijvoorbeeld de ouders) kunnen een klacht indienen. De klacht moet betrekking hebben op gedragingen van de zorgaanbieder jegens de patiënt en kan ook uit het indienen van een schadeclaim bestaan. Onder gedragingen vallen ook het weigeren van zorg en het nalaten van het innemen van standpunten of het nemen van beslissingen. De klacht moet schriftelijk worden ingediend; een klachtenfunctionaris kan daarbij helpen. Artikel 15 De zorgaanbieder moet één of meer, makkelijk te bereiken klachtenfunctionarissen aanstellen. Voor de geboden ondersteuning mogen geen kosten bij de patiënt in rekening worden gebracht. Een belangrijk


41 verschil met het huidige klachtrecht is dat aanstelling van een klachtenfunctionaris op grond van de huidige WKCZ niet verplicht is. De taak van de klachtenfunctionaris bestaat uit het toelichten van de klacht en het geven van advies over eventuele andere klachtprocedures. Hij kan verder desgewenst bemiddelen, met als doel het bereiken van een voor alle betrokkenen acceptabele oplossing. De klachtenfunctionaris moet zijn taken overigens kunnen uitvoeren zonder het risico ontslagen of anderszins benadeeld te worden omdat zijn optreden de zorgaanbieder niet aanstaat. Artikel 16 De klacht moet zorgvuldig worden onderzocht, de behandeling van de klacht moet gericht zijn op het bereiken van een voor alle betrokkenen acceptabele oplossing en de klager moet op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de behandeling van de klacht. Artikel 17 De klager moet binnen zes weken een schriftelijk oordeel krijgen. Deze termijn kan eenmalig met vier weken worden verlengd, mits de klager hierover schriftelijk geïnformeerd wordt. In het huidige klachtrecht moet de zorgaanbieder in de klachtregeling de termijn opnemen waarbinnen de klachtencommissie op de klacht moet reageren. Het oordeel over de klacht kan bestaan uit een gegrond- of ongegrondverklaring, uit een mededeling dat de cliënt bij deze zorgaanbieder niet aan het juiste adres is of uit een uitspraak over een claim. Verder moet vermeld worden welke maatregelen de zorgaanbieder zal nemen, zoals aanpassing van de zorgverlening of een wijziging van bepaalde procedures, en binnen welke termijn dit zijn beslag zal krijgen. Artikel 18 De zorgaanbieder moet naast het instellen van een klachtenregeling ook aangesloten zijn bij een geschillen-

instantie en moet de patiënten daar tevens over informeren. Ook dit is een belangrijk verschil vergeleken met het huidige klachtrecht. Artikel 19 De geschilleninstantie heeft tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een patiënt – die veelal zullen bestaan uit de wijze van afhandeling van de klacht – te beslechten. Er zijn situaties waarin de toegang tot de geschilleninstantie open staat zonder dat daar een klachtenbehandeling door de zorgaanbieder aan vooraf is gegaan (zie artikel 21). De geschilleninstantie wordt ingesteld door representatieve organisaties van patiënten en van zorgaanbieders tezamen en moet onafhankelijk zijn. Haar werkwijze moet schriftelijk zijn vastgelegd. Artikel 20 De geschilleninstantie doet de uitspraken in de vorm van een bindend advies. Zij kan een schadevergoeding tot een bedrag van € 25.000,- vaststellen. Alleen als sprake is van kennelijk onzorgvuldige behandeling kan deze uitspraak via een beroep op de rechter nog ongedaan worden gemaakt. De rechter zal dan slechts marginaal toetsen en de zaak dus niet inhoudelijk beoordelen. Artikel 21 Naast de patiënt, de nabestaande(n) en de vertegenwoordiger(s) kan een belangenorganisatie die op grond van een collectieve actie (artikel 3:305a BW) optreedt, een geschil ook aan de geschilleninstantie voorleggen. Deze organisatie kan echter geen vordering tot schadevergoeding instellen. Het geschil kan aan de geschilleninstantie worden voorgelegd als de zorgaanbieder niet in een klachtenregeling heeft voorzien of de klacht niet op de voorgeschreven wijze heeft behandeld (bijvoorbeeld niet binnen de termijn van zes of tien weken een oordeel heeft gegeven). De klager kan ook naar de geschilleninstantie stappen, als hij het inhoudelijk niet eens is


42 met de wijze waarop zijn klacht is afgedaan (bijvoorbeeld als de zorgaanbieder de onvrede van de klager onvoldoende weg heeft weten te nemen). Ook is het mogelijk dat een klager zich meteen tot de geschilleninstantie wendt, namelijk als van een patiënt in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij een klacht bij de zorgaanbieder zelf indient. Deze zogenoemde hardheidsclausule is opgenomen voor patiënten die in een zeer afhankelijke situatie verkeren en bang zijn dat het voorleggen van hun klacht aan de zorgaanbieder voor hen repercussies kan hebben. Of hier sprake van is, is ter beoordeling van de geschilleninstantie. Artikel 22 De geschilleninstantie moet binnen zes maanden – in het openbaar en geanonimiseerd voor wat de klager betreft – een uitspraak doen. Indien sprake is van een spoedgeval dient de geschilleninstantie binnen een kortere termijn tot een beslissing te komen. Artikel 23 Informatie over de patiënt moet door alle betrokkenen bij de klachten- en geschillenbehandeling geheim worden gehouden.

4.4 Commentaar Er zijn elementen in het wetsvoorstel die zonder meer te verwelkomen zijn. Dat betreft in de eerste plaats de verplichting tot aanstelling van een klachtenfunctionaris. In de praktijk blijkt dat verreweg het grootste deel van de klachten bij behoorlijke opvang en bemiddeling niet bij de klachteninstantie terecht hoeft te komen. Hiervoor is de aanwezigheid van een klachtenfunctionaris cruciaal. In de tweede plaats krijgt de klager de mogelijkheid om – als hij niet tevreden is over de wijze waarop de zorgaanbieder met de klacht is omgegaan – zich tot een geschilleninstantie te richten die een (in beginsel) bindende uitspraak doet. Ten slotte kan middels deze weg ook een uitspraak over een schadeclaim tot

€ 25.000,- worden verkregen. Dit kan patiënten een veel zwaardere civiele rechtsgang besparen. Op het wetsvoorstel is echter ook de nodige kritiek geuit.1 Het belangrijkste punt daarbij is het verdwijnen van de verplichting voor de zorgaanbieder om een klachtencommissie in te stellen. Voor de patiënt is dat een nadeel omdat hij niet langer binnen de zorginstelling waar zijn klacht ontstond een oordeel over de klacht kan krijgen van een commissie met een onafhankelijke voorzitter. In plaats daarvan komt een externe geschilleninstantie die op verre afstand staat van de instelling en van de daarin werkzame beroepsbeoefenaren. Er is ook kritiek op het feit dat de zorgaanbieder binnen zes (eventueel tien) weken na het ontvangen van de klacht inhoudelijk moet reageren. Die termijn wordt als te kort gezien om de klacht op goede wijze af te handelen. Immers, in deze relatief korte periode moet het dossier worden bestudeerd, moet gesproken worden met de klager en met degene over wie wordt geklaagd en moet eventueel een deskundige worden ingeschakeld. Als een klacht tevens een aansprakelijkstelling inhoudt, zal de zorgaanbieder, zeker als het om hogere bedragen gaat, zijn aansprakelijkheidsverzekeraar bij de behandeling van de klacht willen betrekken. In de literatuur wordt erop gewezen dat beter aangesloten had kunnen worden bij de in de ‘Gedragscode medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid’ (GOMA, 2010) genoemde termijn. Daarin staat dat de aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel binnen drie maanden een onderbouwd standpunt moet innemen en voorts dat, als hij daar niet in slaagt, gemotiveerd moet aangeven wanneer hij wel zal reageren (aanbeveling 15). De geschilleninstanties worden niet door de overheid opgericht en gefinancierd; deze verantwoordelijkheid ligt bij de branche zelf. In een recent preadvies voor de Vereniging van gezondheidsrecht2 wordt voorgesteld om deze regionaal, aansluitend bij de verdeling in arrondissementen van de rechtbanken, te

1 W. Kastelein, ‘Klachten- en geschillenbehandeling in de WcZ: van de drup in de regen oftewel het kind en het badwater’, TvGR 2010, p. 616 e.v.; J. Legemaate, ‘Nieuwe Wetge- ving over het klachtrecht: winst of verlies?’, TvGR 2013, p. 49 e.v. 2 Zie ook J.L. Smeehuijzen, A.J. Akkermans, ‘Medische aansprakelijkheid: over grote problemen, haalbare verbeteringen en overschatte revoluties’, preadvies voor de Vereniging van Gezondheidsrecht, jaarvergadering 19 april 2013, SDU-uitgevers, Den Haag 2013.


43 organiseren. Verder wordt in het preadvies voorgesteld om een rechter met ervaring op het terrein van medische aansprakelijkheid als voorzitter te laten optreden. Gesteld wordt verder dat het voor een goede behandeling van schadeclaims van doorslaggevend belang is dat de vereiste medische deskundigheid beschikbaar is. Er zal derhalve voor gezorgd moeten worden dat medisch deskundigen van verschillende disciplines oproepbaar zijn. Opvallend is verder dat terwijl de procedure bij de geschilleninstantie in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel als een vorm van hoger beroep wordt beschouwd, er in het hiervoor genoemde preadvies juist wordt betoogd dat van het oordeel van de geschilleninstanties hoger beroep mogelijk zou moeten zijn. De klachtenbehandeling door de zorgaanbieder wordt in het preadvies namelijk niet als een ‘eerste instantie’ gezien. De verwachting is overigens dat de geschilleninstanties het zeer druk zullen krijgen nu zij een schadevergoeding tot € 25.000,- mogen opleggen. Navraag bij MediRisk en Centramed leerde namelijk dat zij de afgelopen jaren in medische aansprakelijkheidszaken gemiddeld € 19.197,- (MediRisk) respectievelijk € 17.793,- (Centramed) inclusief buitengerechtelijke kosten uitkeerden.

4.5 Conclusie De meest in het oog springende verschillen tussen het wetsvoorstel en de huidige klachtrecht zijn dat de zorgaanbieder een klachtenfunctionaris moet aanstellen, dat de zorgaanbieder niet langer verplicht is een klachtencommissie in te stellen, dat de klager die niet tevreden is met de reactie van de zorgaanbieder zich tot een geschilleninstantie kan richten, en dat die geschilleninstantie tot een bedrag van € 25.000,- een schadeclaim kan toekennen. Hiervoor is bij het wetsvoorstel een aantal kanttekeningen geplaatst, zowel in positieve als negatieve zin. De tijd zal moeten uitwijzen of de voorgestelde wijzigingen in het klachtrecht alles bijeengenomen een verbetering of een verslechtering van de positie van de patiënt betekenen.


Medezeggenschap in zorginstellingen

5


Medezeggenschap in zorginstellingen Merel van der Kamp & Dirk Jan Rutgers

5.1 Inleiding In de brief van de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer van 19 september 2013 wordt de positie van cliënten als belangrijk genoemd voor een goede governance in de zorg.1 In dit hoofdstuk wordt bekeken hoe medezeggenschap in de zorg momenteel is vormgegeven en welke ontwikkelingen te verwachten zijn op wetgevingsgebied. Hierbij concentreren wij ons op vijf kernpunten die ons inziens het meest wezenlijk zijn voor het functioneren van medezeggenschap van cliënten in de zorg. Het gaat hier om de vraag wanneer een cliëntenraad dient te worden ingesteld, welke rechten een cliëntenraad heeft voor wat betreft de te verkrijgen informatie en welke advies- en instemmingsrechten een cliëntenraad toekomen. Verder is het relevant wat de rol is van een cliëntenraad bij de benoeming van bestuurders en toezichthouders en tot slot welke rol een cliëntenraad heeft bij een jegens de instelling in te stellen enquêteprocedure. Medezeggenschap in de zorg is op dit moment nog vastgelegd in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz).2 De Wmcz is op 1 juni 1996 in werking getreden en heeft tot doel om de rechtspositie van cliënten te versterken. Hierdoor ontstaat een betere afstemming van de zorg op de behoeften en wensen van de cliënten, wat een betere afstemming van aanbod van zorg op de vraag tot gevolg heeft. De wet bevat

minimumvoorschriften en laat derhalve veel ruimte aan de zorgaanbieder om de medezeggenschap vorm te geven. Al voor de inwerkingtreding van deze wet bestond er kritiek op de regeling en ook na de inwerkingtreding van de Wmcz bleken er knelpunten te zijn die aanleiding geven tot discussie. De Minister heeft met het wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (Wcz), welk voorstel medio 2010 bij de Tweede Kamer is ingediend3, beoogd om deze punten van kritiek op te lossen. Het huidige kabinet heeft besloten de Wcz niet in de huidige vorm voort te zetten maar de daarin opgenomen onderdelen in verschillende wetsvoorstellen onder te brengen (zie hiervoor ook hoofdstuk 1). Ten aanzien van de bepalingen in de Wcz die betrekking hebben op medezeggenschap, cliëntenrechten en governance wordt aangegeven dat deze in afzonderlijke wetsvoorstellen vorm zullen krijgen. Hiermee wordt het met de Wcz beoogde doel om alle relevante aspecten voor zorgaanbieders en cliënten zoveel mogelijk in één wet onder te brengen losgelaten. Wel is het de bedoeling dat veel van de voorstellen uit de Wcz in de afzonderlijke nieuwe wetsvoorstellen zullen terugkeren. Wat betreft medezeggenschap van cliënten blijkt dit ook uit de governancebrief van de Minister van 19 september 2013 (de ’Governancebrief’). Teneinde op dit moment iets te kunnen zeggen over de ontwikkelingen die op het wetgevingsgebied zijn te verwachten, zullen wij dan ook de voorstellen die zien op de vijf te bespre-

1 Kamerstukken II 2013-2014, 32 012, nr. 15. Vanzelfsprekend komen ook de posities van bestuurders, toezichthouders, zorgverzekeraars, zorgverleners, werknemers en Inspectie Gezondheidszorg (‘IGZ’) aan de orde. 2 Kamerstukken II 23 041 (Stb. 1996, 204). 3 Kamerstukken II 2009–2010, 32 402, nr. 1-3.

47


48 ken kernpunten uit de Wcz combineren met hetgeen in de Governancebrief over deze punten is te lezen. Alvorens hiertoe over te gaan volgt eerst een uiteenzetting van de kernpunten zoals vastgelegd in de Wmcz.

5.2

Huidige regeling4

1. Instellen cliëntenraad / toepassingsgebied De Wmcz verplicht de zorgaanbieder om voor alle door hem in stand gehouden instellingen een cliëntenraad in te stellen die binnen het kader van de doelstellingen van de instelling in het bijzonder de gemeenschappelijke belangen van de cliënten behartigt. Hieronder vallen zorginstellingen waar cliënten langdurig of permanent verblijven (veelal de ‘care’-sector), maar ook zorginstellingen waar cliënten maar kort verblijven (veelal de ‘cure’-sector). Heeft een zorgaanbieder meerdere instellingen dan dient hij voor iedere instelling die hij in stand houdt een cliëntenraad in te stellen. Ten aanzien van het begrip ‘instelling’ bestaat veel onduidelijkheid, zo bleek uit een evaluatie van de Wmcz in 2000. Naar aanleiding van deze evaluatie is de Wmcz op enkele punten aangepast, waaronder het begrip ‘instelling’. Hiervoor is uiteindelijk aangesloten bij het begrip ‘instelling’ in de zin van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi).5 In de Wmcz is alleen de verplichting van het instellen van de cliëntenraad opgenomen. Het wordt aan de zorgaanbieder overgelaten om te bepalen uit hoeveel leden de cliëntenraad is samengesteld, wie in de raad zitting nemen, wat de zittingsduur is, etc. In artikel 2 lid 3 Wmcz worden slechts twee eisen gesteld, te weten dat de cliëntenraad representatief is voor de cliënten van de instelling en dat de cliëntenraad in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen. De wet schrijft evenwel niet voor dat de cliëntenraad moet bestaan uit cliënten van de instelling. Er kunnen dus ook ex-cliënten of vertegenwoordigers zitting nemen in de cliëntenraad.

2. Informatie Op basis van artikel 5 Wmcz is de zorgaanbieder verplicht tijdig, en desgevraagd schriftelijk, alle inlichtingen en gegevens die de cliëntenraad nodig heeft voor de invulling van zijn taak te verstrekken. Daarnaast moet de zorgaanbieder eenmaal per jaar mondeling of schriftelijk algemene informatie omtrent het gevoerde en te voeren beleid verstrekken. Verder dient de zorgaanbieder jaarlijks een schriftelijk verslag op te stellen over de wijze waarop de Wmcz is toegepast (artikel 8 Wmcz). Tot slot gebiedt artikel 9 Wmcz de instelling om binnen tien dagen na vaststelling een aantal stukken openbaar te maken, waaronder het jaarverslag, notulen en de besluitenlijst van de bestuursvergadering voor zover deze algemene beleidszaken betreffen. 3. Adviesrecht Op grond van artikel 3 Wmcz heeft de cliëntenraad een adviesrecht ten aanzien van onderwerpen, zoals genoemd in de Wmcz en van belang voor cliënten. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen een gewoon en een verzwaard adviesrecht. Het gewone adviesrecht heeft betrekking op voorgenomen besluiten die voor alle betrokken personen van de zorginstelling van belang zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een fusie, een verhuizing of reorganisatie. Het verzwaard adviesrecht heeft betrekking op voorgenomen besluiten die met name voor cliënten van belang zijn, zoals voorgenomen besluiten op het gebied van voedingsaangelegenheden, hygiëne, geestelijke verzorging en recreatiemogelijkheden. Naast het gewoon en verzwaard adviesrecht komt de cliëntenraad een recht van initiatief toe, hetgeen inhoudt dat de cliëntenraad ongevraagd mag adviseren ten aanzien van onderwerpen die voor cliënten van belang worden geacht. Van een gewoon advies van de cliëntenraad mag de zorgaanbieder gemotiveerd en na overleg met de cliëntenraad afwijken. Er bestaat geen beroepsmogelijkheid voor de cliëntenraad, zoals dat wel het geval is voor een ondernemingsraad. Van een verzwaard advies mag enkel worden afgeweken indien de commissie van

4 Zie voor een uitvoerige bespreking van de Wmcz in vergelijking met de voorgestelde medezeggenschapsregeling in de Wcz: mr. X.R. Ras en mr. dr. G.W. van der Voet, Het Wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (Wcz): een versterking van medezeggenschapsrechten van de cliënt(enraad)?, TvGR 2012, p. 390 – 405. 5 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30 946, nr. 3.


49 vertrouwenslieden, zoals bedoeld in artikel 10 Wmcz, heeft besloten dat de zorgaanbieder in redelijkheid tot het besluit is gekomen. 4. Benoeming bestuurders/toezichthouders Indien de zorgaanbieder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, dan rust op hem de verplichting om in de statuten een regeling op te nemen die inhoudt dat de cliëntenraad ten minste één bestuurslid kan benoemen op bindende voordracht. Als de zorgaanbieder meerdere instellingen in stand houdt, dan komt deze bevoegdheid toe aan alle cliëntenraden samen of aan de centrale cliëntenraad. Wanneer er echter sprake is van een raad-van-toezichtmodel, geldt het voornoemde recht van bindende voordracht ten aanzien van de raad van toezicht. 5. Enquêterecht Op basis van artikel 6.2 van het Uitvoeringsbesluit Wet Toelating Zorginstellingen (Uitvoeringsbesluit WTZi) is een zorgaanbieder verplicht in de statuten het enquêterecht toe te kennen aan een orgaan dat de cliëntenbelangen vertegenwoordigt. Zo kan dat orgaan aan de hand hiervan een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer indienen in geval van mogelijk wanbeleid. Dit orgaan hoeft niet per definitie de cliëntenraad te zijn, al is dit wel het orgaan waar het enquêterecht veelal aan toegekend wordt. Het is ook mogelijk om dit recht toe te kennen aan bijvoorbeeld een overkoepelende belangenorganisatie. Dit enquêterecht geldt overigens slechts voor zorginstellingen met ten minste vijftig werknemers en met een rechtsvorm van stichting of vereniging. In de afgelopen jaren is door cliëntenraden weinig gebruikgemaakt van het enquêterecht. Hiervoor zijn meerdere redenen denkbaar. Het gaat hier om een procedure met verstrekkende gevolgen. De cliëntenraad zou het gezien zijn niet al te centrale positie niet op zijn weg vinden liggen om bij verondersteld wanbeleid het voortouw te nemen. Ook zou het te maken kunnen hebben met het feit dat het in de praktijk niet

altijd duidelijk is welk orgaan eigenlijk bevoegd is om een enquêteverzoek in te dienen omdat zorgaanbieders soms in de statuten extra voorwaarden opnemen die het instellen van een dergelijk verzoek minder eenvoudig maken. Er zijn maar twee zaken bekend waar met succes een enquêteverzoek door de cliëntenraad is ingediend. Beide zaken speelden vlak na elkaar in april en mei 2010.6 In tegenstelling tot de uitspraken van de Ondernemingskamer uit 2010 heeft de Ondernemingskamer in een arrest van april 2013 een verzoek van een cliëntenraad afgewezen.7 In de zaak uit april 2013 maakt de cliëntenraad van de Stichting Ilmarinen zich zorgen over de financiële positie van de stichting. De cliëntenraad stelt dat de raad van bestuur met onvoldoende gevoel voor urgentie heeft geopereerd, acht de informatievoorziening aan de cliëntenraad gebrekkig en veroordeelt de houding van de raad van toezicht. Als het verschil van mening verder oploopt, zegt de raad van bestuur de samenwerkingsovereenkomst met de cliëntenraad op en begint met werving voor een nieuwe cliëntenraad. Zoals gezegd, wijst de Ondernemingskamer het verzoek tot onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen af. De Ondernemingskamer stelt dat het enkel verlies lijden van een zorginstelling geen gegronde reden is om aan het beleid te twijfelen. Het gaat erom of de raad van bestuur de financiële situatie onderkent en actie heeft ondernomen om die te verbeteren. Ten aanzien van de informatievoorziening en de houding van de raad van toezicht wordt de cliëntenraad wel in het gelijk gesteld. De Ondernemingskamer geeft aan dat het in beginsel aan de cliëntenraad is om te bepalen welke informatie nodig is om de taak te vervullen. Voorts is de Ondernemingskamer van oordeel dat de raad van toezicht bij conflicten een actievere rol dient te spelen.

