Issuu on Google+

Bestuurlijke afspraken in de praktijk van de voor- en vroegschoolse educatie Drie schoolportretten over opbrengstgericht werken, een doorgaande leerlijn en ouderbetrokkenheid


Bestuurlijke afspraken in de praktijk van de voor- en vroegschoolse educatie Colofon Teksten Jeroen Aarssen, Olga Abell, Denise Bontje Vormgeving Angelina van der Velde Uitgave Sardes, november 2012


Inleiding In het voorjaar van 2012 hebben de rijksoverheid en de grote gemeenten (de G37) afspraken gemaakt over kwaliteitsverbetering van het onderwijs. De gemeenschappelijke noemer is de aanpak van taalachterstanden bij jonge kinderen en uitbreiding van de leertijd; thema’s die niet alleen in de G37, maar ook in de andere gemeenten vaak prioriteit hebben.

Portretten van drie basisscholen ter inspiratie 4

Voor voorscholen en basisscholen houdt dat onder meer in dat zij opbrengstgericht gaan werken, gebruik gaan maken van een kindvolgsysteem, een doorgaande leerlijn tot stand brengen en ouders meer bij het onderwijs betrekken. Om scholen en voorscholen die hier binnenkort een start mee gaan maken te inspireren, zijn we op zoek gegaan naar school/voorschoolcombinaties die deze onderdelen al (deels) uitvoeren. We vonden hiervan voorbeelden in De Wilgeroos (Beverwijk), De Brede School Den Helder en Integraal Kindcentrum Mondomijn (Helmond). Van elk van deze school/voorschoolcombinaties is in deze publicatie een portret opgenomen waarin we beschrijven welke ontwikkelingen zij de afgelopen jaren hebben doorgemaakt,

keuzes die ze gemaakt hebben en wat deze keuzes en ontwikkelingen hen hebben opgeleverd. We hebben plezierige gesprekken gevoerd met verschillende betrokkenen (schooldirecteuren, leerkrachten, ouders, IB’ers, pedagogisch medewerkers) over hoe de school werkt, wat de drijvende kracht is achter de energie die erin wordt gestoken, welke stappen zijn gezet om nieuw beleid in te voeren, of dat beleid goed uitvoerbaar is, of er knelpunten zijn, of het effect heeft gehad en of er voldoende draagvlak voor was. Kortom, we zochten vooral naar succesfactoren die deze scholen met de hele onderwijssector willen delen. De geportretteerde scholen zijn in veel opzichten verschillend van elkaar. De ene school is continu gericht op ontwikkeling en kwaliteitsverbetering, de andere school ziet zich genoodzaakt opbrengstgericht te werken vanwege tegenvallende resultaten. De ene school gebruikt voor een doorgaande leerlijn Ko-totaal, de andere Kaleidoscoop. Allemaal hebben ze eigen, originele ideeën om aan ouderbetrokkenheid te werken, van

5


Nederlandse les voor anderstalige ouders tot workshops gezonde voeding. Wat de scholen gemeen hebben is dat ze ambitieus zijn. Toch zijn ze misschien niet in alle opzichten ‘de perfecte school’. Zoals een van de directeuren ook aangaf: ‘We zijn op weg naar verbetering, maar dat zijn we eigenlijk voortdurend’.

Doorgaande lijn Met de doorgaande lijn bedoelen we een ononderbroken ontwikkelingsgang van kinderen van voorschoolse educatie (peuterspeelzalen of kinderdagverblijven) naar vroegschoolse educatie (groep 1 en 2). Die doorgaande lijn is soms terug te vinden in de methode die gehanteerd wordt of, meer algemeen, de activiteiten en thema’s waaraan met kinderen wordt gewerkt. We spreken dan van de inhoudelijke doorgaande lijn. Soms zie je die doorgaande lijn ook terug in het beleid: als school en peuterspeelzaal met elkaar samenwerken en hun beleid op elkaar afstemmen. Een belangrijk onderdeel is de overdracht van gegevens van kinderen van de voorschoolse instelling naar de school.

Leerkracht Wies Jongejan, Basisischool De Wilgeroos:

‘Onderwijs is het mooiste beroep dat er is. Het is prachtig om te zien dat je bestaande kennis kunt overdragen aan kinderen, maar nog mooier vind ik het als een kind de manieren geleerd heeft om zelf iets te leren. Als een kind zelf een ontdekking doet is dat voor mij de parel van de dag’.

Opbrengstgericht werken Opbrengstgericht werken met kinderen in voorschool en primair onderwijs betekent bewust, systematisch en cyclisch werken aan maximale opbrengsten. Dat begint bij het volgen van leerlingen: wat zijn hun resultaten op basis van observaties en later ook toetsen, hoe doen ze het op sociaal-emotioneel vlak, hoe zit het met het schoolklimaat en met de tevredenheid van leerlingen, ouders en vervolgonderwijs?

6

7


Basisschool De Wilgeroos Een portret van basisschool de Wilgeroos in Beverwijk

De Wilgeroos is een katholieke basisschool in Beverwijk, gevestigd in een wijk die zich kenmerkt door een populatie van lage sociaal-economische achtergrond. Het afgelopen schooljaar zaten er 251 leerlingen op de Wilgeroos. Ook bezochten wekelijks 48 peuters (16 per dagdeel) de inpandige peuterspeelzaal Dribbel.

Succesvol werken aan een hoger niveau 8

Vijf jaar geleden werd de school door de onderwijsinspectie als ‘zwak’ beoordeeld. Sindsdien heeft de school er alles aan gedaan om van dit predicaat af te komen, en met succes! De school scoort sinds twee jaar voldoende op de inspectienorm. Wat heeft De Wilgeroos allemaal gedaan om het niveau omhoog te brengen? Een aantal zaken heeft een belangrijke rol gespeeld. Zo heeft de zorgcoördinator zich vastgebeten in het tot stand brengen van een doorgaande leerlijn in het lesmateriaal. Er is een slag gemaakt in opbrengstgericht werken; de school doet bovendien mee aan de Pilot Startgroep Peuters vanuit het Ministerie van OC&W, zodat opbrengstgericht werken voortaan al begint bij de peuterleidster. De ouders worden betrokken bij het onderwijs en een deel krijgt zelf Nederlandse les.

Zorgcoördinator Ilona Zijlstra, onderbouwleerkracht en onderbouwcoördinator Wies Jongejan en peuterspeelzaalleidster Sjoukje Klaassens vertellen over hun inspanningen om zorg en onderwijs op De Wilgeroos tot een succes te maken.

1

Opbrengstgericht werken met een leerlingvolgsysteem

Ilona Zijlstra vertelt: ‘Opbrengstgericht werken is een belangrijk thema bij ons. We maakten al jaren gebruik van het leerlingvolgsysteem (LOVS) van het Cito, maar voorheen gingen we heel anders met de toetsgegevens om. Voorop staat dat het Cito LOVS niet alleen maar wordt ingezet om leerlingen te volgen maar ook om samen met de observaties en bevindingen van de leerkracht de onderwijsbehoefte van leerlingen te bepalen en aan de hand daarvan doelen te stellen’. Voor deze werkwijze worden de cijfers veel zorgvuldiger bekeken. Alle leerkrachten zijn dan ook geschoold in het toepassen en interpreteren van het

9


leerlingvolgsysteem. Iedere klas werkt met drie verschillende instructiegroepen: een instructieafhankelijke, een instructiegevoelige en een instructieonafhankelijke groep. Leerlingen die niet voldoende vooruitgang boeken worden in de instructie-afhankelijke groep geplaatst. In de instructiegroepen worden niet uitsluitend kinderen van dezelfde niveaus geplaatst, maar kinderen die zich in dezelfde richting ontwikkelen. Dat kunnen bijvoorbeeld leerlingen zijn uit niveau B en niveau C, die beiden stagneren. In de instructieafhankelijke groep krijgen leerlingen dagelijks (bij de peuters alle dagdelen dat het kind aanwezig is) verlengde instructie aangeboden van hun eigen leerkracht of leidster. Zo is het mogelijk om in de kleine groep de basisinstructie in kleine stapjes te herhalen. Met de instructiegroepen wordt doelgerichter gewerkt dan voorheen. Opbrengstgericht werken met een leerlingvolgsysteem in de praktijk De leerkracht neemt de Cito-toets af, doet observaties in de groep en voert gesprekken met leerlingen. De gegevens worden verwerkt in het groepsoverzicht. Aan de hand van al deze gegevens wordt per leerling de onderwijsbehoefte in kaart gebracht en wordt de leerling ingedeeld in de juiste instructiegroep. De leerkrachten maken zelf een uitdraai van de resultaten vanuit het LOVS. Wies Jongejan: ‘Het is een handig systeem want we kunnen de ontwikkelingen in één oogopslag zien en tijdens de oudergesprekken tonen we de leerlinggegevens op de laptop. Aan de ouders wordt niet alleen het resultaat van de toetsen

