Page 1

Reineringen Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Du

ivenstraat 22

✎ Voorwoord

Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 2, nummer 4 (december 2011)

Heb je Kontich al eens opgezocht op Wikipedia? Dat lemma beslaat zowaar vijftien bladzijden! Natuurlijk valt er een en ander aan te merken op de inhoud: deze internetencyclopedie is niet zo accuraat als pakweg een Winkler Prins. Zo zochten we voor de volgende erfgoeddag inspiratie voor onze lokale “helden”. We kwamen van een kale reis terug, ook al stonden er zeventien “Bekende Kontichnaars” op de lijst. Misschien was het Keltische stamhoofd Contius wel een held, al was het omdat hij voor eeuwig zijn naam aan onze gemeente heeft verbonden. Maar andere “idolen” uit een recenter verleden blijken vergeten te zijn. Wij denken aan Belgisch bokskampioen (1936) Gaston Van den Bos of Eddy Annys, nog altijd Belgisch recordhouder hoogspringen (2,36 m), beiden van Kontich. Of de Waarlozenaars John Doms, die in 1946 de zeslandencross won en in 1948 aan de eerste naoorlogse Olympische Spelen in Londen deelnam, en “mister 1500 meter” Mark Nevens, die evenals Annys aan de Olympische Spelen deelnam. We dagen jullie, lezers, uit tot een denkoefening: wie zouden jullie graag zien op de lijst van de “Bekende Kontichnaars”? Misschien willen sommigen wel een aparte lijst voor Waarloos? Mail het ons door. Onze gemeente(s) heeft (hebben) er in het verleden vaak voor gezorgd dat bepaalde inwoners vereeuwigd werden met een straatnaam. In Waarloos waren dat vooral burgemeesters, maar ook een oorlogsslachtoffer als Michel Geysemans. In Kontich kregen (mede dankzij geschiedschrijver Van Passen) naast enkele verdienstelijke religieuzen zoals Telghuis en Van Herck, ook kunstenaars die eer, zoals Convents, Marckx, Reykers, Van

Elzen en Olyslaegers, of een vergeten dichter als P.C. Verhulst. Helaas is het graf van deze laatste – dat door een vorig gemeentebestuur van het kerkhof rond de kerk naar de Doodenhof aan de Duffelsesteenweg werd overgebracht – in de ontgravingswoede van eind twintigste eeuw voor eeuwig verdwenen… Daarom willen wij pleiten voor een “kerkhofcommissie”. Enerzijds om de graven van verdienstelijke Kontichnaars en Waarlozenaars te bewaren. Anderzijds om erop toe te zien dat waardevolle grafmonumenten gespaard blijven van de afbraakwoede. Onze kerkhoven zijn de laatste decennia al genoeg gehavend. Laat ons bewaren wat nog de moeite waard is. Vandaar een willekeurige foto van een fraai grafkruis (Leopold Feremans) tegen een kale achtergrond op het Kontichse kerkhof, bij wijze van voorbeeld… We hoeven niet enkel de graven van notabelen en edelen te respecteren. Maar we moeten ook niet zo bot reageren als die vroegere (folklore)burgemeester: toen de burggraaf hem er eens opmerkzaam op maakte dat de familiekelder van de Della Failles op de begraafplaats van Waarloos er in een lamentabele toestand bijlag, was zijn antwoord: “We zullen jullie overbrengen naar het kerkhof van Kontich en we steken jullie nog een meter dieper!”. Ondertussen proberen wij de “helden” en gewone mensen van onze fusiedorpen ook aan de vergetelheid te ontrukken. De oude filmpjes van de jaren dertig tot zestig geraken stilaan op de filmbank en op dvd. Zo hebben we onlangs nog een eerste voorstelling kunnen geven in de Hazelaar. En met succes, het deed ons deugd! En er is natuurlijk onze Reineringen. Onze vier


dorpsgenoten keren na een avontuurlijke reis naar de Sahara terug, bijna tachtig jaar geleden. Niet alleen mensen, ook meer materiële aangelegenheden zoals verdwenen spoorwegen brengen we weer even naar boven.

Hullu heeft nooit in ons dorp gewoond, maar zij heeft ons een prachtig werkstukje geschonken waar het laatste woord nog niet over is geschreven, hier voorlopig wel.

