RGD Magazine 2026 - 01

Page 1


RGD maga zine

IN DE POLITIEK

Minister VWS: ‘Agressie doet zorgmedewerkers, de zorg en onze hele samenleving kwaad’

IN HET RECHT

Mogelijke invoering van het begrip ‘goed patiëntschap’ in de WGBO

jaargang 13 - 2026 - 01

IN GESPREK

De Groen: ‘Je hoeft niet bang te zijn, maar je moet wél voorbereid zijn’

Agressie in de zorg

De jurdische en menselijke realiteit achter de zorgverlening

COLOFON

Publicatiedatum

Jaargang 13 - 2026 – 01

Het RGD-magazine, het verenigingsblad der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, verschijnt drie keer per jaar en wordt uitgegeven via het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut. De redactie werkt, waar mogelijk, volgens de Leidraad voor juridische auteurs

Redactie

Abbey Maarleveld & Kevin Mäkelburg.

Aan dit nummer werkten mee

Mai Fleetwood Bird, Iaira Boissevain, Jan Anthonie Bruijn, Martin Buijsen, Michelle de Groen, Anne Marie de Koning, Kevin Mäkelburg, Maurice Mooibroek, Romy Oosting, Corrette Ploem, Frank de Ruijter, Rogier Simons.

Redactionele bijdragen

De redactie, alsmede het bestuur der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut, is te bereiken via rgdispuut@gmail.com.

Website

Alle voorgaande nummers zijn ook te vinden op rgdispuut.nl.

Advertenties & commercieel

Het RGD-magazine, het verenigingsblad der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, wordt gesponsord Ploum: Advocaten en notarissen te Rotterdam.

Bestuur der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut

Het 13e Bestuur van het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut (2025-2026)

Voorzitter: Kevin Mäkelburg

Secretaris: Abbey Maarleveld

Penningmeester: Johan van Dalfsen Commissaris Extern: Juultje Bong

Het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut

Juridische Faculteitsvereniging Rotterdam

t.a.v. Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut Postbus 1738

Kamer EB-29

3000 DR Rotterdam

Behoudens door de Auteurswet gestelde uitzonderingen, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schrikkelijke toestemming van de uitgever. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten of onvolkomenheden. Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen aan het RGD-magazine, het verenigingsblad der Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de (elektronische) ontsluiting van (delen van) het RGD-magazine in enige vorm.

Ten geleide Soms raakt de patiënt je door de witte jas heen

In de dagelijkse zorgpraktijk spelen emoties, verwachtingen en kwetsbaarheden een belangrijke rol. Deze laten zich niet altijd beheersen door pro tocollen, richtlijnen of juridische kaders. Juist op het grensvlak tussen menselijkheid en professionaliteit kunnen spanningen in de zorgrelatie ontstaan die escaleren in agressief gedrag, een ontwikkeling die zorgverleners in toenemende mate treft.

De zorgverlening wordt gekenmerkt door een intensieve rechtsverhouding tussen patiënt en zorgverlener, waarin elementen van kwetsbaarheid, afhankelijkheid en professionele verantwoordelijkheid samenkomen. Deze rechtsverhouding staat de laatste jaren in toenemende mate onder druk door diverse vormen van agressie jegens zorgverleners. Van zorgverleners wordt verlangd dat zij handelen binnen professionele en juridische kaders, ook wanneer sprake is van verbale of fysieke agressie. Tegelijkertijd mag van de rechtsorde worden verwacht dat zij zorgverleners adequaat beschermt, duidelijkheid biedt en zo nodig sanctionerend optreedt. Het spanningsveld tussen zorgplicht, patiëntenrechten en bescherming van de zorgverlener vormt het centrale onderwerp van deze editie.

De keuze voor het thema ‘Agressie in de zorg’ sluit aan bij de toenemende maatschappelijke en politieke aandacht voor deze problematiek. Overheidsinitiatieven, mediaberichtgeving en beleidsmatige interventies maken inzichtelijk dat agressie in de zorgcontext niet langer kan worden gereduceerd tot een louter individueel of organisatorisch vraagstuk, maar noopt tot een bredere juridische benadering. Daarbij rijzen onder meer

vragen over de rol en reikwijdte van het gezondheidsrecht, het strafrecht, het tuchtrecht en het civiele recht bij de preventie, adressering en sanctionering van agressie in zorgrelaties. Dit themanummer beoogt in het bijzonder een inhoudelijke verdieping te bieden. Welke juridische instrumenten staan ter beschikking ter bescherming van de zorgverlener? Waar bevinden zich de grenzen van verdraagzaamheid, inspanningsverplichtingen en professionele verantwoordelijkheid? En hoe verhoudt de bescherming van zorgverleners zich tot de rechtspositie en rechten van de patiënt?

Wij zijn verheugd dat voor deze editie een gezelschap van vooraanstaande auteurs uit wetenschap, praktijk en beleid bereid is gevonden om vanuit uiteenlopende disciplines en perspectieven bij te dragen.

Mijn dank gaat uit naar alle auteurs voor hun waardevolle bijdragen en hun bereidheid dit beladen onderwerp te belichten. Ik spreek de hoop uit dat deze editie bijdraagt aan een verdiept begrip van agressie in de zorg en bruikbare inzichten biedt voor een rechtspraktijk die recht doet aan zowel zorgverleners als patiënten.

Inhoudsopgave

Rode kaart voor agressie in de zorg

- prof. dr. J.A. Bruijn

Agressie op de huisartsenspoedpost: ‘Je hoeft niet bang te zijn, maar je moet wél voorbereid zijn’

- drs. M. de Groen

Mogelijk invoering van het begrip ‘goed patiëntschap’ in de WGBO

- mr. R.M.A. Oosting

Patiënten met wangedrag: hoe komen we daarvan af?

- mr. drs. F.T.H. de Ruijter

Agressie in de zorg. Een overzicht van strafrecht en tuchtrecht bij agressie tegen zorgprofessionals

- mr. ing. I.E. Boissevain & mr. A.M. de Koning

Verward en onbegrepen. Een nieuwe zorgmaatregel in het strafrecht

- prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen

Leren of corrigeren via het tuchtrecht? De wetsevaluatie biedt twee scenario’s

- prof. mr. dr. M.C. Ploem & dr. mr. R.C. Simons

Agressie en toegang tot de tuchtrechter

- mr. M.F. Mooibroek

Gevangen in taal – het belang van logopedie voor het jeugdstrafrecht

- mr. dr. K.G.M. Fleetwood-Bird

Rode kaart voor agressie in de zorg

- door prof. dr. J.A. Bruijn, demissionair minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Prof. dr. Jan Anthonie Bruijn (1958) trad op 5 september 2025 aan als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het demissionaire kabinet-Schoof. Bruijn heeft een langdurige academische staat van dienst: hij was hoogleraar Immunopathologie aan de Universiteit Leiden en het LUMC.

In gesprek met mensen die in de zorg werken, vertel ik nogal eens hoe ik op mijn achttiende een bijbaantje kreeg als zorghulp in het vroegere Dijkzigtziekenhuis in Rotterdam. Ik had louter simpele taken, maar steeds weer las ik dankbaarheid in de ogen van patiënten, voor het kleine beetje aandacht dat ik hen kon geven. Dat is me altijd bijgebleven en het is me blijven stimuleren in mijn medische loopbaan.

Zorgmedewerkers herkennen dat beeld altijd direct. Want ze ervaren het zelf ook zo. Voor hen allemaal is het besef dat ze iets waardevols kunnen geven aan iemand die ziek en kwetsbaar is,

een belangrijke drijfveer in hun werk. Maar helaas is er ook ander verhaal bijgekomen. Steeds vaker horen we over agressie, over scheldpartijen en over beschuldigingen die zorgmedewerkers naar hun hoofd krijgen. Soms is er zelfs sprake van fysiek geweld.

Het merendeel van de zorgmedewerkers heeft van tijd tot tijd met buitensporig gedrag te maken. Dat trekt een grote wissel op het werkplezier. Mensen lijden eronder en sommigen stappen uit de zorg of overwegen dat te doen. En dat terwijl we te maken hebben met personeelstekorten.

Het is mij een groot raadsel hoe iemand het in zijn hoofd haalt om zich te misdragen tegen mensen die er hun werk van hebben gemaakt om anderen te helpen. Het lukt sommige individuen steeds minder om hun emoties te beheersen. De coronajaren hebben daar ook geen goed aan gedaan. Verdriet en angst zijn begrijpelijk, maar die mogen nooit uitmonden in verbaal of fysiek geweld.

Toch lijkt het soms wel alsof er een soort acceptatie is ontstaan. Natuurlijk keurt niemand agressie goed, maar je hoort wel opmerkingen, zelfs van zorgmedewerkers, dat het er nou eenmaal is en hoe vervelend ook, dat het er blijkbaar bij hoort.

Daar neem ik volledig afstand van. Het hoort er nooit bij. Agressie doet zorgmedewerkers, de zorg en onze hele samenleving kwaad. Het kan niet en het mag niet. Punt. Dus moeten we met z’n allen een heel duidelijke streep blijven trekken. En steeds opnieuw erbij zeggen: dit is de grens en wie die overschrijdt heeft een groot

probleem. Dat geeft duidelijkheid en richting, zowel voor potentiële daders als voor slachtoffers.

Dat was ook de aanleiding voor de overheidscampagne van vorig jaar ‘Blijf jezelf, tel even tot 11’, als herinnering aan de samenleving aan de eigen verantwoordelijkheid en rol.

Het ministerie van VWS informeert samen met de politie zorgwerkgevers hoe ze namens hun medewerkers aangifte kunnen doen. Die blijven daarbij anoniem. Op die manier gaan de werkgevers voor hun mensen staan. Sommige ziekenhuizen delen rode en gele kaarten uit. Daar zijn goede ervaringen mee, maar we zijn er nog niet. Agressie komt nog veel te vaak voor. Het kan nog beter en vaak kan er nog meer.

Ik ben blij dat dit magazine de schijnwerper richt op verschillende mogelijkheden die het recht biedt om wangedrag tegen zorgmedewerkers aan te pakken. Dat is zeer welkom, want laten we alle mogelijke middelen inzetten om agressie in de zorg tot een groot taboe te verklaren.

Blijf jezelf, tel even tot 11 — campagne tegen verbale agressie in zorg en welzijn

Op 18 juni 2025 lanceerde het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de landelijke bewustwordingscampagne Blijf jezelf, tel even tot 11 om verbale agressie in de zorgen welzijnssector tegen te gaan.

Aanleiding vormt onderzoek van Motivaction, waaruit blijkt dat verbale agressie een aantoonbare impact heeft op zowel medewerkers als patiënten. Zo ervaart 65% van de zorg- en hulpverleners dat de kwaliteit van zorg hieronder lijdt, en geeft 73% aan dat andere patiënten of cliënten hierdoor soms langer moeten wachten. De helft van de medewerkers kreeg in de afgelopen twaalf maanden te maken met verbale agressie; 14% zelfs één of meerdere keren per week.

Deze incidenten blijven niet zonder gevolgen. Ze raken het werkplezier en welbevinden van zorgprofessionals en verstoren de aandacht voor andere patiënten, wat de continuïteit en kwaliteit van zorg negatief kan beïnvloeden.

Met de campagne wil VWS het bewustzijn onder burgers en bezoekers van zorginstellingen vergroten. De kernboodschap luidt dat emoties begrijpelijk zijn, maar agressie nooit normaal is. Door aan te sporen om "even tot 11 te tellen" worden mensen uitgenodigd een moment van reflectie te nemen voordat spanningen escaleren. De campagne loopt via landelijke radio, online media en andere kanalen. Zorg- en welzijnsorganisaties kunnen aanvullend gebruikmaken van materialen zoals posters en video’s om de boodschap binnen de eigen omgeving verder te versterken.

Agressie op de huisartsenspoedpost:

‘Je hoeft niet bang te zijn, maar je moet wél voorbereid zijn’
- door drs. M. De Groen*

Stoelen die door een wachtkamer vliegen, familieleden die dreigend om een patiënt heen staan agressie op de huisartsenspoedpost is allang geen uitzondering meer. Voor de medewerkers die daar dagelijks werken, is het een omgeving waar emoties kunnen escaleren en waar veiligheid nooit vanzelfsprekend is. Wat ooit incidenten waren die je met collega’s besprak na een zware dienst, zijn inmiddels situaties die structureel terugkeren - zowel overdag als ’s nachts, in grote steden maar ook in kleinere gemeenten.

De Groen heeft veel ervaring in de (eerstelijns) spoedzorg. Momenteel werkt ze als medisch manager van de Huisartsenspoedposten te Rotterdam, zit ze op de ambulance als spoedarts rapid responder en is gespecialiseerd als kaderarts spoedzorg. Met zestien jaar ervaring op de spoedeisende hulp heeft zij vrijwel elke denkbare situatie meegemaakt. Toch merkt zij dat agressie in de zorg steeds zichtbaarder wordt.

1. Agressie in de huisartsenpost: waar komt het vandaan?

De huisartsenspoedpost (hierna: HAP) biedt uitsluitend spoedzorg in de avonden, nachten en weekenden. Juist dat zorgt regelmatig voor frictie. “De meeste agressie ontstaat al tijdens de telefonische triage,” vertelt De Groen. “Mensen zijn ervan overtuigd dat hun zorgvraag spoed is,

* M. De Groen is medisch manager bij Huisartsenspoedposten Rotterdam-Rijnmond, spoedarts rapid responder bij Ambulanceregio Haaglanden en huisarts (kaderarts spoedzorg) in Rotterdam.

terwijl wij dat medisch gezien anders moeten beoordelen. Die mismatch zorgt voor frustratie.” Triagisten beoordelen aan de hand van landelijke richtlijnen of iemand daadwerkelijk naar de HAP moet komen.1 Dat betekent soms dat een klacht veilig thuis kan worden afgewacht, hoe urgent het voor de patiënt ook voelt. “Voor de patiënt voelt het als spoed,” zegt De Groen. “Maar medisch gezien is dat niet altijd zo. Dat uitleggen is soms lastig.”

Ook aan de balie van de HAP gaat het geregeld mis. Patiënten die zonder eerst te bellen binnenlopen, moeten alsnog telefonisch worden getrieerd. “Het is moeilijk uit te leggen dat iemand eerst moet bellen, terwijl hij al voor je staat,” legt De Groen uit. “Niet iedereen begrijpt of accepteert dat.”