10

getoond maar ook de vaardigheidsgroei door twee toetsmomenten met elkaar te vergelijken.’ Nadat de gegevens zijn ingevoerd, analyseert de leerkracht de resultaten. Dit leidt tot een groepsoverzicht van toetsgegevens, observatiegegevens uit de klas, gegevens vanuit peilingactiviteiten en gesprekken met ouders of leerlingen. Uit deze gegevens wordt per leerling de onderwijsbehoefte vastgesteld op taal, rekenen en sociaal-emotioneel gebied. De leerkracht en de zorgcoördinator bespreken het groepsoverzicht en formuleren nieuwe doelen. Het groepsoverzicht wordt vertaald in een groepsplan waarbij leerlingen worden geplaatst in een instructieafhankelijke, instructiegevoelige of instructieonafhankelijke groep. Ilona Zijlstra: ‘Uiteindelijk gaat het nog veel verder. Bij opbrengstgericht werken is leerkrachthandelen van noodzakelijk belang. Belangrijk is dat er een brug geslagen wordt tussen opbrengstgericht werken en handelingsgericht werken’.

‘De leerkrachten zien het nut in van het leerlingvolgsysteem. Dat bleek vooral toen zij op eigen initiatief zijn begonnen hun laptops mee te nemen op oudergesprekken om de grafieken uit het leerlingvolgsysteem aan de ouders te kunnen tonen.’

Opbrengstgericht werken met jonge kinderen Sinds het afgelopen schooljaar werken zowel de kleuterklassen als de inpandige peuterspeelzaal opbrengstgericht. Hiervoor hebben de directeur, de zorgcoördinator en de peuterspeelzaalleidster de cursus Opbrengstgericht gericht werken met jonge kinderen gevolgd bij Sardes en de SLO. De peuterspeelzaal en de kleuterklassen maken nu beide gebruik van het Cito LOVS en gebruiken dezelfde observatieschema’s, aangepast aan de leeftijd van de kinderen. Kinderen die niet afkomstig zijn van een peuterspeelzaal waar getoetst wordt, krijgen bij aanvang in de kleuterklas een toets. Ilona Zijlstra: ‘De kleuters vinden het doorgaans erg leuk om de Cito-toets digitaal te maken. Heel soms kiezen we ervoor om een kleuter mondeling te toetsen. Een voorbeeld hiervan is een van onze kleuters die alles verkeerd aanklikte. Toen we hem om uitleg vroegen antwoordde hij: ‘Ik vind dat clowntje zo stom.’’ Hoe peuterspeelzaal en school samen startten met het leerlingvolgsysteem Sjoukje Klaassens: ‘Wij zijn een half jaar geleden begonnen met het afnemen van de Cito voor peuters. Toen we net begonnen met het toetsen heb ik intensief samengewerkt met de zorgcoördinator. We hebben samen de observatieschema’s uit de kleuterklas vertaald naar de peuterleeftijd, we hebben de toetsen voorbereid en samen de gegevens ingevoerd in het elektronische leerlingvolgsysteem. Nu het goed loopt doe ik zelf het toetsen en

observeren en voert de zorgcoördinator de gegevens in. Zo werkt het optimaal. Het is veel werk, dat wel, maar het geeft me een goed beeld van de activiteiten die ik de peuters nog kan aanbieden om hun start in het basisonderwijs te versoepelen.’

Een leerlingvolgsysteem voor jonge kinderen Wies Jongejan: ‘Het leerlingvolgsysteem werkt prettig. Als leerkracht heb je per peilmoment inzage in de verschillende uitslagen en in de groei die leerlingen doormaken. Ook naar ouders toe kun je met de grafiek duidelijk laten zien hoe hun kind zich ontwikkelt.’ Sjoukje Klaassens: ‘Door te toetsen zie je waar de peuters op uitvallen. Daar kun je je planning op aanpassen. Als kinderen het woord ‘voor’ niet kennen, dan ga ik ze dat aanbieden net als andere voorzetsels.’ Ilona Zijlstra: ‘De peuters beschouwen het toetsen als een-op-een aandacht van hun leidster. De kleuters zien de toets als een leuk spel omdat er niet getoetst wordt vanuit een schoolse situatie maar vanuit een speelse setting op de computer. Voorwaarde is wel dat de leerlingen muisvaardig zijn.’

11


2

De doorgaande lijn van peuterspeelzaal naar kleuterklas

De doorgaande lijn vanuit de peuterspeelzaal naar de basisschool vertaalt zich in het programma Ko-totaal. De peuterspeelzaal en de kleuterklassen zorgen er altijd voor dat ze gelijktijdig aan dezelfde thema’s werken. Dit was aanvankelijk niet makkelijk omdat de thema’s van Uk & Puk en Puk & Ko niet helemaal overeenkomen. De school en de peuterspeelzaal proberen nu te zoeken naar een gezamenlijke modus. Wies Jongejan: ‘Bij de invoering van Kototaal moesten we wel wennen aan het idee dat we ons onderwijs volgens een vast programma zouden gaan indelen.

‘De doorgaande lijn is prettig. Kinderen weten al goed hoe verschillende zaken werken op school, en ook logistiek draaien kinderen makkelijk mee in een nieuwe groep. Een knelpunt is het grote verschil met kinderen van andere peuterspeelzalen en scholen. Zij kunnen wel getoetst worden, maar moeten zich de structuur van de school nog helemaal eigen maken.’ 12

We waren ook bang dat een programma ten koste zou gaan van onze eigen creativiteit, maar dat bleek gelukkig niet zo te zijn. Als er nu bijvoorbeeld een rekenopdracht met kralen op het programma staat en het is mooi weer, doen we de opdracht gewoon buiten met knikkers of steentjes. Ook zijn er bepaalde thema’s die niet in het programma voorkomen maar die we evengoed uitvoeren omdat ze een soort traditie zijn, zoals Pasen en Sint-Maarten.’ Hoe startte de school met de doorgaande leerlijn? De Wilgeroos is schoolbreed gaan werken met een verbeterplan. Onderdelen van dit verbeterplan waren opbrengstgericht werken, de zorgroute-1 en het IGDI-model (Interactieve Gedifferentieerde Directe Instructie). Ook is er een eenheid gemaakt in de groepsmappen en resultatenmappen (mappen waarin per vakgebied de resultaten verder staan uitgewerkt.) In de jaarplanning wordt een combinatie gemaakt van verschillende methoden. In een onderzoekje van stagiaires van de PABO bleek dat de school de beste resultaten kan halen door de map fonemisch bewustzijn van het CPS in te zetten naast Ik & Ko. Ook is er voor de hogere groepen een doorgaande lijn aangebracht. Alle groepen hanteren dezelfde inhoudsopgave en werken met dezelfde formats en formulieren. ‘Voor de doorgaande lijn in de leerstof zijn wij begonnen met het vakgebied lezen. De groepen 3 tot en met 8 werkten aan het aanvankelijk en voortgezet technisch

‘Ik zou iedere basisschool aanraden om een peuterspeelzaal in het gebouw te openen. Hierdoor is de overgang voor het kind een stuk kleiner en voor de leerkracht is het prettig te weten hoe je een kind het beste kunt laten leren.’

dracht alleen. Er zijn overdrachtsformulieren en overdrachtsgesprekken, er is het leerlingvolgsysteem en er zijn registraties voor opbrengstgericht werken. Op ieder dagdeel volgt gemiddeld één uur administratie. Daar wordt tijd voor vrijgemaakt. Het went snel. Veel registraties worden tussendoor gedaan en je maakt er een gewoonte van je dag af te ronden met wat papierwerk. Het geeft je een goed beeld van de kinderen en je draagt ze goed over aan het basisonderwijs.’

