Issuu on Google+

RODE DRADEN, ZORG OM HET KIND

DE VISIE VAN DE PVDA OP DE JEUGDHULPVERLENING IN FRYSLÂN

1


Inhoud

H o o f dst u k 1 I nl eiding................................................................................. P 2 v is ie pv da- stat enf ract ie .. ................................................... P 4 b o o ds chap aan o ns colleg e . . ............................................ P 7 Ho o f dst uk 2 OPZET EN UI TVOERI NG van het ond e r zoe k ....................... P 8 H o o f dst uk 3 ERVAR I NGEN MET FRI ESE JEUGD Z ORG, DE INTERV IEWS. ........ P 14 H o o f dst uk 4 SAMENVATTI NG VAN DE KERNP UNTEN.. ................................. P 70 H o o f dst uk 5 VI SI E VAN DE GESPREKS PARTNERS . . ........................................ P 75 H o o f dst u k 6 REFLECTI E, WAAR I S EN BL I JFT H ET KI ND BINNEN DE JEUGD Z ORG . ........ P 78 bij l agen het nederl ands e jeu gdzorg ste lse l . .......... ..................... P 81 VI SI E VAN MENSEN BETROKKEN BI J DE ZORG VOOR HET KIND . ............................ P 92

Rode draden, zorg om het kind De visie van de PvdA op de jeugdhulpverlening in Frysl창n Auteur van het onderzoek: Andrea Reidsma Datum: 27 oktober 2010 Ontwerp: Zabriski, Leiden/Filter81.com

| Steatefraksje Frysl창n


I n t e rn at i o naal v erdrag recht en va n h et k i n d art ikel en 18 en 19 Artikel 18: Ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen Kind heeft recht op opvoeding en wel van de eigen ouders De staat ondersteunt ouders bij de opvoeding van het kind Artikel 19: Kinderen moeten beschermd worden tegen alle vormen van mishandeling Lichamelijk, psychisch, seksueel Binnen en buiten gezinsverband De staat draagt zorg voor preventie, behandeling en bescherming Op basis van art 19 van het IVRK is de Nederlandse overheid verplicht om maatregelen te treffen die kinderen beschermen tegen mishandeling. In het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) bevindt zich een bundeling van nagenoeg alle rechten van jeugdigen. In het verdrag is vastgelegd dat ieder kind recht heeft op hulp, ondersteuning en veiligheid.

1


hoofdstuk 1

inleiding Het veld van de jeugdzorg is in beweging. Er is een apart ministerie voor Jeugd en Gezin geformeerd en de Centra voor Jeugd en Gezin moeten het centrale middelpunt vormen van de zorg. Ook de provincie Fryslân steekt geld in dit veranderingsproces. Ruim een jaar geleden werd een uitvoeringsnota jeugdzorg besproken in de staten. In onze fractie begon de discussie echter pas goed los te branden toen er iemand verbaasd aangaf dat het woord ‘kind’ in de nota niet voor kwam terwijl het juist wel over dat kind moest gaan in onze opvatting. Niet alleen over het kind overigens maar ook over de omgeving waarin hij of zij opgroeit. Deze laatste waarneming was voor ons de directe aanleiding om eens zelf te kijken in het veld. Niet door bestudering van nog meer rapporten en evaluaties maar door het aangaan van gesprekken met hen die zorg krijgen en die het geven. We besloten gesprekken te voeren met kinderen, ouders, hulpverleners en andere professionals die met de jeugdzorg in aanraking komen. Deze gesprekken vormen de basis van het onderzoek om zicht te krijgen op de zorg voor de jeugd. Vier leden van de PvdA-Statenfractie hebben een werkgroep gevormd en een externe professional heeft samen met een medewerker van de fractie de gesprekken gevoerd met mensen. Zij hebben hun ervaringen met de jeugdzorg in Fryslân willen delen. Als Statenlid krijg je heel veel cijfers, procedures, papier en debatten te verstouwen. Het is boeiend en hectisch tegelijk, maar het luisteren naar de ervaringen van deze mensen was andere koek. Deze persoonlijke verhalen geven een verdieping over hoe hulpverlening wordt ervaren, waar knelpunten zitten die niet in de nota’s en cijfers naar voren komen. Het heeft ons geraakt hoe betrokken mensen en medewerkers zijn. Heftig was het. Te heftig, misschien. We hebben 20 interviews gehouden met mensen in het veld, kinderen, ouders, professionals uit de zorg en uit de randen van de zorg. De weergave van 18 van deze inter-

2

views staan in dit verslag. Het zijn individuele gesprekken. Dit verslag is voor ons geen aanleiding om het beeld te veralgemeniseren. Daarvoor zijn de gevallen te uniek en te gering in aantal. De casussen zijn echter wel de moeite waard er aandacht aan te schenken. Zo wordt de zorg door deze mensen ervaren. Dit rapport is niet een wetenschappelijk rapport, het is ook geen beleidsnota. Het is wel een zorgvuldig verslag van ervaringen die er zijn en waar de verantwoordelijken (de ouders, de werkers, de instellingen, het bestuur en de politiek) mee aan de slag moeten. Het rapport is geslaagd als het aandachtig gelezen wordt door hen die zich betrokken weten. En als er een open en eerlijk gesprek opgang komt over hoe het verder moet. Hoe we stappen vooruit kunnen zetten. De fractie van de PvdA in de Staten van Friesland heeft niet de wijsheid in pacht. We kunnen aangeven wat onze visie is om vervolgens samen met alle anderen te zoeken naar oplossingen. Het gaat ons om de zorg voor het kind, de zorg voor de omgeving, het totaal. Het gaat er daarbij om niet de verantwoordelijk over te nemen. De staat is niet de almacht die overal voor moet zorgen. We willen als PvdA de voorwaarden scheppen om te komen tot een verbetering van de zorg. We zijn misschien niet helemaal alleen op onze eigen stoel blijven zitten als Statenlid. Dat mag u veroordelen. Maar reken maar dat het voortkomt uit een oprechte betrokkenheid bij het kind met een hulpvraag. Lees niet alleen het eerste hoofdstuk. Daarin staan de opvattingen van onze fractie, lees het hele rapport en denk aan de kinderen die toevertrouwd zijn aan de jeugdzorg in onze provincie en ga in gesprek. Onze opvattingen leveren we graag in voor betere, maar instemming stellen we ook op prijs. De PvdA-Statenfractie in Fryslân Ljouwert/Leeuwarden/Liwwadden, oktober 2010.


“ E r wordt geen begel eiding, infor matie of do o rv e rwijzing aan de o u der s g eg eve ns. ”

“ j e u g dzo rg f u nct io neert u itsluite nd a ls g e ldv erst rekker.”

“ E r i s g een va st e co ntact pers o o n wa a rm ee e e n rel at ie kan wo rden op g eb o u w d. ”

“Ni e mand wi ld e zijn ving ers b r and e n aan d e ze case . I ed er ve eg d e zijn e ig e n str aatj e schoon e n ve rwe e s d oor naar d e volg e nd e instan t i e.”

“De manie r van we r k e n van Je ug d hulp br e ngt met zich me e dat e r e e n b e hand e ling wor dt g e bod e n d ie totaal niet aansluit b ij d e be hoe fte e n d e proble matie k van het g e zin.”

“ Al l e co ntact en v erlo pe n te le fonisch. Het ontbr e e k t aan pers o o nl ij ke co ntacte n ook r ichting het k ind . ”

“ E r is niet één cent ral e co ördinato r.”

“Er is g e e n spr ak e van profe s sionalite it, tr anspar antie e n same nwe r k ing in d e k ete n. E r is g e e n sluite nd zorg aanbod . Het ve rtrouwe n in d e hulpve r le ning wor dt hi e r d oor k wijt g e r aak t. “

“ Ope n h ei d, t rans parant ie en comm unicatie ove r e n we e r was e r niet. ” “ Je p ro b eert als recht er t u s s en de reg e ls d oor te le ze n; wat staat hi e r alle maal n íét … “


VISIE PvdA-STATENFRACTIE FRYSLAN INZAKE DE ZORG VOOR DE JEUGD Van droom naar daad De PvdA-Statenfractie in Fryslân heeft een ideaalbeeld over het opgroeien van kinderen. • Alle kinderen moeten gelijke kansen krijgen. • Er moet aandacht zijn voor goed onderwijs. • Elk kind moet goede zorg en een goede opvoeding kunnen krijgen. • Elk kind moet zich optimaal kunnen ontwikkelen. Als het even tegenzit in het leven van een kind, moet de samenleving niet met de rug naar het kind gaan staan. Het kind moet kunnen rekenen op een zorg waarin het kind centraal staat, zodat na de geboden hulp het kind weer volop mee kan doen in onze samenleving. Het gaat daarbij niet alleen om de zorg voor dat kind maar ook om zorg voor de omgeving. Mogen wij u meenemen naar onze droom? • Een jeugdzorg waar het kind echt centraal staat. • Het kind dat in zijn eigen gezinssituatie die hulp krijgt, die het nodig heeft. Geen gesleep met het kind van hot naar her, de hulp wordt waar mogelijk thuis in de vertrouwde omgeving geboden. • Het kind krijgt te maken met één medewerker, die als dat nodig is andere hulp inroept, die ook thuis gebo- den wordt. • Het kind reist niet, maar de medewerkers reizen. • Het kind krijgt niet te maken met verschillende indica- tiestellingen, niet met lange wachtlijsten, niet met al te veel verschillende instellingen en hun medewerkers, krijgt niet te maken met het feit dat verschillende hulp afhankelijk is van allerlei verschillende geldstromen en van allerlei verschillende wetten. • Het kind krijgt niet te maken met een medewerker, die heel veel tijd aan bureaucratische handelingen kwijt is, maar die echt de tijd heeft voor het kind en het gezin waar het kind deel van uitmaakt. • Het kind zal merken dat er vertrouwen is, dat er alle ruimte is om te luisteren en te praten. • Het gaat niet alleen om de zorg voor het kind maar ook om de zorg voor omgeving waarin dat kind opgroeit. Deze omgeving is medebepalend voor de omstandigheden waarin het kind opgroeit alsmede voor de oplossingen die beschikbaar zijn.

4

• Het kind zal ervaren dat de medewerker niet eerder vertrekt uit zijn/haar leven voordat alles weer goed is. Konden wij de zorg voor de jeugd maar opnieuw uitvinden, konden wij maar op een blanco bladzijde beginnen. Maar waarom zouden wij niet op hetzelfde ideaalbeeld uit kunnen uitkomen als iedereen en alles zich inzet daar aan te werken? Als we maar bereid zijn om vanuit het belang van het kind te denken en te handelen en niet wetten, geldstromen, instituutsbelangen en politieke en bestuurlijke belangen te laten prefereren. Zullen we er met elkaar aan gaan werken om de droom werkelijkheid te laten worden?

Het onderzoek Als Staten spreken we elk jaar over de begroting met daarin de miljoenen die we uitgeven aan Jeugdzorg. Niet alleen geld van de rijksoverheid waarbij de provincie optreedt als uitvoerder van de rijksregelgeving op dit punt maar ook over de miljoenen die wij als provincie extra in de jeugdzorg stoppen. Naast de begroting komen er ook tal van rapportages over dezelfde jeugdzorg op ons af. Evaluaties, meerjarenrapporten noem maar op. Het beeld dat we krijgen uit die rapporten en rapportages is dat het goed gaat met de zorg voor de jeugd maar dat er wel veel veranderd moet worden. Wachtlijsten moeten weg worden gewerkt en moeten wegblijven. Financieringstromen moeten helder zijn. Te veel veranderingen om op te noemen. We zijn van mening dat het algemene beeld dat uit de interviews komt het waard is om daar aandacht aan te schenken. Dit algemene beeld komt overeen met het onderzoek dat in mei jl. door de parlementaire Werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg is uitgevoerd onder voorzitterschap van Pierre Heijnen. De Jeugdzorg is versnipperd, de financieringsstromen zijn alomvattend. We verdrinken in de ingewikkeldheid van ons zorgsysteem dat is gericht op het probleem en niet op de beheersing en oplossing. We hebben ons afgevraagd hoe we met deze bevindingen moeten omgaan. De provincie heeft namelijk een taak maar ook een positie in deze.


Mede met de kennis van de interviews, hebben we er voor gekozen om onze droom te beschrijven. Onze visie hoe we het liefst zouden willen zien hoe het zou moeten. We kiezen dus voor een leeg blad. Naast deze visie waar we mee begonnen zijn hebben we een aantal verdere uitgangspunten gedefinieerd. Dit met de bedoeling om handreikingen te geven om te komen tot een betere zorg. Handreikingen ook om in de veranderde positie van de jeugdzorg een weg te vinden. Handreikingen die kunnen worden gebruikt als leidraad ook voor een provinciaal bestuur om met daadkracht zich een weg te vinden in haar veranderende positie met als doel de zorg voor het kind te verbeteren.

dige functioneren van de jeugdzorg in onze provincie, maar komt wel tot de conclusie dat er verbeteringen nodig zijn. Het is de diepste wens van de fractie dat dit rapport bijdraagt tot open gesprekken in Fryslân om die verbeteringen tot stand te brengen Te vaak is de politiek in Fryslân tevreden geweest met mooie cijfertjes in klanttevredenheidsonderzoeken, mooie rapporten en goede bedoelingen. Er is werkelijk werk aan de winkel: de hand aan de ploeg! De fractie staat vierkant achter de mensen, die de moed hadden over hun ervaringen te vertellen. Bij deze mensen en bij hen die zorg nodig hebben ligt onze eerste loyaliteit, dat kan toch geen mens ons kwalijk nemen?

We willen niet omkijken naar het verleden. Het onderzoek is niet een zoveelste evaluatie. De provincie heeft ook zijn inspanningen geleverd en er zijn ook veel successen geboekt. Dat alles neemt niet weg dat de veranderingen en verbeteringen hard nodig zijn. De weg die nu wordt ingeslagen moet met kracht worden vervolgd.

De eigen rol van de provincie

Nog enkele overwegingen Dé waarheid over de jeugdzorg in Fryslân bestaat niet. Toch is de fractie diep onder de indruk van het beeld over de jeugdzorg dat in dit verslag zichtbaar wordt en vindt dat zij recht moet doen aan hen die de moed hadden om met onderzoekster Andrea Reidsma en fractiemedewerkster Joukje van Roeden-Hoekstra in gesprek te gaan. Het rapport is een verslag uit de Friese samenleving dat ons niet onberoerd laat en dat vraagt om verdere doordenking en bespreking. De fractie spreekt geen oordeel uit over het hele en hui-

De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het jeugdzorgbeleid, vervullen de regierol en dragen zorg voor een passend aanbod op de vraag naar jeugdzorg (uit Landelijk beleidskader). Juist nu in het kader van het Bestuursaccoord Rijk-Provincies is afgesproken dat er per beleidsterrein slechts twee overheden betrokken zullen zijn en dat het sociale domein het dichtst bij de gemeente ligt, zal de provincie na moeten denken over haar positie en taken en zal ze moeten overleggen met rijk en gemeenten over haar toekomstige rol op het brede terrein van de jeugdzorg. Op weg om onze droom te realiseren kunnen we in ieder geval de discussie openen over een aantal opvattingen van de PvdA-statenfractie, die het ideaal dichter bij kunnen brengen.

5


Handreikingen en uitgangspunten

En verder?

Waar is het kind gebleven in de vele jaarverslagen en verantwoording van de uitgegeven gelden?

Steeds maar nieuwe en kortlopende projecten bieden geen oplossing voor de problematiek van de jeugdzorg in Fryslân.

Onze visie: Kinderen en hun omgeving hebben gericht en snel hulp nodig, één aanspreekbare regievoerder per gezin die een oplossing aandraagt. Richt je op het kind en zijn leefomgeving! Kinderen komen in aanraking met een groot aantal volwassenen, zoals eigen ouders, grootouders ooms en tantes en buren. Ook (semi) professionals zoals; leider van een sportclub, jeugdsoos, buurt/clubhuis, consultatiebureau, peuterschool, kinderopvang, school en huisarts. Al deze mensen hebben vaak een schat aan informatie en ook hebben zij weleens twijfels bij het gedrag en gezondheid van de kinderen die zij begeleiden. Waar kunnen zij terecht met hun vraag? Uitgangspunten: a. Ieder die politiek, bestuurlijk of professioneel medeverantwoordelijk is voor kinderen en jongeren moet het als een uitdaging en opdracht zien zoveel mogelijk kinderen wel die opvoeding, aandacht en bescherming te geven. b. Zorg moet zich richten op het kind en zijn omgeving. De hulp moet zo ingericht worden dat er integrale hulp wordt gegeven gericht op zelfredzaamheid. Niet alleen het “het probleem” moet worden opgelost maar het kind en het gezin moeten verder hun eigen weg kunnen vinden. Zorg voor professionele hulp dichtbij het kind en zijn omgeving. Uitgangspunten: c. Professionele hulp dichtbij het kind , zie het als huisarts voor de zorg. d. Deze is aanspreekbaar voor het kind en de mensen uit de omgeving van het kind. e. Deze zorgt voor passende hulp, het aanvragen van indicatiestelling, overdracht en inhuur van specialisten. Organisatie en financiering. Uitgangspunten: f. Stel organisatie en financiën zo vast dat dit aansluit bij bovenstaande stellingen. g. Zo weinig mogelijk bureaucratische rompslomp, heb vertrouwen in de kundigheid van de professionals. h. Eén indicatiestelling moet voldoende zijn om het kind en zijn gezin te helpen totdat de hulp overbodig wordt. Voorkomen moet worden dat het kind en het gezin vaker dan één keer worden blootgesteld aan onderzoeken en het invullen van vragenformulieren. Wij zien het onderliggende onderzoek als een oproep aan iedereen die de jeugdzorg ter harte gaat om met elkaar tot verbeteringen komen.

6

We lijken wel de uitvinders van altijd maar weer nieuwe projecten. Met de beste bedoelingen motiveert de provincie de instellingen op het terrein van de jeugdzorg steeds tot het maken van nieuwe projecten en plannen met een te korte loopduur. De provinciale politiek wil na anderhalf jaar al resultaten zien in een tussenevaluatie. De tussenevaluatie koersaccenten Centrum Jeugd en Gezin is daar een prachtig voorbeeld van. Na anderhalf blijkt eigenlijk nog maar heel weinig zichtbaar, maar dat kan toch ook niet anders! Binnen drie jaar moet alles klaar en beter zijn. We moeten in de spiegel kijken en tegen onszelf zeggen: hou daar mee op! Deze korte termijn succesjes en –drama’s dragen niet echt bij tot meer concrete aandacht en hulp voor het Friese kind. Het enige dat er dan gebeurt is, dat politiek en bestuur de instellingen en haar werkers opjagen om steeds opnieuw iets op te starten, dat dan weer het ei van Columbus moet worden. Maar dat ei van Columbus hoeven we niet te zoeken, want het ei is de Friese samenleving, die moet leren voldoende vertrouwen te hebben in de werkers in het veld van de jeugdzorg in onze provincie. Het ei is ook de Friese jeugdzorg zelf, die al hun tijd aan het kind en zijn/haar gezin moet geven en die door een zorgvuldige communicatie een vertrouwensband op moet bouwen met dat kind en dat gezin.

Tot slot Het kind en de zorg, die het kind nodig heeft, zullen centraal moeten staan in alles wat we met elkaar bedenken. De Statenfractie van de PvdA Fryslân nodigt iedereen uit volop en voluit te reageren op dit rapport, dat onder onze verantwoordelijkheid is verschenen. Wij zijn er klaar voor om naar uw inbreng te luisteren, om samen de richting te kiezen die voor de jeugd en de jeugdzorg in Fryslân van echt belang is. Een richting waarbij het versterken van zelfredzaamheid van de gezinnen en van de sociale omgeving voorop moet staan.

Dank We willen allen bedanken die hebben meegewerkt aan dit onderzoek. De onderzoekster en ook de medewerkers van de fractie hebben fantastisch werk geleverd. Specifiek willen we dank zeggen aan die personen die vrijwillig hebben meegewerkt en hun verhaal hebben durven vertellen. We hebben grote betrokkenheid bemerkt bij de medewerkers in de zorg als ook bij de directies van de instellingen. Deze betrokkenheid hebben we nodig. Het is aan ons deze betrokkenheid te benutten voor hen die dat het hardst nodig hebben.


boodschap aan ons college En nu Naar aanleiding van de constatering dat het woord ‘kind’ in de nota over de toekomst van de jeugdzorg niet voorkomt hebben wij als fractie een discussie gevoerd. Daar kwam uit dat we het nodig vonden om ons te verdiepen in de gevoelde problematiek van de mensen in het veld. We hebben geprobeerd het kind en zijn omgeving een podium te geven door middel van de 18 interviews. Er valt wel iets af te dingen op de vraag of deze interviews een getrouw beeld geven van die zorg. Het verslag van deze interviews geeft volgens ons wel een goed beeld van de door de interviewers waargenomen en door de geïnterviewden ondervonden omstandigheden. Wellicht gekleurd maar het beeld spreekt voor zich. De tendens achter dit beeld wordt door wetenschappers in het veld niet ontkend en zelfs bevestigd. Ook de uitkomsten weergegeven in nota’s en notities onderschrijven dit beeld. Het geeft aan dat er werk aan de winkel is. We hebben als PvdA-Statenfractie een visie neergelegd op grond waarvan wij denken dat de zorg voor de jeugd zich verder kan ontwikkelen. Een visie die uitspreekt dat er aandacht voor het kind en zijn omgeving moet zijn. Dat zorg waar mogelijk dichtbij huis wordt gegeven, door betrokken professionals en met zo weinig mogelijk administratieve rompslomp en herindicaties. Met één vertrou-

wenspersoon die helpt door het oerwoud van de zorgregels te komen. We hebben geen initiatiefvoorstel, motie of amendement gemaakt. Voor ons ligt een rapport dat schreeuwt om aandacht en uitvoering. Geen nieuwe projecten en instituten maar een roep om visie en vervolgens om sturingskracht. Dat is ook wat we nu van ons college vragen, trek u de verhalen uit het rapport aan, ga mee in onze visie om het kind centraal te stellen en niet de overheidsorganisaties of zorginstituten. Hierbij bieden we onze visie en het verslag uit de Friese samenleving aan in de overtuiging dat dit verslag u net als ons in het hart zal raken. We verwachten van u sturingskracht en van de zorginstituten medewerking en inspanningen om de zorg verder te verbeteren. Van de wetgever verwachten wij aanpassing van wetgeving daar waar dat wenselijk en noodzakelijk is. De fractie van de PvdA.

Leeuwarden, oktober 2010.

7


En wat dogge wij konkreet tusken 2007 en 2011 om ús dream wier te meitsjen ? Samen met gemeenten en dorps- en wijkbesturen willen we zo concreet mogelijke maatregelen bedenken en inzetten om criminaliteit en onveiligheid op allerlei gebieden aan te pakken. Het kind, jongeren veel meer centraal stellen dan tot nu toe gebeurt. Ook daarbij blijft de provincie niet aan de kant staan door de verantwoordelijkheid te laten bij degenen die primair verantwoordelijk zijn. De Partij van de Arbeid wil dat de provincie de komende periode meehelpt aan het wegwerken van achterstanden bij kinderen. Het gaat vooral om het realiseren van goede zorg voor kinderen zo dicht mogelijk bij huis en het realiseren van de meest optimale ontwikkelingsmogelijkheden. Dat begint bij de geboorte en de zorg in de eerste levensjaren. Vervolgens komt het onderwijs dat als opdracht meekrijgt dat geen enkel kind zonder startkwalificatie van school mag komen en dat kinderen op het niveau dat zij aankunnen in scholen worden geplaatst. Uiteraard een startkwalificatie die goed aansluit op de mogelijkheden daarna. Als de ontwikkeling van het kind dreigt te ontsporen, dan moet er zowel op onderwijsgebied als op ondersteuning in de opvoeding alsook op het gebied van hulpverlening voldoende zorg beschikbaar komen. Het project ‘Jong in Fryslân’ is hiervoor een goede eerste aanzet. Geredeneerd vanuit ‘het kind centraal’ zijn óók (jongeren)huisvestingsbeleid en arbeidsmarktbeleid van belang, moet er integraal gewerkt worden door iedereen, zonder competentie- en competitiegedrag. De PvdA wil dat de provincie deze omslag in denken en werken stimuleert. (verkieizingsprogramma PvdA 2007 – 2011)

En wat dogge wij konkreet tusken 2011 en 2015 om ús dream wier te meitsjen? Jeugdzorg is nog een provinciale verantwoordelijkheid, waarbij uiteraard wordt samengewerkt met gemeenten en maatschappelijke instellingen. Voor de PvdA staat het belang voor het kind voorop. Om dat belang zo goed mogelijk te dienen moer er een helder en transparant hulpaanbod zijn, dicht bij dat kind en zijn omgeving. Dit zorgaanbod moet zo zijn georganiseerd dat het toegankelijk en transparant is. Specialistische hulp kan in tweede lijn worden georganiseerd. Voorkomen moet worden dat allerlei instanties naast elkaar bezig zijn zonder van elkaars bemoeienis te weten. Niet de huidige organisatievormen en financieringsstromen moeten leidend zijn, maar de zorgbehoefte. De provincie zal haar huidige regierol krachtig moeten inzetten om noodzakelijke verdere verbeteringen in dit veld tot stand te brengen. ( concept verkiezingsprogramma PvdA 2011- 2015)

8

Ús dream foar Fryslân yn 2025 Jong en oud zijn als vanzelfsprekend met elkaar verbonden gebleven. Veel ouderen zijn maatschappelijk actief en zijn door blijven werken. Jong en oud realiseren zich dat het delen van rechten en plichten een bepalende maatschappelijke (voor) waarde is. Zowel het kind als de oudere staan centraal. Leerlingen hebben dankzij forse inspanningen, ook van het provinciale bestuur, na de basisschool geen achterstand meer ten opzichte van kinderen elders in het land


hoofdstuk 2

opzet en uitvoering 2.1. Aanleiding De PvdA Statenfractie Fryslân maakt zich zorgen over het functioneren van de jeugdzorg binnen onze provincie. In de keten van zorg om jeugd is de provincie opdrachtgever en financier. Op de belangrijke prestatievelden binnen de beleidsafspraken tussen provincie Fryslân en Bureau Jeugdzorg Fryslân wordt al jaren onvoldoende gescoord. De Statenfractie is van mening dat, ondanks de extra aandacht en de extra financiële middelen die de afgelopen jaren zijn verstrekt vanuit de provincie Fryslân, de resultaten nog altijd onvoldoende zichtbaar zijn. De informatie die de Statenleden van de Provincie Fryslân in de toezichthoudende en controlerende rol beschikbaar wordt gesteld heeft een ‘institutionele’ invalshoek. Het betreft verantwoording gericht op de organisatie Bureau Jeugdzorg, zoals bijvoorbeeld de wachtlijstproblematiek, samenwerking in ketens en de versnelling van organisatieprocessen. De PvdA Statenfractie Fryslân mist naast deze beschikbare standaardinformatie de informatie vanuit het veld zelf, de ouders, de kinderen, de mensen in hun directe omgeving en professionals die te maken hebben met jeugdzorg. Deze direct betrokkenen geven belangrijke signalen af die de Statenfractieleden zich doen afvragen;

Welke informatie komt er naar boven als er vanuit de basis, vanuit de direct betrokkenen binnen het brede veld ‘Zorg voor Jeugd en Gezin’, naar de uitvoerende jeugdzorgorganisaties wordt gekeken? De PvdA Statenfractie Fryslân heeft op basis hiervan besloten over te gaan tot nader onderzoek dat bestond uit gesprekken met direct betrokkenen. In deze gesprekken stonden de volgende vragen centraal: • Wat zijn de ervaringen van de direct betrokkenen? • Wat zijn belemmeringen en knelpunten die worden ervaren? • Hoe ziet de vraag en de behoefte aan ondersteuning er uit? • Hoe kan het anders, hoe kan het beter?

• Wat zijn de aanwezige krachten, waar liggen kansen? Overkoepelend is het in deze gesprekken van belang om stil te staan bij rol en de verantwoordelijkheden van de overheid, de provinciale overheid in het bijzonder. In hoeverre is de Statenfractie, de provinciale overheid, de landelijke overheid en de landelijke politiek verantwoordelijk voor de manier waarop het systeem nu functioneert? Vanuit 18 diepte-interviews met ouders, jongeren, hun directe omgeving en professionals die direct te maken hebben met jeugdzorg zijn ‘rode draden, kernpunten’ opgesteld die een beeld geven van de kernpunten in de geventileerde ervaringen en belevingen. Vanuit deze kernpunten wordt een beeld zichtbaar van overeenkomstige ervaringen en kunnen verbanden worden gelegd met de visie op mogelijke veranderingen in het jeugdzorgstelsel. Om een compleet beeld te krijgen is er naast de diepteinterviews een ronde tafelgesprek georganiseerd. Deze groepsdiscussie vond plaats met vertegenwoordigers van verschillende functiegroepen binnen de jeugdzorgsector. De ervaringen vanuit de interviews, samengevat in het document ‘Rode draden’, vormden de basis voor dit ronde tafel gesprek. Enerzijds diende de discussie om de rode draden uit de interviews te spiegelen en aan te vullen, anderzijds om mogelijkheden voor veranderingen in het jeugdzorgstelsel te verhelderen. De PvdA Statenfractie Fryslân had vooraf het vermoeden dat er uit deze gesprekken andersoortige informatie op tafel zou komen dan bij de standaardverantwoordingen die het tot noch toe tot de beschikking heeft. De Statenfractie wil zich inzetten om , vanuit de mogelijkheden die de provinciale rol geeft, kritisch te onderzoeken welke bijdrage het kan leveren aan veranderingen in het jeugdzorgstel. Waarbij het de ervaringen van de mensen om wie het gaat serieus neemt en samen met het complete veld wil kijken naar hoe het kind het beste geholpen kan worden.

9


Visie van de PvdA Fryslân: Een Fryslân waarin ‘de minsken sintraal’ staan. Een Fryslân waarin de verschillen tussen jong en oud, tussen Fries en niet-Fries en tussen arm en rijk niet hebben geleid tot scheiding, geen grote sociale problemen hebben veroorzaakt. Een Fryslân waar ondanks de toegenomen individualisering en ontkerkelijking, ondanks verschillen in welvaart en leefwijzen, de mensen nog steeds tot tevredenheid naast en met elkaar wonen. In Fryslân is de boel bij elkaar gehouden ! Een Fryslân waar de overheid en dus ook de provinciale overheid vooral in mensen investeert. Investeert in wat door mensen belangrijk wordt gevonden. Voldoende werkgelegenheid, voldoende sociale zekerheid en maatschappelijke voorzieningen, goed onderwijs, goede en betaalbare zorgvoorzieningen, goede huisvesting en een veilige en aantrekkelijke leefomgeving. Daar heeft Fryslân aan gewerkt. Daar heeft ook het provinciebestuur hard aan getrokken; veel geld is daarin geïnvesteerd. (verkiezingsprogramma 2007 – 2011 PvdA-Fryslân)

2.2 Werkgroep Om vanuit de Statenfractie gepaste sturing te geven aan de voortgang van de gesprekken heeft zich de werkgroep ‘Onderzoek Jeugdzorg’ gevormd. De werkgroep wordt gevormd door PvdA Statenleden die op basis van woordvoerderschap en persoonlijke interesse en ervaring zitting hebben genomen. De Statenfractie PvdA Fryslân heeft, om de professionaliteit en onafhankelijkheid van de gesprekken te waarborgen, professionele ondersteuning gezocht voor de uitvoering. Dit belang werd onderstreept door de aard van het onderwerp, de inhoud en de emotionele beladenheid die dit met zich meebrengt. Daarbij is de uitvoering en de verwerking van diepte-interviews arbeidsintensief en zou het veel tijd vragen van de statenleden. De methoden van diepte-interview in combinatie met een rondetafelgesprek stond vast en op basis daarvan is een professional gezocht die thuis is in de materie en bekend is met het veld jeugdzorg. De werkgroep bestaat uit de volgende personen: • Adiep Autar, in de rol van woordvoerder Jeugdzorg • Pieter Jonker, in de rol van tweede woordvoerder Jeugdzorg • Rieks Osinga, in de rol van woordvoerder Onderwijs • Remco van Maurik, in de rol van statenlid • Joukje van Roeden, in de rol van fractiemedewerker • Andrea Reidsma, in de rol van gespreksvoerder

2.3 Onderzoeksvragen Welke informatie komt er naar boven als er vanuit de basis, vanuit de direct betrokkenen binnen het brede veld ‘Zorg voor Jeugd en Gezin’, naar de uitvoerende jeugdzorgorganisaties wordt gekeken? De vragen die centraal stonden in de gesprekken waren: • Wat zijn de ervaringen van de ouders, de kinderen/ jongeren, hun directe omgeving en de professionals binnen het brede veld ‘Zorg voor Jeugd en Gezin’?

10

• • • • •

Wat zijn belemmeringen en knelpunten die deze per sonen ervaren in de hulpverlening binnen het veld? Hoe ziet de vraag en de behoefte van deze personen aan hulpverlening op het gebied van Jeugdzorg er uit? Hoe kan de hulpverlening in het brede veld ‘Zorg voor Jeugd en Gezin’ anders, beter worden ingericht met als doel aansluiting op de vraag? Wat wordt door de ouders, de kinderen/jongeren, hun directe omgeving en de professionals binnen het brede veld ‘Zorg voor Jeugd en Gezin’ gezien als aan wezige krachten, waar liggen kansen? Wat is de rol van de provinciale overheid ten aanzien van hulpverlening in het brede veld jeugdzorg?

2.4 Uitgevoerd stappenplan Stap 1 Voorbereiding gesprekken In oktober 2009 vond de startbijeenkomst plaats met de werkgroep (2.2). In deze bijeenkomst stonden de volgende punten centraal: • Verhelderen van de motivatie en onderliggende motieven van de werkgroep, • Benoemen van hoofdvragen en onderliggende vragen waarin de gesprekken helderheid dient te brengen, • Vaststellen van de doelgroep, van de gesprekken en actiepunten t.a.v. de werving van gesprekkandidaten, • Vaststellen van de gespreksmethoden, • Vaststellen van het plan van aanpak.

In de startbijeenkomst kwamen de volgende vragen naar voren: • Waar blijft het kind, het gezin, in deze? • De kwantitatieve gegevens die worden teruggekop - peld laten verbetering zien, maar hoe wordt dit erva- ren door de mensen om wie het gaat? Wat gebeurt er nu echt in de hulpverlening aan gezinnen? • Welke krachten zijn aanwezig in het veld of de sociale omgeving en hoe kan daar gebruik van worden gemaakt? • Om welke groep gaat het? Hoe groot is de ruimte in het sociale netwerk, hoe groot is de draagkracht in het professionele sociale circuit rondom het gezin? • Het veld is ondoorzichtig, er zijn vele instanties betrokken bij de zorg om jeugd en gezin; wie is nu eigenlijk jeugdzorg? Wie is waarvoor verantwoorde- lijk? • De zorg voor jeugd en gezin behelst complexe proble- matiek, wat speelt er nu echt? Welke belangen zijn van invloed op de processen? Hoe verhouden de institu- tionele belangen zich ten opzichte van de individuele belangen? • De instituties spreken over samenwerken, het veld over afschermen; hoe wordt samenwerking vorm gegeven en hoe wordt dit ervaren door professionals in het veld? • Er is de afgelopen jaren veel geld vrijgemaakt, wat is het resultaat dat wordt ervaren? En is meer geld hier de oplossing? • Innovaties die worden genoemd zijn een meer bedrijfsmatige opzet en vraaggericht werken; Wat is hierin haalbaar? • Wat is de rol van de overheid, de provinciale overheid in het bijzonder? Hoe ver reikt de regulering vanuit de overheid? Hoe verhoudt zich de beschermende rol versus de rol van stimuleren van ontwikkeling?


Op basis van deze vragen zijn de vragen geformuleerd die centraal stonden in de gesprekken. Stap 2 Werving en voorbereiding gesprekspartners De keuzecriteria voor selectie van de kandidaten en de wijze van uitnodigen zijn door de werkgroep vastgesteld. Er is een keuze gemaakt om 20 gesprekken te voeren. Er is gekozen voor dit aantal om een voldoende breed beeld te verkrijgen en toch rekening te houden met de beperking in tijd. De leden van de werkgroep waren gezamenlijk verantwoordelijk voor de werving van de gesprekskandidaten. Hierbij stond de directe ervaring met jeugdzorg voorop en ervaring met Jeugdhulp Fryslân en Bureau Jeugdzorg in het bijzonder. De selectie van de gesprekspartners verliep niet steekproefsgewijs, de bereidheid om te praten over de ervaringen stond voorop. De leden van de Statenfractie achten het van belang juist naar deze mensen te luisteren om het ‘andere verhaal’ te horen. In de groep ouders is getracht een diversiteit aan te brengen in situaties en achtergronden om zodoende tot een brede afspiegeling van de cliëntengroep te komen. Binnen de groep professionals is om die reden getracht een diversiteit aan te brengen in functiegebieden. De werving van gesprekskandidaten voor de gesprekken verliep via: • contacten opgedaan in de rol van Statenleden (werk- bezoeken, e.d.) en in het dagelijks werk van de Staten leden, • ombudswerk van PvdA Tweede Kamer fractie, • contacten met PvdA-raadfracties en –wethouders in Fryslân • werving via contacten in het werkveld, • werving via contacten met de media. Om de garantie van vertrouwelijkheid van het gesprek en het onderzoek in zijn geheel te benadrukken is ter overhandiging aan de gesprekspartners een ‘Verklaring van vertrouwelijkheid’ opgesteld. In deze, door de fractievoorzitter ondertekende, verklaring staat omschreven wat er in deze onder vertrouwelijkheid wordt verstaan en wat er gebeurt met de informatie die is verkregen in de interviews. De fractiemedewerker PvdA-Statenfractie Fryslân belde met de gesprekskandidaten om uitleg te geven over het interview. In dit gesprek werd besloten om de afspraak in te plannen. De volgende punten kwamen aan de orde: • achtergrond en motivatie van de gesprekken in het algemeen, • achtergrond gesprekspartners (zowel interviewer als geïnterviewden) • doel van het onderzoek • procedure van het interview en de verwerking • procedure m.b.t. geluidsopnames • procedure m.b.t. vertrouwelijkheid De gesprekken zijn van start gegaan nadat de eerste gesprekken stonden ingepland. Binnen de werkgroep is de afspraak gemaakt om na de eerste tien gesprekken in januari 2010 te evalueren met betrekking tot de voortgang en het plan van aanpak te toetsen. Er is gekozen om het rondetafelgesprek plaats te laten vinden met de leden van de werkgroep en 5 direct betrokkenen uit het veld.

Stap 3 Uitvoering van de diepte-interviews De gesprekken vonden plaats op een locatie die de voorkeur had van de geïnterviewde of geïnterviewden. Vaak was de locatie het woon- of werkadres van de geïnterviewde. Ook werd er gebruik gemaakt van een kamer in het provinciehuis of werd er een locatie gehuurd. Bij de keuze van de locatie stond vertrouwelijkheid en veiligheid voorop. Het gesprek werd geleid door Andrea Reidsma. Joukje van Roeden was gespreksdeelnemer in de rol van fractiemedewerker PvdA-Statenfractie Fryslân en afgevaardigde namens de Statenfractie. Voor de verslaggeving werd (met instemming van de geïnterviewde) het interview vastgelegd op een digitale geluidsrecorder. Bij elk interview werd de hierboven genoemde ‘Verklaring van vertrouwelijkheid’ overhandigd. Voor elk interview werd ruim de tijd genomen, doorgaans twee tot drie uur per gesprek. De basis van de gesprekken werd gevormd door een onderwerpenlijst met veel open vragen en een aantal stellingen. Er werd veel aandacht besteed aan het tot stand brengen van wederzijds vertrouwen door helder te zijn t.a.v. het doel van het gesprek, de wederzijdse verwachtingen en de wijze hoe de verkregen informatie zou worden verwerkt. Deze structurering in combinatie met doorvragen zorgde voor voldoende ruimte en diepgang in het beluisteren van de ervaringen en gaf tevens ruimte voor meningen en inzichten t.a.v. verbeterpunten. Elke week vonden er doorgaans twee tot drie gesprekken plaats. Deze opzet en frequentie leverden waardevolle inzichten op die sturing gaven aan het vervolg van de reeks interviews. Tijdens de periode waarin de interviews plaats vonden werd de voortgang regelmatig op procesniveau teruggekoppeld aan de werkgroep. Daarnaast kwam in januari 2010 de werkgroep bijeen in het kader van de tussenevaluatie. In het eerste deel van de gesprekken lag de focus vooral op de organisaties Bureau Jeugdzorg en Jeugdhulp Fryslân. Tijdens de tussenevaluatie besluit de werkgroep om in het vervolg vooral te focussen op het brede veld ‘Zorg voor jeugd en Gezin’. Waarbij de organisatie als instituut meer op de achtergrond komt en de aandacht meer zou uitgaan naar de zorg rondom jeugd in brede zin. In de eerstvolgende bijeenkomst van de werkgroep in maart 2010 is het eerste deel van het onderzoek, de diepte-interviews, geëvalueerd. Stap 4 Uitwerking van de diepte-interviews Op basis van de geluidsopnames van de diepte-interviews zijn gespreksverslagen gemaakt. Deze verslagen vormen de basis van dit document en zijn terug te vinden in hoofdstuk 3. Citaten uit alle gespreksverslagen zijn verwerkt in het gehele onderzoeksrapport. Stap 5 Terugkoppeling deelnemers Tijdens het onderzoek werden deelnemers op de hoogte gehouden van de status en vorderingen van het onderzoek. Stap 6 Uitvoering Rondetafelgesprek Op basis van resultaten van het eerste deel van het onderzoek is het document ‘Rode draden, ervaringen met jeugdzorg’ samengesteld. Deze samenvatting van de ervaringen vormde de rode lijn voor de te behandelen onderwerpen tijdens het ronde tafelgesprek. De groeps-

11


discussie vond plaats met de leden van de werkgroep en vijf direct betrokkenen uit het veld. De gespreksleider van het rondetafelgesprek was Andrea Reidsma Stap 7 Uitwerking Rondetafelgesprek Van het rondetafelgesprek is een verslag gemaakt dat als bijlage 2 is toegevoegd. Stap 8 Uitwerking en afronding onderzoek Voor weergave van de gespreksverslagen van de interviews is toestemming aan de gesprekspartners gevraagd. De verslagen zijn terug te vinden in hoofdstuk 3 van dit document. Deze verslagen dienden als basis voor hoofdstuk 4 ‘rode draden, samenvatting van kernpunten’. 2.5 Methode Er is gekozen voor een combinatie van diepte interviews en een groepsdiscussie om informatie te verkrijgen over de ervaringen en zienswijze van de betrokkenen zelf in plaats van vertegenwoordigers van de doelgroep of van de instituten die verantwoordelijk zijn voor de dienstverlening. Zodoende kan een beeld worden verkregen van individuele ervaringen, beleving, verwachtingen en motieven. De werkgroep is van mening dat, wil er overgegaan kunnen worden tot verandering, er een meer compleet beeld gevormd moet worden van ervaringen van de mensen om wie het in de jeugdzorg om gaat, de krachten die in het stelsel werkzaam zijn. Potentiële innovaties dienen aan te sluiten bij de verwachtingen en behoeften van diverse betrokken groepen en vooral ook bij de doelgroep (pleeg)ouders en jongeren zelf. Er is gekozen voor interviews als methode om inzicht te krijgen in individuele ervaringen en processen die spelen als mensen gebruikmaken van diensten binnen jeugdzorg. Het gaat daarbij om meningen en opvattingen van direct betrokkenen waarbij er veel ruimte bestaat voor de geïnterviewden om sturing te geven aan het verloop van het gesprek en daarmee ook de inhoudelijke resultaten. De geïnterviewden kunnen in de gesprekken zelf aangeven wat zij belangrijk vinden om te vertellen, er is ruimte om onduidelijkheden toe te lichten, onderwerpen uit te diepen en er word veel doorgevraagd. Het grote voordeel van dit soort interviews is dat personen meer vertellen als ze in een vertrouwde, veilige omgeving zitten, waarin duidelijk is dat alles wat gezegd wordt, op prijs wordt gesteld. Hun mening en ervaringen tellen mee en dat vinden mensen prettig. Zeker voor de groep ouders en jongeren die vaak in emotioneel complexe situaties verkeren is het belangrijk om gehoord te woorden. Als aanvulling op de interviews is er gekozen voor een rondetafelgesprek met vertegenwoordigers van verschillende functiegroepen. Hierbij wordt de methode groepsdiscussie gehanteerd waarbij een groep personen van gedachten wisselen over een afgebakend aantal onderwerpen. Deze methode is uitermate geschikt voor het achterhalen van beweegredenen en motivaties van ver-

12

toond gedrag. Maar ook bij het in kaart brengen van het beeld dat betrokkenen hebben bij een organisatie of organisaties en de dienstverlening. Daarbij wordt het gebruikt om mogelijke toekomstige veranderingen snel op het spoor te komen. Voor het rondetafelgesprek is gekozen voor de groep deelnemers die bestond uit vijf vertegenwoordigers van verschillende functiegroepen, zelf ervaringsdeskundigen, uit het jeugdzorgveld en leden van de werkgroep. De gespreksduur van het rondetafelgesprek bedroeg 2,5 uur. Het gesprek werd geleid door Andrea Reidsma. Het rondetafelgesprek had als doel de kennis van de deelnemende personen te delen, om zo nadere informatie en inzichten te verkrijgen m.b.t. de resultaten van de interviews en mogelijke toekomstige veranderingen binnen het veld. 2.6 Selectie van de gesprekspartners De gesprekspartners dienen een evenwichtige afspiegeling te vormen van de ouders, kinderen/jongeren, de directe omgeving en de professionals die direct te maken hebben met jeugdzorg. Er is gekozen voor verschillende betrokkenen om de onderwerpen vanuit diverse ervaringen en diverse kanten te belichten om zodoende tot een brede beantwoording van de centrale vragen te komen. De geïnterviewden zijn dan ook uitgezocht op hun betrokkenheid en ervaring binnen het veld, waarbij is gezocht op de te verwachte diepgang van de informatie en achterliggende motivatie. Binnen deze kaders zijn de gesprekspartners willekeurig. Voor de groep gesprekspartners van de diepte-interviews is de volgende onderlinge verhouding als richtlijn genomen: • 50% ouders en jongeren, • 10% directe omgeving, • 40% professionals als richtlijn genomen. Overzicht samenstelling gesprekspartners diepte- interviews: In de periode november 2009 tot en met maart 2010 is er gesproken met: • Moeders (4x) • Vader en moeder (3x) • Oma • Pleegmoeder • Pleegzus • Jongere jonger dan 18 jaar • Jongere ouder dan 18 • Directeur zorginstelling, pleeggezin en crisisopvang • Advocaat ervaren in familierecht • Schoolleider openbare basisschool • Oud-politieman, nu werkzaam bij een justitiële jeugd inrichting • Medewerkster jeugdhulp • Rechter aan het gerechtshof thuis in familierecht • Vertrouwensarts AMK • Mentorschap voor jongeren ouder dan 18 jaar


2.7. Samenstelling van de gesprekspartners van het rondetafelgesprek De deelnemers aan het ronde tafel gesprek zijn uitgezocht vanwege hun verwantschap met het onderwerp van de discussie. Anderen zijn uitgekozen vanwege kennis en ervaring met mogelijke oplossingstoepassingen. Overzicht samenstelling gesprekspartners van leden van de werkgroep in het rondetafelgesprek: • Dhr. Frans Kloosterman oud-politieman, nu werkzaam bij het Poortje • Mevr. Anneke Jansma wetenschappelijk functionaris Partoer CMO Fryslân • Peter en Marleen Brons ouders • Mevr. Filippina Akkerman directeur de Hoederspleats • Peter Postma directeur Obs De Flambou

13


hoofdstuk 3

ERVARINGEN MET FRIESE JEUGDZORG, DE INTERVIEWS In dit hoofdstuk ‘Ervaringen met Friese jeugdzorg, de interviews’ zijn de verhalen te lezen van cliënten en professionals over hun ervaringen in de jeugdzorg. De boeiende verhalen geven de beleving weer van ouders, jongeren, hun directe omgeving en professionals die direct te maken hebben met de vrijwillige jeugdzorg en de jeugdbeschermingketen binnen de provincie Fryslân. Door te luisteren naar de ervaringen, er over te praten en vervolgens op te schrijven, ontstaat de mogelijkheid kennis en ervaring te delen. Dat is een belangrijk uitgangspunt van deze gesprekken: luisteren naar de mensen waar de jeugdzorg om draait en leren van hetgeen zij te zeggen hebben.