1 Nederlandse Triage Standaard (NTS), Nederlandse Triage Standaard, versie 2020, www.nederlandsetriagestandaard.nl; Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), NHG-Standaard Spoedzorg, 2020, www.nhg.org

zijn, komen er ook fysieke situaties voor. De Groen herinnert zich voorbeelden van stoelen die door de wachtkamer vlogen, of hele groepen die zich tegen ambulancebemanning keren bij vermeend onvoldoende medisch handelen. “Dat zijn uitzonderingen,” zegt De Groen, “maar ze laten wel zien hoe snel een situatie kan omslaan.”

2. Is er sprake van een toename van agressie?

Hoewel agressie al langer speelt, merkt De Groen dat de zorg hier nu meer aandacht voor heeft. “De zorg staat al jaren onder druk. Daardoor is goede triage juist essentieel. We kunnen niet meer iedereen zien voor alleen geruststelling. Dat leidt soms tot spanningen.” Het probleem is dus niet nieuw, maar het wordt zichtbaarder.

3. Hoe gaat de HAP om met agressie?

De organisatie heeft meerdere veiligheidsmaatregelen ingevoerd tegen agressie op de HAP en aan de telefoon. Medewerkers registreren agressiemeldingen in het systeem van de HAP. Patienten kunnen zelfs een rode kaart krijgen als zij ernstige agressie tonen.2 De huisartsenspoedpost kan deze patiënten tijdelijk weigeren, tenzij er natuurlijk sprake is van levensbedreigende spoed.

2 Onder rode kaart wordt verstaan een formele maatregel voor patiënten, familie of bezoekers die zich schuldig maken aan

politie in. Die is doorgaans snel ter plaatse, wat vaak de-escalerend werkt. Soms wordt er ook aangifte gedaan, al vraagt De Groen zich af hoe effectief dat altijd is. “Veel van deze patiënten zijn al bekend bij politie en handhaving,” zegt ze. “Aangifte heeft niet altijd het gewenste effect, maar soms is het wel nodig.” In de spreekkamers op de HAP zijn ook noodknoppen aanwezig, zodat de beveiliging direct kan ingrijpen als dat nodig is. Daarnaast houdt de organisatie rekening met de opstelling van de spreekkamer. Zo zit de zorgverlener altijd dichter bij de deur dan de patient. Dit zorgt ervoor dat er altijd een veilige vluchtroute is voor de arts of zorgverlener.

Hoewel er geen standaard nazorgtraject is, kunnen medewerkers na een incident terecht bij het BOT-team (Bedrijfsopvangteam). Deze ondersteuning geldt niet alleen bij agressie, maar ook bij andere emotioneel belastende gebeurtenissen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin een patiënt overlijdt of als een zorgverlener betrokken raakt bij een calamiteit.

4. Welke situatie is u het meest bijgebleven?

Een van de meest indrukwekkende incidenten die De Groen is bijgebleven, speelde zich af tijdens haar werk in de huisartsenpraktijk. Daar

ernstige agressie of wangedrag jegens personeel, wat resulteert in een tijdelijke toegangsontzegging

werkte zij alleen, zonder noodknop of andere veiligheidsmaatregelen.

Een patiënt met een uitgebreid dossier vol agressiemeldingen en eerdere aangiftes kwam op consult. De patiënt gaf zelf aan dat zijn agressie voortkwam uit epileptische aanvallen. De patiënt raakte steeds verder ontregeld tijdens het gesprek. Hij begon tegen de muur te slaan en was op geen enkele manier tot rede vatbaar, buiten zichzelf van woede. “Die pure, ongecontroleerde woede vergeet je niet snel,” vertelt De Groen. Gelukkig kon hulp snel worden ingeschakeld, maar het incident maakte diepe indruk.

5. Hoe kijkt u aan tegen de huidige campagne van VWS rondom agressie in de zorg?3

Over de landelijke campagne tegen agressie in de zorg is De Groen eerlijk. “Ik denk niet dat de campagne de mensen bereikt die het zouden moeten zien. De groep die agressie vertoont, voelt zich daar vaak niet door aangesproken.” Toch begrijpt ze dat er iets moet gebeuren. “Je kunt ook niet niets doen. Maar ik geloof meer in stevig en consequent optreden. We pikken te veel, omdat we zeggen: ‘het is emotie’. Maar agressie mag nooit normaal worden.”

Volgens De Groen is het belangrijk om patiënten direct aan te spreken als gedrag over de schreef gaat. Ook pleit ze voor betere terugkoppeling naar de eigen huisarts wanneer agressie

plaatsvindt op de spoedpost. “Als je niet weet wat er eerder is gebeurd, kun je niet anticiperen. Transparantie in de zorg en tussen zorgverlener helpt enorm.”

6. Wat is uw advies aan jonge zorgverleners aangaande agressie in de zorg?

Voor zorgverleners die aan het begin van hun loopbaan staan heeft De Groen een duidelijke boodschap. Investeer in trainingen over de-escalatie en omgaan met agressie. Werk aan je weerbaarheid, bijvoorbeeld met een zelfverdedigingscursus. “Die vaardigheden geven je houvast op momenten dat emoties hoog oplopen.” De vraag is niet of je dit nodig hebt, maar wanneer dat moment komt.

Daarnaast benadrukt ze het belang van situational awareness. “Scan altijd je omgeving, zeker op een nieuwe werkplek. Weet waar de noodknop zit, wie je kunt bellen en hoe je veilig wegkomt. Ga nooit alleen een gesloten ruimte in met een patiënt die onvoorspelbaar of geagiteerd is.”

Tot slot wijst ze nogmaals op de inrichting van de spreekkamer. “Zorg dat jij als zorgverlener altijd het dichtst bij de deur zit,” zegt ze. “Je hoeft niet bang te zijn, maar je moet wél voorbereid zijn. Mensen worden boos als ze niet krijgen wat ze willen - en dan moet jij weten hoe je jezelf en de situatie veilig houdt.”

ONDERZOEK

Uit een landelijke enquête onder zorgprofessionals van PGGM&CO en het ministerie van VWS blijkt dat agressie op de huisartsenpost allang geen incident meer is maar een structureel probleem.

In het onderzoek geeft 95 procent van de medewerkers aan in het afgelopen jaar agressie of ongewenst gedrag van patiënten te hebben ervaren, terwijl 84 procent hetzelfde zegt over familie of bezoekers. Het gaat daarbij overwegend om verbale agressie, intimidatie en dreigementen, maar ook fysieke uitingen worden gemeld. Medewerkers beschrijven bovendien dat het gedrag de afgelopen jaren in intensiteit en frequentie is toegenomen, waarbij de coronaperiode wordt gezien als katalysator voor frustratie, wachttijdendruk en spanningen in de wachtkamer. De huisartsenpost springt hiermee duidelijk uit boven andere onderdelen van de eerstelijnszorg, waar de gerapporteerde prevalentie lager ligt.

3 Rijksoverheid, Nieuwe overheidscampagne ‘Blijf jezelf, tel even tot 11’ van start tegen verbale agressie in zorg en welzijn, 18 juni 2025,

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/06/18/nieuweoverheidscampagne-blijf-jezelf-tel-even-tot-11-van-start-tegenverbale-agressie-in-zorg-en-welzijn

Mogelijke invoering van het begrip ‘goed patiëntschap’ in de WGBO

- door mr. R.M.A. Oosting*

Ongewenst gedrag van patiënten jegens zorgpersoneel is een steeds vaker voorkomend probleem in de zorg. Het ongewenste gedrag kan de samenwerking tussen patiënt en zorgverlener in de weg staan, waardoor goede zorg in gevaar komt.1

Om de verhouding tussen patiënt en zorgverlener te regelen en goede zorg te waarborgen, zijn in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) zowel de rechten als de plichten van patiënten opgenomen.2 Aangezien de WGBO dient ter bescherming van de rechtspositie van de patiënt, zijn in de WGBO voornamelijk de rechten van patiënten opgenomen. Toch hebben patiënten op grond van de WGBO een aantal verplichtingen, zoals het betalen van loon aan de zorgverlener (artikel 7:461 BW), het verschaffen van informatie aan de zorgverlener (artikel 7:452 BW) en het verlenen van medewerking aan de behandeling (artikel 7:452 BW).

Eén van de rechten van patiënten uit de WGBO is dat een zorgverlener zich op grond van artikel 7:453, eerste lid, BW in de behandelingsovereenkomst als ‘goed hulpverlener’ dient te gedragen en dient te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, welke voortvloeit uit de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden, ook wel ‘goed hulpverlenerschap’ genoemd. Momenteel bestaat er geen bepaling die aangeeft dat een patiënt zich als ‘goed patiënt’ dient te gedragen. In andere rechtsgebieden bestaat een dergelijke bepaling wel. Zo bestaat er in het huurrecht een bepaling betreffende ‘goed huurderschap’ en in het arbeidsrecht een bepaling betreffende ‘goed werknemerschap’.3

* R.M.A. Oosting is werkzaam als Wetenschappelijk Docent aan de Erasmus Universiteit. Vanaf 1 februari zal zij dit combineren m et de functie van juridisch medewerker bij Ravelijn Advocaten.

1 RVS, Applaus is niet genoeg. Anders waarderen en erkennen van zorgverleners, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 29282, nr. 424; ‘Nieuwe overheidscampagne ‘Blijf jezelf, tel even tot 11’ van start tegen verbale agressie in zorg en welzijn’, rijksoverheid .nl, 18 juni 2025.

2 J.M. Witmer & R.P. de Roode, Van wet naar praktijk. Implementatie van de WGBO. Deel 1 Eindrapport, Utrecht: KNMG 2004, p. 15; H.J.J. Leenen e.a., Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2024, p. 74.

3 Zie artikel 7:213 BW voor ‘goed huurderschap’ en artikel 7:611 BW voor ‘goed werknemerschap’.

De invulling van deze twee begrippen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en dient te geschieden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid.4

Gebleken is dat deze begrippen het gedrag van de huurder en de werknemer op een positieve manier beïnvloeden.5 Gezien de toenemende agressie in de zorg kan worden overwogen om een bepaling betreffende ‘goed patiëntschap’ in de WGBO op te nemen, met als uiteindelijke doel het beïnvloeden van het gedrag van patiënten en het bijdragen aan een vermindering van agressie in de zorg.

In mijn onderzoek stond de volgende onderzoeksvraag centraal: “Kan het invoeren van het begrip ‘goed patiëntschap’ in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst bijdragen aan een vermindering van ongewenst gedrag jegens zorgverleners en een verbetering van de veiligheid op de werkvloer, waardoor de kwaliteit en continuïteit van zorg kunnen worden gehandhaafd?”

4 J.A. Tuinman, ‘Goed huurder’, in: H.B. Krans, C.J.J.M Stolker & W.L. Valk (red.), Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, Deventer: Wolters Kluwer (online); C.L.J.M. de Waal, commentaar op artikel 7:213 BW, in: J.M. Heikens e.a. (red.), Groene Serie Huurrecht, Deventer: Wolters Kluwer (online); HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2312, r.o. 3.3 (Parallel Entry/KLM c.s.); V. Gerlach, ‘De postcontractuele werking van goed werknemerschap en goed werkgeverschap’, TRA 2015/188, p. 3; S. Tchai & B. Filippo, Kern van het arbeidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2022, p. 101. 5 G. van Sloten & J. van der Wolk, ‘Goed voorbeeld doet goed volgen. De baten van goed werkgeverschap en goed

Bevindingen en conclusies

De wettelijke invoering van het begrip ‘goed patientschap’ heeft al eerder ter discussie gestaan. De onderzoeken toonden op dat moment al aan dat het begrip ‘goed patiëntschap’

vooral ziet op de verantwoordelijkheden die een patiënt toebedeeld krijgt en daarmee met name ziet op het beïnvloeden van het gedrag van patienten.6 Destijds werd gesteld dat een invoering van het begrip niet noodzakelijk was om patiënten meer verantwoordelijkheden te laten nemen in de behandelingsovereenkomst, maar dat het vooral aankwam op een goede communicatie tussen de patiënt en de zorgverlener.7 Gezien de toename van de agressie in de zorg kan het tegenwoordig een punt van discussie zijn of deze aanpak daadwerkelijk heeft geleid tot verbetering van het gedrag van patiënten.

Zoals beschreven, hebben patiënten momenteel op grond van de WGBO al een aantal verplichtingen. Invoering van het begrip ‘goed patiëntschap’

werknemerschap’, Gids voor Personeelsmanagement 2007/6, p. 20-21; Kamerstukken II 2021/22, 36130, nr. 3, p. 12 en 17.

6 F.C.B. van Wijmen, Goed patiëntschap als spiegelbeeld van verantwoorde zorg (oratie Maastricht), Deventer: Wolters Kluwer 1996, p. 3, 43 en 57; RVZ, Goed patiëntschap. Meer verantwoordelijkheid voor de patiënt, Den Haag: RVZ 2007, p. 7, 11 en 15; M. Knibbe & M. Verkerk, ‘Goed patiëntschap’ nader beschouwd, Den Haag & Groningen: ZonMw & UMCG 2012, p. 12.

7 RVZ, Goed patiëntschap. Meer verantwoordelijkheid voor de patiënt, Den Haag: RVZ 2007, p. 46-47; Kamerstukken II 2010/11, 32402, nr. 6, p. 16.

brengt meer verplichtingen en verantwoordelijkheden voor patiënten met zich mee, maar maakt het ook mogelijk om te handhaven op eventuele overtredingen. Het uiteindelijke doel van de invoering dient te zijn dat het gedrag van patiënten positief wordt beïnvloed. Daarvoor is het mede van belang dat patiënten bereid zijn de verplichtingen die het begrip met zich meebrengt, na te leven.8 Het naleven van de verplichtingen draagt

Het begrip ‘goed patiëntschap’ zou passen binnen het huidige stelsel van de WGBO, waarin reeds de rechten en de plichten van patiënten zijn opgenomen. Ook is de bepaling betreffende ‘goed hulpverlenerschap’ in de WGBO opgenomen. Het begrip ‘goed patiëntschap’ heeft eenzelfde strekking als deze bepaling en kan mogelijk worden ingevoerd in een artikel 7:453a BW. Geadviseerd wordt om deze bepaling te formule-

Het naleven van de verplichtingen draagt namelijk bij aan de wederzijdse vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de zorgverlener, wat leidt tot meer veiligheid op de werkvloer.

namelijk bij aan de wederzijdse vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de zorgverlener, wat leidt tot meer veiligheid op de werkvloer.9 Voorkomen moet worden dat invoering van het begrip leidt tot uitsluiting van patiënten of tot een te gemakkelijke eenzijdige opzegging van de behandelingsovereenkomst.10 Op deze manier kunnen zowel de kwaliteit als continuïteit van zorg worden gehandhaafd.

ren als een open norm. De invulling van het begrip is daarmee, net zoals in het huurrecht en in het arbeidsrecht, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en dient te geschieden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid. Er dient geen limitatieve lijst in de wet opgenomen te worden met de situaties die mogelijk onder het begrip vallen. Dit wordt uiteindelijk bepaald in de praktijk en dient te worden ingevuld door de rechtspraak.