4

Ouderbetrokkenheid

lezen. De groepen 1 en 2 hebben gewerkt aan fonemisch bewustzijn. In eerste instantie waren alleen voor deze vakgebieden groepsplannen gemaakt, maar inmiddels ligt dat er ook voor begrijpend lezen. Op dit moment werken we ook aan rekenen en spelling, en voor de onderbouw aan taal, rekenen en sociaal-emotionele ontwikkeling.’

3

Overdracht van van peuterspeelzaal naar kleuterklas

Heel Beverwijk werkt met hetzelfde overdrachtsformulier dat ouders meenemen bij het starten in de groep. De inpandige peuterspeelzaal heeft altijd al een warme overdracht naar De Wilgeroos, voor iedere peuter. Peuterleidster Sjoukje Klaassens bespreekt met de onderbouwleerkracht gedrag, cognitie, sociaal-emotionele ontwikkeling, eventuele medische gegevens en gezinssituatie. ‘Ik vind dat er wel veel tijd in de overdracht gaat zitten. Dat geldt overigens niet voor de over-

Op de Wilgeroos worden twee maal per week ouderochtenden georganiseerd voor ouders van de onderbouw en de peuterspeelzaal. Op maandagochtend krijgen ouders begeleiding bij de oudercomponent van het VVE-programma Ko-totaal. De onderwerpen op deze ochtenden zijn het thema waar de groepen mee werken, de bijbehorende woordkaarten waar thuis mee wordt gewerkt en de manier waarop ouders hun kinderen kunnen begeleiden bij spellen. Op dinsdagochtend krijgen de ouders Nederlandse les. De ochtenden zijn erg populair. Ilona Zijlstra: ‘We krijgen meer aanvragen binnen van ouders dan we plaats hebben. De resultaten zijn nog niet te meten, maar wel te merken. Ouders die voorheen wat schuw door de gang liepen staan nu vaker met andere ouders te praten en ze begroeten mij al met ‘Goedemorgen, werk ze!’. Om ervoor te zorgen dat deelnemende ouders goed betrokken blijven hebben we een symbo-

13


lisch contract met ze afgesloten waarin zij toezeggen op minimaal 80% van de bijeenkomsten aanwezig te zijn. Hierdoor kunnen we ouders makkelijker op hun afwezigheid aangespreken.’ In groep drie helpt een aantal ouders onder schooltijd bij het technisch lezen. Het is fijn dat zij daar een uurtje per week voor vrij willen maken, en ze vinden het leuk om te doen. Voor deze leesouders organiseert de school speciale instructieochtenden waarin de didactiek van technisch lezen wordt doorgenomen. Ouders worden via de nieuwsbrief geïnformeerd over de thema’s op school. Vaak wordt hen gevraagd om een inbreng, bijvoorbeeld om materialen mee te geven die aansluiten bij het thema. De thema’s leven behoorlijk op school en ouders zijn goed op de hoogte.

Woordkaarten en Nederlandse les voor ouders Ouders op de Wilgeroos krijgen woordkaarten mee die bij het thema horen. Enkele ouders krijgen ook les in het toepassen van de woordkaarten, gekoppeld aan Nederlandse les voor zichzelf. Wies Jongejan: ‘Ik merk dat de ouders die ik de thematische woordkaartjes mee naar huis geef, steeds meer betrokken zijn bij de thema’s. Ook leren ze zelf beter Nederlands omdat ze met hun kind mee-oefenen.’

‘Het gaat niet vanzelf. Je moet ouders er steeds bij blijven betrekken en ervoor waken dat het niet steeds dezelfde ouders zijn die meedoen.’

Ilona Zijlstra: ‘De onderwijsinspectie spreekt altijd met een paar ouders. Voorheen gaven alleen Nederlandstalige ouders zich hiervoor op. Het afgelopen jaar hebben wij zes allochtone ouders gevraagd om aan de gesprekken deel te nemen. Ze kwamen allemaal.’

‘Een warme overdracht is prettig. Ook is het fijn om kinderen al een paar keer te hebben gezien voor ze in de kleuterklas beginnen. Je kunt dan snel een band opbouwen. Kinderen die niet van de inpandige peuterspeelzaal komen, krijg je heel anders binnen.’

14

15


Brede school Den Helder PCBS De Fontein, OBS Duynvaerder, peuterspeelzaal Bonte Bijtjes van de Stichting Kinderopvang Den Helder-Texel (SKDT) en het Internationaal Vrouwencentrum. In de wijk Nieuw Den Helder staat sinds een paar jaar een prachtig nieuw gebouw van de brede school waarin twee basisscholen, een peuterspeelzaal, de naschoolse opvang en een Internationaal Vrouwencentrum de ruimte delen. In een aantal verdiepingen boven het gebouw zijn appartementen gevestigd. Verder is er een dubbele gymzaal, een ruimte voor de scouting, een kantine en kleedruimten voor een handbalvereniging.

Alles onder één dak en een centrumfunctie in de wijk 16

De wijk heeft een zeer gemêleerde samenstelling: er wonen mensen uit verschillende sociale lagen en met verschillende etnische achtergronden. Na een periode van veel achterstallig onderhoud aan sociale woningbouw, heeft de gemeente Den Helder een aantal woningen gesloopt en is men bezig de wijk een groener en socialer aanzien te geven. Er wordt nog steeds gesloopt en gebouwd, maar er zijn zichtbare verbeteringen aangebracht. Een van de vernieuwingen in de wijk is het gebouw van de brede school. Omdat daarin verschillende functies verenigd zijn, is het echt een centrum voor de gehele wijk geworden.

1

Bewoners van de brede school

Een van de twee basisscholen die in het gebouw van de brede school zijn gevestigd is De Fontein. De Fontein hoort bij de Stichting Kopwerk waarbij in totaal 22 protestants-christelijke basisscholen zijn aangesloten. De slogan van de school en van de Stichting Kopwerk is: ‘We willen bij ieder kind eruit halen wat erin zit.’ Er zijn 15 groepen, met in totaal ongeveer 350 leerlingen. De tweede basisschool is De Duynvaerder, die deel uitmaakt van de Meerwerfbasisscholen in Den Helder. De Duynvaerder is een openbare school die het als taak beschouwt om leerlingen te laten opgroeien in een omgeving die net zo veelvormig is als de maatschappij waarin ze later moeten functioneren. Er zijn ongeveer 190 leerlingen in 9 groepen (schooljaar 2012-2013). De leerlingpopulatie van beide scholen is, in de woorden van directeur Jaap Hus van De Fontein, ‘doorsnee Nieuw Den

17


Helder’: van heel erg zwak tot hoogopgeleid. In de wijk zijn er veel grote gezinnen, er is nogal wat sociale onrust. Kinderen nemen soms de problemen van thuis mee de school in. Niettemin maken beide scholen een sprankelende indruk, als een plaats waar kinderen zich thuis voelen en waar ze met plezier de dag doorbrengen. De derde bewoner van de brede school is peuterspeelzaal De Bonte Bijtjes, onderdeel van de Stichting Kinderopvang Den Helder/Texel (SKDT), die nog zes andere peuterspeelzalen binnen de stichting heeft. De Bonte Bijtjes is acht dagdelen per week geopend en biedt per keer opvang aan maximaal zestien kinderen (totaal ongeveer 32 kinderen). 80% van deze kinderen is specifiek aangemeld voor voorschoolse educatie en komt vier keer per week op de peuterspeelzaal. Op de Bonte Bijtjes wordt gewerkt met het VVE-programma Puk & Ko. De SKDT verzorgt ook BSO binnen het gebouw van de brede school. In het bredeschoolgebouw zit ook het Internationaal Vrouwen Centrum (IVC). Het IVC wil bijdragen aan de emancipatie en participatie van migrantenvrouwen in Den Helder door hen uit een isolement te halen en te laten doorstromen naar

