{' '} {' '}
Limited time offer
SAVE % on your upgrade.

Page 1

DE ROEDE VAN TIELT

Driemaandelijks heemkundig tijdschrift 25ste jaargang, nr 1 - maart 1994 Afgiftekantoor 8700 Tielt


AUTOCARS-REISBUREAU

DE MEIBLOEM een onderneming die reeds 60 jaar lang met troeven als : VEILIGHEID - KOMFORT - KLASSE U een héél aparte belevenis bezorgt !

© [I Optici©©@11 Ml Tieltstraat 186 - 8740 PITTEM Tel. (051) 40 18 23 - Fax (051) 40 51 93 Kasteelstraat 149 - 8700 TIELT V o o r al u w é é n d a a g s e o f m e e rd a a g s e re iz e n L U X E a u to c a rs • • • •

Binnen- en buitenlandse reizen Van 20 - 40 - 54 - 67 tot 87 plaatsen Cars uitgerust met air-conditioning, video, toilet, bar Aanhangwagen beschikbaar

VERNIEUWEN EN HERSTELLEN VAN ZETELS, SALONS, STOELEN EN ZITBANKEN

Modekleding in leer en daim

DEL LAG0

B0UCKAERT DANIEL Félix D'hoopstraat 33 8700 TIELT

Félix D'hoopstraat 145 8700 TIELT

Tel. (051) 40 42 30

Tel. (051) 40 39 00


DE ROEDE VAN TIELT Heemkundige Kring voor de gemeenten van de vroegere Roede van Tielt, d.i. Aarsele, Dentergem, Egem, Gottem, Kanegem, Lotenhulle, Markegem, Meulebeke, Oeselgem, Oostrozebeke, Pittem, Poeke, Ruiselede, Schuiferskapelle, Sint-Baafs-Vijve, Tielt, Vinkt, Wakken, Wielsbeke, Wingene, Wontergem, Zwevezele. Lid van het Westvlaams Verbond van Kringen voor Heemkunde. Voorzitter : P. Vandepitte, Driesstraat 7-9, Tielt - (051 ) 40 17 00 Ondervoorzitter : V. Baert, Oostrozebekestraat 241, Meulebeke -(051) 48 82 98 Sekretaris-penningmeester : Ph. De Gryse, Kastanjelaan 1, Tielt - (051) 40 18 38 Redactie : V. Baert, J. Billiet, Ph. De Gryse, W. Devoldere, Fr. Hollevoet, R. Ostyn, P. Vandepitte Lidmaatschapsbijdrage : 600 fr., te betalen op rekening 000-0398411-32 van De Roede van Tielt, Kastanjelaan 1, Tielt Verschijnt viermaal per jaar. Er worden geen losse nummers verkocht. Iedere auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van de door hem ingestuurde bijdrage. Bijdragen verschenen in "De Roede van Tielt" mogen slechts overgeno­ men worden met toestemming van de redactie. Kaft : detail van de kaart van het graafschap Vlaanderen door Robert de Vaugondy, zoon, 1762.

INHOUD VAN DIT NUMMER (25ste jg., nr I, maart 1994) R. Lobbestael, Een studie van vier Oostrozebeekse penningkohieren (1571 - 1577) Fr. Hollevoet, Markegem geconfisqueerd B. Cannoot, Denkend aan Arthur Van Doorne Ph. De Gryse en B. Cannoot, Bibliografie Arthur Van Doorne H. Schotte, Alfons Mervillie als componist A. Demeulemeester, Het overlijden van pastoor-deken Karel-Jan De Wilde te Pittem. Redactie, Vier oude foto's over Tielt

blz. 2-11 blz. 12-19 blz. 20-24 blz. 25-27 blz. 28-32 blz. 33-36 blz. 37-40

Drukkerij Desmet-Dhondt, Wakken


EEN STUDIE VAN VIER OOSTROZEBEEKSE PENNINGKOHIEREN (1571-1577)

Voorliggende samenvattende bijdrage bundelt de gegevens over enkele onder­ werpen die her en der verspreid worden behandeld in mijn werk Een studie over vier Oostrozebeekse penningkohieren (1571-1577), 115 bladzijden, dat in december 1991 werd bekroond met de ‘Regionale Prijs voor heemkunde’.

1. BEGRIPPEN Voor de meeste gemeenten zijn de kohieren van de XXe penning van 1571 bewaard en al enigszins bestudeerd. Op dat ogenblik was Vlaanderen in Spaanse handen en deelde Alva hier de lakens uit. De XXe penning was even­ wel geen uitvinding van deze landvoogd. In het Ancien Regime waren er twee verschillende aanslaggronden om belastingen te berekenen. Bij de omslagbelasting werd door de vorst eerst de totale belastingsopbrengst bepaald. Bij de beden vroeg de vorst een bepaalde som aan zijn onderdanen en dat bedrag werd via het Generaal Transport en het Particulier Transport over de provin­ cies, kasselrijen, parochies omgeslagen (= verdeeld) en verder met de pointinghe en zettinghe op de inwoners verrekend. Penningen zijn kwotiteitsbelastingen. Hier wordt eerst de aanslagvoet bepaald en moet afgewacht worden wat de uiteindelijke opbrengst zal zijn. Penningen worden veelal met een getal aangeduid. Dat getal geeft het percentage aan. De XXe penning komt overeen met 5 %, de Xe penning met 10 %. Onder meer in 1542 en in 1559, dus vóór Alva, werden penningen geheven. Het is ook fout te denken dat de XXe pen­ ning door Alva werd opgelegd. Filips II wilde de Nederlanden besturen als een absolutistisch en centraliserend vorst. Alvarez de Toledo, hertog van Alva, was zijn trouwe dienaar die hier rust en orde moest komen herstellen na de Beeldenstorm. Spanje had een torenhoge staatsschuld en de troepen in de Nederlanden kostten handenvol geld. Alva wilde de Nederlanden zelf voor deze kosten laten opdraaien. Daarom stelde hij in maart 1569 aan de StatenGeneraal voor een eenmalige 100ste penning te heffen op alle roerend en onroerend bezit en twee belastingen die jaarlijks zouden terugkeren : een in de vorm van een Xe penning (10 %) op de verkoopprijs van roerende goederen en een in de vorm van een XXe penning (5 %) op de verkoopprijs van onroe­ rende goederen. De 100ste penning werd geheven in 1569, maar de twee ande­ re belastingen werden voor twee jaar vrijgekocht voor een prijs van 2 miljoen florijnen per jaar. De Vierledenstand van Vlaanderen besloot het Vlaamse aan­

2


deel in dit bedrag te innen onder meer via 1/ een XXe penning op de jaarlijkse huurwaarde van onroerende goederen en 2/ een belasting op het bezit van han­ delaars dat de 300 gulden overschrijdt... Deze XXe penning werd in 1571 en 1572 geïnd. De door Alva voorgestelde Xe penning werd na een golf van pro­ test uiteindelijk in 1574 afgeschaft. De penningen kwamen hard aan, want er was bovendien nog een Xe penning in 1576 en een Ve penning op het onroe­ rend goed in 1577. Daarnaast eisten de talrijke troepenbewegingen en de scher­ mutselingen tussen de Spaanse troepen, de calvinistische troepen van de Hembyze, de Malcontenten, de vrijbuiters van Oostende en Sluis, enz... ook een zware tol. Tegen 1590 zijn grote delen van de bevolking op de vlucht, uit­ gehongerd of gestorven aan de gevolgen van de pest. Voor Oostrozebeke zijn er vier penningkohieren uit deze periode bewaard : de kohieren van de XXe penning van 1571 en 1572, het kohier van de Xe penning van 1576 en dat van de Ve penning van 1577. De datum van dit laatste kohier is niet op het stuk zelf terug te vinden, maar is uit meerdere gegevens af te leiden.

2. HOE KWAMEN DE PENNINGKOHIEREN TOT STAND ? Voor het opmaken van de penningkohieren bestonden er talrijke voorschriften. In iedere parochie werden enkele mannen door de baljuw en de schepenen aangesteld om de waarde van de goederen te begroten. Zij doorliepen heel het grondgebied van de parochie en noteerden wat ieder gezinshoofd pachtte en/of in eigendom bezat. Bij hun rondgang werden blijkbaar (op verzoek ?) ook schriftelijke bewijzen (pachtkontrakten, koopakten, enz...) voorgelegd. In de opgestelde kohieren worden eerst de gepachte goederen, daarna de goederen in eigendom en tenslotte de goederen van de Armendisch vermeld. De gepach­ te en de in eigendom gehouden goederen worden per ghulde besproken. Oostrozebeke was ingedeeld in zes ghulden : de Kerckeghulde, de Steenbruchghulde, de Coppenoleghulde, de Overmanderghulde, de Leembruchghulde en de Pudebrouckghulde. De tienden, de heerlijke rechten, de visscherien, de bossen die zonder land worden gebruikt, de gronden die in aanpalende gemeenten worden belast, enz... staan in het ene kohier apart, in een ander kohier tussendoor vermeld. Na vergelijking van de vier kohieren kan er gesteld worden dat er een vast traject was om alle onroerende goederen te bezoeken. Er zijn wel ogenschijnlijke verstoringen van dat traject. Het valt op dat het eerste onroerend goed van iedere ghulde vrij groot, zoniet het groot­ ste van die ghulde is. Het blijkt ook dat bij het opstellen van een nieuw kohier oudere kohieren gebruikt werden en hier en daar zelfs letterlijk werden over­ geschreven. Vandaar dat jarenlang melding wordt gemaakt van een verkoop of van de bouw van een huis... Van ieder kohier werden twee exemplaren opge­ maakt. Eén voor de parochie waar de penning geïnd werd en één voor de Raad

3


van Vlaanderen. Tijdens het opstellen, berekenen of overschrijven, werden natuurlijk fouten gemaakt. Naast tekstuele fouten komen er vooral fouten voor in verband met de oppervlakten, de huurwaarde en de te betalen penning. Daarom is een stelselmatig nalezen en narekenen van elk artikel zeker aan te raden. De vier hier bestudeerde kohieren werden door vier verschillende per­ sonen neergeschreven. Dit blijkt uit het handschrift, maar ook uit de wijze waarop familienamen worden geschreven. In 1571 is er sprake van Clarout en Van de bussche, terwijl in 1577 die familienamen geschreven worden als Claroudt en Vandebuusche. Maar ieder kohier werd door tenminste één andere persoon nagelezen en zo nodig verbeterd. Het opstellen van de definitieve ver­ sie van een kohier gebeurde waarschijnlijk in Gent. De opstellers mochten als beloning voor hun werk 1 % en vanaf 1576 zelfs 2 % van de opgebrachte pen­ ning opstrijken. De kohieren zijn een heel rijke bron van gegevens. Sommige zijn daar rechtstreeks uit af te lezen. Andere worden maar bekomen na gron­ dige vergelijking, telling, herschikking van de verstrekte inlichtingen. Met het oog daarop heb ik de gegevens uit de kohieren gegroepeerd naar een aantal criteria, bijvoorbeeld de woonplaats (Oostrozebekenaren / niet-Oostrozebekenaren), de sociale klasse (lid van de adel, vermoedelijk lid van de adel, verte­ genwoordiger van de kerk of van de Armendisch, persoon onderhouden door de Armendisch, enz...), de economische situatie (eigenaar die al zijn goederen zelf bebouwt, eigenaar die al zijn goederen verpacht, pachter, en alle meng­ vormen tussenin), de burgerlijke stand (gehuwd, weduwe, wees, ‘onbekend’, enz...)

3. GEGEVENS BETREFFENDE PERSONEN De penningkohieren bevatten een schat aan genealogische gegevens. Deze moeten wel met de nodige voorzichtigheid worden benaderd. a1 NAMEN EN AANSPREEKVORMEN Namen en voornamen worden soms anders geschreven, maar ze worden ook al eens afgekort (bijvoorbeeld Bouckxt voor Bouckaert, W° voor Wouter) en al dan niet voorzien van een prefix (bijvoorbeeld voor eenzelfde persoon nu eens Baelberch, dan weer van baelberch). Op het einde van de 16de eeuw worden namen ook in de genitiefvorm gebruikt. Zo blijkt Bettin shuuls eigenlijk Elisabeth de Huls te heten. Het is dan ook aangewezen de penningkohieren zeer nauwgezet na te lezen en onderling te vergelijken om er alle familiekundige gegevens uit te halen. Achter in mijn boek werd een alfabetische lijst opgenomen van alle personen met verwijzing naar de bladzijde(n) van het/de kohier(en). Veel vrouwen zijn weduwe. In de mannenmaatschappij van het einde van de 16de eeuw worden ze vermeld als de weduwe van..., zelden met

4


hun meisjesnaam. Bij sommige personen wordt meester of jonkheer vermeld. Deze titel wijst er waarschijnlijk op dat de persoon tot de adelstand behoort, maar het onregelmatig gebruik van deze aanspreekvorm laat vermoeden dat het ook soms gaat om een rijk lid van de burgerij. De penningkohieren ver­ melden talrijke familiebanden. Dit gebeurt rechtstreeks met termen als zoon van, zine broers en zusters, de weduwe..., ende kinders, de weesen, enz... Maar familiebanden worden ook onrechtstreeks vermeld. Zo wordt gezegd dat Joris Dobbele en de weduwe Gheeraert Schotte ghebrucken tsaemen haerlieden hofsteede. Ze wonen dus samen. b/ AANTAL PERSONEN In de vier kohieren samen worden 561 namen vermeld. 438 hiervan zijn in het kohier van 1571 te vinden. 37 van deze namen komen voor in zinsneden als zoon van of gekocht van. De overige 401 namen zijn voor 85 % Oostrozebekenaren, 9 % niet-Oostrozebekenaren en 5 % zijn vertegenwoordi­ gers van adel, Kerk of Disch. Zeer vaak voorkomende Oostrozebeekse fami­ lienamen zijn : de Huls, Bruggheman, Calewaert, de Smet, vanden Bussche en vande Muelene. Bij de voornamen komen vooral Jan, Joos, Willem en Pieter voor. In 1571 worden 262 haarden vermeld. Dit gebeurt met termen als hof­ stede, huus, huuseke, een ende van een huuseke, een came re, enz... Een haard wijst op een vuurhaard en rond één haard leeft een uitgebreid gezin : ouders, kinderen, inwonende grootouders, dienstpersoneel... 84 haarden worden gepacht, tegenover 165 die door de eigenaar worden gebruikt (= verhouding 1 tegen 2). In 1577 zijn er 3 haarden méér, wat niet direct op een ontvolking wijst. 262 haarden betekent dat Oostrozebeke in 1571 tussen de 1244 en de 1388 zielen telde : in het eerste geval wordt ervan uitgegaan dat een haard of gezin 4,75 personen telde, in het tweede geval 5,3 personen.

d VROUWEN EN WEDUWEN In de vier kohieren worden de vrouwen slechts in één op de vier gevallen bij hun meisjesnaam genoemd. 1 op de 7 Oostrozebeekse eigenaars en/of pach­ ters is een weduwe. Dit is een zeer hoog percentage waar geen onmiddellijke verklaring voor te vinden is. d/ ARMEN Er zijn 12 armen in 1571 en evenveel in 1577, wat niet direct wijst op een gevoelige verarming van de bevolking. 5 van de 12 armen zijn weduwe, 3 van de 12 armen dragen de naam Schotte. Eenmaal is goed op te volgen hoe iemand tot de Armendisch wordt gedreven. In 1572 pacht Clays Calant 6 R, wat bitter weinig is. In 1576 is hij overleden en mag zijn weduwe 7 R van de

5


Armendisch gebruiken. Armen krijgen gemiddeld zo’n 25 R grond van de Armendisch toebedeeld. e/ RIJKEN In de top-10 van de rijkdom bezetten de adel en de vertegenwoordigers van de Kerk (o.a. de prelaat van de abdij van Ename) 5 van de eerste 6 plaatsen. Bij de vier opstellers van het kohier van 1571 zijn de twee rijkste Oostrozebekenaars en de twee andere zijn ook goed bemiddeld. Werden de opstellers in de begoede families gezocht omdat (alleen) de rijken geletterd waren ? De 10 rijkste personen bezitten een kwart van de waarde van alle Oostrozebeekse onroerende goederen. Oostrozebeke telde geen rijke hande­ laars. In Oostrozebeke stonden twee heuse buitenverblijven. Hiëronymus de Mol (1), een ridder uit Watermaal, heeft een huus van plaisance met een pacht­ waarde van 46-0-0 p.par. en de familie van Halewijn bezit een oerste huus (pachtwaarde 16-0-0 p.par.). f7 PACHTERS EN VERPACHTERS 32 % der haarden wordt gepacht. Bijna alle pachters van gronden zijn Oostrozebekenaars, terwijl Kerk, Disch en de adel al hun bezit verpachten. Van de Oostrozebeekse eigenaars gebruikt zo’n kleine 39 % zelf al hun bezit, 31 % verpacht alles, terwijl 19% naast de gronden die ze in eigendom bezitten nog gronden bijpachten. De helft van alle Oostrozebeekse gronden worden verpacht. Naar 1577 toe is er een drieledige trend waarneembaar : er wordt wat minder grond verpacht, méér Oostrozebeekse eigenaars verwerven méér grond en ze bebouwen méér zelf hun grond. De rijke Oostrozebekenaren wor­ den rijker, maar ze werken meer. De 10 grootste pachters bewerken meer dan 52 % van de verpachte gronden. De 10 grootste verpachters (1571) bezitten 50 % van alle verpachte gronden. Anders gezegd : de helft van het pachtgeld dat in Oostrozebeke wordt betaald, komt in handen van 10 personen. De 5 grootste verpachters zijn lid van de adel of van de Kerk. g/ EIGENAARS Wat betreft het bezit ligt de verhouding als volgt : de Oostrozebekenaren bezit­ ten 70 % van de grond, de adel 19 %, terwijl de Kerk, de Disch en nietOostrozebekenaren zo’n kleine 5% bezitten. De Oostrozebekenaren bezitten de helft van de verpachte gronden en 90 % van de gronden gebruikt door de eigenaar. De adel bewerkt zelf geen gronden, maar is eigenaar van 35 % van alle Ootrozebeekse verpachte gronden. De Kerk en de Disch zijn eigenaar van 10 % van de verpachte gronden. De vijf grootste eigenaars behoren tot de adel of de Kerk. De 10 grootste eigenaars bezitten in 1571 ruim 27 % van alle gron­ den en dit percentage is nog hoger in 1577. De rijken worden dus rijker.

6


4. GEGEVENS BETREFFENDE DE ONROERENDE GOEDEREN a1 AARD VAN DE ONROERENDE GOEDEREN De aard van het onroerend goed wordt in het kohier altijd vermeld. Er zijn verschillende vormen van bebouwing : zaailand, bos, ettinghe (= laaggelegen weide), gheweet (= weide), meers (= hooiland), erf, hof, boomgaard... Deze vormen worden veelal in een adem genoemd, bijvoorbeeld : onder hoflant ende meersch buusch ende gheweet XLIX bunder. Wat betreft de gebouwen heeft men het over een huis (soms een camere, soms een huus van plaisance) of over een hofstede. Op een hofstede kunnen de volgende gebouwen staan : huis, schuur, ovebuer, poerst (= koestal), leest of loedie (?), zwinskot, wagenhuus, duufhuus... Andere gebouwen zijn : herbergen, al dan niet met brauwerie, molens, al dan niet met olykot, kerk en priesteradie (= pastorij). Uit een vergelijking van de verschillende kohieren blijkt dat de omschrijving van de gebouwen niet altijd zeer betrouwbaar is. Maar de kohieren vermelden ook bossen die worden gerooid, weinig vruchtbare gronden die worden verbeterd, huizen en/of boerderijen die worden opgericht, woningen die in verval raken. Hierbij moet worden aangestipt dat uitzonderlijk veel woningen als oolick of vort worden bestempeld. Zat hier een bepaalde bedoeling achter ? b/ LIGGING VAN DE ONROERENDE GOEDEREN De ligging van een onroerend goed wordt vermeld binnen een bepaalde ghulde of ten opzichte van een waterloop, een straat, een boom (bijvoorbeeld : zuut vande linde), geografische referentiepunten (bijvoorbeeld : in de zandvlueghe, in de caelberch), een belangrijke hoeve, het eigen of andermans bezit... Slechts zeer weinig huizen, hoeven, percelen worden benoemd, en dit in tegenstelling tot de renteen landboeken. Soms wordt er melding gemaakt van grond die in een andere gemeente ligt, maar in Oostrozebeke wordt belast. Het kohier van 1576 vermeldt ook enkele percelen grond die in Oostrozebeke zijn gelegen, maar in Ingelmunster worden belast. Bij een stuk grond dat volgens het ene kohier in Meulebeke ligt, wordt in een ander kohier geen melding gemaakt van de ligging. Dit verklaart waarom slechts 89 % (in 1577) tot 92 % (in 1571 ) van de totale Oostrozebeekse oppervlakte in de penningkohieren is terug te vin­ den. De woonplaats van de personen wordt niet altijd vermeld. Het is evenmin duidelijk in welke gemeente een persoon belast wordt. Noch de plaats van de woning, noch de omvang van het onroerend goed in een bepaalde gemeente lijken de doorslag te geven.

cl OPPERVLAKTEMATEN De oppervlakte van een onroerend goed wordt aangeduid met maten als bun­ der, (grote) roeden, geniet, een honderd (= 100 kleine roeden), honderdlands en vierendeel. De oppervlakte wordt soms nauwkeurig, soms minder nauw­

7


keurig vermeld (bijvoorbeeld : zeer omtrent 36 R ) en de oppervlaktematen worden wel eens dooreengehaspeld, bijvoorbeeld : een hondert en half ende VIII R( oe). d/ VERWERVING In tal van artikels wordt vermeld hoe het onroerend goed werd verworven : gekocht, erfenis (waarbij de vermelding ‘liggende onverscheen en onverdeeld' soms lage tijd voorkomt), schenking, ruil, confiscatie. Uit meerdere zinsneden is af te leiden dat wie de winst opstrijkt (dit is : de opbrengst van een onroe­ rend goed binnenhaalt) ook de penning betaalt. Dit betekent dus dat de pachter die de oogst van het jaar binnenhaalt, maar in het najaar het pachtgoed verlaat, (toch) op die oogst belast wordt. e/ SOORTEN WONING 7 op de 10 haarden worden omschreven als hofsteede. Van de hofsteden bestaan 80 % uit een, twee of drie gebouwen. De basistypen van hofsteden zijn: hofstede bestaande uit een huis / hofstede met huis en schuur / hofstede met huis, schuur en ovenbuur / hofstede met huis, schuur, ovenbuur en poest. 84 % van de hofsteden met één gebouw en 70 % der hofsteden met twee gebouwen hebben een erf dat kleiner is dan 5 0 R. 76 % der hofsteden met drie gebouwen hebben een erf tussen de 25 en de 100 R. groot. Hoe meer gebou­ wen er op een hofstede staan, hoe groter dus het erf en de hoeve, hoe meer kans er bestaat dat er een boomgaard bij is. Dat is nogal logisch. Van de hui­ zen krijgt 10 % de benaming huis, 62 % wordt beschouwd als huizeke en in 27 % der gevallen zou het slechts om een deel van een huis gaan. 61 % der huizen staat op een stuk grond van 10 tot 50 R. Is het perceel groter dan 100 R. dan wordt de naam bloot huizeke gebruikt. In Oostrozebeke was er 1 molen en 1 brouwerij per 650 personen en 1 herberg voor 220 inwoners. Alle Oostrozebekenaars gingen naar dezelfde smid. f/ AANTAL BEDRIJVEN EN OMVANG ERVAN Onder ‘bedrijf’ verstaan we het geheel van gebouwen en gronden binnen Oostrozebeke gelegen die door eenzelfde Oostrozebekenaar, ongeacht of hij pachter dan wel eigenaar is, wordt bebouwd. In die zin vormt de krotwoning van een arme op een lapje grond van 12 R. ook een ‘bedrijf’. Er zijn 299 bedrijven in 1571, zes jaar later zijn er 10 méér. 40 % der bedrijven is kleiner dan 1 hectare en 35 % beslaan tussen de 1 en de 5 hectare. Al deze bedrijven zijn op zich economisch niet leefbaar. Om te overleven moeten de bewoners nevenactiviteiten uitoefenen. Het aantal kleine bedrijfjes neemt naar 1577 nog toe, ten nadele van de bedrijven tussen 5 en 10 hectare. Er zijn 9 bedrijven


die méér dan 25 hectare bewerken. Grote hofsteden waren ‘t Groot Goed ter Molst (84 ha), ‘t Hof van Calonne (70 ha), Nieuwenhove (60 ha) en ‘t Goet ter Priems (59 ha) (2). De 10 grootste hofsteden gebruikten samen 32 % van de Oostrozebeekse grond. Een boer kan de door hem bewerkte grond geheel of gedeeltelijk zelf bezitten en/of geheel of gedeeltelijk pachten. Soms wordt er grond verpacht. Van de bedrijven kleiner dan 1 ha, door een Oostrozebekenaar uitgebaat, is 77 % volledig eigendom, terwijl 18 % volledig gepacht wordt. Bij bedrijven tussen 1 en 5 ha is dit respectievelijk 48 % en 23 %. De verhouding verschuift verder in dezelfde zin naarmate de bedrijven groter worden en de vier vermelde grote hofsteden werden bijna volledig gepacht.

5. GEGEVENS BETREFFENDE HET GELD al DE PACHTWAARDE De penningkohieren werden opgemaakt om de Spaanse schatkist te spijzen en gaan dus in wezen over geld. De artikels staan dus bol van de gegevens over geld : de werkelijke of de fictieve huurwaarde van onroerende goederen, de (heerlijke) renten en de bijseete die op een pachtgoed rusten, de te betalen pen­ ning, enz... ‘Bijseete’ zijn lasten die de huur van het onroerend goed verzwaren en daarom in de penningkohieren in geld worden omgerekend. Het onder­ scheid tussen rente en bijseete is niet altijd duidelijk. Voorbeelden van rente en bijseete zijn : geld, spellegeld, wijngeld, plaatstaken, dak verdekken (= her­ stellen), een pond boter, zes razier appelen, een razier evene, eenen hase twee patrijsen, enz... Het is altijd de pachter die de penning op de rente en op de bijseete moet betalen, terwijl het de eigenaar is die deze voordelen opstrijkt ! b/ GEBRUIKTE MUNTEN EN MATEN De gebruikte munten zijn : pond parisis en pond groot, schellingen, deniers, mijte of corte of obool, schilde (meestal 24 schellingen parisis waard) en een zeldzame keer een gulden. Net als de landmaten worden de munten dooreengebruikt. Pachtwaarden worden heel vaak in ‘ponden groot’ berekend, terwijl de te betalen penning in ‘ponden parisis’ wordt uitgedrukt. De gebruikte inhoudsmaten zijn : pint, havot of vat, razier en mud. Een maal wordt duidelijk vermeld : de rasiere coortrijcshe mate, wat erop wijst dat het kohier blijkbaar niet ter plaatse neergepend werd. de gebruikte gewichten zijn : pond, steen, ghluwen. Van deze laatste maat is niet duidelijk hoe groot ze is.

cl DE PRIJZEN De huurwaarde van de grond uitgedrukt in pond parisis per bunder schommelt naargelang de aard van bebouwing, maar blijft altijd binnen bepaalde grenzen.

9


De prijzen zijn onderhevig aan inflatie. Hieronder de huurprijzen voor 1571 : zaailand : 12-0-0 tot 18-0-0 p.par./bu meersch : 32-0-0 tot 48-0-0 ettinghe : 19-0-0 tot 24-0-0 bos: 12-0-0 tot 18-0-0. Kleinere percelen hebben over het algemeen een hogere huurwaarde per bun­ der. Zaailand gelegen in een kouter heeft een hogere huurwaarde, terwijl velt wijst op minderwaardige grond. Van de basistypes van haarden kan, langs een omweg, de gemiddelde pachtwaarde van de gebouwen worden berekend. Voor 1571 is dat: huis: 3-13-9 p.par. hofstede met huis : 3-15-11 p.par. hofstede met huis en schuur : 4-14-9 p.par. hofstede met huis, schuur en ovenbuur : 6-16-7 p.par. hofstede met huis, schuur, ovenbuur en poest : 8-1-11 p.par. Deze pachtwaarden werden berekend voor de eigenaars, het zijn dus fictieve pachtwaarden. Voor pachters lijkt de werkelijke pachtprijs hoger te liggen. De huurwaarde voor woningen van de Armendisch bedroeg 3-0-0 p.par. als er minder dan 100 R bij de woning hoorde. Een korenwindmolen had een huur­ waarde van 126-0-0 p.par. De prijzen van naturaprodukten zijn in 1571 : havot koren : 1-0-0 p.par. havot ruwe evene (= grove haver) 0-5-0 havot evene : 0-6-0 tot 0-10-0 ghluwen roggestro : 0- 0-80 tot 0-0-120 1- 2-0 havot lijnzaad : 1- 10-0 steen vlas : steen boter : 1-0-0 0- 12-0 razier appels : plantstaak : 0- 2-0 d/ INFLATIE Alle gronden, gebouwen, renten, tienden,... die binnen Oostrozebeke gelegen zijn, zijn samen 17.469-9-2 p.par. waard. Het aandeel van de verpachte goe­ deren is (in 1571) 50 %. In 1577 is de totale belastbare waarde gestegen met 4,88 %, terwijl het aandeel van de verpachte goederen gedaald is tot 48 %. Om een basis voor vergelijking te hebben, hanteerden we het begrip ‘gemid­ delde belastbare waarde per bunder'. Die waarde wordt bekomen door de pachtwaarde van alle goederen, die aan een bepaald criterium voldoen, te delen door het aantal bunder dat aan datzelfde criterium voldoet. Dat begrip kan wor­

10


den toegepast op alle Oostrozebeekse goederen, of op de Oostrozebeekse ver­ pachte goederen of op de Oostrozebeekse goederen die in eigendom worden gebruikt. De bekomen cijfers liggen hoger dan de daarnet vermelde huurprij­ zen, want in de ‘gemiddelde belastbare waarde per bunder’ wordt geen onder­ scheid gemaakt tussen de aard van de bebouwing, het voorhanden zijn van gebouwen, de renten, de bijseete, de tienden, enz... Het blijkt dat de gemiddelde belastbare waarde per bunder voor alle Oostrozebeekse goederen steeg van 16-5-4 p.par./bunder in 1571 naar 17-8-5 p.par./bunder in 1577. Dit is een stijging met 7,10 %. Dit is te wijten aan de verpachte goederen, waar de gemiddelde belastbare waarde per bunder met 17,30 % steeg, tegenover 1,90 % voor de in eigendom gebruikte goederen. Met andere woorden : de inflatie op pachtprijzen is beduidend hoger dan die op verkoopprijzen. Dit blijkt ook uit de vergelijking van overeenkomstige goede­ ren. Telkens het pachtcontract wordt vernieuwd of goederen voor het eerst ver­ pacht worden, stijgt de pachtprijs. Veranderde een goed van eigenaar, dan kon de (fictieve) huurwaarde hoger of lager liggen. Uit dit gegeven blijkt nogmaals dat de kleine man (de pachter) voor de eigenaar betaalt. Opmerkelijk is ook dat de belastbare waarde van alle goederen meer stijgt naar 1577 toe. Als we 1571 als basis nemen, dan is de stijging in 1572 : 0,32 %, in 1576 : 3,15 % en in 1577 : 4,88 %. Anders gezegd : rond 1572 was de inflatie te verwaarlozen, maar naar 1577 toe werd ze steeds belangrijken Het is ook ongewoon dat de totale belastbare waarde van de goederen die Oostrozebekenaren bezitten in 1577 zo’n 4,44 % hoger ligt dan in 1571. Voor de adel is die stijging maar 0,83 %. Voor de Kerk en de Disch bereikt de stijging 6,73 %, voor nietOostrozebekenaren zelfs 11,77 % !

Renaat LOBBESTAEL

(1) Zie ook : R. Lobbestael, De adellijke familie de Mol in de !6de en 17de eeuw in Oostrozebeke, De Roede van Tielt, jg. 21, nr 4, dec. 1990, blz. 183-189. (2) Zie ook : Ph. Despriet, Het Goed te Priems in Oostrozebeke, De Roede van Tielt, jg. 16, nr 1, maart 1985, blz. 2-30.

11


MARKEGEM GECONFISQUEERD In de loop van de 15de-16de eeuw raakte de vooraanstaande Gentse fami­ lie Utenhove in het bezit van drie Markegemse heerlijkheden. In 1407 kocht ridder Niklaas Utenhove het Goed ter Hoyen, gehouden van de Sint-Pietersabdij, van Ghy Buuc vander Sluus (1). Een kleine eeuw later, op 13 april 1504, verklaarde Roeland van Poeke, heer van Poeke en Wingene, dat hij de dorpsheerlijkheid Marckeghem ofte ter Kercken, als achterleen van 't Sint-Amandsche in Wingene, zekeren termyne ende langhe jaren in bezit genomen had omdat er voor het leen geen erfgenaam meer in leven was. Nu gaf hij de heerlijkheid weer in leen aan zijn bemin­ den neve ende speciale vrient Meester Clays Utenhove fs Chaerles. Zo ver­ wierf de kleinzoon van de koper van ter Hoyen ook de titel van heer van Markegem (2). Ten slotte kocht Karei Utenhove, Niklaas' zoon, op 5 juli 1550 de heerlijkheid Oosthoucke, (ook al ter Kercken genoemd) voor zijn oudste zoon, die eveneens Niklaas heette. Oosthoucke was gehouden van het burggenootschap van Sint-Eloois-Vijve en bevond zich in de zuidoost­ hoek van het dorp, tussen Kruisstraat en Kouterweg. Jonkvrouw Cornelie Bollyns en haar man Adryaen Ouvyllion waren de vorige bezitters (3). Zo bezaten de Utenhoves uiteindelijk drie Markegemse rechtsgebieden van respectievelijk ongeveer 186, 18 en 16 hectare. Alles samen dus zo'n 220 van de 426 hectare die het dorp groot is.

OVER HUMANISME NAAR CALVINISME Karei Utenhove (“Gent ca. 1500 - tFrimersheim bij Düsseldorf 1580), heer van Markegem, verbleef tijdens zijn leerjaren lange tijd bij Erasmus in Bazel en Fribourg. Dit versterkte zijn humanistische levensvisie, waarna hij zich vooral in de jaren 1550 ontwikkelde tot de prominente spil van een hervormingsgezinde kring van Gentse humanisten. De inquisitie zag even­ wel maar weinig heil in deze bijbelse herbronning van het geloofsleven. Al in de winter van 1556 vond Karei het beter met zijn kinderen even naar Parijs te verdwijnen, maar inquisiteur Titelmans verloor hem niet meer uit het oog. Op 25 mei 1557 deed hij in het holst van de nacht een inval in zijn kasteel in Markegem, maar zocht er in de bibliotheek tevergeefs naar ketterse boeken. Aangezien de verdachte niet thuis was, kwam er alleen een officieel dagvaardingsbevel op de deur. Karei koos daarop het zekere voor het onzekere en vestigde zich in het gastvrije slot van zijn vriend Herman van Neuenahr in Frimersheim. Hoewel hij enkel nog in 1561 even naar Vlaanderen terugkeerde, werd hij samen met zijn oudste en derde zoon, Niklaas (jK eulen 1595) en Karei jr. (tK eulen 1600), voor Alva's Raad van Beroerten gedaagd en op 18 juni 1569 bij verstek verbannen.

12


Zijn resterende goederen in het Gentse werden ten bate van de koning in beslag genomen (4).

TIENDEN VOOR FILIPS II Karei sr. had al in 1545 zijn oudste zoon Niklaas in het bezit gesteld van de heerlijkheden Markegem en ter Hoyen, maar behield wel het vruchtgebruik voor zich (5). Bovendien pachtte Karei ook altijd de twee derde van de Markegemse tienden van de abdij van Saint-Amand-les-Eaux. Die waren al sinds mensenheugenis in handen van de abt, die als kerkpatroon ook de dorpspastoor mocht uitkiezen. In 1559 liet de gevluchte vader Utenhove weer een 9-jarig pachtcontract aanvatten voor een jaarlijks bedrag van 64 pond parisis. Maar we kunnen constateren dat de opbrengst van de laatste drie oogsten (1566-'68) al geconfisqueerd werden, dus nog vóór de officiële verbanning. Een zekere Jan Vander Beke trad daarbij op als gesubstitueerde baljuw-ontvanger die de opbrengst van zijn rekeningen diende te vereffenen met Jan Hasebyt, ontvanger van de confiscaties in de kasselrij Kortrijk (6). Bij de inkomsten van de oogst 1567 werden nog heel veel gewassen van het vorige jaar gevoegd, zodat het onmogelijk is een representatief beeld van de jaaropbrengst voorop te stellen. Het koren (rogge en tarwe) werd her en der verkocht : op de markt van Wakken, upden graendere (graan­ schuur) int hof ter Oye, aan bakker Jan Bruggheman uit Wakken, aan Langhe Pieryne van Ghendt, enz. Bij molenaar Jan Heytens werd 2 mud (2112 liter) koren op zolder gewogen. Marcx Meuleman kocht het enige vat (22 1) gerst en de weduwe van Jooris Galle van de kasteelhoeve nam de enige 9 razieren evene (haver) voor haar rekening. Lauwers Van Aelmeirsch en Adriaen De Poortere kochten samen ongeveer 40 liter witte erwten, terwijl Jan De Fraye zich evenveel vitsen (soort peulvruchten) aan­ schafte. Ter vergelijking noemen we de prijzen die toen golden per raziere (88 1) : 4 - 3,6 p. tarwe 3,6 - 27.3 p. koren gerst : 3,2 p. rogge 2,9 p. haver 3,2 p. erwten 4,4 p. vitsen 3,6 p. De oogst(en) had(den) 330 p. 4 sch. par. opgeleverd, maar daar kwam nog 169 p. 19 sch. 9 d. par. bij door de verkoop van stro en kaf van de oogst '67 en zo krijgen we toch nog een beter zicht op de onderlinge verhoudin­ gen tussen die teelten :

13


4450 1525 975 300 36 75

bundels bundels bundels bundels bundels wannen

roggestro à 48 s./lOO tarwestro à 36 s./lOO haverstro à 24 s./lOO erwtestro à 20 s./lOO vlas à 7 s./bundel kaf van granen à 2 s. 3 d. samen

= 106 p. 16 s. = 27 p. 9 s. = l i p . 14 s. =

3 p .

= 12 p. 12 s. 8 p. 8 s. 9 d. = 169 p. 19 s. 9 d.

De gewone uitgaven in de rekening beliepen ruim 232 p.p. Jacques De Meulenaere, de baljuw-ontvanger van de abdij, had Karei Utenhoves tiendpacht voor 1566 en '67 overgenomen, wat twee keer 64 p. vergde. Voor onderhandelingen over die kwestie trok M arkegem naar Matthijs Bruggeman twee keer naar Henegouwen met brieven van de abdij-ontvanger tot bij Jacques de Saint-Genois, heer van Ladeuze, die getrouwd was met Catharina Utenhove, Kareis zuster. Zijn jongste zuster Josyne was toen als douairière van Josse Dolhain ( t 1566) dorpsvrouw van Dentergem. Joos Duuck, dienare (prater, veldwachter) van Markegem, ging op haar bevel wel vier keer naar diezelfde heer van Ladeuze om te vernemen of hijzelf enige moeite genomen had om de abdijtienden verpacht te krijgen. Zij was het ook die de Markegemse schepen Loy Bosschaert opdracht gaf de 36 bundels vlas te boten. Adriaen De Poortere en zyne medeghesellen brach­ ten de hele tiendoogst 1567 naar de grote schuur op ter Hoyen bij Charles Galle fs Jooris en dorsten er alle bundels. Heel attent kwam brouwer Gheeraert Lambrecht vanuit Wakken met een ton bier diemen de ghezellen jaerlicx gheeft die de thiende helpen verghaderen. Voor de verkoop van wat koren op de markt kreeg Pieter De Smet, pachter van de assysen ende onghelden te Wakken, nog 12 sch. par. Boven de gewone uitgaven stapelden zich echter maar liefst 445 p. buiten­ gewone uitgaven die Karei Utenhove nog bevolen had, maar nu door de confiscatie ook de koning (Filips II) toevielen. Karei had Charles Van Wanzeele tevergeefs naar Brussel gestuurd om er nog eens zijn rechten op te eisen bij de afgevaardigde van de kardinaal van Granvelle, namelijk de abt van Saint-Amand. Voor de administratie van zijn goederen had de exdorpsheer verder bijna 434 p. te goed, waaronder zo'n 265 p. van Joos Algoet, concierghe de Ia maison desdites sieurs de Marckeghem. 84 pond daarvan zouden de dorpsheer te beurt gevallen zijn bij de verkoop van de kasteleins nalatenschap, die enkel bestond uit wat onroerend goed. Joos Algoets bezit was bij vonnis van 16 september 1567 door de vierschaar van Markegem aangeslagen en 's anderendaags voor bijna 98 p. openbaar verkocht. Had Joos Algoet, net als zijn huismeester, het ketterse pad der

14


calvinisten betreden ? Heeft hij iets te maken met de Beeldenstorm die in M arkegem op zaterdag 17 augustus 1566 plaatsvond en in de kasselrij Kortrijk werd geleid door de uitgetreden dominicaan Frans Antoon Algoet, bijgenaamd de Swarte, die vanuit Menen de kerkbrekers opjutte of zelf aanvoerde (7) ? O f was hij misschien verwant met Lieven Algoet (Algotius), net als Karei Utenhove één van Erasmus' vier Gentse bescher­ melingen (8) ? Het blijven speculaties. We vernemen enkel nog : thuus seignouriael (...) gheeft langhe tyt vaghue

gestaen ende zonderlynghe tot ontrent kersmesse vanden jaere 1569 dat den ban ghepronunchiert was, zoodat daervan gheen projfyct nochte baete gheprocedeert en es (9). Alleszins op 12 augustus 1572 verbleef er weer een kastelein op het kasteel van ter Hoyen, nl. Jan Van Valenchijne (10). Ook het laatste oogstjaar van de tiendpacht (1568) werd, vermoedelijk met terugwerkende kracht, geconfisqueerd. De rekening is echter minder infor­ matief, want kasselrij-ontvanger Jan Hasebyt verkocht de rogge, tarwe, masteluin (mengsel van tarwe en rogge), gerst, enz. zelf in september 1569 met den clopslach vanden hamere en verantwoordde dit in de confiscatierekening van zijn kwartier. We leren alleen dat 4 razieren lijnzaad van de oogsten 1567 en '68, à 17 sch. per havot, 13 p. 12 s. opbrachten. Maar het stro, vlas, kaf en erwtekruid van de oogst 1568 worden wel weer zorgvul­ dig opgegeven. 3900 bundels roggestro, 1450 tarwe, 1925 haver, 625 erwtestro en -kruid, 24 bundels vlas en 131 wannen kaf van allerlei granen leverden 172 p. 13 s. 9 d. par. op. De grootste helft van het erwtestro en kruid werd één vijfde goedkoper verkocht aangezien dit seer nat ende ghevort was up den ackere myts den natten oust. Maar al bij al was de oogst 1568 toch nog iets beter dan het jaar voordien. En hoewel er maar goed 186 p. inkomsten in de rekening opgenomen waren, restte er dit keer toch een saldo van ruim 35 p. ( 11 ). Om echter een idee te krijgen van wat er toen in Markegem geteeld werd, moeten we er nog terdege rekening mee houden dat, althans in 1541, maar de helft van het bouwland werd bezaaid en dat het abdijtiend maar 6 % van de oogst omvatte. De rekeningen ver­ melden bijgevolg maar de opbrengst van 3 % van het "labeurland" (12).

DE KOSTPRIJS VAN DE DOOD Ook van Niklaas Utenhoves drie M arkegemse heerlijkheden bestaan er nog drie rekeningen van substituut-baljuw Jan Vander Beke. Zij lopen van kerstavond 1569 tot kerstavond 1572 (13). De jaaropbrengst van de heerlijke rente van de drie heerlijkheden samen bedroeg gemiddeld 131,83 p. par. Daarvan maakte het graan 78 % uit, de kapoenen (gecastreerde hanen) en kippen 17 % en de eeuwig vaste geld-

15


rente slechts 5 %. De stijgende marktwaarde van de raziere haver - 24 sch. in 1570, 32 in 1572 - en dus de stijgende levensduurte lieten de drie heer­ lijke rentes in twee jaar tijd van 124 tot 145 p. oplopen. Bovendien kon ter Hoyen toen nog extra inkomsten halen uit de doodkopen (= dubbele heer­ lijke rente) die de laten als successierecht verschuldigd waren. De vrouw van Claeys Reyniers, van Scharels Vande Brugghe, en verder Cool (= Niklaas) De Neve (1570), Jacob De Smet (1571) en Jan Strinc gheseyt Prophete (1572) golden samen postuum meer dan 12,5 pond aan hun feo­ dale overste. Deze laatste had uiteindelijk ook nog recht op het beste hoofd van Jacob De Smet en de knecht van Lauwers De Hont. Zij waren dus geen buitenpoorters van b.v. Kortrijk en daardoor mocht hun heer het beste stuk onroerend goed uit hun nalatenschap opeisen, opeenvolgend een cleen oolick koelckin (6,6 p.) en een rocxkin (3 p.) d.w.z. een klein, slecht koetje en een onder- of bovenkleed. Zo collecteerde ter Hoyen die drie jaar nog goed 22 pond bonussen. Bijgevolg bleek de grootste heerlijkheid alles samen verantwoordelijk voor 68 % van de heerlijke recette, Oosthoucke beurde 28,4 % en de dorpsheerlijkheid, haar eerbare kerkelijke en burger­ lijke privileges ten spijt, vertegenwoordigde amper 3,6 %. Wat de uitgaven betreft, hadden de Markegemnaren de 100ste penning, in 1569 ingesteld, het jaar daarop niet meer betaald. De derde schijf van die eenmalige overheidsbelasting van 1 % op de waarde van alle onroerende goederen (zo'n 23 p.) moest Jan Van Der Beke maar vereffenen met de opbrengst van de heerlijke renten. De inwoners hadden die taxatie gewoon niet erkend of zogenaamd niet vernomen. In 1571 betaalde Markegem al evenmin de 20ste penning (5 %) op de heerlijke renten, zodat de vervan­ gende baljuw weer eens 6,8 p. uit de pot moest putten. Nog een jaar later kon hij enkel maar hetzelfde verzuim constateren, nu in verband met de 40ste penning op die renten ! Naast een aantal ongespecifieerde uitgaven aan Jan Hasebyt vinden we voor het overige nog de gewone, jaarlijkse vergoedingen voor de gerechts­ dienaars. Dienare Joos Duuck kreeg traditioneel 2 razieren koren voor het bewaren vande busschen ende andere dienst op de drie heerlijkheden en verder een vaste wedde van 3 p. par. De schepenen van ter Hoyen kregen voor het wysene ende helpen zyttene d.i. het aanwijzen en helpen aanslaan van de heerlijke renten 18 s.p. upden dach van ghrasie of ghaudagh. Eventuele geschillen konden toen dus ook aan de hopelijk wijze boeren ter oplossing voorgelegd worden. De schepenen van Markegem en die van Oosthoucke deden op die dag (Kerstmis) hetzelfde en ontvingen per heerlijkheid 12 s.p. Bij Pieter Mestach, die de eigenlijke baljuw van Markegem was en

16


onder meer een herberghe up de plaetse hield, verteerden de baljuw en officier van beide heerlijkheden dan een som van 24 s.p. Voor hun werk op ter Hoyen mochten baljuw en schepenen ook nog eens een complete kapoen verorberen. De baljuw had tenslotte nog recht op 6 p. voor zijn ontvangerskarwei op de drie heerlijkheden en 24 s.p. voor het opstellen van de rekeningen. De kerk- en dismeester van Oostrozebeke incasseerden jaarlijks elk 12 s.p. voor een hypotheek op de Mostbuusch, gelegen tegen de grens van dat dorp. Vermoedelijk betrof dit een oude gunst vanwege één der vorige heren van ter Hoyen. Kastelein Rycke was de laatste die meeprofiteerde van de heerlijke winsten. In 1571 kreeg hij 10 havot haver en in '72 6 kapoenen, maar dan in klinkende specie omgezet. Na de Beeldenstorm was de onveiligheid op het platteland ernstig toege­ nomen. In die tijden van ellende en verzwakkende overheidscontrole flo­ reerden drieste bendes, die het vooral op de rijke boerderijen gemunt had­ den. Zo ondervond ook Lauwers De Hont, de pachter van het nu nog bewalde Goed te Poorters in de Oostrozebekestraat. Zijn cnape werd er up Sente Vensents avont (11 november) 1571 vande roovers vermoort. De malyfacteur kon echter bij de kraag gevat worden en officier Joos Duuck ging meteen naar Kortrijk om ontvanger Hasebyt en den scherprechtere (beul) te halen. De galg van ter Hoyen bevond zich op het Galghebilcxken, het perceel onmiddellijk ten zuiden van de Oostrozebekestraat tegenover het begin van de Sint-Amandsstraat (vroeger : Moststraat). Hasebyt betaal­ de een niet nader genoemd bedrag voor de arbeid bij het herstellen of opnieuw oprichten van de galg. Er moesten daarbij alleszins een nieuwe pot (paal) en spijkers gekocht worden. Joos De Poortere en Passchier Van Westackere kregen 14 s.p. voor wat zij verteerden int maken vanden gherechte. Joos De Vrient ontving dan weer 8 s.p. vanden ketene myts een cramme daer den malyfacteur an ghehanghen was. De beul verdiende voor zijn akelige karwei 13,5 pond en nog 1,5 p. voor scherprechters kosten als hij zyne justisie ghedaen hadde int hooghe. De hoge justitie (galg en put) mocht inderdaad door ter Hoyen toegepast worden, een recht dat in die tijd meestal toch al door de stedelijke rechtbanken overgenomen werd. De leenmannen van de heerlijkheid ontvingen n aer ouder costume 6 p. voor het vonnissen en schouwen van de booswicht. De hele terechtstelling kost­ te tenslotte, voor zover de rekening sommen vermeldt, minstens 38 p. par.

HET BEGIN VAN DE EXODUS Na de Pacificatie van Gent (8 november 1576) keerden veel protestanten naar Vlaanderen terug, maar in plaats van de beloofde godsdienstvrede na

17


te streven, vestigden extreme calvinisten eerst in Gent een dictatoriaal stadsbestuur. Het zogenaamde Comité van XVIII Mannen (1577-'84), dat zijn macht aan heel Vlaanderen op wilde dringen, liet de totale oorlog met Spanje en de katholieken ontbranden. Ook Niklaas, Jacob en Karei waren terug in hun geboortestad waar zij aanvankelijk alle drie deel uitmaakten van het schrikbewind, hoewel zij een tolerante godsdienstpolitiek voor­ stonden (14). Niklaas heeft toen duidelijk zijn Markegemse goederen weer in bezit genomen, maar het beheer daarvan werd hoe langer hoe problematischer. Zo blijkt uit zijn handboeknotities, allemaal over de periode 1576-'81. De visscherie (visrecht) op de heerlijkheid ter Hoyen verpachtte hij vanaf kerstavond 1576 voor drie jaar tegen 5 s. gr. per jaar aan zijn officier Joos De Duc. Maar daarna werd dat recht niet meer verhuurd om den benouden tyts wille, dese twublen ende orloghe. Joos De Duc pachtte zeker cleen huuseken te Markeghem up de knock voor 16 s. gr., maar er bleek dat hij voor de jaeren verschenen Meye 78 ende 79 zeker zo veel reparatien als

dachueren hadde waermede de zelve jaeren verre betaelt zouden zijn ende tsichtent es Joos voornoemt duer de benautheit des tyts overleden ende men mach hem wel quytschelden de reste namelick tjaer verschenen meye XVe tachtentich mits dat een arm man was, ende dienare van Markeghem. Jan De Fraye kon verscheidene meerspachten met Kerstmis 1579 niet meer betalen en zegde de pacht op (...) en zijn tsichtent dese partien onverpacht

bleven van datse niemandt en begheert en ick hebbe het hoy vanden ougst 80 doen mayen up hope van thoy te vercoopen maer ter plaetse en ghalt gheen ghelt ende om te Ghendt doen bringhen, de schippers om het danghier hiesschen meer van vrachten dan thoy hadde moghen ghelden zo dat verloren gheghaen es ende wy zullen noch moeten de oncosten betalen die den baillui van Markeghem in rekeninghe bringhen zal ende Jan De Fraye is oock tsichtent overleden ende zyn weduwe es bystier (berooid) ende wat debvoir datmen daertoe doet om haer ghelt te krighen tzy by arreste ofte andersins men kander niet a f ghekrighen. Karei Tytghat, de pachter van het neerhof achter het kasteel, kocht den hau van de 6 à 7 bunder Mostbossen, maar kon in de winter '79 maar goed 9 van de 12 p. gr. beta­ len. De rest van het hakhoutgeld kon de dorpsheer niet geïnd krijgen, spijts alle moeite die hij zich daartoe ook getroostte. Tijdens de winter '80 bleef het hakhout onvercocht ende onghevelt. Nog dat jaar moet ook kastelein Adriaenken Baudens het dorp verlaten hebben : het upperhuus te

Markeghem, de capelle upt nederhof ende de mote metten wallen cinghelen ende de twee lochtinckskens up tnederhof ende het boomghaerdeken upt eeckhof ende twaerandeken etc. die en zyn niet verpacht gheweest ende

18


dien volghende en es daeraf gheen bate te verwachten. De rechten op vogelvangst en jacht raakten evenmin verhuurd om dese troubels ende om datter niemandt ghelt vooren en boot ( 15). Van de ongeveer 80 Kortrijkse buitenpoorters die Markegem tot en met 1581 telde, bleven er tussen 1583 en 1600 maar zo'n dozijn meer over ( 16). Jonkheer Niklaas Utenhove, getrouwd met Quintine de Gruutere, stierf in Keulen op 31 augustus 1595. Zijn jongere broer Jacob verkocht nog dat­ zelfde jaar Markegem en ter Hoyen voor 775 pond gr. aan ridder Pieter van Steelant, die zo in het bezit raakte van de op dat ogenblik bijna vage en ontvolkte rechtsgebieden (17). Na Jacobs dood (fFrankfurt 1604) erfde zijn dochter Justine, getrouwd met Lowijs van Rockelfing, Oosthoucke, maar toen zij op 5 oktober 1622 stierf ( 18), waren de roem en rijkdom van het Gentse geslacht Utenhove, heren van Markegem, al aan de vergetel­ heid toevertrouwd. Frans HOLLEVOET

VOETNOTEN 1. S.A.G., Register van de Keure 1407-'08, f. il. 2. R.A.G., Familiefonds, nr. 3863 : A.R.A.. Wetachtige Kamer, nr. 1862/2 of R.A.K., O.S.A.K., nr. 860, f. 434. 3. R.A.G., Familiefonds, nr. 4105. 4. Decavele J . , De dageraad van de reformatie in Vlaanderen (1520-1565), deel I, Brussel. 1975, pp. 86-92. 5. R.A.G., Familiefonds, nr. 4069. 6. A.D.N., 12H877, rekening van de Markegemse tienden in 1567. 7. Scheerder J . , De Beeldenstorm, De Haan-Bussum, 1974, pp. 31-33 en 118. 8. Decavele J., o.c., p. 71. 9. A.R.A., Staatspapieren, nr. 618/18, 100ste penningkohier Markegem, 19-3-1572. 10. S.A.G., 20ste penningkohier Markegem, f. 32 v. 11. A.R.A., Rekenkamer, nr. 49042, rekening van de Markegemse tienden in 1568. 12. B.A.B., C41, tiendlegger Markegem (16 juni 1541). 13. A.R.A., Rekenkamer, nr. 19452, heerlijke rekeningen 1569-72 (Markegem). 14. Decavele J., o.c., pp. 92-93. 15. R.A.G., Familiefonds, nr. 4069. 16. Maddens K., De krisis op het einde van XVIde eeuw in de kasselrij Kortrijk, in De Leiegouw, jg. 1 (1959), pp. 82-83. 17. R.A.G., Familiefonds, nr. 4073. 18. S.A.G., Familiepapieren, nr. 6143 (Utenhove)

19


DENKEND AAN ARTHUR VAN DOORNE (°Wingene, 16.03.1908 - fTielt, 12.04.1993) Arthur van Doorne werd geboren te Wingene op 16 maart 1908 op het gehucht De Ondank. Hij stamde uit een landbouwersgezin dat vijf kinde­ ren telde. Toen hij elf was, verhuisde de familie naar de wijk De Hekke op de parochie Sint-Jan. Hij liep er nog school tot hij in 1922 de humaniora aanvatte in het Klein Seminarie te Roeselare. Na de retorica in 1928 volg­ de hij er een jaar Filosofie. In 1931 begon hij zijn academische studies aan de Rijksuniversiteit van Gent, in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, afdeling Germaanse Filologie. Het proefschrift waarmee hij de graad van licentiaat behaalde, handelde over de Franse woorden in het dialect van Wingene. Zijn leraarsloopbaan begon in Mons in het jaar 1936. Intussen huwde hij met M aria-Klara Voordeckers. Reeds in 1938 verhuisden ze naar Gent, waar hij aan het Koninklijk Atheneum leraar Nederlands en Duits werd. In 1941 ontving hij van het Goethe-instituut te München een beurs. Hij behaalde er zijn doctoraat op een onderwerp in verband met de Historische Spraakkunst van het Duits. Van september 1945 tot september 1949 trof hem een administratieve schorsing als repressiemaatregel. Vanaf 1 september 1949 was hij opnieuw in dienst aan het Koninklijk Atheneum van Dendermonde en vanaf sep­ tember 1964 aan het Koninklijk Atheneum van Lokeren, tot hij met pen­ sioen ging in juli 1969. Sinds 1970 verschenen in verscheidene tijdschrif­ ten en weekbladen bijdragen en artikels. Wij vermelden hierbij De Roede van Tielt, Eertijds, A.K.V.S.-Schriften, Avond en De Beiaard van Wingene,

De Wingense Krant. Hij verleende jarenlang zijn medewerking aan de redactie van De Roede van Tielt (1972-1976) en van Eertijds. Hij was ook bestuurslid van de heemkundige kring De Roede van Tielt (1971-1977). Na het overlijden van zijn echtgenote in 1979 keerde hij in mei 1981, naar zijn geboortedorp weer, waar hij verbleef in het rustoord Sint-Anna tot aan zijn overlijden. Doorheen de tijd en op die velerlei plaatsen stond hij steeds open voor menselijke ontmoetingen. Ze hebben de kern van zijn wezen mee helpen bepalen. Hierna zoeken we naar de diepere innerlijke waarde van zijn leven, naar de idealen die hem hebben bezield en geleid. In zijn streven en krachtdadige inzet is Arthur steeds doorheen zijn hele leven uitgestegen boven het dagelijks middelmatige. Nooit zou hij uit onverschilligheid of laksheid zich van een taak ontlast hebben wanneer hij

20


21


tot een algemeen culturele vorming kon bijdragen. Met een nooit aflatend geduld deed hij de nodige opzoekingen om een onderwerp grondig te kun­ nen behandelen en wetenschappelijk te staven. "Alles kan wachten", zei hij dikwijls, in een behoefte om geestelijke bezigheid voorrang te verle­ nen boven materiële zorg. Nu kan inderdaad alles wachten, omdat wij luis­ teren naar hem. Hij was ontegensprekelijk een sterke persoonlijkheid. De uitzonderlijke ontmoetingen met leraren en professoren tijdens zijn studiejaren zullen mee aan de basis daarvan liggen. Dit blijkt ondermeer uit de vele geschrif­ ten die hij aan hen gewijd heeft en waaruit bewondering en waardering spreekt. Hij heeft herhaaldelijk beklemtoond hoe "richtinggevend" bepaal­ de handelwijzen van leraars voor hem geweest zijn. Ook hijzelf vond de grondslagen voor zijn opvattingen over onderwijs en opvoeding in het geloof in de verhevenheid en de ernst van zijn opdracht. Jonge mensen hebben er recht op om ernstig genomen te worden. Ook Arthur wist hoe "oprecht en onvervalst jongemensen zijn en hoe ontvan­ kelijk voor het schone en het goede". In die geest heeft hij jarenlang als leraar retorica jongemensen begeleid en gevormd. Voor honderden is hij ongetwijfeld een steunpilaar geweest maar ook een leidraad voor hun onomwonden idealisme. Zonder ze merkbaar te beïnvloeden, heeft hij ze gemaakt tot volwassen mensen die eigen ideeën leerden hebben en ook leerden ervoor uit te komen. Hij was niet beducht om ze vertrouwd te maken met moeilijke Nederlandse en Duitse poëzie, met de diverse literaire stromingen. En hij leerde ze de kunst van het essay. Hij bracht ze kennis bij over de gangbare filosofische richtingen, vooral het existentialisme. En hij leerde ze ook kritisch oordelen : "Ichfand, dass eine grosse Zahl von den ausge­ stichten Gedichten mit Expressionismus nichts zu tun hatten ... warum sie expressionistisch sein sollten ?" (Gottfried Benn in Lyrik des expressionistischen Jahrzehnts). Geen wonder dat tal van oud-leerlingen in latere jaren nog contact met hem hielden. En dat was wellicht om m éér dan om hetgeen ze van hem leerden. Allen die het geluk gehad hebben op één of andere manier bij zijn leven betrokken geweest te zijn, hebben ervaren dat er een uitstraling was, waarvan de oorsprong moet gelegen zijn in de "wijding" die hij aan alles kon geven. Dat was bij hem een heilig principe : wijding, toe-wijding ; dàt maakte de kern van zijn wezen uit. Door deze geheimvolle wijding, wars van zelfingenomenheid of egoïsme, zijn wij allen, zijn gezin, zijn vrien­ den, zijn leerlingen aangegrepen geworden. Door deze wijding hadden alle dingen die hij zegde en schreef een sterkere aantrekkingskracht, werden wij meer dan anders erdoor geboeid en getroffen. Ze betekende voor hem­

22


zelf, onbewust waarschijnlijk, de bijkomende dimensie die hij aan zijn woorden kon geven. Een persoonlijk uitgangspunt, integreren van tijds­ beeld en situatie, karakterontleding ... zo veel bestanddelen die meespelen bij de beschrijving van personen, kregen meer diepte. Hij noemde ze cultuurdragers, prominenten, geestelijkheid, befaamden. Maar hij beschreef ook mensen die deel uitmaakten van zijn kinderjaren,

"eenvoudige Vlaamse mensen die voor outer en heerd hebben geleefd en geleden". Over al deze mensen schreef hij omdat hij ze belangrijk achtte omwille van hun eenvoud, hun rechtlijnigheid en voortreffelijkheid, hun eruditie en inzet. Hij schreef over hen met waardering, met eerbied en begrip. Hij zocht naar de beweegredenen voor hun handelwijzen en hij dacht met mildheid, maar dan kon hij vaak ook heel streng zijn. Arthur kon dat, omdat hijzelf zo eerlijk en oprecht was, omdat hij altijd trouw gebleven is aan de waarden uit zijn kindertijd en jeugd. Evenzo is hij altijd intens van de natuur blijven houden : de bloesems, bloemen, bomen, het gezang van de vogels ... "De Nachtegaal" van Delfien van Haute was één van de laatste gedichten die hij las : "Rijs, nachtegaal, uw morgen komt te breken

Gij zijt de stem , ’t eenstemmig koor der nachten en lieflijk monklend hoort u God. " Iemand die zo'n verbondenheid met de natuur voelde, iem and die zo'n onbegrensd vertrouwen had in mensen, bij wie elke argwaan ontbrak, brengt dit ons niet bij de eenvoud van zijn ziel ? Is dit niet op hoog vlak vervulling van de menselijke natuur ? Arthur heeft geleefd, gehandeld en geschreven volgens zijn eigen inner­ lijk aanvoelen en geniaal daarbij de taal gebruikt. De taal was zijn instru­ ment, hij bespeelde ze gevoelig, juist en spontaan, schoon... Ze was zijn grote rijkdom waarmee hij heel ons gemeenschappelijk erfgoed gediend heeft. Als doctor in de Germaanse filologie kon bij bogen op zijn taalken­ nis, maar hij heeft vooral liefde voor de taal en voor de poëzie bewaard en beoefend. De dichter is in hem blijven wonen. Ook de klassieke talen zijn in hem blijven leven, omdat hij geboeid bleef door heel de klassieke cul­ tuur en literatuur waarin hij de wortels vond voor de diepere ethische gron­ den van de mens en van zijn leven. Zijn belangstelling bleef steeds uitgaan naar de theologische ontwikkelin­ gen van vandaag, de problematiek van de christelijke bevrijdingsleer, en verder naar het hele politiek gebeuren. Wat was het geheim van zoveel geestelijke vitaliteit, ook al werd die door verzwakte fysische mogelijkhe­ den stilaan ingeperkt ? Het was ongetwijfeld zijn innerlijke bewogenheid,

23


maar misschien ook een diepe gehechtheid aan het leven en een betrok­ kenheid bij de gebeurtenissen en bewegingen van het leven. Ieder die hem gekend heeft, werd aangeraakt door zijn wondere kracht, door zijn goedheid en zachtheid. Hij werd opgetild buiten de bijkomstig­ heden van de werkelijkheid en meegedragen naar het eenvoudig wezenlij­ ke van het leven. Wij zijn dankbaar omdat wij Arthur van Doorne mochten kennen. Maar laten wij nederig hem waardig zijn door in zijn spoor te leven en ons inspanningen te getroosten om de idealen van zijn leven voort te zetten. Wij zijn vooral dankbaar in ons hart om de nagelaten rijkdom van geest en gemoed, van kennis, van schoonmenselijkheid.

