Issuu on Google+

EEN LEVEN LANG KUNST ROSA SPIER HUIS: UNIEKE WOONGEMEENSCHAP VAN OUDERE KUNSTENAARS

TEKST: KURT VAN ES FOTOGRAFIE: DOLPH KESSLER


EEN LEVEN LANG KUNST ROSA SPIER HUIS: UNIEKE WOONGEMEENSCHAP VAN OUDERE KUNSTENAARS

Tekst: Kurt van Es Fotografie: Dolph Kessler


5

8 11 12 15 19 22

Voorwoord Bouwen aan een ideaal “Een Pauwhof waar je kan blijven” Henriëtte Polak-Schwarz Iedereen kende Rosa Spier Wonen in een zee van licht Sleutelen aan het gebouw De tuin van Mien Ruys

31 32 33 39 40 42 45

Roerselen van ‘een paradijs’ Een roerig begin Van vetes naar vrede Beroemd en gedreven Werelds en ‘op sjiek’ Zorgen over verzorgen Geldkraan Juliana op verjaardagsfeestje

49 52 62 66 69 70

De bewoners van nu Muziek zet de toon Bedrijvig en bijzonder “Een beeldhouwer is nooit klaar” Muziek, mystiek en poëzie Zingend naar speksteen Kleurrijk leven met zwart-wit

73 74 77 78 81 82

Muziek uit Sierra Leone Problemen oplossen Leven met taal Schrijven in eigen werkkamer “Weven, dàt wilde ik leren” Iedereen aan de balie gehad

86 90 94 97 98 101 110 117

Altijd en overal kunst Exposities met een verhaal Prikkelen Concerten voor kritisch publiek Oor voor jong talent Theatertop blijft komen Een complete bibliotheek Beeldend werk in zitje A Een eigen atelier

118 119 121 127

De toekomst van het Rosa Spier Huis Een nieuw huis “Monument bewaren” Zorg met aandacht Uitzicht

130 131 132

Kunstenaars over het Rosa Spier Huis Auteurs Colofon


4

J.G. Snoeijerbosch (1891 – 1975)


Voorwoord Het Rosa Spier Huis is bekend in Nederland en zelfs ver buiten de landsgrenzen, als huis waar oudere kunstenaars wonen, werken en zorg kunnen ontvangen. Het initiatief voor de bouw van het huis is genomen door Rosa Spier (harpiste) en haar vriendin Henriëtte Polak-Schwartz (kunstverzamelaar), midden jaren ‘60. Kort na het overlijden van Rosa Spier is het Huis in 1969 door de toenmalige minister Marga Klompé geopend. Meer dan 40 jaar na de opening van het Rosa Spier Huis, is er nog steeds veel belangstelling onder kunstenaars voor het huis. Deze belangstelling geldt niet alleen het wonen en werken in de laatste fase van het leven, de belangstelling is er ook onder jonge kunstenaars om in het Rosa Spier Huis op te treden of te exposeren. Het huis is nog steeds een ontmoetingsplaats voor kunstenaars, het heeft in de loop van de jaren een kunstverzameling opgebouwd en organiseert vele muziekuitvoeringen, theatervoorstellingen en tentoonstellingen, waardoor het huis een eigen culturele waarde in Nederland vertegenwoordigt. Het Rosa Spier Huis heeft dus niets van haar oorspronkelijke functie verloren. Maar tijden veranderen en ook de wensen en eisen die gesteld worden aan de woon- en werkruimten. Het Rosa Spier Huis zal het concept dat door Rosa Spier en Henriëtte Polak in de jaren ’60 is ontwikkeld, behouden maar het gebouw vernieuwen. Dit boek geeft een beeld van de afgelopen veertig jaar en is een afsluiting van deze periode.

Ook al zijn veel bewoners van het Rosa Spier Huis nog actief met hun werk bezig, zij hebben inmiddels veelal een hoge leeftijd bereikt. Afscheid moeten nemen van een medebewoner komt dan ook regelmatig voor. Dat betekent helaas dat een aantal bewoners van het Rosa Spier Huis die worden genoemd of op een foto te zien zijn, bij de publicatie van dit boek reeds zijn overleden. Het uitbrengen van dit boek is een initiatief van een van de bewoners van het huis: mevrouw Lideke Heuwekemeijer. Zij heeft de contacten gelegd, verschillende personen benaderd en de ideeën ervoor aangedragen. Het boek is geschreven door Kurt van Es. Kurt van Es heeft onderzoek gedaan in de archieven van het huis, vele bewoners geïnterviewd, met medewerkers en directie gesproken en activiteiten in het huis bezocht. Hij is journalist en schrijver en won in 2004 de prijs voor de Dagbladjournalistiek voor zijn publicaties in Het Parool. Hij is al enige jaren aan het Rosa Spier Huis verbonden als vrijwilliger: hij leest een groep bewoners wekelijks voor. De foto’s zijn gemaakt door Dolph Kessler. Met een serie uit het boek ‘Art Fairs’ heeft hij in 2009 de eerste prijs behaald bij de Zilveren Camera in het onderdeel Kunst en Cultuur. Hij heeft vele uren in huis doorgebracht om een groot aantal foto’s te maken die de sfeer van het huis zo treffend weergeven. Hij is aan het Rosa Spier Huis verbonden omdat zijn moeder sinds enige jaren in het huis woont. Betty Wassenaar Directeur 5


6


7


Bouwen aan een ideaal “Een Pauwhof waar je kan blijven” Het begon aan een ronde tafel in Wassenaar. Verscholen achter rododendrons, beuken en eiken, een stukje van de Rijksstraatweg af, voorbij de portierswoning aan de oprijlaan, lag daar aan een uitgestrekt grasveld een imposante en tegelijk ook vriendelijke villa. De Pauwhof. Vanaf de zomer van 1940 was dit witte gebouw een tijdelijk onderkomen voor talloze beeldend kunstenaars, dichters, schrijvers en wetenschappers. Ze konden er een paar weken of zelfs langer uitblazen, inspiratie op doen of een werkstuk afmaken (*1). “Je hoefde niet af te wassen of je bed op te maken. Alles was er geregeld,” herinnert muzieklerares en schrijfster Cootje van Oven, nu twintig jaar bewoonster van het Rosa Spier Huis in Laren, zich nog goed. “Je had een kamer, at er samen en ontmoette elkaar ook in een van de gemeenschappelijke ruimtes, zoals de bibliotheek.” In die bibliotheek, waar de dichters Martinus Nijhoff, Adriaan Roland Holst, Ida Gerhardt en tientallen andere prominenten uit de kunst-, muziek- en theaterwereld hebben gezeten om even bij te tanken, zat op zondagmiddag 6 januari 1963 rond een van de tafels een klein gezelschap. De Nederlandse harpiste Rosa Spier was er in gesprek met een paar andere gasten van de Pauwhof: de Haagse schilderes Ina Hooft, ook wel ‘de Haagse Joffer’ genoemd (als variant op de schildersgroepering ‘de Amsterdamse Joffers’) en beeldend kunstenaar Harm Henrick Kamerlingh-Onnes met zijn vrouw. Ze waren blij weer in De Pauwhof te zijn. “Heerlijk, zes weken geen huishouden te hoeven doen,” zei Ina Hooft. “Ja, dat is wel zo,” reageerde Rosa Spier. “Maar spoedig zullen die zes weken voor mij niet lang genoeg meer zijn.” 8

Zij legde uit wat ze op haar leeftijd – ze was 71-jaar – na een bewogen bestaan als steeds bezwaarlijker ging ervaren. Elke keer moest ze met veel moeite haar harp versjouwen naar de laadbak van haar auto. Als ze van een concert thuis kwam, moest ze niet alleen die harp weer heel de auto uit zien te krijgen, maar vond ze een leeg huis, de kachel uit, geen mens om mee te praten over wat ze die dag allemaal had meegemaakt, de winkels dicht en niemand die het eten voor haar had klaargemaakt. “Wat ik nodig heb,” riep ze uit aan de ronde tafel in Wassenaar, “is een Pauwhof waar je kan blijven.” De hartenkreet van Rosa Spier raakte een diep verlangen bij de overige gasten – vaak al op leeftijd – en kreeg luide bijval aan de andere tafels in de bibliotheek. Volgens de overlevering werden haar woorden zelfs met gejuich ontvangen. “Ja, dát gaan we doen,” klonk het in De Pauwhof. En ze deden het. Anderhalve maand later, op 22 februari 1963, werd de Rosa Spier Stichting opgericht. Rosa Spier (1891-1967) zou het zelf niet meer meemaken, maar op 10 oktober 1969 was het toch echt zo ver. Ruim zes jaar nadat de harpiste aan de ronde tafel in Wassenaar haar grote wens had gelanceerd, opende minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk Marga Klompé in het kunstenaarsdorp Laren het Rosa Spier Huis: een thuis voor oudere kunstenaars, musici en wetenschappers, met meer dan drie keer zoveel woonruimte als het Wassenaarse voorbeeld. De 65 eerste bewoners, onder wie menig vaste gast van De Pauwhof, zoals Rosa Spiers vriendin Ina Hooft en schrijfster/historica Annie Romein-Verschoor, konden hier blijven wonen, hun werk doen en elkaar inspireren, zonder zich op hun leeftijd nog druk te hoeven maken over huishoudelijke zaken en verzorging. Alles ten dienste van hun behoefte aan een leven lang kunst.


Begin jaren ’90

9


10 Begin jaren ’70


Henriëtte Polak-Schwarz Dat er nu meer dan veertig jaar een Rosa Spier Huis staat in Laren, is niet alleen te danken aan Rosa Spier zelf. Zij had op het goede moment de goede vrienden, die haar idee zo de moeite waard vonden, dat ze ervoor hebben gezorgd dat het werkelijkheid werd. Vooral Henriëtte Polak-Schwarz (1883-1974), dochter van de fabrikant Levi Schwarz, ontpopte zich tot een belangrijke motor toen ze hoorde over het plan voor een soort permanente Pauwhof. Haar man, de rechtsgeleerde en filosoof Leo Polak, was in de Tweede Wereldoorlog omgekomen in het concentratiekamp Sachsenhausen. Ook een dochter, haar moeder en een zuster met haar echtgenoot en hun vier kinderen stierven in Duitse vernietigingskampen. Ondanks deze enorme persoonlijke tragedie hield Henriëtte Polak-Schwarz vast aan de idealistische opvattingen die ze zich in haar jonge jaren had eigen gemaakt. Geïnspireerd door Herman Gorter, Henriëtte Roland-Holst, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en andere voorlieden van het vooruitgangsoptimisme uit de tijd van haar jeugd, bleef ze daar in geloven en dat deed ze met een vrijwel onuitputtelijke energie. Ze was charmant, flamboyant, dominant en gedreven. Ze organiseerde kamerconcerten, lezingen en discussieavonden. Ze voelde zich ondanks haar financiële welstand vooral thuis in sociaaldemocratische kringen en gaf vrijmoedig blijk van een radicale visie op de samenleving. Ze hielp kunstenaars en musici zich te ontwikkelen. Ze maakte zich vanaf eind jaren veertig sterk voor de zorg van buitenkerkelijke bejaarden. Ze wordt ‘de moeder van het Humanistisch Verbond’ genoemd, omdat ze jarenlang onophoudelijk bezig is geweest, ook financieel, om dit verbond groot te maken.

Een betere mecenas dan deze inspirerende en kunstzinnige vrouw, had Rosa Spier niet kunnen vinden om de Wassenaarse droom tot leven te brengen. Zij stopte er niet alleen haar energie in, maar ook een deel van het benodigde geld om in Laren de grond aan te kopen en de bouw te financieren. Het was ook Henriëtte Polak-Schwarz die voorstelde deze nieuwe uitwijkhaven voor oudere kunstenaars en wetenschappers de naam van Rosa Spier te geven. “De schone kunsten hebben steeds haar grote liefde gehad,” schreef haar neef Johan Polak in 1991 over haar. “Wat kon zij beter doen dan door haar inspanningen het Rosa Spier Huis, toevluchtsoord voor bejaarde intellectuelen en kunstenaars – van wie zovelen haar naaste vrienden waren – mede mogelijk te maken?” In de grote centrale hal van het huis, links van de rode toegangsdeur tot de concertzaal, hangt aan de muur een schitterend portret van deze belangrijke vriendin van Rosa Spier. Wie dit schilderij bekijkt, begrijpt meteen haar inzet, overredingskracht en stijl. Het is geschilderd door Joop Sjollema (1900-1990), die eerder een portret van haar had gemaakt. Tijdens de poseersessies had hij haar erop gewezen, dat sinds de opkomst van de moderne Cobrakunststroming, de aandacht voor de figuratieve kunst in Nederland dreigde te verdwijnen. Prompt richtte Henriëtte Polak-Schwarz een stichting op om werken te verzamelen van juist deze traditie in de modern-klassieke schilder- en beeldhouwkunst. In 1975, een jaar na haar dood, ging in haar geboorteplaats Zutphen, aan de Zaadmarkt in de historische binnenstad, de deur open van een museum dat nog altijd haar naam draagt en waar die collectie is te zien. 11


Vier jaar later kwam haar door Sjollema geschilderde portret naar het Rosa Spier Huis. Een geschenk van de bewoners ter gelegenheid van het tienjarig bestaan. Het doek is een permanente herinnering aan de grondleggers van dit kunstenaarsverblijf, net als het door G.J. Snoeijerbosch gemaakte schilderij van Rosa Spier aan de andere kant van de hal, achter de trap en vlakbij haar harp en haar stoeltje met geborduurde zitting. Een positie waaraan niet zomaar kan worden getornd. Eén keer, begin 1992, is het gebeurd dat, vanwege één van de vele exposities die in de hal worden georganiseerd, de statige Henriëtte Polak-Schwarz even ergens anders werd gehangen. De notulen van de vergadering van het stichtingsbestuur op 21 februari van dat jaar zijn zonneklaar over deze misstap: “Het bestuur is unaniem van mening dat dit niet mag.” Dus kijkt ze onaantastbaar vanaf haar vaste plaats bij de concertzaal de hal in. Samen met de door Pépé Grégoire in brons gegoten kop van Rosa Spier, die vlak naast haar op een hoge sokkel staat, wakend over haar ideaal. “Iedereen kende Rosa Spier” In dezelfde hal, aan de wand bij de trap, hangen foto’s uit markante episoden uit het leven van de vrouw aan wie het Rosa Spier Huis zijn naam en zijn ontstaan te danken heeft. Net als bij de invloedrijke vriendin die haar hielp haar Pauwhofdroom te verwezenlijken, is dat een bewogen leven geweest, met grote successen en – vooral als gevolg van het Duitse naziregime – grote tegenslagen. “Ze was een zeer gedreven vrouw,” zegt Edward Witsenburg, de huidige nestor van de Nederlandse harpisten, in een documentaire over Rosa Spiers loopbaan (*2). Witsenburg, die les van haar heeft gehad, noemt haar ‘een paus op het 12

gebied van haar instrument’. “Iedereen kende haar naam, ook de bakker op de hoek.” Als jeugdige leerling van het Koninklijk Conservatorium in haar geboorteplaats Den Haag bleek Rosa Spier buitengewoon talent te hebben voor de harp. Al op dertienjarige leeftijd, in 1904, mocht ze het podium op voor een uitvoering. Het was het begin van een roemrijke carrière. Een jaar later werd ze tweede harpiste bij het Residentie Orkest. Op haar negentiende voltooide ze haar muziekstudie aan het conservatorium. Daarna kreeg ze een paar jaar ’s zomers les van Otto Müller, soloharpist bij de Berliner Philharmoniker. In de zomermaanden trad hij regelmatig op in het Scheveningse Kurhaus en dan maakte hij speciaal voor haar tijd vrij. Ze speelde bij de Arnhemse Orkest Vereniging en het Utrechts Orkest voordat ze op haar 23ste eerste harpiste werd bij het Haagse orkest waar ze als tiener al erkenning had gekregen. Twee jaar daarvoor was ze docente geworden aan het Haagse conservatorium waar ze zelf les had gehad. Op 32-jarige leeftijd verliet ze het Residentie Orkest om zich toe te leggen op kamermuziek. Zij richtte het Hollands Instrumentaal Kwintet op. Wie het over ‘harp’ had in die tijd had het als vanzelf over Rosa Spier. De ultieme erkenning voor die positie kreeg ze toen ze als soloharpiste toetrad tot het Amsterdams Concertgebouworkest, onder leiding van de beroemde dirigent Willem Mengelberg. Het is dan 1932, ze is net de veertig gepasseerd. Piet Heuwekemeijer, die twee jaar na haar als violist bij het orkest kwam en daar later, tot 1967, directeur werd, was diep onder de indruk van haar spel en haar persoonlijkheid. “Wat Mengelberg voor het niveau van het orkest heeft betekend, dat heeft Rosa Spier voor het niveau van het harpspel in Nederland betekend.” (*2).


Entree vanaf de straat

13


14 Ruby Hartgring


Heuwekemeijer kon in zijn concerttijd niet vermoeden dat hij later met zijn vrouw Lideke, tot aan zijn overlijden op zijn 93ste in 2008, tot volle tevredenheid in het Rosa Spier Huis zou komen te wonen. “Beter konden we het niet hebben, men laat je hier in je waarde,” zei hij tegen een filmploeg, die in 2000 in het Rosa Spier Huis opnamen maakte voor de Japanse tv (*3). “Je kunt hier praten met gelijkgestemde mensen, die expert zijn op gebieden die jij niet kent. Dat is inspirerend.” De Duitse bezetting van Nederland confronteerde Rosa Spier steeds heftiger met de terreur van de nazi’s. Ze mocht als joodse niet meer spelen in het Concertgebouworkest, werd verraden toen ze moest onderduiken en werd uiteindelijk via kamp Westerbork op transport gezet naar het concentratiekamp Theresienstadt. In februari 1945 keerde het noodlot zich voor haar. Ze werd als één van een groep van twaalfhonderd joden ‘uitgekocht’ door invloedrijke mensen in Zwitserland. Tegen het einde van de oorlog kwam zo’n onverwachte vrijlating voor als de Duitsers daarmee tekorten aan bijvoorbeeld medicijnen konden verhelpen of als nazi-autoriteiten, met de onafwendbare ineenstorting van het eigen regime voor ogen, probeerden zichzelf in een goed daglicht te brengen bij de latere overwinnaars. Zo blijkt uit de geschiedschrijving van historicus Loe de Jong. Eenmaal in Zwitserland kreeg Rosa Spier voor het eerst na tweeëneenhalf jaar weer een harp in handen. “Ik leef als in een droom,” schreef ze aan vrienden. En: “Met tranen en tranen heb ik alle vuil en ellende weggespoeld van al die jaren.” Bij haar terugkeer in Nederland stond ze zonder een cent op zak op het Centraal Station in Amsterdam en moest ze van een voorbijganger geld lenen om vrienden

te bellen dat ze er weer was. Ze keerde niet terug naar het Concertgebouworkest, maar werd met haar harp de koningin van het Radio Philharmonisch Orkest. Na de oorlog had ze aanvankelijk niet veel geduld meer om les te geven, maar gaandeweg pakte ze die draad weer op, gedreven door haar liefde voor het instrument. Ze gaf les aan de conservatoria van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam en aan het Amsterdams Muzieklyceum. Witsenburg hierover in de documentaire: “Ze kon zeer streng zijn, maar dat deed ze bewust. Ze wilde dat je de snaar tot in zijn ziel pakte.” De inmiddels overleden harpiste Toos Stotijn-Heuwekemeijer zegt in een interview over haar lerares: “Als Rosa Spier ging spelen, dan gebeurde er iets.” Rosa Spier bleef concerten geven, maar dat viel haar steeds zwaarder. De behoefte aan een Rosa Spier Huis, ‘een Pauwhof waar je kan blijven’, om van alle ballast naast het spelen af te zijn, werd steeds groter. Ze heeft er extra energie in gestopt om dat van de grond te krijgen, maar voor haar zelf kwam de droom te laat uit. Wonen in een zee van licht Wie door het Rosa Spier Huis loopt, ziet vrijwel overal een zee van licht binnenvallen. Een feest voor de schilders voor wie licht zo’n wezenlijk element is, maar ook voor andere bewoners of bezoekers. Het geeft je permanent het idee dat je een beetje buiten bent. Je voelt je min of meer een wandelaar, die al snel heel veel meters maakt door het uitgestrekte pand. De ontwerpers, de architecten P. Goldschmidt en F. Verbruggen, hebben gekozen voor een opzet met paviljoens, die als langgerekte bungalows met elkaar verbonden zijn via het hoofdgebouw, dat op zijn beurt in open verbinding staat met de centrale hal. Je moet soms een flink stuk lopen om thuis of op bezoek 15


te komen. Tegelijk heb je daarmee het idee dat je door een straat loopt, maar dan wel een met hier en daar een zitje, een ontmoetingsruimte of leeshoek. Overal hangen schilderijen en staan andere kunstwerken, tot vlak naast de deuren waarachter de bewoners hun woning hebben. Dit idee van een soort binnenstraat is in de architectuur van de jaren zestig ook in grotere gebouwen toegepast, maar hier geeft het iets extra’s door de combinatie met het licht en de overwegende laagbouw.

leidt dat doorgaans niet. De schilder luistert graag naar een muziekvoorstelling in de prachtige concertzaal, die plaats biedt aan honderdtwintig mensen. De musicus is geïnteresseerd in de schilderkunst van zijn medebewoners en beiden kunnen geboeid zijn door de verhalen van de acteur en de schrijver in hun midden, of door de uitleg van de wetenschapper. Die wetenschappers in het Rosa Spier Huis zijn in de loop van de tijd trouwens steeds meer uitverkozen op werk dat ligt op het gebied van de kunst.

Het Rosa Spier Huis is een typisch voorbeeld van Forumarchitectuur uit de tweede helft van de jaren zestig. Deze stroming wilde af van het onpersoonlijke functionalisme en wilde kleinere eenheden verbinden in een ogenschijnlijke paradox van wat werd aangeduid als ‘labyrintische helderheid’. Het huis ademt in deze opzet het karakter van een overzichtelijke woongemeenschap, waarin je tegelijk kan dwalen. Door alle licht en openheid is het bovendien op een natuurlijke manier verbonden met de lommerrijke omgeving aan de westelijke rand van Laren. Het huis dat minister Klompé destijds in haar openingstoespraak een ‘veelbelovend en weloverwogen experiment’ noemde, bestond uit een hoofdgebouw en zes paviljoens. Eén van de paviljoens was uitsluitend bestemd voor personeel en voor eventuele logeergasten van bewoners. Van de overige vijf paviljoens was er één gereserveerd voor musici. Die maatstaf wordt tegenwoordig niet meer zo strikt gehanteerd, al is het onlangs voorgekomen dat iemand bij het vrijkomen van een woning bij de directie bezorgd bepleitte, dat er nu toch werkelijk een altviool bij moest komen. Bewoners van het huis vinden elkaar rond hun gemeenschappelijke kunstbeoefening, maar tot hinderlijke groepsvorming

“Bewoners kunnen wel heel kritisch zijn op het werk van de ander,” herinnert technisch medewerker John Klaver zich uit de bijna vijfendertig jaar die hij er heeft gewerkt. “Die harde duidelijkheid was ik niet gewend, maar het heeft zijn charme heb ik gemerkt en ze kunnen die eerlijkheid meestal goed van elkaar hebben.” Waar mensen langer bij elkaar zijn, is het onvermijdelijk dat je niet alleen inspirerende ontmoetingen hebt, maar ook onhebbelijkheden en scherpe kanten van de ander tegenkomt, of ontdekt dat je het grondig met elkaar oneens bent. Ook in het Rosa Spier Huis en ook over de gang van zaken daar. Maar je kan er evengoed zoveel als je wilt je eigen gang gaan en geheel naar eigen keuze plukken uit het grote aanbod van concerten, lezingen, voorstellingen, cursussen, exposities, de bibliotheek, gezamenlijke maaltijden en gezellige bijeenkomsten. Rond half elf treft menigeen de ander even in de hal voor een kop koffie of thee.

