Issuu on Google+

Willem Snellenberg

Handboek Sportmassage Anatomie Fysiologie Blessurepreventie en blessures Ehbso en stoornissen in de algemene toestand Taak, plaats en functie van de sportmasseur Functieonderzoek Massage Tapen en bandageren Specifiek gedeelte (per regio)


y x

x

y De bewegingsassen van het kniegewricht.

© 1989/2009 Tirion Uitgevers bv, Baarn 1992, tweede gewijzigde druk 1995, derde gewijzigde druk 2000, vierde gewijzigde druk 2003, vijfde gecorrigeerde druk 2005, zesde gewijzigde druk 2007, zevende gewijzigde druk 2008, achtste gewijzigde druk 2009, negende gewijzigde druk Lay-out: Prezns, Marco Bolsenbroek Omslag: Hans Britsemmer, Kudelstaart Illustraties binnenwerk: BSN medical, Almere blz. 257 Bernard Kriek Maja Lammers Lucy Perey Spiertekeningen: www.markvaneijkcartoons.nl Kleurenfoto’s: Marie-Luise Bollweg Ingetekende illustraties op de foto’s in het Specifiek gedeelte: Maja Lammers De afbeeldingen op de blz. 54 t/m 57 zijn overgenomen met toestemming van het Deutsches Hygiene Museum der DDR te Leipzig. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Uitgeverij De Vrieseborch Postbus 309 3740 AH Baarn www.vrieseborch.nl NUR 488 ISBN 978 90 6076 567 8 Uitgeverij De Vrieseborch maakt deel uit van Tirion Uitgevers bv www.tirionuitgevers.nl


Voorwoord

7

Anatomie

13

Inleiding 1. Medische nomenclatuur 1.1 Algemene terminologie 1.2 Beschrijvende terminologie 1.2.1 Algemene plaatsbepalende uitdrukkingen 1.2.2 Richting en beweging (bepalende uitdrukkingen) 2. Weefselleer (histologie) 2.1 Dekweefsel 2.2 Bindweefsel of steunweefsel 2.3 Spierweefsel 2.4 Zenuwweefsel 3. Osteologie (leer van de beenderen) 3.1. Inleiding: het skelet 3.2. De onderdelen van het skelet 3.2.1 De schedel 3.2.2 De wervelkolom (columna vertebralis) 3.2.3 De bouw van de afzonderlijke wervels 3.2.4 De thorax (borstkas) 3.2.5 De schoudergordel 3.2.6 De bovenste extremiteit: humerus, ulna, radius en ossa manus 3.2.7 De bekkengordel 3.2.8 De onderste extremiteit 4. Arthrologie (gewrichtsleer) 4.1 Indeling van gewrichten 4.2 Synoviaalgewrichten (diarthrose) 4.2.1 Algemene bouw en functie van een synoviaalgewricht 4.2.2 Hulpstructuren van een gewricht 4.2.3 Indeling van de gewrichten naar de vorm van de gewrichtsvlakken 4.2.4 Indeling naar het aantal botstukken 4.2.5 Indeling naar beweeglijkheid 4.2.6 Normering van bewegingsuitslagen in gewrichten 4.2.7 Stabiliteit 4.2.8 Standen van gewrichten 4.3 Belangrijke gewrichten en hun bewegingen 4.4 Overzicht van de indeling van gewrichten 4.5 Bewegingsuitslagen in de diverse gewrichten 4.6 Bewegingsuitslagen in de wervelkolom 4.7 Conclusies voor de sportmasseur 5. Myologie 5.1 Inleiding 5.2 Indeling van spierweefsel 5.3 Bouw van de skeletspier 5.3.1 Sarcomeer 5.3.2 Doorbloeding van het spierweefsel 5.4 De spiercontractie 5.5 Tonus en tonusregulatie 5.6 Snelle en langzame spieren 5.6.1 Betekenis van de spiervezeltypering voor de praktijk 5.6.2 De theorie van Janda 5.7 Indeling van spieren naar vorm en bouw 5.8 Indeling naar functie van de spier

14 14 15 17 18 18 21 21 21 24 24 26 26 27 27 27 28 30 30 30 32 33 34 34 34 35 36 36 37 37 37 38 38 39 39 40 41 41 41 41 41 42 43 43 43 44 45 45 46 47 48

5.9 Indeling naar het aantal gewrichten waarover de spier loopt 48 5.10 Indeling naar de soorten contracties van de spieren 49 5.11 Spierkracht 50 5.11.1 Het meten van spierkracht 51 5.12 CoĂśrdinatie 51 5.13 Kinesiologie 52 5.14 Hulpstructuren van de spier 52 5.15 Samenvatting 53 De oppervlakkige structuren aan de voorzijde 54 De oppervlakkige structuren aan de achterzijde 56 Fysiologie

58

Inleiding 1. Celleer: cytologie 1.1 Algemene bouw van een cel 1.2 Het menselijk organisme 1.3 Levensverrichtingen 2. Metabolisme (stofwisseling) 2.1 Celstofwisseling 2.2 Orgaanstelsels die deelnemen aan de energie­wisseling 2.3 Assimilatie en dissimilatie 2.4 Basaalmetabolisme 2.5 Arbeidsstofwisseling 3. Het zenuwstelsel Inleiding 3.1 De bouw van het zenuwstelsel 3.2 Het animale zenuwstelsel 3.3 Het vegetatieve zenuwstelsel 4. Het hormonale stelsel 4.1 De hypofyse 4.2 De schildklier 4.3 De bijschildklieren 4.4 De bijnieren 4.5 De eilandjes van Langerhans 4.6 De geslachtsklieren 4.7 Andere hormoonproductie 5. De spijsvertering Inleiding 5.1 De mond 5.2 De slokdarm (oesophagus) 5.3 De maag 5.4 De dunne darm 5.5 De dikke darm (colon) 5.6 De lever (hepar) 5.7 De nieren 6. Hart, bloedsomloop en bloed Inleiding 6.1 Bouw en functie van het hart 6.2 Bloedsomloop 6.3 Bloed 6.4 Lymfatisch stelsel 7. De ademhaling Inleiding 7.1 De luchtwegen 7.2 Het ademhalingsmechanisme 7.3 Regulatie van de ademhaling

59 59 59 60 61 62 62 62 62 63 63 63 63 65 65 69 70 70 70 70 70 71 71 72 72 72 72 72 72 73 73 74 74 75 75 75 78 79 80 81 81 82 83 84


7.4 Het belang van een goede ademhaling bij sportbeoefening 7.5 De kunst van het ademhalen 8. De huid (cutis) 8.1 De opperhuid (epidermis) 8.2 De lederhuid (corium) 8.3 Onderhuids bind- en vetweefsel 8.4 Functies van de huid 9. De zintuigen en sensoriek 10. Inspanningsfysiologie 10.1 De energievoorziening tijdens lichamelijke inspanning 10.2 De effecten van training op het functioneren van het menselijk lichaam

85 85 85 85 86 86 86 88 89 90 91

Blessurepreventie

95

1. Inleiding 2. Kwaliteit en kwaliteitszorg 2.1 Ontwikkelingen en de gevolgen voor de beroepsuitoefening 2.2 Organisatie van de sportgezondheidszorg 2.3 Kansen voor de sportmasseur 2.4 Risicogroepen 2.5 Primaire, secundaire en tertiaire preventie 2.6 Beroepsdomein van de sportmasseur 2.7 Kerntaken van de sportmasseur 2.8 Sociale vaardigheden 3. Hoofdlijnen wet- en regelgeving (cliëntrechten) 4. Primaire preventie 4.1 De balans tussen belasting en belastbaarheid Blessure - oorzaken: 4.2 Oorzakelijke factoren 4.3 Voeding 5. Secundaire preventie 5.1 Het ontstaan van overbelasting 5.2 De signaalfunctie van de sportmasseur bij overbelasting 5.3 De waarheid over spierpijn 5.4 Overbelasting van diverse weefsels 5.5 Kramp 5.6 Overtraining 5.7 Sportonthoudingssyndroom 5.8 Herstel 5.9 Samenvatting secundaire preventie 6. Tertiaire preventie 6.1 Oorzaken van sportblessures 6.2 Indeling van sportblessures naar ontstaanswijze 6.3 Blessurebegeleiding door de sportmasseur 7. Verzorging 7.1 Eerste Hulp Bij Sportongevallen (EHBSO) 7.1.1 Symptomen, herkenning en maatregelen bij acuut letsel 7.2 Letsels en aandoeningen 7.2.1 Aandoeningen van de huid 7.2.2 Oogletsel 7.2.3 Verbandleer 7.2.4 Sportletsels 7.3 Stoornissen in de algemene toestand 7.3.1 Stoornissen van het bewustzijn

96 97 97 97 98 99 100 100 101 103 103 107 108 109 110 127 134 134 135 136 137 138 140 141 141 145 146 146 147 147 149 149 149 150 150 157 158 161 168 173

7.3.2 Stoornissen van de ademhaling 7.3.3 Stoornissen van de circulatie 7.4 Vervoer van slachtoffers

178 181 187

Werkwijze

189

1. Werkwijze van de sportmasseur 2. Het beroepsspecifieke functieonderzoek 2.1 Methodisch handelen en verslaglegging Fasen Methodisch Handelen Cliëntenkaart Anamneseformulier Inspectieformulier Stappen/behandelplan Statuskaart

190 190 191 192 194 196 199 205 206

Massage

208

Inleiding 209 1. Wat is massage? 209 2. Preventieve behandeling 209 3. Soorten massage 209 4. Taak, plaats en functie van de sportmasseur 210 5. De (sport)masseur 210 6. De dosering van de massage 211 7. Het tijdstip van de massage 212 8. Het doel van de sportmassage 213 9. Herstelbevordering door sportmassage 214 10. Lokale en algemene effecten van de (sport)massage 215 11. Geschiedenis van de verklaringen van de (sport)massage 215 11.1 Een overzicht 215 11.2 Mechanische verklaringen 216 11.3 Reflectoire verklaringen 216 11.4 Chemisch-biologische verklaringen 217 11.5  Geschiedkundig overzicht van de (sport)massage 220 12. Invloeden van de massage (hedendaagse verklaringen) 220 12.1 Mechanische verklaringen 221 12.2 Reflectoire verklaringen 222 12.3 Chemisch-biologische verklaringen 223 12.4 Bio-energetische verklaringen 223 12.5 Psychische verklaringen 223 13. De effecten van de handgrepen 223 14. Indicaties en contra-indicaties 225 14.1 Indicaties 226 14.2 Massageplan 226 14.3 Contra-indicaties 227 15. Accommodatie en inrichting 228 15.1 Eisen aan de massageruimte/behandelruimte 228 15.2 Eisen aan de inrichting, materialen en apparatuur 228 16. Massagetussenstof 230 16.1 Oliën 230 16.2 Vetten 230 16.3 Poeders 230 16.4 Zalven, crèmes, embrocations 230 16.5 Doel en gebruik van massagetussenstof 230 17. Hygiënische maatregelen 231 18. Massage: praktijk 232 Inleiding 232


18.1 Individuele aanpassing aan de massage vereist vooraf een functieonderzoek 18.2 De uitgangshoudingen bij de massage 18.3 Het masseren 18.4 Handgrepen