Bea CANNOOT

"En k' was gelukkig in den schaduw van dit leven dat naast mijn droomen als een goede vader ging ... ' Karei van de Woestijne

24


BIBLIOGRAFIE Arthur VAN DOORNE (Wingene 1908 - Tielt 1993) 1. De Franse woorden in het dialect van Wingene. * Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, z.pl., XIII, 1939, blz. 297-360. * R.U.G., Gent, Uitgaven van het Seminarie voor Vlaamsche Dialectologie, deel VIII, (1940), 68 blz. 2. Befaamde Tieltenaars uit de 16de eeuw. De Roede van Tielt, jg. 2, 1971, nr 1, blz. 28-36. 3. Welaan dan, beminde parochianen ! Schijnwerpertjes op de parochiegeestelijkheid van Wingene van de 13de tot de 20ste eeuw. De Roede van Tielt, jg. 3, 1972, nr 1, blz. 4-20, ill. 4. Aantekeningen bij de geschiedenis van de parochie Sint-Jan Baptist te

Wingene. De Roede van Tielt, jg. 3, 1972, nr2, blz. 25-32. 5. Requiem voor Antoon Vander Plaetse. De Roede van Tielt, jg. 4, 1973, nr 1-2, blz. 51-59, ill. 6. Een prominent leraar van het bisschoppelijk college te Tielt, 1913-1930 : Jerome Pieters. ‘t Halletorentje, jg. 20, 1973, nr 1, blz. 23-31, ill. 7. Een leraar om nooit te vergeten : Jozef Versele. Eertijds, jg. 5, 1973, nr2, blz. 3-10. 8. In Ulo tempore... Rollariensi. Een schriftuur waarin een poging gedaan wordt om een stuk geschiedenis te schrijven over de periode 1922-1928, de humaniorajaren der retorica 1928 te Roeselare. Eertijds, jg. 6, 1974, nr 1, blz. 27-42 en nr2, blz. 14-40 9. Brief aan een dode : pater Germain Lootens ( + Jacumbo, 1976). Eertijds, jg. 8, 1976, nr2, blz. 1-3. 10. Voorwoord bij ‘Onkruid vergaat niet'. Eertijds, jg. 8, 1976, nr 2, blz. 29. 11. Na lectuur van ‘Colligite fragmenta ne pereant’ (1918-1924). Eertijds, jg. 8, 1976, nr 2, blz. 34. 12. Een dorp is als een thuis. Streekroman. Bij de auteur, Wingene, 1976, 117 blz. [Verscheen eerder in ‘De Beiaard van Wingene’, 1975-1976.] 13. Een doorlichting van de klasgeest in de twintiger jaren in het Klein Seminarie te Roeselare. Eertijds, jg. 9, 1977, nr 2, blz. 34-36. 14. Bericht over een Meidag. Eertijds, jg. 10, 1978, nr 1, blz. 40-42

25


15. O, Wildenburg, o, gastvrij oord. Bij de auteur, Wingene, 1980, 45 blz. [Verscheen eerder in ‘De Beiaard van Wingene’, 1978-79-80] 16. Wij luisterden naar geheel zijn wezen. Eertijds, jg. 12, 1980, nr 2 (Gezellenummer), blz. 15-17. 17. Priester Jerome Pieters. Avond, jg. 8, 1980, nr4, blz. 45-50. 18. Welaan dan, beminde parochianen. [over Ursmar Delporte en Alfons Cagneaux] Avond, jg. 8, 1980, nr 5, blz. 26-33 19. Herinneringen uit terloopse gesprekken met Emiel de Cauter In : Als nagedachtenis aan Emiel de Cauter door zijn vrienden samengesteld, Sint-Martens-Latem, 1980, (36 blz.). 20. Een late hulde aan priester Jozef Vereecke (Oostnieuwkerke 1891 -

Waregem 1969). Eertijds, jg. 13, 1981, nr 1, blz. 9-16, ill. 21. Krijgt het verleden in ‘Eertijds’ te veel ofte weinig aandacht ? Eertijds, jg. 13, 1981, nr 2, blz. 49-51. 22. Het A.K.V.S. in het Klein Seminarie te Roeselare. A.K.V.S.-Schriften, nr 4, Mededelingen van de Stuurgroep van de oudA.K.V.S.-ers, Paul Meulemans, Brussel, 1982, blz. 52-56. 23. Y. de Valfleury, De bende van Wildenburg, Wytterick, Brugge, 1910. Hertaald, voorzien van een voorbericht en een inleiding door A. Van Doorne. Jobert, Wingene, 1982, 108 blz. 24. Het A.K.V.S. in het Klein Seminarie te Roeselare van 1923 tot 1928. In : L. Pillen & J. Pollet (red.), 775 jaar Klein Seminarie, 1982, blz. 139 25. Leraars van weleer. Eertijds, jg. 15, 1983, nr 1, blz. 36-49. 26. Bekende figuren. In : Wingene, het dorp van moeder Gezelle, waar Breughel herleefde. Lannoo, Tielt-Bussum, 1983, 143 blz., ill. op blz. 55-82. 27. Andermaal Wildenburg. Ons Doomkerke, jg. 28, 1983, nr 2, blz. 10-12. 28. Professor Paul Sobry semper vivens (1895-1954). Avond, jg. 13, 1983, nr 3, blz. 29-32. 29. Boeken die beklijven. K. Vangenechten : ‘Geschiedenis van een Kempische Studentenbond (1906-1930)’. Eertijds, jg. 16, 1984, nr 1, blz. 37-38. 30. Professor Paul Sobry, semper vivens (leper 1895 - Leuven 1954). Eertijds, jg. 16, 1984, nr 1, blz. 20-26, ill. [Zelfde titel, maar niet zelfde inhoud als de bijdrage in ‘Avond’, 1983, nr 3.]

26


31. Opgang en teloorgang van het tijdschrift ‘De Vlaamsche Vlagge ’ in het Klein Seminarie te Roeselare 1919-1933. Eertijds, jg. 16, 1984, nr2, blz. 7-14. [Zelfde tekst in A.K.V.S.-Schriften, nr 10, 1985, blz. 54-61.] 32. In eenvoud trouw. Aan een goede vriend, priester Marcel Vermeulen zali­ ger. [gedicht] Avond, jg. 14, 1984, nr2, blz. 23. 33. Alles is herinnering. Berichten uit en over Wingene. Bij de auteur, Wingene, 1984, 90 blz. 34. Nog over priester Oscar Verhaeghe, oud-retoricaleraar 1909-1924. Eertijds, jg. 17, 1985, nr 1, blz. 13-21. 35. Twee Westvlaamse cultuurdragers : Hendrik Persyn en Lodewijk Scharpé. De Roede van Tielt, jg. 16, 1985, nr 1, blz. 31-44, ill. 36. Jan-August Clarysse (1814-1873). Een oud-leerling uit de eerste jaren van het Klein Seminarie. Eertijds, jg. 21, 1989, nr2, blz. 14-16. 37. Een herinnering aan Antoon Vander Plaetse. Eertijds, jg. 22, 1990, nr2, blz. 25-29, ill. [Zelfde tekst als in De Roede van Tielt, jg. 4, 1973, nr 1/2, blz. 51-59. Alleen de titel en de foto’s zijn verschillend.] 38 .De opdracht van een aalmoezenier. Avond, jg. 20, 1990, nr6, blz. 14-17. 39. Germain Lootens Sint-Tillo's Missieblad, jg. 56, 1991. nr 3, blz. 5. 40. Notaris Godfried Persyn en zijn bewogen levensloop (1890-1955). De Roede van Tielt, jg. 23, 1992, nr4, blz. 151-161, ill. 41. Requiem voor André Demedts ( 1906-1992). De Roede van Tielt, jg. 23, 1992, nr4, blz. 166-168. 42. Requiem voor Rafael Vandeghinste. Sint-Tillo's Missieblad, jg. 58, 1993, nr3, blz. 2. 43. Bericht over de Wingense priester Frans Neirynck Avond, jg. 23, 1993, nr 1, blz. 16-21. 44. Priester Laurent Van Iseghem herdacht. De wederwaardigheden van een priesterleven. Avond, jg. 23, 1993, nr4, blz. 56-58. (samengesteld door Ph. De Gryse en B. Cannoot)

27


ALFONS MERVILLIE

(1856 1942)

als componist Alfons Mervillie werd geboren in Wontergem op 17 mei 1856 in het land­ bouwersgezin van Pieter Mervillie en Regina Quintyn. Hij was de op één na jongste van zestien kinderen. Zijn oom, Jean-Baptiste Mervillie, onder­ richtte hem in de oude talen en de muziek. Deze veelzijdige self-made onderwijzer leidde toen in Dentergem een befaamde kostschool. Alfons bracht zijn collegejaren door in Roeselare, en was er bevriend met Constant Lievens en Albrecht Rodenbach. Hij kreeg er les van o.a. Emile de Monie (poësis), Hugo Verriest (retorica) en de muziekleraar Johan Destoop (1). Van deze laatste erfde hij de liefde voor het gregoriaans en Constant Vanhaute (2), organist te Ardooie, had hem warm gemaakt voor het werk van Johann Sébastian Bach. De bijnaam Bach kreeg Mervillie al tijdens zijn Roeselaarse jaren. Op literair vlak bewonderde hij vooral Guido Gezelle. Hij voltooide de humaniora in 1877, volgde in dezelfde stad lessen in wijsbegeerte (toen nog een éénjarige cursus), en trok een jaar later naar het Groot Seminarie in Brugge. Hij werd in 1880 - twee jaar voor zijn priesterwijding - leraar aan de Bisschoppelijke Normaalschool te Torhout en baseerde zijn onderwijs van het gregoriaans op Destoops Traité de chant liturgique. Hij werkte er tot 1891 en telde onder zijn leerlingen o.a. Remi Ghesquière, Jozef Valckenaere, Andries Bulcke, August Tanghe, en Arthur Vermeulen. Tijdens deze jaren schreef hij als autodidact de meeste van zijn composi­ ties. Zijn orgelfuga’s (1884) zijn, op een paar na, gregoriaans geïnspireerd ( Veni Sancte Spiritus, Ave verum, Tantum ergo, Ave maris Stella, Dies irae, Te Deum). Hij verbond de modaliteit van deze kerkzang met het contra­ punt van Bach. De vermenging van de modaliteit met de tonale opbouw van de fugavorm bleef hem echter parten spelen. In hetzelfde jaar ver­ scheen zijn bundel Gezelleliederen met als inleiding een uitgebreide Algemeene beschouwinge over Zange en Muziek. Hij schrijft er dat het (volks)lied tot doel heeft op een aangename manier het volk te ‘verzedelijken’. Verder prijst hij de Vlaamse polyfonisten en de Nederlander Jan Pieterszoon Sweelinck, die de weg effenden voor respectievelijk Palestrina en Johann Sébastian Bach. Hij heeft het ook over de toenmalige ‘Vlaamse school’, gesticht door Peter Benoit. Volgens Mervillie vertoont de Vlaamse muziek grote overeenkomsten met de Duitse. Immers, Peter Benoit heeft de Duitse neo-klassieke (Brahms) en romantische (Liszt, Wagner) stro­ mingen grondig bestudeerd, en de algemene aard van beide volkeren is zo goed als identiek. De Gezelleliederen zelf zijn harmonisch en melodisch

28


eenvoudig opgevat, met herhaalde ritmes. De begeleiding ondersteunt de zang. Er is geen wezenlijk verschil tussen de verklanking van religieus- of profaangetinte gedichten, met uitzondering van het Gebed, dat homofoon is getoonzet, en Begrafenisklokke dat opvalt door zijn toonaard : gis. De 33 kleine en gemakkelijke Orgelstukken werden net als de orgelfuga’s voor zijn leerlingen te Torhout geschreven, hoewel ze pas in 1896 gepu­ bliceerd werden. Mervillie doorloopt in dit werk alle kleine- en grote-tertstoonaarden, net zoals J.S. Bach dit in zijn Wohltemperiertes Klavier gedaan heeft. Ze zijn nu eens geschreven in drie- of vierstemmige contrapuntische imitatiestijl, dan weer in een harmonische koraal vorm. De verzame­ ling sluit met XV lichte veranderingen (variaties) op het Parce Domine. In 1886 werd hij aangesteld als ‘eerste eerevoorzitter’ van de ‘Orgelistenbond van West-Vlaanderen’. Achtereenvolgens was Mervillie kapelaan te Dudzele (1891), te Nieuwpoort (1895) en te Aartrijke (1898). In deze laatste stad was hij de spil van het koor- en fanfareleven. Geregeld trok hij op reis, en maakte zo kennis met Ferenc (Franz) Liszt. Charles Gounod, Anton Rubinstein, Peter Benoit, Edgar Tinei, Lorenzo Perosi en Karei Mestdagh. Als componist van liederen kende hij ruime bijval, vooral in WestVlaanderen. De teksten van deze liederen maken duidelijk dat Mervillie tot de Westvlaamse groep priesters-taalparticularisten behoorde. Als pastoor te Nieuwkapelle (1913-1933) in de IJzerstreek maakte Mervilie de verwoesting en de vlucht naar Noord-Frankrijk mee. De oor­ logsomstandigheden dwongen hem uit te wijken naar Drincham (dekenij Bourbourg), waar hij gedurende een paar jaar het ambt van pastoor waar­ nam. Jammer genoeg zijn vele onuitgegeven composities in het oorlogs­ geweld verloren gegaan. In 1920 componeerde hij 155 Variaties voor orgel, geïnspireerd door het wekkerspel van de beiaard van Exton (Oakham), Rutlandshire in Engeland, waar hij tijdens een zomervakantie als plaatsvervangend priester werkzaam was geweest. Op het 17de 'Liturgisch Congres van kosters en orgelisten’ te Roeselare (15 april 1925) hield Mervillie een voordracht over SchepselmuziekKunstmuziek-Orgelmuziek. In 1933 (op 77-jarige leeftijd) ging hij op rust. Hij trok naar Kortrijk, waar hij stierf op 4 april 1942. Na zijn overlijden raakte zijn literair werk vergeten. Enkele van zijn liederen (Duizende Sterren, Oogstlied, Duinelied) werden nog af en toe gezongen. Op 17 mei 1956 werd in de Normaalschool te Torhout een Mervillieavond ingericht. Herman Roelstraete, die leerling van Remi Ghesquière was geweest, bewerkte enkele van de koor- en orgelwerken van diens m uziekleraar Alfons Mervillie. Daarbij schreef hij: De technische onvoldragenheid van

29


zijn werk zou onvoorwaardelijk elk heropleven in de weg staan. Dit is dan een poging om zijn meest gave en verdienstelijke bladzijden uit de verge­ telheid te halen en van ondergang te redden.

Hans SCHOTTE

VOETNOTEN 1. Johan Destoop (Brugge 1824-Roeselare 1898) werd muzikaal gevormd door zijn vader, die zangmeester was aan de Sint-Gilliskerk en door Jules Busschop. Hij werd in 1848 orga­ nist aan de Sint-Gilliskerk en vanaf 1851 gaf hij les aan de muziekschool in Brugge. In 1861 werd hij muziekleraar aan het Klein Seminarie van Roeselare. Hij gaf in 1871 een Traité de chant liturgique uit. Hij componeerde koorzangen, kerkmotetten, fabelen, pianostukken en strijdliederen. 2. Constant Van Haute schreef als koster-organist in Ardooie missen en religieus geïnspi­ reerde liederen. Voor zijn leerlingen componeerde hij ook orgelmuziek.

COM POSITIES

Liederen : - Duizende sterren (kerstlied), Brugge, s.d., 2 uitgaven - Oogstlied, Brugge, s.d., 2 uitgaven - Duinelied, “Leve de Panne”, Brugge, 2 uitgaven (1878 en 1894), opgedragen aan Johan Destoop - O mijn Dorp (Nieuwkapelle), Brussel, 1925 - De zanger (Albrecht Rodenbach), Roeselare, uitgeg. door De Meester-Van Nieuwenhuyse - Gezelleliederen, Breitkopf und Hartel, Leipzig , 2 uitgaven ( 1884 en 1886), met inleiding: “Algemeene Beschouwinge over Zang en Muziek") (1 ) Eerste deel (uit de dichtoefeningen) 1. Aanroepinge 2. Het Schrijverke 3. De Vierbake des levens 4. Excelsior 5. De Wagen des Tijds 6. De Averulle en de blomme Tweede deel (uit de gedichten, gezangen en gebeden) 7. Kruiske, kruiske goed begin 8. Tot de Zonne 9. Tot de Mane 10. Het Meezennestje 11. Hoort 12. Gebed. Onendig wezen god (Koor voor Mannenstemmen) 13. Boerke Naas (kluchtlied) 14. In Vlaanderen (5 versies voor verschillende bezetting) Toemaatje : Begravingsklokke, opgedragen aan Pieter Mervillie (+1883) en aan Guido Gezelle

30


Orgelwerk : - ‘8 Fugen voor orgel met of zonder pedaal’, Breitkopf und Hartel, Leipzig, 1884, uitg. in opdracht van de ‘orgelistenbond van West-Vlaanderen’ - ‘33 Kleine en gemakkelijke orgelstukken zonder voetspel', Leipzig, 1896, 2 uitgaven, opgedragen aan Johan Destoop en aan V. Coornaert, leraar aan het ‘Groot Seminarie' te Brugge - 155 variaties voororgel, 1920, onuitgeg.

Religieus koorwerk : -

Vierstemmige mis in G Vierstemmige mis in Bes Latijnse kerkliederen of motetten voor 2,3 of 4 stemmen Vier koorwerken voor Gemengd koor a capella ( 1884-1887) : - Panis angelicus - Pange lingua - Ave Maria - Alma redemptoris Mater

Bewerkingen door Herman Roelstraete (2) - op. 77, 1969 : werken van A. Mervillie : 1. groot orgel (4 werken) : - praeludium en fuga op “Ave maris Stella” - praeludium en fuga op “Veni Sancte Spiritus" - praeludium en fuga op “Ave Verum” - variaties over “Parce Domine” 2. orgel (kleine stukken) 3. gemengd koor - 4 motetten voor 4-stemmig gemengd koor a capella : - Ave Maria - Panis angelicus - Alma redemptoris - Tantum ergo - 3 Koorliederen voor 4-stemmig gemengd koor a capella : - Here (G. Gezelle) - De vedel (Rodenbach) - Psalm VOETNOTEN 1. De 14 Gezelleliederen verschenen ook in aparte uitgaven bij G. Beyer in Gent, met een Franse vertaling door D. Destanberg. De liederen nr. 13 en 14 werden pas bij de tweede uit­ gave toegevoegd. Tekst en muziek van Begravingsklokke zijn van de hand van Alfons Mervillie. 2. Bron : onuitgegeven catalogus Herman Roelstraete.

BIBLIOGRAFIE ANONIEM, Alfons Mervillie, in De Gentenaar, 16 juli 1973. ANONIEM. E.H.A.Mervillie, in De Thouroutenaar, 16 juni 1928. ANONIEM, E.H. Mervillie, in Ons Volk Ontwaakt, 4 september 1932. ANONIEM, Het Vertellerstalent van Alfons Mervillie, in Het Wekelijks Nieuws, uitg.

31


Leiestreek, 11 februari 1956. ANONIEM, Mervillie-jaar ging ongemerkt voorbij, in De nieuwe Gids, 7 januari 1957. CRICK, Jef, De Westvlaamse Pastor A. Mervillie, in Volk en Staat, 3 en 4 mei 1942. DE GRYSE, Ph„ MERVILLIE, Alfons, in De Roede van Tielt, jg. 15, 1984, nr.3-4, p.94. DE VLEESCHOUWER, F., MERVILLIE, Alfons, in Nationaal Biografisch Woordenboek, o.l.v. Prof. Dr. Duvillers, IV ,1970. FRANÇOIS, Paul Bach Mervillie in de Orgelistenbond van West-Vlaanderen, in Biekorf, nr.5, 1947. GHESQUIERE, Rerni, Bij een gouden jubelfeest : Alfons Mervillie, in Biekorf, nr.7, 1932. HUYGHEBAERT, Jozef, MERVILLIE, Alfons, in Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, deel 2, Lannoo, Tielt, 1975, p.955.

32


HET OVERLIJDEN VAN PASTOOR-DEKEN KAREL-JAN DE WILDE TE PITTEM. 1845 Op zondag 28 september 1845 om half acht in de avond, overleed in zijn pastorij te Pittem Karel-Jan De Wilde, sinds 11 september 1834 pastoor aldaar en sinds 1841 deken van wat in de kerkelijke bescheiden genoemd wordt het "Districtus Thiletanus", het "Distrikt Tielt", dat in 1845 niet min­ der dan 22 parochies telde (1). De vele beslommeringen in Pittem (2) en de taak van deken hebben deze priester kennelijk kapot gemaakt. Nog dezelfde zondagavond bracht de toen 42-jarige onderpastoor JanBaptist van Quaethem (3) Mgr. Frans-René Boussen op de hoogte van dit gebeuren in een in het Latijn gestelde brief. Onderpastoor Jan-Baptist Van Quaethem was eigenlijk op dat ogenblik de énige onderpastoor in Pittem, aangezien zijn 14 jaar jongere collega-onderpastoor, Jan-Baptist Majoor (4), precies enkele dagen voordien, nl. op woensdag 24 september 1845, benoemd was tot pastoor in Oostkerke-bij-Brugge en aangezien diens opvolger, de Poperingenaar Amand Isacq (°11 september 1818), voorheen titularis der Derde Latijnse in het Brugse Sint-Lodewijkscollege, pas op 13 oktober 1845 als nieuwe onderpastoor naar Pittem kwam. Namens de familie van de overleden pastoor-deken verzocht onderpastoor Van Quaethem Mgr. Boussen de uitvaart te laten plaats hebben op dinsdag 30 september 1845, om half drie in de namiddag. Tot deze familie dienen gerekend te worden o.m. priester Karel-Jan Denys (5), op dat ogenblik pas­ toor te Rollegem en later Pastoor-Deken van Tielt (1855-1882) en Félix De Wilde (6), de latere onderpastoor in Pittem (1864-1871). Onderpastoor Jan-Baptist Van Quaethem blijkt in een bijzondere goede verhouding gestaan te hebben met Grootvikaris Jan Simons (1774-1853), oud-pastoor (1820-1834) van Pittem, die hij aanzag als een persoonlijk raadgever. Toen, naar het oordeel van Mgr. Jan Simons, het onderpastoraat van Van Quaethem te Pittem al té lang duurde, kwam hij op 7 maart 1851 schriftelijk tussen bij Mgr. Malou in een nederlandstalige nota (zie bijlage I). De promotie van onderpastoor Van Quaethem naar de pastorij in Lapscheure, op 23 september 1854, zou Mgr. Jan Simons niet meer mogen beleven, aangezien hij in Brugge overleed op 17 november 1853. Was de verhouding Simons-Van Quaethem bijzonder goed, die tussen onderpastoor Van Quaethem en pastoor-deken De Wilde was het véél min­ der. In een vertrouwelijk schrijven aan Grootvikaris Jan Simons schreef de onderpastoor op 18 mei 1843 o.m. dit : "Mijn Eerwaarde Heer Pastoor, in mijn ogen is hij slechts een tyran, de samenzweerder van mijn konfrater ...." (7). Die "konfrater" was op dat ogenblik de al vernoemde onderpas­

33


toor Jan-Baptist Majoor voor wie Mgr. Boussen véél waardering had (8). Een tweetal vertrouwelijke verslagen van pastoor-deken De Wilde aan de bisschop handelend over onderpastoor Van Quaethem (zie Bijlage II), waren nochtans gunstig. In een brief van 25 juni 1842, gericht tot zijn priesters, had de zeer vrome Mgr. Boussen met nadruk de noodzakelijke goede verstandhouding benadrukt tussen de pastoor en de onderpastoor(s) op een parochie. De pastoors moesten hun onderpastoors met vaderlijke genegenheid om ringen en hun m anier van optreden moest steeds voor­ beeldig zijn (9). De onderpastoors, voor alles wat het zieleheil betrof, moesten zich onderwerpen aan hun pastoor en meewerken (10). Pastoor-deken Karei-Jan De Wilde was de laatste pastoor van Pittem die tevens fungeerde als deken van Tielt. Op 12 oktober 1845 werd deze funktie toevertrouwd aan Jan-Marcellijn Darras (11). Twee dagen later kreeg Pittem een nieuwe parochieherder, een knappe teoloog die het teologisch denken (te Leuven en Rome) op de voet bleef volgen, de toen 39-jarige Kachtemse burgemeesterszoon Lodewijk De Costere, licentiaat in de Godgeleerdheid, tot dan onderpastoor van de St.-Salvatorkathedraal te Brugge (12). Hij werd met grote plechtigheid te Pittem ingehuldigd op 23 oktober 1845. André DEMEULEMEESTER (t)

BIJLAGE Nota van grootvikaris Jan Simons, oud-pastoor van Pittem, over onderpastoor JanBaptist Van Quaethem Monseigneur ! Ik bid uwe hoogweirdigheyd van te willen uwe aendagt vestigen op de volgende priesters, die groot en kloek zijn en van treffelijke familiën. Die veel gewerkt hebben, en goed zijn van gedrag. 1°. Mr. Van Quaethem, onderpastor van Pitthem. Naer 3 jaren dienst is hij te Pitthem mij­ nen onderpastor geworden in februari 1833. Hij predikt en catechiseert zeer w e l.... altijd bereyd om zijnen pastor en confrater te helpen .... in den biechtstoel van 5 uer s'mor gens tot 10 à II ueren, tot dat hij geen volk meer en h eeft.... Excellent om de zieke op te passen, hij en heeft geene vijanden, om dat hij beleefd en gedienstig is. 2°. Mr. A. De Croix, onderpastor van Deerlijk .... Na ruym 3 jaer dienst te St.Denijs is hij gepromoveerd op Deerlijk in juli 1833. Noyt heb ik klachten van hem gehoord ... hij heeft eene school bezorgd voor de parochie ... en een liuys bij de Kerke, dat hij aen zijnen opvol-

34


ger zoud verpagten. Deze heeren zijn in Frankrijk gaen studeeren, waer zij Pothier gestudeerd hebben, hetw. hun veragterd heeft, laeter moetende Dans studeeren. Die heeren hebben ook fransch geleerd. Mr. Van Quaethem kan geen fransch genoeg voor eene waeleparochie ... maer Mr. De Croix kan er meer. Waerlijk, Mgr ! het is compassie weirdig, dat zulke feite en deugdzaeme priesters boven de 20 jaeren moeten onderpastor blijven. Met uytsteekende liefde en achting heb ik d'eere te zijn. J. Simons Vic. gen. den 7 maerte 1851.

BIJLAGE II Pastoor Karel-Jan De Wilde over onderpastoor Van Quaethem. A. Op 8 juli 1837 aan Mgr. F.R. Boussen (vertaling uit het Latijn) : Eerwaarde Heer J.B. Van Quaethem, geboren te Tielt op 24 mei 1803, gedurende één jaar en vier maanden hulppriester in Appelterre, gedurende 8 maanden onderpastoor in Aalter, vervolgens gedurende vier jaar en vier maanden onderpastoor in Pittem : van een goede en voorbeeldige levenswijze en gedrag, nauwgezet in ziekenbezoek en biechthoren, lofwaardig in grote en kleine catechismus, op vreedzame voet levend met zijn pastoor, en immer bereid om zijn pastoor te vervangen, kent de beide landstalen. Pittem, op deze 8 juli 1837.

B. Op 16 juli 1839 aan Mgr. F.R. Boussen (vertaling uit het Latijn) : E li. J.B. Van Quaethem ... enz. : onberispelijk in levenswandel en gedrag, nauwgezet in biechthoren en ziekenbezoek, goed predikant en zanger, immer bereid, wanneer het moet, zijn pastoor te vervangen, kent de beide landstalen. Pittem, op deze 16 juli 1839.

VOETNOTEN 1.

2.

3.

Gemeente-archief Pittem, overlijdensregister 1845, nummer 108. Archief bisdom Brugge (voortaan : ABB), Acta Boussen 1845, fol. 202, 28 september. Deze 22 parochies waren Aarsele, Ardooie, Kachtem, Kanegem. Koolskamp, Dentergem. Egem, Emelgem, Ingelmunster, Markegem, Marialoop, Meulebeke, Oeselgem, Oostrozebeke, Pittem, Ruiselede, Schuiferskapelle, Tielt, Sint-Baafs-Vijve, SintEloois-Vijve, Wakken en Wingene. Over pastoor-deken De Wilde, zie : Antonellus Verschuere, o.f.m., De Zusters van Maria van Pittem. Een eeuw congregatieleven, Lannoo, Tielt, 1948, blz. 9-12 (op blz. 12, zijn bidprentje, bewaard in ABB, Necrologium). Valère Arickx, Geschiedenis van Pittem, Pittem, 1951, blz. 158-159, blz. 203. Idem, Het volksonderwijs te Pittem, 18001872, Biekorf, 1962-1963. blz. 25-26. Thérèse Deschout, De Congregatie van de Zusters van Maria van Pittem. Ontstaan en uitbreiding tol na de tweede oorlog, Verhandeling KUL, 1979. Geboren te Tielt op 24 mei 1803, priester gewijd te Gent in 1830, hulppriester te Appelterre in 1830, onderpastoor te Aalter in 1831, onderpastoor te Pittem op 28 februari 1832, pastoor te Lapschuere op 2 september 1854, pastoor te Waardamme in 1856 alwaar hij overleed in 1873. Gegevens volgens bidprentje ABB, Necrologium. Contra : Arickx, op. cit., blz. 159, die 28 februari 1833 stelt als datum van zijn aan­ komst in Pittem. Mgr. Jan Simons (zie Bijlage I) zegt "in februari 1833". Wellicht is

35


4.

5.

6.

7. 8. 9. 10. 11.

12.

36

het bidprentje fout. Geboren te Staden op 24 juni 1817, priester gewijd te Gent in 1833 ; leraar aan het Klein Seminarie te Roeselare in 1833 ; onderpastoor te Ichtegem op 20 augustus 1833, te Egem op 12 augustus 1835, te Pittem op 30 december 1840, pastoor te Oostkerke (Brugge) op 24 september 1845, te Deerlijk op 13 december 1850, te Stavele op 18 augustus 1862 alwaar hij overleed op 5 september 1874. Geboren te Roeselare op 24 december 1800, leraar college leper in 1824, priester gewijd te Mechelen op 17 februari 1826, onderpastoor te Heestert in 1828, eerste prin­ cipaal van het college te leper in 1833, pastoor te Rollegem in 1842, pastoor te Moorsele in 1852, pastoor-deken te Tielt op 29 juni 1855, aldaar overleden op 24 november 1882. Zijn zus, Juliana-Joanna Denys, was gehuwd met ffendrik De Wilde (Roeselare 30 januari 1797 - Roeselare 20 juni 1863) ; dit waren de ouders van priester Félix De Wilde (zie voetnoot 6). Geboren te Roeselare op 4 oktober 1828, priester gewijd te Brugge in december 1852, leraar aan de colleges van Menen en Brugge. Onderpastoor te Pittem op 30 januari 1864, te Kortrijk Sint-Maarten op 6 juli 1871. Pastoor te Lauwe op 5 juli 1874 alwaar hij overleed op 3 februari 1889. ABB : Jan-Baptist Van Quaethem aan grootvikaris Jan Simons, 18 mei 1843. ABB : Acta Boussen 1840, 24 december, fol. 290 : "M. M ajoor.... j'apprécie les bon­ nes qualités de cet ecclésiastique". Zie : Coll. Ep. Pastoral. Mgr. Boussen, Tomus III, blz. 297. Ibidem. ABB : Acta Boussen 1845, 12 oktober, fol. 211. De "heilige" Deken Jan Marcellijn Darras bleef in deze funktie tot aan zijn dood op zondag 10 juni 1855. Zijn uitvaart had plaats te Tielt op dinsdag 12 juni 1855. Zijn opvolger was Karel-Jan Denys (zie voetnoot 5). Over deze benoeming is in de bisschoppelijke Acta Boussen niets geboekstaafd. Als onderpastoor op Sint-Salvator zat Lodewijk De Costere héél dicht "bij de zon", alles kon mondeling geschieden.


De geestelijkheid van Tielt in het jaar 1883 v.l.n.r. : Victor Cambier, onderpastoor, later pastoor in Kortemark en deken van Gistel / Ch. Verraes, deken / De Geetere. onderpastoor, later pastoor van St.-Jan bij leper en van Oostrozebeke / H. De Wilde, onderpastoor, later aalmoezenier van de gevangenis in Brugge. (Namen en gegevens destijds opgeschreven door E.H. Paul De Lodder, Tielt 1877Kortrijk 1964).

37


Foto zonder datum genomen in Rome Van links naar rechts : A. Boutens, onderpastoor Tielt - L. Claerhout, pastoor Houthulst Jules Ampe, fabrikant Tielt - Fritz Boone, rentenier Tielt - C. De Schepper, onderpastoor Tielt. Zittende : E.H. Jan Haerens student Gregoriaanse Hogeschool in Rome. (namen vermoedelijk door P. De Lodder opgetekend).

38


De geestelijkheid van Tielt in 1918. Op de achterkant van deze foto werd de volgende tekst geschreven door priester Paul De Lodder (Tielt 1877 - Kortrijk 1964) : Geestelijkheid van Thielt in october 1918 door de Duitsche beesten uitgedreven naar Olsene. Van links naar rechts (bovenste reke) : de paters en broeders van 't klooster niet meêgerekend, omdat ik hun namen niet ken. R. VdBussche prof. - J. Vermandere onderp. - A. Mattheeuws prof. - Osc. Verhaeghe prof. - Frater Laurent (Scheut- later broeder geworden) - Cyr. Devisscher prof. - R. Verscheure prof. - Jos. Van Haecke prof. - Van Doorne prof. - L. Van Haelst prof. Tweede reke van links naar rechts : A. D'Hallewijn bestierder ('t Geloove) - R. Beernaert (Bestierder scholen) - Bourdon pastor te Olsene - Pater... - G. VdKerkhove rustend priester. Derde reke van links naar rechts : K. Willems prof. - Pater Antonellus Verscheure broeder van prof. Verscheure der lste reke - J. Decuypere, surveillant - A. Deleersnijder prof. - A. Van der Schelden prof. Mochten in Thielt blijven : deken VdBerghe en H. Dequeker onderp., Edw. Comeyne bestier­ der oud manhuis en eenige paters. E.H. E. Tack prof. (Thieltenaar) was verdoken bij de Zusters Apostolienen te Thielt. Prosper Moncarey onderp. te Thielt onttrok zich aan de uitgedreven priesters lans den weg op Aerseele en keerde weer naar Thielt. P. De Lodder. Thieltenaar.

39


Tielt, werkgevers uit het bouwbedrijf leden van de Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf (NCB) : viering van het 25-jarig bestaan op 16 oktober 1953. v.l.n.r. : zittend : Remi Defauw. Marcel Neirinck, Maurits Neirinck, Edgard Lievens, Maurice Dupont, Aloïs Van Ryckeghem, Gérard Van Hecke. 2de rij : Jules Vandewalle, Edmond Minne, Adiel Debeil, Gustaaf Lemey, Frans Callens (Pittem), Georges Defauw, Hector Braet, Cyriel Vandemaele, Adiel Mathys, A. Vandewiele (administratief secretaris ?). 3de rij : Georges Lannoy, Maurice Defauw, Oscar Dupont, René Durieux, Jerome Bouvry, Jozef Dinneweth, Gérard Declerck, Jozef Vandermeiren.

Adressen van de auteurs : Renaat Lobbestael, Limnanderstraat 13, 8780 Oostrozebeke Frans Hollevoet, Bedevaartstraat 98, 8700 Tielt Bea Cannoot, Hillesteenweg 49, 8750 Wingene Philippe De Gryse, Kastanjelaan 1, 8700 Tielt Hans Schotte, Stationstraat 37, 8700 Tielt André Demeulemeester (t)

40


KULTUUR LIGT ONS. ADVERTENTIERUIMTE TE HUUR

BANK VAN ROESELARE JA, UW AANPAK LIGT ONS.

Rouwdienst DHONDT Stationstraat 103 8700 TIELT

Tel. (051 ) 40 02 27

Kortrijksestraat 86 - 8700 TIELT Tel. (051)42 31 11


'

1 ĂŻH .ietu

,

B


DE ROEDE VAN TIELT

Driemaandelijks heemkundig tijdschrift 25ste jaargang, nr 2 - juni 1994 Afgiftekantoor 8700 Tielt


AUTOCARS-REISBUREAU

DE MEIBLOEM een onderneming die reeds 60 jaar lang met troeven als : VEILIGHEID - KOMFORT - KLASSE U een héél aparte belevenis bezorgt !

\ç)\M ® fllM IIB [L@ [IIM Tieltstraat 186 - 8740 PITTEM Tel. (051) 40 18 23 - Fax (051) 40 51 93 Kasteelstraat 149 - 8700 TIELT V o o r al u w é é n d a a g s e o f m e e rd a a g s e re iz e n L U X E a u to c a rs • • • •

Binnen- en buitenlandse reizen Van 20 - 40 - 54 - 67 tot 87 plaatsen Cars uitgerust met air-conditioning, video, toilet, bar Aanhangwagen beschikbaar

VERNIEUWEN EN HERSTELLEN VAN

M o d e k le d in g in le e r en d a im

DEL LAG0

ZETELS, SALONS, STOELEN EN ZITBANKEN

B0UCKAERT DANIEL Félix D'hoopstraat 33 8700 TIELT

Félix D'hoopstraat 145 8700 TIELT

Tel. (051) 40 42 30

Tel. (051) 40 39 00


DE ROEDE VAN TIELT Heemkundige Kring voor de gemeenten van de vroegere Roede van Tielt, d.i. Aarsele, Dentergem, Egem, Gottem, Kanegem, Lotenhulle, Markegem, Meulebeke, Oeselgem, Oostrozebeke, Pittem, Poeke, Ruiselede, Schuiferskapelle, Sint-Baafs-Vijve, Tielt, Vinkt, Wakken, Wielsbeke, Wingene, Wontergem, Zwevezele. Lid van het Westvlaams Verbond van Kringen voor Heemkunde.

Voorzitter : P. Vandepitte, Driesstraat 7-9, Tielt - (051) 40 17 00 Ondervoorzitter : V. Baert, Oostrozebekestraat 241, Meulebeke - (051) 48 82 98 Sekretaris-penningmeester : Ph. De Gryse, Kastanjelaan 1, Tielt - (051) 40 18 38 Redactie : V. Baert, J. Billiet, Ph. De Gryse, W. Devoldere, Fr. Hollevoet, R. Ostyn, P. Vandepitte

Lidmaatschapsbijdrage : 600 fr., te betalen op rekening 000-0398411-32 van De Roede van Tielt, Kastanjelaan 1, Tielt Verschijnt viermaal per jaar. Er worden geen losse nummers verkocht. Iedere auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van de door hem ingestuurde bijdrage. Bijdragen verschenen in "De Roede van Tielt" mogen slechts overgeno­ men worden met toestemming van de redactie. Kaft : detail van de kaart van het graafschap Vlaanderen door Robert de Vaugondy, zoon, 1762.

INHOUD VAN DIT NUMMER (25ste jg., nr 2, juni 1994) E. Bekaert, De familie Minne : ruim drie eeuwen kosterschap in Dentergem (1610-1949)

blz. 42-92

Drukkerij Desmet-Dhondt, Wakken


DE FAMILIE MINNE : RUIM DRIE EEUWEN KOSTERSCHAP IN DENTERGEM (1610-1949) (*) ln alle streek, op berg, in dal, door woud en weide, in stroom en zee, daar rijst onsterflijk overal een denkbeeld dat soms vreugd, soms wee, doet stijgen door des menschens tinne, het albetoovrend denkbeeld : Minne. (1) In 1610 wordt Pieter Minne door Philippe Lanchals als koster in Dentergem aangesteld, in 1949 ontzegt pastoor Achiel Dewaele de eigenzinnige Elfrieda Minne het doksaal. Tussen beide data liggen méér dan 3 eeuwen en zolang oefenden maar liefst 11 naam- en familiegenoten nagenoeg ononderbroken het kostersambt in Dentergem uit. Het blijkt niet ongebruikelijk dat in Vlaanderen meerdere generaties van één en dezelfde familie een kosterij bedienden. Nogal wat parochies kenden meer dan een eeuw hetzelfde kostersgeslacht, sommige zelfs nog heel wat langer. Tussen 1695 en 1817 waren er 6 opeenvolgende Soetes in Marke (2), Aarsele kende de familie Mestdagh tussen 1613 en 1811 (3), in Outrijve stonden de Duponchels meer dan 200 jaar de pastoors bij. We hebben het dan nog niet over de Wannyns in Avelgem, de Vandeweghes in Dadizele en Moorslede (4), de Tempelaeres in Snellegem (5)... Koploper is echter de familie Froedure in St.-Denijs bij Kortrijk. In 1596 werd Francis Froedure er als koster aangesteld. Hij werd opgevolgd door 12 afstam­ melingen, waarvan René in 1956 de rij voorgoed sloot. Sindsdien neemt Hubert Dessein er het kostersambt waar, heden ten dage in dienst van pastoor Roger Witdouck (6). Met 339 jaar kosterschap binnen dezelfde familie bezet Dentergem naar ons weten de tweede plaats in West-Vlaanderen. We hebben wel niet alle dorpsgeschiedenissen nageplozen en weten niet voor hoeveel gemeenten en parochies dienaangaande nog geen onderzoek werd verricht of gepubliceerd.

Koster en pastoor : dienaar en meester, niet in het minst op het financiële vlak. Het kostersambt stamt uit de negende eeuw. Omstreeks 870 vaardigde Hincmar, aartsbisschop van Reims, een verordening uit waarbij de pastoors de toelating kregen om zich te laten bij staan door een custos - letterlijk een bewa­ ker of beschermer. Aanvankelijk waren de aangestelde kosters zelf priester, maar ze waren niet

42


rechtstreeks verantwoordelijk voor een parochie. Ze mochten hun priesterambt slechts uitoefenen bij afwezigheid of ziekte van hun directe overste. In overleg met zijn pastoor stond de koster in voor de zakelijke aangelegen­ heden in verband met het kerkgebouw en de eredienst. In de praktijk zorgde hij dus voor de versiering van het altaar en van de heiligenbeelden en voor de cultusobjecten, hij was verantwoordelijk voor het schoonmaken van de kerk. Ten opzichte van de pastoor moest hij onderdanig en eerbiedig zijn. Hij moest blijk geven van godsvrucht, edelheid en betamelijkheid. Het gold als een conditio sine qua non dat de koster bekwaam was zijn werk naar behoren uit te voeren. Hij werd verondersteld door zijn levenswijze zijn parochianen tot voorbeeld te strekken. (7) Een deel van het werk van de koster werd mettertijd door de kerkbaljuw over­ genomen. In Dentergem was dat het geval voor den oppas der beste ornamen­ ten, het uitstellen en wegdoen van den hemel, de standaerden, vanen... het kerkvagen, het klokluiden (8). Ook werd de koster vrijgesteld van meer ‘avon­ tuurlijke’ opdrachten : kreeg de koster in 1567 in Dentergem nog 8 schellingen parisis om twee hulen te vanghene binnen desen jare (9), in 1756 was het de kerkbaljuw die belast was met het uijtslaen vande honden (10) die blijkbaar in de kerk ronddoolden. Het ambt van kerkbaljuw werd vermoedelijk in het leven geroepen na de oorlogstroebelen van de jaren 1578-1609. In Dentergem is er in 1614 sprake van ene Pieter Devlieger, de eerste van een heus kerkbaljuwsgeslacht met Joos, Roelant, Matthijs, Francies en Jan-Baptist als opeenvolgende bedienaars. Vanaf 1846 is het de beurt aan Louis Van Gelder. Die wordt in 1891 door zijn neef Désiré Van Gelder opgevolgd. Wanneer die op 10 mei 1929 overlijdt, wordt meteen het kerkbaljuwschap in de parochie opgedoekt (11). De hulp die de Devliegers in het midden van de 18de eeuw boden, zal toentertijd meer dan welkom geweest zijn. Rond 1755 werd voor het eerst een orgel in de Dentergemse kerk opgesteld, waardoor de kosters een extra taak bijkregen (12). Iedereen was het erover eens dat de kosters recht hadden op een vaste vergoeding. Minder vanzelfsprekend leek, tijdens het Ancien Régime - de tien eeuwen vóór de Franse Revolutie - het antwoord op de vraag wie voor die geldelijke tegemoetkoming diende op te draaien. Alleszins vóór 1653 waren de Dentergemse kosters financieel afhankelijk van de goodwill van de parochiale gemeenschap (13). In 1623 ontving Pieter Minne (fs Jan) 6 pond grote en hij mocht kosteloos gebruik maken van een stuk weide ter grootte van een gemet (14). In 1614 werd er zelfs bedongen dat het hem toegestaan was brood om te halen bij de boeren, het zgn. custerscoren (15). In de middeleeuwen leek het gebruik vrij verspreid dat de kosters, in ruil voor wat suikergoed voor de kinderen, tijdens de paasweek de boerderijen bezoch­ ten om eieren in te zamelen (16). Deze van oorsprong heidense gewoonte tref­ fen we nu nog aan in tal van plattelandsgemeenten, waar misdienaars in de

43


paastijd van deur tot deur trekken om wat zakgeld te bedelen. Het liedje dat ze daarbij somtijds aanheffen, is heel wat begrijpelijker als men de oorsprong van het gebruik kent : 'Bim bam, Beieren, de koster mag geen eieren. Wat mag hij dan ? Spek in de pan, de koster is een lekkere man.’ Als gevolg van de crisisjaren in het midden van de 17de eeuw, werd de last van het levensonderhoud van de koster in de tweede helft van die eeuw op de tiendheffers afgewenteld (17). Tienden waren van oudsher kerkelijke belastin­ gen op veldgewassen en dierlijke voortbrengselen. In de praktijk betekende dit dat landbouwers, wat de gewassen betreft, één tiende van hun veldopbrengst, de z.g. elfste schoof, dienden af te staan. Sinds de tijd van Karei de Grote (circa 800) hadden de tienden een welomschreven bestemming : één derde (de 33ste schoof) was bestemd voor het onderhoud van de kerk, één derde voor de armen en het laatste derde voor de pastoor ( 18). In de loop van de volgende eeuwen duiken echter nieuwe tiendheffers op, niet zelden abdijen en kerkelijke instellingen. Ook in Dentergem veranderde er nogal wat. In 1571 genoot de armendis (het toenmalige OCMW) geen tiendinkomsten meer, maar moesten kerk en pastoor de financiële opbrengst delen met de kapelanie van O.L.Vr., de kerk van Markegem, de heer van Oudewalle (één der circa 15 heerlijkheden die Dentergem toen telde) en de Wevelgemse Guldenbergabdij (19). Van 1616 af stellen we vast dat de kerk één vijfde van haar tienden moet afstaan ten voordele van de armen (20), terwijl op het einde van de 17de eeuw en alleszins nog in de eerste helft van de 18de eeuw de parochie als tiendheffer wordt vermeld (21). Tijdens de laatste jaren van het Ancien Régime inden kerk, armen, pastoor, de abdij van Wevelgem en de kerk van Markegem de Dentergemse tienden (22). Voor de Dentergemse kosters waren deze tienden dus allesbehalve onbelang­ rijk. Zo genoot Pieter Minne (fs Pieter) in 1693 ook een globaal vast inkomen van 6 pond grote. Het verschil met de toestand zeven decennia eerder - ten tijde van zijn vader, Pieter senior - lag in het feit dat hij zijn loon nu ontving van de pastoor, de kerk, de parochie en de abdis van Wevelgem. Pastoor Francies De Mey nam hiervan 1,5 pond voor zijn rekening (23), een habbekrats eigenlijk als men weet dat hij normaliter 133 1/3 pond aan tiendinkomsten opstreek, wat evenveel was als de pastoor van Tielt en... de griffier van de Grote Raad van Mechelen (24).

De duistere middeleeuwen Door de oorlogsellende in de tweede helft van de 16de eeuw is er een schat aan geschreven bronnen verloren gegaan. Het is dan ook nagenoeg uitgeslo­ ten dat de vorser een door de middeleeuwen heen ononderbroken reeks van dorpsnotabelen kan samenstellen. Als zo’n specimen veeleer onverwacht van­

44


onder het eeuwenoude stof te voorschijn komt, koestert men die met de nodige omzichtigheid. We slaagden er gelukkig in tussen de 13de en de 16de eeuw tien Dentergemse pastoors uit allerlei archiefstukken op te diepen (25). Voor de kosters moeten we ons tevreden stellen met 3 schamele eenheden. Voor de oudst bekende Dentergemse koster moeten we teruggaan tot de eerste helft van de 14de eeuw. In 1352 sondaghes voor onser vrauwendagh te half ouste wordt opgetekend dat Heinricke, Jhans zone, Van der Wedaghe alle zine daghe... twintich jaer ende tyds meer... dese voorseide costrie heeft beseten (26). In 1349 bekleedde hij naast zijn kostersambt nog de functie van schepen of alloyier in de vrij-eigen heerlijkheid Dentergem (27), een ‘dubbelmandaat’ dat later nog zal voorkomen. Van der Wedaghe overlijdt in 1370, na een kostersloopbaan van meer dan 40 jaar. Hij wordt opgevolgd door Jhanne Van der Naedt (fs Laurens) die van rid­ der Heinric vander Oye en zijn echtgenote Marie van Denterghem de toestem­ ming krijgt de costerie van denterghem... te besetten ende te ghebruiken alle zine daghs die hij leven zal... omme dat wy willen dat dese ghifte goed vast ghestade blive ende wel ghehouden van ons ende van onsen naercommers (28). Net als de Van der Wedaghes was ook de familie Van der Naedt actief op bestuurlijk en strafrechtelijk gebied aangezien Daniël Van der Naedt (broer of zoon van Jhanne ?) in 1406 zitting had in de dorpsschepenbank (29). In 1571 wordt Salomon Galle als koster vermeld (30). Hij was dan nog vrij jong, aangezien hij pas op 13 mei 1635 overleed. Rond 1578 volgde hij Lieven De Deckere als dorpsbaljuw op, een verantwoordelijkheid die hij ongeveer een kwarteeuw lang zal blijven dragen (31). Het samengaan van de taak van koster met die van baljuw moge misschien vreemd lijken, eenmalig was ze beslist niet. Ongeveer twee eeuwen later, in 1784, vervult ene Pieter-Jozef Desmet in de buurgemeente Wontergem eveneens tegelijk beide ambten (32). Bestuurszin zat de Galles blijkbaar in het bloed. In 1571 was Salomons vader, Francies, baljuw en ontvanger van de heerlijkheid Steenkerckx in Dentergem (33). Vanaf 1605 droeg Salomon Galle ter ontlastinghe van ons officie het overgrote deel van zijn kosterstaken over aan Jan Baesbanque. Hij was enkel nog bereid pas­ toor Michaël Rysebo (1602-1611) bij te staan op feestdagen. Kortom Baesbanque werd gehouden... der costers officie te bedienen, dat is den pas­ toor te assisteren int celebreren vanden daghelycxsche missen, mitsgaders int administreren vanden H. Sacramenten. Galle beloofde hiervoor een deel van zijn jaarlijkse toelage van 24 pond parisis aan Baesbanque af te staan en hem te laten delen in ‘s kosters recht als hem vanden insetene jaerlicx toecompt van cooren, eyeren, broot etc. Salomon Galles helper (of moeten we zeggen vervanger ?) ontving vanaf 1606 jaarlijks nog 20 pond parisis voor het besorghen ende leveren alle den wyn ende messebroot dat in den voorscreven keercke byden priester zal geleten

45


worden. Voor dat bedrag moest hij ook wasschen, scheuren ende reynighen de keerckelycke ornamenten ende priesterlycke habytten... de keercke vaghen ende deselve zuyver houden van alle vuylicheyt... met respectie vanden kerckmeestre metten beckene ommegaen... vanden apporten notitie houden ende overleveren. Last but not least werd Jan Baesbanque opgedragen den Sabadts dach ende hoochtyden te luyeren (34). Waarom Galle het eind 1605, voor bekeken hield en de volgende 5 jaar veeleer de jure dan de facto als koster door het leven ging , konden we niet achterha­ len. Overmand door het vele werk zal hij wellicht niet geweest zijn, aangezien Dentergem als gevolg van de crisis op het einde van de 16de eeuw meer en meer ontvolkte (35). In 1580 verbleef pastoor Adriaan Bolle in het veiliger Brugge (36) en na zijn overplaatsing naar Sint-Denijs-Westrem in 1586 vond men het zelfs niet nodig een opvolger aan te stellen (37). Om de weinige parochianen die nog een vaste woonplaats hadden toch nog de nodige sacra­ mentele bijstand te verlenen, trad de parochiepriester van Gottem én deken van Tielt, Francies De Smet, op als desservitor of waarnemend pastoor in Dentergem, Wontergem, Wakken, Oostrozebeke en Markegem (38). Pas in 1602 kreeg Dentergem met Michaël Rysebo een nieuwe zielenherder.

Pieter Minne (fs Jan), een man van aanzien : 1610-1646 Pastoor Rysebo heeft niet lang van zijn beide kosters kunnen genieten. In 1610 hadden zowel Galle als Baesbanque er de brui aan gegeven en kloeg de pastoor erover dat de costerie van Denterghem jegenwoordigh onbedient staet. Hij eiste dat de dorpsheer hebbende de dispositie vande voorseide costerie, ter causen van zyne voorseide heerlichede van Denterghem stante pede een opvol­ ger zou benoemen. Rysebo stelde Pieter Minne voor. Op 26 augustus 1610 ging dorpsheer Philippe Lanchals (1606-1637) daarop in, gevolg gevend aan tgoed rapport hem gedaen vande ydoniteit [= bekwaamheid] ende comportementen [= gedrag] van ‘s pastoors beschermeling. Minne mocht de kosterij gebruicken ende bedienen, up de prouffyten, salarissen ende emolumenten[= opbrengsten] van oudts daertoe staende. Hij moest wel zijn leven lanck in functie blijven zonder die [= de kosterij] te moghen an andere overstellen, van zelve bedie­ nen ende aldaer resideren (39). Pieter Minne was één van de kinderen (vermoedelijk 4) van Jan en Joanna Penninck die zich op het einde van de 16de of vroeg in het begin van de 17de eeuw in Dentergem hadden gevestigd (40). Zijn broer Joos (gehuwd met Hanneken Van Wonterghem) verhuisde naar Egem, waar hij tussen 1621 en 1626 of begin 1627 eveneens koster was (41). Adriana (gehuwd met een zeke­ re Philippe) trok naar Zulte, zijn tweede zus, Livine (gehuwd met Guillaume Van Essche), bleef in Dentergem wonen. Pieter Minne betrok eene behuysde

46


.r ^

--vi . r •

C ^ ^ K .< U .< ;^ 0 > ^

J ji& u f* Q v v v ^ v ^ j-f 3

ÿtc ^^vx<- j r ^ i m i - <-4vt)^

^evyqp ! V l^')<“:-l—

& i > f - S ( ^ f ÇW-uj (|)u5Wv lV , » ’t '-“ / ' öuTlc îi«.ci y i U 'iït1- t>^fvWet, ) V? 7k1piiAV i_S/tv«^h ^h.lS.1tvCj ^ÏVmj Otvïvf^

f —f*ti£i^<i

& X v ^ C tw s c Q jft^ v n £ " V v & â t£ 1 < h \* k 4 ‘fcv

l «'vv? Y ' / ‘'^•ovvï) V^y 5v\£- - f \ 5 ^ - X

t j

(ié^vxClx^ <i£tAi£ S J - f l t * t£>V 6^é-W £>n y-vn./cçl^t Q j^TT Vwtv îÿtA.^ Ü-vj (VtivZwAÏ jvjV

QüotvvSlAo^1! ^

uiv>^ht«fr4A

K ^M U -Zi 'V

Benoeming van Pieter Minne (fs Jan) tot koster in Dentergem, 26.08.1610 (S.A.G., inv. 78/1, nr. 320).

47


hofstede... met woonhuys, schure, poest [= koeiestal], ovenbuer ende haerhuys [= opslagplaats] met diveersche fruytboomen daerop staende. Het boerderijtje, met een totale oppervlakte van 2 honderdlands (42), besloeg het grootste deel van het huidige huizenblok tussen Kerkstraat, Statiestraat en Wontergemstraat. Van ouds een kercke stede [= eigendom van de kerk] gheseyt de cappelrie (43), behoorde de hofstede in de eerste helft van de 17de eeuw tot de vele rentegronden gehouden van de heerlijkheid Dentergem (44). Pieter verloor er in 1621 zijn vrouw Mayken Peers die hem drie kinderen naliet (45) : - Pieryncken (Pierine) 2 juli 1612- 1636 - Mayken (Maria) x Pieter Heytens - Janneken (Joanna) x (14.11.1640) met Christiaen Tuijtschaevere. Pieter hertrouwde met Livine Piessens en kreeg er nog 8 kinderen bij (46) : - Pieterken (Pieter) : zie verder. - Jaeckxken (Jacobus), °23 april 1625, x (16.2.1648) met Elisabeth Baecke, f3 oktober 1676 van rooloop [= dysenterie], - Tanneken (Anna), °29 augustus 1627. - Jan, 7 januari 1630 - 20 november 1630. - Judocus, °9 juni 1632. - Ghaerdynchen (Gerarda), °18 september 1635. - Dyonisius (Denijs), 24 april 1637 - 9 januari 1695. - Jossynchen (Judoca), °25 augustus 1641. Als koster diende Minne onder 3 pastoors. De samenwerking met Michaël Rysebo duurde welgeteld één jaar (47) en verliep onder vrij moeilijke omstan­ digheden. Het aloude kerkje stond er, na drie decennia oorlogsmiserie, meer dan vervallen bij en slechts met het nodige kunst- en vliegwerk kon men er de goddelijke diensten houden (48). Kort na de aankomst van Jacob De Coninck (1611-1634) kwam er een heel nieuwe kerk, die vermoedelijk in september 1614 werd ingewijd (49). Waren de arbeidsomstandigheden daardoor heel wat verbeterd, op het vlak van de betrekkingen met zijn pastoor had Pieter Minne het allicht niet onder de markt. De Coninck dronk als een tempelier, zodat hij geregeld uitblonk door afwezigheid en door een tergend gebrek aan pastorale ijver (50). Met zijn laat­ ste zielenherder trof onze koster het beter. Thomas Vander Gheylen (16341659) leefde in een rimpelloze verstandhouding met zijn parochianen, was vroom en zorgvuldig en bleek bovendien een uitstekend econoom te zijn (51). We vermeldden het al : zeker vanaf 1623 ontving Pieter Minne een vaste kos­ tenvergoeding van 6 pond grote. Een aanzienlijke verbetering in vergelijking met 1614, toen hij maar 3 tot 4 gulden opstreek. In dat jaar haalde hij wel brood om bij de boeren (52) en verdiende hij nog wat bij als tijdelijk koster in Markegem. Pastoor De Coninck droeg toen immers afwisselend in Dentergem en Markegem de mis op (53). Vanaf 1640 kreeg hij nog een jaarlijkse toelage

48


ร‡^cfJtรป

Pieter Minne (fs Jan) bewoonde de vlakbij de kerk gelegen hofstede "De Cappelrie" (nrs. 65 en 66), eertijds een kerkcke stede (S.B.K., Fonds de Bethune, renteboek heerlijkheid Dent., anno 1725).

49


van 4 pond 14 schellingen grote over zyn recht van tdienen vande jaergheteyden ende fondatien vande messe ghefondeert inde kercke (54). Pieter Minne was niet alleen koster. Volgens bisschop Antonius Triest was hij in 1624 dorpsgriffier (55), terwijl dorpsheer Maximiliaan Antoon Lanchals (1637-1650) op 24 juli 1641 zijn functie als ontvanger van de heerlijke renten van de heerlijkheden Dentergem en Steenkerckx verlengde (56). Naast zijn kerkelijke en administratieve taken was hij ook op bestuurlijk-rechterlijk vlak actief. Ten minste vanaf 1633 tot zijn overlijden, 13 jaar later, zetelde hij in de dorpsschepenbank (57). Zoals zovele kosters in de eerste helft van de 17de eeuw was Pieter Minne ook onderwijzer. Al in 1571 werd er in Dentergem les gegeven (58), maar, door de rampzalige toestanden de volgende jaren, was er van schools onderricht in het begin van de 17de eeuw helemaal geen sprake meer. In 1610, het jaar van Minnes aanstelling tot koster, werd er in het decanaat Tielt waarschijnlijk alleen in Meulebeke, Oostrozebeke, Ruiselede, Tielt en Wakken onderwijs ver­ strekt. De diocesane synode van 1613 drong erop aan dat overal scholen opgericht zouden worden, zoals het provinciaal concilie van 1607 had voorgeschreven (59). In 1611 was er in Dentergem van een schoollokaal nog steeds geen spra­ ke. Er werd toen wel opnieuw les gegeven, maar dat gebeurde in een... her­ berg (60). Twee jaar later stelde deken Vander Beke met voldoening vast dat Pieter Minne niet alleen de Dentergemse maar ook de Wontergemse kinderen onderwees, zij het alleen ‘s winters (61). Alhoewel het provinciaal concilie van 1607 verboden had jongens en meisjes samen te onderrichten, gaf Minne in 1630, tot ongenoegen van bisschop Triest, nog steeds les aan beide geslachten samen (62).Antonius Triest, de principiële prelaat, had het niet zo op Minne begrepen. Er viel op hem als koster weinig aan te merken (63), maar als schoolmeester stond hij niet zo best aangeschreven (64). In 1624 oordeelde de bisschop dat Minne, wegens zijn overtalrijke bezigheden, te weinig aandacht aan zijn onderwijs besteedde (65). Daarentegen schreef deken de Mol in 1633 dat pastoor De Coninck vrij tevreden was over zijn schoolmeester en hij stelde toen zelf vast dat Pieter Minne toen les gaf aan de jongens en zijn vrouw Livine Piessens aan de meisjes (66). Hoeveel onze schoolmeester als lesgever verdiende, konden we, bij gebrek aan parochie- en disrekeningen, niet achterhalen. Normaliter betaalden vermogen­ de ouders schoolgeld voor hun kinderen en kreeg de onderwijzer een vergoe­ ding van de parochie voor zijn onderwijs aan arme kinderen (67). Vanaf 29 september 1642 was het hoe dan ook afgelopen met Pieter Minnes onderwij­ zersloopbaan. Deken de Mol verleende toen ene Jan Visé de toelating om in Dentergem als onderwijzer aan de slag te gaan (68). In de tweede helft van de 17de eeuw werden in het decanaat Tielt de kosters-schoolmeesters steeds zeld­

50


zamer. In 1682 was het zelfs merkwaardig dat men er nog één aantrof (69). Het zou in Dentergem nog meer dan een eeuw duren vooraleer beide functies weer door één en dezelfde persoon werden uitgeoefend ... Pieter Minne overleed in januari 1646, zijn tweede vrouw, Livine Piessens, op 14 februari 1668. Zijn grote bedrijvigheid had hem geen windeieren gelegd. Behalve ‘De Cappelrie’ bezat hij nog zes partijen rente- of cijnsgrond (gehou­ den van de heer van Dentergem) met een totale oppervlakte van 28 honderdlands of ruim 2,5 hectare. Hij bewerkte ook nog twee lapjes grond van 3 en 2 honderdlands, als leen gehouden respectievelijk van het kapittel van Doornik en van de heerlijkheid van Dentergem. Zijn zes ongehuwde minderjarige kin­ deren (jonger dan 25 jaar) mochten na zijn begrafenis bovendien nog 1751 pond 2 schellingen parisis onder elkaar verdelen (70).