16


Louis Tiessen

17


18


Sleutelen aan het gebouw De woningen zijn volgens de huidige maatstaven niet groot, maar waren aanvankelijk nog kleiner. Het formaat werd bij de bouw bepaald door de beperkingen van de woningwet voor bejaardenhuizen: voor de eenpersoonskamers een kleine 13,5 vierkante meter, verdeeld over een kamer en een aangrenzende ruimte waarin douche, toilet, garderobe, kitchenette en koelkast een plaats kregen. Bij latere verbouwingen zijn kamers doorgebroken en in nieuwe eenheden samengevoegd. Ruim zijn ze niet geworden en de gehorigheid is niet verdwenen, maar bewoners weten van hun doorgaans kleine tweekamerappartement toch meestal een prettig thuis te maken. Alle woningen profiteren daarbij van de opzet om het licht van buiten zoveel mogelijk binnen te laten komen; met beneden een tuin en boven vaak een balkon. Wie samenwoont heeft uiteraard meer vierkante meters ter beschikking en daarnaast zijn er in de meeste paviljoens ateliers, muziekstudio’s en werkkamers beschikbaar, later nog in aantal uitgebreid, die de actieve bewoners extra armslag geven voor hun beeldhouwen, schilderen, piano- of vioolspelen, schrijven of andere creatieve werkzaamheden. De bouw van het Rosa Spier Huis, onder verantwoordelijkheid van de Humanistische Bouwstichting Bejaardenhuisvesting, die ruim twee jaar in beslag nam, kostte rond de 3,5 miljoen gulden. Zo’n 2,3 miljoen daarvan werd gefinancierd via regelingen van het Rijk. Het overige geld werd bijeengebracht door particulieren zoals Henriëtte Polak-Schwarz, door het Prins Bernhard Fonds en de Anna Stibbe Stichting, genoemd naar de componiste Anna Stibbe. Zij had in haar testament geld nagelaten voor

een fonds om een huis voor oudere pianisten te bouwen en dat plan kon worden ingepast in het Rosa Spier Huis. Op de laatste decemberdag van 1998, bijna twintig jaar na de opening, is het eigendom van het Rosa Spier Huis officieel overgedragen aan de Rosa Spier Stichting. Tussentijds, in 1991/’92, heeft het huis een ingrijpende renovatie ondergaan, die onder meer leidde tot een forse uitbreiding van de ziekenopvang. Het is niet verwonderlijk dat een huis voor oudere bewoners, die daar in principe kunnen blijven, in de praktijk de behoefte aan extra zorg met zich meebrengt. Het centrale hoofdgebouw, dat als enig deel van de bebouwing al een etage had, kreeg er een woonlaag bij. De appartementen werden gemoderniseerd en de trots van het Rosa Spier Huis, de prachtige concerten theaterzaal, kreeg een grondige opknapbeurt. Voor de bewoners was het een hele beproeving om zo lang in de verbouwing te zitten, maar na twintig jaar was het huis te zeer verouderd om het ongemoeid te laten. De kosten voor de renovatie, meer dan het dubbele van de nieuwbouw indertijd, moesten voor een deel uit particuliere fondsen worden gefinancierd. Het paste helemaal in de traditie van het Rosa Spier Huis een grote kunstveiling te organiseren om extra geld bij elkaar te sprokkelen. Veilinghuis Glerum werkte belangeloos mee en tientallen kunstenaar stelden – belangeloos of voor een bescheiden deel van de opbrengst – zo’n tweehonderd werken beschikbaar, onder wie Karel Appel, Herman Gordijn, Klaas Gubbels, Ina Hooft, Kees Verweij, Pépé Grégoire, Lucebert, Rob Scholte en Frank Lodeizen. Na aftrek van alle kosten brachten ze op 29 september 1991 bijna 160.000 gulden bijeen. Alleen al de renovatie van de concertzaal kostte bijna een ton meer, maar met de veiling toonde de Nederlandse kunstwereld duidelijk zijn betrokkenheid bij het huis. 19


20 De jaarlijkse plantenverkoop


21


“De verbouwing was veel meer nodig dan men zich hier realiseerde,” verklaarde bestuurslid Brikkenaar Van Dijk in het voorjaar van 1992 in een interview met de Volkskrant. “De individuele woonwerkruimten voldeden in geen enkel opzicht meer aan de eisen des tijds. Ze waren te klein en te gehorig en de gemeenschappelijke ruimten schreeuwden om een facelift.” Bijna twintig jaar later staat het Rosa Spier Huis, met inmiddels plaats voor 73 bewoners, voor eenzelfde uitdaging. Nieuwe regels en voorschriften van de overheid en veranderde omstandigheden, zoals de verdergaande vergrijzing binnen het huis, vragen dusdanig ingrijpende aanpassingen dat de leiding kiest voor een nieuw Rosa Spier Huis. Plannen daarvoor zijn uitgewerkt, maar stuiten binnen en buiten het huis op verzet. Meer hierover is te lezen in hoofdstuk 5. Bij sommigen speelt in hun weerstand mee, dat met nieuwbouw niet alleen het gebouw maar ook de bijzondere tuin zal verdwijnen. De tuin van Mien Ruys Wat Rosa Spier was voor de harp, was Mien Ruys voor de tuin. Niet alleen landelijk maar ook internationaal was deze tuinarchitect, in 1999 op 94-jarige leeftijd overleden, bekend om haar ontwerpen. De Stichting Tuinen Mien Ruys houdt in haar geboorteplaats Dedemsvaart op een groot terrein haar proeftuinen bij, als een monument van haar tuinkunst. “Met veel belangstelling heb ik de tekeningen van de Rosa Spier Stichting bekeken,” schreef ze op 28 juli 1967 aan de architecten Verbruggen en Goldschmidt, die haar gevraagd hadden de tuin van het nieuwe kunstenaarshuis te ontwerpen. “Het lijkt me een boeiende opgave hierbij de omgeving te verzorgen en ik zal dan ook graag hieraan mijn volle aandacht geven.” Mien Ruys kreeg in Nederland de bijnaam ‘Bielzen 22

Mien’ omdat zij de voortrekker was van het gebruik van spoorbielzen in tuinen, wat vooral in de jaren zeventig bijzonder populair was. Ze werkte graag met rechte vormen: rechthoeken, vierkanten en heldere lijnen. Zo heeft ze ook de tuin van het Rosa Spier Huis vormgegeven. Hans Veldhoen heeft jaren met haar gewerkt. Bij een toelichting op de oorspronkelijke tekeningen laat hij zien hoe ze zich heeft laten leiden door drie grondbeginselen: “Hoe pas ik me aan bij de omgeving? Wat is het karakter van het gebouw? En hoe willen ze het terrein gebruiken? Ze wist dat er nog actieve kunstenaars in het huis zouden komen wonen en daar heeft ze rekening mee gehouden.” Op de oorspronkelijk tekeningen is te zien hoe ze speelt met de ruimte, hier en daar wat schuift met groepen bomen, rekening houdend met onder meer veranderende ideeën over het aantal parkeerplaatsen bij de entree, en zo tot het uiteindelijke ontwerp komt. De schets toont een gezamenlijke binnentuin – “afgesloten met heesterblokken om het idee van een omsloten hof te versterken” – met de mogelijkheid voor iedere bewoner zijn eigen tuintje te onderhouden, binnen een groter kader dat zijn eigen karakter houdt. “Dus als iemand er zelf niets mee wilde doen, was dat niet erg want het ging om een omkaderd stukje dat door de tuinman zou worden gedaan,” aldus Hans Veldhoen. Het ontwerp maakte Mien Ruys met potlood op schetspapier. Anderen tekenden het over in inkt. Daarna volgde het gedetailleerd uitwerken in allerlei bestektekeningen en het tot op het plantje en tegeltje nauwkeurig aangeven van wat waar moest komen. De plantenlijst vermeldde destijds 323 soorten, van ‘salix gracilistylla (8 stuks) tot bieslook (25), van struikrozen Caprice (9) tot 16 rode kastanjes op stam’. Diverse


23


24 De vijver in de tuin van Mien Ruys


hoveniers schreven in om de klus te klaren, op speciaal verzoek ook ondernemers uit het Gooi, maar het werk ging naar de firma P. Takken uit Hoorn, die met zijn begroting van bijna 120.000 gulden de goedkoopste was. “Je blijft er als ontwerper wel de hele tijd bij betrokken,” vertelt Hans Veldhoen. Bouw en tuinaanleg moeten voortdurend op elkaar worden afgestemd, de ene keer vanwege kabels die de grond in moeten, dan weer vanwege een bouwkeet. “Mien Ruys heeft duizenden tuinen ontworpen, maar dit was bijzonder voor haar en ik weet dat ze er trots op was.” Dat is niet zo gebleven. Een tuin heeft een eigen dynamiek en verandert, maar dat is wat anders dan ingrijpen in de opzet. De tuinman begon in de ogen van Mien Ruys wat al te rigoureus en eigengereid begoniaperkjes aan te leggen waar dat niet de bedoeling was. Later werden hagen doorgebroken of zelfs weggehaald omdat ze in de weg stonden bij het maaien en zo verdwenen belangrijke lijnen en kaders uit het oorspronkelijke ontwerp. Als Mien Ruys, door ziekte later dan ze van plan was, in het vroege voorjaar van 1972 een kijkje komt nemen in ‘haar tuin’, wordt ze vooral boos. De parkeerplaats blijkt anders aangelegd te zijn, er zijn coniferen geplant waar zij ‘een lage beplanting met zomerbloeiende vaste planten’ had bedacht, en hagen zijn verdwenen. “Om wel door de hele tuin te kunnen wandelen en toch elk afzonderlijk de nodige privacy te geven waren enkele hagen geplant, zodat een duidelijke scheiding ontstond tussen eigen en gemeenschappelijk groen. Deze hagen, die bepalend waren voor de vorm, zijn grotendeels verwijderd,” schrijft ze op 19 april 1972 in een brief aan de voorzitter van het bestuur. De toon wordt scherper naarmate de brief tot een conclusie leidt: “Het komt erop neer dat veel geld is weggegooid. (...)

Als het waar is dat dit tevens de smaak van de bewoners zou zijn, vraag ik me wel af wat voor soort kunstenaars hier terecht is gekomen. De tuin was door mij ontworpen en ik was daar trots op en velen weten dat. Nu schaam ik me. (...) Ik zal dus mijn hart ervan af moeten trekken.” Wie nu door de tuin loopt en deze breuken met de oorspronkelijke plannen niet kent, kan er na al die jaren volop genieten van de natuurlijke opzet die er wel degelijk is gebleven. Ondanks alle ingrepen en ondanks het gedoe dat zich in latere jaren heeft voltrokken rond de vijver van zo’n veertig vierkante meter in het binnengedeelte. De oorspronkelijke bekleding van de vijver bleek niet opgewassen tegen een verandering van het grondwaterpeil. In 1977 en 1978 werd de ene na de andere walbeschoeiing vervangen, met wisselend succes. De ‘geperforeerde bouwstenen’ die als laatste oplossing fungeerden, kregen later gezelschap van meer dan honderd verschillende planten als gevolg van het ‘wilde planten project’. In samenwerking met de Stichting Wilde Planten in Blaricum was besloten de flora aan te passen aan de oorspronkelijke begroeiing in dit deel van het Gooi, of dat nou haaks stond op het basisontwerp van Mien Ruys of niet. Bewoner Louis Tiessen is al vele jaren en met groot genoegen actief als zelfverklaard CV, Coördinator Vijver, om deze parel te behoeden voor vervuiling en verval. Zelfs het rimpelloze water heeft hier een bewogen geschiedenis. De tuin van het Rosa Spier Huis blijft in weerwil van alle veranderingen voor iedereen ‘de tuin van Mien Ruys’.

25


26


27


28


29


30 Koffiepauze van de medewerkers


Roerselen van ‘een paradijs’

Roerselen van ‘een paradijs’

Een roerig begin “Een paradijs,” noemde de regionale krant Gooi en Eemlander het Rosa Spier Huis kort na de opening, maar de juichstemming van buitenstaanders sloeg al snel en geheel onverwachts om in een verbeten atmosfeer in het huis. Dat de eerste directeur, mevrouw De Roy van Zuydewijn, met enige nadruk verklaarde dat zij weinig verstand had van kunst en bewoners ‘als mens en niet als kunstenaar’ wilde beoordelen (*4), kon er nog wel in bij die inwoners. Maar de goodwill was gauw over. Na een half jaar werd ze op staande voet ontslagen. “Ze beschikt niet over de tact en het organisatorische vermogen die hier vereist zijn,” had een aantal bewoners een paar weken daarvoor in een brief aan het bestuur gesteld. De leidster van deze groep verontruste bewoners was de bekende historica en schrijfster Annie Romein-Verschoor. “Tegenover vrienden had Annie de directrice ‘volslagen hysterisch, ijdel en leugenachtig’ genoemd,” schrijft Angenies Brandenburg in haar biografie over de schrijfster (*5). Het was het begin van een roerige periode die jaren zou duren, want met het vertrek van de omstreden directrice bleken de problemen niet te zijn opgelost. Annie RomeinVerschoor werd de woordvoerster van de berucht geworden ‘groep van zestien’ zeer kritische bewoners, samen met hoogleraar en detectiveschrijver Libbe van der Wal. In de wandelgangen van het huis moest hij wel eens aan argwanende bewoners uitleggen in welk van die twee hoedanigheden hij nu eigenlijk in het huis zat. “Ach mevrouw, in beide een beetje,” zei hij dan. Die souplesse behoedde hem waarschijnlijk voor al te onaangename

Een roerig begin ervaringen met andersdenkenden in het Rosa Spier Huis, want vooral Annie Romein-Verschoor was de spil in het langdurige conflict over de leiding van het huis. De schrijfster, getrouwd met de – in 1962 overleden – historicus Jan Romein, had zich in de loop van haar leven al onderscheiden als iemand met een sterk ‘maatschappijkritische instelling’, zoals dat in de jaren zestig en zeventig werd genoemd. Haar vele, literair geschreven publicaties hadden doorgaans een marxistische inslag. Daarnaast stond ze bekend als feministe. Een vrouw die wars was van betutteling, en dus allergisch was voor alles wat daar maar enigszins op leek in het Rosa Spier Huis. Ze bleef er aan het werk, schreef verder aan haar opzienbarende tweedelige autobiografie, de bestseller ‘Omzien in verwondering’, en de ergernis over de manier waarop de samenleving met ouderen omsprong inspireerde haar er tot het in 1974 uitgegeven ‘Ja vader, nee vader’. Het is niet verbazingwekkend dat juist haar werd gevraagd om, na het ontslag van de directrice, in het bestuur van het Rosa Spier Huis te gaan zitten. Evenmin verwonderlijk is het dat ze al in september 1970 een scherpe verklaring voorlas: “Ik heb nu drie bestuursvergaderingen bijgewoond – met groeiende verbijstering. Ik ben tot het inzicht gekomen dat het hier allerminst gaat om onschuldige kinderziekten, maar om het voortwoekeren van laster en intriges waarvan op geen enkele wijze kan worden waargemaakt, dat zij het doel van de stichting dienen of de bewoners van het huis ten goede komen.”

31


De interne verdeeldheid bracht ze aanvankelijk niet naar buiten. Ze beijverde zich voor het Rosa Spier Huis en deed dat evenzeer in niet mis te verstane woorden, zoals blijkt uit de biografie van Angenies Brandenburg. “Aan Ageeth Scherphuis, die in het vrouwenblad Eva een artikel aan haar wilde wijden, schreef ze op 7 oktober 1970 dat ze aan het slot van het stuk ‘nog zo graag iets toegevoegd zag over dit huis. Ik zou er discretelijk reclame voor willen maken. Het lijkt gek dat dit nodig is. Dan denk je: iedereen zal dit toch verkiezen. Dat doet iedereen ook, maar om het nu maar eens pretentieus te zeggen: wij willen niet iedereen’.” Vervolgens pleitte ze, met een verwijzing naar het oorspronkelijke idee van Rosa Spier, voor het opnemen van meer bewoners die actief zouden blijven werken. Nu, vond ze, kampte het huis ‘met een slecht gesorteerde collectie van het eerste uur: mensen die zich wel uitverkoren voelen in hun status, maar niet geroepen in hun activiteit’. Ondertussen liep de spanning in het huis verder op. Annie Romein-Verschoor vulde – samen met medestanders Jetty Otten en de dichter Henk Fedder – als driemanschap tijdelijk het hiaat op na het vertrek van de directie. Een half jaar later, halverwege 1971, hadden ze er al genoeg van. De leiding bestond nog maar uit één persoon: de ondernemer Herbert Irmer, die vanaf het begin bij de plannen voor het Rosa Spier Huis was betrokken. Hij stelde de hoofdverpleegkundige Sula Davids aan als ‘assistente van de directie’. Irmer zag zichzelf als die directie, maar hij was er maar zelden en de feitelijke leiding berustte bij Sula Davids. Annie Romein-Verschoor, die heel positief was geweest over de hoofdverpleegkundige, werd steeds negatiever. Ze verweet haar ‘grillig gezag’ en noemde haar iemand ‘met wie wij op zijn best medelijden kunnen hebben’. 32

Van vetes naar vrede Het conflict uit die begintijd kwam tot een hoogtepunt toen ‘de groep van zestien’ weigerde een nieuw bewonerscontract te tekenen, dat het mogelijk maakte mensen op medische gronden uit huis te plaatsen. Dat stond immers haaks op het idee van Rosa Spier en de belofte van Henriëtte Polak-Schwarz in haar openingstoespraak, ‘dat niemand door hoge ouderdom of ziekte gedwongen zal worden het huis te verlaten’. Het conflict laaide zo hoog op dat enkele bewoners die zich verzetten, onder wie de beroemde graficus Maurits Cornelis Escher, met uitzetting werden bedreigd. De hele groep kreeg bovendien een verbod opgelegd om bij andere bewoners de kamer binnen te gaan en hen ‘lastig te vallen’ met hun actie. Journalist Frits Abrahams concludeerde in 1982, in een uitgebreid portret in Vrij Nederland over het Rosa Spier Huis, dat ‘de groep van zestien’ met haar verzet belangrijk werk heeft verricht. “De groep-Romein heeft ertoe bijgedragen dat het tehuis zich sindsdien op dit punt veel humaner opstelt. Overplaatsing naar een verpleeghuis geschiedt tegenwoordig alleen in noodgevallen.” In het huis leidde de aanhoudende controverse tot een sfeer van vijandigheid. Waar de één de kritiek van de groep van zestien deelde, was een ander juist kwaad over het ‘onrust stoken’ en ‘kapotmaken van ons mooie huis’. Er ontstonden kampen die elkaar bestreden of meden als de pest. Het bestuur, overspannen van al die toestanden, gooide halverwege 1972 olie op het vuur door na kritische opmerkingen van de schrijfster in een interview, een psychiater in te schakelen. De zenuwarts H.H. van der Meiden moest maar eens kijken of ‘dat mens Romein’ soms kinds was.


“Ik werd binnengehaald als een verlengstuk van het bestuur,” zegt hij in de biografie van Angenies Brandenburg. “De discussie die zich daar aan tafel ontspon was: dat mens is niet helemaal normaal. (...) Ze vonden haar lastig en wilden haar kwijt. (...) Ik ben erg kwaad geworden toen ik, op verzoek van het bestuur, bij mevrouw Romein aanklopte. Ik trof daar een heel heldere, enthousiaste, lichamelijk gehandicapte vrouw, die duidelijk de misstanden in het huis uiteenzette. Haar fundamentele punt was: ik ben oud en daarom word ik anders behandeld, en dat wens ik niet. Het ging niet eens zozeer om haarzelf; ze nam het op voor andere bewoners.” Maakte de groep-Romein zich ook schuldig aan onnodig gedram? vroeg Frits Abrahams voor Vrij Nederland aan de psychiater. “Van der Meiden knikt. ‘Dat maakte Annie Romein naar mijn gevoel ook zwak. Vooral de bewonerscommissie dook zo verschrikkelijk in details dat je door de bomen het bos niet meer kon zien. En dan reageerde het bestuur: “Wat kinderachtig en breedsprakerig.” (...) Ik heb altijd wel medelijden gehad met mevrouw Sula Davids, want zij zat klem tussen bestuur en bewoners’.” Een medewerker die heeft gewerkt met de verguisde directieassistente heeft het terugkijkend over ‘een prettige vrouw met wie ik altijd een goede relatie had, maar die slachtoffer werd van die grote ruzie’. In april 1974 verliet ze wegens ziekte het huis en in september van dat jaar kwam er met Heleen Kuilman een nieuwe directeur. “Hè hè,” zei Annie Romein-Verschoor tegen Van der Meiden. “Nu komt alles op zijn pootjes terecht.” En zo ging het inderdaad. De vetes werden bijgelegd, het ministerie zegde toe speciale aandacht te blijven besteden

aan het speciale Rosa Spier Huis en de schrijfster trok zich terug uit het actie voeren en legde zich nog vier, rustige jaren toe op haar werk. Op 2 februari 1978 werd zij, scheefgezakt in haar stoel, op haar kamer gevonden. De tv stond aan. De NOS zou die avond een uitgebreid programma over haar uitzenden. Drie dagen later stierf ze op 83-jarige leeftijd in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Beroemd en gedreven Medewerker John Klaver herinnert zich Annie RomeinVerschoor vooral als ‘een aardige vrouw’. “Maar met Sula Davids heb ik het ook altijd goed kunnen vinden.” Terugkijkend op de rumoerige beginperiode krijgt hij ‘veel mooie beelden’ op zijn netvlies. In de bijna 35 jaar dat hij de technische man was van het Rosa Spier Huis kwam hij bij iedereen over de vloer. “Een kraantje dat lekte, een lampje dat stuk was, er was altijd wel een of ander klusje, dus je kwam overal. Aan roddel of achterklap deed ik niet mee, maar ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik in een kamp werd getrokken. Ik vond juist die begintijd heel bijzonder. Je had veel bekende kunstenaars in het Rosa Spier Huis, die over het algemeen nog heel actief waren.” De eerste naam die bij hem boven komt, is die van de grafisch ontwerper Maurits Cornelis Escher. Voor een bewoner van het Rosa Spierhuis overleed hij jong, op 73-jarige leeftijd, in 1972. Met Bert Haanstra en Marten Toonder geldt hij nog altijd als één van de beroemdste mensen die hier hun intrek namen, ook al werd Escher op het hoogtepunt van de crisis rond ‘de groep van zestien’ bijna het huis uitgestuurd.