5.3

Toekomstige regeling

In de Governancebrief is aangegeven dat de noodzakelijke verplichtingen ten aanzien van een goede bestuurs-, toezichts- en medezeggenschapsstructuur

6 Gerechtshof Amsterdam (OK), 29 april 2010, JOR 2010/187 met noot prof. mr. L.G. Verburg en Gerechtshof Amsterdam (OK), 20 mei 2010, JOR 2010/188 met noot prof. mr. L.G. Verburg. 7 Gerechtshof Amsterdam (OK), 19 april 2013, JOR 2013/206 met noot mr. R.C. de Mol.


50 zullen worden neergelegd in een nieuw wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg, dat in het voorjaar van 2014 zal worden ingediend. Uitgangspunt bij dit wetsvoorstel zal zijn dat ten aanzien van genoemde punten primaire resultaatsnormen worden vastgelegd. De Minister verwacht dat op die wijze zorgaanbieders, meer dan nu het geval is, hun governancestructuur passend zullen inrichten, waardoor de slagkracht van het bestuur en de interne toezichthouders wordt vergroot. Inzetten op verandering in de zorg met alleen regelgeving zal onvoldoende tot het gewenste resultaat leiden, aldus het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur8, hetgeen door de Minister is overgenomen. Het moet worden voorkomen dat mensen onvoldoende eigen verantwoordelijkheid nemen voor hun handelen en slechts de regels als maatstaf nemen. Met het vooropstellen van resultaatsnormen wordt beoogd om zorgaanbieders meer tot eigen invulling van het wettelijk kader te prikkelen dan in de afgelopen jaren onder de huidige regeling van de Wmcz het geval was. Er zullen eisen worden gesteld aan wat zorgaanbieders moeten bereiken, maar de wijze waarop zorgaanbieders dat doen wordt in principe vrijgelaten. Slechts op een beperkt aantal punten zullen meer specifieke normen worden geformuleerd. Het toezicht op de resultaatsnormen wordt gelegd bij Inspectie Gezondheidszorg (IGZ). In de Governancebrief wordt alvast kort ingegaan op de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel, waaronder ook het waarborgen van medezeggenschap op maat. 1. Instellen cliëntenraad / toepassingsgebied Op de werkingssfeer van de Wmcz bestaat kritiek, te weten dat in de ‘cure’-sector nauwelijks behoefte bestaat aan vertegenwoordiging door een cliëntenraad. Cliënten hebben bijvoorbeeld vaak kortdurend contact zoals met een huisartsenpost en voelen zich niet bijzonder met een dergelijke instelling verbonden. Naar aanleiding van deze kritiek is het toepassingsgebied in de Wcz fors beperkt, te weten tot zorginstellingen die AWBZ-zorg leveren en andere instellingen waar een

cliënt gedurende tenminste een etmaal verblijft. Omdat in de Governancebrief geen opmerkingen worden gemaakt over het toepassingsgebied is het nog niet duidelijk of de in de Wcz voorgestelde beperking ook in het nieuwe wetsvoorstel terugkeert. Het belangrijkste voornemen in de Governancebrief ten aanzien van de inrichting van de medezeggenschap is de introductie van een resultaatsnorm. De zorgaanbieder dient de medezeggenschap zodanig in te richten dat gewaarborgd is dat cliënten vanuit hun gemeenschappelijk belang invloed kunnen uitoefenen op besluiten van de zorgaanbieder die voor hen van wezenlijk belang zijn. 2. Informatie Een van de verplichtingen die in de Governancebrief in aanvulling op de open resultaatsnorm specifiek wordt genoemd, is de verplichting voor zorgaanbieders om er zorg voor te dragen dat de noodzakelijke informatie voor cliënten om inspraak uit te oefenen tijdig en toegankelijk beschikbaar is. Het is evenwel de vraag of er in het toekomstige wetsvoorstel op dit punt ook daadwerkelijk nieuwe regels te verwachten zijn. De praktijk kan goed uit de voeten met het huidige Wmcz-kader. Ook de Wcz kende geen nieuwe regels op dit punt. 3. Advies- en instemmingsrecht In de Wcz was opgenomen dat de verzwaarde adviesprocedure zou worden vervangen door een recht op instemming door de cliëntenraad. Hiermee kunnen besluiten die het cliëntenbelang direct raken alleen maar genomen worden nadat de cliëntenraad ermee heeft ingestemd. Ook in het toekomstige wetsvoorstel zal een instemmingsrecht worden opgenomen. Ten aanzien van de vraag voor welke besluiten een instemmingsrecht (in plaats van slechts een adviesrecht) zal gelden, zal worden aangesloten bij de regeling die in de Wcz was neergelegd. Dit voornemen biedt een versteviging van de positie van de cliëntenraad die hiermee op een lijn wordt gesteld met de ondernemingsraad, die ex artikel 27 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) het recht op instemming heeft bij soortgelijke besluiten die

8 ‘Een lastig gesprek’, Advies Commissie Behoorlijk Bestuur, commissie Halsema, september 2013.


51 werknemers aangaan. In de Governancebrief is vergeleken met de Wcz wel een nadere verfijning te lezen omdat het instemmingsrecht alleen wordt geïntroduceerd voor instellingen die AWBZ-zorg leveren. 4. Benoeming bestuurders / toezichthouders Hoewel het huidige voordrachtsrecht in de Wmcz niet onomstreden is, is op verzoek van de Tweede Kamer ook in de Wcz sprake van een recht op voordracht voor een lid door de cliëntenraad, zij het dat hierbij is opgemerkt dat dit lid zonder last of ruggespraak dient te functioneren. In de Governancebrief is over dit onderwerp niets terug te vinden. Hierin staat slechts als aanvullende verplichting dat de vertegenwoordiging van cliënten de mogelijkheid moet hebben om de Ondernemingskamer te verzoeken een lid van de raad van toezicht te ontslaan wegens taakverwaarlozing. Wel wordt in de Governancebrief benadrukt dat het bij uitstek in de zorg van belang is dat cliënten en hun vertegenwoordigers goed worden betrokken bij besluiten van een zorgaanbieder en dat de bestuurs- en toezichtsstructuur moet leiden tot goede inspraakmogelijkheden van cliënten en tot vertaling van hun belangen in het beleid van de zorgaanbieder. 5. Enquêterecht In de Wcz werd het enquêterecht rechtstreeks aan de cliëntenraad toegekend, ongeacht de rechtsvorm van de zorgaanbieder en ongeacht hetgeen hierover in de statuten is opgenomen. Dit nam alle onduidelijkheid weg over de vraag welk orgaan bevoegd is om namens de cliënten een enquêteverzoek in te dienen. Het was tevens een duidelijke versterking van de positie van de cliëntenraad. In de Governancebrief wordt aangegeven dat een vertegenwoordiging van cliënten, ongeacht de rechtsvorm van de zorgaanbieder, de mogelijkheid moet hebben om het enquêterecht uit te oefenen. Hiermee lijkt het enquêterecht, anders dan in de Wcz, niet per definitie aan de cliëntenraad te worden toegekend en weer meer aan te sluiten bij de huidige bepaling in het Uitvoeringsbesluit WTZi.

5.4 Commentaar De politiek is al jaren bezig met plannen om de huidige Wmcz aan te passen. Het wetsvoorstel Wcz dat medio 2010 bij de Tweede Kamer werd ingediend, had tot doel om alle relevante aspecten voor zorgaanbieders en cliënten zoveel mogelijk in één wet onder te brengen. Hiermee werd dit een veelomvattend wetsvoorstel. Inmiddels is duidelijk geworden dat de Wcz niet wordt doorgezet en de onderwerpen medezeggenschap, cliëntenrechten en governance in een zeer afgeslankt wetsvoorstel zullen worden neergelegd. De gedachtegang achter dit nieuwe wetsvoorstel is weergegeven in de Governancebrief. Op grond van de informatie die op dit moment beschikbaar is ten aanzien van het wetsvoorstel plaatsen wij hierna enkele kanttekeningen bij een op basis van de Governancebrief te verwachten wetsvoorstel. Allereerst constateren wij dat de Governancebrief nog de nodige vragen onbeantwoord laat. Er is enkel ten aanzien van een paar onderwerpen aangegeven dat daarvoor aanvullende verplichtingen zullen worden opgesteld. Voor de overige onderwerpen zal worden volstaan met een door de zorgaanbieders in te vullen resultaatsnorm. De vraag is in hoeverre hier uitvoering aan zal worden gegeven door de zorgaanbieders en hoe het toezicht hierop zal functioneren. Dit toezicht komt bij de IGZ te liggen, hetgeen zal bestaan uit een toetsing achteraf. Het is de vraag of de resultaatsnorm en de toetsing achteraf tot een voldoende niveau van cliëntenmedezeggenschap en daarmee tot verbetering van zorg zal leiden. Ten aanzien van de vijf kernpunten zoals aan de orde gekomen in dit hoofdstuk, kunnen nog enkele specifieke kanttekeningen worden gezet. 1. Allereerst vragen wij ons met betrekking tot het instellen van de cliëntenraad af of door het enkel voorschrijven van een open resultaatsnorm de wetgever niet te weinig sturing geeft aan de wijze waarop medezeggenschap wordt uitgeoefend. Uit de medezeggenschap van ondernemingsraden blijkt


52 immers dat het juist de formele procesmomenten zijn die de medezeggenschap daadwerkelijk invloed geven. Medezeggenschap aan de hand van enkel een resultaatsnorm kan tot een constante bron van discussie leiden tussen instelling en cliëntenraad over het proces van medezeggenschap. Deze onduidelijkheid voor wat betreft de procesmatige kant is doorgaans in het nadeel van de cliëntenraad.

kennen als nu in de Wmcz is opgenomen. Dit recht is goed ingeburgerd bij instellingen in de zorg en lijkt goed te functioneren. Bovendien is de achtergrond van het toekomstige wetsvoorstel dat cliënten belangrijker worden en meer te zeggen krijgen. Ook in dat verband lijkt het reëel dat het voordrachtsrecht in het toekomstige wetsvoorstel terugkeert.

2. Voorts is er wat ons betreft in de literatuur terecht op gewezen, dat het recht op informatie voor de cliëntenraad hand in hand zou moeten gaan met een geheimhoudingsplicht, zoals die nu ook voor ondernemingsraden geldt. Zo schrijft artikel 20 WOR voor, dat een ondernemingsraad geheimhouding dient te betrachten. Dit wordt, zoals het nu lijkt op basis van de Governancebrief, niet in het toekomstige wetsvoorstel opgenomen. Het lijkt ons goed als een dergelijke geheimhoudingsplicht voor de cliëntenraad in het wetsvoorstel wordt opgenomen.

5. Nu het enquêterecht vooralsnog niet wezenlijk lijkt te veranderen ten opzichte van de huidige wetgeving (want ook in de toekomstige wetgeving hoeft het enquêterecht immers niet rechtstreeks aan de cliëntenraad te worden toegekend) lijkt het erop dat deze onduidelijkheid, bijvoorbeeld over de vraag waar het recht van enquête zit ten aanzien van een instelling, voortduurt. De Governancebrief geeft wel aan dat de statuten geen beperkingen op dit punt (meer) mogen bevatten. Hoewel er zeker kanttekeningen bij het enquêterecht voor cliëntenraden kunnen worden geplaatst, schept deze laatste toevoeging meer helderheid voor de praktijk.

3. Zoals wij al vermeldden, wordt het instemmingsrecht alleen geïntroduceerd bij AWBZ-instellingen. Het is de vraag of dit de overzichtelijkheid van wetgeving ten goede komt. Hoewel de nadere nuancering niet onbegrijpelijk is en afgestemd lijkt met het veld, lijkt deze discussie eerder thuis te horen bij de vraag bij welke instellingen een cliëntenraad ingesteld dient te worden en niet bij de vraag welke (advies- of instemmings)bevoegdheden een cliëntenraad heeft. Bovendien laat het repressief toezicht door de IGZ zich moeilijk vergelijken met het vooraf instemming verlenen door een cliëntenraad, die daarmee ook beïnvloedingsmogelijkheden heeft ten aanzien van de wijze en inhoud van besluitvorming. 4. In de Governancebrief wordt niets gezegd over het voordrachtsrecht van een bestuurder/toezichthouder. Vooralsnog gaan wij ervan uit dat het toekomstige wetsvoorstel een soortgelijk voordrachtsrecht zal

6. Tot slot zijn er zeer kritische kanttekeningen te plaatsen ten opzichte van de gedachte in de Governancebrief dat de IGZ ook als sluitstuk van cliëntenmedezeggenschap zou moeten fungeren. De verwachtingen van de IGZ op dit punt zijn, wederom, overspannen. Het sluitstuk van een volwassen cliëntenmedezeggenschap zou naar onze mening eerder bij een rechter thuishoren.

5.5 Conclusie De afgeslankte vorm van het nieuwe wetsvoorstel laat door de open resultaatsnorm die is aangegeven in de Governancebrief veel vragen onbeantwoord. Het is afwachten in hoeverre deze open resultaatsnorm nog met aanvullende verplichtingen wordt ingevuld in het uiteindelijke wetsvoorstel dat in het voorjaar van 2014 zal worden ingediend. Duidelijk is wel dat het toekomstige wetsvoorstel veel zal overlaten aan de zorginstel-


53 lingen zelf en met het opnemen van een resultaatsnorm de zorgaanbieders wil prikkelen tot eigen invulling van het wettelijk kader.


Winstuitkering in de zorg

6


57

Winstuitkering in de zorg Matthijs van den Broek

6.1

Inleiding

Het uitkeren van winst in de zorg is al langer onderwerp van debat. Opeenvolgende kabinetten zijn echter niet in staat gebleken om een voorstel te presenteren dat voor de meerderheid van de politiek aanvaardbaar was. Het thans voorliggende wetsvoorstel, kortweg genoemd ‘voorwaarden voor winstuitkering aanbieders medisch-specialistische zorg’ (kamerstuknummer 33168), is eind 2013 ingediend bij de Tweede Kamer. Klassieke tegenstellingen tussen rechts en links worden zichtbaar bij dit politiek gevoelige onderwerp. Critici stellen dat een dergelijk kapitalistisch concept niet past in de zorg omdat de zorg niet een markt is die vergelijkbaar is met andere markten. Immers, zorg moet voor een ieder toegankelijk en betaalbaar blijven en wordt bovendien deels gefinancierd uit publieke middelen. De introductie van de mogelijkheid om winst uit te keren, staat niet op zichzelf. Het voornemen maakt deel uit van de introductie van gereguleerde marktwerking. Gereguleerde marktwerking houdt in dat de stijging van de kosten voor de gezondheidszorg worden beperkt door de zorgverzekeringsmarkt, de zorginkoopmarkt en de zorgaanbiedersmarkt doelmatiger te laten functioneren. Hierbij is het niet langer aan de overheid om te bepalen welke zorg door zorgaanbieders wordt aangeboden, maar zijn aanbieders vrij om dat te bepalen. De zorgmarkt is getransformeerd van budgetgefinancierde zorg (aanbodgestuurd) naar

een vraaggestuurde markt (prestatiebekostiging), waarbij voor steeds meer verrichtingen vrije prijzen en volumes gelden. Zorgverzekeraars worden geacht om individuele zorginkoopcontracten te sluiten met zorgaanbieders en te onderhandelen over prijzen en volumes. Het zogenoemde vrije segment is uitgebreid tot 70% van de verrichtingen. Het bouwregime is afgeschaft en zorgaanbieders zijn vrij om ziekenhuizen te bouwen, uit te breiden of in te krimpen. Een consequentie is dat de zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun investeringen. Om te voorkomen dat deze gereguleerde marktwerking leidt tot een ongebreidelde groei van het volume (op macroniveau) en dus tot onaanvaardbare kostenstijgingen is een aantal flankerende maatregelen getroffen. De Minister heeft de afgelopen jaren hoofdlijnenakkoorden gesloten met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en brancheverenigingen over de maximale groei die wordt toegelaten. De zorgverzekeraars lopen daarnaast zelf meer risico door de geleidelijke afschaffing van het ex-post risicovereveningssysteem, en de Minister kan, als ultimum remedium, het macrobeheersinstrument inzetten zoals opgenomen in de Wet marktordening gezondheidszorg. Het gaat het bestek van dit hoofdstuk te buiten om op al deze onderwerpen nader in te gaan. Wij noemen ze echter wel omdat ook het winstuitkeringsvoorstel een onderdeel is van deze ingrijpende herziening van het Nederlandse zorgstelsel.


58 De Minister is van mening dat winstuitkeringen in de zorg mogelijk moeten worden gemaakt. Hiervoor geeft zij een aantal redenen. Ten eerste wordt aangevoerd dat met de mogelijkheid tot een winstuitkering het aantrekkelijker zal worden voor private investeerders om (mede)eigenaar te worden van een zorgaanbieder die medisch-specialistische zorg aanbiedt. De Minister gaat ervan uit dat de druk van private aandeelhouders ertoe leidt dat zorgaanbieders efficiĂŤnter gaan werken. Private investeerders zijn tevens nodig om zorgaanbieders in staat te stellen significante investeringen te doen. Op dit moment zijn zij afhankelijk van gelden die aan hen worden verstrekt door banken in de vorm van vreemd vermogen. Het hoeft geen betoog dat banken, mede gezien de veranderingen in het Nederlandse zorgstelsel (van aanbod- naar vraaggestuurde en gefinancierde zorg) kritischer zijn gaan kijken naar de prestaties van de individuele zorgaanbieders. De Minister verwacht ook dat als gevolg van het afschaffen van het winstuitkeringsverbod meer dynamiek zal ontstaan in een markt waarin nieuwe aanbieders eenvoudiger in staat zouden moeten zijn om een nieuwe onderneming te starten. Zorgaanbieders mogen natuurlijk zelf bepalen of ze al dan niet extern eigen vermogen aantrekken. Eigen vermogen is in beginsel duurder dan vreemd vermogen, maar daar staat tegenover dat een zorgaanbieder met eigen vermogen een beter risicoprofiel heeft, ook voor het aantrekken van vreemd vermogen.

6.2 Huidige Wetgeving Op grond van artikel 5 lid 1 Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) heeft iedere instelling die zorg verleent waarop een aanspraak bestaat uit hoofde van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of uit hoofde van artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, een toelating nodig van de Minister. In datzelfde artikel is in lid 2 het zogenoemde winstuitkeringsverbod opgenomen. Slechts instellingen die daartoe zijn aangewezen in het Uitvoeringsbesluit WTZi mogen winst uitkeren. Instellingen die medisch-

specialistische zorg verlenen (onder andere ziekenhuizen) vallen echter onder het winstuitkeringsverbod. Zorgaanbieders die wel winst mogen uitkeren zijn onder andere aanbieders die actief zijn in de huisartsenzorg en mondzorg (eerstelijns zorgaanbieders). Ziekenhuizen worden doorgaans gedreven in de vorm van een stichting. De stichting kent op grond van de wet (artikel 2:285 lid 3 BW) het verbod om uitkeringen te doen aan haar oprichters of aan personen die deel uitmaken van de organen van een stichting. Voor zover een ziekenhuis wordt gedreven in de vorm van BV, moet in de statuten een uitkeringsverbod worden opgenomen om in aanmerking te komen voor een WTZivergunning. De vraag is of het winstuitkeringsverbod private investeerders heeft weerhouden om te investeren in instellingen die medisch-specialistische zorg aanbieden. Ook nu zijn er immers private investeerders actief in de zorg. Zij richten zich echter voornamelijk op toeleveranciers in de zorgketen. Vooralsnog is er slechts een beperkt aantal private investeerders dat het heeft aangedurfd om te investeren in algemene ziekenhuizen (te denken valt aan het Slotervaartziekenhuis en de voormalige IJsselmeer ziekenhuizen). In iets grotere aantallen ziet men private investeerders participeren in de kleiner opgezette klinieken die specifieke behandelingen verrichten, de zogenoemde zelfstandige behandelcentra (ZBC). In de ZBC-constructie wordt veelal de WTZi-vergunning gehouden door een stichting. Op deze stichting is het wettelijk uitkeringsverbod van toepassing, zoals neergelegd in artikel 5 lid 2 WTZi. De stichting sluit contracten met zorgverzekeraars maar besteedt, tegen betaling van de door haar ontvangen gelden van de zorgverzekeraars, de daadwerkelijke zorgverlening volledig uit aan een gelieerde vennootschap, veelal een BV. Op die BV rust geen winstuitkeringsverbod omdat dat alleen geldt voor de instelling die de WTZi-vergunning houdt. Op deze manier kan wel winst worden uitgekeerd aan de aandeelhouders van de BV. De Minister heeft deze praktijk onderkend en staat deze ook


59 impliciet toe.1 Met kan echter niet ontkennen dat dit een enigszins vreemde situatie is. Het is dan ook toe te juichen dat het huidige voorstel in ieder geval formeel de mogelijkheid biedt aan zorgaanbieders om, onder voorwaarden, winst uit te keren, ook los van de ZBC-constructie.