8 RVZ, Goed patiëntschap. Meer verantwoordelijkheid voor de patiënt, Den Haag: RVZ 2007, p.36; RVZ, Geven en nemen in de spreekkamer. Rapportage debatten over veranderende verhoudingen, bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 31765, nr. 5, p. 35.

9 M. Knibbe & M. Verkerk, ‘Goed patiëntschap’ nader beschouwd, Den Haag & Groningen: ZonMw & UMCG 2012, p. 26; ‘Rechten van de patiënt’, knmg.nl, laatst bijgewerkt 31 maart 2022.

10 M.A.J.M. Buijsen, ‘Goed patiëntschap volgens de RVZ. Een slecht idee’, TvGR 2008, p. 334-335; M.A.J.M. Buijsen, ‘RVZplan ondoordacht’, medischcontact.nl, 22 april 2008.

Patiënten met wangedrag:

hoe komen we daarvan af?

- door mr. drs. F.T.H. de Ruijter*

Agressie in de zorg is al jaren een ‘hot topic’. Tussen 2012 en 2016 ambieerde de overheid al meer samenhang en verbetering in de aanpak van geweld richting hulpverleners met het ‘Actieplan Veilig Werken in de Zorg’.1 Er blijven echter berichten en enquêtes in de media verschijnen, die aantonen dat de nood in deze sector hoog blijft en veel medewerkers hierom twijfelen de zorg te verlaten.2

Momenteel loopt er bij de KNMG een nieuw ondersteuningsproject.3 Vanuit eigen zorg-ervaring sprekend, schreef ik dit jaar mijn masterscriptie binnen het gezondheidsrecht over dit onderwerp. In dit onderzoek werd verdieping gezocht bij het ‘ultimo remedium’ van zorgverleners: het opzeggen van de behandelovereenkomst met de patiënt. Klopt de veelgehoorde klacht dat dit haast onmogelijk is en ze alles maar over zich heen moeten laten komen?

1. Terminologie

Om te beginnen eerst wat kader- en begripsverheldering. Hoewel het in dit artikel draait om problematische handelingen van patiënten of andere

* F.T.H. de Ruijter is huisarts in Eindhoven.

1 ‘Actieplan Veilig Werken in de zorg’, rijksoverheid.nl, 22 maart 2012.

betrokkenen richting zorgverleners, mogen in de brede discussie grensoverschrijdende werkrelaties van zorgverleners onderling niet worden vergeten.4 De termen agressie of geweld kunnen in onderzoek of aanpak beter worden vervangen door het bredere en neutralere begrip ongewenst gedrag, omdat het een glijdende escalatieschaal betreft.5 Onder ongewenst gedrag wordt dan meestal verstaan het handelen van een persoon dat door een ander als bedreigend, vernederend of intimiderend wordt ervaren. De persoonlijke beleving van de kwetsbaarste werknemer staat dus voorop.6 Het kan dus niet alleen aanranden, verwonden, schelden of bedreigen betreffen, maar ook treiteren, chanteren, discrimineren of zelfs al seksueel getinte blikken.7

2 ‘Werknemers in zorg en horeca ervaren vaakst ongewenst gedrag’, Cbs.nl, 11 november 2024. ‘Agressie en geweld’, Izz.nl. ‘KNMGartsenonderzoek 2022: (online) bedreigingen en intimidatie van artsen’, Utrecht: KNMG, November 2022. ‘PGGM&CO en Min VWS enquête ‘Agressie & ongewenst gedrag op de werkvloer’ Rapportage totale sector zorg en welzijn, Amsterdam: Ipsos, 2021. I.Houtman, e.a.,‘Arbobalans 2018. ‘Kwart zorgprofessionals overweegt zorg te verlaten vanwege agressie’, Nu91.nl, 2025.

3 ‘ZorgVeilig: Samen voor een veilig werkklimaat in de zorg’, knmg.nl, 4 maart 2025.

4 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 7 maart 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:55. Rechtbank Rotterdam 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12805.

5 C. Koetsenruijter, Jij moet je bek houden! Omgaan met boze burgers, ouders, klanten en patiënten, Baarn: S2Uitgevers 2020, p. 167.

6 ‘Handboek veilige zorg’, staz.nl, p. 78.

7 Kamerstukken II, 2007/08, 28684, nr. 117. ‘PGGM&CO en Min VWS enquête ‘Agressie & ongewenst gedrag op de werkvloer’ Rapportage totale sector zorg en welzijn, Amsterdam: Ipsos, 2021. ‘Definitie agressie en geweld – Werkzaam in de Veilige Publieke Taak’, staz.nl, 2018.

2. Handelingskader

In dit gedragsmodel behoort emotioneel- of frustratiegedrag, waaronder klagen, zeuren en kritiek leveren, door zorgverleners te worden getolereerd. Sterker nog: in het omgaan hiermee kun je medewerkers trainen of bijvoorbeeld de toegankelijkheid van de organisatie verbeteren. De grens wordt echter overschreden als de ander om zijn doel te bereiken gaat intimideren door te schelden, te vernederen of strafrechtelijke feiten begaat. Zorginstellingen kunnen dan waarschuwen (gele kaart) of bij herhaling of bij ernstige feiten de toegang ontzeggen (rode kaart).8 De politie kan betrokken worden en er kan aangifte worden gedaan, die een voorkeursbehandeling krijgt volgens eenduidige afspraken voor personen met een publieke taak.9 Zorgverleners of instellingen kunnen daarnaast als sanctie ook de behandelovereenkomst opzeggen. Alleen de dreiging hiermee kan al een effectieve manier

8 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, p. 33. ‘Handboek veilige zorg’, staz.nl. ‘Uitvoeringsprotocol Agressie en Geweld’, staz.nl.

9 P. Peerdeman, ‘Handreiking aangifte doen bij de politie’, Project Veilige Zorg, Den Haag: CAOP, 2013.

10 S. Flight & J. Terpstra, ‘Veilig werken: Aanpak veroorzakers agressie en geweld (projectonderdeel Actieplan Veilig werken in de zorg van sociale partners uit de zorg en jeugdzorg en het ministerie van VWS)’, juli 2015, p. 23-24.

11 S. Flight & J. Terpstra, ‘Veilig werken: Aanpak veroorzakers agressie en geweld (projectonderdeel Actieplan Veilig werken in de zorg van sociale partners uit de zorg en jeugdzorg en het ministerie van VWS)’, juli 2015, p. 32-35.

zijn om het gedrag te stoppen, zelfs bij mensen met beperkte geestelijke mogelijkheden.10 Desondanks wordt deze mogelijkheid nog weinig ingezet.11 Het eenzijdig beëindigen van deze overeenkomst op grond van ongewenst gedrag van patiënten heeft zowel in het civiel- als tuchtrecht tot vele zaken geleid. Over de nuances van rechtmatigheid die daaruit in mijn onderzoek naar boven kwamen, volgt nu een kort overzicht.

3. Geneeskundige behandelovereenkomst

Door de kwetsbare positie van en afhankelijke relatie van de patiënt ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de zorgverlener in deze bijzondere overeenkomst.12 Zorgprofessionals moeten zich gedragen als ‘goed hulpverlener’ en hebben de plicht bij noodgevallen om deze overeenkomst aan te gaan.13 Over het ontstaan van deze

12 T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Mr.C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht Deel IV: Bijzondere overeenkomsten, Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst’, Deventer: Wolters Kluwer, 2022, p. 6. H.J.J. Leenen e.a., Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2024, p. 72-75.

13 Stb. 2015, 407. Stb. 2019, 284. ‘KNMG-Gedragscode voor artsen’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, februari 2022, p. 8-9. T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Mr.C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht Deel IV: Bijzondere overeenkomsten, Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst’, Deventer: Wolters Kluwer, 2022, p. 14. R.P. Wijne, De geneeskundige behandelingsovereenkomst (Monografieën BW nr. B87), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 41. Kamerstukken II 1990/91, 21561, 6, p. 20.

verbintenis is vrijwel nooit discussie.14 Als er sprake is van een dienstverband of een ondersteunend beroep, komt er een overeenkomst met de zorginstelling tot stand en bij zelfstandige specialisten zelfs twee afzonderlijke behandelovereenkomsten.15 De WGBO fungeert als lex specialis op algemenere bepalingen van boek 6 die het opzeggen van overeenkomsten regelen.16 In artikel 7:460 BW staat dat ‘de hulpverlener dit opzeggen niet kan, behoudens gewichtige redenen’. Deze open norm wordt door de artsenorganisatie verder ingevuld door de KNMG-Richtlijn.17 De laatste versie hiervan kwam uit in 2021 en werd geactualiseerd aan de hand van jurisprudentie. In de praktijk worden niet alleen artsen, maar ook andere hulpverleners in rechte langs deze meetlat gelegd.18

4. KNMG-Richtlijn: opvangen of opzeggen?

In de KNMG-Richtlijn worden, als reactie op ongewenst gedrag van patiënten, twee geldige redenen voor opzegging door zorgverleners genoemd: zeer onheus of agressief gedrag en ernstig conflict. Een zorgverlener moet volgens dit document ‘enig of incidenteel onaangepast gedrag kunnen opvangen en dulden’, maar ernstig, herhaald of ‘structureel grensoverschrijdend gedrag’ is voldoende grond voor opzegging.19 In recente jurisprudentie zijn hiervan voorbeelden te

14 S.E. Garvelink & J.C.J. Dute, ‘Te veel complicaties bij de behandelingsovereenkomst’, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2018(3), juli 2018. T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Mr.C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht Deel IV: Bijzondere overeenkomsten, Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst’, Deventer: Wolters Kluwer, 2022, p. 8 en 13.

15 R.P. Wijne, De geneeskundige behandelingsovereenkomst (Monografieën BW nr. B87), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 9-15. ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, p. 7.

16 Art. 6:265 BW. Art. 6:267 BW. Art 7:460 BW. T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Mr.C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht Deel IV: Bijzondere overeenkomsten, Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst’, Deventer: Wolters Kluwer, 2022, p. 14.

17 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021.

vinden. Het rechterlijk oordeel, dat de ernst voldoende was voor beëindiging, kwam terug in zaken van een physician assistant, die blijvend letsel opliep door een mishandeling.20 Vervolgens bij een psychiatrisch patiënt die fysiek agressief was bij een zorginstelling in Limburg en een jongvolwassene met strafrechtelijk bewezen bedreiging aan het adres van een gz-psycholoog.21

5. Zorgvuldigheid

De relatie of vertrouwensband moet echt herkenbaar onherstelbaar beschadigd zijn en er moeten pogingen tot reparatie gedaan zijn, zoals het gesprek aangaan of afspraken maken. Een conflict kan ook blijken uit het (dreigen met) indienen van klachten of ongenoegen uiten.22 De zorgvuldigheid waarmee dit alles omgeven wordt, wordt minstens zo belangrijk beoordeeld. Denk aan: eerst waarschuwen, het tijdig en schriftelijk informeren, een nette dossier-overdracht en het hanteren van passende termijnen.23 Bij deze lichtere vormen van ongewenst gedrag zoals het weigeren van een mondneusmasker tijdens de pandemie, het aansprakelijk stellen of indienen van een klacht, ook als deze ongegrond blijkt, of een meningsverschil over de inhoud van zorg, wordt er dus eerst meer onderzoek naar de

18 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 28 oktober 2021, ECLI:NL:TGZRAMS:2021:99, r.o. 3.4. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2 december 2022, ECLI:NL:TGZRAMS:2022:176, r.o. 6.4.

19 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, par. 3.1.

20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 24 februari 2023, ECLI:NL:TGZRZWO:2023:59.

21 Rechtbank Limburg, 23 maart 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2542, r.o. 4.9 en 4.10. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 28 oktober 2021, ECLI:NL:TGZRAMS:2021:99, r.o. 3.5 en 3.9.

22 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, par. 3.1.

23 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, par. 3.2.

vertrouwensrelatie gevraagd.24 Nadat een tweede klacht werd ingediend, mocht een huisarts deze onherstelbare verstoring wel aannemen.25 Ook een patiënte van een tandarts, die haar zich misdragende partner bleef meenemen naar de praktijk, kreeg geen gelijk van de tuchtrechter.26 Conflicten in de privésfeer, zoals een ruzie tussen zorgverlener en patiënt in een vereniging van eigenaren, kunnen ook een grond voor opzegging vormen.27

6. Instellingen en gedrag van derden

De drempel om de behandelovereenkomst te kunnen beëindigen ligt nog hoger voor instellingen dan voor individuele zorgverleners.28 De richtlijn gaat nog verder: ook factoren zoals de ziekte als oorzaak van het gedrag, de duur van de behandelrelatie en gebrek aan alternatieven moeten worden meegewogen.29 Gaat het om ongewenst gedrag van familieleden of andere betrokkenen, dan mag in beginsel de patiënt daarvan niet de dupe worden, maar onmogelijk is opzeggen niet.30 Als voorbeeld hiervan mocht een zorginstelling bij een ernstig gehandicapte patiente, waarvan de familie meerdere klachten indiende, niet beëindigen, omdat er nog onvoldoende gewaarschuwd en bemiddeld was.31

Ook een patiënte van een tandarts, die haar zich misdragende partner bleef meenemen naar de praktijk, kreeg geen gelijk van de tuchtrechter.

Het blijkt echter niet altijd eenvoudig het oordeel vooraf in te schatten. In weer andere zaken kwamen de complexe afwegingen naar voren die daarin een rol speelden. Zo werd in hoger beroep de berisping van een psychiater ingetrokken, omdat er uitgebreid teamoverleg was geweest over een zeer agressieve adolescent en andere instanties waren benaderd om de zorg over te nemen.32 Andersom kreeg een huisarts, die was vastgegrepen door een zoon van een psycho-geriatrische patiënte, alsnog een waarschuwing van het CTG, omdat de dame te plots zonder zorg kwam te zitten.33 Bij een tandarts was een enkele klacht in combinatie met een ‘gespannen situatie’ al wel voldoende gewichtig en bij een collega werd zelfs onenigheid over de behandeling geaccepteerd, mits het opzeggen maar zorgvuldig gebeurde.34 In de KNMG-richtlijn wordt een zaak benoemd uit 2013. Een gz-psychologe voelde zich onveilig, nadat een patiënt met persoonlijkheidsproblematiek online haar privé gegevens had achterhaald en haar hiermee confronteerde. Onafhankelijk van de zorgvuldigheid vond het tuchtcollege opzegging niet gerechtvaardigd, omdat er onvoldoende dreiging of plan was aangetoond.