33


“Hij was een grootheid. Escher exposeerde veel in de VS, waar ze gek waren op zijn grafische werk. Ik weet nog goed dat in die tijd regelmatig Amerikanen het Rosa Spier Huis binnenkwamen, vaak jonge mensen van rond de 20, 25, die op zoek waren naar hem. Ze wilden hem even zien, een babbeltje met hem maken en daarvoor kwamen ze speciaal naar Laren. Zo beroemd was hij. Hij werkte nog in die tijd. Hij was excentriek, moeilijk te benaderen, maar ik vond hem een fantastische man. Een keer op een avond met diabeelden, hielp ik hem met de dia’s. Escher gaf het commentaar. Bij het verwisselen van een dia zei hij op een gegeven moment zachtjes tegen mij: ‘gek eigenlijk hè, wat ik maak’.” De violist Paul Godwin, die in de begintijd enkele jaren in het Rosa Spier Huis heeft gewoond, heeft van John Klaver een adept van Tsjaikovski gemaakt. “Ik was nog jong en niet thuis in de klassieke muziek. Hij heeft me meegenomen naar het Concertgebouw. Ze speelden onder andere Tsjaikovski en ik was meteen verkocht.” Ook in de verhalen van anderen, komt Paul Godwin naar voren als een beminnelijke man, wat onhandig soms, maar een en al overgave en concentratie als het op muziek aankwam. Met die gedrevenheid maakte hij in het Rosa Spier Huis uiteenlopende reacties los. “Ik heb vanaf vanmorgen 9.00 uur uw vioolstudies kunnen aanhoren,” schrijft een getergde bewoner hem in een kort briefje op 5 september 1972. “Helaas ben ik daar niet op gesteld en vind ik het een ongeoorloofde rustverstoring.” Paul Godwin krijgt het advies in de concertzaal te gaan oefenen. Het moet hem in verwarring hebben gebracht, want nog geen drie weken daarvoor had hij op 16 augustus van een medebewoner een heel ander briefje gekregen, gericht aan ‘cher maître Paul Godwin’. “Als je nog eens alt speelt en je kunt ons 34

toestaan het te horen, wil je dan bij mooi weer alsteblieft je deur naar de tuin openlaten? De schilders en beeldhouwers werken dan geïnspireerder.” Zij hadden kennelijk beter door dat ze met Pinchas Goldfein, zoals hij werd genoemd bij zijn geboorte in 1902 in het huidige Polen, een begaafd violist in hun midden hadden. Voor de oorlog boekte hij grote successen met zijn in Berlijn opgerichte ‘Tanz-Orchester Paul Godwin’. Hij vluchtte voor de Duitsers naar Nederland, viel hier in handen van de bezetter, maar wist de oorlog te overleven. Hij bleef in Nederland, werd opnieuw bekend in binnenen buitenland, was regelmatig op de radio te horen met diverse orkesten, van klassiek tot jazz, en was zo succesvol dat hij ook onder andere namen opnames maakte. “Anders zouden de mensen denken ‘hè, alweer Paul Godwin’,” herinnert een bekende van hem zich uit die tijd. Eind 1982 overleed hij in Driebergen. Als bewoner had hij zo’n band gekregen met het Rosa Spier Huis, dat hij het een aanzienlijk bedrag naliet. “Toen hij hier woonde was hij nog echt in goeden doen en had hij contact met veel groten uit de muziekwereld. Ik weet nog dat zelfs de wereldberoemde violist en dirigent Yehudi Menuhin bij hem op bezoek is geweest.”


35


36


37


38 Medewerkster Ellis Hunink


Werelds en ‘op sjiek’ Op de leestafel van het Rosa Spier Huis lagen volgens een verslag van een bestuursvergadering in 1974: de Volkskrant, Het Parool, de Telegraaf, NRC Handelsblad, de Gooi en Eemlander, alle bekende maandbladen, Illustrated Londen News, Paris Match, National Geographic, Vrij Nederland, de Groene en Elsevier. De bewoners, dat is duidelijk, hadden er behoefte aan zowel in de breedte als in de diepte bij te blijven in wat er om hen heen en in de wereld gebeurde. Veel bewoners waren actief aan het werk als schilder, schrijver, musicus, beeldhouwer (onder meer de bekende beeldhouwer prof. J. Bronner) of met wat hen ook als kunstenaar of wetenschapper bezielde. In het voorjaar van 1977 luidde het stichtingsbestuur de noodklok over een tekort aan werkruimte. “Het Rosa Spier Huis heeft een tekort aan ateliers en muziekkamers, waardoor enerzijds enkele bewoners nogal gefrustreerd jaren op een werkruimte moeten wachten, maar anderzijds kunstenaars van hoge kwaliteit moeilijk als bewoner kunnen worden aangetrokken.” Tegelijk bleven er klachten komen over geluidoverlast door musici die noodgedwongen op de eigen kamer repeteerden en die niet, zoals Paul Godwin, ook aanmoedigingen ontvingen. “Gedoe over een uur pianostudie van mevrouw X,” staat te lezen in de notulen van het stichtingsbestuur in die periode. Evenals: “Buurman heer Y. wil ‘in volle woongenot worden hersteld’ aangezien de situatie de grens van tolerantie overschrijdt.” Er lag een bouwplan klaar voor zes nieuwe ateliers en drie muziekkamers, maar er was geen geld genoeg. Het stichtingsbestuur klopte aan bij het speciale steunfonds voor een bijdrage in de 450.000 gulden die voor de uitbreiding waren begroot. Het zou nog even duren voor er echt een uitbreiding kwam en al

die tijd bleef het schipperen tussen geven en nemen. In de concertzaal werd die eerste jaren alleen geklaagd over de kwaliteit van de vleugel. “Niet goed genoeg,” was het oordeel. Dus moest er een nieuwe komen. De bewoners van het Rosa Spier Huis verlangden kwaliteit en kregen die ook, met een nieuwe concertvleugel voor 25.000 gulden en met optredens, voorstellingen en concerten van vrijwel alle bekenden uit die tijd. Voor volle zalen en met publiek dat er echt een avond uit van maakte, herinnert John Klaver zich. …“Je had dames die zich daar helemaal op kleedden en er in gala naartoe gingen. Echt op sjiek, in een lange jurk, en met juwelen. De dames van de Avenue noemden we ze, omdat ze vlak bij elkaar woonden in het gedeelte dat die naam had.” Eén van hen was ‘de Haagse joffer’ Ina Hooft. De schilderes had het naar eigen zeggen zeer naar haar zin in het huis. “Ik ben zo dankbaar dat ik hier zo’n heerlijke ouwe dag heb,” zei ze in 1982 in Vrij Nederland. “Ik was ook in een bejaardenhuis in Wassenaar gaan kijken, maar het beviel me helemaal niet. Ik kon er geen atelier krijgen, zoals hier, en dan die grote eetzaal waar je allerlei praatjes over kwalen moest aanhoren.” Ina Hooft was toen 88 en zou er daarna nog twaalf jaar wonen. Zelfs in haar honderdste levensjaar, haar laatste, organiseerde ze volgens de overlevering nog een eigen expositie. Ze heeft een kwart eeuw in het huis gewoond, en in de gangen hangen nog diverse schilderijen van haar. Ze zat erbij toen Rosa Spier in De Pauwhof in Wassenaar het idee opperde voor wat later het Rosa Spier Huis zou worden. Ze hoorde bij de eerste lichting bewoners en stond zonder het te weten model voor de kunstenaars voor wie het huis werd opgezet. Maar, ondanks haar tomeloze energie, ook voor de vergrijzing onder die bewoners. 39


Zorgen over verzorgen Het Rosa Spier Huis was nog geen vijf jaar oud toen het stichtingsbestuur zich al zorgen begon te maken over de leeftijd van de bewoners. “Het inwonersbestand vergrijst,” klinkt het waarschuwend in de vergadering van 20 maart 1974. “De aspirant bewoner stelt toetreding zo lang mogelijk uit. Het Rosa Spier Huis wordt als eindstation gezien en niet zuiver als een verlengstuk van de productieve werkzaamheid. Nieuwe gegadigden vinden de kamers over het algemeen te klein en er zijn te weinig ateliers.” Achteraf gezien viel het allemaal nog reuze mee, maar het bestuur was kennelijk alert en had een scherp oog voor wat zich gaandeweg inderdaad als kenmerkende verandering zou aandienen. We worden gemiddeld allemaal steeds ouder in Nederland en dat geldt ook voor de bewoners van Het Rosa Spier Huis. De toegenomen welvaart heeft daarnaast tot gevolg dat ‘een Pauwhof voor iedereen’, zoals Rosa Spier voor ogen stond, voor veel kunstenaars minder opportuun is geworden. De kachel die zij destijds uit vond als zij thuis kwam, is al lang vervangen door een praktische centrale verwarming. Boodschappen doen is geen punt meer nu de winkels uren langer open zijn dan toen. Praktisch is er veel verbeterd sinds de jaren zestig en financieel ook. Ouderen blijven langer op zichzelf wonen en oudere kunstenaars en wetenschappers dus ook. Nieuwe bewoners kwamen op steeds hogere leeftijd het Rosa Spier Huis binnen, waar zij oud-ingezetenen aantroffen die inmiddels ook al flink op leeftijd waren. De gemiddelde leeftijd was begin jaren tachtig al opgelopen van 76 naar 82,5 en is inmiddels, anno 2011, op 86,5 is 40

gekomen. Menigeen in het huis blijkt ondanks die hoge leeftijd nog met een opmerkelijke veerkracht door het leven te gaan, maar het was onvermijdelijk dat de behoefte aan gezondheidszorg en verpleging met de groeiende leeftijd steeds groter werd. “De klandizie voor de verpleging is aanzienlijk in omvang toegenomen,” schrijft de directie eind 1980 al in een intern verslag. “Acht bewoners hebben intensieve verzorging/ verpleging nodig. Daarnaast worden tien à vijftien mensen dagelijks aangedaan door de verpleging.” Als ‘punt van discussie’ oppert de directie daarbij vervolgens: “goed te doordenken of wij grenzen stellen aan deze ontwikkeling en ‘doorstuurcriteria’ gaan formuleren, of blijven uitbreiden in verpleegkundige assistentie.” Bijna twintig jaar later klinken uit een beleidsnota van toenmalig directeur W. van Spronsen dezelfde zorgen over de toenemende behoefte aan zorg en hoe deze moet worden georganiseerd. “Ook kunstenaars en wetenschappers ondervinden de lichamelijke en geestelijke gevolgen die kenmerkend zijn voor het ouder worden.” Wat te doen? Het blijft een mix van de keus uit 1980 – vaker doorsturen of de zorg uitbreiden – maar met de nadruk op meer zorgverlening, en nog altijd conform het door Henriëtte Polak-Schwarz zo duidelijk geformuleerde standpunt dat niemand door ziekte het huis zou hoeven te verlaten. Met uitzonderingen in bijzondere gevallen inmiddels, dat wel, en met de steeds terugkerende discussie over wat het huis en de verpleging aan kunnen.


Kerstdiner

41


Geldkraan “De werkelijkheid heeft zich in de loop der jaren steeds verder verwijderd van de droom van Rosa Spier,” schreef Vrij-Nederland-journalist Frits Abrahams al in zijn portret in 1982. “Tussen droom en daad – de oprichting – stond niet zoveel in de weg, maar wèl tussen de daad en ontplooiing doken te veel maatschappelijke ontwikkelingen, wetten en indicatiecommissies op.” Niet alleen werden de bewoners ouder, het Rosa Spier Huis kreeg ook te maken met aanhoudende beleidsveranderingen in de ouderenzorg, met nieuwe wetten, nieuwe geldstromen, nieuwe normen voor wie wèl en wie niet mocht worden toegelaten en nieuwe regels voor waar dat allemaal van moest worden betaald. Telkens weer. De maandelijkse huurprijs van een eenpersoonskamer hield gelijke tred met de algehele prijsontwikkelingen en liep dus fors op: van rond de 750 gulden per maand bij de opening naar zo’n 3700 gulden halverwege de jaren negentig (nu ruim 2000 euro, voor de enkeling die alles zelf bekostigt). Rond die tijd betaalde een kleine zestig procent van de bewoners die bijdrage helemaal uit eigen zak en de overigen betaalden ‘naar draagkracht’. De rest van het geld kwam van de overheid, waar nu eenmaal de grote geldkraan voor verpleging en verzorging van ouderen in tehuizen wordt beheerd. Vanwege het bijzondere karakter – nergens bestaat zo’n unieke gemeenschap van oudere kunstenaars – slaagde het Rosa Spier Huis er steeds weer in om bij de overheid een afwijkende positie te krijgen binnen de voor andere huizen vaak dwingende voorschriften: het hoefde niet (zoals de meeste andere) alleen mensen op te nemen die echt zorg nodig hadden en daarvoor een zogeheten 42

‘indicatie’ hadden. Dat stond immers haaks op de opzet dat bewoners zoveel mogelijk actief zouden blijven. Tegelijk moest de geldkraan wel open blijven voor de medische voorzieningen die het huis met de verdergaande vergrijzing nodig had. Zo laveerde de leiding voortdurend door het overheidsbeleid, maakte het afspraken met ‘de buren’, het verzorgingshuis Theodotion, over medische bijstand en breidde het de eigen verpleegafdeling steeds verder uit. Toen per 1 januari 2000 alle verzorgingshuizen voor hun financiering afhankelijk werden van de volksverzekering AWBZ zag het er voor het Rosa Spier Huis somber uit. Naar het zich liet aanzien, kon het nu alleen blijven bestaan als het zich hield aan de voor alle huizen geldende voorwaarde om het broodnodige geld te krijgen: uitsluitend mensen met een indicatie toelaten, mensen dus die zorg nodig hadden. “Het Rosa Spier Huis wil niet alleen optimaal gebruik maken van de AWBZ maar ook een levendig huis met actieve kunstenaars en wetenschappers blijven,” schreef directeur W. van Spronsen in een rapport. Opnieuw trok de leiding eropuit om de uitzonderlijke positie van het huis voor nog actieve en dus vitale oudere kunstenaars te bepleiten. En opnieuw vond het Rosa Spier Huis gehoor. Een beetje tenminste. Het behield de mogelijkheid om met mate – mensen zonder een indicatie op te nemen. Te midden van deze ontwikkelingen stak Erica Terpstra, toenmalig staatssecretaris van volksgezondheid, bij het 25jarig bestaan in 1994 uitbundig de loftrompet over het Rosa Spier Huis: “Bij u bewijzen ouderen meer dan waar ook in ons land, dat creativiteit en artistieke prestaties niet van leeftijd afhankelijk zijn. En terecht. Want het heeft niets met kalenderleeftijd te maken. U blijft tot op hoge leeftijd geïnteresseerd in ontwikkelingen van de wetenschap en actief in de kunstbeoefening, of het nu is met de penseel,


Otto Hetterscheid en medewerkster Liesbeth Blickman

43


44 Jaap Hoogstraten


de naald, het kleurpotlood of de journalistieke pen.” Een tv-uitzending van NOVA ter gelegenheid van het jubileum zette het huis nog eens volop in de publiciteit. Dagenlang kwamen er telefoontjes van kunstenaars met de vraag of ze een plaatsje konden krijgen. Juliana op verjaardagsfeestje De deur van het stijlvol ingerichte appartement van Jaap Hoogstraten (1929) hangt vol met briefjes, foto’s, kaarten en andere aandenkens aan zijn bijna twintigjarige verblijf in het Rosa Spier Huis. Vanaf de dag dat hij binnenkwam, had hij het ‘helemaal naar mijn zin’. De zorgelijke toon uit beleidsnota’s in de eerste jaren van zijn verblijf over groeiende ouderdom en ingewikkelde financieringsstromen, komt niet overeen met de vele herinneringen die hem op deze deur aankijken. “De mensen waren heel actief, gingen prettig met elkaar om, organiseerden van alles wat er spontaan in hen opkwam. Het was een heerlijke tijd.” Zelfs het rouwbericht van acteur Ton Lensink, op 13 december 1997, getuigt daarvan: “Neem mij niet kwalijk dat ik zonder iets te zeggen, achter menigeender rug om, ben doodgegaan. Het ging vanzelf. Ik heb niettemin 74 jaar een intens beleefd en onstuimig en heerlijk leven achter de rug. Dank je wel voor de bijdrage daaraan. Ton Lensink.” Jaap Hoogstraten glimlacht. Het brengt hem terug bij een winterdag ergens rond 1995, hij weet het niet meer precies. “Op een zondagmiddag begin januari zou de operazangeres Caroline Kaart een concert geven tijdens een nieuwjaarsbijeenkomst in het huis. Het was spekglad die dag en op een gegeven moment belde ze op. Haar pianist had afgebeld. ‘Ik durf zelf ook niet,’ zei ze. Ik meteen naar Piet Heuwekemeijer hier in huis. ‘Zullen we zelf iets doen Piet? Dan doe jij de muziek.’ Dat wilde hij best. We

gingen naar Ton Lensink, Gerard Heystee, Ietje van Driel van Wageningen, dat was een hele goede vriendin van prinses Juliana die hier ook wel in huis kwam, en zo zetten we diezelfde dag nog een prachtig programma in elkaar. Ik heb het hele toneel versierd met waxinelichtjes. Het zag er schitterend uit. Ondanks het slechte weer kwamen er van buiten nog mensen naar de concertzaal en ik legde uit wat er aan de hand was en dat ze konden blijven om onze voorstelling te zien. Dat wilden ze wel en iedereen heeft genoten.” In weerwil van de vergrijzing kwam Jaap Hoogstraten, geboren in Hilversum, al op zijn 63ste naar het Rosa Spier Huis. Het gebouw had net de ingrijpende renovatie achter de rug waarmee het als nieuw was geworden, en de concertzaal glunderde nog na van het prachtige concert door de Nederlandse Harpisten Vereniging ter gelegenheid van de viering van de honderdste geboortedag van Rosa Spier. De Pauwhof in Wassenaar, het grote voorbeeld waar het allemaal was begonnen, was ondertussen in grote problemen gekomen en moest in 1994 de deur dicht doen voor kunstenaars en intellectuelen. Een extra uitdaging voor het opgeknapte Rosa Spier Huis om het ideaal levend te houden. “In dit verzorgingshuis wonen 73 eigenwijze individualisten. Daarom is het hier ook zo leuk,” zegt de dan 83-jarige binnenhuisarchitecte en muziekrecensente E. Ferguson in die tijd in een interview met de Volkskrant. “Iedereen doet precies wat hem goeddunkt. Dat is bijzonder prettig.” Jaap Hoogstraten herinnert het zich precies zo. In zijn jonge jaren had hij voor zichzelf een mooie toneelcarrière op het oog gehad, maar die pakte wat anders uit. “Ik heb drie keer examen gedaan voor de toneelschool en ik ben drie keer gezakt. Ik heb wel een 45


seizoen meegedraaid met de Nederlandse Comedie, met Mary Dresselhuys, maar daarna ben ik rekwisieten gaan maken voor het toneel.” Zo kwam hij toch bij het theater. Hij begon een succesvol atelier in etalagedecoratie in Amsterdam en net op het moment dat hij weer toe was aan iets anders, stapte er een Italiaan binnen die zijn zaak overnam en voor hem de weg vrijmaakte om in hetzelfde werk een bestaan op te bouwen in het land waar zijn hart lag: Italië. “Ik ben daar zeventien jaar gebleven, in Florence, heb er ook nog een pension en later een hotel gehad, maar toen ging het mis, ik bleek te zijn bedrogen in de zaak.” Hij kreeg een hartinfarct, ging naar Limburg om bij te komen en ook weer via contacten daar in zijn vertrouwde werk aan de slag te gaan, kreeg weer een hartinfarct, en vond het toen wel genoeg. “Ik was eigenlijk te jong, maar een arts heeft me geholpen en toen mocht ik naar het Rosa Spier Huis. Dat wilde ik graag. Willy van Hemert zat toen in het bestuur. Daar had ik bij gewerkt.” Zo kwam Jaap Hoogstraten in het huis oude bekenden tegen en stapte hij er ook weer terug in zijn vertrouwde theaterwereld van weleer. “Het was natuurlijk ook een omschakeling na die heerlijke jaren in Italië.” In zijn passie voor Italië vond hij weerklank in het Rosa Spier Huis. “Onder de bewoners had je onder anderen Jo Fiedeldij Dop, de vrouw van de bekende kinderarts. Zij had de boeken van dokter Spock vertaald. Een enig wijf. En Re Koster, een geweldige zangpedagoge, die alle beroemde componisten uit haar tijd had gekend, en Sam Wagenaar, de schrijver over Mata Hari, die in Los Angeles had gewoond. Allemaal waren ze gek op Italië. Er was in die tijd en jaren daarna heel veel schwung in huis. Mensen gingen regelmatig op reis en dan zei je tegen elkaar, neem dat en dat voor me mee. Pesto en olijfolie uit Italië bijvoorbeeld. 46

Natuurlijk kwamen er wel eens mensen bij je die hun nood klaagden over hun leven, maar dan zei ik: ‘lieve schat, hoe oud ben je nu? Dat moet je allemaal naast je neer leggen’. Je moet het loslaten.” Zelf accepteert hij dat zijn leven al enkele jaren danig wordt gehinderd door de gevolgen van een langdurige ziekte. “Het hoeft niet meer zo van mij, maar ik klaag er niet over. Ik heb het heerlijk gehad en ik werk af en toe nog mee aan een hoorspel. Wat wil ik nog meer? Prachtige dingen heb ik meegemaakt. Ik heb nog een keer met de oude Sjouk Hooymaayer een voorstelling met Juliana gezien op Soestdijk.” Ietje van Driel van Wageningen regisseerde toneelstukken voor een groepje waarin ook prinses Juliana speelde, en zij nodigde Jaap Hoogstraten en Sjouk Hooymaayer uit te komen kijken op het paleis. “Juliana wilde in dat stuk de werkster spelen, echt iets voor haar. We kwamen laat aan, er waren alleen nog een paar plaatsen vooraan vrij, waar kennelijk niemand durfde te gaan zitten. En wie komt er opeens ook nog aan? Beatrix. ‘We moeten wel,’ zei ze. ‘Want moedertje speelt.’ Sjouk zegt ondertussen tegen me: ‘die blauwe jurk heeft ze al eens aan gehad’. Ik kon me niet meer inhouden van het lachen. Daar zat je dan. Juliana is ook nog een keer bij me op een verjaardag geweest hier. Toevallig. Ietje van Driel had iets gehoord over een toneelstukje dat hier zou worden opgevoerd en vroeg of Juul ook mocht komen. Het was zo’n stuk over ethische kwesties waar daarna uitvoerig over werd nagepraat en juist dat vond Juliana prachtig. En zo belandde ze op mijn verjaardagsfeestje.”