6.3 Toekomstig recht De regels omtrent winstuitkering door aanbieders van medisch-specialistische zorg zouden aanvankelijk worden opgenomen in de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz). Door de splitsing van dit wetsvoorstel in afzonderlijke onderdelen zullen de nieuwe regels nu worden opgenomen in de hiervoor reeds aangehaalde WTZi. Onder de nieuwe regeling is winstuitkering voor bepaalde zorgaanbieders onder strikte voorwaarden toegelaten. In de praktijk zal de mogelijkheid van winstuitkering met name interessant zijn voor participatiemaatschappijen die voor hun rendement deels afhankelijk zijn van dividenduitkeringen. Niet alle zorgaanbieders komen in aanmerking voor winstuitkering. Zorgaanbieders die op grond van de AWBZ intramurale zorg verlenen, alsmede academische ziekenhuizen, zoals bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek zijn in ieder geval uitgesloten. Algemene ziekenhuizen en ZBC’s komen echter wel in aanmerking voor winstuitkering. De wettelijke regeling is van toepassing op ‘zorgaanbieders’. Deze definitie is nieuw in de WTZi. In de WTZi wordt immers gesproken over een ‘toegelaten instelling’, zijnde de instelling die beschikt over de toelating afgegeven door de Minister. Het begrip ‘zorgaanbieder’ is echter breder. Onder ‘zorgaanbieder’ wordt verstaan “de natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat, of de rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg doet verlenen”. Hieruit volgt dat de uitbestedingsroute, zoals hiervoor in paragraaf 2 beschreven, niet kan worden gebruikt om de winstuitkeringsregels te omzeilen. Ook de BV aan wie alle zorg is uitbesteed, kan ons inziens worden aangemerkt

1 Kamerstukken II 2005/2006, 29689, nr. 90, p. 3.

als ‘zorgaanbieder’. Onder ‘winst’ moet worden verstaan het door een zorgaanbieder in een boekjaar gerealiseerde resultaat uit gewone bedrijfsvoering vermeerderd met het buitengewone resultaat, na belastingen. Er wordt aangesloten bij de beschrijving van de winst-en-verliesrekening in artikel 2:377 BW. Wij nemen aan dat onder winst ook zal moeten worden verstaan de niet uitgekeerde winst in voorgaande boekjaren (onverdeelde winst/dividendreserves). Geconstateerd kan in ieder geval wel worden dat uitkering van andere reserves (bijvoorbeeld terugbetaling van agioreserves) niet valt onder het begrip ‘winst’. Ook andere vormen van kapitaaluitkering, bijvoorbeeld middels de inkoop van aandelen, vallen buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel. Om de politieke tegenstellingen te overbruggen, is in de nieuwe wettelijk regeling voorzien in een groot aantal waarborgen. Winstuitkering wordt slechts toegestaan aan zorgaanbieders die voldoen aan de navolgende eisen: 1. De desbetreffende zorgaanbieder moet beschikken over een beschikking dat hij zijn bestuurlijke verantwoordelijkheden voor de kwaliteit en veiligheid van de verleende zorg naar behoren heeft ingericht en dat hij een kwalitatief goed veiligheidsmanagementsysteem heeft. Een dergelijke beschikking kan echter pas worden aangevraagd in de tiende maand van het derde jaar volgende op het jaar waarin voor de eerste maal een investering in eigen vermogen van de zorgaanbieder is gedaan. Deze eenmalige extra kwaliteitstoets (de zorgaanbieder staat immers onder doorlopend toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ)) zal worden uitgevoerd door de IGZ en zal worden vastgelegd in een beschikking van de Minister. 2. De solvabiliteitsmarge van de zorgaanbieder (eigen vermogen verminderd met de herwaarderingsreserves – omdat dit volgens de Minister ongerealiseerde resultaten zijn – uitgedrukt als percentage van het balanstotaal), dan wel van de groep waartoe


60 hij behoort, moet na de winstuitkering minstens 20% bedragen. Met andere woorden, alleen de surpluswinst boven de 20% komt voor uitkering in aanmerking. Volgens de Minister voldeden in 2011 zestien van de tachtig onderzochte algemene ziekenhuizen aan deze solvabiliteitseis. 3.  Het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen moet gedurende de periode van drie boekjaren voorafgaande aan een uitkeringsjaar positief zijn geweest. Hiermee wordt beoogd te bewerkstelligen dat geen winstuitkering kan plaatsvinden louter op basis van incidentele baten. De resultaten uit normale bedrijfsvoering moeten derhalve positief zijn. 4. Winstuitkering gedurende de periode waarover de zorgaanbieder op grond van een beschikking van de zorgautoriteit een geldelijke bedrage, niet zijnde een bijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg, ontvangt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kan, bijvoorbeeld, op basis van de huidige beleidsregels steun verlenen (AL/BR-0002) aan een zorgaanbieder (in de vorm van hogere tarieven). Zolang een zorgaanbieder daarvoor in aanmerking komt en ook steun heeft aangevraagd mag hij geen winst uitkeren. 5.  Het bestuur van de zorgaanbieder moet goedkeuring aan het besluit tot uitkering hebben gegeven. Het toezichthoudende orgaan (de raad van commissarissen of raad van toezicht) zal over ieder voornemen tot winstuitkering dienen te worden gehoord. 6.  De zorgaanbieder moet niet over een garantie beschikken voor het betalen van rente en aflossingen van leningen die door de zorgaanbieder zijn aangegaan, zoals bedoeld in de Garantieregeling inrichtingen zoals deze voor 1 januari 1988 luidde. 7. Er moet geen aanwijzing, bevel of last onder dwangsom als bedoeld in de Kwaliteitswet zorginstellingen op de zorgaanbieder van toepassing zijn. Bovendien zal de zorgaanbieder iedere keer binnen

drie maanden nadat hij winst heeft uitgekeerd, de NZa daarover dienen te informeren waarbij dient te worden onderbouwd dat aan de voorwaarden van winstuitkering is voldaan. De NZa kan nadere regels stellen en zelfs bepalen dat een accountant de verantwoording nader onderzoekt en voorziet van een goedkeurende verklaring.

6.4 Commentaar In de praktijk zullen voornamelijk de voorwaarden bedoeld onder 1, 2 en 3 van belang zijn voor private investeerders. Zij zullen naar verwachting geen problemen hebben met de kwaliteitstoets op zich en naar verwachting zal ook de horizon van drie jaar weinig problemen opleveren. De meeste investeerders in de zorg zijn bekend met de dynamiek van de markt en de langetermijninvesteringshorizon die daaruit volgt. Het vereiste solvabiliteitspercentage is enigszins willekeurig. Naar de hoogte daarvan is volgens de Nota van Wijziging (33168, nr. 7, p. 6) onderzoek gedaan waarbij als streefnorm deze 20% is genoemd. Een sterk eigen vermogen is weliswaar een indicatie van de weerbaarheid van een onderneming om toekomstige tegenvallers op te vangen, maar zegt in beginsel niets over de liquiditeitspositie van een onderneming. Juist deze liquiditeitspositie bepaalt of een onderneming kan doorgaan met het betalen van haar schulden dan wel of een faillissement onontkoombaar is. De mogelijkheid tot winstuitkering, onder de hierboven genoemde voorwaarden, tast volgens de Minister de kernwaarden (kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid) van de Nederlandse gezondheidszorg niet aan. De kwaliteit krijgt extra aandacht door de invoering van de eenmalige additionele kwaliteitstoets door de IGZ. Private investeerders zullen, zo is de gedachte, als mede-eigenaar streven naar een efficiĂŤnte bedrijfsvoering, dat wil zeggen kwalitatief goede zorg tegen zo laag mogelijke kosten. Concurrentie tussen zorgaanbieders wordt aangemoedigd en verschuivingen in omzet tussen zorgaanbieders zijn mogelijk. Op macroniveau worden de kosten beheerst door de maat-


61 regelen zoals omschreven in paragraaf 1. De toegankelijkheid van de zorg is en blijft gewaarborgd door de zorg- en acceptatieplicht van de zorgverzekeraars. Ook complexe zorg zal door hen dienen te worden gecontracteerd. Het risico dat onrendabele behandelingen niet meer worden aangeboden, geldt volgens de Minister alleen bij behandelingen waarvoor geen vrije prijsvorming bestaat. In dat geval zal de NZa de tarieven voor dergelijke behandelingen dienen te verhogen. Voor behandelingen waar vrije prijsvorming geldt, zal door vraag en aanbod altijd een marktconforme prijs tot stand komen. De Minister zal de NZa wel laten monitoren of winstuitkering leidt tot patiëntenselectie. Daarbij zijn de hiervoor genoemde voorwaarden een aanvulling op de voorwaarden die volgen uit het reguliere vennootschapsrecht, met een aantal kleine doublures. Indien een zorgaanbieder over wenst te gaan tot winstuitkering zal hij de rechtsvorm van NV, BV of coöperatie moeten aannemen. Een stichting (de meest voorkomende rechtsvorm bij algemene ziekenhuizen), kent namelijk wettelijk een uitkeringsverbod. Voor een NV gelden zogenoemde kapitaalbeschermingsregels (hiernaar wordt ook nog eens expliciet verwezen in het wetsvoorstel). Dergelijke regels zijn voor de BV afgeschaft per 1 oktober 2012. Daarvoor in de plaats is gekomen het vereiste dat het bestuur goedkeuring moet geven aan een dividenduitkering, welke goedkeuring het bestuur slechts mag onthouden indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Dit principe dat eigenlijk alleen geldt voor een BV, is in het kader van de voorgestelde regeling ook van toepassing verklaard voor een NV of coöperatie met de daaraan gekoppelde sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders (en feitelijke beleidsbepalers) die met een winstuitkering hebben ingestemd, maar wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien dat de vennootschap haar opeisbare schulden niet meer zou kunnen voldoen.

Zoals hierboven opgemerkt, mag de zorgaanbieder die steunverlening ontvangt van de NZa (onderdeel 4) of gebruikmaakt van de Rijksgarantieregeling (onderdeel 6) geen winst uitkeren. Het waarborgfonds voor de zorgsector (Wfz) is een privaatrechtelijke stichting die garanties geeft bij leningen. Zorgaanbieders die daarvan gebruikmaken, zijn in beginsel niet uitgesloten van de mogelijkheid om winst uit te keren aan haar investeerders. Dit laat onverlet dat het Wfz eist dat de zorgaanbieders in de statuten regelen dat toestemming van het Wfz vereist is voordat winst mag worden uitgekeerd. Sinds 22 juli 2013 zijn bepaalde participatiemaatschappijen tevens onderworpen aan nieuwe regels voor zogenoemde alternatieve beleggingsinstellingen. Ook in deze nieuwe regelgeving zijn specifieke beperkingen opgenomen om kapitaal te onttrekken aan de overgenomen onderneming binnen een periode van twee jaar nadat zeggenschap daarover is verworven (de zogenaamde ‘asset stripping rules’). Het doel van deze regels is ook om de doelvennootschap te beschermen tegen investeerders die onvoldoende oog hebben voor de lange termijn en continuïteit van de onderneming.

6.5 Conclusie Te verwachten is dat de voorwaarden die zijn gesteld aan winstuitkering niet onoverkomelijk zijn voor private investeerders. Veel investeerders zijn bekend met het feit dat voor investeren in de zorg een lang adem is vereist. Een wachttijd van drie jaar en de voorwaarde dat in die drie jaar ook nog winst moet zijn gemaakt, zijn werkbare eisen. Zeker de eerste jaren zal de winst in menig door een participatiemaatschappij gehouden portfoliovennootschap terugvloeien naar de onderneming. Veel belangrijker is dat de private investeerders in de gelegenheid worden gesteld tot een exit na een periode van drie tot vijf jaar. Een dergelijke exit valt buiten de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod; investeerders worden aldus niet belemmerd om de zorgaanbieder te verkopen. Overigens zijn er juridische structuren denkbaar waarbij kapitaal wordt onttrokken


62 aan de zorgaanbieder zonder dat formeel sprake is van een winstuitkering. In geval van een verkoop aan een nieuwe investeerder zal deze wel weer worden geconfronteerd met het winstuitkeringsverbod en zal zich ook weer dienen te houden aan de wachtperiode van drie jaar. Belangrijker voor een goed investeringsklimaat is dat er duidelijkheid komt voor de langere termijn over de contouren van het Nederlandse zorgstelsel dat kan rekenen op een breed politiek draagvlak. Private investeerders zullen terughoudend zijn om geld toe te vertrouwen aan de zorgsector als deze duidelijkheid ontbreekt en het risico bestaat dat de spelregels zullen worden gewijzigd tijdens de duur van hun investering.


Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in de zorg

7


Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in de zorg Rik Analbers & Karen Harmsen

7.1 Inleiding Met de introductie van de marktwerking in de zorg is ook de opinie ten aanzien van de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders1 veranderd. Waar voorheen een faillissement van een zorginstelling vanwege diens publieke taak ondenkbaar leek, maakten de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in hun brief van 9 juli 20092 kenbaar dat de overheid nog slechts in uitzonderlijke gevallen financiële steun zal verlenen aan zorginstellingen met financiële problemen. De mogelijkheid van een faillissement van een zorginstelling zou volgens VWS een aansporing moeten zijn voor de bestuurders en toezichthouders om financiële problemen adequaat op te lossen maar ook (en vooral) om dergelijke financiële problemen te voorkomen. In het verlengde hiervan is door VWS in de brief van 9 juli 2009 al gepleit voor een verruiming van de mogelijkheden om bestuurders en toezichthouders van een zorginstelling aansprakelijk te kunnen stellen.3 De dreiging van aansprakelijkheid zou bestuurders en toezichthouders ertoe moeten brengen dat zij hun taak naar behoren uitvoeren omdat zij dan geen aansprakelijkheid hoeven te vrezen.4 Volgend op de bovengenoemde brief is op 14 juni

2010 het voorstel voor de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) ingediend.5 In dit wetsvoorstel zijn onder meer bepalingen opgenomen die de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het bestuur en de toezichthouders uitbreiden en nader invullen. Als zodanig zou het wetsvoorstel het mogelijk maken dat er eenvoudiger invulling gegeven kan worden aan de open (interne) aansprakelijkheidsnorm van artikel 2:9 BW die voorschrijft dat iedere bestuurder is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.6 Omdat er onzekerheid bestond over de vraag of artikel 2:9 BW ook van toepassing is op toezichthouders bepaalt de Wcz expliciet dat dit artikel van overeenkomstige toepassing is op de leden van een toezichthoudend orgaan van een zorginstelling. Daarnaast bepaalt de Wcz dat de cliëntenraad van de zorginstelling bevoegd zal zijn om een enquêteverzoek in te dienen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam.7 Zoals aangegeven in hoofdstuk 1 is het wetsvoorstel Wcz in zijn oorspronkelijke vorm inmiddels ingetrokken en opgeknipt in een aantal onderdelen. De bepalingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders worden opgenomen in een apart wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg.8 Dit

1 Met toezichthouders bedoelen wij in dit artikel de leden van de raad van toezicht of raad van commissarissen van de zorginstelling en niet de Inspectie voor de Gezondheidszorg of de Nederlandse Zorgautoriteit als externe toezichthouder. 2 Kamerstukken II, 2008-2009, 32 012, nr. 1. 3 Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het de reikwijdte van deze bijdrage te buiten gaat om stil te staan bij het aansprakelijkheidsregime dat geldt ingeval van een zogeheten one tier board.

4 Zie M.J. Kroeze, ‘Bange Bestuurders’, OR 2006, 3. 5 Kamerstukken II, 2009-2010 32 402 nr. 2. 6 Zie ook pagina 14 van de brief van VWS van 9 juli 2009 (Kamerstukken II, 2008-2009, 32 012, nr. 1). 7 In de huidige Wet Toelating Zorginstellingen is bepaald dat in de statuten van een zorginstelling een orgaan dat cliënten vertegenwoordigt, moet zijn aangewezen als het orgaan dat een enquêteverzoek kan indienen bij de Ondernemingskamer.

65


66 wetsvoorstel kan niet los gezien worden van de algemene wens van het kabinet-Rutte II tot een verbetering van het bestuur en toezicht in semipublieke sectoren. In dat kader heeft de Minister van Economische Zaken op 16 mei 2013 de Commissie Behoorlijk Bestuur9 ingesteld.10 Deze commissie heeft op 11 september 2013 haar rapport ‘Een lastig gesprek’ gepresenteerd.11 In dit rapport adviseert de commissie onder meer dat de civiele aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders waar mogelijk zou moeten worden aangescherpt en in het Burgerlijk Wetboek voor verenigingen en stichtingen een taakomschrijving opgenomen zou moeten worden voor de toezichthouders die vergelijkbaar is met die voor vennootschappen. Op 12 november 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin hij een wetsvoorstel aankondigt dat de wettelijke taakvervulling van toezichthouders van stichtingen en verenigingen zal verduidelijken om zo de drempel tot aansprakelijkstelling van bestuurders en toezichthouders te verlagen.12 Net als zijn voorgangers Donner13 en Korthals Altes14 benadrukt de Minister dat bestuurders en toezichthouders die naar eer en geweten zorgvuldig hun taken uitoefenen, van deze wijzigingen niets te vrezen zouden moeten hebben.15 Met betrekking tot de zorg was VWS met het voorstel voor de Wcz al voornemens om de aansprakelijkheid voor bestuurders en toezichthouders in de zorg aan te scherpen. Uit de brief van de Minister en Staatssecretaris van VWS van 19 september 2013 blijkt dat ernaar wordt gestreefd om het hierboven genoemde wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg in het voorjaar van 2014 naar de Tweede Kamer te sturen.16 Toch valt aan de hand van deze brief van VWS wel een beeld 8 Kamerstukken II, 2012–2013, 32 620, nr. 78. 9  De volledige naam van de commissie is: de Commissie Maatschappelijk verant- woord bestuur en toezicht in de semipublieke sector. 10 Kamerstukken II, 2012-2013, 28479; 28844, nr. 66. 11 Http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/09/ 11/brief-aan-de-tweede-kamer-toezending-rapport-commissie-maatschappelijk-verantwoord-bestuur-en-toezicht-in-de-semipublieke-sector.html. 12 Http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brieven/2013/11/13/ kamerbrief-aansprakelijkheid-van-bestuurders-en-toezichthouders-in-semipublieke-sectoren.html. 13 Ontwerpen van Wetten op de vennootschappen en andere; wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de Naamloze Vennootschap en regeling van de

te schetsen van het aansprakelijkheidsregime voor bestuurders en toezichthouders van zorginstellingen, zoals dat mogelijk zal gaan gelden.

7.2 Het huidige aansprakelijkheidsregime 7.2.1 Interne aansprakelijkheid Bestuur De meeste zorginstellingen hebben de stichting als rechtsvorm. Voor het bestuur van stichtingen geldt – net als voor het bestuur van alle andere rechtspersonen uit Boek 2 BW – dat op basis van artikel 2:9 BW iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Op basis van artikel 2:9 BW heeft een bestuurder een inspanningsverbintenis jegens de rechtspersoon tot een behoorlijke uitoefening van diens taak.17 In de rechtspraak is geoordeeld dat de norm ‘behoorlijk’ zodanig moet worden geobjectiveerd dat daaruit volgt dat aan de bestuurder de eis wordt gesteld dat hij beschikt over het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.18 Van aansprakelijkheid van de bestuurder in geval van schending van deze norm is, gelet op het tweede lid van artikel 2:9 BW, slechts sprake wanneer de bestuurder ter zake een ernstig verwijt gemaakt kan worden.19 Of een bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kan worden, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen en de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem aansprakelijkheid voor het prospectus, ‘s-Gravenhage 1929 (uitgever Belinfante), p. 326. 14 Handelingen II 1985/86, p. 6346. 15 Zie ook M.J. Kroeze, ‘Bange Bestuurders’, OR 2006, 3. 16 Kamerstukken II, 2013–2014, 32 012, nr. 15. 17 E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, 13e druk bewerkt door P.J. Dortmond, Deventer 2013. 18 HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Ma (Staleman/Van de Ven). 19 Zie ook HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Ma (Staleman/Van de Ven), HR 4 april 2003, NJ 2003, 538 m.nt. Ma en JOR 2003, 134 (Skipper Club) en HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240 m.nt. Ma en JOR 2007, 137 (Nutsbedrijf Westland).