232 235 238 241

Bandageren en tapen

255

1. Bandageren/tapen 1.1 Kant-en-klaar bandages 1.2 Eerste hulp bandages 1.3 Functionele bandages (Algemene technieken)

256 258 261 261

Specifiek gedeelte (per regio) 268 1. De voet, de enkel en het onderbeen 269 1.1 De voet 269 1.2 De verbindingen tussen voet, enkel en onderbeen 270 1.3 De bewegingsmogelijkheden van voet, enkel en onderbeen 271 1.4 De spieren van tenen, voet, enkel en onderbeen 272 1.5 Samenvatting 275 2. Het functieonderzoek van de voet, de enkel en het onderbeen 275 2.1 Anamnese 275 2.2 Inspectie 275 2.3 Functieonderzoek van de voet, de enkel en het onderbeen 277 2.4 Palpatie 280 2.5 Samenvatting verzorging 280 2.6 Diagram functieonderzoek enkelgewricht 281 3. Blessures van de voet, de enkel en het onderbeen 284 3.1 De enkeldistorsie 284 3.2 Achillespeesklachten 284 3.3  Overbelasting van de spieren van het onderbeen 285 3.4 Voetklachten 287 4. Bandagetechnieken aan de enkel en het onderbeen 287 4.1 Preventieve enkelbandages 287 4.2 Ondersteuning van de m. triceps surae 289 5. Massage van de voet, de enkel en het onderbeen 290 5.1 Massage van de achterzijde van het onderbeen 290 5.2 Massage van de voorzijde van het onderbeen 292 5.3 Massage van het enkelgewricht 294 5.4 Massage van de voet 294 6. Anatomie van het kniegewricht en het bovenbeen 295 6.1 Bouw van het kniegewricht (art. genus) 295 6.2 De banden van het kniegewricht 295 6.3 De menisci 296 6.4 Functies en bewegingsmogelijkheden van het kniegewricht 297 6.5 Bewegingsmogelijkheden in de knie 297 6.6 Spieren die een functie hebben op de werking van het kniegewricht 298 6.7 Functionele stabiliteit 300 7.  Het functieonderzoek van de knie en het bovenbeen 301 7.1 Anamnese 301 7.2 Inspectie (zie ook algehele inspectie en inspectie van de voet, enkel en onderbeen 301 7.3 Functietests 301 7.4 Palpatie 305 7.5 Samenvatting voor de verzorging 305

8. Blessures van het kniegewricht 308 8.1 Inleiding 308 8.2 Acute letsels 309 8.3 Chronische letsels 309 8.4 Specifieke sportletsels van de knie en het bovenbeen 310 9. Kramp 312 10. Algemene opbouwtraining na blessures van de onderste extremiteit 314 11. Bandagetechnieken aan de knie en het bovenbeen 315 11.1 Preventieve kniebandage 315 11.2 Ondersteunende en ontlastende bandages voor de bovenbeenspieren 316 12. Massage van het bovenbeen en de knie 318 12.1  Massage van de achterzijde van het bovenbeen 318 12.2  Massage van de voorzijde van het bovenbeen 320 12.3 Massage van het kniegewricht 322 13. Het bekken, heupgewricht en bovenbeen 323 13.1 De beenderen van het bekken (pelvis) 323 13.2 Bekkenbewegingen 323 13.3 De verbindingen van het bekken 323 13.4 De spieren die invloed uitoefenen op de bekkenbewegingen 324 13.5 Het mannelijk en het vrouwelijk bekken 324 14. Het heupgewricht (art. coxae) 324 14.1 De bouw van het heupgewricht 324 14.2 Bewegingsmogelijkheden in het heupgewricht 325 14.3 Spieren die een functie hebben bij het heupgewricht 326 15. Het functieonderzoek van de heup 333 15.1 Anamnese 333 15.2 Inspectie 333 15.3 Functieonderzoek 333 15.4 Palpatie 337 15.5 Samenvatting voor de verzorging 337 15.6 Diagram functieonderzoek heupgewricht 338 16. Blessures rondom het bekken en heupgewricht 340 16.1 Algemeen 340 16.2 Liesblessure 340 16.3 Kramp 341 16.4 Slijtage van het heupgewricht 341 17. Bandage en tapetechnieken 341 17.1 Algemene ondersteuning van het heupgewricht en de adductoren 341 18. Het hoofd en de romp 347 18.1 Het hoofd en het aangezicht 347 18.2 De romp 350 18.3 De verbindingen van de wervelkolom (columna vertebralis) 351 18.4 De bewegingsmogelijkheden van de wervelkolom 351 18.5 De spieren van de romp 353 18.6 De houding 357 19. Het functieonderzoek van de romp 359 19.1 Anamnese (zie ook bij het algemene functieonderzoek) 359 19.2 Palpatie (in stand) 359 19.3 Inspectie van de romp 359 19.4 Functietests 360 19.5 Palpatie 361 19.6 Samenvatting voor de verzorging 361


20. Blessures en aandoeningen van de romp 361 20.1 Inleiding 361 20.2 Traumata 362 20.3 Lage rugklachten 362 20.4 Preventie van rugklachten 363 21. Het functieonderzoek van de cervicale wervelkolom 363 21.1 Anamnese 363 21.2 Inspectie 363 21.3 Functietests 363 22. Tapen van de romp 364 22.1 Tapen en bandageren van de rug, de nek, of de schoudergordel 365 23. Massage van de rug 365 23.1 Massage van de nek en schouder 370 24. Massage van de buik 373 24.1 Massage van de nek, hals, gezicht en hoofd. 374 25. De schoudergordel en de bovenste extremiteit 377 25.1 De verbindingen van de schoudergordel 377 25.2 Bewegingsmogelijkheden van de schoudergordel 379 25.3 De spieren van de schoudergordel 379 25.4 Overzicht van de gecombineerde functies van de spieren rond de schoudergordel 386 25.5 Het functieonderzoek van de schoudergordel en het schoudergewricht 387 25.6 Het functieonderzoek van de schoudergordel en de schouders (zie ook algemeen functieonderzoek) 387 25.7 Diagram functieonderzoek schoudergewricht 392 26. Blessures en aandoeningen van de schouders 394 26.1 Acute blessures 394 26.2 Chronische blessures 394 27. Anatomie van de elleboog en onderarm 396 27.1 Articulatio cubiti (ellebooggewricht) 396 27.2 De spieren die werken op het ellebooggewricht 397 27.3 Het functieonderzoek van de elleboog 399 27.4 Diagram functieonderzoek elleboog 401 28. Tape- en bandagetechnieken aan de onderarm en de elleboog 403 28.1 Tapebandage bij een tennisarm 403 28.2 Tapebandage ter voorkoming van hyperextensie van de elleboog 404 29. Het polsgewricht en de hand 404 29.1 De bewegingsmogelijkheden van het polsgewricht 405 30. De hand 405 30.1 De gewrichtjes van de hand 406 31. De spieren van de onderarm, pols en hand 406 31.1 Het spierstelsel van de arm, pols en hand 410 32. Het functieonderzoek van de pols 412 32.1 Diagram functieonderzoek polsgewricht 414 33. De vingers en de duim 416 34. Tapebandage ter remming van palmair-dorsaalflexie 417 34.1 Preventieve duimbandage 418 34.2 Preventieve taping van de vingers en de duim 418 34.3 Techniek voor het vastzetten van de duim aan de wijsvinger 419 34.4 Tapetechniek voor het ‘spalken’ van twee vingers aan elkaar 419 34.5 Het voorkomen van hyperextensie van de vingers 419 35. Massage van de bovenste extremiteit 419 35.1 Massage van de schouder en bovenarm 420 35.2 Massage van het ellebooggewricht 423

35.3 Massage van de onderarm 35.4 Massage van het polsgewricht 35.5 Massage van de hand

423 424 424

Literatuur

427

Register

428


7

Voorwoord Sportbeoefening gaat gepaard met lichamelijke activiteiten. Lopen, springen, werpen, trappen en slaan zijn basisbewegingen waarbij ons lichaam of een onderdeel ervan wordt verplaatst. Wij bewegen zonder er veel bij na te denken, bijna automatisch. Lichaamsbeweging is gezond, echter aan ons bewegen in de sport zitten risico’s verbonden en de kans om geblesseerd te raken is vrij groot. De sportmasseur is de man/vrouw uit de praktijk op wie al te vaak een beroep wordt gedaan. De sportmasseur verricht zijn werkzaamheden meestal in behandelsituaties, preventieve maatregelen zijn hem (vaak) onbekend. Aan de basis ontbreekt het aan specifieke deskundigheid op het gebied van blessurepreventie. De bedoeling van dit handboek is om een brug te slaan tussen preventie en blessurebehandeling, waarbij de nadruk ligt op het voorkomen van blessures. Voorlichting en begeleiding van de sporter staan centraal. De serieuze sporter heeft vele vragen die op een juiste en verantwoorde wijze dienen te worden beantwoord. Naast artsen en fysiotherapeuten heeft de sportmasseur daarbij een eigen taak. Die taak is blessurepreventie en dat staat voor: het gezonde lichaam ‘gezond’ houden. In dit boek voor de (aankomende) sportmasseur staan het onderzoeken en het waarnemen van het gezonde lichaam centraal. Er wordt beschreven hoe de zwakke schakels in het bewegingsapparaat ontdekt kunnen worden en welke preventieve maatregelen men kan nemen. Massage kan een uitstekend hulpmiddel zijn om beginnende overbelasting van spieren te bestrijden. Door herstel bevorderende maatregelen, zoals het geven van oefeningen en het aanleggen van bandages, kunnen de zwakke schakels weer sterker gemaakt worden. Anatomie en fysiologie zijn belangrijke onderdelen uit de basiskennis van de sportmasseur, omdat die de sporthygiënische onderwerpen begrijpelijker maken. Ik heb getracht de stof vanuit veel uitgangspunten te behandelen, zodat elke docent zijn eigen invalshoek kan kiezen. Uit evaluatiecursussen met kaderleden van diverse opleidingen is mij gebleken dat er vele meningen zijn; de onderwerpen zijn in hun behandeling dan ook niet grenzeloos. Niet iedereen zal het daarom eens zijn met de grenzen die ik gemeend heb te moeten trekken. Ik heb me gerealiseerd dat het schrijven van dit boek geen eenvoudige taak is. Gelukkig hebben velen, soms zonder het zelf te weten, meegewerkt aan de totstandkoming van dit boek. Een aantal van hen wil ik daarvoor dan ook bedanken: •• Sportmasseurs uit de regio Twente en diverse andere afdelingen, die de laatste applicatiecursussen volgden. •• De kaderleden van vele opleidingen in Nederland, die door middel van discussies, op- en aanmerkingen en het invullen van evaluatieformulieren de aangeboden stof kritisch beoordeelden. •• Collegae, die meewerkten aan de cursussen sportmassage. •• Wim Snellenberg jr. en de medewerkers van zijn Health Investment Center Fysio-Fit voor de hulp bij het ontwikkelen van de dossiers en het toetsen van de formulieren in de praktijk.

•• Anke, mijn vrouw voor het nalezen en verbeteren van de stof en het geven van proeflessen aan diverse sportmassagegroepen. •• Het bestuur van het Nederlands Genootschap voor Sportmassage (NGS), dat het initiatief nam om de gehele opleiding sportmassage te reorganiseren, om te komen tot een verdere professionalisering van de beroepsgroep en het ontwikkelen van de vele documenten. •• De firma’s BSN medical en Adidas voor hun sponsoring van foto’s en afbeeldingen. •• De heer Rob v.d. Berg van SOW. •• Mijn dochter, zoon, schoondochter en vrouw, die poseerden voor diverse foto’s die dit leerboek illustreren. •• Marie-Luise, die voor deze nieuwe druk de kleurenfoto’s maakte en bewerkte. Voorwoord bij de negende druk De belangrijkste verandering in deze negende druk is, dat alle stof is aangepast en geactualiseerd aan het door het NGS uitgewerkte profiel van de sportmasseur. Vanaf oktober 2000 tot heden is met diverse sociale partners aan dit functieprofiel gewerkt om te komen tot een optimale afstemming en professionalisering van de sportmassage binnen de (sport)gezondheidszorg. Met de basiskennis van de sportmasseur was in het verleden niets mis. De leerdoelen voor de eindexamens zijn dan ook voortgekomen uit een jarenlange voorgeschiedenis en de evaluatie van de stof door de diverse leden van de examencommissie. Deze stof is door mij, in het verleden deelnemend aan diverse commissies van het NGS, nauwkeurig uitgewerkt. Dit heeft geresulteerd in het schrijven van dit handboek, dat goed te gebruiken is door de diverse opleidingen, maar ook geschikt is voor zelfstudie. Opgeleid wordt niet alleen voor sportmassage, maar voor een totale manier van begeleiden binnen de gezondheidszorg. In de praktijk van het begeleiden van (sport)mensen zijn de grenzen flinterdun. Wat mag nu wel en wat mag de sportmasseur niet doen. Ook zonder op de stoel te gaan zitten van de trainer, fysiotherapeut of van een diëtiste is er een breed werkterrein weggelegd voor de sportmasseur. Zeker nu de fysiotherapie uit het basispakket van het ziekenfonds is verwijderd, zullen nog meer cliënten als eerste een beroep doen op de sportmasseur. Dit zou kunnen leiden tot een kwalijke ontwikkeling, mits de sportmasseur zijn grenzen en bevoegdheden goed kent en zich niet bezighoudt met handelingen die buiten zijn competenties liggen. Mijn oud-leermeester wijlen Dr. R. Strikwerda gaf mij al in 1966 de boodschap mee: ‘Gebruik naast je handen, frequent het hoofd.’ De rol, die is weggelegd voor de sportmasseur is als begeleider van cliënten bij blessurepreventie. Zijn deskundigheid ligt niet alleen op het geven van massages, maar omvat ook het tapen en bandageren, het verlenen van Eerste Hulp en het geven van tips en adviezen om blessures te voorkomen. Ook heeft hij een ondersteunende rol ten opzichte van de arts of de fysiotherapeut en moet daarom goed kunnen samenwerken. Om een goede afstemming met de cliënt en met de sportgezondheidszorg te bereiken is methodisch handelen van de sportmasseur noodzakelijk.