14

Verwarring gebruik naam jeugdzorg Het is vaak voor ouders en professionals in het veld niet duidelijk wie of wat jeugdzorg is. Benamingen van diverse instanties, zowel binnen het vrijwillige als het verplichte kader worden door elkaar gebruikt. In Friesland worden, naast Bureau Jeugdzorg Friesland, ook maatregelen uitgevoerd door het Leger des Heils, de William Schrikker Stichting en het NIDOS. Waar in de tekst van Bureau Jeugdzorg wordt gesproken kan ook één van deze organisaties worden bedoeld.


“ O u ders k r ijgen nauwel ij ks inf o rmatie e n wor d e n niet g ewe ze n op hun r echten .”

“ E r is geen s prake van een ope n e n eerl ij ke rel at ie t us s en de voog d en de o u der/v erzo rger.”

“Er is g e e n same nwe r k ing met and e r e hulpve r le ne nd e instantie s. Di t wor dt in stand g e houd e n d oor d e huid ig e wijze van sub sid ië r e n.”

“ E r wo rden gegev ens z o n der to est emming va n de o uders o pgev r a ag d b ij bij vo o rb eel d h u i sarts en school.” “Het manag e me nt e n d e g e d r ag swete nschapp er he bb e n e nor me ar rog antie . Me n cor r ig e e rt e lk aar niet. ”

“ I n de huidige praktij k wor dt achte r af pas iets aan het pro bl eem gedaan. ”

“ O u de rs wo rden o nder druk g e zet om m ee t e werken do o r t e dr e ig e n m et e en u it huis pl aats ing.”

“In ve r slag e n wor den onwaar he d e n opg e schr eve n te n aanzi en van d e tij d sbe ste d in g . Er wor dt fe ite lij k veel mi nd e r tij d aan be h a n d e ling e n b eg e le id in g b e ste e d e n me e r tij d aan het schr ij ve n va n ve r slag e n.”

“ J eu g dz o rg s chaadt de rel at ies met and e r e zorgve r le ne r s d oor he n ong evr aagd i n f o r m at i e t e v e rst rekken.”


INterview 1

PERSOONLIJK EN BEROEPSMATIG ERVARINGSDESKUNDIGE Ik heb beroepsmatig te maken gehad met Jeugdzorg, omdat ik een aantal jaren heb gewerkt met kinderen met problemen. Nu werk ik als groepsleidster met kinderen. Zelf ben ik ook ervaringsdeskundige met Jeugdzorg. Er wordt veel gezegd over de Jeugdzorg, maar er wordt weinig geluisterd naar de mensen die met Jeugdzorg te maken hebben. In de media worden vaak de negatieve aspecten van Jeugdzorg benadrukt. De positieve zaken komen nauwelijks aan bod. Ons kind heeft ADD en is dyslectisch. Vanaf de geboorte is er sprake van gezondheidsklachten en door astma heeft het vaak in het ziekenhuis gelegen. Op de lagere school bleek het een slim kind te zijn. Er werd gedacht dat ons kind hoogbegaafd zou kunnen zijn, maar toch lukte het niet goed op school. Uiteindelijk hebben wij een psycholoog ingeschakeld om ons kind te testen. De diagnose ADD werd gesteld met daarnaast een concentratiestoornis en een behoorlijke vorm van dyslexie op het gebied van schrijven

“ J EUGD Z ORG FUNCT I ONEERT UI TSLUI TEND ALS GELD VERSTREKKER .” De psycholoog stelde voor een PGB aan te vragen om gerichter hulp in te kunnen schakelen met name op financieel gebied. We zijn de molen ingegaan en hierbij is het gebleven. We hebben de aanvraag voor een PGB ingediend waarbij ik mij zeer heb verbaasd hoe makkelijk dat allemaal ging. Er werd ergens een zak met geld tevoorschijn gehaald die wij toegewezen kregen. In eerste instantie hoefden wij niets te verantwoorden omdat het om een beperkt bedrag ging. We hebben nooit iemand gezien, er is nooit controle geweest. Inmiddels krijgen wel al vijf jaar een PGB. Er is wel jaarlijks telefonisch contact geweest met een extern bureau dus niet met Jeugdzorg zelf. Jeugdzorg heeft het hiervoor te druk. Het extern bureau stelt een aantal vragen zoals hoe het met ons kind thuis gaat, wat wij zoal met ons kind doen en waar wij hulp bij nodig hebben. De focus ligt op het financiële vlak. Je hebt iedere keer contact met een andere persoon. Je bouwt dus nooit een persoonlijke relatie met iemand op. Op alle andere gebieden is er volgens dit bureau geen aanbod. Oudertraining of ouderbegeleiding is er niet in Friesland. Ook wordt regelmatig gezegd dat andere vormen van hulpverlening er niet zijn in Friesland. Op advies van de psycholoog is er later een uitgebreider PGB aangevraagd. Reden hiervoor was dat

16

ons kind in 2008 en 2009 een training neurofeedback heeft gevolgd. Deze training kostte behoorlijk wat geld. De toekenning van de uitbreiding van het PGB verliep bijzonder gemakkelijk. Wij hebben ons hier zeer over verbaasd. Nu het om een hoger bedrag gaat, moet je hierover als ouders wel verantwoording afleggen.

“ Ik vind het he e l e rg dat oud e rs alle e n e e n zak met g e ld k r ij g en , te rwijl e r ve e l me e r nod ig is.” Dit heb ik tijdens de telefonische gesprekken ook naar voren gebracht. Je verwacht als ouder meer begeleiding, informatie en doorverwijzing naar bijvoorbeeld trainingen of cursussen. Je mag toch aannemen dat Jeugdzorg de weg weet in de provincie. De psycholoog is immers ook niet onafhankelijk, die heeft er ook belang bij dat er cursussen worden afgenomen. Ook als gezin krijg je totaal geen begeleiding. Ik vind het heel raar dat dit soort gesprekken uitsluitend telefonisch gaan en dat al vijf jaar lang. Jeugdzorg functioneert in mijn geval uitsluitend als geldverstrekker. Ik had verwacht dat er huisbezoeken zouden worden afgelegd. Bij een huisbezoek kun je toch een veel betere indruk krijgen van met wat voor soort mensen je te maken hebt. Ook zou je verwachten dat er contact met school wordt opgenomen. Er zou verder gekeken moeten worden dan alleen een telefoongesprek. Ik begrijp nu hoe het komt dat er zulke fouten worden gemaakt door Jeugdzorg zoals je wel in de media hoort en ziet.

“j e ug d zorg zou same n met d e ou d e r s e n d e school d e juiste w eg moete n bewand e le n om e e n ki n d zo lang mog e lij k in d e thuissi t u atie te houd e n .” Het welzijn van het kind zou voorop moeten staan. Ik vraag me af wat er gebeurt met kinderen van ouders die minder goed geschoold zijn of minder capaciteiten hebben om hun kinderen te begeleiden. Er wordt door Jeugdzorg vaak pas ingegrepen als het al helemaal mis is gegaan. Voor wat betreft de verantwoording van de besteding van het PGB ben je hier vaak uren mee bezig. Het is vaak onduidelijk wat wel en niet mag worden gedeclareerd. Het is heel erg ingewikkeld. Jeugdzorg is wel coulant als je een fout maakt. Dit wordt dan wel weer opgelost. Er zijn


mensen die een deel van hun PGB moeten investeren in de administratieve afhandeling.

“ zo g e m a k k el ij k als je het gel d krijgt, zo ing e wi k k e l d m a ken ze de v erant wo o rd ing .” Het is natuurlijk terecht dat je verantwoording af moet leggen, maar het staat niet in verhouding tot het gemak waarmee je geld krijgt. Doordat ons kind zoveel begeleiding vraagt, kan ik minder werken. Vanuit Jeugdzorg werd de suggestie gedaan om dit verlies van inkomen te compenseren door het PGB. Het is prettig dat dit kan, maar het is Jeugdzorg helemaal niet bekend of ik over de benodigde capaciteiten beschik. Het is de vraag of zij dit kunnen vaststellen op basis van één jaarlijks telefoongesprek door een steeds wisselende medewerker. Dit verbaast mij ten zeerste. Jeugdzorg heeft ook nog nooit contact gehad met ons kind. Ten aanzien van de psycholoog wordt een aantal zaken ingebracht. De school wilde niet samenwerken met de psycholoog die wij hadden uitgezocht, maar uitsluitend met Cedin (educatieve dienstverlening in Noord Nederland). Cedin levert diensten voor onder meer adaptief onderwijs, taal en rekenen, voor- en vroegschoolse educatie, sociaal emotionele ontwikkeling en kwaliteitszorg.

“ I NFOR MATI E WORDT VERSTREKT DOOR P SYCHOLOOG EN N I ET DOOR JEUGDZORG . PSYC H OLOOG IS EC HTER ZELF BELANG HEBBENDE .” Ons kind is zowel door de psycholoog als Cedin getest. De testresultaten kwamen totaal niet met elkaar overeen. De psycholoog kraakte de testresultaten van Cedin af, terwijl de psycholoog zelf ook voor Cedin werkte. Weliswaar in een andere regio, maar feitelijk waren het collega’s van elkaar. Er heeft één gesprek plaatsgevonden tussen de IB-er van de basisschool en de psycholoog. Dit gesprek is niet prettig verlopen. Er was geen sprake van professionaliteit, transparantie en samenwerking. Ook was er geen sluitend zorgaanbod. Sterker nog er werd ruzie gemaakt en er werden over en weer meningen over elkaar geven. Als ouder en kind sta je met lege handen. Je moet sterk in je schoenen staan en zelf beslissingen te nemen. Het effect hiervan is dat je geen vertrouwen meer hebt in de hulpverlening. Jeugdzorg houdt geen zicht op het kind of het proces dat wordt doorlopen bij een hulpvraag. Onze hulpvraag is gedurende de jaren ook veranderd. Dit wordt door Jeugdzorg niet opgepakt. In de loop der jaren ben ik mijn vertrouwen in de instanties kwijt geraakt. Ik heb geen zin om energie te besteden aan allerlei instanties waar ik langs moet sjouwen. Dat besteed ik liever aan mijn kind. Je moet het hebben van je familie en je sociale netwerk. Ik vind het schrijnend, maar zo werkt het nu eenmaal. Inmiddels zit ons kind op de middelbare school. De school spant zich niet echt in om mijn kind erbij te houden. Mijn kind is begonnen op de havo en is inmiddels teruggezet naar vmbo-t. Hiermee wordt het probleem echter niet opgelost. Ons kind is intelligent, maar heeft een concentratiestoornis en is dyslectisch. Je moet als ouder iedere keer in gevecht met de school om voor

de belangen van je kind op te komen. Je zou verwachten “b lalbalblababll dat Jeugdzorg hierin een rol speelt, maar dat is niet zo. Dit is een specifiektblalblallprobleem waardoor veel jongeren blb llllllllllllllll ontsporen. Er wordt door Jeugdzorg verwezen naarl .” Renn4 (onderwijsorganisatie voor leerlingen met beperkingen in gedrag en/ of psychiatrische problematiek), terwijl ons kind daarvoor niet meer in aanmerking komt. Het is een gescheiden traject, maar het gaat om één kind. Jeugdzorg neemt het hele stuk van de school niet mee, terwijl dat één van de belangrijkste zorgpunten is. Ik vind dat Jeugdzorg een rol zou moeten spelen bij het vinden van oplossingen.

“alle contacte n ve r lope n te le fonisch. het ontbr e e k t a a n pe r soonlij k e contacte n ook r ichting het k ind . ” Dit heb ik ook herhaaldelijk aangegeven tijdens het jaarlijkse telefonisch gesprek. Er wordt als enige oplossing de huiswerkbegeleiding aangedragen. Dit is voor ons kind geen optie gezien de afstand. Het voelt alsof het niet ‘het pakkie an’ is van Jeugdzorg. Je moet het zelf maar zien op te lossen. Ik denk dat Jeugdzorg pas actie onderneemt als er een probleem ontstaat, als kinderen bijvoorbeeld gaan spijbelen. Ik probeer nu juist te voorkomen dat zo’n situatie ontstaat. Straks moet ons kind naar een mbo-opleiding en ik vraag me af hoe het dan moet gaan. Het zou goed zijn als er iemand met meer afstand de begeleiding voor een deel over zou nemen. Ik vind het heel raar dat ons kind door de instanties wordt aangeschreven, terwijl ik verantwoordelijk ben. Ook voor zaken rondom het PGB wordt ons kind aangeschreven, terwijl ons kind geen idee heeft wat hiermee te moeten. Hiermee kunnen jong volwassenen heel erg in de problemen komen, omdat zij de verantwoording helemaal niet aankunnen. In mijn werk heb ik te maken gehad met kinderen die bijvoorbeeld uit huis waren geplaatst door Jeugdzorg. Toen heb ik ook negatieve ervaringen gehad met deze instantie. Na de uit huis plaatsing was er nauwelijks sprake van nazorg.

“e r is g e e n spr ak e van profe ssionalite it, tr anspar antie e n same nwe r k ing in d e k ete n. Er i s g e e n sluite nd zorg aanbod . h et ve rtrouwe n in d e hulpve r le n i n g wor dt hi e r d oor k wijtg e r aak t.” Er werd niemand toegewezen die voor hun belangen moest opkomen zoals een maatschappelijk werker. Het kind kwam in het tehuis en van Jeugdzorg was niets meer te bekennen. In die gevallen dat Jeugdzorg wel een rol speelde, was er altijd uitsluitend telefonisch contact. Adviezen die werden gegeven in specifieke gevallen werden voor de vorm ingewonnen. Er werd niet echt iets mee gedaan. Er is geen sprake van een constructieve samenwerking tussen het veld en de Jeugdzorg. Het internaat waar ik werk krijgt nauwelijks informatie over kinderen waar je de zorg over krijgt. Het initiatief hiertoe ligt bij de ouders. Als ouders dat niet willen dan weet je niets.

17


18


interview 2

GESCHEIDEN MOEDER MET TWEE KINDEREN Ik ben een alleenstaande moeder met twee kinderen. Ik werk 32 uur per week. Ik ben van mijn man gescheiden toen de kinderen ongeveer 9 en 6 jaar oud waren. Mijn ex-man heeft zich nooit veel bemoeit met de opvoeding van de kinderen en ondersteunt mij daar ook niet in. De kinderen gaan om het weekend naar hun vader toe. Mijn contact met Jeugdzorg begon toen mijn zoon 11 jaar was. Hij zat op de basisschool en het ging helemaal niet goed. Hij was al erg aan het puberen en was dwars, onhandelbaar, opstandig en agressief. De school zei dat hij een aantal stoornissen had, maar dat deze niet zodanig van aard waren dat hierop actie moest worden ondernomen. Ik heb zelf altijd gezegd dat hij niet makkelijk is, maar dat het wel te doen was. Vanaf 11 jaar ging het mis en kreeg ik niet echt meer contact met mijn zoon. School gaf aan dat ze hem niet meer konden handhaven en stelde voor om hem in een time-out groep onder te brengen en hem na de zomervakantie in een lwoo-traject

“ NADAT I K DE PAPI EREN H AD ONDERTEKEND , BLEEK DAT MI J N Z OON TE JONG WAS VOOR de T I ME - OUT GROEP. ” (leerwegondersteunend onderwijs) te plaatsen. Hierover heb ik met de leerplichtambtenaar overleg gehad. Ik heb ervoor getekend dat hij van school ging en dan na de zomer het lwoo-traject in zou gaan. Aangezien mijn zoon leerplichtig was, werd ik in een positie gedwongen om met zijn zoon te leuren. Hij moest immers iets doen volgens de leerplichtwet. Ik heb op dat moment contact gezocht met Jeugdzorg, omdat ik mijn kind niet meer kon helpen. Jeugdzorg verwees mij naar de huisarts voor een doorverwijzing naar de psycholoog. De psycholoog zou medicatie voorschrijven waarmee het probleem zou worden opgelost. Ik ben inderdaad naar een psycholoog van de GGD geweest, maar mijn zoon stond hier niet positief tegenover. De conclusie van de psycholoog was dat een behandeling alleen kon worden gestart als mijn zoon mee wilde werken, aangezien hij

inmiddels twaalf jaar was. Na een half jaar werd ik gebeld door de psycholoog dat ze toch stappen wilde nemen, omdat de problematiek dusdanig ernstig was dat ze toch iets wilde proberen. De psycholoog stelde voor om een PGB aan te vragen voor een persoonlijke coach. Het PGB moet bij Jeugdzorg worden aangevraagd. De aanvraag van het PGB verliep vrij makkelijk en er kwam een coach. De persoonlijke coach van Helping Hands kwam eens per week wat voor mij een rustmoment gaf, maar uiteindelijk weinig zoden aan de dijk zette. Mijn zoon was inmiddels gestart met het lwoo-traject. Dit verliep niet goed, hij spijbelde veel.

“n ie mand wi ld e zijn ving e r s b ra n d e n aan d e ze case . ie d e r ve eg d e zijn e ig e n str aatje schoon e n ve rwe e s d oor naar d e volg e n d e instantie . ” Toen mijn zoon 14 jaar was heeft Jeugdzorg ons doorgestuurd naar GGZ Jeugd voor een onderzoek. Er werd vastgesteld dat mijn zoon ODD heeft (Oppositional Defiant Disorder). Het advies was toen om hem uit huis te plaatsen naar een “drie milieu”, een voorziening voor wonen, school en vrije tijd in één voorziening. Tijdens de wachttijd zou Jeugdzorg zorgen voor begeleiding van ons gezin, omdat mijn zoon nauwelijks hanteerbaar was. Jeugdzorg verwees hiervoor naar GGZ en GGZ verwees ons terug naar Jeugdzorg. Er is uiteindelijk geen hulp geweest. Mijn zoon ontspoorde volledig: hij loog, stal, bedroog, hij rookte, dronk en blowde, terwijl hij pas 14 jaar was. Ik riep om hulp maar kreeg totaal geen steun. Je voelt je enorm machteloos. Ik ging iedere 3 weken naar een casemanager Jeugdzorg voor een gesprek, maar het schoot niet op. Ik mocht mijn verhaal doen, maar er werden geen oplossingen geboden. Er was geen hulp voor mijn zoon, maar ook niet voor ons als gezin. Ik heb gevraagd of mijn zoon in een pleeggezin geplaatst kon worden,, maar dat kon niet omdat hij teveel werk gaf

19


voor twee personen. Hierbij werd voorbij gegaan aan het feit dat ik er alleen voor stond. Vier jaar na het eerste contact –mijn zoon was inmiddels 15 - met Jeugdzorg, was er nog altijd geen hulp. Mijn zoon werd in toenemende mate agressief. Wat mij opviel is dat er weinig naar mij als moeder werd geluisterd door de instanties. Na één jaar mbo-onderwijs met leerweg ondersteuning werd aangegeven dat hij niet langer welkom was en hij werd doorverwezen naar een REM-4 school, Regionaal Expertisecentrum Noord Nederland - cluster 4. Ook op deze school ging het niet goed. De begeleiders misten kennis en inzicht rondom de problematiek van ODD en pakte mijn zoon helemaal verkeerd aan. Wat ik vooral miste was een individuele aanpak. Toen ik contact zocht met Jeugdzorg had ik de verwachting dat wij gezamenlijk om tafel zouden gaan, om te kijken hoe we de problemen konden aanpakken. Jeugdzorg heeft mijn zoon in al die jaren nauwelijks gezien of gesproken. Er is geen informatie gegeven over wat er aan zorgaanbod is voor deze groep jongeren. Ik moest zelf uitvinden wat er op dit gebied allemaal bestaat. De casemanager was vaak niet bereikbaar en het duurde weken voordat je een keer werd teruggebeld.

“ t ij den s de ges prekken kreeg ik al le e n maar d e on mo g el ij k heden t e ho ren.”

Jeugdhulp Friesland wilde hierin niet meegaan, want hij zou toch uit huis geplaatst worden. Jeugdzorg heeft hierover weer contact opgenomen met GGZ en er kwam weer over en weer gesteggel en werd ik van het kastje naar de muur gestuurd. Toen ik later het dossier van mijn zoon in wilde kijken werd dat in eerste instantie geweigerd, terwijl ik hier wel recht op heb. Pas later mocht ik het dossier inkijken en toen bleek een groot gedeelte te ontbreken. Ook bleek mijn zoon niet aangemeld te zijn bij Swing, terwijl dat wel in het dossier stond. De casemanager zou hier achteraan gaan bellen en toen is pas de aanmelding daadwerkelijk gedaan. Jeugdzorg heeft dus tegen mij gelogen. Thuis liep de situatie steeds meer uit de hand en ging mijn zoon ook niet meer naar school. Intussen stond mijn zoon nog steeds op de wachtlijst voor de residentiële inrichting Harreveld. Hij zou in een groep worden geplaatst speciaal gericht op uitbehandelde jongeren die nergens anders terecht konden. Maar mijn zoon was nog nooit behandeld, dus dat vond ik raar. Toen kwamen er berichten in de media over seksueel misbruik en geweld in deze inrichting. Ik wilde hem dus niet in deze inrichting plaatsen, want dat zou het alleen maar van kwaad tot erger gaan. Ik heb hem van de wachtlijst afgehaald, omdat Jeugdzorg dat niet kon doen. Twee weken later had Jeugdzorg hem zonder mijn medeweten weer op de wachtlijst gezet met het argument dat de wachttijd wellicht mee genomen kon worden naar een andere inrichting. Toen heb ik hem nogmaals van de wachtlijst gehaald want ik wilde hem daar beslist niet hebben. Het is toch raar dat Jeugdzorg hem wel op de wachtlijst kan zetten, maar hem er niet af kan halen. Via via vernam ik van een instelling in Limburg, waar zeer goede resultaten met deze groep jongeren werd bereikt. Hiervan heb ik Jeugdzorg op de hoogte gesteld en zij steunde dit initiatief. Mijn zoon en ik zijn samen naar het

Jeugdzorg gaf aan met deze problematiek niets te kunnen. Doordat het te erg was gebeurde er niets. GGZ zei dat er iets mis was met het fundament van het kind waardoor er niet gewerkt kon worden aan zijn gedrag. GGZ stond op het standpunt dat Jeugdzorg maar voor opvang moest zorgen. In het begin heb ik een aantal voorstellen gedaan om mijn zoon op te vangen. Het initiatief werd niet door Jeugdzorg genomen, terwijl ik vaak dagelijks in contact met de casemanager stond. Op een “ik he b daar ze lf naar toe g e b el d gegeven moment heb ik een klachtenbrief naar de e n e e n afspr aak g e r eg e ld .” gemeente en naar allerlei landelijke partijen gezonden. Ik werd daarop opgebeld door een manager van Jeugdzorg gesprek toe gegaan. Men was zeer verbaasd dat wij dit dat dit echt niet de bedoeling was. Er was een klachtenbugesprek zonder begeleiding van Jeugdzorg voerden. Uitreau bij Jeugdzorg en daar moest ik mijn klacht indienen. eindelijk is plaatsing in deze instelling niet doorgegaan Daar zag ik helemaal niets in. Mijn doelstelling in het vanwege de grote afstand. Kinderen gaan in de weekengesprek was om hoe dan ook hulp te krijgen voor mijn den naar huis en ik kon de reiskosten niet dragen. Deze zoon. De manager van Jeugdzorg heeft mij toen wel een worden alleen vergoed bij een OTS. andere casemanager toegewezen. Zij zou aan de slag gaan met de indicatie die er toen lag en “ j e u g dh u l p b ego n er du s ervoor zorgen dat er hulp kwam. De Mijn huisarts wilde niet meewerken, omdat hij op het gewo o n n i et aan.” standpunt stond dat kinderen bij hun moeder horen. Ik indicatie was toen dat mijn zoon wilde niet per se mijn kind uit huis geplaatst hebben, geplaatst moest worden in de resimaar ik wilde wel hulp. Mijn jongste zoon was doodsbang dentiële inrichting Harreveld, een behandelinstelling voor en kwam liever niet meer thuis naar schooltijd. Het werd ongeveer 250 jongens en meisjes met verschillende zorgsteeds moeilijker om mijn baan naar goed behoren te vervragen Mijn zoon zou in een groep komen voor uitbehanvullen. delde jongeren terwijl hij nog nooit ergens voor behandeld was. Tijdens de onvermijdelijke wachttijd zou hulp ingeschakeld moeten worden van Jeugdhulp Friesland. “ER IS TE VEEL Z ORGAANBOD Z ODAT Die zouden kunnen helpen door hulp thuis of door tijdeNIEMAND WEET WAT ER ALLEMAAL IS lijke uithuisplaatsing. Na één jaar was er nog altijd geen EN WAT JE WAAR KUNT HALEN. ” hulp. De reden hiervoor was dat het dan de bedoeling is dat het kind thuis blijft wonen en mijn zoon stond op de Ik heb te maken gehad met GGZ, Jeugdzorg, Jeugdhulp, wachtlijst om uit huis te worden geplaatst. huisarts en verschillende scholen. Ik heb niet het idee dat er ooit overleg is geweest tussen deze instanties. Er is Ik heb mijn zoon toen opgegeven door een assertiviteitseerder sprake van een stammenstrijd. Zeker geen overleg training om zijn woede te kanaliseren( Rots en water).

20


gericht op het vinden van een oplossing voor mijn zoon. Het was meer het verschuiven van de case naar het volgende bordje. Ik had het idee dat geen van de partijen de vingers wilde branden aan mijn zoon. Jeugdzorg wist inmiddels niet meer wat zij met mij aan moesten. Ik heb aangedrongen op een OTS niet zozeer om de OTS maar om hulp te krijgen met zo min mogelijk wachttijd. De aanvraag voor OTS is gedaan op basis van het feit dat ik als moeder nergens meer aan mee wilde werken. De tekst voor deze aanvraag moet je lezen bij de raad en je kunt er alleen nog een opmerking bij plaatsen. De tekst wordt niet meer veranderd. Ik heb erbij laten schrijven dat ik overal aan mee wilde werken. Er werd mij steeds verteld dat ik de zeggenschap over mijn kind zou houden omdat het om een vrijwillige OTS ging. Mijn zoon was hierbij helemaal niet betrokken. Mijn “ i k h eb g e e n ges prek gehad ov er wat zoon werd op ots b et e k e n d e, al l een een f o l der.” de wachtlijst OTS geplaatst. Intussen werd zijn gedrag steeds erger. Hij kon geen onderscheid maken tussen oorzaak en gevolg en ging steeds meer de criminele kant op. Hij verloor de realiteit uit het oog en het risico was aanwezig dat hij door zou slaan naar de verkeerde kant. Hij blowde ook nog steeds en steeds meer. Er was contact met de politie, zij waren erg begripvol maar zij konden ook niet veel doen. Individuen willen wel helpen, maar ze lopen tegen de muren op van de instituten en de regels.

“ z e zijn a l l e maal bang dat als ze he lpe n e n het g a at mis dat er naar hun wo rdt gewe ze n.” Op een gegeven moment is er een hooglopend conflict thuis geweest. Mijn zoon is van huis weg gelopen en heeft zich gemeld bij Jeugdzorg met het verzoek of ze hem nu alsjeblieft wilden helpen. Dit is een keerpunt geweest in het hele traject. Hij is toen naar kort verblijf crisisopvang in Burgum gegaan met als doel om te kijken wat er daarna kon. Een goede vriendin van mij van vroeger werkte in deze instelling. Zij heeft ervoor gezorgd dat hij tot de behandelgroep is toegelaten. Hij heeft toen ook een soort school gevolgd. Hij heeft goede begeleidsters gehad en mijn zoon werd een stuk rustiger. De behandelgroep wilde het toen met hem gaan proberen. Niets dan lof over hun inzet. Mijn zoon is heel goed begeleid, er zijn gesprekken met hem gevoerd. Hij is anderhalf jaar in Burgum geweest. In de weekenden kwam hij thuis.

Ondertussen was er ook een voogd aangesteld. Met de

“uite ind e lij k he b ik d e ze ze lf g e- maak t aan d e hand van d e oud e ind icatie ste lling . ” voogd was telefonisch contact, voor huisbezoek had hij het te druk. Hij werkte wel samen met mij en had tot doel om mijn zoon te helpen. De voogd deed heel erg zijn best en was erg betrokken. Om in de behandelgroep te kunnen blijven was het nodig dat er een nieuw indicatiebesluit kwam. Geen van de instanties voelde zich hiertoe geroepen. Uiteindelijk heb ik deze zelf gemaakt aan de hand van de oude indicatiestelling. Er werd voorgesteld om mijn zoon Risperdal voor te schrijven om zijn woede te onderdrukken. Dit medicijn gaf enorm veel bijwerkingen en was ook nog niet op minderjarigen getest. Mijn zoon wilde dit middel niet slikken. Uiteindelijk bleek mijn zoon tegen alle verwachtingen van GGZ en Jeugdzorg in heel goed te behandelen gezien de goede resultaten in Burgum. Het is een open instelling en dat werkte heel goed bij mijn zoon. Daardoor ging het steeds beter. Het ging zo goed dat de voogd zei dat mijn zoon weer terug naar huis kon komen mits ik ander werk zou zoeken en mijn zoon weer naar school toe zou gaan. Zijn agressie heeft hij aardig onder controle. Hij heeft vaardigheden geleerd om hiermee om te gaan. Inmiddels woont hij thuis en gaat hij naar school. Volgend jaar wordt mijn zoon 18 jaar. Er is dan een nieuwe indicatie nodig voor het PGB. Het PGB wordt dan op zijn rekening gestort. Hij kan daar helemaal niet mee omgaan en zal hierin begeleid moeten worden. Ook heeft mijn zoon hulp nodig bij het leren leren. Financiering vormt hierbij een knelpunt.

“het g aat g oe d met mijn zoon maar dat is ondank s je ug d zo rg e n niet dank zij.” Er zijn periodes geweest dat ik meer in gevecht was met Jeugdzorg dan dat ik voor mijn zoon aan het zorgen was. Al die jaren heeft Jeugdzorg geen oog gehad voor het feit dat ik nog een zoon had die in een moeilijke thuissituatie verkeerde. Dit hele traject had niet gehoeven. Mijn zoon had hulp moeten krijgen toen hij elf jaar oud was. Nu weet ik dat die hulp er ook is.

21


“ E r l ij k e n zich pro ces s en binnen Jeug d zorg af te spe le n d ie e e n r e mm e n d ef f ec t hebben o p de hul pv erle ning .”

“ Sa menwerking en co ntact is niet o f nau wel ij ks mo gel ij k.” “De impact is ve r str e k k e nd . Dat mag me n zich bete r r e alise r e n in d e hulpve r le nin g . Ik ne e m het nog e lk e dag m et me me e .” “ D e vo o g d zo u zich o p de h u l p v e r l ening van de k i n de r en mo et en ri c h t e n , m aar dat geb eu rt n i et. Er wo rdt n i et m et de kinderen g es p ro k en . ” “Het ve rtrouwe n in je ug d zorg is e r niet vanu i t onze k ant. Daarvoor he b b e n we teve e l me eg emaak t.”

“ J e do et het vo o r het kind , maar zo we r k t het niet.”

“In e e n toch al moe ilijk e situatie wor dt het j e alle e n maar moe ilij k er g e maak t..”

“ D e z e i nf o rmat ie wo rdt niet g eve r ifie e r d b ij de o uders .”

“ Er is geen wis s elwerkin g tusse n Je ug d zorg e n d e school.”


interview 3

MOEDER MET 10 JAAR ERVARING VANAF JAREN ’90 Ik ben getrouwd geweest met een Molukse man. Samen kregen wij twee zoons. Wij woonden in een klein dorp waar mensen niet gewend waren aan mensen met een gekleurde huid. Inmiddels zijn wij gescheiden en heb ik een nieuwe partner. Mijn ervaringen met Jeugdzorg zijn van een aantal jaren geleden. Toen mij zoon ongeveer 10 jaar was (inmiddels is hij 28 jaar) is de diagnose PDD-NOS gesteld. Hij kwam onder behandeling bij het UMCG waarbij een aantal jaren begeleiding is geweest van een orthopedagoge en de kinderpsychiater. Hij kreeg geen medicatie. In die tijd was PDD-NOS nog nauwelijks bekend en er was nauwelijks literatuur over. Toen mijn zoon veertien jaar was, moest hij naar het vervolgonderwijs. Het was moeilijk om hem te plaatsen, omdat hij specifieke begeleiding nodig heeft. Dat was er toentertijd niet. We hebben hem uiteindelijk geplaatst op een kleine vmbo-school met veel

“ I N HET DERDE JAAR I S H ET VASTGELO P EN, WANT HI J KREEG EEN MENTOR DI E ABSOLUUT GEEn BEGRI P HAD VOOR ZI JN BEPERK I NGEN. ” structuur. Het was eigenlijk een soort verlengde basisschool. De eerste twee jaar ging het goed. Onze zoon heeft een atypische vorm van PDD-NOS waarbij hij absoluut geen sturing van een ander accepteert. Daarbij heeft hij een enorme zucht naar spanning en avontuur. Hij heeft ook een vorm van dyslexie, kan slecht tegen veranderingen maar zocht deze tegelijkertijd op. Hij werd steeds angstiger op school en voelde zich erg

bedreigd. Hij ging softdrugs gebruiken en ging niet meer naar school. Hij werd in toenemende mate paranoïde en kreeg kenmerken van psychoses.

“W E HEBBEN ERVOOR GEKOZ EN OM HET P SYCHIATRISCHE CIRCUIT IN TE GAAN MEDE OMDAT HET UMCG GEEN GOEDE ERVARINGEN HAD M ET JEUGD Z ORG .” Wij hebben onze zoon toen aangemeld voor kinder- en jeugdkliniek de Swing in Leeuwarden, waarbij wel duidelijk werd aangegeven dat psychiatrie ook zijn beperkingen heeft. Op een gegeven moment kregen wij een telefoontje dat hij kon komen voor een interne opname op de open afdeling. Wij moesten hem binnen twee dagen komen brengen. Mijn zoon heeft zijn rugzak en zijn fiets gepakt en is voor drie dagen verdwenen. Hierdoor verloor hij zijn plek bij de Swing. Doordat hij alle vormen van behandeling of hulp weigerde, bleef een vrijwillige OTS als enige optie over. Dat hebben wij toen gedaan op aanraden van de psychiater van het Riagg, regionaal instituut ambulante geestelijke gezondheidszorg. Wij stonden met onze rug tegen de muur. Wij konden ons kind niet meer bereiken en de situatie thuis was onhoudbaar. Hij terroriseerde het hele gezin. Drie gezinsleden moesten zich aanpassen om één gezinslid te laten functioneren. Dit was een zeer ongezonde situatie. Voor de OTS waren er verschillende opties. Wij hebben voor Jeugdzorg Friesland gekozen, omdat wij een niet-christelijke hulpverleningsinstantie prefereerde.

23


“ H ET MOET EERST FOUT GAAN VOORDAT ER KAN WORDEN I NGEGRE PEN .” De rechtbank heeft Jeugdzorg Friesland als voogdijinstelling aangewezen op basis van het dossier van onze zoon. Er is een voogd toegewezen waarmee wij een kennismakingsgesprek hebben gevoerd. Na het tweede gesprek werd het duidelijk dat ook Jeugdzorg Friesland weinig kon doen, omdat alle behandelingen op vrijwillige basis plaatsvinden. Kinderen worden vanaf twaalf jaar immers wilsbekwaam genoeg geacht om hierover beslissingen te nemen. Ik dacht dat wij als ouders samen met de voogd een instelling zouden zoeken die gespecialiseerd was in de opvang en begeleiding van dit soort kinderen. Dit bleek een misvatting. Ondertussen was er wel een Onder Toezicht Stelling, OTS, zonder juridische grond. Het bleek dat geen enkele instantie iets doen voordat onze zoon in het juridische circuit terecht was gekomen. Met andere woorden, er werd gewacht totdat onze zoon delicten ging plegen voordat men kon handelen. Daarover ben ik zo verschrikkelijk kwaad geworden. Wij hebben er jaren voor geknokt om dit nu juist te voorkomen.

“ I N HET EERSTE JAAR VAN DE OTS WERD ER NIETS GEDAAN VOOR MI JN ZOON.” Hij woonde thuis, ging niet naar school en kwam nauwelijks uit zijn kamer. Hij was niet benaderbaar en de situatie was zeer bedreigend. Hij gebruikte veel drugs en werd daardoor paranoïde. Zijn kamer was nagenoeg gesloopt en wij durfden niet te slapen. De waardevolle spullen moesten wij verstoppen. Het was duidelijk dat het een keer mis zou gaan en het wachten was op het moment dat dat zou gebeuren. Op een dag kwam dan inderdaad de politie aan de deur om hem op te halen. Ik probeerde

“ J E MOET MAAR H OPEN DAT JE TERUG WORDT GEBELD EN DAT KON DAGEN DUREN.” contact te krijgen met de voogd, maar dit was altijd heel erg moeilijk. In die tijd waren er nog geen mobiele telefoons dus je zat dagen bij de telefoon te wachten. Dit was zeer frustrerend. Via via kwam ik er achter dat er een plek was in een orthopedagogische instelling voor kinderen die ontspoord waren. Deze instelling viel onder Jeugdzorg Friesland. De voogd wilde hem daar niet plaatsen, omdat het te dicht bij huis was en hij bang was dat onze zoon nog meer de verkeerde kant op zou gaan. Ik was echter wanhopig omdat er al jaren sprake was van een crisis situatie. In alle andere instellingen waren er lange wachtlijsten tot wel twee jaar. Op het moment dat mijn zoon op het politiebureau zat, heeft het UMCG de voogd gebeld. De voogd heeft hem opgehaald van het bureau en hem weer naar school gestuurd. School wilde hem echter niet meer hebben en had hem zelfs al uitgeschreven. De school heeft de plicht om een vervangende school te zoeken, dit is niet gebeurd. Ook heeft de school geen melding gemaakt bij de leerplichtambtenaar. Dat heb ik zelf gedaan wat een enorme rel heeft veroorzaakt. Vervolgens heb ik melding gemaakt bij de voogd dat plaatsing op een school niet mogelijk was. De voogd probeerde wel in gesprek te komen met mijn zoon, maar dat lukte natuurlijk niet door de stoornis die mijn zoon heeft.

24

“HIERUIT BLEEK DAT JEUGD Z ORG GEEN IDEE HAD VAN DE P ROBLEMAT IEK.” Intussen ging ik bijna wekelijks naar het UMCG voor steun en begeleiding. Ik heb niets anders dan lof over het UMCG. Jeugdzorg moest er heel erg aan wennen dat zij met ouders moesten samenwerken. Daarbij vonden ze het nog eens extra lastig dat ik ook nog zaken zelf regelde. Op een gegeven moment heb ik Family First gebeld omdat wij als gezin kapot gingen. Mijn jongste zoon leed heel erg onder de thuissituatie en dat wilde ik niet langer. Hierover was de voogd zeer verbolgen. Family First was zeer actief en was binnen no-time bij ons thuis om de situatie te scannen. Zij stelden vast dat het onmogelijk was om onze oudste zoon thuis te houden. Eindelijk vond ik begrip en erkenning. Family First heeft ervoor gezorgd dat de politie onze zoon thuis heeft opgehaald en heeft dit ook begeleid. Family First heeft ook de voogd gebeld en geëist dat hij voor een plek in een instelling zou zorgen. Toen kwam er eindelijk actie en is mijn zoon als crisis interventie bij een particulier initiatief ondergebracht in afwachting van een plek in een instelling. Wij hebben heel veel steun en begeleiding gehad van Family First.

“HET CONTACT MET JEUGD Z ORG VOELDE ALS EEN GEVEC HT NAAST H ET GEVEC HT MET MIJN Z OON. ” Twee weken voordat mijn zoon in de instelling kon worden geplaatst, heeft de crisis interventie mijn zoon op straat gezet. Wij hebben hem toen maar opgehaald, want het was weekend. Wij konden met niemand contact opnemen en je zet je kind niet op straat. Hij is twee weken thuis geweest en toen is hij in de instelling geplaatst. Ook daar moest ik uitleggen wat PDD-NOS was. Er was duidelijk een gebrek aan kennis. Er werd niet naar mij geluisterd en afspraken werden niet nagekomen. Deze opname heeft 2,5 maanden geduurd. In die periode heeft hij twee time-outs gehad en is hij een paar keer weggelopen.

“DE INSTELLING GAF AAN DAT Z IJ WAREN UITBEHAN- Ondertussen heeft op initiaDELD EN WIJ KREGEN ON Z E tief van Family Z OON WEER THUIS. ”

First een gesprek plaatsgevonden met de voogd, omdat er geen vertrouwen meer was. Uiteindelijk is er een andere voogd toegewezen. Dit was een daadkrachtige vrouw en zij stelde vast dat het niet goed ging met onze zoon in de instelling. Zij heeft op voorhand een rechtelijke machtiging (RM) voor een gesloten instelling aangevraagd. De RM is ook uitgesproken en in de tussentijd woonde onze zoon thuis. Family First trok zich hierna terug. We moesten op zoek naar een andere instelling en tot onze verbazing hoorde wij dat er vijfhonderd wachtenden voor ons waren. Dit kon ik niet geloven. Het kan toch niet waar zijn dat zeer ernstig ontspoorde kinderen zo lang moeten wachten? Gedurende de wachttijd was er thuis voortdurend sprake van crisis op crisis.