Dit laatste nummer van deze jaargang biedt een palet aan verscheidenheid. Een mooi kerstgeschenk van En naast sociaal historicus Peter Vanhooren over de onzentwege, in de hoop dat jullie het abonnement zullen “armentafel” hebben we een andere gastschrijver hernieuwen. Mogen we jullie dan nog een heel jaar gevonden, met een bijdrage over de “armendis”, aangename en verrijkende leesmomenten toewensen? geschreven vanuit zijn habitat Denderleeuw. Maria de Frank Hellemans, Paul Catteeuw en Paul Wyckmans

Enkele raadgevingen voor een tocht door de Sahara…. slot Wat vooraf ging: Onze expeditie van vier Kontichnaren, vertrokken te Kontich op Nieuwjaarsdag 1933, heeft na een tocht van 13 dagen door Frankrijk, Spanje, Marokko en Algerije (de toenmalige protectoraten) de Sahara bereikt; alleen blijkt de tocht in de woestijn niet vanzelfsprekend te zijn ...

Wat is eene gejalloneerde pist? Eene gejalloneerde pist is iets dat wegens het schijnt moet dienen om met auto over te rijden. De ruwste keien wat van den weg gedaan, de grootste rotsblokken wat opzij gelegd. Verondersteld de groote steenweg [in Kontich nvdr] al de kasseien uitgebroken bezaaid met stukken rotsen, bergen en putten. Of onze Ford afgezien heeft en de chauffeuren wij niet minder; zodanig dat er niemand ’s Grand Hotel avonds nog den moed had zich te wasschen of te eten. Oran Ford is werkelijk een wonderwagen want honderden Tél.: 7.81 – 19.10 – 33.19 malen heb ik gedacht: nu moet hij breken en tothiertoe Oran 14 jan 1933 11.50 u ‘s nachts is er nog geen vijsje gelost. Effenaf het is werkelijk niet te beschrijven; wij zijn allen blij tot in Beni Abbes Beste Del, Het is volbracht! Daar juist zijn wij van onzen geweest te hebben maar niemand van ons vieren zou Saharatocht aangekomen. Ieder leeft nog en is nog voor geen geld nog te vinden zijn om hetzelve eene goed gezond. Zonder moeilijkheden is het niet gegaan tweede maal te doen. want wie de Sahara niet kent, kan er zich geen gedacht Wij waren dus woensdag namiddag te Oudjda over vormen. aangekomen. Na een verdiende rust vertrokken wij donderdag morgend naar Berguent en daar begon de tocht door de Sahara. Langs onbeschrijflijke wegen geraakten wij tegen het donker werd te Bou Annan, een inlandsch dorp waar geen enkele blanke woont. Op 120 kms van Colomb-Béchar daar den weg gevraagd in ons Arabisch en na bijna onoverkombare moeilijkheden waren wij tegen 10,30 eindelijk te Colomb-Béchar. Den tweeden dag – na gelogeerd te hebben in het grootste hotel (een echte verkenstal) op weg naar Taghit en Beni-

Carwash

Wat is de Sahara? De Sahara is onmetelijk, geene vlakte zoals wij ze ons voorstellen maar wel een chaos van kleine bergen, rotsen en steenen afgewisseld door kilometer eenzame vlakten waar zelfs het alfalfa (woestijngras) niet meer groeit; bezaait met millarden groote en kleine keien en hier en daar urenlange zandduinen. 2 • Reineringen 2.4

In de oase van Taghit

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Abbes. Wij bezoeken te Taghit het vreemdelingenlegioen en vonden er een sergeant van Aalst welke bijna weende van vreugde een Belg te zien; de eerste zegde hij op zijne jaren dienst. Het afscheid voor dien jongen was droevig. Wij hebben hem beloofd zijne ouders een bezoek te brengen.

Colomb-Bechar – Beni-Ounif – Aïn-Sefra – Méchéria – Mascara – Oran 648 Kms. Alle de mannen hebben van t’huis reeds brieven kaarten en telegrammen ontvangen. Ik heb van U nog niets gezien. Zijt ge mij vergeten? Ik hoop u zondag allen in volle gezondheid weer te vinden. Ik zend vele groeten aan de vrienden, vele kussen aan U (en) aan de kinderen. Louis Wij zullen U later nog 1.000 maal meer kunnen vertellen als wij U kunnen schrijven.