67 verweten beslissingen of gedragingen. Wanneer de bestuurder in strijd handelt met een statutaire bepaling die de rechtspersoon beoogt te beschermen, vormt dit een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel aansprakelijkheid vestigt.20 Wanneer een (of meer) bestuurder(s) een ernstig verwijt gemaakt kan worden, is in beginsel iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de rechtspersoon als gevolg daarvan heeft geleden. Een bestuurder die aantoont dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, is gedisculpeerd. Een dergelijke taakverdeling moet dan wel direct of indirect op de wet of op de statuten zijn gebaseerd. Omdat elke bestuurder ten eerste verantwoordelijk geacht wordt voor de algemene gang van zaken, inclusief de financiële gang van zaken, alsmede voor ingrijpende besluiten en ten tweede verplicht wordt geacht geprobeerd te hebben om de nadelige gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden (ook al werd dat onbehoorlijk bestuur niet door hem gepleegd en viel de aangelegenheid buiten zijn taakgebied) zal het niet eenvoudig zijn voor een bestuurder om zich op deze grond te kunnen disculperen. Een uitzondering hierop wordt gevormd door de bestuurder die kort voor een faillissement is aangetreden. Raad van commissarissen/raad van toezicht Een zorginstelling is gelet op artikel 6.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet toelating zorginstellingen verplicht tot het instellen van een toezichthoudend orgaan. Afhankelijk van de rechtsvorm van de zorginstelling kan dit toezichthoudend orgaan bestaan uit een raad van commissarissen (bij een naamloze of besloten vennootschap) of een (statutair ingestelde) raad van toezicht (bij een stichting). Het is de wettelijke taak van de raad van commissaris-

sen toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming(en). Bovendien moet de raad van commissarissen het bestuur met raad en daad terzijde staan en de leden van de raad van commissarissen dienen zich bij de uitoefening van hun taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming(en).21 De statuten van de vennootschap kunnen daarnaast nog aanvullende bepalingen bevatten ten aanzien van de taak van de raad van commissarissen.22 Voor stichtingen geldt dat de taak van de statutair benoemde raad van toezicht in de statuten moet zijn omschreven. Het ligt voor de hand dat deze taak tenminste inhoudt dat toezicht wordt gehouden op het bestuur en op de algemene gang van zaken, dat het bestuur met raad en daad terzijde wordt gestaan en dat de leden van de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming dient te richten. Een lid van de raad van commissarissen bij een naamloze of besloten vennootschap is jegens de vennootschap gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn toezichthoudende taak. Van aansprakelijkheid jegens de vennootschap is sprake in geval van onbehoorlijke taakvervulling door de commissaris en hem ter zake een ernstig verwijt valt te maken. In dat geval is er in beginsel sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van alle commissarissen voor de daardoor geleden schade.23 Ook hier is disculpatie door een lid van de raad van commissarissen mogelijk, zoals dat ook geldt voor een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW. Hetzelfde geldt voor de leden van een raad van toezicht van een stichting die onderworpen is aan de heffing van vennootschapsbelasting24, zij het dat dit – naar de letter van de wet – slechts het geval is bij een faillissement van een stichting.25 Het doet echter vreemd aan dat een toezichthouder bij een stichting buiten faillis-

20 HR 29 november 2002, NJ 2003, 455, Ondernemingsrecht 2003, p. 231 m.nt. Wezeman (Berghuizer Papierfabriek). 21 Artikel 2:140 lid 2 BW voor de naamloze en artikel 2:250 lid 2 BW voor de besloten vennootschap. 22 Artikel 2:140 lid 3 BW voor de naamloze en artikel 2:250 lid 3 BW voor de besloten vennootschap. 23 Dit volgt uit artikel 2:9 BW j° artikel 2:149/2:259 BW.

24 Dit volgt uit artikel 2:300a BW j° artikel 2:149 BW en artikel 2:9 BW. Een stichting is aan de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen wanneer deze een onderneming drijft in de zin van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. Volgens die wet is een onderneming een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die door deelname aan het economische verkeer winst tracht te behalen. 25 Zie ook A. Hendrikse, ‘Insolvente stichtingen en bestuurdersaansprakelijkheid’, Jaarcongresbundel 2009 Insolad, p. 47 - 65.


68 sement nooit intern aansprakelijk zou kunnen zijn omdat artikel 2:9 BW door de wetgever bij een stichting buiten faillissement niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het handelen van een toezichthouder bij een stichting moet immers ook buiten faillissement getoetst kunnen worden. Het ligt daarom voor de hand dat de norm van artikel 2:9 BW en de invulling daarvan voor commissarissen en toezichthouders ook buiten faillissement van een stichting het kader vormt voor de toetsing van het handelen van een toezichthouder.26 Zorginstellingen kunnen doorgaans gebruik maken van een vrijstelling voor de heffing van vennootschapsbelasting. Hoewel de vraag kan worden gesteld in hoeverre een stichting die gebruik maakt van een vrijstelling voor de heffing van de vennootschapsbelasting wel aan vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt wel aangenomen dat artikel 2:300a BW ook van toepassing is op zorginstellingen die een stichting als rechtsvorm hebben en vrijgesteld zijn van de heffing van vennootschapsbelasting.27 Samenloop aansprakelijkheid bestuurders en commissarissen/toezichthouders De vragen betreffende de eventuele aansprakelijkheid van bestuurders enerzijds en commissarissen/ toezichthouders anderzijds moeten onafhankelijk van elkaar beoordeeld worden nu de wettelijke en/of statutaire taak van beide groepen van functionarissen van de rechtspersoon anders is. Dit betekent dat de aansprakelijkheid van een of meer bestuurders niet noodzakelijkerwijs ook de aansprakelijkheid van een of meer commissarissen tot gevolg heeft en vice versa. Deze onafhankelijke beoordeling van de taakvervulling van de bestuurders en commissarissen neemt echter niet weg dat in de praktijk zelden de situatie voorkomt, dat de bestuurders niet maar de commissarissen wel aansprakelijk zijn voor de onbehoorlijke taakvervulling. Aansprakelijkheid van de bestuurders maar niet van de commissarissen is daarentegen een veel vaker voorko26 Zo ook P.L. Dijk en T.J. van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Kluwer 2007, p. 190. Anders Rb Amsterdam, 26 maart 2008, JOR 2008,12. 27 C.A. Schwarz, Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen van stich- tingen en verenigingen op grond van de tweede en derde anti-misbruikwet,

mende combinatie, zowel wat betreft de uitkomst van een procedure als wat betreft de keuze voor de aansprakelijk te stellen personen bij aanvang van een procedure. Hoewel dit niet is gebaseerd op empirisch onderzoek lijkt dit wel logisch. Onbehoorlijk toezicht houden door een commissaris/toezichthouder staat immers eerder in de schijnwerpers wanneer ook het bestuur zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld.

7.2.2 Externe aansprakelijkheid Er worden hier twee vormen van externe aansprakelijkheid onderscheiden. Ten eerste die op grond van de onrechtmatige daad, in te stellen jegens een bestuurder van een rechtspersoon die zich onrechtmatig heeft gedragen. Het kunnen inroepen van deze aansprakelijkheid jegens een bestuurder doet zich in uitzonderingssituaties voor en vormt daarmee een belangrijke uitzondering op het beginsel dat het de schuldenaar is – de rechtspersoon – die met heel zijn vermogen instaat voor zijn schulden (artikel 3:276 BW). Daarnaast kent Boek 2 BW aan de curator in het geval van faillissement een bijzondere bevoegdheid toe om bestuurders of commissarissen/toezichthouders hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor het tekort in het faillissement. Onrechtmatige daad Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge leidt, te vergoeden, aldus artikel 6:162 BW, tenzij de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de schade zoals de benadeelde die heeft geleden28. In het kader van de externe aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad van bestuurders29 die handelden in hun hoedanigheid van bestuurder van een rechtspersoon zijn vele procedures gevoerd, die hebben geleid tot de ontwikkeling van algemene richtsnoeren voor de beoordeling van het handelen van een bestuurder. De Hoge Raad heeft in het arrest Ontvanger/ Stichting & Vereniging 1990, p. 172 en P.L. Dijk in Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 25. 28 Artikel 6:163 BW. 29 Jegens commissarissen handelend in hun hoedanigheid van commissaris van een rechtspersoon wordt zelden een procedure uit onrechtmatige daad gestart.


69 Roelofsen twee hoofdcategorieën van onrechtmatige gedragingen onderscheiden.30 Het gaat hierbij dus om de aansprakelijkheid van de bestuurder van een rechtspersoon jegens een derde op grond van onrechtmatige daad wegens het onvoldaan blijven van een (contractuele) vordering van deze derde op die rechtspersoon. De eerste hoofdcategorie als bedoeld in Ontvanger/ Roelofsen, is die volgens welke een bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en daarvoor geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk (en ernstig) verwijt gemaakt kan worden. Tot deze categorie behoort de zogenoemde Beklamel-jurisprudentie.31 De tweede hoofdcategorie wordt door de Hoge Raad omschreven als het door de bestuurder bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. De bestuurder kan in een dergelijk geval aansprakelijk worden gehouden voor de schade van de derde indien hij in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn, aldus de Hoge Raad, als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Tot deze categorie behoort een omvangrijk aantal uitspraken met voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen, zoals bijvoorbeeld de situatie van betalingsonwil32 en het bewerkstelligen of toelaten dat de rechtspersoon haar informatieplicht jegens derden niet correct nakomt33.

Faillissement In geval van het faillissement van een naamloze of besloten vennootschap is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk jegens de boedel voor het tekort in het faillissement indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.34 Indien het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW en/of de publicatieplicht van artikel 2:394 BW staat het kennelijk onbehoorlijk bestuur vast en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is, zij het dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen. Een bestuurder kan zich disculperen wanneer hij bewijst dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Het is de curator die bevoegd is om deze vordering in te stellen jegens de bestuurders. Ook de commissarissen van een vennootschap kunnen op vergelijkbare wijze aansprakelijk zijn voor het houden van kennelijk onbehoorlijk toezicht.35 Ook hier geldt dat kennelijk onbehoorlijk toezicht zonder kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van de wet mogelijk is maar in de praktijk niet snel zal voorkomen. Dit betekent echter niet dat de commissaris zelf gehouden is de administratie- of publicatieplicht na te leven maar hij moet hierop wel adequaat toezicht houden.36 Voor bestuurders en toezichthouders van commerciële stichtingen is deze vorm van aansprakelijkheid in geval van faillissement ook relevant. Artikel 2:300a BW verklaart immers de artikelen 2:138 BW en 2:149 BW van overeenkomstige toepassing.

30 HR 8 december 2006, NJ 2006, 659, r.o. 3.5 (Ontvanger/Roelofsen). 31 HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 m.nt. Ma (Beklamel). 32 HR 3 april 1992, NJ 1992, 411 (Van Waning/Van der Vliet). 33 Gerechtshof Amsterdam 12 juni 2012, LJN: BX4216.

34 Artikel 2:138/2:248 lid 2 BW. 35 Artikel 2:149 j° artikel 2:138 BW voor de naamloze vennootschap en artikel 2:259 j° 2:248 BW voor de besloten vennootschap. 36 HR 28 juni 1996, NJ 1997, 58 m.nt. Ma (Bodam Jachtservice).

7.3 Het toekomstige aansprakelijkheidsregime De brieven van de Minister van Veiligheid en Justitie (12 november 2013) en de Minister en staatsecretaris van VWS (19 september 2013) maken duidelijk dat de beoogde wetgeving primair gericht zal zijn op het meer


70 in overeenstemming brengen van de bestuursstructuur en het aansprakelijkheidsregime van zorginstellingen met die van professionele vennootschappen. Het opvallendst is daarbij dat artikel 2:9 BW ook onverkort zal gaan gelden voor leden van een raad van toezicht wanneer de zorginstelling de rechtsvorm van een stichting heeft. Door VWS wordt wel onderkend dat in Nederland een grote verscheidenheid aan zorginstellingen bestaat en dat het daarom lastig is een eenduidig model voor te schrijven voor de samenstelling van de raad van bestuur en de raad van toezicht en hun taken. Door het stellen van een algemene wettelijke resultaatsnorm beoogt VWS iedere zorginstelling de ruimte te geven voor een eigen uitwerking daarvan die zou moeten leiden tot maatwerk bij de inrichting van de bestuursstructuur. In aanvulling op de algemene resultaatsnorm zullen in het wetsvoorstel een aantal aanvullende verplichtingen ten aanzien van de bestuursstructuur worden gesteld.37 Zoals eerder is opgemerkt, is VWS voornemens om de taak van bestuurders en toezichthouders in de zorg ten behoeve van artikel 2:9 BW nader in te vullen. Uit de brief van de Minister en Staatssecretaris van VWS van 19 september 2013 blijkt dat deze invulling thans beperkt blijft tot twee onderwerpen. Het is in de eerste plaats een taak van het bestuur van een zorginstelling om ervoor te zorgen dat deze instelling kwalitatief goede zorg levert. Daartoe zal het bestuur van een zorginstelling verplicht worden om een van zijn leden specifiek aan te wijzen als verantwoordelijk voor de kwaliteit (en veiligheid) van de zorgverlening. In de tweede plaats heeft het bestuur van de zorginstelling tot taak om voldoende zicht te hebben op de financiÍle risico’s van de zorginstelling. De raad van toezicht heeft op haar beurt tot taak toezicht te houden op het door het bestuur naar behoren uitvoeren van de voorgenoemde taken. Wij zullen hierna kort bij deze twee taken stil staan.

37 Zie hierover uitgebreider hoofdstuk 2. 38 Te raadplegen via http://www.brancheorganisatieszorg.nl/governancecode_.

7.4 Commentaar Verantwoordelijkheid tot het leveren van kwalitatief goede zorg Dat het bestuur van een zorginstelling tot taak heeft te zorgen voor het leveren van kwalitatief goede zorg spreekt voor zich. In (artikel 3.1 van) de Zorgbrede Governancecode 38 is ook reeds bepaald dat uit de eindverantwoordelijkheid van het bestuur voor het besturen van de zorginstelling voortvloeit dat het bestuur verantwoordelijk is voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Dit roept de vraag op welke toegevoegde waarde het heeft als dit in een wettelijke bepaling wordt opgenomen. Opvallend aan de brief van de Minister en Staatssecretaris van VWS is ook dat het aanwijzen van een lid van de raad van bestuur als specifiek verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg het eenvoudiger zou moeten maken om bestuurders aansprakelijk te stellen die de kwaliteit van zorg niet op orde hebben. Dit lijkt ons niet juist. Hoewel het aan de hand van een aantal incidenten uit het recente verleden vrij eenvoudig is om gevallen aan te wijzen waarin een zorginstelling de kwaliteit van de zorg niet op orde had, is in het voorstel van VWS sprake van een open norm. Deze open norm zal, bij gebrek aan een nadere invulling door VWS, door de rechter gegeven moeten worden. Op deze wijze zal het mogelijk geruime tijd duren voordat nadere invulling aan deze norm wordt gegeven. Daarnaast bestaat ook het risico dat (met name) de (lagere) rechtspraak een hoog casuĂŻstisch gehalte zal krijgen. De rechter zal immers bij zijn oordeel of sprake is van onvoldoende kwaliteit van zorg de specifieke omstandigheden van het geval in acht moeten nemen. In aanvulling op het voorgaande geldt dat ook wanneer de rechter tot het oordeel zou komen dat de kwaliteit van de zorg onvoldoende is, dit nog niet direct tot persoonlijke aansprakelijkheid van het bestuur van een zorginstelling zal leiden. Er is immers slechts ruimte voor aansprakelijkheid wanneer de bestuurder een voldoende ernstig verwijt gemaakt kan worden en er daarnaast schade is alsmede een causaal verband


71 tussen die schade en de gedraging die de bestuurder verweten wordt. Uit de in de inleiding genoemde brief van VWS van 9 juli 2009 valt af te leiden dat VWS enkel beoogt om het eenvoudiger te maken om de bestuurders in de interne verhouding aan te spreken.39 Het zou in de optiek van VWS dus gaan om een vergoeding van de schade die de zorginstelling heeft geleden en niet om eventuele schade die cliënten van de zorginstelling hebben geleden. Welke schade door een zorginstelling wordt geleden als de kwaliteit van de zorg onvoldoende is, zal niet eenvoudig vast te stellen zijn. Het valt te verwachten dat wanneer een zorginstelling één (of meerdere) bestuurders daarvoor aansprakelijk probeert te houden, uitgebreid gedebatteerd zal worden over de omvang van de schade. Met het opnemen van een wettelijke open norm voor bestuurders in de zorg zoals deze thans door VWS is geformuleerd kan betwijfeld worden of er wel sprake is van nadere invulling van de taakomschrijving van het bestuur ten behoeve van artikel 2:9 BW, zoals VWS oorspronkelijk beoogde. Het valt daarom ook te betwijfelen of dit uiteindelijk zal leiden tot een vereenvoudiging van de aansprakelijkstelling van bestuurders van een zorginstelling. Het aanwijzen van een enkele bestuurder die specifiek verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de zorg maakt dit juist lastiger. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft tijdens de parlementaire behandeling van de aanpassing van artikel 2:9 BW over de gevolgen van de taakverdeling gesteld dat: “in beginsel (…) een bestuurder niet aansprakelijk [is] wanneer het onbehoorlijke bestuur een aan een ander bestuurslid toebedeelde taak betreft”.40 Het voorstel van VWS zal het dus lastiger maken om de overige bestuurders aansprakelijk te stellen omdat deze zich onder verwijzing naar de taakverdeling eenvoudiger kunnen disculperen.

rechtspersoon is dat deze zicht moet hebben op de risico’s die verbonden zijn aan de ondernemingsactiviteiten en de financiering van de rechtspersoon. Dit wordt bevestigd in de juridische literatuur41 alsmede in de Corporate Governancecode42 (principe II.1) en in de eerder genoemde Zorgbrede Governancecode (artikel 3.1). Mocht deze taak van het bestuur straks in de Wet opgenomen worden dan betekent dat dus enkel een codificatie van een verplichting die reeds op het bestuur rust. Als zodanig is evenmin sprake van het vereenvoudigen van het aansprakelijk stellen van bestuurders van een zorginstelling.

7.5 Conclusie De meest wezenlijke wijziging in het aansprakelijkheidsregime voor bestuurders en toezichthouders van zorginstellingen zal komen door het van toepassing verklaren van artikel 2:9 BW op de raad van toezicht. Zo zal er ook bij een zorginstelling die de rechtsvorm van een stichting heeft geen onduidelijkheid meer bestaan over de omvang van het aansprakelijkheidsregime voor toezichthouders. Voor het overige lijken de wijzigingen op dit moment enkel een codificatie te vormen van normen die feitelijk al golden voor bestuurders en toezichthouders van zorginstellingen, bijvoorbeeld via de Zorgbrede Governancecode. Van een vereenvoudiging of uitbreiding van de mogelijkheden om een bestuurder of toezichthouder van een zorginstelling aansprakelijk te stellen lijkt vooralsnog geen sprake te zijn, al is het natuurlijk afwachten hoe de wetsvoorstellen er uiteindelijk uit gaan zien.

Inzicht in financiële risico’s Er bestaat doorgaans geen twijfel over het feit dat een van de onderdelen van de taak van het bestuur van een 39 Zie ook de brief van VWS van 9 juli 2009 (Kamerstukken II, 2008-2009, 32 012, nr. 1.). 40 Kamerstukken I, 2010-2011, 31 763, C. p. 16.

41 Zie bijv. A. Knigge, A.W. van der Veen, Kroniek bestuurdersaansprakelijkheid 2012’ in: M. Holtzer e.a., Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2012-2013, Kluwer: Deventer 2013, p. 35-62 (i.h.b. p. 39). 42 Raadpleeg: http://commissiecorporategovernance.nl/corporate-goverance-code.