“ W I J H EBBEN I N DEZE PERI ODE VEEL STEUN GEHAD VAN DE POL I TI E EN WAS ER MET HEN EEN GOEDE SAMEN W ERK I NG .” Mijn zoon was inmiddels ruim 16 jaar en op een dag ontstond er een grote crisis. Hij bleek met een groot keukenmes door het dorp te lopen op zoek naar zijn vader. De politie is ingeschakeld en die heeft hem gevonden en meegenomen. Thuis was het één grote chaos. Jeugdzorg is gebeld en er is crisis opvang voor drie maanden geregeld in de jeugdgevangenis in Breda. Tijdens deze periode is onze zoon voor twee instellingen aangemeld.

“ BEI DE I NSTELL I NGEN W EI GERDE n HEM OP GROND VAN H ET FEI T DAT ZI J EEN TWEE JAR IG BEHANDELPLAN BODEN EN ON Z E Z OON OVER ANDER H ALF JAAR AC H TTI EN ZOU WORDEN. ” Als ouder is de kromheid van deze redenering niet te snappen. Na drie maanden konden wij onze zoon weer ophalen en kwam hij weer thuis te wonen. Doordat Jeugdzorg niet in staat was hem te plaatsen, werd er door justitie ingegrepen. Intussen was er ook een strafrechtelijk proces op gang gekomen. Justitie wilde hem in Forensisch Centrum Teylingereind plaatsen, maar dat sloot niet aan

bij de problematiek van onze zoon. Wij werden behoorlijk onder druk gezet door Jeugdzorg om deze plek toch te accepteren. Bovendien was er ook geen alternatief. Zes weken na deze opname was er een eerste gesprek en na drie maanden mocht hij weer naar huis. De instelling stelde dat er geen sprake was van PDD-NOS en dat hij prima functioneerde. Bovendien hoorde hij daar niet thuis omdat deze instelling voornamelijk zwakbegaafde jongeren opvangt. Hij kwam dus weer naar huis. Ondertussen had de voogd een functie elders aanvaard en kregen wij te maken met weer een nieuwe voogd. Deze voogd stelde voor om onze zoon te laten gaan samenwonen met zijn vriendinnetje. Dit heeft een halfjaar geduurd voordat deze relatie stuk liep. Hij heeft toen een tijd bij ons in de buurt op straat gezworven. Wij kregen het advies van de politie om schriftelijk vast te leggen dat wij hem niet langer in huis wilden hebben. Op het moment dat hij binnen kwam, waren er altijd escalaties. Wij moesten hem de toegang weigeren tot ons huis. Wij zijn toen consequent aangiftes gaan doen met als doel om hem gedwongen op te laten nemen in een psychiatrische instelling. In deze tijd was onze zoon behoorlijk psychotisch. Ondertussen was hij achttien jaar geworden en houdt de jeugdpsychiatrie en Jeugdzorg op.

25


Inmiddels was ons huwelijk door alle spanningen en stress stuk gelopen. De vader verdween volledig uit beeld. Mijn jongste zoon ontspoorde ook door alle toestanden thuis. Ik had contact gekregen met GGZ Drachten omdat feit dat ik een klacht heb ingediend bij de Inspectie voor Volksgezondheid. Dit heb ik in overleg met UMCG gedaan. De Inspectie heeft mijn klachten zeer serieus opgepakt. Toen mijn zoon bijna 19 jaar was, is hij uiteindelijk gedwongen opgenomen voor de duur van een half jaar. Ook daarna was er geen vervolg oplossing. Hij kon naar de ambulante zorg, maar hij is een zorgweigeraar. Zijn dossier werd gesloten en ik kon het verder uitzoeken. Zo hebben we met z’n drieën nog 4 à 5 jaar doorgemodderd en heb ik zelf weer een burnt-out gehad. Hiervoor ben ik onder behandeling gegaan bij GGZ.

“d e o u dst e was uit behand e ld e n weigerde iedere vo rm van me d icat ie en de jo ngst e had d r ing e nd hu l p no dig.”

26

Hij trok zich steeds meer terug en heeft uiteindelijk een poging tot zelfmoord gedaan. Hij is toen een tijdje opgenomen en is uiteindelijk weer thuis gekomen en ging gedrag vertonen van mijn oudste zoon. Dit heeft tot een escalatie geleid waarbij de twee jongens elkaar zijn aangevlogen. De jongste zoon is toen bij zijn vader gaan wonen. Dit liep binnen twee maanden fout en hij is toen in de daklozen opvang terecht gekomen. De oudste zoon is op zichzelf gaan wonen. Zelf ben ik mijn huis uitgevlucht en tien weken elders doorgebracht om tot rust te komen. Inmiddels heb ik een nieuwe partner gevonden die mij enorm steunt in de begeleiding van de oudste zoon. Met de jongste zoon is helemaal geen contact meer, want dat wil hij niet. Het hele systeem heeft overal, gefaald inclusief Jeugdzorg. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de wet- en regelgeving waarbij mensen niet meer gedwongen kunnen worden opgenomen. Al met al heeft dit hele traject tien jaar geduurd. Zelf krijg ik nog altijd begeleiding van de GGZ.


interview 4

PLEEGMOEDER MET HULPVRAAG Ik ben een alleenstaande moeder van twee kinderen die al het huis uit zijn. Op een gegeven moment verhuisde mijn buurvrouw weer terug naar Suriname. Haar gezin stond al onder toezicht van de Raad van Kinderbescherming en Jeugdzorg. Het gezin had al een voogd in Amsterdam. De jongste zoon (13 jaar) wilde niet mee terug naar Suriname en zijn moeder vroeg mij om haar zoon in huis te nemen. Hiertoe was ik wel bereid. Zodoende kwam ik in contact met Jeugdzorg en met de Raad van Kinderbescherming. De Raad van Kinderbescherming heeft een gesprek met mij gehad om te bezien of ik de jongen in huis kon nemen. Ik heb toen aangegeven dat ik zelf geen voogd wilde worden, omdat ik daarvan de consequenties niet kon overzien. Ik werd dus feitelijk een soort pleegmoeder. Ik heb verteld hoe ik mijn kinderen heb opgevoed en dat ik vrij streng ben in de opvoeding. Er is een verklaring van goed gedrag voor mij opgevraagd. Zowel de moeder als de zoon hebben een verklaring ondertekend dat zij wilden dat ik de zoon verder zou groot brengen. De jongen was toen dertien jaar oud en was al in de puberteit. De jongen was een klein bang vogeltje en was erg terug getrokken. Ik vond het van belang om gelijk duidelijk mijn grenzen aan te geven. Ik heb contact gezocht met de voogd die al toegewezen was aan het gezin om meer te weten te komen over de situatie van het gezin. Ik vroeg mij af waarom de directe familie het kind niet in huis nam. Per slot van rekening was ik een relatieve buitenstaander. Met de Raad van Kinderbescherming is afgesproken dat de jongen een voogd in Friesland toegewezen zou krijgen, omdat Amsterdam niet praktisch is. De jongen is in de zomervakantie bij mij komen wonen. Jeugdzorg nam geen contact op.

“j e ug d zorg ne e mt we inig initi at i ef.” Ik heb diverse keren naar Jeugdzorg gebeld. Ik vond het van belang dat de jongen direct na de schoolvakantie op een nieuwe school zou beginnen. Ik heb daarom zonder hulp van Jeugdzorg een school uitgezocht en hem ingeschreven. Bovendien heb ik alle praktische zaken zoals een fiets en schoolboeken voor hem geregeld. Vervolgens kreeg ik van school de mededeling dat ik hem niet in kon schrijven, omdat ik zijn voogd niet ben. Ik heb 2 à 3 keer per week contact met Jeugdzorg gezocht om te vragen of er nu al een voogd was aangesteld en wanneer ik deze kon ontmoeten. In deze periode heb ik geen ondersteuning gehad van Jeugdzorg, terwijl er veel zaken geregeld moesten worden. Bij de voogd in Amsterdam kon in niet meer terecht, want die had het dossier al overgedragen.

“DE FINANCIËLE AF HANDELING HIERVAN HEEFT HEEL LANG OP Z ICH LATEN WAC HTEn. ” Dat vond ik vooral voor de jongen erg pijnlijk. Er waren hem veel dingen beloofd zoals een fiets en schoolspullen. Die heb ik zelf allemaal voor hem aangeschaft. Uiteindelijk is de nieuwe voogd na 2,5 maand met mij komen kennis maken. Het eerste gesprek verliep goed en zij stelde voor om een vervolg gesprek te hebben met de jongen erbij. Dat vond ik een prima idee, want het was hem niet duidelijk waarom hij een voogd nodig had. Hij had immers niets verkeerds gedaan.

27


Via de Stichting Leergeld werd mij duidelijk dat ik financiële ondersteuning kon krijgen bij de opvoeding van mijn pleegkind. Via deze stichting kwam ik in contact met iemand uit de politiek. Die was zeer verbaasd over de gang van zaken. Ik heb toen contact opgenomen met Jeugdzorg en heb een gesprek met hen gehad samen met de politieke vertegenwoordiger. Jeugdzorg heeft dit niet op prijs gesteld, omdat er kritische vragen werden gesteld. Jeugdzorg verwees mij voor financiële ondersteuning door naar Jeugdhulp. Jeugdzorg wilde mij gaan begeleiden bij de opvoeding, terwijl ik dat helemaal niet nodig vond. Ik had immers al mijn eigen kinderen groot gebracht zonder hulp van Jeugdzorg. Ik zei dat ze beter hun focus op het kind konden richten, want het kind had hulp nodig.

“ DE HULP RI CH TTE ZI CH DUS OP M IJ, TERWIJL IK K WA M VOOR H UL P VOOr DE JONGEN . ” Ik heb de voogd gevraagd om mij te betrekken bij de gang van zaken rondom school. Dit werd door de voogd ook gedaan en mijn contact met de voogd verliep zeer goed. Gesprekken met de school werden door ons samen gevoerd en er was sprake van samenwerking. Er waren wat problemen tussen de jongen en de docent en dat wilde ik oplossen voordat dat verder escaleerde. Verder was er weinig begeleiding voor de jongen door de voogd. Als er contact was tussen de jongen en de voogd, was dat op initiatief van de jongen. Meestal omdat hij dingen nodig had of wilde hebben. Er waren geen gesprekken over hoe het nu met hem ging.

“ J EUGDZORG NEEMT W EI NIG INITIAT IEF.” Na verloop van tijd bleek de jongen een gespleten persoonlijkheid te hebben. Hij gedroeg zich heel anders op school dan thuis. Ik herkende de verhalen van de docent helemaal niet. Ik ging regelmatig naar school om te praten over de problemen. Later bleek er een kern van waarheid te zitten in het verhaal van de docent en bleek er veel meer te spelen. Hij bleek op school te liegen over de situatie bij mij thuis. Op een gegeven moment is hij weg gelopen, hij wilde terug naar Amsterdam. Achteraf gezien denk ik dat ik te streng ben geweest en wilde hij de vrijheid hebben. Hij heeft iedereen voor de gek gehouden. Hij is naar Jeugdhulp gegaan en heeft gezegd dat hij niet langer bij mij wilde wonen. Ik zag het totaal niet aankomen. Een medewerker van Jeugdhulp is naar mijn huis toegekomen en heeft verteld dat de jongen in een opvanghuis zou worden geplaatst, omdat er sprake zou zijn van een crisis situatie. Ik snapte helemaal niet wat er aan de hand was. De jongen had verteld dat hij zich niet veilig voelde en bedreigd was door mijn zoon, die in het weekend thuis was geweest. Er is in dat weekend niets voorgevallen. Mijn zoon is zelfs samen met de jongen naar de McDonalds geweest. Ik heb zijn kleding meegegeven en ben er vanuit gegaan dat na het weekend contact

28

met mij zou worden opgenomen. Ik heb de moeder van de jongen in Suriname gebeld om haar te informeren over de situatie. De voogd heeft mij pas na twee weken gebeld. Zij vroeg mij of ik de jongen weer terug in huis wilde nemen en gaf aan dat hij de hele boel in de maling had genomen. Ik heb gezegd dat de jongen uiteraard welkom was. Ik heb het de voogd wel zeer kwalijk genomen dat zij het

“J EUGD Z ORG NEEMT HET VERHAAL VAN HET P LEEGKIND VOETSTOOTS AAN Z ONDER DIT TE VERIFIËREN B IJ DE P LEEGOUDER..” verhaal van de jongen niet bij mij heeft geverifieerd. Dit terwijl daarvoor wel sprake was van samenwerking. Ik heb veel in de jongen geïnvesteerd en heb alles gedaan om hem een kans op een goede toekomst te even. Dat wat de jongen vertelde, werd voor waar aangenomen. Jeugdzorg en Jeugdhulp hebben het kind als een volwassene behandeld, terwijl ik als een kind werd behandeld. Pleegzorg is al die tijd niet in beeld geweest. Na het laatste gesprek met de voogd heb ik niets meer vernomen. De jongen is niet meer terug naar huis gekomen. Ik ben door niemand op de hoogte gebracht over hoe het met de jongen gaat. Zijn moeder heeft mij wel gebeld om mij te bedanken en om te zeggen hoe jammer zij het vond dat haar zoon zich had misdragen. Zij was ervan overtuigd dat haar zoon Jeugdzorg voor de gek had gehouden. Ik heb via de moeder gehoord dat de jongen nu in Amsterdam woont bij een oudere broer. Ik vind de wijze waarop Jeugdzorg met mij is om gegaan helemaal niet netjes. Het heeft mij heel erg pijn gedaan want ik had het beste met de jongen voor. Ondanks deze negatieve ervaring heb ik via stichting Nidos uit Groningen, onafhankelijke (gezins-)voogdij instelling die op grond van de wet, de voogdijtaak uitvoert voor Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers, toch weer een jongen opgevangen, dit keer uit Somalië. Tijdens het eerste gesprek met de jongen hebben wij duidelijke afspraken gemaakt. Dit gaat heel erg goed. Ik leer hem koken en ook zijn Nederlands is goed vooruit gegaan. De contacten met Nidos en de voogd van deze jongen verlopen heel erg goed. Er is regelmatig telefonisch contact met de voogd en de manager van Nidos, meestal op hun initiatief. Er is sprake van samenwerking en een goede begeleiding. Ook is er sprake van wederzijds respect. De voogd is al een paar keer op huisbezoek geweest. De voogd heeft ook 1-op-1 contact met de jongen. Er is regelmatig contact tussen Nidos en de school van de jongen en zij hebben duidelijke afspraken gemaakt. Hierover krijg ik altijd een terugkoppeling. Ook ik heb zeer goede contacten met de school en is er sprake van goed overleg. Nidos zoekt nu een zelfstandige woonruimte voor de jongen. Ik heb aangegeven dat de jongen tot die tijd bij mij kan blijven wonen en dat ik hem daarna ook nog wil blijven begeleiden en bezoeken.


29


“ Ki n deren k u nnen niet gedwo ngen wor d e n opg e nome n. ”

“Me nse n vr ag e n voor e e n b e pe r k t d e e l hulp e n d it wor dt d oor Je ug d zorg d ir ect in d e he le g e zinsb r e e dte g etrok k e n.”

“ Het m a n agement heef t g een p r a k tij kervaring en ov erru l ed de behandel a a r s . ” “De b e hand e laar van Je ug d hulp k r ij gt slechts ze s maand e n d e tij d om d e proble matie k in e e n g e zin op te losse n. Di t tij d sbe ste k is ve e l te kort om r e sultate n te be hale n. ”

“ Ee n u it huis pl aats ing wor dt vaak e e n d oe l in plaats van een mi ddel om een kind te he lpe n. ”

“Je be nt afhank e lij k of je d e juiste me nse n op het juiste mome nt teg e n komt.”

“ Bij de to ewijzi ng van OTS kr ij g e n o u de r s al l een prakt is che infor matie . O u de r s krij gen geen begel eid ing van een o n af hankel ij ke v ert ro uwe nspe rsoon.”

“ De b u reau c rat ie is uits lu it end t en be hoeve van het ve ilig ste lle n van d e subsidi e.”


interview 5

ADVOCAAT BIJ KINDERRECHTZAKEN Ik ben advocaat en ik doe vrij veel kinderrechtzaken. Dat is in de loop van de jaren zo gegroeid. In het verleden heb ik ook wel kinderstrafzaken gedaan. Het is evident dat er in een aantal gezinnen onvoldoende mogelijkheden zijn om kinderen goed op te voeden en dat hetzij een Onder Toezicht Stelling (OTS) hetzij in ernstige gevallen een uithuis plaatsing nodig is. Ik kan niet aan de hand van een mail vaststellen of mensen al dan niet terecht met een uithuis plaatsing te maken krijgen. Ik neem alleen zaken aan in deze regio. Ik kan mij heel goed voorstellen dat mensen mij als laatste strohalm proberen vast te grijpen, omdat zij een mogelijke uithuis plaatsing als zeer bedreigend ervaren.

“ALS J EUGDZORG EENMAAL DE MAC HT HEEFT B I NNEN EEN GEZI N, WORDT DI T NIET MAKKELI JK MEER AFGESTAAN.” In de laatste jaren krijg ik uit de zaken die ik behandel steeds meer de indruk dat als Jeugdzorg eenmaal de macht heeft, dit niet makkelijk meer wordt afgestaan. Dit is ongetwijfeld een subjectieve waardering, want Jeugdzorg zal aangeven dat hun houding is ingegeven door oprechte zorg over de ontwikkeling van de kinderen. Ik neem aan dat de medewerkers van Jeugdzorg dit ook daadwerkelijk zo ervaren. Bevind je je echter aan de andere kant en je leest de rapportages dan snap je niet altijd goed wat er nu aan de hand is. De ene ouder gaat nu eenmaal anders met zijn/haar kinderen om dan de andere ouder. De volmaakte ouders bestaan immers niet. Een zeer eenduidig recept over hoe je kinderen moet opvoeden is er nu eenmaal niet. Er zijn uiteraard wel basis principes die voor iedereen gelden: een kind moet gevoelens van warmte, waardering en liefde ondervinden en het is evident dat er een zekere basisverzorging moet zijn. Gezinsvoogden hebben vaak vastomlijnde ideeën over hoe de verzorging en opvoeding ingevuld zouden moeten worden. Zij hebben er vaak moeite mee om deze ideeën wat te relativeren en te accepteren dat het ook op een andere manier kan. Er wordt een voorbeeld gegeven van een zaak waar de advocate mee bezig is van een alleenstaande moeder met drie kinderen van drie verschillende vaders. Moeder heeft zelf de hulp ingeroepen van Jeugdzorg voor haar middel-

ste kind. Dit heeft ertoe geleid dat de twee oudste kinderen een OTS en een uithuis plaatsing hebben gekregen. Met het jongste kind is eigenlijk niets aan de hand en alleen in beeld bij Jeugdzorg wegens de oudste twee kinderen. Jeugdzorg heeft ook voor het jongste kind OTS aangevraagd, terwijl hier naar mijn mening geen grond voor is. Ik ga ervan uit dat uit oprechte zorg voor de kinderen wordt gehandeld. Dit betekent echter wel dat mensen die vol vertrouwen naar Jeugdzorg gaan met hun zorgen de “kous op de kop” krijgen in de vorm van een OTS of eventueel een uithuis plaatsing. Ik ben geneigd - en dat heb ik ook wel eens gezegd tegen ouders – om ouders te adviseren om eerst naar de huisarts te gaan en een doorverwijzing voor een particuliere psycholoog te vragen in plaats van de geëigende weg te nemen en naar Jeugdzorg te gaan. Als je namelijk één keer bij Jeugdzorg zit, kom je er heel moeilijk vanaf. Ik vind dit een zeer slechte zaak, want het betekent dat de Jeugdzorg in het vrijwillige kader eigenlijk ondergraven wordt. Deels wordt dit veroorzaakt door Jeugdzorg zelf, want zij sturen door naar het onvrijwillige kader.

“M ENSEN DIE VOL VERTROUWEN NAAR JEUGD Z ORG GAAN MET HUN Z ORGEN KRIJGEN DE KOUS OP DE KOP IN DE VORM VAN EEN OTS OF EVENTUEEL EEN UITHUIS P LAATSING .” Er wordt nog een voorbeeld gegeven van een gezin met vier kinderen waarvan de vader het gezin verliet op het moment dat moeder net een ongeluk had gehad en met een hersenschudding en gebroken ribben op bed lag. De moeder riep vrijwillig de hulp in van Jeugdzorg om haar met de kinderen weer op de rit te krijgen. Op een gegeven moment had moeder het gevoel dat zij het verder weer alleen aankon en gaf bij Jeugdzorg aan dat zij het traject als beëindigd beschouwde. Jeugdzorg stelde zich echter op het standpunt dat dat niet zomaar ging en dat moeder niet kon besluiten dat er geen hulp meer nodig was. Jeugdzorg heeft een procedure voor OTS voor alle kinderen aangespannen. Het lijkt dus zo dat als je eenmaal met Jeugdzorg in aanraking bent geweest, je er niet zomaar vanaf komt. Hierbij teken ik wel aan dat ik alleen te maken krijg met mensen die dit ook zo ervaren.

31


“ J EUGD Z ORG H EEFT ER FI NANCI EEL BELANG BIJ OM GEZ I NNEN ZO LANG MOGELI JK AAN Z ICH TE B I NDEN.” Mensen vragen voor een beperkt deel hulp en dit wordt door Jeugdzorg direct in de hele gezinsbreedte getrokken. Dat is wat ik ervaar bij mijn cliënten. Nogmaals het betreft hier wel een selectie van alle mensen die bij Jeugdzorg terecht komen. Er mag echter niet uit het oog worden verloren dat Jeugdzorg er een financieel belang bij heeft om cliënten zo lang mogelijk vast te houden. Ik kan me voorstellen dat als je toch al bij een gezin bent, de financiële kant mooi is meegenomen. Ik weet niet in hoeverre gezinsvoogden in geld denken.

“ K I NDERREC H TERS H EBBEN SLECHTS EEN Z EER BEPERKTE TI JD OM DOSSI ERS TE BEHANDELEN EN U I TSPRAAK H I EROVER TE DOEN. ” De rol van de kinderrechters is heel verschillend in deze situaties. Er zijn kinderrechters die heel kritisch zijn en niet klakkeloos de rapportages van de gezinsvoogden accepteren. Zelf betrap ik mij er wel eens op dat bij het lezen van het dossier van Jeugdzorg danwel de Raad van Kinderbescherming een bepaald beeld ontstaat van een gezin. Als ik echter het gezin zelf spreek, moet ik dit beeld vrij vaak bijstellen ten gunste van het gezin. Het punt is echter dat het een alleen sprekende rechter is, die een enorme bulk dossiers moet behandelen binnen een zeer beperkte tijd per zaak. Het zal een rechter niet veel anders vergaan dan mij als hij een dossier leest. Hij kan zich helemaal voorstellen dat een OTS nodig is.

“ MENSEN KOMEN VAAK ZONDER ADVOCAAT NAAR EEN ZI TTI NG , OMDAT H EN IS VERTELD DAT DAT N I ET NODI G I S.” De rechter ziet gedurende de duur van de rechtszaak (meestal zo’n twintig minuten per zaak) een cliënt die in de meeste gevallen zonder advocaat komt. Mensen voelen zich in deze setting vaak helemaal niet op hun gemak. De rechter kan de tijd nemen om zijn uitspraak te overwegen, maar in de meeste gevallen wordt direct uitspraak gedaan. In veel gevallen wordt de OTS toegekend en wordt de uithuis plaatsing nog enige tijd aangehouden. Bij een meervoudige Kameruitspraak wordt geen uitspraak op de zitting gedaan. Men moet dan met elkaar gaan overleggen en is er dus meer tijd.

“ DE KANS DAT EEN OTS OF UI TH UIS P LAATSING WORDT TOEGEW EZEN I S VEEL GROTER DAN DAT NAAR DE CLI ËNT WORDT GELUISTERD.” Ik denk dat het theoretisch gezien het mooiste zou zijn als alle zaken door een meervoudige kamer zouden worden behandeld, omdat het een zware ingreep is. Ik denk ook dat het wenselijk zou zijn dat er automatisch een advocaat wordt toegewezen als het gaat om een OTS en uithuis plaatsing. Ik realiseer me dat hieraan hoge kosten zijn verbonden. Aan de andere kant vind ik het onterecht dat mensen geen juridische bijstand hebben of krijgen bij zo’n belangrijke beslissing. Er zou in ieder geval een onafhan-

32

kelijk iemand moeten zijn die voor de belangen van het gezin opkomt. De gezinsvoogd lijkt niet meer onafhankelijk te zijn, omdat OTS niet meer een laatste redmiddel lijkt te zijn maar een machtsmiddel. Het komt regelmatig voor dat mensen helemaal niet ter zitting verschijnen. De reden hiervoor is vaak dat een gezinsvoogd heeft gezegd dat ze niet hoeven te komen omdat het alleen maar om een verlenging gaat. De gezinsvoogd zegt ook vaak dat juridisch bijstand niet nodig is en dat het gezin zelf het verhaal wel kan vertellen. Formeel gezien is dit natuurlijk ook wel zo, maar zonder juridische scholing is het bijna niet te doen om het dossier van de Jeugdzorg onderuit te halen. De informatievoorziening naar de ouders laat in ieder geval zeer te wensen over.

“HET IS GEEN OBJECTIEVE RA P P ORTAGE WAAROVER DE RECHTER EEN OORDEEL VELT.” Ik vind dat gezinsvoogden over het algemeen zeer stellig zijn in hun verzoek aan de rechtbank en de onderliggende rapportages. Dat is zeker niet altijd terecht. Gezien de korte tijdsspanne die een rechter per dossier ter beschikking heeft, maakt dit dat de kans hierdoor wordt vergroot dat de gezinsvoogd zijn zin krijgt en dat zijn verzoek wordt toegewezen. Het is geen objectieve rapportage waarover de rechter een oordeel velt. Er zit al een waardeoordeel van de gezinsvoogd in de rapportage. Wat wellicht ook meespeelt, is dat gezinsvoogden veel vaker in de rechtszaal zijn dan advocaten. Op een gegeven moment heeft een gezinsvoogd een bepaalde reputatie opgebouwd bij een rechter. Dan weegt het oordeel van een gezinsvoogd zwaarder dan dat van een cliënt. Iedere gezinsvoogd neemt ook zijn eigen opvattingen mee, maar dat geldt ook voor rechters en advocaten.

“IN DE P RAKTIJK WORDT OTS VAAK GEBRU IKT ALS MAC HTS MIDDEL OM MENSEN TE LATEN DOEN WAT DE HUL P VERLENER WIL DAT Z E DOEN .” Ik ben bang dat de macht en het onder controle willen houden van een gezin een rol speelt bij de gezinsvoogden. Ik heb soms het gevoel dat gezinsvoogden op heel jonge leeftijd instromen bij de organisatie en taken krijgen toebedeeld die te zwaar zijn voor mensen die net van school af komen. Ik kan me voorstellen dat deze gezinsvoogden op safe spelen omdat zij niet goed kunnen inschatten wat er met een gezin gebeurt als zij het los laten. Na de zaken van Savannah en het meisje van Nulde zijn er veel meer OTS-en en uithuis plaatsingen gekomen. Men is verschrikkelijk op z’n hoede.

“ALLEEN MENSEN MET EEN BEPAALD Z ICHT OP P ROBLEMEN KUNNEN GEZ INSVOOGD Z IJN. ” Ik denk eigenlijk dat je alleen mensen met een bepaald zicht op problemen gezinsvoogd moet laten zijn en niet direct in paniek zijn als iets van de regels afwijkt. Aan de andere kant verwacht de maatschappij wel van de gezinsvoogden dat zij zich aan regels en procedures houden. Ten aanzien van protocollen wordt alleen door Jeugdzorg


zelf gecontroleerd of deze worden nageleefd. De rechters en advocaten hebben geen kennis van de inhoud van deze protocollen. Ik kan me voorstellen dat een de subsidieverstrekker controleert of de protocollen daadwerkelijk worden nageleefd. Protocollen en uitvoeringsbeleid spelen bij beroep- en bezwaarprocedures een grote rol. Bij bestuursrecht wordt getoetst op beleid, maar bij kinderrechterzaken echt niet.

“ J EUGDZORG I S EEN VR I JW I LLI GE VOORDEUR, MAAR I N DE PRAKTI JK W ERKT HET ALS EEN SOORT FU I K WAARDOOR MENSEN TEREC HT KOMEN I N DE GEDWONGEN H ULP VERLENING ”

Een OTS of een uithuis plaatsing raakt heel diep in funda-

mentele rechten van iemand. Er staat niet voor niets in de wet dat een OTS alleen uitgesproken kan worden als er geen andere mogelijkheden zijn om de bedreigingen voor het kind weg te nemen. In de praktijk wordt OTS vaak gebruikt als machtsmiddel om mensen te laten doen wat de hulpverlener wil dat ze doen. Je krijgt de indruk dat in gevallen waarvan Jeugdzorg denkt dat het niet optimaal gaat er een OTS moet komen, want elk kind heeft recht op de meest perfecte opvoeding. Dat kunnen we wel met z’n allen vinden, maar we kunnen net zo goed vinden dat alle mensen minimaal recht hebben op een modaal inkomen. In de praktijk is dit gewoonweg niet haalbaar. Daarbij komt nog dat iedereen iets anders verstaat onder een ideale situatie. Jeugdzorg is een vrijwillige voordeur, maar in de praktijk werkt het als een soort fuik terecht waardoor mensen terecht komen in de gedwongen hulpverlening. Zo ervaren althans veel mensen het wel.

33


interview 6

GESCHEIDEN VADER MET OMGANGSREGELING VOOR ZOON In 2000 ben ik gescheiden en is mijn zoon toegewezen aan mijn ex-vrouw. Inmiddels heb ik een nieuwe partner. Er werd door de rechtbank een standaard omgangsregeling vastgesteld waarbij ik mijn zoon eens in de twee weken op zondag zou zien. Ik ben volledig financieel verantwoordelijk voor mijn zoon. Mijn zoon is nu twaalf jaar oud. De omgangsregeling met mijn zoon verliep niet goed. Na verloop van tijd heb ik hierover zelf contact gezocht met de Raad voor Kinderbescherming te Leeuwarden. Ook heb ik melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Er is toen gezegd doe rustig aan en laat moeder en kind wennen aan de nieuwe situatie. Dat advies heb ik overgenomen omdat ik zelf ook zag dat het op dat moment ten koste ging van het kind.

“ T I J DEL I J K AFGEZI EN VAN OMGANGSREGELING OP ADV I ES VAN RAAD VAN KI NDERBESCHER MING . ” Ik heb dus tijdelijk afgezien van omgang met de bedoeling om de omgangsregeling na verloop van tijd weer op te starten. Sindsdien is het mis gegaan. Mijn ex-vrouw heeft altijd geroepen dat zij ervoor zou zorgen dat ik mijn kind nooit meer zou zien. Mijn zoon werd dus ingezet als machtsmiddel in haar strijd tegen mij. Deze conclusie is ook door de Raad van Kinderbescherming getrokken. Na vier jaar heb ik weer een omgangsverzoek ingediend. In dit verzoek heb ik uitgelegd dat ik het advies van de Raad had opgevolgd en dat ik hoopte dat de Raad mijn zoon zou blijven volgen, hem zou voorbereiden op een herstelcontact en ook moeder daarbij zou helpen. Het was toen echter een kwestie van dat ik van contact had afgezien dus men wilde het verder zo laten. Mijn handelen was echter op gebaseerd op het advies van de Raad. Er werd vervolgens niets ondernomen door de Raad wat tot gevolg had dat ik weer naar de rechtbank moest. Mijn ervaring is dat je als vader buiten spel staat. Je moet de alimentatie betalen anders krijg je het Landelijk Bureau “ALLEEN ALI MENTAT I E BETALEN , VERDER H EB JE Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO), op je dak en verder heb je niets te N I ETS TE ZEGGEN .” zeggen. Foto’s, brieven of informatie over school krijg je als vader

34

niet. Ik moest een advocaat inschakelen om op te komen voor mijn recht op omgang en informatie. De Raad beschuldigt mij er vervolgens van dat ik de strijd levendig houd wat ten koste van het kind gaat. Het is dus in belang van het kind dat de vader buiten beeld blijft. Ik spreek liever over de ‘Raad van Moederbescherming’.

“DE RAAD VOOR KINDERBESCHER M ING KIEST DE KANT VAN DE MOEDER. ..” Ik wilde geïnformeerd worden over het wel en wee van mijn zoon op school. De school is ook verplicht om de niet-verzorgende ouder te informeren. Op een gegeven moment had ik een goed contact opgebouwd met de school en werd ik op gezette tijden geïnformeerd. Toen mijn ex-vrouw daar achter kwam, heeft zij zonder overleg met mij mijn zoon op een andere basisschool geplaatst. De Raad van Kinderbescherming stelde zich op het standpunt dat wij twee strijdende partijen waren en dat zij niet aan waarheidsvinding deden. Wij moesten maar ophouden met strijden. De rechtbank wees mijn verzoek tot het opstarten van de omgangsregeling in eerste instantie af en verwees ons naar een mediator. Mijn ex-vrouw wilde daar niet aan meewerken en zo moesten we weer naar de rechtbank. De rechter besloot om drie proefcontacten bij de Raad op te starten. Alle eisen van moeder daarin werden toegekend. Na één proefcontact heeft mijn ex-vrouw dit traject gestopt. Toen moesten we weer naar de rechtbank. De rechter besloot op advies van de Raad om de omgangsregeling te stoppen, omdat moeder zo halsstarrig bleef weigeren. Er werd duidelijk partij getrokken voor moeder en er werd totaal niet naar mijn omstandigheden gekeken. Tegen de uitspraak van de rechtbank ben ik in hoger beroep gegaan. Het hof heeft in 2007 vastgesteld dat er geen enkele reden was waarom het kind geen contact met mij zou mogen hebben. Het hof heeft een opbouwend contact voorgesteld waarop zowel moeder als kind zich konden voorbereiden. In al die tussenliggende jaren

“BIJ VEROORDELING VAN DE MOEDER WORDT DE STRAF NIET TOEGEPAST.”


is er geen enkel contact geweest tussen mij en mijn zoon. Het beeld van mijn zoon van mij was zeer negatief. Vanaf het moment dat het contact weer hersteld zou moeten worden, heeft moeder hieraan niet meegewerkt. Ik kreeg mijn zoon niet mee of ze waren niet thuis. Vanaf dat moment heb ik iedere keer melding gedaan bij de politie. De politie wilde het kind niet uit huis halen wat ik kon begrijpen.

“ W I J HEBBEN VEEL STEUN GEKREGEN VAN DE J EUGDCOÖRDI NATOR VAN DE POL ITIE.” De jeugdcoördinator heeft vervolgens Jeugdzorg ingeschakeld, omdat het helemaal uit de hand dreigde te lopen. Er is met ingang van september 2007 een onder toezicht stelling (OTS) uitgesproken met als doel begeleide omgang te bewerkstellingen. Het Leger des Heils werd aangewezen als de instantie die de OTS uitvoerde. In het begin verliep het contact met de voogd goed. Deze contacten verliepen uitsluitend telefonisch. In de daarop volgende maanden zijn er enkele omgangscontacten geweest. De omstandigheden tijdens deze contacten waren zo geforceerd dat dat totaal niet werkte. Moeder instrueerde zoon vooraf over hoe hij zich moest gedragen. Er was bij deze contacten altijd iemand aanwezig.

“ I K HEB MI JN KI ND NOOI T I ETS AANGEDAAN, MAAR SI NDS DE SC H EI DI NG WORD IK ALS EEN CR I MI NEEL BEH ANDELD EN MAG IK NIET ALLEEN MET MI JN KI ND ZI JN.” Er is zo ontzettend veel kapot gemaakt. Na drie omgangscontacten heeft een evaluatie plaatsgevonden waarna in februari 2008 een hofzitting volgde. Het hof was van oordeel dat de omgang voortgezet moest worden. Het contact met de voogd was intussen verslechterd. De voogd vond dat ik geen dwangsommen meer moest innen en aangiftes moest doen bij de politie. Ook vond de voogd dat ik de procedures moest stoppen in het belang van het kind. Je verkeert in een afhankelijkheidspositie dus je probeert van alles en je klampt je aan de laatste strohalm vast. In de loop der jaren leer je meer tegengas te geven tegen de voogd. In de twee jaar dat er OTS was, heeft de voogd het niet eens voor elkaar gekregen dat ik een foto van mijn kind kreeg. Aangezien de omgang moeizaam verliep werd een psychologe van de Geestelijke GezondheidsZorg (GGZ) als begeleider toegewezen. Om duidelijkheid te krijgen over het gedrag en de afwerende houding van mijn zoon tijdens onze contacten, heeft de GGZ psychologe een onderzoek uitgevoerd.

“ HET LEGER DES H EI LS H EEFT BESLOTEN OM DE OMGANGSREGEL I NG VOOR ANDERHALF J AAR TE BEË I ND I GEN.” Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft het Leger des Heils besloten om de omgangsregeling voor anderhalf jaar te beëindigen. Ik begrijp niet dat als de voorzieningenrechter bepaalt dat ik dwangsommen mag innen, als de strafrechter zegt dat mijn ex-vrouw een taakstraf krijgt vanwege het frustreren van de omgang en

als het hof stelt dat er geen enkele reden is om het kind geen contact met zijn vader te laten hebben dat het Leger des Heils de omgang zomaar kan stoppen. Het Leger des Heils heeft na twee jaar een aanvraag ingediend om de OTS te beëindigen, terwijl dit juridisch helemaal niet kan. Het Leger des Heils kan uitsluitend een aanvraag indienen om de OTS te toetsen. Ze hebben toen de formulieren aangepast en een aanvraag tot toetsing ingediend bij de rechtbank met het advies om de OTS te beëindigen. Zij hebben dus de macht om zelf een OTS te sturen en de rechtbank maakt zich er makkelijk vanaf. Er ligt nu een eindbeschikking van het hof om anderhalf jaar de omgangsregeling op te schorten. Als ik dit wil veranderen, zou ik weer een rechtszaak moeten aanspannen. Ik weet niet of ik de energie heb om dit te doen.

“LJNR SP REEKT BEWEZ EN ON WAARHEDEN.” Als ik tijdens de scheiding wist wat ik nu weet, was ik nooit aan dit traject begonnen. Ik heb altijd het gevoel gekregen dat ik maar een simpele ziel ben die het allemaal niet begrijpt en die het belang van het kind niet voorop stelt. Het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJNR), liegt gewoon. Dat heb ik zwart op wit staan. Hierover heb ik een klacht ingediend bij de landelijke klachtencommissie. De klachtencommissie was van het Leger des Heils en is niet onafhankelijk en onpartijdig. Eén van de leden is zelfs advocaat bij het Leger des Heils. Al mijn klachten zijn ongegrond verklaard.

“DE VOOGD TREEDT NIET OP ALS ONAFHANKELIJK P ERSOON DIE HET WELZ IJN VAN HET HELE GEZ IN VOOR STAAT.” De houding van de voogd van het LJNR is mij zeer tegengevallen. Ik had verwacht dat de voogd zich voor het gezin en dus ook voor mijn belangen in zou zetten. Van een voogd mag je toch een bepaalde onafhankelijkheid verwachten en dat hij erop toe ziet dat het goed gaat met het kind. De voogd heeft een ideale situatie voor ogen die in geen enkel gezin bestaat. Ook is het mij opgevallen dat de gezinsvoogden zeer jong en onervaren zijn. Het enige doel van LJNR is om zichzelf in stand te houden. Het is een geldverslindende instantie en er wordt geen recht gedaan. Het LJNR zou zich niet moeten bezig houden met Jeugdzorg, want zij hebben hier weinig ervaring mee. De enige reden waarom LJRN hier is ingesprongen, omdat reguliere jeugdhulp overstelpt werd met hulpvragen.

“ER Z IJN GROTE FINANCIELE BELAN GEN GEMOEID BIJ HET VERLENGEN VAN OTS.” Ze krijgen € 16.000,- per verlengde OTS dus er zijn enorme financiële belangen mee gemoeid. De voogd van LJNR heeft minimaal contact gehad met mijn zoon. Als er al contact was, was dit altijd in aanwezigheid van moeder. Meestal verliep het contact telefonisch. Het gaat helemaal niet om het belang van het gezin. Ik had verwacht dat de

35


voogd een vertrouwensband zou opbouwen met mijn zoon en hem zou laten inzien dat ik helemaal geen enge man ben. Het is toch van belang dat een kind een evenwichtig beeld kan opbouwen van beide ouders. Je verwacht een actievere rol bij de bewaking van het proces hoe een kind zijn ouder ziet. Op een bepaald moment had ik meer vertrouwen in de pastoor dan in LJNR. De pastoor heeft ons meer begeleid en gesteund dan LJNR. De pastoor kwam ook bij ons op eigen initiatief op bezoek. LJNR heeft een taak en een opdracht, maar zij voelen zich niet verantwoordelijk om die uit te voeren. Er is totaal geen proactieve opstelling. LJRN heeft nooit contact opgenomen met de pastoor, terwijl hij zowel voor mijn zoon als voor mij een vertrouwenspersoon is. Mijn ex-vrouw gaat nu verhuizen en verbreekt zo weer alle banden met mensen die zich inzetten om mijn zoon contact met mij te laten hebben. Als vader kan je niets anders dan dit alles met lede ogen te aanschouwen. Mijn

36

zoon gaat nu naar de middelbare school, maar ik wordt totaal niet betrokken in de schoolkeuze. Ik heb ook ouderlijke macht. Als ik dit wil afdwingen, zal ik weer naar de rechtbank moeten. De bal ligt altijd bij de vader en omdat ik altijd naar de rechtbank ga, zegt LJRN dat ik de strijd gaande houd. Mijn ex-vrouw heeft nu eenouderlijk gezag aangevraagd. Hierover volgt nu weer een juridische procedure. Alle procedures hebben enorm veel geld gekost en het heeft tot niets geleid. Alle uitspraken zijn een wassen neus, want moeder blijft toch halsstarrig weigeren.

“ALS NIET-VERZ ORGENDE OUDER KRIJ G JE GEEN RECHT.” Als ik nu iemand zou moeten adviseren die aan het begin van zo’n proces staat zou ik zeggen: werk niet mee aan een onderzoek en houd Jeugdzorg buiten de deur. Een moeder krijgt altijd haar zin. Probeer in beeld van het kind te blijven.


“ Bij een OTS van een gezin is de s it uatie voor d e school vr ij ond oor zichtig .”

“ Sa menwerking en co ntact is niet o f nauwel ij ks mo gel ij k.”

“Je ug d zorg ne e mt het ve r h a a l van het ple eg k ind voetstoots aan zond e r d it te ve r ifië r en bij d e ple eg oud e r . ”

“ O u de r s wo rden niet o n derst eu nd in ho e zij b et er met hun k i n d( e r en) om ku nnen g a a n i n g eval er s prak e i s va n e en u it huis p l a ats i n g .” “Me nse n d ie vol ve rtrouwe n naar Je ug d zorg g aan met hun zorg e n k r ij g e n d e kous op d e kop in d e vor m van e e n OTS of eve ntue e l e e n uithuis plaatsing . ”

“ Vo o g den handel en uit ang st e n wijk e n niet af van p roto co l l en.”

“A ls J eu gdzo rg eenmaal de macht h e e f t binnen een gezin, wo rdt d ie n i et makkel ij k meer af gesta an. ”

“ Je u g dz o rg komt af s praken niet na. “

“Na d e zak e n van Savannah e n het me isj e van Nuld e zijn e r veel me e r OTS-e n e n uith u i s plaatsing e n g e komen , omdat d e g e zinsvoo g d e n ve r schr ik k e lij k op hun hoe d e zijn.”


interview 7

GESCHEIDEN MOEDER VAN VIER KINDEREN Ik ben moeder van vier kinderen en ik ben ongeveer zes jaar geleden gescheiden. De scheiding is niet goed afgewikkeld. Zo was er geen omgangsregeling met de vader en de vader betaalde ook geen alimentatie. Achteraf hebben mijn ex-man co-ouderschap geregeld, omdat de kinderen structuur nodig hadden. Onze oudste zoon heeft ervoor gekozen om bij zijn vader te blijven wonen. Dit is niet goed gegaan en hij is vorig jaar uit huis geplaatst. Mijn jongste zoon is autistisch en woont doordeweeks in ‘vaders weken’ in de JP van den Bent stichting. Mijn dochter woont sinds oktober 2009 in een gezinshuis. Na de scheiding leerde ik mijn huidige partner kennen. Hij was ook gescheiden en hij heeft twee kinderen. Na enige tijd zijn wij gaan samenwonen. Tijdens mijn huwelijk was de Geestelijke GezondheidsZorg (GGZ) al in het gezin om ons te helpen met de kinderen.