Het laatste deel van de reis verliep probleemloos: van Oran in Algerije naar Melilla, een Spaanse enclave in Een Aalstenaar in het vreemdelingenlegioen Marokko. Vandaar werd ingescheept naar Almeria in Spanje. Vervolgens ging de terugtocht over Murcia, Rond 3.30 ure waren wij te Beni Abbes, bleven er een Valencia, Barcelona, naar Perpignan, om dan via uur te 4.30 den terugweg 224 Kms aan. Alles verliep Toulouse, Limoges, Châteauroux, Orléans, Parijs, zoo goed als het hier verloopen kan wanneer wij rond Quiévrain, Mons en Brussel uiteindelijk Kontich te 9 uur in eene groep spahis [soldaten van de lichte bereiken cavalerie nvdr] terecht kwamen welke ons hielden staan. De fransche onder officier welke er bij was zegde 20.1.1933: Telegram vanuit Toulouse, gericht aan ons telegrafisch bericht ontvangen te hebben dat wij Henri Verstappen op weg waren en wij nog niet terug waren en dat er langs gansch de piste overdag posten gestaan hadden “Rentrons définitivement dimanche par Quiévrain om onze veiligheid te verzekeren doch na 5 uur ’s Mons Bruxelles à Contich vers 18 heures Louis” avonds zijn de pisten gesloten en mogen zij niet meer (“Terugkomst zeker zondag (22.01.1933) via Quiévrain, bereden worden doch de officier welke ’s morgends Mons en Brussel naar Kontich rond 18 u – Lode) onze toelating geteekend had was ons dit vergeten De reis begon dus op nieuwjaarsdag 1933 en eindigde te zeggen. Daar wij om 5 uur niet in Beni-Abbes of op zondag 22 januari, rond 6 uur ’s avonds, toen de ook niet te Colomb-Bechar waren werden de spahis “expeditie” terug in Kontich arriveerde, na een reis van uitgezonden om ons te zoeken. Ge moet niet geloven drie weken hoe aardig dat doet als ge U zoo ’s nachts midden in de en van meer woestenij U plotseling omringd ziet van 50 ruiters. De dan 10.000 onder officier heeft toelating gevraagd aan zijn officier km. De welke zich draadloos in verbinding stelde met de posten archieven langs de weg en daar de weg veilig scheen liet hij ons zwijgen verder vertrekken en kwamen wij rond 11 uur terug te over het Colomb-Bechar. feest bij de Heden morgen zijn wij vroeg te Colomb vertrokken over pisten langs Beni-Ounif, Aïn-Sefra, Méchéria, Mascara naar Oran waar wij veilig om 10.30 aan kwamen. Daarmee is de Sahara gedaan. Wij hebben dingen gezien en beleefd die nog niet velen gezien hebben. Morgen op weg naar Europa waar wij maandag denken te zijn, om zondag 22 a.s. rond 6 uur ’s avonds thuis te komen. Onze laatste ritten waren donderdag Oudjda-Berguent – Aïn Sefra – Bou-Anane – ColombBechar 506 Kms – vrijdag Colomb-Bechar – Taghit – Zagle – Beni Abbes heen en weer 448 Kms zaterdag

thuiskomst maar wij Oost West, thuis best k u n n e n aannemen dat er die avond in de Eendracht wel menig pintje zal verzet zijn. Oude Kontichnaren herinneren zich nog dat de Ford V8 nog ettelijke tijd te pronk heeft gestaan – geheel bedekt met Sahara- en ander stof – in de garage van Gonthier aan de Mechelsesteenweg! Herman Jacobs