24 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 7 augustus 2008, GJ 2008/130. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 26 oktober 2020, ECLI:NL:TGZRAMS:2020:139, r.o. 5.3. Rechtbank Midden-Nederland 27 mei 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2056. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 10 augustus 2021, ECLI:NL:TGZRSGR:2021:117. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 24 januari 2012, ECLI:NL:TGZRAMS:2012:YG1727. Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 26 oktober 2020, ECLI:NL:TGZRAMS:2020:139, r.o. 5.3.

25 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 5 december 2019, ECLI:NL:TGZCTG:2019:294. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 19 februari 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:84, r.o. 5.10 en 5.11.

26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 7 januari 2022, ECLI:NL:TGZRZWO:2022:2, r.o. 5.5.

27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 12 december 2018, ECLI:NL:TGZRAMS:2018:144.

28 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, par. 4.1.

29 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, par. 4.3.

30 ‘KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, Utrecht: Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, januari 2021, par. 3.2.

31 Rechtbank Noord-Nederland 10 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2009.

32 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 11 september 2024, ECLI:NL:TGZCTG:2024:150, r.o. 3.9 en 3.10

33 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 22 januari 2013, ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2612, r.o. 5.5-5.8.

34 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 2 september 2010, ECLI:NL:TGZCTG:2010:YG0597, r.o. 5.9.

7. Wisselende uitkomsten

8. Varia uit recente jurisprudentie

Tenslotte nog aandacht voor een aantal recente zaken waarin normerende bijzonderheden naar voren kwamen. Vrij recent erkende de Rechtbank ook de zorgplicht van werkgevers voor de veiligheid van het personeel als zwaarwegende reden.35 Over de duur van de opzegtermijn werd door het Hof de uitspraak gedaan dat, zelfs na afloop van een tuchtrechtzaak, bemoeienis van de zorgverzekeraar en de inspectie én het beschikbaar zijn van een andere huisarts, de praktijk nog een jaar zorg moest leveren.36 Mits goed onderbouwd en zorgvuldig, kan tegelijk met de behandelovereenkomst eveneens een hieraan gekoppelde huurovereenkomst worden opgezegd.37 Bij grote afhankelijkheid van fysieke hulp is daarbij wel toestemming van het zorgkantoor nodig.38 Bij vakgroepen van medisch specialisten kan pas opzegging plaatsvinden als de vertrouwensband met meerdere zorgverleners van hetzelfde specialisme binnen de instelling verstoord is, zo bleek in uitspraken over gynaecologen en cardiologen.39 Soms mag er ook in redelijkheid iets teruggevraagd worden: een patiënt moest een beperkte vorm van kwaliteitsvermindering

accepteren (andere verzorgingstijden) in de situatie waarbij hij wel gelijk kreeg dat opzegging niet mocht.40 Vervolgens, het verzoek aan een patiënt om een andere (huis)arts te zoeken mag niet worden beschouwd als een opzegging, tenzij de zorg feitelijk al wordt beëindigd.41

9. Conclusie

Kortom, bij patiënten of andere betrokkenen die ongewenst gedrag vertonen, kan de zorgverlener of zorginstelling zeker als sanctie overwegen de behandelrelatie op te zeggen. Enkel een klacht is daarvoor onvoldoende grond. In elk geval, ook als het ernstigere vormen betreft, zoals fysieke agressie en intimidatie, hoort zorgvuldigheid voor zorgcontinuïteit erbij en kan het stoppen van hulp niet zomaar ineens. Bij werkgevers doet nu ook de zorgplicht voor een veilige werkomgeving van personeel zijn intrede als beëindigingsgrond. Alternatieven binnen of buiten de instelling moeten zijn onderzocht en redelijkerwijs benut of aangeboden. Ermee dreigen mag de professional, maar dan wel het liefst gecombineerd met een gesprek over afspraken hoe verder, een waarschuwing op papier en overleg in het team.

35 Rechtbank Rotterdam 28 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5328, r.o. 2.10. Rechtbank Rotterdam 13 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1087, r.o. 4.6.

36 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 22 oktober 2019. ECLI:NL:GHSHE:2019:3868, r.o. 6.2.4.

37 Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 17 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:492, r.o. 5.11 en 5.20. Rechtbank Midden Nederland 29 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1190. Rechtbank Noord Holland 6 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6744. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:752.

38 Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 10 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3378.

39 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2658. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 6 juni 2019, ECLI:NL:TGZCTG:2019:318.

40 Rechtbank Noord Holland 14 juni 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:6035, r.o. 5.27.

41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:TGZRSGR:2020:17

Agressie in de zorg

Een overzicht van strafrecht en tuchtrecht

bij agressie tegen zorgprofessionals

- door mr. ing. I.E. Boissevain en mr. A.M. de Koning *

Deze twee woorden lijken per definitie tegenstrijdig. Agressie is naar en schadelijk, zorg is liefdevol en ja… zorgend. Bovendien gaan we er onbewust vanuit dat een zorgmedewerker altijd goede bedoelingen heeft, en is het extra onaanvaardbaar dat iemand van buiten een zorgmedewerker agressief zou bejegenen. Toch gebeurt dat helaas wel.

Agressie tegen ambulancepersoneel haalt het nieuws en leidde al tot publieke verontwaardiging en aanpassing van de strafmaat. Intramurale agressie tegen artsen en andere professionals blijft in het publieke debat nog relatief on(der)belicht. Waarschijnlijk komt dat mede omdat zorgprofessionals hun beroepsgeheim respecteren en daarom niet naar buiten treden met hun ervaringen. Is dat terecht?

In dit artikel geven we een kort overzicht van de wettelijke mogelijkheden voor een zorgprofessional om op te treden tegen agressie.

1. Strijdige mensen: hulpverleners en hulpvragers

Als arts of hulpverlener zie je mensen bijna per definitie in een moeilijke situatie; ziekte, verwonding, (dreiging van) overlijden, verdriet, stress, angst en alle emoties en gedragingen die

daarmee samenhangen. Dat kan leiden tot emotionele uitbarstingen aan de zijde van de hulpvrager; of dat nu de hulpzoekende is, de familie of “derden”, zoals omstanders, vrienden en mogelijk andere betrokkenen. Deels vinden we die emoties normaal en daarbij zijn verdriet en onmacht niet per se schadelijk voor de hulpverlener. Zodra de emoties verschuiven naar agressie en bedreigingen wordt dat anders. Ook daar zul je als arts of hulpverlener wel iets door de vingers moeten zien. Daarbij is er een verschil tussen “frustratie-agressie”: een heftige woede op het moment zelf, die vooral voortkomt uit onmacht, en “instrumentele agressie”, agressie die onderkoeld en berekenend wordt ingezet om een doel te bereiken. Frustratie-agressie begrijpt iedereen die weleens in de wacht heeft gehangen bij een helpdesk of erger. Hoewel iemand met voldoende frustratie wel over de schreef kan gaan, is deze agressie doorgaans minder bedreigend

* Iaira Boissevain is advocaat tuchtrecht/sanctierecht bij SKE advocaten in Leiden. Veterinair tuchtrecht vormt een substantiee l deel van haar werk, maar ook medici kunnen bij haar terecht. Tegen agressieve honden sprak zij zich al vaak openbaar uit, helaas hebben haar cliënten ook steeds vaker te maken met agressieve mensen.

Anne Marie de Koning is advocaat sanctierecht/tuchtrecht, ook bij SKE advocaten in Leiden. Medisch tuchtrecht vormt een substantieel deel van haar werk; alle zorgprofessionals kunnen bij haar terecht voor advies en bijstand. All animals are equal, meent Anne marie, but agressive animals are more equal than others (geïnspireerd door G. Orwell, Animal Farm, 1945).

dan instrumentele agressie. Denk daarbij aan “u doet het zoals ik wil, anders weet ik waar uw kinderen op school zitten”.

2. Strijdige wetten: strafrecht en de Wet BIG

Agressief gedrag kan variëren van mopperen/schelden tot moord en doodslag. Veel vormen van agressie worden in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld, van ‘lichte’ vergrijpen zoals smaad, laster en belediging, tot de meest extreme vorm: het doden van een zorgverlener. Daar tussenin zitten dan nog bedreiging, vernieling van eigendom, brandstichting of ander gedrag waardoor mensen in levensgevaar kunnen komen, en fysieke agressie met verwondingen of erger tot gevolg.

Het Wetboek van Strafvordering is in art. 161 heel duidelijk over de mogelijkheid om aangifte te doen van strafbare gedragingen, met de tekst:

“Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte of klachten te doen.”

Een ambtenaar van het ‘bevoegd gezag’ is vervolgens verplicht om deze aangifte op te nemen. Aangifte doen is een recht, geen plicht, tenzij er sprake is van een gedraging die in art. 162 wordt genoemd. Dit betreft gedragingen die mensen in levensgevaar brengen, verkrachtingen, aanslagen tegen Koning of Staat, maar ook doodslag, hulp bij zelfdoding en onwettige afbreking van de zwangerschap. In die gevallen bestaat zelfs een plicht om aangifte te doen, maar die plicht geldt niet voor diegenen die zich kunnen beroepen op een verschoningsrecht.

Die uitzondering neemt een dilemma over aangifteplicht weg, maar over aangifterecht niet. De Wet BIG bepaalt dat zorgprofessionals een geheimhoudingsplicht hebben. Deze staat in art. 88 van de Wet Big, en luidt: “De beoefenaren van een op grond van artikel 3, 34 of 36a gereguleerd beroep zijn verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van

al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”

De gereguleerde beroepen zijn uiteraard artsen, maar ook tandartsen, fysiotherapeuten, apothekers, verloskundigen etc.

De twee wetten zijn tegenstrijdig: waar het Wetboek van Strafvordering eenieder het recht geeft om aangifte te doen, wordt dat door de geheimhoudingsplicht krachtens de Wet BIG juist voor zorgprofessionals veel moeilijker.

3. Strijdige belangen

Van zorgverleners wordt impliciet aangenomen dat ze iets moeten kunnen verdragen en door de vingers zien. Dat gebeurt ook heel veel, maar de laatste jaren nemen de geluiden toe dat het “zo niet langer kan”. Daarmee stijgt ook de roep van zorgprofessionals om meer mogelijkheden om tegen deze agressie op te treden. Zoals in de eerste alinea al uitgelegd, zijn veel agressieve gedragingen gekwalificeerd als strafbaar. Verbaal bedreigen, spullen vernielen en iemand ‘aanvliegen’ liggen het meest voor de hand, maar ook stalken, brandstichten, afpersing (“geef me die morfine anders .”) en diefstal zijn mogelijk. Dit gedrag kan worden vertoond door een patiënt, maar ook door familieleden of vrienden die betrokken zijn bij de medische zorg voor een patient, en daarnaast de zgn. “omstanders”; derden die niet direct bij de patiënt horen.

4. Aangifte?

Aangifte doen tegen anderen dan de patiënt zelf levert juridisch geen grote struikelblokken op; zolang er maar geen informatie wordt gegeven die betrekking heeft op de patiënt/zorgvrager. Stel dat “X” meekomt met een patiënt en vervolgens

met het meubilair in je spreekkamer tekeergaat, dan is aangifte vanwege vernieling (art. 350 Wetboek van Strafrecht) gewoon mogelijk. Het enige wat je niet tegen de politie kunt zeggen, is “X kwam mee met patiënt Y die op consult kwam vanwege zijn te hoge bloeddruk”.

Het probleem bij het doen van aangifte, ook tegen ‘derde-betrokkenen’ is de privé-situatie van een gesprek in de spreekkamer. Strafrechtelijke veroordeling staat of valt met bewijslevering, en juist gesprekken in de spreekkamer vinden plaats zonder getuigen. Als een meegekomen vriend of familielid zich in de spreekkamer misdraagt, zal de patiënt zelf niet snel tegen deze begeleider willen getuigen, waarmee de (bewijs)positie van de zorgverlener binnen het strafrecht erg moeilijk wordt.

Aangifte doen is echter zeker niet zinloos; het helpt bij dossiervorming, bij het registreren van cijfers en dus de ernst van het probleem. Aangifte door een werkgever is ook een sterk signaal naar medewerkers dat hun veiligheid serieus wordt genomen en dat de werkgever schending daarvan niet accepteert.

Daarnaast kan met de politie worden afgesproken dat in voorkomende gevallen geen aangifte maar ‘melding’ wordt gedaan. Dat kan een praktische oplossing zijn voor gevallen van bekende, agressieve maar (nog) net niet als gevaarlijke trammelantmakers. Daarentegen wordt op die manier zonder al te veel moeite ook een dossier opgebouwd, uit voorzorg. Gaat de betrokkene op enig moment onaanvaardbaar over de schreef, dan volgt aangifte en is vervolging gemakkelijker.

5. Beroepsgeheim

Het grote struikelblok bij het doen van aangifte tegen een patiënt/zorgvrager, is de geheimhoudingsplicht voor BIG-geregistreerde beroepen.

De wettelijke formulering van:

“….. al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen”

is zeer ruim en laat weinig ruimte om gegevens over een zorgvrager aan derden bekend te maken. Het schenden van de geheimhoudingsplicht levert een tuchtrechtelijk vergrijp op, dat in het nadeel van de zorgverlener kan uitpakken. De tuchtrechtelijke veroordeling is immers persoonlijk, en blijft met die persoon verbonden. Dit betekent echter zeker niet dat aangifte doen onmogelijk is. Het recht om aangifte te doen blijft overeind, maar daaraan zit voor BIG-beroepen een duidelijke begrenzing: geef niet meer informatie dan strikt noodzakelijk.

Het beroepsgeheim kent twee onderdelen: geheimhoudingsplicht over alle vertrouwelijke informatie die jij bij de uitoefening van je beroep te weten komt, en daarnaast het ‘verschoningsrecht’. Iedereen die in een strafrechtelijke procedure als getuige staat vermeld, is verplicht om ook een getuigenis af te leggen. Dit geldt niet voor BIG-beroepen; zij hebben een zgn. ‘verschoningsrecht’; het recht om te zwijgen. Als een werkgever aangifte doet van ongewenst gedrag door een patiënt jegens de zorgverlener, dan is de instelling aangever, en de zorgverlener ‘getuige’. Dat is een lastige balans; het verschoningsrecht is een recht, maar het verbreken van dit zwijgrecht kan leiden tot een tuchtrechtelijke klacht door de patiënt of nabestaanden. Die hele materie is een boek op zichzelf waard, want uiteindelijk moet de strafrechter (of rechter-

lastige is dat het doorbreken van het beroepsgeheim kan leiden tot een tuchtrechtelijke klacht; ofwel door de zorgvrager, ofwel juist door de IGJ. Alleen al daarom is een zorgvuldige afweging van de stap om aangifte te doen van belang.