“ MI J N DOC H TER KAN NI ET ALTI JD BI J MIJ WONEN.” Na de scheiding gingen de kinderen om de week bij hun vader wonen. De oudste woonde fulltime bij vader. Vader kon de situatie niet aan en heeft zelf contact met Jeugdzorg opgenomen met de vraag om hem te ondersteunen in de opvoeding. Jeugdzorg heeft hiervoor mijn toestem-

38

ming gevraagd. Jeugdzorg heeft toen Family First ingeschakeld om hulp te bieden. Mijn ex-man vond deze hulp niet goed genoeg en accepteerde dit aanbod niet op vrijwillige basis. Deze situatie duurde 1,5 tot 2 jaar. Op enig moment constateerde Family First dat de veiligheid van de kinderen niet gewaarborgd kon worden. Family First heeft dit aan Jeugdzorg gerapporteerd. Na deze rapportage zou je verwachten dat er direct actie ondernomen zou worden. Er gebeurde echter helemaal niets. Pas na maanden is mijn dochter bij hem uit huis geplaatst en is zij opgenomen in een pleeggezin. Mijn dochter is echter niet bij mij uit huis geplaatst. Mijn dochter kan niet altijd bij mij wonen, omdat de ene week mijn kinderen bij ons zijn en de andere week zijn de kinderen van mijn huidige partner bij ons. Wij hebben maar een kleine woning en het is organisatorisch ook niet te doen. Als we een uitzondering maken voor één kind, kun je andere kinderen niet weigeren. Dit was een hele moeilijke keus. Het was nog een heel probleem om een pleeggezin te vinden waar mijn dochter om de week kon wonen.

“BIJ ELKE INSTANTIE MOET JE WEER J E HELE VERHAAL VERTELLEN .” Zoals gezegd was GGZ al tijdens mijn huwelijk betrokken bij de begeleiding van onze kinderen. Er was dus al een


dossier bij GGZ en vervolgens werd Jeugdzorg en later Jeugdhulp ingeschakeld, waarbij door iedere instantie apart ook weer een heel dossier werd opgebouwd. Bij elke instantie moet je weer je hele verhaal vertellen. Er is een dossier en ik begrijp niet waarom er geen overdracht is van dit dossier. Je zit al in een lastige situatie en je moet iedere keer het hele verhaal opnieuw doen. Dit kost heel veel tijd en energie en dit duurt al vijf jaar. Er is niet één centrale coördinator of iets dergelijks die samen met jou als ouder de schouders eronder zet. Je voelt je vaak in de steek gelaten en je voelt je er alleen voor staan. Vorig jaar heeft GGZ in samenwerking met Jeugdzorg Onder Toezicht Stelling (OTS) aangevraagd via de Raad voor Kinderbescherming. De rechtbank heeft dit toegewezen. Mijn partner en ik stonden hier ook achter, want wij wilden rust voor alle kinderen en voor ons. Wij wilden normaal met het gezin verder leven. Gelijktijdig met de OTS is er een voogd in het gezin van mijn ex-man en in ons gezin aangesteld om te proberen op één spoor te komen. Er zijn doelen geformuleerd waar wij samen met de voogd naar toe zouden werken. Het belangrijkste doel was om tussen mijn ex-man en mij een goede communicatie over de kinderen op gang te brengen. Dit doel is niet gehaald.

“ DE VOOGD H EEFT BI JNA NOOI T NAAR MIJ GEBELD . ” Het initiatief tot contact met de voogd kwam altijd van mij uit. De voogd heeft bijna nooit naar mij gebeld om te vragen hoe het gaat. Het is moeilijk om telefonisch contact te krijgen met de voogd. Het kan dagen duren voordat je wordt teruggebeld. Ook op mail wordt niet of pas dagen later gereageerd. Dit geeft je een enorm gevoel van onmacht. Zeker als er sprake is van een crisissituatie wil je kunnen overleggen met de voogd. De voogd belt ook nooit naar de kinderen om te vragen hoe het gaat. Je verwacht als ouder dat een voogd op regelmatige basis de situatie met zowel ouders als kind bespreekt en ondersteuning biedt. Ik had gehoopt dat de voogd als coördinator op zou treden om zaken voor elkaar te krijgen en hierover zou communiceren. Je verwacht van een voogd daadkracht en dat hij zich aan de afspraken houdt, maar ook dat hij beide ouders aan de gemaakte afspraken houdt. Ik had het prettig gevonden als de voogd meer verweven was geweest met ons gezin en mij ook als mens had ondersteund. Ik begrijp dat een voogd onpartijdig moet zijn, maar ik heb gemerkt dat dit eigenlijk als een excuus wordt gebruikt om niet echt in contact te treden met de ouders. Ze proberen betrokkenheid uit te dragen, maar die is er niet echt. Ik heb over al deze punten mijn beklag gedaan bij de voogd. In eerste instantie werd de voogd hier erg boos over. Zij ging hierbij voorbij aan de redenen van mijn boosheid. Pas later werd ik in het gelijk gesteld.

“ I N DE LOO P DER JAREN HEB I K Z EKER MET TW I NTI G HULPVERLENERS TE MAKEN GEHAD . ”

Ik heb vastgesteld dat er onvoldoende wordt gecommuniceerd met ons maar ook tussen de instanties onderling. In de loop der jaren heb ik zeker met twintig hulpverleners te maken gehad. Hiervan was er slechts één die luisterde, die hielp en mij ondersteunde. Alle anderen stelden zich op het standpunt dat zij de ene ouder niet konden bevoordelen ten opzichte van de andere ouder.

Er is echter door Jeugdhulp vastgesteld dat mijn ex-man niet draagkrachtig genoeg was om kinderen op te voeden. Bovendien stelde Jeugdzorg vast dat het niet lukte om de communicatie tussen beide ouders op gang te brengen doordat vader daar niet aan mee wilde werken. Dat is al treurig genoeg, maar richt je dan op de ouder die wel draagkracht heeft en probeer de zaken zo goed mogelijk voor de kinderen te regelen en hen zo goed mogelijk te begeleiden. Hiermee wordt de vader dan ook ontlast. Dit gebeurde niet. Jeugdzorg concludeerde dat het in dit geval beter zou zijn om over te gaan tot éénouder gezag. Zowel mijn ex-man als ik waren het hiermee eens. Je zou verwachten dat Jeugdzorg dit dan vervolgens zou oppakken, maar dat was niet het geval. Ik werd doorverwezen naar een advocaat om het maar te gaan regelen bij de kinderrechter. Jeugdzorg bleek niet de mogelijkheid te hebben om een aanvraag hiervoor te doen bij de kinderrechter. We komen wel ergens maar je moet niet vragen naar de manier waarop, de tijd die het duurt en alle ener-

“JEUGD Z ORG BLEEK NIET DE MOGE LIJKHEID TE HEBBEN OM EEN AANVRAAG TE DOEN VOOR ÉÉNOUDER GEZ AG . ” gie die het kost. Achteraf gezien had ik beter gelijk éénouder gezag kunnen laten vastleggen in het scheidingsconvenant en alle kinderen bij mij kunnen houden. Dat heb ik bewust niet gedaan, omdat ik vond dat de kinderen ook een band met hun vader moesten blijven houden. Bovendien heeft iedere ouder verplichtingen en verantwoordelijkheden naar zijn/haar kinderen. Nu heb ik spijt van deze beslissing, want daardoor is het hele traject met Jeugdzorg van start gegaan. Dit traject duurt nu al meer dan drie jaar. Er is al jaren gesteggel en al jaren wordt geprobeerd de zaken in goede banen te leiden met vader. Nu komt Jeugdzorg tot de conclusie dat het niet lukt. Vader saboteerde regelmatig het proces en kwam daarmee weg. Daarbij merk ik op dat Jeugdzorg ook niet alle mogelijkheden benut die er zijn om vader te dwingen tot medewerking.

“JE LOOP T TEGEN ENORM VEEL BUREAUCRATIE AAN. ” Je loopt tegen enorm veel bureaucratie aan op enorm veel fronten. Je hebt te maken met enorm veel verschillende instanties. Dit kost heel veel energie. Alle regels waar je aan moet voldoen gaan veel te ver. Jeugdzorg heeft ook veel te weinig daadkracht. Jeugdinstanties werken niet met elkaar samen en werken zelfs langs elkaar heen. Dit gaat allemaal ten koste van de zorg voor en begeleiding van de kinderen. Eigenlijk zouden alle jeugdinstanties in één gebouw gevestigd moeten worden en zouden er een paar managementlagen tussenuit gehaald moeten worden. Bovendien zouden de gezinsvoogden meer een coördinatorfunctie moeten hebben. Ik denk dat de communicatie naar de ouders hierdoor enorm zal worden verbeterd. Ik constateer dat Jeugdzorg aan het begin van het traject onvoldoende onderkent wat voor impact het heeft op het hele gezin.

39


“ E r i s u i ts lu i t end co ntact indien s pr ak e is van e e n prob le e m of als e r i ets mo et worden geregel d.”

“ Commu nicat ie en inf o rmatie l a at t e wens en ov er.”

“ D e m a n i er van werken va n J e u g dhu l p brengt m et zic h mee dat er een b eh a n del ing wo rdt g eb o den d ie totaal n i et a a n sluit bij de beh o e f t e e n de pro bl emat i ek va n het gezin.”

“Ve r uit d e me e ste tij d wor dt be ste e d aan het afleg g e n van ve r antwoor d ing e n niet aan het b eg e le id e n va n g e zinne n.”

“Je ug d hulp r icht zich uitsluite nd op het aspect opvoe d ing e n niet op het he le syste e m. Hie r d oor k unne n g e e n of onvold oe nd e r e su ltate n met het g e zin wor d e n b e r e ik t. ”

“ Bij iedere handel ing mo et we e r e e n and e r e hand e ling wo rden gedaan om ervo o r te zorg e n dat d e ad mi nistr at i ev e af handel ing co rrect ve r loopt. ”

“ Sa m enwerking en co ntact is niet of n au wel ij ks mo gel ij k.”

“Er he e r st e e n afr e k e ncultuur e n e e n ang stcultuur . Als er mi sstand e n zijn, wo rdt d e b e hand e laar daa rvoor ve r antwoor d elij k g e ste ld e n b e r is p t of ze lfs be r echt.”

“ O u de r s wo rden niet o f o nvo l do en d e g e ïnfor me e r d ove r hun r echte n e n plichten . O ok wo rden o u ders vo o rgelo gen.“


interview 8

29 JAAR ERVARING IN DE HULPVERLENING Ik was tot februari 2010 werkzaam bij Jeugdhulp Friesland als intensieve ambulante gezinsbehandelaar. Ik ben één jaar werkzaam geweest bij Jeugdhulp. Voordien heb ik vijf jaar gewerkt bij de Geestelijke Gezondheid Zorg (GGZ) als intensieve psychiatrische behandelaar. In totaal ben ik 29 jaar werkzaam in de hulpverlening. Ik ben post-HBO relatie/gezinstherapeut en systeemtherapeut gespecialiseerd in kinderen met psychiatrie problematiek. Daarnaast heb ik nog een post-HBO diploma intensieve ambulante gezinsbehandelaar.

“ VERVOLGENS WORDT JEUGDHUL P INGESCHAKELD VOOR DE BEGELE I DING .” Ik heb ervaren dat door Jeugdzorg en Jeugdhulp veel geld wordt verspild dat eigenlijk besteed zou moeten worden aan hulp een gezinnen of individuen. In de hulpverlening is één van de grootste problemen dat 60% van de tijd en het beschikbare budget wordt besteed aan bureaucratie. Bij Jeugdhulp Friesland is dat niet anders. Er is een enorme hiërarchie die vervolgens weer bureaucratie in de hand werkt. Je moet alles verantwoorden, maar dat vind ik niet eens het probleem. Het probleem is dat de verantwoording zo enorm ingewikkeld is en bovendien moet je zeer uitgebreide formulieren invullen. Bij elke handeling die je doet, moet je weer een andere handeling doen om ervoor te zorgen dat de administratieve afhandeling correct verloopt. “ ER WORDT DOOR JEUGDH ULP Een gezin wordt bij Jeugdzorg aangeVEEL GELD VERSPI LD .” meld door een huis-

arts, door school of via een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en soms omdat ouders zelf hulp zoeken. De casemanager van Jeugdzorg start een onderzoek in opdracht van het AMK. Het onderzoek duurt 6-10 maanden. In die tijd hebben gezinnen geen hulp, geen begeleiding een geen behandeling. Gezinnen ervaren dit onderzoek vaak als bedreigend en angstig, want de ouders zijn altijd bang dat hun kinderen zullen worden weggehaald. Dit roept veel weerstand op bij de ouders. Ouders verwachten hulp te krijgen, maar krijgen een onderzoek. Jeugdzorg schrijft een verslag van het onderzoek, een zogenaamd IB. Dit IB klopt vaak niet of is onvolledig omdat ouders zo bang zijn dat zij niet alles vertellen. Het onderzoek zou samen moeten opgaan met begeleiding en behandeling, want door deze werkwijze mis je een deel van de informatie. Bovendien vermindert de motivatie van een gezin, want zij voelen zich niet gehoord en niet begrepen.

“IN DIE TIJD HEBBEN GEZ INNEN GEEN HUL P, GEEN BEGELE IDING EN GEEN BEHANDELING . ” Jeugdhulp sluit eerst een behandelovereenkomst met het gezin. Het gezin moet deze overeenkomst binnen zeven dagen na het opstarten van de behandeling ondertekenen. Binnen drie weken na het opstarten van de behandeling moet je een behandelingsplan gereed hebben. In deze periode bezoek je het gezin eens per week. Het gezin moet binnen dit tijdsbestek ook al het behandelingsplan hebben ondertekend. Je verkeert als hulpverlener in een zeer lastige positie omdat je een vertrouwens-

41


band wilt opbouwen, maar tegelijkertijd moet je ook de hele papiermolen er bij zo’n gezin doordraaien. Het behandelplan wordt vervolgens door de gedragswetenschapper gelezen en beoordeeld vanuit het IB. De gedragswetenschapper heeft echter nog nooit ambulant gewerkt en heeft dus geen enkele praktijkervaring. Qua visie zit je niet op één lijn. Het verslag is puur theoretisch. Met dat verslag ga je naar het gezin. Het gezin begrijpt er echter niets van, omdat het vol staat met theoretische terminologie. Bovendien wil het gezin een verslag van wat je de afgelopen weken hebt gedaan, wat de pijnpunten zijn en wat de mogelijkheden zijn. Tijdens de gesprekken met het gezin stel ik deze punten wel aan de orde. Van de gesprekken schrijf ik verslagen. Eigenlijk mag dat niet, want je moet de verslagen vanuit het IB schrijven. Het IB is een verslag van Jeugdzorg van het onderzoek dat zij hebben gedaan. Als een gezin mondig genoeg is, wordt het verslag afgekeurd omdat zij zichzelf er niet in herkennen. Als het gezin niet mondig genoeg is, druk ik het verslag er door heen omdat ik de bureaucratie op orde moet hebben.

“ DE V I SI E VAN JEUGDH ULP I S DAT JE JE ALLEEN MOET RI CH TEN OP DE OPVOEDING .” Binnen de Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) heb je altijd te maken met complexe vraagstukken in gezinnen. Door de bureaucratie kun je maar eens in de week of vaak maar eens in de twee weken daadwerkelijk bij het gezin op bezoek. Dat is veel te weinig. Daar komt nog bij dat de hulp teruggebracht is tot maximaal zes maanden ongeacht hoe groot de problematiek is. Daarna wordt het traject afgerond ook als de problemen niet zijn opgelost. Indien dit laatst het geval is gaan de gezinnen terug naar Jeugdzorg en worden deze gezinnen bestempeld als hopeloos geval. Gezinnen zijn enorm afhankelijk van wie zij krijgen toegewezen als hulpverlener. Er zijn goede en minder goede hulpverleners. Als je met een gezin werkt, moet je kijken naar het hele systeem want iedereen heeft met elkaar te maken in een gezin. Daarnaast spelen er nog allerlei omgevingsfactoren een rol die van invloed zijn op de problematiek van een gezin. De visie van Jeugdhulp en Jeugdzorg is echter dat je je alleen moet richten op de opvoeding. Mijn ervaring is dat dat niet werkt. Als ik mij uitsluitend richt op de opvoeding dan garandeer ik je dat ik na een half jaar geen vorderingen heb gemaakt. Je pakt immers maar één facet van het probleem aan. Is het gezin eenmaal terug bij Jeugdzorg dan wordt het IB er weer bij gepakt en wordt de constatering gedaan dat de situatie niet is verbeterd. Er wordt dan een melding gedaan bij de Raad voor Kinderbescherming. Ik ben van mening dat het merendeel van de gezinnen met intensieve hulp van goed samenwerkende instanties een heel eind op weg kunnen komen en dan niet terug hoeven naar Jeugdzorg.

“ B I NNEN DE ORGAN I SATI E W ERKT MEN HIERDOOR TEGEN ELKAAR I N PLAATS VAN SA MEN. ” De manier van werken van Jeugdhulp brengt met zich mee dat er een behandeling wordt geboden die totaal niet aansluit bij de behoefte en de problematiek van het gezin. Mensen voelen zich niet gehoord en krijgen niet

42

wat ze nodig hebben. Er wordt op basis van minimale informatie conclusies getrokken waar nooit meer op terug gekomen wordt. Vanuit IAG is nu juist de visie dat je samenwerkt met ouders en hen behandelt met respect, dat je kijkt naar de mogelijkheden en de positieve punten, dat je kijkt wat er nodig is om nog een stap te maken om iets te bereiken. Doordat het management weinig ervaring heeft op de werkvloer, worden hele rigide regels uitgevaardigd. Als gezinsbehandelaar word je feitelijk overruled en moet je dat weer doorgeven aan het gezin. Binnen de organisatie werkt men hierdoor tegen elkaar in plaats van samen. Dit werkt door naar de gezinnen. Het management en de gedragswetenschapper kijken naar de gezinnen vanuit een zeer negatieve blik. De gezinnen zijn lastig en worden ervaren als een groot probleem. In de visie van het management zie ik niets terug van de visie van IAG. Hierover heb ik meerdere gesprekken gehad met zowel het management als de gedragswetenschapper. Dit leidde tot geen enkel resultaat.

“OUDERS Z IJN DAAR HEEL ERG BANG VOOR.” Binnen Jeugdhulp en Jeugdzorg speelt machtshiërarchie en heerst er een eilandjescultuur. Ook heerst er een afrekencultuur en een angstcultuur omdat je verantwoordelijk bent voor het gezin. Als er misstanden zijn, word je daarvoor verantwoordelijk gesteld en berispt of zelfs berecht. Als gezinnen niet meewerken of niet luisteren komt de knuppel in het hoenderhoek. Er wordt dan Onder Toezicht Stelling (OTS) of een uithuisplaatsing opgelegd. Dit gebeurt heel regelmatig. Ouders zijn daar heel erg bang voor. Er zou veel meer samenwerking moeten zijn ten gunste van gezinnen en niet ten gunste van organisaties. Er worden beslissingen genomen en lijnen uitgezet zonder dat ouders daar maar enigszins weet van hebben. Als hulpverlener bevind je je in een onmogelijke spagaat. Ik werkte 32 uur per week waarin ik 7 à 8 gezinnen moest begeleiden. Ik probeerde alle gezinnen toch minimaal eens per week te bezoeken. Ik was 30 uur per week bezig met bureaucratie, papierwerk en overleggen om uit te leggen wat er in een gezin gaande is, wat zij nodig hebben en wat zij niet nodig hebben. Dan kreeg ik weer een berisping dat ik teveel uren werkte of dat een verslag niet op tijd was ingeleverd. Ik vind het afleggen van verantwoording geen probleem, maar ik heb wel moeite met de manier waarop dat dan moet. Ondersteuning en coaching krijg je niet. De reden voor alle bureaucratie is puur financieel. Ieder verslag dat er wordt geschreven, geeft aan dat je recht hebt op een X-bedrag aan vergoeding. Als een verslag niet op tijd af was, moest ik een blanco exemplaar laten tekenen door het gezin zodat in ieder geval de subsidie kon worden verkregen. Het gaat puur om het geld en het in stand houden van de eigen organisatie. Jeugdhulp is nagenoeg een commerciële instelling. Het management en de gedragswetenschapper hebben weinig praktijkervaring en kunnen elkaar niet bijsturen. Er is sprake van een enorme arrogantie. Zij blijven er dus van overtuigd dat deze werkwijze de juiste is. Deze mening wordt niet door de werkvloer gedeeld. Ik ben heel erg geschrokken van de werkwijze van Jeugdhulp.

“ER IS SP RAKE VAN EEN ENORME ARROGANT IE. ”


“ DE VERSN I PPERI NG VAN DE H ULP VERLENING MOET WORDEN AANGE PAKT.” Om de organisatie te veranderen zou gestart moeten worden met het wegnemen van de arrogantie. Er zou een goede visie moeten worden ontwikkeld om daadwerkelijk gezinnen te helpen. Voorts zou de versnippering van de hulpverlening zowel binnen de organisatie als daar buiten moeten worden aangepakt. Het management zou of op hoofdlijnen moeten sturen of zich moeten verdiepen in het werk en daar dan ook over in gesprek moeten gaan met de werkvloer. Een gedragswetenschapper zou minimaal een half jaar praktijkervaring moeten hebben zowel ambulant als op kantoor voordat hij bij Jeugdhulp aan het werk kan. Wat veel gebeurt is dat onwaarheden in verslagen worden vastgelegd op het gebied van tijdsbesteding. Als je teveel tijd kwijt bent aan het schrijven van verslagen wordt je immers berispt. Ook wordt er teveel vanuit theoretisch oogpunt geschreven in plaats vanuit de behoeften van het gezin. Je wordt enorm onder druk gezet om je te conformeren aan de interne bureaucratie.

“ ER WERKEN VEEL JONGE MENSEN , DIE NET VAN SC H OOL AF KOMEN .” De enige vereiste om casemanager te kunnen worden is een afgeronde HBO-opleiding. Wat mij is opgevallen is dat er veel jonge mensen werken, die net van school af komen. Dit is niet altijd negatief, maar er zou een betere mix moeten zijn. Dit zal waarschijnlijk te maken hebben met het kostenaspect. Het verloop van het personeel is hoog. Om deze situatie te veranderen zou er een extern iemand in de arm moeten worden genomen die de directie bijeen roept om een aantal thema’s te bespreken. Het zou moeten gaan over hoe je met elkaar communiceert, vanuit welke visie wordt gewerkt en hoe de hiërarchie werkt. Dan maak je zaken bespreekbaar en geef je medewerkers het gevoel dat zij gehoord worden en dat er mogelijkheden zijn. Er is geen samenwerking tussen Jeugdzorg Friesland en andere organisaties die jeugdzorg of jeugdhulp aanbieden zoals bijvoorbeeld de Jeugdzorg van het Leger des Heils. Alle organisaties hebben een soortgelijk systeem een eigen AMK, een eigen afdeling Jeugdzorg en een eigen afdeling Jeugdhulp. Iedere organisatie werkt vanuit een eigen visie en met eigen protocollen. Er wordt vooral niet samengewerkt. Het gezin kan geen invloed uitoefenen op waar de melding wordt gedaan. Het is volstrekte

“ ER I S GEEN SAMEN W ERK I NG .”

willekeur bij welke organisatie je terecht komt. Gezinnen weten vaak helemaal niet wat hun rechten en plichten zijn. Er wordt hen niet alles verteld en er wordt ook vaak tegen hen gelogen. De scheiding van de organisaties en de huidige werkwijze wordt in stand gehouden door het subsidiesysteem.

“DE SITUAT IE IN FR IESLAND IS UITZONDERLIJK.” Zolang er geen marktwerking is en er subsidie wordt verstrekt is er geen enkele prikkel om samen te werken. Bovendien wordt de situatie in stand gehouden door een hoge mate van arrogantie bij de directies. Naar ik weet uit contacten met oud-studiegenoten is de situatie in Friesland uitzonderlijk. In Rotterdam is bijvoorbeeld een heel sluitend systeem van samenwerkingsverbanden tussen allerlei organisaties. Om de situatie in Friesland te veranderen zou marktwerking moeten worden bevorderd. Het alleenrecht en de wijze van subsidieverstrekking zou moeten worden gewijzigd, waardoor er meer kans is voor andere organisaties. Bij de GGZ heeft dit bijvoorbeeld tot zeer goede resultaten geleid. In een ideale situatie zou er veel meer gewerkt worden vanuit een systeem waarbij meer coaching en ondersteuning is door mensen met een juiste opleiding gecombineerd met praktijkervaring. Waarbij breder wordt gekeken en waarbij meer samenwerking is met Jeugdzorg en andere hulpverleners. De hulpverlener zou veel meer coachend werken richting de gezinnen. Er zou in alle gevallen een casemanager moeten zijn. Ook zou er in alle gevallen iemand moeten zijn die de regie voert samen met de ouders. De ouders zouden een keuze moeten kunnen maken in wie deze centrale coördinator wordt. Een ambulante hulpverlener zou zonder consequenties zijn ervaringen moeten kunnen delen met collega’s en ondersteuning moeten krijgen van de leidinggevenden. Er zouden groepen georganiseerd moeten worden waarin mensen samen kunnen komen en zich kunnen herkennen in de problemen en daarin ondersteuning kunnen vinden. De slagvaardigheid van de organisatie zou je kunnen vergroten door in ieder geval al tijdens het eerste gesprek een goed contact te maken met de ouders en aan te sluiten bij de behoeften van een gezin. In dit werk kun je nooit alle risico’s wegnemen of aansluiten. Je kunt nooit garanties geven. Dat is inherent aan het vak.

“VERBETER INGEN DIE DIRECT MOGEL IJK Z IJN. ”

43


interview 9

MOEDER EN SLACHTOFFER Ik ben getrouwd geweest en samen hebben wij drie kinderen gekregen. Drie jaar geleden ben ik gescheiden van mijn man en ben uit het dorp verhuisd. Het oudste kind woont bij zijn vader. Inmiddels heb ik een nieuwe partner. Ik woon samen met hem en twee van mijn kinderen. Medio 2009 heb ik samen met mijn partner een kind gekregen. Ik ben in aanraking gekomen met Jeugdzorg, maar ik heb daar geen goede ervaringen mee. Je krijgt nauwelijks informatie, je wordt niet gewezen op je rechten, er worden gegevens zonder jouw toestemming opgevraagd. Scholen, huisartsen e.d. worden onder druk gezet om deze informatie te verstrekken. De Wet op de privacy wordt met voeten getreden. Op het moment dat de informatie in het dossier is opgenomen, kun je daar helemaal niets meer tegen doen. De voogd doet niet aan waarheidsvinding. Op het moment dat je verder gaat zoeken naar informatie, krijg je die niet zodra andere instanties in de gaten krijgen dat Jeugdzorg in het traject is betrokken.

“W AT I S ER GEBEURD ? ” Tijdens de scheidingsprocedure gaf mijn ex-man in eerste instantie aan mee te willen werken aan de scheiding en een goede financiële afhandeling. Uiteindelijk werkte hij er toch niet aan mee. Ik stond op straat met twee kinderen en had geen geld. Ik ben toen met mijn nieuwe partner gaan samenwonen in een heel klein appartement. Door het gebrek aan ruimte ontstonden er spanningen binnen het nieuwe gezin, maar ook met mijn vader. Mijn vader is op een avond onze woning binnen gedrongen en is met mij en mijn partner op de vuist gegaan. Hij heeft geprobeerd om mijn middelste zoon mee te nemen om hem bij zijn vader te brengen. Wij hebben beiden bewust aangifte gedaan tegen mijn vader om het duidelijk te maken dat ik dit nooit meer wilde hebben en zeker niet waar de kinderen bij waren. Mijn middelste zoon heeft hiervan te veel mee gekregen en werd heel erg angstig. Ook mijn dochter kreeg last van angst. Ik heb daarom via de huisarts hulp gezocht bij maatschappelijk werk om de situatie zo snel mogelijk op te lossen. Deze instantie had een lange wachtlijst en bovendien werd aangegeven dat zij niets voor ons konden betekenen. Wij werden geadviseerd een advocaat in de arm te nemen. Dit was echter niet de hulp die ik zocht. Ook slachtofferhulp liet het afweten. Ik wilde de situatie oplossen en gewoon rust voor het gezin zodat wij verder konden met ons leven. Dit lukte dus niet. Het ging zo slecht met de kinderen dat ik mijn baan heb opgezegd om de kinderen extra aandacht te geven en meer te begeleiden.

44

Op een gegeven ogenblik werd de situatie uitzichtloos. Wij gingen langs elkaar heen leven. De relatie kwam onder een enorme druk te staan en dit heeft ertoe geleid dat het eind 2008 op een dag uit de hand is gelopen. De kinderen waren hierbij niet betrokken. Ik heb toen bij de politie aangifte gedaan tegen mijn partner wegens huiselijk geweld. Er is een melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Het is mij helemaal niet duidelijk wie er nu een melding heeft gedaan bij het AMK. Wij hebben ook geen brief gekregen om ons hiervan op de hoogte te stellen. Medio maart moesten mijn ex-man ik voor de raad verschijnen en is er een onderzoek ingesteld. Mijn partner mocht niet aanwezig zijn en wordt niet erkend als belanghebbende en opvoeder van de kinderen.

“H ET IS MIJ HELEMAAL NIET DU IDE LIJK WIE ER NU EEN MELDING HEEFT GEDAAN BIJ HET AMK.” Wij wonen al drie jaar samen als gezin, maar de rol van mijn partner in het gezin wordt niet onderkend. Medio juli 2009 is er een rechtszitting geweest en heeft de rechter Onder Toezicht Stelling (OTS) opgelegd en er is een voogd van Jeugdzorg toegewezen aan ons gezin. De beschikking van de rechtbank krijg je per post toegezonden samen met praktische informatie. Je hebt op zo´n moment enorm veel behoefte aan een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Aan iemand waar je je verhaal aan kwijt kunt, maar je kan bij niemand terecht. Je moet maar afwachten wanneer de voogd contact met je opneemt.

“ER WORDT DOOR JEUGD Z ORG HE LEMAAL NIET GELUISTERD NAAR DE AC HTERGROND. ” Inmiddels waren wij verhuisd naar een grotere woning. In augustus 2009 ben ik bevallen van onze dochter. Vlak daarna nam de voogd van Jeugdzorg contact op. De OTS en de toewijzing van de voogd heeft de situatie eigenlijk alleen nog maar meer stressvol gemaakt. Jeugdzorg focust uitsluitend op het ene incident van huiselijk geweld, terwijl wij dat samen allang hadden opgelost. Wij zijn samen om tafel gegaan en hebben zaken uitgesproken en wij zijn aan onze relatie gaan werken. Dit was voor ons duidelijk een keerpunt, maar het wordt door Jeugdzorg negatief uitgelegd. Ze zeggen dat ik mijn ogen sluit voor huiselijk geweld binnen de relatie. Er wordt door Jeugdzorg helemaal niet geluisterd naar de achtergrond waardoor dit incident is ontstaan. Jeugdzorg vindt dat niet ter zake doen.


Achteraf gezien ben ik heel erg naïef geweest en ben ik niet alert genoeg geweest tijdens de rechtszitting. Je gaat in het volste vertrouwen naar de rechtbank en je geeft open en eerlijk antwoord. Naar mijn gevoel lag de uitspraak al van te voren vast. Mijn vertrouwen is enorm beschaamd. Ik werd door Jeugdzorg afgeschilderd als een waardeloze moeder die niet naar haar kinderen omkijkt en haar ogen sluit voor de situatie. De OTS wordt uitgesproken op basis van een onvolledig dossier waarbij ook nog eens gegevens die erin staan niet kloppen. Daarbij wordt er ook nog een eigen interpretatie gegeven aan de informatie die in het dossier staat. De voogd is er constant op uit om een reactie van ons te ontlokken die weer tegen ons gebruikt kan worden. De voogd wil nu een onderzoek naar seksueel misbruik en kindermishandeling opstarten, terwijl er “ NAAR M I JN GEVOEL LAG DE UI T- geen enkele aanleiS PRAAK AL VAN TE VOREN VAST.” ding is om in die richting te denken. De communicatie met de basisschool verloopt erg stroef. Je wordt met de nek aangekeken. Jeugdzorg heeft de dossiers van mijn kinderen opgevraagd en school heeft deze zonder mijn toestemming ook verstrekt. In de dossiers staan onwaarheden. Ik heb nu een afspraak gemaakt met school om zaken te bespreken. De gezinsvoogd was hier fel op tegen. Ik vind het echter van belang dat er een rechtstreekse communicatie plaatsvindt, het gaat om mijn kinderen. School krijgt nu alleen maar informatie via Jeugdzorg. Sinds de voogd in

“ ER I S NOG ALTI JD GEEN BEH ANDEL- ons gezin is gekoPLAN , TERW I JL DAT BI NNEN ZES WE- men constateer ik dat de afspraken KEN GEREED H AD MOETEN ZI JN.” door de voogd niet worden nagekomen. Zo is er nog altijd geen behandelplan, terwijl dat binnen zes weken gereed had moeten zijn. Ook krijgen wij onvolledige informatie. Je krijgt zelfs het gevoel dat je opzettelijk niet wordt geïnformeerd, omdat Jeugdzorg weet dat hun werkwijze niet op orde is. Het klopt niet en ik vind het een heel gevaarlijke situatie. Van ouders wordt volledige openheid verwacht, maar Jeugdzorg geeft zelf geen openheid van zaken. Je moet als ouder alle informatie zelf op het internet en in de bibliotheek opzoeken. Ik heb helemaal geen vertrouwen in Jeugdzorg. Er is totaal geen sprake van samenwerking tussen de voogd en de ouder, maar het is wij tegen zij. Naarmate het verloop van het contact is er een sfeer van vijandigheid ontstaan en groeit de achterdocht. Ik krijg sterk het gevoel dat de voogd toewerkt naar een uithuisplaatsing. Telkens word ik erop gewezen dat ik mee moet werken, omdat anders de consequenties voor mijn rekening waren. Op deze manier komt er naar mijn mening geen goede hulpverlening tot stand. Het is van belang dat je als ouder/opvoeder open en eerlijk tegemoet wordt getreden. Daarbij is het van groot belang dat de informatie die wordt opgevraagd ook bij jou als ouder wordt geverifieerd. Dat wordt niet gedaan.

Het staat op papier dus het is zo. Het doel wordt een strijd om de waarheid, terwijl het doel de hulp aan de kinderen zou moeten zijn. Het draait om de kinderen maar daar wordt niet mee gesproken.

“HET DRAA IT OM DE KINDEREN MAAR DAAR WORDT NIET MEE GESP ROKEN.” Wat mij zeer heeft verbaasd is de bespreking van het plan van aanpak van de gezinsvoogd. Onze mening was al in het plan van aanpak opgenomen voordat het met ons was besproken. Het maakt dus helemaal niet uit wat je zegt. Er wordt helemaal niet naar je geluisterd, de uitkomst staat al vast. De gezinsvoogd gaat door op de weg die hij goed acht. De voogd drong er bovendien op aan dat ik het plan van aanpak ongezien ondertekende. Dat heb ik geweigerd. Ik wilde het eerst goed doorlezen en aanpassen waar ik het nodig acht. De voogd beschouwt het plan van aanpak echter als definitief. Ik ben nu aan het uitzoeken wat ik hier nog tegen kan doen. Er wordt door Jeugdzorg gezegd dat ik er niets meer aan kan doen en dat ik het moet ondertekenen. Er werd wederom met uithuisplaatsing gedreigd als ik niet meerwerk. Je wordt dus constant gemanipuleerd. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Je moet toch samen werken om de kinderen te helpen. Het is echter een en al strijd.

“JE KOMT ER OOK NIET AC HTER W ELKE STEMP ELS JE ALLEMAAL OP GEDRUKT HEBT GEKREGEN.” Ik vind de kwaliteit van hulpverlening over het algemeen slecht. Je krijgt een stempel opgedrukt en je komt daar niet meer vanaf. Dat is buitengewoon onprettig, omdat je er ook niet achter komt welke stempels je allemaal opgedrukt hebt gekregen. Bovendien wordt alle informatie gezien in het licht van het stempel dat je hebt gekregen. Alles wordt toegeschreven naar het stempel. Jeugdzorg werkt volgens protocollen waar niet vanaf wordt geweken, maar niet ieder gezin past in een protocol. Je moet als ouder heel scherp zijn en overal op letten. Je moet zelf overal achteraan gaan. Wij willen wel hulpverlening, maar er wordt helemaal niet naar ons geluisterd. Er wordt over onze hoofd heen een traject uitgestippeld zonder dat wij daar invloed op kunnen uitoefenen. Mijn partner en ik volgen een hulptraject dat buiten Jeugdzorg staat om aan onze problemen te werken. De voogd probeert zich echter toch met dat traject bemoeien, terwijl hij dat helemaal niet mag. Je hebt constant het gevoel dat er zaken achter je rug afspelen. De vertrouwensband met de andere hulpverleners wordt hierdoor geschaad. Bijna alle OTS-en in Nederland draaien uit op een uithuis plaatsing. Ik begrijp nu hoe dat komt. Het is nu afwachten totdat dat in ons gezin gaat plaatsvinden. De werkwijze van Jeugdzorg moet radicaal worden veranderd!

45


“ J eu g dz o rg is meer met de eigen inste lling be zig dan met d e b eg e le idi n g va n de k inderen en de pl eego ud e r s.”

“ Het v r ijwi l l ige kader van Jeug d zorg wo r dt do o r Jeugdzo rg zel f o nd e rg r av e n do o rdat zij zel f aanst uren op het o n v r ijwil l ige kader.”

“Je ug d zorg is e e n vr ijwill i g e voor d e ur , maar in d e pr a ktij k we r k t het als e e n soo rt fuik waar d oor me nse n ter echt kome n in d e g e dwon g e n hulpve r le ning .“

“ D e vo o g d heef t nau w e l ij k s co ntact gehad m et h et k ind. Als er al co n tac t was , was dit m eesta l t el ef o nis ch en a lt ij d i n b ijzij n van de mo eder. ” “ Kind e r r echte r s he bb e n slechts e e n ze e r b epe r k te tij d om d ossie r s te be hand e le n e n ui tspr aak hi e rove r te d oe n. ”

“jeu gdzo rg is weinig daad k r achtig . ..”

“ J e u g dzo rg benut niet al l e mog e lij kh eden om de niet- meewerken d e oud e r t e dwingen tot medewerking. “

“Je ug d zorg ond e r k en t aan het beg in van h et tr aject onvold oe n d e wat voor impact het he e ft op het he le g ezin.”

“ Bij J eu g dz o rg en Jeugdhu l p is er een e nor me hi ë r archi e e n bur e aucr atie .“


47


interview 10

DIRECTEUR VAN EEN BASISSCHOOL Ik ben werkzaam als directeur van een basisschool. Als leerkrachten signalen van kinderen oppikken dat het niet goed met ze gaat, ga je met de ouders hierover in gesprek. Ik vind dat je als school een platform moet bieden aan ouders waar zij hun problemen kwijt kunnen. Ik vind het ook een taak van school om problemen op tafel te leggen. School is een verbindende factor tussen het gezin en hulpinstanties. Als er inderdaad sprake blijkt van een probleem, geef je aan dat je als school hulp kunt bieden. Ouders maken daar vaak in eerste instantie geen gebruik van. Als ouders toch vastlopen nemen wij als eerste contact op met schoolmaatschappelijk werk, omdat wij daar een korte lijn mee hebben. Vaak doe ik deze doorverwijzing preventief. Ik vind het van belang dat je daar dan ook op terug komt als je de ouders in de school ziet. Even vragen hoe het gaat en of er al contact is geweest. De school bemoeit zich verder niet direct met het hulpverlenings-traject. Het gebeurt zelden dat ouders het initiatief nemen om problemen aan te kaarten.

“ DE HULPVERLEN I NGSORGANI SATI ES FUNCTIONEREN GESC HE I DEN VAN ELKAAR .” De school heeft een verbinding met een bovenschoolse interne begeleider en een orthopedagoog. Hiermee heeft de school korte lijnen. Wat ik mis zijn contacten met andere instanties die om het gezin heen staan zoals bijvoorbeeld het consultatiebureau, de Gemeentelijk Gezondheidsdienst, peuterspeelzaal of de kinderopvang. De gemeente is nu wel bezig om een soort buurtplatform op te zetten om alle professionals die met een gezin te maken hebben bijeen te brengen. Een dergelijk team kan in een vroeg stadium al problemen signaleren en preventief hulp bieden in een schoolsituatie. Als je een lijn opbouwt vanaf de geboorte waarin een kind wordt gemonitord, pak je preventief zaken op, kun je sneller ingrijpen en versnel je het proces van hulpverlening. Ik vind het de taak van de lokale overheid om dit te organiseren en hierin de regie te voeren. In de huidige praktijk wordt vaak pas achteraf iets aan het probleem gedaan. De hulpverleningsorganisaties functioneren gescheiden van elkaar.

48

“EEN P RACHTIG SYSTEEM, MAAR M EN GAAT ER PAS GEBRUIK VAN MAKEN ALS ER AL IETS AAN DE HAND IS. ” Onlangs ben ik bij een informatiebijeenkomst geweest over de verwijsindex. Dit is een landelijk digitaal systeem voor kinderen waar op enig moment iets mee aan de hand is in worden opgenomen. Alle instanties die iets met kinderen te maken hebben, krijgen beschikking over dit systeem. Op het moment dat een kind al in het systeem staat, krijg je daarvan een melding met de gegevens van een contactpersoon. Dit systeem is opgezet om te voorkomen dat kinderen verdwijnen. Je ziet vaak dat als hulpverleningsinstanties de touwtjes te strak aantrekken, de gezinnen vluchtgedrag gaan vertonen en bijvoorbeeld gaan verhuizen. Het is een prachtig systeem, maar men gaat er pas gebruik van maken als er al iets aan de hand is. Er zit dus een hele periode tussen het eerst incident en de eerste melding in het systeem. Het is bovendien ook niet duidelijk wie de regie gaat voeren in een gezin. Het voordeel van een buurtplatform is nu juist dat je in een vroegtijdig stadium al bij het gezin aan kunt haken. De organisatie van een buurtplatform schijnt ontzettend moeilijk te zijn, maar in mijn beleving is het niet zo moeilijk. Ruim een jaar geleden heb ik hierover contact opgenomen met de gemeente. Ze zijn er wel mee bezig maar het schiet niet op.

“JEUGD Z ORG IS EEN ONDOORDRING BAAR INSTITUUT.” In de praktijk krijg ik soms te maken met kinderen waarvan het gezin onder toezicht is gesteld bij Jeugdzorg. Je krijgt als school te maken met een gezinsvoogd en in sommige gevallen ook nog een hulpverlener van Jeugdhulp. Deze situatie is meestal vrij ondoorzichtig voor de school. Jeugdzorg is een ondoordringbaar instituut. Ik heb een geval waarbij een kind naar speciaal onderwijs moet worden doorverwezen. Hiervoor heb je een dossier nodig. De gegevens voor dit dossier moeten deels door het GGZ en deels door Jeugdzorg worden aangeleverd. Jeugdzorg levert de gegevens niet aan. Via informele contacten weet ik toevallig wat er in het dossier van Jeugd-


zorg staat, maar daar heb je niet zoveel aan. De formele informatie die je nodig hebt, die krijg je niet. Je zou denken dat ik samen met de voogd ervoor moet zorgen dat het kind op de goede school terecht komt. In de praktijk krijg je dit dus niet voor elkaar. Als directeur van een school kun je signaleren, luisteren en doorverwijzen naar instanties, maar daarmee houdt het dus ook op. Het probleem is dat ik die instanties weer nodig heb om zaken voor elkaar te krijgen die ik nodig acht voor de kinderen. Dan wordt het heel moeilijk, want er is geen sprake van wisselwerking. Als school sta je er alleen voor. Je moet de regie voeren, er achter aan zitten en er is geen samenwerking. Als je als school de zaken echter niet voor elkaar krijgt, wordt je daar keihard op afgerekend.