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 3


Goesjdiejel astablieft Noot vooraf: Herman Janssens (bestuurslid van het Davidsfonds Denderleeuw) publiceert op tijd en stond een column over plaatselijke en Vlaamse gebruiken. Hieronder lees je een beschrijving van een merkwaardige traditie. We beleven tijden waarin er nogal wat tradities sneuvelen. De dagen lijken geteld dat kinderen in de morgen van 31 december ‘goesjdiejel’ gingen roepen. Als knaap, die toch deelnam aan het plezierige evenement, wist ik niet eens wat ‘goesjdiejel’ betekende. Ik weet nu dat het een dialectische verbastering is van ‘Gods deel’. Maar daarmee is voor mij, anno 2006 haast, de kous niet af want het begrip, en het hele kluwen aan oorsprong, achtergronden en betekenis dat erdoor wordt opgeroepen, intrigeren me, zeker nadat ik, lichtelijk verrast, tot de bevinding kwam dat het in geen enkel woordenboek te bespeuren valt. ‘Godsdeel’, aaneengeschreven dus, moet als woord toch hebben bestaan ? Het is zelfs een – het weze toegegeven : zeldzame – familienaam. Mijn zoektocht bracht me op het spoor van ene Ludo Godsdeel, een fervente duivenmelker uit Hoeilaart. (Ik vraag me nu op dit eigenste moment af of er ooit kinderen ‘Gods deel’ zijn gaan roepen bij meneer Godsdeel). En wie op de internetsite ‘godsdeel’ intikt zal, raar maar waar, kunnen lezen dat ‘jofonck’ – bij mijn weten toch niet ons gemeenteraadslid - de leden van de jeugdfanfare oproept om ‘godsdeel’ te vragen. In één van de talloze varianten van het bedellied Geeft wat om de rommelpot eindigt elke strofe met ‘Vrouwtje, geeft het godsdeel’. Maar nogmaals: voor Van Dale en co heeft het woord niet eens bestaan of is het een stille dood gestorven. Het werd, om Carlos Ruiz Zafon, de auteur van de bestseller De schaduw van de wind even te parafraseren, bijgezet op het kerkhof van de vergeten begrippen. Het gebruik zelf, dat kinderen er in de morgen van de laatste kalenderdag van het jaar op uit trokken om wat centen, snoep of fruit bijeen te sprokkelen was vrij algemeen verspreid en niet aan één streek gebonden. Pater Bert Graus, gewezen magister-generaal van de Kruisheren en nog een tijdje inwoner van Denderleeuw geweest, wist me te mailen dat in zijn kerkdorp Geistingen (bij Maaseik) de meisjes en jongens van de lagere school op de bewuste dag ’s morgens samentroepten aan de pastorie om te gaan ‘grabbelen’. De boeren, veelal de boerinnen, gooiden vruchten van de boomgaard (appelen, noten, hazelnoten) te grabbel nadat de kinderen hadden gezongen: Wij komen aangelopen Wij zien het zeer roken Wij weten wat gebakken is Vrouw geeft, dat je lang leeft Dat je rijk en zalig wordt. Pater Graus voegt er aan toe dat kinderen van gegoede afkomst niet meededen,’ hetgeen veelzeggend was’ en dat de zusters van de lagere school, meestal herkomstig uit Gent en omstreken, dergelijke gebruiken als degenererend bestempelden. Ik herinner me dat ook in Denderleeuw de welpen uit betere kringen de ‘godsdeelpraktijk’ schuwden. Het gebruik werd, zeker niet ten onrechte, met behoeftigheid en bedelen geassocieerd. Het recht van de arme om ‘Gods deel’ te gaan vragen en de plicht van de vermogende om het te geven hebben stevige wortels die niet alleen nieuwtestamentisch van aard zijn maar die tot ver in de voorchristelijke tijd reiken. De Israëlieten waren ervan doordrongen dat in wezen de gehele opbrengst van de grond, ‘van wat op het veld is gezaaid en van de vruchten der bomen’, uitsluitend aan Jahweh, de Schepper van alle goeds, toebehoort. (Leviticus 27,30) Vandaar het gebod om jaarlijks een tiende van de oogst voor Jahweh af te zonderen. Om de drie jaar moesten zelfs alle tienden worden verdeeld onder de levieten (die geen eigendom hadden), de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, m.a.w. onder de armen. (Deuteronomium 14,22-29 en 26,12-15) Het deel dat aan God toebehoort is het deel waarop de arme aanspraak kan maken. Eigenlijk zijn de tienden een oude vorm van belasting. In de Merovingische tijd (7e-8e eeuw) voerde de Kerk de tiendplicht in, in de eerste plaats ten bate van de geestelijken en het onderhoud van de kerken, maar ook de armen werden niet vergeten. In een historiek van de parochie Beselare (West-Vlaanderen) lezen we : ‘De eerste bedienaars of priesters van de parochie moesten leven van de offeranden van de missen en vooral van de zogenaamde ‘tienden’…Die opbrengsten werden in 3 delen gesplitst : een derde voor het onderhoud van de 4 • Reineringen 2.4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