Overigens is het schenden van het beroepsgeheim ook strafbaar volgens artikel 272 Wetboek van Strafrecht.2 Degene tegen wie aangifte wordt gedaan door of namens een hulpverlener, kan daartegen klacht doen. Die zou, ook weer volgens de wet, opgepakt moeten worden door de politie of het OM. Maar het zal in de regel niet voorkomen dat de politie of het OM strafrechtelijk optreedt tegen een hulpverlener als deze aangifte doet van een strafbaar feit. Dat zou een tamelijk absurde situatie opleveren en bovendien zijn er afspraken met en tussen verschillende organisaties over de beteugeling van geweld en agressie tegen hulpverleners in de zorg.3 We laten dit voor deze bijdrage daarom buiten beschouwing.

klachten hierover zeer nauwkeurig in de analyse van de feiten en omstandigheden, en van de mededelingen die de arts/zorgverlener heeft gedaan.

1 Zeer recent ECLI:NL:RBNNE:2025:4720 waarbij de GGD een door het OM in beslag genomen rapport succesvol terugvorderde zonder dat het OM dit rapport mocht openen.

2 Het luidt:

1 Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met

Zo deed het Regionaal Tuchtcollege in Den Bosch uitspraak4 in een klacht over een psychiater die aangifte deed tegen een patiënte. Klaagster werd met een crisismaatregel opgenomen op een speciale ggz-afdeling, op grond van de Wet Zorg en Dwang. Ze verbleef in een speciale ‘gestripte’ ruimte, onder meer vanwege zelfdestructief gedrag. Het gehele beeld dat ook in multidisciplinair overleg naar voren komt is “gevaarlijk, niet te behandelen, hoger veiligheidsniveau gewenst, polymiddelen-gebruik/verslaving, farmaco gericht op bestrijden impulsen”. De patiente dreigt niet alleen herhaaldelijk brand te stichten maar doet dat uiteindelijk ook. De afdeling moet worden geëvacueerd, alle hulpdiensten komen ter plaatse, iedereen is in rep en roer. De politie zegt dat ze mevrouw niet zullen meenemen als er geen aangifte wordt gedaan; waarop een verpleegkundig-specialist, in overleg met de gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

2 Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.

3 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/agressie-en-geweldin-de-samenleving/agressie-en-geweld-tegen-hulpverleners

4 ECLI:NL:TGZRSHE:2024:87

geneesheer-directeur, manager en in aanwezigheid van de psychiater wel aangifte doet. De politie neemt de patiënte mee, waarop zij in een PI belandt en een klacht indient tegen de psychiater. De klacht gaat over allerlei onderdelen in het traject; medicatie, separatie, behandelplan en meer. Die worden allemaal ongegrond verklaard. Het heikele punt is het beroepsgeheim van de psychiater. Volgens haar had de psychiater moeten inzien dat het gedrag van klaagster voortkwam uit haar ziekte en had terughoudend moeten worden omgegaan met het doen van aangifte, en heeft de psychiater het beroepsgeheim geschonden door bij de politie te verklaren dat sprake was van simulatiegedrag en dat klaagster volledig wilsbekwaam was en dus verantwoordelijk kon worden gehouden voor de brandstichting. Die informatie was van geen enkel belang voor het doen van de aangifte. De psychiater werpt tegen dat de aangifte nodig was om te zorgen dat de patiënte door de politie mee werd genomen en niet zou terugkeren; wat weer in het belang was van de veiligheid van andere patiënten en medewerkers van de instelling. Tegelijk erkent de psychiater dat ze misschien wat te veel mededelingen over de persoon en de mogelijke stoornissen van de patiënte heeft gedaan aan de politie. Maar ja, in de hectiek van de brand en de urgentie om de patiënte uit de instelling

weg te krijgen heeft ze daar niet in alle rust over kunnen nadenken.

Het Tuchtcollege stelt eerst vast de aangifte weliswaar op naam van de verpleegkundig specialist werd gedaan, maar dat de psychiater daarbij aanwezig was en actieve medewerking verleende. Ook de mededelingen die de verpleegkundige deed werden door de psychiater ondersteund.

Het heikele punt is het beroepsgeheim van de psychiater. Volgens haar had de psychiater moeten inzien dat het gedrag van klaagster voortkwam uit haar ziekte en had terughoudend moeten worden omgegaan met het doen van aangifte, en heeft de psychiater het beroepsgeheim geschonden door bij de politie te verklaren dat sprake was van simulatiegedrag en dat klaagster volledig wilsbekwaam was en dus verantwoordelijk kon worden gehouden voor de brandstichting.

Aangifte doen is toegestaan, zo meldt het Tuchtcollege, onder verwijzing naar de Handreiking “Beroepsgeheim politie justitie” van de KNMG 5 Bij zo’n aangifte is het echter wel belangrijk dat een zorgverlener bij het doen van aangifte niet meer gegevens verstrekt dan noodzakelijk is voor de aangifte. Dat is hier niet gebeurd. De psychiater (en verpleegkundige) hebben zich niet beperkt tot de feiten en het gedrag zoals die in het Wetboek van Strafrecht staan, t.w. het stichten van brand. Dat zou voldoende zijn geweest voor strafrechtelijke vervolging. Mededelingen over geestestoestand, medicatie, drugsgebruik, verstandelijke vermogens en andere medische bevindingen zijn niet noodzakelijk. Dat betekent een schending van het beroepsgeheim. Het Tuchtcollege zegt echter wel begrip te hebben voor de hectiek van het moment en de grote

5 Handreiking “Beroepsgeheim politie justitie”, KNMG, herziene versie februari 2012, noot auteur: een nieuwe versie met daarin de normen van de AVG verwerkt is verschenen in 2024.

impact, en laat het daarom bij een milde maatregel, een waarschuwing. Die formulering suggereert dat het Tuchtcollege zonder die omstandigheden een zwaardere tuchtrechtelijke maatregel niet uitgesloten acht.

7. De praktijk

“Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren” luidt de onvolprezen dichtregel van Willem Elsschot 6 Dat vat de moeilijke positie van de zorgverlener goed samen.

Dit artikel is verre van uitputtend. Er zijn heel veel varianten van agressie in de zorg denkbaar: intramuraal, op straat, in de spreekkamer, bij een patiënt thuis, maar ook de patiënt die binnenkomt met messteken en zo snel mogelijk weg wil om ‘wraak te nemen’, en misschien de patiënt die zo vaak over de schreef gaat dat je de behandelovereenkomst het liefst wilt beëindigen. Dat is geen makkelijke materie, maar laat een paar lastige patiënten je nooit weerhouden om een mooi vak in de zorg uit te oefenen. Jullie zijn te hard nodig!

Tips van Boissevain & D e Koning

Laat werkgever/manager aangifte doen. Dat is sterker en slaat minder snel tuchtrechtelijk terug op de individuele zorgverlener. Bovendien kan een manager namens de instelling waar je werkt, ook aangifte doen van gedragingen die niet de zorgverlener als persoon betreffen, maar wel vernieling van eigendommen van de instelling, brandstichting etc.

Als je wel zelf aangifte doet, vermeld nooit je privé -gegevens in de aangifte maar gebruik je werkadres of desnoods het adres van het politiebureau of je advocaat. Dat heet ‘domicilie kiezen’ en dat mag.

Bespreek het beleid met betrekking tot aangifte doen binnen het team. Paniek en hectiek leiden snel tot een ondoordachte beslissing.

Bespreek in dat kader ook welke gedragingen in jouw instelling/op jouw afdeling worden waargenomen, en hoe deze juridisch te kwalificeren zijn. Zoek daarvoor desnoods hulp van een jurist. Als je al weet welke feiten van belang zijn voor het strafrecht, kan je je daar makkelijker toe beperken.

6 Willem Elsschot, Het Huwelijk, Rotterdam 1910.

Verward en onbegrepen

Een nieuwe zorgmaatregel in het

Strafrecht

- door prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen*

Op 15 december jl. maakte het demissionaire kabinet Schoof bekend met een nieuwe zorgmaatregel te komen om mensen die verward, onvoorspelbaar en gevaarlijk gedrag vertonen sneller te helpen. Volgens de regering volstaat voor deze mensen straffen niet wanneer zij eenmaal een strafbaar feit hebben gepleegd. Zij hebben ook gepaste geestelijke gezondheidszorg nodig.

Het betreft een relatief kleine groep mensen die te licht zijn voor tbs maar te zwaar voor de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Met deze maatregel krijgt de rechter de mogelijkheid om iemand maximaal twee jaar te laten opnemen in een beveiligde forensische kliniek. Op deze wijze kan worden voorzien in de benodigde intensieve psychische zorg terwijl ook de veiligheid op straat gewaarborgd wordt. Het conceptwetsvoorstel moet in de eerste helft van 2026 in consultatie gaan.1 Wat is de achtergrond van deze maatregel? En is zij de oplossing voor een probleem?

1. Een reeks ernstige incidenten

Op 8 februari 2014 bracht Bart van U (39) oudminister Els Borst (83) met messteken om het leven in de garage van haar woning in Bilthoven. Op 10 januari 2015 stak hij zijn zus Loïs (43) dood in Rotterdam. De rechtbank aldaar verklaarde de verdachte geheel en al ontoereke-

* M.A.J.M. Buijsen is hoogleraar Gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

1 Brief van 15 december 2025 (ref. nr. 6850212), betreffende de Voortgang werkagenda betere aansluiting forensische zorg en reguliere zorg.

ningsvatbaar en legde tbs met dwangverpleging op.2 Het OM ging hiertegen in beroep waarop het hof in beide gevallen doodslag bewezen achtte en Van U. in maart 2017 veroordeelde tot 8 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.3

Op 19 oktober 2015 sloeg Udo D. (38) in Leeuwarden het volkomen willekeurige slachtoffer Cecile Postmus-Delea (68) met een fles dood. Hij was de vrouw op straat toevallig tegen het lijf gelopen. Kort daarvoor had hij ook al geprobeerd een prostituee te doden. De rechtbank Leeuwarden veroordeelde de man tot zes jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor doodslag en poging tot doodslag.4

In de geruchtmakende zaak van Anne Faber (25) werd in juli 2018 Michael P. (28) door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 28 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor het verkrachten, het van haar vrijheid beroven en doden van de jonge vrouw op 29 september 2017. Ook werd hij veroordeeld voor het

2 Rb Rotterdam 13 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2016:2699.

3 Hof Den haag 16 maart 2017, ECLI:NL:GDHA:2017:684.

4 Rb Noord-Nederland 14 juni 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2831.

mishandelen van medewerkers van het Pieter Baan Centrum.5 In cassatie verminderde de Hoge Raad de gevangenisstraf met vier maanden.6

Thijs H. (27) doodde op 4 mei 2019 in de Scheveningse Bosjes een vrouw (56) met messteken in het hoofd en het bovenlichaam. Drie dagen later bracht hij op de Brunsummerheide nabij Heerlen een man (68) en een vrouw (63) om het leven, eveneens door messteken. De rechtbank Heerlen veroordeelde de man wegens drievoudige moord tot 18 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.7 In hoger beroep werd dit 22 jaar en tbs met dwangverpleging.8 De Hoge Raad bracht de gevangenisstraf terug tot 21 jaar en drie maanden.9

Op 1 juni 2022 ontvoerde, misbruikte en vermoordde Donny M. (24) de negenjarige Gino van der Straeten uit Maastricht. Hem werd later ook ontucht met een andere minderjarige jongen in 2019, het maken van opnames van dat seksuele misbruik en het verspreiden van kinderporno ten laste gelegd. Het nieuws over de verdwijning en de dood van Gino beheerste de media dagenlang.

Op 28 september 2023 belde Fouad L. (33) aan bij zijn buren. Toen het 14-jarige buurmeisje Romy opendeed, werd zij door hem doodgeschoten. Na brand te hebben gesticht in zijn eigen woning, keerde hij terug naar de buren waar hij zijn buurvrouw Marlous (39) achtervolgde in haar woning en ten slotte in haar slaapkamer doodschoot. Vervolgens stapte hij op zijn motor, begaf zich naar het Erasmus MC en schoot in een klaslokaal een docent (43) dood. Aldaar bedreigde hij meerdere mensen en stichtte ten slotte brand in het onderwijscentrum van die instelling. De rechtbank Rotterdam veroordeelde de man onder meer tot levenslange gevangenisstraf voor drievoudige moord.11 Fouad L. is in hoger beroep gegaan en een uitspraak wordt in 2026 verwacht.

Incidenten als deze (er zijn er meer) brengen de samenleving steeds danig in beroering. Het betreft immers gruwelijke gebeurtenissen met dodelijke afloop. De incidenten hebben niet alleen met elkaar gemeen dat de daders (relatief) jonge mannen zijn. De daders bleken zonder uitzondering te kampen met ernstige psychische stoornissen. En ook was dat bij diverse instanties niet onbekend. Sterker nog, justitie en de betrokken zorginstellingen hadden tevens weet van de vei-

De daders bleken zonder uitzondering te kampen met ernstige psychische stoornissen. En ook was dat bij diverse instanties niet onbekend. Sterker nog, justitie en de betrokken zorginstellingen hadden tevens weet van de veiligheidsrisico’s.

Twee jaar later veroordeelde de rechtbank Limburg Donny M. tot een gevangenisstraf van 25 jaar. Ook werd hem een tbs-maatregel opgelegd en werd hij veroordeeld tot de betaling van ruim 163.000 euro aan de nabestaanden van Gino en tot de betaling van smartengeld aan het andere destijds minderjarige slachtoffer.10

ligheidsrisico’s. Sinds de zaak van Bart van U. is de aandacht voor de problematiek rondom personen met – wat dan heet – verward /onbegrepen gedrag niet aflatend.

5 Rb Midden-Nederland 17 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3330.

6 HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092.

7 Rb Limburg 20 juli 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:5621.

8 Hof Den Bosch 17 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:868.

9 HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.

10 Rb Limburg 27 november 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:8607.

11 Rb Rotterdam 21 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2145.

2. Meldingen, rapporten en initiatieven

Naast het aantal incidenten waarbij individuen met verward/onbegrepen gedrag betrokken waren, is er in de afgelopen jaren een toename van het aantal meldingen van overlast door deze mensen bij de politie. Deze registreert deze meldingen sinds 2011 met een zogeheten E33-code. Het kan dan gaan om mensen die kampen met een psychische stoornis, dementie, een verstandelijke beperking, een verslaving of andere problemen. In 2012 bedroeg het aantal registraties 44.751 en in 2023 was dat opgelopen tot 141.724.12 Hoewel deze cijfers niet veel zeggen over het aantal personen met verward /onbegrepen gedrag, omdat het gedrag van één persoon natuurlijk tot meerdere meldingen kan leiden, is wel duidelijk dat deze meldingen de politie veel tijd en menskracht kost. Volgens opgave van de politie komen op een melding meestal twee agenten af die gemiddeld twee uur daarmee bezig zijn.13 De cijfers zeggen uiteraard wel wat over de omvang van de problematiek, en die is groot.