8 Daartoe zijn multidisciplinaire richtlijnen en gedragsregels opgesteld om het handelen van de sportmasseur zowel voor hemzelf, voor de cliënt en andere professionals in het beroepenveld inzichtelijk te maken. OEFENBOEK SPORTMASSAGE In het Handboek Sportmassage worden de onderwerpen zoals anatomie, fysiologie, sporthygiëne, verzorging, trainingsleer, massage, tapen en bandageren en Eerste Hulp in aparte hoofdstukken behandeld. Naast het Handboek Sportmassage maken wij gebruik van het Oefenboek Sportmassage. Dit boek leidt je gedurende de cursus door de gehele oefenstof. De leerdoelen, de exameneisen en de examenreglementen worden per les beschreven. Ook worden per les multiple-choicevragen en oefenopdrachten gegeven, die door de docenten worden behandeld tijdens de lessen. Er is een theorie-examen opgenomen, dat volledig is uitgewerkt en vijf examens van elk 150 multiple-choicevragen. Een theorie-examen bevat 50 vragen betreffende anatomie, 50 vragen over fysiologie, 50 vragen over verzorging en 20 vragen over kwaliteitszorg. Je kunt zelf nagaan welk cijfer je hebt gehaald. Elke goed beantwoorde vraag levert 0,2 punten op. De oefenopdrachten, die in elke les worden gegeven moeten individueel, met een andere leerling, met een proefpersoon of met een oefengroep zelfstandig worden gerealiseerd. Om de spieren goed te leren, kun je bijvoorbeeld in het handboek de origo’s en de inserties zelf inkleuren. Deze oefenopdrachten en casussen leiden je systematisch op om te groeien naar een competent en volwassen beroepsbeoefenaar. Inhoud van het oefenboek •• Volledig uitgewerkt lesrooster (opleiding van een schooljaar) •• Oefen- en huiswerkopdrachten per les •• Multiple-choicevragen per les •• Leerdoelen: •• van de afzonderlijke lessen •• van de afzonderlijke vakken •• Het NGS examenreglement •• Portfolioformulieren •• Formulieren voor het aanleggen van cliëntendossiers •• Toetsformulieren •• Examenopdrachten •• Exameneisen van het NGS •• Een volledig uitgewerkt theorie-examen •• Vijf theorie-examens met de bijbehorende antwoorden •• Casussen en casusopdrachten. Tijdens de studie, ter voorbereiding op het NGS-examen, is het oefenboek onontbeerlijk. Belangrijk voor de sport is: goede sportmasseurs af te leveren. Voor de cursist is het doel: slagen voor het examen om daarmee het NGS-diploma te behalen. Als opleider wil ik graag beide belangen dienen en goede sportmasseurs afleveren die hun sporen gaan verdienen in de sportwereld.

De cursist Als cursist van de opleiding sportmassage ben je beginnend beroepsbeoefenaar en moet je nog heel veel leren. Het menselijk lichaam is zeer complex, maar ook heel boeiend. Het werk, dat je in de toekomst gaat verrichten ligt in de preventieve sector van de sportgezondheidszorg. Dat vereist vakbekwaamheid, inzicht en ook wel een bepaalde instelling. Je bent straks bezig met het lichaam en de gezondheid van een ander. Indien je niet de juiste instelling hebt om deze verantwoordelijkheid te dragen dan kun je schade aanrichten aan de gezondheid van de sportbeoefenaar. Zo kunnen we spreken van een bepaalde beroepsethiek. Misschien dat je nu begrijpt dat goed studeren zo belangrijk is en dat je functie grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Alhoewel er nog nimmer onderzoek is gedaan naar de effecten van het nemen van preventieve maatregelen wijst de praktijk uit dat de sportmasseur een belangrijke bijdrage levert aan het voorkomen van sportblessures. De sportmasseur is immers de enige hulpverlener die direct geconfronteerd wordt met de eerste verschijnselen van een insluipende blessure. Hij is ook de eerste die te maken krijgt met het fenomeen sportblessure. Het tijdig signaleren van insluipende blessures en het treffen van adequate maatregelen kunnen erger voorkomen. Omdat je de eerste bent die onder dergelijke omstandigheden moet handelen is het van belang dat je voldoende kennis in huis hebt. Kun je adviezen geven, maatregelen treffen of moet je doorverwijzen? Niet alleen op het gebied van de gezondheid lever je zo je bijdrage maar ook in sociaal, economisch en sportief opzicht. Een sportmasseur is dus meer dan een veredelde EHBO’er; het is een specialisme om een dergelijk vak uit te oefenen. De sportmasseur functioneert als vraagbaak binnen de vereniging als het gaat om blessurepreventie, hij vormt de schakel tussen de technische begeleiding (trainer, coach, bestuur) en de medische begeleiding (fysiotherapeut, arts). Zo’n functie vraagt bijzondere mensen. Mensen die zich bewust zijn van de gevolgen van verkeerd handelen, mensen met een groot verantwoordelijkheidsgevoel, mensen met een grote dosis vakbekwaamheid, die de juiste competenties in huis hebben om het vak als sportmasseur uit te oefenen. Tijdens de cursus worden je deze competenties aangeleerd. Het is echter de kwaliteit van de cursist die de basis vormt om straks in de praktijk goed te kunnen functioneren. De sportmasseur moet technisch vaardig kunnen optreden en zelfstandig en onderbouwd handelen. Op dat moment bewijs je je waarde voor de sporter! Begin 2008 is het functieprofiel van de sportmasseur door het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn in samenwerking met vele betrokken organisaties gereed gekomen. Je wordt opgeleid van beginnend sportmasseur naar een volwaardig beroepsbeoefenaar. Je motivatie daarbij is evident. Bedenk dat, afgezien van de voldoening van het behalen van het NGS-diploma Sportmassage, uitbreiding van kennis op het gebied van het menselijk lichaam een rijk bezit vormt voor je verdere leven. Daarom al is de studie de moeite waard. Succes!


9 Studiebelasting De leerstof om het NGS-Sportmassagediploma te behalen is zeer uitgebreid en complex. Er is ontzettend veel kennis en vaardigheid nodig om verantwoord te kunnen masseren en om te voldoen aan de eisen die de sport stelt aan de begeleiding van sportmensen. Je moet het antwoord op zeer veel vragen over diverse onderwerpen weten om goede voorlichting te kunnen verstrekken. Het Handboek Sportmassage bevat alle onderwerpen die het Nederlands Genootschap van Sportmassage noodzakelijk acht voor het behalen van het NGS-diploma. Alleen de lessen volgen is echter niet voldoende; er moet veel worden geoefend en gestudeerd. Zelfstudie, gesprekken en oefenen met medecursisten, het meelopen met sportmasseurs in hun praktijk en het maken van opdrachten, dit alles is noodzakelijk ter voorbereiding op het uitoefenen van het mooie beroep als sportmasseur. In de opleiding is gekozen voor een praktische leermethode. Thuis moet je je voorbereiden op de lessen. De docenten leggen ingewikkelde onderwerpen uit en geven opdrachten over praktijkgerichte problemen. De leerling leert zodoende problemen die in de praktijk veel voorkomen zelf op te lossen. De docent dient als begeleider en helpt de leerling in de goede richting. Dit probleemgestuurde onderwijs vergt zelfdiscipline; maar het geeft veel voldoening om de gestelde problemen zelf op te lossen. We gaan uit van een volwaardige inzet en deelname aan de cursus. Je bent zelf verantwoordelijk voor je leerproces en de daarmee samenhangende vooruitgang. Naast het actief volgen en deelnemen aan de lessen moet je thuis veel studeren. In het lesrooster wordt aangegeven welke onderwerpen vooraf moeten worden bestudeerd en welke opdrachten moeten worden voorbereid. Op de lesavonden kunnen de docenten deze onderwerpen behandelen en koppelen aan de praktijk. Maak aantekeningen van de stof die docenten behandelen en werk ze thuis uit met behulp van het studieboek: je moet het basisboek goed bestuderen, literatuur en atlassen raadplegen en gemaakte aantekeningen met behulp hiervan uitwerken. Vergelijk deze aantekeningen regelmatig met de notities van medecursisten. Werk de opdrachten zorgvuldig uit. Ze zijn zo gekozen dat ze de diverse onderwerpen met elkaar in verband brengen. Straks, als je geslaagd bent, kom je er ook mee in aanraking. Naast de opdrachten worden mutiple-choicevragen gesteld. Maak die thuis en kijk jouw antwoorden na. Ga steeds na waarom je een vraag fout hebt beantwoord. Aarzel ook niet om vragen te stellen, mits deze bij het onderwerp blijven dat tijdens de les aan de orde is (geweest). De docent legt de verkeerd beantwoorde vraag of je eigen vraag graag aan je uit. Oriënteer je verder door op internet te zoeken, andere boeken te lezen of bestudeer een anatomische atlas. Om je vaardigheden te verbeteren is oefenen met elkaar noodzakelijk. Buiten de lessen vergt de studie gemiddeld per week ten minste vijf uur extra oefenen en studeren.