Jaap Hoogstraten

47


48 Bewoonster Emmy Hatzmann, Herman Wiegmans en Adriaan van het Wout.


De bewoners van nu Muziek zet de toon Koffie en thee staan elke ochtend klaar in het zitgedeelte van de grote hal, waar bewoners elkaar vanaf een uur of tien treffen met ‘koffietijd’. Koekjes zijn er meestal ook genoeg, echte boterkoekjes, gemaakt in de eigen keuken. Wie in het Rosa Spier Huis woont, staat op kwaliteit, of het nou om een muziekuitvoering gaat, een voordracht of een koekje. Dit keer zijn er slagroomsoesjes bij, want het is een bijzondere ochtend. Medewerkster Jaane Krook, twintig jaar lang de drijvende kracht achter muziekuitvoeringen van bewoners, vindt het op haar 75ste tijd om te stoppen. In stijl, dus achter de piano. Op het toneel staan deze dag, eind augustus 2010, twee vleugels. Eén voor Jaane Krook en één voor beeldhouwster Beatrijs van Hall (1928), de bewoonster met wie ze samen – met werken van Bach en Mozart – haar afscheidsconcert speelt. “De muziek leeft hier onder de bewoners en niet alleen als publiek in de zaal,” zegt Beatrijs van Hall in een dankwoord vooraf. “En dat hebben we aan Jaane te danken.” Een half uur later laten ze het applaus uit de zaal over zich heen komen, opgelucht en tevreden. Muziek leeft inderdaad in het Rosa Spier Huis. Dat betekent dat er regelmatig grote concerten worden gegeven en dat ook bewoners actief musiceren. “Muziek heeft echt een belangrijke functie hier.” Jaane Krook moet tijdens de receptie het relaas over haar ervaringen steeds even onderbreken voor weer een bos bloemen, fles wijn of afscheidszoen. “Ik had net mijn opleiding als muziektherapeute afgesloten, toen ik in het Rosa Spier Huis terecht kon. We noemen het hier activiteitenbegeleiding.” Wat begon met het stimuleren

van vooral bewoners die door een handicap of ziekte wat geïsoleerd dreigden te raken – “met kleine instrumentjes en met zingen rond een kopje koffie of thee” – breidde zich al snel uit met mensen die nog volop actief waren. “Ik herinner me nog goed dat Piet Heuwekemeijer viool kwam spelen en Gerard Heystee cello. Iedere week hadden we wel een uitvoering, iets nieuws. We zongen ook, liedjes van vroeger, maar nooit op een te populaire tour.” Kwaliteit wordt ook hierin bewaakt. Zangeres en bewoonster Hansi Struijk komt even langs om afscheid te nemen. “Haar heb ik veel begeleid op de piano.” Zo’n anderhalve maand later gaat opvolgster Monique de Langen aan de slag en dat betekent, vertelt ze lachend: “dat ik meteen helemaal in het diepe word gegooid.” Ze is eerder weleens ingevallen en kent enkele bewoners dus al; ze weet welke eisen ze aan de begeleiding stellen. Hansi Struijk (1923) stapt de concertzaal in. Ze vertelt graag over de talloze belevenissen tijdens haar tournees door Europa, maar zelf zingen is nog altijd haar grootste passie. Monique de Langen heeft net samen met Beatrijs van Hall geïmproviseerd achter de vleugel – “dat was helemaal nieuw, maar het ging heel goed” – en nu wacht ze af wat de zangeres tevoorschijn plukt uit het stapeltje bladmuziek in haar handen. Het wordt ‘Nachtviolen’ uit het zevende album van Schubert. “We hebben zo nog nooit eerder samengespeeld en ik kan niet meteen te veel nootjes geven hè.” Het gaat goed, constateren ze allebei; de jasjes gaan uit en ze vinden elkaar in diverse andere liederen. “Het is mijn eerste week. Ik heb veel les gegeven, aan muziekscholen en als muziektherapeute, en ik heb koren gedirigeerd, maar ik vind het heel boeiend om hier te werken met mensen met zo’n muzikale geschiedenis.” Elke dinsdag en donderdag 49


50 Fiet Fokkema


Beatrijs Prummel en medewerkster Jaane Krook

51


is Monique de Langen te vinden in de concertzaal en – ’s middags vooral – achter de vleugel in de hal. “Daar musiceren we met meer mensen, in combinatie met poëzie en rond speciale thema’s zoals de muziek uit bepaalde landen.” De vleugel in de hal markeert de ruimte als één van de symbolen van het kunstzinnige karakter van het Rosa Spier Huis. Soms gaat er spontaan iemand even achter zitten, zoals pianiste Ella Geuzebroek (1922), die nog maar net met haar man in huis woont – en zich er meteen ‘al helemaal thuis’ voelt – als ze voor het eerst de toetsen aanslaat. “Dat moet je vaker doen,” wordt ze aangemoedigd. Voorbij de vleugel staat de leestafel, waar nog altijd alle landelijke dagbladen en een groot aantal tijdschriften ter inzage liggen. Aan de andere kant, vlakbij de concertzaal, treffen bewoners elkaar in de zitjes. Voor koffie en andere gelegenheden, zoals het afscheid van Jaane Krook, de opening van een nieuwe expositie of een discussiebijeenkomst. In de hal zoeken de bewoners elkaar op. Zoals deze ochtend pianiste en muziekdocente Topy Wolf (1929), die al zestien jaar in het Rosa Spier Huis woont met haar partner, de pianist Sebastiaan Laper, die ze daar heeft leren kennen. Ze heeft advies nodig voor een Engelse vertaling van een van haar haiku’s, een Japanse dichtvorm, en krijgt een paar suggesties. Even verderop loopt dichter, schrijver en voormalig modeontwerper Louis Tiessen (1921), eveneens fervent beoefenaar van de haiku. Hij sluit zich vriendelijk groetend nog even aan bij enkele medebewoners aan de tafel vlakbij de balie. Eén vraag aan hem is voldoende voor een doorwrocht betoog over literatuur of schilderkunst. In 1947 organiseerde hij, vriend van Corneille, Karel Appel en Constant, hun 52

eerste gezamenlijke expositie. “Toen was er nog veel kritiek. Ik ben ook bij het gesprek geweest met schilders in Parijs, maar die wilden een voor hen veel te linkse koers varen.” Dus gingen ze verder zonder Parijs en bleef het bij Cobra, naar de hoofdsteden van Denemarken, België en Nederland, legt hij uit. Anderen lopen intussen richting Gelach’kamer – de ruimte kreeg die naam na een prijsvraag in huis – voor de warme middagmaaltijd, onder wie acteur John Kraaijkamp (1925), die net uit de lift is gestapt. “Ik kom niet zoveel in de hal. Het bevalt me prima in het Rosa Spier Huis, maar ik zit graag boven in mijn appartement. Ik heb niet zoveel mensen om me heen nodig.” Toch wordt hij in dezelfde Gelach’kamer regelmatig gesignaleerd als daar op donderdagavond tussen het dammen, discussiëren en scrabbelen door pannenkoeken en tosti’s worden geserveerd. Bedrijvig en bijzonder Aan de wand hangen overal tekeningen van de succesvolle portrettist Erika Visser (1919-2007). In het Rosa Spier Huis bleef ze werken en als gevolg daarvan kijken twaalf huidige en vroegere bewoners, onder wie zijzelf, je in de Gelach’kamer aan; ingetogen en indringend tegelijk. Eén van de portretten is van de befaamde Nederlandse stripauteur Marten Toonder (1912-2005), die in Erika Visser zijn laatste liefde vond. Hij noemde haar ‘een schilderes van zielen’. Een bewoner weet nog goed dat Marten Toonder, in weerwil van de wat sombere kijk op zijn laatste levensjaren die hij in interviews ventileerde, in het Rosa Spier Huis best opgewekt was. “Hij kwam graag een glas wijn drinken bij een goed gesprek en was heel blij dat hij Erika hier had ontmoet. Ik heb ze wel heel gezellig samen met een flesje wijn gezien.”


Louis Tiessen

53


54


John Kraaijkamp

55


56 Het wekelijkse pannenkoeken eten


Even na twaalf uur zitten gemiddeld zo’n twintig bewoners aan vier grote tafels voor de warme maaltijd. Andere bewoners geven er de voorkeur aan in hun appartement te eten, maar op de donderdagavond is menigeen van hen wel in de Gelach’kamer te vinden. De pannenkoeken en tosti’s, die de twee activiteitenbegeleiders Annemieke Zwart en Francine Karten om beurten klaarmaken, vinden gretig aftrek. Het is een van de talrijke activiteiten waarmee zij al jaren veel succes hebben bij de bewoners. Poffertjes eten in Laren, een excursie naar musea, een bezoekje aan de theetuin in Eemnes, een optreden ‘s zomers van het Riciotti Ensemble buiten of van een Afrikaanse dansgroep binnen in de concertzaal, filmvoorstellingen, voorlezen, speciale broodmaaltijden, een high tea, paasontbijt, lentebuffet, herfstbuffet, kerstdiner.....het loopt vrijwel allemaal via de twee begeleidsters, die er samen meer dan een werkweek mee vullen. Het vaste programma aan concerten, theater, exposities, beeldend werken en diverse cursussen wordt door anderen verzorgd (zie hoofdstuk 4). Annemieke Zwart begon in 2004 – “toen nog twee middagen” – en Francine Karten twee jaar later. Beiden merken, dat ze ‘steeds meer moeten inspelen op het ouder worden van de bewoners’. Francien Karten wijst op een rolstoel in de hoek. “De mensen worden slechter ter been. Ze blijven meer binnenshuis en willen ook dingen waar ze mee zitten met je bespreken.” Dat met de ouderdom de gebreken komen, gaat ook aan het Rosa Spier Huis niet voorbij. Menig bewoner van achter in de tachtig of in de negentig loopt nog opmerkelijk soepel door het huis, maar regelmatig is het in de gangen ook filerijden met rollators en rolstoelen, met de enige lift al snel als bottleneck. Het is onvermijdelijk. De verandering

is volgens Annemieke Zwart vooral de laatste jaren te merken; dat hoor je ook van anderen in huis. “Toen ik hier kwam, waren veel mensen nog aan het werk, gingen sommigen zelfs naar de VS om een lezing te houden. De laatste jaren is dat minder geworden. Met onze activiteiten stellen we ons daar op in, we proberen steeds iets nieuws, in overleg met de bewoners. Het blijft een heel bijzonder huis met bijzondere mensen.” Tegenover de Gelach’kamer is de atelierruimte waar vrijwilligster Inge Hupkens van der Elst bij voorkeur aan de slag gaat met een klein maar wezenlijk onderdeel voor de sfeer van het Rosa Spier Huis: de bloemen. Kleine bloemstukjes hier, een groot boeket daar, bloemen die van verre je aandacht trekken of als een verfijnd detail een tafel sieren....het is elke woensdag de belangrijke klus waar zij zich vol overgave op stort en waarmee ze al gauw een uur of zes bezig is. Soms wijkt ze uit naar een zitje in één van de gangen, maar als haar favoriete atelierruimte vrij is, vind je haar daar. Bewoners komen graag even bij haar zitten om te praten of complimenteren haar met de keus en de vaardigheid. Ze doet het graag, maar vooral die sociale functie van ‘de bloemen doen’, zoals ze het zelf noemt, sluit aan bij wat ze het allerbelangrijkste vindt van haar werk. “Het contact met mensen spreekt me heel erg aan. De blijheid op de gezichten zien, de leuke gesprekken, de manier waarop je met aandacht problemen kan verzachten.” Ze is één van de ruim 25 vrijwilligers die met enige regelmaat het Rosa Spier Huis binnenstappen om iets te doen voor de bewoners. Dat varieert van samen een eindje wandelen tot voorlezen, van meegaan naar een arts tot koffie schenken in de hal, van helpen bij een opvoering tot boodschappen regelen, van een praatje maken tot 57


58 In de Gelach’ kamer met portretten van bewoners van Erika Visser


59


60


61


meehelpen in de bibliotheek. Inge Hupkens van der Elst is vaak in het Rosa Spier Huis, sinds eind jaren negentig, voor de bloemen, het speciale boodschappenkarretje in de hal, meegaan naar het ziekenhuis, het regelen van de duizend dingen die geregeld moeten worden bij een voorstelling. “Het is een beetje een baan geworden, maar ik vind het heel leuk. Laatst heb ik bij mij thuis voor de bewoners en vrijwilligers die vaak bij de concerten helpen een lunch georganiseerd. Heel gezellig. De sfeer in het Rosa Spier Huis is heel bijzonder,” vindt ook zij. “Dat moet echt zo blijven.”Om dat te bewerkstelligen wordt het Rosa Spier Huis behalve door vrijwilligers ook bevolkt door zo’n vijfentwintig mensen die in de verpleging werken, twaalf in de huishouding, elf in de keuken, vijf op de receptie, vier voor activiteiten en de begeleiding daarvan, drie in de technische dienst, twee bij het secretariaat en één in de directie. Velen van hen werken parttime, maar samen met de vrijwilligers is hun aantal beduidend groter dan de zeventig huidige bewoners. Toch zijn het deze bewoners om wie alles, vierentwintig uur per dag, draait in het Rosa Spier Huis. Tien korte portretten geven een indruk van de bewoners van nu. “Een beeldhouwer is nooit klaar” Beeldhouwster Inka Klinckhard (1922) heeft zich in het Rosa Spier Huis omringd met haar kunst en haar geschiedenis. De woonkamer is bijna een klein museum, waar alle meubels – kast, tafel, stoelen, bankje, bureau, de spiegel zelfs – pronkstukken zijn van de reliëfkunst van haar moeder; gemaakt aan het begin van de twintigste eeuw in Berlijn, waar ook Inka is geboren. Haar atelier tegenover de kamer puilt zo ongeveer uit van haar eigen werk. “Hier staan vooral de kleine dingen van wat ik in grotere afmetingen 62

in opdracht heb gemaakt.” De paar meter afleggen naar het hoekje met de stoelen om even te praten, vereist al veel behendigheid. “Mensen zeggen wel eens: ‘wanneer is het hier nou echt vol?’.” Kunst was een virus in de familie – “oma maakte vooral brandschilderingen” – maar vader was een uitzondering. Zijn wetenschappelijk onderzoek brachten hem en Inka rond haar achtste al twee jaar naar Amsterdam en in 1939, op de vlucht uit Duitsland, vestigde het gezin zich definitief in Nederland. “Ik was als kind al aan het schilderen, maar hij vond dat maar niets. Hij wilde dat ik scheikunde zou gaan studeren. Ik weet nog dat ik expres formules verkeerd zei. Ik wílde de kunst in.” Trots pakt ze een afgietsel in gips van de eerste kop die ze – op haar dertiende – op school heeft gemaakt van Frederik de Grote. “We mochten willekeurig iets uitkiezen en in de klas hing een doodsmasker van hem. Dat wilde ik proberen. Ik was meteen verloren. Frederik wilde liever fluit spelen dan koning zijn en haalde allemaal muzikanten naar zijn hof.” Een levensloop die helemaal bleek te passen bij haar eigen passie. Als beeldhouwster is Inka Klinckhard vooral gevormd door de bekende beeldhouwer Jan Bronner, van zie ze op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam les kreeg en die later zelf nog tot aan zijn overlijden in 1972 in het Rosa Spier Huis heeft gewoond. “Ik herinner me dat hij vertelde hoe Auguste Rodin, die hij nog had gekend, ’s avonds in het donker met een kaarsje langs zijn werk ging om te kijken of er niet nog ergens een oneffenheid zat. Prachtig. Je bent eigenlijk nooit klaar met je werk, je moet je er op een gegeven moment van losrukken.” Haar eigen werk omschrijft ze als ‘tamelijk realistisch’ met een voorliefde voor speelsheid, ‘springerigheid bijna’ en verbondenheid. Dat betekent een leven vol beelden maken van vooral paarden en ‘man, vrouw en kinderen’.


Inka Klinckhard

63


64 Inka Klinckhard


65


“Maar ook abstracte vormen als ik bijvoorbeeld een opdracht kreeg om beweging uit te drukken.” Haar eerste twee expositie waren – samen met anderen – in het Stedelijk Museum in Amsterdam en daarna werd ze permanent zo in beslag genomen door haar werk, dat ze er niet aan toe kwam een eigen gezinsleven te beginnen. Haar beelden én de vele penningen die ze heeft ontworpen zijn haar kinderen. “Met steen of hout werken vind ik ’t fijnst, maar brons is ook een uitkomst, vooral bij opdrachten.” Inka Klinckhard heeft in haar drukke leven regelmatig de stilte opgezocht. Dat heeft haar onder andere bewoonster gemaakt van een boerderijtje in Nijkerk en van een klooster in België. Sinds 2005 woont ze in het Rosa Spier Huis, waar ze jaarlijks nog ‘vijf tot zes beelden’ maakt. Ze is blij dat ze gezond is, maar dat betekent wel dat ze de maandelijkse huur van zo’n 2000 euro helemaal zelf moet betalen. “Zo duur heb ik nog nooit gewoond, maar het bevalt me hier prima.” De duim gaat omhoog. “Zo!”

zegt ze in het radioprogramma ‘Een goede morgen met’ (juli 2008). Ze studeert dagelijks piano en heeft ook les. Daarnaast wijdt zij zich aan de poëzie, waarin zij uiting kan geven aan haar zoektocht naar zin en samenhang. Pleisterplaatsen op die route zijn mystici uit alle tradities, de Taoïstische filosofie en grote dichters, zoals Czeslaw Milosz. Liever dan in een geschreven portret presenteert zij zich met een gedicht.

Muziek, mystiek en poëzie Zodra ze geboren was, speelde haar vader als welkom pianomuziek van Beethoven. Zes jaar later begon Froukje Giltay (1927) met viool- en pianolessen. De keus viel daarna op de vakopleiding viool. Haar leraar was Joachim Röntgen, die later in het Rosa Spier Huis woonde. Als violiste werd zij vooral bekend door uitvoeringen van nieuwere muziek, waaronder verschillende premières. Met pianist René Rakier voerde Froukje in ons land als eerste Nederlandse violist de beruchte eerste sonate van Béla Bartók uit. Ze maakte deel uit van het befaamde Röntgen Strijkkwartet, dat vele tournees in het buitenland maakte. “Een leven zonder muziek is voor mij ondenkbaar,”

De thema’s zijn als takken doorgegroeid tot waar geen hand nog ooit een eindstreep zetten zal.

66

De traan als lens*

Groeien

Zou niet verdriet waarvoor geen troost bestaat de ergste ziekte zijn met pijn onstilbaar –

De oude zomereik vijfhonderd jaar. Ik kijk ernaar en denk het is als luisteren naar Bach de laatste fuga, onvoltooid

Raak er niet aan tenzij je zelf kunt voelen wat het is – ternauwernood bestaan. *paul celan over spinoza

Ben ik een thema of een tak, wat wil ik zijn? Ik weet het niet want groeien gaat gepaard met pijn. “dikke boom”, landgoed verwolde (gld.)


Froukje Giltay

67


68 Elisabeth Lebbing


Zingend naar speksteen Elisabeth Lebbing (1913) heeft van haar bestaan ‘een vrolijk en opgewekt leven gemaakt’ en dat doet ze nog altijd. “Iedere dag als ik het gordijn open doe, denk ik: Lebbing, je bent er nog, op deze aarde. Je kan nog denken ‘wie ben ik’ en ‘wie zijn mijn buren’. Dat is iets om dankbaar voor te zijn, want op je 97ste kan dat ook anders zijn.” Ze lacht en wijst in de studio vlakbij de centrale hal, op de zware speksteen die ze met zaag en vijl de vorm oplegt die ze van binnenuit ziet ontstaan. “Hier werk ik altijd.” Ze is geboren in een banketbakkersfamilie in Amsterdam en altijd wil ze bezoek of bekenden iets lekkers toestoppen. “Dat vind ik leuk.” Vanuit haar tweekamerappartement beneden kijkt ze uit op de binnentuin. Ze vertelt over de planten en over de hoge sequoia verderop, die er al veertig jaar staat en elk najaar ‘zo mooi’ de grond bedekt met afgevallen naalden. “Ik ben altijd in Amsterdam blijven wonen, maar ik had wel steeds de wens om als ik oud was een eigen stoel en een eigen tuin te hebben. En kijk nu eens wat ik hier heb gekregen in Laren. Al twintig jaar.” Op een grote foto aan de muur staat een ontwerp van de openluchtschool aan de Cliostraat in Amsterdam Zuid. “Die school is gemaakt door Jan Duiker, die ook Zonnestraal heeft ontworpen.” Elisabeth Lebbing is daar van 1941 tot 1974 hoofdleidster van de kleuterafdeling geweest. Op de salontafel heeft ze wat voorwerpen uitgestald die de loop van haar leven illustreren. Er liggen foto’s van klassen met een nog jonge Elisabeth. “Het was heel fijn werk. Met sommige leerlingen heb ik nog altijd contact.” Ze wijst op de kleine, van papier gemaakte poppenkast die naast de foto’s staat. “Dat heb ik ook gedaan. Tien jaar lang heb ik

poppenkastvoorstellingen gegeven in de stad, deels in de oorlog en dat was niet zo makkelijk. Met het geld dat ik daar mee heb kunnen verdienen, heb ik in Londen een harp gekocht, een grote Erard.” Een kleurenfoto op tafel toont een stralende Elisabeth Lebbing, spelend op deze aanwinst. “Ik heb van kind af pianogespeeld en later ben ik aan harp begonnen. Ik heb nog les gehad van Saar Strümpfler, de tweede harpiste van het Concertgebouworkest. Rosa Spier heb ik wel meegemaakt tijdens een voorstelling, maar ik kende haar niet persoonlijk. Later heb ik een kleinere harp gekocht. Die staat nu in een vitrine in de hal. Alles wordt geschiedenis.” Een stapel tijdschriften op een bijzettafeltje geeft aan hoe Elisabeth Lebbing ‘nog altijd mee wil gaan met de tijd’ – met ontwikkelingen in haar vertrouwde Amsterdam, in de wereld van de kunst en op het gebied van levensbeschouwing. Haar afkeer van religieuze dogma’s heeft ze overgehouden aan haar jeugd. “Als kind kwam ik al in Vrije Gemeente aan de Weteringschans, in het gebouw waar nu Paradiso is. De Vrije Gemeente is in 1877 opgericht als een ontmoetingsplaats voor alle religies en levensbeschouwingen, en ik heb me daar altijd thuis gevoeld. Ik heb er vijfentwintig jaar lang in een koor de Johannes Passion gezongen, grotendeels onder leiding van Johannes Röntgen. Zingen is gezond, ik heb het van mijn tiende tot mijn 85ste gedaan, maar een keer houdt ook dat op natuurlijk.” Maar dan is er wel ruimte voor iets nieuws. “Ik ben in het Rosa Spier Huis met speksteen begonnen, op mijn 80ste. Heerlijk met je handen werken. Zo’n steen is wel zwaar, maar ik doe het graag.” 69


Kleurrijk leven met zwart-wit Als meisje van twaalf kreeg ze in Bergen aan Zee tekenles van kunstschilderes Charley Toorop en tegen haar zestigste kwam in Mexico een oude passie voor boetseren weer bovendrijven, maar het leven van Lies Wiegman (1927) heeft toch vooral in het teken gestaan van een succesvolle carrière als fotografe. De halve wereld heeft ze ervoor afgereisd, ze won prijzen en toonde haar foto’s in tijdschriften, kranten, boeken, kalenders en op exposities. Nu werkt ze in haar atelier in het Rosa Spier Huis – “een paradijs is het hier” – vooral met klei. “Ik vind het heerlijk om te werken, maar ik vergeet soms dat ik niet zo jong meer ben.” De tekenles vond ze wel leuk. “Maar ik ontdekte al snel de fotografie en die vond ik veel interessanter.” Op aandringen van haar ouders kiest ze een opleiding waarmee zij zich ‘financieel zou kunnen bedruipen’: Reclame en Fotografie aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. De ‘linkse docenten daar’ vonden dat je in de reclame ‘zoveel mogelijk je eigen idee’ moest weergeven. Die hang naar creatieve vrijheid spreekt haar aan. In 1952 besluit ze naar de Verenigde Staten te gaan om zich helemaal toe te leggen op de fotografie. “Ik kreeg een baan bij de VN, voor lay-outwerk. Ik werkte vooral ’s nachts en overdag ging ik met de camera de straat op.” Lies Wiegman woont dan in New York, in de artiestenwijk Greenwich Village, en komt er in contact met belangrijke fotografen. “Het was de glorietijd van New York.” Het is ook de tijd dat de fotografie echt belangrijk wordt in Amerikaanse tijdschriften. Lies Wiegman is precies op de juiste plaats op het juiste moment. Ze ontwikkelt in haar fotografie een sociaal en kunstzinnig oog voor de werkelijkheid, wint in 1953 al de hoofdprijs 70

zwart/wit bij een internationale fotowedstrijd van het tijdschrift Photography en ziet daarna haar foto’s gepubliceerd in Time en Life. Al snel verschijnen in kranten trotse artikelen over een Nederlandse die het heeft gemaakt in Amerika. Vervolgens rolt het fotograferende leven van Lies Wiegman bijna als vanzelf steeds verder, met reizen door Brazilië, Argentinië en Europa. “Ik ben altijd heel vrij geweest in wat ik deed.” Haar man, de kunstschilder Louis Vorkink, kan niet aarden in de VS en in 1958 gaan ze in Wassenaar wonen in een huis naast het terrein van het dierenpark. De zwangerschap en de geboorte van haar dochter Saskia, in 1962, kluisteren haar meer aan huis en omgeving, en ze richt zich in haar fotografie op de dieren vlakbij. In 1965 verschijnt haar eerste kinderboek: Mijn lama, een fotoverhaal met tekst van Miep Diekman. Later volgen nog drie kinderboeken. Lies Wiegman is altijd zwart-wit blijven fotograferen. “Zwart wit abstraheert enigszins de werkelijkheid, geeft het iets surrealistisch.” Een reis door Amerika brengt haar begin jaren tachtig naar het Mexicaanse plaatsje San Miguel de Allende, waar ze een cursus boetseren volgt. “Hier wil ik wonen als ik met de vut ga,” denkt ze. Op 57-jarige leeftijd stopt ze als docente aan de School voor Fotografie en Fotonica in Den Haag en vertrekt ze naar Mexico, waar ze zich toelegt op boetseren. Twintig jaar later keert ze terug naar Nederland. “Gelukkig kon ik al snel een kamer met atelier krijgen in het Rosa Spier Huis.”