12 Zie Kamerstukken II 2024/25, nr. 89, item 11, Eindrapport Parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag, p. 8.

13 Eindrapport Parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag, p. 8-9.

14 Te vinden op https://www.om.nl/documenten/publicaties/strafzaken/bart-van-u/map/rapport-onderzoekscommissie-zaak-bart-van-u

15 Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 25424, nr. 331.

De aandacht voor de problematiek bestaat al wat langer en begon met het rapport van de Onderzoekscommissie strafrechtelijke beslissingen Openbaar Ministerie (Commissie Hoekstra) over de zaak van Bart van U.14 In 2016 volgde het rapport van het Aanjaagteam verwarde personen.15 Het Schakelteam Personen met verward Gedrag rapporteerde in 2018.16 Op de rapportages volgden programma’s zoals het Actieprogramma Lokale initiatieven voor mensen met verward gedrag (2021) en het huidige Landelijke Actieprogramma Grip op onbegrip, beide van ZonMw.17

Hoe groot de groep personen is die verward /onbegrepen gedrag vertoont, is niet bekend. Maar niet iedereen brengt veiligheidsrisico’s met zich mee. Naar schatting is er een relatief kleine groep van ongeveer 1.500 personen met verward/onbegrepen met een hoog veiligheidsrisico die langdurige zorg nodig heeft en een gevaar vormt voor zichzelf of zijn omgeving.18 Daarvan zijn er zo’n 600 in beeld in de zogenaamde Levensloopaanpak: een in 2018 tot stand gekomen initiatief tot ambulante samenwerking voor

16 Te vinden op https://www.hetccv-woonoverlast.nl/documenten/eindrapport-schakelteam-personen-met-verward-gedrag

17 Zie https://www.zonmw.nl/nl/programma/actieprogramma-lokale-initiatieven-voor-mensen-met-verward-gedrag, en zie https://www.zonmw.nl/nl/programma/actieprogramma-grip-oponbegrip

18 Eindrapport Parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag, p. 9.

mensen met onbegrepen gedrag en een hoog veiligheidsrisico.19 De ministeries van VWS en JenV hebben sinds 25 november 2024 een gezamenlijke Werkagenda Verbeteren van de aansluiting tussen de forensische zorg en reguliere zorg opgesteld, waarin specifiek wordt ingezet op maatregelen voor deze groep.20 De nieuwe zorgmaatregel is een product van deze agenda. Sinds het vaststellen van de Werk-agenda heeft er ook een Parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid plaatsgevonden en heeft het Toezicht Sociaal Domein (VWS) zeer onlangs het rapport Klem in het systeem uitgebracht.21

3. Oorzaken, knelpunten en aanbevelingen

Over de oorzaken van de problematiek bestaat inmiddels eensgezindheid. Ook wijzen de analyses van de twee laatstgenoemde rapporten op min of meer dezelfde knelpunten, hoewel de accenten door de opstellers verschillend gelegd worden. De rapporten hebben daarnaast met elkaar gemeen dat de problematiek niet verengd wordt tot de relatief kleine groep personen met hoge veiligheidsrisico’s: men is het er wel over eens dat het uiteindelijk gaat om kwetsbare mensen met een opeenstapeling van complexe problematiek op meerdere levensgebieden, die hierdoor de grip op het leven (dreigen te) verliezen en mogelijk een bedreiging vormen voor zichzelf, anderen of de openbare orde. Ten slotte komen ook de aanbevelingen in belangrijke mate overeen.

De rapporten maken duidelijk dat er sprake is van een systeem dat tekortschiet. De gesignaleerde knelpunten staan volgens de opstellers dan ook niet op zichzelf, maar versterken elkaar en werken zo risico’s in de hand. Zo is er allereerst een groot gebrek aan passende woon- en behandelplekken. Er is domweg te weinig aanbod en te weinig doorstroom in de zorgketen. Als mensen

geen eigen woonplek meer hebben en dakloos raken, wordt effectief interveniëren moeilijk. Daar komt bij dat naarmate de problematiek complexer is, passend verblijf moeilijker te organiseren valt. Een plaats om te slapen, eten, drinken, douchen en om zorg te ontvangen is wezenlijk.

De rapporten maken duidelijk dat er sprake is van een systeem dat tekortschiet. De gesignaleerde knelpunten staan volgens de opstellers dan ook niet op zichzelf, maar versterken elkaar en werken zo risico’s in de hand.

Ook wordt gewezen op de discontinuïteit in de zorg. Er zijn grote personeelstekorten en veel wisselingen van personeel. Zorgen voor mensen met verward/onbegrepen gedrag is eenvoudigweg niet erg aantrekkelijk. Zo willen steeds minder psychiaters werken in de crisisdienst, met als gevolg dat de hulpverleners die zich wel aangetrokken voelen tot de zorg voor deze doelgroep chronisch worden overbelast. Een en ander werkt gebrek aan continuïteit van zorg binnen zorgaanbieders in de hand. Afspraken rondom bijvoorbeeld overdracht kunnen vaak niet worden nagekomen. Cliënten verliezen hierdoor het vertrouwen in de hulpverlening. De focus op het voorkomen van incidenten is gering en cruciale signalen worden gemist. Er is gebrek aan regie en doorzettingsmacht, dat zich vooral wreekt wanneer samenwerking de verschillende domeinen (zorg, veiligheid, sociaal) moet overstijgen en structureel moet zijn, zoals bij deze doelgroep het geval is. Plaatsingsproblematiek en gebrek aan discontinuïteit in de hulpverlening maken weer dat hulpverleners binnen en tussen organisaties te weinig passende informatie uitwisselen en ook niet wanneer het nodig is. Ook is de uitwisseling van informatie met naasten en met buurtgenoten gebrekkig, terwijl deze mensen

19 Zie https://levensloopaanpak.nl

20 Kamerstukken II 2024/25, 33628, nr. 106.

21 Kamerstukken II 2024/25, nr. 89, item 11, en zie Kamerstukken II 2025/26, 34477, nr. 93.

vaak al in een vroeg stadium zien dat er problemen zijn.

Ten slotte wordt de samenwerking die nodig is voor een integrale aanpak bemoeilijkt door de huidige wet- en regelgeving. Hulpverleners kunnen niets ondernemen wanneer mensen niet om hulp vragen, hulpaanbod afslaan of slechts hulp kunnen krijgen wanneer zij aan formele criteria voldoen. Er zijn te weinig mogelijkheden om in te grijpen om escalaties te voorkomen. Veel incidenten getuigen van het feit dat er pas ingegrepen kan worden wanneer het al te laat is. Het systeem zelf is voor de doelgroep te versnipperd en te complex.22

4. En de nieuwe maatregel?

Hoewel ernstige incidenten nooit uit te sluiten zijn, wordt in de aangekondigde maatregel door velen een middel gezien dat erger kan voorkomen. De maatregel wordt dan ook door meerdere partijen dringend gewenst.24 De nieuwe maatregel zal een aanvulling zijn op de reguliere zorgen rechtelijke machtigingen die nog steeds door de strafrechter gegeven zullen kunnen worden. De maatregel zal zich richten op personen die een strafbaar feit hebben gepleegd, bij wie het gevaars-, beheers- of recidiverisico opname in de reguliere zorg in de weg staat, en voor wie tbs met dwangverpleging, gelet op het delict of het

Hulpverleners kunnen niets ondernemen wanneer mensen niet om hulp vragen, hulpaanbod afslaan of slechts hulp kunnen krijgen wanneer zij aan formele criteria voldoen. Er zijn te weinig mogelijkheden om in te grijpen om escalaties te voorkomen.

De aanbevelingen laten zich raden: meer woonen behandelplekken en betere financiële randvoorwaarden moeten worden gerealiseerd, betere informatie-uitwisseling moet worden gefaciliteerd, er moet meer bemoeizorg komen, er moeten meer mogelijkheden komen om in te grijpen en de forensische zorg moet beter aansluiten op het kader van de reguliere zorg. En ‘last but not least’, bezie of de groep mensen met verward/onbegrepen gedrag onder één uitvoeringswet kan vallen in plaats van verspreid over meerdere (de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Wet forensische zorg en de Jeugdwet).23

ziektebeeld van de veroordeelde niet proportioneel geacht wordt of niet aan de orde is omdat niet aan de wettelijke vereisten is voldaan, en voor wie forensische zorg via bijzondere voorwaarden of tbs met voorwaarden niet passend is.25 Voor deze mensen voorziet de maatregel in tijdelijke klinische behandeling. Een deel van de veroordeelden zal ook na de termijn van de maatregel gepaste zorg nodig hebben. Dat betekent zij alsnog op de reguliere zorg zullen zijn aangewezen. Voor deze mensen zal de maatregel weinig uithalen als de reguliere instellingen voor ggz of gehandicaptenzorg niet veel beter dan nu op hen zijn toegerust. Als er niet ook serieus werk gemaakt wordt van de andere, inmiddels breed onderschreven aanbevelingen, zal de maatregel slechts een doekje voor het bloeden blijken.

22 Kamerstukken II 2025/26, 25 424, nr. 769.

23 Kamerstukken II 2025/26, 34477, nr. 93, en zie Kamerstukken II 2024/25, nr. 89, item 11.

24 Brief van 15 december 2025 (ref. nr. 6850212) betreffende de Voortgang werkagenda betere aansluiting forensische zorg en reguliere zorg.

25 Brief van 15 december 2025 (ref. nr. 6850212) betreffende de Voortgang werkagenda betere aansluiting forensische zorg en reguliere zorg.

Leren of corrigeren via het tuchtrecht?

De wetsevaluatie biedt twee scenario’s

- door prof. mr. dr. M.C. Ploem & dr. mr. R.C. Simons*

Onlangs is het derde evaluatierapport van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) verschenen.73 Het rapport ‘Het tuchtrecht in de Wet BIG’, dat tot stand is gebracht door onderzoekers van het Amsterdam UMC, Rijksuniversiteit Groningen en onderzoeksbureau Pro Facto, schetst twee mogelijke toekomstscenario’s voor het medisch tuchtrecht en werd op 25 november 2025 door minister Bruijn van VWS aangeboden aan de Tweede Kamer.74

HEt evaluatierapport is voor het grootste deel gewijd aan de vraag hoe de huidige tuchtrechtbepalingen in de Wet BIG in de praktijk functioneren, met name in het licht van de in 2019 doorgevoerde wetswijziging die vooral tot doel had de lerende functie van het tuchtrecht te versterken.1

Uit de evaluatie komt naar voren dat het veld zich weliswaar in de wijzigingen kon vinden, maar dat het beoogde doel (een sterkere focus op de lerende functie van het tuchtrecht) niet is opgetreden. Mede daarom wordt het rapport afgesloten met bespreking van de meer fundamentele vraag

hoe het met de toekomstbestendigheid van het tuchtrecht is gesteld. Zit de wetgever met de wetswijziging van 2019 ondanks de teleurstellende uitkomst dat de lerende functie niet goed van de grond komt op het goede spoor en moet die lijn vooral worden voortgezet, of moet zij – de balans opmakend – het huidige momentum aangrijpen om het tuchtrecht, na meer dan 20 jaar hardnekkige problemen in het functioneren, terug te brengen naar waar het oorspronkelijk voor was bedoeld, namelijk om in gevallen van substantieel tekortschieten de beroepsbeoefenaar te corrigeren?2

* M.C. Ploem is hoogleraar Gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. R.C. Simons is universitair docent Gezondheidsre cht aan de Universiteit van Amsterdam en advocaat bij Van Benthem & Keulen.

73 M.C. Ploem, R.L. Herregodts, E. Krol, J. Cazemier, R.C. Simons, N.O.M. Woestenburg, H.B. Winter, J.K.M. Gevers, Evaluatie. He t tuchtrecht in de Wet BIG, Den haag: ZonMw 2025 (hierna: Ploem e.a. 2025).

74 Kamerstukken II 2025/26, 29282, nr. 615.

1 Stb. 2018, 260 en Stb. 2019, 111.

2 Kamerstukken II 1985/86, 19522, nr. 3, p. 64 en p. 96.

Twee scenario’s

Tegen de achtergrond van het feit dat het tuchtrecht nog altijd niet goed functioneert, worden in het evaluatierapport twee scenario’s voor de toekomst van het tuchtrecht uitgewerkt, te weten: 1) handhaving van de huidige koers, of wel de in 2019 ingezette lijn, waarbij gepoogd dient te worden de lerende functie van het tuchtrecht via diverse maatregelen (zoals een centralere rol voor de tuchtklachtfunctionaris) verder te versterken; en 2) oriëntatie op een nieuwe koers.3 Het tweede scenario impliceert een behoorlijke breuk met de wetgevingskoers sinds 2019, in die zin dat het tuchtrecht daarin weer wordt ingericht op zijn oorspronkelijke ‘corrigerende functie’ vanuit de gedachte dat leren van met name lichte klachten (die niet zelden samenhangen met gebrekkige samenwerking), normontwikkeling en kwaliteitsbevordering zaken zijn die beter binnen instellingen en zorgpraktijken zelf kunnen worden opgepakt.

Welk scenario de voorkeur heeft, laat het evaluatierapport in het midden, al is tussen de regels door mogelijk wel een lichte voorkeur te lezen voor het tweede scenario. Argumenten die daarvoor pleiten zijn allereerst dat de wetgever met de wetswijziging van 2019 vooralsnog niet heeft weten te bereiken dat bij een aanzienlijk groter deel van de klachten (dan voorheen het geval w

3 Ploem e.a. 2025, p. 205.

4 Zie voor een andere opvatting een onderzoek naar de tuchtklachten van neurologen van M. Dauwan, B. Florijn, B. van Kooten, R. van Leeuwen & H. Tjeerdsma, Eindrapport TANGOstudie. Tuchtrechtuitspraken Analyse Neurologie Gegrond en

was) sprake is van klachtwaardig handelen en het opleggen van een tuchtrechtmaatregel. Nog altijd wordt 85 procent van de klachten niet ontvankelijk of ongegrond verklaard, en men zou kunnen stellen dat voor deze klachten de tuchtrechtprocedure voor niets is doorlopen.4 Het zijn, aldus het tweede scenario, vooral deze (lichte) klachten die simpelweg niet in een proces van tuchtrechtelijke beoordeling thuishoren. Een tweede argument is dat een tuchtprocedure door beroepsbeoefenaren als (zeer) belastend wordt ervaren. Het tuchtrechtelijk aangesproken worden, voelt voor veel beroepsbeoefenaars als een ‘tik op de vingers’, en voor sommigen zelfs als een procedure met een punitief karakter; inspanningen van de tuchtcolleges om zo min mogelijk nadruk te leggen op de correctieve werking van het tuchtrecht doen daaraan niet af. Kortom, een proces dat eerder formaliseert dan de-escaleert bij lichtere klachten, bevordert een lerende houding van zorgprofessionals niet.5

De voorzitter van de KNMG, Jurriaan Penders, erkent dit probleem en meent ook dat ‘lichte’ klachten (klachten die uiteindelijk ongegrond of niet-ontvankelijk worden verklaard) uit het tuchtrecht geweerd moeten worden. Maar zo vervolgt Penders, ‘(…) er moet dan wel een route worden geboden voor de patiënten/naasten die nu het tuchtrecht gebruiken voor hun onvrede’, Hij ziet de huidige interne klachtencommissies binnen

Ongegrond, Vereniging voor Neurologie 2025, waarin wordt geconcludeerd dat ongegrond verklaarde klachten minstens zo leerzaam zijn als gegrond verklaarde klachten.