pastoor, een derde voor het onderhoud van de kerk en nog een derde voor de ‘armendis’. De ‘armendis’ of ‘tafel der armen’ werd tijdens de 13e eeuw in het leven geroepen en was een burgerlijke instelling die echter gebaseerd was op de parochie als kerkelijke instelling. Gezien de hechte verwevenheid en samenwerking van wereldlijke en kerkelijke overheid hoeft het ons niet te verwonderen dat de armen- en ziekenzorg in de eerste plaats een parochiale aangelegenheid was. Uit akten (13e eeuw) blijkt dat bijv. in Baardegem de pastoor de twee ‘armmeesters’ aanstelt voor 2 jaar. Ook hier wordt de armendis gespijsd door ‘opbrengsten van tienden, onroerende goederen, renten in natura en geld, van brood en graanbedelingen ter gelegenheid van gefundeerde jaargetijden.’ Hoe dan ook, de armen konden delen in een (tiende) deel van de bezittingen en opbrengsten dat, via het onderhoud van geestelijkheid en kerken, eigenlijk toekwam aan God. De winter is een harde noot om kraken als men behoeftig is. In die winter vieren we de komst van een nieuw jaar en dat is traditioneel een aangelegenheid om te feesten en geschenken uit te wisselen. Dompelaars en bedelaars wisten dat ze in die periode een beroep mochten doen op de barmhartigheid en vrijgevigheid van de gegoeden. ‘Wie zich over de arme ontfermt, leent aan de Heer; Hij zal hen zijn weldaad vergelden’, zegt Spreuken 19,17. De kinderen uit Geistingen drukten het iets anders uit met hun ‘Vrouw geeft, dat je lang leeft, dat je rijk en zalig wordt.’ Wij, die als snotneuzen ‘godsdeel’ gingen roepen, wisten niets van tienden en armendis … en toch gedroegen wij ons als erfgenamen van een eeuwenoud recht van de arme. Herman Janssens (Denderleeuw)

Ten behoeve van den armen gedaen

Een historiek van de armenzorg in Kontich en elders (deel 2) De heiligegeesttafel in Kontich tijdens de 17e en 18e eeuw Uit de jaarlijkse rekeningen van de Kontichse heiligegeesttafel (in deze periode ook vaak armentafel genoemd) werden steekproefgewijs de gegevens opgetekend van 5 jaar, met telkens een tussenperiode. Het betreft de jaren 1622, 1690-1691, 1722 en 1782 (met dank aan Luk Du Mont voor de notities en de transscripties). Deze gegevens laten ons toe een aantal aspecten van de toenmalige armenzorg in een middelgroot landelijk centrum in kaart te brengen, en tevens enkele tendensen in de tijd aan te geven. Het spreekt vanzelf dat deze semi-officiële verslagen niet het volledige armoedeprobleem vatten: enkel van diegenen die beroep doen op de armentafel van de SintMartinusparochie hebben we een beeld. Hoeveel anderen waren er nog ? Dat weten we uiteraard niet. De inkomsten van de heiligegeesttafel kwamen van opbrengsten uit eigendommen : gronden en huizen. Het waren de pachten en de renten die hieruit voortvloeiden die zorgden voor het geld waarover de armentafel beschikte. Het bestuur van de tafel was in handen van de twee tafelmeesters. De aanstelling van deze meesters leidde wel eens tot twisten en conflicten tussen het kerkelijk gezag (de pastoor van Sint-Martinus) en het wereldlijk gezag, namelijk de drossaard als vertegenwoordiger van de heer van Kontich. Voor het eerste bestudeerde jaar, 1622 (dit is nog de Spaanse tijd), zijn er weinig gegevens, weinig tussenkomsten dus, wat de indruk geeft dat het armenprobleem toen relatief beperkt was: er waren dat jaar 3 tussenkomsten voor de betaling van kledij, 3 tussenkomsten voor steun bij het onderhoud van kinderen in arme gezinnen en 2 tussenkomsten voor financiële hulp zonder verdere specifiëring. Daarnaast was er één persoon die herhaaldelijk (een gans jaar) steun kreeg voor onderhoud en kleding. Tijdens de andere genoteerde jaren (de twee laatste vallen in de periode van de Habsburgse-Oostenrijkse overheersing) krijgen we een heel ander beeld: vanaf einde zeventiende eeuw kwam de armentafel veelvuldig tussen voor steun in allerlei domeinen. Niet verrassend, wel opvallend, is dat de meerderheid van de posten melding maakt van ondersteuning voor voeding en voor kleding. Maar daarnaast zien we ook geleidelijk, en toenemend, het opduiken van financiële steun voor huishuur (soms rechtstreeks betaald aan de eigenaar): deze post komt twee maal voor in de rekening van 1690-1691, vijf maal in 1722 en acht keer in 1782. De verbreding in de aard van de ondersteuning zet zich nog verder in de achttiende eeuw. Waar tijdens de middeleeuwen de armenzorg zich meestal beperkte tot de verzorging van maaltijden of de verstrekking van Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 5