Pieter Minne (fs Pieter), de niet officiële koster : 1646-1697 Pieter Minne werd als koster opgevolgd door zijn oudste zoon Pieter, eerstge­ borene van zijn tweede vrouw Livine Piessens. Hij zag het levenslicht eind 1622 of begin 1623 (71) en huwde op 17 februari 1661 met Joanna Oste. Die laatste overleed op 17 januari 1684, nauwelijks een jaar na de geboorte van haar vijfde kind (72) : 1. Joosyne (Judoca), °27 augustus 1662, x (14.06.1689) met Jan De Voldere, f23 maart 1708. 2. Jacobus : zie verder. 3. Pieter : °14 januari 1671, x Maria Goudtsmet, f4 december 1760. 4. Roogyne (Rogeria), °4 april 1675, x (03.09.1698) met Rogier Van Dorpe, f26 december 1701. 5. Annamarije (Anna-Maria), °2 maart 1683, x Jacobus Baeckelandt, f 19 januari 1713. Pieter Minne bewoonde een cijnshofstede gehouden van de heer van Dentergem, groot 235 kleine roeden (20 a 80 ca) van oudts genaemt het haentjen (73). Heden ten dage is dit Dentergems drukst bezochte café, met als topo­ nymisch uithangbord ‘Gasthof De Haan’. De herberg werd tussen 1807 en 1821 geopend (74), maar Minne schonk er al in 1655 geestrijke dranken, alhoewel de diocesane synode van 1613 uitdrukkelijk verboden had dat een koster ook herbergier zou zijn. In de tweede helft van de 17de eeuw schoof de gemeenschap overal (in het decanaat Tielt) de onderhoudslast van de koster door naar de tiendheffers. In Dentergem verliep deze omschakeling allesbehalve rimpelloos en Pieter Minne heeft nagenoeg zijn hele kostersloopbaan door problemen gehad om aan een volwaardig loon te geraken. In 1655 werd hij door de kerkelijke overheid aan­ gemaand zijn herberg te sluiten en zelf stappen te ondernemen om op een andere wijze in zijn levensonderhoud te laten voorzien: ofwel door de tiend-

51


Pieter Minne (fs Pieter) nam zijn intrek in "Het Haentjen", gelegen op de hoek van de Dreve en (de toenmalige) Pontbrouckstraat (zie pijl). Toen een boerderijtje, van 1807-1821 tot op heden een goedbeklant cafĂŠ (S.B.K., Fonds de Bethune, renteboek heerlijkheid Dent., anno 1725).

52


heffers ofwel door de parochianen (75). Twee jaar eerder had hij er al op aan­ gedrongen - blijkbaar tevergeefs - dat de parochie de tiendheffers voor het gerecht zou dagen ten einde voor hem een deftig salaris te bekomen (76). Als tiendheffer betaalde de parochie, alleszins vanaf 1678, Minne jaarlijks 3 pond grote (77). De kerk, die soortgelijke verplichtingen had, was niet zo happig om met het nodige geld over de brug te komen. Dit ergerde onze koster dusdanig dat hij tussen 1660 en 1683 soo van landtpachten als van eene rente... die hij aende kercke is geldende... ende daerover noch is restende tot 248pond 6 sch. 8 den. pan... refuseert te betaelen ten opsichte van sijne costeraele diensten die hij is pretenderende tot laste vande kercke (78). Of deze stugge houding van Minne er wat mee te maken had, weten we niet, maar in 1683 werd er met terugwerkende kracht 294 pond parisis vrijgemaakt over vijfendertigh jaeren competentie costeraele van 1648 tot ende met 1682 tot laste vande kercke als deel hebbende vande groote thiende (79). Wie dacht dat Minne door deze financiële genoegdoening tot rust zou komen, heeft het verkeerd voor. Om één of andere reden weigerde hij in het begin van de jaren 1680 zijn beden (= directe koninklijke belastingen) te betalen. Baljuw François-Philippe Van Biesbrouck liet het daar niet bij en verhaalde het tekort op Pieters wedde. Tussen 1683 en 1686 ontving Minne van de parochie dan ook geen schelling, verre van de 12 pond waarop hij normaal gezien recht had. De koster trok onverwijld naar de Raad van Vlaanderen en kreeg er gelijk, zij het ten voorlopigen titel, in 1687 ontving hij 6 pond grote op minderynghe van tgone hem anghewesen inde Raede van Vlaenderen bij sententie vanden 4 7bre 1687 ter causen van sijn pretens pensioen costerael sonder prejuditie vande saecke principaele (80). In 1693, enkele jaren voor zijn overlijden, leek alles uiteindelijk dan toch gere­ geld. De onderscheiden tiendheffers waren blijkbaar tot een vergelijk geko­ men en Minne genoot toen een vast inkomen van 6 pond grote, te weten 3 pond van de parochie, anderhalf pond van de pastoor, 16 schellingen van de abdis van Wevelgem en 14 schellingen van de kerktienden (81). Buiten deze wedde kreeg hij nog wat ‘drinkgeld’ voor zijn dienst in de jaargetijden en eucharistievieringen. Vanaf 1655 was dit onveranderd 7 pond 19 schellingen parisis, toch bijna het dubbele van wat zijn vader destijds hiervoor opstreek (82). Of al die financiële verwikkelingen hier iets mee te maken hebben, is ons niet duidelijk, maar het is een feit dat Minne nooit officieel als koster is benoemd. Hij was allerminst gelukkig met die halfslachtige situatie, zoals blijkt uit het proces dat in 1682 dienaangaande lopende was (83). Deze finan­ ciële en statutaire zorgen hadden beslist een weinig heilzame invloed op zijn kosterswerk. In 1670 noteerde deken Verbeke dat de Dentergemse koster toch ietsje beter presteerde dan de voorgaande jaren (84). Pieter Minne heeft tijdens zijn lange loopbaan vier pastoors gediend. Hij start-

53


te in de tijd van Thomas Vander Gheylen. Hij overleefde Francies De Mey die nochtans 35 jaar lang (1659-1694) het wel en het wee van de parochianen deel­ de. Pastoor De Mey, zelf geen toonbeeld van orde en regelmaat (85), overleed op 6 januari 1694 als gevolg van de pest (86). Hij werd opgevolgd door Michaël Dallecourt (1694-1696) die na twee jaar overgeplaatst werd naar Lovendegem (87). Het laatste jaar van zijn loopbaan maakte Minne nog kennis met Joannes Hosijn (1697-1723). Als deelgenoot van zijn tijd kreeg Pieter Minne uiteraard te maken met de harde, meestal allesbehalve kerkelijke, realiteit. Gedreven door de dwangge­ dachte om van de Rijn de natuurlijke noordgrens van zijn rijk te maken, voer­ de de Franse koning Lodewijk XIV tussen 1667 en 1697 een viertal nietsont­ ziende oorlogen die meestal in de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België) werden uitgevochten. Dieptepunt van de ellende was de Negenjarige Oorlog (1688-1697) waarin Lodewijk XIV het opnam tegen de Augsburgse Liga, een coalitie van Duitse vorstendommen, Spanje, Zweden, Engeland en de Noordelijke Nederlanden. Deze wel erg verscheiden legerkorpsen doorploeg­ den jarenlang onze gewesten en ook Dentergem was hiervan ruimschoots het slachtoffer. Eind juni 1695 verbleven er in Dentergem en Gottem 25.000 geal­ lieerde soldaten onder de leiding van prins Vaudemont en hertog von Wurtemberg. De Franse generaal Villeroy - die anderhalve maand later drie dagen lang Brussel zou laten beschieten en ten minste 2700 huizen, waaron­ der die van de Grote Markt, in puin legde - trok in de nacht van 12 op 13 juli van Kortrijk naar Dentergem in de hoop er de verbondenen te verrassen. Vaudemont rook echter onraad en ontkwam op het nippertje door zich via Deinze naar Gavere terug te trekken (88). De Fransen waren zwaar ontgoo­ cheld en koelden de volgende dagen hun woede op de plattelandsbewoners van de Mandelstreek. Op 14 juli plunderden ze Dentergem en beschadigden er 80 huizen, 61 schuren, 4 stallen, de water- en windmolen en 2 bruggen. Er werden onder andere 159 koeien, 29 kalveren, 263 schapen, 22 varkens en 15 paarden gedood of ontvreemd en 363 bunder gewassen en weide beschadigd of ver­ woest. De totale staat van verlies als gevolg van schaede, plunderinghe, wegvoeringhe, brant, ruine ende fouragie [= bevoorrading] werd begroot op 15.584 pond 16 schellingen 9 denieren grote. Pieter Minne zag 2,5 bunder wintervruchten, 1 bunder 10 honderdlands lentevruchten en 12 honderdlands hooi verloren gaan. Er was schade aan zijn huis, meubilair en cattheyle [= huisraad] en bovendien leed hij verlies van boomen, cleerenleynwaet en geit. Zijn totale schadevordering beliep 136 pond 10 schellingen grote (89). Los van dit rampzalige voorval tijdens de zomer van 1695 kregen onze voor­ ouders tijdens de Negenjarige Oorlog ononderbroken te maken met voorbij­ trekkende soldaten, opeisingen van veldgewassen, van paarden, van wagens en zelfs van pioniers of spayniers, d.i. burgers die, meestal voorsien van goede

54


spaede ende houweel (90), omheiningen moesten optrekken, versterkingen bouwen, grachten delven ... Om nog maar te zwijgen over de stijgende belas­ tingdruk eigen aan soortgelijke oorlogstoestanden. De parochierekeningen bie­ den ons hieromtrent een boeiend maar bij wijlen tragisch overzicht van de vele inspanningen die men zich moest getroosten om de bezettingstroepen ter wille te zijn. Alhoewel de meeste volwassen mannelijke Dentergemnaren de laatste decennia van de 17de eeuw wel ergens als pioniers aan de slag geweest zijn (91), wist Pieter Minne telkens de dans te ontspringen. Wellicht was hij toen al te oud om het opgelegde zwaar werk te verrichten. Of werd hij omwille van zijn kosterstaken ontzien ? Feit is dat hij van andere opeisingen niet gevrij­ waard bleef. Zo moest hij onder andere in mei 1697 één van de acht paarden leveren die vanuit Dentergem over Doornik naar 't belegh voor de stadt van Aeth geconduiseert werden. Zijn paard bleef acht dagen onderweg en Minnes erfgenamen ontvingen achteraf 6 pond 8 schellingen grote als schadeloosstel­ ling (d.i. 16 schellingen per dag). Op 17 juni was zijn trekdier in het quartier vanden heer prince van Nassau in Leeme, waar men blijkbaar nood had aan clofhout, gars ende busschen (92). Pieter Minne overleed op 20 december 1697, nauwelijks enkele maanden na het einde van de roemruchte Negenjarige Oorlog. Hij was - aldus het overlijdensregister - ongeveer 75 jaar oud gewor­ den en werd met de nodige plechtigheid begraven (sepultus est cum exequis) in de kerk. Zijn zoon en opvolger Jacobus betaalde 2 pond 8 schellingen parisis over de sépulture [= begrafenis] in de kercke van sijne vader Pieter Minne (93) . Luidens de inventaris van Minnes bezittingen waren her en der nog schulden te vereffenen, o.m. een vordering van 8 pond grote i.v.m. zijn geding(en) voor de Raad van Vlaanderen. Tot zijn activa behoorden onder andere een peert met gareel ende harnas... vier coijen... een coetse met een slecht pluijmen bedde, een bijl en hauwle, een sleghte gaerderobbe, samen geschat op 92 pond 14 schellingen 4 denieren grote. Na aftrek van alle passiva bleef er een bonus van... 3 pond 3 schellingen grote ! Maar er viel heel wat meer onroerend goed te verdelen. De overleden koster bezat, naast zijn woon­ huis ‘Het Haentjen’, een behuisde cijnshofstede met land, bos en weide ter grootte van 4 bunder, deels in Tielt, deels in Wingene gelegen. Hij was medeëigenaar van een boerderijtje, waar hij recht had op 165 kleine roeden, inbegre­ pen een deel van het woonhuis wesende een groote caemer met eenen kelder ende solders. Daarnaast hield hij in rente zeven lapjes akkerland (1153 kleine roeden), 2 kleine weiden (144 kleine roeden) en op de Poelberg in Tielt een stukje bos (100 kleine roeden). Ten slotte verleende de heer van Dentergem nog twee piepkleine stukjes land van respectievelijk 59 en 50 kleine roeden (94) . Dat zijn levensstandaard in 1695 als mediocre [= middelmatig] omschre­ ven werd, mogen we dus enigszins relativeren (95).

55


Jacobus en Jan-Baptist Minne , het onverwachte scenario : 1697 - 1740 Na twee Pieters was het de beurt aan Jacobus, de oudste zoon van Pieter ju­ nior, om de fakkel over te nemen. Jacobus werd geboren op 6 januari 1664 en stapte net als zijn vader vrij laat in het huwelijksbootje. Hij was net 42 gewor­ den toen hij op 11 januari 1706 het ja-woord gaf aan zijn dorpsgenote Isabella Berth. Het kostersgezin kreeg acht kinderen, waarvan de eerste twee kort na de geboorte overleden (96). 1. Petronella Francisca, 27 november 1706 - 30 april 1707 2. Pieter, 7 maart 1708 - 24 maart 1708 3. Anna Maria, 18 juni 1709- 12 juni 1792 4. Barbara Theresa, 26 januari 1712, x met Pieter De Decker, overleden in Gent 5. Jan-Baptist : zie verder 6. Anna Francisca, 8 maart 1717 - 14 augustus 1796 7. Francies : zie verder 8. Joanna Petronella, °23 maart 1723, x met Livinus Vanoverbeke, f8 septem­ ber 1799. Alhoewel Jacobus Minne onmiddellijk na het overlijden van zijn vader diens kosterstaak overnam (97), duurde het nog tot 12 december 1701 eer hij offi­ cieel als koster werd aangesteld. Dorpsheer Donato Maximiliaen François Lanchals ging akkoord met de kandidatuur van de derde Minne als opvolger regard nemende opden goeden lanckdeurighen dienst vanden overleden costre Pieter Minne filius Jans, ende de bequaemheyt ende dispositie van Jacobus Minne filius Pieters zijne sone, den selven nu met de doot van zijnen vadere Pieter Minne filius Jans, hebben ghestelt, ende stellen... omme de voorn, costerie vande voorseide prochie van Denterghem te bedienen ende exerceren (98). Opmerkelijk is wel dat er in deze benoemingsakte met geen woord gerept wordt over het feit dat Pieter junior ooit koster is geweest. Een bewijs te meer dat zijn feitelijke toestand nooit statutair erkend werd... Jacobus Minne baatte net als zijn vader de hofstede ‘Het Haentjen' uit (99). Hij hoefde slechts de Pontbrouckstraat (nu Statiestraat) over te steken om via het korte Kerkstraatje de kerk en de pastorie te bereiken, waar pastoor Hosijn en, na hem, Nicolaus De Vincke (1723-1754) de plak zwaaiden. Hosijn was best tevreden over zijn koster. In 1699 werd Minne betiteld als gehoorzaam en goed van zeden (100), in 1716 bleek hij zijn taak naar behoren uit te voeren, overeenkomstig de gestelde decreten (101). In de lijn van de familietraditie (102) was Jacobus Minne een tijdlang dorpsschepen. Tussen 1723 en 1728 zetelde hij in het gezelschap van o.a. Gillis Delantsheere (burgemeester), Joos Vanderschelden, Philippe Vermeersch, Gillis Vandenheede en Judocus Vandierdonck (103). De schepenbank van de heerlijkheid Dentergem en die van het kapittel van Doornik waren aan elkaar

56


& # * * * () A y * w yW- oó& fity tf'" JSw^ ${$**■ y**Q.'- (Sur&t- f ' d a y ^ / r ' -^*-~— ^

^ 0 v * * * ^ r -k

(^ a r^ & ^ y j^-^Cb^T’ Ö iv ^ X iM - ^ V a ^ ü p /^ o v -f^ Ç itf - ^ ^ t

<ï*nj*éz>

ô m jc  a é 0 {

'*/3tfa * i^4 & £ i$ -. fr é tâ t tfm i~ ^ $ )(^ r& -p $S i,*iAtw & y

o <2)f w ? y * à t y ^ M

t+ v S ^ A

t^ \ . '

C i)oi*y

y

s ?

ouaO

<^Ot*OfL

4 > ^/y c u rJ k > t»f»rjQ,

r* ”^

ttu d ^ k a o f—

\ J 0 f f t h 4 - <3toi£«5 QiCfüxfójiïif: f f l ï p (U »tA ^

(^ * « 4 c ^ <? ^

/'^ O k V " ^

fuAt-fcï a * . 1u^

(w ity J

L / Mc y , y ^

Vv

irtt-ytè-

^

^ uH^ o ? a tà U j

O u-éft& ty - 0 V fÊ * &

q y

ÿ

'

< * * £ "* £ >

7 ' ' ^ _ y,£*<\\oc' i Q t - <1*1.6*T v+cr~ jœ /tH« ty& tü^6 ^ i6W 1S<&K^4[a£ rvl^uktf* ' “ 3 ^ X '° (JuyJr'jrtU'.-) Sèu!—(~H /* ' O uhifyfj

q^Q c$\£*it}j ç ^ id t-

p f w w x ' - y / ......■*/ > / • ' » ' * * ' » §y& j

^V

/ 7

f li t .'i f

- > h j.'t

r ( P tr /i'e ^ y 0 % ~ * - y - H c e ^ t

( t„ é ü t& tit) e i , *■/>■* ,1 0 .'ev / ‘e t S * r r h ^ t m /t/ / »

^

- ^ - r cA r /

« /,/< ^ j a /* & » > /-

‘j- <<r. S iïif L t i, , m i jJ~ ‘/ 2/ j-J **

Benoeming van Jacobus Minne tot koster in Dentergem, 12.12.1701 (S.A.G., inv. 78/1, nr. 330).

57


verbonden. De baljuw van Dentergem duidde de eerste, tweede, vierde en zesde schepen aan, zijn collega van ‘t kapittel stond in voor de derde, vijfde en zevende schepen (104). Aangezien ‘t Dentergemsche de dorpsheerlijkheid was, hadden deze wethouders (en dus ook Jacobus Minne) niet alleen straf­ rechtelijke maar ook bestuurlijke bevoegdheid. De Negenjarige Oorlog was nog maar enkele jaren voorbij of onze streken kregen het weer zwaar te ver­ duren. Na de dood van de Spaanse koning Karel II in 1700 eiste Lodewijk XIV van Frankrijk de Spaanse troon op voor zijn kleinzoon Filips van Anjou die mettertijd koning van Spanje én Frankrijk zou moeten worden (7/ n ’y a plus de Pyrénées’). De Spaanse Successieoorlog (1701-1713) brak uit en de Zonnekoning bezette voor de zoveelste maal ons land. Het vertrouwde scenario van opeisingen herhaalde zich en ditmaal had de Dentergemse koster minder geluk. In 1704 maakte Jacobus Minne deel uit van de 24 pioniers die het hoofdcollege van de kasselrij Kortrijk op 22 juni opvor­ derde naar de bevelen van de Franse graaf de La Motte. Minne en zijn kompa­ nen trokken naar Sint-Joris, waar ze de Brugse vaart moesten bewaken voorsien van goude fusique ponder ende ballen... omme soo te beletten de overcomsten vande hooghe gheallieerden op de selve vaert. Ze bleven 12 dagen onderweg en onze koster kreeg hiervoor, naar rato van 3 schellingen 1 denier grote per dag, een schadeloosstelling van 1 pond 17 schellingen grote (105). Maar daar bleef het niet bij. In 1707 leverde Minne o.a. 169 bondelen groene fouragie, zijnde gers ende claver, voor de troepen van generaal de Spar in Deinze (106). Drie jaar later moest hij met Francies Desmet, Louijs van Ooteghem, Jan Vandenheede en Joos Verschelde tijdelijk 2 paarden en 6 wagens afstaan tot het transporteren eenighe amonitie van oorloghe naer het belegh van Dowaij (107). In 1712 genoot Jacobus Minne, net als zijn vader 20 jaar eerder, een vast inko­ men van de tiendheffers van 6 pond grote (108). De parochie was met 3 pond nog steeds de beste betaler (109), de armendis leverde ter causen van sijne thiende (de kerk moest één vijfde van haar tienden ten behoeve van de armen afstaan) met 1 pond 8 schellingen parisis ( 110) de kleinste bijdrage (111). Deze bedragen zullen tot op het einde van het Ancien Régime nagenoeg ongewij­ zigd blijven. Voor het dienen van de jaargetijden en de wekelijkse eucharistie­ vieringen ontving Jacobus Minne tussen 1702 en 1711 jaarlijks 5 pond 6 schel­ lingen parisis (112). Tussen 1724 en 1739 betaalde de kerk hem hiervoor 13 pond 9 schellingen parisis (113). In 1702 keerde de parochie Minne 1 pond grote extra uit over sijn costereel recht in het uijtvaert vande majestheyt van Spaignen (114). Ook aan de meer modale begrafenis- en huwelijksmissen verdiende hij iets. Volgens M. Cloet bedroeg in de 17de eeuw de vergoeding van de koster voor soortgelijke ere­ diensten, de getijden inbegrepen, gewoonlijk één derde van die van de pastoor

58


(

115).

Na 37 jaar dienst als koster hield de 70-jarige Jacobus Minne het in 1734 voor bekeken ter causen van synen auderdom. Zijn oudste zoon Jan-Baptist (°26 oktober 1714) was 20 jaar geworden en had blijkbaar al wat ervaring in de kerk opgedaan. Bovendien bleek hij over alle bekwaamheden te beschikken die van een koster-in-spe verwacht mochten worden, naemelijck van sijn goedt comportement, capasiteijt ende neirstigheijt ende geconsidereert hebbende den goeden dienst ghedaen bij Jacobus Minne fdius Pieters. Op 4 november 1734 stelde Anna Isabella Lanchals, weduwe van dorpsheer Jean-François de Kerchove (1727-1733), de jonge Jan Baptist als opvolger van zijn vader aan. Er werd wel bedongen dat in dien het gheviele dat den voorn. Joannes Baptiste Minne eer quaeme te overlijden dan sijne voorn, vadere, dat den selven Jacobus Minne coster als dan, weederom sal moghen aenveirden sijn recht ghelijck hij ghehadt heeft tot de voorn, ojficij van coster (116). Het bleken profetische woorden. Nog geen jaar later, op 30 september 1735, over­ leed Jan-Baptist, 8 maanden na zijn moeder Isabella Berth. De zwaar getroffen Jacobus trad, krachtens de gesloten overeenkomst, weer in dienst en zou nog goed 4 jaar pastoor De Vincke bijstaan. Begin 1740 gaf hij er voorgoed de brui aan. De gewezen koster overleed op 9 november 1744 - 80 jaar oud - en werd net als zijn vader Pieter en zoon Jan-Baptist in de kerk begraven. Om een beeld te krijgen van de bezittingen van Jacobus Minne moeten we een kijk nemen in de staat van goed opgemaakt naar aanleiding van het overlijden van Isabella Berth (117). In 1713 beschikte de toen 67-jarige koster over zowat 7 bunder rentegrond, waaronder 3 boerderijtjes (onder meer ‘Het Haentjen’) en nogal wat saijweede en meersch. Ongeveer één vierde (32 honderdlands) lag in Gottem. Hij bebouwde ook 5 honderdlands grond die hij in leen hield van de heer van Dentergem (118). Jacobus en Isabella bezaten toen onder andere acht me lek coijen met twee renders mitsgaeders een vet swijn... twee werekpeerden... twee waeghens, carre, twee ploeghen, drij heechden, twee sleepen. Zijn vrouw en dochters brachten hun tijd niet in ledigheid door. Het gezin beschikte over 5 spinnewielen en - wellicht voor feestelijke gebeurtenis­ sen - een... waejfel isere. Er bleek een batig saldo van 372 pond 14 schellin­ gen 1 denier grote , waarvan de helft bestemd was voor haar echtgenoot en 31 pond 1 schelling 2 denieren voor ieder van de 6 nog in leven zijnde kinderen. We mogen dus gerust stellen dat Jacobus Minne een vrij welgesteld man was.

Francies Minne, veel kinderen en weinig rijkdom : 1740-1774 Toen Jacobus Minne zich in 1740 als koster terugtrok, was zijn jongste (en enig nog in leven zijnde) zoon Francies net geen 20 jaar : hij was geboren op 6 april 1720. Hij huwde met Maria Anna Leagre en vestigde zich in ‘Den Eynghel’. Deze hofstede - toen al gewezen herberg (119) - met een oppervlak-

59


te van circa 140 kleine roeden (120), lag op de hoek van de huidige Dreve, Statiestraat en Markegemsesteenweg en wordt heden ten dage bewoond door Gerry Hillegeer. Maria Anna Leagre bracht er 11 zonen en 3 dochters ter wereld (121). De 3 meisjes en het tweede zoontje stierven binnen de twee jaar na de geboorte ... 1. Francies, °5 februari 1744, uitgeweken naar Nederbrakel 2. Karei Thimotheiis, 24 januari 1746 - 12 december 1747 3. Coleta, 19 september 1747 - 5 april 1748 4. Anna Maria, 12 januari 1749 - 4 augustus 1749 5. Karei Romanus : zie verder 6. Jan-Baptist, °14 oktober 1752 7. Jan Benedict, 26 september 1754 - 14 april 1772 8. Jacobus Eugeen, °6 september 1756 9. Ignace Policarpus, °27 januari 1758, x op 8.4.1783 met Joanna-Maria Pypaert, fVinkt 20 maart 1826 10. Pieter-Jozef : zie verder 11. Joanna Coleta, 26 augustus 1762 - 15 september 1762 12. Leonard Jozef, °24 augustus 1763 13. Eduard, °20juni 1766 14. Constantijn Jozef, 13 februari 1769 - 7 juni 1782 Op 20 februari 1740 verleende Jean-François de Kerchove, heer van Dentergem, Francies Minne officieel de toelating om als koster zijn vader op te volgen. Net als zijn broer zaliger had Francies blijkbaar al enige ervaring opge­ daan : ende geconsidereert hebbende den goeden dienst gedaen bij Jacobus Minne filius Pieters synen vader jegenwoordigh coster deser prochie van Denterghem. Er werd opnieuw gesteld dat, in geval van overlijden van Francies, vader Jacobus sal moghen anveirden sonder te moeten lichten nieuwe commissie sijn recht gelijck hij voor daeten van desen gehadt heeft tot voorn, officie van coster (122). Zover is het ditmaal niet gekomen : Francies Minne zal onder de pastoors Nicolaus De Vincke en Jan Jacob Haesselwecker (17541783) 34 jaar ononderbroken de kosterie bedienen. Voor het eerst sedert Pieter senior stellen we vast dat onze familie Minne niet alleen inkomsten had uit haar kostersambt en uit de opbrengsten van her en der verspreide landerijen. Vanaf 1758 betaalde de kerk Francies tweejaarlijks een bedrag van 1,5 tot 3 pond grote voor de levringhe van wasch licht verbesicht in de kercke deser prochie. Hij was wel verplicht de restanten van het aut wasch terug te nemen die hij dan bij hem thuis kon ‘recycleren’ (123). Ook de parochie deed een beroep op Minnes kennis dienaangaande. Van 1761 tot aan zijn overlijden 13 jaar later ontving hij jaarlijks 3 pond 19 schellingen grote over leverynghe van eenentwintigh pont en alf waschghemaeckt in negen flambeuwen [= fakkels] gheemploueert by wethouderen deser prochie , in het vereeren het hoochweer-

60


Francies Minne woonde in "Den Eynghel" (nr. 25), een hofstede die voordien nog herberg geweest was. Zijn schoonbroer Livinus Vanoverbeke ( x Joanna Petronella Minne) betrok toen "Het Haentjen" (nr. 26), waar ook de kosters Jacobus, Jan-Baptist en Pieter junior gewoond hadden (R.A.G., Kaarten en Plannen, nr. 1580 ; figuratief plan d.d. 25.12.1773).

61


digste soo in het ghaen de processien, ende ander goddelyke diensten (124). Zoals in het begin van deze bijdrage aangehaald, kwam er vermoedelijk rond 1755 een orgel in de Dentergemse parochiekerk. Het leek dan ook meer dan normaal dat de koster het klavier zou bedienen en hiervoor van de plaatselijke gemeenschap een extra vergoeding zou krijgen. Men was het er namelijk over eens dat het opluisteren van de goddelijke diensten een taak van openbaar nut was (125). Het probleem in Dentergem - en wellicht niet in Dentergem alleen was dat Francies Minne hiertoe niet opgeleid was en blijkbaar weinig zin had zich bij te scholen. Vanaf 1756 werd het orgel dan maar bespeeld door zijn 12jarige (!) oudste zoon Francies jr., die hiervoor 3 pond grote opstreek (126), evenveel als de parochie zijn vader betaalde voor diens meer vertrouwde kos­ terlijke taken. Tot aan het einde van het Ancien Régime zal de parochiale gemeenschap de Dentergemse organist jaarlijks steevast 3 pond grote uitbeta­ len. Ook het kerkbestuur getuigde van goede wil en schonk vanaf 1760 de orgelspeler ieder jaar 1 pond grote (127). Mede dankzij het nieuwe orgel is er vanaf 1756 voor het eerst sprake van twee ghesonghen missen, de eerste op den vijfden novembre, ende de tweede op quaeter temper woensdagh (128). Muzikaal ondersteund door zijn zoon, leid­ de de koster een aantal zangers op die bij die gelegenheid hun kunnen mochten bewijzen. Francies senior moest er blijkbaar voor zorgen dat het de muzikanten-in-spe aan niets ontbrak en mocht van de heeren regeerders de taire vande sanghers inde kercke verhalen op het kerkbestuur, dat hem 4 pond grote betaal­ de voordejaren 1758-1761 (129). Vanaf 1752 ontving Francies Minne van de gemeenschap I pond grote over gheleert te hebben lesen ende schrijven de aerme kinderen deser prochie (130). Hiermee trad onze koster in de voetsporen van zijn overgrootvader Pieter se­ nior, die ook, gedurende de eerste helft van de 17de eeuw, op onderwijsvlak actief was geweest. Tussen beide kosters in werden de eerste beginselen van de reken- en schrijfkunst de kinderen bijgebracht door onder andere Jan Visé (131), Reginaldus Vander Hammije (132) en officier (veldwachter) Dominicus Bataille (133). Het godsdienstonderricht behoorde tot de verantwoordelijkheid van de pastoor, die jaarlijks prysen uitdeelde an de jonckheijt, commende hooren de christelycke leerynghe ofte catechismus. Hij kreeg hiervoor in de tweede helft van de 18de eeuw 3 pond 10 schellingen grote daer inbegrepen het trackteren vande paters commende door het jaere ten dienste van het ghemeente (134). Nam Francies Minne op het vlak van het onderwijs aldus de draad van een verbroken familietraditie weer op, op het politieke vlak zette hij gewoon de traditie voort : op 22 maart 1747 trad hij toe tot de dorpsschepenbank (135) die onder het voorzitterschap van baljuw Philips Lemajeur (17441783) zitting hield in ‘De Swaene’ (136), nu het bekoorlijke herenhuis bewoond door eerste schepen Rudi Van Gheluwe. Hij behandelde er de alge­

62


meen parochiale en - wat de heerlijkheden Dentergem en het Kapittel van Doornik betreft - juridische aangelegenheden, samen met de burgemeesters Gillis Vandenheede (1728-1751) en Zacharias Verougstraete (1751-1756) en zijn collega’s-wethouders Joannes Sonneville, Joos Deborghgraeve, Joseph Derycke, Dominicus Opsomer, Guillaume Vanparys, Pieter-Jozef Vandenheede en Joannes Lawaisse (137). In januari 1756 werd hij bij het vernieuwen vande weth (138) gepasseerd. We weten niet of er een oorzakelijk verband is, maar de koster maakte toen al (en dit zeker vanaf 1755) deel uit van de vierschaar van de heerlijkheden Oudewalle, Proost, Hecke, Groothuyse en Cleynhuyse die samen een straf­ rechtelijke eenheid vormden. Hij zou er ononderbroken blijven zetelen tot min­ stens 1771 (139). Francies Minne overleed op 13 maart 1774, bijna 54 jaar oud en ook hij werd in de kerk begraven. Zijn weduwe, Maria Anna Leagre, bleef achter met 9 kin­ deren en zag het blijkbaar niet meteen zitten om de eindjes aan mekaar te kno­ pen. Op 1 december 1774 stelde ze het kasselrijbestuur voor haar onroerende bezittingen openbaar te verkopen, daar zij het geld seer noodigh heeft om haere cleyne kinderen te connen opqueecken (140). De inventaris van haar roerende eigendommen beliep 132 pond 4 denieren grote, ongeveer één derde van wat haar schoonvader in 1731 bezat. Ze beschikte onder andere over 2 koeien, 2 varkens, 12 kippen en... 1 spinnewiel. Van een grote luxe kunnen we dus allerminst spreken. Erger was dat de schul­ denlast opliep tot 249 pond 8 schellingen 6 denieren grote. Zo moest ze nog 16 pond 10 schellingen betalen aan haar zwager Livinus Vanoverbeke (die na zijn huwelijk met Joanna Petronella Minne in ‘Het Haentjen’ was gaan wonen) voor de aankoop van een koe en 2 pond 8 schellingen 3 denieren over heerelycke rente en dootcoop (= aan de heer te betalen som wanneer een stuk rentegrond door een sterfgeval van eigenaar veranderde). De openbare verkoop van de onroerende goederen ging uiteindelijk door op 11 en 18 juli en 1 augustus 1782 in ‘De Leeuw’, dat sedert ongeveer 1775 het dorpsschepenhuis was (141). Behalve ‘Den Eynghel’ bleken er 7 koopen grond, waaronder een coeyweede, een kleine lochtijnck en heel wat zaailand, met een totale oppervlakte van zowat 4000 kleine roeden of 2,5 bunder. Het geheel was geschat op 800 tot 900 pond grote, maar bleek achteraf 975 pond 8 schellingen te hebben opgebracht. Er werd flink geboden op ‘Den Eynghel’ die ingesteld werd op 150 pond maar, na 7 verhogingen (onder andere door toedoen van onderpastoor Aegidius De Meester), van de hand ging voor 301 pond. Karei Minne, Francies’ vijfde kind en tweede nog in leven zijnde zoon, werd de nieuwe eigenaar. Maria Anna Leagre maakte het echter niet meer mee: ze was ongeveer een maand eerder, op 13 juni 1782, op 62-jarige leeftijd over­ leden...

63


Karel Minne, het veel te vroege afscheid : 1774-1786 Alhoewel hij als organist bijna 20 jaar lang zijn vader had bijgestaan, was Francies jr. niet voorbestemd om hem als koster op te volgen. De oudste telg van het kroostrijke gezin verhuisde, wellicht kort na de dood van zijn vader, naar Nederbrakel en liet de eer en het genoegen aan zijn jongere broer Karei Romanus. Uit dat oogpunt is het helemaal niet verwonderlijk dat de 24-jarige Karei (°9 augustus 1750) er heel wat voor over had om ‘Den Eynghel’ - die dicht bij de kerk was gelegen - te kopen. Karei Minne huwde op 2 november 1782 met de 24-jarige Maria-Anna Theresia Deborghgraeve. Ze was de dochter van Joseph, de vrij welstellende pachter van ” t Goed ter Brouwerije’, eigendom van de heer van Assenede en fonsier (= herenhoeve) van de heerlijkheid Groot- en Cleynhuyse in Dentergem. Haar moeder, Bemarda Josepha Coucke was één van de 15 kin­ deren van Gillis Coucke, tussen 1730 en 1781 baljuw van Markegem (142). Op het financiële vlak deed Karei door zijn huwelijk een uitstekende zaak. Zijn kersverse echtgenote bracht een bruidschat mee van 600 gulden courant of 100 pond grote, waarmee hij alvast één derde van de vier maanden eerder aange­ kochte ouderlijke hofstede kon afbetalen. Geld is evenwel geen waarborg voor een lang en gelukkig leven. Nog geen 4 jaar later luidden de doodsklokken en werd de 35-jarige koster ten grave gedragen. Maria-Anna Theresia - die 15 jaar later, op 30 maart 1801, zou overlijden - bleef achter met 2 kleine kinde­ ren, die ook veel te vroeg het tijdelijke met het eeuwige verwisselden (143) : 1. Jan-Baptiste, 5 augustus 1783 - 17 april 1805 2. Karei Jozef, 17 maart 1785 - 15 april 1791. Jean-François-Joseph de Kerchove (1756-1795) benoemde Karei Minne tot koster op 11 augustus 1774, vijf maanden na het overlijden van diens vader. De dorpsheer was blijkbaar op de hoogte van de geldelijke problemen waar­ mee Kareis moeder te kampen had en trof een aannemelijke, maar op het eer­ ste gezicht toch wel merkwaardige beslissing : terwijlen Francies Minne achtergelaeten heeft eene weduwe met verscheijde minderjaerige kinderen verclaeren wij onse intentie te syn, dat den gemelden Carolus Minne sal de eerste thien achter eenvolgende jaeren de vruchten vande selve costerije laeten ter profijte van het gemeen huijshauden van sijne moeder om syne andere min­ derjaerige broeders daer mede te hulpen opvoeden (144). Door de van hogerhand getroffen beslissing om zijn pensioen [= loon] als kos­ ter aan zijn moeder af te staan, was Karei Minne hoe dan ook verplicht om door een bijkomende bezigheid in het eigen levensonderhoud te voorzien. Aangezien hij in ‘Den Eynghel’ bleef wonen en er de stiel van zijn vader geleerd had, werd ook hij kaarsenmaker. De pastoor kwam geregeld aanklop­ pen voor de levering van onder andere Lichtmes wasch en Paeskerssen of voor een pont en a lf soracx [= harsachtige stof] om te mynghelen inde wierroock

64


voor de kercke (145). De dorpsschepenen hadden ook nog steeds was nodig voor de flambouwen die ze tijdens de processies droegen (146). In tegenstelling tot zijn vader was Karei Minne een bekwaam organist. Zoals eerder aangestipt, maakten de wereldlijke en kerkelijke gezagsdragers een onderscheid - ook financieel - tussen de koster als koster en de koster als orga­ nist. Ging zijn kosterswedde van 6 pond grote helemaal naar zijn moeder en broers, de 4 pond (3 pond van de parochie sedert 1756 + 1 pond van de kerk vanaf 1760) die men de koster uitbetaalde over het spelen op den oorghele inde kercke deser prochie, alle sondaghen ende H. dagen (147) kon hij houden voor persoonlijke gebruik. Op het politieke vlak brak de koster met een lange fami­ lietraditie. We hebben nergens enig spoor teruggevonden van een bestuurlijke bedrijvigheid. Wellicht is hij te jong gestorven om zich dienaangaande waar te kunnen maken. Als onderwijzer trad hij dan wel in de voetsporen van zijn vader. Vanaf 1774 - het eerste jaar dat hij als koster én schoolmeester actief was - beloonde de parochie zijn opvoedkundige inspanningen met een jaar­ lijks salaris van 2 pond grote, d.i. het dubbele van wat Francies hiervoor des­ tijds opstreek (148). De koster-organist-schoolmeester kreeg er vanaf 1779 nog een extra taak bij. Op 21 juli 1779 vaardigde het hoofdcollege van de kasselrij Kortrijk een edict uit dat het zowat overal verbreide alcoholisme moest bestrijden. Opdat men van overheidswege zou weten waar en hoeveel herbergen er precies waren, kregen de baljuws en wethouders van de onderscheiden parochies de opdracht binnen de maand een lijst van de bestaande drankslijterijen te bezorgen. Er rees heftig protest tegen deze verordening. Vooral artikel 4 - dat bepaalde dat het verboden was langer in de herbergen te blijven dan tot 8 uur ‘s avonds tij­ dens de zes wintermaanden en tot 9 uur in de zomer - vond bij velen geen genade. Op gemelde tijdstippen moest de koster, aldus artikel 5, de avond- of politieklok luiden (149) naer welcken tyds, niemand en vermagh saete te hou­ den inde herberghen (150). Voor deze dagelijkse klus ontving Karei Minne (en zijn opvolger ten minste tot 1793) jaarlijks 2 pond grote. Het grootste deel van zijn veel te korte loopbaan werkte Karei Minne onder het gezag van pastoor Jan Jacob Haesselwecker, een met geldzucht behepte zielenherder (151) die alles op alles zette om de rond 1605 gebouwde pastorie te mogen afbreken en er een nieuwe te mogen optrekken. Aangezien hij zelf niet bereid leek om daarvoor ook maar één penning uit eigen zak te betalen, werden deze plannen niet uitgevoerd (152). Pastoor Jan Demeyer (1783-1803), licentiaat in de godgeleerdheid, verwoed liefhebber van boeken en gedegen musicus (153), was duidelijk minder kort­ zichtig en slaagde met brio waarin zijn voorganger had gefaald. In 1784-1785 verrees er een mooi gloednieuw classicistisch pastoorshuis, waar tot 1961 der­ tien parochieherders onderdak zouden vinden. Sinds 15 september 1963 doet

65


het - nu twee eeuwen oude - gebouw dienst als gemeentehuis (154). Erg vaak zal Karei Minne de nieuwe pastorie niet hebben bezocht : hij overleed op 10 april 1786, nauwelijks enkele maanden na de inwijding ervan... Door de uitverkoop in 1782 van het onroerend patrimonium dat de familie Minne sedert bijna twee eeuwen in bezit had, bleef er in 1786 niet zoveel meer te verdelen. Uiteraard was er ‘Den Eynghel’, die Karei tijdens zijn huwelijks­ leven grondig had laten vernieuwen. Ten noorden van het bestaande woonhuis had hij een oude houten schuur afgebroken en er een nieuw stenen huis opge­ trokken met ernaast een koestal, een varkensstal en een beerput, dit alles voor 121 pond 10 schellingen grote. Hij had bovendien een partij land van 250 klei­ ne roeden, in leen gehouden van de heer van Dentergem, gekocht van zijn oudere broer Francies. De toch niet onaanzienlijke bruidsschat van zijn vrouw ten spijt, had Karei her en der leningen moeten afsluiten, onder andere ten belope van 100 pond - bij de zuster van pastoor Haesselwecker - en van 37 pond - bij zijn broer Ignace Policarpus. Uiteraard was zijn vroegtijdig afsterven de oorzaak ervan dat lang niet alles terugbetaald was, zodat de schulden opliepen tot 333 pond 15 schel­ lingen 10 denieren grote. De geswornen prijser schatte op 20 december 1786 het roerend bezit op 151 pond 18 schellingen 9 denieren, hieronder begrepen het dagdagelijkse meubilair en de huisraad zoals 7 stoelen, 2 tafels, emmers, kandelaars, een orologie, een eirtservitie en keirne cuijpen. Er was ook 7 pond geëkelt vlas, 80 raepcoucken, aardappelen, rogge, haver, tarwe en wat claverhoij. Het dierenbestand was allesbehalve indrukwekkend : 1 koe en 1 varken... (155)

Pieter-Jozef Minne, op het keerpunt der tijden : 1786 -1833 Door het onverwachte overlijden van Karei Minne stelde zich het probleem van de opvolging. Zijn twee zoontjes waren amper één en tweeëneenhalf jaar oud zodat, wilde men het kosterschap binnen de familie houden, Kareis broers in de bres zouden moeten springen. De enige twee die naar ons weten belang­ stelling hadden voor het kostersambt waren Francies en Pieter-Jozef (°28 janu­ ari 1760). Francies had destijds zijn vader als organist uit de nood geholpen, maar was na diens dood naar Nederbrakel verhuisd. Pieter-Jozef was gehuwd met de uit Lotenhulle afkomstige Maria Francisca Vermeersch en had zich als koster en organist in het geboortedorp van zijn vrouw gevestigd (156). Pieter-Jozef werd bereid gevonden de kosterij in Lotenhulle vaarwel te zeg­ gen en hij keerde met zijn hoogzwangere vrouw naar Dentergem terug. Dorpsheer Jean-François-Joseph de Kerchove stemde in met deze gang van zaken (157) en benoemde de 26-jarige koster op 27 april 1786 (158). PieterJozef en Maria-Francisca trokken voorlopig in bij hun schoonzus Maria-Anna Theresia Deborghgraeve, weduwe van de betreurde Karei. In 1790 of 1791

66


e'7Ct>W ty£c-c^>c Q*sx s t 0a^tc*. hÆjjlfô£ffi§PP . Itfgp^B W ^A-*. **^£**- /*-1j /C£+ **ÏV .-^»*/<wWw-.^* A v/w*^,^1»«-A< #/f A* ^ ^ /« .A < . A*^ V JJ e/g®‘ /Z’ ‘'*^&-y'azJ^ '

£ „ y<~ /+->,* r/" * ^ 2 ^

yy.* # L . f

V

//y y,

S**ïé! £

/ -

7\

' y ^ '’

? 0 { / /r r/^ / „ ,

*Q*y* p*y*/*■>**?***■ »s&**. S

sy

/ £ / h,tO t'*-ie j/-,e « y ë^- S 's k S . x-.

y i^ f O-A* i

Ï^ C

' r ftlt/ij^

A- /£ / “^

,/

y .- O J V - * W

,„ / . « . i

/C l

^

» .C ,,)<

?<Z/ ^ \ ^

M

V

r« Ó É w

b »

à<ltun

,'/£...■%*A

fQ

,

( v/1/ " y .

^ o x r é tr r A ^ y y )

,

. . .

L n n ta tji’tt •,«yy>/ra

« ^ lmtt^»

"ux 1er--

/. / ! iy /^ n * ---- j

^

,

n

- f t X L d t / Urn\4_n i J,

<

/ ' “ '' *

/

t V ?~«* ,« . < ■^ J j rr / r r . . ,( ,. y . 1 ^ u* ./ aci a aaa f* s / ' A r t ff.K-ft/x^ f ' ^ » ~ f ï « * i J fo, / / rr/- r n jr - é r ,/x r /\ “ “

* A ? ‘‘~' ' ~ * / \ n

"< r^ " j

i(Ai cra n Ar .. / *?j ^ 3

^

!

*' a ^ s A < -

y

.:

■t r ^-yA

^ ; fo o/ t f ' M iaa n ré m, » 6, v70 t/f,

;

c<•-//( _

V.... >

^ p f u < ° w t l l 'c

/

yf

y

v a n vV A a o ö n t n ^ x r r

//

y .

6c

v/n'ècnLrym ^ ‘ffiC / r n / t/lU t ( ty<(te * ' ...*•F t)' tven /nrerrm /S i f ' / * “ ■y' *■tu/nt U ftyen V (tc^'tn t" '* p t t /V'//tr tv i-y Vöu / /M t, y J ) Ç ‘- yvc\/\P(/tCbf i y ju :://\u t r r i'V'yinyrvo/jt/i/zC /Zc

/taïx)< t-Yff/u)t.. yim x À ’/rry/r- ''tf ^ ^

y c iî/D ÿupr. f i u

/u /n

» h /u t ^ A o x /v /r/v ï^

prré~6 êoir/ h /n y r / w r / i .l t. ,jicc/rértu we ^ i! ---------------* -■«' r» v »( Jr C w - -’i ' ? / -/ / /^ • // /i; e y n ilt brt~ £ t L-t-ÙJÙ. °fxu i a llx. ‘(te. / /•>' W t ('fcctru/: ‘yvïn 'è r oen u ,/ ^ f/*> y /t^ tCar-c/ -jyjuLj-’^

j ’Jcq ;.

Eerste van de 2 folio's waarin Pieter-Jozef Minne op 27.04.1786 door de dorpsheer tot schoolmeester in Dentergem wordt aangesteld (R.A.G., Fonds Lippens, inv. 175, nr. 55).

67


verhuisden ze naar ‘Het Groot Kerkhuijs’, een in 1776 gebouwde tweewoonst waarvan ze het oostelijk deel (nu eigendom van Maurice Vandewalle, Wontergemstraat 8) betrokken (159). Pieter-Jozef zou er bijna een halve eeuw blijven wonen. In deze vrij kleine woning - met een oppervlakte van 3 a 8 ca (160) ) werden 7 of 8 van de 11 nakomelingen geboren. Ondanks - of mede daardoor - de grote kinderrijkdom is het gezin niet van het onvermijdelijke familieleed gespaard gebleven : tussen 1807 en 1809 stierven 4 kinderen, waarvan 3 nog geen 5 jaar oud waren (161). 1. Karei Romanus, 24 mei 1786 - 21 december 1808, Aken (D.) 2. Jan Francies, 7 december 1787 - 21 november 1809 3. Pieter Bernard, 5 oktober 1789 - 14 januari 1790 4. Coleta, 11 december 1790 - 14 december 1812 5. Theresia, °29 september 1792, x 28.11.1826 met Frederik Devlieger, |2 4 oktober 1861 6. Bruno : zie verder 7. Ferdinand, °24 april 1797 8. Eugenie, 18 oktober 1798 - 29 mei 1802 9. Caroline, 11 april 1801 - Gent 18 november 1844 10. Stefaan, 10 januari 1803 - 20 maart 1807 11. Francies Xavier, 26 juli 1805 - 5 januari 1807. Het besluit van de dorpsheer dat Karei een decennium lang zijn kosterswedde moest afstaan ten voordele van zijn jongere broers was ongetwijfeld mee ten goede gekomen aan Pieter-Jozef. Die kreeg nu een koekje van hetzelfde deeg : Jean-François-Joseph de Kerchove trof op 28 april 1786, de dag na PieterJozefs aanstelling tot koster én organist, een soortgelijk besluit tot gedwongen vrijgevigheid door te bevelen dat de pas benoemde kerkdienaar uijt particu­ liere insicht voor de kinderen van wijlent Carolus Minne... aende selve kinde­ ren, jaerlijckx voor soo veele jaeren als den voormelden heere van Denterghem ofte zijne successeurs sullen goet vinden, te sullen gelden ende betaelen eene somme van een hondert guldens courant (162). Met het overlijden van Karei Minne was ook de plaats van onderwijzer vrij­ gekomen. De dorpsheer, die het emploij ofte officie van schoolmeestere aller­ minst onderwaardeerde, gaf tegelijk met de benoeming tot koster (27 april 1786), Minne de toelating tot het leeren de jonckheijt inde letterkunde maer oock tot ‘t leeren schrijven. Deken Van Balen had tegen deze aanstelling geen bezwaar en gaf op 11 mei 1786 het kerkelijke fiat waardoor Pieter-Jozef nu zonder enig probleem ‘Den Eynghel’ ten behoeve van de leergierige (?) jeugd kon heropenen (163). Bij decreet van 9 Vendémiaire van het jaar IV (1 oktober 1795) werden onze gewesten bij Frankrijk ingelijfd. Het Ancien Régime werd opgedoekt : zowat alles wat op bestuurlijk, administratief en zelfs kerkelijk gebied eeuwenlang

68


gemeengoed was geweest, werd afgeschaft of onderging grondige wijzigin­ gen. Ook op het gebied van onderwijs kozen de bezetters voor een nieuwe aanpak. Door de wet van 11 Floréal jaar X (30 april 1802) verplichtte de Franse rege­ ring de gemeenten primaire scholen op te richten en de onderwijzers een jaar­ lijks loon toe te kennen. Had de gemeente geen schoollokaal ter beschikking, dan moesten de schoolmeesters een schadeloosstelling uitbetaald krijgen. De Dentergemse vroede vaderen dachten er het hunne over en keerden Minne alleen in 1803 - hij onderwees toen 60 kinderen - een logementsvergoeding van 40 fr. uit. De overige jaren tussen 1796 en 1820 moest hij het stellen met het karige schoolgeld hem betaald door vermogende leerlingen (164). Bij de hereniging van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden (9 juni 1815) was de onderwijstoestand in onze gewesten ronduit ellendig. Koning Willem I maakte er een erezaak van het volksonderwijs op een hoger peil te brengen en verplichtte op 9 augustus 1817 de onderwijzers, in ruil voor een vast loon van de gemeente, een bekwaamheidsexamen af te leggen. PieterJozef Minne trok naar Brugge en behaalde er op 22 september 1820 het begeerde getuigschrift. Hij ontving voortaan een jaarlijkse vergoeding van 15 fl. (1 fl. = 2,1164 fr), vanaf 1825 verhoogd tot 40 fl. Hij moest daarvoor het hele jaar door 4 uur per dag de kinderen in zijn huurhuis leren lezen, schrijven en ze de eerste beginselen van de rekenkunde en van de Franse taal bijbrengen.In juli 1824 richtte Pieter-Jozef Minne een aanvraag tot het kerkbestuur om op eigen kosten de binnen muur tusschen de keuken en de voorkamer naer den westen te mogen uitbreken. Het 'Groot Kerkhuijs’ was door de groote menigte van schoolkinderen duidelijk te klein geworden. De leden van de kerk­ fabriek vonden dit een aanneembaar voorstel en stemden ermee in, inziende dat de verzaemelinge van een groot getal kinderen in eene kleyne kamer schaedelyk en verderfelyk is aen hunne gezondheyd (165).In 1829 kwam er, na her­ haald aandringen van districtscommissaris Lucien Aëben, voor het eerst een officieel schoolgebouw. Het gloednieuwe gebouw in de Dreve - in 1939 ge­ sloopt, maar in 1951 werd op dezelfde plaats de huidige school geopend - was echter niet bestemd voor onze koster-onderwijzer, maar voor Justin Van Maldeghem (zie ook noot 156). Meester Van Maldeghem bewoonde een huis in de Kerkstraat (nu het postkantoor) waar hij sedert 1805 als collega (of moe­ ten we zeggen concurrent ?) van Minne de jeugd onderwees. Deze 56-jarige kruidenier en vlashandelaar genoot als ‘pedagoog’ duidelijk méér het vertrou­ wen van het Dentergemse schepencollege dan de 69-jarige koster. In 1803 werd Minnes bekwaamheid als onderwijzer zonder veel omhaal van woorden als suffisante bestempeld, maar 12 jaar later stelde deken Bulcke vast dat er weinig of geen orde heerste in zijn school (166). Het moet gezegd dat het geen habbekrats was om moederziel alleen voor 123 leerlingen te staan - aldus de

69


cijfers van een telling in januari 1826. In het te weinig bemeubeld en eigenlijk veel te klein ‘Groot Kerkhuijs’ zochten ze overigens wellicht veeleer de warm­ te dan enige schoolse kennis. Hieraan moeten we wel toevoegen dat Van Maldeghem toen 180 leerlingen onder zijn hoede had en dat zijn woning zeker niet veel groter was... De nieuwe school betekende meteen het einde van Minnes onderwijsloopbaan. De gemeente wilde haar officiële onderwijzer wel jaarlijks 100 fr. betalen, maar ze weigerde nog langer één cent uit te trekken voor om het even welk opvoedkundig privé-initiatief. Zeer tegen zijn zin hield Pieter-Jozef Minne het als schoolmeester op 15 mei 1830 dan ook voor bekeken. Genoot Minne als schoolmeester niet bijster veel krediet, er viel nauwelijks iets negatiefs te zeg­ gen over hem als koster. Hij bleek niet alleen bekwaam (1806) en gehoorzaam ( 1809), in 1815 vernam de deken dat de pastoor uitnemend tevreden was over zijn koster (167). Een toch niet te onderschatten verdienste, wetende dat Minne maar liefst zes zielenherders zag komen en gaan. Jan Demeyer, de bouwheer van de nieuwe pastorie, werd opgevolgd door zijn broer Francies (1803-1808). Na hem volgden Louis Vyvens (1808-1809), de ijverige en innemende Petrus Kempynck (1809-1815) (168), de uiterst geliefde en nederige Louis Ghyselen (1815-1823) (169) en de gehate Ignace Vercruysse (1823-1853) (170). Vergeten we ook niet dat Pieter-Jozef Minne tussen 1797 en 1802 de Beloken Tijd meemaakte. Pastoor Jan Demeyer weigerde - net als 86,8 % van zijn collega’s-geestelijken in het Leiedepartement (= het huidige West-Vlaanderen) ( 171 ) - de eed van haat aan het koningschap en van trouw aan de republiek af te leggen. De Franse overheid had op 5 september 1797 bevolen dat de gees­ telijken in de ingelijfde Zuidelijke Nederlanden deze eed moesten zweren, zoniet werden hun kerken gesloten. Op 30 september 1797 trok Demeyer met de dood in het hart de deur van zijn nieuwe pastorie achter zich dicht en dook onder bij zijn geliefde parochianen, schuilende hier en daer in byzondere hui­ zen ; nagejaegd en opgezocht door de uitzendelingen der vervolgers van den godsdienst, om in de gevangenis geworpen en misschien ter dood gemarteld te worden (172). Deze catacombentijd eindigde met de officiële heropening van de kerken op Pinksterzondag 6 juni 1802, en dit als gevolg van het Concordaat op 15 augustus 1801 gesloten tussen Napoleon en paus Pius VII. Veel werk zal Pieter-Jozef Minne tijdens die duistere jaren allicht, als koster, niet verricht hebben... De teleurgang van het Ancien Régime was een zware klap voor de clerus. Er was niet alleen de tijdelijke sluiting van de meeste ker­ ken, de jacht op 'onwillige’ priesters en het openbaar verkopen van tal van kloosters en abdijen, ook financieel veranderde één en ander ten gronde. Door de Franse overheersing (1795-1815) verloren de dorpspastoors, bij decreet van 1 Vendémiaire Jaar V (22 september 1796), hun eeuwenoude tiendinkomsten al kregen ze na het Concordaat een staatswedde uitbetaald.

70


Het afschaffen van de tienden trof echter niet alleen de geestelijken, maar ook de kosters. Tot 1795 genoot Pieter-Jozef Minne, als koster en organist, van de parochie, tiendheffers en kerk een vast jaarlijks salaris van 10 pond grote. Vanaf de Franse tijd was het enkel nog het kerkbestuur dat hem voor die taken vergoedde. Volgens de kerkrekening 1801-1808 (de enige die we betreffende deze periode terugvonden, en die overigens nog altijd in ponden, schellingen en denieren rekende) streek Minne toen elk jaar 6 pond grote op, dit is 4 pond minder dan voorheen. Stippen we ook aan dat we in die rekening nergens enig spoor terugvonden van extra inkomsten uit fondaties en jaargetijden. Ten tijde van de hereniging met de Noordelijke Nederlanden (1815-1830) ont­ ving onze koster-organist 30,86 fl. Zowel in de Franse als in de Hollandse tijd stemden zijn inkomsten helemaal overeen met... wat hij aan de kerk moest betalen voor de huur van het ‘Groot Kerkhuijs’ (173). Om financieel het hoofd boven water te houden, oefende Minne, net als zijn overleden broer en vader, het beroep van kaarsenmaker uit. Bovendien betaalde de gemeente hem om het sluitingsuur van de herbergen te luiden en tussen 1821 en 1829 verdiende hij, zoals gezegd, nog wat als schoolmeester. Pieter-Jozef Minne was een alles­ behalve welgesteld man. Volgens de abonnementsrol (de toenmalige gemeen­ tebelastingen) van 1830 werd hij aangeslagen voor 1 fl. Er dienden toen 264 gezinnen in Dentergem bij te dragen tot het spijzen van de gemeentelijke kas. De kinderen van Petrus-Bemardus Minne (de laatste baljuw van de dorpsheer­ lijkheid en helemaal geen familie van het kostersgeslacht) waren de koplopers met 38 fl., de 40 armste huishoudens betaalden elk 0,50 fl. (174). Drie jaar later hoefde het voor Pieter-Jozef Minne allemaal niet meer : op 2 mei 1833 verliet hij dit tranendal, acht jaar na zijn echtgenote Maria Francisca Vermeersch - die op 30 september 1824 overleden was.