73 Bijlage 1 Brief Minister VWS (19 maart 2013) over het opknippen van het wetsvoorstel cliëntenrechten zorg, Kamerstukken II, 2012-2013, 32402, nr. 11

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2012–2013

32 402

Wet cliëntenrechten zorg

Nr. 11

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 19 maart 2013 Op 5 maart jongstleden hebben ambtenaren van mijn ministerie een technische briefing verzorgd voor de Commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer. Daarin is toegezegd de Eerste Kamer per brief te informeren over de gevolgen van het opknippen van het Wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (Wcz). Door middel van deze brief doe ik die toezegging gestand. Ik zend de Tweede Kamer eveneens deze brief. Ik voeg bij deze brief een schema dat, per hieronder benoemd wetsvoorstel, weergeeft wat de gevolgen zijn van het opknippen van de Wcz. In deze brief ga ik meer algemeen in op deze gevolgen. Opknippen Wcz in vier onderdelen Zoals de staatssecretaris en ik op 8 februari 2013 in onze gezamenlijke agenda hebben aangekondigd, zal het wetsvoorstel Wcz niet in de huidige opzet worden voortgezet en in delen worden geknipt. Gebleken is dat de gekozen opzet van het wetsvoorstel vragen oproept en weerstand ontmoet. Omdat de staatssecretaris en ik het van groot belang vinden om met voorrang de aanpassingen rond klachten, geschillen en kwaliteit te realiseren, willen wij de overige onderdelen uit het wetsvoorstel verwijderen en in afzonderlijke wetsvoorstellen opnemen. Overigens is het de bedoeling nog deze kabinetsperiode ook de andere onderwerpen uit het wetsvoorstel afzonderlijk een stap verder brengen, te weten: goed bestuur en medezeggenschap, aanpassing van de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst en aanpassing Wet toelating zorginstellingen. Ik verwacht in april 2013 een derde nota van wijziging Wcz naar uw Kamer sturen. De derde nota van wijziging schrapt de onderdelen die betrekking hebben op goed bestuur, medezeggenschap, de «Wgbo-bepalingen» en de Wet toelating zorginstellingen uit het wetsvoorstel Wcz. Voor deze onderwerpen worden vervolgens afzonderlijke wetsvoorstellen aan uw Kamer aangeboden. De onderdelen kwaliteit, klachten en geschillen blijven onderdeel van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel zal een nieuwe

kst-32402-11 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, nr. 11

1


74 naam krijgen. De voorlopige werktitel is «Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg». Gevolgen opknippen Wcz voor andere wetsvoorstellen Het opknippen van de Wcz heeft ook gevolgen voor een aantal andere wetsvoorstellen. Die wetsvoorstellen vallen uiteen in twee categorieën: – wetsvoorstellen die beoogden de regeling van bepaalde onderwerpen (deels) aan de Wcz toe te voegen, – wetsvoorstellen die beogen om voor specifieke groepen in aanvulling op of naast de Wcz een eigenstandige wet tot stand te brengen. Wetsvoorstellen die beoogden de regeling van bepaalde onderwerpen (deels) aan de Wcz toe te voegen Het gaat hierbij om de volgende wetsvoorstellen: 1. voorstel van wet tot wijziging van de Wet toelating zorginstellingen en enkele andere wetten om het mogelijk te maken dat aanbieders van medisch-specialistische zorg, mits zij aan een aantal voorwaarden voldoen, winst uitkeren (voorwaarden voor winstuitkering aanbieders medisch-specialistische zorg) (33 168); 2. voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de verplichting voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren (verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) (33 062); 3. voorstel van wet tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (33 243); 4. voorstel van wet tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten in verband met het tijdig signaleren van risico’s voor de continuïteit van zorg alsmede in verband met het aanscherpen van procedures met het oog op de kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (33 253); 5. voorstel van wet tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg, de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens) (33 509). Deze wetsvoorstellen zijn zodanig opgezet dat rekening is gehouden met de mogelijkheid (terugvaloptie) dat zij eerder dan de Wcz tot stand zouden komen of dat de Wcz niet tot stand zou komen. Voor die situatie bevatten deze wetsvoorstellen bepalingen die erin voorzien dat de geregelde onderwerpen worden opgenomen in andere, bestaande wetten. Het onder 1 genoemde wetsvoorstel is inmiddels bij nota van wijziging zodanig aangepast dat niet langer sprake is van opneming van de beoogde regeling in de Wcz. Het onder 5 genoemde wetsvoorstel zal bij nota van wijziging zodanig worden aangepast dat niet langer sprake is van opneming van de beoogde regeling in de Wcz. De overige wetsvoorstellen zijn inmiddels door uw Kamer (nrs. 3 en 4) dan wel reeds door de Eerste Kamer (nr. 2) aanvaard. Deze wetsvoorstellen bevatten de mogelijkheid om bij koninklijk besluit de inwerkingtreding te regelen en daarbij verschillende artikelen op verschillende tijdstippen in werking te laten treden. Langs die weg zal ervoor worden gezorgd dat van deze wetsvoorstellen slechts die artikelen in werking treden die voor de terugvaloptie van belang zijn. De bepalingen die zien op opneming van artikelen in de Wcz zullen niet in werking treden en

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, nr. 11

2


75 zullen met de uit te brengen derde nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wcz worden geschrapt. Het niet of later tot stand komen van de Wcz hoeft daarmee niet te leiden tot vertraging van de behandeling of inwerkingtreding van de genoemde wetsvoorstellen. Omdat het in alle vijf gevallen gaat om voorstellen tot wijziging van andere wetten zullen deze wijzigingswetten na hun (gedeeltelijke) inwerkingtreding niet als aparte wet blijven bestaan. Wetsvoorstellen die beogen om voor specifieke groepen in aanvulling op of naast de Wcz een eigenstandige wet tot stand te brengen De volgende wetsvoorstellen beogen om voor de zorg aan specifieke groepen van cliënten specifieke regels te stellen in een afzonderlijke wet, naast de algemene regeling die was vervat in het wetsvoorstel Wcz, zoals dat tot nu toe luidt: 1. voorstel van wet houdende vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (32 398); 2. voorstel van wet houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) (31 996); 3. voorstel van wet, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) (32 399); 4. voorstel van wet houdende bepalingen ter versterking van de zeggenschap en bescherming tegen geweld in de zorgrelatie van cliënten in de AWBZ-zorg (Beginselenwet AWBZ-zorg) (33 109). Deze wetsvoorstellen beogen niet dat de geregelde onderwerpen uiteindelijk worden opgenomen in de Wcz, maar kennen wel enige bepalingen die aanpassing behoeven in verband met de Wcz. Daarbij gaat het ten eerste om bepalingen die overbodig worden door het niet doorgaan van de Wcz in de oorspronkelijk beoogde opzet zoals technische aanpassingen in het desbetreffende wetsvoorstel of in de Wcz in verband met de totstandkoming van de Wcz. Daarnaast gaat het om wijzigingen in andere wetten (Kwaliteitswet zorginstellingen of de Wet klachtrecht cliënten zorgsector) die moeten worden aangepast in verband met de gewijzigde opzet van het wetsvoorstel Wcz of moeten worden overgenomen in het wetsvoorstel kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Ook deze wetsvoorstellen zijn zo vormgegeven dat het niet doorgaan van de Wcz in de oorspronkelijk beoogde opzet niet tot problemen leidt omdat zij een zodanige bepaling kennen omtrent de inwerkingtreding dat het mogelijk is de artikelen die overbodig zijn geworden, of die technisch moeten worden aangepast in verband met de nieuwe opzet van de Wcz, niet in werking te laten treden. Daar waar nodig zullen technische wijzigingen door middel van een nota van wijziging of een invoeringswet worden verwijderd. Gevolgen voor het toezichthoudend kader De bovenstaande geschetste technische aanpassingen van genoemde wetten betreffen geen aanpassingen die inhoudelijke gevolgen hebben

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, nr. 11

3


76 voor het toezichthoudend kader. Wel is sprake van een andere fasering, waarbij de staatssecretaris en ik de totstandkoming van wetgeving op het gebied van kwaliteit, klachten en geschillen voorrang geven. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, nr. 11

4


77 BIJLAGE 1

SCHEMATISCH OVERZICHT GEVOLGEN OPKNIPPEN WCZ Onderwerp

Status wetsvoorstel

Gevolgen opknippen Wcz

Wijze van aanpassing

Eigenstandig wetsvoorstel

Eigenstandig wetsvoorstel

32 399

Verplichte GGZ

Eigenstandig wetsvoorstel

Verwijzing in art. 45 naar Wkcz en verwijzing in BW naar de Kwaliteitswet worden vervangen door verwijzing naar Wkkgz1. Verwijzingen naar de Kwaliteitswet worden vervangen door verwijzingen naar Wkkgz; drie indienbepalingen (7.13B – 7.13D) tot wijziging van Wfz dan wel Wcz na totstandkoming Wcz en art. 7.13 (wijziging Wkcz) worden geschrapt. Verwijzingen naar de Kwaliteitswet worden vervangen door verwijzingen naar Wkkgz.

Aanpassing vindt beslag in derde nota van wijziging Wcz.

32 398

Zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten Forensische zorg

33 062

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Wijziging andere wetten

33 109

Beginselenwet AWBZ-zorg

Eigenstandig wetsvoorstel

33 168

Winstuitkering medisch specialistische zorg

Wijziging andere wetten

33 243

Zorginstituut Nederland

Wijziging andere wetten

31 996

1

Wijzigingen die deze wet in Kwaliteitswet aanbrengt, worden overgenomen in Wkkgz; art. XVII dat de Wcz wijzigt en art. XVIII dat de Wet big en de Wet publieke gezondheid wijzigt, worden geschrapt. Twee samenloopbepalingen (artikel 15 en 16) worden geschrapt en ondergebracht in aangepaste bepalingen in de Wkkgz. Bepalingen die in de Wcz zouden neerslaan, komen door de reeds ingediende nota van wijziging in de Wet toelating zorginstellingen. 1) De bepalingen ten aanzien van taken en bevoegdheden van Zorginstituut Nederland worden opgenomen in de Zorgverzekeringswet; ook wordt in Kwaliteitswet begrip verantwoorde zorg aangescherpt. 2) De aanscherping van het begrip verantwoorde zorg in de Kwaliteitswet zorginstellingen wordt overgenomen in de Wkkgz. 3) De artikelen I t/VI en XXXXI t/m XXXXV komen te vervallen.

Aanpassing vindt beslag in derde nota van wijziging Wcz.

Aanpassing vindt beslag in invoeringswet of nota van wijziging bij Wet verplichte ggz. Aanpassing vindt beslag in derde nota van wijziging Wcz. Aanpassing vindt beslag in derde nota van wijziging Wcz. Reeds aangepast door middel van de nota van wijziging van het wetsvoorstel 33 168. 1. treden automatisch in werking, bij inwerkingtreding van de wet. 2 en 3 worden geregeld met de derde nota van wijziging Wcz.

Wetsvoorstel kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

Nummer

Onderwerp

Status wetsvoorstel

Gevolgen opknippen Wcz

Wijze van aanpassing

33 253

Fusies, continuïteit van zorg en opsplitsing

Wijziging andere wetten

Wordt geregeld met de derde nota van wijziging Wcz.

33 509

Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens

Wijziging andere wetten

1) Het artikel over de (opsplitsingsbevoegdheid) dat in de Kwaliteitswet wordt opgenomen (art. 8a) wordt overgenomen in de Wkkgz. 2) Artikelen I onderdeel A, II en VII komen te vervallen (verwezen naar Wcz of latere inwerkingtreding van de Wcz). 1) Bepaling tot wijziging van de Wcz (art. I) wordt geschrapt. Art. II regelt dat deze worden opgenomen in de Wet op gebruik van BSN in de zorg. Art. VIII dat de technische gevolgen van samenloop van de Wcz en andere wetten regelt, zal gedeeltelijk worden geschrapt. 2) Artikel I en VIII vervallen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, nr. 11

Wordt geregeld met nota van wijziging bij het wetsvoorstel 33 509.

5


79 Bijlage 2 Tekst wetsvoorstel kwaliteit, klachten en geschillen zorg, Kamerstukken I, 2012-2013, 32402, E

Eerste Kamer der Staten-Generaal

1

Vergaderjaar 2012–2013

32 402

Regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg)

E

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 4 juli 2013 Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van zorg en de positie van cliënten in de zorg te versterken door regels te stellen ter bevordering van een effectieve behandeling van klachten door of vanwege zorgaanbieders en een met waarborgen omklede en onafhankelijke behandeling van geschillen tussen zorgaanbieders en cliënten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – accommodatie: een door een zorgaanbieder voor het leveren van zorg bestemde ruimte; – alternatieve-zorgaanbieder: een solistisch werkende, niet-geregistreerde zorgverlener die andere zorg levert, dan wel een instelling die uitsluitend door niet-geregistreerde zorgverleners andere zorg doet verlenen; – andere zorg: handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, niet zijnde AWBZ-zorg of Zvw-zorg, alsmede handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt; – AWBZ-zorg: zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

kst-32402-E ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

1


80 – calamiteit: een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van een cliënt of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid; – cliënt: een natuurlijke persoon die zorg vraagt of aan wie zorg wordt verleend; – dossier: de schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van zorg aan een cliёnt; – geweld in de zorgrelatie: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede geweld jegens een cliënt, door iemand die in dienst of in opdracht van een instelling of opdrachtnemer van een instelling werkzaam is, dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een instelling verblijft; – huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning; – huiselijke kring: de familie of (ex-)partner of mantelzorger van slachtoffers van huiselijk geweld dan wel kindermishandeling; – instelling: een rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent, een organisatorisch verband van natuurlijke personen die bedrijfsmatig zorg verlenen of doen verlenen, alsmede een natuurlijke persoon die bedrijfsmatig zorg doet verlenen; – kindermishandeling: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg; – klager: de persoon die een klacht heeft ingediend; – melding: een schriftelijk of elektronisch bericht over: 1°. het functioneren van de zorg of de kwaliteitsborging van een aanbieder; 2°. het professioneel functioneren van een zorgverlener; 3°. een product of apparaat dat toepassing vindt in de zorg, of het handelen van het bij dat product of apparaat betrokken bedrijf; – nabestaande: a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de geregistreerde partner van de overledene; b. andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was; c. degene die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet; d. degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding; e. bloedverwanten van de overledene in de eerste graad en in de tweede graad in de zijlijn; – niet-geregistreerde zorgverlener: een zorgverlener die niet staat ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, noch een beroep uitoefent waarvan de opleiding krachtens artikel 34, eerste lid, van die wet is geregeld of aangewezen; – Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; – professionele standaard: richtlijnen, modules, normen, zorgstandaarden dan wel organisatiebeschrijvingen die betrekking hebben op het gehele zorgproces of een deel van een specifiek zorgproces en die vastleggen wat noodzakelijk is om vanuit het perspectief van de cliënt goede zorg te verlenen; – solistisch werkende zorgverlener: een zorgverlener die, anders dan in dienst of onmiddellijk of middellijk in opdracht van een instelling beroepsmatig zorg verleent;

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

2


81 – vertegenwoordiger: de persoon of personen die een zorgaanbieder op grond van enige wettelijke bepaling in plaats van of naast de cliënt moet betrekken bij de nakoming van verplichtingen jegens de cliënt; – zorg: AWBZ-zorg, Zvw-zorg en andere zorg; – zorgaanbieder: een instelling dan wel een solistisch werkende zorgverlener; – zorgverlener: een natuurlijke persoon die beroepsmatig zorg verleent. – Zvw-zorg: zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet. 2. Als zorg in de zin van deze wet worden aangemerkt de volgende vormen van hulp: a. hulp voor de kosten waarvan een subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 44 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 68 van de Zorgverzekeringswet; b. maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, openbare geestelijke gezondheidszorg, verslavingsbeleid en huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet niet van toepassing is ten aanzien van doventolkzorg, farmaceutische zorg, hulpmiddelenzorg, verstrekking van verpleegartikelen en vervoer als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. 4. Op zorg voor zover deze betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een cliënt, verricht in opdracht van een ander dan die cliënt in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden, is hoofdstuk 3 niet van toepassing. 5. Een instelling die binnen het kader van de binnen een andere instelling verleende zorg een deel van die zorg verleent, wordt niet aangemerkt als instelling in de zin van deze wet. 6. Indien een instelling wordt gevormd door een organisatorisch verband van natuurlijke personen, richten de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen zich tot ieder van die personen. 7. Een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet of artikel 1 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is voor de toepassing van deze wet slechts zorgaanbieder voor zover hij zorg doet verlenen door zorgverleners die bij hem in dienst zijn. HOOFDSTUK 2. GOEDE ZORG Artikel 2 1. De zorgaanbieder biedt goede zorg aan. 2. Onder goede zorg wordt verstaan zorg van goede kwaliteit en van goed niveau: a. die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt, b. waarbij zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard, waaronder de overeenkomstig artikel 66b van de Zorgverzekeringswet in het openbaar register opgenomen voor hen geldende professionele standaard, en c. waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

3


82 3. In afwijking van het eerste lid verleent een alternatieve-zorgaanbieder slechts zorg die buiten noodzaak niet leidt tot schade of een aanmerkelijke kans op schade voor de gezondheid van de cliënt, waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld. Artikel 3 De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, bedient zich zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personele en materiële middelen en, voor zover nodig, bouwkundige voorzieningen en, indien hij een zorgaanbieder is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, 1°, draagt tevens zorg voor een zodanige toedeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden alsmede afstemmings- en verantwoordingsplichten, dat een en ander redelijkerwijs moet leiden tot het verlenen van goede zorg. Artikel 4 1. Indien de zorgaanbieder een instelling is: a. vergewist hij zich ervan dat de wijze waarop zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten, in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg; b. doet hij slechts zorg verlenen door zorgverleners of opdrachtnemers met wie hij, tenzij sprake is van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking, een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten die waarborgt dat zij zich bij hun werkzaamheden laten leiden door de op de zorgaanbieder rustende wettelijke verplichtingen en de regels die de zorgaanbieder heeft vastgesteld omtrent de zorgverlening. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de situaties waarin een zorgaanbieder die een instelling is, in het bezit moet zijn van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor de zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten en voor andere personen dan zorgverleners die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen en over de eisen die aan die verklaring kunnen worden gesteld. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de situaties waarin een zorgaanbieder die een solistisch werkende zorgverlener is, in het bezit moet zijn van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 4. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, treedt niet in de verantwoordelijkheid van de zorgverlener die voortvloeit uit de voor deze geldende professionele standaard. Artikel 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de bij de maatregel aangewezen categorieën van zorgaanbieders: a. regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik en periodieke kwaliteits- en veiligheidscontroles van bij of krachtens die maatregel aan te wijzen apparatuur die bij de zorgverlening wordt gebruikt, alsmede b. indien het kwaliteitsniveau van de zorg dit vereist, de bij de artikelen 2, eerste lid, en 3 gestelde regels nader worden omschreven.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

4


83 Artikel 6 De zorgaanbieder die zorg verleent welke verblijf van de cliënt in een accommodatie gedurende het etmaal met zich brengt, draagt er zorg voor dat: a. geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliënt; b. voor zover het gaat om zorg als omschreven bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, bij het opstellen van een huisvestingsplan voor de lange termijn, een ingrijpende verbouwing, nieuwbouw of verhuizing van een accommodatie, onderzoek wordt gedaan naar de leefwensen van de betrokken cliënten. Artikel 7 1. De zorgaanbieder draagt zorg voor systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg. 2. De verplichting van het eerste lid houdt, de aard en omvang van de zorgverlening in aanmerking genomen, in: a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de zorg op zodanige wijze dat de gegevens voor eenieder vergelijkbaar zijn met gegevens van andere zorgaanbieders van dezelfde categorie; b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a, op systematische wijze toetsen of de wijze van uitvoering van artikel 3 leidt tot goede zorg; c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld in onderdeel b, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 3 wordt uitgevoerd. Artikel 8 1. De zorgaanbieder stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 2. De zorgaanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. Artikel 9 1. Voor zover dit noodzakelijk is voor de goede werking van de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg, worden in een register als bedoeld in artikel 7, tweede lid, zonder toestemming van de betrokkene, persoonsgegevens verwerkt betreffende intern gemelde incidenten, waaronder gegevens betreffende de gezondheid. 2. De zorgaanbieder stelt schriftelijk een interne procedure vast, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met signalen van incidenten. De zorgaanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de procedure. 3. De in het tweede lid bedoelde procedure is zodanig dat zij er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk bescherming kan worden geboden of maatregelen kunnen worden genomen, en waarborgt dat van persoonsgegevens geen kennis kan worden genomen door anderen dan de functionaris of functionarissen die met de behandeling van signalen van incidenten zijn belast. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen de procedure in ieder geval bestaat.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

5


84 5. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, kan, zonder toestemming van de cliënt, overeenkomstig de vastgestelde procedure aan de daartoe aangewezen functionaris de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, verstrekken die noodzakelijk zijn te achten om een incident te onderzoeken. 6. Gegevens in het register, bedoeld in artikel 7, tweede lid, betreffende intern gemelde incidenten, behoudens die met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie, kunnen niet in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt, noch kan een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel daarop worden gebaseerd. In afwijking van de eerste volzin kunnen de gegevens voor het strafrechtelijk bewijs worden gebruikt indien zij redelijkerwijs niet op een andere manier kunnen worden verkregen. 7. De gegevens in het register, bedoeld in artikel 7, tweede lid, betreffende intern gemelde incidenten, zijn niet openbaar. 8. De zorgaanbieder die zorg draagt voor een register als bedoeld in artikel 7, tweede lid, is de verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor dat register. Artikel 10 1. De zorgaanbieder verstrekt de cliёnt, teneinde hem in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken tussen verschillende zorgaanbieders, op diens verzoek informatie over de door zorgaanbieder aangeboden zorg, waaronder begrepen de tarieven en de kwaliteit, alsmede over de ervaringen van cliënten met die zorg. 2. De zorgaanbieder informeert de cliënt voorts over het al dan niet bestaan van een wetenschappelijk bewezen werkzaamheid van die zorg alsmede over de wachttijd. 3. De zorgaanbieder doet aan een cliёnt, alsmede een vertegenwoordiger van de cliënt dan wel een nabestaande van de overleden cliënt, onverwijld mededeling van de aard en toedracht van incidenten bij de zorgverlening aan de cliёnt die voor de cliёnt merkbare gevolgen hebben of kunnen hebben en maakt van de aard en toedracht van incidenten aantekening in het dossier van de cliënt. Tevens wordt aantekening gemaakt van het tijdstip waarop het incident heeft plaatsgevonden en de namen van de betrokkenen bij het incident. Daarbij licht de zorgaanbieder de cliënt tevens in over de mogelijkheden om de gevolgen van het incident weg te nemen of te beperken. 4. Op verzoek van de cliënt informeert de zorgaanbieder de cliënt over de rechten die uit deze wet voor hem voortvloeien. Artikel 11 1. De zorgaanbieder doet bij het Staatstoezicht op de volksgezondheid onverwijld melding van: a. iedere calamiteit die bij de zorgverlening heeft plaatsgevonden; b. geweld in de zorgrelatie; c. de opzegging, ontbinding of niet-voortzetting van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, met een zorgverlener op grond van zijn oordeel dat de zorgverlener ernstig is tekort geschoten in zijn functioneren. 2. De zorgaanbieder en de zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de ingevolge deze wet met toezicht belaste