Cliëntendossier In dit Handboek worden richtlijnen tot ‘methodisch handelen’ gegeven. Methodisch handelen houdt in, dat de werkzaamheden van de sportmasseur routinematig, volgens een eigen beroepsprocedure, protocollair moeten worden uitgevoerd en moeten worden vastgelegd in een cliëntendossier. Een cliëntenkaart, een statuskaart en een stappenplanformulier zijn ontwikkeld door het NGS. In dit boek worden voorbeelden van anamnese- en inspectieformulieren gegeven, alsmede functietestdiagrammen waarmee de sportmasseur wordt opgeleid om zelfstandig en verantwoord te kunnen functioneren in de (sport)gezondheidszorg. Door middel van het methodisch handelen leert de sportmasseur te komen tot een goed onderbouwd en verantwoord behandelplan. Het maakt onderlinge toetsing mogelijk en het creëert een goed middel tot communicatie met zowel de cliënt als met andere disciplines. Iedere sportmasseur kan vanuit deze voorbeelden eigen formulieren ontwikkelen, waarop de hele status van de cliënt en de bevindingen in eigen bewoordingen worden vastgelegd. Om zich te beperken tot het eigen kennisdomein zou de sportmasseur geen diagnoses moeten stellen. De bevindingen uit het functieonderzoek kunnen (naar voorbeeld van het ‘methodisch handelen’ van de fysiotherapeut) worden vastgelegd in stoornissen, beperkingen en participatieproblemen. Stoornissen als verminderde kracht, mobiliteit, hypertonie, of een verminderd uithoudingsvermogen hoeven niet pathologisch te zijn en kunnen goed worden behandeld door de sportmasseur. Beperkingen kunnen worden vastgelegd als het niet kunnen uitvoeren van bepaalde bewegingspatronen, zoals afzetten, sprinten, smashen of het slechts een bepaalde tijd kunnen volhouden van een duurloop. Participatieproblemen zijn te vertalen in het niet kunnen deelnemen aan de training of wedstrijd. Door het verzamelen en optekenen van relevante gegevens wordt de sportmasseur geleerd de juiste conclusies te trekken en een verantwoord behandelplan op te stellen en uit te voeren. Erkenning van de opleidingen door het NGS Een door het NGS erkende opleiding is een garantie voor een goede opleiding. We zeggen dat niet alleen omdat je dan een goede sportmasseur wordt die alle facetten van het vak beheerst. We zeggen dat ook omdat je dan voldoet aan de richtlijnen gesteld door de instantie die de examens organiseert. Het eindexamen voor het verkrijgen van het einddiploma sportmassage van het NGS wordt ook nog eens door een onafhankelijk instituut gecontroleerd. Het kwaliteitscentrum examinering (KCE) is ingesteld door de overheid om de examens en de examenorganisatie te toetsen. Het NGS auspicieert het examen en stelt de exameneisen. Om te kunnen voldoen aan die eisen dient de opleiding aan een kwaliteitsmerk gebonden te zijn. Een kwaliteitsmerk in de zin van een erkenning door het NGS. De opleiding die deze erkenning bezit hanteert een leerplan dat gecontroleerd is en garandeert dat de docenten een voldoende opleidingsniveau bezitten. Een erkende opleiding onderwerpt zich aan uitspraken van het NGS in geval van klachten en houdt zich


10 aan de erecode die inhoudt dat men zich collegiaal opstelt ten opzichte van overige NGS-leden. Bovendien wordt voldaan aan eisen betreffende outillage. Het diploma Sportmassage van het NGS is het enige in de sport erkende diploma. Dus niet zo maar een papiertje! Het spreekt voor zich, dat ook niet gebonden NGS-opleidingen een goede cursus kunnen geven. Opleidingsinstituten met NGS-erkenning zijn te vinden op de website van het NGS, www.sportverzorgingngs.nl. De adressen van de belangrijkste instanties zijn: NOC*NSF Papendallaan 3 Postbus 484 6800 AL Arnhem Nederlands Genootschap voor Sportmassage Bureau Sportmassage NGS Postbus 200 6800 AE Arnhem (026) 84 508 70 E-mail: bureaungs@sportverzorgingngs.nl NISGZ Nationaal Instituut voor de Sportgezondheid Papendallaan 50 Postbus 90 6860 AB Oosterbeek

De bezitters van het diploma Sportmassage hebben ook het recht om het muurschild van het NGS te voeren.

Aspirant lidmaatschap van het NGS Als aankomend sportmasseur kun je aspirant lid worden van het NGS. Het NGS is een belangenvereniging van ruim 7000 NGS Sportmasseurs. De voordelen van dit lidmaatschap zijn: -- Vakblad Sportmassage Internationaal; -- Het opbouwen van een ‘netwerk’ onder collegae; -- Het bezoeken van technische bijeenkomsten. Vraag een inschrijfformulier aan bij het NGS te Arnhem. Het beroepsprofiel van de sportmasseur Het beroep sportmasseur omvat meer dan het masseren van een sporter alleen. De werkzaamheden zijn zeer veelzijdig. Werkzaamheden als tapen, bandageren, het verlenen van eerste hulp en het geven van adviezen, worden niet alleen bij sporters, maar ook bij cliënten in een vrije beroepsuitoefe-

ning uitgevoerd. De beroepsnaam is dus eigenlijk verkeerd gekozen. Mensen die zich bijvoorbeeld overbelasten op hun werk kunnen ook door de sportmasseur worden behandeld. De werkomgeving is dus niet alleen bij een sportvereniging, maar de sportmasseur kan ook werken bij een sauna, een sportschool, een beautycentrum, in een bedrijf of als beroepsbeoefenaar in een eigen praktijk. Wel moet de sportmasseur zich realiseren, dat in welke werkomgeving ook, hij onderdeel is van de totale sportgezondheidszorg, waarin huisartsen, sportfysiotherapeuten en diverse specialistische centra en ziekenhuizen participeren. Deze specialisten worden echter vaak pas ingeschakeld bij pathologie en traumatologie. De rol van de sportmasseur in de (sport)gezondheidszorg is die van begeleider ter preventie van blessures en overbelasting. De sportmasseur werkt samen met andere disciplines en wisselt daarmee informatie uit of stemt de begeleiding met hen af. Vaak is het de sportmasseur, die het eerst te maken krijgt met cliënten met gezondheidsklachten, overbelasting en blessures. De positie van de sportmasseur heeft een eigen specifiek karakter binnen de gezondheidszorg. Mensen bewegen te weinig, er komen meer ouderen en de 55+-sport is in opkomst. Mensen sporten meer individueel en ongeorganiseerd. Daardoor dreigen steeds meer blessures te ontstaan. Fysiotherapie is uit het basispakket van de verzekeringen geschrapt. Hierdoor zal vaker een beroep worden gedaan op de sportmasseur. De overheid stimuleert de blessurepreventie en de ontwikkeling van de sportgezondheidszorg. Bij een hulpvraag levert de sportmasseur de Eerste Hulp, masseert, legt een bandage of adviseert de cliënt een dokter te consulteren. De sportmasseur moet kunnen beslissen of hij zelfstandig de werkzaamheden kan uitvoeren, dat er sprake is van pathologie, of dat een cliënt doorgestuurd moet worden. Ook bijvoorbeeld in werksituaties kan de sportmasseur te maken krijgen met vragen. Hij kan daarom niet alleen worden ingezet bij sport, maar ook bij een werkgever kan hij zich nuttig maken. De sportmasseur kan zelfstandig een praktijk voeren. Daarom is het van groot belang om goed te kunnen beoordelen wat een cliënt moet doen. Een goede behandeling komt tot stand op basis van vele gegevens, verkregen uit het beroepsspecifieke onderzoek. De opleiding omvat een gedegen basiskennis van de anatomie en fysiologie. Medische kennis van de bouw en functies is noodzakelijk om de reacties van belasting en de signalen van overbelasting op het menselijk lichaam begrijpelijk te maken. Een behandeling wordt daarom altijd voorafgegaan door een functieonderzoek van het bewegingsapparaat, waarna een behandelplan kan worden opgesteld en uitgevoerd. Het behandelplan wordt in overleg en met goedkeuring van de cliënt gemaakt. Om tot verantwoorde keuzes te komen is wederzijds vertrouwen van cliënt en sportmasseur noodzakelijk. Om dat te bereiken worden tijdens de opleiding diverse competenties bijgebracht. Tijdens het verloop van de behandelingen wordt het proces geëvalueerd, bijgesteld en eventueel veranderd. Ook kan de sportmasseur bijvoorbeeld masseren als ondersteuning van de behandelingen van een fysiotherapeut. Dat gaat dan in overleg met alle betrokkenen.


11 Het NGS heeft gedragsregels opgesteld met betrekking tot de omgang met de cliënt, de behandelend verwijzer en collega’s. Ook is de sportmasseur verplicht zijn kennis door middel van bijscholingscursussen te onderhouden en te verbeteren. Op deze applicatiecursussen en technische avonden en door middel van vakliteratuur wordt zeer veel informatie verstrekt over beroepsinhoudelijke zaken, tapes, materialen en massagemiddelen. Hierdoor ontwikkel je jezelf tot een volwaardige sportmasseur. Dat is ook nodig, omdat de cliënt steeds veeleisender wordt, antwoorden verlangt op zijn vragen en geholpen wil worden met zijn problemen. Door deze ontwikkelingen moet de masseur zijn bevoegdheden wel blijven onderkennen. Het beleid van de sportmasseur moet gericht zijn op herstelbevordering en preventie van blessures en overbelasting. Dit wil zeggen, dat de sportmasseur zijn indicaties en contra-indicaties moet kennen en geen pathologie mag behandelen. Als er sprake is van een contra-indicatie moet verwezen worden naar een arts. Als er geen contra-indicaties zijn, kiest de sportmasseur voor massage, tapen of voor advisering en stelt in overleg met de cliënt het behandelplan op. Als er gekozen wordt voor massage wordt bepaald hoe en met welk doel gemasseerd wordt. Belangrijk is, dat de gestelde doelen gedurende het behandelproces ook worden bereikt, door regelmatig te evalueren. Het hele proces wordt vastgelegd in het cliëntendossier. Een goede masseur beschikt over Fingerspitzengefühl, dat zelfs zo ontwikkeld kan zijn dat hij in staat is om aan de hand van de toestand van het spierweefsel de vorm van de sportman op dat moment vast te stellen. Zo is het ook zelfs mogelijk dat een masseur aan de tonus van het spierweefsel, in combinatie met andere symptomen, overbelastingsverschijnselen op het spoor komt. Mede door massages kan overbelasting verholpen worden. Voeg daarbij de gunstige invloed van massage op de herstelprocessen, dan zal het belang van de massage en daarmee van de sportmasseur die deze massage geeft, duidelijk zijn. Ook kan de sportmasseur kiezen om een bandage of een tape aan te leggen. In deze cursus worden de basistechnieken daarvoor aangeleerd. Het doel is een bandage zo aan te brengen dat de nodige ontlastende, steunende en remmende functies ervan worden verkregen. De cliënt moet daarbij het gevoel hebben dat de tape/bandage bij het functioneren de nodige veiligheid en zekerheid geeft. Verder verleent de sportmasseur zorg bij het ontstaan van acuut letsel. In de opleiding worden daarvoor de gangbare EHBO-technieken aangeleerd. Bij zwaar letsel zorgt de sportmasseur voor veiligheid en rust en laat deskundigen waarschuwen (112). In afwachting van hulp kan het nodig zijn om te beademen en te reanimeren. Bij minder ernstig letsel zorgt de sportmasseur voor de eerste hulp door middel van wondverzorging, de ICE-regel, eventuele verwijzing naar een arts of de afdeling spoedeisende hulp. Voorts wordt het tot de taak van de sportmasseur gerekend de sportlieden met raad en daad terzijde te staan met adviezen over voeding, trainingsbelasting, verzorging van het lichaam en het al dan niet gebruiken van de vele soorten smeersels (die vaak ten onrechte gebruikt worden).

Behalve massages, uitgevoerd voor de training of wedstrijd, zal de sportmasseur ook na de training en/of wedstrijd kunnen masseren. Hiermee kan spierstijfheid verminderd of zelfs voorkomen worden. Naarmate training en/of belasting frequenter worden, zal de noodzaak tot massage toenemen omdat het lichaam minder tijd gegund wordt om te herstellen. Massage kan in dergelijke gevallen het herstelproces versnellen en ondersteunen. We zien vaak dat de sportmasseur als een soort vertrouwensman wordt beschouwd, waar men niet alleen met lichamelijke klachten terecht kan, maar bij wie men ook eens heerlijk zijn hart kan luchten. Gedurende het hele begeleidingsproces blijft de sportmasseur de belasting en belastbaarheid op elkaar afstemmen door regelmatig informatie met de cliënt uit te wisselen. Door het herhalen van de functietests moeten de activiteiten van de cliënt worden bijgesteld, waarbij de preventie van blessures en klachten voorop moet blijven staan. Om inzicht te houden in de voortgang van het begeleidingsproces is het noodzakelijk de verkregen gegevens te registreren in een dossier. De sportmasseur houdt daarbij rekening met de privacy van zijn cliënt. Ook voor uitwisseling van informatie aan derden (arts/fysiotherapeut) is het aanleggen van een cliëntendossier nuttig. De kerntaken van de sportmasseur De bij de kerntaak behorende werkzaamheden van de sportmasseur kunnen worden onderverdeeld in negen werkprocessen: •• Het voorbereiden van de activiteiten; •• Het onderzoeken van het bewegingsapparaat; •• Het opstellen van een behandelplan; •• Het masseren van cliënten; •• Het tapen en bandageren van cliënten; •• Het geven van voorlichting en adviezen aan cliënten; •• Het verlenen van Eerste Hulp aan cliënten met acuut (sport)letsel; •• Het vastleggen en registreren van gegevens; •• Het evalueren van alle activiteiten. Behalve deze primaire taken kent de sportmasseur ook een aantal van de functie afgeleide taken: zoals het beheer van materialen en organisatorische werkzaamheden. De sportmasseur werkt meestal bij een sportvereniging, bij een sportschool, maar kan ook ingezet worden bij evenementen, in arbeidssituaties, of zelfstandig een eigen praktijk voeren. De sportmasseur krijgt vaak als eerste te maken met eventuele (gezondheids)klachten. Daarom is het van het grootste belang, dat hij snel kan beoordelen wat een cliënt moet doen. Het beroep is erop gericht preventieve werkzaamheden te verrichten en geen pathologie te behandelen. Het is de verantwoordelijkheid van de sportmasseur een goede inschatting te maken en te werken volgens de gedragsregels die het NGS daarvoor heeft opgesteld. De sportmasseur moet daarom altijd afwegingen maken en rekening houden met de speciale omstandigheden van de cliënt. Gedurende het behandelproces zal telkens weer uit nieuw verkregen informatie het stappenplan moeten worden aangepast.