Lies Wiegman

71


72 Cootje van Oven


Muziek uit Siërra Leone Iedereen die haar kent, is het erover eens: Cootje van Oven (1920) is veel te bescheiden. Zelf vindt ze van niet, natuurlijk, en dus doet ze wat schouderophalend over haar werk en leven. Over haar stukjes in vlugschriften tegen de Duitse bezetting, de vier jaar die ze daardoor vanaf haar twintigste in de gevangenis heeft gezeten, haar muziekstudie, haar zangkunst, haar leven als muzieklerares in West-Afrika, het boek met cassette dat ze na meer dan twintig jaar onderzoek ter plaatse schreef over de inheemse muziek van Sierra Leone – “waar ze inderdaad wel blij mee waren, ja” – en zelfs over haar in 2005 verschenen levenswerk ‘Wat belangrijk is geweest’. Een dik boek, want het is alleszins belangrijk geweest. En zowaar: “op dat boek ben ik best een beetje trots.” Twintig jaar woont Cootje van Oven in het Rosa Spier Huis. Samen met haar zuster Leida kwam ze van De Pauwhof in Wassenaar, waar ze jarenlang in een portiershuisje mochten wonen, naar Laren. “De taxichauffeur zei nog: ‘dat is toch precies hetzelfde’. Vanaf de avond dat we aankwamen, hebben we het hier heel fijn gehad. We hebben de grote verbouwing meegemaakt en de grondige opknapbeurt daarna van de concertzaal. De akoestiek is echt geweldig geworden. Artiesten waren verbaasd als ze optraden. ‘Goh wat zingt het hier goed’. Zelf heeft ze er ook gezongen, voor een volle zaal. De Tweede Wereldoorlog heeft grote invloed gehad op haar leven. Niet alleen zat ze al die tijd in de gevangenis – “steeds weer een andere, wel tien in totaal” – maar haar vader, die ook was opgepakt, werd na 3,5 jaar tuchthuis op transport gesteld naar een Duits concentratiekamp en overleed daar.

Na de bevrijding kwam Cootje van Oven terecht in Engeland, waar oorlogsslachtoffers konden aansterken, en in Londen vond ze ‘een baantje’ op de Nederlandse ambassade. “Deels journalistiek werk, voor het blad The Voice of the Netherlands.” De ambassade moest bezuinigen. Ze kreeg ander werk, pakte de draad weer op van de zanglessen die ze op haar zeventiende had gekregen van haar moeder (zelf zangeres), werd tot haar verbazing toegelaten tot de muziekstudie in Londen en studeerde in 1957 af. In Nederland haalde ze er nog een muziekdiploma bij en via een oud-medestudent in Londen kreeg ze onverwachts werk aangeboden in het West-Afrikaanse Sierra Leone. “Voor ik het wist, gaf ik daar les op een school. Het leven zit vol toevalligheden. Ik ben daar tot 1983 gebleven, op verschillende scholen. Als muzieklerares, maar ik gaf ook Engels en zelfs biologie.” Alle vakanties en vrije tijd – “die ik eigenlijk niet had, want ik had het heel druk met de lessen” – reist ze met een ploegje het land af om volksmuziek te verzamelen en te bestuderen. Zus Leida, die als econome onder andere voor de Verenigde Naties en Ontwikkelingssamenwerking veel in Afrika en het Midden-Oosten reisde, peutert bij minister Pronk geld los, en zo komt het standaardwerk er echt: een belangrijk lesboek voor het land. Terug in Nederland schrijft Cootje van Oven eerst in De Pauwhof en later in het Rosa Spier Huis verder aan ‘Wat belangrijk is geweest’. Zus Leida is in 2003 overleden, maar ‘het toeval’ bracht wat verzachting: een jaar eerder was haar jeugdvriendin uit haar schooltijd in Den Haag, de weefster Paula Dietz, naar Laren gekomen. Ze zijn nog altijd de beste vriendinnen.

73


Problemen oplossen “In mijn jonge jaren ben ik eens iemand tegen gekomen die me vroeg: ‘heb jij een plan in je leven?’ Nee, dat had ik niet. ‘Moet je dat dan niet hebben?’ vroeg hij. Ik vond van niet.” Jan Verhagen (1920) is nooit van gedachten veranderd en voelt zich daarin gesteund door het Taoïsme, waarin hij zich de laatste jaren heeft verdiept, en door de boeken van Krishnamurti. “Het gaat erom dat je openstaat voor de essentie van de dingen in het leven. Dat je rustig kijkt naar wat er op je afkomt, dan weet je altijd hoe je ermee om moet gaan. ” Met die levenshouding zet hij zich in voor het Rosa Spier Huis, in de cliëntenraad en als begeleider bij de vele voorstellingen in de concertzaal. En met nog een eigenschap die hij al vroeg bij zichzelf ontdekte. “Ik mag graag helpen problemen op te lossen.” Jan Verhagen is geboren in Buenos Airos ‘omdat mijn vader daar een tijd voor zijn werk moest zijn’, maar groeide op in Haarlem. Rond zijn twaalfde vroeg een vriendje dat bezig was met een kristalontvanger die niet goed werkte, of Jan hem kon helpen. “Ja, zei ik meteen, terwijl ik op dat moment nog geen idee had hoe.” Het lukte en leverde hem meteen – ook zonder plan – de richting op in zijn leven: de techniek. “Ik voelde dat ik het wel moest kunnen. Als ik een probleem zie, dan wil ik het oplossen. In de techniek, maar ook op andere gebieden.” Hij studeerde af aan de Middelbare Technische School, de latere HTS (tegenwoordig HTO), en besloot in 1941 eerst wat te doen aan zijn ‘verontwaardiging over de leugens van de Duitsers’. Hij maakte illegaal drukwerk, werkte onder anderen samen met de later doodgeschoten verzetsstrijder 74

Jacob Jan Hamelink, werd begin 1943 gearresteerd en kwam er volgens hemzelf genadig af met tien jaar tuchthuis. “Ik moest hard werken zonder eten, maar dat was nou eenmaal zo.” Voor die tijd was hij in het Scheveningse ‘Oranjehotel’ in de cel terechtgekomen bij de verzetsdichter Yge Foppema. “Van hem heb ik veel geleerd aan inzicht in het leven.” Zijn werk bij de staatsmijnen in Limburg en later bij Philips in Hilversum gaf hem de gelegenheid technische problemen op te lossen en nieuwe dingen uit te vinden. “Ik heb daarin altijd de vrije hand gehad en veel kunnen doen aan de ontwikkeling van de telefonie.” Maar op zijn 55ste is het opeens op. “Ik was helemaal leeg en dat bleek van de oorlog te komen.” Hij stopt met werken, verwerkt zijn oorlogservaringen, knapt weer op en gaat opnieuw aan de slag. In 1997 verhuist hij met zijn vrouw, de zangeres Hea Landheer, naar het Rosa Spier Huis. “Door haar konden we hier komen wonen, want ik ben geen kunstenaar en geen wetenschapper.” Na haar overlijden in 2007 mist Jan Verhagen ‘haar nog elke dag’. “Maar ik geniet nog steeds van het leven. Ik ben een gelukkig en dankbaar mens en vind het fijn om me in te zetten voor het Rosa Spier Huis. Het is hier fantastisch. Leven in zo’n unieke gemeenschap vind ik een verrijking. Door de mensen, door de toewijding van de medewerkers en de vrijwilligers.”


Tom Eekman

75


76 Tom Eekman


Leven met taal Rond zijn zeventiende adviseerde de benedenbuurman aan de Amsterdamse Minervalaan hem in een gesprek over literatuur, Tolstoj en Dostojevski te lezen. Tom Eekman (1923) was voor altijd verkocht aan ‘die boeiende wereld, die met zijn gedachten en ideeën zo heel anders was dan de westerse wereld’. Tijdens zijn geschiedenisstudie aan de Universiteit van Amsterdam koos hij Russische literatuur en de Russische taal als bijvak. Zo legde hij het fundament van zijn bestaan als hoogleraar Slavische letterkunde, vertaler van zo’n vijfentwintig boeken uit het Russisch, Pools, Tsjechisch en Servo-Kroatisch en grondlegger van het Oost-Europa Instituut, samen met studiegenoot Karel van het Reve. Het had aan het begin van de oorlog mis kunnen gaan. Net zeventien had hij vol trots met het schoolorkest van het gymnasium onder leiding van Johannes Röntgen uit het hoofd een pianoconcert van Bach gespeeld, toen hij ‘verzeild raakte in het verzet’. “Ik moest joodse kinderen naar onderduikadressen brengen. Iemand moet dat verraden hebben, want toen ik een keer aanbelde om een kind op te halen werd ik opeens vastgegrepen.” Hij belandde in de cel van het politiebureau aan de Marnixstraat, maar het lukte hem, door een list van twee oudere medegevangenen, zonder schade weg te komen. “Daarna heb ik nog geschreven voor de illegale pers, zoals de Vrije Katheder en Het Parool. Dat is gelukkig goed gegaan.” Getrouwd, inmiddels, trok hij in 1947 naar Praag, waar hij een jaar bleef wonen om een dissertatie te schrijven over Anton Tsjechov. “Ik was daar toen de Russen klaar stonden om het land binnen te vallen en communistische milities

politici gevangen namen. Ik heb geen soldaten gezien, maar besefte wel de ernst van de situatie.” Hij ging terug naar Amsterdam en kreeg van een vriend het verzoek boeken te vertalen voor diens vader, oprichter van Uitgeverij Wereldbibliotheek. Zo begon wat hij daarna is blijven doen en nog altijd doet: vertalen van romans, verhalen en gedichten. Met in 1981 als bekroning de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertalingen van Leskov en Tolstoj. In 1966 begon Tom Eekman aan een andere markante episode van zijn leven. Hij vertrok naar de VS om hoogleraar letterkunde te worden aan de universiteit van Los Angeles. Hij bleef er tot 2000. “Het leven is daar heel anders, maar er waren ook veel Europeanen, vooral onder collega’s. Om de band niet te verliezen gingen we heel bewust elke zomer naar Nederland, naar een oude boerderij in Drenthe.” Terug in Nederland vestigde hij zich in het Rosa Spier Huis, waar een jaar later zijn vrouw overleed. Ook twee zoons heeft Tom Eekman inmiddels verloren. “Mijn dochter is in de VS gebleven, maar mijn oudste zoon woont gelukkig dichtbij, in Amsterdam.” “Ik woon hier nu tien jaar en ik ben blij dat ik gekomen ben. Ik heb veel gereisd, maar nu doe ik dat niet meer. Ik heb nog wel veel contact met schrijvers en intellectuelen, vooral uit het voormalige Joegoslavië waar ik altijd graag kwam.” Tom Eekman laat de uitgave van zijn laatste vertaling zien, uit 2010: ‘Het sprookje van Iwan de Dwaas’, van Tolstoj. “Het leven bevalt me goed zo en ik ben blij met de bijzondere vriendschap die hier is ontstaan met Froukje Burgemeister. Dat is belangrijk voor me.”

77


Schrijven in eigen werkkamer Overal in de kamer staan en liggen voorwerpen die een aandenken zijn aan één van de vele reizen, die ze samen of afzonderlijk hebben gemaakt in Europa, Egypte, het Midden-Oosten, de Verenigde Staten en India. Maria Elizabeth (Mab) van Lohuizen-Mulder (1934) en C.W.W. (Wali) van Lohuizen (1932) verruilden in augustus 2008 hun appartement aan de Amsterdamse Singel voor twee kamers op de tweede etage van het Rosa Spier Huis. Een authentiek Grieks terracottabeeldje uit de zesde eeuw voor Christus, een dertiende-eeuwse Perzische gebedstegel, optisch glas van onder anderen Cigler en beeldjes van Charlotte van Pallandt zijn slechts enkele voorbeelden van hoe elk hoekje in de woonkamer iets vertelt over hun verre tochten en werk. Mab van Lohuizen studeerde kunstgeschiedenis en archeologie. Zij promoveerde in 1973 op een theorie over de relatie tussen twee kleine panelen van Rafaël. Dat resulteerde in een rijk geïllustreerd boek over de grote Italiaanse renaissanceschilder. Onderzoek daarvoor bracht haar onder andere naar Engeland, Frankrijk en Siena in Italië, waar ze uiteindelijk tot de conclusie kwam dat de twee panelen ooit een functie hadden gehad als boekband. “Rudi Fuchs heeft er een recensie over geschreven in de NRC.” Later pakte ze de draad weer op van haar doctoraalscriptie over de herkomst van stucdecoraties uit de vijfde eeuw in het Baptisterium van de Orthodoxen in Ravenna. Het werd een onderzoektocht in Egypte, Syrië, Israël en de VS – waar ze op uitnodiging enkele maanden op het Institute for Advanced Study in Princeton verbleef – die leidde tot zeven, in wetenschappelijke kringen gezaghebbende artikelen. Blij laat ze de nieuwe werkkamer zien, die ze net beneden in het huis heeft betrokken. “Hier 78

kan ik verder werken aan het boek dat ik hierover aan het schrijven ben. ‘Alexandria versus Byzantium’.” Ook Wali van Lohuizen heeft een eigen werkkamer in huis, waar hij de laatste hand legt aan een boek: ‘Een psychospirituele kijk op de boodschap van Jezus’. Na een werkzaam leven als planoloog en buitengewoon hoogleraar planologisch onderzoek stortte hij zich op een heel ander gebied, dat hem altijd heeft geboeid: “Waar draait het om in de grote religies? Dan kom je op mystiek, op het ene, ook God genoemd, het ervaren bijvoorbeeld van eenwording of van nabijheid van iets dat boven het denkmatige en het emotionele uitgaat.” Hij heeft er met tien jaar onderzoek een wetenschappelijke studie van gemaakt, uitgegeven bij Peter Lang in New York. “Ik was blij verrast dat zij het willen uitgeven.” Vierhonderd pagina’s, geschreven in het Engels. Naast hun wetenschappelijke werk hebben ze samen sinds 1985 bijna twintig jaar lang in Delhi (India) enkele malen per jaar meegewerkt aan de bouw van een ‘memorial’ en het opzetten van een school, een vrouwenproject en een muziekacademie. Nu ze allebei een werkkamer hebben, heeft Mab van Lohuizen niet alleen meer gelegenheid om verder aan haar boek te werken, maar heeft haar echtgenoot ook meer ruimte voor een andere liefde: landkaarten en stadsplattegronden. “Mijn basisopleiding was sociale geografie en ik vind het geweldig om op zulke kaarten de werkelijkheid te zien, de verbindingen, de verhouding.” Mab van Lohuizen zegt lachend. “Hij kan nu eindelijk zijn kaarten ophangen. Het is heerlijk dat we allebei een werkruimte hebben. Waar vind je dat? We hebben het zeer naar ons zin en hopen dat die bijzondere sfeer zo blijft, ook in de nieuwe opzet.”


Wali en Mab van Lohuizen

79


80 Annie Vriezen


“Weven, dàt wilde ik leren” Zo’n twee jaar woont weefkunstenares Annie Vriezen (1934) in het Rosa Spier Huis. “Ik voel me er helemaal thuis.” Ze is opgegroeid in een sociaal bewogen milieu, waarin haar vader – hoogleraar theologie – een belangrijke rol speelde. “Heel kritisch naar de maatschappij en met veel aandacht voor emancipatie. ‘Je moet voor jezelf kunnen zorgen’, zei hij altijd.” Rond haar achttiende wijst een vriendin van haar moeder op een bijzondere kant die ze heeft ontdekt in Annie. “Dat kind is kunstzinnig.” Haar moeder is verbaasd: “zou je denken?” De vriendin zet Annie op haar levensweg als kunstenares. Hoewel ze te weinig vooropleiding heeft, haalt ze na drie jaar haar eindexamen aan de Academie Minerva in Groningen. Kort daarop geeft ze tekenles. In die tijd raakt ze betrokken bij een ingrijpende onderwijsvernieuwing en daarin vindt ze een nieuwe uitdaging. “Met alles wat nu modern is, zijn we toen begonnen: werken met allerhande materiaal, zelf muziek maken, die vernieuwing bracht alles samen. Ik heb ook les gegeven in kunstgeschiedenis en handenarbeid en organiseerde buitenschoolse activiteiten, vooral op het gebied van weven.” Weven werd haar passie. “Op de academie in Groningen zag ik een weefgetouw staan en dacht ik meteen: ‘dàt wil ik leren’. Maar niemand kon er les in geven.” Toen de kunstschilder Martin Tissing, met wie ze inmiddels getrouwd was, in 1965 een beurs kreeg om negen maanden naar Polen te gaan, opende dat de deur naar haar weefcarrière. “Polen is een Mekka voor weven. Vooral het weven van wandkleden was mijn grote liefde. Langzaamaan werd ik in Nederland een expert op weefgebied. Ik werd overal gevraagd en had overal in Europa contacten. Ik ben ook in de VS geweest en in Peru, gaf colleges, het was grandioos.”

Al voor de reis naar Polen kon Annie Vriezen met haar man als verkapte beheerder gaan wonen op de Allersmaborg in Ezinge, eigendom van de gemeente. “Het was nogal verwaarloosd en we hadden er veel werk aan om het een beetje op te knappen.” Na haar scheiding blijft ze er wonen en geeft ze onderdak aan kunstenaars. “Er zat een beeldhouwer in de stallen, er woonden schilders, een filmer, een schrijver.” Dat blijft zo als Staatsbosbeheer de borg in 1978 overneemt, de provincie de gebouwen in erfpacht krijgt, de borg wordt gerestaureerd en ook als later – in 1983 – de Groninger Borgen Stichting het beheer in handen krijgt. “We hadden een grote uitstraling, niet alleen in Groningen, Friesland en Drenthe, maar landelijk en zelfs internationaal, met kunstenaars uit de hele wereld.” Als de overheid ten slotte toch andere plannen krijgt, verdwijnt de kunstenaarskolonie en in 2001 verlaat Annie Vriezen na al die jaren ‘haar’ borg. Die wordt veranderd in een conferentieoord. Zij neem haar intrek in een oude smidse in Groningen. Zo oud, dat de douche ondeugdelijk blijkt te zijn en zij met brandwonden moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Na negen maanden is ze pas voldoende hersteld om naar een verzorgingshuis te gaan, in Middelsum. “Daar ging ik bijna dood. Dat was niet mijn klimaat.” In 2007 biedt het Rosa Spier Huis uitkomst. “Ik stond al vier jaar ingeschreven en kreeg een telefoontje of ik wilde komen. Een paar weken later was ik hier. Ik ben weer helemaal opgeknapt.”

81


Iedereen aan de balie gehad Hij kwam ‘als jongen van een jaar of negentien’ toen het Rosa Spier Huis net open was en hij is er nooit meer weggegaan. Medewerker Dick van Amstel is daarmee een beetje bewoner geworden. Hij staat in huis bekend als ‘die aardige duizendpoot die voor iedereen klaar staat’. “Als iemand ziek is of wat grieperig, trek ik me dat aan. Dan breng ik ze een chocolaatje of zoiets, om ze een hart onder de riem te steken.” Zijn moeder werkte vanaf het begin tot aan haar pensioen als verpleegkundige in het Rosa Spier Huis, dus de band tussen het huis en de Van Amstels is onmiskenbaar. “Ze hadden destijds iemand nodig voor de receptie, in de weekeinden. Dat vond ik wel leuk met al die kunstenaars.” Hij heeft ze allemaal aan de balie gehad, vaak om gewoon even een praatje te maken. “Of ze nou heel beroemd waren of niet, ze hadden allemaal op zijn tijd behoefte aan wat contact, om een grapje te maken of vanwege iets dat ze dwars zat.” Veel te veel dus om namen te noemen, maar de herinnering die hem het eerst te binnenschiet moet hij even kwijt, omdat deze illustreert hoe hij altijd de plattelandsjongen uit Maartensdijk kon blijven in het kunstzinnige Rosa Spier Huis. “Wieb de Machula-Rook, die hier nog steeds woont, liep een keer langs de balie naar de concertzaal. Ze speelde prachtig cello en ik zeg zo: ‘Waar ga jij heen met die grote viool?’ Zij meteen: ‘Dat is geen viool, dat is een cello.’ Heerlijk. Ik heb het sowieso altijd prachtig gevonden, al die kunstenaars en die musici die nog gingen repeteren in de concertzaal en daar kon jij dan gewoon als receptionist naar luisteren.” Toch maar een naam: “Willem Ravelli bijvoorbeeld, de zanger. Die had nog leerlingen.

82

Hij stond weleens bij me en dan zei hij: ‘zal ik nou nog meer les geven of zal ik zelf meer gaan zingen?’.” Jarenlang heeft Dick van Amstel ook een eigen bedrijf gehad, nadat hij de werkplaats van zijn vader had overgenomen. Onderhoud en reparatie van landbouwwerktuigen, van jongs af zijn passie, hielp hem de band te houden met zijn agrarische wortels. “Al die tijd heb ik zeven dagen in de week gewerkt, want ik bleef de weekenddiensten doen in het Rosa Spier Huis. Soms om de veertien dagen, maar ik wilde dat niet kwijt. Ik heb hier nooit één dag met tegenzin gewerkt.” Het jaar 1997 bracht hem een grote verandering. Hij werd ziek, deed zijn bedrijf van de hand, knapte weer op en vroeg zich net af wat hij met al die extra tijd zou gaan doen, toen er een telefoontje kwam. “John Klaver van de technische dienst vroeg of ik bij hem een paar dagen in de week kon meedraaien. Leuk. Later kwam chefkok Maurice Bakker langs. Of ik daar een ochtend kon helpen. Ik was meteen verslaafd en voor ik het wist, was ik hier fulltime aan het werk. De receptie doe ik niet meer, maar verder nog alles. Als er voorstellingen zijn, zorg ik voor licht en geluid in de concertzaal. Dat zijn wel lange dagen. En dan de keuken natuurlijk.” Hij loopt er trots doorheen, laat de voorraadkast zien, trekt de koelkast open en wijst op de soeppannen, waar hij net vers gesneden groente in heeft gedaan. Hier maakt hij de roomboterkoekjes die in huis zo worden geroemd en bekend staan als ‘Amstelkoekjes’. “Het is echt een prachtige keuken. Alle eten wordt hier vers gekookt. Waar vind je dat nog?”