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

6


85 ambtenaar de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn. Artikel 12 1. Onze Minister houdt een openbaar register in stand, waarin hij van alle zorgaanbieders de volgende gegevens opneemt: a. de naam of een andere aanduiding; b. de rechtsvorm; c. het Handelsregisternummer; d. het adres van vestiging; e. het adres of de adressen waarop of van waaruit de zorg wordt verleend; f. de vormen van zorg die worden verleend. 2. Onze Minister draagt zorg dat het register, de op grond van artikel 38 van de Wet marktordening gezondheidszorg openbaar gemaakte informatie, het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de gegevens, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Wet toelating zorginstellingen en de informatie over de kwaliteit van de verleende zorg, bedoeld in artikel 66d van de Zorgverzekeringswet, in onderling verband zijn in te zien. HOOFDSTUK 3. EFFECTIEVE EN LAAGDREMPELIGE KLACHTENEN GESCHILLENBEHANDELING § 1. Klachten Artikel 13 1. De zorgaanbieder treft, rekening houdende met de aard van de zorg en de categorie van cliënten waaraan zorg wordt verleend, schriftelijk een regeling voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten, die voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2. De zorgaanbieder stelt de regeling vast in overeenstemming met een representatief te achten organisatie van cliënten. 3. Het tweede lid is niet van toepassing voor zover de regeling betrekking heeft op een instelling en de zorgaanbieder met betrekking tot de regeling voor die instelling op grond van enige wettelijke bepaling het advies of de instemming van een cliёntenraad moet verkrijgen. 4. De zorgaanbieder brengt de regeling, alsmede een wijziging daarvan, op een daarvoor geschikte wijze onder de aandacht van de cliënten en vertegenwoordigers van cliёnten. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld waaraan de regeling als bedoeld in het eerste lid in ieder geval moet voldoen Artikel 14 1. Over een gedraging jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening kan schriftelijk een klacht worden ingediend door de cliënt, een nabestaande van de overleden cliënt dan wel een vertegenwoordiger van de cliënt. 2. Voorts kan over de weigering van de zorgaanbieder om een persoon in het kader van de zorgverlening als vertegenwoordiger van een cliёnt te beschouwen, door die persoon schriftelijk een klacht worden ingediend.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

7


86 Artikel 15 1. De zorgaanbieder wijst een of meer daartoe geschikt te achten personen aan die een klager op diens verzoek gratis van advies dienen met betrekking tot de indiening van een klacht en bijstaan bij het formuleren van de klacht en het onderzoeken van de mogelijkheden om tot een oplossing voor de klacht te komen. 2. De zorgaanbieder waarborgt dat een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid, indien deze in dienst is van de zorgaanbieder, zijn functie onafhankelijk kan uitvoeren en benadeelt hem niet wegens de wijze waarop hij zijn functie uitoefent. Artikel 16 1. Een klacht wordt zorgvuldig onderzocht. 2. De behandeling van een klacht is gericht op het bereiken van een voor de klager en de zorgaanbieder bevredigende oplossing. 3. De klager wordt op de hoogte gehouden van de voortgang van de behandeling van de klacht. Artikel 17 1. De klager ontvangt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na indiening van de klacht, een schriftelijke mededeling van de zorgaanbieder waarin met redenen omkleed is aangegeven tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid, welke beslissingen de zorgaanbieder over en naar aanleiding van de klacht heeft genomen en binnen welke termijn maatregelen waartoe is besloten, zullen zijn gerealiseerd. 2. Indien het vereiste zorgvuldige onderzoek van een klacht daartoe naar het oordeel van de zorgaanbieder noodzaakt, kan de zorgaanbieder de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. De zorgaanbieder doet daarvan voor het verstrijken van de termijn schriftelijk mededeling aan de klager. § 2. Geschillen Artikel 18 1. De zorgaanbieder is aangesloten bij een geschilleninstantie, die voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf. 2. Een geschilleninstantie is erkend door Onze Minister. 3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de erkenning van een geschilleninstantie als bedoeld in het tweede lid. 4. Bij regeling van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister, worden nadere regels gesteld aan de geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten teneinde de deskundigheid inzake de militaire gezondheidszorg te waarborgen. 5. De zorgaanbieder brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschilleninstantie voor te leggen alsmede een wijziging daarin, op daarvoor geschikte wijze onder de aandacht van de cliënten en vertegenwoordigers van cliёnten. Artikel 19 1. De geschilleninstantie heeft tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

8


87 2. De geschilleninstantie is ingesteld door een of meer representatief te achten cliëntenorganisaties en door een of meer representatief te achten organisaties van zorgaanbieders. 3. De geschilleninstantie oefent haar werkzaamheden uit op basis van een schriftelijke regeling, die waarborgt dat wordt voldaan aan het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 20 De geschilleninstantie is bevoegd over een geschil een uitspraak te doen bij wege van bindend advies, alsmede een vergoeding van geleden schade toe te kennen tot in ieder geval € 25.000,–. Artikel 21 1. Een geschil met een zorgaanbieder kan schriftelijk ter beslechting aan de geschilleninstantie worden voorgelegd door een cliënt, een nabestaande van een overleden cliënt dan wel een vertegenwoordiger van de cliënt, indien: a. is gehandeld in strijd met §1; b. de mededeling, bedoeld in 17, eerste lid, diens klacht naar zijn oordeel in onvoldoende mate wegneemt; c. van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht over een hem betreffende gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening bij de zorgaanbieder indient. 2. Een geschil kan voorts schriftelijk ter beslechting aan de geschilleninstantie worden voorgelegd door een persoon die door de zorgaanbieder ten onrechte niet als vertegenwoordiger is beschouwd, indien de mededeling, bedoeld in artikel 17, eerste lid, diens klacht naar zijn oordeel in onvoldoende mate wegneemt. 3. Voorts kan een geschil schriftelijk ter beslechting aan de geschilleninstantie worden voorgelegd door een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, mits een belang in het geding is dat de stichting of vereniging volgens haar statuten behartigt. Artikel 22 1. De geschilleninstantie doet uiterlijk binnen zes maanden na de voorlegging van het geschil uitspraak. 2. In gevallen waarin dat, gelet op de aard van het geschil en de daarbij betrokken belangen, aangewezen is te achten, doet de geschilleninstantie in afwijking van het eerste lid op korte termijn een uitspraak. 3. De geschilleninstantie maakt de uitspraken over de aan haar voorgelegde geschillen openbaar in zodanige vorm dat deze niet tot personen herleidbaar zijn, behoudens voor zover het de zorgaanbieder betreft. § 3. Geheimhouding Artikel 23 Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit hoofdstuk en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

9


88 HOOFDSTUK 4. TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 24 1. De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn belast met het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens de artikelen 2 tot en met 11 en 13 tot en met 23, dan wel in een aanwijzing of bevel als bedoeld in artikel 27 of artikel 28 is bepaald. Zij rapporteren daaromtrent aan Onze Minister. 2. Het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3 is mede gericht op het bevorderen van het gebruik van standaarden door zorgaanbieders en zorgverleners. 3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover de woning deel uitmaakt van een bouwkundige voorziening voor het verlenen van zorg. 4. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van de dossiers van cliënten. Voor zover de betrokken zorgverlener uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaar. 5. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd het niet naleven door een zorgaanbieder van een verplichting die voor hem uit het bepaalde bij of krachtens deze wet voortvloeit, buiten behandeling te laten, tenzij sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, of het belang van goede zorg anderszins daaraan redelijkerwijs in de weg staat. Artikel 25 1. De in artikel 24 bedoelde ambtenaren onderzoeken meldingen van aanbieders en zorgverleners als bedoeld in artikel 11 en andere meldingen, teneinde vast te stellen of sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, of met het oog op het belang van een goede zorg anderszins noodzaakt tot nader onderzoek. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: a. de wijze waarop een melding wordt gedaan en de gegevens, die de melding ten minste bevat; b. de wijze waarop een melding wordt onderzocht, en de termijnen waarbinnen aan de melder en andere betrokkenen schriftelijk wordt medegedeeld dat de melding nader wordt onderzocht dan wel niet nader wordt onderzocht dan wel wat de uitkomst van het onderzoek is; c. de wijze waarop het Staatstoezicht op de volksgezondheid de zorgaanbieder op zijn verzoek informeert of is vastgesteld dat er sprake is van een situatie, bedoeld in eerste lid; d. de gevallen waarin nader onderzoek van een melding achterwege blijft; e. de wijze waarop het onderzoek, buiten de gevallen, bedoeld onder d, wordt afgesloten en daarover informatie wordt verstrekt aan de melder en andere betrokkenen. 3. Voor zover bij het onderzoeken van een melding gegevens van een cliënt ter beschikking van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn gekomen, ter zake waarvan de betrokken zorgverlener uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de ambtenaren van het Staatstoezicht jegens anderen dan de cliënt.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

10


89 4. Indien het Staatstoezicht op de volksgezondheid vaststelt dat sprake is van een van de in het eerste lid bedoelde situaties, neemt hij passende maatregelen, het in kennis stellen van justitiĂŤle autoriteiten daaronder begrepen. Artikel 26 1. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid en de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, verstrekken elkaar desgevraagd de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen en gegevens, alsmede inzage van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de invulling van die taak redelijkerwijs nodig is. 2. Het Staatstoezicht verstrekt het College bescherming persoonsgegevens de gegevens en inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de uitoefening van diens wettelijke taken. Artikel 27 1. Indien Onze Minister van oordeel is dat het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 4, eerste lid, onderdelen a en b, en 5 tot en met 10 niet wordt nageleefd, kan hij, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, de zorgaanbieder een schriftelijke aanwijzing geven. 2. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 4, eerste lid, onderdelen a en b, en 5 tot en met 10 niet wordt nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 3. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de zorgaanbieder er aan moet voldoen. 4. Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. In voorkomend geval wordt daarvan onverwijld mededeling gedaan aan Onze Minister wie het mede aangaat. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door Onze Minister, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, kan worden verlengd. 5. De zorgaanbieder is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen. 6. De bevoegdheid tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet gemandateerd aan een ambtenaar van het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Artikel 28 1. Indien Onze Minister van oordeel is dat de organisatiestructuur van de zorgaanbieder in ernstige mate afbreuk doet aan het verlenen van goede zorg als bedoeld in artikel 2, kan hij de aanwijzing, bedoeld in artikel 27, eerste lid, in de vorm van een structurele maatregel aan de zorgaanbieder opleggen teneinde voortgaande inbreuk op de kwaliteit van de zorgverlening te voorkomen. 2. Onze Minister geeft een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid niet: a. dan nadat op diens verzoek over de bedrijfskundige gevolgen van de voorgenomen aanwijzing voor de desbetreffende zorgaanbieder een rapport als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg is uitgebracht door de in dat artikel bedoelde zorgautoriteit, en

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

11


90 b. indien het doel om voortgaande inbreuk op de kwaliteit van zorgverlening te voorkomen door middel van een even effectieve, voor de desbetreffende zorgaanbieder minder belastende maatregel kan worden bereikt. Artikel 29 1. Onze Minister is, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13 tot en met 23 dan wel een krachtens artikel 27 of artikel 28 gegeven aanwijzing of bevel. 2. Onze Minister is bevoegd een last onder dwangsom op te leggen aan de zorgaanbieder en de zorgverlener die geen gegevens verstrekt als bedoeld in artikel 11, tweede lid, of geen medewerking verleent aan de inzage van dossiers als bedoeld in artikel 24, vierde lid. Artikel 30 1. Onze Minister is, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33.500,– op te leggen ter zake van een handelen of nalaten in strijd met artikel 11, eerste lid, of het bepaalde bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid. 2. Degene die handelt of nalaat in strijd met artikel 11, eerste lid, of het bepaalde bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie. 3. Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. HOOFDSTUK 5. EVALUATIE Artikel 31 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. HOOFDSTUK 6. WIJZIGINGEN IN EN INTREKKING VAN ANDERE WETTEN EN OVERGANGSRECHT Artikel 32 1. De Kwaliteitswet zorginstellingen wordt ingetrokken. 2. Het Besluit kwaliteitseisen ziekenhuisbloedbanken en het Besluit zorgplanbespreking AWBZ-zorg berusten op artikel 5. Artikel 33 De Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg wordt als volgt de gewijzigd: A Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

12


91 c. zorgaanbieder: zorgaanbieder als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg;. B In artikel 16 wordt de zinsnede «artikel 8, eerste lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen» vervangen door: de ambtenaren, bedoeld in artikel 24 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel 34 De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste tot en met derde lid alsmede de aanduiding «4.» voor het vierde lid vervallen. 2. In de aanhef van de resterende tekst vervalt het woord «voorts». 3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c door een punt, vervalt onderdeel d. B In artikel 43, derde lid, vervalt de zinsnede «en wordt hij ter zake van deze verrichtingen voor de toepassing van artikel 96 met die personen gelijkgesteld». C In artikel 86, eerste lid, wordt «bij of krachtens artikel 40, eerste, derde en vierde lid, gestelde voorschriften» vervangen door: krachtens artikel 40 gestelde voorschriften. D De artikelen 87a en 100a vervallen. E Artikel 92, tweede lid, vervalt en het derde lid wordt vernummerd tot het tweede lid. F Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste en het tweede lid komen als volgt te luiden: 1. Degene die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat hij bij het verrichten van die handelingen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

13


92 2. Degene die bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 2. Het vierde lid vervalt. G In artikel 97 wordt de komma na «categorie» vervangen door een punt en vervalt de daarop volgende tekst. H Artikel 98, derde lid, vervalt. I Artikel 99, derde lid, vervalt. J In artikel 100 wordt de zinsnede «– artikel 40, vierde lid;» vervangen door: – artikel 40;. K Artikel 101 wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 101 wordt «artikel 40, vierde lid,» vervangen door: artikel 40. 2. De komma na «categorie» wordt vervangen door een punt en de daarop volgende tekst vervalt. L Artikel 102 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt «artikel 96, tweede lid» vervangen door: artikel 96, eerste lid. 2. Het tweede lid komt te luiden: 2. De in de artikelen 96, tweede lid, 97, 98, 99 en 101 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. M Artikel 103 komt te luiden: Artikel 103 1. Indien tijdens het plegen van een strafbaar feit, omschreven in artikel 97, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96 en 97, onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie worden opgelegd. 2. Indien tijdens het plegen van een strafbaar feit, omschreven in artikel 96, eerste lid, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

14


93 de artikelen 96 en 97, onherroepelijk is geworden, kan de gevangenisstraf met een derde worden verhoogd. 3. Indien tijdens het plegen van een strafbaar feit, omschreven in artikel 96, tweede lid, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96 en 97, onherroepelijk is geworden, kan hechtenis voor de duur van een jaar en vier maanden worden opgelegd. 4. Onder vroegere veroordeling als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan een vroegere veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in de artikelen 96 en 97. N In artikel 104, derde lid, vervalt de zinsnede «en worden voor de toepassing van artikel 96 gelijkgesteld met degenen die in het desbetreffende register ingeschreven staan». O In de artikelen 107, eerste lid, en 107a wordt de zinsnede «de artikelen 34, vierde lid, en 96» vervangen door: artikel 34, vierde lid,. Artikel 35 1. De Wet klachtrecht cliënten zorgsector wordt ingetrokken. 2. De Wet klachtrecht cliënten zorgsector blijft van toepassing met betrekking tot klachten, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van het eerste lid zijn ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 2 van die wet. 3. Binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de hierna genoemde bepalingen draagt de zorgaanbieder zorg voor: a. vaststelling van een regeling als bedoeld in artikel 13, eerste lid; b. aansluiting bij een geschilleninstantie als bedoeld in artikel 18, eerste lid. 4. Tot het tijdstip waarop een regeling als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van kracht is geworden, blijft een regeling, vastgesteld op grond van artikel 2 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector, van toepassing op de behandeling van klachten. 5. Een mededeling als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onderdeel van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector wordt voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, gelijkgesteld aan een mededeling als bedoeld in artikel 17, eerste lid. Artikel 36 De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd: A In Hoofdstuk 1, Afdeling 3, Paragraaf 2, worden na artikel 1.57a drie artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 1.57b 1. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau treft schriftelijk een regeling voor de behandeling van klachten over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens een

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

15


94 ouder of een kind in het kader van de kinderopvang. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de ouders. 2. De in het eerste lid bedoelde regeling: a. voorziet erin dat schriftelijk ingediende klachten van ouders worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de houder; b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft; c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen een in de regeling vastgelegde termijn na indiening van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de houder, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen; d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de houder, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen; e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd; f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan. 3. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau ziet erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement. 4. Door of namens een ouder kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, schriftelijk een klacht tegen de houder van een kindercentrum of een gastouderbureau worden ingediend over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens een ouder of een kind. 5. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, binnen een maand na ontvangst van het in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin genoemde termijn, doet de houder daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie, onder vermelding van de termijn waarbinnen de zorgaanbieder zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken. 6. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau draagt er zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld waarin worden aangegeven: a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid; b. de wijze waarop de houder die regeling onder de aandacht van zijn cliĂŤnten heeft gebracht; c. de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; d. in welke mate die klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in het tweede lid; e. het aantal en de aard van de door die klachtencommissie behandelde klachten; f. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van de klachtencommissie; g. de aard van de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

16


95 7. De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de toezichthouder, genoemd in artikel 1.61, eerste lid. 8. Klachten die naar het oordeel van de klachtencommissie ernstig van aard zijn worden door haar gemeld aan de toezichthouder, genoemd in artikel 1.61, eerste lid. Artikel 1.57c Indien een klacht zich richt op een ernstige situatie met een structureel karakter, stelt de klachtencommissie de houder daarvan in kennis. Indien de klachtencommissie niet is gebleken dat de houder ter zake maatregelen heeft getroffen, meldt de klachtencommissie deze klacht aan de toezichthouder, genoemd in artikel 1.61, eerste lid. Artikel 1.57d Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van artikel 1.57b en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. B Artikel 1.60a wordt als volgt gewijzigd: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst. 2. De laatste volzin van het eerste lid komt te vervallen. 3. Er wordt een tweede lid toegevoegd, luidende: 2. Artikel 1.57b, tweede tot en met achtste lid, en de artikelen 1.57c en 1.57d zijn van overeenkomstige toepassing. C In Hoofdstuk 2, Afdeling 2, Paragraaf 2, wordt na artikel 2.13 een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2.13a 1. De houder treft schriftelijk een regeling voor de behandeling van klachten over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens een ouder of een kind in het kader van het peuterspeelzaalwerk. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de ouders. 2. Artikel 1.57b, tweede tot en met achtste lid, en de artikelen 1.57c en 1.57d zijn van overeenkomstige toepassing. D In artikel 2.15 wordt «elk» vervangen door: elke.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

17


96 E Artikel 2.18 wordt als volgt gewijzigd: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1» geplaatst. 2. De laatste volzin van het eerste lid komt te vervallen. 3. Er wordt een tweede lid toegevoegd, luidende: 2. Artikel 1.57b, tweede tot en met achtste lid, en de artikelen 1.57c en 1.57d zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 37 De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 69, vijfde lid, vervalt. B Artikel 70, derde lid, vervalt. Artikel 38 In artikel 7 van de bij de Algemene wet bestuursrecht behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak wordt met inachtneming van de alfabetische volgorde ingevoegd: Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg: Hoofdstuk 4. Artikel 39 De Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Stb. 216) wordt ingetrokken. Artikel 40 Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, geldt gedurende een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel niet voor op dat tijdstip geldende overeenkomsten tussen een zorgaanbieder en de zorgverleners en opdrachtnemers die hij zorg doet verlenen, mits zij niet in strijd zijn met de strekking van genoemd artikelonderdeel. HOOFDSTUK 7. SAMENLOOPBEPALINGEN Artikel 41 Indien het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2009 ingediende voorstel van wet, houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) (31 996), tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, komt artikel 45, tweede lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten te luiden als volgt:

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

18


97 2. De cliënt of diens vertegenwoordiger kunnen, onverminderd hetgeen is geregeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, een klacht over een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, indienen bij de commissie, bedoeld in het eerste lid. Artikel 42 Indien het bij koninklijke boodschap van 30 juni 2009 ingediende voorstel van wet houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) (31 996) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 451, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek «degene die zorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Kwaliteitswet zorginstellingen of zorg aangewezen krachtens artikel 1, tweede lid, van die wet aanbiedt» vervangen door: de zorgaanbieder, bedoeld in artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel 43 Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (32 398) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, wordt de Wet forensische zorg als volgt gewijzigd: A Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel f komt te luiden: f. instelling: een door Onze Minister aangewezen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, die strekt tot de verlening van forensische zorg;. 2. Onderdeel o komt te luiden: o. zorgaanbieder: zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg die een instelling in stand houdt waarin forensische zorg wordt verleend;. B De artikelen 7.13, 7.13B, 7.13C en 7.13D vervallen. Artikel 44 Indien het bij koninklijke boodschap van 27 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de verplichting voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren (verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) (33 062) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, vervallen de artikelen XVII en XVIII van die wet.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

19


98 Artikel 45 Indien het bij koninklijke boodschap van 27 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de verplichting voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren (verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) (33 062) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, wordt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg als volgt gewijzigd: A Artikel 40a vervalt. B In artikel 86, eerste lid, vervalt: en artikel 40a. C In artikel 87a vervalt: of artikel 40a. Artikel 46 Indien het bij koninklijke boodschap van 27 oktober 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de verplichting voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren (verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) (33 062) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, vervalt artikel 15a van de Wet publieke gezondheid. Artikel 47 Indien het bij koninklijke boodschap van 5 december 2011 ingediende voorstel van wet houdende bepalingen ter versterking van de zeggenschap en bescherming tegen geweld in de zorgrelatie van cliënten in de AWBZ-zorg (Beginselenwet AWBZ-zorg) (33 109) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, wordt die wet als volgt gewijzigd: A Artikel 1 komt te luiden: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; – verblijf: verblijf als omschreven krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; – zorg: zorg als omschreven bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

20


99 – zorgplan: schriftelijk of elektronisch als zodanig vastgelegde uitkomsten van hetgeen met de cliënt dan wel een persoon als bedoeld in artikel 3 is besproken met betrekking tot de in artikel 2 genoemde onderwerpen. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder cliënt, zorgverlener, zorgaanbieder, melding, geweld in de zorgrelatie en dossier verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. B De aanduiding «§ 3. Bescherming tegen geweld in de zorgrelatie» en de artikelen 6, 7 en 8 vervallen. C Artikel 10, eerste lid, komt te luiden: 1. De in artikel 9 bedoelde ambtenaren zijn belast met het onderzoeken van meldingen als bedoeld in artikel 5 teneinde vast te stellen of: a. sprake is van een inbreuk op in artikel 2 genoemde rechten van een cliënt; b. een inbreuk op de in het zorgplan vastgelegde afspraken de fysieke of psychische gezondheid van de cliënt schaadt of kan schaden en zodanig ernstig is dat dit aanleiding geeft tot het nemen van maatregelen. D In artikel 11, eerste en tweede lid, wordt telkens de zinsnede «2, 3, 4, 6, eerste lid of 7» vervangen door: 2, 3 of 4. E In artikel 13, eerste lid, vervalt de zinsnede: geen gegevens verstrekt als bedoeld in artikel 8, tweede lid, of. F De artikelen 12 en 20 vervallen. Artikel 48 Indien het bij koninklijke boodschap van 9 mei 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (33 243) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, vervallen de artikelen I tot en met VI en XXXXI tot en met XXXXV van die wet. Artikel 49 Indien het bij koninklijke boodschap van 9 mei 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten in verband met het tijdig signaleren van risico’s voor de continuïteit van zorg alsmede in verband met het aanscherpen van procedures met het oog op de kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (33 253) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, vervallen artikel I, onderdeel A, en de artikelen II en VII van die wet.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

21


100 Artikel 50 Indien het bij koninklijke boodschap van 9 mei 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten in verband met het tijdig signaleren van risico’s voor de continuïteit van zorg alsmede in verband met het aanscherpen van procedures met het oog op de kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (33 253) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, komt in artikel 16, van de Wet marktordening gezondheidszorg onderdeel g te luiden als volgt: g. de taak, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel a, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel 51 Indien het bij koninklijke boodschap van 9 mei 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten in verband met het tijdig signaleren van risico’s voor de continuïteit van zorg alsmede in verband met het aanscherpen van procedures met het oog op de kwaliteit en bereikbaarheid van zorg (33 253) tot wet is of wordt verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet medezeggenschap cliёnten zorginstellingen «of fusie» vervangen door: of het aangaan van een concentratie als omschreven in de Mededingingswet. Artikel 52 Indien het bij koninklijke boodschap van 21 december 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg, de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens) (33 509) tot wet is verheven en eerder in werking is getreden dan deze wet, komt de aanhef van artikel 33 van deze wet te luiden: De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg wordt als volgt gewijzigd. HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN Artikel 53 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel 54 Deze wet wordt aangehaald als: Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

22


101 Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Minister van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

23


102 Transponeringstabel 32 402 Oud

Nieuw

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen 1 Hoofdstuk 2 Goede zorg 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 Hoofdstuk 3 Effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 Hoofdstuk 4 Toezicht en handhaving 24 25 26 27 28 29 30 Hoofdstuk 4a (amt. 44) Evaluatie 30a (amt. 44) Hoofdstuk 5 Wijzigingen in en intrekking van andere wetten en overgangsrecht 31 32 33 34 35 36 37 38 39 Hoofdstuk 5 Samenloopbepalingen 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen 1 Hoofdstuk 2 Goede zorg 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 Hoofdstuk 3 Effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 Hoofdstuk 4 Toezicht en handhaving 24 25 26 27 28 29 30 Hoofdstuk 5 Evaluatie 31 Hoofdstuk 6 Wijzigingen in en intrekking van andere wetten en overgangsrecht 32 33 34 35 36 37 38 39 40 Hoofdstuk 7 Samenloopbepalingen 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

24


103

Oud

Nieuw

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen 52 53

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen 53 54

Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 402, E

25


105 Bijlage 3 Brief Minister VWS (september 2013) inzake governance in zorgsector (goed bestuur en medezeggenschap), Kamerstukken II, 2013-2014, 32012, nr. 15

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2013–2014

32 012

Governance in de zorgsector

Nr. 15

BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 19 september 2013 De afgelopen jaren hebben zorgaanbieders meer vrijheid gekregen om hun eigen zorgorganisatie zodanig in te richten dat zij beter tegemoet kunnen komen aan de wensen van hun cliënten, maar ook de verantwoordelijkheid voor het dragen van de (financiële) gevolgen van die keuzes. Zorgaanbieders doen dit in een omgeving die, terecht, steeds hogere eisen stelt aan de kwaliteit van zorg en de doelmatigheid van de dienstverlening. Deze ontwikkeling vergt dat bestuurders en toezichthouders in de zorg hun taken uitvoeren op een professionele wijze, rekening houdend met hun cliënten, andere belanghebbenden en de publieke belangen die zij dienen. Bestuurders en toezichthouders in de zorg hebben in de afgelopen jaren een belangrijke professionaliseringsslag gemaakt. Bij verschillende incidenten is echter gebleken dat wanneer de interne bestuurs- en toezichtsstructuur van een zorgaanbieder tekortschiet, dit ook gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van de zorg en voor de continuïteit van de zorg. Daarnaast zijn integere bestuurders en toezichthouders van belang bij het voorkomen van onrechtmatigheden waaronder fraude. Gebleken is dat er situaties zijn waar bestuurders hun verantwoordelijkheid voor het leveren van kwalitatief goede zorg onvoldoende nemen, of waar toezichthouders gebrekkig op het bestuur toezien. Regelgeving kan bijdragen aan het voorkomen van deze problemen, maar om risico’s op problemen in de zorg te verkleinen is het allereerst van groot belang dat er een verdere professionalisering van de governance in de zorg plaatsvindt. Inzicht in en besef van de te onderscheiden rollen en verantwoordelijkheden van bestuurders en toezichthouders vereisen vakbekwaamheid in de uitoefening daarvan. Dat kan beperkt door regelgeving worden geborgd, maar zal vooral vanuit het structureel inbedden van aanspreekbaarheid, afrekenbaarheid en verantwoordelijkheid inhoud moeten krijgen. Dit vraagt rekenschap vooraf en transparantie naar de buitenwereld. Ook vraagt deze verantwoordelijkheid van

kst-32012-15 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2013

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

1


106 bestuurders en toezichthouders dat zij oog hebben voor risico’s en daar naar handelen. Bewustzijn van de toegevoegde waarde van de eigen zorginstelling is hier een vanzelfsprekend onderdeel van. Zoals ook in het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur (commissie Halsema)1 aangegeven, zal slechts inzetten op de beoogde verandering met alleen regelgeving onvoldoende tot het gewenste resultaat leiden. Wanneer gedetailleerde eisen worden gesteld aan de wijze waarop bestuurders en toezichthouders hun werk uitvoeren ligt het risico op de loer dat mensen onvoldoende eigen verantwoordelijkheid nemen voor hun handelen en slechts de regels als maatstaf voor hun gedrag gaan gebruiken. Het leveren van kwalitatief goede en doelmatige zorg moet voorop staan, waarbij zorgaanbieders relevante belanghebbenden betrekken bij belangrijke keuzes en daarover ook verantwoording afleggen. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede zorg voor een redelijke prijs en voor het daartoe goed inrichten van hun bestuursstructuur. De afgelopen jaren hebben wij prikkels aangebracht die ervoor zorgen dat zorgaanbieders een groter belang hebben om dat resultaat te bereiken. Zorgaanbieders die kwalitatief of financieel onder de maat presteren zullen minder worden ingekocht en kunnen daardoor in financiÍle problemen raken met eventueel een uiteindelijk faillissement tot gevolg. Ook verzekeraars, banken en overige financiers zullen zich vanuit hun verschillende rollen vergewissen van de checks and balances binnen een zorgaanbieder. Zij verliezen immers geld als een aanbieder failliet gaat, en houden vanuit deze rol de raden van bestuur en raden van toezicht in de gaten. Vanuit de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg is, als sluitstuk, overheidstoezicht op de publieke belangen nodig. Gezien het feit dat er situaties zijn waar bestuurders en toezichthouders hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen, willen wij zorgaanbieders verder prikkelen door de regels die wij stellen ten aanzien van goed bestuur en medezeggenschap. Momenteel zijn er slechts enkele wettelijke waarborgen op het gebied van goed bestuur in de zorg. Waar de afgelopen jaren is gebleken dat het wettelijke instrumentarium tekort schiet, willen wij dit aanscherpen. Wij beogen deze regels zoveel mogelijk in te richten als resultaatsnormen. We stellen met andere woorden eisen aan wat het resultaat is dat zij moeten bereiken, niet hoe zij dat moeten doen. Deze resultaatsnormen zullen wij opnemen in een wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg. Wij beogen dit wetsvoorstel komend voorjaar aan uw Kamer toe te zenden. Wij zullen hiervoor normen stellen om te borgen dat: 1) er voldoende waarborgen zijn voor het goed kunnen functioneren van raden van bestuur en raden van toezicht2, 2) medezeggenschapsorganen invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de zorgaanbieder, en 3) de interne governancestructuren van een zorgaanbieder reeds vanaf het begin dat een instelling zorg levert, zodanig ingericht te zijn dat bovengenoemde belangen geborgd worden. Het regeerakkoord vraagt aandacht voor een effectieve borging van publieke belangen welke moet samengaan met ruimte voor vernieuwing. Onderdeel hiervan is dat het kabinet voorstellen zal doen voor een betere ordening en governance zodat de belangrijke bijdragen die woningcorpo1

2

De kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur wordt betrokken bij de uitwerking van het wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg. Wanneer in deze brief over de raad van toezicht wordt gesproken wordt hiermee gedoeld op het interne toezichthoudend orgaan van de zorgaanbieder. Dit kan ook de raad van commissarissen zijn.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

2


107 raties, pensioenfondsen, zorginstellingen, scholen en spoorbedrijven aan de welvaart en het welzijn leveren, vergroot worden. Bij de uitwerking van het wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg wordt met deze voorstellen rekening gehouden. Het kabinet kijkt in dit verband tevens naar sectoroverstijgende lessen voor financieel beheer, verantwoording en toezicht voor instellingen die een publiek belang dienen 1) Waarborgen functioneren raden van bestuur en raden van toezicht De afgelopen jaren hebben we gezien dat verschillende zorgaanbieders grote kwaliteits- of financiële problemen kregen. Bij deze incidenten wordt logischerwijs gekeken naar het functioneren van de raad van bestuur en de raad van toezicht. Zij zijn immers verantwoordelijk voor het besturen van en toezicht houden op de zorgaanbieder. In verschillende Kamerdebatten is de gedachte naar voren gekomen dat deze incidenten niet op zichzelf staan en dat er een structurele verbetering nodig is van de raden van bestuur en raden van toezicht in de zorg. Kenmerken van de zorgsector In de zorg zijn veelal van oudsher privaat gefinancierde en privaat georganiseerde aanbieders actief, die werken binnen publieke randvoorwaarden. Er zijn enkele onderscheidende kenmerken ten opzichte van het regime voor ondernemingen die werken onder volledig private omstandigheden, zonder publieke randvoorwaarden. Deze kenmerken zijn: 1. Zorgaanbieders zijn private organisaties die een publiek belang dienen. Kwalitatief goede en betaalbare zorg moet voor elke Nederlander toegankelijk zijn. 2. In bepaalde situaties kunnen cliënten afhankelijk zijn van een bepaalde zorgaanbieder (bijvoorbeeld in het geval van beperkte keuzemogelijkheden). Hierdoor hebben zorgaanbieders niet altijd dezelfde prikkels om te luisteren naar hun cliënten op een zelfde manier als organisaties in een volledig competitieve omgeving. 3. De historisch gegroeide structuur van zorgaanbieders kent, anders dan bij andere ondernemingen het geval is, vaak geen eigenaar of aandeelhouders maar bestaan veelal uit stichtingen. 4. Patiënten en cliënten zijn niet altijd in staat de kwaliteit goed te beoordelen, terwijl de gevolgen van slechte kwaliteit zeer groot kunnen zijn. Deze kenmerken maken aanvullende eisen voor het governanceregime van zorgaanbieders wenselijk. Het huidige governanceregime voor zorgaanbieders bestaat allereerst uit de algemene regelgeving die onder andere in het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd. Dit betreft onder andere de aansprakelijkheid voor bestuurders en het totaal aantal commissariaten en bestuursfuncties dat iemand kan hebben. Ook zijn verschillende aanvullende maatregelen aangekondigd zoals een civielrechtelijk bestuursverbod na faillissement en een centraal aandeelhoudersregister waarmee overheidsdiensten de mogelijkheid krijgen eenvoudiger vast te stellen wie de aandeelhouders van een bedrijf zijn.3 Ook is er reeds zorgspecifieke regelgeving ten aanzien van de governance van zorgaanbieders waarin onder andere een onafhankelijke raad van toezicht verplicht wordt gesteld en dienen bestuurders en toezichthouders in de zorg zich te houden aan de Wet normering topinkomens. Verder wordt het governanceregime voor zorgaanbieders mede bepaald door veldnormen 3

Conform de toezegging aan het lid Bruins-Slot in het interpellatiedebat over het Slotervaartziekenhuis van 5 september jl. zal een beroep op ziekenhuizen worden gedaan om in die gevallen waar een ziekenhuis aandeelhouders heeft, hier openheid over te geven.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

3


108 zoals de zorgbrede governancecode. Het huidige governancesysteem biedt echter ruimte voor verbetering. Wettelijke resultaatsnorm voor goed bestuur Gezien de grote verscheidenheid van zorgaanbieders in Nederland is er geen «one-size-fits-all» model te maken waarbij precies wordt voorgeschreven hoe een raad van bestuur of raad van toezicht er uit moet zien en wat zij in welke situatie moeten doen. Factoren zoals de grootte van de instelling, het soort zorgaanbod en de samenstelling van de cliëntenpopulatie bepalen mede wat een aanbieder nodig heeft aan aansturings- en toezichtsmogelijkheden. Vanwege deze grote diversiteit tussen zorgaanbieders moet er in de uitwerking ruimte zijn voor maatwerk zodat zorgaanbieders hun eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het goed inrichten van een governancestructuur. Om de risico’s op problemen in de zorg te verminderen door de governance van zorgaanbieders te versterken en daarbij tegelijkertijd ruimte te bieden aan zorgaanbieders om de checks and balances binnen een zorgaanbieder effectiever in te kunnen richten, zullen wij de regelgeving op dit gebied aanpassen en beogen we een wettelijke resultaatsnorm te stellen: «De zorgaanbieder richt zijn bestuurs- en toezichtstructuur zodanig in dat hij in staat is tot het verlenen van goede en veilige zorg, daarover regelmatig verantwoording aflegt jegens belanghebbenden en het toezicht daarop naar behoren kan worden uitgeoefend.» Structureel inbedden aanspreekbaarheid, afrekenbaarheid en verantwoordelijkheid Om deze wettelijke resultaatsnorm tot een goede governance bij zorgaanbieders te laten leiden is het primair van belang dat er sectorbreed een verandering plaatsvindt naar een bestuurscultuur die zodanig is dat bestuurders en toezichthouders weten wat er in de instelling speelt en hierover transparant zijn naar de buitenwereld. De verantwoordelijkheid voor het goed inrichten van de bestuurs- en toezichtsstructuur blijft met de wettelijke resultaatsnorm bij de zorgaanbieder zelf liggen. De raad van bestuur is eindverantwoordelijk voor alles wat de zorgaanbieder doet en levert. De raad van toezicht controleert de raad van bestuur op wat het bestuur doet en toestaat en spreekt de raad van bestuur aan wanneer er zaken niet goed gaan. Het kan niet anders zijn dan dat de raad van bestuur en raad van toezicht jaarlijks onderling in gesprek gaan over hoe zij elkaars rollen en verantwoordelijkheden zien en welke gezamenlijke waarden zij nastreven. Dit model werkt niet anders dan dat binnen beide raden de verantwoordelijkheidsverdeling duidelijk is. Hierbij dient oog te zijn voor de deskundigheid en diversiteit van de verschillende leden en is het van belang dat de deskundigheid goed wordt onderhouden door bijscholing en regelmatig wordt getoetst door middel van assessments en (externe) visitaties. Naast de rol van de raad van bestuur en raad van toezicht is voor een goede governance bij zorgaanbieders ook een belangrijke rol weggelegd voor andere belanghebbenden zoals cliënten en zorgverleners. Aanspreekbaarheid en bereikbaarheid van bestuursleden en toezichthouders is essentieel zodat zij goed contact blijven houden met wat zich op de werkvloer afspeelt. Dit kan door met belanghebbenden zoals cliënten, de medische staf en andere werknemers in gesprek te gaan over elkaars rollen en verantwoordelijkheden. Wanneer tevens wordt ingezet op een open en transparante cultuur waarin collega’s elkaar aanspreken op hun professionele collegialiteit kunnen problemen beter worden

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

4


109 voorkomen en wanneer dergelijke problemen toch ontstaan kunnen deze eerder worden opgelost. Aanvullingen op de wettelijke resultaatsnorm Gezien het belang van een bestuursstructuur waarin bovenstaande checks and balances duidelijk zijn belegd zijn wij voornemens om de algemene resultaatsnorm in het wetsvoorstel op een aantal punten aan te vullen door de volgende aanvullende verplichtingen te stellen: – De raad van bestuur wijst één van zijn leden specifiek aan als verantwoordelijk voor de kwaliteit (en daarmee veiligheid) van de zorgverlening zodat er een duidelijk aanspreekpunt is bij een zorgaanbieder wanneer de kwaliteit niet op orde is. Dit vergemakkelijkt, conform de motie Gerbrands-Dille4, het aansprakelijk stellen van bestuurders die de kwaliteit van zorg niet op orde hebben. Dat laat onverlet dat de raad van bestuur een gezamenlijke verantwoordelijkheid heeft voor de kwaliteit van zorg. – De raad van bestuur betrekt de raad van toezicht bij besluiten die een grote impact op de zorgaanbieder hebben. Daar waar die besluiten ook grote gevolgen voor overige (interne en externe) belanghebbenden bij de zorgaanbieder hebben (zoals bijvoorbeeld bij fusies), worden deze ook betrokken. – Raden van bestuur en raden van toezicht zorgen ervoor dat zij zich over hun keuzes en besluiten in ieder geval jaarlijks en openbaar verantwoorden richting relevante belanghebbenden. Dit betreft bijvoorbeeld het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording. – De raad van toezicht is verantwoordelijk voor het aanstellen, schorsen en ontslaan van de leden van de raad van bestuur tenzij deze bevoegdheid bij de Algemene Vergadering berust. – Alle leden van een raad van bestuur moeten een Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG) overhandigen voordat zij tot de raad van bestuur kunnen toetreden. De raad van toezicht5 heeft een vergewisplicht6 ten aanzien van de kwaliteit van de aan te stellen leden van de raad van bestuur en raad van toezicht. – De raad van toezicht ziet erop toe dat het bestuur haar verantwoordelijkheid voor kwaliteit van zorg en voor een ordelijke en controleerbare administratie, waar maakt. – De raad van toezicht verzekert zich ervan dat het bestuur voldoende zicht heeft op de financiële risico’s en hier adequaat naar handelt.7 Dit met het behoud van de eigen verantwoordelijkheid van de raad van bestuur. – De raad van toezicht kan aansprakelijk worden gesteld op basis van artikel 2:9 uit het Burgerlijk Wetboek. Bij taakverwaarlozing kunnen toezichthouders worden ontslagen door middel van een verzoek dat een vertegenwoordiging van cliënten van een zorgaanbieder hiertoe indient bij de Ondernemingskamer. De statuten mogen geen beperking van dit recht opnemen. – De raad van toezicht is op een zodanige wijze (divers) samengesteld dat zij haar taken in het toezicht op de kwaliteit en de financiële situatie van zorgaanbieder goed en onafhankelijk van het bestuur en welk ander (deel)belang dan ook kan uitvoeren. De raad van toezicht zorgt ervoor dat zij zodanig geïnformeerd is dat zij haar taak goed kan 4 5 6

7

Motie Gerbrands, Kamerstuk 31 016, nr. 27. Tenzij deze bevoegdheid bij de Algemene Vergadering berust. Kort gezegd komt deze vergewisplicht erop neer dat de raad van toezicht, danwel de Algemene Vergadering, moet nagaan of de beoogd bestuurder of toezichthouder geschikt is om de beoogde functie uit te oefenen. Hiervoor geldt ook dat de raad van toezicht zich ervan verzekert dat de raad van bestuur zich houdt aan de nader te stellen regels omtrent het gebruik van risicovolle vormen van rentederivaten (zie ook Kamerstuk 33 489, nrs. 3 en 9).