‘De thuissituatie van onze peuters brengt met zich mee dat het ons niet altijd lukt om de kinderen ‘schoolklaar’ af te leveren.’ 18

de maatschappij. Bij de activiteiten zijn alle nationaliteiten welkom, maar er komen voornamelijk allochtone vrouwen. Het centrum bedenkt en organiseert projecten voor allochtone en autochtone vrouwen, wat leidt tot wederzijdse integratie, meer onderlinge waardering en begrip. Ook begeleidt het IVC vrouwen op weg naar zelfredzaamheid, opleiding en betaald werk. Tot de doelgroep van het IVC behoort een groot aantal moeders van de kinderen van beide scholen en de peuterspeelzaal. Volgens Corina van Diepen van de SKDT is het IVC een belangrijke schakel in de brede school. Het IVC doet mee aan projecten die SKDT samen met de twee basisscholen opzet. Door de activiteiten van het centrum kan het voor een belangrijk deel de verbinding met (allochtone) ouders leggen. Een goed voorbeeld was het Groot Ontbijt. Het IVC had hiervoor een buikdanseres geregeld: eerst met zijn allen lekker bewegen en dan aan het ontbijt!

2

De doorgaande lijn

De opzet van een brede school, waarbij voorschool en school bij elkaar in één gebouw zitten, vergemakkelijkt het realiseren van een doorgaande lijn. Toch verschillen de twee basisscholen in de manier waarop ze met de peuterspeelzaal samenwerken. Het lokaal van De Bonte Bijtjes bevindt zich in het deel waar ook De Fontein is gevestigd, tussen twee onderbouwgroepen in. Dat zorgt ervoor dat de kinderen die van deze peuterspeelzaal doorstromen naar De Fontein, al bekend

zijn met de omgeving en de mensen. De Duynvaerder heeft dit voordeel niet, maar de afstand met de peuterspeelzaal is evengoed klein. Binnen de brede school zijn er overlegmomenten tussen de onderbouwleerkrachten en de pedagogisch medewerkers.

‘Dat we onder één dak zitten is erg prettig. Je kunt zo veel sneller met andere partijen communiceren.’ Methode Er is sprake van een doorgaande lijn wat de methode en activiteiten betreft. Zowel de peuterspeelzaal als de groepen 1 en 2 van beide basisscholen werken met Ko-totaal. De Fontein gebruikt daarnaast ook elementen uit het VVE-programma Kaleidoscoop, terwijl de Duynvaerder ook SpeelTaal inzet. Met deze manier van werken komen leerkrachten wat meer los van de methode, wat als voordeel heeft dat de scholen én de peuterspeelzaal aan dezelfde thema’s kunnen werken en dat de thema’s niet bij voorbaat voorgeschreven zijn. Gezamenlijk worden ook nieuwe thema’s bedacht en ontwikkeld. De verschillende gesprekspartners zijn dan ook zonder uitzondering trots op een aantal brede school-brede thema’s, die ze in de afgelopen tijd hebben uitgevoerd: het Groot Ontbijt, Verre Reizen, Kunst in School, de Boekenweek.

Toch is het voor sommige kleuters beter als de leidsters gestructureerd volgens een methode werken, zegt Karin Smak, onderbouwcoördinator van De Fontein. Er is daarom een Puk-klasje ingericht van ongeveer zeven kinderen, die vooral met Ko-totaal aan de slag gaan. Verder werken de leerkrachten themagericht, en ontwikkelen ze veel materiaal zelf. Een doel voor het schooljaar 2012/2013 is het werken aan tussendoelen.

Gezamenlijk ontbijt Aan het eind van vorig schooljaar hebben de kinderen van De Fontein en de Duynvaerder een gezamenlijk ontbijt gehouden. De school had een aantal bedrijven bereid gevonden te sponsoren: AH, Hema en de NAM. De Helderse wethouder Turnhout opende de activiteit door te wijzen op het belang van een goed ontbijt voor je naar school gaat. Het Internationaal Vrouwencentrum had een buikdanseres geregeld, die ervoor zorgde dat kinderen voor het ontbijt eerst lekker konden bewegen. Op het schoolplein stond vervolgens het ontbijt klaar.

Training Een goede manier om een inhoudelijke doorgaande lijn te verwezenlijken is leerkrachten en pedagogisch medewerkers gezamenlijk een training te laten volgen. Dat is een aantal jaar geleden ook wel gebeurd, maar op dit moment gebeurt het niet. Wel wisselen de onderbouwleerkrachten en de pm’ers onderling veel uit

19


‘Als je op de juiste manier opbrengstgericht werkt, zie je precies het kind terug.’ over thema’s en activiteiten. De IB’er van de Fontein komt ook met enige regelmaat kijken op de peuterspeelzaal, en dan vooral naar de kinderen die bijna naar de basisschool gaan. Rol gemeente Het initiatief lag bij de gemeente om alle betrokken partijen te informeren over het belang van een doorgaande lijn. De gemeente organiseerde een bijeenkomst, met als doel gezamenlijk een nieuw overdrachtsformulier te ontwikkelen. Dat bleek een goede zet, omdat dat een sfeer van gezamenlijke verantwoordelijkheid creëerde. ‘Het formulier is van ons allemaal.’

3

Opbrengstgericht werken

Beide scholen zeggen op de vraag of ze opbrengstgericht werken volmondig ja. De Fontein heeft toetsen voor sociaalemotionele ontwikkeling, maar is nog op zoek naar een goede toets die voldoet aan de COTAN-norm. Voor de cognitieve ontwikkeling maakt De Fontein gebruik van het Cito-leerlingvolgsysteem. De school doet al heel lang analyses van de groepen en van de hele school, maar sinds ongeveer 4 jaar doen ze dat over diverse

20

vakken heen. Een voorbeeld is woordenschat, omdat een goede woordenschat bij zoveel verschillende vakken van belang is. De IB’er en de directie spelen vooral een rol bij de groepsanalyses, omdat die direct te maken hebben met de schoolresultaten. De drijfveer om te kiezen voor opbrengstgericht werken was voor De Fontein de constatering dat de school in de gevarenzone zat, na een inspectiebezoek in 2008. Nu werkt de school opbrengstgericht en hebben leerkrachten en directie het gevoel dat het beter gaat. Een groot winstpunt was dat alle leerkrachten zich bewust werden van de relatie tussen lesstof en opbrengsten (hoe kan ik zien dat ik uit mijn les haal wat erin zit), en van het eigen didactisch handelen. Vanaf dat moment is het proces om opbrengstgericht werken te omarmen versneld. Ook de Duynvaerder werkt opbrengstgericht. Dankzij hun ambitieuze team lukt het om een goed beeld te krijgen van wat leerlingen kennen en kunnen: alle doelen worden per groep of periode in kaart gebracht. De school heeft hiervoor een vaste procedure. Als de Citoscores binnenkomen, doen de directeur en de IB’er een eerste analyse. Al snel daarna betrekken zij het hele team bij de analyses, zodat ze iedereen verantwoordelijk maken en echt de diepte in gaan. Daarna voert de IB’er zorgoverleggen met de leerkrachten, vooral om hen niet overvallen: het is geen onveilige setting. De toetsresultaten en de daaropvolgende concrete acties passen allemaal binnen cyclische kwaliteitszorg. Soms stelt een leerkracht, of het hele team, het plan van

aanpak bij op basis van de resultaten. Zaken als didactisch handelen en het instructiemodel zijn al aan de orde geweest, het volgende speerpunt is het pedagogisch klimaat. ‘We betrekken het hele team bij de analyses. Zo is iedereen verantwoordelijk en weet iedereen precies hoe het werkt.’ Net als De Fontein is de Duynvaerder begonnen met opbrengstgericht werken toen uit een kwaliteitsonderzoek zwakke resultaten naar boven kwamen. Er werd dus een zekere urgentie gevoeld. Daarbij kwamen er impulsen vanuit de PO-Raad. Dat leidde tot een rekenverbetertraject en daarna een verbetertraject voor andere vakken. Deze trajecten zijn allemaal nog volop in ontwikkeling, waarbij de school zorgt steeds weer aan te sluiten bij nieuwe aanpakken. Op dit moment gaat de school beginnen met Positive Behaviour Support (PBS). Daarvoor gaan zij ook op zoek naar een goed volgsysteem voor sociaal-emotionele ontwikkeling. Weerstand Bij het invoeren van opbrengstgericht werken was er aanvankelijk weerstand. Karin Smak omschrijft de weerstand als

‘We betrekken het hele team bij de analyses. Zo is iedereen verantwoordelijk en weet iedereen precies hoe het werkt.’