Medewerker Dick van Amstel

83


84


85


Altijd en overal kunst Exposities met een verhaal Bij het werk van Peter Ruting (1938) blijft hij wat langer hangen. “Ik ben blij dat we hem erbij hebben dit jaar, want ik vind hem heel goed,” bevestigt René Klinkers als hij klaar is met zijn uitleg over de expositie in de hal. Voor een gehoor van zo’n vijfentwintig bewoners is hij langs het werk gegaan van medebewoners die dit keer hebben meegedaan aan de mede door hem georganiseerde tentoonstelling. Met zes exposities per jaar is het Rosa Spier Huis heel actief, maar vooral die ene daarvan, die jaarlijks werk van de bewoners zelf laat zien, is altijd een beetje spitsroeden lopen. Geen onderwerp zo omstreden als kunst en geen zaak zo gevoelig als aandacht, ook in het Rosa Spier Huis en onder het gehoor van de organisator. Iedereen heeft zijn voorkeur, zijn afkeur, zijn behoefte aan erkenning. René Klinkers wordt herhaaldelijk onderbroken met kritiek of aangespoord stil te staan bij een andere exposant, maar bij de verhandeling over Peter Ruting luistert iedereen aandachtig mee. Kunstenaar Peter Ruting was een veelgevraagde reclamefotograaf, toen hij in 1980 een andere weg in sloeg met zijn fotografie. Met opnieuw succes. Mensen noemen zijn werk schilderijen, zelf noemt hij het ‘autonome fotografie’. “Het zijn als het ware geënsceneerde stillevens,” zegt René Klinkers wanneer hij uitgebreid stil staat bij zo’n ‘bewerkte’ foto. “We noemen dat tabletop-fotografie. Die rode biljartbal hier onderin die fles bijvoorbeeld. Die kan niet zomaar in die fles zijn gestopt. Dat is bewerkt met de computer.” Zo arrangeert de fotograaf nauwgezet de werkelijkheid, die hij ogenschijnlijk in één opname weergeeft. “Steeds meer fotografen doen dat.” 86

Voor Peter Ruting, die er deze ochtend in de zomer van 2010 wegens ziekte niet bij kan zijn, is het etiket ‘kunst’ op zijn werk niet zo belangrijk. “Of fotografie kunst is, doet er niet toe. Het is niet interessant,” heeft hij hierover gezegd. “Kunstfotografie is zo beladen en de titel fotograaf kan zoveel inhouden. Het wordt pas kunst in de ogen van anderen.” Medebewoner en schilder Piet Smissaert (1930) kan zo’n houding goed begrijpen. Hij heft na afloop van de bijeenkomst met een symbolisch gebaar de handen ten hemel – met een grote glimlach. Piet Smissaert, die les heeft gehad van Paul Citroen, is blij met de aandacht voor zijn werk, ook in deze expositie, maar hij heeft evengoed geen antwoord op die eeuwenoude vraag. “Wat is nou kunst? Hoe kan je dat definiëren? Ik heb er de hele nacht weer over liggen nadenken, maar ik zou het echt niet kunnen zeggen.” De exposities in het Rosa Spier Huis worden vastgesteld en begeleid door een speciale commissie. Eén van de leden is meestal belast met de feitelijke samenstelling en die organisator drukt vanuit zijn achtergrond of persoonlijke voorkeur al snel een stempel op de tentoonstelling. De schilder en tekenaar Nicolaas Wijnberg (1918-2006), die in 1947 met een groep vrienden de kunstenaarsgroep De Realisten oprichtte en zijn laatste jaren in het Rosa Spier Huis woonde, liet zo als samensteller vooral het realisme in de kunst zien. De in kunstkringen bekende organisator van tentoonstellingen Louise (Wiesje) van Wessem, die jarenlang de drijvende kracht is geweest achter de exposities, liet zich meer leiden door haar voorliefde voor wat traditionele kunst. René Klinkers legt de laatste vier jaar het accent op moderne kunst. De tabletop-foto’s van Peter Ruting horen daar voor hem bij. “De kunst heeft in de tweede helft van


RenĂŠ Klinkers

87


88 RenĂŠ Klinkers


89


de twintigste eeuw een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Mensen denken bij modern vaak aan Karel Appel, maar daarna is er zoveel gebeurd aan postmodernisme. Abstract en figuratief kunnen heel goed naast elkaar in een schilderij en zelfs een zogenaamde ‘stijlloosheid’ is bij sommige kunstenaars het ultieme geworden.” Zijn keus wordt hem niet altijd in dank afgenomen. Het werk van Paul de Reus, dat wordt gekenmerkt door zware thema’s als honger, moord, armoede en ouderdom, stuitte eind 2009 op grote weerstand onder bewoners. “Schandalig vonden sommige mensen het, terwijl zijn werk toch veel succes heeft. Ik vind het heel belangrijk de bewoners hier meer vertrouwd te maken met moderne kunstenaars. Voor de bezoekers van buiten zijn ze eveneens heel interessant. Dat geldt trouwens ook voor de tentoonstelling van werk uit eigen huis. Die heeft echt een behoorlijk niveau. Ik organiseer ook tentoonstellingen waar ik zelf niet zoveel mee heb, bijvoorbeeld over het Grafisch Atelier Alkmaar, want ik hoef echt niet alles zonodig zelf te bepalen.” Prikkelen Het Rosa Spier Huis, dat mag inmiddels duidelijk zijn, is doordrenkt van kunst en muziek. In zijn bewoners en hun werk, in de ateliers en muziekruimten waar zij actief zijn, in de groepjes waarin ze musiceren of schilderen, in de aankleding van het huis met overal schilderijen en andere kunstvoorwerpen, en in het uitgebreide programma aan concerten, theatervoorstellingen, lezingen en exposities. Voor elke richting in de kunst kan het Rosa Spier Huis in zijn organisatie terugvallen op mensen, die met hun vele contacten en grote ervaring voldoende de weg weten om steeds weer een bijzonder programma te bieden. Voor de exposities is in René Klinkers een bewoner gevonden die 90

zich daarvoor inzet. Dat zijn keuzes weleens tot kritiek leiden, is onvermijdelijk. Het prikkelen, tegendraads zijn, zit René Klinkers (1943) bovendien in het bloed sinds hij zich in zijn jeugd heeft ontworsteld aan zijn geboorteplaats Ubach over Worms. Hij vluchtte de kunst in, via academies en opleidingen in Maastricht en Tilburg en de Rijksacademie in Amsterdam, waar het voor hem nog ‘veel te technisch en te behoudend’ was. “Je zag werken van Matisse, Picasso en Giacometti, maar bij het lesgeven kwamen ze niet ter sprake. Nu is dat veranderd, gelukkig.” Hij ging zelf lesgeven, en bleef dat zijn hele leven doen, in Nijmegen, Utrecht, Amersfoort en als gastdocent aan de kunstacademie van Maastricht. Hij schilderde en tekende zelf ook, en bleef nagenoeg al die jaren in Amsterdam wonen. Daar had hij een prachtig atelier in zijn huis aan de Lijnbaansgracht. Het overlijden van zijn vriend in 2002 bracht hem in een depressie, daarna werd hij ernstig ziek en hoewel hij daar weer van genas, kwam hij toch danig geradbraakt als jongste bewoner in 2006 het Rosa Spier Huis binnen. De kunst, het schilderen – “als ik dat niet had, werd ik gek” – en de tentoonstellingen brachten hem weer terug in het leven. René Klinkers heeft nu twee ateliers in gebruik, één om te schilderen en één voor zijn werk rond de tentoonstellingen. Daar straalt de inrichting vooral rust en overzicht uit. De ruimte is bijna een expositie op zichzelf, met onder andere stoelen van Le Corbusier, Rietveld en Eileen Grey, een Bauhaustafel, en aan de wand een groot schilderij van Erik Mattijsen en één van Jan Ros. “Dat is een leerling van mij. Hij doet het prima.” Hier bereidt hij ook de eerstvolgende expositie voor, met getekende en geschilderde portretten van Emo Verkerk en portretten in keramiek en brons van Joost van den Toorn. “Zij zijn heel bekend en ik ben


91


92 Opening van een tentoonstelling


93


apetrots dat ik het voor elkaar heb gekregen ze te krijgen.” Terug in de hal, dan nog het domein van de bewonersexpositie, staat hij nog even stil bij de tekeningen van binnenhuisarchitect en meubelontwerpster Be Niegeman (1921). “Ik vind haar zo goed. Ze werkt met inkt en penseel en door de concentratie in die lijnen roept ze echt een wereld bij je op.” De ‘gelaagdheid’, zoals René Klinkers dat graag noemt, waarmee de kunstenaar op verschillende niveaus een verhaal vertelt, is wat hem het meeste aanspreekt in een kunstwerk. Het is duidelijk dat niet iedereen zijn voorliefde voor moderne kunst deelt, maar mede die botsing tussen stijlen en ook ego’s soms, en de discussie die dat oplevert, maakt het Rosa Spier Huis tot zo’n levendige en inspirerende kunstenaarsgemeenschap. De ‘Stichting Voor en Door Kunstenaars’ maakt alle kunstevenementen mogelijk. Zij heeft daarvoor een budget dat deels wordt gevuld door de circa driehonderd donateurs, die elk jaar 55 euro bijdragen. Geen grote pot voor de vele en kwalitatief hoogstaande voorstellingen die worden georganiseerd, maar veel artiesten, musici en kunstenaars zijn gelukkig bereid voor een bescheiden gage of zelfs belangeloos naar hun oudere kunstverwanten in het Rosa Spier Huis te komen. Concerten voor kritisch publiek Het was even rep en roer in het Rosa Spier Huis toen dagblad De Gooi en Eemlander begin juni 1986 met een vernietigende kritiek kwam over de kwaliteit van de tweede vleugel. Het was een Steinway, dat wel, maar te versleten inmiddels om het gehoor van de recensent te kunnen bekoren. Een nieuwe vleugel kostte tenminste 80.000 gulden had de leverancier gezegd en voor de oude had hij slechts een inruilprijs van 15.000 over. 94

Het werd zoeken naar middelen, maar dat er iets moest gebeuren stond vast. De leeftijd van de bewoners mag zijn toegenomen, hun muzikale gehoor is over het algemeen zo gewend aan kwaliteit dat zij met minder geen genoegen nemen. Het getob met de vleugel was een uitzondering op de regel. De concerten staan bekend staan om de kwaliteit van het repertoire, de musici, de akoestiek van de concertzaal en wel degelijk ook de instrumenten. In 2008 zijn de twee huidige vleugels grondig gerestaureerd. “Het publiek in het Rosa Spier Huis is zeer deskundig en ook kritisch,” zegt Jurriaan Röntgen, oud-altviolist van het Concertgebouworkest en kleinzoon van componist Julius Röntgen. In 1998 nam hij voor het samenstellen van het programma het stokje over van Piet en Lideke Heuwekemeijer. Jurriaan Röntgen is geen bewoner – hij woont heel tevreden in de binnenstad van Amsterdam – maar is met zijn achtergrond en contacten een voorbeeld van hoe ook buitenshuis toonaangevende mensen zich inzetten voor het Rosa Spier Huis. Hij organiseert al bijna dertig jaar concerten, onder andere de Noorderkerk Concerten in Amsterdam en sinds ruim twaalf jaar die in Laren. Zoals overal valt er altijd wel wat te sleutelen aan de accommodatie – de ene keer zijn de stoelen aan vernieuwing toe, dan weer is het de stoffering, of vraagt een nieuwe verordening voor de brandveiligheid om maatregelen – maar de Steinway is geen zorgenkind meer voor de concertzaalcommissie waarmee Jurriaan Röntgen overlegt. “Het is een prettige, intieme zaal. Voor de muziek wel een tikkeltje aan de droge kant, maar verder goed qua licht en geluid. Voor theater is de zaal heel goed geoutilleerd en die twee dingen zijn nu eenmaal moeilijk te combineren in een zaal.”


De concertzaal

95


96 Ingrid Vogt (vrijwilligster), Otto Hetterscheid en Fleur Bekkers (medewerkster)


Naast incidenteel ingelaste concerten organiseert hij gemiddeld tien concerten per jaar, op zondag en maandag. “De zondagmiddagconcerten zijn over het algemeen wat luchtiger en hebben geen pauze, op de maandagavond gaat het echt om een avondvullend programma. Uitgangspunt is het klassieke kamermuziekrepertoire, van de klassieke romantische tijd tot en met het heden. De oudere muziek en barok vind je hier niet zozeer, dat past ook minder in deze zaal. Wel zoeken we steeds de grenzen op, omdat we de bewoners en de andere bezoekers ook met iets nieuws in contact willen brengen. Dus niet alleen het bekende werk. Dat wordt wel altijd dankbaar ontvangen en dat is ook van belang natuurlijk, maar het is ook goed om de oren te openen voor iets nieuws.” Oor voor jong talent De aandacht voor vernieuwing sluit aan bij een andere lijn die sinds jaar en dag wordt gevolgd bij de samenstelling van het concertprogramma: ruim aandacht voor jong talent. Lideke Heuwekemeijer herinnert zich goed, hoe haar echtgenoot zich midden jaren negentig sterk maakte voor een serie met jonge musici. “Hij had nog heel veel contacten, niet alleen door zijn werk, eerst als violist en later als directeur bij het Concertgebouworkest, maar ook door de vele jaren dat hij hoofd was van de muziekafdeling bij de NOS, met toen nog vijf orkesten en een koor. Hij had een heel goed gehoor en wist meteen of iemand iets speciaals had.” Een saillant voorbeeld daarvan is het concert dat hij speciaal voor zijn 93ste verjaardag had georganiseerd. “Hij had een jonge pianist horen spelen op een huisconcert. Die studeerde nog op het conservatorium, maar Piet dacht meteen: ‘die wil ik hebben’. Dat was Hannes Minnaar, die

nu in het voorjaar van 2010 de derde prijs heeft gewonnen van de grote Koningin Elisabeth Wedstrijd in Brussel.” Het speciale verjaardagsconcert moest destijds nog diezelfde dag worden afgezegd, want die 15e maart 2008 werd plotseling ook de sterfdag van Piet Heuwekemeijer. “Het was een bizarre dag, maar Piet had het dus al wel heel goed gehoord.” Het aanbod van talentvolle musici is in het algemeen groot, vindt Jurriaan Röntgen. Door zijn jarenlange werk in de concertwereld klopt iedereen al gauw bij hem aan voor een optreden, ook in het Rosa Spier Huis. “De selectie is altijd de grote taak. Het niveau onder de jonge musici is toegenomen, maar ik vind dat de conservatoria te veel mensen afleveren. Dat maakt het aanbod bij de kamermuziek topzwaar. Via de conservatoria, de impresariaten en alle contacten houd ik steeds een goed beeld van de kwaliteit van het aanbod. We nodigen ook regelmatig prijswinnaars uit van belangrijke concoursen, zoals het Oskar Back Vioolconcours voor jongeren rond de twintig en het Davina van Wely Concours voor violisten van dertien tot zeventien jaar. Dat is genoemd naar de beroemde muziekpedagoge, die ook in het Rosa Spier Huis heeft gewoond. Jongeren zijn altijd heel dankbaar als ze er een concert mogen verzorgen.” Bladerend door de oude programma’s ziet Jurriaan Röntgen het vele werk voor het Rosa Spier Huis voor zich op papier staan. Af en toe stopt hij even. “Hier in het seizoen 2001/2002 hadden we de surrealistische film Entr’acte van René Clair, een zwijgende film met muziek van Erik Satie. Dat was heel speciaal; de film werd op de piano begeleid door Maud Nelissen. Een voorbeeld van jong talent is het Rubenskwartet. Dat is echt uitstekend en dat heeft in de begintijd in het Rosa Spier Huis kansen gekregen. En 97


hier, in 2004/2005, de violist Tjeerd Top, die nu de tweede concertmeester is van het Concertgebouworkest.” In het programma 2007/2008 plukt hij er nog maar eens eentje uit: “Een zogenaamd Replica concert voor fluit en harp van Eleonore Pameijer en Erika Waardenburg. Zij spelen op de originele instrumenten van Rosa Spier, Phia Berghout en Hubert Bahrwasser. En dan hadden we natuurlijk nog in het afgelopen seizoen de hommage aan Rosa Spier, met Edward Witsenburg, de huidige nestor van de Nederlandse harpwereld. Voor het komend seizoen hebben we een heel bijzonder concert met muziek van Wolfgang Wijdeveld, ter gelegenheid van zijn honderdste geboortejaar. Dat is een markante figuur geweest, pianist en componist, die prachtige muziek heeft geschreven, maar onderbelicht is gebleven.” Jong of al ouder, musici treden graag op in het Rosa Spier Huis en regelmatig komt ook De Gooi en Eemlander nog langs voor een recensie. “Het huis heeft toch een naam. Je merkt het doordat de musici na afloop altijd graag een glaasje drinken en wat napraten met de bewoners. En die stellen dat op prijs. Het blijft uniek dat we steeds weer zo’n programma kunnen brengen. Dat zit verankerd in het Rosa Spier Huis en dat moet zo blijven.” Theatertop blijft komen ‘Het mooiste komt nog’ is een motto waarvoor je in het Rosa Spier Huis wel de handen op elkaar krijgt. In deze 50-jarige jubileumshow waarmee Seth Gaaikema in januari 2011 het theater vult, verkondigt hij de stelling dat ‘niet het aftellen is begonnen maar het optellen van die heerlijke mogelijkheden als oudere rebel’. Met 71 jaar is hij nog maar een jonkie in deze zaal, maar zijn publiek levert hem het levende bewijs voor de belofte die hij zichzelf 98

heeft gedaan: met de jaren groeit de vrijheid. Applaus dus voor Seth Gaaikema èn voor het publiek van ‘oudere rebelse’ kunstenaars, artiesten, musici, schrijvers en wetenschappers. Soort zoekt soort, ook hier. Op het toneel, waar Seth Gaaikema ‘steeds uitbundiger’ lacht om zichzelf en om de maatschappij, hebben in de ruim veertig jaar van het bestaan van het Rosa Spier Huis zo’n beetje alle grootheden uit de Nederlandse theaterwereld gestaan. Wim Kan, Corrie Vonk, Wim Sonneveld, Toon Hermans, Fons Jansen, Jules Croiset, Hetty Ruys, Henny Orri, Georgette Hagedoorn, Wim Ibo, Paul van Vliet, Henk van Ulsen, Anne-Wil Blankers, Helmert Woudenberg, Josée Ruiter, Herman van Veen en vele anderen trokken voor hun oude kunstgenoten – meer dan eens – met hun programma naar de kleine, intieme zaal. Hella Haasse, Geert Mak, Adriaan van Dis en andere schrijvers vertelden er over hun werk. Dat er naast de concerten een paar keer per jaar zulke bijzondere theatervoorstellingen en lezingen op het programma staan, is voor een belangrijk deel te danken aan Jaap Hoogstraten, die in hoofdstuk 2 vertelt over zijn leven en zijn contacten in de artiestenwereld. Sinds 2008 wordt hij bijgestaan door Hansje Terlingen, die de theaterwereld ‘door en door’ kent. Zij zit in de programmacommissie van het Singer Theater in Laren, ontwierp decors voor het Larens amateurgezelschap ‘De Papegaai’ en produceerde tot voor kort, bijna 24 jaar lang, de toneelvoorstellingen van Joop van den Ende Theaterproducties. Het woord ‘pensioen’ kan ze maar moeilijk uitspreken en dus ligt de tafel bij haar thuis bezaaid met stapels werk, ook voor het Rosa Spier Huis. “Jaap en ik zijn al heel lang maatjes.” Twee theaterdieren, die in overleg met de programmacommissie zorgen dat het Rosa Spier Huis


Afrikaanse dans

99


100 Boeken uit de Larense Bibliotheek met rechts coรถrdinator Lideke Heuwekemeijer


kwaliteit kan voorschotelen aan zijn publiek. Vraagt het huistheater om een eigen benadering? Hansje Terlingen vindt van wel. “We houden er bij de programmering rekening mee, dat er oudere mensen in de zaal zitten. Dus niet te snelle voorstellingen en ook bij voorkeur een kleine bezetting, wat door de grootte van het toneel toch al beter is. De accommodatie is prima, met in de ruimte onder het toneel twee kleedkamers waar niets op aan te merken valt. Technisch, wat licht en geluid betreft, zijn de mogelijkheden beperkt.” Diverse bewoners maken met hun gehoortoestel gebruik van de ringleiding in de zaal. Daarom wordt de mensen op het toneel gevraagd een microfoon te gebruiken om zo het geluid te versterken. Naast klinkende namen biedt het Rosa Spier Huis ook eigen voorstellingen, zoals die van Jaap Hoogstraten, en bijzondere producties. Een voorbeeld daarvan is Henk Boerwinkel. Zo’n tien jaar geleden kwam hij met zijn poppentheater naar Laren. In het buitenland was hij beroemder dan in eigen land. De programmacommissie wilde hem graag in de theaterzaal aan het werk zien. Met groot succes. Bekend werden ook de gesprekken, enkele jaren geleden op de zondagmiddag, van Jan Posch met acteurs als Ton Lutz en Petra Laseur. Jurriaan Röntgen, destijds betrokken bij het theaterprogramma, herinnert zich ‘hoe ontroerend het was toen Lutz daarin vertelde over zijn leven’. De belangstelling van buiten het Rosa Spier Huis zou wat groter kunnen, maar over het algemeen loopt de zaal aardig vol en bij sommige voorstellingen wordt weleens een stoel bijgesleept. Met in achtneming van de voorschriften van de brandweer, dat wel, want die zijn op dit punt onverbiddelijk. “Aan de acteurs kan je merken dat ze het prettig vinden in het Rosa Spier Huis op te treden. Het

publiek is kritisch, dat weten ze, en dat heeft ook iets bijzonders. De acteurs blijven na afloop meestal om met de bewoners nog wat te drinken en een praatje te maken, zoals na de voorstelling van Heddy Lester en Myra de Jong, ‘Tienduizend zakdoeken’, afgelopen zomer. Je kon merken hoe enthousiast ze waren. De artiesten hebben meestal wel over het Rosa Spier Huis gehoord, maar kennen het lang niet altijd, en dan merk je dat ze ontroerd zijn, dat het ze raakt voor al die oude kunstenaars op te treden. Prachtig.” Een complete bibliotheek Lideke Heuwekemeijer kijkt wat beduusd om zich heen in het open vertrek dat grenst aan de leeskamer. Ze wijst naar de kasten langs de wanden. Daar de Duitse boeken, daar de Franse, de Engelse, de poëzie.....Ze moeten allemaal weg, heeft ze net gehoord, want het vertrek is nodig voor de verpleging. Gelukkig is er nog een wand vrij in de grotere bibliotheekruimte, maar toch. Al dat verhuizen en opnieuw indelen is een heel werk voor iemand van 92, al zijn er altijd ook helpende handen. Het tekent de veranderingen in het Rosa Spier Huis: er is steeds meer behoefte aan verzorging en steeds minder aan boeken. “Er wordt natuurlijk nog wel gelezen. Er zijn zelfs mensen die een eigen leesclubje hebben en onze grootste klant voor de uitleen leest zelfs vijf boeken per week, maar het aantal mensen dat om een goed boek vraagt, is duidelijk afgenomen.” Hoeveel boeken er op voorraad zijn in de bibliotheek? Ze weet het niet precies, hoe nauwgezet ze ook haar zaken bijhoudt, gelouterd door bijna veertig jaar werk als secretaresse en rechterhand van de historicus Loe de Jong. De boekenkasten puilen uit, dat in ieder geval wel. De 101