“I K VI ND JEUGDZORG EEN INGEWIKKELDE ORGAN I SATI E.” Mijn ervaring is dat het samenwerken met andere instanties goed gaat zolang er korte lijnen zijn. Zelfs dan is het nog lastig want er is geen regievoerder. De samenwerking met de wijkagent is bijvoorbeeld heel er goed. Mijn ervaring met Jeugdzorg is dat deze pas in beeld komt als er al een probleem is. Er wordt door Jeugdzorg wel hulp geboden, maar de uitvoering laat nogal eens te wensen over. Het is lastig om een wisselwerking met Jeugdzorg op gang te brengen. De school geeft wel informatie aan Jeugdzorg, maar Jeugdzorg koppelt niet terug aan de school. Ik geef nooit informatie aan instanties zonder toestemming van de ouders. In de basis heb ik wel het gevoel dat de medewerkers van Jeugdzorg het belang van het kind voorop stellen. Ik vind Jeugdzorg een ingewikkelde organisatie. Ik heb altijd het gevoel dat er processen gaande zijn in die organisatie die een enorme remmende factor zijn in de hulpverlening. Een uithuis plaatsing wordt vaak een doel in plaats van een middel om het kind te

helpen. De hulpverlening stopt, er gebeurt niets in afwachting van de uithuis plaatsing. Het kind raakt kwijt in deze processen. Ik denk ook dat Jeugdzorg enorm worstelt met de negatieve beeldvorming. De medewerkers proberen uit alle macht om vooral geen fouten te maken en vooral geen stappen te zetten zonder dat men zeker is dat het de goede stappen zijn. Er moet gehandeld worden, maar dat is vaak erg moeilijk. Er zitten veel haken en ogen aan op juridisch vlak. Een voogd is verantwoordelijk voor het kind, maar is bijna nooit bij het kind. Een voogd heeft vaak veel te veel kinderen onder zijn hoede.

“I N DE IDEALE SITUAT IE Z OU ER EEN LOKAAL Z ORGTEAM Z IJN.” In de ideale situatie zou er een lokaal zorgteam zijn met op afstand een loket van Jeugdzorg en andere zorginstanties. Indien het lokale zorgteam het noodzakelijk of wenselijk acht wordt een melding gedaan bij dit loket. Eén lijn naar één loket. Jeugdzorg of GGD neemt dan de centrale regie over afhankelijk van de situatie. Vervolgens vindt een terugkoppeling plaats naar het lokale zorgteam. Er moet sprake zijn van een wisselwerking tussen school en het loket. Ik vind dat de overheid primair verantwoordelijk is voor het welzijn van de maatschappij en het welbevinden van de mensen. Dat betekent dat er geïnvesteerd moet worden in onderwijs, in politie en alle andere sociale functies. De overheid moet voorwaarden scheppen zodat de mensen in die samenleving kunnen handelen. Er zou een goede taakverdeling moeten komen tussen gemeente en provincie en dit zouden beide overheden ook moeten uitdragen. De lokale overheid moet een gezicht hebben en aanwezig zijn voor de burger. De provincie is verantwoordelijk voor de infrastructuur e.d. en heeft een taak in de beeldvorming.

49


interview 11

ZELFSTANDIG WERKZAAM ALS MENTOR VAN CLIËNTEN Ik ben sinds vijf jaar zelfstandig werkzaam als mentor van cliënten met een verstandelijke beperking, met verslavingsproblematiek of met psychiatrische ziektebeelden. Ik begeleid gemiddeld 40-45 cliënten. Je wordt als mentor ingeschakeld via stichting MEE of via een bewindvoerder. Als mentor waak je over de persoonlijke belangen van een cliënt. Daarnaast ben ik ook werkzaam als curator in samenwerking met een bewindvoerder. Ik heb als mentor veel te maken met de William Schrikkergroep, omdat mijn cliënten veelal verstandelijk beperkt zijn. Als het gaat om mensen met kinderen is de William Schrikkergroep meestal de voogdijinstelling. In de afgelopen vijf jaar heb ik te maken gehad met 20-30 voogden, waarvan er slechts één goed was. Dit varieert van het niet kunnen bereiken van de voogd via telefoon of mail tot het niet nakomen van afspraken die direct betrekking hebben op cliënten. In het algemeen is het zo dat de William Schrikkergroep een zeer slechte naam heeft. Het verbaast me dat je daar in de media zo weinig over hoort. Er gaat ontzettend veel mis. Naar mijn mening durven veel mensen geen klachten in te dienen. Hulpverleners doen het niet omdat zij weer verder moeten met de William Schrikkergroep. De doelgroep van deze stichting heeft

50

het vermogen niet om een klacht in te dienen. Ouders durven geen klacht in te dienen, omdat zij met dezelfde voogd verder moeten. De William Schrikkergroep opereert als een ivoren toren. Zij hebben niet door dat samenwerking belangrijk is en dat je elkaar nodig hebt.

“HET GROS DENKT: “VANAF 18 JAAR BEN IK EIGEN BAAS . ” Mijn cliënten zijn altijd meerderjarig. Ik zie mijn cliënten 4 à 5 keer per jaar. De overige contacten verlopen telefonisch of via de mail. In veel gevallen is Jeugdzorg te laat met het aanvragen van een mentor. Dit betekent dat veel jongeren in ieder geval tijdelijk in een gat vallen en geen begeleiding hebben op het moment dat ze 18 jaar worden. Vaak is er wel een bewindvoerder aangesteld om te voorkomen dat er financiële problemen ontstaan. Voogden bereiden kinderen niet voor op het feit dat zij vanaf 18 jaar op eigen benen moeten staan. Ik vind dat dit wel zou moeten gebeuren. Als het niet door de voogd zelf gedaan kan worden, moet de voogd iemand inschakelen die hiervoor kan zorgen. Mijn ervaring is dat de jongeren veelal in een instelling


“ VEEL J ONGEREN H EBBEN GEEN BEGELE IDING ALS Z E 18 JAAR WORDEN.” verblijven en zitten te wachten op de dag dat zij 18 jaar worden en uit de instelling weg kunnen gaan. Het gros denkt: “Vanaf 18 jaar ben ik eigen baas”. Dit geldt zeker voor de groep met een licht verstandelijke beperking. Deze jongeren hebben nooit iets gemogen, de voogd bepaalde alles voor hen. Ze hebben de voogd altijd als boeman gezien. Als ik met een cliënt begin, zet ik deze lijn meestal voort. Dit doe ik omdat cliënten anders bij mij weg lopen. In de loop van de tijd bouw ik het af en probeer ik een andere verstandhouding op te bouwen. Ik werk toe naar een relatie van gezamenlijk overleg. In veruit de meeste gevallen is er geen sprake van een overdrachtsrapportage of iets dergelijks van de voogd naar mij. De meeste voogden hebben ook geen bereidheid om een overdracht op stellen. Ik denk dat dat komt omdat de werkdruk heel hoog is bij Jeugdzorg. Ik vind de leeftijd van 18 jaar te jong om iemand los te laten. Wat mij betreft zou dat verhoogd moeten worden naar 21 jaar. Ook vind ik het ‘afscheid’ van Jeugdzorg vrij abrupt. Op de dag dat iemand 18 jaar wordt, wordt iemand los gelaten en moet iemand het maar uitzoeken. Het is enorm afhankelijk van het niveau van een cliënt of hij hiermee kan omgaan.

“ I N DE T I JD DAT EEN VOOGD ZI EK IS, Het valt mij op BL I J FT HET W ERK STI L LI GGEN .” dat het ziekteverzuim bij voogden heel erg hoog is. Voogden zijn niet alleen heel vaak ziek, maar ook vaak heel langdurig ziek. Ik heb een keer in een gesprek met de William Schrikkergroep gevraagd naar de oorzaak hiervan. Men ontkende in alle toonaarden dat het hoge ziekteverzuimpercentage wordt veroorzaakt door een te hoge werkdruk. In de tijd dat een voogd ziek is, blijft het werk stil liggen. Zo worden o.a. bezoekregelingen niet opgestart, waardoor kinderen maandenlang hun ouders niet zien. Het is lastig om een goede relatie op te bouwen met de voogden, waardoor samenwerking eigenlijk niet mogelijk is. In de praktijk merk ik vaak dat voogden uit angst handelen. Er worden kinderen uithuis geplaatst waarvan ik denk dat niet in alle gevallen nodig is. Voogden zijn bang dat er iets met de kinderen gebeurt en dat zij hiervoor ter verantwoording worden geroepen. Voogden voeren heel rigide de protocollen uit en wijken hier in situaties die erom vragen niet vanaf. Protocollen zijn doel op zich geworden in plaats van een middel. Jeugdzorg is enorm star geworden na de veroordeling van de voogd in de zaak van het meisje van Nulde. Alles moet verantwoord worden. Beslissingen worden niet uitgelegd. Voogden bij de William Schrikkergroep hebben een vrij eenzaam beroep. Eens in de veertien dagen moeten ze

“ VOOGDEN H EBBEN EEN VR I J EENZAA M BEROEP. ” een dag naar het hoofdkantoor in Diemen. De rest van de werktijd werken zij solo. Ik ben van mening dat er regiokantoren zouden moeten zijn waar voogden terecht kunnen en van waaruit zij kunnen werken. De William Schrikkergroep heeft de afgelopen jaren een enorme groei doorgemaakt. Eigenlijk is de stichting veel te groot geworden en te snel gegroeid. Hierdoor is er onvoldoende gekwalificeerd personeel. Als ik betrokken ben bij

het onderzoek in het voortraject van de Raad voor Kinderbescherming waaruit voortkomt dat een gezin Onder Toezicht Stelling (OTS) krijgt, vraag ik altijd expliciet om een andere voogdijinstelling dan de William Schrikkergroep. Probleem is echter dat deze stichting de enige stichting is die zich heeft gespecialiseerd in de doelgroep verstandelijk gehandicapten. Je hebt dus te maken met een organisatie waarmee geen echt contact of samenwerking mogelijk is en waar communicatie en informatievoorziening te wensen overlaat. Je wordt als mentor bijna altijd te laat ingeschakeld. Het komt vaak voor dat voogden wisselen in een gezin. Veel voogden zijn niet op de hoogte van het feit dat er mentors zijn. Hierdoor wordt het werk als mentor ernstig bemoeilijkt. Een cliënt heeft immers de vrijheid al geproefd en het is lastig om dat weer terug te draaien. Bovendien is het traject dat een cliënt bij Jeugdzorg heeft doorlopen vaak niet goed gegaan. Er is een vrije grote groep cliënten die in een situatie verkeren die niet had gehoeven als de begeleiding goed was geweest. Als mentor zou ik meer bevoegdheden willen hebben, omdat cliënten in bepaalde situaties ergens toe te kunnen dwingen zonder dat ze bij mij weg kunnen lopen. De laatste tijd worden er wel samenwerkingsverbanden of samenwerkingsteams opgezet van alle zorgverleners die in een gezin bezig zijn. Er zit nog weinig structuur in. Je hebt Jeugdzorg en de voogden hard nodig in deze teams om te kunnen handelen en die ontbreken vaak. Bij uithuisplaatsingen constateer ik dat ouders nooit ondersteund worden in hoe zij beter met hun kind(eren)

“DE LAATSTE TIJD WORDEN ER WEL SA MENWERKINGSTEAMS OP GEZ ET VAN ALLE Z ORGVERLENERS DIE IN EEN GEZ IN BE Z IG Z IJN.” om moeten gaan. Dit verwacht je wel van Jeugdzorg. Een uithuis plaatsing wordt nu meer als straf gebruikt en als middel om ouders ergens toe te dwingen. Begeleiding en ondersteuning van kinderen en ouders hangt veelal van toeval af en in hoeverre hulpverleners capabel zijn en in willen springen. Ik verbaas mij vaak over hoe dingen gaan. Er zijn cliënten waarvan duidelijk is vastgesteld en vastgelegd dat zij bepaalde vormen van behandeling nodig hebben. Toch wordt deze behandeling vervolgens niet gestart. Dit wordt volgens mij veroorzaakt door het systeem van de organisatie.

“KORTE LIJNEN EN OVERZ ICHTELIJ K HEID Z IJN VAN GROOT BELANG.” In een ideale situatie zouden voogden een minder grote caseload hebben en zou er een behoorlijk scholingsaanbod zijn. Bovendien moeten er duidelijke protocollen zijn die daadwerkelijk worden uitgevoerd. De organisatie zou ook kleiner moeten zijn met provinciale kantoren. Korte lijnen en overzichtelijkheid zijn van groot belang. De regie zou bij de voogd moeten liggen zowel op het preventieve vlak als in situaties waar al het een en ander aan de hand is. Bureau Jeugdzorg Friesland zou de instanties die zij opdrachten verstrekt (zoals de William Schrikkergroep) beter moeten controleren op uitvoeringsniveau.

51


52


“ O u ders h eb ben t e maken met meerd e r e instantie s/hulpve r le ne r s d ie ni et m et e l k aar samenwerken.”

“Als niet-ve r zorg e nd e oud er k r ij g je g e e n r echt. “ “ D e vo o gd t reedt niet o p als o naf hankel ij k pers o o n die het w e l zij n van het hel e gezin voorsta at.”

“ D e vo o g den van Jeugdzo rg h e b b e n n i et geno eg kennis en k u n de . ”

“ H et moet e e r st fout g aan voor dat e r k a n wor d e n ing eg r e pe n. ”

“ D e inf o rmat ievo o rziening r ichting d e oud e r s is af hankel ij k van de vo og d of d e Raad van Ki nd e r be s chermi ng.”

“ D e vo o gd heef t nau wel ij ks contact g eh a d met het kind. Als er a l contact wa s , was dit meestal t el ef onisch e n a lt ij d in bijzij n van de mo ed e r . ..”

“ D e i n f o rm at ievo o rziening v erlo o pt slecht. “

“De voog d is niet da a d we r k e lij k b etrok k e n b ij het g e zin. Ond e r h et mom van onpartij d i g he id wor dt afstand g e houd e n.“


interview 12

DE KINDERRECHTER Momenteel ben ik werkzaam bij het Gerechtshof Leeuwarden. Daarvoor ben ik 8 jaar werkzaam geweest als kinderrechter in de rechtbank te Leeuwarden. Als rechter zit je per definitie niet in het werkveld. Wij geven beslissingen, we bepalen of er wel of niet een ondertoezichtstelling en/of een machtiging tot uithuisplaatsing komt. “ WAT DOET DE KI NDERRECH TER ?” Hoe die wordt uitgevoerd is de verantwoordelijkheid van de jeugdzorg en daar hebben wij als rechters maar weinig invloed op. De rapportage op grond waarvan wij worden geacht te beslissen is meestal alleen afkomstig van de specifieke uitvoerende instelling zelf; soms zitten er stukken van derden-deskundigen bij. Het is de taak van de kinderrechter om kritisch te lezen en om te luisteren naar beide partijen en zo nodig indringende vragen te stellen. Een kinderrechter heeft voor dit soort zaken normaliter gemiddeld 20 minuten. Dan is er niet al te veel tijd om uitvoerig naar alle menselijke kanten te kijken. Dat hebben overigens ook lang niet alle gevallen nodig, vaak zijn de ouders en jeugdzorg het wel eens. Het Gerechtshof neemt trouwens meer tijd voor de behandeling van dergelijke zaken, van 30 tot 45 minuten.

54

“ONTHEFFING UIT HET OUDERLIJK GEZ AG .” Als het echt niet anders kan, kunnen ouders van kinderen uit het ouderlijk gezag worden ontheven. Er is meestal sprake van een bepaalde tussenperiode dat nog niet duidelijk is welke kant het opgaat. Op het moment dat dat duidelijk is, behoort het verzoek tot een verderstrekkende maatregel in gang gezet te worden. Wanneer ouders zich laten bijstaan door een advocaat die het vak goed verstaat kan dat tot gevolg hebben dat de visie van de ouders beter wordt onderbouwd en verwoord. Als de advocaat bijvoorbeeld veel informatie krijgt in de omgeving van het kind en de ouders en op professioneel niveau informatie verzamelt, of met onderbouwde alternatieven komt voor wat jeugdzorg wil, kan dat de rechter op andere ideeën brengen voor de aanpak van de situatie dan de visie van jeugdzorg of de raad. Desnoods kan je als rechter, en dat heb ik destijds ook wel gedaan, de behandeling van zo’n zaak aanhouden om bureau Jeugdzorg of de ouders in staat te stellen om met meer informatie te komen. Gebeurt dit niet, dan kunnen wij als rechter niet anders doen dan een oordeel geven op basis van wat het dossier vermeldt, en daarbij hebben we ons


natuurlijk te houden aan de wet.

“ DE BEHANDELI NG VAN EEN ZAAK AANHOUDEN.” De mogelijkheid van aanhouding en het eisen van meer onderbouwing of informatie geeft je de ruimte waarbinnen je als rechter enigszins kunt sturen. En als je een beetje creatief bent aangelegd en overtuigingskracht hebt, dan kom je een heel eind. Want het hangt er van af wat je vraagt, hoe je het vraagt en aan wie je het vraagt. Ik sluit niet uit dat er vanuit Bureau Jeugdzorg wel eens geprobeerd wordt te sturen welke zaak bij welke kinderrechter terecht komt. Dat is een bekend verschijnsel in de rechtspraak. Vaak wordt er van te voren gevraagd wie er zitting hebben; in zo’n geval worden het verhaal en de aanpak daar wel eens op afgestemd. Je kunt gebruik maken van deze ruimte wanneer bij een uithuisplaatsing een gezinsvoogd onvoldoende lijkt te doen wat er toe kan leiden dat het kind weer naar huis kan, iets wat uiteindelijk formeel nog altijd het uitgangspunt is van een uithuisplaatsing en waar ouders en kind ook recht op hebben als het in het belang van het kind verantwoord is.

“ WAT I S W I JSH EI D, EN H OE PAST DI E BINNEN DE W ETTEL I JKE KADERS .” Anderzijds moet je als rechter wel eens een uithuisplaatsing beëindigen omdat er geen juist indicatiebesluit is, of omdat niet de juiste verklaring of juiste informatie op tafel ligt. Het gaat soms om niet-inhoudelijke, formele dingen waar je als rechter niet omheen kunt. Het is wel afhankelijk per rechter hoe hij zijn vak uitvoert. Een rechter is een mens en geen machine. De vraag waar het uiteindelijk om draait is: wat is wijsheid, en hoe past die binnen de wettelijke kaders. Het gaat om mensenlevens. Krijgt dit kind die kans of die kans, daarmee bepaal je ontzettend veel. De poort die wij als rechter openzetten of dichtzetten bepaalt de kant die dit kind opgaat. Wij hebben echter als rechter een beperkte bemoeienis. Wij gaan niet over de uitvoering. Het zijn meer de gezinsvoogd en de ouders die deze kansen bepalen. Wat ik als rechter wel zie is dat het in meerdere gevallen gaat om ouders met beperkte capaciteiten, weinig leerbaar, zij zien hun eigen aandeel niet en geven anderen de schuld, ‘als ik maar van mijn kind houd, dan is het wel goed’. Daarnaast is er een grote groep van kinderen met gedragsstoornissen. Een kind dat de neiging heeft om uit de band te springen en ouders die onvoldoende pedagogische kwaliteiten hebben en niet voldoende consequent zijn in hun aanpak naar kinderen toe. Vaak is er dan ook sprake van opgebroken relaties waarbij een kind als geen ander kans ziet om de ouders tegen elkaar uit te spelen.

“ J E PROEFT REGEL MAT I G EEN MAC HTSSTRI JD.”

Ook is er de vraag: is de hulp die wordt geboden ook daadwerkelijk helpend en ondersteunend? We komen met enige regelmaat zaken tegen waarin ouders het niet eens zijn met de ondertoezichtstelling (ots) omdat er in het vrijwillige traject onvoldoende is geprobeerd. “Terwijl wij best wilden meewerken, maar het is niet gedaan.”

Verhalen als: “Wij hebben als ouders zelf gezien dat we hulp nodig hebben. We zijn naar jeugdzorg toe gestapt en uiteindelijk wordt er niets gedaan. Wij weten niet waarom, maar het komt niet van de grond. En nu krijgen wij een ots!”. Als je zelf hebt gezien dat het niet goed gaat met het kind en daarbij hulp nodig hebt en je krijgt dan vervolgens een jonge hulpverleenster die jou wel even gaat vertellen hoe dat moet, dan is het niet zo gek dat er dan wel eens wordt gezegd: “Hé, ik dacht dat we dit samen gingen organiseren en nou ga jij me vertellen wat en hoe. Nou nee, ik dacht het niet”. Je proeft regelmatig een machtsstrijd. Het wordt nooit hardop gezegd, in ieder geval niet vanuit jeugdzorg. Maar vanuit de ouders wordt dit heel vaak aangezwengeld. Het wordt heel regelmatig gezegd. Zeker als je zelf degene bent geweest die bij jeugdzorg om hulp heeft gevraagd en dat loopt dan vervolgens via wegen die jij niet meer in de hand hebt naar het punt waarop jij er, in elk geval voor je gevoel, niets meer over te zeggen hebt, dan kan ik me voorstellen dat je dat als ouder mijlen te ver gaat.

“DE GEZ INSVOOGD IS DE SP IL IN DE HUL P VERLENING . ” Of een ondertoezichtstelling een succes wordt zit hem voor een heel groot deel in de menselijke interactie, de professionaliteit van de voogd - en het zit in de capaciteit van de hulpverlening: wat kan er allemaal geboden worden. Bij uithuisplaatsingen zou er in veel gevallen wel een duidelijker zichtbaar beleid als gezinsvoogdijinstelling mogen worden gehanteerd dat erop gericht is om het kind weer naar huis terug te krijgen. Gaat het om gedwongen hulpverlening, waar wij als rechter bij nodig zijn, dan is de gezinsvoogd de spil in de hulpverlening. Daar zit ontzettend veel verschil in, met name op het menselijke vlak, daar wringt vaak de schoen. Gezinsvoogden zijn soms erg jong, onervaren, of weten niet de juiste benadering te vinden van de betreffende ouders. Als jeugdzorginstelling zou je naar de juiste match moeten kijken. Maar jeugdzorg heeft vaak de mensen niet, er is een flink probleem bij het aantrekken van goede mensen en om ze vervolgens vast te houden. Deze problematiek herkennen wij in onze functie als rechter. Los van het realiteitsgehalte van de verhalen, kom ik dit te vaak tegen om te zeggen dat er niets aan de hand is. Veel wisseling van gezinsvoogden, met als gevolg dat de hele hulpverlening weer opnieuw opgestart moet worden en het contact met de ouders weer opnieuw opgebouwd moet worden. Ik begrijp dat niet goed, want een goede overdracht zou dit toch redelijkerwijs moeten kunnen opvangen. Een paar overdrachtsgesprekken samen met de ouders zouden m.i. veel moeten kunnen bijdragen aan de continuïteit.

“SLEC HTE INFORMAT IEVOOR Z IENING.” Er blijkt nogal eens sprake te zijn van slechte informatievoorziening, slechte communicatie, slechte bereikbaarheid. Wij krijgen veel klachten over de bereikbaarheid en

55


communicatiegerichtheid van gezinsvoogden. “Nooit aanwezig, belt nooit terug”. Een ots is alleen nodig (en toelaatbaar) als duidelijk wordt dat het in het vrijwillige traject niet is gelukt of je kunt zien aankomen dat dat niet gaat lukken, omdat ouders niet mee willen werken. Het gaat om inhoudelijke gronden. Je komt van tijd tot tijd zaken tegen waarin dat onvoldoende helder naar voren komt. Verlengingsverzoeken die wij als rechter ontvangen, beoordelen we op basis van evaluatierapporten. Dat zijn wat mij betreft te dikke pakken papier, met daarin veel jargon. Het moet korter en helderder en vooral op de inhoud gericht. De omvang van het dossier en de vele herhalingen vertroebelen de informatie. Meer is duidelijk minder in dit geval. Van ons hoeft dit niet. Ik heb het gevoel dat de jeugdzorginstellingen deze verantwoording nodig vinden vanwege de financiering en de interne en externe verantwoording.

“ HOE GEDETAI LLEERDER H ET RA PPORT IS HOE GROTER DE KANS OP FOUTEN.” Hoe langer een ots of een uithuisplaatsing duurt, hoe meer je een herhaling krijgt van oude rapporten, met daarbij het ongewenste verschijnsel dat de dingen die vroeger gebeurd zijn - de reden om bijvoorbeeld de uithuisplaatsing indertijd te geven - opnieuw zijn toegevoegd. Vaak gebeurt dat zonder duidelijke datering, waardoor je als rechter de suggestie kunt krijgen dat het recent nog gebeurd is of dat het nog voortduurt. En dan blijkt het een x aantal jaren geleden gebeurd te zijn. Het is naar mijn indruk geen kwade opzet, maar het kan wel heel gemeen uitpakken. Hoe gedetailleerder het rapport is hoe groter de kans op fouten en hoe groter de kans dat

56

ouders en advocaten wijzen naar dat wat niet klopt. Dat geeft vaak onnodige irritatie en discussie. Er zou meer eenheid mogen komen in hoe men dingen rapporteert en administreert. Dit moet toch makkelijker kunnen; zet er een centraal regiem op. En maak onderscheid per soorten zaken in hoe je dat doet. Alles wordt nu behandeld alsof het de meest dramatische situatie betreft. In simpele zaken volstaat vaak simpele rapportage en onderbouwing.

“JEUGD HUL P VERLENERS Z IJN MIS- SCHIEN WEL 60 – 70% VAN DE TI J D BE Z IG MET PAP IEREN. ” De verantwoording is naar mijn indruk een doorgeslagen verschijnsel, waardoor jeugdhulpverleners misschien wel 60 – 70% van de tijd bezig zijn met papieren in plaats van bezig te zijn met de mensen om wie het gaat. Als ik dat aan de jeugdhulpinstelling voorleg krijg ik als reactie dat ze hun best zullen doen, maar ik vrees dat het vervolgens ergens bovenin tegen iets aandrijft dat zegt “Nee, dat kan niet”. Ik weet niet of, hoe en waarom dit van bovenaf of vanuit een ministerie in stand wordt gehouden. Het lijkt wel dat alles meetbaar moet zijn, pas dan is het goed. Maar hoe strakker je het organiseert, hoe sneller er fouten worden gemaakt. Misschien zou het helpen als de normen ruimer worden gemaakt waarbinnen je als voogd kan manoeuvreren. Het zou wat meer marginaal moeten worden beoordeeld, in plaats van dat het precies volgens dat normpje zus en dat normpje zo moet. Dat gaat vaak helemaal niet over de inhoud. Volgens de regeltjes is het niet helemaal goed gegaan, maar inhoudelijk zie ik geen probleem, als maar te beoordelen blijft of de uitvoering van de ots binnen de normen van de wet is gebleven.


interview 13

20 JAAR OUD EN 5 JAAR ERVARING MET JEUGDZORG Samen met mijn broertje en zusje ben ik uit huis geplaatst. Ieder is in een ander pleeggezin geplaatst. Ik had het ‘geluk’ in één pleeggezin te kunnen en mogen blijven. Mijn broertje en zusje zijn meerdere keren in ander pleeggezinnen geplaatst. Vanaf de dag van uithuisplaatsing was het niet toegestaan om contact te hebben met mijn moeder of met mijn broertje of met mijn zusje. De uithuisplaatsing was alleen dat wat het woord letterlijk zegt; je wordt uit huis gehaald. Verder niets, geen “ Z WART DOOLH OF.” hulp, geen begeleiding. Alleen maar “meningen op papier”. Met ‘jeugdzorg’ (er is niet één persoon) is er geen sprake van echt contact. Het is een koud en zakelijk contact. “Er word je verteld wat er gaat gebeuren. Zelf heb je hier geen inspraak of invloed op.” Ik heb het ervaren als een ‘zwart doolhof’. Van de één op de andere dag had ik geen contact meer met mijn moeder, broertjes en zusje. In de afgelopen jaren had ik stiekem contact met mijn broertje of met mijn moeder. Ik mocht zelfs niet samen met mijn broertje opfietsen, ik mocht hem niet eens groeten als ik hem tegenkwam. Ik sprak met zijn broertje af in het winkelcentrum, dan konden we praten. Ik wilde me als grote broer ontfermen en zorgen. Aan jeugdzorg vroeg ik om een bezoekregeling met thuis en om meer contact met mijn jongere broertjes die nog thuis wonen. Dit is gegeerd

“ O P DE DAG DAT JE 18 WORDT BEN JE VRIJ. ” en dat maakt me erg boos en onmachtig. Zo vast als ik ‘onder’ jeugdzorg zat, veranderde alles op de dag dat ik

18 jaar werd. Dan ben je ‘vrij’. Daar wordt je niet naar toe begeleid. Er werd gezegd “Het beste maar”. Daar kreeg ik zo’n nare smaak van in de mond. Vanaf die dag kwam alles binnen in mij tot rust. Ik ervoer de ruimte om te groeien. Letterlijk, ik was erg klein en groeide ineens! Mijn lichaam groeide, maar ook van binnen kon ik groeien. Ik was vrij en kon werken aan het opbouwen van zelfvertrouwen. Dat heb ik zelf gedaan en met behulp van mijn pleeggezin. Van jeugdzorg kreeg ik niets aangeboden. Toen ervoer ik hoe jeugdzorg altijd meer ‘tegen’, dan ‘mee’ helpt. Moeder is uiteindelijk naar een andere gemeente gevlucht waardoor de focus van het gezin afnam. Ze was bang dat de andere kinderen ook uit huis zouden worden geplaatst en dat ze deze kinderen ook niet meer zou zien. Die periode heeft me enorm beschadigd. Hoe blij ik ook

“UITHUISP LAATSING HEEFT ME ENOR M BESCHADIGD . ” was dat jeugdzorg verviel vanaf de dag dat ik 18 werd, het maakt me nog altijd boos. Geen regels, ik kon gaan en staan waar ik wilde zijn. Contact opnemen met wie ik wilde. Het deed mijn boosheid en achterdocht echter groeien: waar was dit al die jaren goed voor geweest? Ik had weinig verwachtingen op het moment van uithuisplaatsing. Ja, dat de situatie tijdelijk zou zijn. Ik had geen idee hoe lang de situatie zou duren, niemand kon daar wat over zeggen. Ik ging ervan uit, hoopte, dat er hulp zou komen waardoor het gezin er met elkaar ‘uit’ zou kunnen komen. Samen als gezin, dus in contact met elkaar, met hulp en begeleiding. Nu is het gezin in vijf jaar niet meer samen geweest.

57


interview 14

MET PLEEGZUS TOT HULPVERLENER Ik ben een jongedame van halverwege twintig, inmiddels zelf moeder en hulpverlener in de zorg aan jeugd. Mijn ervaringen met jeugdzorg liggen op het vlak van het opvangen van uit huis geplaatste kinderen en de impact die dat heeft op het gezin.

waarom. Maar vooral ook begeleiding in wat het betekent voor ons om een problematische puber in huis te nemen. Als gezin, als ouder, als broer of zus. Het was mooi geweest als er iemand was met wie je kon praten over de betekenis en de invloed op de diverse systemen, zoals school, vriendenclub, dorp,etc. De impact is verstrekkend. Mijn pleegzus is bij ons gekomen, omdat zij een vriendin Dat mag men zich in de hulpverlening beter realiseren. Ik van mij was. Toen zij bij ons woonde veranderde deze verneem het nog elke dag met me mee. Het is uiteindelijk houding. Ik had goed met mij gegaan, maar dat had ook anders kunnen het moeilijk met lopen. De begeleiding had het verschil kunnen zijn. De “ VRI END I N WORDT PLEEG ZUSTER.” deze positie. Ze insteek van de begeleiding zou het gezin moeten zijn. was geen zus en Iedereen binnen het gezin zou daarbij betrokken moeten ook geen vriendin. Ik was zelf puber en probeerde mijn worden. En van daaruit richting de andere systemen. weg te vinden in alles, ondertussen voelde ik mij verantDe impact was woordelijk voor de problemen van ‘haar’. Mijn wereld was “ONDERSTEUNING NODIG.” groot voor mij mijn wereld niet meer. Thuis kan je jezelf zijn, nu kon dat vanwege de niet meer. We gingen naar dezelfde school en leraren relatie ‘vrienspraken mij aan over haar gedrag en stelden vragen over dinnen’ en omdat het iemand van mijn leeftijd was. In de haar. Ik vond het heel moeilijk om positie in te nemen. loop der tijd zijn nog een aantal pleegzussen en broers bij Wat zeg je wel, wat niet? Ik kon er ook niet met mijn gekomen. Een aantal waren tijdelijk bij ons. Drie wonen ouders over praten. Door mij was ze hier. Zij stond de nog altijd bij ons. Het vertrouwen in jeugdzorg is er niet openheid richting mijn ouders in de weg. Pas toen zij het vanuit onze kant. Daarvoor hebben we teveel meegehuis uit ging heb ik hier met mijn ouders over kunnen maakt. Op basis van deze ervaringen hebben we als gezin praten. Heb ik het kunnen verwerken. Door de afstand geleerd ‘nee’ te zeggen. die toen ontstond kon ik overzien wat er was gebeurd. Kon ik het een plek geven. Dat heb ik zelf gedaan, met “AL DIE TIJD WAS ER GEEN BEGELE Ihulp van mijn ouders. Ik heb hierbij geen hulp van jeugdDING VANUIT JEUGD Z ORG. NIET VOOR zorg gehad. MIJN OUDERS, NIET VOOR MIJ OF M IJ N Er was wel een pleegzorg begeleider, deze kwam eens in de zes weken langs. Hij had dan een kort gesprek met mijn ouders en pleegzus. En als wij er behoefte aan hadden, dan wilde hij ook wel met ons als kinderen praten. Dat wilde ik echter niet. Hij was er voor mijn pleegzus, niet voor mij. Vanuit jeugdzorg was er geen begeleiding. Niet voor mijn ouders, niet voor mij of mijn broers en zussen. Ook was er geen ondersteuning voor mijn pleegzus, daar waar het om ging. En zij had echt veel problemen.

“ DE PLEEGZORGBEGELEI DER K WA M EENS I N DE ZES W EKEN LANGS . ”

We moesten alles zelf uitvinden. Het was onze eerste keer in een dergelijke situatie. We deden maar wat, met alle goede bedoelingen… We wisten niet hoe lang ze zou blijven. Uiteindelijk is ze gebleven en kreeg ze een eigen kamer. Na iets van drie jaar is er één gesprek met iemand van jeugdzorg geweest, maar het kan ook van pleegzorg zijn geweest. In een dergelijke situatie heb je ondersteuning nodig.Organisatorisch, over procedures over wat en

58

BROERS EN Z USSEN.” Bijvoorbeeld omdat op het moment van plaatsing de informatie onvoldoende is. Er wordt informatie achtergehouden over het kind en zijn achtergrond, omdat jeugdzorg het kind anders nergens geplaatst krijgt. Zonder die openheid kan je een problematisch kind niet opvangen. Ook zijn we erg beschadigd door de ervaring waarin we twee kinderen uit een zeer bedreigende situatie hebben opgevangen. In korte tijd zag je verbetering, meer leven in deze kinderen terugkeren. Door fouten in de rapportages en onderzoeken vanuit jeugdzorg, werden de kinderen teruggeplaatst in de bedreigende situatie bij moeder. Iedereen wist wat er aan de hand was, toch moesten ze terug. Als ze met mensen in de directe omgeving, buren, school, etc hadden gesproken… Iedereen had dossiers klaar, deze zijn nooit opgevraagd en nooit gebruikt. Dit gebeurde daarna nog eens drie keer!

“WAAROM LU ISTEREN EN KIJKEN ZE NIET NAAR DE KINDERE n.”


Als ze alleen maar met de kinderen zelf hadden gespróken. Waarom luisteren en kijken ze niet naar de kinderen waar het om gaat? Ook in deze voor ons traumatische ervaring hebben we geen ‘nazorg’ ontvangen. Wel de vraag of we de twee kinderen opnieuw wilden opvangen toen ze enige tijd later opnieuw uit huis geplaatst werden. ‘Gelukkig’ hebben we nee gezegd, want de situatie herhaalde zich. We hebben geleerd alert te zijn.

Vanuit je emotie zeg je ‘ja’. Je doet het voor het kind, maar zo werkt het niet. In een toch al moeilijke situatie wordt het je alleen maar moeilijker gemaakt. De hulpverlening zou vanaf minuut 1 op gang moeten komen. Je weet nooit wat voor kind je krijgt en je moet ergens op terug kunnen vallen. Ook voor de kinderen zelf. Die zijn nu overgeleverd aan de pleegouders. Niemand kan dat alleen.

interview 15

AFDELINGSMANAGER BIJ EEN JUSTITIËLE JEUGDINRICHTING Ik ben werkzaam als afdelingsmanager bij een justitiële jeugdinrichting. Daarvoor werkzaam was ik bij de politie onder andere bij de afdeling jeugdzaken. Mijn ervaring is dat het nogal eens ontbreekt aan regie in problematische situaties. Het ontbreekt aan coördinatie van de zorg waardoor praktische hulp en bemoeienis in situaties uitblijven. De hulpverlening blijft als het ware steken, waardoor situaties in stand blijven en signalen en misstanden doorgaan. Mijn indruk is dat er sprake is van veel papieren verantwoording, weinig menselijk contact, slechte communicatie en een gebrek aan slagvaardigheid. De vraag om praktische hulp op korte termijn blijft hierdoor bestaan en breidt zich uit, de problemen worden groter en intenser. Hierdoor verdwijnt vertrouwen in de hulpverlening en gaan betrokkenen elk op zijn eilandje gedemotiveerd verder. De sleutel is te vinden “ SA MEN EEN KRI NG VORMEN DI E in praktische samenwerkingsverbanden D I RECT OM H ET GEZI N STAAT.” tussen politie, jeugdgezondheidszorg, scholen, gemeenten en jeugdhulpverlening. Samen vormen wij een kring die direct om het gezin staat en tevens dichtbij het sociale netwerk. Juist dit directe contact met een laagdrempelig karakter kan het verschil maken. Bovendien brengen wij ieder ons netwerk mee waardoor er een tweede kring kan ontstaan van maatschappelijk werk, woningbouw, reclassering, schuldhulpverlening. Alleen dan kan er sparake zijn van een sluitend zorgaanbod. Dit vraagt om coördinatie, tijd, zorg en

bemoeienis. Het vraagt om openheid, betrokkenheid, vertrouwen in het delen van informatie en het inzetten van persoonlijke contacten. De bereidwilligheid is er. De politie heeft een signalerende taak en kan daarmee een praktische bijdrage leveren aan het eerdergenoemde samenwerkingsverband. Van de begeleiding vanuit jeugdzorg wordt er in een dergelijke situatie een andere rol gevraagd. Een voogd zou meer een coach, een begeleider moeten zijn van het gezin. Vanuit die rol zou er ook ruimte moeten zijn voor de coördinerende taak van de totale zorg binnen het samenwerkingsverband.

“VOOR OP ENHEID EN DELEN IS VER- TROUWEN EEN BELANGRIJKE VOOR WAARDE . ” Dat vertrouwen is er nu niet, daar zal aandacht aan moeten worden besteed. Ik vraag me dan af: ‘Welke rol wil en kan de provincie spelen? Kan dit een regie rol zijn? Indien de provincie koers uitzetten, vanuit welke visie doet zij dit dan?’ Ik ben van mening dat de provincie regie en coördinatie ten aanzien van beleid heeft laten liggen. Daar ligt dan ook de taak en rol van de provincie; voorwaardenscheppend en koersgevend. Gemeenten willen graag een rol spelen, maar kampen met een gebrek aan kennis en ervaring en daarbij te weinig FTE. Gemeenten kunnen een rol spelen in implementatie en controle.

59


“ Ee n g ezins behandel aar mo et e e n ve rtrouwe nsband opbouwe n met h et g e zin , maar t egel ij kert ij d de papie r mole n e r b ij het g e zin d oorh een du wen.”

“ J e u gdzo rg komt pas in bee ld als e r a l een gro ot pro bl eem is e n is n i et aanwezig in de fas e voor dat h et p ro bl eem gro ot is geworden . ”

“Ge zinsvoog d e n he b b e n teve e l g e zinne n ond e r hun hoe d e .”

“Hulpve r le ning sorg anisatie s functioneren g e sche id e n van e lk aar . ” “ J e u g dz o rg werkt vo lg e n s proto co l l en wa a r i n geen geval va n k a n wo rden af geweken.”

“ H et kind wo rdt kwij t gera ak t in d e ze ing ewi k k e ld e p ro ces s en.”

“Oud e r s he b b e n te ma k en met me e r d e r e instanti es / hulpve r le ne r s d ie niet met e lk aar same nwe rk e n. ” “A ls h ul pv erl enings instant ies d e to u w t jes t e st rak aant rekke n, g aan g e zin n en v lu chtgedrag v ertone n. I n de n ieuwe wo o nomgev ing beg int h et h u l pv erl eningst raject we e r van vo r en a f aan.”

“ H et v e rt ro u wen in jeu gdzo rg is er niet vanuit onze k ant. Daarvoor he bb e n we t evee l m e eg e m a akt.”


interview 16

ZELFSTANDIG ONDERNEMER IN DE ZORG Ik heb een zelfstandige orthopsychiatrische instelling die inmiddels is uitgegroeid tot een kleinschalige zorginstelling met ongeveer 50 cliënten. We bieden zowel dagbehandeling als dagbesteding, met daarnaast recreatieve opvang. Binnenkort gaan we ook begeleid wonen aanbieden. Kinderen zijn van 9.00 – 16.00 uur aanwezig, en ook de ouders worden begeleid. Kinderen komen binnen met een probleem en bij de behandeling worden zowel de kinderen als de ouders betrokken. Kinderen worden niet alleen opgevangen zoals in de kinderopvang, onze dienstverlening is gespecialiseerder, iedereen heeft z’n eigen traject. Alle kinderen die binnenkomen hebben een diagnose. Bij ons worden ook kinderen opgevangen die zijn uitgevallen in het reguliere onderwijs. Kinderen moeten een diagnose hebben om in te kunnen “ DE BAS I SSC H OOL W I L stromen op het Renn4 onderwijs, GEEN K I NDEREN DI E maar deze kinderen laten zich moeiN I ET TE H ANDH AVEN lijk diagnosticeren. De diagnose kost veel tijd, met als gevolg dat ze al ZIJN .” geschorst zijn op het regulier onderwijs en in een vacuüm terecht komen. De basisschool wil geen kinderen die niet te handhaven zijn. Soms worden kinderen van lagere school naar lagere school gestuurd, maar op een gegeven moment stopt dat ook. Jeugdzorg is altijd betrokken bij “dit soort kinderen”. De kinderen die hier worden opgevangen, worden zelfs niet in het Renn4 onderwijs geaccepteerd. Deze kinderen komen normaliter gewoon op straat terecht en er is niemand die dat controleert. Geen controle houdt wel in dat een kind

geen onderwijs meer krijgt. En dan heb je het over kinderen van alle leeftijden: basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Deze kinderen krijgen uiteindelijk een ontheffing van de leerplicht. Het kind zal zich misschien nog wel iets ontwikkelen, maar het vertraagt. Vooral op sociaal gebied blijft er veel liggen.