‘we gaan naar cijfers kijken en niet naar kinderen’. ‘Maar,’ zegt Smak, ‘als je het goed doet, zie je precies het kind terug. Je krijgt inzicht in hoe het leerproces van een kind verloopt. Ook kun je eruit halen of je eigen aanpak werkt. De diversiteit in je eigen groep wordt ook duidelijk.’ Kortom: het zijn heel wezenlijke gegevens waar je als leerkracht je voordeel mee kunt doen. Het was wel ineens een hele grote stap: in één klap werden alle vakken met behulp van een analysemodel bekeken. Het werkte goed, omdat iedereen de noodzaak ervan inzag. Iedereen wil inspanningen beloond zien en kinderen geven wat ze nodig hebben.

4

Overdracht van peuterspeelzaal naar kleuterklas

Van peuterspeelzaal de Bonte Bijtjes gaan de kinderen voornamelijk naar drie scholen: De Fontein en De Duynvaerder in hetzelfde gebouw en De Trimaran elders in de wijk. De rest van de kinderen van beide scholen komt van kinderdagverblijven, van thuis of van gastouders. Peuterspeelzaal de Bonte Bijtjes maakt gebruik van observatieformulieren op het moment dat kinderen 3 jaar worden en als ze bijna 4 jaar zijn. De laatste observaties zijn de basis voor het overdrachtsformulier. Warme overdracht is nog informeel geregeld, maar de school denkt over het inzetten van een ontwikkelvolgmodel (bijvoorbeeld dat van Memelink). Vanwege de gezamenlijke locatie zijn de kinderen al bekend bij de leerkrachten, zodat individuele kinderen bewust geplaatst kunnen worden in één van de

21


vier kleuterklassen. Het over en weer informeren over individuele kinderen is geen eenrichtingsverkeer: leerkrachten koppelen ook informatie terug naar de pm’ers. Dat ervaren de pm’ers als heel prettig.

5

Ouderparticipatie en ouderbetrokkenheid

De SKDT heeft een duidelijk idee voor ogen over de rol die ouders spelen of zouden kunnen spelen in het proces van opvoeding van hun kind. Hoewel de stichting ouderbeleid niet op papier heeft vastgelegd, vormen ouders een belangrijk onderdeel van het pedagogisch beleid: de ouder wordt gezien als partner in de opvoeding. Daarbij focust de stichting zowel op ouderparticipatie (informele samenwerking door ouders in te zetten bij activiteiten, of formele samenwerking via de MR) als ouderbetrokkenheid (bij het leren op school). Corina Van Diepen: ‘Het liefst zouden we dagelijks een overdrachtsmoment hebben met de ouders, maar dat is logistiek gewoon niet mogelijk. Toch proberen we ouders zo goed mogelijk te informeren. Hoe kinderen zich ontwikkelen wordt op gezette tijden geëvalueerd: na 3 maanden, als het kind 3 jaar is, en als het bijna 4 jaar is. Dit bespreken we altijd met de ouders.’ Communicatie met ouders Omdat er in de wijk veel probleemgezinnen wonen, zijn veel ouders lastig te betrekken bij activiteiten op school. Er was een tijd dat de pm’ers het lastig

22

vonden om met de voornamelijk allochtone ouders contact op te nemen. Corina van Diepen heeft zelf de training ‘samenwerking met allochtone cliënten’ opgezet, waaraan leerkrachten, pm’ers en partners van de brede school kunnen deelnemen. Verder zijn de pm’ers mentor van een aantal kinderen. Over hen hebben ze een soort eindverantwoordelijkheid. Dit systeem werkt heel goed volgens Corina. Wat ook goed werkt is alle informatie persoonlijk overdragen; brieven worden niet gelezen. Verder kun je veel winst boeken door ouders taken te geven en hen het gevoel te geven dat ze belangrijk zijn. Het contact met ouders verloopt niet altijd even makkelijk. Directeur Jaap Hus van De Fontein vertelt dat, gezien de leerlingenpopulatie, er veel problemen de school in komen. Daar heeft ook de communicatie naar en met ouders onder te leiden: ouders blijken nogal zwart/wit te denken: het is goed of het is niet goed. Ouders geven aan dat ze snappen wat je bedoelt, maar eigenlijk snappen ze het niet. ‘En dat is géén taalprobleem!’ aldus Hus. Ouders komen zelden of nooit op ouderinformatieavonden, maar wel naar bijvoorbeeld het indianenfeest. En ze helpen en werken mee aan voorbereidingen. De Fontein stuurt nieuwe buitenlandse ouders meteen door naar het IVC. Daar kunnen ze een eerste stap maken om in te burgeren en de Nederlandse taal te leren. De Duynvaerder heeft de tien-minutengesprekken verplicht gesteld, om zo de ouders in elk geval een aantal maal op school te kunnen spreken. Ouderpartici-

‘Wij zien ouders als partners in de opvoeding. Je kunt veel winst boeken als je ouders taken geeft en hen het gevoel geeft dat ze belangrijk zijn.’ patie gaat gewoon goed, maar ouderbetrokkenheid kan nog beter. Ouders realiseren zich niet altijd hoe belangrijk hun rol is bij het leren van hun kind. Activiteiten voor ouders De brede school betrekt ouders altijd bij de thema’s waarmee de groepen werken. Zo zijn er thematische koffie-ochtenden. Die worden nu vooral gebruikt als afsluiting van een thema, maar eigenlijk zou de school ook voorafgaand aan een thema een bijeenkomst met ouders willen. Vanuit de stichting bestaat de mogelijkheid voor ouders om zich in te schrijven voor cursussen. Onderwerpen worden brede school-breed bedacht en zijn vaak erg praktisch van aard, bijvoorbeeld ‘Hoe houden we het gezellig aan tafel?’ Een ander voorbeeld is de workshop traktaties. Hiervoor is een diëtiste uitgenodigd, die vertelde over gezonde voeding. Voor deelname aan deze workshops kunnen ouders subsidie krijgen van Zorgorganisatie Omring. Een andere leuke en leerzame activiteit die samen met ouders wordt gedaan is het KIEKEBOEK-project: eens in de zes weken kunnen ouders en kinderen zes

boeken lenen. Op de Duynvaerder wordt ouderbetrokkenheid tevens via het programma Ik & Ko gestimuleerd, maar de school heeft onvoldoende inzicht in het percentage ouders dat daar ook daadwerkelijk aan meedoet. Het is de bedoeling dat in het schooljaar 2012/2103 beter te gaan monitoren. Een moeder van twee kinderen op de Duynvaerder is erg enthousiast over de rol die zij heeft. Ze vertelt dat de school ouders betrekt via de thema’s: kinderen krijgen bladwerk met liedjes mee om thuis samen met de ouders aan te werken. Ook heeft ze veel waardering voor het project Kiekeboek waarin ouders tips krijgen hoe zij de fantasie van hun kinderen kunnen stimuleren.

23


Ik wil naar Mondomijn! Een portret van het Integraal kindcentrum Mondomijn in Helmond

Aan het hoofd staan Joke Tillemans en Angelique Sterken. Joke is namens Qliq Primair inhoudelijk verantwoordelijk voor de 0-13 jarigen. De organisatie wordt daarnaast vakkundig gemanaged door Angelique namens Korein Kinderopvang. Samen zijn zij de trekkers van Mondomijn en vormen zij als duo het gezicht van de organisatie.