5 Ploem e.a. 2025, p. 46-47.

zorginstellingen als een alternatief, al lijkt dit systeem als klachtloket voor lichtere klachten nog niet goed te werken.6 Door deze twee omstandigheden – lichte klachten bereiken nog steeds het tuchtrecht en het tuchtrecht wordt niet als lerend, maar als correctief ervaren – kalft het draagvlak voor het tuchtrecht onder beroepsbeoefenaren verder af, waardoor ‘‘(…) het beeld dat beroepsbeoefenaren en hun organisaties van het tuchtrecht hebben, (…) vaak negatief gekleurd is’’, al

dus het evaluatierapport.7 Dit is op zich natuurlijk geen reden om het tuchtrecht ingrijpend te wijzigen, maar legt wel bloot dat onvoldoende maatschappelijk draagvlak voor wetgeving aan een succesvol functioneren daarvan in de weg kan staan.

Waar is het tuchtrecht dan wel voor bedoeld?

Wat blijft er nog over voor het wettelijk tuchtrecht als lichte klachten daarin niet langer thuishoren? Het antwoord is: ernstige klachten of herhaalde tekortkomingen. De hamvraag is natuurlijk wat daaronder moet worden verstaan. De onderzoekers van de wetsevaluatie denken daarbij in elk geval aan situaties waarin het noodzakelijk is de beroepsbeoefenaar via een tuchtrechtmaatregel ter verantwoording te roepen.8 Daarmee wordt het tuchtrecht – in sterk afgeslankte vorm – door de overheid ingezet op wat de wetgever aanvankelijk voor ogen stond, te weten het corrigeren van herhaaldelijk of ernstig tekortschieten in de kwaliteit van de verleende zorg door individuele beroepsbeoefenaren. Een voorbeeld bij uitstek ligt wat ons betreft op het terrein van dit themanummer: seksueel grensoverschrijdend gedrag

6 S. Pauw, KNMG-voorzitter Penders: ‘Lichte klachten weren uit het tuchtrecht, maar wél blijven benutten om van te leren’, Medisch Contact, 28 november 2025.

7 Ploem e.a. 2025, p. 208.

door een beroepsbeoefenaar, waarvan, zo blijkt uit de tuchtrechtspraak, niet alleen patiënten of cliënten, maar ook studenten het slachtoffer kunnen zijn.9 Dat is geen kwestie van beroepsmatig handelen ‘dat beter had gekund’, maar dat in geen enkele situatie of vorm te billijken is. De beroepsbeoefenaar is bij diens professioneel handelen een rode lijn over gegaan, en ‘leert’ dat dat eens en nooit weer is. Om deze beperktere functie van het tuchtrecht te bewerkstelligen, zal de

Door deze twee omstandigheden […] kalft het draagvlak voor het tuchtrecht onder beroepsbeoefenaren verder af.

Wet BIG zodanig moeten worden aangepast dat alleen ernstige klachten over het handelen of nalaten van BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren door de tuchtrechter in behandeling mogen worden genomen. Ook essentieel is de tussenstap van contact met een instantie of klachtfunctionaris (bijvoorbeeld de tuchtklachtfunctionaris), die kan nagaan of de klacht ernstig genoeg is. Als de klager tegen het advies van zo’n functionaris ingaat, zal hij dat overtuigend moeten kunnen motiveren, wil hij binnen het tuchtrecht ontvankelijk kunnen zijn.

Tot besluit

De minister van VWS heeft nu een belangrijke keuze te maken: welk scenario zal in de toekomstige vormgeving van tuchtrecht centraal komen te staan? Belangrijk bij een keuze voor het tweede scenario is welke aanpassingen in de sfeer van de Wkkgz kunnen helpen om ervoor te zorgen dat sprake is van lerende zorgorganisaties met een open cultuur voor wat betreft fouten en incidenten. Aan die gedachtevorming kan gezondheidsrechtelijk onderzoek een belangrijke bijdrage leveren.

8 Ploem e.a. 2025, p. 216-217.

9 RTG Amsterdam 24 maart 2023, ECLI:NL:TGZRAMS:2023:75 en CTG 21 december 2023, ECLI:NL:TGZCTG:2023:171.

Agressie en toegang tot de tuchtrechter

Agressie tegen zorgverleners is al jarenlang een hardnekkig maatschappelijk probleem. De veiligheid en welzijn van zorgverleners (en andere personen die een publieke taak vervullen) staat dan ook regelmatig prominent op de politieke agenda. Beleidsregels van het Openbaar Ministerie en oriëntatiepunten van strafrechters hebben al enige tijd als uitgangspunt dat agressie en geweld tegen personen met een publieke (zorg)taak zwaarder (moeten) worden bestraft.1

Het aspect van agressie of geweld tegen zorgverleners bereikt zo nu en dan ook de medische tuchtrechtspraak. Het komt voor dat patiënten of naasten, die zich eerst jegens de zorgverlener hebben misdragen, daarna in alle ernst menen de zorgverlener ook nog voor de tuchtrechter te kunnen dagen wegens schending met een tuchtrechtelijke zorgplicht. Dat is mogelijk, omdat de wet in dit opzicht geen beperkingen stelt aan de hoedanigheid van klagers. Bevoegd tot indienen van een tuchtklacht is eenieder die als “rechtstreeks belanghebbende” heeft te gelden.2 Tuchtrechtspraak is primair gericht op het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de medische beroepsuitoefening. Hierbij is niet (althans veel minder) van belang welk gedrag de

klager zelf heeft vertoond of welke motieven de klager heeft bij het indienen van de klacht.3 Laagdrempelige toegang tot de tuchtrechter is uitgangspunt, omdat daarmee in het maatschappelijke belang van een goede gezondheidszorg mogelijk laakbaar gedrag van de zorgverlener kan worden beoordeeld.

Het behoeft niet veel woorden dat een beklaagde zorgverlener deze situatie met lede ogen aanziet. Na de onheuse bejegening door de klager, krijgt deze nota bene ook nog gehoor bij de tuchtrechter en kan de zorgverlener zich wéér gaan verdedigen. De wereld op zijn kop, zo verzuchtte één van mijn cliënten onlangs. Medische tuchtrechtspraak heeft dan ook te maken met dalend

* M.F. Mooibroek is advocaat bij KBS-advocaten.

1 Zie onder meer Beleidsregels Openbaar Ministerie – Wijzigingen in (Polaris-) richtlijnen voor strafvordering per 31 december 2010, Stcrt. 2010/20121; De Rechtspraak, Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (januari 2026).

2 Artikel 65 lid 1 sub a Wet BIG.

3 CTG 7 december 2017, ECLI:NL:TGZCTG:2017:330.

roepsgroep, te gemakkelijk zou kunnen worden ingediend.4 Om die reden bestaat alle aanleiding de vraag te verkennen in hoeverre onheus gedrag van patiënten of naasten gevolgen mag – of moet – hebben voor het recht om een tuchtklacht in te dienen. In dit verband passeren eerst enkele zaken de revue waarover de tuchtrechter zich de afgelopen tijd heeft gebogen, waarbij agressie / onheuse opstelling van de klager aan de orde kwam.

In een beslissing van het Amsterdamse tuchtcollege van 18 juli 2025, waarbij ondergetekende als advocaat van een beklaagde huisarts optrad, was sprake van een klager die patiënt was bij een huisartsenpraktijk en zich onheus en agressief had gedragen. De patiënt was zonder afspraak op het spreekuur van de huisarts verschenen, waarbij hij schreeuwend in de wachtkamer stond, zich dreigend opstelde en schade in de praktijk veroorzaakte. In een daaropvolgend telefoongesprek met de huisarts uitte de patiënt dreigementen, waarna de huisarts het gesprek heeft beëindigd. Hierna diende de patiënt een tuchtklacht in tegen de huisarts, met verwijten over de (niet) verleende zorg. Namens de huisarts werd aangevoerd, dat de patiënt misbruik van tuchtrecht maakte. Het tuchtcollege overwoog dat sprake is van

4 Zie hierover ook de bevindingen in de recente derde evaluatie van de Wet BIG; M.C. Ploem e.a., Evaluatie Het tuchtrecht in de Wet BIG, Den Haag: ZonMw 2025.

heid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat de klager vraagt om een oordeel over zijn klacht. De omstandigheid dat klager zich onheus en agressief had opgesteld, impliceert niet dat alsdan geen klacht (meer) kon worden ingediend, aldus het tuchtcollege 5

In een andere, verdergaande kwestie was sprake van een klager die na behandeling stalkingsgedrag had vertoond tegen een psychotherapeut. De politierechter had klager uiteindelijk een verbod van twee jaar opgelegd om contact op te nemen met de psychotherapeut. Tijdens de proeftijd diende de klager een tuchtklacht in tegen de psychotherapeut. Bij de tuchtrechter betoogde de psychotherapeut dat sprake was van misbruik van tuchtrecht, omdat de klager de klacht uitsluitend zou hebben ingediend om het contactverbod van de strafrechter te omzeilen en met de psychotherapeut in contact te komen en excuses te eisen. Die redenering vond in de ogen van het tuchtcollege geen genade, aangezien de verwijten over de geboden zorg voor een belangrijk deel doel troffen.6 Deze kwestie laat zien dat zelfs ernstig grensoverschrijdend gedrag van de klager niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid, zolang de klacht inhoudelijk aanknopingspunten biedt.

5 RTG Amsterdam 18 juli 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:179.

6 RTG Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:302.

Daaruit volgt ook dat zaken anders worden gewogen, waarin het onzuivere karakter van het handelen van klager niet uit agressie bestaat, maar uit de omstandigheid dat hij wist of moest weten dat de ingediende klacht feitelijk ongegrond was. Als misbruik van tuchtrecht werd bestempeld de klager die een huisarts verweet bij een patiënte uit te gaan van ziekte van Alzheimer, terwijl die klager in een CIZ-aanvraag zelf ook van die ziekte uit ging. De tuchtcolleges verklaarden de klager hier niet-ontvankelijk in zijn klacht.7 Klager moest hier de onjuistheid van het eigen verwijt weten, waarmee samenhangt dat een zorgverlener in dat geval niet met een belastende tuchtprocedure te maken mag krijgen.

Wat laten voornoemde zaken nu zien? Agressie bij de klager vormt op dit moment geen zelfstandige grond om hem de toegang tot de tuchtrechter te ontzeggen. Dat neemt echter niet weg dat de vraag blijft of en wanneer agressief gedrag van een klager dan wél gevolgen moet hebben voor zijn toegang tot de procedure.

Persoonlijk voel ik voor een adagium zoals in het Angelsaksische recht wordt gebezigd: “he who comes into equity must come with clean hands”.9 Of zoals Judge Mildew in het satirical Uncommon Law minder elegant zei: “A dirty dog will not have justice by the court“.10 Redenerend volgens dit principe

Persoonlijk voel ik voor een adagium zoals in het Angelsaksische recht wordt gebezigd: “he who comes into equity must come with clean hands”. Of zoals Judge Mildew in het satirical Uncommon Law minder elegant zei: “A dirty dog will not have justice by the court“.

Overigens moet ook in het oog worden gehouden dat niet iedere agressie vanuit de patiënt mogelijkheden biedt tot een betoog om de klacht niet-ontvankelijk te laten verklaren. Patiënten kunnen nu eenmaal vanuit ziekte gedragsproblematiek vertonen, zoals onder meer agitatie / agressie.

Van een zorgverlener mag op grond van de professionele standaard worden verwacht hiermee adequaat te kunnen omgaan, zoals het opstellen van een signaleringsplan met benaderings-enbegeleidingsmogelijkheden.8

kan een klager geen aanspraak maken op toegang tot de tuchtrechter, als hij zelf onethisch of te kwader trouw heeft gehandeld met betrekking tot het onderwerp van de klacht. In de meer ernstige gevallen, buiten de gevallen dat het agressieve gedrag door een ziektebeeld van de klager wordt veroorzaakt, zie ik dan weinig reden om geen consequenties te verbinden aan het feit dat een klager de beklaagde zorgverlener agressief heeft behandeld. Ook in de tuchtprocedure moeten zorgverleners immers tegen agressie worden beschermd.

7 CTG 7 december 2022, ECLI:NL:TGZCTG:2022:198.

8 CTG 27 november 2024, ECLI:NL:TGZCTG:2024:184.

9 Tinsley v Milligan [1993] UKHL 3, House of Lords (UK).

10 A.P. Herbert, Uncommon Law (Methuen & Co. Ltd. London 1935).

Gevangen in taal

Het belang van logopedie voor het

jeugdstrafrecht

Het recht is bij uitstek een talig systeem. Wie zich door juridische procedures beweegt, wordt voortdurend aangesproken als talig subject: men moet verklaringen afleggen, vragen beantwoorden, rechten begrijpen, keuzes maken en die keuzes kunnen verantwoorden. Het daarbij veronderstelde taalvermogen geldt voor juristen veelal als een gegeven, waar zelden expliciet bij wordt stilgestaan.

Taalproblemen vormen het vertrekpunt van mijn promotieonderzoek Gevangen in taal. Het belang van logopedie voor het jeugdstrafrecht. Want wat gebeurt er wanneer degene die zich door het recht moet bewegen, die taal onvoldoende beheerst?

Voorbeeld van een uitspraak van een verhoorder tijdens een politieverhoor:

V: ‘En je wordt verdacht van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een overval diefstal door middel van geweld met twee personen. Dan althans poging hiertoe. Is dat duidelijk?’