12 Vaardigheden, die nodig zijn om een volwaardig en professioneel sportmasseur te zijn, omvatten niet alleen het hebben van vakkennis en het beheersen van technieken maar zijn een combinatie van inzicht, motivatie, houding en persoonlijke kenmerken, die nodig zijn om effectief te handelen in een beroepssituatie. Om een waarheidsgetrouw beeld te krijgen met betrekking tot het kwalitatief goed kunnen functioneren in de beroepspraktijk, worden bij de examens ook competenties beoordeeld, als: •• Op een gepaste wijze omgaan met cliënten; •• Professioneel omgaan met verkregen informatie; •• Professioneel omgaan met tegenstrijdige belangen; •• Kunnen samenwerken; •• Leiding geven; •• Analyseren en interpreteren van gegevens; •• Ondernemen en presteren; •• Organiseren en uitvoeren.

Willem Snellenberg


Anatomie / 13

Anatomie


14 / Anatomie

Inleiding Om de endogene factoren en de reacties van het menselijk lichaam op belasting enigszins te kunnen beoordelen is een gedegen kennis van de bouw en functie van het menselijk lichaam noodzakelijk. Deze kennis moet een goede basis verschaffen bij het begeleiden van (sport)mensen. Er is gestreefd om de anatomie en fysiologie zodanig te beschrijven, dat de theoretische achtergronden toepasbaar zijn op de werkzaamheden van de sportmasseur. Anatomie Van nature is er bij iedereen al een zekere kennis aanwezig van de verschillende delen waaruit ons lichaam is opgebouwd. Deze oppervlakkige kennis is echter voor de sportmasseur onvoldoende om bijvoorbeeld de werking van inwendige organen te begrijpen. Diepgaande kennis kan eigenlijk alléén maar worden verkregen door het menselijk lichaam te ontleden (anatomie = ontleedkunde). Voor de opleiding sportmassage is het echter onmogelijk om op een snijzaal het menselijk lichaam te ontleden. Anatomie is voor de sportmasseur een belangrijk onderdeel van de opleiding. Het dient als basis voor een verder inzicht in het menselijk bewegen. Met behulp van anatomische afbeeldingen krijgen we meer kennis van de structuren, die onder de huid verborgen zitten. Door waarneming en door palpatie leren we vooral het bewegingsapparaat beter kennen. Wij doen dat door het lichaam systematisch te onderzoeken. Wij leren anatomie in vivo. De anatomie is te verdelen in vakken als: 1. Nomenclatuur De medische vaktaal is het Latijn •• Algemene terminologie •• Topografie (oppervlakte-anatomie) •• Vlakken en coördinatie-assen •• Termen die richting aanduiden 2. Bouw van het bewegingsapparaat (het algemene deel) Het bewegingsapparaat is opgebouwd uit een passief en een actief gedeelte. Onder het passieve deel wordt het skelet, de botten en de gewrichten verstaan. Onder het actief gedeelte verstaan we de spieren. •• Histologie (leer van de weefsels) •• Osteologie (leer van de beenderen) •• Artrologie (leer van de gewrichten) •• Myologie (leer van de spieren) •• Kinesiologie (leer van de bewegingen) 3. Bouw van het bewegingsapparaat (het speciale deel) Het menselijk lichaam bestaat uit de truncus (stam) met het hoofd, de hals, de romp, de onderste en bovenste extremiteiten. De romp is opgebouwd uit de borst (thorax), de buik (abdomen) en het bekken (pelvis). De schoudergordel vormt de verbinding tussen de stam en de bovenste extremiteiten (armen). De bekkengordel vormt de grens tussen de romp en de onderste extremiteiten (benen). In dit boek worden de onderdelen vanaf de onderste extremiteit behandeld.

•• •• •• •• •• •• ••

voet-enkel-onderbeen knie-bovenbeen heup bekken en wervelkolom nek-schoudergordel schoudergewricht-bovenarm elleboog-pols-hand

Gekozen is om deze onderdelen als blokken te behandelen. Gelijktijdig wordt het functieonderzoek besproken. Ook de conclusies en maatregelen, die belangrijk zijn voor de preventie komen dan aan de orde. Het voordeel daarvan is dat theorie en praktijk worden gekoppeld. 4. Bouw van de inwendige organen/zintuigen Bij deze onderwerpen zijn bouw en functie sterk gekoppeld. Daarom wordt dit punt in het hoofdstuk fysiologie behandeld.

1. Medische nomenclatuur Elk vakgebied kent zijn eigen vaktaal. Deze vaktaal (= nomenclatuur) maakt gebruik van bepaalde termen en uitdrukkingen die nauwkeurig aangeven wat wordt bedoeld. In de medische vaktaal wordt gebruik gemaakt van Griekse en Latijnse termen. De betekenis van deze termen wordt om de vijf jaar vastgesteld en eventueel herzien. Ook de sportmasseur moet zich een aantal van deze termen eigen maken. Andere disciplines die gebruik maken van de medische terminologie zijn artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, diëtisten en trainers. De termen zijn internationaal zodat gecommuniceerd kan worden met personen uit andere landen. Nomenclatuur dient voor: a. Communicatie, onderling en met aanverwante disciplines. b. Het registreren van gegevens zodat anderen deze ook kunnen lezen en interpreteren. c. Het kunnen lezen en begrijpen van medische literatuur. d. Het ook kunnen lezen van buitenlandse literatuur (nomenclatuur doorbreekt de taalbarrière). NB Tegen derden, bijvoorbeeld tegen de sportman of -vrouw, moeten medische termen worden vermeden. Probeer bij opdrachten zoals het functieonderzoek de normale omgangstaal te gebruiken en géén medische terminologie.


Anatomie / 15

1.1 Algemene terminologie abdomen acetabulum acromion agonist

= buik = heupkom = schoudertop = spier die een bepaalde beweging maakt, staat tegenover antagonist albus = wit amfiarthrose = strak gewricht angulus = hoek antagonist = de spier die een tegenovergestelde werking heeft anteflexie = naar voren bewegen van arm of been anterior = voorste anteversie = naar voren bewegen van arm of been anulus = ring aorta = lichaamsslagader apex = top, punt apofyse = uitstekende knobbel aponeurose = peesplaat arcus = boog area/regio = gebied arterie = slagader articulatio = gewricht ascendens = (op)stijgend atlas = bovenste halswervel axis = draaier, 2e halswervel bifurcatum = uit twee delen bestaande bilateraal = tweezijdig brachium = arm brevis = kort bursa = slijmbeurs canalis = kanaal capitulum = hoofdje capsula = kapsel caput = hoofd carpus = handwortel cartilago = kraakbeen cauda = staart cavitas = holte cavum = kom cervicaal = halsgedeelte van de wervelkolom chondraal = van kraakbeen cingulum = gordel circumductie = ronddraaiende beweging om minstens twee assen circumferentia = omtrek clavicula = sleutelbeen coccygis(os) = staartbeen collageen = vezelig collateraal = aan de zijkant collum = hals communis = gemeenschappelijk concaaf = hol condylus = knobbel convex = bol contraheren = samentrekken coracoïd = ravenbeksuitsteeksel corpus = lichaam cortex = schors

costa coxa (os) craniaal cranium crista cruciatum cruris cubitis cuboid (os) delta dens descendens desmaal detractie dextra diafragma diafyse digitorum discus distaal dorsum elevatie eminentie epicondylus epifyse epistropheus epitheel externus extremitas extremiteit facies fascia fibrosus flexor folliculus foramen fossa frontaal genu glenoidale gluteus gracilis gyrus hallux hamatum (os) hernia heterolateraal hiatus homolateraal humerus hyaline incisura indicis inferior infra inguinale innervatie insertie

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

rib heupbeen richting schedel liggend schedel kam/rand kruis van het onderbeen elleboog teerlingbeen driehoek tand (af)dalend van bindweefsel naar beneden bewegen rechts middenrif middenstuk van een pijpbeen van vingers, tenen schijf verder van de stam (bij arm en been) rug omhoog bewegen verhevenheid knobbeltje op een knobbel uiteinde van een pijpbeen draaier dekweefsel buitenste uiteinde arm of been vlakte vlies, peesblad vezelig buiger haarzakje gat groeve vooraanzicht knie gewrichtsvlak bil slank winding grote teen haakvormig uitstulping/breuk aan de andere zijde holte/opening aan dezelfde zijde bovenarmbeen glashelder (kraakbeen) insnijding aanwijzend onderste onder lies zenuwvoorziening aanhechting


16 / Anatomie incisura inter internus interosseus intra junctura kyfose labium lamina lateraal ligamentum linea longitudinaal longus lordose lumbaal lunatum magnus majus manus margo mastoïd mediaal membraan meniscus metacarpus metatarsus minimus/minor mono multangulum multifides musculus naviculare (os) nervus nucleus nutricia obliquus obturatum occipitalis (os) olecranon opponeren origo os palmair pars patella pectus pedis pelvis perifeer periost pes phalanx piriformis (m) pisiforme (os) plano plantair

= inkeping = tussen = binnenste = tussen botten liggend = binnenin = verbinding = kromming in de wervelkolom naar achteren = lip (gewrichts-) = plaat = aan de zijkant = band/ligament = lijn = in de lengte = lang = kromming in de wervelkolom naar voren = lendengedeelte = maanvormig = groot = groot = hand = grens/rand = tepelvormig uitsteeksel van het slaapbeen = binnenste = dun vlies (grensvlak) = kraakbeenschijfje = middenhand = middenvoet = klein = één = veelhoekig = veel gespleten = spier = scheepvormig been = zenuw = kern = voeding = schuin = gesloten = achterhoofdsbeen = ellebooguitsteeksel = tegenoverstellen = oorsprong = been/bot-mond = aan palmzijde van de hand gelegen = deel = knieschijf = borst = voet = bekken = uiteinde = botvlies = voet = vinger- of teenkootje = peervormig (spier) = erwtebeen = vlak = voetzoolzijde

plexus plica pollux poly popliteus posterior processus profundus prominens promontorium proximalis psoas quadratus quadriceps radix ramus rectus resorberen respiratorisch rhomboïdeus roteren ruptuur sagittaal sartorius scoliose