De intensieve samenwerking tussen onderwijs en opvang is mogelijk doordat Mondomijn wordt aangestuurd als één team, vanuit één visie. De kracht zit hem daarnaast in de samenwerking op inhoud. Mondomijn ziet kind en ouder als klant. Vanuit dat perspectief wordt bekeken wat de behoeften zijn. Dit zorgt voor een natuurlijk organisatorisch systeem. Ook de bestuurders handelen vanuit dezelfde houding. Deze mate van samenwerking zorgt ervoor dat Mondomijn wel eens moet afwijken van bestaande bestuurlijke structuren. Beide organisaties (Qliq Primair en Korein Kinderplein) geven die ruimte. Ze hebben innovatie dan ook hoog in het vaandel staan. Ze zien Mondomijn als laboratorium: hoe ziet een IKC van de toekomst eruit?

Mondomijn is gestart met 5 kinderen in één klaslokaal en in drie jaar tijd uitgegroeid tot een kindcentrum met zo’n 150 leerlingen. Volgens de onderwijsinspectie voldoet het kindcentrum nu aan het basisarrangement. De belangrijkste opbrengst is echter wat het bij de kinderen oplevert. In de ontwikkeling van de kinderen vindt aantoonbaar een versnelling plaats.

‘Het integraal kindcentrum moet geen doel op zich zijn. Ons doel is om samen het beste uit kinderen te halen en het beste te bieden voor gezinnen.’

Mondomijn is een integraal kindcentrum (IKC) in Helmond. Toen de gemeente Helmond het plan opvatte een derde brede school te vestigen, heeft het schoolbestuur Qliq Primair er in samenwerking met Korein Kinderplein in 2009 voor gekozen een IKC te starten, waar onderwijs en opvang op alle niveaus integraal samenwerken.

Integraal samenwerken op alle niveaus 24

25


‘Dat deze intensieve vorm van samenwerking niet alledaags is, blijkt wel uit het feit dat we regelmatig moeten uitleggen wat we doen en waarom. Niet alleen omdat wet- en regelgeving niet altijd makkelijk meebuigen, maar ook omdat andere scholen kritische vragen stellen. Het betekent volharden om de wereld in beweging te krijgen.’

1

Een kijkje in de keuken

Het team van pedagogisch medewerkers en leerkrachten van Mondomijn werkt nauw samen en opvang en onderwijs lopen soepel in elkaar over. Kinderen werken in continurooster aan onderwijstaken, op maandag, dinsdag en donderdag van 8.30 uur tot 14.30 uur en op woensdag en vrijdag van 8.30 uur tot 12.30 uur.

‘Het is belangrijk om als organisatie de hoogste norm na te streven en te staan voor de zaak.’ Daarna is er de mogelijkheid voor opvang. Het is overigens niet verplicht om gebruik te maken van de opvang en ook niet ieder kind dat op Mondomijn onderwijs volgt, gaat naar de opvang. Aan de andere kant maken ook kinderen van andere scholen gebruik van de voor- en naschoolse opvang.

26

Een dag op Mondomijn Het is 7.30 uur en de pedagogisch medewerker op Mondomijn staat al klaar om kinderen op te vangen. Rond 8.00 uur zijn ook de leerkrachten aanwezig. Elk domijn heeft een eigen ingang en leer lingen worden verwelkomd door de leerkracht bij de betreffende ingang. De leerlingen kunnen direct zelfstandig aan het werk, terwijl de leerkrachten (en pedagogisch medewerkers) rondlopen. Kinderen krijgen instructie in grote of kleine groepjes. Deze worden door het leerkrachtenteam afgestemd op de individuele doelstellingen van de kinderen. Ook kunnen kinderen zelf het verzoek doen voor extra instructie. Gedurende de dag komen de leerlingen van elk domijn twee keer bij elkaar om in een evaluatiekring te bespreken hoe het gaat. Bij Mondomijn is een balans gemaakt tussen individuele activiteiten, activiteiten in kleine groepjes of in een grote groep, al naar gelang wat de meeste leeropbrengst heeft. Zo biedt Mondomijn Engels aan vanaf 3 jaar. Het leren van een taal gebeurt altijd in groepsverband. Leerlingen nemen pauze op het moment dat zij dat nodig hebben. Alleen tijdens de lunchpauze eet iedereen samen. Vanaf 12.00 uur bieden pedagogisch medewerkers verschillende creatieve vakken aan. Het zijn dezelfde pedagogisch medewerkers die de kinderen aan het eind van de middag opvangen.

Tijdens het ‘overstapmoment’ na 14.30 uur is ook de leerkracht nog aanwezig. Voor de kinderen is de plek waar ze onderwijs krijgen en na schooltijd worden opgevangen dezelfde. Het is de leerkracht die zich, na de overdracht aan de pedagogisch medewerker, verplaatst. Ook na 14.30 uur kunnen kinderen binnen de buitenschoolse opvang van Mondomijn onder begeleiding kiezen wat ze gaan doen. Ze kunnen natuurlijk aan hun eigen werkplan en taken doorwerken, maar kunnen geen instructies meer vragen aan leerkrachten. Daarnaast is er een keuze-programma op het gebied van sport, kunst, cultuur en techniek. Net als in onderwijstijd kunnen kinderen keuzes maken. De activiteiten sluiten in onderwijstijd rechtstreeks aan bij de leerdoelen. In opvangtijd werken kinderen aan dezelfde thema’s, maar zijn er geen individuele doelstellingen die leidend zijn voor keuzes die ze mogen maken. De kinderen kiezen ook hun eigen tussendoormomenten. Dit lijkt heel vrij, maar deze tussendoormomenten zijn wel ingekaderd en er zijn regels waar de kinderen zich aan moeten houden. Ook fijn voor kinderen van andere scholen die gebruik maken van de buitenschoolse opvang van Mondomijn.

De organisatie Op papier zijn de leerlingen in reguliere jaargroepen ingedeeld, maar feitelijk is het kindcentrum opgebouwd uit vier domijnen (domijn wordt bewust met een lange ij geschreven): • Domijn 1 is voor kinderen van 0 tot 3 jaar. In dit domijn worden de kinderen opgevangen door pedagogisch medewerkers. • Domijn 2 is voor kinderen van 3 tot 6 jaar en betreft een combinatie tussen opvang en onderwijs. De drie-jarigen doen circa twee dagen per week bewust mee met het onderwijsprogramma van de kleuters. • Domijn 3 is voor kinderen van 6 tot 9 jaar en betreft naast onderwijs ook voor- en naschoolse opvang • Domijn 4 is voor kinderen van 9 tot 12 jaar en betreft eveneens naast onderwijs ook voor- en naschoolse opvang. De genoemde leeftijden zijn indicatief. Binnen een domijn kan een kind dat officieel in groep 4 zit, bijvoorbeeld ook al werk doen van groep 6. Daarnaast kunnen kinderen al op jongere leeftijd doorstromen naar een ander domijn. Hiervoor hanteert Mondomijn een doorstroombeleid. Dit werkt organisch voor alle domijnen aan de hand van criteria als welbevinden, zelfredzaamheid en input van de ouders. Om te bepalen of een kind er al aan toe is, worden dan ook gesprekken gevoerd met ouder en kind. Daarnaast is er een wenperiode en een warme overdracht van Domijn naar Domijn.

27


Het onderwijs Mondomijn werkt ontwikkelingsgericht, volgens de principes van Maria Montessori. Door te denken en te werken vanuit de ontwikkeling van het kind en uit te gaan van didactische leerlijnen en kerndoelen, is er sprake van een doorgaande lijn op inhoud. Bjorn Houben (mentor van Domijn 3 en 4) licht toe: ‘Op Mondomijn wordt sinds een jaar gewerkt met kernconcepten, waarbij we aan de hand van een aantal grote thema’s werken aan een aantal doelstellingen, die in het onderwijs aan bod (moeten) komen. We besteden eerst aandacht aan het opdoen van inzichten, dan worden de vaardigheden geoefend en vervolgens werken we pas aan feitenkennis.’