Vd:… (geen antwoord)

Deze vraag raakt aan een terrein dat in Nederland nog relatief onbekend is: de forensische logopedie. Dit interdisciplinair veld, gelegen op het snijvlak van logopedie en het jeugdstrafrecht,

onderzoekt de gevolgen van spraak-, taal- en communicatieproblemen binnen strafrechtelijke procedures. In andere landen is de forensische logopedie al langer ontwikkeld; in Nederland ontbreekt vooralsnog een structurele inbedding, hetgeen als problematisch kan worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu forensische logopedie, als vorm van paramedische zorg, opereert binnen het normatieve bereik van zowel het jeugdstrafrecht als het gezondheidsstrafrecht.

Gegeven het normatieve en pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht ligt het niet voor de hand dat taal, als randvoorwaarde voor participatie en rechtsbescherming, zo weinig expliciet wordt betrokken. Strafrechtelijke procedures zijn sterk verbaal georiënteerd en veronderstellen een taalniveau dat veel jeugdigen, met name kwetsbare jongeren, niet beheersen. Taal fungeert daarmee als een onzichtbare drempel, met verstrekkende gevolgen voor de rechtspositie van jeugdige verdachten.

* K.G.M. Fleetwood-Bird is universitair hoofddocent Gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

1. Van logopedie naar jeugdstrafrecht

De wortels van dit onderzoek liggen in mijn eigen professionele achtergrond. Ik ben opgeleid tot logopedist en heb ruim 21 jaar ervaring in de vrije vestiging. In die periode was ik werkzaam binnen drie maatschappen in Rozenburg, Brielle en Rotterdam. In deze praktijken deed ik uitgebreide ervaring op met het werken met jeugdigen, zowel met als zonder migratieachtergrond, en met uiteenlopende vormen van spraak-, taal- en communicatieproblematiek.

In die jaren werd steeds duidelijk hoe diepgaand taalproblemen kunnen doorwerken in het functioneren van jongeren. Niet alleen op school, maar ook in hun sociale en gedragsontwikkeling. Beperkingen in taalvaardigheid manifesteren zich niet uitsluitend in het spreken, maar beïnvloeden ook het taalbegrip, de zelfregulatie, het onder woorden brengen van emoties en het vermogen consequenties te overzien. De ontwikkeling van taal en sociale vaardigheden is daarbij nauw met elkaar verweven.

Via mijn studie Nederlands recht kwam ik later in aanraking met het jeugdstrafrecht. Die overstap maakte dat ik met een andere bril naar het recht keek. Terwijl taal voor juristen vaak impliciet onderdeel uitmaakt van het rechtssysteem, zag ik taal juist als een mogelijke drempel voor daadwerkelijke toegang tot dat recht. Tijdens mijn studie maakte ik kennis met de strafbejegeningstheorie van Ter Heide, waarin de manier waarop het strafrecht jongeren benadert centraal staat. Dat vormde een belangrijk kantelpunt. Het idee ontstond dat taalproblemen mogelijk niet alleen gevolgen hebben binnen het strafproces zelf, maar ook in verband zouden kunnen staan met criminogeen gedrag en recidive.

Deze gedachte vormde de kiem van mijn promotieonderzoek. Niet vanuit de veronderstelling dat taalproblemen criminaliteit veroorzaken, maar vanuit de vraag hoe cumulatie van kwetsbaarheden – waaronder taal– jongeren in een

structureel nadelige positie kan brengen binnen het strafrechtelijk systeem.

2. Taal als onzichtbare kwetsbaarheid

Centraal in Gevangen in taal staat de vraag wat de implicaties zijn van spraak-, taal- en communicatieproblemen voor jeugdigen die in aanraking komen met het strafrecht. Uit internationaal onderzoek blijkt dat een zeer groot deel van deze jongeren taalproblemen heeft, vaak in ernstige en niet-gediagnosticeerde vorm. Mijn empirisch onderzoek, verricht in mijn hoedanigheid als logopedist met behulp van een gestandaardiseerde taaltest (de Clinical Evaluation of Language Fundamentals, CELF), binnen een Nederlandse justitiële jeugdinrichting bevestigt dit beeld: bij 75% van de onderzochte jeugdigen was sprake van een ernstige taalstoornis, terwijl het grootste deel nooit logopedische ondersteuning had ontvangen.

Voorbeelden van uitspraken van jeugdige verdachte met woordvindingsproblemen tijdens politieverhoren:

Vd: ‘En dan..want hoe het het eh..eerst waren we toen we..eh..hoe hoe het het toen waren we dan net in dat gebeuren gekomen’.

Vd: ‘Toen was ehm..volgens mij wetescha..ik weet het echt niet wat het was..o nee..gedrags eh..ehm..een gedrags eh..’

Deze bevindingen zijn vanuit gezondheids-strafrechtelijk perspectief bijzonder relevant. Het gaat hier immers om jongeren met een duidelijke zorgbehoefte, die zich bevinden binnen een systeem dat grote invloed heeft op hun verdere ontwikkeling. Taalproblemen raken direct aan kernbegrippen als effectieve participatie, equality of arms en het recht om te worden gehoord. Jongeren met taalproblemen begrijpen hun rechten vaak onvoldoende, hebben moeite met juridisch jargon en worstelen met het verwoorden van hun eigen verhaal, wat in een systeem waarin geloofwaardigheid en consistentie zwaar wegen bijzonder problematisch is. Deze beperkingen vergroten het risico op misverstanden en verkeerde beslissingen en belemmeren hun effectieve participatie in het strafproces.

Taalproblemen functioneren daarmee als een onzichtbare handicap binnen het jeugdstrafrecht. Anders dan bijvoorbeeld verstandelijke beperkingen of psychiatrische diagnoses zijn zij niet altijd direct herkenbaar. Jongeren kunnen verbaal ogenschijnlijk redzaam overkomen, terwijl zij moeite hebben met complexe vragen, tijdsconcepten of juridisch jargon. Die discrepantie maakt hun kwetsbaarheid des te groter.

3. Kinderrechten en begrijpelijke taal

Vanuit kinderrechtelijk perspectief is deze constatering zorgelijk. Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind waarborgt niet

alleen formele rechten, maar benadrukt ook het belang van daadwerkelijke participatie. Het recht om te worden gehoord veronderstelt dat kinderen informatie krijgen in een taal die zij kunnen begrijpen en dat hun communicatieve mogelijkheden serieus worden genomen.

Ook Europese regelgeving, zoals de Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, onderstreept het belang van kindvriendelijke procedures. In de praktijk blijkt echter dat training en bewustwording rondom taalproblemen bij professionals in de strafrechtsketen beperkt zijn. Verhoren bevatten veel jargon, complexe zinsconstructies en impliciete aannames over begrip. Er wordt zelden systematisch gecontroleerd of een jongere daadwerkelijk begrijpt wat er wordt gezegd.

Mijn onderzoek laat zien dat dit geen incidenteel probleem is, maar een structurele lacune. De vraag is daarmee niet of kinderrechten formeel zorgvuldig zijn vastgelegd, maar in hoeverre zij in de dagelijkse rechtspraktijk daadwerkelijk tot hun recht komen

4. Knelpunten tijdens het verhoor

Een belangrijk deel van het proefschrift richt zich op politieverhoren van jeugdige verdachten. Door analyse van audio- en audiovisuele verhoren is onderzocht in hoeverre taalproblemen voorkomen en hoe daarmee wordt omgegaan. De bevindingen zijn confronterend. In 87% van de onderzochte verhoren kwamen duidelijke taal- en communicatieproblemen naar voren, met name op het gebied van narratieve vaardigheden en het begrijpen van complexe en tijd gerelateerde taal. Narratieve vaardigheden – het vermogen om gebeurtenissen samenhangend en chronologisch te reconstrueren – zijn essentieel om te kunnen vertellen wat er is gebeurd. Wanneer jeugdigen hierin tekortschieten, bijvoorbeeld doordat details ontbreken of fouten worden gemaakt in de tijdslijn, kunnen zij tijdens een

verhoor ongeloofwaardig overkomen, terwijl de oorzaak ligt in taal- en communicatieproblemen en niet in onwil of onbetrouwbaarheid.

Tegelijkertijd bleken verhoorders en advocaten deze kwetsbaarheden zelden expliciet te adresseren. In de praktijk is sprake van een samenloop van factoren die het begrip van jeugdigen tijdens verhoren bemoeilijkt, waaronder het gebruik van

volwassenen zijn van doorslaggevend belang voor effectieve rechtsbescherming, niet alleen in het jeugdstrafrecht maar ook in bredere gezondheidsrechtelijke contexten, zoals informed consent, patiëntparticipatie en toegang tot zorg.

In mijn werk als universitair docent en coördinator van de master Recht van de Gezondheidszorg speelt onderwijs een centrale rol. Het contact met

In 87% van de onderzochte verhoren kwamen duidelijke taal- en communicatieproblemen naar voren, met name op het gebied van narratieve vaardigheden en het begrijpen van complexe en tijd gerelateerde taal.

verhoorders van moeilijke woorden en juridisch jargon, lange en complexe zinsconstructies en vragen die zijn geformuleerd als beweringen of zelfs suggestief van aard. Doordat aanbevolen communicatie-strategieën – waaronder het bieden van social support, het controleren van het begrip en het afstemmen van het taalgebruik op het niveau van de jeugdige – slechts beperkt worden toegepast, neemt de communicatieve belasting tijdens verhoren aanzienlijk toe.

Het gevolg is dat juist op cruciale momenten in het strafproces de kwetsbaarheid van jongeren wordt vergroot in plaats van verkleind. Vanuit een kinderrechtenperspectief roept dit fundamentele vragen op over participatie, bescherming en het recht om daadwerkelijk te worden gehoord.

5. Implicaties voor juristen en professionals

Een belangrijke doelstelling van het proefschrift is niet alleen het signaleren van problemen, maar ook het aandragen van oplossingen. Taalproblemen hoeven geen onoverkomelijke belemmering te vormen, mits zij tijdig worden herkend en adequaat worden geadresseerd. Dat vergt echter bewustwording, scholing en structurele inbedding van taalexpertise in de strafrechtsketen.

Voor juristen betekent dit dat zij anders moeten leren kijken naar communicatie. Taal- en communicatievaardigheden van zowel jeugdigen als

studenten is voor mij van grote waarde. Mijn huidige onderzoek is nog niet expliciet geïntegreerd in het onderwijs, maar toekomstig onderzoek zal zich richten op het raakvlak tussen gezondheidsrecht en spraak-, taal- en communicatieproblemen, onder meer binnen het jeugdrecht, en daarmee nieuwe aanknopingspunten bieden voor zowel onderwijs als onderzoek.

6. Reflectie op het promotietraject

Promoveren op een interdisciplinair onderwerp brengt onvermijdelijk uitdagingen met zich mee. Het onderzoek moest zich voortdurend bewegen tussen verschillende disciplines, methoden en conceptuele kaders, wat vroeg om continue vertaalslagen: tussen recht en logopedie, tussen empirisch onderzoek en normatieve analyse, en tussen praktijk en theorie. Om dit brede en complexe vraagstuk zo efficiënt mogelijk te kunnen beantwoorden, is bewust gekozen voor een set samenhangende onderzoeksvragen met zowel een juridisch als een taalkundig-logopedisch karakter. De onderzoeksvragen zijn daarmee niet zuiver juridisch en ook niet zuiver logopedisch, maar vormen een smeltkroes van beide benaderingen. Juist daarin weerspiegelt zich de essentie van de forensische logopedie als interdisciplinair vakgebied, waarin uiteen-opende methodologische perspectieven samenkomen. Tegelijkertijd bood deze positie ruimte voor vernieuwing en verdieping. Het promotietraject werd in

belangrijke mate gedragen door de begeleiding van mijn promotoren, prof. mr. dr. M.A.J.M. Buijsen en prof. mr. dr. J. uit Beijerse, aan wie ik veel dank verschuldigd ben voor hun inhoudelijke scherpte, vertrouwen en steun. De keuze om het proefschrift in boekvorm in het Nederlands te publiceren bij WJS Uitgevers vloeit voort uit de wens om juist in Nederland bij te dragen aan bewustwording en verandering in praktijk en beleid. Tegelijkertijd verschijnt in het voorjaar van 2026 een Engelstalige uitgave, omdat dit onderwerp ook internationaal weerklank vindt en bijdraagt aan het bredere wetenschappelijke en maatschappelijke debat.

7. Tot slot

Gevangen in taal laat zien dat jongeren niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk gevangen kunnen raken in een systeem dat hun taal niet spreekt. Wat mij betreft zullen logopedisten in Nederland in de toekomst een essentiële adviserende en remediërende rol vervullen binnen de justitiële keten en zullen beleidsmakers zich meer bewust worden van het belang van taal als factor in de preventie van delinquent gedrag en recidive. Een betere integratie van taalexpertise binnen het strafrecht kan bijdragen aan eerlijkere procedures en effectievere interventies voor

jeugdigen met spraak-, taal- en communicatieproblemen.

Forensische logopedie staat in Nederland nog in de kinderschoenen, maar met deze dissertatie is een solide eerste stap gezet. Inmiddels is met mijn betrokkenheid een start gemaakt met internationaal onderzoek op dit terrein binnen de EU COST Action Justice to Youth Language Needs: human rights undermined by an invisible disadvantage (Y-JustLang), een Europees onderzoeksprogramma met deelnemers uit dertig landen.

Binnen deze COST Action ben ik co-voorzitter van werkgroep 5 Legal Frameworks for the Youth Justice System en Management Committee member voor Nederland (2023–2027). Deze werkgroep verricht momenteel rechtsvergelijkend onderzoek door middel van een survey in verschillende landen (zie: https://youthjusticelanguage.org/activities). Verdere interdisciplinaire en internationale samenwerking kan dit vakgebied versterken en bijdragen aan een rechtvaardiger en toegankelijker strafrechtsysteem voor jeugdigen. Uiteindelijk moet taal geen barrière meer vormen, maar een brug naar begrip, participatie en rechtvaardigheid: jongeren verdienen een systeem dat hen niet alleen hoort, maar ook begrijpt.

Komende activiteiten

26 februari – kantoorbezoek VBK

2 april – kantoorbezoek CMS

12 mei – kantoorbezoek AKD

Aanmelden vereist!

Het Rotterdams Gezondheidsrecht Dispuut werd opgericht in het studiejaar 2013–2014 door een groep gedreven studenten van de masteropleiding Recht van de Gezondheidszorg. Dankzij de enthousiaste betrokkenheid van professor Buijsen, beschermheer en erelid van het Dispuut, kon de oprichting succesvol worden gerealiseerd. Sindsdien vormt het RGD de studievereniging voor masterstudenten Recht van de Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.