Bruno Minne, het ‘enfant terrible’ : 1833 - 1852 Bruno Minne was de oudste van de twee nog in leven zijnde zonen van PieterJozef. Hij werd geboren op 26 september 1794 en huwde op 24 januari 1833 drie maanden voor de dood van zijn vader - met zijn 29-jarige dorpsgenote Rosalie Demets (°20 mei 1803). Bruno bleef in het ‘Groot Kerkhuijs’ wonen, waar Rosalie 8 kinderen ter wereld bracht. Ook dit echtpaar kreeg af te rekenen met veel sterfgevallen. 1. Pieter, 7 december 1833 - 22 februari 1834 2. Julia, °15 april 1835, x op 30.06.1864 met Ivo Vandewalle 3. Jan : zie verder 4. Coleta, °3 mei 1838 5. Pieter, 14 december 1840- 14 juni 1860 6. Blondina, 12 april 1842- l j uni 1849 7. Leonard, 9 juli 1845 - 7 september 1847

71


8. Stefanie, 22 februari 1849 - 11 oktober 1849. Bruno Minne werd op 10 mei 1833 door de Gentse bisschop Jan Frans Van de Velde als opvolger van zijn 8 dagen eerder overleden vader in Dentergem aan­ gesteld (175). Het bisdom Brugge, opgeheven in 1801, werd in 1834 opnieuw opgericht en viel samen met de grenzen van de provincie West-Vlaanderen. Het decanaat Tielt - dat tussen 1559 en 1834 deel uitmaakte van het Gentse bisdom - kwam nu onder Brugge waar bisschop Frans-René Boussen (18341848) bijzonder veel belang hechtte aan de morele integriteit en het persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef van iedereen die een kerkelijke taak te vervullen had. Boussen richtte zijn aandacht o.m. op de kosters. In 1838 stichtte hij in Roeselare de bisschoppelijke normaalschool voor onderwijzers en kosters, die acht jaar later naar het Sint-Jozefsinstituut in Torhout zou worden overge­ bracht. Hiermee wilde hij niet alleen bekwame schoolmeesters, maar ook degelijke kosters en organisten vormen. Op 26 oktober 1842 vaardigde de bis­ schop een herderlijke brief uit, helemaal gewijd aan het kostersambt en ook de achtste vergadering van de dekens - in het bisschoppelijk paleis in Brugge op 30 mei 1843 - stond helemaal in het teken van de kosters (176). Op het gebied van de morele integriteit had bisschop Boussen het met Bruno Minne allerminst getroffen. De door hem aangestelde koster bleek helemaal geen koorknaap te zijn. In een vroeger leven was hij al meermaals met het gerecht in aanraking gekomen. Op 30 november 1816 was hij met vijf vrien­ den naar de militieloting in Wakken getrokken ; toen ze naar huis terugkeer­ den, hadden ze in 'Het Meuleken’ een fles jenever ontvreemd. Duidelijk onder de invloed van deze geestrijke drank, kwamen ze in Markegem aan, slaende met stockken op deuren en veynsters van het huis van Joseph De Rammelaere. De verbouwereerde bewoner trachtte hen dat te beletten, maar kreeg de volle laag en bleef met een gebroken arm vol roode en blauwe bulten liggen. Op de grensscheiding tussen Markegem en Dentergem ontbonden de zes kompanen hun duivels op de Kersenbrug, waarvan ze het hoofteynde helemaal afbraken (177). Op 24 januari 1821 werd onze kosterszoon ter verantwoording geroepen omdat hij straalbezopen de Dentergemnaar Louis Desmet met een stok bedreigd had, weliswaar nadat hij door twee van Desmets honden was aangevallen. Nauwelijks een jaar later, in mei 1822, ging Bruno Minne op de vuist met peerdeboever Bernard Tack en wever Pieter Debie. Zowat heel de wijk 'Katteknok' stond op stelten aangezien dit schouwspel gepaard ging met baldaedige geruchten en nagtgeraezen (178). De onbuigzame en compromisloze pastoor Ignace Vercruysse hield zijn koster echter de hand boven het hoofd. Minnes agressieve karakter en chronische drankzucht verzonken blijkbaar in het niets in vergelijking met de talloze con­

72


flicten die de Dentergemse zielenherder kende met zowel het kerk- als het gemeentebestuur. Op 19 juli 1836 vermeldde Vercruysse dat hij over Bruno Minne niet bijzonder te klagen had, zijn drankzucht buiten beschouwing gela­ ten. In december 1837 wordt Minne zelfs geloofd voor zijn gehoorzaamheid, sacramenteel leven en bekwaamheid als koster, maar... voor het overige diende de pastoor wel de ogen te sluiten (179). Op 1 oktober 1847 deed hij zijn werk nog steeds goed en - o victorie ! - sinds enige tijd had hij het drinken gelaten (180) . Deken Simons schatte de zaken wat realistischer in en stelde in 1841 dat Minne zijn taak maar middelmatig vervulde en geen al te best karakter had (181) . Als koster en organist verdiende Bruno Minne jaarlijks 65,30 fr., vanaf 1847 ontving hij 75 fr. Ook nu was het voor de kerk weer een nuloperatie : hetgeen Minne verdiende, moest hij afstaan als huur voor het ‘Groot Kerkhuijs’ (182). Om den brode hield hij de familietraditie in ere : hij smolt kaarsen en probeerde nog wat bij te verdienen als schoolmeester. Dit laatste liep echter niet van een leien dakje... Bruno Minne speelde op het einde van de jaren 1820 met de gedachte om het door de Hollanders geëiste bekwaamheisexamen voor onderwijzer af te leg­ gen. Aangezien de Dentergemse gemeenteraadsleden op 25 november 1829 ene Jan-Baptist Desimpel als leerkracht in de nieuwe gemeenteschool benoem­ den (Justin Van Maldeghem was toen al naar Wingene verhuisd), zag Minne zijn onderwijsloopbaan in Dentergem in rook opgaan en kwam er van de even geplande deelname aan het examen niets in huis. De zaken veranderden even­ wel grondig met de Belgische Omwenteling. Artikel 17 van de grondwet van 7 februari 1831 waarborgde de vrijheid van onderwijs en verbood welke pre­ ventieve maatregel dan ook. Bruno Minne wachtte echter zolang niet en start­ te in november 1830 een privé-schooltje, dat algauw 36 leerlingen telde. In februari 1834 bezochten 59 kinderen het ‘Groot Kerkhuijs’ om er te leren lezen, schrijven en rekenen. Minne genoot alleen het schoolgeld van de wel­ licht weinig gegoede leerlingen die zijn schooltje bezochten. Hij kreeg het bovendien steeds moeilijker om te wedijveren met de officiële gemeenteschool in de Dreve en vooral met de in het najaar van 1834 door onderpastoor Antonius Bonneure opgerichte privéschool in de Wontergemstraat. Eind 1834 of ten laatste begin 1835 hield Bruno Minne - intussen tot koster benoemd het dan ook voor bekeken. In 1848, na een adempauze van bijna anderhalf decennium, vond Minne het uit financiële noodzaak ? - de hoogste tijd om zijn opvoedkundige talenten nog eens ten dienste te stellen van de Dentergemse jeugd. Het werd weer geen onverdeeld succes. Na een erg moeizame start telde hij in 1850 amper 20 tot 30 leerlingen, in 1851 waren dat er nog maar 15 tot 20. Veel vertrouwen had­ den de ouders blijkbaar niet in de koster-schoolmeester, die niet meteen om zijn onbesproken levenswandel bekend stond. Lang duurde Minnes wederop-

73


treden hoe dan ook niet. Hij overleed vrij onverwacht op 3 februari 1852. Zoon Jan was bij het afsterven van Bruno Minne 15 jaar, en dus nog iets te jong om zijn vader hetzij als koster hetzij als schoolmeester op te volgen. Bruno’s weduwe, Rosalie Demets, sprong evenwel in de bres en nam voorlo­ pig de kosterstaken van haar man over. Het voorlopige zou blijven duren tot 1856 (183). Dat jaar werd het ‘Groot Kerkhuijs’ openbaar verkocht om met de opbrengst ervan de in aanbouw zijnde nieuwe kerk (1854-1856) te helpen beta­ len (184). Rosalie verhuisde met haar vier kinderen naar de Kerkstraat waar ze haar intrek nam in het huis destijds bewoond door Justin Van Maldeghem (nu het postkantoor) (185), de gewezen schoolmeester-concurrent van haar schoonvader Pieter-Jozef. In 1871 verbleef ze bij haar dochter Julia in de Statiestraat, waar ze als naeister nog wat verdiende (186). Rosalie Demets overleed op 6 maart 1890. Ze was 86 en had haar man Bruno 38 jaar overleefd.

Jan Minne, in vino veritas (?) : 1856 - 1887 Jan Minne werd geboren op 20 oktober 1836. Hij trouwde in 1865 met de 26jarige Maria-Hortensia Mehuys afkomstig uit Olsene, waar haar broer Jan kos­ ter was (187). Het echtpaar Minne-Mehuys vestigde zich in het gloednieuwe door burgemeester en provincieraadslid Jozef-August Opsomer gebouwde huis in de Kerkstraat (nu kantoor van de Generale Bank) (188). Net als zijn ouders kreeg Jan acht kinderen en nu weer sloeg het noodlot hard toe. 1. Maria Augusta, °31 maart 1866, x met Pol Van Hyfte en Aloïs Devos, tZulte 27 juli 1934 2. Sebastiaan Edmond, 29 juni 1867 - 10 november 1869 3. Maria Ludovica, 7 augustus 1869 - 9 juli 1951 4. Maria Zoë, 13 september 1871 - Wakken 19 december 1953 5. Cyriel : zie verder 6. Alice, °21 mei 1867, x met Aimé Brengier op 27.11.1895, |3 mei 1931 7. Valerie Irma, 6 februari 1878 - 2 juli 1881 8. Oscar Eugeen, 27 januari 1880 - 25 februari 1882. Jan Minne trok naar de normaalschool in Torhout waar hij een opleiding als schoolmeester en koster genoot. In juli of augustus 1854 onderbrak hij zijn stu­ dies om als ‘ondermeester’ in de Dreve aan de slag te gaan. De Kanegemnaar Constant De Cock, die sedert 24 maart 1854 meester Mervillie in de gemeen­ teschool bijstond, was in juni naar Beveren-Roeselare vertrokken en de direc­ tie van de normaalschool had het Dentergemse schepencollege de raad gege­ ven Jan Minne aan te stellen om hem te vervangen. De gemeenteraad benoem­ de Jan Minne op 13 december, maar zag nog geen maand later deze benoe­ ming vernietigd door de Bestendige Deputatie omdat de nieuwe ‘ondermees­ ter’ niet over het nodige diploma beschikte. De raadsleden poogden nog ver­ geefs de provinciale gedeputeerden te vermurwen, betogende dat Minne het

74


Jan Minne, posthume houtskooltekening van Th. De Smet uit Ledeberg, 1908 (eigendom Jean-Marie Minne).

75


als ‘ondermeester’ meer dan behoorlijk deed en bovendien financieel instond voor zijn moeder-weduwe en zijn twee minderjarige zussen en broer. Twee jaar na het plotse einde van Jan Minnes kortstondige onderwijzersloop­ baan trad hij officieel als koster in de voetsporen van zijn vader zaliger. Vanaf 1857 betaalde de kerkfabriek hem als koster en organist jaarlijks 50 fr. Dit was 25 fr. minder dan wat Bruno vanaf 1847 voor hetzelfde werk verdiende ! Aangezien de kerk nu de pachtinkomsten van het ‘Groot Kerkhuijs’ moest der­ ven, had men blijkbaar duchtig gesnoeid in ‘s kosters salaris. Gelukkig voor Minne werd dit schamele loon aangevuld met de inkomsten uit fondaties en zijn extra bezoldigd werk in het zaterdagse lof. Hiervoor streek hij in 1864 respectievelijk 28,71 en 23,58 fr. op (189). In 1853 overleed de door zowat iedereen gehate pastoor Vercruysse. Hij werd opgevolgd door Norbert Scherpereel (1853-1896), een autoritair en toch vrij geliefd pastoor die aanvankelijk over zijn jonge koster weinig te klagen had. De toestand veranderde echter grondig in de jaren 1870. In augustus 1873 loofde Scherpereel wel de christelijke levenswijze van Jan Minne, maar vond toch dat hij te veel de herbergen bezocht en zijn kosterlijke taken af en toe ver­ waarloosde (190). Drie jaar later zei deken Denys het heel wat minder ver­ bloemd : de Dentergemse koster dronk te veel (191). En het ging van kwaad naar erger. In augustus 1878 opperde de pastoor dat Minne zich regelrecht het graf in dronk, de veelvuldige waarschuwingen van de dokter ten spijt. In 1885 was de koster al in die mate afgetakeld dat hij niet langer bekwaam was zelf te zingen en zich op het doksaal moest laten bij staan door een helper (192). De gewetensvolle en immer correcte Scherpereel zal deze spijtige gang van zaken met vrij veel hartzeer ondergaan hebben. De Dentergemse pastoor had een hekel aan nalatigheid en improvisatie en eiste dat de kerkgangers zijn dien­ sten - die tot in de puntjes verzorgd waren - met aandacht volgden. Deze vrome wensdroom strookte uiteraard niet altijd met de werkelijkheid en om zijn babbelzieke parochianen tot meer godsvrucht aan te zetten, vroeg en bekwam hij van de kerkfabriek de aanstelling van een ‘suisse’. Vanaf 1878 kregen de kerkdienaars Jan Minne en Louis Van Gelder (kerkbaljuw) dan ook het gezelschap van de ordehandhaver Désiré Vandermeersch. Het ambt van suisse bleef in Dentergem bestaan tot 1956. Vandermeersch werd rond 1900 opgevolgd door Henry Wattyn. Na hem was het de beurt aan Cyriel Sergeant. Oudere Dentergemnaren herinneren zich nu nog de letterlijk kleur­ rijke Sergeant - in blauw uniform met een in goud geborduurd bandelier, gekrulde hoed met garniture en vergulde pycke (193) - die er streng op toezag dat de zondagse eucharistievieringen ordentelijk verliepen. Jan Minnes drankzucht werd hem uiteindelijk noodlottig. Hij overleed op 19 mei 1887, 50 jaar oud. De afscheidswoorden op zijn bidprentje - die verwij­ zen naar het oudtestamentische boek Job VII, 3 - waren overduidelijk :

76


Mijne kwaal is zonder hulp geweest, omdat gij, o

Heer, gehandeld hebt volgen» uwen goddelijken wil.

J er. xv, 18. — J on. i , U.

B ID VOOR D E Z IE L

J.O A N N ES MINNE, v

. Kopier, sedert omtrent 33.iaren, der Kerk van Denterghera,

Zoon van Bruno ep Rosalia Dergels, Man van IJARIA-HORTENSIA MEHUYS,

7: •; J

\

Lid van het Broederschap van het H. Schapulier, van de *' Geloovige Zielen, van het H. Hert van Jeaus enj Geboren te Denterghera, den 20 Ootober 1836, en al< overleden op den Feestdag van O. L. H. Hemel*.' v vaart, 19 Mei 1887. Ellendige maanden heb ik tot erfdeel gehad en moe&L lijke nachten doorgebracht. ' ^ J ob vii, 3i> Maar ik heb op den dag van kwelling den Heer aan-# roepen en ik ben niet bedrogen geweest. P t. lxxvi, 1. Uwe rechtveerdige geboden, o Heer, waren het gedn^V rig voorwerp mijner zangen in mijne pelgrimsreis, opv’ deze wereld. Ps. cxvw, 54/v B eminde vrouw en uevr zinderen, aanhoort mijne, laatste vermaning : wee»t mij indachtig... dient God ten, allen tijde, en vraagt dat hij u gelelde op den rechtsta*

"

:

*’ **'

TMk nfe "

Een ware dienaar van Maria zal nooit verloren' ga*».& H. Bsen ,* Goedertiere Heer Jeans, geef zijne ziel de rast. Amen. Thielt, Van Wèlden-De Backer, dr. i

^1 Bidprentje van Jan Minne, koster in Dentergem 1856 - 1887 (eigen verz.).

é


Ellendige maanden heb ik tot erfdeel gehad en moeilijke nachten doorge­ bracht. Zijn enig nog in leven zijnde zoon (Cyriel) was toen 12 jaar en uiter­ aard veel te jong om de fakkel over te nemen. Maria-Hortensia Mehuys - die 21 jaar later, op 19 april 1908 zou overlijden - had niet de ambitie of de bekwaamheid om, naar het voorbeeld van haar schoonmoeder, enkele jaren de kosterstaken in Dentergem waar te nemen. Men diende dus uit te kijken naar een (tijdelijke ?) opvolger en vond die in de persoon van Henri Musschoot. In september 1887 verlieten zowel onderwijzer Leopold Vermeersch als hulp­ onderwijzer Pieter Schotte de aangenomen jongensschool in de Dreve (194). Vermeersch werd vervangen door Victor De Cock uit Beveren-Roeselare en in de plaats van Schotte kwam de 21-jarige uit Oedelem afkomstige Henri Musschoot (°24 december 1865). Beide leerkrachten werden door de gemeen­ teraad in hun functie bevestigd op 8 december 1887. De zowel muzikaal als pedagogisch vrij begaafde hulponderwijzer stemde ermee in de taak van koster in Dentergem op zich te nemen. Alles leek nu in kannen en kruiken, tot Henri Musschoot twee jaar later, op 18 oktober 1889, helemaal onverwacht overleed. Niet alleen de oude pastoor Scherpereel, maar ook meester De Cock wilden natuurlijk zo vlug mogelijk een vervanger. Eén van de sollicitanten voor de open betrekking van ‘ondermeester’ was de in Oostrozebeke geboren (25 december 1868) gediplomeerde onderwijzer Gentil Lourdault, die als koster werkte in Desselgem. Lourdault leek goed op de hoogte van de Dentergemse toestanden : hij was niet alleen kandidaat-hulponderwijzer, hij bleek er zelfs niets op tegen te hebben ten voorlopigen titel de kostery te bedienen (195). De keuze was dan ook vlug gemaakt. Op 17 novem­ ber 1889, nauwelijks een maand na het afsterven van Musschoot, werd Lourdault op proef aangesteld in de jongensschool en kon hij meteen ook als koster aan de slag. Alhoewel de gemeenteraad niet meteen het volste vertrou­ wen in hem scheen te hebben (ofschoon zijn onderwijs geven wat flauw, toch nog al tamelijk is en belooft te verbeteren) werd hij op 9 november 1890 toch als ‘ondermeester’ benoemd. Pastoor Scherpereel was duidelijk meer opgeto­ gen. Zowel in augustus 1891 als in november 1892 loofde hij Lourdault voor zijn nauwgezet dienstbetoon en waardig gedrag. Hij werd zelfs als voorbeeld gesteld voor vele parochianen die er een iets lossere zeden op nahielden (196). Maar ook nu was het liedje van korte duur. Op 28 juni 1893 zegde Gentil Lourdault Dentergem vaarwel en verhuisde hij naar Beveren-Roeselare. Scherpereel en De Cock zaten weer met de handen in het haar, maar gelukkig dook opnieuw iemand op die bereid leek te werken in de school én in de kerk. De reddende engel was nu ene Lrederik Devos (“Vinkem 4 november 1871), die als derde koster interimaris de brug sloeg naar het nakende aantreden van de in Torhout studerende Cyriel Minne.

78


Cyriel Minne, een halve eeuw algehele tevredenheid : 1895 - 1947 Cyriel Minne (°22 juli 1874) wordt voor het eerst als koster vermeld op 13 februari 1895 (197). Hij was toen 20 en had de eer en het genoegen nog een jaar te mogen dienen onder Dentergems befaamdste pastoor - tevens de pas­ toor met de langste dienststaat in onze parochie -, Norbert Scherpereel. Cyriel Minne huwde op 27 juli 1909 met de 12 jaar jongere Dentergemse Bertha Beels (°4 augustus 1886) - die hij desondanks 18 jaar zou overleven : zij leed aan een hartziekte en overleed op 25 mei 1929, 42 jaar oud. Bertha Beels werd geboren in ‘De Kroon’, toen al gewezen herberg. In deze vrij ruime woning in de Kerkstraat - in 1991 gesloopt en nu achteringang van de Versmarkt Wiclau - werd er tussen 1795 en 1873 niet alleen drank besteld : in die jaren was ‘De Kroon’ ook dorpshuis (198). Ongeveer een kwarteeuw nadat de herberg zijn deuren had gesloten, opende Bertha's vader, Camiel, hem in 1898 of 1899 opnieuw, maar dan onder de naam ‘Oud Gemeentehuis’. Toen Cyriel en Bertha in 1909 huwden, werd het vroegere gemeentehuis tot twee woningen ver­ bouwd. Het jonge echtpaar betrok het oostelijke deel - tot voor enkele jaren nog bewoond door hun dochter Elfrieda - terwijl Camiel Beels zijn intrek nam in het westelijke gedeelte - laatste bewoonster : Astrid Callens -, dat hij tot zijn overlijden in 1925 als drankgelegenheid bleef uitbaten (199). Cyriel Minne en Bertha Beels kregen twee kinderen : 1. Godfried, °8 november 1910, x op 14.01.1941 met Yvonne Van Overbeke, fWaregem 4 mei 1992 2. Elfrieda : zie verder. In de lijn van de familietraditie verdiende Cyriel een (goed belegde ?) boter­ ham met de verkoop van kaarsen en allerlei benodigdheden die onmisbaar heten te zijn voor de eucharistische en sacramentele diensten (olie, wierook, paasnagels...) en voor het onderhoud van het kerkgebouw (zeep, borstels, dweilen...). Hij opende een spaarbank en leverde het drukwerk voor huwelij­ ken en begrafenissen. Voor zijn werk als koster ontving hij tot en met 1920, net als zijn vader Jan, jaarlijks 50 frank. In 1921 werd dit bedrag verdubbeld en het verhoogde dan stelselmatig om 800 fr. te belopen in 1946. In 1947, het laatste jaar van Minne als koster en organist, voorzag het kerkbestuur... 9.000 fr. voor kosterswerk (200). De 50 frank die hij de 25 eerste jaren van zijn loop­ baan jaarlijks uitbetaald kreeg, lijken een aalmoes. Maar we mogen niet ver­ geten dat de penningmeester van de kerkfabriek steeds meer geld voorzag voor gestichte jaargetijden, missen en kerkelijke diensten. Pastoor, onderpastoor en koster verdeelden onder elkaar - los van hun vaste weddes - 674,97 fr. in 1906 en 738,06 fr. in 1914 (201). Trad Cyriel Minne als kaarsenmaker en kosterorganist in de voetsporen van onder meer zijn vader en zijn grootvader, op het gebied van karakter en levenswijze had hij weinig met beide voorzaten gemeen. Zowel pastoor Scherpereel als zijn opvolger Henri Louwagie (1896-

79


Cyriel Minne en Bertha Beels met hun kinderen Godfried en Elfrieda (eigen verz.).

t W EES m

U W E G E B E D E N IN D A C H T IG D E Z IE L V A N HEER

C Y R IE L M IN N E weduwnaar vaa Vrouw BERTHA BEELS sedert 53 ja a r koster v a n Dentergera geboren te D enier ge tn d en 22 fa it 1874 en er gelaten en stich ten d in den H eer ontslapen den 20 Jani 1947 m de taa iste H . Sacram enten ontvangen te hebben. H ij w aa Md m n de confrérie der G elosige Z ielenStîllekeos en góed vóórbereid heelt de d ierbare overledene de hem elpoort b ereikt. E en ««hoon gevuld leve» w acht thans o p d e «eaw lge b eloning v an den H eer, en, n a a r het woord van het Evangelie " Z alig die zich schatten vo o r den he­ mel verzamelen w a n t deze zijn onvergankelijk „ Lijden om G o d s wille en ’t lijden duiken d a t Is hoge deugd en d a t heeft C yriel gedaan, oh zo lang. Bewust v an alles w ist hij zo vriéndelijk alle* in ’t beste te keren en de hoop te bew aren. " G ods wil geschiede „ w as zijn stil en verdokene bede, en in Bij» h a rt heeft hij alles bew aard. H ij schatte het lijdelijk leven n a a r w aarde e n h ad e r dan diepen zin van begrepen. V a n a a rd u it w as hij voornaam , rechtschapen, eenvoudig en goed, overgevoelig Van h art, slaaf v an zijn plicht e n erm ede d ag en nacht bekommerd. M eer d an 5 d ja a r heeft bij de bediening van koster in de parochiekerk w aargenom en, zovele jaren G ods lo l gezongen en d e priesters ter zijde g estaan en n u is bij d e eeuw ige lof­ zang g a a n zingen bfj O L, Heer. T o t bet laatste ogenblik heeft hij gebeden helemaal overgegeven a a n G ods vaderw iï. Z ijn leven w as eenvoudig stil zo ook w as zijn dood. als weerklank v an het leven en d a t alleen is ai reeds een belo­ ning van den Heer. Z ijn gedachtenis hfijve in zegening. D ierbare K inders e n K leinklnders. h ebt d ank vo o r al de liefde en de zorgen w aarm ede ge mij om ringd h eb t: de dood heeft de liefdebanden niet verbroken die ons zo innig ver­ bonden : In den hemel zal ik met moeder over u waken Gij van uw en k ant v ergeet ons niet in uwe gebeden en goede werken. Beminde Broeder, Z u ste rs en F am ilie, h ebt d an k om uwe genegenheid, laten wij bidden zoals in b et O nze V ader “ U w wil geschiede „ en gedenkt mijne ziel, gij vooral E erw - Z u s­ te r a an God toegewijd. B arm hartige fesas schenk zijn ziel d e eemvige rost. 3Ö0d a. M bo Jésus barm hartigheid. 300 d ,a.

Cyriel Minne aan zijn vertrouwd kerkorgel, enkele jaren voor zijn overlijden (eigen verz.)

80

Bidprentje Cyriel Minne (eigen verz.).


1908) hadden niets dan lof voor hun jonge koster. In 1895, 1898, 1901 en 1904 zwaaiden beide geestelijken overvloedig met het wierookvat. Op 20 mei 1904 stipte Louwagie zelfs aan dat er niets in Minnes handelwijze verbeterd kon worden (202). Op oudere leeftijd was Cyriel Minne een innemende en graaggeziene figuur, aldus de door ons ondervraagde Dentergemnaren die hem nog als koster hebben gekend. In de tijd van pastoor August Holvoet (1908-1919) werd het anderhalve eeuw oude en blijkbaar helemaal versleten kerkorgel ver­ vangen. In oktober-november 1913 plaatsten de gebroeders Vereecke uit Gijzegem voor 8.000 fr een nagelnieuw orgel in Dentergems kerk (203). De sympathieke Holvoet - die niet alleen het orgel liet vervangen, maar boven­ dien de kerk verfraaide met tal van heiligenbeelden - werd opgevolgd door Jules Blondelle (1919-1935). Cyriel Minne had het niet zo begrepen op deze veeleer aristocratische zielenherder die zich méér thuisvoelde bij de plaatse­ lijke vooraanstaanden dan bij de doorsnee burger. Achiel Dewaele (1935-1953) ten slotte was de vijfde en laatste directe ‘chef’ van Cyriel Minne. De bij het werkvolk bijzonder populaire pastoor kon het ook met de ouder wordende Minne best vinden, ondanks het feit dat hij, wat de kerkelijke aangelegenheden betreft, nooit enig compromis sloot en wars was van elke vorm van modernis­ me (204). Cyriel Minne overleed op 2 juni 1947. Op zijn bidprentje lezen we : Hij schat­ te het tijdelijk leven naar waarde en had er de diepen zin van begrepen. Van aard uit was hij voornaam, rechtschapen, eenvoudig en goed, overgevoelig van hart, slaaf van zijn plicht en ermede dag en nacht bekommerd. We geloven niet dat we hier nog iets aan toe kunnen voegen...

Elfrieda Minne, het trieste einde : 1947 -1949 De laatste jaren van zijn kosterschap sukkelde Cyriel Minne nogal wat met zijn gezondheid. Pastoor Achiel Dewaele was een vooruitziend man en reeds in 1940 polste hij Cyriels zoon, Godfried, om te vernemen of hij kosterlijke ambities koesterde. Hij was een onderlegd muzikant die zijn vader meermaals op het doksaal had bijgestaan en af en toe zelfs vervangen. Hij had een aan­ genaam karakter. Kortom, hij leek de geknipte opvolger. Godfried zag het ech­ ter niet zitten. Na zijn technische opleiding in het V.T.I. in Deinze, kreeg hij een job aangeboden als magazijnier in het textielbedrijf Schellaert in Wakken. Toen hij zich, na zijn huwelijk in januari 1941, bovendien in Wakken vestigde, mocht de Dentergemse pastoor alle hoop voorgoed opbergen. Vader Minne overleed halfweg 1947 en dochter Elfrieda (°9 september 1915) stelde voor het orgel te bespelen en ook de andere kosterstaken waar te nemen. Net als haar broer Godfried had ze in haar jeugdjaren op het doksaal de nodige ervaring opgedaan en bovendien gaf ze muziekles in het H. Familie-Instituut in Tielt. Elfrieda zag haar lang gekoesterde droom in vervulling gaan, maar wist

81


niet dat pastoor Dewaele intussen op zoek was naar een ‘waardige’ opvolger voor wijlen Cyriel Minne. Eind 1949 werd Elfrieda voor bewezen diensten bedankt. Als officiële reden gaf de pastoor op dat het eigenlijk niet paste dat een vrouw de goddelijke diensten opluisterde. Een nogal betwistbare maatregel die ons, gezien de behoudsgezinde ingesteldheid van de Dentergemse zielen­ herder, niet meteen verbijstert. Toch vermoeden we dat het eigenzinnige karak­ ter van de ‘kosterin’ pastoor Dewaele meer dan eens op de heupen moet heb­ ben gewerkt en diens speurtocht naar een mannelijke kerkdienaar veeleer heeft bevorderd dan afgeremd. Elfrieda heeft de klap nooit verwerkt. Toen we haar enkele maanden voor haar overlijden (3 september 1988) in verband met voorliggende studie aanspraken, maakte ze zonder meer brandhout van Achiel Dewaele en wenste ze alle cleri­ ci de eeuwige hellebrand toe... Met het verplichte aftreden van Elfrieda Minne werd voorgoed een eindpunt gezet achter welgeteld 339 jaar Minnes - de interimperiode 1887-1895 buiten beschouwing gelaten - als kosters van Dentergem. In haar plaats kwam Etienne Van Gelder, kleinzoon van de laatste kerkbaljuw, Désiré Van Gelder. Maar Van Gelder verhuisde op 15 september 1952 naar Veume en pastoor Dewaele zag zich genoodzaakt de jonge onderwijzer Victor Vercruysse - in 1951 als leerkracht in de jongensschool in de Dreve aangesteld - op te trom­ melen om tijdelijk het kerkorgel te bespelen. Pastoor Dewaele ging met pensioen op 5 maart 1953 (205) en werd opgevolgd door Jozef Fruytier (1953-1958). In juni 1953 bracht die ene Roger Nollet uit Gijverinkhove (Alveringem) naar Dentergem mee om hem als koster bij te staan. Na drie maanden hield Roger Nollet het evenwel letterlijk en figuurlijk voor bekeken : gezichtsproblemen maakten het hem onmogelijk de notenbal­ ken nog te ontcijferen. Pastoor Fruytier haalde dan de Tiegemnaar Jozef Vandenbogaerde naar Dentergem. Ook nu was het avontuur weer van korte duur. Vandenbogaerde zag het financieel niet zitten om met een jaarwedde van 12.800 fr. (206) zijn groot gezin (11 kinderen) te onderhouden en trok begin 1954 terug naar zijn geboortedorp. Vanaf 1 maart 1954 trad de 16-jarige (!) Noël Vanhastel (°14 augustus 1937) in dienst. En dit keer was het wel raak : Vanhastel overleefde niet alleen Fruytier, hij hielp ook Antoon Vanrijckeghem (1958-1961) en de legendarische Louis Van Houtte (1961-1992) met wie hij een nagenoeg volmaakt duo vormde. Pastoor Van Houtte overleed op 3 november 1992, op 89-jarige leeftijd, en kort nadien manifesteerden zich de eerste tekenen van een ziekte die de door iedereen geliefde koster op 6 juni 1993 naar de eeuwigheid zou leiden. De nieuwe Dentergemse zielenherder Emmanuel Ollieuz haalde de 25-jarige Bert Hebbrecht van Wondelgem naar Dentergem om de betreurde Vanhastel op te volgen. De jonge koster en muziekleraar trad op 1 augustus 1993 in

82


dienst en bespeelde het orgel welgeteld... twee maanden. Pastoor Ollieuz bleek helemaal niet tevreden over Hebbrechts bekwaamheden en wist op 30 septem­ ber 1993 de toch enigszins verbouwereerde leden van het kerkbestuur te over­ tuigen hem te ontslaan. Tot op heden (juni 1994) is de plaats van de onfortuin­ lijke Wondelgemnaar nog vacant. De Dentergemse pastoor doet nu een beroep op een aantal ‘losse medewerkers’, die als amateur-organisten de belangrijkste kerkdiensten opluisteren : dokter Joseph Van Betsbrugge (Wakken), zijn broer Jerome Van Betsbrugge (Oeselgem), Luc Wielfaert... De toekomst zal moeten uitwijzen of Bert Hebbrecht een eeuwenoude kerkelijke traditie in Dentergem voorgoed heeft afgesloten. Eric BEKAERT

83


BIJLAGE Van Pieter tot Elfrieda, van koster tot kosterin : de Dentergemse kosterij in handen van 11 Minnes (1610 - 1949) 1. PIETER MINNE, fs Jan (? - jan. 1646) x Mayken Peers : 3 kinderen x Livine Piessens : 8 kinderen w.o. nr. 2 Koster 26.08.1610 - jan. 1646 2.

PIETER MINNE, fs Pieter ( 1622 of 1623 - 20.12.1697) Koster 1646 - 20.12.1697

x Joanna Oste : 5 kinderen w.o. nr. 3.

3.

JACOBUS MINNE, fs Pieter junior (06.01.1664 - 09.11.1744) x Isabella Berth : 8 kinderen w.o. nrs. 4 en 5. Koster 1697 (officieel 12.12.1701) - 03.11.1734 01.10.1735- 19.02.1740

4.

JAN-BAPTIST MINNE, fs Jacobus (26.10.1714-30.09.1735) Koster 04.11.1734 - 30.09.1735

5.

FRANCIES MINNE, fs Jacobus (06.04.1720 - 13.03.1774) x Maria Anna Leagre : 14 kinderen w.o. nrs. 6 en 7. Koster 20.02.1740 -13.03.1774

6.

KAREL MINNE, fs Francies (09.08.1750 - 10.04.1786) x Maria-Anna Theresia Deborghgraeve : 2 kinderen. Koster maart 1774 (officieel 11.08.1774) - 10.04.1786

7.

PIETER-JOZEF MINNE, fs Francies (28.01.1760 - 02.05.1833) x Maria Francisca Vermeersch : 11 kinderen w.o. nr. 8. Koster 27.04.1786 - 02.05.1833

8.

BRUNO MINNE, fs Pieter-Jozef (26.09.1794 - 03.02.1852) x Rosalie Demets : 8 kinderen w.o. nr. 9. Koster 10.05.1833 - 03.02.1852

Tussen 1852 en 1856 : Rosalie Demets, weduwe van Bruno Minne. 9.

JAN MINNE, fs Bruno (20.10.1836- 19.05.1887) Koster 1856 -19.05.1887

Tussen 1887 en 1895 :

10.

11.

84

CYRIEL MINNE, fs Jan (22.07.1874-20.06.1947) Koster 1895 - 20.06.1947 ELFRIEDA MINNE, fa Cyriel (09.09.1915 -03.09.1988) Koster 1947 - 1949

x Maria-Hortensia Mehuys : 8 kinderen w.o. nr. 10. Henri Musschoot (1887 - 1889) Gentil Lourdault (1889 - 1893) Frederik Devos ( 1893 - 1895) xBerthaBeels

: 2 kinderen w.o. nr. 11.


VOETNOTEN * Deze studie werd in 1993 bekroond met de Prijs voor de beste heemkundige bijdrage uitgeschreven door de heemkundige kringen van het arrondissement Tielt. Afkortingen 1. A.R.A. 2. B.A.B. 3. D.A.T. 4. G.A.D. 5. K.A.D. 6. R.A.B. 7. R.A.G. 8. R.A.K. 9. S.A.G. 10. S.B.K. 11. B.P. : 12. D.V. : 13. F.F. : 14. K.R. : 15. P.R. : 16. W.R. : 17. Dent. : 18. Fo.B.G :

Algemeen Rijksarchief Brussel Bisschoppelijk Archief Brugge Dekanaal Archief Tielt Gemeentearchief Dentergem Kerkarchief Dentergem Rijksarchief Brugge Rijksarchief Gent Rijksarchief Kortrijk Stadsarchief Gent Stadsbibliotheek Kortrijk Bruine Pakken Dekanale Visitatie Frans Fonds Kerkrekening(en) Parochierekening(en) Wezerijregister Dentergem Fonds Bisdom Gent

Munten 1 pond parisis = 20 schellingen parisis 1 schelling parisis = 12 denieren parisis 1 pond grote had dezelfde onderverdeling, maar was 12 keer meer waard. 1 pond grote = 6 gulden Rond 1780 verdiende een timmerman 3 Ă 4 schellingen grote per dag of ongeveer 1 pond grote per week. Een varken kostte in de periode 1750-1770 ca. 1 pond grote, een vette koe 7,5 pond grote. Oppervlaktematen 1 bunder = 1 ha 41 a 69 ca of 14.169 vierkante m 1 gemet = 1/3 bunder 1 honderdlands = 100 kleine (vierkante) roeden = 8 a 85 ca. Er gaan 16 honderdlands in een bunder. 1 kleine (vierkante) roede = 8,85 ca.

1.

2. 3. 4. 5.

K. Van De Putte, Gedachten, Antwerpen, 1888, blz. 69. Eerste strofe van een gedicht waarin de Vlaamsgezinde vrederechter en dichter Karei Van De Putte (Pittem 02.02.1850 - Gent 19.02.1922) de familienaam Minne verheerlijkt. Karei was de zoon van Francies Van De Putte en Julia Minne. Zijn moeder, een Dentergemse, was de dochter van Angelus, vierde zoon van Leonardus Dominicus. Leonardus was de broer van de laatste bal­ juw van de dorpsheerlijkheid Dentergem, Petrus-Bemardus. Leonardus Dominicus en Petrus Bemardus kwamen van Wontergem (zonen van Jozef-Eduard en Maria-Joanna Galle) en hadden geen enkele familierelatie met de Dentergemse kostersdynastie. L. Slosse, Rond Kortrijk III, Roeselare, 1904-1911, blz. 1330-1331. E. De Clercq, Geschiedenis vanAarsele, Brugge, 1881, blz. 30-31. J. Delbaere, De kosters te Rumbeke, Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring, Kortrijk, 1973, blz. 138. M. Desmedt, Kosters en kosterieel goed te Snellegem, Het Brugs Ommeland, 1976, nr. 4, blz. 203-204.

85


6.

7. 8. 9. 10. 11. 12.

13.

14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21.

22. 23. 24. 25.

26. 27. 28. 29.

30.

31. 32. 33.

86

S. Deseure, Geschiedenis der gemeente Sint-Denijs of Saint-Genois, gevolgd van de kroniek der aldaer voorgevallene gebeurtenissen, Brugge, 1876, blz. 137, Dank aan de heren Jhonny Cneut, Hubert Dessein en E.H. Roger Witdouck die me betreffende de periode na 1876 de nodige inlichtingen verschaften. Sint-Guido, de heilige koster, Het Volk, 12.09.1986. Het betreft hier een samenvatting van het opzoekingswerk van Harry De Bock van de Buggenhoutse volkskunstkring "De Bosuilen”. K.A.D., Verslagen der kerkfabriek 1845-1856, zitting 10.02.1856 : Reglement, bevattende de pligten van de kerkballiu... waerin vooral het aloud gebruik tot grondslag zal worden genomen. K.A.D., K R. 1567, f.13. K.A.D., K.R. 1756 - 1757, f. 37 v. Volgens Noël Vanhastel (koster van Dentergem van 1954 tot 1993) was de kerkbaljuw toen niet veel meer dan een ceremoniemeester bij huwelijken en begrafenissen. In 1756 is er voor het eerst sprake van de betaling van een organist (R.A.K., P.R. Dent., V, reke­ ning 1756). Het gebruik van een orgel om de eucharistische diensten de nodige luister te geven, dagtekent in nogal wat parochies uit de periode 1750-1770. In Pittem b.v. werd er in 1764 één aangeschaft (W. Devoldere, Jan Retsin, 1737-1801, koster te Pittem, De Roede van Tielt, 18de jg., nr. 1, 1987, blz. 40), het orgel in Egem kwam er rond 1766 (V. Arickx, Geschiedenis van Egem, I, Pittem, 1982, blz. 284). R.A.G., Fo.B.G., B 2156, D.V. Joannes de Mol, 1653. Niet alleen in Dentergem, maar bijna overal in het decanaat Tielt stond in de eerste helft van de 17de eeuw de gemeenschap in voor het onderhoud van de koster (M. Cloet, Het kerkelijk leven in een landelijke dekenij van Vlaanderen tijdens de XVIIde eeuw. Tielt van 1609 tot 1700, Leuven, 1968, blz. 239). B.A.B., F 74, status ecclesiae 1623. R.A.G., Fo.B.G., B 2143, D.V. Michaël Vander Beke, 1614. Zie noot 7. M. Cloet, o.c., blz. 239. M. Delmotte, Kerk, pastoors, kosters en parochianen van Sint-Eloois-Vijve van 1566 tol 1713, De Gaverstreke, 5de jaarboek, 1977, blz. 186. S.A.G., XXste-penningkohier Dent., f. 36 v. - 37. K.A.D.,K.R. 1616, f.4 v. De prochie ...als wesende groote tiend'efferinghe ofte hebbende de selve thiende aen haer selven (R.A.K., P.R. Dent., III, rekening 1719). Vanaf 1743 wordt hierover in de parochierekeningen met geen woord meer gerept. R.A.B., F.F., nr. 802. B.A.B., B 241 k, D.V. Ludovicus Brugmans, 22.01.1693. M. Cloet, o.c., blz. 172. Siger (1206), Jhan Sorys (1352), Pieter De Treckere (1437), Gilles De Waeyberch (1437-1455), Lodewijck Zutterman (1500), Daneele Raen (ca. 1510), Johan Heucht (1515), Willem Raes (1525), Franciscus Ovaere (1534-1568), Adriaan Bolle (1568-1586). R.A.K., Aanwinsten, VI, 5303. K.A.D., los perkament d.d. 24.10.1349. R.A.G., Fonds Lippens (inv. 175), nr. 79, 1370. K.A.D., los perkament d.d. 16.02.1406. In 1391 verloor de heerlijkheid Dentergem haar vrij-eigen statuut en kwam in handen van de familie Van der Zype (1391-1535). S.A.G., XXste-penningkohier Dent., f. 47 - 47 v. Galle gebruikte toen een half bunder zaailand ter causen vande selver costerije ... an tkerkinstraetjen en inde voorn, qualiteyt... een vierendeel meersch oellick gheweet (slecht weiland) we­ sende, inde keerckemeersch. Met dank aan Filip Bekaert die ons deze gegevens meedeelde. K.A.D., kwitanties n.a.v. de bouw van de nieuwe pastorie d.d. 13.01.1784. S.A.G., XXste-penningkohier Dent., f. 6 v. en 34.


34. R.A.G., Fonds Lippens (inv. 175), nr. 54. 35. In 1586 werden op een totale oppervlakte van 1176 ha nog welgeteld 12,5 ha landerijen bebouwd (N. Maddens, De omvang van de veestapel en van het bouwland in de kasselrij Kortrijk in 15861587, De Leiegouw, jg. XVIII, sept. 1976, blz. 277). 36. A.R.A., Rekenkamer 1177, confiscaties stad en kasselrij Kortrijk, 1580. 37. F. Michem, De parochie-geestelijkheid van het oude dekenaat Tielt, De Roede van Tielt, 8ste jg., nr 3, 1977, blz. 38. 38. F. Hollevoet, Van grijfel tot kroontjespen. Het schoolverleden van Markegem, De Roede van Tielt, 22ste jg., nr. 1, 1991, blz. 3. 39. S.A.G., inv. 78/1, nr. 320. 40. Volgens het XXste-penningkohier van 1571 woonde er toen nog geen enkele Minne in Dentergem. 41. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 73 (1627), Joos Minne, Egem ; V. Arickx, o.c., blz. 284. 42. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 81 (1645), Pieter Minne, Dent. 43. K.A.D., K.R. 1644, f. 3 v. 44. S.B.K., Fonds de Bethune (hs. 194), renteboek heerlijkheid Dent. 1725, nr. 65. 45. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 70 (1617), Maria Peers, Dent. ; R.A.K., parochieregisters Dent. 46. Zie voetnoot 42. 47. F. Michem, o.c., blz. 38. In augustus 1611 vertrok Rysebo voor een nieuwe opdracht naar Zaffelare. 48. K.A.D., K.R. 1601, f. 4 t.e.m. 6. 49. R.A.G., Fonds Lippens (inv. 175), nr. 54. 50. M. Cloet, o.c., blz. 198-199. 51. G. Galle, De visitaties van bisschop Antoon Triest aan Dentergem ( 1624-1652), De Paelwulghe, okt. 1985, nr. 4, blz. 21. 52. R.A.G., Fo.B.G., B 2143, D.V. MichaĂŤl Vander Beke, 1614. 53. F. Hollevoet, o.c., blz. 9. 54. K.A.D., K.R. 1640, f.8 v. 55. M. Cloet, Itinerarium visitationum Antonii Triest, episcopi Gandavensis (1623-1654), Leuven, 1976, blz. 26. 56. S.A.G., inv. 78/1, nr. 322. Als ontvanggeld inde Minne hiervoor de 10de penning (10 %), zoals voorheen. 57. K.A.D., los document d.d. 09.11.1633 ; K.A.D., K.R. 1643, f. 1. 58. S.A.G., XXste-penningkohier, f. 1 v. Joos De Lansheere ... hout in pachte vande keercke van Denterghem een camere vande huuse daer men de schoole inne hout. 59. M. Cloet, Het kerkelijk leven ..., blz. 409. 60. M. Cloet, Het kerkelijk leven .... blz. 412. 61. R.A.G., Fo.B.G., B 2142, D.V. MichaĂŤl Vander Beke, 14.05.1613 ; M. Cloet, Het kerkelijk leven .... blz. 409. 62. M. Cloet, Itinerarium ..., blz. 166. 63. M. Cloet, Itinerarium .... blz. 222. 64. M. Cloet, Itinerarium .... blz. 166. 65. M. Cloet, Itinerarium .... blz. 26. 66. D.A.T., nr. 976, D.V. Joannes de Mol, 1633. 67. M. Cloet, Het kerkelijk leven ..., blz. 415. 68. D.A.T., nr. 966, Acta decanatus Joannes de Mol 1616-1657, f. 101 v. 69. M. Cloet, Het kerkelijk leven .... blz. 412. 70. Zie noot 42. 71. De doopregisters van de parochie Dentergem (R.A.K.) beginnen in 1611 maar zijn t.e.m. 1647 erg onvolledig bijgehouden. 72. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 97 (1681 ), Pieter Minne, Dent. ; R.A.K., parochieregisters

87


Dent. 73. S.B.K., Fonds de Bethune (hs. 194), renteboek heerlijkheid Dent., 1725, nr. 135. 74. Op 22.08.1807 was de herberg er nog niet (R.A.B., F.F., nr. 2678), op 18.07.1821 stond Philippe Vermeersch er achter de toog (R.A.K., G.A.D., nr. 13bis, proces-verbaal nr. 4). Geen enkel nu nog bestaand café in Dentergem kan een langere staat van dienst voorleggen. 75. M. Cloet, Het kerkelijk leven.... blz. 242. 76. R.A.G., Fo.B.G., B 2156, D.V. Joannes de Mol, 1653. 77. R.A.K., P.R. Dent., I, rekening 1678 e.v. 78. K.A.D., K.R. 1683, f. 15 v. 79. K.A.D., supplementaire K.R. 1683, f. 1 v. 80. R.A.K., P.R. Dent., I, rekening 1687, f. 13 v. 81. B.A.B., B 241 k, D.V. Ludovicus Brugmans, 22.01.1693. 82. K.A.D., K.R. 1648 t.e.m. 1697. Op enkele schaarse uitzonderingen na beschikken wij over alle 17de-eeuwse kerkrekeningen vanaf 1639. 83. R.A.G., Fo.B.G., B 2, status ecclesiae 27.04.1682. 84. D.A.T., nr. 976, D.V. Petrus Verbeke, 06.09.1670. 85. Nauwelijks een jaar na zijn aanstelling in Dentergem, werd hij door deken Verbeke op de vin­ gers getikt wegens het slordig bijhouden van de kerkrekeningen (R.A.G., Fo.B.G., B 2157, D.V., 1661). In 1693 beschuldigde deken Brugmans De Mey ervan de kinderen de aktes niet aan te leren (D.A.T., nr. 976, D.V., 22.01.1693). 86. M. Delmotte, De kasselrij Kortrijk en de Gaverstreek, de grote verliezers in de Negenjarige Oorlog, De Gaverstreke, 4de jaarboek, 1976, blz. 159, noot 300. In 1694 stierven er in de kasselrij Kortrijk maar liefst 21 pastoors of onderpastoors ten gevolge van deze gevreesde ziekte. 87. F. Michem, o.c., blz. 38. 88. M. Delmotte, De kasselrij Kortrijk.... blz. 164-165. 89. R.A.K., B.P., 6204, verliezen 1695, verliesstaat Dent. 90. R.A.K., B.P., 5597, oorzaken van de schuld van sommige parochies ..., pionierslijst 12.05.1697 (35 folio's), f. 19. 91. Zelfs nadat de Negenjarige Oorlog afgelopen was (Vrede van Rijswijk, 20.09.1697) werden er op 16.11.1697 bij uijtsent vande heeren hoochpointers ende vrijschepenen deser casselrije van Cortrijck nog 1500 pioniers opgevorderd tot het demolieren (afbreken) vande nieuwe linien. Dentergem leverde er toen 27 die 6 dagen in het getouw waren (zie voetnoot 90, pionierslijst 16.11.1697 (46 folio's), f. 37 - 37 v.). 92. R.A.K., P.R. Dent., II, rekening 1697, f. 14 v„ 15, 18, 18 v„ 24, 27. 93. K.A.D., K.R. 1689-1699, f. 19. 94. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 97 ( 1681 ), Pieter Minne, Dent. 95. R.A.K., B.P., 5599, opgave bevolking per gezin, Dent. 21.02.1695, f. 2. 96. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 112 (1731), Isabella Berth, Dent. ; R.A.K., parochieregisters Dent. 97. In 1698 wordt hij reeds als koster vermeld (D.A.T., nr. 976, D.V. Joannes-Franciscus De Cock, 1698). 98. S.A.G., inv. 78/1, nr. 330. 99. Zie noot 73. 100. D.A.T., nr. 976, D.V. Joannes-Franciscus De Cock, 29.10.1699. 101. D.A.T., nr. 978, D.V. Ignatius De Plancke, 13.05.1716. 102. Pieter Minne junior was alleszins schepen in 1679 en 1680, op 05.11.1681 zeker niet meer (R.A.K., P.R. Dent., I, rekeningen 1678 t.e.m. 1682). 103. R.A.K., P.R. Dent., III-IV, rekeningen 1723 t.e.m. 1728. 104. Tablettes des Flandres, Généalogie-Histoire-Héraldique, publiéés sous la direction de Ch. Van Reyninghe de Voxvrie, tome 2, Brugge, 1949. blz. 194. 105. R.A.K., P.R. Dent., II, rekening 1704, f. 5, 7 v.

88


106. 107. 108. 109. 110. 111. 112. 113.

114. 115. 116. 117.

118. 119.

120. 121. 122. 123. 124. 125. 126. 127. 128. 129. 130. 131. 132. 133. 134. 135. 136. 137. 138. 139. 140.

141.

142. 143.

R.A.K., P.R. Dent., II, rekening 1707, f. 15 v. - 16. R.A.K., P.R. Dent., III, rekening 1710, f. 11 v. D.A.T., nr. 977, D.V. Joannes-Franciscus De Cock, 23.05.1712. R.A.K., P.R. Dent., III, rekening 1712, f. 21. K.A.D. disrekening 1712-1713, f. 12 v. K.A.D., K.R. 1702-1711, f. 15. K.A.D., K.R. 1702-1711, f. 14- 14 v. K.A.D., K.R. 1724 - 1725 t.e.m. 1738 - 1739. Betreffende de periode 1712-1723 zijn de kerkrekeningen (op een ontvangboek 1716-1723 na) wellicht verloren gegaan. R.A.K., P.R. Dent., II, rekening 1702, f. 23. M. Cloet, Het kerkelijk leven .... blz. 240. R.A.G., Fonds Lippens (inv. 175), nr. 55. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 112 (1731), Isabella Berth, Dent. Hoewel Jacobus'jongste erfgenaam, Francies, in 1744 (bij het overlijden van Jacobus) nog geen 25 jaar was, werd er blijkbaar geen staat van goed opgemaakt. R.A.G., Fonds de Kerchove de Denterghem (inv. 173), nr. 32. In 1567 baatte Michiel Huus „Den Ingele” als herberg uit, in 1710-1711 stond Lieven Van Keirsbilck erachter de toog (K.A.D., K.R. 1567 en 1710-1711). Tussen 1716 en 1723 bewoonde Joannes Van Keirsbilck (fs Lieven ?) "Den Engel" die voor het eerst als hofstede en niet langer als herberg wordt omschreven (K.A.D., Ontfanck Bouck Kerckegoederen 1716-1723, f. 4). R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 150 (1772), Francies Minne, Dent. Zie noot 120 ; R.A.K., parochieregisters Dent. ; gegevens ons persoonlijk meegedeeld door F. Michem. Zie noot 116. K.A.D., K.R. 1756-1757, f. 44 v. R.A.K., P.R. Dent., V, rekening 1764, f. 9. Ph. Despriet, De Zuidwestvlaamse parochiekerken, III, Kortrijk, 1984, blz. 578. R.A.K., P.R. Dent., V, rekening 1764, f. 10 v. K.A.D., K.R. 1760-1761 t.e.m. 1794-1797. K.A.D., K.R. 1756-1757, f. 35 v. K.A.D., K.R. 1758-1759 (f. 38 - 38 v.) en 1760-1761. R.A.K., P.R. Dent., V, rekening 1754, f. 18. D.A.T., nr. 966, Acta decanatus Joannes de Mol 1616-1657, f. 101 v. D.A.T., nr. 976, D.V. Petrus Verbeke, 1677. D.A.T., nr. 977, D.V. Ignatius De Plancke, 13.05.1716. R.A.K., P.R. Dent., V, rekening 1754, f. 16. R.A.K., P.R. Dent., V, rekening 1747, f. 15 v. R.A.K., Scabinales Dent., 1750-1754, zitting 28.01.1751. De Swaene of in de vierschaere van Borghemeestre ende schepenen der prochie van Denterghem. R.A.K., P.R. Dent., V, rekeningen 1747 t.e.m. 1754. R.A.K., P.R. Dent., V, rekening 1756, f. 17. R.A.K., G.A.D., nr. 4L armwezen, beheer van eigendommen ... (1818-1862). Zie noot 120. Nagenoeg alle gegevens over de nalatenschap van Maria Anna Leagre vonden we in deze staat van goed terug. F. Bekaert, Herbergen te Dentergem, De Paelwulghe, januari 1987, nr. 1, blz. 11. "De Leeuw" bevond zich naast het huidige BACOB-filiaal in de Dreve, op de plaats waar Gerry Hillegeer heden ten dage zijn loodgietersmateriaal opslaat. F. Hollevoet, Het Goed Ter Hoven en de familie Couche (1728-1888) in Markegem, De Roede van Tielt, 16de jg„ nr. 2, 1985, blz. 75-77. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 163 (1785), Carel Minne, Dent. ; R.A.K., parochieregis­ ters Dent.

89


144. Zie noot 116. 145. K.A.D., K.R. 1774-1775, f. 28 - 28 v. 146. Vanaf 1776 bleek 18 pond was voldoende i.p.v. de vroegere 21,5 pond ter vervaardiging van de 9 flambouwen. Hij kreeg hiervoor jaarlijks 3 pond 15 sch. Dit bedrag zal tot het einde van het Ancien Régime ongewijzigd blijven (R.A.K., P.R. Dent., VI, rekeningen 1776-1793). 147. K.A.D., K.R. 1774-1775, f. 29. 148. R.A.K., P.R. Dent., VI, 1774 t.e.m. 1786. 149. V. Arickx, Herbergen in de kasselrij Kortrijk in 1779, De Leiegouw, jg. Vil, nr. 1, 1965, blz. 57. 150. R.A.K., P.R. Dent., VI, rekening 1789, f. 7 v. 151. In het Dentergemse kerkarchief bevinden zich nogal wat procesverslagen waarin Haeselwecker zich verongelijkt voelt i.v.m. zijn tiendinkomsten, kerkelijke renten, geldtransacties ... 152. K.A.D., Casus of tiendenstaat opgemaakt n.a.v. de geplande nieuwbouw van de pastorie d.d. 23.02.1759. 153. N. Scherpereel, Geschiedkundige schets van Denterghem, Kortrijk, 1863, blz. 140. 154. In verband met de door Demeyer gebouwde pastorie verschijnt binnenkort in het Tijdschrift van het Gemeentekrediet een studie van E. Bekaert onder de titel : Het Dentergemse gemeentehuis : 1784-1994. Verleden en heden van een gebouw en zijn bewoners. 155. R.A.K., losse staat van goed bij W.R. 163 (1785), Carel Minne, Dent. 156. Zie noot 116. Pieter-Joseph Minne filius wijlent Francies... voor dien bediender van d'orgel ende costerie bin­ nen de prochie van Lootenhulle. Waarschijnlijk had Pieter-Jozef Lotenhulle en zijn vrouw „ont­ dekt” via zijn broer Ignace Policarpus die met Joanna-Maria Pypaert was gehuwd en in het vlak­ bij gelegen Vinkt woonde. De zus van Joanna-Maria, Maria Coletta Pypaert, trouwde in novem­ ber 1800 met Justin Van Maldeghem, geboortig van ... Lotenhulle. Het paar vestigde zich in Dentegem en kreeg er 8 kinderen waaronder de bekende kunstschilder Eugeen Van Maldeghem (E. Bekaert, Romaan Eugeen Van Maldeghem, een vergeten Dentergems kunstenaar, De Paelwulghe, oktober 1988, nrs. 3 en 4, blz. 1-4). 157. D.A.T., nr. 969, Acta decanatus van verscheidene dekens, 1714-1796. 158. Zie noot 116. 159. E. Bekaert, Een eeuw volksonderwijs te Dentergem : 1815-1914. Opvoedkundige aspecten binnen de sociaal-economische en politieke situatie van een plattelandsgemeente, De Paelwulghe, 1992, blz. 1. 160. K.A.D., Verslagen der kerkfabriek 1845-1856, zitting 04.10.1846. De tweewoonst had een totale oppervlakte van 5 a 4 ca. 161. R.A.K., parochieregisters Dent. ; G.A.D., registers burgerlijke stand Dent. 162. Zie noot 116. 163. Zie noot 157. 164. Het grootste deel van de gegevens i.v.m. het onderwijs in het 19-de eeuwse Dentergem haalden we uit het werk van E. Bekaert, Een eeuw volksonderwijs... 165. K.A.D., Verslagen kerkraad 1811-1845, zitting derde zondag van juli 1824. 166. B.A.B., B 241 k, D.V. Joannes Bulcke, 18.07.1815. 167. B.A.B., B 241 k, D.V. Henricus Bartholomeus Van Balen, 14.08.1806 en 27.07.1809, D.V. Joannes Bulcke, 18.07.1815. 168. B.A.B., B 241 k, D.V. Joannes Bulcke, 18.07.1815. 169. Onderdeken Joannes Simons betitelde hem als mitissimus of allerbeminnelijkst (K.A.D., overlijdensregister 1807-1825). Volgens zijn laatste wilsbeschikking werd hij begraven in het midden derplaetse waer men gewoon was de kinderen te begraven (N. Scherpereel, o.c., blz. 145). 170. Pastoor Vercruysse lag in Dentergem overhoop met alles en iedereen. Meermaals spuide hij zijn ongenoegen via de preekstoel over de hoofden der gelovigen, waarbij vooral burgemeester Vandermeulen het moest ontgelden (B.A.B., F 74 ; D.A.T., nr. 994). 171. F. Hollevoet, Van grijfel..., blz. 12. In het kanton Wakken, waartoe Dentergem sedert 01.07.1796 behoorde, legden 3 van de 24 pries­

90


172. 173. 174. 175. 176. 177. 178. 179. 180. 181. 182. 183. 184. 185. 186. 187. 188.

189. 190. 191. 192. 193.

194.

195. 196. 197. 198. 199. 200.

201. 202. 203. 204.

ters de eed af : Francies Vereecken (Wakken), Jan Coppieters (Wielsbeke) en Petrus August Van Hoorick (Markegem). In het hele Leiedepartement werd de eed gezworen door 150 van de 1136 priesters. N. Scherpereel, o.c., blz. 141. K.A.D., K.R. 1823, f. 1 v„ 3. R.A.K., G.A.D., nr. 26, belastingen, kadaster, patenten ... (1820-1850). B.A.B., B 304, losse stukken over de toestand van de parochies, 1833. A. Demeulemeester, Een degelijk kostersgeslacht te Pittem : de Retsins, De Roede van Tielt, 18de jg.,nr. 1, 1987, blz. 36-38. R.A.K., G.A. Markegem, nr. 42. R.A.K., G.A.D., nr. 13bis, processen-verbaal nrs. 2 en 24. B.A.B., B 305, losse stukken over de toestand van de parochies, 1834-1839. B.A.B., B 309, losse stukken over de toestand van de parochies, 1846-1847. D.A.T., nr. 981, D.V. Joannes Simons, 1841. K.A.D., K.R. 1833 t.e.m. 1852. Op de kwitanties i.v.m. de verrekening van de kosterswedde en de diverse leveringen van was t.v.v. de kerk (K.A.D.), wordt Rosalie Demets tussen 1852 en 1856 steevast als kosterin vermeld. K.A.D., Verslagen der kerkfabriek 1845-1856, zitting 07.10.1855. R.A.K., G.A.D., nr. 25, bevolkingsstaat 08.01.1857. K.A.D., N. Scherpereel, Parochie-boek Dentergem 1871. Heel wat gegevens over Jan Minne en zijn gezin kwamen we te weten van Jans kleinzoon Godfried die op 04.05.1992 op 81-jarige leeftijd overleed. Zowel het huidige bankkantoor als het gebouw dat heden ten dage dient als bibliotheek werden op last van Jozef-August Opsomer in het begin van de jaren 1860 opgetrokken. Om beide huizen gemakkelijker bereikbaar te maken, werd in 1863 de Kerkstraat in oostelijke richting (verbinding met de Wontergemstraat) doorgetrokken (G.A.D., nr. 2.075.1.077, gemeenteraadszitting 21.01.1863). K.A.D., K.R. 1864, f. 2v. B.A.B., B 323, losse stukken over de toestand van de parochies, 1873. B.A.B., B 241 k, D.V. Carolus-Joannes Denys, 1876. B.A.B., B 325, losse stukken over de toestand van de parochies, 1877-1879. K.A.D., Kerkfabriek van Dentergem, Dagboek van den Trésorier, 1860-1878. Op 25.01.1878 werd een bedrag van 241,60 fr. in rekening gebracht voor de kledij van de pas benoemde suisse. De in 1829 opgerichte gemengde gemeenteschool werd vanaf 1861, n.a.v. het bouwen van een gemeentelijke meisjesschool in de Statiestraat, een onderwijsinstelling uitsluitend voor jongens. Na de schoolstrijd (1879-1884) kreeg ze een nieuw statuut en werd het een aangenomen jon­ gensschool. R.A.K., G.A.D., nr. 2, zitting schepencollege 17.11.1889. B.A.B., B 329, getuigschriften over de kosters, 1880-1930. K.A.D., Dagboek der kerkfabriek van Denterghem 1868-1906. E. Bekaert, Gemeenteraadsleden, schepenen en burgemeesters in Dentergem (1795-1977), De Roede van Tielt, 19de jg„ nrs. 2-3, 1988, blz. 101, noot 1. Met dank aan wijlen Elfrieda Minne die me hieromtrent heel wat gegevens verstrekte. G.A.D., nr. 1.857.073.521.8, K.R. 1871 t.e.m. 1975. Tussen 1947 en 1975 evolueerde het door de kerkfabriek aan de koster uitbetaalde salaris van 9000 tot 120.035 fr. K.A.D., K.R. 1906, f. 3 en 1914, f. 3. Zie noot 196. E. Bekaert en F. Hollevoet, De parochiekerken van Dentergem en Markegem. Lichtervelde, 1992, blz. 19. Aldus dochter Elfrieda Minne die ons enkele jaren terug openhartig de relatie tussen haar vader en de pastoors waarmee hij te maken had, uit de doeken deed.

91


205. Overlijdensprentje Achiel Dewaele. 206. G.A.D., nr. 1.857.073.521.8, K.R. 1953.

Adres van de auteur : E. Bekaert, Brouwerijstraat 24, 8720 Markegem

92


ALGEMENE ELECTRICITEIT

Eric DEBUSSCHERE

KULTUUR LIGT ONS.

Bruggestraat 43 8700 TIELT Tel. (051 )4 0 07 15 Fax (051 )4 0 73 37

BANK VAN ROESELARE JA, UW AANPAK LIGT ONS.

Privaat- en industriële installaties Laagspanningsinstallaties Winkelverlichting

Rouwdienst DHONDT Stationstraat 103 8700 TIELT

Tel. (051)40 02 27

G R S E L H /E S T ELECTRABEL-© MENS, MI LI EU EN E NE R G I E

Kortrijksestraat 86 - 8700 TIELT Tel. (051)42 31 11


ï- tH.ie 'Ucllenur Ch.

'Je Tfürfo'di<\l<y

'r £ \ JteerJlf

‘0 - S '-.i - ' .

... , '

'- J t r . u u m n v e

''V * '* V ; ^ >

—\ t v i r u n i r u - . y \ r v _

l l ^ V i v e r 3 u>; : i_ „* i.

v y> »

*

;

-J é

M t,X ü -

)

W 'f / " * *


DE ROEDE VAN TIELT

Driemaandelijks heemkundig tijdschrift 25ste jaargang, nr 3 - september 1994 Afgiftekantoor 8700 Tielt


AUTOCARS-REISBUREAU

DE MEIBLOEM een onderneming die reeds 60 jaar lang met troeven als : VEILIGHEID - KOMFORT - KLASSE U een héél aparte belevenis bezorgt !

M

M

Tieltstraat 186 - 8740 PITTEM Tel. (051) 40 18 23 - Fax (051) 40 51 93 Kasteelstraat 149 - 8700 TIELT V o o r al u w é é n d a a g s e o f m e e rd a a g s e re iz e n L U X E a u to c a rs • • • •

Binnen- en buitenlandse reizen Van 20 - 40 - 54 - 67 tot 87 plaatsen Cars uitgerust met air-conditioning, video, toilet, bar Aanhangwagen beschikbaar

VERNIEUWEN EN HERSTELLEN VAN

M o d e k le d in g in le e r en d a im

D EL LAG 0

ZETELS, SALONS,STOELEN EN ZITBANKEN

B0UCKAERT DANIEL Félix D'hoopstraat 33 8700 TIELT

Félix D'hoopstraat 145 8700 TIELT

Tel. (051) 40 42 30

Tel. (051) 40 39 00


DE ROEDE V A N T IE L T

Heemkundige Kring voor de gemeenten van de vroegere Roede van Tielt, d.i. Aarsele, Dentergem, Egem, Gottem, Kanegem, Lotenhulle, Markegem, Meulebeke, Oeselgem, Oostrozebeke, Pittem, Poeke, Ruiselede, Schuiferskapelle, Sint-Baafs-Vijve, Tielt, Vinkt, Wakken, Wielsbeke, Wingene, Wontergem, Zwevezele. Lid van het Westvlaams Verbond van Kringen voor Heemkunde.