‘In het oude systeem moeten kinderen allemaal hetzelfde doen, terwijl sommige kinderen al veel eerder toe zijn aan het leren lezen en schrijven, dan andere kinderen.’ ‘We hebben de opdracht om kinderen te helpen hun zogenaamde 21th century skills te ontwikkelen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om zelfsturing, eigen keuzes kunnen maken. Dat zijn de belangrijke competenties voor de toekomst. Als je in beeld brengt waar het talent van het kind ligt en daarnaast ook weet wat zijn of

28

haar beperking is, en je je samen daar op richt, kun je kinderen in hun ontwikkeling ondersteunen. Niemand is gemiddeld en het gemiddelde kind wordt dus ook niet als uitgangspunt genomen. Wat volgens ons wel belangrijk is, is dat het kind moet weten waar zijn of haar talent ligt, maar ook wat zijn of haar beperking is. Talenten en beperkingen moeten ondersteund worden. Een kind kan op taal bijvoorbeeld wel sneller zijn en bovengemiddeld scoren, terwijl hij voor rekenen meer tijd nodig heeft. Wat ons betreft moet je dan dus ook juist op rekenen inspelen.’ ‘In de praktijk zien we dat er enorm veel aandacht is voor talentontwikkeling, maar als samenleving dreigen we naar een situatie toe te gaan dat we kinderen op een voetstuk zetten vanwege hun talent. Juist zelfkennis is belangrijk, net zoals verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag. Denk ook aan het oplossen van conflicten. Op deze school is bewust geen pestprotocol, maar een document waarin we beschrijven hoe we graag met elkaar om willen gaan en samenwerken. Wat we juist doen, is kinderen leren zelf conflicten op te lossen, begeleid door de mentor en volgens een vast stappenplan.’ De inrichting Bij Mondomijn vind je geen klaslokalen. Het gebouw bestaat uit grote ruimtes die ingericht zijn naar functie. Zo is er een stiltedomijn waar kinderen alleen en geconcentreerd kunnen werken. In het samenwerkingsdomijn is juist ruimte voor overleg. Kinderen leren door samen te werken en in gesprek te zijn met elkaar. In het doe-domijn kunnen kinderen creatief en muzikaal bezig zijn. Daarnaast

zijn er ook nog domijnen om te koken en te eten en te bewegen en rusten. Kinderen leren al op jonge leeftijd te kiezen om op verschillende plekken te werken. Hetzelfde geldt voor bepaalde omgangsvormen en het leren plannen en organiseren. Aan het einde van de onderwijsperiode (vergelijkbaar met groep 8) wordt verwacht van leerlingen dat zij hun werk voor tien weken kunnen plannen en organiseren.

2

Opbrengstgericht werken

De manier waarop Mondomijn werkt sluit goed aan bij opbrengstgericht werken. Op kindniveau wordt gekeken waar de mogelijkheden liggen voor het individuele kind en op basis daarvan worden de leerdoelen bepaald. In de praktijk zijn de doelen overigens vaak nog hoger dan de algemene einddoelen die landelijk worden gehanteerd. ‘Als dat mogelijk is, dan doen we dat. Alleen op de ondergrens willen we geen concessie doen. Er wordt dus niets naar beneden bijgesteld. We streven er juist naar dat ieder kind in elk geval de einddoelen kan behalen, door meer instructie, tijd en andere leermiddelen voor een bepaald vakgebied in te zetten.’ Het is aan de mentor van de groep (het domijn) om een passend aanbod te bieden voor ieder kind. Dit begint al vanaf groep 1. De mentor maakt een groepsinterventieplan waarin wordt aangegeven welke handelingen worden verricht om op de ontwikkeling van de kinderen aan

‘Kinderen hebben talenten, maar ook valkuilen.’ te sluiten. Dit is vooral van belang voor de kinderen die buiten de normale ontwikkelingslijn vallen. Als uit observaties en toetsen blijkt dat dat nodig is, zal een interventie gepleegd moeten worden. Toetsen is geen doel op zich, maar een middel om te kijken waar een kind staat. Op basis van kindontwikkelingsplannen wordt bepaald of externe hulp of individuele hulp nodig is. Werken met een persoonlijk werkplan ‘Voor elk kind maken we een persoonlijk werkplan. Daarin staat onder andere wat hij of zij per dag moet doen, waar de informatie vandaan gehaald kan worden, welke leermiddelen gebruikt gaan worden, enzovoorts. Deze manier van werken stelt leerlingen in staat op hun eigen niveau en op eigen wijze aan verschillende onderwijstaken te werken. Het hoe kan per kind enorm verschillen, van belang is dat de doelstelling behaald wordt.’ Dat ieder kind met iets anders bezig is betekent niet dat zij individueel onderwijs krijgen, worden zij aangesproken door het team en andere leerlingen in de groep. Twee keer per dag hebben kinderen een groepsgesprek over de keuzes ze maken tijdens het zelfstandig werken en waar ze leren te reflecteren op hun eigen aanpak. Door dat consequent te doen vanaf hun derde jaar (domijn 2),

29


‘Toetsen is geen doel op zich, maar een middel om te kijken waar een kind staat.’ leren kinderen dit spelenderwijs. Ouders worden hier ook intensief bij betrokken. Daar ligt de kracht van Mondomijn: kinderen leren keuzes te maken. Als kind heb je op Mondomijn immers dagelijks een aantal keuzes te maken: waar ga ik werken (werkplek) en doe ik eerst het een of eerst het ander. Aan alle keuzes zit een beperking vast. De keuzevrijheid wordt op die manier beperkt tot de keuzevrijheid die je als kind aankan. Eva van elf jaar vindt het erg leuk op Mondomijn. Waarom? ‘Omdat je zelf mag kiezen wanneer je iets doet’. Bjorn (teamleider van domijn 3 en 4) licht toe: ‘Er zijn moet- en magwerkjes. Uiteindelijk moet elk kind zijn of haar planning afmaken, maar wel op een eigen manier en in eigen tempo.’ Terug naar Eva. Was het geen groot verschil met haar oude school? ‘Ja, in het begin wist ik niet wat de bedoeling was, maar ik was er al snel aan gewend.’ Monitoring Als een begeleider van het domijn merkt dat een kind de vrijheid niet aankan, wordt er ingegrepen. Zo vrij als het werken op Mondomijn klinkt, zo vrijblijvend is het dus absoluut niet. Hard werken en echt het beste uit de kinderen halen is het devies. Om zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen, worden kinderen

30

overigens ook getoetst met methodegebonden toetsen en toetsen van Cito. Met betrekking tot het volgen en monitoren van de brede ontwikkeling van kinderen, zijn er nog wat stappen te zetten. De eerste stap is om het volgsysteem van Parnassys te implementeren in de hogere domijnen (het onderwijsdeel van Mondomijn). Vevolgens zullen ook domijn 1 en 2 gaan werken met Parnassys (voor domijn 1 gekoppeld aan Kijk en Zien). Gedrag en welbevinden houden zich immers niet aan onderwijstijd. Een kind ontwikkelt zich de hele dag.

3

Het belang van samenwerken

We zien de gemeente als een belangrijke partner bij de opbouw van Mondomijn. Mondomijn heeft de ruimte gekregen om de school anders te bouwen en in te richten en daar is ook lef voor nodig. De gemeente wordt dan ook meegenomen in het proces van ontwikkelen en innoveren. Veel contact met de andere scholen is noodzakelijk om een goede samenwerking en inzicht in het concept te bevorderen. Nu is sprake van wederzijds respect. Daarnaast zijn er andere vormen van samenwerking van belang als je kijkt naar het kind. Een motto binnen Mondomijn is: ‘It takes a village to raise a child’. Samenwerken rondom het kind heeft een positief effect en werkt naar onder en naar boven. Het kind ontwikkelt zich daardoor sneller. Samenwerking binnen de Domijnen en met ouders is dan ook belangrijk.