“VOORAL Z IJN HET DE OUDERS DIE AANGEVEN HET NIET MEER AAN TE KUNNEN.” Kinderen komen binnen via de scholen, zelfmelding, jeugdzorg, maar vooral zijn het de ouders die aangeven het niet meer aan te kunnen. Vaak is het de laatste kans op hulp. Ouders zijn overgeleverd aan de betrokkenheid van hun eigen sociale netwerk. Het is overigens absoluut een misvatting dat deze kinderen alleen maar zouden voorkomen in sociaal zwakkere milieus. Het verschil zit hem er in dat ouders uit een sterker milieu meer wegen zoeken om hulp in te roepen. Het hangt van de school af hoe actief ze zich in willen blijven zetten voor het kind na een Renn4 indicatie. In veel gevallen trekt ook de school zich terug. Wij signaleren daar maar al te vaak een gat in de hulpverlening; als jeugdzorg er eenmaal bij betrokken is, dan lijkt het net of de leerplichtambtenaar de handen er vanaf trekt. De leerplichtambtenaar heeft contact met jeugdzorg, maar er zou ook contact moeten zijn met het kind. Hij zou zich moeten afvragen hoe het met het kind gesteld is. Uit ervaring weten we dat wanneer de leerplichtontheffing is afgegeven er vervolgens geen contact meer is, waardoor

61


het kind letterlijk op het bordje van de zorg ligt. Dat zien wij trouwens op meer plaatsen. Is jeugdzorg binnen de deuren, dan bemoeien de andere organisaties zich niet meer met het kind.

bekend. Worden er zaken gedaan met de WSS, dan moet vanuit de zorginstelling direct zakelijk gehandeld worden. Dat hoeft met BJZ en het LJ&R niet, daar zijn mondeling ook afspraken mee te maken. De communicatie en informatie met en door de WSS loopt niet goed. Met LJ&R wel, daar zijn korte lijnen. “ALS JEUGDZORG ER EENMAAL BIJ BE - Helaas hebben wij, noch de ouders een keuze welke orgaTROKKEN I S, DAN LI JKT HET NET OF DE nisatie wordt ingeschakeld. De kinderen worden ergens LEER PLI CH TA MBTENAAR DE HANDEN onder gebracht bij degene die plaats heeft. Het lijkt ons ER VANAF TREKT.” logisch dat er één provinciale jeugdzorg organisatie is, waar alle hulpvragen binnenkomen. Van daaruit moet de In onze optiek zou er een persoon of instantie moeten juiste instantie worden aangesproken. Nu is dat niet zo. zijn die zicht heeft op het totale gezin en de omgeving. Bij BJZ is er sprake van grote wisseling van voogden. Die in de gaten houdt hoe het met kind gaat en die een Voorbeeld is een pleegkind dat 5 jaar in onze zorginstelterugkoppeling moet geven aan de overheid. De vraag is ling woont en inmiddels de vijfde voogd heeft. Zij moeten of jeugdzorg dit zou moeten zijn. zich keer op keer eerst weer helemaal inlezen. Het eerste De zorginstelling heeft minstens een keer in de zes weken “EEN P LEEGKIND HEEFT INMIDDELS DE contact met jeugdzorg over een bepaalde cliënt. Dit is op VIJFDE VOOGD IN VIJF JAAR” initiatief van de zorginstelling, de vraag vanuit jeugdzorg is er vaak niet. De mate van terugkoppeling vanuit jeugdzorg hangt overigens sterk af van de persoon. Sommigen wat op de rails staat is de rechtzaak, het contact met de durven verantwoordelijkheid te nemen, de ander plaatst pleegouders is ondergeschikt. Eerst moeten de papieren het kind en gaat door naar de volgende. Er zijn waaren rapportages in orde zijn en pas daarna zijn de pleegouschijnlijk wel protocollen waarin staat dat er structureel ders aan bod. Voor de voogd heeft het juridische deel de contact moet zijn met het kind, maar de grote werkdruk hoogste prioriteit en daarna het contact met de biologimaakt dat deze lang niet altijd kunnen worden nageleefd. sche ouders, maar dat schiet er te vaak bij in. Daarbij ben Ik heb sterk de indruk dat het vaak geen onwil is, maar dat je overgeleverd aan de kwaliteiten van de voogd. De ene het ligt aan de persoon en de werkdruk. Gevoelsmatig ligt regelt niets en de ander regelt het tot in de puntjes. helaas het initiatief wel te vaak bij de zorginstelling. Daarom zouden voogden veel vaker gescreend moeten worden en ze moeten veel beter ondersteund worden. De voogden die gestopt zijn geven dat zelf aan. Ze vinden “DE JEUGDZORG VRAAGT NIET OM de werkdruk te hoog of voelen zich bedreigd. Het is de CONTACT OVER EEN CLIENT .” voogd die uiteindelijk de eindverantwoordelijkheid draagt. Ze staan er naar mijn mening te vaak alleen voor. Er is Overigens is er wel een groot verschil tussen de jeugdzorg zelfs een voogd geweest die pas na een jaar het kind voor van het LJ&R (Leger des Heils) en van Jeugdzorg Frieshet eerst heeft gezien. land. Het LJ&R is veel meer betrokken en komt zelf met initiatieven. Jeugdzorg Friesland is veel trager, maar de “P LEEGOUDERS HEBBEN HET GEVOEL organisatie is dan ook veel groter. Verder is er nog een TE Z WEMMEN IN HET HUL P VERLE- zeer gesloten organisatie op het gebied van jeugdzorg NINGSVELD ” actief. Zij werken vanuit een christelijke visie. En dan is er nog de William Schrikker Stichting (WSS). Het valt op dat wat deze organisatie binnen heeft, binnen houdt. Die neiJe hoopt maar weer dat er een klik is met de voogd, want ging hebben alle organisaties, maar bij de WSS valt dit er is tijd en inspanning nodig om de grote lijnen uit te echt op. zetten. Reguliere ouders hebben geen pleegzorg begeleiding, die moeten het doen met de voogd. Maar de voogd Wanneer een gezin bij Jeugdzorg Friesland binnen komt spreekt te vaak de taal van de ouders niet. Wanneer het en er is een kind met een beperking binnen dat gezin, dan dan niet klikt, of het traject duurt te lang, dan grijpen wordt deze doorgesluisd naar de WSS. Zij hebben de ouders vaak naar een advocaat, als de persoon die voor expertise voor wat betreft kinderen met een beperking. hun belangen moet opkomen. Dit is een ontwikkeling die De WSS zoekt echter niet zelf de samenwerking met we met name de laatste drie jaar zien, met als gevolg dat Jeugdzorg Friesland. Er ontstaat een strijd tussen de verde strijd feller wordt tussen ouders en jeugdzorg. schillende organisaties, waarbij geld vaak een rol speelt. Er ontstaat vertraging en de informatieoverdracht loopt De voogden zijn vaak jong. Ze hebben een goede HBO stroef, wat invloed heeft op het proces. opleiding, maar het ontbreekt vaak aan ervaring met grote vraagstukken. Een voogd zou in onze ogen op z’n minst 2 jaar pleegzorgervaring moeten hebben. Uiteindelijk ligt het vooral aan de persoon hoe de voogd opereert. “MOEI LI JK DOEN OVER BETALINGEN” Het komt voor dat jeugdzorg wel binnen het gezin is, maar alleen met de ouder spreekt en niet met het kind. De WSS is daarnaast heel moeilijk met betalingen. InforDe deskundigheid is niet altijd even scherp bij de voogd. matievoorziening rondom financiën wordt niet actief Op het moment dat er spanning ontstaat, grijpt de voogd gegeven, maar alleen op initiatief vanuit de zorginstelling naar de macht die hij/zij heeft. Dreigt soms met uithuiswordt inzage verschaft. Jeugdzorg wordt door de provinplaatsing. Niemand toetst of dat toelaatbaar is, men voelt cie gecontroleerd, maar wie de WSS controleert is niet zich overgeleverd aan jeugdzorg. De voogd beroept zich

62


goed onderzocht moeten worden, bijvoorbeeld door op de protocollen, maar steekt in op eigen inzicht. middel van structureel psychologisch onderzoek. Om die Als jeugdzorg binnenkomt, vraagt de zorginstelling eerst een gesprek aan met de voogd of de casemanager. Andersom gebeurt dat niet, een zorginstelling is onderge- “EEN VOOGD MOET EEN ERVAREN IEMAND Z IJN.” schikt. Als je als zorginstelling twijfels hebt over wat zich in een gezin afspeelt, dan worden de afspraken tussen reden moet een voogd een ervaren iemand zijn die de jeugdzorg en onze instelling ten aanzien van de zorg in situatie goed kan inschatten. Te vaak is een voogd alleen het gezin op papier gezet en ondertekend. Dit geldt ook verantwoordelijk voor de financiën en moet bewijzen bij voor afspraken omtrent financiën. elkaar zoeken voor een uithuisplaatsing. Ook hier is weer sprake van een spagaat voor de ouders. Want werken “ TE VAAK WORDT I NFORMAT IE VOOR DE ouders mee, is een uithuisplaatsing niet mogelijk. Werk je Z ORG I NSTELL I NG AC H TER GEHOUDEN” als ouder tegen, dan is het juist wel mogelijk om een kind uit huis te plaatsen. Uiteindelijk is de vraag in hoeverre het kind hulp krijgt. Het kind lijkt een middel te zijn geworden, de voogd heeft te veel macht. En waar zit de Verder lopen we ook tegen een gebrekkige informatiecontrole in dit proces? Uiteindelijk geldt dat ook voor voorziening aan vanuit jeugdzorg. Te vaak wordt informaeventuele pleegouders, wie controleert hen, wie bewaakt tie bij een crisisopvang voor de zorginstelling achter gehouden, zowel inhoudelijk als rondom de financiën. Bij pleegzorgplaatsing zijn er vaak geen problemen rond de “MAAR BOVEN ALLES STAAT VOORAL: financiële afwikkeling, maar als er ook begeleiding moet HART VOOR DE Z AAK HEBBEN. ” worden geboden, dan ligt het vaak moeilijk met de dagvergoeding. de kwaliteit? De vraag is wie het belang van het kind in de gaten houdt. In de provincie Flevoland wordt de vorm van onderaanneDe Raad controleert het onderzoek vooraf of het pleegming gehanteerd. Dagvergoeding is vanuit de overheid gezin geschikt is als pleeggezin. Als er klachten zijn, kan er hetzelfde, maar het hangt van de organisatie en persoon gecontroleerd worden. Preventief wordt er niet gecontroaf hoe hoog die vergoeding is. Te vaak moeten we onderleerd. Het lijkt er op dat niemand de vingers hier aan wil handelen, er is aan de ene kant veel onduidelijkheid maar branden. Jeugdzorg krijgt een groot vertrouwen, zijn ze aan de andere kant moet er bij een crisis snel gehandeld dat waard? Het onderzoek richt zich vaak op het instituut worden. We maken te vaak mee dat er geen doorplaatzelf. Er zal echt iets moeten veranderen wat betreft helsing naar een pleeggezin is, dan blijft het kind hangen in derheid, autoriteiten en preventie. De kracht ligt in de de crisisopvang. Zonder dat daar een vergoeding tegenjuiste personen op de juiste plek. Gedreven met de juiste over staat. Daarom moeten er heldere afspraken gemaakt visie, het kind niet verliezen en de ouders de juiste plek worden. geven. Maar boven alles staat in mijn optiek vooral: hart voor de zaak hebben. Naar mijn mening zou bij een uithuisplaatsing de situatie

63


64


interview 17

JEUGDZORG ONTNAM MIJ MIJN ZOON! Ik ben moeder van een zoon van bijna 18 jaar oud. Ik heb inmiddels vier jaar ervaring met jeugdzorg. Ik ben alleenstaand en ik voed mijn zoon alleen op. Ik ben opgegroeid in Polen en woon al jaren in Nederland, mijn zoon is hier geboren. Mijn zoon is hoogbegaafd en ging naar het gymnasium. In de derde klas kreeg hij steeds meer problemen op school. Hij had emotionele uitbarstingen en wilde niet meer naar school. Ook thuis ontstonden problemen, hij wilde niet naar mij luisteren en kwam ’s avonds laat thuis. Ik ben alleenstaand en zocht steun en hulp bij de ouders van vrienden van mijn zoon. Ik vond daar helaas weinig steun. Ik moest niet zo streng zijn, vertelden ze mij. Ik stond duidelijk alleen in mijn zorg om mijn zoon.

“ TOEN HEB I K PROFESS I ONELE H ULP GEZ OC HT .��� Toen mijn zoon 14 en een half jaar oud was is hij weggelopen van huis. Toen heb ik professionele hulp gezocht en contact opgenomen met jeugdzorg. Zowel jeugd GGZ als jeugdzorg werd ingeschakeld. Ik had verwacht dat de hulpverleners mij zouden ondersteunen mijn zoon weer op het rechte pad te krijgen. Zodat hij weer naar school zou gaan en zich thuis aan de afspraken zou houden. Mijn zoon voelde zich echter gesteund door de hulpverlener en al snel kwam een pleeggezin ter sprake. Dit is niet direct wat ik voor ogen had, maar thuis ging het ook niet meer. Ik vertrouwde op de hulpverleners, zij zullen wel weten wat het beste is... Ik ben echter erg teleurgesteld in jeugdzorg… Mijn zoon heeft bijna vijf maanden in een pleeggezin gewoond. Daarna is hij verhuisd naar een woongroep. De casemanager vertelde dat mijn zoon drugs gebruikte. Dit gebeurde in het pleeggezin. Als ik mijn zorgen hierover uitte naar de casemanager en hem vroeg naar een verslavings-behandeling, raakte hij geïrriteerd. Hij werkte al zoveel jaren in de jeugdzorg en ik hoefde hem niets te vertellen. Ik wilde dat de casemanager verslavingszorg zou inschakelen, maar daar was hij het niet mee eens. Hij vond mij lastig, merkte ik. Ik maakte me gewoon ernstige zorgen over mijn zoon! Ik vond dat er niet adequaat gehandeld werd en dat mijn zoon niet streng genoeg werd aangepakt. Ik ging vervolgens zelf aan de slag met verslavingszorg, maar kwam daar ook niet ver omdat mijn zoon zelf hulp moest

aanvragen. Ik verbaas me daar erg over: mijn zoon was nog geen 15 jaar oud! Uiteindelijk werden de problemen in het pleeggezin steeds groter en verhuisde mijn zoon naar een leefgroep. Toen heeft jeugdzorg uiteindelijk mijn zoon aangemeld bij verslavingszorg.

“IN DE LEEFGROEP WERDEN DE P ROBLE- MEN ALLEEN MAAR GROTER .” Mijn zoon rookte, ging drinken en gebruikte drugs. Dit was officieel niet toegestaan in de leefgroep, maar het gebeurde toch. Toen mijn zoon vier maanden in de leefgroep woonde, werd hij van school geschorst. Via school kwam ik er achter dat hij naast drugsgebruik, ook dagelijks sterke drank dronk. Ik vond dat de leiding van de leefgroep hierin een passieve houding aannam. Ik heb vervolgens een klachtenbrief geschreven en de vraag gesteld hoe het kan dat er in een leefgroep voor jongeren op deze manier met de regels wordt omgegaan. Mijn klacht werd gegrond verklaard. Uiteindelijk hield het verblijf in de leefgroep ook geen stand en stond mijn zoon op straat. Wat doe je dan als moeder? Natuurlijk neem je hem dan weer in huis! Mijn zoon ging niet naar school, had geen werk, geen geld. De casemanager erkent de uitspraak van de klachtencommissie niet en stond een verslavingsbehandeling niet toe. Om die reden heb ik zelf een ondertoezichtstelling bij de kinderrechter aangevraagd. De raad voor kinderbescherming adviseerde om mijn zoon in een pleeggezin buiten de stad te plaatsen en dit te combineren met een verslavingsbehandeling. De kinderrechter ging mee met mijn verzoek.

“DE P OL ITIE VERTELDE ME DAT Z E NIETS VOOR ME KONDEN DOEN . ” Mijn zoon woonde in die periode voorlopig bij mij. Het duurde maar liefst acht maanden voordat de toegewezen gezinsvoogd met ons in contact trad. Ik vond hem jong en onervaren. Ondertussen merkte ik dat mijn zoon fietsen stal en nam contact op met de politie. De politie vertelde me dat ze niets voor me konden doen. Eerst moest er meer aan de hand zijn. Maar dat wilde ik nu juist voorkomen. Mijn zoon viel nog altijd onder jeugdzorg, maar de gezinsvoogd kon niets met mijn zoon. Ik had meer bege-

65


leiding verwacht voor mij als ouder. Ik kreeg wel een folder, maar ik had meer verwacht. Het contact met de voogd verliep moeizaam. Als ik belde was ze er vaak niet. Ook vind ik de vervanging in vakanties slecht geregeld. Dan is er eigenlijk niemand met wie je kunt praten. Mijn zoon ging steeds meer gebruiken en werd agressief. Hij wilde geld en werd boos omdat hij van mij geen geld kreeg. Hij maakte alles stuk in huis... Steeds vaker escaleerde de situatie, dan belde ik de gezinsvoogd en werd ik na drie dagen teruggebeld… Op een gegeven moment was mijn zoon weer weggelopen. Een hele week was hij weg. Ik stapte naar de politie en vernam daar dat mijn zoon verhuisd zou zijn!? De gezinsvoogd vertelde dat hij op een ‘veilige plek’ verbleef, waarvan ik niet mocht weten waar dat was. Achteraf bleek dat mijn zoon naar de casemanager van jeugdzorg was gestapt met een heel verhaal. De voogd zou geen interesse in hem tonen en ook geen interesse hebben waar hij daadwerkelijk woonde. Mijn zoon woonde toen in een begeleid wonen project. De casemanager nam hem serieus en ging een veilige plek voor hem zoeken. Wat mij zo verbaast is het feit dat niemand mij als moeder op de hoogte stelt!

“H ET OUDERLI JK GEZAG WERD MIJ GEWOON ONTNOMEN !.” In de periode die volgde kwam mijn zoon nog steeds regelmatig thuis. Thuis maakte hij alles kapot. Op een gegeven moment kon het niet langer meer. De woningstichting heeft toen alles gerepareerd en ik heb een nieuw slot in de deur laten zetten. Ik heb de teammanager van de gezinsvoogd hierover ingelicht. Ik vond het heel erg, in feite sloot ik mijn zoon buiten… Ik zag niets anders dat ik kon doen, ik was machteloos. Ik had het er erg moeilijk mee. Mijn zoon nam geen contact meer met mij op en de gezinsvoogd van jeugdzorg vertelde mij niets over mijn zoon. “In het belang van mijn zoon”, werd er gezegd. Ook via de school van mijn zoon kreeg ik geen informatie, dat moest via de gezinsvoogd krijgen. Verschrikkelijk vond ik dat. Ik ben toch nog altijd zijn moeder! Het kan toch niet zo zijn dat ik opdraai voor alle kosten, want ik moest wel voor alles betalen, terwijl ik geen enkele informatie of zeggenschap krijg over het leven van mijn zoon? Ik had het idee dat mijn zoon een spelletje speelde en dat jeugdzorg hierin meeging. Hij is slim en hij wond ze zo om zijn vinger. Ik heb toen een advocaat ingeschakeld en ik heb een officiële klacht ingediend. Ik vind dat ik als moeder het recht heb om geïnformeerd te worden over mijn kind. Vervolgens kreeg ik een gesprek met een gedrags-wetenschapper die mij vertelde dat mijn zoon geen contact met mij wilde en dat ik dat moest accepteren. Elk contact met mijn zoon werd mij verboden omdat hij zogezegd rust moest krijgen. Ook kreeg ik onverwacht een brief van de klachtencommissie waarin stond dat mijn klacht niet in behandeling werd genomen. Ook werd ik gewaarschuwd. Ik zou jeugdzorg hebben beledigd en ik zou onwaarheden hebben geschreven. Er stond in de brief dat ik vervolgd kon worden. de ouderbijdrage van een half jaar te betalen. Ik ben toen drie dagen ziek thuis geweest, zo boos

66

was ik! Het zegt bovendien wel wat van de klachtencommissie… Ik heb in ieder geval niet het idee dat mijn klacht onpartijdig is behandeld. Ik heb toen de Nationale Ombudsman ingeschakeld. Die was van mening dat de klachtencommissie verplicht was om mijn klacht te behandelen, maar ik heb nooit, tot op de dag van vandaag, een excuses ontvangen.

“DE GEZ INSVOOGD VAN JEUGD Z ORG VERTELDE MIJ NIETS OVER MIJN Z OON.” Enige tijd verstreek, zonder contact met mijn zoon, zonder informatie over mijn zoon. Op een gegeven moment kwam de verlenging van de OTS voor de rechter en kreeg ik allerlei papieren thuis. Wat hier in stond maakte mij erg boos! Er stonden regelrechte leugens in over mij en over mijn zoon. Het ouderlijk gezag werd mij gewoon ontnomen! Het maakt mij boos dat dit kan, achter mijn rug om! Juist door het verbod op het contact met mijn zoon, vervreemden we van elkaar. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Jeugdzorg ontnam mij mijn zoon! Ook ben ik slecht te spreken over het gebrek aan behandeling voor de verslaving van mijn zoon. Ik heb een brief geschreven naar de klachtencommissie. In de reactie die ik hierop kreeg werd ik beschuldigd van belediging en werd er gedreigd met strafvervolging. Toen ben ik dat eens gaan uitzoeken wie of wat die klachtencommissie is. Ik kwam er achter dat de mensen die in de klachtencommissie zitten zelf van jeugdzorg zijn! Ze hebben directe lijnen met de organisatie. Ik vind niet dat dat kan. Er is dan toch sprake van partijdigheid.

“HIJ IS NU 18 JAAR EN DAN VERVALT JEUGD Z ORG.” Nadat mijn zoon vier jaar uit huis is geweest en we een groot deel daarvan geen contact hadden, woont hij sinds drie weken weer bij mij in huis… Hij is nu 18 jaar en dan vervalt jeugdzorg… Dus stond hij op straat. Hij heeft geen diploma, geen werk en behoorlijke problemen met drugs en alcohol. We zijn vervreemd van elkaar. Maar ja, hij blijft mijn kind en anders leeft hij op straat… “Jeugdzorg was lekker chillen”, zegt hij. Hij geeft openlijk toe dat hij de hulpverleners naar zijn hand zette. Niemand legde hem een strobreed in de weg, hij kon zijn gang gaan. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van jeugdzorg? Dat als je als jongere de regels thuis te streng vind dat je maar naar jeugdzorg stapt om dan je gang te kunnen gaan? Is dat wat we willen in Nederland? Ik ben heel erg boos op jeugdzorg. Ik stond er alleen voor en dus zocht ik hulp en ondersteuning bij jeugdzorg. Juist omdat ik me zorgen maakte om mijn puberzoon. Ik heb het gevoel dat jeugdzorg me mijn kind heeft afgenomen, dat het mijn kind verslaafd heeft gemaakt. Het leven van mijn kind, zijn toekomst is weggenomen. Mijn zoon is klaar met jeugdzorg, maar ik nog niet. Ik heb een advocaat in de arm genomen. Ik wil erkenning, ik wil excuses. Niet voor mijzelf, maar omdat ik vind dat dit niet zo zou mogen gaan.


interview 18

JEUGDARTS BIJ MELDPUNT KINDERMISHANDELING Ik ben werkzaam als jeugdarts bij het AMK Advies en Meldpunt Kindermishandeling. In mijn functie geef ik informatie en advies omtrent (vermoeden tot) kindermishandeling en onderzoek meldingen van kindermishandeling die bij het AMK binnenkomen. Eén van de taken van Bureau Jeugdzorg is het fungeren als advies en meldpunt kindermishandeling. In die zin opereert het AMK onder verantwoordelijkheid en management van Bureau Jeugdzorg. De werkzaamheden en verantwoordelijkheden van het AMK zijn echter apart in de Wet op de Jeugdzorg geregeld. Meldingen van kindermishandeling zijn vaak aanleiding tot diverse vormen van jeugdzorg. Door het AMK binnen Bureau Jeugdzorg te organiseren, is een directe aansluiting mogelijk met eventueel benodigde jeugdzorg waarvoor Bureau Jeugdzorg moet indiceren, terwijl het ook als toegang tot de Raad voor de Kinderbescherming fungeert. Het AMK heeft onder andere als taak naar aanleiding van een melding van vermoeden van kindermishandeling, te onderzoeken of er sprake is van kindermishandeling. Ook beoordeelt het AMK tot welke stappen de melding of het vermoeden van kindermishandeling aanleiding geeft.

“ OOK ADVI ES OVER KI NDERMI SH ANDELING . ” Daarnaast heeft het AMK heeft een consult- en adviesfunctie t.a.v. kindermishandeling waarbij iemand die zich zorgen maakt contact kan opnemen met het AMK. Bij advies is er eenmalig contact, bij consult zijn er meerdere contacten tussen AMK en adviesvrager. De verantwoordelijkheid blijft bij de adviesvrager, het AMK wordt dus niet actief. Er worden ook geen persoonsgegevens uitgewisseld. Er vind een registratie plaats bij het AMK op naam van adviesvrager. Komt er geen of onvoldoende hulpverlening op gang, delen ouders de zorgen niet, blijft de zorgelijke situatie in stand, dan kan er een officiële melding gedaan worden bij het AMK. Een gezin dat in een problematische situatie verkeert kan op verschillende manieren in aanraking komen met Bureau Jeugdzorg. Een gezin kan zichzelf aanmelden voor hulp, ondersteund door bijvoorbeeld een huisarts, psy-

choloog of school. Is er een vermoeden van een dreigende situatie voor het kind dan kan er advies ingewonnen worden of een directe melding worden gedaan bij het AMK. Is er sprake van huiselijk geweld waarbij de politie betrokken is, dan wordt er automatisch een melding via de politie gedaan bij het AMK. Afhankelijk van een inschatting van de ernst van de problematiek zal het AMK een onderzoek opstarten of contact onderhouden met de casemanager van Bureau Jeugdzorg Fryslân om de situatie in de gaten te houden.

“ONDERZ OEK NAAR KINDERMISHANDELING . ” Naar aanleiding van een officiële melding van vermoeden van kindermishandeling zal het AMK onderzoeken of er sprake is van kindermishandeling. Normaal gesproken start het onderzoek van het AMK door contact te leggen met de ouders en/of de jeugdige. Het AMK heeft echter de mogelijkheid om zonder medeweten van de ouders een zogeheten vooronderzoek te doen bij professioneel betrokkenen rondom een gezin. Dit vooronderzoek is primair gericht op de volgende doelen: • Het vaststellen of het vermoeden van kindermishandeling wordt gedeeld; • Het inschatten van de risico’s voor het gemelde kind, andere minderjarigen in het gezin en/of andere betrokken personen, indien het AMK contact opneemt met het kind en/of de ouders; • Verificatie van persoonsgegevens. Na de fase van vooronderzoek wordt beoordeeld welke stappen nodig zijn. En kan alsnog een onderzoek starten. Bij een melding van een vermoeden van kindermishande-

“WAT GEBEURT ER NA EEN MELDING VAN KINDERMISHANDELING ?” ling doet eerst het AMK een eigen onderzoek, dat 13 weken mag duren. In de praktijk duurt dit vaak de volle 13 weken. De sterke toename van het aantal meldingen in de afgelopen jaren is hiervan de oorzaak. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek wordt Jeugdhulp Fryslân

67


ingeschakeld voor de begeleiding van een gezin of wordt het rapport door het AMK doorgestuurd naar de Raad voor Kinderbescherming. Hierna sluit het AMK het traject af. De inhoud van het rapport van het AMK dient als basis waarop een beslissing wordt genomen door de Raad. Indien het AMK oordeelt dat hulp in het vrijwillig kader niet mogelijk is volgt dus een zogenaamde “raadsmelding”, een melding bij de Raad. De toename van het aantal meldingen bij het AMK leidt dan ook tot een toename van de druk bij de Raad en tot grote wachtstapels. Vervolgens start de Raad een onderzoek dat vervolgens ook 3 maanden duurt.

onwenselijk is. Reeds in 2006 is er gestart met een betere samenwerking in de keten via het programma Beter Beschermd. Dit programma valt onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. In het programma Beter Beschermd wordt gewerkt aan een efficiënte en effectieve jeugdbescherming. Dit gebeurt in vier projecten, samen met de betrokken organisaties en overheden bij de jeugdbescherming. Op dit moment, in 2010, is echter de efficiëntie in de uitvoering nog altijd onveranderd. De oorzaak en daarmee ook de oplossing is naar mijn mening te vinden in de openheid van de samenwerking op uitvoeringsniveau.

In het algemeen leidt dit onderzoek tot het verzoek aan de rechter tot het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel (OTS). De rechter kan alleen een gezagsbeperkende maatregel opleggen, zoals een onder toezichtstelling of een uit huis plaatsing. De rechter heeft niet de mogelijkheid om aan te geven waar de hulpverlening aan dient te voldoen.

Daarnaast zou er naar mijn mening een directe samenwerking moeten bestaan tussen de gezinsvoogd en het AMK. Binnen Bureau Jeugdzorg zijn alleen binnen het AMK artsen werkzaam. Jeugdartsen beoordelen een situatie nu eenmaal anders. Ik zie beslist de toegevoegde waarde in multi-probleem situaties, waarbij de arts kan meekijken. Op die manier zou er sneller en gerichter doeltreffende hulp op gang kunnen komen.

In de praktijk betekent dit dat de gezins-

“ HOE GAAT H ET voogd van jeugdzorg vervolgens naast het I N DE PRAKTI JK? ” onderzoek dat er ligt vanuit het AMK, een eigen onderzoek uitvoert om tot een eigen hulpverleningsplan te komen. Zelf vind ik dit een onnodige handeling, de situatie is immers uitvoerig onderzocht. Vanuit die gegevens zou de hulp moeten worden opgestart. Ik begrijp dat de voornaamste reden het tijdsaspect is, de gegevens zouden inmiddels verouderd zijn en de situatie is veranderd. Het doen van een extra onderzoek is hierin echter niet de oplossing. Het duurt immers alleen maar langer voordat er hulp wordt opgestart in het gezin.

“BETERE SAMEN W ERK I NG IN DE KETEN: BETER BESC H ERMD.” Zo zou het een hele verbetering zijn als de Raad en het AMK gelijktijdig zouden optrekken in het kader van het onderzoek. Dit zou veel tijd en energie van alle betrokkenen besparen. Er kan sneller gerichte hulp ingezet worden en daadkrachtiger worden opgetreden in gezinnen. In het westen zijn er diverse pilots opgestart gericht op deze vorm van samenwerking en het gezamenlijk bespreken van casuïstiek. Door iedereen, zowel binnen als buiten de organisatie, wordt erkend dat deze gang van zaken

68

“SA MENWERKING MET ANDERE ORGANISATIES . ” Naast verbetering in de samenwerking tussen de afdelingen binnen Bureau Jeugdzorg zie ik ook kansen in de samenwerking tussen het AMK en andere organisaties, instellingen en netwerken. Onze functie in het kader van voorlichting en advies is vandaag de dag helaas onvoldoende bekend. Er is nog zoveel onbekendheid rondom kindermishandeling, signalering, inhoudelijk, juridische kader. Maar ook de achtergrond: hoe werkt kindermishandeling. Als AMK zouden we meer naar buiten kunnen treden in onze voorlichtende rol richting basisscholen, zorginstellingen, GGZ instellingen, pleegzorg, en dergelijke. Het AMK is immers specialist op het gebied van kindermishandeling. Op die manier geef je een essentiële bijdrage aan preventie en een betere signalering van kindermishandeling. Ik zie in het uitbouwen van deze voorlichtende en adviesfunctie een actieve rol weggelegd voor het AMK. Ik ben van mening dat we zelf meer naar buiten zouden moeten treden.


hoofdstuk 4

SAMENVATTING VAN DE KERNPUNTEN Op het moment dat ouders of professionals problemen signaleren in de opvoeding van een jeugdige, zoeken zij hulp in het professionele circuit. Zij zoeken ondersteuning bij het verhelderen van hun vraag en proberen hulp te vinden die hierop aansluit. Uit de interviews zou je kunnen opmaken dat de uitvoering van de hulpverlening te wensen over laat, waarbij zowel in het vrijwillige kader als in het verplichte kader de hulpverlening onvoldoende aansluit bij de vraag.

OORZAAK VAN PROBLEEM In dit hoofdstuk worden de kernpunten samengevat die in de gesprekken naar voren kwamen. Als oorzaken van de geschetste problemen worden onder andere genoemd: De complexiteit van de organisatie van het stelsel, de verantwoordingsdruk en het constante dilemma van ondersteunen of overnemen van opvoedingsverantwoordelijkheid. Ouders en professionals geven aan geen inspraak, geen grip op de onderdelen van het zorgverleningproces te ervaren. Zij spreken van een jeugdzorg die niet aansluit op hun verwachtingen, namelijk, gedeelde verantwoordelijkheid en samenwerking. Ouders vertellen over tegenstand en tegenwerking in plaats van hulp en ondersteuning en over een opgelegde manier van hoe het kind volgens een ideaalbeeld opgevoed dient te worden.

KERNPUNT 1 SAMENWERKING EN/OF HET GEBREK DAARAAN Er wordt op veel vlakken een gebrekkige samenwerking met de betrokken jeugdzorgorganisaties ervaren. Of het nu gaat om samenwerking tussen de diverse jeugdzorginstanties onderling, de samenwerking met de ouders of de samenwerking met professionals werkzaam op bijvoorbeeld scholen, bij de politie en in de gezondheidszorg. Er wordt gesproken over een gebrekkige samenwerking tussen GGZ–jeugd en jeugdzorg. Zowel Jeugdhulp Fryslân als Bureau Jeugdzorg worden hierin genoemd, maar ook andere organisaties of specifieke afdelingen komen ter sprake. De grootste klacht is het gebrek aan informatie uitwisseling: afdelingen en organisaties doen hun eigen onderzoek, volgen eigen protocollen en bouwen afzon-

70

derlijke dossiers op. De indruk bestaat dat de diverse jeugdzorgorganisaties als losse eilandjes te werk gaan. Daarbij worden Jeugdhulp Fryslân en Bureau Jeugdzorg (maar ook de andere uitvoerende organisaties) als ondoorzichtige en afgesloten bolwerken ervaren. WIE HEEFT REGIE? Het nadeel van dit alles is dat iedereen op elkaar lijkt te wachten, want jeugdzorg ‘zit er op’, en niemand denkt iets te kunnen doen. Het is voor ouders of professionals niet duidelijk wie de regie over de hulpverlening in het gezin heeft. Zowel op het preventieve vlak als in situaties waar al het een en ander aan de hand is, is het niet duidelijk wie de zorg coördineert en het aanspreekpunt vormt. Ouders ervaren dit als belastend en teleurstellend omdat ze juist de verwachting hadden om samen met één persoon de schouders onder de situatie te zetten. 18 JAAR EN VRIJ?! Ook wordt er geen samenwerking gevoeld door de instanties die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding van jongeren die 18 jaar zijn geworden. Er wordt gesproken van het ontbreken van een overdracht en dat jongeren ‘na jeugdzorg’ zonder enige vorm van voorbereiding de wijde wereld in worden gestuurd. Juist omdat de ervaringen die de jongeren tot dan toe met zorg en begeleiding hebben slecht zouden zijn, worden de gevolgen fors genoemd. Er wordt gezegd dat vele jongeren hierdoor ontsporen en gaan zwerven. WANTROUWEN STAAT OPEN SAMENWERKING IN DE WEG De indruk bestaat bij zowel ouders als professionals dat jeugdzorgorganisaties niet open en eerlijk te werk gaan en dat informatie eerder afgeschermd wordt dan dat het beschikbaar wordt gemaakt. Men ziet dit bevestigd in het gegeven dat informatie van derden wordt overgenomen zonder dat het wordt geverifieerd. In de interviews spreekt men van wantrouwen in de relatie met de jeugdzorgorganisatie. Dit wantrouwen staat een open samenwerking zeker in de weg. Ouders geven aan teleurgesteld te zijn in het gebrek aan samenwerking met de jeugdzorginstantie, iets dat vooraf wel de verwachting was. Professionals vertellen als reactie op het wantrouwen voorzich-


tig en terughoudend te worden in de contacten met betrekking tot het gezin. Kortom: Er wordt gesproken van een gebrek aan structurele onderlinge samenwerking tussen de diverse professionals in het veld van jeugdzorg, waardoor informatie en kennis niet of onvoldoende wordt gedeeld. Men ervaart de organisaties binnen het veld als eilanden, elk met de eigen beperkte bevoegdheden en onbereikbaarheid. Men ziet het onderling contact en de basale vormen van samenwerking die ontstaan als een uitzondering. De indruk bestaat dat kostbare kennis en informatie te vaak onbenut blijven. De vraag reist of er iemand echt zicht heeft op wat er nu daadwerkelijk met en binnen het gezin gebeurt? KERNPUNT 2: WACHTEN OP HULP Een logisch gevolg van de ervaren gebrekkige samenwerking is dat er onnodig tijd verloren gaat. Volgens de gesproken betrokkenen blijft gerichte begeleiding vaak lang uit en duurt het regelmatig langer dan een half jaar voordat hulp opstart in gezinnen, ook bij die gezinnen waarbij de nood hoog is. Een eventuele uitspraak van de rechter zou hierop niet van invloed zijn. Met name in crisissituaties ervaart men dit als onverteerbaar. HET MOET EERST FOUT GAAN VOOR ER WORDT INGEGREPEN Uit hetgeen verteld wordt blijkt dat de instellingen of opvangplekken waar problematische jongeren geplaatst kunnen worden schaars zijn, waardoor ook lange wachttijden ontstaan. Er wordt in de interviews gesproken over een situatie waarin hulp zou ontbreken tijdens het wachten op een geschikte voorziening voor een problematische situatie. De ouders die wij hebben gesproken zijn van mening dat er in deze periode te weinig contact plaats vindt met de casemanager of de voogd. Verder wordt er verteld hoe jongeren weer op straat komen te staan en ouders zich genoodzaakt voelen hun kind weer in huis op te nemen. Ouders vertellen over periodes van crisis op crisis en geen behandeling, begeleiding of steun in welke zin dan ook. De problematische situatie verergert en er ontstaat een negatief effect op alle gezinsleden. Ouders ervaren het als erg dubbel dat hun situatie als problematisch wordt erkend en er vervolgens niets gebeurt. WISSELENDE VOOGDEN Ouders en professionals spreken van onderzoeken zonder dat er hulp wordt geboden. Zij verbazen zich er over dat behandeling niet samen kan gaan met het onderzoek en men heeft daarbij de indruk dat het contact met het gezin slechts in het teken van het onderzoek staat. Dit zorgt weer voor onbegrip bij ouders. Ouders zeggen zich niet gehoord en niet begrepen te voelen en de motivatie om mee te werken vermindert. Ouders en professionals hebben de indruk dat het uitblijven van hulp te maken heeft met grote wisseling in voogden. De indruk bestaat dat er sprake is van een groot verloop en een hoog - en met name lang - ziekteverzuim onder voogden. Dit wordt met name als problematisch ervaren omdat er wordt gezien dat met de wisseling van de voogd alles dat is opgebouwd wegvalt: kennis, contacten, ervaringen en eventueel vertrouwen. In de tijd dat een voogd ziek is, zou het werk zogezegd stil blijven

liggen. Hierdoor zou hulp soms maandenlang uitblijven. KERNPUNT 3: COMMUNICATIE EN PERSOONLIJK CONTACT De tijd tussen de hulpvraag en de daadwerkelijke hulp wordt als een van de hoofdproblemen bij de communicatie gezien. De communicatie en informatie vanuit jeugdzorgorganisaties ervaren ouders en professionals als onvoldoende en onpersoonlijk. De oorzaak wordt vooral gezien in het ontbreken van menselijk contact. Ouders hebben het gevoel dat er te weinig contact en steun is vanuit de jeugdzorgorganisaties. GEEN VASTE CONTACTPERSOON WAARMEE JE RELATIE OP KAN BOUWEN Over het algemeen is de belangrijkste klacht van ouders en professionals dat de contacten met jeugdzorginstanties voornamelijk telefonisch verlopen. Men klaagt over het ontbreken van een vaste contactpersoon en het ontbreken van persoonlijk contact met het kind. Vervolgens zijn ouders en professionals van mening dat de toegewezen casemanager onvoldoende telefonisch bereikbaar is en dat er niet of veel te laat wordt teruggebeld. In het geval van een toegekende hulpvraag via een Persoons Gebonden Budget wordt er gesproken van een jaarlijks telefoontje door een extern bureau. De ouder is teleurgesteld door het gebrek aan informatie en steun en dat het contact geheel in het teken staat van de geldverstrekking. ALS OUDER MOET JE OVERAL ZELF ACHTERAAN In het geval van vrijwillig aangevraagde jeugdzorg lijkt het gezin zich nog het meest in de kou te voelen staan. Men ervaart daar in veel gevallen géén communicatie of persoonlijk contact, ook niet met het kind zelf. Men verbaast zich er over dat zelfs wanneer de jeugdzorginstantie besluit een onderzoek in te stellen, hulpverleners nog altijd niet thuis langs komen. Gesprekken zouden enkel op kantoor van de organisatie plaatsvinden en met het kind zelf zou nauwelijks worden gesproken. Ouders zijn teleurgesteld over het ontbreken van informatie over het zorgaanbod in de regio. Ouders gaan vervolgens zelf op zoek naar informatie over voorzieningen, cursussen en trainingen. Ook zoeken ze zelf naar de juiste hulpverleningsinstantie en doorlopen in zo’n geval zelf de aanmeldingsprocedures. De ouders die wij spraken ervaren daarbij de vorm van de beschikbare hulp als niet geschikt, waardoor zij zich machteloos voelen in een vaak zeer problematische situatie. WACHTEN OP TERUGKOPPELING De ouders die wij interviewden zijn van mening dat de voogd of de casemanager te weinig in het gezin komt. Er wordt gesproken van periodes waarin er alleen telefonisch contact is tussen voogd en ouders. Voogden en casemanagers zouden daarbij slecht bereikbaar zijn. De ouders geven aan dat zij het vervelend ervaren dat voogden niet in het weekend zijn te bereiken. Juist in het weekend vinden de escalerende situaties plaats waarbij het gezin is teruggeworpen op bijvoorbeeld de politie. Vervolgens zouden ouders dagen of weken wachten tot er wordt teruggebeld of teruggemaild. ALLEEN INFORMATIE UIT EEN FOLDER In situaties waarin er sprake is van een Onder Toezicht Stelling (OTS) spreken ouders van achterdocht en wantrouwen richting de voogd. Ouders geven aan moeite te

71


hebben met de manier hoe dossiervorming en behandelplannen tot stand komen. Deze zouden eenzijdig worden opgemaakt en onwaarheden bevatten. In het contact met de voogd ervaren ouders geen ondersteuning, maar tegenwerking, dwang en starheid. Ouders klagen over een weinig menselijke benadering en verbazen zich over het minimale contact met het betreffende kind. Men geeft aan dat praktische informatie ten aanzien van het begeleiding- of behandelingsprocedures, doel en verwachtingen niet of middels een folder wordt verstrekt. Daarbij missen ouders informatie of toelichting over de rechten van ouders en wat er wordt verwacht in bijvoorbeeld een rechtzitting. GEEN CONTACT MET KIND De geïnterviewden ervaren het contact met Bureau Jeugdzorg of één van de andere uitvoerende organisaties bij een uithuisplaatsing als problematisch bij: bereikbaarheid, informatieoverdracht en communicatie. De pleegouders en ouders van crisisopvang vertellen alles zelf uit te zoeken, alles zelf te regelen en ook zelf financieel te dragen. Zij ervaren met de voogd een koud en zakelijk contact zonder inspraak of invloed. Zij verbazen zich er over dat er met het kind of de jongere nauwelijks contact is. Jongeren zelf en pleegouders vinden het slecht dat er geen of gebrekkige communicatie is met het uit huis geplaatste kind over contact met broertjes, zusjes en ouders, noch over de lengte van de termijn van uithuisplaatsing. Andere professionals ervaren een gebrek aan ondersteuning aan het gezin waarvan het kind uit huis is geplaatst en twijfelen aan het doel van een uithuisplaatsing. Zij vragen zich af of er wel voldoende wordt gekeken naar wat een gezin nodig heeft en of de behandeling van ouders waarvan duidelijk is vastgesteld en vastgelegd dat zij dat nodig hebben überhaupt wordt gestart. KERNPUNT 4: BUREAUCRATIE EN PAPIERWERK De geïnterviewde professionals en ouders ervaren de administratieve handelingen in het proces, ongeacht of het een vrijwillige hulpvraag of gedwongen hulp betreft als log en ingewikkeld. De professionals werkzaam in jeugdzorgveld geven aan dat zij de bureaucratie en vele regels zien als een beperkende factor die hun handelen in de weg staat. Bovendien blijkt in de praktijk hoe strakker de verslaglegging wordt georganiseerd, hoe meer regels, hoe sneller er fouten worden gemaakt. TEVEEL ADMINISTRATIEVE ROMPSLOMP De financiële verantwoording voor het Persoons Gebonden Budget (PGB) wordt als te ingewikkeld ervaren, zeker in vergelijking met het gemak waarmee het verkregen wordt. Een deel van het budget zou moeten worden gebruikt voor de administratieve afwikkeling door een professional. Ook binnen de jeugdzorgorganisaties zelf lijkt de administratieve afhandeling en verantwoording een groot struikelblok en een vertragende factor te zijn geworden. Het lijkt een goede aansluiting met het gezin in de weg te staan. De vraag rijst of de papieren administratie belangrijker is geworden dan de hulpverlening aan en rond het gezin. De geïnterviewde medewerkers spreken bijvoorbeeld van een verdeling van 60% administratieve verantwoording tegenover 40% contact met het gezin.