Voorzitter : P. Vandepitte, Driesstraat 7-9, Tielt - (051 ) 40 17 00 Ondervoorzitter : V. Baert, Oostrozebekestraat 241, Meulebeke -(051) 48 82 98 Sekretaris-penningmeester : Ph. De Gryse, Kastanjelaan 1, Tielt - (051) 40 18 38 Redactie : V. Baert, J. Billiet, Ph. De Gryse, W. Devoldere, Fr. Hollevoet, R. Ostyn, P. Vandepitte

Lidmaatschapsbijdrage : 600 fr., te betalen op rekening 000-0398411-32 van De Roede van Tielt, Kastanjelaan 1, Tielt Verschijnt viermaal per jaar. Er worden geen losse nummers verkocht. Iedere auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van de door hem ingestuurde bijdrage. Bijdragen verschenen in "De Roede van Tielt" mogen slechts overgeno­ men worden met toestemming van de redactie. Kaft : detail van de kaart van het graafschap Vlaanderen door Robert de Vaugondy, zoon, 1762.

INHOUD VAN DIT NUMMER (25ste jgâ&#x20AC;&#x17E; nr 3, september 1994) J. Monballyu, Was Tanneken Sconyncx een heks ? Een analyse van haar proces in 1602-1603

blz. 94-140

Drukkerij Desmet-Dhondt, Wakken


WAS TA N N EK EN SC O N Y N C X EEN H E K S ? EEN ANALYSE VAN HAAR PROCES IN 1602-1603 Voor al wat met astrologie, waarzeggerij, telepathie, magnetisme, spiritis­ me, occultisme en andere vormen van witte of zwarte magie te maken heeft, bestaat er momenteel grote belangstelling. In talrijke TV- of bio­ scoopfilms spelen, al dan niet demonische, bovennatuurlijke krachten een hoofdrol. Er bestaan meerdere maand- of weekbladen die louter over psychokinetische of andere paranormale verschijselen berichten. De bijval van kaartleggers, handlezers en helderzienden, die niet alleen ontgoochelde geliefden en gokverslaafden, maar ook zakenlui en politici tot hun clienteel kunnen rekenen, toont de blijvende fascinatie aan voor het geheimzinnige irrationele en bewijst dat een aantal mensen via andere wegen dan de "klassieke” (natuur)wetenschappen willen “begrijpen” of “begrepen wor­ den”. Het verlies van het vertrouwen in de "geleerde” geneeskunde brengt sommigen terug tot min of meer magische praktijken of drijft hen tot het raadplegen van kruidendokters, krakers, belezers en andere alternatieve genezers. Hier en daar duiken zelfs opnieuw sekten op die openlijk ver­ kondigen dat zij de duivel aanbidden (1). Al deze vormen van “moderne” toverij of hekserij zijn de dag van vandaag in beginsel niet strafbaar. Slechts wanneer kwakzalvers met bedriegelijke praktijken naïevelingen oplichten of onrechtmatig de geneeskunde beoe­ fenen, treedt het gerecht op (2). Voor de rest laat men iedereen rustig in zijn eigen leefwereld vertoeven, ook al impliceert dit allerlei, door de posi­ tieve wetenschappers als “bijgeloof’ afgedane, praktijken zoals het dragen van amuletten, het uitspreken van bezweringsformules en het gebruik van wichelroeden om water, schatten of mijnen te vinden. Dit is niet altijd zo geweest. De moderne geschiedschrijving toont uitvoe­ rig aan dat tussen 1200 en 1700, met een hoogtepunt tussen 1560 en 1650, van Schotland tot Rusland en van Scandinavië tot Italie en Spanje, een ware heksenjacht plaatsvond waarin duizenden vrouwen, maar soms ook mannen en kinderen, in een golf van collectieve zinsverbijstering wegens tooverie letterlijk in brand zijn gestoken. Voorafgaandelijk zijn zij meestal aan vreselijke folteringen onderworpen (3). Zo arresteert Adriaan van Ranst, schout van Kasterlee, in september 1564 de negentigjarige Elizabeth van Selft op verdenking van toverij. De aan­ klacht is gesteund op een bewering van haar zoon Jan van Bladel, die ondervraagd op de pijnbank over de moord op zijn schoonvader, zijn moe­ der van allerlei betoveringen beschuldigt. Zijn verklaring, alsook de repu­ tatie die Elizabeth sinds jaren in het dorp als heks geniet, volstaan voor de 94


plaatselijke schout om de vrouw op te sluiten. Na meer dan 18 maanden gevangenschap, waarin de vrouw wanhopig haar onschuld staande houdt, beslissen de plaatselijke schepenen op 24 januari 1566 om haar onder tor­ tuur te verhoren. Zij ontbieden twee scherprechters uit Antwerpen, die op 28 januari in Kasterlee toekomen. Nog diezelfde dag beginnen zij in de stal van de plaatselijke vorster of sergeant een reeks mensonterende mar­ telingen. In aanwezigheid van vier schepenen binden zij Elizabeth naakt op de pijnbank. Zij spannen de koorden daarbij zo strak aan (4) dat haar linkerarm breekt of totaal ontwricht raakt. Vervolgens scheren zij al haar lichaamshaar af. Men wil verhinderen dat zij duivelse middelen, zoals een amulet, verborgen houdt om de foltering te doorstaan. Terzeldertijd con­ troleert men haar lichaam op duivelsmerken (5). Het kaalscheren gebeurt weinig secuur. Nadat Elizabeths hoofd is geschoren loopt er uit verschei­ dene hoofdwonden bloed over haar aangezicht. Dan volgt het opgieten van grote hoeveelheden water in haar mond zodat haar buik opzwelt (6). Omdat Elizabeth haar onschuld hardnekkig blijft volhouden, maken de beulen haar los van de pijnbank en trekken haar op aan een martelpaal of palei. Daar slaan zij haar zo krachtig met jonge wissen dat haar lichaam na korte tijd één grote bloedklomp is. Elizabeth schreeuwt het uit van de pijn maar bekent niet. Hoewel al deze kwellingen bij zo’n oude vrouw de grenzen van de redelijkheid van de tortuur reeds hebben overschreden, weten de schout en schepenen van geen ophouden. Met hun instemming gieten de beulen Elizabeth een grote hoeveelheid vuile en stinkende opge­ warmde koeiepis op (7). Maar ook nu weet de stokoude vrouw haar bela­ gers te weerstaan. Verminkt brengt men haar naar de gevangenis waar ze wordt vastgeklonken in boeien en in het putje van de winter, meer dood dan levend, op de ijskoude vloer wordt neergelegd. Met de beulen komt de schout overeen dat zij de volgende dag Elizabeths teen- en vingerna­ gels zullen uittrekken. In de tussenliggende nacht overlijdt zij gelukkig aan de gevolgen van deze buitensporige mishandelingen. De Antwerpse beulen voelen zich voor die dood geenszins aansprakelijk. Aan ieder die het wil horen vertellen zij dat de duivel Elizabeths nek heeft gebroken (8). Recente studies wijzen uit dat wat Elizabeth van Selft in 1566 overkomt, verre van uitzonderlijk is. Zowat overal in Europa zijn toen van hekserij verdachte personen aan soortgelijke folterpraktijken onderworpen. Vele van die patiënten (9) overleven hun scherp examen niet (10). En we zwij­ gen dan nog over de vreselijke straf die hen te wachten staat wanneer zij moegetergd toegeven dat zij een relatie met de duivel hebben. In de regel worden de ongelukkigen dan levend verbrand tot hun lichaam tot as is ver­ gaan (11). Bij wijze van gunstmaatregel verleent men hen soms de voorafgaandelijke wurging aan de verbrandingspaal (12). Ten exempele van een 95


Pijniging met koorden (Joos de Damhouder, Praxis rerum criminalium, Antwerpen, 1562, aft. 38).

96


ander gebeurt het soms dat de beul het verbrandingsproces onderbreekt teneinde het half verkoolde lijk een tijdlang tentoon te stellen (13). Een grondige, wetenschappelijke totaalstudie van de heksenprocessen in het graafschap Vlaanderen bestaat er nog niet. In afwachting zijn wij een tien­ tal jaren geleden begonnen met het analyseren van een aantal typische pro­ cessen om hieruit, rekening houdend met de resultaten van het onderzoek in de omliggende streken, enkele voorlopige conclusies te trekken ( 14). Een typisch heksenproces is zeker dit van “Tanneken Sconyncx”, echtge­ note van Thomas van der Meulen (15). Dit proces, dat zich tussen 17 okto­ ber 1602 en 11 juni 1603 gedeeltelijk in Gottem en gedeeltelijk in Tielt afspeelt (16), is belangrijk omdat het ordinairlijck (d.w.z. volgens de pro­ cesgang in civiele zaken) is gevoerd ( 17). Men krijgt daardoor een goed inzicht in de stellingname van zowel de vervolgers als de vervolgde (18). Met recht en reden brengt de “Roede van Tielt” in samenwerking met enkele cultuurgevoelige sponsors dan ook de belevenissen van Tanneken Sconyncx-van der Meulen opnieuw tot leven. Haar verhaal van bloed en tranen, van smart en pijn, is net als dit van Anne Frank een blijvende getui­ genis voor de nefaste gevolgen van een fanatiek, op ideologische vooroor­ delen gesteund beleid, waaraan het mensdom zich in de loop van de eeu­ wen heeft bezondigd ... en zich steeds opnieuw lijkt te bezondigen. Ook de dag van vandaag kan men uit Tannekens verhaal interessante lessen trekken. Het proces tegen Tanneken Sconynckx situeert zich in een periode van hoogconjunctuur van heksenjacht in de Nederlanden. Onder impuls van een aantal centraal-vorstelijke ordonnanties (19) en de vlammende woor­ den en geschriften van enkele fanatieke predikanten, zoals de Kortrijkse Jezuïet Jan David (20), organizeren Kerk en Staat (21) tussen 1595 en 1615 gezamenlijk een grootscheeps vervolgingsoffensief tegen allerlei vor­ men van toverij, waarzeggerij, tegentover en andere zwarte kunsten. De witte en zwarte magie, waarin tot dan toe zowat iedereen gelooft, worden ter vrijwaring van het zuivere geloof, als uiterst verderfelijk afgedaan en bestreden (22). Ook in de kasselrij Kortrijk. zijnde de onderverdeling van het graafschap Vlaanderen waartoe Gottem en Tielt behoren, vallen er in die periode meerdere slachtoffers. - Zo vervolgt de Kortrijkse hoogbaljuw tussen 1594 en 1606 elf vrouwen en drie mannen voor de Kortrijkse stadsschepenbank wegens toverij. Niemand van hen komt op de brandstapel, maar twee van hen overleven hun tortuur niet. Vijf worden er verbannen en de rest wordt vrijgelaten mits betaling van de gerechtskosten (23). Eén van die vrijgelaten vrou­ wen, Josyne de Raedt, woont in Tielt. Zij staat in 1596-1597 in Kortrijk 97


terecht omdat zij er poorteres is. De schepenen ondervragen haar op de pijnbank, maar zij bekent niet (24). Volgens stadspensionaris Willem van Ryckeghem (25) komt dit omdat de ondeskundige, oude Kortrijkse stadsbeul haar tijdens de tortuur niet hard genoeg heeft aangepakt (26) ! - In Menen wordt Anna de Clerck, bijgenaamd Pathoult, in de maanden juli tot oktober 1597 als heks (comme sorciere) vervolgd. Na de kaalschering door een plaatselijke chirurgijn en tweemaal met de halsband (par le collet) door de beul van leper te zijn gepijnigd, bekent zij duivel­ se betoveringen in Halewijn en Roncq. Zij wordt op 30 oktober 1597 verbrand. Ter afschrikking van anderen wordt haar half verkoolde lichaam aan een staak buiten de stadspoort tentoongesteld. Een uur voor haar executie worden de klokken geluid (27). Denise Cardinael, echtge­ note van Jan Plouvier uit Geluwe, wordt in deze periode eveneens van hekserij verdacht. Op 16 en 18 januari 1598 foltert de beul van leper haar tweemaal met de halsband. De tweede keer duurt de kwelling zestig uren. Zij bekent niets (28) en wordt op 17 februari 1598 op cautie juratoire vrijgelaten (29). Tien jaar later valt er in Menen een tweede slacht­ offer. Johanna de Reuze, bijgenaamd Waermoes, echtgenote van Rogier van Eecke uit Menen, wordt op 6 augustus 1608 als heks verbrand (30). Hetzelfde lot ondergaan Jeanette du Bois, echtgenote van Willem Bouche, en Isabella Rogiers op 6 april 1610. Voorafgaandelijk worden zij kaal geschoren en gepijnigd. Hun half verkoolde lichamen worden een tijdlang op het galgeveld buiten de stad tentoongesteld (31). Op 17 juli 1610 volgt de vuurdood van Marie Ros, weduwe van Arnoult Campen (32), en op 8 augustus 1611 de verbanning van de tachtigjarige Martine Pourchel, weduwe van Jacques Faccoz, uit Quesnoy (33). - In Deinze wordt Arnouldyne van Rechem op 21 december 1599, na een lange tortuur, uiteindelijk gegeseld en voor 50 jaar uit Vlaanderen ver­ bannen. Zij bekent tijdens en na de pijniging een soort relaties met de duivel. Deze bekentenissen volstaan echter niet om haar ter dood te ver­ oordelen (34). - In Harelbeke staan tussen 1600 en 1606 drie personen op verdenking van toverij voor de plaatselijke schepenbank terecht. Lauwers Baecke uit Nokere, die bij zijn aanhouding in het bezit was van allerlei geheimzin­ nige briefjes met bezweringsformules, kruisjes en onverstaanbare woor­ den, wordt, na een lichaamsonderzoek op duivelsmerken, verbannen (35). Christine Kindt uit Harelbeke wordt door de plaatselijke schout beticht van het afsluiten van een pact met de duivel, van het onderhou­ den van seksuele relaties met de duivel en van de betovering van meer­ dere personen (o.a. de vrouw van de schout). Uiteindelijk wordt zij als

98


heks (pour chorchiere) verbrand (36). Calle Sabbe, een andere aange­ klaagde, wordt daarentegen vrijgelaten (37). - In Olsene wordt in 1603 een heksenproces ingespannen tegen Marie Impe die zich aldaar ter purge heeft gesteld (38). - In Ingelmunster wordt Pierijne de Man op 13 december 1607 tot de brandstapel veroordeeld. Zij heeft haar geloof afgezworen, een compact met duivel afgesloten, is met hem gaan dansen en heeft meerdere perso­ nen, waaronder haar eigen kleinkind, betoverd. Joos van Erenboijghem wordt er op 20 januari 1612 als berucht van tooverie voor twintig jaar uit Vlaanderen verbannen. En dezelfde dag wordt Johanna de Man uit de baronie verbannen tot het plaatselijk leenhof haar bevel zal geven zich opnieuw in de gevangenis aan te bieden (39). Voor Tanneken Sconyncx zijn vooral de vervolgingen in Wakken in het najaar van 1602 belangrijk. Op 30 augustus 1602 wordt Josyne Salens er in het openbaar als heks verbrand. Tijdens haar ondervraging op de pijnbank bekent zij dat ze met de duivel een contract had om mensen en dieren te betoveren. Zij sliep herhaaldelijk met de duivel die haar vijf maal naar een sabbat bracht. Op die sabbat serveerde men allerlei kostelijke spijzen ter­ wijl de deelnemers op de grond zaten. Na de maaltijd werd er rug aan rug gedanst met boose geesten die van vooren gedect met netten, hebbende voeten ghelijck peertsvoeten ende tanden gelijck reeptanden. In het mid­ den van de dansvloer stonden twee tot drie leelicke backen dewelcke zij­ lieden (-d e heksen) hommaige doen ende cussen zijn achterste quartier. Haar laatste verklaring is belangrijk voor Tannekens proces. Op één van die bijeenkomsten van heksen met duivels, beweert Josyne, heeft zij Tanneken Sconyncx ontmoet (40) ! In datzelfde Wakken onderwerpt men iets meer dan een maand later (4 oktober 1602) Antoon Gravelin uit Houplines (kasselrij Rijsel) aan een ondervraging op de pijnbank. Antoon bekent dat zijn vrouw Peronne du Puys (41) een heks is en daarom reeds uit Rijsel is verbannen. Maar ook Thomas van der Meulen, zijn vrouw Tanneken, hun zoons en dochter zijn volgens Antoon allen heksen (42). Beide belastende verklaringen zullen voor Tanneken Sconyncx nefast zijn. Samen met de bekentenissen van Marie Hermans, echtgenote van Pieter Lafaille, die circa 20 maart 1603 in Wakken als heks wordt verbrand (43), vormen zij belangrijke aanwijzingen voor het feit dat Tanneken een heks is. Tannekens proces begint op 17 oktober 1602. Op die dag biedt zij zich (althans volgens de plaatselijke baljuw Hubrecht Meganck) zelf ter purge

99


aan (44) bij de schepenen en leenmannen van de heerlijkheid Ter Beke in Gottem (45). Uit de processtukken blijkt waarom zij zich precies die dag ter purge stelt bij de schepenbank van een heerlijkheid waar zij zelf niet woont (46). Tanneken is er zich op dit ogenblik reeds lang van bewust dat men rond­ vertelt dat zij een heks is. Waarom men dat doet, weet zij niet, maar zij beseft heel goed dat wanneer zij niets tegen deze achterklap onderneemt, dit uiteindelijk tegen haar zal worden uitgespeeld. De reputatie van een heks te zijn wordt in die tijd immers overal beschouwd als de eerste aan­ wijzing voor het effectief “heks-zijn” (47). Om die roddel te doen ophouden, heeft Tanneken zich reeds in 1600 laten “visiteren” door Jeronimus Raede, pastoor van Gottem (48). Aangaande deze vreemdsoortige visitatie (49) is er later in haar proces heel wat te doen (50). Een aantal getuigen verklaren voor de rechtbank wat zij dienaangaande van pastoor Raede of van Tanneken zelf hebben “horen vertellen”. Tanneken geeft deze visitatie toe en verschaft zelf talrijke details. Wel ontkent zij steevast een aantal bezwarende feiten die zich zou­ den hebben afgespeeld (51). Tanneken is het er mee eens dat zij in de Goede Week van het jaar 1600 ging biechten bij pastoor Raede. Tijdens die biecht bekloeg zij er zich over dat sommigen haar een toveresse noemden. Pastoor Raede antwoordde dat hij kon uittesten of zij al dan niet een heks was. Op die wijze zou hij reeds vijftien tot zestien heksen hebben ontmaskerd en op de brandstapel heb­ ben gebracht. Zo de test negatief uitviel zou hij Tanneken een attest van haar onschuld geven. Zij kon dat dan aan iedereen tonen die haar van hek­ serij verdacht. Overtuigd van haar onschuld, besloot Tanneken in overleg met haar echt­ genoot Thomas (52) om zich samen met haar dochter (53) aan die test te onderwerpen. In afspraak met pastoor Raede geschiedde de test op paas­ maandag (24 maart) na de hoogmis in de kerk van Gottem. Zodra het volk uit de kerk was verdwenen, sloot pastoor Raede zorgvul­ dig alle kerkdeuren. Hij leidde Tanneken en haar dochter tot voor het hoofdaltaar, zegde er more exorcista allerlei gebeden op waarin hij allerlei vreemde namen noemde en legde hen kruisgewijs een stola om de hals. Na de gebeden schreef hij de namen van Tanneken en al haar gezinsleden op afzonderlijke stukjes perkament. De stukjes gooide hij in een vuurtje van gewijde palmtakjes en wierook dat hij met een gewijde kaars had aan­ gestoken. Tanneken en haar dochter moesten de rook van dit vuurtje inade­ men. Bij het vooroverbuigen zag Tanneken dat er één briefje niet, of slechts aan de hoeken, opbrandde.

100


Volgens Tanneken bevatte dit onverbrande briefje de naam van haar doch­ ter, maar de getuigen zeggen dat pastoor Raede hen verzekerde dat het een strookje met Tannekens naam was. Volgens diezelfde getuigen schoor pastoor Raede vervolgens bij Tanneken en haar dochter wat lichaamshaar af en onderzocht hij de vrouwen op duivelsmerken (54). Tanneken ontkent ten stelligste dit kaalscheren. Wel geeft zij het lichaamsonderzoek van haar dochter toe. Nadat zijzelf en de pas­ toor haar dochter hadden uitgekleed, heeft pastoor de Raede haar dochter gevisiteert. Na dit onderzoek gaf de pastoor hen allebei een schriftelijk attest van hun onschuld (55). Deze kerkelijke visitatie deed de kwade geruchtenstroom niet ophouden. Integendeel, er werd nu volop gespeculeerd wiens naam nu precies op het onverbrande briefje stond. Er ontstond zelfs nieuwe roddel. Tijdens de visi­ tatie zouden er plotseling honderden uilen zijn opgedoken, waarvan er sommigen met hun vleugels over de kerkvloer sleepten. Ook zou Tanneken tijdens het onderzoek met de pastoor geslachtsbetrekkingen hebben gehad. Iets meer dan een half jaar na de visitatie beweerden Gérard van der Meersch en zijn echtgenote Haenken in het openbaar dat Tanneken een heks was. Zij gaven haar bovendien een pak slagen zodat zij een tijdlang een chirurgijn moest raadplegen. Voor Tanneken en haar echtgenoot Thomas ging dit duidelijk te ver. Samen spanden zij tegen Gérard en zijn echtgenote een smaadproces (56) in voor de schepenbank van de heerlijk­ heid Ter Beke in Gottem, proces dat zij uiteindelijk wonnen. Gérard van der Meersch en zijn vrouw werden op 2 1 januari 1602 veroordeeld om voor de vierschaar, blootshoofds en op hun knieën, met een ongebrande kaars van vier pond was in hun handen, aan God, de justitie en Tanneken en Thomas vergiffenis te vragen. Zij moesten daarenboven Tannekens chirurgijnskosten betalen alsook een schadevergoeding van twaalf ponden parisis voor pijn en smart (57). De schande die bij hij het uitvoeren van dit vonnis opliep, zal Gérard van der Meersch nooit vergeten. Een jaar later is hij één van Tannekens meest actieve aanklagers. Maar ook dit smaadproces maakt geen einde aan Tannekens slechte repu­ tatie. Getuige hiervan de betichtingen die Josyne Salens op 30 augustus 1602 en Antoon Gravelin op 4 oktober 1602 in Wakken tegen Tanneken uitbrengen en waarvan Tanneken op de hoogte is (58). Komt daarbij dat Antoons echtgenote, Peronne du Puys, die reeds in Rijsel en Kortrijk op verdenking van hekserij was verbannen (59), op 17 oktober 1602 op bevel van de Gottemse schepenen tot bloedens toe wordt gege­ seld door “Meester” Boudewijn Waelspeck, de super heksenbeul uit Gent (60). Ondervraagd over haar medeplichtigen, zegt Peronne, al dan niet op

101


Pijniging door het opgieten van water (Joos de Damhouder, Praxis rerum criminalium, Antwerpen, 1562, afb. 37).

102


suggestie van baljuw Meganck (61), dat Tanneken een toveres is. Zij leidt dit af uit het feit dat Tanneken haar eens op een dag meedeelde dat zij vier pond boter te Olsene moest kopen omdat al haar koeien betoverd waren. De volgende dag waren zij allemaal moeten vluchten voor het uit Oostende oprukkende Staatse leger. Uit Tannekens huis droeg men toen een kuip vol boter die zo zwaar was dat vier man die kuip nauwelijks konden dragen (62). Tanneken en haar echtgenoot Thomas zijn, zoals veel andere inwoners uit Gottem, aanwezig bij Peronnes geseling. Na het spektakel gaan zij zich wat ontspannen in de keuken van herbergier François Verplancke. In de gelagzaal bevinden zich op dat ogenblik baljuw Meganck en de schepenen van Ter Beke. Zij vergaderen er en drinken een pint op de goede afloop van Peronnes executie (63). Ook Jan Fabry, advokaat in de Grote Raad van Mechelen, is toevallig aanwezig (64). Op een bepaald ogenblik komt baljuw Meganck de herbergkeuken binnen. Hij richt zich naar Tanneken, die aan de keukentafel zit, en houdt met haar volgend gesprek (65): - Baljuw Meganck : ‘Beste nicht (66), hoelang zul jij nog verdragen dat men achter jouw rug zegt dat jij een heks bent ? Waarom doe jij daarte­ gen niets ?’ - Tanneken : ‘Wat moet ik doen ? Kan iemand mij goede raad geven ?’ - Baljuw Meganck : ‘Ik weet wat jij moet doen. Twee jaar geleden heb ik al eens een vrouw uit Aarsele geholpen die op dezelfde soort achterklap liep. Je moet bij kerkgeboden (67) iedereen dagvaarden die iets tegen jou weet in te brengen. Verschijnt er niemand, dan zal de rechtbank je een akte geven zodat niemand je nog ten eeuwigen dage van toverij mag beschuldigen.’ - Tanneken : ‘Als dat zo is, dan doe ik dit onmiddellijk', - Thomas, haar echtgenoot, die tegen de schouw leunt, voegt eraan toe : ‘En ik neem alle proceskosten op mij’. - Baljuw Meganck : ‘Ik breng dit in orde. Wacht een beetje. Ik kom str­ aks terug.’ En hij begeeft zich naar de aanpalende gelagzaal waar de Gottemse schepenen nog aan het vergaderen zijn. Kort daarop komt hij vergezeld van enkele schepenen terug in de keuken. Hij leest er een akte voor die hij door de Gottemse schepenen heeft laten opmaken. Hierin verklaart Tanneken dat zij zich als tooveresse, hoer ende dievegghe ter purge stelt en zich gevangen geeft. Haar man Thomas belooft borg te staan voor de kosten van de kerkgeboden en de andere pro­ ceskosten. Na de voorlezing van deze akte wil baljuw Meganck Tanneken terstond vastbinden. Maar Tanneken en haar echtgenoot Thomas protesteren hevig 103


tegen deze gang van zaken. Van enige gevangenname heeft baljuw Meganck hen vooraf duidelijk niets gezegd : Tanneken : ‘Als het zo is, stel ik mij niet ter purge. Ik ben een eerbare vrouw die geen zuivering nodig heeft. Wie mij van iets wil beschuldigen, dat hij het hier voor de rechtbank zegge.’ En tot baljuw Meganck : ‘Weet jij iets tegen mij in te brengen ? Wel hou mij dan aan !’. Baljuw Meganck beseft dat hij in aanwezigheid van een advokaat in de Grote Raad van Mechelen, geen fout mag begaan. Hij antwoordt : ‘Ik heb tegen u niets in te brengen. Ik waag het niet om je aan te houden’. Tanneken wordt derhalve die dag niet aangehouden. Dit is nochtans ver­ eist voor een geldige purgeprocedure (68). Wel worden in de daaropvol­ gende weken, zowel in Gottem als in Wakken, drie kerkgeboden afgeroe­ pen. Hierin wordt iedereen die Tanneken als een toveres, hoer of dievegge wil betichten, opgeroepen om op een bepaalde rechtsdag voor de Gottemse schepenbank te verschijnen (69). Tanneken gaat zelf naar Wakken om zich ervan te overtuigen dat de kerk­ geboden worden afgekondigd. Op een dinsdagmarkt stapt zij naar onderbaljuw de Vos en vraagt hem of er in Wakken reeds een kerkgebod is afge­ roepen. Onderbaljuw de Vos antwoordt bevestigend, waarop Tanneken hem vraagt er in haar aanwezigheid terstond een tweede af te kondigen. Zij betaalt hem hiervoor bij voorbaat een salaris van 10 schellingen parisis. In aanwezigheid van heel veel volk leest onderbaluw de Vos daarop lui­ dop een tweede kerkgebod voor en Tanneken voegt er luidop aan toe : ‘Indien iemand mij van iets wil betichten, dat hij naar Gottem gaat. Daar zal goed recht geschieden’ (70). Op de aldus vastgestelde rechtsdagen (30 oktober, 13 november en 26 november 1602) daagt er niemand voor de schepenbank op. Op 26 novem­ ber 1602 laten de Gottemse schepenen een vierde kerkgebod superabondonnant afkondigen. Wie iets tegen Tanneken heeft in te brengen kan dit nog ten laatste op de zitting van 9 december 1602 (71). Ook op de zitting van 9 december 1602 verschijnt geen kat. Thomas van der Meulen vraagt de schepenen om een vonnis uit te spreken waarbij het voortaan eeuwig verboden is om Tanneken een tooveresse te noemen. Baljuw Meganck die voelt dat hij zijn prooi aan het verliezen is, snijdt hem evenwel de pas af. Hij legt de schepenen de verklaringen van Josyne Salens, Antoon Gravelin en Peronne du Puys voor, en vraagt op grond hiervan uitstel van Tannekens purgezaak. Het uitstel wordt hem toegestaan. Nog dezelfde dag start baljuw Meganck ex officio een crimineel proces tegen Tanneken (72). Tannekens proces begint zoals gewoonlijk met een informatie preparatoi-

104


re (73). Dit onderzoek vindt plaats op 11, 12, 13 en 14 december 1602 (74). Acht inwoners van Gottem leggen voor een delegatie van de sche­ penbank een verklaring met volgende inhoud af : - François de Meyere, 42 jaar, verklaart dat zijn vrouw zes tot zeven jaar geleden ziek was. Omdat hij ervan overtuigd was dat het om toverij ging, raadpleegde hij de befaamde onttovenaar, Marijn Karrebrouck (75). Marijn zei hem dat Tanneken zijn vrouw betoverd had. - Jan van Hee (of van den Heede), 50 jaar en schoonbroer van de eerste getuige, bevestigt dit verhaal. - Pieter van der Moere, 35 of 36 jaar, zegt dat hij eens met Tanneken van Gottem naar Machelen ging. Onderweg zei Tanneken hem : ‘Pieter, jij hebt met je beesten al veel verlies geleden, maar nu zul je nog wat anders gaan meemaken. De pastoor van Mullem is weliswaar bij je thuis geweest om je waterloop te belezen, maar hoed je, straks zal het er bij jou nog veel erger aan toegaan.’ - Jackijs Adams, 36 jaar, zegt dat hij Tanneken eens om elf uur ‘s avonds uit een beek zag kruipen. Toen hij haar vroeg wat zij daar deed, zei zij op zoek te zijn naar één van haar kinderen. Jackijs geloofde er niet veel van. Nadat hij was opgestapt, hoorde hij haar nog een tijdje in het donker om iemand roepen. - Barbe(elken) van den Watermeulene, 40 jaar en echtgenote van herber­ gier François van der Plancke, zegt dat zij volgend gesprek bijwoonde tussen Tanneken en “Meester” Boudewijn Waelspeck : * Tanneken : ‘Zeg mij eens Boudewijn, ben ik een heks ?’. * Boudewijn Waelspeck : ‘Ik zeg dat niet, maar een aantal van diegenen die ik heb ondervraagd, zeggen wel dat jij de (zwarte) kunsten beheerst.’ * Tanneken, die met dit antwoord niet tevreden is, dringt aan : ‘ Boudewijn, indien ik er één ben, dan kan jij dit toch in mijn ogen zien (76), nietwaar ? * Boudewijn Waelspeck : ’Ik heb het je al gezegd’. * Tanneken, die zich hierop naar haar man keert : ‘Zou het kunnen dat ik een heks ben en ik dit zelf niet weet ?’. - Adriaan Peers, griffier van de heerlijkheid, bevestigt Barbes verhaal. - Jan van Reingoet, 40 jaar, zegt dat Tanneken eens bij hem kwam infor­ meren hoe het ging met het ziek been van Gérard van der Meersch. Toen hij haar zei dat het hiermee verre van goed ging, antwoordde Tanneken dat het nog zou verergeren. - Jan van der Heijden, 58 jaar, zegt dat hij eens Thomas van der Meulen, Tannekens echtgenoot, bevrijdde van onder een omvergevallen karneton. Thomas was zo perplex dat hij een tijdlang niet kon spreken. Tussen 14 en 16 december 1602 worden deze acht verklaringen aangevuld 105


met twee nieuwe getuigenissen, uitgaande van respectievelijk Francine de Keijsere en Meester Lucas, een geneesheer uit Tielt. Deze getuigenissen zijn verloren gegaan, maar uit Tannekens latere antwoorden (77), kunnen wij opmaken dat Francine de Keijsere en Tanneken woorden hebben gehad over één of andere betovering en dat Meester Lucas er zich heeft over beklaagd dat Tanneken bij hem thuis geneesmiddelen is komen halen waarna er onheil over zijn huisgezin is gekomen. Niemand van deze getuigen beschuldigt Tanneken rechtstreeks van één of andere betovering, laat staan van enige concrete omgang met de duivel. Wel brengen zij allen een reeks verdachtmakingen naar voor waaruit bal­ juw Meganck het bestaan van duivelse hekserij zal afleiden. Anderzijds levert pastoor François de Smet uit Wakken op 12 december 1602 een geschreven verklaring af waarin hij stelt dat hij een brief van pas­ toor Jeronimus Raede heeft gelezen. In die brief stond dat Tanneken Sconyncx voor hem een tooveresse is en dat men met het attest van haar onschuld dat hij ooit afleverde, geen rekening meer mag gehouden wor­ den (78). Over deze geschreven verklaring en de getuigenissen van de informatie préparatoire wordt Tanneken, die nog steeds op vrije voet is, op 16 december 1602 ondervraagd door schepen Gillis van den Broucke en grif­ fier Adriaan Peers van Gottem en Gillis Goethals en Jacques Dhane, twee mannen van het leenhof van Tielt (79). Kordaat antwoordt Tanneken op alle haar gestelde vragen. Zij loochent ofwel categoriek de door de getuigen naar voor gebrachte feiten of geeft een aanneembare verklaring voor haar gedrag. Aangaande de verklaring van Jackijs Adams zegt zij bijvoorbeeld : ‘Floe kun jij zo’n man geloven, het is één die zijn moeder besceet ende bepiste', en : Tk riep inderdaad in de nacht, maar het was om de wolven te verschuwen.’(80). Na deze eerste ondervraging laten de schepenen Tanneken opnieuw naar huis vertrekken. Om geen fout te maken vragen zij voor de verdere pro­ cesgang advies aan twee advokaten bij de Raad van Vlaanderen in Gent (81). Die advizeren op 20 december 1602 dat Tanneken op de eerstvol­ gende zitting in persoon voor de rechtbank moet verschijnen, dat haar ver­ zoek tot zuivering moet worden afgewezen, dat zij onmiddellijk moet wor­ den aangehouden en dat baljuw Meganck zijn schriftelijke eis op de eerst­ volgende zitting moet indienen (82). Dit alles geschiedt op 24 december 1602. Na dagvaarding verschijnt Tanneken persoonlijk voor de schepenbank. Haar verzoek tot zuivering wordt afgewezen en op bevel van de schepenen houdt baljuw Meganck haar ter zitting aan . Omdat er in Gottem geen gevangenis is, wordt zij naar

106


de gevangenis van Tielt (83) overgebracht (84). Zes dagen later (30 december 1602), dient baljuw Meganck reeds zijn schriftelijke eis in : ‘Het vooronderzoek heeft afdoende uitgewezen dat Tanneken een duivelse heks is. Uit de verklaring van Josyne Salens blijkt dat Tanneken ten minste één sabbat bij woonde. Voorts wordt zij ervan ver­ dacht Gérard van der Meersch en de vrouw van François de Meyere beto­ verd te hebben. Bovendien is haar moeder ook steeds van hekserij verdacht geweest. Voor al deze feiten moet de rechtbank Tanneken tot de vuurdood veroordelen, of minstens bij tussenvonnis tot een ondervraging op de pijn­ bank (85)’. Tanneken laat zich voor haar verdediging bijstaan door een procureur of advokaat. In haar schriftelijk antwoord van 20 januari 1603 (86) stelt zij vooreerst dat de purgeprocedure en de daarop gebaseerde aanhouding nie­ tig zijn omdat baljuw Meganck haar heeft voorgelogen omtrent de werke­ lijke gevolgen van de ter purgestelling en zij haar verzoek tot ter purgestelling onmiddellijk heeft ingetrokken. Bovendien is zij, zoals de gewone purgeprocedure het voorschrijft, niet onmiddellijk aangehouden. Verder zegt Tanneken in haar antwoord dat baljuw Meganck goed weet dat zij tamelijck ende naer qualiteyt ghegoet is en dat hij derhalve op haar for­ tuin uit is. Op 17 oktober 1602 zou hij na het voorlezen van de purgeakte hebben geroepen : ‘Nu hebben wij haar waar wij ze willen hebben. Die zaak zal mij en griffier Peers elk honderd gulden opbrengen.’. Tanneken weerlegt ook alle betichtingen die in de informatie préparatoire voorkomen. Ofwel ontkent zij de door de aanklagers naar voor gebrachte feiten, ofwel verwijst zij naar de wraak- en hebzucht van de klagers ofwel stelt zij dat de klagers oneerbare personen zijn. Dit laatste is volgens haar zeker het geval voor wat Josyne Salens of de andere toveressen hebben uit­ gekraamd. Aan verklaringen van dergelijke dienaressen van den duvele mag geen geloof worden gehecht. De bewering van baljuw Meganck dat haar moeder ooit van toverij werd verdacht, vindt Tanneken een persoonlijke belediging : ‘Mijn moeder was een eerbare vrouw die, gesterkt door het sacrament van de stervenden, meer dan 25 jaar geleden in gewijde grond is begraven’. Intussen is baljuw Meganck niet blijven stilzitten. Op 14 januari 1603 krijgt hij schriftelijke verklaringen binnen van Arent Willemijns, Gérard van der Meersch, Pieter van der Moere en Pieter Minnaert. Alle vier ver­ klaren zij dat Thomas van der Meulen samen met zijn zoon Lieven die­ zelfde dag een pint kwam drinken ten huize van Gérard van der Meersch (87). Op een bepaald ogenblik bekloeg Thomas zich over het feit dat zijn vrouw voor toverij in de gevangenis zat. François de Caesteker zei hierop : 'En wat zeg jij dan over het feit datje vrouw in de gevangenis regelmatig 107


Pijniging door geseling aan een paal (Jan Luyken, Het podium der martelaren, Amsterdam, ca. 1700).


bezoek krijgt van een grote bonte rat die over haar heenkruipt en zo sterk is dat zij je vrouw met strobed en al kan opheffen ?’. Lieven van der Meulen antwoordde daarop spontaan :’Het is waar, moeke heeft het mij zelf ver­ teld’. Maar Thomas deed hem vlug zwijgen (88). De dag nadien (15 januari 1603) laat baljuw Meganck een bijkomend onderzoek (informatie) houden over de mysterieuze gebeurtenissen in de kerk van Gottem (89). François van Ackere, Gérard van der Meersch (90) en Pieter van der Moere zeggen daarin dat zij op 1 mei 1602 in het huis van Gérard van der Meersch volgend gesprek bijwoonden tussen Tanneken en pastoor Raede : - Tanneken : ‘Zeg mij eens pastoor, ben ik al dan niet een toveresse ?’. - Pastoor Raede : ‘Tanne, je weet toch zelf best of je al dan niet een tover­ esse bent’ - Tanneken :’Mijnheer pastoor, heb je met mij mogen doen watje wilde?’ - Pastoor Raede : ‘Tanne, je weet toch best zelf wat daarvan waar is ?’ - Tanneken : ‘Heb je mijn lichaam geschoren ?’ - Pastoor Raede, die de vragen systematisch blijft ontwijken, : ‘Vraag dat aan je man Thomas. Hij weet toch best of er al dan niet iets aan ont­ breekt’. Thomas en de rest van het gezelschap begonnen hierop te lachen. Enige tijd later nam pastoor Raede zelf het initiatief tot het stellen van vra­ gen : ‘Tanne, weet je nog toen ik je aan het belezen was in de kerk van Gottem? Er vlogen toen plotseling een groot aantal uilen op en neer in de kerk. Toen ik de stola kruisgewijs rondom je hals legde, sleepten som­ migen van hen hun vleugels over de kerkvloer. Tanne, weet jij van waar die uilen kwamen en wat zij daar daar kwamen doen ? Jij moet dat toch weten !’ En zich kerend naar het gezelschap : ‘Ik ben in mijn leven nog nooit zo bang geweest als die dag. Er kwamen toen wel duizend uilen aangevlo­ gen en zij maakten zo’n lawaai dat de kerk leek in te storten'. Tanneken antwoordde niet eens. Zij lachte, schonk ieder vlug een glas bier in en probeerde vlug van onderwerp te veranderen. Maar pastoor Raede liet zich niet vangen. Hij vertelde het gezelschap hoe hij Tanneken en haar dochter op duivelsmerken had onderzocht en hoe hij onmogelijk twee briefjes in brand kon steken. Tanneken probeerde hem intussen steeds maar af te leiden. Van zodra zij de deur uit was zei de pastoor dat zij een uprechte ende versekerde toveresse was. Dan volgen twee schriftelijke verklaringen van 29 januari 1603 (91) : - Joris de Landsheere uit Dentergem en Willem van Essche verklaren

109


schriftelijk dat Thomas van der Meulen Tanneken eens tijdens een hoog­ oplopende ruzie verweet een hoer en toveres te zijn. Thomas zou Tanneken hebben toegeroepen : ‘Als je er niet gauw voor zorgt dat die duivels die dagelijks rondom ons huis vliegen, verdwijnen, zal ik mij van jou laten scheiden.' - Karel Adams, alias de Burggrave, vult die verklaring aan. Als knecht bij de familie van der Meulen zag hij er ‘s nachts allerlei gedaanten rond­ vliegen die konden roepen zoals mensen. Tanneken noemde deze dieren hemelgheeten. Zij vroeg hem ook eens een pak slaag te geven aan een vrouw in Desselgem die haar een toverkol had genoemd. Karei had dit toen geweigerd. Op advies dd. 8 februari 1603 van vier advokaten bij de Raad van Vlaanderen (92) wordt Tanneken nog dezelfde dag over al deze nieuwe feiten een tweede keer ondervraagd, nu door twee schepenen van Gottem en door Eustaes Oste, luitenant-baljuw van het leenhof van Tielt (93). Gillis Goethals, griffier van het leenhof maakt het proces-verbaal op. Op verzoek van baljuw Meganck besteden de ondervragers vooral aan­ dacht aan de eigenaardige gebeurtenissen in de kerk van Gottem. Zo willen de ondervragers weten waarom Tanneken de pastoor van Gottem vroeg haar op duivelsmerken te onderzoeken, waarom zij diezelfde pastoor ver­ zocht haar lichaam en dat van haar dochter te scheren, of het waar is dat er tijdens die visitatie een massa uilen in de kerk van Gottem rondvlogen die hun vleugels over de grond sleepten wanneer pastoor de Rade een kmisteken maakte of de stola kruisgewijs op haar neerlegde en of het waar is dat het briefje met haar naam niet wilde opbranden. Tijdens dit tweede verhoor peilen Tannekens ondervragers ook voor de eerste keer naar mogelijke contacten met de duivel. Zij stellen haar een reeks nauwkeurige vragen, waarop Tanneken als volgt antwoordt : - De ondervragers : ‘In welke gedaante verschijnen de duivels die zich soms op je dak bevinden ? Ben je werkelijk in staat om ervoor te zorgen dat zij wegblijven ?’ - Tanneken : ‘Ik zag nooit duivels op ons dak zitten.’ - De ondervragers : ‘Komen die duivels niet dikwijls bij je thuis om zich met jou te onderhouden ?’ - Tanneken : ‘Neen.’ - De ondervragers : ‘Is de rat die dagelijks bij jou in de gevangenis komt niet de duivel ? Of komt de duivel soms in een andere gedaante bij jou ?’ - Tanneken : ‘Ik hoorde in de gevangenis al ratten en muizen rondkruipen, maar zag er nog geen.’ - De ondervragers : ‘Waar ben jij ‘s avonds eens zo laat naar toe geweest en met wie heb jij dan wel gesproken datje zo blij was toen je ‘s avonds 110


weer thuis kwam ?’ - Tanneken : ‘Ik ben er ‘s avonds laat nooit op uit getrokken.' - De ondervragers : ‘Wie deed de vensters rammelen toen Karei de Burggrave bij jou inwoonde ?’ - Tanneken : ‘Daar is niets van waar.’ - De ondervragers : ‘Wie waren diegenen die binnensmonds met jou spra­ ken en van wie je aan Karei de Burggrave vertelde dat hij niets moest vrezen daar het maar hemelgeiten waren ? In welke gedaante vertonen zich die hemelgeiten ? - Tanneken : ‘Ik heb Karei inderdaad eens gezegd dat de mompelingen die hij ‘s avonds hoort afkomstig zijn van hemelgeiten die over de weiden vliegen. Ik heb die hemelgeiten nog nooit gezien en het is mij geenszins bekend dat zij kunnen blaten zoals schapen.’ Baljuw Meganck dient van repliek op 17 maart 1603 (94). Hij herhaalt de in zijn eis uiteengezette feiten en vult ze aan met een aantal nieuwe gege­ vens. Hij steunt zich hiervoor op de aanvullende informatie préparatoire en de intussen meegedeelde schriftelijke verklaringen. Ten tijde van de verbranding van Josyne Salens in Wakken zou Tanneken een geheimzinnig poeder hebben afgegeven aan de baljuw en schepenen van Wakken, zeg­ gende dat zij vreesde dat het toverpour was. Tanneken zou er bij onweer ook regelmatig op uitgetrokken zijn en dit na tien uur ‘s avonds tot diep na middernacht. Toen zij terugkeerde was zij telkens zeer blij. Indien zij dan iemand slapend in haar keuken aantrof, moest die terstond verdwij­ nen. Zodra zij in haar bed was gekropen hoorde men rondom het huis groot geruis en een echo net alsof er mensen binnensmonds praatten (95). Tanneken antwoordt op deze repliek met een dupliek dd. 9 april 1603. Hierin (96) herhaalt zij dat de purgeprocedure nietig is, haar aanhouding onrechtmatig gebeurde en baljuw Meganck in de eerste plaats op haar goed uit is (97). Zij beweert voorts dat baljuw Meganck zijn stellingen steunt op onbetrouwbare getuigen met wie zij bovendien nog niet is geconfron­ teerd (98). Om al deze redenen en elk van hen in het bijzonder vordert zij haar invrijheidstelling. Tussen 18 en 21 april 1603 vindt de informatie ordinaire (99) of het defini­ tieve onderzoek plaats ( 100). Op verzoek van baljuw Meganck verhoort de volledige schepenbank nu één voor één opnieuw de getuigen uit de informatie préparatoire of van de attestaties (101). De griffier leest hun vroegere verklaringen voor en zij bevestigen die door er hun handtekening onder te plaatsen. Tijdens die informatie ordinaire verhoren de schepenen ook drie nieuwe getuigen.

111


- Jacob van Coppenholle, 40 jaar, zegt dat hij eens met zijn paarden een wagen hout naar de Leie voerde. Onderweg ontmoette hij Tanneken en haar zoon Lieven. In het voorbijgaan zei Tanneken hem : ‘Jacob, je zult versteld geraken’. Terstond bleven zijn paarden staan en één van hen zakte zelfs door zijn poten. Met veel moeite kon men het paard thuis krijgen. Korte tijd nadien overleed net als de twee andere paarden die erbij op stal stonden. Een goed persoon bij wie Jacob te rade ging, zei hem dat er toverij in het spel was. - Claesinghen Schooten, 20 jaar, verklaart dat zij bijna anderhalf jaar woonde en werkte in het huisgezin van der Meulen. Zij had veel te lijden van Tanneken. Die sloeg haar herhaaldelijk en zei haar eens dat zij haar beul wilde zijn. Ooit liet Tanneken haar een ganse nacht door boter kar­ nen zonder ook maar enig resultaat te bekomen, ‘s Morgens nam Tanneken zelf de karneton ter hand en na twee of maximum drie stam­ pen had zij boter. - Laurens Mottemans, 35 jaar, zegt dat hij op 19 april 1603 voor één dag en één nacht in de gevangenis van Tielt was opgesloten. Hij hoorde dat er bij Tanneken, die toen in een viercant was opgesloten, meerdere ratten kwamen, ‘s Nachts zag hij een grote, lelijke, zwarte rat via het venster­ raam de gevangenis binnenkomen. Na dit verhoor worden de namen van de getuigen en de artikelen waarop zij werden verhoord, met hun verklaringen (102), aan Tannekens advokaat overgemaakt om eventueel bezwaren te maken tegen hun persoon. Tanneken dient die reprochen in op 27 april 1603 (103). Hierin probeert zij de meeste getuigen in discrediet te brengen. Zo zegt zij van Pieter van der Moere en Gérard van der Meersch dat het twee drinkebroers zijn die voortdurend in overspel leven. Gérard van der Meersch handelt volgens haar bovendien uit wraak omdat hij het bovengenoemde smaadproces tegen haar verloor. Barbe van Watermeulen is volgens Tanneken niet betrouwbaar omdat zij in haar jeugd een kind kreeg van een gehuwde man. En Joris de Landsheere en Willem van Essche moeten volgens Tanneken zelf met de duivel omgaan daar zij zo goed het onderscheid kunnen maken tussen een duivel en een eenvoudige kraai of duif. Van deze reprochen profiteert Tanneken om nog eens hard van leer te trek­ ken tegen baljuw Meganck. Tanneken stelt hem voor als een geldwolf, een valsaard en een seksmaniak. Zonder omwegen zegt zij dat baljuw Meganck haar ooit tot overspel probeerde te verleiden en dat hij nu uit wraak handelt omdat zij daar toen niet op inging. Hij kocht de getuigen om met drinkgelagen en banketten. En in de gevangenis van Tielt heeft hij haar meer dan eens onheus behandeld. Zij zit er opgesloten in een vuil, stinkend kot dat nimmer wordt gekuist en waar de ratten op en neer lopen. 112


Op 20 en 26 april liet hij haar uit de gewone cel halen en gedurende 24 uren zonder eten of drinken opsluiten in een blochuys ofte viercant ( 104) buiten de gevangenis. Om bekentenissen te bekomen heeft hij haar op alle mogelijke wijzen bedreigd. In het viercant liet hij haar ook bespotten door een aantal dronken officieren. En betreffende het pakje met het geheimzinnige poeder beweert Tanneken dat een onbekende het in Gent in haar boodschapstas stak. Om erger te voorkomen gaf zij het aan François de Smet, deken van Wakken. Die maakte het open en stelde vast dat het niets kwaadaardigs bevatte. Hij vroeg haar om het aan de baljuw en schepenen van Wakken te overhandi­ gen. Baljuw Meganck reageert sibyllijns op al deze aantijgingen. In zijn solutien van 5 mei 1603 (105) zegt hij dat het slechts verdachtmakingen zijn van iemand die weet dat haar koord is afgelopen. Het geheimzinnig pakje dat Tanneken te Wakken afgaf, was duidelijk heksenmateriaal. Het bevatte een klaverblad, een aantal draadjes, een paar lapjes stof en een niet te iden­ tificeren poeder gewikkeld in een perkamenten blad met allerlei geheim­ zinnige tekens en woorden. Bovendien heeft Marie Hermans, weduwe van Pieter Lafaille, die op 16 maart laatstleden in Wakken als heks is geëxe­ cuteerd, tijdens haar pijniging met de halsband en ook daarbuiten verklaard dat zij Tanneken Sconyncx en haar oudste dochter twee keer op een sabbat heeft ontmoet. Daar waren wel honderd personen aanwezig, meestal vrou­ wen (106). Terwijl zij op de grond zaten werd er gerookt en gebraden scha­ penvlees, witte franse wijn, maar geen zout of boter verorberd. Na de maaltijd werd er gedanst en geboeleerd met backen die daarna de heksen op hun schouders droegen (107). Na deze reprochen en solutien moeten de Gottemse schepenen beslissen welke richting het proces zal uitgaan. Zij kunnen kiezen tussen twee oplos­ singen : ofwel Tanneken bij gebrek aan bewijs vrijlaten, ofwel haar ver­ oordelen tot een ondervraging op de pijnbank teneinde een bekentenis, in die tijd nodig voor een doodstraf (108), te bekomen. Op advies van vijf advokaten bij de Raad van Vlaanderen van 22 mei 1603 (109) kiezen de schepenen op 23 mei 1602 voor deze laatste mogelijkheid (110) . De “specialisten” raden de schepenen aan om Tanneken vooraf nauwkeurig aan een lichaamsonderzoek op duivelsmerken te onderwerpen. Dit gebeurt op 24 mei 1602. Bovengenoemde “Meester” Boudewijn Waelspeck komt op uitnodiging van de Gottemse schepenen naar Tielt. In aanwezigheid van baljuw Meganck. drie Gottemse schepenen en drie Tieltse leenmannen, wordt Tanneken uitgekleed en aan een minitieus lichaamsonderzoek onderworpen. Van twee vlekken, één op haar hals en

113


De naaldproef : de beul zoekt duivelsmerken door het prikken met een naald in verdachte lichaamsvlekken (Hermann Lรถher, Hochnรถtige Klage, Amsterdam, 1676, p. 468).


één op haar schouder, zegt “Meester” Boudewijn dat het duivelsmerken zijn. Tevergeefs werpt Tanneken op dat het de littekens van zweren zijn ( 1 1 1 ).

De ontdekking van die duivelsmerken sterkt Tannekens rechters in hun overtuiging dat zij op het juiste pad zitten. Vol vertrouwen vatten zij op zondagnamiddag 25 mei 1603 om drie uur Tannekens foltering aan (112). Voor de pijniging kiest Boudewijn Waelspeck voor de beruchte halsband, zijnde in die tijd het meest doeltreffende instrument om iemand te folteren (113). Samen met een medewerker bevestigt hij de halsband, die binnenin van zeer scherpe pinnen is voorzien, rondom Tannekens hals en maakt hij die met strak gespannen koorden vast aan de vier muren van de folterka­ mer. Zodra Tanneken haar hoofd naar voor of naar achter, naar links of naar rechts laat vallen, dringen de ijzeren pinnen in haar keel of hals. Na een tijdje is haar hals één gezwollen klomp. Van tijd tot tijd zet “Meester” Boudewijn Tanneken bovendien op een driepoot (drijepeckel), zijnde een stoeltje op drie poten met een puntig zitvlak (114). Van deze gecombi­ neerde foltering zal Jan van de Velde, advokaat van Thomas van der Meulen, later beweren dat het de meest vreselijke foltering is die men een vrouw kan aandoen (115). Met een grimmige voldoening noteert griffier Gillis Goethals of zijn ver­ vanger bladzijden vol wat er zich in de folterkamer afspeelt (116). De schepenen en leenmannen, die elkaar voordurend aflossen, vuren op Tanneken systematisch volgende vragen af : 10 Ben je al dan niet met Josyne Salens gaan dansen op de vergaderingen met den viandt ? 2° Hoe heb je de vrouw van François de Meyere betoverd ? 3° Waarom heb je je laten belezen door pastoor Raede ? 4° Heeft pastoor Raede je daarbij geschoren en uw naakt lichaam op dui­ velsmerken gecontroleerd ? 5° Heeft pastoor Raede toen met jou geslachtsverkeer gehad ? 6° Van waar en waarom kwamen die uilen in de kerk van Gottem ? 7° Heb jij je dochter reeds leren toveren ? 8° Hoe heb je Gérard van der Meersch betoverd ? 9° Wat deed je ‘s nachts in de beek tussen Dentergem en Gottem en waarom was je daar zo luid aan het roepen ? 10° Hoe komt het dat je echtgenoot Thomas je eens een tooveresse noem­ de, en is het waar dat hij toen zei dat je de duivels rondom je huis moest weren of dat hij van jou zou scheiden ? 11° Vanwaar heb je dit briefje met dat geheimzinnig poeder gehaald en wat heb je reeds met dit poeder gedaan ? 12° Wie of wat waren de hemelgeiten die rondom je huis vlogen ? 115


13° Hoe ben jij erin geslaagd met twee tot drie stampen boter te krijgen nadat je meid dit de ganse nacht tevergeefs had geprobeerd ? Aanvankelijk ontkent Tanneken alle haar ten laste gelegde feiten. Zij weet uiteraard dat de vuurdood wacht als zij bekent. Maar na een urenlange fol­ tering wordt de pijn haar te machtig en slaat zij door. - Zij zegt dat de echtgenote van Marijn Werbrouck haar zeven jaar geleden leerde toveren. - Op een dag, toen zij op weg was naar de vrijweide, ontmoette zij haar eerste boel (=duivel) met de naam Pieter. Hij zag eruit als een jonge man met een mager, lelijk grijnzend aangezicht, een krom lijf en stijve lede­ maten. Hij was gekleed met een wolharen broek, een witte wambuis en een zwarte hoed met gespikkelde pluimen. Zij sloot met hem een pact af en kreeg hiervoor een daalder (kleinste munteenheid). Het pact werd bekrachtigd met geslachtsgemeenschap in de vrijweide, waarbij Pieter haar merktekens gaf op haar linkerschouder en haar rechterbeen. In de daaropvolgende weken had Tanneken twee maal per week met Pieter geslachtsbetrekkingen. Dit geschiedde zowel overdag als ‘s nachts wan­ neer de dienstboden sliepen. - Nog later kwam Tanneken in contact met een tweede duivel, genaamd Lieven den Fleijter. Zijn kledij bestond uit een blauwe broek, twee groe­ ne kousen, een zwarte wambuis en een blauwe hoed waarop een klein pluimpje stak. Met Lieven had zij vier of vijf keer geslachtsbetrekkin­ gen bij haar thuis. Hij had een ijskoud aanvoelende penis waaruit geen sperma kwam. Acht dagen voordat zij werd aangehouden was hij nog bij haar. - Tanneken zegt ook zesmaal naar een heksensabbat te zijn geweest. Die vergaderingen vonden plaats op de Gheijnsbilck in Zulte. Zij danste er rug aan rug met andere toveressen op fluit- en vedelmuziek. Op dit feest waren ook Josyne Salens, Maye Verfaille, Marie Verscheure en Johanna Verrusen aanwezig. - Lieven gaf haar het bevel om het been van Gérard van der Meersch te besmetten. Zij deed dit door kruiden in zijn hutsepot te roeren. - In opdracht van Lieven betoverde zij ook de echtgenote van griffier Blankaert van de Raad van Vlaanderen en Romain Coligny. Deze laatste betoverde ze door hem een slag op zijn hoofd te geven. Zij zegt dat zij bereid is om hem nu te helpen met een kruid met witte bloempjes dat in beken groeit. - De echtgenote van Jacques van de Pitte, wonende aan de Klapbrug in Gent, heeft zij betoverd door haar een “eeuwige slag” te geven. Het paard van Pieter Dhane maakte zij ziek door het met een stokje op zijn achterpoten te slaan. Haar heksenkwartier strekt zich uit van Tielt tot 116


Zulte. - De uilen in de kerk van Gottem kwamen er door haar toedoen. En op het brietje dat niet wilde branden stond haar naam. - Het poeder dat zij in Wakken heeft afgegeven kreeg ze van een Gentse vrouw als anti-remedie tegen toverij toen zij zich in Gent liet belezen door broeder Jan Maes. - Ten slotte zegt Tanneken dat er in Gottem nog een tweede heks woont, namelijk Peronne Moens. Zij is met haar eens naar de heksensabbat in Zulte geweest. Ook Johanna Verrusen is met haar gaan dansen. Na al deze bekentenissen wordt Tanneken op maandag 26 mei 1603 om tien uur in de voormiddag uit de halsband bevrijd en een tijdje met rust gelaten. Vierentwintig uren later, op dinsdag 27 mei om tien uur in de voormiddag, vraagt Jacques Dhane, schout van Tielt, haar nog of het sek­ sueel contact met den boosen viandt al dan niet op vrijwillige basis geschiedde. Tanneken antwoordt van niet, want, zegt zij : ‘Ik wrong tel­ kens mijn benen over elkaar'. Jacques Dhane wil bovendien weten of Tanneken tijdens de danspartijen met de duivel de Wakkense heksen Josyne Salens en Marie Hermans, echtgenote Lafaille heeft ontmoet. Tanneken antwoordt : ‘Ik dacht dat zij het waren’ (117). Deze eerste pijniging loopt dus voor baljuw Meganck succesvol af. Vreugdevol schrijft hij onmiddellijk een brief aan zijn vriend griffier Peers om het goede resultaat mee te delen. Hij vraag hem met het schepencolle­ ge zo vlug mogelijk naar Tielt te komen om de klus af te maken (118). De Gottemse schepenen trekken nog dezelfde dag naar Tielt. Maar bij hun aankomst heeft Tanneken zich reeds herpakt. In aanwezig­ heid van de volledige schepenbank van de heerlijkheid Ter Beke in Gottem en drie leenmannen van Tielt, herroept zij alle verklaringen die zij op de pijnbank heeft afgelegd (119). Meteen zijn deze verklaringen juridisch waardeloos geworden : alleen bekentenissen herhaald buiten de pijnbank hebben in die tijd bewijskracht (120). Om Tanneken opnieuw op de pijnbank te kunnen leggen is er volgens de heersende rechtsleer en wetgeving het bewijs van een nieuw feit nodig (121). Baljuw Meganck heeft dit voorzien en trommelt vlug twee nieuwe getuigen op, namelijk Jackijs van de Putte en zijn echtgenote wonende aan de Klapbrug in Gent. Ijlings worden zij op 28 mei 1603 door de schepe­ nen verhoord (122). Beiden verklaren dat Tanneken eens totaal onverwacht - zonder dat zij haar kenden - bij hen thuis binnenkwam zeggende dat zij de broer van de huis­ vrouw kende. Plotseling begon zij van toverij te spreken. Zij zei : ‘O vrou­ we, hoe ben ik belogen. Men zegt dat ik een toveres ben, en ik ben zelf betoverd !’ Tanneken bleef ongeveer anderhalf uur. In die tijd probeerde 117


zij op alle mogelijke manieren Jackijs’ echtgenote aan te raken. Uiteindelijk slaagde zij hierin. Een half uur nadat Tanneken bij Jackijs was vertrokken, was zij nog in een verlaten zijstraat nabij de Klapbrug allerlei zaken aan het roepen. Korte tijd nadien werd Jackijs’ echtgenote plotse­ ling ziek. Zij genas slechts nadat zij was belezen door broeder Jan Maes in Gent. Die zei haar dat zij betoverd was en dat Tanneken een oelijcke croinge (=een vreselijk kreng) was. Op grond van deze nieuwe getuigenissen geeft de Gottemse schepenbank nog dezelfde dag (28 mei 1603) het bevel om Tanneken een tweede keer te pijnigen. Wanneer deze tweede pijniging start is ons niet bekend, maar zij duurt in ieder geval tot maandag 2 juni om zeven uur ‘s morgens, of meer dan vier volle dagen en vier volle nachten na elkaar (123). - Aanvankelijk blijft Tanneken alle haar ten laste gelegde feiten ontken­ nen, ook deze die zij tijdens de vorige pijniging heeft toegegeven. Ze bekende, zegt zij, om van de pijn verlost te zijn. - Op donderdag 29 mei 1603, om acht uur ‘s morgens, heeft Tanneken reeds een eerste hallucinatie. Zij zegt dat er een klein dixsacken met gedraaide horens in de schouw staat en vraagt Meester Boudewijn dijen leelicken gast buiten te wippen. Zij roept : ‘Laat mij even los, ik zal het een schuetele heet water in zijn backens ghyeten'. Op de plaats waar Tanneken zegt dat het dixsacken staat, maakt “Meester” Boudewijn met zijn sprijet een kruisteken. - Op donderdag 29 mei 1603, om één uur in de namiddag, vraagt Tanneken dat een dokter of chirurgijn een aantal vlekken op haar schou­ ders en elders op haar lichaam zou onderzoeken. Zij zegt dat Boudewijn Waelspeck en zijn helper Sebastiaan die vlekken hebben aangebracht door ‘s nachts over haar lichaam een bijtend waterken ende andere substancie te gieten. - De daaropvolgende uren herhaalt zij nog meerdere keren dit verzoek : ‘Als men die vlekken als duivelsmerken bestempelt, acht ik Meester Boudewijn verantwoordelijk voor mijn dood, en ik hoop dat mijn man en kinderen mij hiervoor zullen wreken’. - Om drie uur in de namiddag krijgt zij een nieuwe hallucinatie. Zij ziet nu in de schouw een man met zwarte kousen gezeten op een paard. - Om vijf uur ziet zij in de schouw een zwart been dat geleidelijk veran­ dert in de kop van een koe met horens. - Op vrijdag 30 mei 1602, om acht uur ‘s morgens, zegt Tanneken dat zij de echtgenote van Jackijs van de Putte een eeuweghen slach heeft toe­ gebracht. Voor haar contract met Lieven den Fleijter heeft zij 30 groten gekregen. Haar toverijkwartier strekt zich uit van Zulte tot Tielt. Zij is

118


met haar boel Lieven naar een heksensabbat geweest en heeft met hem bij haar thuis gemeenschap gehad. Haar kinderen weten dat zij een duivelsmerk heeft. Zij heeft het hen getoond na de dood van Josyne Salens hen zeggende : ‘Zie kinderen, men zegt dat de toveressen getekend zijn. Welk teken is dit : Wit of zwart ?’ De kinderen zouden haar hebben gezegd dat het er bleek uit zag. Een uur later onderzoeken Jan Stullins en Jan de Bilt, respectievelijk doctor in de geneeskunde en chirurgijn uit Kortrijk, de vlekken op haar lichaam. In een schriftelijk attest verklaren zij dat zij in Tannekens schoudervlekken tot op het schouderbeen hebben geprikt, maar dat Tanneken hierbij niets voelde. Volgens hen zijn die vlekken dan ook onnatuurlijk (124). Op vrijdag 30 mei 1603, om zes uur in de namiddag, vertelt Tanneken hoe zij van haar schoonmoeder leerde hoe zij de boter van andermans koeien in haar karneton kon krijgen. Zij strijkt hiervoor een blauw kanariepoeder dat zij koopt in de apotheek Nemegheer te Gent, op de rug van die koeien. Op die wijze heeft zij de koeien van Joos Lansheere en Pieter Heens betoverd. Om acht uur ‘s avonds geeft ze toe op die wijze ook de koeien van Pieter van der Moere te hebben betoverd. Ook haar kinderen kennen deze tovertruuk. Zij bekent voorts dat zij haar eigen zuster, de echtgenote van Jan de Blake heeft dood getoverd. Op zaterdag 31 mei 1603, om vier uur ‘s morgens, zegt zij de koeien van Pieter van Hee te hebben betoverd. Zij herhaalt dat haar man en haar kin­ deren helpen bij het aanbrengen van het poeder om veel boter te verkrij­ gen. Om vier uur in de namiddag bekent zij het kind van Jaecques van Aelst te hebben gekust. Om acht uur ‘s avonds herhaalt zij dat haar duivel Lieven bij haar thuis heeft geslapen, en om negen uur zegt zij dat den boosen nog steeds in de hoek van de folterkamer staat. Op zondag 1 juni 1603, om vier uur ‘s morgens, zegt Tanneken dat broe­ der Jan Maes ooit haar man, haarzelf en haar koeien tegen betaling heeft belezen in zijn cel. Zij raadpleegde hem op aanraden van de zusters, wonende aan de Gentse Zuidpoort, die zij hiervoor een paar duivejongen gaf. Broeder Maes gaf hen voutewater dat zij opdronken en liet hen ook drie zielemissen lezen. Zij ontkent haar eigen man te hebben beto­ verd, maar zegt dit wel te hebben gedaan met een vrouw die op een brui­ loft voortdurend rond haar man draaide. Om acht uur ‘s morgens geeft zij opnieuw enkele details over haar rela­ ties met Lieven den Fleijter. Van haar boel Pieter heeft zij na de vrijpar119


Driepikkel en halsband (moderne reconstructie).