voedselpakketten, waar daar later kleding en nog later ook huishuur bijkwam, zien we in de rekeningen van 1722 en 1782 nieuwe thema’s opduiken : • Financiële hulp voor ondergebrachte of uitbestede armen, zowel bij gezinnen in Kontich als bij gezinnen of instellingen in diverse andere gemeenten (Lier, Berchem en omliggende gemeenten Duffel, Waarloos, Hove, Boechout) : meer dan 20 gevallen in 1722, 10 gevallen in 1782. Te noteren dat Waarloos toen nog niet bij Kontich hoorde, maar Lint dan weer wel. De betaling gebeurde normaal aan het gastgezin of –instelling. • Kosten van onderhoud aan huizen waar armen waren ondergebracht of kosten van geleverde goederen (zoals hout) voor dit onderhoud of betaling voor prestaties van vaklieden voor dit onderhoud : 8 in 1722 en 7 in 1782. • Kosten voor een begrafenis en voor het lezen van missen voor overledenen : samen 8 maal in 1722, 3 maal in 1782. Deze betalingen gebeurden aan de pastoor en aan de koster. • Kosten voor medische verzorging : 4 maal in 1782 (betaling aan de arts, de chirurgijn). • Vermelden we nog 2 opmerkelijke gevallen in 1722 : toen werd een schoolmeester betaald om les te geven aan arme kinderen en werd er ook een vergoeding betaald aan een kleermaker die aan het bij hem ondergebracht kind het kleermakersambacht had aangeleerd. Tot besluit kunnen we dus stellen dat in de latere jaren de uitsluitende aandacht voor de basisbehoeften (voedsel en kleding) werd verbreed naar enkele thema’s die doen denken aan zorgverlening die dichter bij de hedendaagse mentaliteit aanleunt (gezondheid, vorming, huisvesting). Economische repressie in de Nederlanden (18e eeuw) Tijdens de achttiende eeuw nam de sociale kloof toe: adel, geestelijkheid, grondbezitters en de (nog in aantal beperkte) burgerij zagen hun welvaartsniveau stijgen, terwijl de landbouwers- en arbeidersbevolking verarmde. Voornaamste oorzaken waren prijsstijgingen gekoppeld aan een stabiliteit in de lonen, beide fenomenen grotendeels als gevolg van de sterke bevolkingsaangroei. De organisatie van de armenzorg stond nog meer dan voorheen in functie van de economie en van de ondernemingen. Voorbeelden tonen aan dat in vele gevallen inderdaad economische motieven doorslaggevend waren. Nauwelijks twee weken na de oprichting in Antwerpen van een nieuwe instelling voor armenzorg (1779), namelijk de “Nieuwe Bestiering van den Algemeynen Armen”, deden niet minder dan 18 textielfabrikanten een aanvraag om hen 400 werkbekwame armen te bezorgen. Enkele jaren later, in 1783, verklaarde het Antwerpse stadsbestuur trots dat de “medewerking van de Nieuwe Bestiering meerdere ondernemers in staat had gesteld om de lonen van hun arbeiders drastisch te verlagen”. Een voorbeeld uit Gent ligt in dezelfde lijn maar gaat nog iets verder omdat daar ook werd ingegrepen in de vrijetijdsbesteding van de mensen: volksvermaken die “tijdverlies” veroorzaakten of die de geesten deden afdwalen van de bekommernis om werk, moesten volgens de burgerij bestreden worden. In 1778 verbood het Gentse stadsbestuur zo danspartijen in de cafés. Daarnaast werden 8 parochiale wijkkermissen afgeschaft en vervangen door één enkele kermis in Gent : uitsluitend de Sint-Baafskermis mocht nog gevierd worden. Vondelingen in Kontich en omgeving: een specifiek aspect van de armenzorg tijdens de 17e en 18e eeuw In 1970 publiceerde Robert Van Passen een artikel met een chronologische inventaris plus bespreking van de geregistreerde vondelingen die gevonden werden tussen 1646 en 1855 in Kontich, Edegem en Wilrijk. Eerste aandacht ging hierbij uit naar de naamgeving. Van Passen, geschiedschrijver van Kontich en omliggende, was dan ook een filoloog en geen historicus. Het bewuste artikel werd gepubliceerd in een taalkundig en niet in een historisch tijdschrift. Wellicht mee daardoor kreeg het niet helemaal de aandacht dat het verdiende. Het onderhoud van vondelingen kwam ten laste van de heiligegeesttafel. Gezien het kerkelijk en parochiaal karakter van de tafel (tot ongeveer 1800) was de allereerste bekommernis ervoor te zorgen dat het gevonden kind gedoopt werd. Daarnaast werd ook onderzocht of het mogelijk was om de moeder op te sporen, aangezien elke onbekende vondeling een financiële last betekende voor de armentafel. Voor Kontich gaat het in totaal om een 25-tal beschreven gevallen. Maar slechts uitzonderlijk werd de zoektocht naar de moeder met succes bekroond. Een merkwaardig geval dateert uit 1725. Een zekere gevonden meisjesbaby Anna-Maria werd wel gedoopt te Kontich, maar de pastoor noteerde hierbij dat het kind door de moeder (waarvan de identiteit blijkbaar ontdekt was) vanuit Willebroek naar Kontich was gebracht om het voor de deur te deponeren van de jongeman die de 6 • Reineringen 2.4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