= vechtwerk = plooi = duim = meer = kniekuil = achterste = uitsteeksel = diep = uitstekend = voorgebergte = richting romp liggend = lende (spier) = vierkant = vierhoofdig = wortel = boog/tak = recht = opnemen = ademend = ruitvormig (spier) = draaien = scheur = as van voor naar achter (pijl) = kleermaker (spier) = zijwaartse afwijkende bocht in de wervel­kolom semi = half septum = wand/tussenschot serratus = zaag (spier) soleus (m.) = schol (spier) spasmus = kramp spina = doorn splenius = spalk (spier) sternum (os) = borstbeen styloïd = stijlvormig sulcus = groeve superficialis = oppervlakkig superior = bovenste supra = boven surae = kuit (spier) sustentaculum = ondersteuning sutura = naad symfyse = schaambeenvoeg synovialis = binnenste vlies talus (os) = sprong been tarsus = voetwortel tendo = pees teres = rond thorax = borstkas torsie = wringing/draaiing (van de wervelkolom) tractie = trek transversaal = van links naar rechts (as) transversus = dwars tri = drie triangulum = driehoek triquetrum (os) = driehoekig been trochanter = knobbel/draaier trochlea = katrol/rol trofiek = voeding truncus = romp


Anatomie / 17 tuber tuberculum tuberositas tumor ulna (os) vagina valgus varus vascularisatie vene ventraal vertebra xiphoïdeus

= = = = = = = = = = = = =

grote knobbel kleine knobbel ruwe verhevenheid gezwel/zwelling ellepijp schede naar buiten wijzend naar binnen wijzend vaatvoorziening ader voorzijde wervel zwaardvormig

Lig = ligament (gewrichtsband) Ligg = ligamenten Achtervoegsels …aal/air/isch …algie …itis …oid …ie/(ose) …pathie …ose

Voor- en achtervoegsels Bovengenoemde termen vormen vaak de stam, om andere woorden te vormen. Bij de medische terminologie worden veel vóór- en achtervoegsels gebruikt, om bepaalde termen duidelijker uit te drukken. Voorvoegsels a/an = (bijna) zonder ab = vanaf/af ad/ante = naar … toe contra = tegen bi = twee/dubbel con = met des = ont dia = door dys = slecht/moeilijk extra = buiten hemi = half hyper = meer dan hypo = minder dan inter = tussen

infra = intra = iso = macro = micro = multi = para = poly = post/prae = sub = super = syn = tri = uni =

onder/beneden binnen … in gelijk groot klein meerdere naast veel/meer na/voor minder dan/onder boven samen drie een

Afkortingen en meervoud (schrijfwijze) A = arteria (slagader) Aa = arteriae (slagaderen) m = musculus (spier) mm = musculi (spieren) N = nervus (zenuw) Nn = nervi (zenuwen) V = vena (ader) Vv = venae (aderen) Art = articulatio (gewricht)

Mediale/sagittale vlak.

= = = = = = =

betreffende de … pijn van … ontsteking van … gelijkend op … abnormale toestand van … ziekelijke toestand van … degeneratieproces van …

Meervoudsvorming Als enkelvoud eindigt op… a us um ma on is ex/ix ax io

dan eindigt meervoud op… ae (uitspraak ee) i a mata a es ices aces iones

1.2 Beschrijvende terminologie Sportmasseurs hebben veel te maken met het bewegingsapparaat (kinesiologie = de leer van het menselijk bewegen). Ze moeten bijvoorbeeld exact aan kunnen geven waar een spier ten opzichte van een andere spier ligt. De termen ‘voor’, ‘achter’, ‘boven’ en ‘onder’ verliezen hun betekenis wanneer het lichaam van positie verandert. Daarom gaan wij niet van deze terminologie uit, maar van termen die internationaal zijn afgesproken. Bij deze uitdrukkingen gaan we uit van de anatomische houding. Dit is de rechtopgaande mens, de voeten recht naar voren, de armen langs het lichaam met de handpalmen naar voren. Om richtingen en zijden aan te duiden, gebruiken we uitdrukkingen die steeds paren vormen. Deze termen worden steeds tegenover elkaar gebruikt.

Frontale vlak.

Transversale vlak.


18 / Anatomie •• Profundus tegenover superficialis/sublimis Dieper, oppervlakkiger gelegen. •• Dextro tegenover sinistro Meer naar rechts, meer naar links gelegen.

craniaal

* Termen die voor de extremiteiten worden gebruikt.

dorsaal

ventraal

1.2.2 Richting en beweging (bepalende uitdrukkingen) a. Coördinatie- of bewegingsassen Om bewegingen van lichaamsdelen te kunnen beschrijven en om een beweging goed aan te geven, wordt gebruik gemaakt van coördinatieassen. Dit zijn denkbeeldige rechte lijnen, waar omheen een bepaalde beweging plaatsvindt. 1. Transversale as (frontale as) De as die van links naar rechts loopt (en andersom) bij bewegingen van de ledematen. Ook wel frontale as genoemd als bewegingen van de romp worden benoemd. 2. Sagittale as (sagitta = pijl) De as die van voor naar achter loopt. 3. Longitudinale as De as die in de lengte loopt, van boven naar beneden (en andersom).

caudaal

Termen die voor de romp worden gebruikt.

1.2.1 Algemene plaatsbepalende uitdrukkingen •• Mediaal tegenover lateraal Meer naar het midden, meer naar buiten gelegen. •• Centraal tegenover perifeer Meer naar centraal, meer naar de oppervlakte gelegen. •• Internus tegenover externus Inwendig, uitwendig. •• Inferior tegenover superior (infra tegenover supra) Onderliggend, bovenliggend. ••* Proximaal tegenover distaal Meer naar boven, meer naar beneden liggend. •• Ventraal tegenover dorsaal (bij de romp) Meer naar de buikzijde, meer aan de rugzijde liggend. •• Anterior tegenover posterior Meer aan de voorzijde, meer aan de achterzijde liggend. ••* Ulnair tegenover radiaal (gebruik bij de onderarm) Aan de kant van de ulna (ellepijp), aan de pinkzijde gelegen; aan de kant van de radius (spaakbeen) aan de duimzijde liggend. ••* Tibiaal tegenover fibulair (gebruik bij het onderbeen) Meer aan de kant van de tibia (scheenbeen), meer aan de kant van de fibula (kuitbeen) liggend. ••* Volair/palmair tegenover dorsaal (gebruik bij de hand) Meer aan de kant van de handpalm, meer aan de kant van de handrug liggend. ••* Plantair tegenover dorsaal (gebruik bij de voet) Meer aan de kant van de voetzool, meer aan de kant van de voetrug liggend. •• Craniaal tegenover caudaal Meer richting kruin, meer richting staart liggend.

b. Vlakken waarin bewegingen plaatsvinden 1. Sagittale vlakken Alle (denkbeeldige) vlakken die evenwijdig aan het mediale vlak lopen. Daarin zijn voor- en achterwaartse bewegingen mogelijk. Het mediale vlak deelt het lichaam precies in een linker en rechterhelft. 2. Frontale vlakken Alle (denkbeeldige) vlakken die het lichaam vóór/achterwaarts verdelen. Daarin zijn zijwaartse bewegingen mogelijk (ab- en adductie). 3. Transversale vlakken Alle (denkbeeldige) vlakken die het lichaam / lichaamsdeel boven/onder verdelen. Daarin zijn draaibewegingen mogelijk (exo- en endorotatie). c. Bewegingen Vaktermen, die worden gebruikt om bewegingen aan te geven, die plaatsvinden om een transversale as zijn: •• Flexie en extensie: buigen en strekken van het ellebooggewricht, het kniegewricht, de vinger- en teengewrichten en hoofd.


Anatomie / 19

1

2

6

7

Foto 1 en 2. Anteflexie en retroflexiebewegingen vinden plaats om een transversale as in een sagittaal vlak.

Foto 6. Abductie en adductiebewegingen vinden plaats om een sagittale as in een frontaal vlak. Foto 7. Adductie van de bovenarm.

•• Anteflexie (anteversie) en retroflexie (retroversie): naar voren brengen/buigen, naar achteren brengen/buigen van de arm in het schoudergewricht of het been in het heupgewricht (ook wel flexie en extensie) (foto’s 1 en 2) •• Ventraalflexie en dorsaalflexie: het naar voren, naar achteren brengen van de wervelkolom (romp) •• Plantairflexie en dorsaalflexie: het naar beneden brengen van de voet en het optrekken van de voet in het enkelgewricht (bovenste spronggewricht) •• Palmairflexie en dorsaalflexie: het buigen en strekken van de hand in het polsgewricht (foto’s 3 en 4) •• Vooroverkantelen en achteroverkantelen: deze termen worden gebruikt bij bekkenbewegingen •• Hyperextensie: wordt gebruikt om een te grote extensie aan te geven, over de 0 graden extensiestand heen (overstrekken foto 5). NB Bovenstaande bewegingen vinden plaats in een sagittaal vlak.

Om een sagittale as vinden de volgende bewegingen plaats: •• Abductie en adductie: van het lichaam afvoeren en naar het lichaam toebrengen van een extremiteit. De termen worden vooral gebruikt bij aan- en afvoerbewegingen van de armen en benen (foto’s 6 en 7) •• Lateraalflexie: het zijwaarts buigen van de romp (wervelkolom), naar links of rechts •• Ulnair- en radiaalabductie: bewegingen in het polsgewricht, waarbij de hand respectievelijk naar de pinkzijde en naar de duimzijde wordt gebogen. Ook worden hierbij de termen ulnairflexie en radiaalflexie gebruikt (foto 8) •• Zijwaarts kantelen van het bekken: Bewegingen waarbij het bekken in het frontale vlak gekanteld wordt •• Elevatie (schoudergordel): elevatie is een glijbeweing van het schouderblad over de romp, zoals bij het optrekken van de schouders (foto 9) •• Depressie of detractie: de glijbeweging waarbij het schouderblad naar caudaal beweegt. •• Laterorotatie en mediorotatie: termen die gebruikt worden voor de schouderbladen, waarbij de onderpunten naar buiten en naar binnen draaien. NB Bovenstaande bewegingen vinden plaats in een frontaal vlak.

3

4

Foto 3 en 4. Palmair- en dorsaalflexie in de polsgewrichten.

5

Foto 5. Hyperextensie van het hoofd.

8 Foto 8. Ulnairabductie in het polsgewricht.

9

Foto 9. Het optrekken van de schouders vindt plaats in een frontaal vlak.


20 / Anatomie

10

11

Foto 10 en 11. Rotatiebewegingen vinden plaats om een longitudinale as in een transversaal vlak.

Om een longitudinale as vinden de volgende bewegingen plaats: •• Torsie (rotatie): de term torsie wordt voor draaien van de wervelkolom gebruikt. Draaien van het hoofd en/of de wervelkolom wordt benoemd als rotatie van het gezicht naar rechts of links (foto’s 10 en 11). •• Endorotatie en exorotatie: het naar binnen en buiten draaien van een arm of been respectievelijk in het schoudergewricht en in het heupgewricht. Rotatie wordt gebruikt bij alle lichaamsdelen, behalve bij de clavicula (foto 12). •• Supinatie en pronatie: rotatie-bewegingen van de onderarm. Bij supinatie wordt de onderarm naar binnen gedraaid (de handpalm naar boven) en bij pronatie, andersom (de handrug naar boven). De termen pro-supinatie worden ook gebruikt bij bewegingen in de voet, waarbij de voetzool naar binnen wordt gedraaid bij supinatie en de voetzool naar buiten beweegt bij pronatie (foto 13). •• Inversie: is de binnenrand van de voet oprekken. Het is een gecombineerde beweging van supinatie en adductie. Deze beweging is het grootst bij plantairflexie (foto 14). •• Eversie: de buitenrand van de voet optrekken. Het is de gecombineerde beweging van pronatie en abductie. Deze beweging gaat veelal gepaard met de dorsaalflexiebeweging in het enkelgewricht. •• Protractie: Protractie is de glijbeweging van de scapula over de thorax, van de wervelkolom af (foto 15). •• Retractie: de glijbeweging van de scapula over de thorax naar de wervelkolom toe. •• Circumductie: de ronddraaiende beweging die ontstaat door een combinatie van flexie, extentie, abductie. Deze beweging is mogelijk in een gewricht, waarbij anatomisch gezien bewegingen om drie assen mogelijk zijn (anatomisch kogelgewricht). Een circumductiebeweging is ook mogelijk bij gewrichten, die geen bolvormige gewrichtsoppervlakken hebben. Een dergelijk gewricht wordt ook wel een functioneel kogelgewricht genoemd. NB Bovenstaande bewegingen vinden plaats in het transversale vlak.