Samenwerken binnen het domijn Elk Domijn stelt een jaarlijks een domijnplan op, waarin het team bepaalt wat ze nodig hebben aan didactische middelen en methoden, en hoe de opvang geregeld wordt. Het plan bevat verder pedagogisch-didactische afspraken, financiën en een ouder-kind perspectief. Elk domijn bouwt daarmee aan een eigen cultuur. Dit soort input vanuit het team is erg belangrijk.

sprek gaan met ouders. ‘We zien ouders als gelijkwaardige partners. Een van de belangrijkste aspecten op Mondomijn is dat we transparant willen zijn voor ouders over wat we samen aan het doen zijn met het kind. Als je op zo’n manier met ouders communiceert, kunnen ouders ook gelijkwaardige partners zijn. Die relatie bouw je zorgvuldig op vanaf het moment dat een kind van net drie maanden oud wordt opgevangen in Domijn 1.’

Zo’n intensieve samenwerking vereist nogal wat van leerkrachten en pedagogisch medewerkers. Iedereen neemt natuurlijk zijn of haar eigen ‘bagage’ mee vanuit het oude systeem. De omschakeling is dan soms ook lastig. Leerkrachten en pedagogisch medewerkers moeten uit hun comfortzone treden en in feite ook weer even leerlingen durven zijn: met een nieuwe frisse blik kijken naar onderwijs en opvang en kinderen.

‘We kiezen er daarnaast voor om altijd in gesprek te zijn met ouders, juist ook als het goed gaat. Het gaat er dan vooral om te bespreken waar de uitdaging ligt en hoe we samen het kind nog een stapje verder kunnen brengen. Het gaat er dan dus niet alleen om wat nodig is op Mondomijn, maar het gaat ook over wat er thuis zou moeten gebeuren. Deze manier van ouderbetrokkenheid en omgaan met elkaar is in alle domijnen hetzelfde en verandert dus niet op het moment dat kinderen naar school gaan.’

Wat helpt is dat de mensen hier worden ingezet op expertise en hun kracht (talent). Buitenspelen wordt begeleid door een pedagogisch medewerker en muziekles wordt gegeven door een vakdocent die dat vanaf domijn 1 (1½ jaar) doet. Kinderen krijgen dan les tijdens onderwijsuren. Dit wordt doorgetrokken naar de opvang. Zo is er voor kinderen met een talent de talentzone en daarnaast organiseert dezelfde vakleerkracht arrangementen voor de wijk. Samenwerking met ouders Leerresultaten en welbevinden van kinderen zijn belangrijk, maar ook samenwerking met ouders. In de praktijk betekent dit dat onderwijs en opvang samen in ge-

Het kind

Ouder

Mentor

Het enige wat verandert in de loop der jaren, is dat de input van het kind zelf steeds belangrijker wordt.

31


Mondomijn moet bij je passen als ouder De rol van ouders en de manier waarop ouderbetrokkenheid wordt gestimuleerd is overigens niet vastgelegd in een apart document. Dit is een bewuste keuze: het moet in het hoofd en handelen zitten van het team. Papier is geduldig. De rol van ouders is echter wel onderdeel van de visie van Mondomijn en wordt in alle documenten vastgelegd. Ouders hebben via het ouderportaal toegang tot allerlei informatie, zoals nieuwsbrieven, maar ook de kindontwikkelplannen en toetsresultaten van het kind.

4

Eigen verantwoordelijkheid

Het klinkt als een sprookje, maar natuurlijk zijn er ook belemmerende factoren bij de start van een integraal kindcentrum en deze verregaande vorm van samenwerking. De wetgeving van onderwijs en opvang zijn totaal verschillend. Mondomijn moet dus zelf af en toe de verantwoordelijkheid nemen. ‘Zo zijn

‘De manier waarop ouderbetrokkenheid wordt gestimuleerd is bewust niet vastgelegd in een document. Het moet in het hoofd en handelen zitten van het team.’ 32

we met de schoolinspecteur en de GGD in gesprek geweest om uit te leggen wat we doen. Het is belangrijk een goede verstandhouding op te bouwen en elkaar wederzijds respect te tonen. Zij doen ook hun werk, maar binnen de oude kaders. We willen ervoor zorgen dat we aan alle zaken blijvend aandacht besteden: we willen immers voldoen aan de hoogste kwaliteitsnormen. Dat doe je niet voor hen, maar voor het kind.’

Tot slot Wat laten deze portretten ons zien? We zien drie school/voorschoolcombinaties die op het moment dat de bestuursafspaken nog niet ondertekend waren, al werkten aan de thema´s die de kern van deze afspraken vormen, omdat ze kansen zagen de kwaliteit van hun onderwijs en de opbrengsten daarvan te verbeteren. Nu er in de G37 bestuursafspraken zijn gemaakt en er in deze 37 grotere gemeenten wordt verwacht dat scholen en voorscholen een aantal vernieuwingen invoeren, is het des te interessant om de ervaringen van deze drie scholen te delen. Een belangrijk onderdeel van de bestuursafspraken is het opbrengstgericht werken. Opbrengstgericht werken betekent in de eerste plaats de ontwikkeling van kinderen nauwkeurig volgen met een volgsysteem en/of observaties, met als doel het beste uit kinderen te halen. Dat betekent dus ook de onderwijsbehoeften van leerlingen bepalen en op basis daarvan doelen stellen. Directies die worstelen met de vraag hoe zij hun leerkrachten meekrijgen in dit proces, kunnen die leerkrachten het beste zo snel mogelijk bij de analyses betrekken. Wie opbrengstgericht werken namelijk

goed doet, ziet in de cijfertjes, de scores en andere gegevens de kinderen terug en krijgt inzicht in hun leerproces en in de diversiteit van de groep. Het is een goed middel om de relatie te zien tussen de lesstof, de opbrengsten en het eigen didactisch handelen. Factoren die een positief effect hebben op de kwaliteit van de doorgaande lijn tussen voorschool en basisonderwijs zijn een kleine fysieke afstand tussen de instellingen (bij elkaar in één gebouw gevestigd zijn vergemakkelijkt het realiseren van een doorgaande lijn), het gebruik van hetzelfde VVE-programma (of in elk geval afstemming van thema´s) en het volgen van een gezamenlijke training, om zo een gemeenschappelijk denkkader te krijgen en inzicht te krijgen in elkaars werkwijze. De scholen en voorscholen uit de portretten hechten veel belang aan goed contact met de ouders. Ze zien ouders als gelijkwaardige partners in het proces van opvoeding van, en onderwijs aan de kinderen. Wat goed werkt is als school of voorschool altijd in gesprek te blijven met ouders, ook als er geen problemen zijn met het kind. Zoals blijkt uit de portret-

33


ten, staat het ouderbeleid niet altijd op papier, maar zijn de verschillende scholen en voorscholen stuk voor stuk overtuigd van het belang van een goed ouderbeleid, doen ze er in de praktijk ook daadwerkelijk wat aan, en zien ze effecten. Betrokkenheid en participatie zijn twee belangrijke peilers van ouderbeleid. Ouders helpen mee met activiteiten op school, maar krijgen ook een actieve rol in het onderwijsproces zelf: kinderen krijgen bijvoorbeeld werkjes of voorleesboeken mee naar huis, zodat ouders thuis samen met hun kind leuke en leerzame activiteiten kunnen doen. Tot slot is de rol van de gemeente niet onbelangrijk voor VVE-locaties en scholen. De gemeente is een belangrijke partner, die ruimte kan geven voor initiatieven en kan zorgen voor eenheid. Zoals de komende jaren zal blijken, zorgen de bestuursafspraken in elk geval voor een doelgericht dialoog tussen gemeenten, besturen en voorschoolse instellingen over kwaliteitsverbetering van het onderwijs aan jonge kinderen.

34

Marja van Bijsterveldt:

‘Ik wil bereiken dat kinderen zo veel mogelijk zonder taalachterstand naar de basisschool gaan. Dit doe ik door de komende jaren extra te investeren in de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie (vve), schakelklassen en zomerscholen. Op de lange termijn verdienen deze investeringen zichzelf terug. Door extra in te zetten op taal verbeteren de kansen van deze jongeren later op de arbeidsmarkt aanmerkelijk.’


Bestuurlijke afspraken in de praktijk van de voor- en vroegschoolse educatie

Postbus 2357 3500 GJ Utrecht www.sardes.nl


Bestuurlijke afspraken in de praktijk van de VVE