102


103


104 Boeken van en over bewoners van het Rosa Spier Huis


voorraad is voortdurend in beweging. Elk jaar wordt een selectie gemaakt van boeken die kunnen worden verkocht – van de opbrengst worden nieuwe gekocht – en dan verdwijnen er boeken, zomaar, zelfs hier in het Rosa Spier Huis. Het is in de bijna zeventien jaar dat ze zich inzet voor de bibliotheek, de leeskamer en de aparte leeshoek zelden voorgekomen dat iemand tevergeefs bij haar aanklopte voor een bepaalde titel. “We hebben volgens kenners een met zorg samengestelde bibliotheek, met veel naslagwerken, zeker op het gebied van kunst, toneel, muziek en cabaret, en een aparte kast met boeken van en over bewoners van het huis. We hebben ook een geweldige relatie met de Openbare Bibliotheek in Laren. Ze helpen ons altijd aan wat we nodig hebben.” Samen met haar man Piet Heuwekemeijer kwam Lideke in maart 1994 naar het Rosa Spier Huis. “Het was een heel vreemde dag. Mijn eerste echtgenoot was net overleden en zou die dag begraven worden. In een al leeg huis in Amsterdam zat ik te wachten tot het tijd was om naar de begraafplaats Zorgvlied te gaan en Piet zat ondertussen een beetje ongelukkig in zijn eentje in ons nieuwe appartement hier. Maar vanaf dat moment hebben we het hier wel geweldig naar onze zin gehad. De sfeer was erg goed, bewoners waren heel actief en creatief in samen dingen organiseren, muziekuitvoeringen bijvoorbeeld.” Waar muziek de grote leidraad was in het leven van haar man waren dat boeken bij Lideke Heuwekemeijer. Ze heeft altijd ‘veel gelezen, ook nu nog’, en met haar werk bij Loe de Jong maakte ze de toonaangevende geschiedschrijving mee over de bezettingsjaren in Nederland. “Hij schreef altijd met vulpen. Ik had hem verboden met een ballpoint te schrijven, want dan kon ik het helemaal niet meer

lezen. Hij schreef altijd op een blocnote. Die hadden standaard honderd pagina’s. We hebben nog eens een hele briefwisseling gehad met de fabrikant toen er blocnotes tussen zaten die maar 99 pagina’s hadden. Dat kon hij niet hebben, want hij richtte zich helemaal op de gangbare grootte, dan wist hij precies hoeveel hij had geschreven. De fabrikant heeft toen weer gezorgd voor die honderd pagina’s. Zo nauwgezet werkte Loe de Jong, en zo gedegen dat het voor mij heel prettig was om met hem te werken.” Loe de Jong heeft op die manier zeker dertig boeken geschreven. Zo’n vijfentwintig daarvan typte Lideke Heuwekemeijer, meteen fungerend als redacteur, op de typemachine. Met zo’n leven vol schrijven en boeken besloot ze al vrij snel haar hulp aan te bieden bij de bibliotheek in het Rosa Spier Huis. “Dat deed destijds Els Vreedenburgh, de dochter van de schilder, die bij de Openbare Bibliotheek had gewerkt. We hadden toen in ons groepje een academicus uit Groningen, Koos Sirks, een heel precieze man. Ik herinner me dat we een keer zo’n jaarlijkse verkoop hadden. Die is bedoeld voor bewoners en op een gegeven moment kwam een voormalig lid van het bestuur langs, Brikkenaar Van Dijk. Hij had interesse in een paar boeken van Leo Polak, de man van Henriëtte Polak-Schwarz. “Mag ik ze kopen?” vroeg hij. “Nee,” zei Sirks botweg. “Die zijn voor bewoners.” Brikkenaar Van Dijk bleef heel beleefd en vroeg of hij ze dan mocht kopen als ze niet verkocht zouden worden. Nee, dat mocht ook niet. Ik probeerde hem nog op andere gedachten te brengen, maar hij hield voet bij stuk. Zo waren de regels. Ze werden niet verkocht, maar dat bestuurslid kreeg ze ook niet.” 105


106 De jaarlijkse boekenverkoop


107


108


109


Ze koos voor een minder rigide benadering toen ze langzaamaan alleen de verantwoordelijkheid kreeg. “Je moet af en toe wel een strenge selectie maken, anders kom je echt ruimte te kort. In principe niet meer dan twee, in uitzonderlijke gevallen drie titels van dezelfde schrijver. Als we een titel missen, kunnen we altijd terecht bij de bibliotheek in Laren. De kasten in de leeszaal gaan niet op slot, want de mensen moeten daar elk moment een boek kunnen pakken.” Woensdagochtend is Lideke Heuwekemeijer vanaf half negen in de weer om boeken uit te stallen op tafels in de hal. Boeken die een paar dagen eerder uit de Openbare Bibliotheek te leen zijn gekregen, boeken uit de eigen collectie en nieuw gekochte boeken. Met hulp van drie vrijwilligers is de wekelijkse leeshoek van negen tot elf vooral een ontmoetingsplaats geworden. “Mensen lenen er wel een boek of bladeren wat door een exemplaar dat ze boeit, maar die ochtenden hebben vooral een sociale functie gekregen. De bewoners spreken elkaar, er is altijd een geduldig oor en dat vinden ze prettig.” De – afgenomen – vraag naar boeken verandert. “We hebben al klanten voor luisterboeken en één voor grootletterboeken, omdat ze de gangbare boeken gewoon niet meer kunnen lezen.” Beeldend werk in zitje A Zitje A heet het in de volksmond van het Rosa Spier Huis. Vanuit de grote hal, voorbij de doorgang naar de eetzaal, de ‘binnenstraat’ in naar rechts, langs de leeskamer met tegen de glazen wand een vitrine met schetsen van Marten Toonder, en dan aan het eind weer naar rechts. Daar staan wat tafels en stoelen in alweer zo’n verrassende, vriendelijke ruimte om even neer te 110

strijken. Zitje A. Vrijdagochtend komen hier gemiddeld acht tot tien bewoners bij elkaar om zich onder begeleiding van medewerkster en beeldend kunstenaar Tess de Haan te storten op ‘beeldend werk’: boetseren, aquarelleren, schilderen, kleuren, eventueel aangevuld met het knippen en plakken van materialen om een collage te maken. Niet zomaar, om even wat om handen te hebben. Hier zit de helende werking van scheppend bezig zijn verankerd in de kunstenaarsziel van de bewoners. Hier wordt echt met overtuiging gecreëerd. Soms zelfs een beetje te nadrukkelijk, vindt Tess de Haan. Ze doet haar begeleidende werk al jaren in diverse instellingen, met jongeren en ouderen. “Sinds ik in december 2009 in het Rosa Spier Huis werk, is de vrijdag voor mij altijd de vrolijke dag van de week.” Wel moet ze de deelnemers ‘af en toe wat afremmen in hun ijver’ echt te presteren. Een kunstenaar zoekt de perfectie, zijn perfectie, altijd weer, en het kan een hele worsteling zijn om die te bereiken. “Dat merk je door die drang van het moeten, het produceren. Ze zijn hier sterk gericht op het eindresultaat. Ik probeer daarin weer terug te brengen, dat ze er ook echt plezier aan beleven. Het genieten is belangrijk.” Op de schildersezel in de hoek staat, ter inspiratie, ‘altijd wel iets moois dat boeit’ en dat door een van de deelnemers is gemaakt. Tess de Haan heeft het werk waar ze mee bezig zijn en de materialen al uitgestald als rond half tien de bewoners komen. Deze ochtend zijn dat illustratrice Noni Lichtveld, schilder Piet Smissaert, keramiste Toos Vlugt-Rood, zangeres Hansi Struijk, beeldend kunstenares Coby Noorda-Maas, muzieklerares en schilderes Coby van Steendelaar, zangeres Constance Pos en weefster Paula Dietz. Gezamenlijk een gemiddelde leeftijd van 86 jaar. Coby Noorda-Maas heeft het meteen veel te druk om


Algemeen atelier

111


112


Elisabeth Lebbing

113


te praten. Vriendelijk maar onverstoorbaar is haar blik gericht op het grote vel papier voor haar en op de kleine, schitterende portretten die ze daar tevoorschijn tekent. Ook de anderen gunnen zich weinig tijd voor een knusse conversatie. Hier wordt gewerkt. Noni Lichtveld, die decors heeft gemaakt voor theater, buigt zich over een kleiner werkstuk: een collage van verschillende materialen. Af en toe masseert ze haar vingers een beetje. “Meestal gaat het goed, maar soms moet ik even onderbreken, als mijn handen niet meer helemaal willen zoals ik het wil.” Ze lacht even en daarna is ze alweer in opperste concentratie voor het werkstuk dat voor haar op tafel ligt. Net als voor de meeste anderen zijn de paar uur in zitje A voor Noni Lichtveld een plezierige aanvulling op het werk in haar eigen atelier. Zo is zij onlangs begonnen illustraties te maken voor een kinderboek dat journalist en schrijver Sjoerd de Vries, die eind 2009 met zijn vrouw Noor een appartement in het Rosa Spier Huis betrok, heeft geschreven.Om de stilte tijdens het gezamenlijk werken wat te onderbreken, gooit Hansi Struijk er af en toe een grapje in. Ze worstelt helaas met wat ruwe handen. “Je blijft er te lang mee in de natte klei zitten. Dan krijg je dat. De volgende keer kom ik even bij je zitten,” zegt Tess de Haan. “Je ziet het vrolijke karakter van Hansi,” zegt Constance Pos, wijzend op de felle kleuren in het kunstwerk van haar buurvrouw. Constance Pos, die in 2007 in het Rosa Spier Huis kwam wonen, organiseert de inmiddels gerenommeerde kerstviering, ‘met mooie oude liederen, een declamatie en een gastoptreden van een zangeres of zanger van buiten’. Ze zingt nog en speelt af en toe op de vleugel in de hal, maar nu kneedt ze met een brede glimlach en grote concentratie door aan het hoofd dat voor haar staat. “Ik 114

weet wat ik wil, dat zit in mijn hoofd, maar om het ook zo te krijgen.... Het is maar goed dat we het niet mee naar huis nemen, want dan was ik er steeds mee bezig.” Tegenover haar zit Paula Dietz, die wat later is aangeschoven. “Draai hem eens om,” vraagt ze aan Constance Pos. “O ja, nou wordt hij wel interessanter, maar ik word toch evengoed niet verkikkerd op hem hoor.” Haar geheugen begint haar de laatste tijd in de steek te laten, maar haar humor heeft er niet onder te lijden. Ze kijkt naar de schildering voor haar op tafel. “Heb ik dat gemaakt? Gut, dat ben ik vergeten, ik word oud.” Tess de Haan reageert vriendelijk en behulpzaam: “Toch is het van u, we hebben het er al eens over gehad.” – “Oh, wordt dat niet irritant voor u?” – “Nee hoor, niet met uw grapjes.” – “Nou, gelukkig maar.” Ze kijkt weer naar de schildering. “Heb ik dat echt gemaakt? Ik vind het lelijk.” Tess de Haan haalt een ander werk van Paula Dietz te voorschijn. “Oh ja, die herinner ik me nog. Vind ik ook niet mooi hoor. Het is wel mijn stijl, maar ik voel niet de minste neiging om er mee verder te gaan.” Ze lacht. De anderen ook, voor zover ze tenminste niet in beslag zijn genomen door hun eigen werk. Tess de Haan heeft het werk overgenomen van Ellis Hunink. Zij legde zich vooral toe op aquarelleren en was een begrip geworden in de vele jaren dat ze in het Rosa Spier Huis werkte. Het overlijden van Ellis Hunink, in 2009, was een schok voor de bewoners. De dood is natuurlijk geen onbekende in een huis met zoveel ouderen, maar als die toeslaat bij iemand die zoveel jonger is, maakt dat extra indruk. Geen makkelijke start voor Tess de Haan om in die situatie het werk over te nemen, maar dat is haar volgens de bewoners goed gelukt. Haar bredere manier van werken trok nieuwe mensen aan en naast haar ‘vrijdaggroepje’ bezoekt ze op verzoek mensen in hun atelier.


Constance Pos

115


116 Piet Smissaert


Een eigen atelier Een twintigtal kunstenaars en musici werkt in één van de veertien ateliers en zeven muziekstudio’s. Daarnaast is er een enkele werkruimte voor wetenschappers die met een onderzoek of boek bezig zijn. Noni Lichtveld, Coby NoordaMaas, Piet Smissaert en Constance Pos, die elkaar treffen bij het beeldend werken in zitje A, hebben hun eigen atelier of muziekstudio, net als onder anderen Inka Klinckhard, Enrico Hartsuyker en Lies Wiegman. Ze werken in dezelfde ruimten waar in het verleden talloze andere kunstenaars aan het werk waren, zoals de al eerder genoemde ‘Haagse joffer’ Ina Hooft, graficus Maurits Escher, schilderes Erika Visser en beeldend kunstenaar en dichter/schrijver Nicolaas Wijnberg, en zoals impressionist Arie Zwart (1903-1981), portretschilder Theo Swagemakers (1898-1994) en schilder Harry van Kruiningen (1906-1996). De ateliers zijn zo een schakel in een bijzondere keten van kunstenaars. Het atelier waar schilder Piet Smissaert (1930) bijna dagelijks is te vinden, hangt en staat vol met zijn schilderijen en tekeningen, aan de wanden en in hoeken, en toch is het er overzichtelijk. Het geeft iets weer van zijn bruisende natuur en de behoefte die in een gareel te krijgen. Een biografie verhaalt over ‘zijn drift en frustraties’ die hij ‘vertaalt in gestileerde vormen’. Toen hij vijf jaar geleden een hersenbloeding kreeg, verhuisde hij van zijn geliefde geboortestreek bij Eindhoven naar het Rosa Spier Huis. “Ik moest alles opnieuw leren, maar ik wilde per se het schilderen weer oppakken.” Het is hem gelukt. Hij kan vrijwel moeiteloos praten en schilderen. Hij lacht graag, houdt van echt contact met mensen, is vriendelijk, maar in hem borrelen ook plotselinge stemmingen en oud zeer op. ‘De bol van ongenoegen’ heet niet voor niets één van zijn

werken. Op internet is op You Tube in filmfragmenten te zien hoe hij aan het werk was voor de grote klap. “Ik was altijd heel bewegelijk.” Nu rijdt hij rond in een rolstoel. Schilderen doet hij nog altijd even gedreven en geconcentreerd. Piet Smissaert is ingenomen met de mooie lichtinval en schildert bijna dagelijks in zijn atelier. Helemaal tevreden is hij nog niet. “Mijn oude niveau krijg ik nog niet terug, helaas, maar het gaat nog wel steeds beter.” Hij wijst op tekeningen en legt uit hoe die het proces illustreren dat hij heeft doorgemaakt in die afgelopen jaren dat hij zich na zijn hersenbloeding terug vocht. Losse flarden van lijnen soms, ergens anders ‘meer kleur en verbinding’. In het Brabantse kunstenaarsdorp Heeze waar hij werd geboren, raakte hij snel vertrouwd met de wereld van de schilders, maakte hij in zijn jeugd mee ‘hoe schilders nog konden betalen met hun werk’ en begon hij op zijn negende zelf te schilderen. “Mijn vader zag dat ik er gevoel voor had en heeft me ontzettend geholpen.” Hij kreeg les, doorliep de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en maakte in zijn loopbaan veel stijlfases door, figuratief, abstract, magisch en combinaties daarvan. ‘Kosmische interpretaties’ heette de tentoonstelling die bij zijn 65ste verjaardag in museum Kempenland in Eindhoven werd georganiseerd. Die kosmische toon zit sterk in de werken die hij nu maakt. Hij is tevreden over het succes van zijn portretten en ander werk, blij dat hij altijd van zijn kunst heeft kunnen leven en dat zijn werken regelmatig werden geëxposeerd. In zijn hele ontwikkeling heeft hij nu zijn bestemming gevonden, zegt hij rondkijkend in zijn atelier. “Ik vind mezelf toch echt een abstracte schilder.” Het Rosa Spier Huis bevalt hem goed, maar hij vindt het zwaar dat hij al een paar goede bekenden is kwijtgeraakt. 117


De toekomst van het Rosa Spier Huis

De toekomst van het Rosa Spier Huis

Een nieuw huis Het Rosa Spier Huis was nog geen veertig jaar oud, toen er plannen lagen voor een nieuw onderkomen. Critici, binnen en buiten het huis, vonden die nieuwbouw nergens voor nodig, maar bestuur en directie zien geen andere mogelijkheid. De voorschriften en financiering voor de ouderenzorg zijn dermate veranderd, dat de keus volgens de leiding in feite eenvoudig is: of een nieuw Rosa Spier Huis of op den duur helemaal geen Rosa Spier Huis meer. Directeur Betty Wassenaar formuleert het zo: “Met een verbouwing lossen we dat probleem niet op. Het huidige huis is gewoon niet geschikt te maken voor wat er nu vanuit de overheid verlangd wordt. Dus als we niets doen, krijgen we geen geld meer en dan houdt het op.” Tijdens de totstandkoming van dit boek had zij goede hoop dat er rond 2013/2014 een nieuw Rosa Spier Huis zal staan, wederom in Laren. Mocht het inderdaad zo ver komen, dan zou daarmee een eind komen aan een tweede roerige periode in de kronieken van deze bijzondere woongemeenschap. Na de verbouwing begin jaren negentig was het snel weer woekeren met de ruimte en tobben met de steeds strenger wordende eisen die werden gesteld aan een verzorgingshuis. Fuseren met het dichtbijgelegen verzorgingshuis Theodotion of een andere organisatie was geen optie. Van meet af aan was het voor iedereen duidelijk dat het unieke karakter alleen kon worden bewaard in een zelfstandige opzet. Maar wat dan? Rond 2005 begonnen de eerste ideeën over nieuwbouw concreter te worden. Een onderzoeksbureau becijferde dat het Rosa Spier Huis van zeventig naar honderd bewoners zou moeten gaan om zelfstandig te kunnen blijven

functioneren en tegelijk een overzichtelijke maat te houden, waarin de huidige sfeer zou kunnen blijven bestaan. In de aanvankelijke opzet wilde het Rosa Spier Huis blijven aan de Esseboom in Laren. De plannen om daar een nieuw onderkomen te bouwen veroorzaakten niet alleen onrust onder bewoners, die daardoor tijdelijk elders een behoorlijke plaats zouden moeten krijgen en die het liefst alles bij het oude hielden, maar stuitte eveneens op verzet in de omgeving. Hoewel het in eerste instantie de bedoeling was de concertzaal en de expositieruimte met wat aanpassingen te handhaven, zou het nieuwe huis als gevolg van alle veranderde verordeningen en wooneisen volgens de berekeningen 2,8 keer zoveel ruimte nodig hebben als het huidige. Daarnaast was het de opzet het pand iets dichter naar het centrum van Laren toe te bouwen, zodat er meer verbinding zou kunnen komen tussen kunstenaarshuis en kunstenaarsdorp. Dit alles betekende wel, dat er moest worden aangeklopt bij de tennisvereniging ’t Laer, die aangrenzend een prachtige, intieme stek heeft. De leden hebben gekeken of ze konden inschikken of desnoods naar een ander terrein wilden uitwijken, maar daarvoor moesten ze te veel inleveren, vonden ze. In 2007 wees de tennisclub een eerste voorstel om te verhuizen naar het Schuilkerkpad af. Jammer, maar wel begrijpelijk, was de reactie in huis. Mede op verzoek van de gemeente probeerden tennisclub en Rosa Spier Huis het vervolgens, samen met buurverzorgingshuis Theodotion, opnieuw. Ze onderzochten of er door herindeling van de terreinen een oplossing mogelijk was. In de zomer van

118


De toekomst van het Rosa Spier Huis 2008 ketste ook dat af. Dan moet het anders dus, besloot de leiding. Wel bouwen op het huidige terrein van 1,5 hectare groot, maar hier en daar met een verdieping erbij om aan de vereiste omvang te komen. Twee architecten van architectenbureau Mecanoo uit Delft maakten met die uitgangspunten een schetsontwerp: de internationaal vermaarde Francine Houben (najaar 2010 nog voor haar verdiensten benoemd tot lid van de Berlijnse ‘Akademie der Künste’) en haar collega Ellen van der Wal. Het werd een plan waarbij ‘ondanks een verdrievoudiging van het aantal vierkante meters toch zoveel mogelijk tuin overblijft,’ zo schrijven zij. Het tweetal maakte daarbij gebruik van een hoogteverschil van drie meter op het glooiende terrein. “De grote bomen aan de zijkanten van het perceel worden zoveel mogelijk behouden. Om dit mogelijk te maken is de begane grond verlaagd, waardoor de tuin als een groen dak aansluit op de omgeving.” Met patio’s en woonhofjes wilden Francine Houben en Ellen van der Wal een ‘prettig, beschutte’ woonomgeving creëren. Er was lof voor hun vindingrijkheid en in het begin waren de meeste reacties positief, maar er ontstond ook verzet. De maquette gaf de opzet met grote vlakken slechts globaal weer en in tegenstelling tot de uiteindelijke bedoeling kwam het ontwerp daardoor nogal blokkerig over. Dat leidde tot weerstand. In de omgeving vreesden buren dat ze nog meer parkeerproblemen zouden krijgen en dat ze tegen te veel en vooral te hoog opgestapelde stenen zouden gaan aankijken. Binnenshuis trok een aantal bewoners ten strijde tegen de afbraak van het huidige Rosa Spier Huis.