72

BUREAUCRATIE Een medewerker vertelt over de lastige positie waarin een vertrouwensband moet worden opgebouwd terwijl er ook een hele papiermolen bij het gezin moet worden doorgedraaid. Daarbij blijkt in de gesprekken dat ouders zich vaak niet herkennen in de inhoud van bijvoorbeeld behandelplannen, zogezegd vanwege vakjargon of omdat de omschrijving onvoldoende is aangepast aan de huidige situatie. Er lijkt een situatie te zijn ontstaan waarin een gezin afhankelijk is van de persoon die zij als hulpverlener toegewezen krijgen en zijn handigheid om met de rigide regels om te gaan. Uit hetgeen verteld wordt kan opgemaakt worden hoe belangrijk het is dat ‘de papieren moeten kloppen’. De uitgebreide papieren verantwoording wordt door gesprekspartners in relatie gebracht met angstdenken en met het uitsluiten van risico’s. Zij zien dit niet als verwonderlijk: Sinds een paar spraakmakende zaken rond jeugdzorg, waarin zelfs hulpverleners terecht stonden, lijkt de angst voor afrekening te zijn toegenomen. Volgens onze gesprekspartners heeft het gezorgd voor meer rigide regels en strakkere wetgeving. KERNPUNT 5: COMPLEXITEIT VAN HET JEUGDZORGSTELSEL Gevolg van de ervaren ondoorzichtigheid is dat het zorgaanbod door zowel de ouders als het werkveld zelf wordt gezien als een oerwoud: onoverzichtelijk en niet te begrijpen. Er zijn diverse organisaties en afdelingen actief in het veld en geïnterviewde ouders geven aan niet te begrijpen wie wat is of wie wat doet. Met als gevolg dat alle betrokken organisaties in één noemer ‘jeugdzorg’ worden vermeld. Recent ontwikkelde systemen, die professionals hierin ondersteuning moeten bieden, zouden niet bij iedereen bekend zijn en worden zodoende niet volledig benut. ONBEKENDHEID MET UITVOERENDE INSTANTIE Het is voor de professionals en voor ouders die wij spraken niet duidelijk waarom Bureau Jeugdzorg de uitvoering van de jeugdhulpverlening aan andere organisaties overdraagt zoals bijvoorbeeld het LJNR of de Wiliam Schrikker Stichting. Het gezin ervaart geen invloed te kunnen uitoefenen op de keuze van de uitvoerende organisatie. In de vrijwillige hulpaanvraag lijkt er wel een keuze maar dit is ouders vaak niet bekend. Daarbij hebben de ouders en professionals niet de indruk dat er sprake is van samenwerking of van terugkoppeling tussen Bureau Jeugdzorg en de uitvoerende instantie. Ook is het hen niet duidelijk hoe de andere uitvoerende organisaties worden gecontroleerd. NADRUK OP AFLEGGEN VAN VERANTWOORDING Zowel de professionals buiten als binnen de jeugdzorgorganisaties hebben de indruk dat de nadruk is komen te liggen op het afleggen van verantwoording, die ook nog eens zeer ingewikkeld en uitgebreid is. Er wordt gesproken van rigide regels binnen jeugdzorgorganisaties die worden uitgevaardigd, waarmee medewerkers bovendien zouden worden overruled. Er wordt gezegd dat er binnen de organisaties een cultuur heerst waarin ieder voor zich werkt en waarin weinig openheid en transparantie heerst. Afdelingen zouden langs elkaar heen werken elkaar zelfs tegenwerken. Er zou onder medewerkers sprake zijn van angst voor consequenties en afrekening voor misstanden


in een gezin. Het primaire doel van de organisatie, de zorg voor het kind en het gezin, zou hierdoor worden ondermijnd. WIE OF WAT IS JEUGDZORG? De complexiteit en ondoorzichtigheid van de financieringslijnen wordt door de geïnterviewden als belangrijk punt in deze problematiek gezien. Zij zijn van mening dat het systeem waarbinnen de jeugdzorg is georganiseerd bijzonder complex in elkaar zit. Het is hen over het algemeen niet duidelijk hoe financieringslijnen lopen en ook is het hen niet duidelijk hoe verantwoording is georganiseerd. Daar komt bij dat men eigenlijk niet weet wie of wat jeugdzorg is. In de gesprekken worden regelmatig benamingen van organisaties of afdelingen door elkaar gehaald. FINANCIEEL BELANG OTS In de interviews geeft men aan te twijfelen aan de controle op het naleven van protocollen en op het uitvoeringsbeleid door een onafhankelijk orgaan. De kinderrechter toetst niet het beleid en men vraagt zich af of de subsidieverstrekker voldoende controleert of kan controleren of de protocollen en het uitvoeringsbeleid daadwerkelijk worden nageleefd. Daarbij hebben geïnterviewden de overtuiging dat jeugdzorgorganisaties er een financieel belang bij hebben om cliënten zo lang mogelijk vast te houden. Men spreekt van enorme financiële belangen die gemoeid zouden zijn per verlengde OTS. KERNPUNT 6: DE POSITIE VAN DE GEZINSVOOGD Uit de verschillende verhalen kan je de moeilijke positie van de gezinsvoogd opmaken. Het beeld wordt in diverse interviews naar voren gebracht dat gezinsvoogden taken krijgen toebedeeld die te veel en te zwaar zouden zijn. Hierbij wordt gesuggereerd dat voogden te jong, te onervaren, onvoldoende opgeleid of bijgeschoold zouden zijn. Zij zouden te weinig contacten hebben met andere organisaties rondom het kind en onvoldoende kennis hebben van het zorgaanbod. De gesprekspartners spreken van een hoog ziekteverzuim en veelvuldige wisseling van voogden. Zij brengen dit in relatie met de te zware taak en de caseload die te hoog zou zijn. ONPARTIJDIG OF AFSTANDELIJK De onmachtige positie van de voogd lijkt duidelijk te worden op het moment dat een ouder hulp of begeleiding weigert. Volgens gesprekspartners zou een niet meewerkende ouder de gelegenheid hebben het proces te saboteren zonder dat het consequenties heeft. Regelmatig krijgt de voogd door scheiding te maken met twee verschillende opvoedsituaties, waarin ook sprake is van andere opvoeders en andere kinderen. Bureau Jeugdzorg krijgt direct (via de rechter) of indirect de opdracht om ouders op één spoor te krijgen. De gesprekspartners spreken van een onmogelijke opdracht. Volgens geïnterviewden zet de voogd zich als ‘onpartijdig’ neer, maar is dit onmogelijk. Er wordt gezegd dat de onpartijdigheid gerichte hulp voor het kind juist in de weg staat. Vanuit verschillende geïnterviewden wordt de onpartijdigheid

ervaren als afstandelijkheid, gebrek aan daadkracht en als excuus voor het niet nakomen van afspraken. PROTOCOL BELANGRIJKER DAN VERANTWOORDE ZORG De gesproken ouders en professionals hebben de indruk dat voogden soms uit angst handelen en protocollen als doel op zich hanteren in plaats van een middel tot verantwoorde zorg. Er wordt verteld dat kinderen uit huis worden geplaatst omdat de voogd bang is dat er iets met de kinderen gebeurt en dat hij of zij hiervoor ter verantwoording wordt geroepen. Het beeld bestaat dat voogden heel rigide de protocollen uitvoeren en hier in situaties die erom vragen niet vanaf wijken. De ouders geven aan dat zij sterk het gevoel hebben dat er geen sprake is van een open en eerlijke relatie tussen de voogd en de ouders. Zij hebben hier moeite mee. Zij voelen zich niet gekend in het behandelplan en de rapportage en hebben het idee dat zij afspraken moeten naleven, terwijl de voogd zich niet aan de afspraken houdt. KERNPUNT 7: WET- EN REGELGEVING In de interviews wordt door betrokkenen aangegeven dat op een aantal vlakken de huidige wet- en regelgeving niet aansluit op de dagelijkse praktijk en de voorwaarden voor een soepel verlopend en doeltreffend jeugdzorgsysteem. Met name de hulp in crisissituaties zou te wensen overlaten door beperkte mogelijkheden rond gedwongen opname of behandeling. Geïnterviewden zijn van mening dat het belang van de minderjarige in de huidige wetgeving onvoldoende tot uitdrukking komt. Ook de leeftijdsgrens van 18 jaar wanneer de beschermingsmaatregel vervalt, wordt ter discussie gesteld. In de huidige situatie zou er geen voorbereiding op een zelfstandig leven zijn. KLACHTENCOMMISSIE NIET ONAFHANKELIJK De regelingen rondom klachtenprocedures worden als onduidelijk en niet eenduidig ervaren. De klachtencommissies voelen voor de ouders en betrokkenen die wij spraken niet als onafhankelijk. Het feit dat klachtencommissies gefaciliteerd worden door de instelling, er mensen met directe lijnen zitting zouden hebben in de commissie en dat zij ook het briefpapier gebruiken van de organisatie, wekt bij ouders de schijn van belangenverstrengeling. SUBSIDIESYSTEEM WERKT EILANDVORMING IN DE HAND De professionals die wij spraken zijn van mening dat de scheiding van de organisaties in Friesland en de huidige werkwijze in stand wordt gehouden door het subsidiesysteem dat afzondering in stand houdt en eilanden zou creëren. De gesprekspartners hebben het idee dat vanuit de landelijke en provinciale politiek tot nu toe is gereageerd op deelproblemen. Acties zouden zijn gericht op werkstructuren, controle en verantwoording. Men ziet in de afgelopen jaren telkens dezelfde problemen terugkomen, het zij in dezelfde vorm of in een ander jasje. Hierin worden onder meer zaken genoemd als wachtlijstproblematiek, efficiënt werken en vraaggestuurd werken.

73


74


hoofdstuk 5

VISIE VAN DE GESPREKSPARTNERS In de interviews en in het ronde tafelgesprek is er gesproken over de visie op de ervaren problematiek en de verbanden die in dit kader worden gezien. In dit hoofdstuk wordt er stil gestaan bij deze visie van de gesprekspartners. De redenering achter de ervaren problemen wordt benoemd, waarbij de perceptie van de gesprekspartners, van wat als belangrijk wordt beschouwd of illustratief is, kort wordt aangehaald. ZORG VOOR HET KIND Alle mensen die gesproken zijn in dit onderzoek zijn het er over eens dat ouders verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun minderjarige kinderen. De beroepskracht in de jeugdzorg heeft de opdracht de ouders hierbij te ondersteunen en sterker te maken in hun rol van opvoeder. Wanneer ouders deze verantwoordelijkheid niet kunnen dragen en dit onaanvaardbare consequenties heeft voor het kind en zijn leefomgeving, zal deze verantwoordelijkheid gedeeld of overgenomen moeten worden. Alle gesprekspartners zijn het er over eens dat kinderbeschermingsmaatregelen een uiterst middel vormen en dat dit ingrijpen zorgvuldig moet gebeuren: Zorg op maat, in dialoog met de cliënt, gericht op mogelijkheden en gericht op het versterken van de opvoeder en het netwerk rond het gezin. Hierbij wordt genoemd dat het kind of de jongere in deze ondersteuning wordt betrokken op een bij zijn leeftijd passende manier. Boven alles zou deze zorg aantoonbaar effectief moeten zijn. SPANNINGSVELD Hiermee wordt het spanningsveld waarin de jeugdzorg zich bevindt zichtbaar. Welke norm wordt gehanteerd bij het bepalen of een opvoeder de verantwoordelijkheid niet meer (volledig) kan dragen? En hoe verhoudt dit normatief werken zich ten opzichte van de vraag van de cliënt? Vragen die in de gesprekken naar boven kwamen. De gesprekspartners hebben de indruk dat er in toenemende mate sprake is van een normatieve hulpverlening. Een normatieve hulpverlening is niet gebaseerd op een dialoog, maar veel meer op een monoloog. Wat gebeurt er met het contact met de opvoeder, met het kind, als de dialoog uit de hulpverlening verdwijnt? Uit de gesprekken zou je kunnen opmaken dat het wenselijk is dat zelfs in ernstige situaties waarin de norm gehandhaafd dient te worden en het kind beschermd moet worden, de dialoog onmisbaar is. Waarbij wordt opgemerkt dat de dialoog alleen al nodig is om te kunnen bepalen hoe het vanaf daar verder moet. Het uitblijven van deze dialoog wordt

als belangrijke factor gezien van het ontbreken of traag op gang komen van gerichte hulpverlening voor zowel het kind als de opvoeders. EFFECTIVITEIT VAN DE HULPVERLENING Hoe verhoudt de open dialoog tussen beroepskracht en hulpvrager zich met effectiviteit van de hulp? Doelen van de hulpverlening die in het gesprek tussen hulpverlener en cliënt worden vastgesteld zijn lastig te standaardiseren. De gesprekspartners in dit onderzoek geven aan dat ondanks dit spanningsveld er wel gekeken moet worden of de afgesproken doelen bereikt worden. De mix van vraaggericht handelen, normatief ingrijpen en het onderzoek naar effectiviteit van de hulpverlening wordt gezien als een lastige mix. De jeugdhulpverlener probeert het vertrouwen van de gezinsleden te winnen en de hulpverlening aan te bieden, terwijl men tevens autoritair grenzen moet stellen. En dat in een situatie waarin het onzeker is wat er zich precies afspeelt in een het gezin. De hulpverlener weet niet in alle gevallen wat er werkelijk gebeurt. SPAGAAT VAN DE BEROEPSKRACHT De spagaat waarin de beroepskracht in de jeugdzorg zich bevindt is voor de gesprekspartners zichtbaar: Ingrijpen versus terughoudendheid. De praktijk die in de gesprekken binnen dit onderzoek wordt neergezet geeft aan dat zo wel te veel ingrijpen als te weinig ingrijpen onwenselijk is. Het wordt per definitie als ingrijpend gezien voor gezinsleden wanneer jeugdzorg ‘in‘ het gezin komt. Het onderzoek dat wordt gestart wordt als belastend ervaren en dat wordt steeds moeilijker naarmate het onderzoek voortduurt. Ingrijpen wordt gezien als een diepgaande ervaring voor alle betrokkenen. Men ziet de beroepskracht voor het dilemma staan dat een foute misser even erg is als een foute treffer. VEILIGHEIDSDENKEN In de gesprekken wordt de zaak Savanna, waarin de gezinsvoogd voor de rechter stond, regelmatig aangehaald. Men is ervan overtuigd dat het grote gevolgen heeft gehad voor het werken in de jeugdzorg. Het raakt allen diep, want het gaat om een kind. Ook de rol van de publieke meningsvorming en de weergave hiervan in de media wordt in de gesprekken regelmatig aangehaald, waardoor de druk op gezinsvoogden toenam. Men is van mening dat in dit verband het veiligheidsdenken een enorme rol is gaan spelen, waarbij er lijkt te worden

75


gemeten naar de maatstaf ‘Er mag niets mis gaan’. ONMOGELIJKE POSITIE Over het algemeen zijn de gesprekspartners van mening dat beroepskrachten in de jeugdzorg en gezinsvoogden in het bijzonder, vaak ten onrechte verantwoordelijk worden gesteld voor het falen van de jeugdhulpverlening. De gezinsvoogd vormt voor velen het gezicht en de vertegenwoordiger van jeugdzorg en men ziet dat de voogd regelmatig als zondebok wordt aangewezen. Ook in de gesprekken in dit onderzoek komt dit beeld meerdere malen naar voren. Men stelt dat dit een onmogelijke positie is. Aan de ene kant hulp verlenen aan gezinnen die daar niet op zitten te wachten, ondertussen zorgen dat hulp zo snel mogelijk geregeld wordt en aan de andere kant verwoorden aan de kinderrechter waarom een kinderbeschermingsmaatregel moet voortduren. Daarbovenop komt de hoge druk van buitenaf, vanuit de omgeving en andere uitvoeringswerkers. Professionals zien dat voogden zich regelmatig in de positie bevinden het instellingsbeleid te moeten verdedigen of uit te leggen. Bovendien zijn de gesprekspartners ervan overtuigd dat er vanuit de organisatie steeds meer werkdruk opgelegd door steeds veranderende competenties en werkprocessen. Daarbij wordt opgemerkt dat de mate van verantwoorden ten aanzien van het handelen en de besluitvorming in het hulpverleningsproces enorm is toegenomen. KWALITEIT VAN BEROEPSKRACHTEN De geïnterviewden zien het eerder genoemde hoge ziekteverzuim en het grote verloop als signalen dat gezinsvoogden onvoldoende toegerust zijn om de juiste hulp te verlenen. Waarbij men zich afvraagt hoe inwerkprocessen, bij- en nascholingstrajecten worden ingevuld. Dit wordt in verband gebracht met de kwaliteit van de gezinsvoogden, waar openlijk zorg over wordt uitgesproken. De verhalen in dit onderzoek wekken de indruk dat een groot aantal gezinsvoogden een geringe ervaring hebben. Er wordt gesuggereerd dat een intern uitgebreid opleidingsprogramma gezinsvoogden kan helpen het vak onder de knie te krijgen. Waar aan toe wordt gevoegd dat instellingen gezinsvoogden de tijd moeten geven om het vak te leren in de vorm van een gedegen inwerkperiode en dat een beginnend gezinsvoogd niet meteen met moeilijke situaties moet worden geconfronteerd. EENZAME POSITIE De gesprekspartners zijn van mening dat de spagaat van ingrijpen en terughoudendheid, en de onzekerheid en twijfels die dit met zich meebrengt hoge eisen stellen aan de beroepskracht. Waarbij wordt opgemerkt dat een beroepskracht binnen de kaders van een organisatie werkt. In het ronde tafel gesprek wordt aangegeven dat in moeilijke werkvelden als jeugdzorg de regel dient te gelden: ‘Doe het nooit alleen’. Voor een goed functionerende jeugdzorg wordt eenheid, betrokkenheid en samen verantwoordelijkheid nemen voor interventies binnen de organisatie dan ook als onmisbaar gezien. De ervaringen die in dit onderzoek naar voren komen geven echter een eenzame positie van de beroepskracht weer. Waarbij er geen sprake lijkt te zijn van eenheid en gedeelde verantwoordelijkheid binnen de jeugdzorgorganisaties. Uit de gesprekken komt een overheersend beeld naar voren waarin beroepskrachten in de jeugdzorg zich binnen de organisatie steeds weer moeten verantwoorden voor de risico’s die het kind en de organisatie lopen. Er wordt

76

gesuggereerd dat beroepskrachten zich onveilig zouden voelen in hun eigen organisatie, terwijl deze juist bescherming moet bieden. Er wordt vervolgens een verband gelegd met de door opvoeders ervaren verdedigende houding van jeugdzorgmedewerkers. Deze verdedigende houding wordt als gesloten ervaren en zorgt voor achterdocht. In het ronde tafelgesprek wordt opgemerkt dat het gevolg hiervan is dat de openheid uit de dialoog verdwijnt en kan leiden tot een gevoel van starheid in de hulpverlenerrelatie. Juist die open dialoog wordt als uitermate belangrijk gezien in het bespreken van de resultaten op basis waarvan de hulpverleningsdoelen kunnen worden bijgesteld. SAMENWERKING De starheid wordt ook ervaren in de samenwerking met andere professionals in het brede veld. De professionals die in dit onderzoek aan het woord zijn geweest geven aan dat de samenwerking met de jeugdzorginstanties anders moet kunnen. Het beeld dat wordt geschetst is die van een Bureau Jeugdzorg dat zichzelf in een ivoren toren heeft gezet. Uit de verhalen zou je kunnen opmaken dat er tijdens de hulpverlening geen contact wordt gelegd met GGZ-instellingen. In de gesprekken rijst de vraag wat er ondertussen gebeurt? Men stelt dat, indien er sprake is van psychiatrische problematiek, Bureau Jeugdzorg hier niet zelf mee aan de slag gaat, maar contact opneemt met de GGZ-instellingen die daar verstand van hebben. Men brengt de huidige manier van samenwerken in verband met het niet op gang komen van de juiste hulpverlening en het daardoor te laat ingrijpen in een gezin. “Medewerkers in de jeugdzorg willen ook graag verder, maar alles moet verantwoord worden voordat de volgende stap genomen kan worden”, aldus de directeur van een particuliere jeugdzorginstelling. Men is van mening dat er in een vroegtijdig stadium moet worden ingesprongen op de heersende problematiek in het gezin. Er wordt opgemerkt dat door slechte samenwerking tussen het vrijwillige en gedwongen kader er soms te lang wordt afgewacht of dat door wachtlijsten de benodigde hulp te laat komt. Het vroegtijdig ingrijpen wordt als kans gezien waardoor bijvoorbeeld een uithuisplaatsing minder nodig zou kunnen zijn. Het wachten op adequate hulp wordt ook in verband gebracht met de caseload van gezinsvoogden, die als te hoog wordt ervaren. Men is van mening dat er hierdoor onvoldoende tijd is om aan een gezin te besteden. MIDDEL OF DOEL OP ZICH Een uithuisplaatsing wordt gezien als een ingrijpende gebeurtenis en als laatste middel om het kind te beschermen. In de gesprekken wordt gesuggereerd dat er te snel naar het middel van uithuisplaatsing wordt gegrepen. Het verband wordt gelegd met het feit dat er in het voortraject te weinig wordt gedaan. Het beeld komt naar voren dat op het moment dat jeugdzorg eenmaal bij een gezin betrokken is, de tijd verstrijkt zonder dat er iets gebeurd. Er zijn ouders die aangeven dat ze tot aan de uithuisplaatsing nauwelijks hulp van jeugdzorg hebben ontvangen. Dat de tijd onvoldoende wordt benut. Uit de verhalen blijkt dat cliënten ervaren dat zij hun gezinsvoogd te weinig zien. Zij ervaren weinig afwezigheid en slechte telefonische bereikbaarheid, en dat zorgt voor een weinig betrokken indruk. Het beeld dat de ouders die wij spraken schetsen, is dat van een jeugdzorg waar niet


mee valt te praten, niet over beslissingen of over alternatieven. Ouders en ook professionals vragen zich af of gezinsvoogden ouders en het kind voldoende kennen. Zouden de lastige beslissingen door ouders niet beter geaccepteerd worden als een gezinsvoogd de tijd heeft genomen om het kind en het gezin te leren kennen? In de gesprekken wordt dit gebrek aan contact niet alleen in verband gebracht met de te grote caseload. Er wordt ook een relatie gelegd met de ervaren geringe betrokkenheid ten aanzien van het kind. Ouders uiten achterdocht en hebben de indruk dat het gaat om heel andere zaken dan het belang van het kind. In de gesprekken wordt aangegeven dat tijdens de uithuisplaatsing onvoldoende hulp en begeleiding wordt gegeven, waardoor terugplaatsing in gevaar zou komen. Dit bevestigd ouders en professionals in het beeld dat uithuisplaatsing een doel op zich is en niet een uiterst middel. In de gesprekken wordt gesuggereerd dat er na de zaak Savanna te snel wordt gegrepen naar een uithuisplaatsing. Het stijgend aantal uithuisplaatsingen, in relatie tot de angst voor fouten na deze zaak kan men echter niet direct met cijfers aantonen. De gesprekspartners hebben de indruk dat jeugdzorgmedewerkers onvoldoende weten wat ze moeten doen en dat er sprake is van machteloosheid. Uit nood en uit bescherming van het kind zou dan een uithuisplaatsing volgen. Vragen die vervolgens worden uitgesproken: Is er op zo’n moment wel voldoende zicht geweest op wat er daadwerkelijk aan de hand was? Is er wel voldoende gekeken en is er voldoende intensieve hulp geweest? UIT HUIS GEPLAATST EN DAN? Over het algemeen is men van mening dat er onvoldoende terugplaatsing plaats vindt in het gezin na een uithuisplaatsing. Daarbij gaven de gesproken betrokkenen aan dat de ouder, noch het kind, werd geholpen om na de uithuisplaatsing intensief contact te hebben met elkaar. Men stelt dat het uitgangspunt bij een uithuisplaatsing moet zijn dat het kind en de ouders intensieve hulp ontvangen met het doel de terugplaatsing in het gezin. In de verhalen wordt er gesproken van veelvuldige overplaatsingen na een uithuisplaatsing. Men vraagt zich af of het welzijn van het kind na een uithuisplaatsing wel voldoende wordt gewaarborgd. BUREAUCRATIE Diverse gesprekspartners geven aan dat de voortdurende verantwoordingsplicht in rapportages en de hoeveelheid schriftelijke stukken veel tijd vergt, maar niet de gewenste helderheid oplevert. Men is van mening dat de helderheid en rechtszekerheid van het systeem van jeugdzorg hiermee steeds meer onder druk staat. Er wordt aangegeven dat het voor komt dat feiten in een verzoek worden vermengd met interpretaties van de feiten. Kinderrechters menen weinig tijd te hebben om alle consequenties af te wegen van een mogelijke jeugdbeschermingsmaatregel. Waarbij wordt opgemerkt dat een juiste afweging alleen kan worden gemaakt als alle informatie beschikbaar is. Men merkt op dat de rechtsbescherming voor ouders en kind hierdoor onvoldoende lijkt. INFORMATIEVOORZIENING Onze gesprekspartners zijn van mening dat de informatievoorziening vanuit de uitvoerende jeugdzorginstanties sterk te wensen over laat. Ouders spreken over een folder

in plaats van een persoonlijk gesprek. Als ouders rapportages opvragen zou er “erg moeilijk” worden gedaan. In het ronde tafelgesprek vraagt men zich af hoe minder mondige ouders zich hierin staande houden. Hierin wordt tevens het belang genoemd van een coach die ouders bijstaat, informeert en begeleidt. Hierbij wordt opgemerkt dat alleen de behoefte aan een onafhankelijke derde al de aard van de relatie weergeeft tussen de gezinsvoogd en de cliënt in de zin van vertrouwen en informatievoorziening. Aan de ander kant wordt opgemerkt dat vanwege het spanningsveld waarin de gezinsvoogd werkt het zo goed als onmogelijk is dat de voogd een warme vertrouwensvolle relatie krijgt met de cliënt. DE ROL VAN DE OVERHEID In de gesprekken trekt men de conclusie dat ondanks de succesverhalen in de jeugdzorg de jeugdhulpverlening in de brede linie faalt. Hierbij wordt benadrukt dat voor het slecht functioneren van de organisaties de beroepskrachten niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden. De oorzaak van het falen van het jeugdzorgstelsel ziet men breder dan de laag gezinsvoogden en ook breder dan de uitvoerende organisaties. Eén van de gesprekspartners noemt het ‘systeemfalen’ waar wij als maatschappij verantwoordelijk voor zijn. De gedeelde verantwoordelijkheid wordt in dit kader nogmaals uitgesproken: Samen staan we voor de uitdaging om het recht van het kind op adequate jeugdzorg te waarborgen. Jeugdzorg en jeugdbeleid staan meer dan ooit op de politieke agenda en de regering doet veel om jeugdzorg en jeugdbeleid te verbeteren. De gesprekspartners zien een toename van beleid waarin een verzakelijking en een nadruk op controle is op te merken. Men is ervan overtuigd dat dit zijn weerslag heeft op het functioneren van het jeugdzorgstelsel waarin regeldichtheid en bureaucratie door alle betrokkenen als groot wordt ervaren. Er wordt door verschillende gesprekspartners aangegeven dat de politiek en de overheid een grote rol spelen als het gaat om de huidige situatie in de jeugdzorg. De overheid wordt genoemd als veroorzaker van de complexiteit van de jeugdzorg: te veel regels en te weinig aandacht voor waar het om gaat. Er wordt opgemerkt dat de grote mate van bureaucratie, de verantwoordingsdrift slechts lijkt te dienen om na te kunnen gaan waar het mis is gegaan. Waarbij het inperken van risico’s vóór bevoegdheden lijkt te gaan en controle en protocollen vóór deskundigheid. In het ronde tafelgesprek vraagt men zich af wie momenteel de normen bepaalt: Is het niet de overheid die duidelijk dient te maken wanneer het de zorg voor kinderen overneemt en de hulp ophoudt? Hierbij wordt aangegeven dat er een situatie lijkt te zijn ontstaan waarin sprake is van een grote mate van verantwoordingsplicht terwijl het onvoldoende duidelijk is wanneer en onder welke omstandigheden ingegrepen dient te worden. Een opmerking die veelvuldig in de gesprekken terugkomt is: Het gaat om het kind en juist het kind lijkt uit beeld te zijn verdwenen. De gesprekspartners in dit onderzoek spreken de wens uit dat ook politiek en overheid naar hun eigen rollen durven te kijken en naar de effectiviteit van het ingezette beleid. Ook in dit kader spreekt gedeelde verantwoordelijkheid: Men is van mening dat er primair gekeken zal moeten worden hoe we met zijn allen de jeugdzorg hebben georganiseerd en hoe deze wijze van organiseren tot de ervaren problemen leidt.

77


hoofdstuk 6

REFLECTIE WAAR IS EN BLIJFT HET KIND BINNEN DE JEUGDZORG? Reflectie staat voor stilstaan… Stilstaan bij de eigen rol. In dit geval bij de rol van de PvdA Statenfractie Fryslân die deze gesprekken niet voor niets heeft geïnitieerd. ‘Waar is en blijft het kind binnen de jeugdzorg?’, is de vraag waar dit initiatief mee begon. Het is een vraag die in elk gesprek naar voren kwam. In de gesprekken zijn voldoende punten naar voren gekomen die vragen oproepen. Hoe gaat de Statenfractie verder met deze vragen? In dit hoofdstuk wordt er stil gestaan bij rol en de verantwoordelijkheden van de overheid, de provinciale overheid in het bijzonder. In hoeverre is de Statenfractie, de provinciale overheid, de landelijke overheid en de landelijke politiek verantwoordelijk voor de manier waarop het systeem nu functioneert? POLITIEKE ROL Politieke besluitvorming dient uiteindelijk bij te dragen aan het oplossen van de gesignaleerde problemen in de jeugdzorg. Zonder goede politieke besluitvorming zullen organisaties en professionals niet in staat zijn de knelpunten te verhelpen en het kind weer voorop te zetten. Heel veel beslissingen in het overheidsbeleid hebben effect op opvoeden en opgroeien, en daarmee op het dagelijks leven van bijna vier miljoen minderjarigen en een wellicht even groot aantal opvoeders. Dat maakt dat jeugdbeleid verder gaat dan specifieke maatregelen om pedagogische problemen op te lossen. Het overheidsbeleid wordt gemaakt door verschillende ministeries, de provincies, de (deel)gemeenten. Jeugdzorg heeft over de hele breedte te maken met tien verschillende wetten. De doelen lopen uiteen van preventief naar repressief en curatief, van bescherming van het kind naar bescherming van de samenleving. Van het individu naar het gezin of naar bredere maatschappelijke verbanden. De ervaringen en de visies die in dit document worden weergegeven vragen indirect om meer verbinding in het beleidskader. Waarbij het individuele belang van het kind, de bescherming en het recht van het kind, en het belang en de bescherming van de samenleving samen opgaan. OVERHEID: RICHTINGGEVEND EN REACTIEF Het overheidsbeleid staat niet op zich, maar ontwikkelt zich onder invloed van de informatie vanuit de praktijk en de beroepsgroepen, instellingen, overheden, belangen-

78

groeperingen en de publieke meningsvorming in de media. De overheid werkt hierin reactief. Door aanpassingen in het beleid werkt de overheid echter ook vormgevend en veranderen de kaders en tevens de werkwijze binnen het veld. Dit geeft de lastige positie van de overheid weer waarin enerzijds richtinggevend handelen en anderzijds reactief handelen wordt verwacht met de vraag aan politici om specifieke maatregelen en heersende problemen op te lossen. De PvdA Statenfractie Fryslân maakt zich sterk om de menselijke factor in de jeugdzorg mee te laten tellen. Juist vanuit de overtuiging dat begrip vóór controle dient te komen. REGELDICHTHEID EN BUREAUCRATIE De overheid legitimeert de interventiepraktijk met weten regelgeving, is opdrachtgever en financier. Het overheidsbeleid heeft een voortdurende en vaak ingrijpende invloed op het beleid van de instellingen in de jeugdzorg en daarmee op het werk en de verantwoordelijkheid van de beroepskrachten. Uit de ervaringen die in dit document zijn weergegeven valt een spanningsveld op te maken tussen beleid en uitvoering. Beroepskrachten die het instellings- en overheidsbeleid als onuitvoerbaar beschouwen: regeldichtheid, bureaucratie en onmogelijke verwachtingen. De overheid die de praktijk als ineffectief ervaart. Naast de vraag hoe dit is ontstaan, is de vraag vooral van belang hoe nu verder? Hoe kan voorkomen worden dat nieuw beleid meer van hetzelfde is en dus ook meer bureaucratie, hogere eisen aan de beroepspraktijk, meer procedures, meer verantwoording en overleg en minder tijd voor de uitvoering. COMPLEXITEIT Er zijn 5 ministeries en 6 ministers betrokken bij jeugdzorg en er zijn wel 10 wetten van toepassing. De rijksoverheid, de provincies en gemeenten hebben verschillende verantwoordelijkheden en dynamieken. De financieringslijnen zijn ondoorzichtig en bovendien is het niet duidelijk hoe verantwoording is georganiseerd. Daarbij zijn er veel publieke en private partijen. Dit betekent dat een groot aantal spelers bepalend is in hoe bijvoorbeeld de financiële stromen samengebracht worden. Hierin spelen heel veel verschillende belangen die niet zonder meer kunnen


worden weggepoetst. De complexiteit van het stelsel en de gevestigde belangen lijken te zijn verbonden met het gebrek aan transparantie, traagheid en een ‘wij-zij’ denken waarin macht en angst de boventoon voert en afhankelijkheidsrelaties bepalen. Zaken die terugkomen in de weergegeven verhalen. ANGST VOOR FOUTEN Als het jeugdzorgstelsel niet goed werkt, wat ging er dan mis en waar ligt dat aan? Je kunt je afvragen in hoeverre de verantwoordingsdrift voortkomt uit wet- en regelgeving en in hoeverre dit voortkomt uit de angst om fouten te maken en hier ook op afgerekend te worden. Er lijkt een situatie te zijn ontstaan waarin je als professional per definitie fout bent op het moment dat je je niet hebt verantwoord. Behandelplannen en procedures dienen ten allen tijde een middel te zijn voor kwalitatief goede zorg. Procedures lijken echter in de huidige situatie een doel op zich, wat de bureaucratie vergroot en onnodig veel kosten met zich meebrengt. KORTE LIJNEN De schooldirecteur die in dit document aan het woord komt geeft aan dat school de problemen met kinderen vaak al in een vroeg stadium signaleert. De eerste stap is dan richting de ouders. Juist vanwege de korte lijnen stapt de school daarna naar het schoolmaatschappelijk werk dat veel werk in de problematiek kan verzetten. Het verband tussen korte lijnen, samenwerking en de preventieve factor is snel gelegd. MEER INHOUD EN HET KIND VOOROP In alle rapportages en plannen t.a.v. jeugdzorgbeleid die de leden van de Statenfractie onder ogen krijgen blijkt het woord ‘kind’ nauwelijks voor te komen. Kan het zijn dat ieder zo is opgegaan in het organiseren van een feilloze jeugdzorg dat het kind totaal uit beeld is verdwenen? De werkgroep die zich met dit onderzoek heeft beziggehouden roept op tot een kritische blik waarbij er moet worden voorkomen dat het nieuwe beleid meer van hetzelfde is. In het recente beleid worden het aanbod, de structuur, de regie en de regels gedefinieerd. De Statenfractie is van mening dat de afstand tussen beleid en praktijk moet worden doorbroken en daarbij mag de concrete inhoud in het recente beleid niet ontbreken. Minder ‘instituut’, waardoor jeugdzorg om zorg kan gaan, dichtbij en bereikbaar voor het gezin. VERBAZING Het beeld dat wordt opgeroepen op grond van de gesprekken zou de vraag kunnen oproepen of er misschien ook nog iets goed gaat in de Friese jeugdzorg. Los van de discussie hoe representatief de verhalen zijn voor het functioneren van de Friese jeugdzorg, kan er verbazing worden uitgesproken over hetgeen verteld is. Naast de verhalen over het falen van de jeugdhulpverlening spreekt boven alles de goede wil van alle betrokkenen. Het komt echter in deze gesprekken (te) vaak naar voren dat zaken niet goed lopen. En zijn dat nu juist niet de punten die nader onderzocht zouden moeten worden?

VRAGEN Een belangrijk punt dat regelmatig in de gesprekken naar voren wordt gebracht is het naleven van protocollen. Uit hetgeen verteld wordt zou je kunnen opmaken dat de protocollen in de praktijk niet altijd worden gevolgd. Om welke reden dan ook. Dit heeft nare gevolgen voor alle betrokkenen. De kwalificatie van personeel wordt sterk in twijfel gebracht. Ook dit is een punt dat om nader onderzoek vraagt. Een ander punt dat aan de orde komt in de gesprekken is de wachtlijsten. Door de gesprekspartners wordt in twijfel gebracht of de wachtlijsten daadwerkelijk weggewerkt zijn. Waarbij wordt beweerd dat de wachtlijsten nog altijd bestaan ‘achter de voordeur’. Mocht dat zo zijn, wat voor gevolgen heeft dat in de praktijk? Er is een groot tekort aan pleeggezinnen…wordt er nu nog wel voldoende gekeken naar een goede match? Of voldoende kritisch gekeken naar de kwaliteit die pleeggezinnen kunnen bieden? Jeugdzorg kampt met een sterk negatieve beeldvorming. “Kom niet in aanraking met jeugdzorg, want dan raak je de regie kwijt…” Kan de politiek een bijdrage leveren om dit imago op te krikken? VISIEVORMING De toekomst van jeugdzorg zal veranderen en visievorming is hierbij van belang. De Centra voor Jeugd en Gezin zijn in volle ontwikkeling. De vraag is echter hoe dit vorm krijgt. Krijgt het een breder kader dan de huidige jeugdzorg? Is het van belang dat het centrum voor Jeugd en Gezin alles als jeugdzorg behandelt of onderbrengt? Waarbij het dezelfde insteek krijgt als de huidige jeugdzorg waarin men escalaties wil voorkomen en wellicht vervalt in angstdenken? Is dat vervolgens de plek waar je als ouder naar toe stapt met je opvoedingsvragen of kortdurende zorg? Kan je de regie en de controle als ouder behouden? Welke partijen passen in het nieuwe jeugdzorgstelsel, hoe worden deze betrokken en aan welke eisen moet dit voldoen? Vele vragen die nu nog open staan. Stilstaan is bezinnen op de eigen rol. Wat kan en wil je als Statenfractie doen? Want naast visievorming op papier is het van belang de visie om dit uit te dragen. In hoeverre kan de Statenfractie naast de toezichthoudende rol ook een proactieve rol kunnen vervullen? Waarbij het initiatief neemt en inhoud arrangeert. De impliciete vraag van de gesprekspartners zou je kunnen formuleren als: “Houd boven alles de vinger aan de pols!” Met de belangrijkste vraag voorop: Waar is en blijft het kind binnen de jeugdzorg? Tot slot Er liggen veel kansen voor de provinciale politiek die het waard zijn om te benutten. Wellicht is het de Friese factor in dit onderzoek, de drang tot daden, de behoefte aan concrete inhoud. Hoe dan ook, de PvdA Statenfractie Fryslân voelt de behoefte om vanuit haar politieke rol kritisch naar het huidige beleid en de voorgenomen veranderingen te kijken en het kind en zijn opvoeders voorop te zetten. Als eerste stap heeft de Statenfractie in reactie op de inhoud van de gesprekken haar visie en opvattingen omschreven in het stuk ‘Visiedocument PvdA-Statenfractie in Fryslân inzake de zorg voor de jeugd’ dat voorin dit document is terug te vinden.

79


80


bijlage 1

Het Nederlandse Jeugdzorgstelsel Het Nederlandse jeugdzorgstelsel zit ingewikkeld in elkaar en heeft in het afgelopen decennium vele veranderingen ondergaan. Dat levert allerlei knelpunten op in het functioneren van de sector. Dit onderzoek focust zich op de ervaringen van direct betrokkenen met het brede veld jeugdzorg. In dit rapport zijn de diverse verhalen verwerkt van personen die op verschillende wijzen direct te maken hebben met het jeugdzorgstelsel. De verhalen maken duidelijk dat het veld jeugdzorg niet zo eenvoudig te doorgronden is. De belevingen en persoonlijke zienswijzen geven een verwarring weer ten aanzien van de complexiteit van de jeugdzorgsector. De werkgroep acht het dan ook noodzakelijk om naast dieper in te gaan op de persoonlijke ervaringen tevens het Nederlandse jeugdzorgstelsel en haar huidige inrichting kort te omschrijven. In deze bijlage worden wettelijke kaders, beleidterreinen, infrastructuur, voorzieningen, functies en bekostigingssystematiek kort genoemd. 1. Wettelijke kaders in de jeugdzorg Er zijn verschillende wettelijke kaders in het veld jeugdzorg. De Wet op de jeugdzorg is per 1 januari 2005 van kracht. Een groot deel van de voorzieningen binnen het veld heeft echter ook te maken met andere wetgeving. De verschillende wettelijke kaders schrijven allemaal een specifieke hoofdtaak toe aan de jeugdzorg. Het betreft: • Wet op de Jeugdzorg, • Wet collectieve preventieve volksgezondheid (WCPV), • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), • Wet op de jeugdzorg (Wjz), • Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) Voorzieningen op het gebied van gemeentelijk en bovengemeentelijk niveau vallen veelal onder de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). De Jeugdgehandicaptenzorg wordt gefinancierd vanuit de Alge-

1 2

mene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). De jeugd-ggz is vanaf 1 januari 2008 uit de AWBZ gehaald en ondergebracht bij de nieuwe Zorgverzekeringswet. Aangezien het hier in belangrijke mate een wijziging van de bekostigingssystematiek betreft, wordt er voor de inhoudelijke invulling echter voorlopig nog aan de AWBZ gerefereerd. Op justitieel gebied hebben jeugdigen te maken met het jeugdstrafrecht (onderdeel van het Wetboek van Strafrecht) en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichting (BJJ). De inhoudelijke invulling van taken en werkzaamheden van voorzieningen en de primaire beroepskrachten worden echter het meest uitvoerig beschreven in de BJJ. 2. Hoofdtaken van de jeugdzorg vanuit het wettelijke kader De hoofdtaken van de jeugdzorg zoals deze in de verschillende wettelijke kaders wordt omschreven: Wet op de Jeugdzorg: ‘Ondersteuning van en hulp aan cliënten, hun ouders, stiefouders of anderen, die een cliënt als behorende tot hun systeem verzorgen en opvoeden, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen.’1 Wet collectieve preventie volksgezondheid: ‘De preventieve jeugdgezondheidszorg richt zich op het op systemische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van cliënten en van gezondheidsbevorderende en –bedreigende factoren. Op basis van deze signalering worden zorgbehoeften geraamd en kunnen specifieke stoornissen vroegtijdig worden opgespoord en tegengegaan. Hierbij wordt er voorlichting, advies, instructie en begeleiding gegeven en worden maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen geformuleerd.’2

Wet op de jeugdzorg, artikel 1 onder c. Wet collectieve preventie volksgezondheid, artikel 3a, onder 2.

81


Wet maatschappelijke ondersteuning: ‘Op preventie gerichte ondersteuning van cliënten met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden. Hierbij wordt informatie, advies en cliëntondersteuning gegeven. Verder wordt de deelname van mensen met een beperking of een al dan niet chronisch (sociaal-)psychisch probleem bevorderd, onder meer door het verlenen van voorzieningen aan deze groep. Ook opvang van personen die het slachtoffer zijn van geweld door iemand uit de huiselijke kring valt onder de Wmo. Ten slotte wordt er gewerkt aan het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg en het bevorderen van verslavingsbeleid’3 De hoofdtaak van voorzieningen die te maken hebben met de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen richt zich op de terugkeer van de delinquenten naar de maatschappij: ‘Met handhaving van het karakter van de straf of de maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan aangewend voor de opvoeding van de jeugdige en zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding op diens terugkeer in de maatschappij.’4 De Algemene wet bijzondere ziektekosten: ‘De verzekerden hebben aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.’5 3. Beleidsterreinen

Landelijk beleid Er zijn drie ministeries die zich intensief bezighouden met het veld van de jeugdzorg: het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het programmaministerie Jeugd en Gezin en het ministerie van Justitie. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft twee directies die zich bezighouden met het beleid gericht op de zorg van jeugdigen. De directie Jeugdzorg (JZ) is verantwoordelijk voor het beleid voor kinderen en jongeren van 0 tot 25 jaar. De directie houdt zich primair bezig met het onderwerp jeugdzorg. Samen met de provincies en grote steden is de directie verantwoordelijk voor de jeugdzorg in Nederland. In samenspraak met gemeenten ontwikkelt de directie JZ het lokale jeugdbeleid. De directie Jeugd en Gezin zorgt voor de samenhang, afstemming en stroomlijning van het algemene jeugd- en gezinsbeleid binnen het kabinet. De directie behandelt jeugdbrede strurings-, financierings- en informatievoorzieningsvraagstukken en levert concrete producten als de Jeugdmonitor en de Verwijsindex Risicojongeren. Ook worden vanuit de directie Jeugd en Gezin het internationale beleid, de jeugdparticipatie en het gezinsbeleid vormgegeven. De eigen begroting van de programmaminister voor Jeugd en Gezin wordt vanuit deze directie inhoudelijk aangestuurd.

In februari 2007 is het programmaministerie voor Jeugd en Gezin opgericht. Het programmaministerie behelst een brede aanpak van zorg en bescherming voor kinderen, jongeren en gezinnen. Bij de samenwerking zijn de ministeries betrokken van VWS, Justitie, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het programmaministerie wordt financieel en inhoudelijk ondersteund door het ministerie van VWS. Binnen het ministerie van Justitie houdt het directoraatgeneraal Preventie, Jeugd en Sancties zich bezig met jeugdigen die op wat voor wijze dan ook te maken krijgen met justitie. Het directoraat-generaal omvat diensten die zich bezighouden met jeugdigen, zoals: - Directie Justitieel Jeugdbeleid; - Dienst Justitiële Inrichtingen; - Raad voor de Kinderbescherming; - Secretariaat van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming.