120


tij in de vrijweide geen geld maar wel bloemen ontvangen. - Om elf uur in de voormiddag herroept zij haar verklaring omtrent de betovering van haar eigen zuster. Zij herhaalt wel het verhaal over het gebruik van het blauw kanariepoeder. Op maandag 2 juni 1603, om vier uur ‘s morgens, haalt Boudewijn Waelspeck haar uiteindelijk uit de halsband (125). Vooraleer men haar laat rusten ontfutselt men haar nog vlug de namen van enkele medeplichtigen. Zij noemt de namen van een aantal vrouwen (126). Totaal uitgeput wordt zij neergelegd op een strobed. Daar men beseft dat zij stervende is, haalt men er vlug vier geestelijken bij : twee broeders uit Kortrijk, de Wakkense deken François de Smet en de Oeselgemse pastoor Jan van Praet. Deze slagen er niet in om haar de biecht af te nemen (127). Acht uren na haar bevrijding uit de halsband overlijdt Tanneken op maan­ dag 2 juni 1603 in de Tieltse gevangenis. Onmiddellijk stellen baljuw Meganck en beul Waelspeck alles in het werk om de verantwoordelijkheid over deze dood van zich af te schuiven. Nog dezelfde dag (2 juni 1603) laten zij Tannekens lijk onderzoeken door chi­ rurgijn Salomon Marcx uit Tielt. Die levert een attest af waarin hij stelt dat hij bij Tanneken geen kwetsuren heeft vastgesteld die haar dood konden veroorzaken ( 128). De dag nadien (3 juni 1603) komen Gillis de Landsheere en Jan van Wijchuuse, griffier van Tielt, voor de schepenbank van Gottem verklaren dat Jan van der Piete, baljuw van Ardooie en Jan Tuyts, brouwer in Meulebeke op zondag 1 juni 1603 tussen elf en twaalf uur Tanneken in de pijnkelder kwamen opzoeken. Zij vroegen haar of zij tijdens haar duivelse dansen niet eens twee bepaalde vrouwen heeft ontmoet. Tanneken zei : Tk ken ze niet, ze zijn niet van mijn kwartier’. Tanneken zat op dat ogenblik met gebonden handen in haar schoot op een leunstoel. Haar benen waren niet gebonden. Rond haar hals had zij een halsband die met koorden aan de muren was vastgemaakt. Tanneken bekloeg zich niet over haar situatie (129). Diezelfde dag ontvangen de Gottemse schepenen ook het advies van de vier Gentse advokaten die zij hebben geraadpleegd na Tannekens eerste pijniging. Hun advies luidt : ‘De schepenen kunnen Tanneken op verden­ king van toverij hoogstens veroordelen tot vijf jaar verbanning uit Vlaanderen’ (130). In heksenprocessen was dit zowat de laagst mogelijke straf. Daar in die tijd de straf werd aangepast aan de mate van het gelever­ de bewijs, blijkt dat deze -nochtans zeer strenge - advokaten de aanklacht zo goed als onbewezen achtten. Door Tannekens overlijden is het uitspreken van een dergelijk (licht) von­ nis uiteraard niet meer mogelijk. Blijft wel de vraag wat er met haar dood 121


lichaam moet gebeuren en wie voor de hoog oplopende proceskosten zal opdraaien ? Omdat Tanneken voor haar overlijden niet heeft gebiecht, weigert de pas­ toor van Tielt op 2 juni 1603 om haar op het kerkhof van Tielt te begraven (131) . Griffier Peers stelt dan maar voor om het lijk, zoals dit van een zelfmoordenares, aan een staak op te hangen en het aldaar te laten verrotten (132) . Maar de Gottemse schepenen twijfelen en raadplegen opnieuw de Gentse advokaten. Deze advizeren op 3 juni 1603 om Tannekens lijk in ongewijde grond te begraven (133). Dit gebeurt de dag nadien (4 juni 1603) op bevel van de schepenen (134). Zeven dagen later, op 11 juni 1603, spreken de Gottemse schepenen hun eindvonnis uit (135). Tanneken heeft zowel tijdens als na de tortuur bekend dat zij mensen en dieren heeft betoverd, dat zij vleselijke conversaties had met twee duivels en dat zij met andere heksen, zoals Josyne Salens, Marie Hermans en Christine Kindt, danste op duivelse vergaderingen. Op grond van die bekentenissen, op grond van de bij haar gevonden duivelsmerken, en veronderstellende dat de duivel haar leven heeft ingekort, beslissen de schepenen dat Tanneken in ongewijde aarde zal worden begraven (In feite is zij reeds acht dagen eerder begraven !!!). De proceskosten kunnen op haar goederen worden verhaald, maar ook op die van haar echtgenoot Thomas van der Meulen, die borg voor haar stond. Dit laatste is uiteraard belangrijk voor baljuw Meganck die samen met grif­ fier Peers het hardst aan dit proces heeft gewerkt, en dus ook meest finan­ cieel gewin uit dit proces wenst te halen. Reeds de dag nadien (12 juni 1603) laat hij Thomas van der Meulen dagvaarden voor de schepenen van Gottem teneinde op de zitting van 16 juni 1603 tegen hem, als Tannekens borg, de proceskosten te laten vastleggen (136). Op die zitting van 16 juni 1603 vraagt Thomas van der Meulen, onder voorbehoud van appel tegen het vonnis van 11 juni 1611 en een mogelijke klacht wegens ambtsmisbruik tegen baljuw Meganck, een afschrift van de staat van de proceskosten. Baljuw Meganck verzet zich hiertegen : ‘Zolang Thomas het bedrag van de proceskosten niet tot zekerheid op de griffie heeft gestort, mag hij geen afschrift krijgen.’. De Gottemse schepenen vol­ gen baljuw Meganck in zijn betoog. Nog op diezelfde dag (16 juni 1603) beslissen zij dat Thomas geen afschrift van de onkostenstaat verkrijgt zolang hij de proceskosten niet op de griffie heeft ghenamptieert. Hij mag de onkostenstaat wel persoonlijk komen inkijken op de griffie ( 137), maar de arme man kan niet eens lezen of schrijven, laat staan sommen exact uit­ rekenen. De dag nadien (17 oktober 1603) dient Thomas van der Meulen bij de 122


Raad van Vlaanderen een verzoekschrift in tot reformatie (138) van de vonnissen van 11 en 16 oktober 1603 en van alle andere tussenvonnissen die tegen Tanneken zijn gewezen (139). Vresende dat baljuw Meganck hem uit wraak ook wel eens voor toverij zou kunnen vervolgen (140), dient Thomas bij de Raad terzelfdertijd een tweede verzoekschrift in waar­ in hij vraagt te bepalen dat baljuw Hubrecht hem, hangende het reformatieberoep, strafrechtelijk alleen voor de Raad kan vervolgen (141). Een bode (messagier) van de Raad van Vlaanderen betekent op 19 juni 1603 beide verzoekschriften aan baljuw Meganck en de Gottemse schepe­ nen. Maar in de tussenliggende dag (18 juni 1603) heeft baljuw Meganck Thomas opnieuw laten dagvaarden voor de Gottemse schepenen teneinde de kosten van Tannekens proces vast te leggen (142). Thomas reageert tegen die dagvaarding met een derde verzoekschrift van dezelfde datum (18 juni 1603) waarbij hij de Raad verzoekt om, hangende het reformatieberoep, alle procedures te schorsen die baljuw Meganck tegen hem voor de Gottemse schepenbank heeft ingesteld (143). Dit verzoekschrift wordt eveneens op 19 juni 1603 betekend. Het antwoord van baljuw Meganck en de Gottemse schepenen op het reformatieberoep is niet bewaard gebleven. Uit Thomas van der Meulens repliek op dit antwoord weten wij dat baljuw Meganck en de Gottemse schepenen hierin wel erkennen dat hun vonnis van 11 juni 1603 onrecht­ matig werd gewezen en dat zij de betaling van de kosten van Tannekens proces nog louter baseren op Tannekens vrijwillige ter purgestelling en Thomas borgstelling dd. 16 oktober 1602 (144). Baljuw Megancks antwoord op Thomas tweede en derde verzoekschrift is daarentegen wel bewaard gebleven. Het wordt bij de Raad ingediend op 4 augustus 1603. ‘In de zaak tegen Tanneken Sconynxc, heb ik alleen mijn plicht als gerechtsofficier vervuld’, schrijft baljuw Meganck. ‘Haar aan­ houding, opsluiting, verhoor, visitatie, pijniging en begrafenis in ongewij­ de grond zijn telkens gebeurd krachtens een vonnis en na advies van rechtsgeleerden. Thomas bewering dat ik in Tannekens proces louter han­ delde uit wraak en winstbejag, beschouw ik als een persoonlijke beledi­ ging waarvoor ik eerherstel voor het hof eis (145)’. Over Thomas van der Meulen schrijft baljuw Meganck in dit antwoord het volgende : ‘Thomas gaat zo goed als nooit naar de mis. Hij nuttigt bijna nooit de communnie en slaapt zowat dagelijks bij een jonge meid die hij bovendien regelmatig aan zijn zonen uitleent. Hij houdt er ook allerlei bij­ gelovige praktijken op na zoals het meedragen van verdachte poeders gewikkeld in briefjes met geheimzinnige tekens.’ Ten bewijze van dit alles legt baljuw Meganck een informatie préparatoire van 18 juni 1603 voor

123


Pijniging met de driepikkel (Anonieme Italiaanse tekening van ca. 1600).

124


waarin vier getuigen (Roelant van Dale uit Olsene, Josyne Raes en de eer­ der genoemden Pieter van den Heede en François de Meijere) verklaren dat Thomas vijf jaar geleden een beurs bij zich had met daarin een poeder, dat eruitzag als verpulverde Spaanse vliegen en gewikkeld was in twee perkamenten briefjes met geheimzinnige karakters (146). Om al deze rede­ nen vraagt baljuw Meganck dat hij Thomas onbeperkt mag blijven vervol­ gen voor de Gottemse schepenen. Thomas’ repliek op zowel het eerste als het tweede antwoord is bewaard gebleven. Beide worden op 18 september 1603 bij de Raad van Vlaanderen ingediend (147). In zijn eerste repliek (148) wijst Thomas vooreerst op volgende procedu­ refouten in Tannekens proces : 1° De schepenbank van de heerlijkheid Ter Beke was onbevoegd daar hij noch ten tijde van Tannekens aanhouding, noch daarna de rechtbank van Tannekens woonplaats was (149). 2° Tannekens aanhouding geschiedde onrechtmatig daar zij plaatsvond in de westelijke kamer van de herberg van François van der Plancke. Deze kamer ligt niet op de heerlijkheid Ter Beke maar op een heer­ lijkheid van de heer van Pamele. 3° Tanneken is aangehouden zonder voorafgaande informatie préparatoi­ re en zonder voorafgaand bevel van de schepenen (150). 4° De heer van de heerlijkheid Ter Beke is niet bevoegd voor dergelijke halsmisdrijven en de bijstand van het leenhof van Tielt kan dit niet goed maken. 5° Tanneken heeft haar misdrijf nooit bekend. Indien zij dit wel deed, gebeurde dit onder druk van de onmenselijke tortuur die op haar is toe­ gepast. Buiten de tortuur heeft zij die bekentenissen niet bevestigd (151). 6° De tweede pijniging geschiedde zonder dat er sprake was van een nieuwe aanwijzing (152). 7° Indien Tanneken iets heeft bekend tijdens deze tweede pijniging, dan heeft zij dit geenszins herhaald 24 uren nadat zij van de pijnbank is verlost (153). Die bekentenis is derhalve van nul en generlei waarde. 8° De tortuur is bij Tanneken buitenmatig toegepast. Zij duurde veel te lang en de cumulatie van twee folterinstrumenten (de halsband gecom­ bineerd met de driepoot) was veel te zwaar. 9° De beslissing van de schepenen om Tanneken in ongewijde grond te begraven gebeurde zonder advies van advokaten bij de Raad van Vlaanderen. Een dergelijke beslissing kan trouwens maar ten aanzien van een levende persoon, niet ten aanzien van een lijk genomen wor­ den. De baljuw en schepenen van Gottem geven dit overigens zelf toe 125


in hun antwoord. Om al deze redenen en elk van hen afzonderlijk vraagt Thomas van der Meulen dat de Raad van Vlaanderen het vonnis van 11 en 16 juni 1603 zou vernietigen en radikaal uit de gerechtsregisters zou schrappen. Meteen vervalt ook de rechtsgrond van baljuw Meganck om Thomas de kosten van Tannekens proces, die door excessieve tafelkosten tot duizend gulden oplo­ pen ( 154), te doen betalen. Om deze proceskosten betaald te krijgen beroepen baljuw Meganck en de schepenen van Gottem zich volgens Thomas van der Meulen tevergeefs op Tannekens ter purgestelling van 16 oktober 1603. Deze ter purgestelling is nietig omdat baljuw Meganck Tanneken en Thomas heeft bedrogen bij deze rechtshandeling, omdat Tanneken en Thomas terstond van deze rechtshandeling afstand hebben gedaan en omdat Tanneken niet werd aan­ gehouden op 16 oktober 1603. Thomas van der Meulen concludeert in deze eerste repliek dan ook als volgt : 1° Alle vonnissen gewezen te Gottem ten aanzien van Tanneken Sconyncx moeten worden nietig verklaard. 2° De schepenen van Gottem moeten in het openbaar verklaren dat zij ten onrechte in hun vonnis hebben gesteld dat er bij Tanneken duivelsmerken werden gevonden en dat de duivel haar nek heeft gebroken. 3° Tanneken moet op kosten van de magistraat van Gottem worden ont­ graven en in gewijde grond begraven. 4° Aan Thomas en zijn kinderen moet een schadevergoeding worden toe­ gekend voor het verlies van hun moeder. 5° Baljuw Meganck moet voor zijn ambtsmisbruik een passende straf krijgen. 6° Alle proceskosten voor de Raad van Vlaanderen moeten ten laste wor­ den gelegd van de baljuw en de schepenen van de heerlijkheid Ter Beke in Gottem. In een tweede repliek van dezelfde datum (18 september 1603) (155) ont­ kent Thomas van der Meulen alle feiten waarvan baljuw Meganck hem in zijn antwoord van 4 augustus 1603 beschuldigt : ‘Baljuw Meganck zal niet kunnen aantonen dat ik een goddeloze hoereloper ben die zich met magi­ sche praktijken inlaat. Hij zou beter ophouden van mij en mijn gezin voort­ durend te pesten. Zo heeft hij mij op 26 juli 1603 onrechtmatig in Gottem gevangen genomen en ‘s anderendaags op een kruiwagen naar Wakken gevoerd waar ik één dag lang in de kasteelgevangenis werd opgesloten.’ Baljuw Meganck antwoordt op de laatste repliek met een dupliek van 19 november 1603 (156). Hierin herhaalt hij beknopt zijn stellingen uit zijn antwoord van 4 augustus 1603. 126


Uiteindelijk leggen beide partijen hun processtukken met inventaris neer op 4 oktober en 3 november 1604 (157). Hiermee geven zij aan dat zij in beide processen zijn uitgepraat en dat zij de zaak voor eindvonnis overla­ ten aan de Raad van Vlaanderen. Het eindvonnis van de Raad van Vlaanderen is voor beide processen niet bewaard gebleven. Het gerechtsregister met de vonnissen van de Raad van Vlaanderen uit deze periode is spijtig genoeg verloren gegaan (158). Toch staat het zo goed als vast dat Thomas van der Meulen uiteindelijk ten minste het reformatieproces heeft gewonnen. In Tannekens staat van goed die in 1605 en 1609 werd opgemaakt (159), is er immers in het geheel geen sprake van een aanrekening van de kosten van Tannekens proces op haar goederen of die van haar man. Hieruit kan worden afgeleid dat de Raad van Vlaanderen uiteindelijk moet hebben beslist dat de vonnissen van 11 en 16 juni 1603 onrechtmatig werden gewezen en dat Thomas bij­ gevolg de proceskosten in Tannekens proces niet moest betalen. A contra­ rio kan men stellen dat Thomas door de Raad van Vlaanderen naar alle waarschijnlijkheid geen schadevergoeding werd toegekend voor de “gerechtelijke moord” op zijn echtgenote. Indien dit wel het geval ware geweest, dan zou het bedrag in de geciteerde staten van goed zijn opgeno­ men. Wat kunnen wij nu leren uit Tanneken Sconyncxs verhaal ? Vooreerst beantwoordt Tanneken Sconyncx aan het typische slachtoffer van de 16de-17de-eeuwse heksenjacht (160). Zij was een plattelandsvrouw van middelbare leeftijd (161), die slechts over karige financiële middelen beschikte zonder daarom tot de allerarmsten te behoren. Samen met haar man bezat Tannekens vier bunder (ca. 5,34 ha.) grond, een aantal roerende goederen (cateilen) ter waarde van 2389 ponden en 6 schellingen parisis (waaronder twee paarden, zes koeien, vijf varkens en een aantal duiven en kippen (162)). De schulden belopen 1718 ponden en 6 schellingen parisis (163). Wel genoot zij, in tegenstelling met vele andere slachtoffers, nog van de steun en de bescherming van een echtgenoot en drie huwbare zonen. Die laatste waren er volgens baljuw Meganck duidelijk op uit om haar te wreken ( 164). Waarom nu precies Tanneken in Gottem als slachtoffer werd uitgekozen is moeilijk te achterhalen. Volgens de meest recente verklaringen waren de heksen zondebokken waarop de plaatselijke dorpsgemeenschap intense onderlinge spanningen afreageerde. Die spanningen waren een gevolg van: 1°) een versnelde sociale polarisatie binnen de boerensamenleving, ver­ oorzaakt door een concentratie van de (land)eigendom in de handen van

127


Verbranding van een heks die voordien is kaalgeschoren (Jan Luyken, Het podium der martelaren, Amsterdam, ca. 1700).


een sociaal-economische elite en een verwijding van de culturele kloof tus­ sen deze elite en de gewone bevolking; 2°) de systematische campagne van zowel de katholieke als protestantse kerk om de rurale massa van het “ware” geloof te doordringen, wat een onverbiddellijke strijd tegen seksu­ ele losbandigheid en magische praktijken inhield; 3°) de geleidelijke ver­ sterking van de politieke machtsstructuren, gepaard met de uitbouw van dominantiemechanismen gericht op de centralisatie van de besluitvorming en de oplegging van een nieuw ideologisch model waarin de noties “hiër­ archie, autoriteit en discipline” hoog in het vaandel stonden (165). Of deze spanningen zich ten tijde van Tannekens proces effectief in Gottem hebben voorgedaan, is bij gebrek aan bronnen niet meer te achter­ halen (166). En ook in Tannekens procesdossier zijn er zo goed als geen sporen van te vinden. Zo is er in dit proces weliswaar sprake van buren- en andere ruzies (167), maar in tegenstelling met wat Macfarlane, Thomas en Muchembled (168) voorhouden, zijn die conflicten nooit gebaseerd op de weigering om buren­ hulp te verschaffen, zodat zij ook geen argument opleveren voor een voort­ schrijdende concentratie van de landeigendom. Anderzijds is er in dit proces, in tegenstelling met wat Muchembled beweert (169), geen sprake van een onderscheid tussen een “traditioneel” heksenbeeld bij de aanklagers (=getuigen) en aangeklaagde (=Tanneken) enerzijds en een “demonologisch” heksenbeeld bij de -uit de sociaal-eco­ nomische elite gerecruteerde- Gottemse en Tieltse magistraat anderzijds. Beide groepen leven duidelijk in éénzelfde magisch-religieuze leefwereld waarin de heks wordt gezien als diegene die contact heeft met één of meerdere duivels en met hun hulp op bovennatuurlijke wijze schade kan aanrichten (170). Beide groepen hebben verder geen weet van de demonologische spitsvondigheden die de geleerde literatuur toen omtrent de relaties tussen heks en duivel had uitgewerkt (171 ), en ook de geleerde advokaten bij de Raad van Vlaanderen brengen die elementen niet in Tannekens proces in. Ten slotte zijn er in Tannekens proces ook geen aanwijzingen te vinden omtrent een voortschrijdende concentratie van de politieke besluitvorming en zelfs niet van het contra-reformatorisch tegenoffensief dat de katholieke kerk in die periode zou hebben ondernomen. Zo wordt Tanneken noch door de baljuw, noch door haar aanklagers beticht van een losbandig leven of van het aanwenden van sterk deviante bijgelovige praktijken zoals het raad geven of het helpen met allerlei onttoveringspraktijken bij ziekte van mens en dier. De enige magische praktijk die haar wordt verweten is dat zij op een bepaald ogenblik in het bezit was van een geheimzinnig poeder dat in een papiertje met geheimzinnige tekens was gewikkeld. Maar

129


Tanneken zal in die tijd wel niet de enige geweest zijn die dergelijke (onttoverings ?)middelen bij zich had. Bovendien moet de baljuw erkennen dat zij dit poeder zelf aan de magistraat van Wakken heeft overgemaakt. De ware (collectieve) drijfveren voor Tannekens proces zijn dus niet meer te achterhalen. Wellicht bleven zij beperkt tot de door Tanneken en Thomas zelf aangehaalde (individuele) motieven, namelijk de heb- en wraakzucht van baljuw Meganck en de haat en nijd van enkele geburen zoals Gérard van der Meersch. Tanneken is in ieder geval totaal onschuldig op de pijnbank gestorven. Haar kon zo goed als niets worden verweten. Zij was dus noch een tradi­ tionele noch een demonologische heks, maar het slachtoffer van een machinatie gesteund op ideologische vooroordelen en kleinmenselijk gedrag. Haar proces is één van de zovele gerechtelijke schandalen die men in de loop van de tijden aantreft en wel altijd zal aantreffen. Jos MONBALLYU

130


VOETNOTEN 1 I.Schöck, Hexen heute. Traditioneller Hexenglaube und aktuelle Hexenwelle, Hexenwelte, Frankfurt am Main, 1987, 282-305. 2 Inbreuk op art.496 of 561, 1° Strafwetboek; inbreuk op art.2 en 38 van KB. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde; inbreuk op wet van 30 mei 1892 betreffende het uitoefenen van hypnotisme. Meer hierover bij P.Amou, art. Waarzeggerij, Strafrecht en Strafvordering. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, 1987. 3 De geografie, chronologie en omvang van de heksenjacht worden uitstekend behan­ deld bij J.Delumeau, La peur en Occident, XlVe-XVllle siècles. Une cité assiégée, Parijs, 1978, 350-352; R.Muchembled, La sorcière au village, XVe-XVIIle siècle, Parijs, 1979, 124; H.Soly, De grote heksenjacht in West-Europa - Een voorlopige balans, Volkskunde, 82 (1981), 108. Voor de aanvang van de heksenprocessen in de Nederlanden raadplege men vooral W.De Blécourt, H.De Waardt, Das Vordringen der Zaubereiverfolgungen in die Niederlande. Rhein, Maas und Schelde entlang. Die Anfange der europaischen Hexenverfolgungen, Frankfurt am Main, 1990, 182-216. 4 Over deze pijniging zie J.De Damhouder, Practycke ende handbouck in criminele zaeken, Leuven, 1555, 51 (cap.37), met afbeelding op 56. 5 Over de bedoelingen van het kaalscheren bij heksen zie : T.Penneman, Heksenprocessen in Vlaanderen, inzonderheid in het Land van Waas 1538-1692, Annalen van de Konklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 79 (1976), 21- 22.

6 7 8

9

10

11 12

13

14

Over deze pijniging zie J.De Damhouder, Practycke..., 51, (cap.37-41) met afbeelding op 52. Als reden voor het toedienen van deze urine vermeldt men dat heksen een hekel aan vee hebben. L.Galesloot, Le procès d'une sorcière au village de Casterlé 1565-1571, Messager des Sciences Flistoriques ou Archives des Arts et de la Bibliographie de Belgique, 1869, 342-392. Procesdossier in Brussel, Algemeen Rijksarchief (=ARA), Officie-ftscaal van de Raad van Brabant, portefeuille 1195. “Patient" en “scherp examen" zijn de termen die men gebruikte om de gefolterde en het verhoor tijdens de tortuur aan te duiden. Zie J.De Damhouder, Practycke..., 51-61 (cap.37-41 ). J.Monballyu, De rol van de pijniging in de 16de en 17de eeuwse heksenprocessen, Volkskunde, 82 (1981), 92-94. Zie ook Rijksarchief Gent (=RAG), Raad van Vlaanderen (=RW ) 22181, 22198. Meer hierover bij T.Penneman, Heksenprocessen..., 25. Zie bijv. het vonnis in de zaak Josyne Labyns in Fleestert in 1664 : Rijksarchief Kortrijk (=RAK), Schepenregisters, I, Heestert 1663-1672, f°41r-44r. Dit vonnis is uitgegeven in J.Cannaert, Bijdragen tot het oude strafregt in België, Brussel, 1829, 175-184. Zie bijv. het vonnis van Elisabeth de Bode in Heestert in 1659 : RAK, Schepenregisters, I, Heestert 1644-1662, f°213v-215v. Zie ook verder betreffende de heksenprocessen in Menen. Andere door ons geanalyseerde heksenprocessen zijn te vinden in : Een heks te Waregein in het begin van de 17de eeuw, Jaarboek van de Geschied- en Heemkundige Kring “De Gaverstreke”, 8 (1980), 7-12; Toverij en hekserij te Kortrijk en te Brugge in het jaar 1596, Volkskunde 81 (1980), 183-195; De rol van de pijniging..., 91-101; Een heks op de brandstapel in Ingelmunster in 1607, De Leiegouw, 29 (1987), 365-370; Heksenprocessen in Heestert in de tweede helft van de 17de eeuw, De Leiegouw, 24

131


15

16

17

18 19

20

132

(1982), 165-172; Schadelijke toverij en hekserij te Brugge en te leper in de 15de eeuw, Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis gesticht onder de benaming “Société d’Emulation” te Brugge, 121 (1984), 265-269; Het heksenproces tegen Arnouldyne van Rechem te Deinze in 1599, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe reeks, 41 (1987), 129-148 (ook ver­ schenen in : Bijdragen tot de geschiedenis der stad Deinze, 56 (1989), 129-163); Zelfmoord op aanraden van de duivel. Een merkwaardig vonnis in Sint-Eloois-Vijve in 1601, Jaarboek van de Geschied- en Heemkundige Kring “De Gaverstreke”, 15 (1987), 169-173; De procesvoering in heksenprocessen, toegelicht aan de hand van het geding tegen Cathelyne van den Bulcke te Lier in 1589, Heksen in de Zuidelijke Nederlanden (16de-17de eeuw), Brussel, 1989, 19-36; La théorie sur la sorcellerie chez Wielant et Damhouder, “Houd voet bij stuk”. Xenia iuris historiae G. Van Dievoet oblata, Leuven, 1990, 291-313; Gerechtelijke konkurrentie inzake toverij in de kasselrij Kortrijk tijdens de 17de eeuw. Het proces Pieter de Vroe (1618-1633), De Leiegouw, 35 (1993), 211-227; “Omdat zy compact ghemaeckt heeft met den boosen vyandt". Het heksenproces tegen Elisabeth de Bode in Heestert (1659), De Leiegouw, 36 (1994), (ter perse). In de stukken wordt nu eens de naam van der Meulen dan eens Vermeulen gebruikt. Voor de stamboom en de afstammelingen van Thomas van der Meulen zie E.Warlop, Het wapen van der Meulen. Een speurtocht van Tielt naar Machelen aan de Leie, De Roede van Tielt, 19(1988), 130-155. Een eerste analyse van dit proces is te vinden in J.Monballyu, Machtsmisbruik in hek­ senvervolgingen. Het proces tegen Tanneken Sconyncx te Gottem in 1602-1603, Volkskunde, 82 (1981), 43-68. Meer over deze procesvoering bij J.Monballyu, Het onderscheid tussen de civiele en de criminele en de ordinaire en de extraordinaire strafrechtspleging in het Vlaamse recht van de 16de eeuw, Misdaad, zoen en straf. Aspekten van de middeleeuwse straf­ rechtsgeschiedenis in de Nederlanden, Hilversum, 1991, 120-132. RAG, R W 9199, 9200, 23884. De brief van Filips II van 20 juli 1592, gevolgd door deze van 8 november 1595, een brief van de aartshertogen van 10 april 1606 en twee instructies van de Raad van Vlaanderen van 9 juni 1606 en 22 januari 1608. Al deze brieven zijn uitgegeven : brief van 1592 : Tweeden Placaet-bouck van Vlaendren, Gent, 1629, 35-37; brief van 1595 : RAG, RVV 510, DlSOv-Hlv uitgegeven in L.Gachard, Analectes Belgiques, 1 (1830), 212-213; antwoord van de Raad van Vlaanderen van 2 december 1595 : RAG, R W 510, f°131v-132v, uitgegeven in Messager des sciences historiques, 28 (1850), 382-384; brief van 10 april 1606 : V.Brants, Recueil des ordonnances des Pays-Bas, Régne dAlbert et Isabelle, 1, Brussel, 1909, 286-287; instructie van 9 juni 1606 : Ibidem, 292-293; instructie van 22 januari 1608 : Ibidem, 374-375. Meer over deze Jan David bij L.Geerts-Van Roey, J.Andriessen, Pater Joannes David S.J. (1546-1613), Ons Geestelijk Erf, 30 (1956), 113-155; R.De Man, De eerste Jezuïeten te Kortrijk. Jan David, eerste rector. Zijn geschil met pastoor Jan Coens 1582-1589, Handelingen. Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, 45 (1978), 237-281. In 1602 liet Jan David bij Plantijn in Antwerpen vol­ gend werk verschijnen : “Schildwacht tot seker waerschouwinghe teghen de valsche waerseggers, tooveraers ende derghelijcke ongoddelijckheyt. Met eenen salighen raedt ende remedie daerteghen" voorafgegaan door een “Christeliicken Waerseggher, De principale stucken van t ’Christen Geloof en Leven int cort begrijpende. Met een Rolle der Deugtsaemheyt daer op dienende". Dit laatste werk bevat niet minder dan 100 prachtige kopersneden gevolgd door allerlei volkse spreuken in het Latijn, het Frans en


21

22

23 24

25

het Vlaams. Meer over het kerkelijk optreden tegen waarzeggerij en magie bij J.Laenen, Heksenprocessen, Antwerpen, 1914, 33-36; F.Vanhemelryck, Heksenprocessen in de Nederlanden, Leuven, 1982, 38-39, 48-53; J.Calbrecht, Peter Simonius (1515-1605), Tweede bisschop van leper en zijn strijd tegen tovenaars, Iepers Kwartier, 9 (1973), 26; G.Vandepitte, Van heksen en de boze vijand, Rond de Poldertorens, 22 (1980), 4556, 99-118, 147-178, 23 (1981), 5-16, 135-156, 24 (1982), 127-137; F.Lampaert, Heksenvervolgingen in de kasselrij Veurne, onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG 1981-1982, 33-35. Zie ook het plakkaat van Albert en Isabella van 31 augustus 1608 ter bekrachtiging van sommige punten van de provinciale synode van Mechelen van 1607, art.13-14, V.Brants, Recueil des ordonnances des Pays-Bas, Règne d ’Albert et Isabelle, 1, Brussel, 1909, 392. Meer over het belang van deze centraal-vorstelijke brieven en de daaropvolgende intensiviering van de heksenjacht bij : L.Galesloot, Le proces d'une sorcière..., 349; C. Potvin, Albert et Isabelle, Fragments sur leur Règne, Parijs-Brussel, 1861, 250-257; A.Van Werveke, Tooveraars en Waarzeggers in de XVe en in de XVIe eeuw, Volkskunde, 9 (1896-1897), 121-122; L.Maes, Vijf eeuwen stedelijk strafrecht, Antwerpen, 1947, 198-199; F.Vanhemelryck, Heksenprocessen..., 38-56. Voorde hek­ senjacht in het graafschap Vlaanderen in deze periode (met uitzondering van deze in de kasselrij Kortrijk) zie : J.Cannaert, Olim. Procès des sorcières en Belgique sous Philippe II et Ie gouvernement des Archiducs, Gent, 1847, 44-51, 57-60; E.Van den Bussche, Analectes pour servir à l ’histoire de la sorcellerie en Flandre, La Flandre, 7 (1875), 319-330; Vlaamsche Kronyk, uitg. C.Piot, Chroniques de Brabant et de Flandre, (Koninklijke Commissie voor Geschiedenis. Publicaties in 4°), Brussel, 1879, 756, 805-807, 808-809, 832, 836-840; I.Diegerick, Mélanges pour servir à l’histoire des moeurs, des usages, des faits, des hommes de la littérature et des arts, de la ville d ’Ypres et de l’ancienne West-Flandre. II. A propos de sorcières, Annales de la société historique et archéologique et littéraire d’Ypres, 7 (1876), 372-380; J.De Smet, Tooverheksen in het Noordvrije. 1610, Biekorf, 47 (1946), 145-150; A. V[iaene], Een heksenproces te Nieuwpoort in 1611, Biekorf, 50 (1949), 64-67; K. Maddens, Heksen op de brandstapel te leper. 1593, Biekorf, 61 (1960), 75-78; M.Coornaert, Over orde handhaven in het Brugse Vrije, Rond de Poldertorens, 10 (1968), 139-140; G.De Cuyper, Een heksenproces te Veurne op 10 februari 1616 ten laste van Bette Blaere, Jubileumuitgave "Bachten de Kupe" 15 jaar, Nieuwpoort, 1974, 46-72; M.Eerens, Toverij in de stad Gent en in de kasselrij van de Oudburg tijdens het laatste kwartaal van de 16de en de eerste helft van de 17de eeuw (1570-1650), onuitgegeven licenti­ aatsverhandeling RUG 1978; R.Castelain, Een heksenproces te Anzegem (1603), Jaarboek van de Geschied- en fJeemkundige kring “De Gaverstreke", 10 (1982), 6569; F.Lampaert, Heksenvervolging..., 41-43; T.Penneman, Heksenprocessen..., 41-45; D. Vanysacker, Hekserij in Brugge. De magische leefwereld van een stadsbevolking 16de-17de eeuw, Brugge, 1987, 76-77; W.Braekman, Heksen uit Ninove en Pollare in 1595 voor het gerecht, Volkskunde, 90 (1991), 1-33; P.Huys, Een toverijproces in Geluwe (1615), Cultuurhistorische caleidoscoop aangeboden aan prof. dr. W.L. Braekman, Gent, 1992, 241-255. K.Pattyn, Heksenprocessen voor de Kortrijkse schepenbank (XVIde-XVIIde eeuw), onuitgegeven licentiaatsverhandeling KUL 1987, 185-188. Het procesdossier in deze zaak is bewaard gebleven : RAK, Oud stadsarchief (=OSAK) 963A. Zie ook RAK, OSAK 1007ter, f°201r, 203r, 2049, f°35v; ARA, Rekenkamer, Acquiten van Rijsel portefeuille 63. Willem van Ryckeghem was goed bevriend met de eerder genoemde Jezuïet Jan David

133


26

27 28 29 30 31 32 33 34 35 36

37 38 39 40 41 42 43 44

134

en een hardnekkige verdediger van het zuivere katholieke geloof : R.De Man, De eer­ ste Jezuïeten te Kortrijk..., 254. Verslag van 3 december 1596 in RAK, OSAK 963A. In datzelfde jaar weigeren de Menense schepenen om Anna de Clerck aan de beul van Kortrijk over te leveren. Zij vinden dat hij te onervaren is en ontbieden Laurens van Neste, de stadsbeul van leper: ARA, R K 14271, Baljuwsrek. Menen 1595-1598, f°13r. ARA, Rekenkamer (=RK) 14271, Baljuwsrek. Menen 1595-1598, f°12r-14v. Dit blijkt uit volgende tekst : “purgé par torture la callenge prinse allencontre delle...”: ARA, RK 14271, Baljuwsrek. Menen 1595-1598, f°15v. ARA, RK 14271, Baljuwsrek. Menen 1595-1598, f°15r-16r ARA, RK 14271, Baljuwsrek. Menen 1607-1609, f°9r. ARA, RK 14271, Baljuwsrek. Menen 1609-1612, f°llv-12v. ARA, RK 14271, Baljuwsrek. Menen 1609-1612, f°12v-13r. ARA, RK 14271, Baljuwsrek. Menen 1609-1612, f°17r. J.Monballyu, Het heksenproces tegen Arnouldyne van Rechem..., 129-148. ARA, RK 14234, Baljuwsrek. Harelbeke 1600-1606, f°8r-8v. ARA, RK 14234, Baljuwsrek. Harelbeke 1600-1606, f°8v, 16r. Zie ook RAG, Olsene 5. Volgens een door Cannaert geciteerde, maar ons onbekende kroniek was Christine (Keste) Kindt de vrouw van een wagenmaker en geschiedde haar verbranding in 1603: J.Cannaert, Bijdragen tot het oude strafregt..., 194-195 (voetnoot). Dit klopt met de gegevens in Tanneken Sconyncx proces. In het eindvonnis van 11 juni 1603 is er spra­ ke dat zij met "Kerstyne” van Harelbeke op de sabbat is geweest : ARA, R W 23884, f°141r. ARA, RK 14234, Baljuwsrek. Harelbeke 1600-1606, f°8v. RAG, Olsene 5. J.Monballyu, Een heks op de brandstapel in Ingelmunster..., 365-370. RAG, R W 23884, P42r. Deze Peronne du Puys was niet alleen in Rijsel, maar in 1594 ook in Kortrijk op ver­ denking van hekserij verbannen : K.Pattyn, Heksenprocessen..., 363. RAG, R W 23884, f°43r. RAG, R W 23884, f°45r-45v. Onder het “ter purge stellen” verstaat men in die tijd een procedure waarbij diegene die door de goegemeente voor een bepaald misdrijf (bijv. diefstal, doodslag of toverij) wordt nagewezen, zich van deze verdachtmaking en achterklap kan zuiveren. De ver­ zoeker geeft zichzelf bij het gerecht gevangen. Hij of zij vraagt aan de plaatselijke bal­ juw om al wie tegen hem of haar iets weet in te brengen bij openbaar kerkgebod te dagvaarden op een bepaalde rechtsdag. Deze openbare dagvaarding wordt driemaal na elkaar herhaald. De “purge" wordt toegestaan indien er niemand op één van de drie opeenvolgende rechtsdagen verschijnt of indien de klagers bij gebrek aan bewijzen worden afgewezen. Op straffe van eerroof mag niemand meer de verzoeker van het “ter purge" gebrachte misdrijf betichten. De “purgatie legale" (cfr. P.Wielant, Practijcke criminele, uitg. A.Orts, Gent, 1872, 68, cap.44, J.De Damhouder, Practycke... , 64-66, cap.45) mag niet verward worden met de de kanonieke zuivering (“canonijcke purgatie”) (cfr. P.Wielant, Practijcke..., 67, cap.43; J.De Damhouder, Practycke..., 64, cap.44), zoals verkeerdelijk wordt gedaan in E.Aerts, R.Doms, M.Wynants, Diverse aspecten van het hekserijverschijnsel. Heksen in de Zuidelijke Nederlanden (16de-17de eeuw), Brussel, 1989, 96-97. De kanonieke zuivering is niets anders dan het bewijs van zijn onschuld met eedhelpers. Meer over deze laatste zuiveringsprocedure bij R.Van Caenegem, Geschiedenis van het strafprocesrecht in Vlaanderen van de Xle eeuw tot de XlVe eeuw, (Verhandelingen van de Koninklijke


45

46

47 48 49

50 51

52

53

54

55

Vlaamse Academie voor Wetenszchappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 24), Brussel, 1956, 147-164; C.Vleeschouwers, M.Van Melkebeek, Liber sentenciarum van de officialiteit van Brussel 1448-1459. Tekst en inleiding. (Verzameling van de oude rechtspraak in België, zevende reeks), Brussel, 1983, II, 752-753 nr.l 192, 758-759 nr.1203. RAG, R W 23884, f°74r-74v. In Gottem lagen er meerdere heerlijkheden. De heer­ lijkheid Ter Beke ressorteerde in 1603 onder het leenhof van Tielt. Bij Ter Beke hoor­ de de hoge, middele en lage justitie die in naam van de plaatselijke heer (François van Sicleers) werd uitgeoefend door een baljuw, een schepenbank en een leenhof. In de schepenbank en het leenhof zetelden dezelfde personen. De heerlijkheid bezat ook een eigen griffier. G.Gesquiere, De Roede van Tielt. Kasselrij Kortrijk (XlVde eeuw-1502). Heerlijkheden en lenen gehouden van het kasteel van Kortrijk en leenhof van Tielt. onuitgegeven licentiaatsverhandeling KUL 1982, 70-71. 188, 285. Zie RAG. R W 23884, f°14r (art.5-6) waar Tanneken duidelijk stelt dat zij niet op Ter Beke woont. Dit wil niet noodzakelijk zeggen dat de schepenbank van Ter Beke onbe­ voegd was om haar te veroordelen. Volgens het toenmalige strafrecht waren er drie rechters bevoegd om kennis te nemen van een strafzaak : de rechter van woonplaats van de delinkwent, de rechter van de plaats waar het delict was gepleegd en de rechter van de plaats waar de delinkwent werd aangehouden (J.De Damhouder, Practycke.... 33, cap.22). De baljuw en schepenen deden derhalve beroep op deze derde bevoegdheidsregel (“Ubi te invenio, ibi te punio”). Deze regel was trouwens voorgeschreven als voorrangsregel voor zware misdrijven zoals ketterij (en toverij) : Ordonnantie ende Placcaert raeckende de Criminele ende Civile Justitie (9 juli 1570). art.75-77. Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck van Vlaenderen. Gent. 1763, 199-200. F.Vanhemelryck, Heksenprocessen..., 60-65. De pastoor vroeg 20 schellingen parisis. Tanneken bood hem er slechts 10 aan : RAG, R W 23884, f°96v. In geen enkel ander heksenproces vonden wij een dergelijke “visitatie" terug. Wel geloofde men soms in andersoortige heksenkenners : zie bij J.Proost, Les tribunaux ecclésiastiques en Belgique, Brussel, 1872. 82, die verwijst naar de brief van de bisschop van Doornik van 13 juni 1590 die verbiedt om heksen verder te laten aandui­ den door een meisje dat zelf een heks was geweest. Over deze “visitatie” zijn er gegevens te vinden in volgende processtukken : RAG, R W 23884, f°l lr-11v, 53r-55v, 84r-87r, 96r-100r, 109r, 113r-116r, 122v. Zie verder bij de bespreking van het briefje met haar naam erop dat niet wilde branden, het verhaal over de uilen die tijdens de visitatie in de kerk rondvlogen en de seksuele betrekkingen met de pastoor Raede. Aanvankelijk had pastoor Raede Tanneken gevraagd om haar echtgenoot Thomas niets te vertellen over het voorgenomen onderzoek. Maar Tanneken had niet kunnen zwijgen en Thomas was de pastoor uiteindelijk zelf gaan vragen dat het onderzoek zou plaatsvinden : RAG, R W 23884, f 96r-96v. Dat Tanneken haar dochter meeneemt is niet verwonderlijk. Men geloofde namelijk dat hekserij van moeder op dochter overging. Tanneken wou haar kind derhalve vrij­ waren van wat zij zelf meemaakte. Dit is een merk die de duivel aan de heks geeft tijdens de bijslaap. Het is onuitwis­ baar en kan volgens de demonologie gemakkelijk herkend worden door er een lange naald in te steken. Indien de van hekserij verdachte persoon niets voelt of wanneer er geen bloed uit de wonde vloeit, handelt het om een duivelsmerk. RAG, R W 23884, f°llv (art. 16), 22v (art.33). De "attestatie” zelf is uit het proces­ dossier verdwenen.

135


56 57 58 59 60

61 62 63 64 65

66 67 68 69 70 71 72 73

74 75

76

77 78 79

Proces wegens “iniurien". RAG, R W 23884, f°32r-32v. Zie haar antwoord omtrent de beschuldiging van Josyne Salens in RAG, R W 23884, f°108r. Zie hoger. Boudewijn Waelspeck was niet alleen actief in de heksenprocessen in het Gentse maar ook tijdens heksenprocessen in de stad Kortrijk (J.Monballyu, Een heks te Waregem..., 11-12). Hij stond ook in voor de pijniging en executie van Josyne Salens in Wakken. Peronne is een rondzwervende vreemde en kent dus naar alle waarschijnlijkheid Tanneken niet. RAG, R W 23884, f°44r. RAG, R W 9199, f°19r. Wat hij daar precies kwam doen is niet duidelijk. Dit verhaal is hoofdzakelijk gebaseerd op Tannekens antwoord dd. 20.01.1603 (RAG, R W 23884, f°2r-4v), haar dupliek dd. 09.04.1603 (RAG, RVV 23884, f°8r-9r) aan­ gevuld met de akte van de “ter purge stelling” dd. 17.10.1602 (RAG, RVV 23884, f°74r), de getuigschriften van advokaat Jan Fabry, Jan Blondeel en Laurens van Betsbrugge dd. 13.01.1603 (RAG, RW 23884, f°30r-31r) en RAG, RW 9199, f°19r21r. Tanneken moet dus op één of andere wijze familie van hem zijn geweest. Kerkgebod : openbare afroeping aan of in de kerk. Zie P.Wielant, Practijcke criminele, 67-68, cap.44 en Tannekens antwoord in RAG, R W 23884, f°3v. RAG, R W 23884, P72r-73v. RAG, R W 23884, f°72r (attest dd. 23.07.1603). RAG, R W 23884, f°39r. RAG, R W 23884, f°39r. Hiermee bedoelt men een vooronderzoek waarin twee rechters-commissarissen nagaan of er al dan niet een misdrijf is gepleegd en of er vermoedens van schuld (aanwijzin­ gen) tegen een bepaalde persoon bestaan. Alle personen die rechtstreeks (“de visu et auditu”) of onrechtstreeks (van horen zeggen) iets van het bestaan van het misdrijf en/of de schuld van de dader afweten, worden op bevel van de rechters-commissaris­ sen gedagvaard en door hen onder eed verhoord. Hun verklaringen worden opgete­ kend in een proces-verbaal dat wordt meegedeeld aan de volledige rechtbank. Op grond hiervan beslist de rechtbank of iemand moet worden aangehouden of worden gedagvaard. De aanhouding of de dagvaarding maakt dan de criminele zaak aanhangig bij de strafrechtbank. J.De Damhouder, Practycke..., 8-14, cap.8-!2. RAG, R W 23884, f°46r-52r. Volgens Tannekens dupliek (RAG, R W 23884, f°10r-10v (art.10)) is Marijn Karrebrouck een oneerbare getuige daar hij reeds in Gent wegens het uiten van valse beschuldigingen is gegeseld en uit Vlaanderen verbannen. Het herkennen van heksen aan hun ogen komt ook voor in het proces van Katelijne Strubbe in Hondschote in 1660. Jan Moerman, beul van Duinkerke, verklaart dat hij in hun ogen stralen zag alsof er kaarsjes in branden : RAG, RW 22181, f°34r. RAG, R W 23884, f°109r-109v. RAG, R W 23884, f°41r. Waarom de leenmannen van Tielt hier precies tusssenkomen is ons niet duidelijk. Men deed er waarschijnlijk beroep op omdat men wist dat een heksenproces één van de moeilijkste processen was. De heerlijkheid Ter Beke in Gottem werd gehouden van het leenhof van Tielt.

136


80 81 82 83

84 85 86 87 88

89 90 91

92 93 94 95 96 97

98

99 100 101

102 103 104 105 106 107 108

RAG, R W 23884, f°108r. François Bossier en Malabijs RAG, R W 23884, f°71r. De Tieltse gevangenis, genoemd 'cipirage' of 'blockkot', bevond zich sinds 1579 onmiddellijk achter het Vleeshuis, dat gelegen was op de hoek van de St.-Janstraat en Hoogstraat. (Opzoekingen Frans Hollevoet). RAG, R W 23884, f°70r-70v. RAG, R W 23884, f°75r-76v. RAG, R W 23884, f°2r-7v. Gérard van der Meersch was waarschijnlijk herbergier. Alleen de attestatie van Arent Willemijns, onderaan bevestigd door Gérard van der Meersch, is bewaard gebleven : RAG, R W 23884, f >57r. De andere “attestaties” zijn verloren gegaan. Wij hebben ze gereconstrueerd aan de hand van de verder te bespre­ ken “informatie ordinaire” (RAG, RVV 23884, f°90r-92v). De datum (14 januari 1603) haalden wij ook uit de verklaring van Arent Willemijns en Pieter van der Moere. RAG, R W 23884, f°53r-55v. Gérard is zijn pijnlijke nederlaag in het smaadproces met Tanneken Sconyncx van het jaar voordien nog duidelijk niet vergeten. Deze “attestaties” zijn verloren gegaan, maar hun inhoud is te reconstrueren aan de hand van de “informatie ordinaire” (RAG, R W 23884, f°88r-90r). Over de datum (29 januari 1603) zie de verklaring van Joos de Lansheere in de “informatie ordinai­ re”. RAG, R W 23884, f°33r (Antoon de Vuldere, Gillis Stalens, François Bossier, Ampleunis Martens en van Marcke). RAG, R W 23884, P96r-107r. RAG, R W 23884, f°62r-69v. Dit laatste feit kwam waarschijnlijk reeds voor in de oorspronkelijke verloren gegane verklaring van Karel Adams, alias de Burggrave, dd. 29.01.1603. RAG, R W 23884, f°8r-12v. Tanneken zegt ondermeer dat zij zonder voorafgaande “informatie” en zonder bevel van de schepenen werd aangehouden (RAG, RVV 23884, f°9r (art.5-6)). Zoals eerder aangegeven klopt dit niet met de realiteit. De confrontatie was evenwel volgens het Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.21, Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck..., 157, geen verplichte procedurefaze. De rechter oordeelde vrij over het al dan niet aanwenden ervan. RAG, R W 23884, f°37r-38r, 56r, 80r-95r. In andere bronnen meestal het “recollement” genoemd. Als bewijs kunnen alleen de verklaringen van de getuigen worden ingeroepen die tij­ dens een dergelijk “recollement” zijn verhoord : Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.21, Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck..., 157. Dit is in overeenstemming met het Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.23, Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck..., 157-158. RAG, R W 23884, f°13r-29r. Vierkante kooi ? RAG, R W 23884, f°58r-61bis r. Ook Josyne Salens en Keste, haar nicht uit Harelbeke, waren op de sabbat aanwezig : RAG, R W 23884, f°45v. Over die Keste (=Christine Kindt) zie hoger. RAG, R W 23884, f°45r-45v (uittreksel uit het proces-verbaal van haar bekentenissen voor de schepenen van Wakken). J.De Damhouder, Practycke..., 283, cap. 149.

137


109 RAG, RVV 23884, f°36r (Malabijs, Ampleunis Martens, Antoon de Vuldere, van Marcke en Roodt). 110 RAG, RVV 23884, f°l lOr. 111 RAG, R W 23884, f°l 10r-l lOv. De wijze waarop dit onderzoek plaatsvindt wordt niet meegedeeld. Klassiek gebeurde dit door met een lange naald iedere huidvervorming, huidverkleuring, wrat of moedervlekje te doorprikken. Voelt de verdachte niets of vloeit er geen bloed uit, dan handelt het om een duivelsmerk. 112 RAG, R W 23884, f°l lOv. 113 T.Maes, Vijf eeuwen stedelijk strafrecht..., 141. 114 Over het verloop van de pijniging met de halsband vindt men details in RAG, RVV 23884, f°110v, 130r, 139r. In dat laatste stuk wordt Tannekens pijnigingals volgt omschreven : “Zo zat zou op een leenstoel met haer handen tsamen gebonden op haren schoot, ongebonden aan benen ofte voeten dan hadde an zekeren instrument van eenen halsbant gevesticht met 4 coorden an dyversche quartyren van de mueren”. 115 RAG, RVV 9199, f°26v : “het cruelste torment dat men jeghens een vrauwe zoude kunnen excogiteren”. 116 RAG, R W 23884, Dl 1lr-124r. 117 RAG, RVV 23884, P125r. 118 RAG, R W 23884, f°126r. 119 RAG, RVV 23884, f°127r. 120 J.De Damhouder, Practycke..., 59-60, cap.39; Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.40, Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck..., 161. 121 J.De Damhouder, Practycke..., 55-59, cap.38; Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.41, Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck..., 161. 122 RAG, RVV23884, Dl28r-128v. 123 RAG, R W 23884, f°129r-134v. 124 RAG, RVV 23884, f°135r. 125 Volgens Thomas van der Meulen bleef Tanneken tot twee uur in de namiddag in de halsband en werd zij er dood uitgehaald : RAG, R W 9199, f°27. 126 RAG, R W 23884, f°134v. Of die vrouwen ook zijn vervolgd is niet bekend. 127 RAG, RVV 23884, f°138r-138v. 128 RAG, R W 23884, f°136r. 129 RAG, RVV 23884, f°139r. 130 RAG, RVV 23884, f°35r (Malabijs, Bossier, van Marcke en Roodt). 131 RAG, RVV 23884, f° 137r. 132 RAG, R W 23884, f°137v. 133 RAG, R W 23884, f°34r (Malabijs en Bossier). 134 RAG, RW 9199, f°8r, 23884, P34v. 135 RAG, RVV 23884, f°140r-142r. 136 RAG, RW 9199, f°3r. 137 RAG, R W 9199, f°6r-7r, 21 r. 138 RAG, R W 9199, PI9r-22r. 139 “Biddende midsdien den hove believe hem te verleenen commissie van reformatie in forma zo van tvoorn. vanghen, pijnen, steken in onghewijde eerde, sententien van den Xlden als XVIden junij hiervoren verhaelt”, RAG, RVV 9199, P22r. 140 “ende par avonture ende waert hem moghelick te dienen van den selve saulse”, RAG, R W 9199, P18r. 141 RAG, RW 9199, P17r-18r. 142 RAG, RVV9199, PlOr. 143 RAG, R W 9199, P9r.

138


144 145 146 147 148 149 150

151 152 153 154 155 156 157 158

159 160

161

162

163

164

RAG, R W 9199, f°28r (art.30). RAG, R W 9200, f°lr-5r. RAG, R W 9200, f° 11 r-12r. RAG, R W 9199, P23r-40r. Procureur is een zekere Helias. RAG, R W 9X99, P23r-35r. Dit argument was irrelevant. Zie hoger. Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.2, art.4, Eerste deel van den vyfden placcaert-boeck..., 154. Zoals hoger aangegeven klopt deze bewering niet met de reali­ teit. Dit argument klopt slechts gedeeltelijk. Zie hoger. Dit argument klopt slechts gedeeltelijk. Zie hoger. Placcaert op de Styl Crimineel (9 juli 1570), art.40, Eerste deel van den vyfden plac­ caert-boeck..., 161, waar er sprake is van een dag na de laatste tortuur. RAG, RVV 9199, f°21v. RAG, R W 9199, f°36r-40v. RAG, R W 9200, f°7r-9r. De dupliek in het eerste reformatieproces, waarnaar in deze dupliek wordt verwezen (P7v) is verloren gegaan. RAG, R W 9199, f°lr-5v, 9200, f°10r. De (korte) sententiën van de Raad van Vlaanderen voor de periode tussen 25 septem­ ber 1604 en 5 januari 1606 zijn verloren gegaan : J.Buntinx, Inventaris van het archief van de Raad van Vlaanderen, I, Gent, 1964, 142. Ook in de registers 7568 tot 7570 zijn de vonnissen van deze zaken niet terug te vinden. RAK, Wezerijregisters 67, Gottem, f°2v. Zie ook losse akte dd. 22.12.1609. H.Soly omschrijft het typische slachtoffer van de heksenjacht tussen 1560 en 1650 als : “een oude, alleenstaande vrouw, die op het platteland leefde, die weinig of geen verwanten had waarop zij kon steunen (omdat zij ongehuwd was gebleven of omdat haar echtgenoot was overleden), dus min of meer geïsoleerd in een samenleving waar familiebanden van primordiaal belang waren, en die slechts over karige financiële middelen beschikte zonder daarom tot de allerarmste te behoren” : H.Soly, De grote heksenjacht..., 106. Over dit typische slachtoffer zie ook : H.Midelfort, Witch Hunting in Southwestern Germany, 1562-1684. The Social and Intellectual Foundations, Stanford, 1972, 178-190; E.Monter, Witchcraft in France and Switzerland. The Borderlands during the Reformation, Ithaca, 1976, 124-128; J.Demos, Entertaining Satan. Witchcraft and the Culture ofEarly New England, New-York, 1982, 84-86. Tanneken zegt zelf in haar “reprochen” van 28 april 1603 dat zij vier huwbare kinde­ ren heeft : RAG, R W 23884, f°27r (art.50). Die kinderen noemen Lieven, Thomas, Jan (alias Hansken) en Tanneken : RAK, Wezerij, Losse staten van goed, Gottem, 67; E.Warlop, Het wapen van der Meulen..., Tabel 1/A. Op 22 december 1609 zijn Lieven en Thomas reeds gehuwd. Tanneken is dit in 1613 : RAK. Wezerij, Losse staten van goed, Gottem, 67 (inleiding). Waarde van de paarden met harnas : 384 ponden parisis; van de koeien (drie koeien, twee kalveren en een “ren fj : 192 ponden parisis; van de varkens (een beer, een zeug en drie biggen) : 7 ponden 4 schellingen parisis; van de duiven en kippen : 18 ponden parisis. Hieronder een reeks proceskosten verschuldigd aan procureur Caseele in Gent als opvolger van procureur Jan van de Velde (18 pond groten of 216 ponden parisis) en de prijs (30 schellingen, 8 denieren groten) van uwettelijcke bewijsen van den greffier Meganck". Zij dreigden dagelijks hem neer te schieten of hem op een andere wijze om het leven te brengen : RAG, RVV 9200, P3v.

139


165 H.Soly, De grote heksenjacht..., 109-127; W.Schieder, Hexenverfolgungen als Gegenstand der Sozialgeschichte, Geschichte und Gesellschaft, 16 (1990), 5-7; P.Kriedte, Die Hexe und ihre Anklager. Zu den lokalen Voraussetzungen in derfrüher Neuzeit - Ein Forschungsbericht, Zeitschrift für Historische Forschung, 14 (1987), 47-71 ; G.Schwerhoff, Rationaliteit im Wahn. Zum gelehrten Diskurs über die Hexen in derfrühen Neuzeit, Saeculum. Jahrbuch für Universalgeschichte, 37 (1986), 45-82. 166 Er zijn voor Gottem uit deze periode geen schepenregisters, heerlijkheids- of parochie rekeningen, staten van goed, enz. meer bewaard gebleven. 167 Bijv. de ruzie tussen Tanneken en Gérard van der Meersch, tussen Tanneken en haar echtgenoot Thomas en tussen Tanneken en haar meid Claesinghen Schooten. Zie hoger bij het relaas van de getuigenverklaringen. 168 A.Macfarlane, Witchcraft in Tudor and Stuart England. A Régional and Comparative Study, Londen, 1970, 211-253. Zie ook K.Thomas, De ondergang van de magische wereld. Godsdienst en magie in Engeland, 1500-1700, Den Haag, 1989, 369-495 (Nederlandse vertaling van : Religion and the Décliné o f Magic. Studies in Popular Beliefs in the Sixteenth- and Seventeenth-Century England, Londen, 1971); R.Muchembled, Satan ou les hommes ? La chasse aux sorcières et ses causes, Prophètes et sorciers dans les Pays-Bas, XVIe-XVIIIe siècle, Parijs, 1978, 30-31; M.Gijswijt-Hofstra, The European witchcraft debzte and the Dutch variant, Social History, 15 (1990), 181-194. 169 R.Muchembled, Satan ou les hommes..., 27-32; R.Muchembled, Sorcières du Cambrésis. L ’acculturation du monde rural aux XVIe et XVIle siècles, Prophètes et sorciers dans les Pays-Bas, XVIe-XVIIIe siècle, Parijs, 1978, 191-199; R.Muchembled, Culture populaire et culture des élites dans la France moderne (XVeXVIIIe siècles). Essai, Parijs, 1978, 287-340. 170 Zie de getuigenverklaringen van Jackijs Adams over zijn nachtelijke ontmoeting met Tanneken, van Karel Adams over het rond vliegend ongedierte, en van Arent Willemijns en Pieter Minnaert over de rat in de gevangenis. Uit haar procesdossier blijkt ook dat Tanneken gelooft in toverij. Zij laat zich belezen door de pastoor van Gottem en door broeder Jan Maes in Gent en is op een bepaald ogenblik in het bezit van een bundeltje perkament met een geheimzinnig poeder. Haar verklaringen over de duivel tijdens haar pijnigingen gaan hoogstwaarschijnlijk terug op haar eigen voorstellingeswijze over de duivel en zijn praktijken. 171 Over dit demonologisch heksenbeeld zie M.Siefener, Hexerei im Spiegel der Rechtstheorie. Das crimen magiae in der Literatur von 1574 bis 1608, Frankfurt am Main, 1992 die de visie van Kramer, Weyer, Daneau, Bodin, Ewich, Binsfeld, Loos, Graminaeus, Remy, Praetorius, Delrio, Boguet en Guazzo uitvoerig behandeld.

Adres van de auteur : J. Monballyu, Koning Boudewijnstraat 156, 8520 Kuurne 140


ALGEMENE ELECTRICITEIT

Eric DEBUSSCHERE

KULTUUR LIGT ONS.