“Monument bewaren” Met de nieuwbouwperikelen leek de roerige periode uit de eerste helft van de jaren zeventig, ten tijde van schrijfster Annie Romein-Verschoor, enigszins te herleven. Er ontstonden kampen van voor- en tegenstanders en er waren mensen die zich afzijdig hielden. Kunstenaars weten de weg in de wereld en ook in die van de media, en zo verschenen in het vroege voorjaar van 2009 in landelijke dagbladen artikelen over onrust en dreigende teloorgang van het kunstenaarshuis en de tuin van Mien Ruys. Er werden vragen gesteld in de Tweede Kamer, de Nederlandse Tuinenstichting en de Bond Heemschut werden ingeschakeld om zowel de tuin als het huis tot monument te laten verklaren – en zo afbraak onmogelijk te maken – en buitenstaanders richtten de Stichting Behoud Erfgoed Rosa Spier op, waarmee zij onder bekende Nederlanders steun verwierven tegen de nieuwbouwplannen. Hoewel de meeste bewoners zich eraan probeerden te onttrekken en doorgingen met hun dagelijkse dingen, bepaalde de onzekerheid over hoe het verder zou gaan de sfeer in huis. Veel ruimte voor nuance is er in een dergelijke controverse meestal niet. Feiten en argumenten verdwijnen al snel in een wat prikkelbare stemming, wat weer onrecht doet aan de op zichzelf plausibele gevoelens en overwegingen in beide stromingen. Initiatiefnemer van het verzet tegen een nieuw Rosa Spier Huis is architect Enrico Hartsuyker (1925). Hij is ervan overtuigd dat het huidige Rosa Spier Huis kan blijven bestaan. “Natuurlijk met wat aanpassingen. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat de kamers nu te klein zijn. Nou, dan zetten we de gevels vijftig centimeter naar buiten. Dan slaan we meteen twee vliegen in een klap. In elk huis moet je na dertig tot veertig jaar de 119


120 Enrico Hartsuyker


leidingen vernieuwen, dus ook hier, en daarvoor kan je dan meteen die extra strook van de verbouwing gebruiken. We hebben laten uitrekenen dat met een verbouwing van acht tot tien miljoen euro aan alle voorschriften kan worden voldaan. Dat moet financieel lukken.” Het is najaar 2010 als hij zijn werk in zijn atelier onderbreekt om zijn standpunt toe te lichten. “Er is een tendens om zo min mogelijk gebouwen die waarde hebben, af te breken, en die trend steun ik. Het Rosa Spier Huis ìs van zo’n waarde. Het is uniek in de wereld. Alleen in Milaan heb je iets dergelijks, maar alleen voor zangers en musici van de Scala daar. Nergens heb je zo’n onderkomen als hier voor alle kunstrichtingen. Ik woon hier nu drie jaar en ik kom er steeds meer achter, hoe perfect het huis is gemaakt. Niet dat het architectonisch nou echt iets monumentaals heeft, maar de opzet is wel heel bijzonder. Er is echt een verstrengeling van wonen, werken en cultuur. De lange gangen verspringen regelmatig en worden daardoor op die punten dusdanig breder, dat er op die plekken een extra ruimte is ontstaan voor kunstbeoefening, bibliotheek en ontmoeting. Waar je ook woont, er is altijd dichtbij een ruimte waar iets gebeurt, waar je wat kan doen, waar je iemand tegenkomt. Dat maakt het echt tot een heel bijzonder gebouw.” Enrico Hartsuyker, geboren in het Italiaanse Genua, deels opgegroeid in Zwitserland en in 1953 naar Nederland gekomen, geldt evenals zijn echtgenote, Luzia HartsuykerCurjel, als een vernieuwend architect. Onlangs, in 2008, verscheen in de Bonas-reeks over baanbrekende architecten een boek over hen beiden. Zelf roemt hij vooral het werk van zijn vrouw. Zij is nu ziek en Enrico Hartsuyker begrijpt niet dat het Rosa Spier Huis hèm niet heeft betrokken bij de plannen. Eén van zijn

bezwaren tegen de nieuwbouwopzet van Mecanoo is dat er een scheiding komt in de functies: ateliers, culturele activiteiten en appartementen worden in aparte delen van het gebouw ondergebracht. Volgens de leiding van het huis is dat de enige mogelijkheid om de voorzieningen te kunnen financieren, maar Hartsuyker wil daar niet aan. “Juist die vermenging is zo belangrijk. Een kunstenaar krijgt zijn beste ideeën ’s nachts en dan moet hij meteen zijn atelier of werkkamer in kunnen, en niet eerst hele afstanden afleggen. Het huidige huis is met gevoel voor de kunstenaars opgezet.” De opzet van Mecanoo – ‘ook al gaat het best om goede architecten’ – mist dat in de ogen van Enrico Hartsuyker. Zorg met aandacht Wanneer de herfstwind de meeste bladeren uit de bomen heeft gejaagd en de winter zich buiten vroeg aankondigt met de eerste vorst, merkt de regelmatige bezoeker van het Rosa Spier Huis niet zoveel van de controverse over de plannen voor een nieuw huis. De tegenstanders laten minder van zich horen of zijn nog druk met het uitwerken van hun eigen plannen. De voorstellen om het huis en de tuin tot monument te laten verklaren zijn gestrand, en al komt ‘de nieuwbouw’ af en toe ter sprake, van echte onrust is weinig te merken. De aandacht gaat vooral uit naar het concert- en theaterprogramma, naar de vele activiteiten in huis, naar de eerste laag sneeuw buiten, naar het leven van alle dag. De balie is ook op deze doordeweekse ochtend, op de grens tussen november en december 2010, weer een bedrijvig centrum van medewerkers die even komen overleggen, bewoners die willen weten hoe dit zit of hoe dat het beste kan worden geregeld, vrijwilligers die aan de slag gaan en 121


een enkele bezoeker. Medewerkers van de huishoudelijke dienst zijn druk in de weer om het huis proper te houden, net als het verplegend personeel dat er in wisseldiensten voor zorgt dat iedereen de zorg krijgt die hij nodig heeft. Bij de lift of op de trap maakt een enkeling onder het werk even een praatje. “Veel mensen werken heel lang hier,” zegt directeur Betty Wassenaar. Haar directiekamer grenst aan de open kantoorruimte achter de balie, met nog een deur aan de gang naar de keuken, waar volop wordt gewerkt aan de middagmaaltijd. “De bewoners zijn heel direct en eigenzinnig als je dat vergelijkt met een ander huis. Ze zeggen gewoon wat ze vinden en ze verlangen een goede bejegening van de medewerkers. Als je dat weet te waarderen, vind je het nergens anders meer leuk om te werken en zo hebben we een hechte groep gekregen. Dat geldt voor de verpleging, voor de technische dienst, de receptie, het keukenpersoneel, de huishouding, voor iedereen die hier werkt. Maar je moet wel tegen een stootje kunnen en flexibel zijn. Als iemand ’s morgens vertelt dat hij de hele avond heeft zitten schrijven of schilderen, moet je daarop reageren, door belangstelling te tonen en door je een beetje aan te passen. Je moet van je werkschema kunnen afwijken door zo’n bewoner even met rust te laten en eerst de kamer van een ander te doen, of eerst een ander te helpen.” Verpleegkundige Rianna Portengen werkt pas sinds maart 2008 in huis, maar juist die extra aandacht en de bijzondere sfeer in het Rosa Spier Huis spreken haar aan. “Als ik met de medicijnen langskom en ik merk dat iemand zich niet zo goed voelt of somber is, dan ga ik na mijn ronde zo snel mogelijk weer terug om een praatje te maken. Dan is het weliswaar niet meteen opgelost, maar een luisterend oor is 122

belangrijk en dat hoort hier bij het beleid. Je moet hier echt meer inspelen op de behoefte van mensen dan in andere huizen. Op die manier zorg geven, vind ik heel mooi. Dat zou overal zo moeten zijn.” Met haar 25 jaar is ze een jonkie in huis, maar dat vinden de bewoners juist leuk, merkt ze. Door haar zeer zwangere buik heeft ze er de laatste tijd sowieso veel vriendelijke en belangstellende ooms en tantes bij gekregen. “Ze vragen allemaal steeds hoe het gaat, dat is echt leuk. De mensen hier zijn relatief oud, maar geestelijk zijn ze nog erg jong. Dat vind ik heel bijzonder. Door het werken hier ben ik veel meer oog gaan krijgen voor kunst, er is een wereld voor me opengegaan. De mensen vertellen over hun werk en ik vind dat boeiend. Na de opleiding wist ik dat ik vooral met mensen wilde werken en dat heb ik hier gevonden. Ik weet van andere huizen dat het daar veel zakelijker is, maar hier is juist dat persoonlijke contact belangrijk en dat vind ik prettig.” Na de bevalling – haar tweede kind – is ze ‘zeker van plan’ hier te blijven werken. Bewoners van het Rosa Spier Huis zijn doorgaans ook lovend over de verpleging en de andere medewerkers. “Wij willen daarin voorop blijven lopen,” zegt Betty Wassenaar. “Maar met alle bureaucratisering in de zorg worstelen we daar als kleine organisatie weleens mee. We hebben in de loop der tijd door alle veranderingen steeds meer bewoners in huis gekregen die zorg nodig hebben en daar terecht ook eisen aan stellen. Door heel goed te letten op wie we aannemen, door ondanks alle regeltjes zoveel mogelijk als team te werken zonder al te veel hiërarchie, lukt het aan die eisen te voldoen. Om dat vol te houden, is het in de toekomst nodig veranderingen door te voeren, nieuw beleid te maken om weer meer bewoners te krijgen die nog volop actief zijn. Daarvoor hebben we een nieuw Rosa Spier Huis nodig.”


Medewerkers

123


124 Bewonersvergadering met cliĂŤntenraad en directeur (rechts)


125


126 Werk van Inka Klinckhard


Uitzicht Op de schildersezel in de hoek staat naast een foto van Rosa Spier een portret van Marten Toonder. Met zijn doordringende ogen kijkt Nederlands beroemdste stripauteur vanuit het schilderij de directiekamer in van Betty Wassenaar. Een waardige plaats voor deze oudbewoner. Te midden van kunstwerken van anderen, zoals een ets van Maurits Escher, een zelfportret van Nicolaas Wijnberg en een schilderij van Theo Swagemakers, neemt hij een extra bijzondere plek in, met aan een van de wanden een serie tekeningen die hij heeft gemaakt. Heer Bommel in verschillende gemoedstoestanden, zoals hij er bij heeft geschreven: ‘geschokt, verslagen, getergd, monter, zelfbewust, gul, geknakt, tobbend’...... zeventien in totaal. Daaronder tekeningen van 22 figuren uit zijn strips, waaronder natuurlijk Tom Poes en Joost, en vanzelfsprekend Bommel zelf met zijn voor oudere generaties legendarische uitspraak. “Als u begrijpt wat ik bedoel.” Betty Wassenaar lacht als ze het opleest en wijst op de andere figuren, zoals markies De Canteclaer. “Ik vind het heerlijk om steeds tussen al die bijzondere kunstwerken te mogen zitten om mijn werk te doen.” Het brengt haar ook telkens in herinnering hoe bijzonder het huis is waar zij in 2005, na jarenlange ervaring in zowel de ouderenzorg als de bouwwereld, haar werk begon. Ze kreeg meteen te maken met de noodzaak het huis te vernieuwen. “Dit unieke huis moet bewaard blijven, maar hoe doe je dat met alle nieuwe regels en alle veranderende financieringsstromen?” Ze geeft een opsomming van de problemen. Het Rosa Spier Huis is voor de financiering steeds afhankelijker geworden van de volksverzekering

AWBZ. Van de huidige bewoners huren maar vijf hun appartement als particulier, de overigen doen dat vanwege hun behoefte aan zorg via de AWBZ. Dit betekent een toenemende druk op de medewerkers. Er zijn ingrijpende veranderingen nodig om te voorkomen dat de geldkraan dichtgaat. Daarnaast worden alle culturele activiteiten in het huis sowieso niet door de overheid betaald. Omstreden of niet, voor Betty Wassenaar is nieuwbouw noodzakelijk, wil het huis kunnen blijven bestaan. Nieuwbouw biedt volgens haar tegelijk de kans, weer dichter bij de oorspronkelijke opzet van het Rosa Spier Huis te komen. “We moeten naar een huis met honderd bewoners toe, met twintig appartementen voor bewoners die lichte zorg nodig hebben, twintig voor bewoners die zware zorg nodig hebben (dementiezorg) en zestig appartementen die particulier worden gehuurd, met gebruikmaking van de voorzieningen en waar nodig van de zorg. Op die manier hoeven dementerende bewoners niet te verhuizen naar een verpleeghuis, kunnen we iedereen de verzorging garanderen die hij nodig heeft en zorgen we tegelijk voor een verjonging van het huis. Het klinkt misschien vreemd, maar wij moeten in zekere zin weer terug naar vroeger, terug naar weer meer actieve kunstenaars in huis en daar hebben we ook jong bloed voor nodig.” Ook daarvoor is dus een nieuw Rosa Spier Huis nodig, zo is de filosofie, met grotere appartementen en betere voorzieningen. Het was volgens Betty Wassenaar en het bestuur geen alternatief zich neer te leggen bij de weerstand in en buiten het huis tegen de nieuwbouwplannen uit 2009 van architectenbureau Mecanoo. “We konden wel begrijpen dat omwonenden bang waren voor meer parkeeroverlast 127


en dat bewoners het jammer vonden dat dit huis zou verdwijnen, maar we wisten dat we het met niets doen, of wat verbouwen, niet zouden redden.” Maar waar moet dat nieuwe gebouw dan komen? “Voor alle zorginstellingen in Nederland is het heel moeilijk een goede locatie te vinden. Er zijn wat je zou kunnen noemen dwingende richtlijnen, die voorschrijven hoe dicht je in de buurt moet zijn van winkels en van openbaar vervoer bijvoorbeeld. Tegelijk hebben we een terrein van zo’n twee hectare nodig. Als je dat allemaal bij elkaar voegt, is het duidelijk dat de geschikte terreinen niet bepaald voor het oprapen liggen in Laren. En we willen wel heel graag in Laren blijven, zoals de gemeente ons ook graag in het dorp wil houden.” Op het moment dat dit boek werd afgerond, waren besprekingen gaande over twee potentiële plekken in het dorp. Eén daarvan is een terrein aan de Treublaan, dat zich begin 2010 als mogelijkheid aandiende. Eind dat jaar kwam er onverwacht een andere mogelijkheid bij. Welke het uiteindelijk zal worden, of dat er wellicht een derde optie zal komen, was bij het ter perse gaan nog ongewis. Waar het ook komt, architectenbureau Mecanoo zal een aangepast ontwerp maken, waarbij volgens Betty Wassenaar op een aantal punten rekening zal worden gehouden met de kritiek in eigen huis. “Natuurlijk zullen sommigen bezwaren houden, maar ik hoop en verwacht dat als het eenmaal zo ver is, vrijwel iedereen heel tevreden zal zijn met het nieuwe huis.”

128

Wat ooit als een idee van Rosa Spier begon in De Pauwhof, dat roemrijke kunstenaarsverblijf in Wassenaar, en wat meer dan veertig jaar zoveel kunstenaars zo inspirerend en zorgzaam een thuis heeft gegeven, krijgt dan een nieuwe stek in het kunstenaarsdorp waar het thuis hoort. Een nieuw Rosa Spier Huis, met uitzicht op een leven lang kunst. *1 – De Pauwhof 1940 – 1992. Hans de Vries. Nautilus, Leiden, 1995. *2 – Rosa Spier, een leven voor een harp. Film van Deborah van der Starre en Colleen Scheepers. Domino Films, 1998. *3 – Film van Apple Productions en NHK Tokyo, 2000. *4 – Portret van Rosa Spier Huis in Vrij Nederland, door Frits Abrahams, 1982. *5 – Annie Romein-Verschoor 1895 – 1978. Leven en werk. Angenies Brandenburg. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1988.


129


Kunstenaars over het Rosa Spier Huis

Kunstenaars over het Rosa Spierhuis

Ed Spanjaard (dirigent) In het Rosa Spier Huis merk je hoe het verleden levend blijven kan. Voor mij is betrokkenheid bij oudere mensen altijd een bron van inspiratie gebleken. In februari 2008 was ik uitgenodigd voor een gesprek in de concertzaal over mijn werk als dirigent. Bij vertrek uit Amsterdam bleek mijn autoraam ingeslagen, en tussen de scherven en vergezeld door snijdende wind arriveerde ik in Laren. Maar toen Piet Heuwekemeijer - een man met een indrukwekkende carrière in het Nederlandse muziekleven - me welkom had geheten, werd het een mooie middag voor een intens betrokken publiek. Daarvoor ben en blijf ik dankbaar!

Joost van den Toorn (beeldhouwer) Matisse en Picasso maakten hun mooiste werk op hun oude dag vanuit hun ziekbed. Dat die werken nu in de grote musea hangen zou niet bij ze zijn opgekomen. Het ging ze om de noodzaak en het plezier van het maken zelf. Om als kunstenaar tot op hoge leeftijd creatief te kunnen blijven lijkt mij een eerste levensbehoefte. Het Rosa Spierhuis is wat dat betreft uniek in de wereld. Het zou ons als beschaafd land sieren een klein deel van de opbrengsten van het Rijksmuseum en het van Gogh Museum, aan het Rosa Spier Huis te besteden, als dank voor degenen die zich inspanden onze wereld wat mooier te maken i.p.v. alleen goede sier te maken met dode kunstenaars.

Emo Verkerk (schilder en beeldhouwer) Toen ik het Rosa Spier Huis binnenging werd ik in het portaal verwelkomd door een bewoonster die mij een compliment maakte over mijn haar. In de loop van de dag, tijdens het inrichten van de tentoonstelling, kreeg ik er nog drie. “Mooi haar heeft u mevrouw”. Ik vond dat bijzonder grappig. Mijn moeder had altijd commentaar op mijn bos krullen. Ook nog, toen ik allang een gevestigd kunstenaar was en zelfs toen mijn haar al wit was geworden. Mijn moeder zat vroeger in het bestuur van Elkshove te Bergen. In dit bejaardentehuis had criticus en schilder Kasper Niehaus de unieke positie om te kunnen blijven werken in een eigen atelier. Hij was daarom in mijn perceptie een soort heilige, die zonder dat te weten, in ons indianenspel verdedigd werd tegen vijanden die hem wilden storen. Hoewel ik hem nooit gezien heb, was hij het archetype van de kunstenaar. Het blijkt nu dat Niehaus, die ooit bij Sandberg de belangstelling wekte voor zondagsschilders, zichzelf als amateurschilder typeerde. Een mens is nooit te oud om te leren. Hij was nog verlichter dan ik dacht. Tijd dat ik mijn hoofd ook eens verlicht: op naar de kapper!

130

Henriëtte Tol (actrice) Toen het moment daar was dat mijn ouders afscheid moesten nemen van hun geliefde huis met atelier en galerie in Bergen, zijn wij op zoek gegaan naar een nieuwe behuizing. Hoe treurig waren de bezoekjes aan verzorgingshuizen in de buurt. Bewoners die verloren leken in grote ongezellige recreatieruimtes, met plastic meubilair en dito plantjes. Met als hoogtepunten van de week, een bingo avond en rolstoel dansen. Hoe anders was onze kennismaking met het Rosa Spier Huis. Bij binnenkomst staan we in de hal waar permanent geëxposeerd wordt, een bewoner zit achter de vleugel te spelen, anderen zitten aan de leestafel, door het hele huis hangt kunst gemaakt door de bewoners, overal boeketten met bloemen van het seizoen. Een eigen theaterzaal waar maandelijks films vertoond worden, musici komen spelen, gezelschappen optreden. Wat heerlijk om nu samen met mijn ouders in deze zaal te zitten. De eerste keer was ik niet alleen geroerd door het spel van mijn collega’s, maar ook door het besef dat mijn ouders nu wonen op de plek waar ze horen, omringd door kunst en kunstenaars.


Dolph Kessler

Kurt van Es

Verantwoording Ik heb mij als fotograaf van het boek “een leven lang kunst” geconcentreerd op de bijzondere elementen van het Rosa Spier Huis. Ik geef een beeld van het Rosa Spier Huis zoals dat bij de opzet bedoeld was. Het accent ligt daarom op de gemeenschappelijke activiteiten en op de bewoners die nog actief zijn in hun atelier, werk of muziekruimten. Ik heb dus een keuze moeten maken en dat betekent dat niet alle bewoners in dit boek te zien zijn.

Verantwoording De eerste keer dat ik het Rosa Spier Huis binnenstapte, was voor een expositie. Dat een vriendelijke dame mij vroeg of ik er woonde, was even slikken – ik was net 56 – maar door haar innemende houding en het gebaar naar een schilderij dat haar zo had geraakt, was ik wel meteen thuis. Dat gevoel is steeds sterker geworden. Het Rosa Spier Huis is een optelsom van bijzondere kwaliteiten, van boeiende mensen met een passie voor kunst en een drive om die passie te blijven leven. Over die mensen moest dit boek gaan. Ook over de geschiedenis, veranderingen in huis en het leven van alledag, maar dan in een ‘bladerboek’ waar je doorheen wandelend vooral bewoners tegenkomt. Bekend of niet, dat doet er niet toe. Zo’n boek over het leven in Het Rosa Spier Huis betekent kiezen. Het betekent mensen overslaan die eigenlijk niet overgeslagen mogen worden, in de hoop dat zij zich terug kunnen vinden in de ervaringen van anderen. ‘Een leven lang kunst’ is de weerslag van spitten in archieven en publicaties, in en uit lopen om het leven in huis mee te maken en bovenal van veel inspirerende ontmoetingen.

De afgelopen vier jaar (2007 – 2010) heb ik met veel plezier gefotografeerd en met veel bewoners persoonlijke contacten opgebouwd. Ik ben onder de indruk gekomen van de bijzondere levens van veel van de bewoners. Ook de vitaliteit waarmee de meeste bewoners nog midden in het (kunst) leven staan heb ik als inspirerend ervaren. Maar de andere kant van de medaille heb ik ook gezien. Vrij naar Marten Toonder: “de geest wil nog wel, maar het lichaam werkt niet meer mee”. Helaas betekent dat een aantal van de bewoners die in dit boek te zien zijn de publicatie van dit boek niet meer hebben meegemaakt. Achtergrond Dolph Kessler (Amsterdam, 1950) is documentair fotograaf en woont in Friesland. Hij publiceert regelmatig in verschillende tijdschriften en kranten. In eigen beheer publiceert hij fotoboeken in beperkte oplage. Bij de Friese Pers Uitgeverij verscheen het fotoboek “Palingvissers en Palingrokers” (2007). In opdracht van de gemeente Dongeradeel maakte hij een fotoboek over deze gemeente (2008). In 2009 verscheen bij uitgever d’jonge Hond het fotoboek Art Fairs. Met een serie uit dit boek behaalde hij de eerste prijs in het onderdeel kunst en cultuur bij de Zilveren Camera 2009. Op stapel staat een fotoboek over de Noordzee kust.

Achtergrond Kurt van Es (1949) is journalist, schrijver en psychosynthese-therapeut. Hij ontving in 2004 de Prijs voor de Dagbladjournalistiek voor een serie in Het Parool, waar hij bekendheid kreeg met artikelen over misdaad en drugs. Hij schreef ook vier boeken op dat gebied, waarvan één in het Duits is vertaald. De laatste jaren richt hij zich als schrijver vooral op holistische psychologie.

131


Š 2011 Rosa Spier Huis Rosa Spier Huis Esseboom 2 1251 CP Laren info@rosaspierhuis.nl www.rosaspierhuis.nl Distributie: Uitgeverij Elikser Postbus 2532 8901 AA Leeuwarden www.elikser.nl Tekst: Kurt van Es Fotografie: Dolph Kessler www.dolphkessler.nl Eindredactie: Marjo van der Meulen en Hanneke de Wit. Vormgeving: Richard van der Horst www.riezz.biz Drukwerk: Tienkamp drukkerij, Groningen Oplage: 1.200 exemplaren Copyright www.rosaspierhuis.nl ISDN/ EAN 978-90-817117-1-5 Dit boek is mogelijk gemaakt door de financiÍle bijdrage van bewoners, een aantal bedrijven en de Stichting Vrienden van het Rosa Spier Huis. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyrighthouders.

132


Paul van Vliet (cabaretier) Als je oud wordt moet je niet in een isolement gaan leven. Je moet tussen de mensen blijven,liefst met gelijkgestemden. Mensen met wie je kunt praten over je zorgen en je eenzaamheid,maar ook over de dingen die je nog inspireren en waar je nog mee bezig bent. Mensen met wie je gedachten,boeken en CD s kunt delen en uitwisselen. Je moet niet in de stilte van de natuur gaan wonen maar in een dorp of een stad. Dan kan je naar buiten lopen,naar het plein,de winkels en de terrassen. Met de rollator naar het cafe. Daarom moet het Rosa Spierhuis blijven bestaan,omdat het bovenstaande daar allemaal mogelijk is. Henk van der Horst (schrijver en programmamaker) Als kind mocht ik met mijn vader naar het concertgebouw. Daar zag ik voor het eerst dat prachtige instrument: de Harp. Tijdens het concert fluisterde mijn vader: ‘Daar zit de beroemde Rosa Spier’. Dankzij haar is er het unieke huis, het toevluchtsoord voor mensen die hun leven lang ten dienste hebben gestaan van kunst en wetenschap. Hier mogen zij zolang zij dat kunnen in rust hun unieke werk blijven uitoefenen en wie weet mag ook ik daar de laatste dagen van mijn leven komen doorbrengen.


EEN LEVEN LANG KUNST