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

5


110 uitvoeren. De raad van bestuur draagt er zorg voor dat de raad van toezicht geen belemmeringen heeft in haar informatievergaring. Waarborgen governance in veldnormen Voor het verder inrichten van de governancestructuur kunnen zorgaanbieders aansluiten bij veldnormen, zoals de zorgbrede governancecode of bij best practices uit de toolkit toezicht zorg van de Nederlandse Vereniging voor Toezichthouders in de Zorg (NVTZ). Ook heeft de Vereniging van bestuurders in de zorg (NVZD) recent een accreditatietraject voor bestuurders opgestart en vindt er momenteel overleg plaats over een systeem voor permanente educatie van toezichthouders. Het stemt ons positief dat de veldpartijen hun verantwoordelijkheid voor de governance voortvarend oppakken. Aangezien normen uit de zorgbrede governancecode door het veld zelf zijn ontwikkeld hebben ze een groot draagvlak. De veldnormen kennen een «pas toe of leg uit»-beginsel. De meeste zorgaanbieders passen de zorgbrede governancecode volledig toe. Voor belanghebbenden die van mening zijn dat zij op enige wijze nadeel hebben ondervonden door de manier waarop een zorgaanbieder de zorgbrede governancecode (niet) toepast, is het mogelijk om een toetsingsverzoek bij de Governancecommissie Gezondheidszorg in te dienen. De uitspraken van de Governancecommissie worden openbaar gemaakt zodat er van deze uitspraken een lerende werking uit kan gaan. De zorgbrede governancecode heeft anders dan wetgeving de mogelijkheid tot snelle aanpassing aan nieuwe inzichten en ontwikkelingen en kent flexibiliteit (pas toe of leg uit). Toezicht De Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) ziet (risicogebaseerd) toe op de invulling van de hierboven geïntroduceerde resultaatsnorm en de aanvullende verplichtingen en grijpt in wanneer niet aan de verplichtingen wordt voldaan of wanneer de kwaliteit niet verantwoord is.8 , 9 De IGZ maakt bij haar toezicht tevens gebruik van veldnormen zoals de zorgbrede governancecode. Wanneer niet aan de verplichtingen wordt voldaan, of de kwaliteit niet op orde is, spreekt de IGZ de bestuurders hierop aan en kan de IGZ de Minister adviseren om een aanwijzing te geven, bestuursdwang toe te passen of een boete op te leggen die er toe strekt dat de zorgaanbieder verplicht wordt de kwaliteit weer op orde te krijgen. De IGZ krijgt de aanvullende mogelijkheid om ook op te treden, nadat een overtreding van de wet is beëindigd. Dit om te voorkomen dat een zorgaanbieder herhaaldelijk de wet kan overtreden, zonder dat de IGZ hiertegen stappen kan ondernemen. Om deze grotere rol op het gebied van governance in te vullen zal de IGZ haar kennis op dit vlak vergroten. Ook kan de IGZ ervoor kiezen om haar inspectieteam te versterken met externe expertise op het gebied van governance. Zoals in de brief over de implementatie van het verbetertraject van de IGZ op 3 juli jl.10 aan uw Kamer gemeld, zal de IGZ scherper toezien en sneller handhavend optreden. Ook op het gebied van goed bestuur.

8

Zie voor meer informatie over het verbetertraject van de IGZ naar «scherper toezien op veilige zorg» de kabinetsreactie op de onderzoeksrapporten naar de IGZ (Kamerstuk 33 149, nr. 17) en de Kamerbrief implementatie verbetertraject IGZ (Kamerstuk 33 149, nr. 21). Dit met uitzondering van het toezicht op het voeren van een ordelijke en controleerbare administratie. Dit toezicht wordt door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) uitgeoefend. 10 Kamerbrief implementatie verbetertraject IGZ (Kamerstuk 33 149, nr. 21). 9

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

6


111 Reactie eerdere voorstellen goed bestuur Anders dan voorgesteld door mevrouw Gerbrands11, zijn wij niet voornemens om een bestuurderstoets voor de zorg te introduceren. De introductie van de VOG voor bestuurders en de vergewisplicht voor toezichthouders, het bestaande strafrechtelijk bestuursverbod en het voorstel voor een civielrechtelijk bestuursverbod gecombineerd met de initiatieven die het veld zelf neemt voor accreditatie van bestuurders in de zorg en het professionaliseren van het intern toezicht, zorgen er naar onze mening voor dat er voldoende mogelijkheden zijn om (potentieel) disfunctionerende bestuurders en toezichthouders te weren. Wat ons betreft zijn deze instrumenten afdoende. Aanvullende instrumenten, zoals een bestuurderstoets, achten wij voor de zorg dan ook niet wenselijk. Zoals op 2 juli jl. met uw Kamer besproken tijdens de wetsbehandeling van het wetsvoorstel kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz), wordt u nog voor de begrotingsbehandeling separaat geïnformeerd over de voor- en nadelen van het creëren van de mogelijkheid voor de IGZ om een zorgaanbieder onder bestuurlijk toezicht12 te stellen. Hierbij zullen ook ervaringen met vergelijkbare instrumenten uit andere semipublieke sectoren worden betrokken. Verder is op 5 september jl. met uw Kamer gesproken over de mogelijkheden om bestuurders sancties op te leggen in geval van onterechte betalingen door cliënten. Zoals ook in het debat aangegeven is het niet toegestaan dat cliënten moeten betalen voor zaken die in het verzekerd pakket zitten. Het staat bij ons voorop dat cliënten hun geld terug moeten krijgen bij onterechte betalingen en dat de instellingen in voorkomende gevallen hun beleid moeten bijstellen. Het handelen van de NZa is hier ook op gericht. De NZa wijst de zorgaanbieder die een overtreding heeft begaan op de verplichting om terug te betalen. Soms leidt dat tot een aanwijzing. De NZa heeft dit de afgelopen periode in meerdere gevallen gedaan. De namen van de betrokken partijen zijn hierbij openbaar gemaakt. Daarnaast kunnen cliënten die onterecht hebben betaald, hun geld terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling. Verder kunnen cliënten bij inwerkingtreding van de Wkkgz op een laagdrempelige wijze schadevergoeding krijgen via de verplichte geschilleninstantie. Ook bestaat reeds de mogelijkheid om een bestuurder, wanneer deze door zijn of haar handelen schade veroorzaakt, hiervoor aansprakelijk te stellen op grond van onrechtmatige daad. In lijn met de motie Agema-Venrooij raakt de huidige aanpak van de NZa de bestuurders en niet de bewoners. Op verzoek van het lid Agema zal in een brief nog nader worden uiteengezet wat de (on)mogelijkheden zijn om bestuurders aan te spreken. Tot slot zijn wij naar aanleiding van het verzoek van mevrouw Bouwmeester13 nagegaan of het toezicht door de IGZ kan worden versterkt door middel van een voorstel van hoogleraar Klein14. De heer Klein stelt voor dat het bestuur van een zorgaanbieder na een calamiteit op de kortst mogelijk termijn moet aantonen dat de veiligheid geborgd is. Wanneer het bestuur een calamiteit te laat meldt, te lang doet over de 11 12

13

14

Motie Gerbrands, Kamerstuk 31 016, nr. 30. Toezegging tijdens de voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) op 2 juli 2013 (Kamerstuk 32 402). Toezegging tijdens het debat op 7 maart jl. naar aanleiding van het AO IGZ op 28 februari jl. (Kamerstuk 33 149, nr. 8). Voorstel van hoogleraar Klein van het iBMG (Rotterdam) in een uitzending van Argos, 3 maart 2012, http://weblogs.vpro.nl/argos/2012/03/02/3-maart-2012-inspectie-gezondheidszorg-in-deknel-een-debat.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

7


112 analyse of geen adequate maatregelen neemt, is het voorstel dat de IGZ een aanwijzing kan geven opdat de desbetreffende zorg wordt gestaakt. Wij vinden het, net als de heer Klein, van groot belang dat op de kortst mogelijke termijn wordt aangetoond dat de veiligheid geborgd is. Zoals ook in de kabinetsreactie op de IGZ-onderzoeksrapporten aangegeven vinden wij het belangrijk dat wanneer sprake is van een calamiteit, de IGZ de zorgaanbieder eerst de mogelijkheid biedt om zelf onderzoek te doen en zelf te besluiten hoe zij de risico’s gaat verminderen. De IGZ ziet toe op het verbeterproces. In geval het bestuur onvoldoende aantoont geleerd te hebben van een calamiteit handhaaft de IGZ waar nodig (dat kan dus ook het moeten staken van de zorg betekenen). We delen eveneens de mening dat het belangrijk is dat de IGZ ingrijpt wanneer een zorgaanbieder niet die gegevens aan de IGZ verstrekt die nodig zijn voor het onderzoeken van een calamiteit. Derhalve is in de Wkkgz voorgesteld om de IGZ de mogelijkheid te geven om in dergelijke gevallen een last onder dwangsom op te leggen. 2) Medezeggenschap op maat Het goed, efficiënt en verantwoord leiden van een zorgaanbieder vereist onder andere het afleggen van verantwoording richting belanghebbenden. Dit zijn niet alleen verzekeraars, banken, werknemers, eigenaren of aandeelhouders. In de zorg is het bij uitstek van belang dat cliënten en hun vertegenwoordigers goed worden betrokken bij besluiten van een zorgaanbieder gezien de afhankelijke positie waarin zij zich kunnen bevinden. Die beslissingen kunnen directe gevolgen hebben voor het dagelijks leven en daarmee voor de zelfbeschikkingsmogelijkheden van cliënten. De bestuurs- en toezichtsstructuur moet leiden tot goede inspraakmogelijkheden van cliënten en tot vertaling van hun belangen in het beleid van de zorgaanbieder. De sectoroverstijgende lessen die het kabinet trekt naar aanleiding van het rapport van de Commissie Behoorlijk Bestuur zullen worden betrokken bij de uitwerking van de onderstaande voorstellen. Ruimte voor eigen invulling door zorgaanbieders Ook voor medezeggenschap geldt dat de eisen aan medezeggenschapsregelingen goed moeten aansluiten bij het soort zorgaanbieder die de zorg levert. Zo verblijven cliënten vaak kort in het ziekenhuis. De verwevenheid met het dagelijks leven is daardoor veelal minder in een ziekenhuis dan in een instelling waar mensen langdurig verblijven of zelfs wonen. Patiënten in een ziekenhuis hebben dan ook veelal een andere behoefte aan inbreng voor het beleid van de zorgaanbieder dan een cliënt die in een verpleeghuis verblijft. Wij willen de medezeggenschap daarom zo regelen dat zorgaanbieders en (de vertegenwoordigers van) cliënten de ruimte hebben om medezeggenschap zo in te richten dat het aansluit op de behoeften van beide partijen door een norm te stellen voor het resultaat dat behaald moet worden: «De zorgaanbieder richt zijn medezeggenschapsstructuur zodanig in dat gewaarborgd is dat cliënten vanuit hun gemeenschappelijk belang invloed kunnen uitoefenen op besluiten van de zorgaanbieder die voor hen van wezenlijk belang zijn.» Aanvullende verplichtingen Deze wettelijke resultaatsnorm vullen wij aan met verplichtingen om de medezeggenschapspositie van de cliënt verder te borgen:

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

8


113 – – –

Zorgaanbieders moeten er zorg voor dragen dat de noodzakelijke informatie om inspraak uit te oefenen voor cliënten tijdig en toegankelijk beschikbaar is om een adequate inspraak mogelijk te maken. Ook moet een zorgaanbieder voldoende (financiële) middelen beschikbaar stellen om de medezeggenschap te ondersteunen. Een vertegenwoordiging van cliënten van een zorgaanbieder moet ongeacht de rechtsvorm van de zorgaanbieder het recht van enquête hebben en de mogelijkheid om de Ondernemingskamer te verzoeken een lid van de raad van toezicht te ontslaan wegens taakverwaarlozing. De statuten mogen geen beperking van dit recht opnemen.

De resultaatsnorm kan door de zorgaanbieders zelf verder worden ingevuld. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van de modelregelingen van het LOC Zeggenschap in Zorg (LOC) en het Landelijk Steunpunt Medezeggenschap (LSR). Aanvullende verplichtingen, specifiek voor AWBZ-zorg Gezien de afhankelijke positie waar cliënten in de AWBZ-zorg zich vaak bevinden, willen we specifiek voor deze zorg aanvullende verplichtingen opleggen. In deze aanvullende verplichtingen zullen we vastleggen bij welke besluiten cliënten in ieder geval medezeggenschap hebben en welke vorm die medezeggenschap heeft: advies of instemming. Wij willen daarbij aansluiten bij de regeling van medezeggenschap die was vastgelegd in het inmiddels gewijzigde wetsvoorstel cliëntenrechten zorg. Dit betreft onder andere het beleid op het gebied van voeding, recreatiemogelijkheden of het huisvestingsbeleid. Over deze bepalingen is in het kader van de voorbereiding van het wetsvoorstel cliëntenrechten zorg uitgebreid overleg gevoerd met betrokken cliëntenorganisaties en organisaties van zorgaanbieders. Het toezicht op de resultaatsnorm en aanvullende verplichtingen ligt bij de IGZ. Indien bijvoorbeeld blijkt dat een aanbieder van Zvw-zorg cliënten geen adequate inspraak verleent, kan een aanwijzing of een last onder bestuursdwang worden opgelegd waarbij de instelling wordt verplicht zich aan de norm te houden. 3) Verscherpen toelating zorgaanbieders Voordat een zorgaanbieder zorg mag verlenen wordt momenteel in het kader van de WTZi een papieren toets gedaan waarna de zorgaanbieder een zogeheten toelating ontvangt. Bij deze toets wordt voornamelijk nagegaan of de aanbieder is ingeschreven in het Handelsregister en of de statuten voldoen aan de eisen van de wet. Nu is het nog mogelijk dat de statuten daags na afgifte van de toelating worden gewijzigd. Binnen de verscherpte toelating zullen wijzigingen op essentiële punten, zoals de doelstelling of de regeling van het intern toezicht, opnieuw moeten worden doorgegeven aan de Minister. De afgelopen jaren is verder gebleken dat deze toelating logischerwijs geen enkele garantie biedt voor de kwaliteit van zorg die vervolgens door een zorgaanbieder wordt geleverd. De eisen die voor instellingen gelden op bijvoorbeeld het gebied van kwaliteit of veiligheid van zorg worden nu niet standaard getoetst bij de toelating van nieuwe zorgaanbieders. Daar willen wij verandering in aanbrengen door het beleid voor nieuwe zorgaanbieders te verscherpen. De IGZ voert volgens de uitgangspunten van haar risicogebaseerde toezicht binnen vier weken na de start van de zorgverlening door een nieuwe zorgaanbieder, een toets uit op de geleverde kwaliteit en de eisen

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

9


114 die daarvoor bestaan zoals de BIG-registratie en de eisen uit de Kwaliteitswet. Hierbij wordt onder andere getoetst of de veiligheidsprotocollen in orde zijn, of toezichthouders aan de vergewisplicht hebben voldaan en individuele zorgverleners waar nodig voldoen aan de Wet BIG. Wanneer bij deze toets blijkt dat de kwaliteit niet op orde is en/of betreffende regelgeving niet wordt nageleefd, treft de IGZ passende maatregelen zoals een last onder dwangsom of in het uiterste geval een bevel tot sluiting. Uiteraard blijven de verschillende eisen waar zorgaanbieders op basis van andere wetgeving moeten voldoen, zoals de eisen die zijn neergelegd in de Wgbo, Wet BIG of de Kwaliteitswet zorginstellingen, onverkort gelden. Registratie van zorgaanbieders Voor een goede uitvoering van deze kwaliteitstoets is het essentieel dat de IGZ exact weet waar nieuwe zorgaanbieders zich bevinden. Zorgaanbieders wordt het daarom verboden zorg te verlenen zonder volledige inschrijving in het Handelsregister.15 Wanneer de IGZ tijdens haar bezoek constateert dat een zorgaanbieder toch zorg verleent zonder volledige inschrijving, zal de IGZ hierop handhavend optreden. Na inschrijving in het Handelsregister moeten zorgaanbieders verplicht een vragenlijst invullen over onder meer personeel, het kwaliteitssysteem, medezeggenschap en de administratie. Deze ingevulde lijst gaat naar de IGZ. De IGZ kan mede op grond hiervan risico’s inschatten en deze toetsen bij haar bezoek ter plaatse. Dit is een aanvulling op de praktijk van de huidige WTZi. Rol van verzekeraars Naast het toezicht door de IGZ hebben zorgverzekeraars een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij hebben een zorgplicht richting hun verzekerden. Zij kunnen contractuele afspraken maken met zorgaanbieders over de kwaliteit van de geleverde zorg en de wijze waarop de zorgaanbieders de rechtmatigheid van de gedeclareerde zorg garanderen. Zoals eerder aangegeven achten wij het van belang dat de verzekeraar zich ook meer dan nu vergewist van de checks and balances binnen een zorgaanbieder. Verzekeraars dienen zich ervan te vergewissen dat de zorgaanbieders hun contractuele verplichtingen nakomen. Wanneer zorgaanbieders de contractuele verplichtingen niet nakomen dan zou de zorgverzekeraar, indien dit in het contract is afgesproken, een boete kunnen opleggen aan de zorgaanbieder. Wij zijn met de verzekeraars, de NZa en de IGZ in gesprek om te kijken hoe verzekeraars deze rol verder kunnen invullen. Wet goed bestuur in de zorg De hierboven aangekondigde maatregelen zullen wij opnemen in een wetsvoorstel voor goed bestuur in de zorg. De betreffende onderdelen van de WTZi zullen hierin opgaan en worden aangevuld. We verwachten komend voorjaar dit voorstel aan uw Kamer toe te kunnen zenden. In dit wetsvoorstel zullen we de noodzakelijke verplichtingen vastleggen voor een goede bestuurs-, toezichts- en medezeggenschapsstructuur waarbij het toezicht van de IGZ als sluitstuk fungeert. Dit voor zowel bestaande aanbieders, als (aangescherpt) voor nieuwe aanbieders. Met de combinatie van resultaatsnormen en aanvullende verplichtingen verwachten wij 15

Zorgaanbieders dienen onder andere de volgende gegevens in te schrijven: de naam of een andere aanduiding, de rechtsvorm, het Handelsregisternummer, het adres van vestiging, het adres of de adressen waarop of van waaruit de zorg wordt verleend, de vormen van zorg die worden verleend en de startdatum van de maatschappelijke activiteit.

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

10


115 dat zorgaanbieders meer dan nu hun governancestructuur passend zullen inrichten waardoor de slagkracht van het bestuur en de interne toezichthouders wordt vergroot en waarbij tevens de belangen van verschillende belanghebbenden worden geborgd. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 012, nr. 15

11


117

Foto auteurs, Kerst 2013, v.l.n.r.: Nadia Haase, Dirk Jan Rutgers, Rik Analbers, Merel van der Kamp, Sjef Gevers, Bas Visee, Matthijs van den Broek, Karen Harmsen.


Herengracht 466, 1017 CA Amsterdam T +31 20 891 3900 www.rutgersposch.com


Boekje seminar zorginstellingen februari 2014