Bruggestraat 43 8700 TIELT Tel. (051) 40 07 15 Fax (05 1 )4 0 73 37

m

BANK VAN ROESELARE JA, UW AANPAK LIGT ONS.

Privaat- en industriële installaties Laagspanningsinstallaties Winkelverlichting

Rouwdienst DHONDT Stationstraat 103 8700 TIELT

Tel. (051) 40 02 27

GH5ELIVE5T ELECTRABEL-0 ME N S ,

MI LIEU

EN E N E R G I E

Kortrijksestraat 86 - 8700 TIELT Tel. (051) 42 31 11


O

Generale Bank


DE ROEDE VAN TIELT

Driemaandelijks heemkundig tijdschrift 25ste jaargang, nr 4 - december 1994 Afgiftekantoor 8700 Tielt


AUTOCARS-REISBUREAU T |! 1 l ij

^

7

DE MEIBLOEM een onderneming die reeds 60 jaar lang met troeven als : VEILIGHEID - KOMFORT - KLASSE U een héél aparte belevenis bezorgt !

© t l IMIIM]®IL®[HMI Tieltstraat 186 - 8740 PITTEM Tel. (051) 40 18 23 - Fax (051) 40 51 93 Kasteelstraat 149 - 8700 TIELT V o o r al u w é é n d a a g s e o f m e e rd a a g s e re iz e n L U X E a u to c a rs • • • •

Binnen- en buitenlandse reizen Van 20 - 40 - 54 - 67 tot 87 plaatsen Cars uitgerust met air-conditioning, video, toilet, bar Aanhangwagen beschikbaar

VERNIEUWEN EN HERSTELLEN VAN

M o d e k le d in g in le e r en d a im

DEL LAG0

ZETELS, SALONS, STOELEN EN ZITBANKEN

B0UCKAERT DANIEL Félix D'hoopstraat 33 8700 TIELT

Félix D'hoopstraat 145 8700 TIELT

Tel. (051) 40 42 30

Tel. (051)40 39 00


DE ROEDE VAN TIEET Heemkundige Kring voor de gemeenten van de vroegere Roede van Tielt, d.i. Aarsele, Dentergem, Egem, Gottem, Kanegem, Lotenhulle, Markegem, Meulebeke, Oeselgem, Oostrozebeke, Pittem, Poeke, Ruiselede, Schuiferskapelle, Sint-Baafs-Vijve, Tielt, Vinkt, Wakken, Wielsbeke, Wingene, Wontergem, Zwevezele. Lid van het Westvlaams Verbond van Kringen voor Heemkunde.

Voorzitter : P. Vandepitte, Driesstraat 7-9, Tielt - (051) 40 17 00 Ondervoorzitter : V. Baert, Oostrozebekestraat 241, Meulebeke - (051) 48 82 98 Sekretaris-penningmeester : Ph. De Gryse, Kastanjelaan 1, Tielt - (051) 40 18 38 Redactie : V. Baert, J. Billiet, Ph. De Gryse, W. Devoldere, Fr. Hollevoet, R. Ostyn, P. Vandepitte

Lidmaatschapsbijdrage : 600 fr., te betalen op rekening 000-0398411-32 van De Roede van Tielt, Kastanjelaan 1, Tielt Verschijnt viermaal per jaar. Er worden geen losse nummers verkocht. Iedere auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van de door hem ingestuurde bijdrage. Bijdragen verschenen in "De Roede van Tielt" mogen slechts overgeno­ men worden met toestemming van de redactie. Kaft : detail van de kaart van het graafschap Vlaanderen door Robert de Vaugondy, zoon, 1762.

INHOUD VAN DIT NUMMER (25ste jgâ&#x20AC;&#x17E; nr4, december 1994) D. Calmeyn, De prehistorische mens op de Pittems-Egemse cuesta Een voorlopig beeld na 5 jaar veldprospectie blz. 142-200 Drukkerij Desmet-Dhondt, Wakken


DE PREHISTORISCHE MENS OP DE PITTEMSEGEMSE CUESTA Een voorlopig beeld na 5 jaar veldprospectie Tot op vandaag was er over de prehistorie van Centraal-West-Vlaanderen, en van Pittem en Egem in het bijzonder, weinig bekend. Nochtans ontdek­ ten zowat een eeuw geleden de Izegemse baron Charles Gillès de Pélichy en de toenmalige Pittemse priester Juliaan Claerhout dat deze regio reeds een paar duizend jaar geleden, meer bepaald tijdens het neolithicum (nieu­ we steentijd) door mensen werd bewoond. Maar hun vondsten, honderden stenen voorwerpen afkomstig van verschillende plaatsen in Pittem en Egem, zijn samen met hun conclusies grotendeels in de vergeethoek geraakt. Een kritische evaluatie van hun verslagen leert bovendien dat ze deze voorwerpen en de vindplaatsen onvoldoende beschreven en dat hun besluiten door de toenmalige stand van de wetenschappelijke kennis beperkt waren. Met uitzondering van Dentergem vormen Pittem, Egem en de omliggende regio nog altijd een bijna onbeschreven blad in de litera­ tuur over de Vlaamse prehistorie. Steeds begaan met het exploreren van het onbekende en het zoeken naar de oorsprong van de dingen, verrichtte ik aanvankelijk onderzoek naar de oorsprong van mijn familie die sinds 1600, waarschijnlijk al sinds 1300, in het Roeselaarse bleek te wonen. Toen ik op het einde van de jaren tach­ tig hierin niet langer vooruitgang boekte, vond ik een nieuwe uitdaging in de regionale geschiedenis. Zo kreeg ik in 1989 aansluiting met de Roeselaarse werkgroep voor archeologie. Sindsdien was ik als veldmedewerker geregeld actief bij de opgraving naar de Gallo-Romeinse land­ bouwnederzetting in Roeselare. Zo kon ik de speurtocht naar mijn voor­ ouders in het Roeselaarse verder zetten. Stilaan geraakte ik gefascineerd door de vroegste geschiedenis van de regio, de prehistorie, een nog grotendeels braakliggend domein. Omdat ik het veldprospectiewerk in Roeselare van amateurarcheoloog Jozef Goderis niet wilde hinderen, begon ik in het voorjaar van 1990 met veldverkenningen, eerder toevallig in de streek van Pittem. De magere vondst van 2 pre­ historische stenen voorwerpen, na uren veldlopen, zette me er toe aan intenser en meer systematisch te gaan prospecteren. Geleidelijk ontwikkelde ik een eigen prospectiemethode : in stroken van ongeveer 2 meter liep ik langzaam en systematisch braakliggende velden af, het liefst na een neerslagrijke periode, hierbij voortdurend geconcen­ treerd turend van links naar rechts. De voorwerpen die ik vond, raapte ik op en bracht ze in kaart. Ik vermeld hier dat de contacten met de landbou­ 142


wers, die me aanvankelijk argwanend bekeken, meestal vlot verliepen. Met de moderne jagers vlotte het helaas al eens minder goed. Sommigen beweerden dat ik het wild wegjoeg. Nochtans, gekleed in een groene regenjekker en met groene laarzen, meen ik dat ik mij in mijn speurtocht naar hun prehistorische voorgangers meer geruisloos gedroeg dan zij. Aanvankelijk selecteerde ik de velden vooral intuïtief, later meer doelge­ richt, steeds rekening houdend met de practische situatie. De eerder vage gegevens van de Pélichy en Claerhout, die ik pas eind 1992 bestudeerde, hebben bij deze selectie nooit een grote rol gespeeld. Zo kwam ik gaande­ weg concentraties van voorwerpen op het spoor. Bij het in kaart brengen, ontdekte ik bovendien stilaan een patroon in de ligging van de verschil­ lende vindplaatsen. Bij de determinatie van de artefacten en de interpreta­ tie van de vindplaatsen liet ik mij inspireren door de studie van vaklitera­ tuur en herhaald overleg met amateurarcheologen Marc Soenen en Robert Putman en gediplomeerde archeologen Reinout Van Acker, Guy Van Der Haegen, Christian Casseyas en Philippe Crombé. Deze mensen wil ik hier­ voor graag bedanken. Nu, na 5 jaar intense veldprospectie in Pittem en Egem - naar schatting meer dan 1000 uren - beschik ik over 9500 prehistorische stenen voorwer­ pen, naast duizenden aardewerkscherven en enkele postmiddeleeuwse munten. De stenen artefacten zijn afkomstig van een 20-tal vindplaatsen, alle te situeren in de buurt van de Pittems-Egemse cuesta (Fig. 1). De rijk­ ste (2000 tot 5000 voorwerpen) vindplaatsen zijn langs de Egemse Baertstraat (Fig. 1.1) en op de Pittemse Nachtegaal (Fig. 1.2) gelegen. Pittem-Turkije (Fig. 1.3), Pittem-Tielt-Hellebos (Fig. 1.4), Pittem-HetHoge (Fig. 1.5), Pittem-Bloting (Fig. 1.6) en Pittem-Berg (Fig. 1.7) lever­ den ook vrij veel (200 tot 1000 stuks) materiaal op. Armere vindplaatsen (30 tot 100 stuks) zijn gelegen op Pittem-Ten-Walle (Fig. 1.8), Pittem-Ter -Espt, Pittem-Dorp, enz. Terloops vermeld ik dat ook de Ardooise Bergmolen (Fig. 1.9) en de Tieltse Bergmolen (Fig. 1.10), de Elshoek (Fig. 1.11), een Tieltse vindplaats nabij Ronseval (Fig. 1.12) en de Poelberg een aantal voorwerpen opleverden. De eruit te distilleren gegevens over de vroegste geschiedenis van Pittem-Egem en de omliggende regio zijn beduidend rijker dan de conclusies van Gillès de Pélichy en Claerhout, wat dan weer niet betekent dat het vraagstuk omtrent de vroegste aanwezig­ heid van de mens in deze regio volledig onthuld wordt. De geschiedenis van de mens is altijd door geografische, geologische en klimatologische factoren bepaald geweest. De eerste mensen in Pittem en Egem ontsnapten hier evenmin aan. Flet ligt dan ook voor de hand dat ik in het eerste hoofdstuk van dit artikel, na een korte geografische beschrijving van de streek, in grove lijnen probeer te schetsen hoe, doorheen de geolo­ 143


gische en klimatologische evolutie, het cuesta-achtig landschap ontstond dat voor de prehistorische mens zoveel aantrekkingskracht zou hebben. Om mijn verder betoog in te kaderen, zie ik me genoodzaakt in het tweede hoofdstuk enkele belangrijke evolutielijnen van de prehistorie en enkele aspecten van prehistorische steenbewerking weer te geven. In het derde en laatste hoofdstuk probeer ik, na enkele kritische bedenkingen omtrent mijn onderzoeksmethode, aan de hand van de prospectiegegevens een voorlo­ pig beeld van de aanwezigheid van de prehistorische mens in Pittem en Egem te schetsen. Gezien mijn veldonderzoek nog steeds aan de gang is, beperk ik me hierbij tot een globaal beeld en deel ik de kadastrale ligging van de vindplaatsen voorlopig nog niet mee. 1. DE PITTEM-EGEMSE CUESTA 1.1 Reliëf, waterlopen en bodemgesteldheid De streek van Pittem en Egem maakt deel uit van het CentraalWestvlaamse plateau dat gelegen is tussen de Vlaamse vallei en de vallei­ en van de Leie en de IJzer. Morfologisch bestaat deze streek overwegend uit een zacht golvend landschap waarvan de heuvels een maximale hoogte van 40 tot 50 meter bereiken. Het meest in het oog springend is de heuvel­ kam die over Egemkapelle, Egemdorp, de Pittemse Nachtegaal, het Pittemse Hellebos en Pittem-Berg loopt (Fig. 1). Deze maakt deel uit van een langgerekte heuvel die van west naar oost over Lichtervelde, BeverenRoeselare, Koolskamp, Egem, Tielt en Aarsele loopt en vroeger aangeduid werd als 'het plateau Lichtervelde-Tielt'. Deze rug verloopt niet steeds regelmatig. Vanaf de Tieltse Bergmolen maakt hij een bocht van 90 gra­ den naar het zuiden (richting Pittem-Hellebos) om vervolgens vanaf Pittem-Berg over Pittem-het Hoge en het Tieltse centrum verder naar het oosten te lopen. Het is de Roeselaarse aardrijkskundige Christ Naert die voor het eerst het cuesta-achtig karakter van deze heuvelrug beschreven heeft. Aan de zuidelijke kant vertoont deze heuvel immers een korte, stei­ le helling (het cuestafront) terwijl de noorderlijke kant uit een langere, langzaam dalende rug (de cuestarug) bestaat. De top van de cuesta wordt de 'kam' genoemd. De cuesta vormt de grens van twee rivierbekkens. Ten noorden van de Egemse cuestakam, op de cuestarug, ontspringen de Ringbeek, de Straatgoedbeek en de Veldekesbeek. Deze zijbeken van de Waardammebeek, ook Rivierbeek genoemd, verzorgen de afwatering naar het noorden maar hebben zich weinig in de cuestarug ingesneden. Ten zuiden van de Egemse en Pittemse cuesta bevindt zich een 'depressie' (de 'depressie van Ardooie' genoemd) die weliswaar enkele 'restheuveltjes' (Ardooie-Bergmolen, Pittemse dorpskom) vertoont. In deze depressie stro144


W ln g e n e

« M T C tfC K V E U JE K E S B È E K S ÏR A A U

Egem

B B E E M E E R S tfE K

bontebeek

b le k e r , j b . s k T l# lt kTBSEK

P it t e m w o te r m a s t beek

b e i le b ro e k b e e k

A rdooie

500m

]+- p a le o ü t h i sch O

m e*© i if b is c h n e o lif b if ic h

DC

1*

Figuur I : Aanduiding van de belangrijkste vindplaatsen van prehistorische artefacten op een topografische en hydrografische schets van Pittem-Egem.

145


men talrijke beken : enerzijds de Waterstraatbeek, de Blekerijbeek, de Kruisbekevijverbeek en de Gaverbeek die samen de Breemeersbeek (Bekkembeek) vormen en anderzijds de Kaanhoekbeek, de Bontebeek en de Paardenbeek die in de Zwartegatbeek samenvloeien. Al deze beken ont­ springen op een hoogte van 30 à 35 meter aan de voet van het cuestafront (waarop ze loodrecht georiënteerd zijn) en vormen ten zuiden van de Pittemse dorpskom samen de Devebeek. Deze beek is, zoals de Onledebeek, de Krommebeek en de Roobeek, loodrecht georiënteerd op de Mandei waarvan ze een zijrivier is. De cuesta vormt tevens de bodemkundige grens tussen de zandstreek en de zandleemstreek. Terwijl Pittem overwegend een zandlemige bodem heeft, behoort het noorden van Egem nog tot de weinig vruchtbare zand­ streek. Het ontstaan van de 'Pittemse depressie', waardoor zowel de cuesta als enkele kleine rest- of getuigenheuveltjes in deze depressie in reliëf kwa­ men liggen, is het gevolg van erosie, vnl. door de vroegere Devebeek en haar zijbeken. Zowel de cuesta als de restheuvels zijn getuigen van het vroegere oppervlak dat in zijn geheel hoger gelegen was. Omdat de bodem er uit harder (kleiachtig) materiaal bestond, vond er weinig bodemerosie plaats en bleven deze plaatsen als reliëfvorm in het landschap uitsteken. Om het ontstaansproces van het lokale landschap en de bodem te verdui­ delijken, schets ik kort de geologische evolutie van West-Vlaanderen. 1.2. De vorming van het huidig landschap en de bodem 350 miljoen jaar geleden, tijdens het zgn. primair tijdperk, lag Vlaanderen aan de voet van de jonge Ardennen, toen nog een hooggebergte. Dit gebergte erodeerde geleidelijk weg. 150 miljoen jaar geleden was het oppervlak van Vlaanderen, Henegouwen, Zuidwest-Engeland en Noordwest-Frankrijk in die mate afgevlakt dat het door de zee werd overspoeld. Tussen 150 en 65 miljoen jaar geleden (secundair tijdperk) werden dikke lagen krijt (organisch materiaal afkom­ stig van kleine zeediertjes) op de zeebodem afgezet, ook in het huidige West-Vlaanderen. In holtes in deze krijtlagen, bijv. veroorzaakt door de fossilisering van schelpen, concentreerden zich mineralen van kiezelzuur of silicium (chalcedoon, opaal en kwarts) waardoor zich geleidelijk aan vuursteen- of silexknollen vormden. Silex bestaat hoofdzakelijk uit kie­ zelzuur (afkomstig van het skelet van dode zeeorganismen) met eraan gebonden water, terwijl de kleur van de silex door de verontreinigende aanwezigheid van andere mineralen bepaald wordt. De buitenkant van silexknollen bestaat uit een witte schors (cortex) die, naar men vermoedt, het gevolg is van 'dehydratatie' (ontwatering) van de buitenste silexlaag. 146


Tijdens het subtropische tertiaire tijdperk (65 tot 2 miljoen jaar geleden) werden Zuidwest-Engeland, Noordwest-Frankrijk en Laag- en MiddenBelgië herhaaldelijk door de oer-Noordzee overspoeld. Dit was het gevolg van de alpiene gebergtevorming waardoor onze streken tijdens een proces van miljoenen jaren langzaam omhoog geduwd werden. Deze opheffing gebeurde onder de vorm van een 'dobberbeweging' waardoor af en toe een daling optrad. Bij elke overstroming (ten gevolge van een indaling van het land) werd op de bodem van de zee een dikke, horizontale laag sediment afgezet, die de ene keer uit klei (diepe zee) en de andere keer uit zand (ondiepe zee) bestond (Fig. 2). Elke keer als de zee zich terugtrok (ten gevolge van een stijging van het land), ontwikkelden zich rivieren die de vrijgekomen vlakte begonnen te eroderen en het meegevoerde puin (afkomstig van hun bovenloop in Noord-Frankrijk ) in hun benedenloop of op de zeebodem afzetten. Omdat zich onder het puin ook uit het krijt losgemaakte silex bevond, bevatten de tertiaire afzettingen ook meegerol­ de silexkeien (verder in de tekst 'tertiaire silex' genoemd). In onze streek was de overstroming tijdens de eocene faze van het tertiair (55 tot 35 miljoen jaar geleden) de belangrijkste. Toen werden bovenop de voorheen afgezette krijtlagen achtereenvolgens Ieperiaanse klei (een kleicomplex dat ongeveer 100 meter dik is), Ieperiaans zand (een zandige klei tot fijn zand met kleilenzen en zandsteen - of veldsteenbanken ; deze laag is 10 à 20 meter dik en wordt o.m. in de Egemse kleiputten ontgonnen), Paniseliaanse klei (compacte tot zandige klei met onderbroken zandsteen­ banken die tot 60 cm dik zijn), Paniseliaans zand (zand van Aalter), enz. afgezet. Ik vermeld enkel deze lagen omdat zij nu nog in Pittem en Egem voorko­ men. De jongere afzettingslagen van het tertiair tijdperk zijn er in de loop van het kwartaire tijdperk weggeërodeerd (kwartaire erosie). Paniseliaanse klei komt er voor boven de 30 à 35 meter en vormt de toplaag van de cuesta. leperiaans zand komt er voor tussen de 25 en 35 meter. Onder de 25 meter begint de Ieperiaanse klei. Op het einde van het tertiaire tijdperk werd ons land ten gevolge van de laatste faze van de alpiene plooiing opnieuw, ditmaal definitief, opgehe­ ven. Deze stijging, die zich tot op vandaag verder zet, was in Zuid-België groter dan in het noorden. De afgezette tertiaire lagen werden hierdoor niet alleen omhoog geduwd maar gingen ook schuin liggen, zacht dalend naar het noorden. De oer-Noordzee trok zich als gevolg hiervan terug naar het noorden/noordoosten. Op de vrijgekomen hellende vlakte, toen tientallen meter hoger dan nu, ontstonden, loodrecht op de zich terugtrekkende Noordzee, de eerste rivieren : de oer-Leie, de oer-Schelde, de oer-IJzer, enz. (Fig. 3). 147


TERTIAIR

OPHEFFING

: EOCEEN

Figuur 2 : De afzetting van klei- en zandlagen door de oer-Noordzee.


EINDE

z

TERTIAIR


Tijdens het kwartaire tijdperk (vanaf 2 miljoen jaar geleden tot op heden) werden de bovenste lagen van het tertiaire oppervlak van West-Vlaanderen geleidelijk aan door de oerrivieren weggeërodeerd. Omdat de loop van de oer-Leie, de oer-IJzer en hun bijrivieren zich voortdurend verlegde, besloeg deze erosie grote delen van West-Vlaanderen. Hier en daar bleven getuigenheuvels gespaard (bijv. de Westvlaamse Bergen ; deze geven een idee van de hoogte van het vroegere tertiaire oppervlak). Pas ongeveer 400.000 à 300.000 jaar geleden (midden-pleistoceen, de derde laatste ijs­ tijd, Elsterijstijd genoemd) kregen de Leie en haar bijrivieren een vast loop die min of meer met de huidige overeenstemt. Het kwartaire tijdperk kende een opeenvolging van talrijke ijstijden en tussenijstijden. In het begin van een ijstijd verzamelde zich zoveel landijs (tot Midden-Nederland tijdens de voorlaatste ijstijd) dat het peil van de Noordzee sterk daalde. Het grote verval tussen bron en monding van de oer-Leie en haar bijrivieren leidde in deze (koudere maar voldoende voch­ tige) faze tot een sterke insnijding en een intense erosie. Deze waren in het zuiden van onze provincie meer uitgesproken dan in het noorden. In de tweede (erg koude en droge) faze van de ijstijd zette de oer-Leie bij gebrek aan voldoende water haar puin (grind : erosiemateriaal, waaronder veel uit de krijtlagen losgemaakte silexbrokken, afkomstig van de bovenloop van de Leie in Noord-Lrankrijk, die deze laag tegen latere erosie beschermden) in haar bedding af. De ingesneden vallei werd hierdoor deels opgevuld en afgevlakt. Omdat de bodem bleef stijgen, sneed de oer-Leie zich tijdens de volgende ijstijd naast de vorige bedding nog dieper in waardoor deze oude bedding in reliëf werd gesteld (rivierterras). Resten van deze oude Leieterrassen met veel gerolde silex bleven op bepaalde plaatsen bewaard, bijv. op de heuvels van Staden, Westrozebeke, Moorslede, Zonnebeke en Geluwe (zeer oude Leiebedding), maar ook in het zuiden van Meulebeke (middel-oude Leiebedding op een hoogte van 30 tot 40 meter). De herhaalde opeenvolging van insnijding van de oer-Leie en haar bijri­ vieren en puinafzetting leidde tot een geleidelijk wegschuren van een deel van de tertiaire lagen en een verlaging en vervlakking van het oppervlak van West-Vlaanderen. Hierdoor ontstond in West-Vlaanderen een situatie waarbij van zuid naar noord afwisselend harde lagen klei en zachte lagen zand aan de oppervlakte kwamen te liggen (Lig. 4). Door de erosieve wer­ king van de zijrivieren van de Leie werden tenslotte de zandlagen sneller weggeschuurd dan de hardere, compactere kleilagen. Hierdoor ontstonden opeenvolgende depressies en heuvels met steile hellingen en zacht dalende ruggen : de cuesta's van Centraal-West-VIaanderen (de cuesta Lichtervelde-Tielt, de cuesta Torhout-Wijnendale-Hertsberge-Lotenhulle) (Lig. 5). Ook in de streek van Pittem en Egem kwamen door het schuinstellen van 150


de lagen en de afvlakkende werking van de rivieren in het zuiden Ieperiaans zand en in het noorden Paniseliaanse klei aan de oppervlakte te liggen. In het zachtere zand ontwikkelden zich tijdens het laat-kwartair de Devebeek en haar zijbeken. Ze schuurden de zandlaag weg, hoewel de plaatsen waar kleilenzen in het zand aanwezig waren (Bergmolen Ardooie, Poelberg Tielt, Pittemse dorpsheuvel) als restheuveltjes bewaard bleven. De zijbeken van de Waardammebeek hadden daarentegen weinig vat op de Paniseliaanse klei. Hierdoor werd in het zuiden een depressie gevormd en bleef in het noorden de zacht dalende laag Paniseliaanse klei bewaard waardoor de cuesta als reliëfvorm bleef uitsteken (Fig. 5). Tijdens de laatste ijstijd (de Würm- of Weichselijstijd : 70.000 tot 10.000 jaar geleden) hadden de Leie, de Mandei en de Devebeek al hun huidige loop. Tijdens de eerste helft (kouder maar vochtig) van de ijstijd sneden de rivieren zich eerst in hun voorheen opgevulde bedding in. Tijdens de tweede helft (erg koud maar droog) van de ijstijd, vulden deze rivieren hun vallei weer op met puin. In deze faze (25.000 à 20.000 jaar geleden) waai­ den er heftige noorderwinden vanaf de ijskap en de opgedroogde bedding van de Noordzee. Deze winden voerden zand- en leemkorrels vanuit de beddingen van de Noordzee en de grote rivieren mee over ons land. Het zwaardere zand verplaatste zich hierbij laag over de grond en viel vooral in het noorden van ons land neer. De lichtere zandleemkorrels werden verder door de wind meegevoerd en vielen meer zuidelijk uit, terwijl de nog lich­ tere leem diep in het zuiden van ons land werd afgezet. In onze streek vormde de toen reeds gevormde cuesta een onoverkomelij­ ke hindernis voor het meegevoerde zand waardoor dit in het noorden van Egem werd afgezet. De lichtere zandleemkorrels werden gemakkelijk door de wind over de cuesta meegevoerd en vielen in Pittem neer. Ze bedekten er de oude, deels geërodeerde tertiaire lagen van de cuesta en de lager gele­ gen gebieden. Ze nivelleerden niet alleen kleine depressies in het landschap maar vulden de beekval leien verder op. Het zandleem dat op de heuvels en de cuesta viel, vermengde zich deels met de tertiaire lagen maar werd grotendeels door de neerslag en de wind weggevoerd waardoor de oude tertiaire lagen al snel aan de oppervlakte kwamen te liggen. Omdat de lichtste bodemdeeltjes gemakkelijk door de wind werden weggeblazen, hoopten de silexkeien zich bovenaan op (’keienvloer', 'basisgrind'). Door de felle wind en de hevige vorst ontwikkelden deze keien 'windglans' (eolisatie) en 'vorstbreuken'. Ongeveer 14.000 jaar geleden (tardiglaciaal) begon het klimaat langzaam te verbeteren. Omdat de zeespiegel nog altijd laag en de plantengroei erg beperkt was, sneden de Leie, de Mandei en de Devebeek zich opnieuw in. Door de insnijding zakte de grondwatertafel zodat het landschap ver151


4 . De afpakking

Figuur 4 . ue


N


droogde. Hierdoor kon gemakkelijk opgedroogd zand vanuit de bedding van de Mandei en misschien ook van de Devebeek opwaaien tot kleine, langgerekte heuveltjes ('stuifzandruggen', de latere 'kouters'). Vanaf 8000 voor Chr. begon de definitieve klimaatsverbetering : de huidi­ ge tussenijstijd (holoceen). Het landijs smolt verder weg zodat het peil van de Noordzee steeg. Aanvankelijk (preboreaal en boreaal) sneden de rivie­ ren zich nog verder in en vonden er nog beperkte zandverstuivingen plaats. Rond 6000 à 5000 voor Chr. (atlanticum) was het zeepeil zo hoog gestegen dat de Atlantische Oceaan de enig overgebleven verbinding tussen Engeland en het huidige vasteland doorbrak, zich verbond met de noor­ derlijke Noordzee waardoor West-Vlaanderen aan de zee kwam te liggen. Door de hoge zeespiegel begonnen de traag stromende rivieren hun uitge­ sneden valleien op te vullen (alluvium). Door het warmere en vochtige kli­ maat ontwikkelde zich een landschap met dichte wouden en traag stro­ mende, meanderende rivieren en beken. Door de hoge zeespiegel en de dichte plantengroei bleef ook de bodemerosie beperkt. Met het geleidelijk kappen van het bos en de landbouw door de laatprehistorische mens en vooral door de middeleeuwse bevolking versnelde de ero­ sie. Bodemdeeltjes en keien spoelden sneller van de kalere hellingen naar lager gelegen gebieden (colluvium) en in de beken. De toch al traag stro­ mende beken konden het vele puin niet ver meevoeren en zetten het af in hun bedding (alluvium : zand, klei, leem en silexkeien). 2. VERKENNING VAN DE PREHISTORIE 2.1. De evolutie van de mens In de loop van het tertiaire tijdperk kwamen de zoogdieren, waaronder de apen, tot ontwikkeling. Ongeveer 15 tot 20 miljoen jaar geleden groeiden binnen deze apenfamilie de tak van de mensachtigen (hominiden) en deze van de mensapen (primaten) uiteen. T.g.v. een verdroging van het klimaat dienden deze mensachtigen het leven in de bomen geleidelijk te ruilen voor een rechtop lopen in de open savanne. Omdat ze hun bovenste lede­ maten niet langer nodig hadden om zich voort te bewegen, konden deze stilaan nieuwe functies vervullen. Eén van deze functies was het voedsel bereiden en naar de mond brengen, waardoor de tanden en de muil deels hun functie verloren en binnen de schedel de hersenen meer ruimte kregen om zich verder te ontwikkelen. Een andere functie was het gebruiken van door de natuur gevormde voorwerpen als toevallige werktuigen en in een volgende stap het zelf vervaardigen van werktuigen. Deze evolutie voltrok zich in Afrika. Ongeveer 4 miljoen jaar geleden leefden in Oost- en Zuid-Afrika de Australopitheken ('zuidelijke apen'), de oudste gekende mensachtigen. Ze 154


liepen rechtop, waren 1,4 m. groot en hadden een enigszins grotere hersen­ inhoud dan de mensapen. Waarschijnlijk gebruikten ze gevonden voor­ werpen als werktuig. Of ze zelf reeds werktuigen maakten, is nog ondui­ delijk. Ongeveer 2 tot 2 en een half miljoen jaar geleden - aan het begin van het kwartaire tijdperk en de opeenvolging van ijstijden en tussenijstijden kwam de Homo Habilis (de 'handige mens') in Oost-Afrika tot ontwikke­ ling. Zijn herseninhoud was groter dan deze van de Australopithecus. Hij wordt beschouwd als de maker van de oudste (2 en een half miljoen jaar oud) stenen werktuigen die tot nog toe gevonden zijn. Uit deze Homo Habilis ontwikkelde zich ongeveer 1,5 miljoen jaar gele­ den in Afrika de Homo Erectus (de 'rechtopstaande mens'). Zijn schedelinhoud was verder toegenomen en zijn maximale lichaamslengte bedroeg al 1,8 m. Dit mensentype verspreidde zich over Azië en bereikte ongeveer 1 miljoen jaar geleden ook Zuid-Europa. Ongeveer 1 miljoen jaar geleden stierven zowel de Australopithecus als de Homo Habilis uit en bleef de Homo Erectus als enig mensentype over. Ongeveer 120.000 tot 100.000 jaar geleden ontwikkelde zich uit de Homo Erectus (op verschillende plaatsen op de wereld ? in Afrika ?) de Homo Sapiens. Een eerste type, de Neanderthaler (Homo Sapiens Neanderthalensis), had al een herseninhoud die vergelijkbaar was met die van de huidige mens. In Europa kende hij waarschijnlijk zijn bloeiperiode tijdens de vorige tussenijstijd (100.000 tot 70.000 jaar geleden). Een tweede type, de moderne mens (Homo Sapiens Sapiens, waarvan wij rechtstreeks afstammen), kwam 100.000 jaar geleden tot ontwikkeling en kwam via Klein-Azië en Oost- en Centraal-Europa slechts 33.000 jaar geleden in West-Europa terecht. Via Azië trok hij meer dan 40.000 jaar geleden ook naar Oceanië en vanaf 30.000 jaar geleden naar NoordAmerika. Een verschil in aanpassingsvermogen leidde ertoe dat de Neandertaler 30.000 jaar geleden uitstierf en dat de moderne mens tot op heden overleefde. 2.2. Prehistorische steenbewerking Het best gekende aspect van de prehistorische mens is ongetwijfeld zijn steenbewerking. Dit komt omdat steen quasi onverwoestbaar is, zelfs als hij aan de oppervlakte ligt, en bijgevolg vaak het enige prehistorisch mate­ riaal is dat bewaard bleef. Dit betekent niet dat de prehistorische mens geen andere materialen (hout, been, huid, enz.) bewerkt heeft. Maar ook bij deze bewerking speelden stenen werktuigen een cruciale rol, zodat het gerechtvaardigd is over 'de steentijd' te spreken. Een stuk steen dat door de mens opzettelijk van een andere steen afgesla­ 155


gen is, noemt men een 'afslag'. Een afslag die verder bijgewerkt is zodat hij met een bepaald doel kan gebruikt worden, wordt een 'werktuig' genoemd. Uit microscopisch onderzoek van gebruikssporen is echter gebleken dat vele niet bijgewerkte afslagen ook als werktuig dienst heb­ ben gedaan. Onder 'artefact' verstaat men elk voorwerp dat de mens ver­ vaardigde (inclusief het afvalproduct) of dat bij de vervaardiging ervan gebruikt werd. Hoe kan men vaststellen dat een stuk steen inderdaad opzettelijk door de prehistorische mens afgeslagen is en als een menselijk artefact mag beschouwd worden ? Bij het kloppen op een stenen blok ('kern') ontstaat er een neerwaartse en zijdelingse druk. Deze druk plant zich kegelvormig in het gesteente voort. Wanneer onder een bepaalde hoek en dichtbij de rand van het ’slagvlak' (het vlak bovenaan waarop geslagen wordt) en de flank van de steen ('kernflank') geklopt wordt, breekt door het gebrek aan weer­ stand langs de flank van de stenen blok een afslag af (Fig. 6). De afslag breekt eerst bovenaan af. Op deze afslag zijn de sporen van de opzettelijke slag en de erdoor ver­ oorzaakte drukkegel duidelijk zichtbaar. Bovenaan de afslag blijft een klein gedeelte van het slagvlak van de kern bewaard ('hiel'). Op deze hiel is ook het punt waarop de klopper terecht kwam zichtbaar ('slagpunt'). Aan de buikzijde van de afslag treffen we een 'slagbult' (de plaats onder het slag­ punt waaruit zich de drukkegel verspreidde en waar de afslag het eerst van de kern afbreekt) en eronder een reeks 'slaggolven' (de golven veroorzaakt door de druk in het gesteente, vergelijkbaar met de golven die op het water ontstaan wanneer men er een steen in gooit) en 'slagstralen' aan. Bovendien vertoont de rugzijde van de afslag (tenzij deze afslag de eerste van een reeks is) de sporen van voorheen afgehaakte afslagen. De flank van de kern waar de afslag loskwam, toont dan weer een negatief van de slagbult en slaggolven (Fig. 6). Al deze kenmerken zijn nooit samen aanwezig op schilfers die door een natuurlijke oorzaak (toevallige schokken bij transport in het water, druk van het ijs, grote temperatuurschommelingen) loskwamen. Verder vertoont een afslag die in de prehistorie afgehaakt werd een bepaalde glans en even­ tueel, naargelang de ouderdom en de bewaaromstandigheden, een bepaal­ de patinalaag (chemische inwerking van bodem en vegetatie die kleurver­ andering veroorzaakt), 'windglans' (schuring van hevige wind en zand tij­ dens de ijstijd die een vettige glans veroorzaakt) of 'waterglans' (transport in water waardoor het artefact 'gerold' wordt en de scherpe randen en ner­ ven afgerond worden en het artefact zachter aanvoelt). In de prehistorie bestonden 2 methodes om uit een blok steen werktuigen te vervaardigen. De eerste bestond erin dat een steenblok zodanig met een 156


Figuur 6 : Met een ronde kei wordt het dak van een grotere kei afgeslagen en een slagvlak gevormd (1). Door een slag op dit vlak worden afslagen afgehaakt (2-3). De rugzijde van een afslag (4a) vertoont de negatieven van de vorige afslagen ; aan de buikzijde (4c) zijn de slaggolven te zien ; het profiel (4b) toont bovenaan de hiel en daaronder de slagbult.

157


klopper werd beslagen dat één, meestal massief, werktuig ('kernwerktuig') gevormd werd. De vuistbijlen uit de oude steentijd zijn volgens deze methode vervaardigd, maar ook de in de jonge steentijd vervaardigde bij­ len. Een tweede methode bestond in twee fazes. Eerst werd een blok steen tot een 'kern' omgevormd (Fig. 6). Dit gebeurde door eerst met een 'klopper' de bovenkant van het blok te verwijderen om zo een slagvlak te maken (soms werd een door de natuur gevormd vlak gebruikt). Vervolgens wer­ den, door met een klopper op het slagvlak te slaan, dunne, waaiervormige schilfers ('afslagen') van de flank van deze 'kern' afgeslagen. De klopper fungeerde als hamer en kon zowel uit steen (harde klopper : veroorzaakte dikke slagbult met eronder een 'litteken') bestaan als uit been, hard hout of hertegewei (zachte kloppers : veroorzaakten een minder uitgesproken slag­ bult, zonder litteken). De kern werd hierbij in de hand vastgehouden of op een aambeeld geplaatst. Afslagen die lang en smal zijn en regelmatige, parallelle boorden verto­ nen, noemt men 'klingen' of, indien de breedte niet meer dan 12 millimeter bedraagt, 'microklingen'. Om deze te produceren diende op de kern eerst een rib ('kernrand') te worden voorbereid. Het afhaken van deze lange, regelmatige afslagen, geleid door de rib op de kem, gebeurde door met een harde of zachte klopper, rechtstreeks op het slagvlak of onrechtstreeks met behulp van een stenen, benen of houten 'beitel', te kloppen of door met een T-vormige stok met harde punt druk op het slagvlak uit te oefenen. Na het afhaken van een aantal afslagen of klingen diende het slagvlak vaak ver­ nieuwd te worden en werd het oude slagvlak ('kerntablet') afgeslagen. Soms diende ook de beschadigde flank van de kern ververst te worden ('kernflank'). De afgehaakte afslagen en klingen werden in een tweede faze bijgewerkt ('geretoucheerd') zodat een 'werktuig' gevormd werd (Fig. 7 en 8). Tijdens dit retoucheren werden door de slag met een kleine klopper, door schuring op een steen of door met een voorwerp ('retouchoir') druk uit te oefenen zeer kleine afslagen verwijderd. Deze retouche kon erg steil (ook 'afknot­ ting' of 'afstomping' genoemd) (zoals bij een mes met afgestompte boord of bij de mesolitische microlieten), schuin (zoals bij een schrabber of boor), vlak of dekkend (zoals bij de laat-neolithische pijlpunten) gebeuren. Een mooi voorbeeld van een retouchoir werd in 1991 in de OostenrijksItaliaanse Alpen aangetroffen bij de uitrusting van de uit 3300 v. Chr. date­ rende gletsjermummie. Het betrof hier een lindehouten cylinder waarin een stift uit hertegewei was geperst en die als een reuzepotlood na slijtage kon heraangescherpt worden. Retoucheren had de bedoeling de erg dunne randen te verwijderen (en zo 158


DC 94

Figuur 7 : Door retoucheren worden van een kling (1) of afslag (2) kleine afslagen afge­ haakt zodat een schrabber (3), een boor (4), een steker (5) of een mes (6) vervaardigd wordt (naarP. Vermeersch, 1992-93).

159


het artefact te verstevigen) en tegelijkertijd het artefact een bepaalde vorm te geven (bijv. rond, boogvormig, hoekig, spits, etc.) zodat het voor een bepaald doel kon gebruikt worden (Fig. 7 en 8). Een spitse vorm kon als boor of als projectiel (spits of pijlpunt) gebruikt worden ; met een stevig en rond uiteinde kon geschrabt worden (schrabber) ; een hoekig uiteinde kon als snijbeitel fungeren (steker), enz. Soms werd één van de boorden afgestompt om het artefact in de breedte in te korten of om te vermijden dat men zich zou snijden bij de hantering ervan (mes met afgestompte boord). Al vrij vroeg in de prehistorie werden de meeste werktuigen vol­ gens deze tweede methode vervaardigd. De prehistorische mens gebruikte niet eender welke steensoort. Reeds vroeg in zijn evolutie moet hij ervaren hebben dat gesteente dat schelp­ vormig breekt het meest bruikbaar is omdat de ervan afgehaakte afslagen vlijmscherpe, snijdende randen vertonen. In Europa heeft de prehistorische mens snel ontdekt dat silex (vuursteen) deze kenmerken vertoont. Silex is voldoende hard, toch gemakkelijk te bewerken en de afslagen vertonen erg snijdende randen. Bovendien komt silex overal in Europa, ook in onze streken, overvloedig voor. Het vormde zich in de krijtlagen die op sommi­ ge plaatsen (Henegouwen, Noordwest-Frankrijk, Limburg) dagzomen ('verse silex'). Door erosie van de rivieren en de daaropvolgende afzetting in de rivieren of de zee werd het bovendien ook over gebieden verspreid waar de krijtlagen niet aan de oppervlakte liggen (meegerolde 'tertiaire' en 'rivierterrassilex'). De prehistorische mens koos het liefst een silexsoort met een homogene samenstelling, zonder inwendige scheuren en breuken. Meestal genoot silex met een fijne korrel zijn voorkeur omwille van de gemakkelijke bewerkbaarheid. Toch kon moeilijk bewerkbare, grofkorre­ lige silex bij grotere werktuigen (bijlen bijv.), die minder snel mochten bre­ ken, zijn voorkeur genieten. In gebieden zonder silex gebruikte hij andere steensoorten. Maar ook in onze contreien (rijk aan silex) koos hij spora­ disch andere steensoorten (zandsteen, chert, kwartsiet, vulkanische gesteenten als ftaniet, obsidiaan, enz.) als grondstof. 2.3. Fazes in de prehistorie Omdat stenen artefacten vaak de enige resten zijn die van de prehistori­ sche mens overbleven, is de indeling van de prehistorie hoofdzakelijk op de evolutie van de steenbewerking gebaseerd. De lange periode vanaf 2 en een half miljoen tot 10.000 jaar geleden noemt men het paleolithicum (oude steentijd). In deze periode evolueerde de mens en zijn steenbewer­ kingstechniek erg traag. Het paleolithicum wordt verder onderverdeeld. In het oud-paleolithicum (2 en een half miljoen tot 100.000 jaar geleden) werden eerst door de Homo Habilis en later door de Homo Erectus naast 160


Figuur 8 : Door retoucheren kan een kling met afgestompte boord (1), een kling met schui­ ne afknotting (2), een gekerfde kling (3), een spits met schuine afknotting (4), een spits met afgestompte boord (5), een driehoekige spits (6), een cirkelsegment (7), een driehoek (8), een rechthoekig trapezium (9), een pijlsnede (10), een bladpijlpunt (11) of een gesteeld pijl­ punt met vleugels (12) gevormd worden (naar P. Vermeersch, 1992-93).

161


werktuigen op afslag overwegend kernwerktuigen, bijv. choppers, choppingtools en vuistbijlen gemaakt (Olduviaan of 'Pebble-cultuur', Clactoniaan, Acheuliaan). In deze periode, nl. ongeveer 500.000 jaar gele­ den, kwam de Homo Erectus voor het eerst in België terecht en liet er, o.a. in Henegouwen, silexwerktuigen achter. In het Westvlaamse Hollebeke (Palingbeek) vond ik een gerolde afslag die vermoedelijk een paar hon­ derdduizend jaar geleden vervaardigd werd en meegevoerd door de vroe­ gere Leie in een terras werd afgezet. Men vermoedt dat de mens op het einde van het oud-paleolithicum het vuur beheerste. In het midden-paleolithicum (100.000 tot 35.000 jaar geleden) maakte de Neanderthaler naast vuistbijlen vnl. werktuigen op afslag, waaronder boordschrabbers en grove speerspitsen (Mousteriaan). De gebruikte afsla­ gen werden nu vnl. vervaardigd via de 'Levalloistechniek' die het moge­ lijk maakte de vorm van de afslag op voorhand te bepalen. De kern werd hiertoe voorbereid door middel van centripetale afslagen waarna dan met één enkele slag de gewenste 'Levalloisafslag' werd bekomen. O.a. op de Kemmelberg werden enkele werktuigen uit deze periode aangetroffen. In Hollebeke trof ik 2 blauwwit gepatineerde, niet gerolde kernen aan die in deze periode bewerkt werden. In het jong-paleolithicum (35.000 tot 12.000 jaar geleden, de tweede faze van de laatste ijstijd) werden door de Homo Sapiens Sapiens steeds meer gevarieerde huishoudelijke werktuigen (stekers, schrabbers, boren, mes­ sen) en jachtspitsen overwegend op klingen vervaardigd (Auragniciaan, Perigordiaan, Solutreaan, Magdaleniaan). Gezien het tijdens het grootste deel van deze periode in ons land extreem koud was, werden er, behalve dan in de grotten in het zuiden, weinig sporen van teruggevonden. In WestVlaanderen leverden o.a. de Kemmelberg (Auragniciaan) en Oedelem (laat-Magdaleniaan) enkele artefacten uit deze periode op. Pas op het einde van de ijstijd (12.000 tot 10.000 jaar geleden) werd ons land opnieuw geregeld door mensen bezocht. O.a. in Harelbeke en de streek rond Brugge werden sporen van deze epi-paleolithische rendierjagers gevonden. Als de laatste ijstijd definitief ten einde is, laat men het mesolithicum (midden-steentijd) beginnen. Dit strekte zich uit van 8000 tot - naargelang de streek in België - 5000 tot 4000 v. Chr. Typisch voor deze periode is de verkleining van de werktuigen, een evolutie veroorzaakt door de schaarste aan silex en de noodzaak het jachtgerei aan te passen aan het kleiner wild en mogelijk gemaakt door een fijnere techniek. Daarop volgt dan van ongeveer 5000 à 4000 tot 2000 v. Chr. het neolithicum (nieuwe of jonge steentijd). In deze periode ruilde de mens het nomadenleven voor de per­ manente nederzetting, waar hij landbouw bedreef, vee teelde, keramiek 162


vervaardigde en ook stenen werktuigen die dan soms gepolijst werden. Op beide periodes kom ik in het volgende hoofdstuk uitvoerig terug. Vanaf ongeveer 2000 v. Chr. werd geleidelijk het gebruik van metaal (eerst koper en goud, later brons, nog later ijzer) in onze streken ingevoerd, hoe­ wel steen nog tot op het einde van de bronstijd voor de vervaardiging van alledaagse werktuigen in gebruik bleef. Op de bronstijd (2000 tot 750 v. Chr.) volgde de ijzertijd (750 v. Chr. tot de komst van de Romeinen). Beide periodes horen strikt genomen al tot de protohistorie. 3. SPOREN VAN DE PREHISTORISCHE MENS IN PITTEM EN EGEM 3.1. De beperkingen van veldprospectie als onderzoeksmethode Gezien ik alle artefacten d.m.v. veldprospectie, d.w.z. aan de oppervlakte verzamelde, leveren de determinatie van sommige vondsten en de localisatie, interpretatie en datering van de sites enkele moeilijkheden op. Eerst en vooral kwamen de artefacten vooral door het ploegen en eventueel ook door het afspoelen van de bodem aan de oppervlakte. In een tweede faze werden ze meestal door landbouwbewerking verplaatst, over de akker verspreid en zelfs door de neerslag van hoger op de helling naar beneden gespoeld. Dit bemoeilijkt een preciese localisatie en een schatting van de grootte van de nederzetting. Dit probleem wordt vaak nog groter omdat de practische situatie niet overal toelaat te prospecteren. De artefacten werden dus niet in een onbeschadigd bodemprofiel ('in situ') en in combinatie met eventuele grondsporen en andere archeologica aan­ getroffen. Omdat de opeenvolging van bodemlagen vernietigd en bodem­ lagen vermengd werden, kwamen artefacten uit verschillende periodes vaak door elkaar te liggen. Op de meeste vindplaatsen heb ik dan ook arte­ facten uit het paleolithicum, het mesolithicum en het neolithicum dooreen aangetroffen. Relatieve datering van deze artefacten op basis van hun posi­ tie in de opeenvolgende bodemlagen is hierdoor onmogelijk. Absolute datering aan de hand van aardewerkresten of van organisch materiaal (beenderresten, houtskool), waarop de C-14 methode zou kunnen toege­ past worden, kan niet meer omdat dit archeologisch materiaal aan de oppervlakte niet lang bewaart. Dit maakt dat een nauwkeurige datering van de artefacten en het onderscheid tussen reeksen artefacten uit opeenvol­ gende periodes, afkomstig van eenzelfde plaats, vaak moeilijk is. Ten tweede is het verzamelde materiaal in vele opzichten fragmentair en onvolledig. Talrijke artefacten bevinden zich ongetwijfeld nog in de bodem en konden na vijfjaar prospectie niet gerecupereerd worden. Verder wordt op de meeste vindplaatsen al eeuwen aan landbouw gedaan waarbij vele artefacten, allicht vooral de grotere, als storend element verwijderd wer­ 163


den. Dit gebeurde vooral tijdens de jongste 50 jaar, sedert het toepassen van de machinale bewerking (bijv. de aardappelrooimachine), en in het bij­ zonder tijdens de laatste 10 jaar toen de landbouwers dieper gingen ploe­ gen. Zo de artefacten al niet weggenomen werden, zijn ze vaak door land­ bouwmachines gebroken of ernstig beschadigd. Machinaal ontstonden op de artefacten soms pseudoretouches die vaak moeilijk te onderscheiden zijn van echte en gebruiksretouches. Vooral de grotere artefacten werden vaak verwijderd of beschadigd, waardoor het verzamelde materiaal een vertekend beeld van de nederzetting kan geven. Verder stelt zich het pro­ bleem van de opzettelijke, meestal erg selectieve wegname door occasio­ nele verzamelaars die de vondsten niet melden. Tenslotte dient men ook rekening te houden met de prospecties van Gillès de Pélichy en Claerhout die een aanzienlijke hoeveelheid artefacten op Pittemse bodem bijeen­ raapten, misschien onbewust een selectie maakten en alleszins niet altijd even gedetailleerd en nauwkeurig rapporteerden. Al deze factoren bemoei­ lijken de determinatie van de artefacten en het toeschrijven van een reeks artefacten aan een bepaalde cultuur. Enkele van deze problemen zouden kunnen opgelost worden door een op­ graving. De aanwezige roestkorrels op vele artefacten van bijv. de rijkste vindplaats bewijzen alleszins dat de artefacten afkomstig zijn van onder de teeltlaag (B-horizont), dat het site op een dieper niveau mogelijk weinig beschadigd is en dankzij een opgraving beter zou kunnen bestudeerd worden. Zolang er niet opgegraven wordt, kan ik enkel steunen op de veldprospectie en voor ogen houden dat de besluiten hieruit deels hypothetisch blij­ ven. Tegen alle beperkingen kan ik voorlopig alleen inbrengen dat mijn veldprospectie zeer intens en zorgvuldig gebeurde. Herhaalde keren per jaar raapte ik elk voorwerp van het veld en de concentraties, ook binnen éénzelfde vindplaats, bracht ik nauwkeurig in kaart. Daarnaast kan ik ervan uitgaan dat de meer onvruchtbare gronden pas recent bewerkt werden omdat ze tot voor enige decennia nog uit weiland of bos bestonden waar­ door de onopzettelijke verwijdering van artefacten er beperkt bleef. Verder mag ik aannemen dat vooral de kleinere artefacten van de invloeden van machinale bewerking gespaard bleven en vaak door de leek-waarnemer niet werden opgemerkt. Tot slot is het gelukkig zo dat bepaalde werktuigen (bijv. spitsen en pijlpunten) uitsluitend in een bepaalde periode werden ver­ vaardigd zodat ze vrij precies kunnen gedateerd worden en als een soort 'gidsfossiel' aan een bepaalde cultuur kunnen toegeschreven worden. 3.2. De midden-paleolithische Neanderthaler en de laat-paleolithische moderne mens in Pittem-Egem. In principe zijn hier weinig paleolithische artefacten aan de oppervlakte te 164


Figuur 9 : Midden-paleolithische afslagen van centripetaal bewerkte kernen (1-2) (PittemBerg) ; paleolithische klingachtige afslag (3) (Pittem-Ten Walle) ; laat- of epipaleolithische kling met schuine afknotting (4) en microkling met afgestompte boord (5) (ArdooieBergmolen) (op ware grootte).


verwachten. De bevolking was toen immers erg schaars en het gure kli­ maat maakte onze gebieden tijdens lange periodes van het kwartair quasi onleefbaar. Bovendien zitten de achtergelaten artefacten vaak onder een dikke laag zandleem of afgegleden colluvium bedolven en komen ze enkel uitzonderlijk, bijv. op een geërodeerde heuvel of tijdens diepe bodemwerken aan de oppervlakte. Op enkele plaatsen vond ik dan toch schaarse maar niet te miskennen aan­ wijzingen dat primitieve jagers en voedselverzamelaars tijdens het midden-paleolithicum (100.000 tot 35.000 jaar geleden) en eventueel ook tij­ dens het laat-paleolithicum (35.000 tot 12.000 jaar geleden) occasioneel de regio bezochten. Niet toevallig zijn ze vlakbij de top van de cuesta of van een getuigenheuvel gelegen waar de laag dekkend zandleem dun of helemaal weggeërodeerd is. Op de flanken van Pittem-Berg trof ik een aantal artefacten die omwille van de gebruikte techniek en hun uitgesproken blauwwitgevlekte patina en/of windglans in het midden-paleolithicum te situeren zijn. Het gaat om één grote beginnende kern (niet gerold) en 2 vrij grote en dikke afslagen (de eerste licht gerold, de tweede niet gerold) die vervolgens de 'Levalloistechniek' (centripetale debitage) vervaardigd werden en waarvan het eerste exemplaar (met afgebroken hiel) een werktuig vormde dat, omwille van de retouches op de rechterboord (deels beschadigd), doet den­ ken aan een boordschrabber (Fig. 9.1-2) (foto p. 169). Wellicht zijn deze artefacten er door mensen van het Neanderthalerras tijdens de vorige tussenijstijd (100.000 tot 65.000 jaar geleden) of tijdens een iets warmere periode van de eerste helft van de laatste ijstijd (tussen 45.000 en 35.000 jaar geleden) achtergelaten. Op dezelfde plaats vond ik 2 kleinere kernen en een aantal afslagen (waar­ van 1 met deels bewaarde retouche op de rechterboord), sommige gerold, die omwille van de patina en glans paleolithisch aandoen zonder dat ze binnen een bepaalde periode kunnen gesitueerd worden. Ook Juliaan Claerhout trof in die buurt 'enkele artefacten met een paleolithisch voor­ komen' aan. Tenslotte vond ik in de buurt van de Pittemse hoeve 'Ten Walle' een kling met donkerblauwe en witte patina die laat-paleolithisch oogt (Fig. 9.3). Deze zou tussen 35.000 en 25.000 jaar geleden - eveneens een minder koude faze van de laatste ijstijd - of tussen 16.000 en 10.000 jaar geleden door de moderne mens kunnen vervaardigd zijn. Tot slot deed ik op verschillende plaatsen een aantal geïsoleerde vondsten van afslagen met windglans, soms wat gerold, die als paleolithisch zonder meer moeten bestempeld worden. I.v.m. alle gerolde artefacten rijst wel de vraag of deze vervaardigd zijn op de plaats waar ik ze aantrof of door een beek over enige afstand werden verplaatst. 166


3.3. De epipaleolithische rendierjagers Tussen 10.000 en 8000 v. Chr. begon het klimaat langzaam op te warmen en evolueerde het open landschap met een toendra- en steppevegetatie, kenmerkend voor de ijstijd, geleidelijk naar een parklandschap met hier en daar groepjes berken en dennen. In deze periode waren de grote steppedieren uitgestorven (mammoeten bijv.), zeldzaam geworden (paarden bijv.) en volgden de rendieren de afsmeltende ijskap naar het noorden. Het is bekend dat toen reeds kleine groepjes nomaden, dragers van de Tjongercultuur, West-Vlaanderen doorkruisten, de rendieren achterna, en dat ze hier en daar hun kamp voor enige tijd opsloegen. Sporen van deze epipaleolithische mensen vond men o.a. aan de Gavers in Harelbeke en in het Brugse. Afgezien van de vermelde microkling met afgestompte boord en blauwwitte patina (Ardooie-Bergmolen) en een gelijkaardig maar dun­ ner exemplaar zonder patina (Pittem-Ten Walle), vond ik in Pittem en Egem tot nu toe geen artefacten die ik met zekerheid aan deze periode kan toeschrijven. 3.4. Mesolithische jagers en voedselverzamelaars in Pittem en Egem 3.4.1. Definitieve klimaatsverbetering Vanaf 8300 v. Chr. (preboreaal) was de ijstijd definitief voorbij en begon het snel warmer te worden. Berken, dennen en wilgen onwikkelden zich geleidelijk tot bossen. Vanaf 6500 v. Chr. (boreaal) werd het nog warmer zodat ook andere boomsoorten, vooral de hazelaar en notelaar zich kon­ den ontwikkelen. Door het gunstig klimaat en de gewijzigde vegetatie kwam op relatief korte tijd een heel andere dierenpopulatie tot ontwikke­ ling : kleinere diersoorten als de eland, het edelhert, het hert, de ree, het oerrund (oeros), het everzwijn, de vos, de haas, de bever en de otter. Deze bosdieren bewogen zich niet langer over grote afstanden in grote kuddes in een open landshap voort, maar hielden zich op in het bos en langs de waterlopen, in kleine groepjes of zelfs individueel. De mens, toen uiter­ aard nog veel meer afhankelijk van zijn natuurlijk milieu dan nu, diende zich voor zijn voedselvoorziening op een paar duizend jaar grondig aan te passen. Hij diende niet langer over grote afstanden met de kuddes mee te zwerven en leerde op kleiner wild te jagen. Zijn leefgebied werd kleiner maar hij diende het wel beter te exploiteren. De sterke begroeiing van de bodem zorgde nog voor een ander probleem. Silexbrokken aan de opper­ vlakte werden aan het oog onttrokken waardoor de grondstof voor zijn wapens en werktuigen schaarser en van mindere kwaliteit werd. Door de toenemende bebossing verliep het contact tussen de zwervende groepjes ook moeizamer. T.g.v. deze gewijzigde levensomstandigheden was de bevolking tijdens de 167


preboreale faze (vroeg-mesolithicum) vrij schaars. De groepjes, bestaan­ de uit een 5-tal families wiens tijdelijke kampen slechts een diameter van een 4-tal meter hadden, waren niet talrijk. In de loop van de boreale faze (midden en laat-mesolithicum) geraakte de mens stilaan aangepast aan het nieuwe milieu. Het gunstiger klimaat en het rijke voedselaanbod bleek uit­ eindelijk voor de mens een waar paradijs te zijn waardoor de bevolking sterk toenam. De groepen werden talrijker, hun kampen groter. Deze mesolithische mensen waren nomaden die over een beperkt gebied rondzworven op zoek naar voedsel en grondstof om hun jachtwapens en stenen werktuigen te maken. Hier en daar sloegen ze tijdelijk hun kamp (tenten of kleine hutten) op. Wellicht leefden ze volgens het Indiaans model. Om te overleven jaagden ze op klein wild. Omdat de jacht een klei­ nere buit opleverde dan tijdens de ijstijd, jaagden ze ook op waterwild en vulden ze hun menu aan door visvangst en inzameling van allerlei eetbare plantenwortels, noten, vruchten, wild fruit en wilde groente. Mogelijk ver­ zamelden ze ook vogeleieren en allerlei schelpdieren. Daarom hielden ze zich graag op in de omgeving van vennen en waterlopen. 3.4.2. De inplanting van twee sites in Pittem en Egem Vanaf 8300 v. Chr. kende ook de streek van Pittem en Egem een geleide­ lijke uitbreiding van het bos. De heuvels en de cuestakam waren toen allicht nog iets hoger en de Devebeek en haar zijbeken wat dieper in het landschap ingesneden. Uit mijn prospectiegegevens blijkt dat vanaf toen kleine groepjes mensen deze streek af en toe bezochten. Uit de aard van de stenen artefacten die deze prehistorische mensen langs de huidige Egemse Baertstraat en op de Pittemse Nachtegaal overvloedig achterlieten, valt alleszins af te leiden dat ze dragers waren van de mesolithische cultuur (middensteentijd) die men in onze streken kan dateren van 8000 tot ca. 4000 v. Chr. Beide vindplaat­ sen bevinden zich aan de voet van de steile helling van het cuestafront (dus aan de zuidelijke helling van de cuesta), naast oude dalhoofden (begin van het dal van een beek) van de zijbeken van de Devebeek en in de buurt waar deze zijbeken vandaag ontspringen. De inplanting van beide mesolitische 'kampen' aan de rand van de Devebeekvallei, vlakbij de bron, en aan de voet van het front van de cuesta lijkt allerminst toevallig. Op deze hellingen was het ongetwijfeld droger om te kamperen dan in de lager gelegen gebieden en hun zuidelijke lig­ ging bood meer warmte en bescherming tegen noorder- en noordwesterwinden. Men had er bovendien het beste uitzicht op de omgeving. De bronnen van de Devebeek waren vlakbij zodat er water in overvloed was. Gezien ook het wild regelmatig bij de beek kwam drinken of zelfs in en 168


Midden-paleolithische gepatineerde en glanzende afslag met centripetale debitage uit Ardooie (Bergmolen) (1 ). Mesolithische gepatineerde piramidale kern voor microklingen uit Pittem (Bloting) (2). Mesolithische licht gepatineerde prismatische kern met 2 slagrichtingen voor microklingen uit Egem (Baertstraat) (3). Mesolithische kern met 2 slagrichtingen uit pikzwarte, glanzende silex uit Pittem (Nachtegaal) (4). (foto's DC).