12 Foto 12. Endorotatie van de bovenarm.

13 Foto 13. Pronotatie

14 Foto 14. Inversie van de voet; een combinatie van supinatie en adductie.

15 Foto 15. Protractie van de schoudergordel.


Anatomie / 21

2. Weefselleer (histologie) Een weefsel is een verzameling van cellen, die dezelfde vorm en functie hebben. Bij een mens onderscheiden we vier groepen weefsel: 1. dekweefsel of epitheelweefsel 2. bind- of steunweefsel 3. spierweefsel 4. zenuwweefsel

2.1 Dekweefsel Dekweefsel of epitheel bestaat uit aan elkaar grenzende cellen, zonder tussenstof, die één of meer lagen vormen. Ze worden gevoed uit onderliggend weefsel omdat de cellen zelf geen bloedvaten hebben. Dekweefsel beschermt het onderliggende weefsel en het bekleedt het lichaamsoppervlak, de wanden van holten, organen en klieren. Functies van het dekweefsel: Begrenzing, bescherming Dekweefsel vormt de buitenbekleding (epitheel) van organen en de bekleding van het uitwendige lichaamsoppervlak (huid). Het verhindert het binnendringen van bacteriën en de uitdroging van het lichaam. Om de longen vinden we pleurabladen, om het hart het pericard en de buikholte wordt omgeven door het peritoneum. De binnenbekleding van organen en de bekleding van bloeden lymfevaten noemen we endotheel. Zintuigfunctie In bepaalde cellen van het oppervlakte-epitheel liggen gespecialiseerde zintuigcellen voor het opnemen van prikkels (zintuigepitheel).

Meerlagig epitheel, zoals de huid, is opgebouwd om een goede bescherming te geven tegen beschadigende invloeden van buitenaf.

2.2 Bindweefsel of steunweefsel Het menselijk lichaam bestaat voor het grootste deel uit bindweefsel, dat in het gehele lichaam voorkomt. Omdat het bindweefsel zorgt voor stevigheid tussen de cellen, de weefsels en de organen, wordt het ook wel steunweefsel genoemd. De verschillende soorten bindweefsel zijn niet scherp te onderscheiden en vertonen tal van overgangsvormen. Het weefsel wordt gekenmerkt door bindweefselcellen en tussenstof met vezels. De consistentie (vastheid) van het bindweefsel

is afhankelijk van de zich in de tussenstof bevindende verhoudingen van collagene en elastische vezels. Bindweefsel, kraakbeenweefsel en botweefsel wordt ook wel steunweefsel genoemd. We kunnen bindweefsel als volgt indelen: A Bindweefsel •• losmazig bindweefsel •• dicht bindweefsel •• gestructureerd bindweefsel B Kraakbeen •• hyalien kraakbeen •• vezelig kraakbeen •• elastisch kraakbeen C Botweefsel D Bloed en Lymfe A Bindweefsel Bindweefsel doet zich in vele vormen en soorten voor. Bindweefselcellen scheiden een tussenstof af, die zich op verschillende wijze ontwikkelt tot allerlei structuren en vormen. In de geleiachtige tussenstof worden collagene, elastische en reticulaire vezels gevormd. Op grond van de verschillende soorten vezels en celtussenstof, wordt onderscheid gemaakt in de verschillende soorten bindweefsel met hun specifieke eigenschappen: •• Losmazig bindweefsel •• Elastisch, reticulair en collageen bindweefsel •• Vezelig bindweefsel Het losmazig bindweefsel bevat veel vloeistof en is betrokken bij de celstofwisseling. Het vormt een los verband tussen de organen. In de losmazige tussenstof kan zich ook vet verzamelen. De vetcellen behoren ook tot het vetweefsel en worden omgeven door bindweefsel (losmazig bind- en vetweefsel). Zo bevindt zich losmazig bindweefsel onder de huid, waardoor de huid over de onderlaag heen en weer kan schuiven, terwijl alle structuren toch weer op hun plaats worden gehouden door het losmazige bindweefsel. In het dichte bindweefsel onderscheiden we elastische, reticulaire en collagene vezels. De elastische vezels zijn wat dikker en sterker ontwikkeld. De lederhuid bevat veel elastisch bindweefsel. Het reticulair bindweefsel vormt netwerken om organen heen. Bindweefsel met veel elastische vezels wordt o.a. gevonden in de wanden van de grote arteriën. Het gestructureerd of het vezelige bindweefsel is vaster en sterker van kwaliteit. Het bevat veel collagene vezels en bestaat uit sterke, gevlochten bundels. Pezen, peesbladen (aponeurosen), bindweefselomhulsels van spieren (fasciën), gewrichtsbanden (ligamenten) zijn opgebouwd uit dit vezelige bindweefsel met veel collagene vezels. De trekvastheid van een pees is enorm groot. Pezen kunnen een gewicht van 600 tot 1300 kg per cm2 dragen. Een gezonde pees zal daarom niet gemakkelijk scheuren. Eerder zal de aanhechting op het bot kapot gaan.


22 / Anatomie

Bindweefsel met véél collagene vezels, zoals dat in pezen voorkomt.

Bindweefsel, dat voortdurend aan abnormale spanning wordt blootgesteld, rekt vrij snel uit, omdat door de rekprikkels meer collageenweefsel (colla = lijm) wordt gevormd, waardoor de hele lengte van de structuur zich vergroot. Dit kan een positieve ontwikkeling zijn als door rekoefeningen bijvoorbeeld wordt getracht een spier te verlengen. Een negatief gevolg van rekprikkels kan zijn: hypermobiliteit van een gewricht. B Kraakbeen Ook kraakbeen is een soort bindweefsel. Het bestaat dus ook uit cellen en tussenstof. De kraakbeencellen heten chondrocyten. De tussenstof is zeer stevig, taai en zeer dicht. Kraakbeen, ook het hyalien kraakbeen op de gewrichtsvlakken, bevat geen bloedvaten en zenuwen waardoor het slecht herstelt bij beschadiging. De cellen worden gevoed vanuit het gewrichtskapsel door middel van de synovia. Naarmate men ouder wordt, verliest het kraakbeen zijn elasticiteit. Naar aantal en aard van de vezels die in de tussenstof liggen, kunnen we drie typen kraakbeen onderscheiden: a Hyalien kraakbeen Dit is een homogene, tamelijk harde, elastische, glasachtige stof. Dit is het kraakbeen, dat aan beenvorming vooraf gaat bij de groei van baby tot volwassene. De gewrichtsvlakken zijn bekleed met hyalien kraakbeen.

Hyalien kraakbeen (bekleding van gewrichtsoppervlakken).

b Vezelig kraakbeen Dit type kraakbeen is sterk, trekvast en niet-elastisch. De tussenstof is rijk aan een collagene vezels. Het komt voornamelijk voor in de tussenwervelschijven, tussen de beide schaambeenderen (symphysis) en in de menisci.

Vezelig kraakbeen (disci en menisci)

Elastisch kraakbeen (zoals het weefsel van de oorschelp).

c Elastisch kraakbeen Bevat veel elastische vezels, waardoor dit weefsel buigzaam is en toch sterk en vormvast. Het komt voor in de oorschelp en in het tussenschot van de neus. Functies van het bindweefsel •• Binding en steun gevend. -- bekleding van de gewrichtsvlakken -- vormgeving van lichaam (skelet) en lichaamsdelen (oorschelp, neus) -- vorming van bot vanuit de epifysairschijf voor de lengte­ groei -- vorming van soepele botverbindingen (ribkraakbeen tussenwervelschijven) •• Stofwisseling in de cellen en tussenstof van het losmazige bindweefsel. •• Vochthuishouding. Veel extracellulair vocht bevindt zich in het losmazig bindweefsel. •• Wondgenezing; de vorming van littekenweefsel. •• Afweer. Het reticulaire bindweefsel heeft een functie bij de afweer door middel van fagocytose en de vorming van antistoffen. C Botweefsel Botweefsel is het weefsel waaruit het skelet is opgebouwd. Het bestaat uit drie typen cellen, osteocyten (beencellen), osteoblasten (beenvormers) en osteoclasten (beenvreters). De tussenstof in het beenweefsel bevat veel mineralen. Deze mineralen (kalkfosfaatzouten, Ca en fluor) vormen met de collagene vezels/lymfestoffen en de beencellen als het ware een structuur van gewapend beton. Hoe jonger, hoe meer collagene vezels, hoe veerkrachtiger. Bij het ouder worden neemt de lijmstof af, waardoor de botten sneller kunnen breken. Groei van het bot Bij de geboorte bestaat het skelet nog voor een groot gedeelte uit kraakbeen. Vooral in het eerste levensjaar treedt een belangrijke groei op. Ook in de pubertijd en de adolescentie groeit het skelet sneller. Als het skelet niet of onvoldoende wordt belast gaat de kwaliteit van het skelet achteruit. Op aanhechtingsplaatsen van spieren vindt bij belasting daarvan een hogere activiteit van afbraak en aanmaak plaats waardoor knobbels, bobbels en richels ontstaan. Voldoende calcium in de voeding, met name in groeifases, is van belang voor een goede ontwikkeling van het skelet. Calcium zit in zuivelproducten en wordt opgenomen onder invloed van vitamine D. Dit wordt aangemaakt door zonlicht (UV).


Anatomie / 23 Dikte en lengtegroei van het bot Groei van het bot vindt op twee manieren plaats: 1 Desmale verbening Hierbij vindt directe botvorming plaats vanuit het periost. Vanuit het beenvlies worden osteoblasten (beenvormende cellen) aangemaakt. Desmale verbening betekent dan ook vliezige verbening. Deze directe verbening treedt op bij diktegroei van pijpbeenderen en bij de genezing van fracturen. 2 Enchondrale verbening Deze indirecte verbening vindt plaats vanuit het kraakbeen (chondros). Het kraakbeen verkalkt gedeeltelijk, waarna osteoclasten kraakbeencellen opvreten en osteoblasten vormen. Nadat centraal in het bot de eerste beenkern ontstaat, worden ook aan beide uiteinden van het bot (epifysen) beenkernen gevormd. Tussen deze beenkernen liggen de epifysairschijven. Deze groeischijven schuiven steeds verder op doordat aan de ene zijde kraakbeen wordt omgezet in been en aan de andere zijde nieuw kraakbeen wordt gevormd. Er vindt groei plaats als er meer bot wordt aangemaakt dan afgebroken. Zo vormt het skelet zich tot zijn definitieve vorm en omvang. Bij jonge mensen komen in verhouding meer lijmachtige stoffen voor met organisch weefsel, verbindingen met eiwitten, polysacchariden en collagene vezels. Bij ouderen vinden we meer kalkzouten (anorganische verbindingen). Het jeugdige skelet kan dan ook gemakkelijker vervormen door verkeerde belasting en overbelasting, bijvoorbeeld verkrommingen in de wervelkolom. Oudere botten kunnen eerder breken. Een goede belasting zorgt met name in de jeugd voor een goede ontwikkeling en aanpassing van het skelet. Op plaatsen waar het bot met andere botstukken articuleert, is het bekleed met hyalien kraakbeen. Dit kraakbeenweefsel zorgt voor verdeling van de druk en voor vermindering van wrijving bij het bewegen. Behalve op deze plaatsen is het bot bekleed met periost.

Botweefsel.