Provinciaal beleid Op basis van het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin en het ministerie van Justitie, maken de provincies en grootstedelijke regio’s een eigen beleidskader. Hierin zijn vooral de hoofdlijnen van het beleid aangegeven. In het uitvoeringsprogramma jeugdzorg werken de provincies en grootstedelijke regio’s zo concreet mogelijk de beleidsvoornemens uit. Eenmaal in de vier jaar brengen de provincies en grootstedelijke regio’s een beleidskader uit en ieder jaar een uitvoeringsprogramma. Gemeentelijk beleid Het algemeen en (preventief) lokaal jeugdbeleid is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het vormt een eerste en belangrijke schakel in de jeugdzorgketen. Doel van het gemeentelijk jeugdbeleid is om optimale ontwikkelingskansen voor alle jeugdigen te creëren en de voorzieningen voor de jeugd te versterken. Gemeentelijke taken voorafgaand aan de jeugdzorg zijn lokaal georganiseerde opvoed- en opgroeiondersteuning die goed moeten aansluiten op de landelijke jeugdvoorzieningen, die onder de verantwoordelijkheid van de provincies en grootstedelijke regio’s vallen. Het Rijk, provincies en gemeenten hebben hierover afspraken vastgelegd in het bestuursakkoord nieuwe stijl (BANS). De invoering van de Wet op de jeugdzorg was aanleiding om duidelijke taken voor gemeenten vast te stellen. In overleg hebben de rijksoverheid, provincies en gemeenten in 2003 vijf gemeentelijke taken van het lokaal preventief jeugdbeleid vastgesteld: - het verstrekken van informatie aan ouders, kinderen en jeugdigen over opvoeden en opgroeien; - de signalering van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg en onderwijs; - de toegang tot het gemeentelijk hulpaanbod, het

Wet maatschappelijke ondersteuning, artikel 1, onder g, punt 2. Beginselenwet justitiële jeugdzorg, artikel 2, lid 2. 5 Algemene wet bijzondere ziektekosten, artikel 6, onder 1 en artikel 9b, onder 4 en 5. 3 4

.

82


beoordelen en toeleiden naar voorzieningen aan de hand van een ‘sociale kaart’ voor ouders, kinderen, jeugdigen en verwijzers; - het bieden van pedagogische hulp (advisering en lichte hulpverlening), zoals maatschappelijk werk en het coachen van jongeren; het coördineren van zorg in het gezin op lokaal niveau (gezinscoach). Het uiteindelijke wetsvoorstel is aangescherpt door: een gezinscoach aan te stellen om gezinnen met meervoudige problematiek direct te begeleiden (coachen); meer drang in de vrijwillige hulpverlening. Het bureau Jeugdzorg krijgt een actievere rol bij het vroegtijdig signaleren van problemen in gezinnen en het, zo nodig ongevraagd, benaderen en motiveren van die gezinnen bij het aanvaarden van hulp. 4. Afbakening en indeling van de jeugdzorg In de jeugdzorg krijgen jeugdigen en hun ouders ondersteuning en hulp bij opgroei- en opvoedproblemen. Daarbij gaat het om problemen van geestelijke, sociale of pedagogische aard die de ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren. Het betreft zowel vrijwillige hulpverlening als gedwongen interventies om hulp in het belang van de jeugdige mogelijk te maken. Een meer formele

‘Jeugdzorg in kaart’ 7. Hierin wordt de jeugdzorg in drie gebieden verdeelt: 1. De gemeentelijke en bovengemeentelijke voorzieningen (gemeentelijk jeugdbeleid). Hieronder wordt verstaan: de zorg in het onderwijs, de jeugdgezondheidszorg, het (jeugd) algemeen maatschappelijk werk, Halt en MEE. 2. Bureau Jeugdzorg (en andere indicatieorganen) en de Raad voor Kinderbescherming. 3, Het geïndiceerde zorgaanbod. Hieronder wordt verstaan: de provinciale jeugdzorg (inclusief gesloten jeugdzorg), de jeugd-ggz, de jeugdgehandicaptenzorg en de justitiële jeugdzorg. De indeling van de zorg zoals deze in dit schema wordt weergegeven sluit redelijk aan bij de stappen die logischerwijs worden doorlopen in de praktijk, van licht en ondersteunend naar zwaar. In de praktijk worden problemen in eerste instantie geconstateerd door de gezinsleden zelf en de personen en instanties direct rondom het gezin, zoals de school, de (jeugd)gezondheidszorg en de politie. De zorg en ondersteuning komt in eerste instantie neer op deze personen. Pas op het moment dat er intensieve hulp nodig is, er nader onderzoek gedaan moet worden en wellicht de veiligheid van het kind in gevaar is, wordt Bureau Jeugdzorg ingeschakeld. Bureau Jeugdzorg

 

Figuur 1 Stroomschema jeugdbeschermingketen, bron: www.ikpfryslan.nl definitie is dat onder Jeugdzorg de zorg wordt verstaan die zich richt op kinderen en/of jongeren in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar met een psychosociale problematiek, waaronder opvoed- of ontwikkelingssituaties waarbij de ontwikkeling van psychosociale problemen prominent aanwezig zijn 6 . De jeugdzorg is er op gericht dat de belemmeringen in de ontwikkeling van kinderen en jongeren zoveel mogelijk voorkomen worden. In het Nederlands Jeugdzorgstelsel zijn er diverse voorzieningen die in dit kader ondersteuning en hulpverlening bieden. Het geheel van voorzieningen laat zich niet makkelijk beschrijven. Er worden diverse indelingen gehanteerd die elkaar overlappen en niet op elkaar aansluiten. Het in dit hoofdstuk weergegeven overzicht is overgenomen uit

vormt hiermee de schakel tussen de voorzieningen direct rond het gezin en intensieve en ingrijpende vormen van jeugdzorg, inclusief toeleiding naar de Raad van Kinderbescherming. 5. Voorzieningen in de jeugdzorg De focus van de ervaringen in dit rapport richt zich op Bureau Jeugdzorg, andere indicatieorganen, de Raad voor Kinderbescherming en de geïndiceerde jeugdzorgvoorzieningen. Om die reden is er voor gekozen juist deze voorzieningen te omschrijven. De huidige ontwikkelingen in het jeugdzorgstelsel in ogenschouw houdend worden tevens de voorzieningen van de preventieve jeugdzorg, Centra Jeugd en Gezin, HALT en MEE, omschreven.

Vertaling naar artikel 1, onderdelen b en c van de Wet op de jeugdzorg (2009) Jeugdzorg in kaart’, Nederlands Jeugd Instituut, Niels Zwikker en Harry Hens, 2008

6 7

83


Figuur 2 Stroomschema vrijwillige jeugdzorg, bron: www.ikpfryslan.nl

5.1 Centra voor Jeugd en Gezin De vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG’s) valt onder verantwoordelijkheid van het ministerie voor Jeugd en Gezin. De CJG´s dienen een fysiek inlooppunt te vormen waar alle (aanstaande) ouders, kinderen en jongeren voor alles aangaande opgroeiende kinderen en jongeren van voor de geboorte tot 23 jaar en hun ouders terecht kunnen. De centra bieden preventie, advies, ondersteuning, signalering en lichte hulp. Bij zwaardere problemen of ingewikkelde hulpvragen coördineren de centra de benodigde hulp vanuit het principe één gezin, één plan. Het CJG vormt niet alleen de schakel met het Bureau Jeugdzorg en de zorgadviesteams (ZAT), het coördineert en schakelt met alle mogelijke voorzieningen op jeugdbeleid, gezondheidszorg en jeugdzorg. Daarnaast is het de bedoeling dat het centrum indien nodig, bemoeizorg kan arrangeren gebruikmakend van de Verwijsindex en of het Elektronisch Kinddossier (EKD). De gemeente is er verantwoordelijk voor dat die coördinatie van zorg wordt geregeld en wijst de coördinator van zorg aan, zolang er geen indicaties voor jeugdzorg zijn afgegeven. Indien er wel een indicatie is afgegeven, is en blijft bureau jeugdzorg verantwoordelijk voor de coördinatie van zorg. In 2008 kwamen de eerste centra tot stand; in 2011 moet er een landelijk dekkend netwerk van Centra voor Jeugd en Gezin zijn. Elke gemeente of samenwerkende gemeenten heeft straks minimaal één centrum, in grote steden komen meer centra. Gemeenten voeren de regie over de centra 8 . Het ministerie voor Jeugd en Gezin ondersteunt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de gemeenten bij het vormgeven van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG’s). Friesland heeft een start gemaakt met de ‘Jong in Fryslân punten’ die zich momenteel tot Centra voor Jeugd en Gezin ontwikkelen. Op de website ‘IKP jeugd’ zijn speci-

84

 

ale pagina’s geopend om de ontwikkelingen bij te houden. Er zijn onder meer verslagen terug te vinden van regionale bijeenkomsten over de verbinding tussen Zorg Advies Teams en de Centra voor jeugd en gezin. Tevens zijn (binnenkort) de contactgegevens van de CJG’s te vinden, de verwijsindex per gemeente en gegevens uit de Brede doeluitkering (financiering per gemeente om CJG te realiseren). Financiering 9 De bedragen die iedere gemeente krijgt voor Centra voor Jeugd en Gezin zijn bekend. De bedragen staan in de Ministeriële Regeling Centra jeugd en gezin die op 15 januari 2008 is gepubliceerd in het Staatsblad. De bedragen komen vrij in het kader Brede doeluitkering jeugd en gezin (BDU). De BDU bestaat uit de samenvoeging van bestaande specifieke uitkeringen voor jeugd- en gezinsbeleid. Dit zijn de RSU JGZ, de Opvoedimpuls, de middelen Motie Verhagen, de regeling Opvoeden in de buurt en de prenatale voorlichting (beide per 2009). Daarbij komt een extra bedrag dat oploopt tot 100 miljoen in 2011. Elke gemeente krijgt geld uit de BDU om een CJG te realiseren. Gemeentes hoeven geen aanvraag in te dienen voor de BDU. Tot en met 2011 ontvangt elke gemeente automatisch het bedrag waar zij recht op heeft. In januari 2008 is het eerste voorschot overgemaakt. 5.2 Halt De Halt-bureaus vallen onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en leveren een bijdrage aan de preventie en bestrijding van jeugdcriminaliteit bij jongeren tot 18 jaar. Halt werkt nauw samen met politie, justitie en het provinciale zorgaanbod van de jeugdzorg. De preventieactiviteiten van Halt bestaan uit advisering, voorlichting en de ontwikkeling en uitvoering van lokale en regionale preventieprojecten. Ongeveer de helft van de jongeren die door de politie wordt aangehouden, gaat naar Halt voor een Halt-afdoening of een Stop-reactie.


Via een Halt-afdoening kunnen jongeren van 12 tot 18 jaar rechtzetten wat zij fout hebben gedaan,zonder dat zij in aanraking komen met Justitie. De Stop-reactie is een aanbod aan ouders van kinderen tot 12 jaar die zich schuldig hebben gemaakt aan een licht strafbaar feit. De Stopreactie helpt ouders om op een heldere en zinvolle manier te reageren op wat er is gebeurd. Het kind leert wat hij verkeerd heeft gedaan, hoe hij in dergelijke situaties ook andere keuzes kan maken en krijgt de kans zijn fout te herstellen. 5.3 MEE MEE is een landelijke organisatie voor iedereen met een handicap, beperking of chronische ziekte. MEE ondersteunt cliënten en hun directe omgeving (ouders) op alle terreinen van het dagelijks leven om de zelfredzaamheid zoveel mogelijk te bevorderen of te behouden. Denk hierbij aan het verstrekken van informatie, advies en ondersteuning in praktische zin, maar vooral ook om gezinsondersteuning en vooral opvoedkundige ondersteuning. MEE houd zich tevens bezig met integrale vroeghulp, gericht op jonge kinderen met een ernstige verstandelijke en/of motorische handicap. Ook ondersteunt MEE bij het vinden van andere instanties. Er is geen verwijzing of indicatie nodig om in aanmerking te komen voor ondersteuning van MEE. 5.4 Bureau Jeugdzorg (BJZ) Een gezin dat in een problematische situatie verkeert kan op verschillende manieren in aanraking komen met Bureau Jeugdzorg. Een gezin kan zichzelf aanmelden voor hulp, ondersteund door bijvoorbeeld een huisarts, psycholoog of school. Is er een vermoeden van een dreigende situatie voor het kind dan kan er advies ingewonnen worden of een directe melding worden gedaan bij het AMK 10 (Advies en Meldpunt Kindermishandeling). Is er sprake van huiselijk geweld waarbij de politie betrokken is, dan wordt er automatisch een melding gedaan bij het AMK. Het Bureau Jeugdzorg biedt de toegang tot de geïndiceerde jeugdzorg. Daarnaast bestaat het BJZ uit: • Gezinsvoogdij • Voogdij • Jeugdreclassering • Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) • Kindertelefoon Bureau Jeugdzorg Friesland heeft samenwerkingsafspraken met het Leger des Heils, de Wiliam Schrikker Stichting en het NIDOS. Deze instellingen voeren ook kinderbeschermingsmaatregelen uit. De wijze waarop de samenwerkingsafspraken en de evaluatie plaats vind tussen Bureau Jeugdzorg en deze samenwerkingspartners is niet bekend.

Cijfers Zowel in Friesland als landelijk gezien nam het aantal aanmeldingen bij Bureau Jeugdzorg in 2008 toe 11. Het gaat hier om alle soorten aanmeldingen, waaronder informatie- aanvragen, consulten, spoedeisende aanmeldingen en meldingen voor het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling). Een deel van deze aanmeldingen vormen de instroom in de vrijwillige jeugdzorg. Het aantal lopende maatregelen Ondertoezichtstelling (OTS) en Voogdij bij Bureau Jeugdzorg Friesland is vanaf het eerste kwartaal van 2006 elk kwartaal gestegen. Dit is het aantal minderjarigen voor wie door de (kinder)rechter een maatregel OTS of Voogdij is uitgesproken die door Bureau Jeugdzorg Friesland wordt uitgevoerd. Ten opzichte van 2006 is er bij het aantal lopende maatregelen OTS sprake van een toename van 80%. Het aantal maatregelen Voogdij is minder snel gestegen van (toename van 35% ten opzichte van 2006). Het aantal afgesloten maatregelen Ondertoezichtstelling (OTS) en Voogdij bij Bureau Jeugdzorg ligt tussen de 1 en 10 per kwartaal. Het aantal afgesloten maatregelen OTS varieert per kwartaal. Dit is het aantal minderjarigen voor wie de maatregelen OTS en Voogdij die door Bureau Jeugdzorg Friesland werden uitgevoerd en zijn afgesloten. Er worden ook maatregelen uitgevoerd door het Leger des Heils, de William Schrikker Stichting en het NIDOS, maar hiervan zijn geen gegevens beschikbaar. Taken De centrale taak van het BJZ is toegang te bieden tot de geïndiceerde jeugdzorg door een indicatiebesluit af te geven waarmee de cliënt aanspraak kan maken op de gespecialiseerde (provinciale) jeugdzorg, jeugd-ggz of voor de civiele plaatsing in de jusititiële jeugdinrichtingen (gesloten jeugdzorginstellingen). Begin april 2008 hebben de directeuren van de vijftien BJZ’s de kerntaak van BJZ aangescherpt: ‘Voor kinderen die in hun ontwikkeling bedreigd worden garandeert Bureau Jeugdzorg de noodzakelijke bescherming en organiseert zij de juiste zorg’. Uit deze omschrijving volgt dat kinderen met lichtere problematiek door andere instanties worden geholpen die zich bewegen op het ondersteunende en preventieve vlak zoals consultatiebureaus en Centra voor jeugd en Gezin. Algemene taken BJZ: • Advies en consult, alsmede deskundigheidsbevordering, het onderhouden van netwerkcontacten en vroegtijdige signalering; • Informatie en voorlichting over de taken en werkwijze van hety BJZ en over de rechten van de cliënt met betrekking tot de jeugdzorg; • Aanmelding en acceptatie: na acceptatie wordt besloten wat het meest geëigende traject is voor de cliënt door middel van het indicatiebesluit; • Opstellen diagnostisch beeld;

Nji.nl, dossier Centra voor Jeugd en Gezin Overgenomen van website ‘IKP jeugd’ 10 AMK: De overheid hanteert de volgende definitie: Kindermishandeling is elke vorm van: - een voor de minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, - die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid en van onvrijheid staat, - actief of passief opdringen, - waardoor ernstige schade aan de minderjarige wordt berokkend of dreigt te worden berokkend in de vorm van fysiek letsel of psychische stoornissen. 11 Bron: IKP Jeugdmonitor 8 9

85


• • • •

Vaststellen aard en omvang zorg; Uitvoeren van casemanagement; Verlenen van licht ambulante hulp; Coördinatie Kindertelefoon.

De volgende drie overige taken die zijn ondergebracht bij het BJZ vraagt nadere toelichting: 1. Uitoefening van voogdij en gezinsvoogdij; 2. Uitvoeren van de jeugdreclassering; 3. Fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)

1. Uitoefening van voogdij en gezinsvoogdij: Het uitvoeren van (gezins)voogdij is een van de specialistische taken van het BJZ. Als een kind dat onder toezicht of voogdij staat uit huis geplaatst moet worden, is een besluit van de kinderrechter nodig. Hierbij wordt er leiding gegeven aan het opvoedingsproces waar deze bij het systeem (gezin) tekort schiet. Tegelijkertijd activeert de (gezins)voogd ouders verantwoordelijkheid te nemen. Het belangrijkste verschil tussen gezinsvoogd en de voogd heeft betrekking op de mate van gezag van de natuurlijke ouders, maar kenmerkt zich op andere gebieden. Taken van de gezinsvoogdijschap/ondertoezichtstelling (OTS): • Informatie en voorlichting geven; • Hulpverleningsplan opstellen; • Aard en omvang zorg vaststellen; • Begeleiding bieden bij uithuisplaatsing; • Voortgangsbewaking Taken van het voogdijschap: • De ontwikkelingskansen van de cliënt optimaal bevorderen; • Gezag uitoefenen; • Voorzien in de behoeften van het kind; • De cliënt betrekken bij het voogdijproces; • Een cliënt in de juiste opvoedsituatie plaatsen.

2. Uitvoeren van de jeugdreclassering Vanaf het moment dat de politie een minderjarige meldt bij de Raad voor de Kinderbescherming naar aanleiding van een opgemaakt proces-verbaal starten diverse activiteiten. Onder jeugdreclassering wordt het geheel van al deze activiteiten verstaan. De jeugdreclassering biedt de cliënt juridische en praktische ondersteuning in het juridische proces. Daarnaast is de jeugdreclassering verantwoordelijk voor de uitvoer van maatregelen en straffen die door de autoriteiten zijn opgelegd. Het Bureau Jeugdzorg voert de volgende taken van de jeugdreclassering uit: • Advies en consult; • Hulp- en steunmaatregelen; • Toezicht- en begeleidingsmaatregelen; • Coördinatie van taakstraffen en interventies

3. Fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) De wetgever heeft de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van het AMK apart in de Wet op de Jeugdzorg geregeld. Het AMK functioneert echter onder verantwoordelijkheid en management van Bureau Jeugdzorg. Meldingen van kindermishandeling zijn vaak aanleiding

86

tot diverse vormen van jeugdzorg. Door het AMK binnen Bureau Jeugdzorg te situeren, is een directe aansluiting mogelijk met eventueel benodigde jeugdzorg waarvoor Bureau Jeugdzorg moet indiceren, terwijl Bureau Jeugdzorg ook als toegang tot de Raad voor de Kinderbescherming fungeert. De Wet op de Jeugdzorg (WJZ) bepaalt dat één van de taken van het BJZ is het fungeren als advies en meldpunt kindermishandeling (AMK). De AMK taken bestaan uit zeven functies: • Algemene informatie en voorlichting geven over bestrijden en voorkomen van kindermishandeling; • Advies en consult aan iedereen met vragen, zorgen of meldingen van kindermishandeling; • Meldingen in ontvangst nemen; • Meldingen onderzoeken en beoordelen; • Verwijzen en overdragen; • Hulpverlening coördineren en op gang brengen; • Feedback geven aan melders. Bij advies is er eenmalig contact, bij consult zijn er meerdere contacten tussen AMK en adviesvrager. De verantwoordelijkheid blijft bij de adviesvrager, het AMK wordt dus niet actief. Er worden ook geen persoonsgegevens uitgewisseld. Er vind een registratie plaats bij het AMK op naam van adviesvrager. Komt er geen of onvoldoende hulpverlening op gang, delen ouders de zorgen niet, blijft de zorgelijke situatie in stand, dan kan er een melding gedaan worden bij het AMK. Vooronderzoek Naar aanleiding van een melding van vermoeden van kindermishandeling zal het AMK onderzoeken of er sprake is van kindermishandeling. Normaal gesproken start het onderzoek van het AMK door contact te leggen met ouders en/of kind. Het AMK heeft echter de mogelijkheid om zonder medeweten van de ouders een zogeheten vooronderzoek te doen bij professioneel betrokkenen rondom een gezin. Dit vooronderzoek is primair gericht op de volgende doelen: • Het vaststellen of het vermoeden van kindermishandeling wordt gedeeld; • Het inschatten van de risico’s voor het gemelde kind, andere minderjarigen in het gezin en/of andere betrokken personen, indien het AMK contact opneemt met het kind en/of de ouders; • Verificatie van persoonsgegevens. Na de fase van vooronderzoek wordt beoordeeld welke stappen nodig zijn. En kan alsnog een onderzoek starten. Bij een melding van een vermoeden van kindermishandeling doet eerst het AMK een eigen onderzoek, dat 13 weken mag duren. Indien het AMK oordeelt dat hulp in het vrijwillig kader niet mogelijk is volgt een zogenaamde “raadsmelding”, een melding bij de Raad. In 2006 is er gestart met een betere samenwerking in de keten via het programma Beter Beschermd. Dit programma valt onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin. In het programma Beter Beschermd wordt gewerkt aan een efficiënte en effectieve jeugdbescherming. Dit gebeurt in vier projecten, samen met de betrokken organisaties en overheden bij de jeugdbescherming.


Figuur 3 Stroomschema Jeugdbeschermingsketen, bron:IKP Jeugdmonitor

5.5 Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) is, sinds 1 januari 2005, door de overheid aangewezen als uitvoerder van de indicatiestelling voor de AWBZ. Het CIZ is daarmee poortwachter voor publiek gefinancierde zorg. Ook verzorgt het CIZ de indicatie voor jeugdgehandicaptenzorg (jeugd-LVG) in het kader van bijzondere ziektekosten binnen de jeugdzorg.

procedures en kan maatregelen of sancties voorstellen. De Raad werkt hierbij nauw samen met andere instanties.

Als onafhankelijke organisatie beoordeelt het CIZ of een cliënt in aanmerking komt voor zorg binnen de AWBZ. Zodra het indicatiebesluit of het indicatieadvies is afgegeven, eindigt het contact met de cliënt. Met het aanvragen van zorg of zorgtoewijzing houdt het CIZ zich niet bezig. Dat is de verantwoordelijkheid van de cliënt zelf en van de zorgkantoren en de zorgaanbieders. Het wettelijke kader waarbinnen het CIZ functioneert is de AWBZ, maar gemeenten kunnen ervoor kiezen om indicaties voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en sociaalmedische advisering te laten uitvoeren door het CIZ.

De bekendste taak van de Raad is het onderzoeken van gevallen die gemeld worden bij het AMK of meer algemeen bij het Bureau Jeugdzorg, waarbij melding wordt gemaakt van kindermishandeling. Soms zijn de omstandigheden van een cliënt en zijn systeem zo zorgelijk dat de geboden hulpverlening niet voldoende is. Ook komt het voor dat een gezin geen hulp accepteert. Het Bureau Jeugdzorg, of het AMK, schakelt dan de Raad in die een onderzoek instelt. Als de Raad na het onderzoek beslist dat het noodzakelijk is om in een gezin in te grijpen, vraagt hij de rechter een zogenaamde maatregel van kinderbescherming op te leggen. Hierbij maakt de rechter gebruik van de informatie van de Raad. Met een maatregel wordt het gezag van de ouders geheel of gedeeltelijk beperkt totdat de situatie van de jeugdige verbeterd is. Tevens wordt de hulpverlening (weer) op gang gebracht. Het gezin is verplicht om deze hulp te accepteren.

5.6 Raad voor de Kinderbescherming De Raad voor de Kinderbescherming (ook wel: de Raad) komt op voor de rechten van het kind van wie de ontwikkeling en de opvoeding worden bedreigd. De Raad schept voorwaarden om die bedreiging op te heffen of te voorkomen. De Raad doet onderzoek, adviseert in juridische

12

In figuur 3 wordt het stroomschema van de jeugdbeschermingsketen weergegeven. Dit overzicht is afkomstig uit de databanken Eén Friese wachtlijst jeugdzorg, Jeugdbeschermingsketen en Jeugdstrafrechtketen van IKP Jeugdmonitor.12

Op ikpjeugd.nl zijn verschillende databanken te vinden die een integraal beeld van de keten rondom jeugd geven. Het bevat gegevens over in- en uitstroom, doorlooptijden , wachtmomenten en bijbehorende kwartaalcijfers. De databanken zijn een samenwerkingsproject van Provincie Fryslân, Partoer CMO Fryslân, en ketenpartners.

87


Daarnaast houdt de Raad zich bezig met het regelen van ouderlijk gezag en het recht op omgang bij scheidingen. In de wet is vastgelegd dat ouders na hun echtscheiding in principe samen het ouderlijk gezag behouden; ook het recht op omgang tussen ouders en kinderen is in de wet opgenomen. Als ouders er niet in slagen om hierover goede afspraken te maken, kunnen zij de rechter vragen hierover een beslissing te nemen. De rechter kan zo nodig de Raad vragen om hem daarbij te adviseren. Verder wordt de Raad op de hoogte gebracht op het moment dat een jongere een proces-verbaal krijgt of in zekering gesteld wordt. De Raad volgt deze minderjarige gedurende zijn straftraject en zorgt ervoor dat alle activiteiten van bijvoorbeeld de Raad, de politie en de officier van justitie op elkaar afgestemd worden. Daarnaast kan de Raad een onderzoek doen om de officier van justitie en de rechter over de jongere te informeren. Bovendien adviseert de Raad hen in de regel over de vervolging, straf en hulpverlening. Verder coördineert de Raad de uitvoering van opgelegde taakstraffen. Ten slotte pleegt de Raad gezinsonderzoek bij de mensen die een kind willen adopteren. Dan wordt beoordeeld of zij geschikt zijn om een adoptiekind op te voeden. De Raad wordt verder ingeschakeld als ouders afstand willen doen van hun kind. 5.7 Geïndiceerd zorgaanbod: provinciale jeugdzorgaanbieders en jeugd-ggz Het geïndiceerd zorgaanbod bestaat uit de provinciale

jeugdzorgaanbieders, Jeugd geestelijke gezondheidszorg, jeugd-gehandicaptenzorg en justitiële jeugdinrichtingen. Bij het uitvoeren van hun taken kunnen de zorgaanbieders gebruikmaken van verschillende zorgvormen: • Ambulante hulp • Dagbehandeling • Pleegzorg • Residentiële zorg (open jeugdzorg) • Gesloten jeugdzorg (JeugdzorgPlus) In het kader van dit onderzoek is het relevant een korte omschrijving te geven van de provinciale zorgaanbieders, de jeugd-ggz en de zorgvorm pleegzorg. Figuur 4 geeft de provinciale jeugdzorgaanbieders binnen Friesland weer. Dit overzicht is afkomstig uit de databanken Eén Friese wachtlijst jeugdzorg, Jeugdbeschermingsketen en Jeugdstrafrechtketen van IKP Jeugdmonitor. • Provinciale jeugdzorgaanbieders Men is aangewezen op de hulpverlening van provinciale jeugdzorgaanbieders op het moment dat opgroeien in een gezonde omgeving met een gezond pedagogisch klimaat niet mogelijk is. Er zijn bijvoorbeeld problemen in het systeem, bij de opvoeding of binnen de sociale context of er is sprake van stoornissen of belemmeringen in de jeugdige zelf waardoor het fundamentele recht van de jeugdige om zich te ontwikkelen tot een volwaardige burger van onze samenleving wordt bedreigd. Cliënten kunnen aanspraak maken op jeugdzorg van een provinciale jeugdzorgaanbieder wanneer er sprake is van een indicatiebesluit van een BJZ. De jeugdzorgaanbieders hebben

  Figuur 4 Friese situatie provinciale jeugdzorgaanbieders, bron: IKP Jeugdmonitor

88


Figuur 5 Provinciale jeugdzorgaanbieders, bron: IKP Jeugdmonitor

een acceptatie- en zorgplicht. Hierbij maken de jeugdzorgaanbieders gebruik van de volgende vormen van zorg: • Ambulante hulp; • Dagbehandeling; • Pleegzorg; • Residentiële hulp (open jeugdzorg); • Gedwongen residentiële hulp (gesloten jeugdzorg). De provinciale jeugdzorgaanbieders helpen kinderen en ouders bij vragen en problemen rond opgroeien en opvoeden. De hulpverlening is erop gericht dat opvoeders zelfstandig en zo goed mogelijk jeugdigen kunnen opvoeden of dat jeugdigen in de toekomst als zelfstandige volwassenen aan het maatschappelijk leven kunnen deelnemen. Soms kunnen opvoeders, door wat voor omstandigheden ook, hun verantwoordelijkheid voor de opvoeding (tijdelijk) niet of onvoldoende waarmaken. De jeugdzorg is dan gericht op het herstellen van de verantwoordelijkheid of van de relatie tussen cliënt en systeem. Als het nodig is dat cliënten tijdelijk buiten de gezinssituatie verblijven, dan wordt altijd gestreefd naar een leefomgeving die zo veel mogelijk aansluit bij het systeem van herkomst. Vormen van pleegzorg hebben hierbij de voorkeur. • Jeugd geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz) De jeugd geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz) biedt hulp aan kinderen en jongeren met psychiatrische of psychosociale klachten die zo ernstig zijn dat zij daardoor in hun ontwikkeling worden bedreigd. De eerste toegang tot de jeugd-ggz vindt plaats via de huisarts, schoolarts, kin-

 

derarts en de psychiater. Dit vormt een rechtstreekse verwijzing van arts naar arts, veelal met de vraag naar specialistische diagnostiek, zoals dat ook in de somatische zorg gebruikelijk is. De tweede toegang verloopt via de relatie met de bredere zorg zoals de algemene jeugdzorg, orthopedagogische centra, MEE’s). Hierin heeft het BJZ een belangrijke rol als verwijzer, indicatiesteller en regisseur. De eerste verwijslijn blijft een belangrijke directe lijn vanwege, in het belang van de cliënt is dat de eerste toegang intact blijft. De kerndoelstelling van de jeugd-ggz is het bieden van specialistische diagnostiek, het behandelen van cliënten en het begeleiden van cliënten naast de behandeling. Daarnaast biedt de jeugd-ggz consultatie aan andere hulpverleners. • Pleegzorg Pleegzorg bestaat in kort- en langdurende vormen, voor 24 uur per dag of in deeltijd, en therapeutisch of niet therapeutisch. Hierdoor valt pleegzorg in te delen in twee zorgvarianten: de hulpverleningsvariant en de opvoedingsvariant. De instellingen die pleegzorg aanbieden voorzien in de toewijzing en begeleiding van cliënten, het werven en voorlichten van pleegouders en het adviseren en ondersteunen van (pleeg)ouders. 6. Werken in de jeugdzorg 13 Jeugdzorg is een maatschappelijke taak. Het opvoeden en opgroeien van jeugdigen raakt niet alleen hun eigen toekomst, maar heeft ook impact op de samenleving als geheel. Het ingrijpen op het moment dat het niet goed gaat met jeugdigen levert forse dilemma’s op. Laveren tussen Rechten van het Kind aan de ene kant en de

89


opvoedingsverantwoordelijkheid van ouders en opvoeders aan de andere kant. In de jeugdzorg gaat het om het kind, maar deze kan niet zonder ouders of opvoeders. De jeugdzorgwerker werkt in het belang van de jeugdige en de opvoeders is een dualiteit die kenmerkend is voor het werken binnen jeugdzorg. De jeugdzorg is een breed terrein waarin meerdere beroepen actief zijn in verschillende voorzieningen en functies. Jeugdzorgwerkers pakken opgroei- en opvoedproblemen aan die de ontwikkeling van de jeugdige tot een volwassene belemmeren. De functies van jeugdzorgwerkers hebben ieder hun unieke karakter en focus. Zo zijn sommige jeugdzorgwerkers hoofdzakelijk preventief bezig om op voorhand te voorkomen dat er problemen ontstaan, zij bieden gezinnen ondersteuning bij de opvoeding. Andere jeugdzorgwerkers zijn hoofdzakelijk bezig de hulpvraag helder te krijgen en de gewenste hulpverlening vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van een indicatiebesluit of advies aan de (kinder)rechter. Weer andere jeugdzorgwerkers houden zich primair bezig met het uitvoeren van interventies om een onwenselijke situatie op te lossen. Voordat een jeugdzorgwerker werkzaam is als professional in de jeugdzorg, heeft hij in de meeste gevallen een sociaalagogische beroepsopleiding gevolgd. Het gaat dan om de hbo-opleidingen Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH), Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD), Culturele en Maatschappelijke vorming (CMV),

Pedagogiek (PED), Toegepaste Psychologie (TP) en Creatieve Therapie (CT). Daarnaast zijn er ook nog sociaalagogen werkzaam in de jeugdzorg met een mbo-opleiding, zoals Pedagogisch Werker en Sociaal Maatschappelijk Dienstverlener. Voor het omgaan met de in de jeugdzorg vaak kritische situaties heeft de beroepskracht bepaalde competenties nodig. In 2009 is door het NJi specifieke, op de jeugdzorg gerichte profielen opgesteld. De jeugdzorgwerker moet bij de uitvoering van de taken steeds afwegingen maken: keuzes, problemen, spanningsvelden en kansen vragen van hem een oplossing en een aanpak. De jeugdzorgwerker staat daarmee voor een kritische situatie waarin hij de juiste oplossing en/of aanpak dient te kiezen. De jeugdzorgwerker komt deze kritische situaties binnen meerdere contexten tegen. Ze ontstaan mede doordat de jeugdzorgwerker zijn werk verricht vanuit wisselende perspectieven namelijk het perspectief van de jeugdige, opvoeders, de eigen organisatie en de maatschappij. Bij het oplossen van de kritische situaties gaat het vaker om het vinden van de juiste middenweg dan om het kiezen voor het een of het ander: • Belang opvoeders versus belang jeugdige • Gewenste situatie versus beperktheid van mogelijkheden/medewerking • Balanceren tussen betrokkenheid en distantie • Privacy waarborgen versus transparantie bieden • Positie innemen Over de manier waarop de jeugdzorgwerker zich bezighoudt met zijn hoofdtaak ‘helpen bij het opgroeien en

  Figuur 7 hulpverleningscyclus Bureau Jeugdzorg, bron ‘Beroepskracht Bureau Jeugdzorg’, NIZW Beroepsontwikkeling, 2006.

13

90

Delen van deze tekst zijn overgenomen uit ‘Jeugdzorgwerker’, het profiel, taken, competenties van verschillende professionals in de jeugdzorg. NJi, 2009


opvoeden’ zijn de opvattingen in de afgelopen decennia nogal veranderd. Binnen de zorg- en hulpverlening, en ook voor de jeugdzorg, wordt steeds meer waarde gehecht aan ‘empowerment’, het ‘helpen van mensen om zichzelf te helpen’. In plaats van mensen te helpen, is de jeugdzorgwerker bezig om mensen in staat te stellen competenties te ontwikkelingen waardoor zij hun achterstelling zelf ongedaan kunnen maken. Dit vindt plaats in verschillende contexten, die andere eisen en uitdagingen stellen aan jeugdzorgwerkers. Over het algemeen werken zij in een meer systeemgerichte context of in een meer pedagogisch gerichte context, waarbij beide contexten nauw met elkaar verweven zijn en een grote overlap kennen. systeemgerichte context of in een meer pedagogisch gerichte context, waarbij beide contexten nauw met elkaar verweven zijn en een grote overlap kennen. De jeugdzorgwerker die werkzaam is in een pedagogische context richt zich voor een belangrijk deel van zijn taken op het ondersteunen van jeugdigen die daghulp ontvangen, of voor een bepaalde tijd in een (justitiële) dag/ nachtinstelling verblijven. Dit onderzoek richt zich op de

systeemgerichte context, waarbij de beroepskracht Bureau Jeugdzorg voornamelijk aan de orde komt. In een systeemgerichte context richt de jeugdzorgwerker zich op het opvoedsysteem, waarmee wordt bedoeld: ouders, grootouders, buren, vrienden, onderwijzers, etc. De jeugdzorgwerker houdt zich hierbij bezig met het bieden van opvoedingsadvies, het vaststellen of aanscherpen van de hulpvraag, het verwijzen naar en organiseren van de juiste hulp en het zelf uitvoeren van (een deel) van deze hulp, coördineren van de zorg. Functies die primair in een systeemgerichte context werken zijn onder andere: ambulant hulpverlener, gezinshulpverlener, intensief pedagogische hulpverlener, consulent opvoedondersteuning, medewerkers Bureau Halt, medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming (zoals raadsonderzoekers) en beroepskrachten van het Bureau Jeugdzorg (waaronder jeugdbeschermers en medewerkers van het AMK). De beroepskracht Bureau Jeugdzorg richt zich op toegang tot de jeugdzorg, indicatie, kortdurende hulpverlening, en het organiseren van de hulpverlening, zodat elke jeugdige of opvoeder de jeugdzorg krijgt waar hij recht op heeft.

 

Figuur 6 Taken en positie van BJZ in de zorgketen toegevoegd, bron ‘Beroepskracht Bureau Jeugdzorg’, NIZW Beroepsontwikkeling, 2006.

91


bijlage 2

VISIE VAN MENSEN BETROKKEN BIJ DE ZORG VOOR HET KIND De projectgroep vond het wenselijk, voordat het rapport met de uitkomsten van het onderzoek + visie van de fractie uitkomt, deze visie voor te leggen aan partijgenoten die werkzaam zijn in het veld. Zij maken geen onderdeel uit van het onderzoek. Dit was op hun eigen verzoek, maar ook als graadmeter om te kijken in hoeverre het aansluit bij hun visie op het verhaal. VISIE VAN DE MENSEN DIE BETROKKEN ZIJN BIJ DE ZORG VOOR HET KIND. In informele sfeer konden partijgenoten die in het veld van jeugdzorg werkzaam zijn een eerste reactie geven op de gespreksverslagen en de kernpunten, waarin nogal eens kritiek wordt geuit op de werkwijze van de medewerkers en op de geconstateerde bureaucratie. WAARDOOR ZIJN DE PROFESSIONALS GERAAKT NA HET LEZEN VAN DE INTERVIEWS? De uitspraken zoals ze zijn opgeschreven worden wel herkend, dit is al vaker in een onderzoek naar voeren gekomen. Nieuw is dat nu ook de professional het gevoel van de cliënt herkent en erkent. Duidelijk is ook dat men er van overtuigd is dat iedereen die met jeugdigen werkt, alles in het werk stelt om tot goede resultaten te komen. In de praktijk komt te vaak naar voren dat zaken niet goed lopen. Daar waar het mis gaat voel je je als deskundige zo onmachtig. Dat raakt je diep, want het gaat om een kind. We moeten ervoor waken dat de medewerkers niet tekort wordt gedaan. Er gaan wel zaken mis maar er gaan ook zeker dingen goed. Ondanks dat de medewerker het beste voor heeft met het kind moet die zich ook afvragen welke impact het op het gezin heeft dat er iemand van jeugdzorg bij het gezin binnen komt. VERANTWOORDINGSCULTUUR. POLITIEK MOET HAND IN EIGEN BOEZEM STEKEN. De medewerkers zijn vanuit hun intentie gedreven om de goede zorg en begeleiding te bieden. Het belang van het kind staat bij hen voorop. Het is het beleid, lees politiek, die verantwoording vraagt voor elke behandeling die wordt gegeven. De medewerker moet van al zijn hande-

92

len verantwoording afleggen en rapporten maken anders wordt er niet betaald. Ook als er vervolgstappen moeten worden genomen loopt de medewerker tegen verschillende muren op. Alles moet verantwoord worden voordat een volgende stap genomen kan worden. Dit is niet in het belang van het kind. Natuurlijk is dossiervorming nodig en zijn er protocollen die opgevolgd moeten worden, dit is ook in het belang van het kind en het gezin. Het moet alleen niet een doel op zich worden. Die verantwoording moet wel een verbetering opleveren nu loop je nog tegen wachtlijsten aan, terwijl je cliënt hulp nodig heeft. De financiering is teveel afhankelijk van de rapporten en verantwoording. De ouder heeft evenwel geen inzicht in de rapportage, daar wordt heel moeilijk over gedaan. Het is vooral een verslag om de financiering rond te krijgen. Terwijl als je vertrouwen wilt krijgen van het gezin moeten de verslagen teruggekoppeld worden, waardoor samenwerken bevorderd wordt. De politiek is zeker ook verantwoordelijk voor al deze verslaglegging, die moet niet alleen kijken naar het terugdringen van de wachtlijsten maar meer naar de kwaliteit van de zorg. GEBRUIK MAKEN VAN HET BESTAANDE NETWERK RONDOM HET KIND. De eerste signalen van problemen bij een kind of binnen een gezin worden vaak al in een vroeg stadium opgemerkt door de leerkrachten op school. Je kunt dan met de ouders en schoolmaatschappelijk werk proberen een gesprek op gang te brengen en openheid creëren. Je kunt daarmee zwaardere ingrepen voorkomen. Vaak zijn ouders blij dat de problemen onderkend worden, niet ieder kind heeft het hele spectrum van jeugdzorg nodig. De groep mensen rondom het gezin kan uitgebreid worden met consultatiearts, huisarts, schoolhoofd en politie. Dit is een eerste vangnet waarbij Jeugdzorg nog niet in beeld . De hulp moet je zo dicht mogelijk rondom het kind organiseren. De ouders moeten vertrouwen hebben in de mensen die de hulp bieden. Het Advies-en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) is ook een punt voor informatie, je kunt er zelfs anoniem om advies vragen. Dit is tot nu toe onbekend dat moet betere bekend worden gemaakt. Ook het Centrum voor Jeugd en Gezin waartoe elke gemeente verplicht is dat in te


richten, is zo’n plek waar je met vragen in je eigen (streek-)taal terecht kunt. Zowel ouderen als jongeren hebben behoefte aan zo’n loket. De volgende fase, als al deze hulp geen soelaas biedt, is dan Jeugdzorg. Idealiter kan er dan een warme overdracht plaatsvinden. Mensen komen met een vrijwillige hulpvraag, zij moeten niet het risico lopen dat het eindigt in een horrorscenario. REGIEVOERING. EEN GEZINSCOACH DE OPLOSSING? Het adviesorgaan moet niet een ‘negentotvijf’ loket, maar ook ’s avonds en in het weekend telefonisch bereikbaar zijn. Via internet kan er informatie beschikbaar komen en moet het mogelijk gemaakt worden om contact op te nemen. Je moet er wel op letten dat de een coach niet teveel gezinnen onder de hoede heeft. De gezinscoach hoeft niet beslist iemand te zijn uit het directe netwerk van het kind. De gezinscoach moet een professional zijn die erkenning heeft van degene die hij

ondersteunt. Het moet ook een onafhankelijk iemand zijn, want soms is het wel nodig dat er vervolgstappen richting Onder Toezicht Stelling (OTS) gemaakt moeten worden. VERANDERING CULTUUR BINNEN JEUGDZORG. De cultuur binnen Jeugdzorg moet veranderen. Het gevoel van macht overheerst, een gezin voelt zich vaak overgeleverd aan Jeugdzorg. De medewerkers in het veld staan te popelen om een betere werkwijze op te zetten. Er zou een scheiding moeten komen tussen vrijwillige en verplichte jeugdzorg. De conclusie is dat de werkers in het veld wel willen maar door het huidige systeem in deze werkwijze gedwongen worden. Jeugdzorg is een gesloten organisatie die wel steeds meer de openheid zoekt. Het begint met vertrouwen, dat moet Jeugdzorg ook erkennen, je hebt een gezamenlijk doel. Je moet een goede verstandhouding hebben met de andere organisaties waaronder de politie. Het netwerk rondom het gezin is belangrijk. Dichter bij de mens.

93


Rode draden, zorgen om het kind