169


nabij de beek leefde, kon in de buurt van het kamp gejaagd worden. En de zijbeken van de Devebeek zullen meer stroomopwaarts toen wel voldoen­ de vis en waterdieren geboden hebben. De streek was ook voldoende bebost zodat gemakkelijk hout kon gehakt worden om een kamp te bou­ wen en jachtgerei te vervaardigen. Tot slot was de grondstof voor hun werktuigen uit silex er, in de bedding van de beken en op de heuveltop­ pen, gemakkelijk bereikbaar. 3.4.3. De gebruikte grondstof Alle kernen en bijna alle afslagen, klingen en werktuigen die ik op deze beide vindplaatsen verzamelde zijn uit silex (vuursteen) vervaardigd. Uit de kleine omvang van de kernen en het feit dat veel kernen en artefacten nog resten van schors vertonen, kan afgeleid worden dat de grondstof meestal uit kleine brokken bestond. Door de uitbreiding van het woud was silex tijdens het mesolithicum immers moeilijk op te sporen en dus schaar­ ser geworden. Ook in onze regio diende de mens gebruik te maken van elke silexbrok die hij vond, ongeacht de grootte of de kwaliteit, en er spaarzaam mee om te springen. Op beide vindplaatsen blijkt dit uit de aan­ wezigheid van silex van erg verschillende aard en kwaliteit : zwartgrijze, wit gevlekte fijnkorrelige, glanzende silex die af en toe enigszins blauw gepatineerd is ; erg fijnkorrelige, glanzende en doorschijnende silex (met krijtachtige witbeige cortex) die naargelang de dikte van de afslag er licht­ bruin tot pikzwart uitziet ; donkergrijze tot zwarte, matte en ondoorschij­ nende silex met witte stippen (met witte, krijtachtige schors) ; rode silex, silexsoorten met grove korrel of met weinig homogene samenstelling, enz. De vraag rijst waar deze mensen deze gevarieerde grondstof vandaan haal­ den. Gezien ze voortdurend rondtrokken, kunnen ze deze uit andere regio's meegebracht hebben of via ruilhandel met andere groepen verkregen heb­ ben. Waarschijnlijk verkregen ze zo grondstof uit de regio's (Henegouwen, Noordwest-Frankrijk, Limburg) waar de krijtlagen dagzoomden en de erin gevormde silex aan de oppervlakte lag. De silexsoorten met verse, krijt­ achtige schors zijn vermoedelijk van daar afkomstig. Toch blijken ze ook silex van plaatselijke en eventueel regionale herkomst gebruikt te hebben. Het feit dat een aantal kernen uit kleine, gerolde en vaak door de vorst gebroken silexkeien of uit silexbrokken met een grove korrel en een weinig homogene samenstelling vervaardigd zijn, suggereert dat deze mensen silexkeien en gebroken keien ter plaatse of in de nabije omgeving opraapten en bewerkten. Ver moesten ze zich niet verplaatsen om deze grondstof van soms middel­ matige of slechte kwaliteit te vinden. De grote hoeveelheid ruwe silex op de heuvels en de cuesta in Pittem en Egem (erg uitgesproken op bijv. 170


Pittem-Berg en Pittem-Hellebos), bij de landbouwers gekend als 'koppekeien', kan men vandaag nog steeds vaststellen. Nu nog ziet men dat deze silex meestal sterk gerold en soms compleet tot rolkeien verweerd is. Vaak is hij ten gevolge van sterke temperatuurschommelingen in stukken gebro­ ken, gepatineerd of met windglans bedekt. De oorsprong van deze silex ligt in de mariene afzetting van de tertiaire lagen waarin ook uit de krijtlagen losgewoelde en meegerolde silexknollen terecht kwamen. Omdat het dekzand op de cuesta al snel wegerodeerde, bleef de zwaardere silex er als een keienvloer aan de oppervlakte liggen, weliswaar onbeschermd tegen de vorst en de wind. Van deze toestand maakte de mesolithische mens in Pittem en Egem dankbaar gebruik. Ik vraag me zelfs af of de grote hoe­ veelheid silex op de heuvels in Pittem en Egen niet één van de redenen was waarom hij naar deze streek kwam en vlak bij de cuesta halt hield om er silex te verzamelen en te bewerken. Ook uit de regio rond Pittem en Egem kon gemakkelijk silex gehaald wor­ den. Ik denk bijv. aan het oude Leieterras met erg veel gerolde silexbrokken in het zuiden van Meulebeke, op amper anderhalf uur stappen, en iets verder weg, aan de oude Leieterrassen uit de streek van Moorslede en Geluwe. Belangwekkend zijn een 20-tal artefacten, afkomstig van de vindplaats langs de Baertstraat, die vervaardigd werden uit Wommersomkwartsiet, een grijsbruine, geelgevlekte glimmerzandsteen die enkel in de omgeving van het Brabantse Tienen dagzoomt. Dit houdt in dat deze grondstof van meer dan 100 km ver werd meegebracht of, meer waarschijnlijk, via ruil­ handel met andere mesolithische groepen verkregen werd. Op deze vind­ plaats werden alleszins een kern in Wommersomkwartsiet bewerkt - zo blijkt uit de aangetroffen afval (o.a. een kerntablet) - en microklingen en afslagen afgehaakt. Een kleine afslag werd bijgewerkt tot een klein schrabbertje. De aanwezigheid van deze grondstof op dit site in Egem kan enkel het gevolg van de aanwezigheid van mesolithische mensen zijn. Op de vindplaats op de Pittemse Nachtegaal trof ik een kern en 2 microklingfragmenten aan die uit ftaniet vervaardigd werden, een grondstof die toen ingevoerd werd uit Waals-Brabant, de enige plaats waar dit gesteente dagzoomde. Op dezelfde plaats vond ik trouwens enkele artefacten, waar­ onder 2 zeer kleine kernen, uit 'chert', een gesteente dat voorkomt in Doornikse kalksteen en in die tijd uit Henegouwen ingevoerd werd. 3.4.5. Het bewerken van de kernen Uit mijn onderzoek blijkt dat de mesolithische mens aan de voet van de cuesta in zijn kamp langs de huidige Baertstraat en op de Nachtegaal zijn stenen werktuigen vervaardigde door silexbrokken tot kernen te prepare­ 171


ren en er daarna afslagen en klingen afhaakte die hij tenslotte retoucheerde. Beide vindplaatsen leverden een paar honderd kernen uit silex op. De meeste van deze kernen zijn prismatisch (soms piramidaal) van vorm. Ze zijn overwegend gericht op de productie van microklingen en klingen. Dit valt niet alleen af te leiden uit de negatieven op de kernen maar ook uit de honderden klingen en vooral microklingen die ik aantrof. Veel ker­ nen hebben 2 tegengestelde (soms kruisende) slagrichtingen, hoewel ker­ nen met 1 slagrichting ook vaak voorkomen (Fig. 10.1-3) (foto's p. 169). Eerder weinig kernen zijn globulair en onregelmatig van vorm en gericht op de productie van afslagen. Daarnaast trof ik er ook enkele kloppers uit silex aan. Het betreft vooral bolvormige keien, waarschijnlijk oude kernen, die over de hele omtrek sporen van verbrijzeling vertonen en onmiskenbaar gebruikt werden bij het afhaken van klingen en afslagen. Verder trof ik ook talrijke kerntabletten, kernrandklingen en kernflanken aan. Deze afvalproducten wijzen op het bewerken van een kern volgens een ingewikkelde en hoogstaande stap-voor-stap-techniek die een sterk ontwikkeld denkvermogen laat vermoeden : eerst werd een slagvlak bepaald, vervolgens werd een kernrand (rib) voorbereid, waarlangs dan gemakkelijk klingen en microklingen konden afgeslagen worden. Mislukkingen tijdens de bewerking maakten vaak een tweede slagvlak aan de tegenovergestelde kant noodzakelijk. Later dienden de slagvlakken en de kernflank soms vernieuwd te worden. De kleine omvang, de kwalitatief hoogstaande bewerkingstechniek (het gebruik van de kernrandmethode en de sterke gerichtheid op de productie van klingen en vooral microklingen) en het vaak voorkomen van 2 tegen­ gestelde of kruisende slagrichtingen lijken aan te tonen dat de kernen van beide vindplaatsen overwegend van mesolithische oorsprong zijn. Toch is het niet onmogelijk dat een aantal van deze kernen door latere neolithische groepen vervaardigd werden. Op beide vindplaatsen trof ik immers ty­ pische midden- en laatneolithische artefacten aan die met de mesolithische vermengd geraakten. En op sommige sites heeft men nog al vastgesteld dat neolitische groepen, omwille van de kleine omvang van de beschikba­ re grondstof of door overname van de mesolithische traditie van hun voor­ ouders, een mesolithisch aandoende bewerkingstechniek bleven toepassen. De afhakingen van de kernen bestaan uit afslagen maar vooral uit klingen. Vooral op de vindplaats langs de Baertstraat komen erg veel microklingen voor. Deze laatste zijn meestal eerder kort, met onregelmatige boorden, 1 centrale nerf en een smallere hiel (de zgn. Coincy-stijl). De zgn. Montbanistijl, waarbij langere microklingen met erg parallelle boorden, vaak 2 ner­ ven en een brede hiel van erg regelmatige kernen met 1 slagvlak (Fig. 172


Figuur 10 : Mesolithische artefacten uit Egem-Baertstraat : kern voor Montbaniklingen (1) ; lichtblauw gepatineerde prismatische kern voor microklingen met 2 tegengestelde slagrichtingen (2) ; kern voor microklingen met 2 kruisende slagrichtingen (3) ; hoekstekers (4-5) ; ruimer op microkling (6) ; kleine schrabbers (7-8) (op ware grootte).

173


10.1) werden afgeslagen, werd er weinig toegepast. Een deel van de klingen, microklingen en afslagen, vertoont retouches waarmee ze destijds in een tweede faze omgevormd werden tot jachtgerei en huishoudelijke werktuigen. De bedoeling van dit 'retoucheren' was het artefact een bepaalde vorm te geven (puntig, hoekig, afgerond, driehoekig, enz.), de boorden of de uiteinden van het werktuig korter en steviger te maken of door afstomping te vermijden dat men zich zou snijden. Dit neemt niet weg dat een groot deel van de aangetroffen artefacten die niet geretoucheerd zijn, ook als werktuig gefungeerd kunnen hebben. Dit wordt trouwens bevestigd door de sporadische aanwezigheid van schijnbare slijtagesporen en onregelmatige gebruiksretouches. 3.4.6. De vervaardiging en het gebruik van jachtgerei Tijdens de jacht lieten de mesolithische mensen zich waarschijnlijk verge足 zellen door de hond die toen reeds gedomesticeerd was. Mogelijk bevaarden ze ook bepaalde trajecten van de Devebeek in tot kano's gehakte boomstammen om er op waterwild te jagen of te vissen. Ze jaagden niet alleen met speren en harpoenen, maar maakten vooral gebruik van pijl en boog. Deze laatste was reeds vanaf het einde van de laatste ijstijd in gebruik en was, zoals o.a. blijkt uit Spaanse rotstekeningen, tijdens het mesolithicum gemeengoed geworden. Hun speren, pijlen en eventueel hun harpoenen werden uit gepolijst hout vervaardigd. Aan het ene uiteinde werden, met behulp van boomhars of -teer (een pekachtige vloeistof die verkregen werd door berke- of denneschors in een zuurstofarme omgeving - bijv. een kuiltje in de grond - te verbranden) en een primitief bindmiddel (bijv. uit de pees of de darm van een dier, de bast van een boom of stengels van bepaalde planten), een puntige spits (Fig. 18.1) en eventueel een weer足 haak, beide in silex, bevestigd. Het zijn precies dergelijke spitsen en weerhaken in silex die ik in grote getale (een 40-tal) langs de Egemse Baertstraat (Fig. 11) en in mindere mate (een 20-tal) ook op de Pittemse Nachtegaal (Fig. 12) heb aangetrof足 fen. Juliaan Claerhout vond destijds enkele dergelijke artefacten zonder ze echter te herkennen. Het betreft hier zgn. 'bewapeningen' (jachtwerktuigen) die gidsfossielen zijn voor de mesolithische cultuur en dus mijn beste argumenten vormen voor de aanwezigheid van mensen in Pittem en Egem tussen 8000 en 4000 voor Chr. Het gaat om kleine silexartefacten ('microlieten' genoemd) die via erg steile retouches omgevormd zijn tot een spitse vorm (spitsen met schuine afknotting, eventueel met bijkomende geretou足 cheerde basis, spitsen met afgestompte boord, driehoekige spitsen) of tot een herkenbare geometrische vorm (driehoeken, trapezia). De vervaardiging van driehoeken en trapezia gebeurde door eerst op een 174


Figuur 11 : Vroeg-mesolithische microlieten uit Egem-Baertstraat : spitsen met schuine (15) en concave (6-7) afknotting ; spitsen met schuine afknotting en geretoucheerde basis (811); spitsen met afgestompte boord ( 12-20) ; atypische driehoeken (21-23) ; microklingen met afgestompte boord (24-26) (op ware grootte).

175


microkling een inkerving aan te brengen en daarna deze microkling t.h.v. de inkerving te breken (de zgn. kerfhalveringstechniek) (Fig. 13). Vervolgens kon het afgebroken stuk gemakkelijk tot een driehoek of tra­ pezium worden bijgewerkt. Enkele 'kerfresten' (het stuk van de microkling dat als afval beschouwd werd) op beide vindplaatsen (Fig. 12.16-17) bewijzen dat men er deze mesolithische techniek inderdaad toepaste. De productie van microlieten verliep overigens erg gestandaardiseerd. Dit wijst erop dat deze mensen vooraf een duidelijk model voor ogen hadden dat blijkbaar mondeling werd doorgegeven - en over een groot vakman­ schap beschikten. Deze microlieten werden meestal in combinatie met elkaar (als een spits met een weerhaak of als een reeks van weerhaken) op een harpoen, speer of pijl gemonteerd. Tijdens de 4000 jaar mesolithicum kende de productie van deze bewapeningswerktuigen een evolutie. Waar aanvankelijk (vroeg-mesolithicum : 8300 - 6800 v. Chr.) vnl. spitsen met schuine afknotting of afgestompte boord en cirkelsegmenten werden vervaardigd, werden in een latere faze (midden-mesolithicum : 6800 - 6000 v. Chr.) vooral driehoeken, driehoeksspitsen en spitsen met oppervlakteretouche gemaakt. Op het einde van het mesolithicum (laat-mesolithicum : 6000 - 4000 v. Chr.) produceer­ de men overwegend allerlei soorten trapezia, meestal op Montbaniklingen. Op beide vindplaatsen vond ik ook een paar microklingen met afgestomp­ te boord (Fig. 11 en 12). Sommige van deze werktuigen hebben net als vele ongeretoucheerde microklingen mogelijk als mesjes of - in combinatie - als mesheft of speer- of harpoenbewapening dienst gedaan, hoewel expe­ rimenteel archeologisch onderzoek aantoonde dat gebruik als vishaak vrij efficiënt is. Daarnaast trof ik er talrijke afgeknotte klingen en microklin­ gen aan. Dit zijn (micro)klingen waar één of beide uiteinden werden afge­ broken en bijgewerkt. Deze techniek, ook algemeen binnen de mesolithi­ sche cultuur, had de bedoeling om de uiteinden korter te maken en te ver­ stevigen of als een tandrad in elkaar te laten passen zodat deze artefacten gemakkelijk in een samengesteld mesheft konden gebruikt worden. 3.4.7. De vervaardiging en het gebruik van huishoudelijke werktuigen Voor het ontschorsen en bewerken van takken bij de bouw van hun kam­ pen en het vervaardigen van hun speren en pijlen, het villen en versnijden van de jachtbuit, het reinigen en bewerken van dierehuiden, het verwerken ervan tot kledij en het bewerken van been en gewei, enz. gebruikten de mesolithische mensen zgn. 'huishoudelijke werktuigen' uit silex : stekers, schrabbers, messen en boren en allerlei geretoucheerde afslagen, klingen en microklingen die als mes, zaag, schaaf, beitel of boor fungeerden. Zowel de vindplaats langs de Egemse Baertstraat als deze op de Pittemse 176


Figuur 12 : Mesolithische artefacten uit Pittem-Nachtegaal : spitsen met schuine (1-4) afknotting ; microkling met convexe afknotting (5) ; spitsen met schuine afknotting en gere­ toucheerde basis (6-7) ; atypische driehoek (8) : driehoeken (9-11); microklingen met afge­ stompte boord (12-14) ; rechthoekig trapezium (15) ; kerfresten (16-17) (op ware grootte).

177


Nachtegaal leverden alle types werktuigen op, in tegenstelling met de andere (neolithische) vindplaatsen die vaak uitsluitend schrabbers ople­ verden. Toch is het onzeker of al deze werktuigen door mesolithische nomaden vervaardigd zijn. Een aantal ervan werd mogelijk door de latere neolithische bevolking gemaakt en ten gevolge van verspoeling en landbouwbewerking met de mesolithische werktuigen vermengd. De huishou­ delijke werktuigen van beide culturen lijken helaas vaak erg goed op elkaar. De paar stekers die ik op beide vindplaatsen vond zijn quasi zeker door de mesolithische mens vervaardigd. Dit geldt vooral voor de stekers (steeds hoekstekers) (Fig. 10.4-5) van de vindplaats langs de Baertstraat die niet alleen op dunne en smalle klingen gemaakt zijn, maar bovendien uit een zwarte, glanzende, fijnkorrelige silexsoort waaruit heel wat microlieten gemaakt werden. De vervaardiging ervan gebeurde door het uiteinde van een kling af te knotten en van één boord een kleine afslag af te haken zodat een beitelsnede gevormd werd. Deze beitelsnede was breder en sterker dan het snij­ dend gedeelte van een mes zodat men er gemakkelijk mee in hout of been kon snijden. Zo gebruikte men een steker om in hout of been een priem of spatel uit te snijden, om een nerf in de houten steel, waarin een mes of weerhaak werd geplaatst, uit te snijden en om in been of gewei een gravu­ re te maken. Ik vond een paar honderd schrabbers in Pittem en Egem. Een schrabber werd vervaardigd op een afslag of kling. Hierbij werd het uiteinde (zelden de boord) bijgewerkt zodat de rand verstevigd werd en ook een min of meer ronde vorm ontstond. Soms werd het artefact over de hele omtrek bijgewerkt zodat een cirkel- of ovaalschrabber ontstond (Fig. 7.3). Het is mogelijk dat schrabbers op een steel of handvat gemonteerd werden. Men gaat er van uit dat schrabbers dienden om huiden te reinigen (bijv. het ver­ wijderen van de vliezen) of de doornen en de schors van takken af te schra­ pen. Een aantal van de langs de Baertstraat en op de Nachtegaal aangetroffen schrabbers zijn vervaardigd op dunne afslagen en van klein formaat (Fig. 10.7-8). Vaak betreft het cirkel- of ovaalvormige schrabbers waar aan de rugzijde vaak de schors, schijnbaar opzettelijk, bewaard is. Ik vond ook enkele erg kleine schrabbers in de vorm van een duimnagel. Het schrabbertje uit Wommersomkwartsiet vermeldde ik al. Onder voorbehoud beschouw ik vooral deze kleine, min of meer ronde schrabbertjes eveneens als mesolithisch. Ook enkel gekerfde artefacten die ik er aantrof behoorden wellicht toe aan deze mesolithische mensen. Ze werden gemaakt door op een boord van 178


Figuur 13 : De kerfhalveringstechniek : Het inkerven (2) van een microkling ( 1) vergemak­ kelijkt het breken ervan (3) ; terwijl de uiteinden (kerfresten) (4b en 4c) worden wegge­ gooid, wordt het middenstuk (4a) bijgewerkt tot een driehoek (5).

179


een kling (soms een afslag) een min of meer ronde inkerving te retouche­ ren (foto p. 181). Deze werktuigen worden als een soort schaafje of schrabbertje beschouwd, waarmee bijv. een tak kon ontschorst worden. Gekerfde klingfragmenten kunnen overigens ook wijzen op een toepassing van de kerfhalveringstechniek. Het aanbrengen van een kerf op een kling was een goede methode om de kling precies op die plaats in twee te breken. Beide vindplaatsen leverden talrijke boren en aanverwante werktuigen (bekken en ruimers) op, naast enkele uitzonderlijke dubbelboren. Een boor is een artefact dat aan het uiteinde bijgewerkt is tot een doornvormige punt. Wanneer deze punt erg grof is, spreekt men van een bek. Door te draaien kon met deze werktuigen in hout, been, steen of dierehuid een gaatje geboord worden. Sommige boren, overwegend afkomstig van de vind­ plaats langs de Baertstraat, zijn op dunne microklingen uit glanzende, fijn­ korrelige silex vervaardigd en geven daardoor de indruk door mesolithische mensen gemaakt te zijn (Fig. 10.6), terwijl de vele boren, op dikkere klingen en vooral op afslagen en vaak in zwartgrijze silex met witte stip­ pen vervaardigd, waarschijnlijk in het neolithicum thuishoren. De messen die ik er aantrof zijn moeilijk in het mesolithicum te plaatsen. Een mes is een lange afslag of kling waarvan de ene boord (deze die in de hand lag of gemonteerd of vastgekleefd werd in een handvat uit hout of schors) niet snijdt en de andere wel. De niet snijdende boord bestaat uit silexschors ('mes met natuurlijke boord') of is door bijwerking stomp gemaakt ('mes met afgestompte boord'). De andere boord werd gebruikt om te snijden en vertoont vaak gebruiksretouche (slijtage) of een gebruiksglans. Ongetwijfeld hebben ook vele van de aangetroffen ongeretoucheer­ de klingen en microklingen als mes dienst gedaan. Enkele mooie messen van de vindplaats langs de Baertstraat die op een dikke afslag vervaardigd zijn en gebruiksglans of gebruiksretouche vertonen, lijken eerder in het neolithicum thuis te horen. 3.4.8. Een meer preciese datering Dat de vindplaatsen langs de Egemse Baertstraat en op de Pittemse Nachtegaal tijdens het mesolithicum (8000 - 4000 v. Chr.) door mensen bezocht werden, lijdt op basis van een aantal typische artefacten geen twij­ fel. Zijn er aanwijzingen voor een meer preciese datering ? De Egemse vindplaats is niet alleen de rijkste (5000 stuks) maar leverde een hoger percentage typisch mesolithische artefacten op. Ze is gelegen op een langgerekte, iets hoger gelegen gordel tussen de bronnen van de Breemeersbeek en de Egemse dorpsheuvel (cuestakam). De bodem bestaat er uit vrij droge, lichte zandleem. Binnen deze vindplaats zijn duidelijk 2 concentraties vast te stellen. De toegepaste techniek en vooral de aard van 180


Vroeg-mesolithische microlieten uit Egem (Baertstraat) : spits met schuine afknotting (1), spits met 2 afgestompte boorden (2), spits met afgestompte boord (3). Laat-mesolithische artefacten : gekerfde Montbanikling uit Egem (Baertstraat) (4), recht­ hoekig trapezium op Montbanikling uit Pittem (Nachtegaal) (5), bandkeramische spits uit Egem (Baertstraat) (6). (foto's DC).

181


de microlieten (Fig. 11) (foto p. 181) maken het mogelijk een nauwkeuri­ ger datering te wagen. Het lage percentage Wommersomkwartsiet, het overwicht van kernen met tegengestelde en kruisende slagrichtingen, de talrijke microklingen in Coincystijl, de talrijke en gevarieerde huishoude­ lijke werktuigen waaronder enkele stekers, enkele microklingen met afge­ stompte boord, de talrijke spitsen met schuine afknotting (11 stuks), de vele spitsen met afgestompte boord ( 10 st.) en de spitsen met schuine afknotting en geretoucheerde basis (een soort primitieve rechthoekige tra­ pezia) (5 st.), de weinige driehoeken (3 st., waarvan 2 erg primitief) en driehoeksspitsen (1 ex.) pleiten duidelijk voor een vroeg-mesolithische groep (epi-Ahrensburgiaan ?) die kort na het einde van de ijstijd, dus tus­ sen ca. 8500 en 7000 v. Chr., deze plaats bezocht. Gezien de grote hoe­ veelheid materiaal werd deze plaats ofwel herhaaldelijk bezocht (mis­ schien door dezelfde groep) ofwel was hier een soort basiskamp waar een groep vrij lang verbleef. Toch zijn er op deze plaats enkele aanwijzingen voor een bezoek tijdens de late faze (6000 - 4000 v. Chr.) van het mesolithicum. De recente vondst van 3 trapezia van het schuine type en de aanwezigheid van vele kernen met 1 slagvlak, enkele Montbanikernen en -klingen (o.a. in Wommersom­ kwartsiet), en vrij veel kerfresten laten dit vermoeden. De vreemde aan­ wezigheid van een vroeg-neolithische, bandkeramische spits (infra) kan hierdoor verklaard worden (foto p. 181). Deze laatste kan enkel rond 5000 v. Chr. naar deze plaats zijn meegebracht door een laat-mesolithische groep die voorheen met een vroeg-neolithische nederzetting in Midden-België in contact kwam. De vindplaats op de Pittemse Nachtegaal omvat een hoger percentage neolithisch materiaal. Maar de vele spitsen met schuine afknotting (11 st.), 1 spits met schuine afknotting en geretoucheerde basis, de typische ongelijkbenige driehoeken (4 st.) en enkele microklingen met afgestompte boord zijn afkomstig van een scherp af te lijnen zone en onmiskenbaar van mesolithische oorsprong (Fig. 12). Een datering in een eerder vroege of middenfaze van het mesolithicum is aannemelijk. Terwijl het enige recht­ hoekige trapezium, op Montbanikling vervaardigd (Fig. 12.13) (foto p. 181), de aanwezigheid van een laat-mesolithische groep niet uitsluit. 3.5. Bewoning in Pittem en Egem tijdens het neolithicum en de vroege bronstijd 3.5.1. Het vroege neolithicum in Midden-België Rond 5500 v. Chr. begon voor onze streken een nieuwe klimaatsfaze (atlanticum). De gemiddelde temperatuur lag zelfs enigszins hoger dan nu. De ijskap was in die mate afgesmolten dat het gebied tussen Noordwest182


Frankrijk en Engeland volledig overstroomde en West-Vlaanderen aan de Noordzee kwam te liggen. Door de gestegen zeespiegel steeg ook de grondwatertafel zodat zich op vele plaatsen veen ontwikkelde. De flora van onze streek bestond toen uit een gemengd eikenbos (eik, linde, olm, es, els) dat volledig dichtgegroeid was. De dierenwereld was ongeveer dezelfde als tijdens het laat-mesolithicum : enkel de eland en de oeros waren zeldzamer. De domesticatie van geiten, schapen en het oerrund, het kweken van wilde granen, peulvruchten en vlas en het vervaardigen van keramiek ontwik­ kelden zich vanaf 9000 v. Chr. geleidelijk aan in het Nabije-Oosten. Deze revolutie van de landbouw en veeteelt waarbij de mens zelf gedeeltelijk voedsel en kledij ging produceren, verspreidde zich daarna over Zuid- en Centraal-Europa. Rond 5300 v. Chr. verschenen in België de eerste groepen mensen die een primitieve vorm van landbouw en veeteelt bedreven en gebakken aarde­ werk met bandversiering vervaardigden. Ze waren afkomstig uit CentraalEuropa (Donaugebied) en behoorden tot de Bandkeramiek- of Donaucultuur. Kort daarna verschenen nog andere groepen (o.a. de Blicquy-groep, afkomstig uit het Bekken van Parijs) in België. Deze cul­ turen brengt men onder in het vroeg-neolithicum (5300 - 4700 v. Chr.). Deze vroeg-neolithische groepen bouwden permanente nederzettingen op de gemakkelijk te bewerken en toch vruchtbare leemgronden van MiddenBelgië (Haspengouw, Henegouwen). Door met stenen dissels de bomen te kappen en het kreupelhout en gras af te branden, ontgonnen ze hier en daar een klein deel van het woud. In de asse zaaiden ze afwisselend graange­ wassen (tarwe en gerst) en peulvruchten (erwten) die met een sikkel, waar­ in silexmesjes waren gemonteerd, geoogst werden. Later werd de uitge­ putte grond als weiland voor hun vee (vnl. runderen, enkele geiten, scha­ pen en varkens) gebruikt waardoor hij opnieuw bemest werd. Hun nederzettingen waren klein en bestonden uit 10 tot 15 grote rechthoe­ kige (bandkeramiek) of trapeziumvormige (Blicquy) huizen. Deze wonin­ gen werden ondersteund door eikehouten palen, de muren bestonden uit een vlechtwerk van takken (bijv. van de hazelaar) dat met leem of klei bepleisterd en met een dak uit stro of riet bedekt werd. Het bezit van deze mensen was ongetwijfeld uitgebreider dan dat van de mesolithische nomaden maar de tol die ze hiervoor betaalden was hoog. Hun eigendom (woning, grond, akker, veestapel) diende opgebouwd, onderhouden en vooral ook verdedigd te worden tegen de mesolithische groepen die nog steeds rondtrokken en waarmee de contacten niet altijd vreedzaam verliepen. Het is niet te verwonderen dat hun nederzetting door een palissade (houten omheining) en gracht beschermd werd. Niet langer 183


levend van wat de natuur hen te bieden had, waren ze afhankelijk van een goede oogst en van het in leven blijven en het behoud van hun vee. Vermoedelijk dienden deze mensen erg hard te werken om in hun levens­ onderhoud te voorzien. De bijna paradijselijke toestand waarin de laatmesolithische mensen leefden, was a.h.w. verloren gegaan. Om hun menu aan te vullen, hielden ze zich sporadisch met visvangst en jacht bezig. Hun bewapeningswerktuigen (pijlspitsen met schuine basis) en huishoudelijke werktuigen werden vnl. vervaardigd op brede klingen die van silexknollen van hoge kwaliteit (oorsprong onbekend) waren afgehaakt. Van deze eerste landbouwers en veetelers uit het vroege neolithicum zijn tot op heden in West-Vlaanderen geen sporen teruggevonden, waarschijn­ lijk omdat deze mensen sterk gebonden waren aan de leemgronden. Ook in onze streek leefde men tussen 5300 en 4200 v. Chr. nog volop volgens laat-mesolithische tradities. Toch trof ik op de vindplaats langs de Baertstraat in Egem een mooie bandkeramische spits aan die er vermoe­ delijk door een laat-mesolithische groep, die eerder in contact kwam met een vroeg-neolitische nederzetting, werd achtergelaten. 3.5.2. De eerste landbouwers en veetelers in Pittem en Egem tijdens het midden-neolithicum De vroegste bewoning (in de ware bekentenis van het woord) en toepas­ sing van veeteelt en landbouw vonden in West-Vlaanderen vermoedelijk pas plaats aan het begin van het midden-neolithicum (4200 - 3800 v. Chr.). Dit gebeurde allicht met de komst van mensen die tot de Michelsbergcultuur behoorden. Deze cultuur was in het Duitse Rijnland uit de late bandkeramiekcultuur ontstaan en had zich vanuit Noord-Frankrijk over ons land verspreid. Voor West-Vlaanderen zijn o.a. de nederzettingen van Spiere, de Kemmelberg en Aalter bekend. De versterkte nederzettingen van deze mensen bestonden uit enkele recht­ hoekige huizen. Ze waren gelegen op een heuvel of tussen 2 rivieren, steeds in de buurt van een bron, en omgeven door palissades en grachten. Deze mensen zijn vooral bekend als telers van runderen en in mindere mate varkens, schapen en geiten. Terwijl de runderen binnen de nederzet­ ting werden gekweekt, verliet een deel van de inwoners waarschijnlijk op gezette tijden het dorp om als herder met een kudde schapen en geiten een semi-nomadisch leven te leiden. Daarnaast deden ze ook aan landbouw en sporadisch gingen ze op jacht. Ze vervaardigden keramiek die geglad was, weliswaar zonder versiering (bijv. tulpvormige bekers). In Pittem en Egem vond ik op minstens 6 plaatsen (Egem-Baertstraat, Pittem-Nachtegaal, Pittem-Turkije, Pittem-Hellebos, Pittem-Het Hoge, 184


Figuur 14 : Midden-neolithische artefacten uit Egem-Baertstraat : een afslagbijl in zwartgrijsgevlekte silex (1), de hiel van een ongepolijste bijl in Spiennessilex (2), een afgebro­ ken aangepunte kling of dolk in lichtgrijze silex (3) (op ware grootte).

185


Pittem-Bloting) silexartefacten die door midden-neolithische mensen ver­ vaardigd en gebruikt werden (zowel op de Ardooise Bergmolen als de Tieltse Bergmolen, Elshoek en Poelberg vond ik gelijkaardig materiaal waar ik hier niet verder kan op ingaan). Deze mensen waren ongetwijfeld de eersten om er vanaf 4000 v. Chr. grote delen van het bos te ontginnen, zich te vestigen en landbouw en veeteelt te bedrijven. Het is onduidelijk of het hier om ingeweken groepen ging dan wel om regionale mesolithische groepen die geleidelijk, via insijpeling van nieuwe methodes, een andere bestaanswijze ontwikkelden. Het is opvallend dat de 6 vindplaatsen meestal op het cuestafront of zelfs op de cuestakam, doorgaans wat hoger dan de mesolithische vindplaatsen, en steeds in de buurt van de bron van een beek, gelegen zijn. Zowel de inplanting van deze nederzettingen als het type silexartefacten vormen een aanwijzing dat het om een bevolking ging die verwant is met de Michelsbergcultuur. Deze hadden immers een uitgesproken voorkeur om zich op natuurlijk versterkte plaatsen te vestigen. Een aantal aangetroffen werktuigen wijzen op bosontginning en houtbe­ werking en dus onrechtstreeks op de bouw van houten huizen en misschien palissades. Zo trof ik in de nabijheid van de Egemse dorpsheuvel 2 onbe­ schadigde afslagbijlen en een klein ongepolijst bijltje met afgebroken snede aan (Fig. 14). Deze bijltjes werden destijds op een schacht gemon­ teerd (foto p. 197). Vaak werd hiervoor essehout gebruikt. Met deze vrij kleine bijltjes kon bijv. een boomstam of een tak met een diameter van 20 cm op een kwartier tijd worden omgehakt. Te vermelden zijn alleszins 2 grote fragmenten die tot het lemmet van een dolk behoorden (Fig. 14). Het dolklemmet werd verkregen door beide boorden van een lange kling tot een punt te retoucheren. Het werd destijds met behulp van een pees van een dier in een houten heft bevestigd. De in de Oostenrijks-Italiaanse Alpengletsjer ontdekte 'gletsjerman' uit het late neolithicum droeg een dergelijke dolk bij zich. Hij was gevat in essehout en werd in een uit stroken boombast gevlochten schede aan de gordel mee­ gedragen. De op verschillende plaatsen aangetroffen grote schrabbers, meestal in de vorm van een hoefijzer op brede en robuuste afslagen vervaardigd (Fig. 15), zijn hoogstwaarschijnlijk ook binnen deze periode te situeren, evenals een groot aantal boren en dubbelboren (Fig. 15) op afslag. Ook de talrijke zware klingen, soms geretoucheerd, horen in deze periode thuis. Al deze werktuigen dienden waarschijnlijk vnl. bij de bewerking van dierehuid, hout en planten. Onder enig voorbehoud (eventueel laat-neolithisch) vermeld ik voor deze periode ook een aantal messen met natuurlijke (Fig. 15) en afgestompte 186


Figuur 15 : Midden-neolithische huishoudelijke werktuigen : massieve schrabbers (Baertstraat) (1-2) ; dikke klingschrabber (Hellebos) (3) ; mes met natuurlijke boord en gebruiksretouche (Turkije) (4) ; dubbelboor (Turkije) (5). Laat(?)-neolithische gepolijste artefacten uit Egem-Baertstraat : kern uit gepolijste bijl (6) ; schrabbertje op afslag van gepo­ lijste bijl (7) (op ware grootte).

187


boord die gebruiksglans (bewerking van plantaardig materiaal ?) of gebruiksretouches vertonen. Vermoedelijk waren deze werktuigen destijds in een houten heft geschacht. Jachtgerei uit het midden-neolithicum trof ik aan onder de vorm van 5 pijl­ punten (Fig. 16). Vier ervan zijn bladvormig tot driehoekig van vorm en vrij klein. Het retoucheren gebeurde alleen t.h.v. de randen. Het vijfde exemplaar is een vrij grote, slanke, dubbele wilgebladspits en werd op een dikke kling geretoucheerd. Grote bladvormige pijlpunten trof ik verder niet aan. Juliaan Claerhout destijds echter wel. Onder voorbehoud vermeld ik hier ook een pijlpunt met brede, ruwe steel en zonder weerhaken (zonder dekkende retouche). Waarschijnlijk horen ook een aantal vrij kleine 'pijlsnedes' (de klassieke pijlpunt is hier vervangen door de lange basis van een trapezium) met een driehoekige vorm tot deze periode (Fig. 16). Al deze pijlpunten en -snedes werden met hars of berketeer en een dierepees of -darm op een houten pijl gemonteerd en verwijzen naar het gebruik van de boog tijdens de jacht of de strijd tegen plunderende mesolithische groepen. Uit de gebruikte grondstof kan ik opmaken dat de eerste Pittemnaars en Egemnaars zich onder meer in de silexmijnen van Henegouwen, waarvan de meest gekende deze van Spiennes (nabij Mons) is, of van NoordFrankrijk, van silex bevoorraadden. In Spiennes bijv. werd reeds vanaf 4400 v. Chr. door een kleine groep pre­ historische mensen op bijna industriële schaal silex uit de dagzomende krijtlagen ontgonnen. Deze 'Spiennes-silex' is vaak witgrijs of witbeige van kleur, nogal grofkorrelig en daarom erg herkenbaar. Omwille van de grove korrel was hij weliswaar moeilijker te bewerken maar daarentegen minder broos en daarom erg bruikbaar voor de vervaardiging van zware werktui­ gen voor de houtbewerking. Hij werd destijds als ruwe grondstof (vooral voor de aanmaak van speciale en gesofisticeerde werktuigen als grote klin­ gen, bijlen en dolken) maar vooral als halfafgewerkt product (voorgekapte bijlen, lange klingen) door rondtrekkende handelaars naar nederzettingen over heel West-Europa uitgevoerd. De ontginning en uitvoer gingen tij­ dens het hele midden- en laat-neolithicum door. Gezien in de bronstijd enkel luxevoorwerpen uit brons bestonden, werd er zelfs dan nog silex ont­ gonnen en uitgevoerd. Pas met de ijzertijd (vanaf 750 v. Chr.) raakten de silexmijnen stilaan in onbruik, vermits vanaf toen ook de dagelijkse werk­ tuigen uit metaal werden vervaardigd. Zoals Juliaan Claerhout al vaststelde, is een deel van de midden-neolithische artefacten uit Pittem en Egem in Spiennesachtige silex vervaardigd. Van de beschreven artefacten zijn de ongepolijste bijl, een dolklemmet, een driehoekig pijlpunt, een pijlsnede, een robuuste schrabber, twee boren en enkele geretoucheerde klingen uit deze witgrijze tot witbeige silexsoort 188


Figuur 16 : Midden-neolithische pijlbewapening : driehoekig pijlpunt (Nachtegaal) ( 1), wilgebladpijlpunt (Baertstraat) (2), gebroken bladpijlpunt (Baertstraat) (3), bladpijlpunt (Baertstraat) (4), bladpijlpunt (Het Hoge) (5), ruw gesteeld pijlpunt (Hellebos) (6), kleine pijlsnedes (Baertstraat : 7, 8 ; Het Hoge : 9 ; Bloting-Berg : 10) (op ware grootte).

189


gemaakt. Mijnbouwsilex was voor deze eerste Pittemnaars en Egemnaars ongetwijfeld kostbaar en werd dan ook zoveel mogelijk gerecupereerd. Waarschijnlijk werden vooral bijlen ingevoerd en werd een in onbruik geraakte bijl nadien als kern gebruikt om nieuwe afslagen af te haken en tot alledaagse, huishoudelijke werktuigen om te vormen. Een groot aantal van de als midden-neolitische herkenbare artefacten zijn uit een zwart tot donkergrijze (naar de kern toe zelfs lichtgrijs), nogal matte silex met witte stippen en krijtachtige schors vervaardigd. Het betreft voor­ al schrabbers en enkele boren. Deze silexsoort werd reeds op vele middenneolitische nederzettingen aangetroffen en werd destijds waarschijnlijk eveneens uit één of ander mijnbouwcentrum ingevoerd. Andere werktui­ gen (bijv. dikke klingen) zijn uit zwarte, glanzende silex met dikke, krijt­ achtige schors vervaardigd die waarschijnlijk eveneens uit één of andere silexmijn (Obourg ?) ingevoerd werd. De eerste landbouwers en veetelers in Pittem en Egem maakten ongetwij­ feld ook gebruik van kleinere, plaatselijke (tertiaire silex van op de cuesta) of regionale (oude Leieterrassen) silexkeien en -brokken, waarschijnlijk voor de vervaardiging van alledaagse werktuigen. Omwille van de onuit­ puttelijke, weliswaar dure voorziening via de silexmijnen en omdat plaat­ selijke silex t.g.v. de ontginning van het bos en de bewerking van de grond niet langer schaars was, gebeurde de plaatselijke silexbewerking meestal nonchalanter dan in het mesolithicum en vroege neolithicum zodat de indruk ontstaat van een minder verfijnde, meer primitieve techniek. Allicht was dit ook een uiting van de toenemende specialisatie (boeren, herders, keramiekmakers, steenbewerkers, silexhandelaars) in de midden-neoliti­ sche maatschappij. Men produceerde vooral onregelmatige kernen voor de afhaking van dikke afslagen waarop dan overwegend schrabbers werden vervaardigd. De meeste kernen die ik in Pittem en Egem vond, kan ik niet in deze periode situeren. Mogelijk horen enkele onregelmatige kernen voor de pro­ ductie van eerder dikke afslagen hier thuis. Hoogstwaarschijnlijk leefden op dat moment in onze streek nog mesolithische restgroepen, die in de loop van het midden-neolithicum geleidelijk in de boerenbevolking wer­ den geïntegreerd. Contacten tussen beide culturen zullen tot ruilhandel en uitwisseling van technieken geleid hebben. Het is dan ook niet uitgesloten dat een deel van de mesolithisch aandoende kernen (kernen met 1 slagvlak voor de productie van microklingen) feitelijk door de midden-neolitische bevolking werden vervaardigd.

190


Figuur 17 : PijIbewapening uit het laat-neolithicum of vroege bronstijd : gesteelde pijlpunten (1-2), gesteelde pijlpunten met vleugels (3-10), grote pijlsnedes (11-16) (Baertstraat : 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13 ; Bloting-Berg : 1, 9, 16 ; Turkije : 8, 14, 15 ; Het Hoge : 4, 10) (op ware grootte).

191


3.5.3. Verdere bewoning in Pittem en Egem tijdens het late neolithicum en de vroege bronstijd Vermoedelijk ontwikkelden zich ten gevolge van inwijking van nieuwe volkeren en vermenging met de plaatselijke bevolking vanaf het laat-neolithicum (3800 - 2000 v. Chr.) over geheel West-Europa een zekere cultu­ rele eenheid. Deze kwam o. a. tot uiting in het megalitisme. Monumentale stenen bouwwerken (alleenstaande of in rijen of cirkels gegroepeerde men­ hirs ; dolmens, gang- en langgraven door een aarden wal bedekt) werden opgetrokken en bleven blijkbaar duizenden jaren als collectieve graven (bedekt door een aarden heuvel) of als religieuze heiligdommen en astro­ nomische observatoria in gebruik (bijv. Stonehenge, Carnac in Bretagne, Wéris in de Ardennen). In West-Europa ontwikkelden zich twee grote cul­ turen : in het zuiden de Seine-Oise-Mame-cultuur (vanaf 3800 v. Chr.) met 'bloempotaardewerk' en in het noorden de Bekercultuur (vanaf 2600 v. Chr.), genoemd naar de trechter- of klokvormige aardewerken bekers. Onze streken waren gelegen in het overgangsgebied van beide culturen. Deze bevolkingen ontgonnen verder het bos, waardoor de erosie van de bodem toenam. Ze bedreven zowel veeteelt als landbouw, waarbij de bekercultuurlieden de eerste eikehouten ploeg introduceerden, en spora­ disch ook de jacht. Over hun nederzettingen is in ons land weinig bekend, maar des te meer over hun grafcultuur. Beide culturen hielden stand tot in de vroege bronstijd (2000 - 1800 v. Chr.). Ze waren verantwoordelijk voor het verschijnen van de eerste metalen voorwerpen (eerst in koper en goud, nadien in brons) in onze streken. Op enkele plaatsen in Pittem en Egem trof ik artefacten aan die zonder twijfel in het laat-neolithicum (3800 - 2000 v. Chr.) of in het begin van de bronstijd moeten gesitueerd worden (ook de Tieltse Poelberg leverde enke­ le artefacten uit deze periode op). Zonder twijfel zijn een aantal pijlsnedes in deze periode vervaardigd (Fig. 17). Dit geldt ook voor een 10-tal pijl­ punten (Fig. 17). Deze pijlpunten werden uitgerust met een fijne steel en al of niet uitgesproken weerhaken, terwijl beide zijden volledig dekkend geretoucheerd werden. Voor de pijlen werden in onze streek vermoedelijk loten van de sneeuw­ bal, rode kornoelje, den of zelfs van berk en els gebruikt. Het jonge en rechte hout werd eerst met een stenen schrabber of mes ontschorst en ver­ volgens tussen 2 stenen (met een gleuf erin) gepolijst. Aan het ene uiteinde werd daarna met behulp van berketeer, boomhars of een dieredarm de ste­ nen pijlpunt of pijlsnede in een kerf gemonteerd (Fig. 18.2-3). Tot slot werd aan het andere uiteinde met behulp van berketeer en fijne draad (dierehaar) de bevering (bijv. de staartpluimen van een eend, eventueel blade­ ren) aangebracht en onderaan een kerf voor de boogpees ingesneden. Uit 192


Figuur 18 : Reconstructietekening van de montage van de vroeg-mesolithische spits met schuine afknotting uit fig. 11.3 (m.b.v. berketeer), het laat-neolithisch pijlpunt uit fig. 17.8 (m.b.v. een touwtje en berketeer) en de laat-neolithische pijlsnede uit fig. 17.12 (m.b.v. een dieredarm) op een gepolijste houten pijl.

193


de uitrusting die de laat-neolithische (3300 v. Chr.) gletsjerman uit de Oostenrijks-Italiaans Alpen bij zich had, blijkt dat dergelijke pijlen uit sneeuwbalhout ongeveer 1 m lang en 1 cm dik waren. Ze werden bewaard in een pijlkoker vervaardigd uit dierehuid. De boog waarmee hij deze pij­ len afschoot, was gemaakt uit elastisch dennehout (taxus) en was 1 m 80 lang, 20 cm langer dan zijn lichaamslengte, terwijl de boogpees uit boom­ bast was vervaardigd. De in Pittem en Egem aangetroffen pijlpunten zonder (Fig. 17.1-2) of met weinig uitgesproken weerhaken (eventueel ook de reeds vermelde pijlpunt met ruwe, brede steel) horen wellicht thuis in de iets oudere Seine-OiseMarne-cultuur, net als de rechthoekige of trapeziumvormige, vaak grote pijlsnedes. Daarentegen zijn de erg elegante pijlpunten met zeer fijne steel en lange (minstens even lang als de steel) weerhaken aan de iets jongere Bekercultuur toe te schrijven (bijv. 17.9-10). Dat ik in Pittem en Egem pijl­ punten uit beide laat-neolithische culturen aantrof, is niet verwonderlijk gezien onze streken in het overgangsgebied van beide gelegen waren. De aanwezigheid van al deze pijlpunten en pijlsnedes, meestal in groep op een veld aangetroffen, vertelt uiteraard meer over de plaats (Pittem-Hoge, Pittem-Bloting, Pittem-Turkije, Pittem-Nachtegaal, Egem-Baertstraat) van de toenmalige jachtgronden dan over de locatie van nederzettingen. Een op de Nachtegaal aangetroffen fragment met aan weerszijden grote dekkende retouches vormde destijds een steel van een groot werktuig (Fig. 19.4). Hoogstwaarschijnlijk betrof het een grote (sier)dolk die tijdens de bronstijd als een copie van de echte maar erg dure bronzen dolken (of spe­ ren) werd vervaardigd. Ook de talrijke afslagen met retouche aan beide zij­ den, afkomstig van dezelfde vindplaats, horen in deze periode thuis. Onder enig voorbehoud (eventueel midden-neolithisch) vermeld ik hier een bijna intacte gepolijste (eventueel beitel) met ovale doorsnede (Fig. 19.1). en de talrijke fragmenten van gepolijste bijlen (Fig. 19.2 en 3). De aanwezigheid van resten van gepolijste bijlen op talrijke plaatsen (o.a. Pittem-Nachtegaal, Pittem-Turkije, Egem-Baertstraat, Pittem-Het Hoge, Pittem-Bloting, Ardooie Bergmolen) vormt een belangrijke aanwijzing dat in deze periode reeds grote stukken van het bos gerooid en grote delen van deze regio door landbouwers bewerkt werden. Als grondstof voor deze bij­ len werd vnl. Spiennesachtige mijnbouwsilex gebruikt. Ze werden onder de vorm van voorgekapte bijlen geïmporteerd, op de nederzettingen zelf wat bijgewerkt en met behulp van een polijststeen (zandsteen, overvloe­ dig in onze streek aanwezig), zand en water gepolijst (foto p. 197). Vervolgens werden ze in een houten (vnl. es, eventueel eik of beuk) steel met behulp van berketeer en primitief touw (eventueel met een tussenstuk uit hertegewei) bevestigd. Na ernstige beschadiging werden ze vaak als 194


Figuur 19 : Laat-neolilhische artefacten : deels gepolijste bijl (of beitel) (1), fragment gepo­ lijste bijl (2), gebroken tweevlakkig bewerkt artefact (dolk ?) (4) (Pittem-Nachtegaal) ; groot fragment gepolijste bijl (3) (Egem-Baertstraat) (op ware grootte).

195


kern herbruikt en zo gerecycleerd tot huishoudelijke werktuigen. Zo vond ik langs de Egemse Baertstraat zowel een tot kern omgevormde gepolijste bijl als een klein rechthoekig schrabbertje dat op een afslag van een in onbruik geraakte gepolijste bijl werd vervaardigd, beide in dezelfde wit­ grijze, glanzende silex (Fig. 15.6-7). Ook op de Tieltse Poelberg vond ik een uiterst klein cirkelvormig schrabbertje dat op een dik fragment van een oude gepolijste bijl werd vervaardigd. Ook de op verschillende plaatsen aangetroffen cirkelschrabbers, op vrij dikke afslagen vervaardigd, kan ik onder enig voorbehoud in deze periode (nl. Seine-Oise-Marne-cultuur) situeren. De laat-neolithische bevolking van Pittem en Egem bleef naast geïmpor­ teerde silex (bijv. voor de bijlen) - verkregen via een silexhandelaar die zich in deze periode mogelijk reeds verplaatste met een kar met houten wielen en ingespannen rund - voort plaatselijke silex gebruiken. Zo werden de vermelde pijlpunten uit erg gevarieerde silex vervaardigd, nu eens uit doorschijnende, glanzende, zwartbruine of lichtbruine silex (van plaatse­ lijke oorsprong ?), dan weer uit matte, grijze (geïmporteerde ?) silex. BESLUITEN : VAN PREHISTORIE NAAR HISTORIE Uit mijn prospectie-onderzoek blijkt dat de mens al vroeg sporen in Pittem-Egem heeft achtergelaten. Van meetaf aan heeft de cuesta om tal van redenen een grote aantrekkingskracht op de mens uitgeoefend. Uit een overigens beperkt aantal artefacten kan voorzichtig afgeleid wor­ den dat vertegenwoordigers van het Neanderthalerras tussen 100.000 en 35.000 jaar geleden hier sporen nalieten en dat prehistorische mensen van het moderne type deze streek vóór het einde van de laatste ijstijd alleszins occasioneel bezocht hebben. Zonder twijfel mag ik besluiten dat het gebied langs de Egemse Baertstraat vanaf ongeveer 8500 v. Chr. en de Pittemse Nachtegaal enkele eeuwen later af en toe door mesolithische nomadengroepjes werden bezocht. Waarschijnlijk bleven dergelijke groepjes in onze streek volgens een mesolithisch, Indiaans model leven tot ongeveer 4000 v. Chr. Vanaf ongeveer 4000 v. Chr. kende Pittem-Egem op tal van plaatsen haar eerste, waar­ schijnlijk definitieve bewoning door mensen die geleidelijk het bos ont­ gonnen en landbouw en veeteelt bedreven. Dat de regio ook tijdens de bronstijd (2000 - 750 v. Chr.) bewoond bleef, bleek reeds uit de belangrij­ ke vaststellingen die Juliaan Claerhout in Dentergem deed. Ook vandaag wordt dit site nog steeds als een belangrijke protohistorische nederzetting beschouwd. Recent werd er trouwens via luchtfotografie een grafheuvel uit die periode gelocaliseerd. We zien geen reden waarom de mens in de loop van de ijzertijd (750 - 53 196


Gereconstrueerde montage van een Egemse midden-neolithische afslagbijl in een essehouten steel door Stefaan Depouvre ( 1). Reconstructie van het polijsten van neolithisehe bijlen tijdens een experimenteel-archeologisch weekend op het ArchĂŠosite van Aubechies (Blicquy) (2). (foto's DC).

197


v. Chr.) niet voort in Pittem en Egem aanwezig zou gebleven zijn hoewel archeologische bewijzen hiervoor ontbreken. Wel zijn enkele toponiemen uit Pittem-Egem ('Devebeek', het hof 'Ter Semmerzake' ten noorden van de samenvloeiing van Breemeers- en Zwartegatbeek, 'Bornebriel' als bron van de Devebeek ten zuiden van de Egemse dorpsheuvel en vlakbij de Baertstraat) wellicht van Keltische ('het goddelijke', 'plaats bij een samen­ vloeiing', 'omheining rond een bron') oorsprong, zodat een bewoning tij­ dens de late ijzertijd zeker aannemelijk is. Het is opvallend dat deze 3 top­ oniemen allemaal verband houden met de Devebeek. Deze beek die al tij­ dens het mesolithicum en neolithicum een sterke aantrekkingskracht op de mens bleek uit te oefenen, bleef waarschijnlijk ook voor de Kelten van groot belang. Ze voorzag mens en dier van drinkwater en leverde de gelegenheidsjager vis en waterwild waardoor ze een bron van leven was en mogelijk met het goddelijke werd vereenzelvigd. Waarschijnlijk vormde ze voor de toenmalige bevolking ook een rechtstreekse verkeersader naar de bevaarbare Mandei, Leie en Schelde. Tot slot meen ik, op basis van enkele muntvondsten (waarvan ik, steunend op nieuwe gegevens, enkel de zilveren tetradrachme van de Parthische koning Phraates IV en de gouden aurelius van keizer Nero als daadwerlijk afkomstig van Pittem kan weerhouden), de prospectie- en opgravingsgegevens van Claerhout en mijn eigen prospectiegegevens (dakpanmateriaal, witroze kalkmortel, Doornikse kalksteen, scherven van aardewerk, frag­ ment van een molensteen uit basaltlava) dat in de late ijzertijd op de Pittemse dorpsheuvel een Gallische landbouwnederzetting bestond die in de loop van de eerste eeuw na Chr. geromaniseerd werd. Aan het einde van de eerste of in de loop van de tweede eeuw werd daar door een bemiddelde Gallo-Romein (een plaatselijke, welgestelde handelaar, een gewezen legio­ nair of een uitgestuurde kolonist) een kleine Gallo-Romeinse villa gebouwd. Vermoedelijk reeds vanaf de derde eeuw hebben Germanen, die in tal van Pittemse en Egemse plaatsnamen (Pittem, Egem, Bekkem, Manegem en Oenegem) hun sporen hebben nagelaten, deze en naburige nederzettingen vernield en het land ingenomen. Uit hun nakomelingen zijn de vroeg-Middeleeuwse Pittemse (op een restheuvel) en Egemse (op de cuestakam) woonkernen ontstaan. Met hun eerste vermelding, respectie­ velijk in 1072 en 1179, doken deze definitief de geschiedenis binnen.

Dirk CALMEYN

198


G e r a a d p le e g d e w e rk e n

Ameryckx J., B o d e m k a a r t v a n B e lg ië , Wingene 53W, kaart met verklarende tekst, Gent, 1979. Arickx V., G e s c h ie d e n is va n P itte m , Pittem, 1981 (2). Arickx V., G e s c h ie d e n is va n E g e m , twee delen, Pittem, 1982. Bellier C. & Cattelain P., L a c h a s s e d a n s la p r é h is to ir e , Cedarc, 1990, 71 pp. Beuker J., V a k m a n s c h a p in v u u r s te e n , Assen, 1983, 140 pp. Boecking H., D ie P fe ils p itz e n d e s T r ie r -L u x e m b u r g e r L a n d e s , H e llin iu m , 1974, p. 3-21. Bourgeois J. , G e s c h ie d e n is v a n d e o u d s te tijd e n , kandidatuurscursus R.U.G., 1993-94. Cahen D. (ed. ), T a ille r, p o u r q u o i f a i r e : P r é h is to ir e e t te c h n o lo g ie lith iq u e II, S tu d ia P r a e h is to r ic a B e lg ic a , Tervuren, 1982, p. 1-194. Cahen D. & Haesaerts P. (eds). P e u p le s c h a s s e u r s d e la B e lg iq u e p r é h is to r iq u e d a n s le u r c a d r e n a tu r e l, Bruxelles, 1984, 268 pp. Calmeyn D. , G a llo -R o m e in s e a r c h e o lo g ic a u it P itte m , De Roede van Tielt, 1993, nr. 2, pp. 46-96. Calmeyn D., L a a t-m e s o lith is c h e c o n c e n tr a tie a a n d e R e g e n b e e k in R u m b e k e - R o e s e la r e , Rollarius, 1994, nr. 3, p. 110-112. Capenberghs J. (red.), G is te r e n v o o r b ij, Garant, 1991, 200 p. Casseyas C., H e t M ic h e ls b e r g c u ltu u r s ite v a n B e lle g e m , 'B o u w ', A r c h e o lo g is c h e en H is to r is c h e M o n o g r a fie ë n v a n Z u id -W e s t-V la a n d e r e n , nr. 26, 1991,31 pp. Cauwe N., L e n é o lith iq u e f i n a l en B e lg iq u e . A n a ly s e d u m a té r ie l lith iq u e , Cedarc, 1988, 72 pp. Claerhout J. , L e s s ta tio n s n é o lith iq u e s d e P itth e m , B u lle tin d e la S o c ié té r o y a le b e lg e d ’A n tr o p o lo g ie , 1903, p. 75-81. Claerhout J., L e n é o lith iq u e d e la F la n d r e O c c id e n ta le , A n n a le s d e la S o c ié té d 'A r c h é o lo g ie d e B r u x e lle s , 1907, p. 161-173. Crombé Ph., E e n p r e h is to r is c h s ite te K e r k h o v e (m e s o lith ic u m en n e o lith ic u m ), W e s h ’la a m se A r c h a e o lo g ic a , 1986, p. 3-40. Crombé Ph., E e n m id d e n - p a le o litis c h s ite o p d e K lu is b e r g , A r c h e o lo g is c h e I n v e n ta r is V la a n d e re n , B u ite n g e w o n e re e k s, 3, p. 7-42. Crombé Ph. & Van Der Haegen G., T w e e m id d e n - p a le o lith is c h e v in d p la a ts e n te A a lte r , A r c h e o lo g is c h e I n v e n ta r is V la a n d e r e n . Buitengewone reeks, 3, p. 49-95. De Heinzelin de Braucourt J., M a n u e l d e ty p o lo g ie d e s in d u s tr ie s lith iq u e s, Bruxelles, 1962, 74 pp., 50 PI. De Laet S., P r e h is to r is c h e c u ltu r e n in h e t zu id e n v a n d e la g e la n d e n , Universa, 1974, 562 pp. Denis J. (red.). G e o g r a fie v a n B e lg ië , Gemeentekrediet, 1992, p. 1-260. Gillès de Pélichy Ch„ L e s s ta tio n s p r é h is to r iq u e s d e la F la n d r e O c c id e n ta le , A n n a le s d e la F é d é r a tio n a r c h é o lo g iq u e e t h is to r iq u e d e B e lg iq u e , C o n g r è s d e G a n d , 1897, Tome XI, p. 31. Goossens D., In le id in g to t d e g e o lo g ie en g e o m o r fo lo g ie v a n B e lg ië , Enschede, 1984 (2), 205 pp. Gowlett J., H e t s p o o r d e r b e s c h a v in g : D e a r c h e o lo g ie v a n d e p r e h is to r ie , Elsevier, 1984, 208 pp. Hubert F., L 'e x p lo ita tio n d u s ile x à S p ie n n e s , A r c h a e o lo g ic u m B e lg ii S p é c u lu m , Bruxelles, 1988,63 pp. Huyge D., G e s c h ie d e n is la n g s d e zijlijn : D e p r e h is to r ie va n V la a n d e re n , Vlaanderen, 1990, p. 168-172. Jelinek J., E n c y c lo p é d ie illu s tr é e d e l'h o m m e p r é h is to r iq u e , Gründ, 1975, 560 pp.

199


Leguebe A. & Cahen D., T e n tijd e v a n d e S p y - m e n s . O n z e v o o r o u d e r s , d e n e a n d e r ta le r s , Gemeentekrediet, 1986, 87 pp. Louboutin C.. H e t s te n e n tijd p e rk . Standaard, 1993, 156 pp. Monnier J.-L., L a p r é h is to ir e : L e s h o m m e s d u p a lé o lith iq u e , Editions Ouest-France, 1992 (

2) .

Naert C., D y n a m ie k o p h e t c u e s ta fr o n t va n h e t o n d e r -p a n is e lia a n tu s s e n L i c h t e n ’e ld e en T ie lt, onuitgegeven verhandeling R.U.G.. 1984. Nougier L.-R., N a is s a n c e d e la c iv ilis a tio n , Lieu Commun, 1986, 390 pp. Ostyn R., H is to r is c h e s te d e n a tla s va n B e lg ië : T ie lt, Gemeentekrediet, 1993, p. 10. Piel-Desruisseaux J.-L., O u tils p r é h is to r iq u e s , Masson, 1986, 262 pp. Rozoy J.G., T y p o lo g ie d e l'é p ip a lé o lith iq u e ( m é s o lith iq u e ) fr a n c o - b e lg e . B u lle tin d e la S o c ié té p r é h is to r iq u e fr a n ç a is e , 1969, pp. 355-383. Sagaert M.-L., E n k e le a s p e c te n v a n d e m o r fo d y n a m ie k in h e t b e k k e n v a n d e P o e k e b e e k , onuitgegeven verhandeling R.U.G., 1984. Sanders J. & Sys Ch„ B o d e m k a a r t v a n B e lg ië , Izegem 68 W, onuitgegeven werkkaart met verklarende tekst, Gent, 1988. Sanders J. & Ameryckx J., B o d e m k a a r t va n B e lg ië , Tielt 53E, onuitgegeven werkkaart met verklarende tekst, Gent, 1988. Spindler K., O tzi, d e g le ts e n n a n , M & P Uitgeverij, 1993, 336 pp. Ulrix-Closset M., Otte M. & Gob A. (vert, door Putman R. & Soenen M.), Midden-paleolithicum op de Kemmelberg, Westvlaamse Archaeologica, 1987, p. 83-92. Ulrix-Closset M„ Otte M. & Gob A. (vert, door Putman R. & Soenen M.), J o n g - p a le o lith ic u m en m e s o lith ic u m o p d e K e m m e lb e r g , W e s tv la a m s e A r c h a e o lo g ic a , 1988, p. 33-44. Van AckerR., P r e h is to r is h e v o n d s te n te n o o s te n va n B ru g g e , W e s tv la a m s e A r c h a e o lo g ic a , 1986, p. 91-103. Van Acker R., M id d e n -n e o lith ic u m te B e lle g e m e n S in t-D e n ijs , W e stv la a m s e A r c h a e o lo g ic a , 1989, p. 5-16. Van Der Haegen G., E e n la a t- m e s o lith is c h s ite te A a lte r , Archeologisch Jaarboek Gent, 1992, p. 5-34. Vanmoerkerke J. e.a.. E e n m id d e n - n e o lith is c h s ite te S p ie r e , Archeologische en Historische Monografieën van Zuid-West-Vlaanderen, nr. 19, 1988, 36 pp. Van Noten F. e.a., D e e v o lu tie v a n d e m e n s , N a tu u r en T e c h n ie k , 1982 (2), 335 pp. Vermeersch P., U n site T jo n g e rie n à H a r e lb e k e G a v e r m e e r se n , W e stv la a m s e A r c h a e o lo g ic a , overdruk 4, 71 pp. Vermeersch P. (ed.), C o n tr ib u tio n s to th e s tu d y o f th e m e s o lith ic o f th e B e lg ia n lo w la n d , Tervuren, 1982, 209 pp. Vermeersch P., Vynckier G. & Walter R., T h ie u se s, F e r m e d e l'H o sté , s ite M ic h e ls b e r g . L e m a té r ie l lith iq u e , S tu d ia P r a e h is to r ic a B e lg ic a , nr. 6, Leuven, 1990, 70 pp. Vermeersch P., H e tp a le o lith ic u m in N o o r d -W e s t-E u r o p a , licenciecursus K.U.L., 1991-92. Vermeersch P„ A rc h e o lo g ie en k u n s t v a n d e s te e n tijd I, kandidatuurscursus K.U.L., 1992-93. Vermeersch P., A r c h e o lo g ie e n k u n s t va n d e s te e n tijd I I : Neolithicum, licenciecursus K.U.L., 1992-93. Vermeersch P., M e s o lith ic u m , licenciecursus K.U.L., 1993-94.

Adres van de auteur : Dirk Calmeyn, Weidestraat 101, 8800 Roeselare 200


ALGEMENE ELECTRICITEIT

Eric DEBUSSCHERE

KULTUUR LIGT ONS.

Bruggestraat 43 8700 TIELT Tel. (05 1 )4 0 07 15 Fax (05 1 )4 0 73 37

BANK VAN ROESELARE JA, UW AANPAK LIGT ONS.

Privaat- en industriële installaties Laagspanningsinstallaties Winkelverlichting

Rouwdienst DHONDT Stationstraat 103 8700 TIELT

Tel. (051)40 02 27

G RSELW E5T ELECTRABEL-© MENS.

MILIEU

EN

ENERGIE

Kortrijksestraat 86 - 8700 TIELT Tel. (051) 42 31 11


.

*1

h'

I

'

Profile for Roede van Tielt vzw

De Roede van Tielt Jaargang 1994  

De Roede van Tielt Jaargang 1994  

Advertisement