Bouw en groei van pijpbeenderen Een pijpbeen is opgebouwd uit drie stukken, te weten één middenstuk (diafyse) en twee eindstukken (epifysen). In de jeugd liggen de groeischijven (epifysairschijven) tussen deze stukken. De lengtegroei vindt plaats vanuit deze groeischijven, doordat aan de kant van de diafyse, beenweefsel wordt aangemaakt en aan de kant van de epifyse het kraakbeen wordt vermeerderd. Als men is uitgegroeid zijn ook de epifysairschijven verdwenen. Het kraakbeen is dan verbeend. De diktegroei vindt plaats vanuit het beenvlies. Het periost aan de buitenzijde van het bot is door middel van de vezels van Sharpey stevig verankerd aan de compacta van het bot. Het periost bevat veel bloedvaten. De cellen zorgen voor de

diktegroei van het bot. Aan de binnenzijde vindt de opbouw van beencellen plaats. Botbreuken worden vanuit het periost hersteld. Gewrichtskraakbeen

Beenbalkjes

Spongiosa Compacta Botvlies (periost) Mergholte (medulla/merg) Schacht Bouw van een pijpbeen.

Het vlies, dat de mergholte bekleed, het endost, zorgt ervoor dat de mergholte ook meegroeit door beenweefselopruiming. De functies van het periost zijn: 1. Aanhechting van de pezen via de vezels van Sharpey. 2. Diktegroei van het bot. 3. Bloedvoorziening van het bot. 4. Zenuwvoorziening van het bot. In het botweefsel onderscheiden we: a Compact bot De buitenste laag van het bot, dat bestaat uit zeer hard materiaal. Deze hardheid ontstaat door de aanwezigheid van mineralen (kalkzouten als fluor en calcium) en lijmstoffen (collagene vezels) in de tussenstof. Omdat het skelet door deze stoffen erg zwaar zou worden, zijn de meeste beenderen van binnen hol, de mergholte. Binnenin de schacht bevindt zich de mergholte, die in de jeugd gevuld is met rood beenmerg. In het rode beenmerg worden in de jeugd bloedcellen aangemaakt (rode bloedlichaampjes, witte bloedcellen en bloedplaatjes). Later worden in de mergholte vetten gestapeld, waardoor het rode beenmerg verandert in geel beenmerg. Bij de volwassen mens zijn alleen nog de platte beenderen bloedvormend. b Spongieus bot Het sponsachtig gedeelte, dat bestaat uit een netwerk van beenbalkjes (trabekels) die door hun bepaalde boogstructuur zich richten op de inwerkende krachten en daardoor een enorme draagkracht hebben. Alhoewel het skelet vaak op afbeeldingen als symbool van de dood wordt voorgesteld, is beenweefsel zeker geen dood materiaal. Dit blijkt uit het feit, dat het gehele skelet zich in circa twee jaar volledig vernieuwt. Dat botbreuken kunnen genezen is te danken aan de speciale opbouw van het bot.


24 / Anatomie Rachitis (Engelse ziekte) kwam vroeger nogal eens voor bij mensen die niet of nauwelijks in het zonlicht kwamen. Onder invloed van het zonlicht wordt vitamine D gevormd. Door een tekort wordt niet genoeg calcium in de botten vastgelegd, waardoor bij kinderen sterke O- of X-benen ontstonden. Overbelasting van het skelet kan leiden tot vermoeidheidsfracturen. Een voorbeeld daarvan is de Marsfractuur van een middenvoetsbeentje. Op hogere leeftijd kan de botaanmaak door verschillende oorzaken, zoals te weinig belasting, achteruit gaan. Bij oudere mensen neemt de lijmstof af en er kan ontkalking van het bot ontstaan. Er is dan risico voor botbreuken en het inzakken van wervels (osteoporose). Indeling van botten We onderscheiden: •• Platte beenderen, zoals het schouderblad, het borstbeen, het heupbeen enz. Deze platte beenderen bestaan uit twee lagen compact been met daartussen spongieus been. •• Pijpbeenderen of lange beenderen, waartoe onder andere het bovenbeen, het scheenbeen en het kuitbeen worden gerekend. •• Korte beenderen, zoals de middenhands- en middenvoetsbeentjes. •• Onregelmatige beenderen: hiertoe worden bijvoorbeeld de wervels en de voet- en handwortelbeentjes gerekend. D Bloed en lymfe Ook bloed en lymfe wordt als vloeibaar weefsel wel gerekend tot het bindweefsel. De rode en witte bloedcellen en de bloedplaatjes zijn te beschouwen als de cellen en het bloedplasma als de celtussenstof. Als steunweefsel is bloed en lymfe niet van belang.

2.3 Spierweefsel Spierweefsel bestaat uit langgerekte cellen. De kleinste eenheden van de spier heten de myofibrillen. De meest karakteristieke eigenschap van het spierweefsel is de mogelijkheid tot actieve samentrekking (contractie). Het contractiele element is de spiervezel (myofibril) We onderscheiden: a glad (onwillekeurig) spierweefsel De gladde spierweefsels zijn langgerekt en dun. Het zijn cellen met één kern en zijn te vinden in de wanden van organen. Ze contraheren onwillekeurig, dat wil zeggen buiten onze wil om. Het zijn langzame contracties, zoals de peristaltische samentrekkingen van de darmen.

Lengtedoorsnede en dwarsdoorsnede van glad spierweefsel.

b dwarsgestreept (willekeurig) spierweefsel De skeletspieren bestaan uit dwarsgestreept spierweefsel dat voor de beweging zorgt; ook de mimische spieren van het gelaat. De beweging is willekeurig dat wil zeggen, ze staat onder invloed van onze wil. Dwarsgestreept spierweefsel kan zich snel contraheren.

Lengtedoorsnede en dwarsdoorsnede van dwarsgestreept spierweefsel.

c hartspierweefsel De hartspier bezit de bouw van de skeletspieren, is dus dwarsgestreept, maar het hart werkt onwillekeurig en gestuurd door het autonome zenuwstelsel.

Lengtedoorsnede en dwarsdoorsnede van spierweefsel van het hart.

Voor de sportmasseur zijn de dwarsgestreepte spieren belangrijk. Deze spieren zorgen voor onze houding en beweging. Sommige spieren hebben een beschermende functie van kwetsbare delen, zoals de spieren van de buikwand die de inwendige organen beschermen.

2.4 Zenuwweefsel Zenuwweefsel heeft de eigenschap dat het prikkels kan opnemen en geleiden. Door de enorme vertakkingen kunnen de prikkels naar alle plaatsen over grote afstanden worden geleid en daar leiden tot reacties. We onderscheiden: -- Motorische zenuwen Bestaan uit bundels neurieten die motorische prikkels vanuit de hersenschors naar de spieren geleiden (efferente zenuwbanen). Tegelijkertijd zorgen vasomotorische zenuwen naar de gladde spierspiervezeltjes, die zich in de wanden van de bloedvaten bevinden, dat deze zich verwijden (vaselilatatie) of zich kunnen vernauwen (vasconstrictie) -- Sensibele zenuwen Sensibele zenuwen voeren impulsen vanuit de periferie (receptoren in de huid, zintuigen) naar het centraal zenuwstelsel toe. In de hersenen worden deze prikkels, vertaald naar warmte, koude, pijn en andere gevoelssensaties. -- Gemengde zenuwen Dit zijn voornamelijk ruggenmergzenuwen, die uit zowel sensibele als motorische zenuwen zijn opgebouwd.


Anatomie / 25 -- Vegetatieve zenuwen Functies die automatisch (buiten het bewustzijn om) door het zenuwstelsel worden geregeld, zijn vegetatief en worden door vegetatieve zenuwen geregeld. Eén zenuwcel (neuron) bestaat uit een cellichaam met uitlopers. Wij kennen twee soorten uitlopers: dendriet (1)

a dendrieten (1) Dendrieten zijn vele korte uitlopers, die zich enorm vertakken, deze kunnen vele prikkels opvangen en verder geleiden. b axonen of neurieten (2) Eén zenuwcel heeft één neuriet, die de prikkel verder geleidt en overdraagt op een andere zenuwcel. Zo’n neuriet kan zeer lang zijn. Een neuriet kan bijvoorbeeld in de rug beginnen en ononderbroken doorlopen naar de voet. De prikkeloverdracht vindt plaats in de synaps (3). Een synaps is een verbinding, schakelplaats. De prikkelgeleiding gaat gepaard met bio-elektrische impulsen (actiepotentialen). Het schakelen gebeurt door middel van bepaalde stoffen (neurotransmitters). Zowel elektrische- als chemische processen spelen daarbij een rol. Om de neurieten bevindt zich de myelineschede (5). Dit is een isolatielaagje waardoor de prikkels niet verloren gaan. Op enkele millimeters van elkaar wordt de myelineschede onderbroken. Dit is de insnoering van Ranvier (4). Daar wordt de zenuw zelf van bloed voorzien. De neurieten lopen in het centrale zenuwstelsel naast elkaar in banen. De bekendste bundel neurieten is de piramidebaan. Die verbindt de motorische cellen van de hersenschors met de spiercellen in de periferie. NB Verdere bouw en functie van het zenuwstelsel en van het spierstelsel worden behandeld in Fysiologie, het Zenuwstelsel, Anatomie en Myologie.

axon/neuriet (2)

insnoering van Ranvier (4) myelineschede (5)

Synaps (3)

Schematische tekening van een zenuwcel met de dendrieten en het axon. Ook is een verbinding (synaps) weergegeven met een andere zenuwcel.


26 / Anatomie

3. Osteologie (leer van de beenderen) 3.1. Inleiding: het skelet Het menselijk skelet is opgebouwd uit meer dan 200 botstukken die met elkaar verbonden zijn door middel van gewrichten. Vaak zijn die gewrichten enorm beweeglijk. Anderzijds zijn sommige botstukken zeer star met elkaar verbonden. caput (hoofd)

clavicula (sleutelbeen)

Functies van het skelet 1. Vorm en stevigheid Door de speciale bouw van het beenweefsel is het skelet relatief licht en toch zeer stijf en sterk. Het geeft de vorm aan ons lichaam en maakt een rechtopgerichte houding mogelijk, die perfect is uitgebalanceerd. Door deze rechtopgerichte houding beschikt de mens over de mogelijkheid met de armen allerlei doelgerichte handelingen te verrichten. 2. Bescherming De weke delen worden door het skelet beschermd. Organen zoals hart en longen liggen veilig opgeborgen in de borstkas. Een stevige schedel zorgt voor de bescherming van de hersenen en het ruggenmerg wordt beschermd door een door de wervels gevormd benig kanaal. Zenuwen en bloedvaten liggen veelal in groeven en holtes. Zo worden deze relatief goed beschermd.

caput humeri (kop opperarmbeen) sternum (borstbeen) humerus (bovenarm)

ulna (ellepijp) radius (spaakbeen) pelvis (bekken) Beenbalkjes (trabeculae).

femur (bovenbeen)

patella (knieschijf)

tibia (scheenbeen)

fibula (kuitbeen)

Het skelet.

3. Beweeglijkheid De boteinden vormen gewrichten. De meeste gewrichten hebben mechanisch gezien een unieke bouw. De botuiteinden vormen de kop en de kom van de gewrichten. Daardoor worden allerlei bewegingspatronen mogelijk. 4. Het skelet is de aanhechtingsplaats van spieren Doordat de spieren met hun pezen stevig in het bot zijn verankerd, is beweging mogelijk. 5. Aanpassingsvermogen – reparatievermogen Bij een botbreuk bemerken we het reparerend vermogen. Vanuit de breukeinden groeien bloedvaten en jong bindweefsel in. Vanuit deze breukvlakken vindt dan callusvorming plaats. Later wordt de oude callus opgeruimd en zien we niets meer van de breuk. Door belasting past de botstructuur zich aan. De beenbalkjes rangschikken zich daardoor zó dat het bot bestand is tegen druk- en trekkrachten (zie tekening). Ook de aanhechtingsplaatsen van de spieren (origo en insertie) worden sterker door de trekkracht van de spieren aan het bot. Onder de aanhechtingen van grote spiergroepen zie je ook extra botvorming. 6. Beenmerg In de platte beenderen, zoals de schedel, de wervels, de schouderbladen en het bekken, bevindt zich het rode beenmerg. In het rode beenmerg worden rode bloedlichaampjes aangemaakt.


Handboek Sportmassage