onwettige vader zou zijn. Het bisdom oordeelde in deze zaak evenwel dat die beschuldiging vals was en dat het kind dus niet door de tafel van Kontich moest onderhouden worden. Verondersteld mag wellicht worden dat de zogenaamde vondeling dus terug naar de moeder in Willebroek verhuisde. In 1764 leidde een discussie over het al dan niet ten laste nemen van een vondeling tot een zwaar conflict tussen de pastoor en de drossaard. De pastoor had dit namens de heiligegeesttafel geweigerd. Het ging daarna zelfs zo ver dat alle partijen in deze zaak moesten verschijnen voor de Raad van Brabant (een hogere rechtbank). Het meest merkwaardige aspect in dit dossier is dat de twee tafelmeesters – in normale omstandigheden twee handen op één buik met de pastoor – van kamp wisselden en namens de heiligegeesttafel akkoord gingen om de vondeling te onderhouden. De pastoor in kwestie, een zekere De Lièvre die zowat 45 jaar de Sint-Martinusparochie onder zijn hoede had, stond blijkbaar bekend als een moeilijk man die het regelmatig aan de stok had met het lokale bestuur en met nog anderen. Blijkbaar vonden hier zelfs de tafelmeesters zijn houding wat te gortig. De vindplaatsen van de vondelingen waren meestal afgelegen plaatsen, waar de kans op ontdekking van de moeder gering was: meermaals was dit de Potsdijk, een verlaten omgeving langs de veldweg tussen Kontich en Edegem. Ook de Reepkenskapel was enkele malen vindplaats. Soms werden de kinderen neergelegd nabij een stal of een poort van een hoeve. De naamgeving van de kinderen werd in de meeste gevallen afgeleid van de vindplaats. Enkele voorbeelden : Maria Potsdijk, later ook bekend als Mayken Van Dijck (gevonden aan de hiervoor vermelde Potsdijk), Maijken Vermeulen (gevonden aan de Rijkerooimolen), Anna De Bie (gevonden op een plek die de biehal werd genoemd), Carolus Van Deuren (gevonden aan de deur van een boerderij), Barbara Cappel (gevonden bij de Reepkenskapel). Van Jan Baptist Van der Steen en van Johanna Van der Put wordt de vindplaats nergens vermeld, maar het is niet moeilijk om hieruit af te leiden dat zij respectievelijk op een grote steen en nabij een put werden te vondeling gelegd. De voornamen werden doorgaans gegeven door de peter (één van de tafelmeesters) of de meter (vermoedelijk een echtgenote van een tafelmeester). Uit twee concrete gevallen in een grootstedelijke context (namelijk één uit Antwerpen en één uit Brussel) valt af te leiden dat de naamgeving van vondelingen daar op basis van andere criteria gebeurde: niet noodzakelijk volgens de vindplaats, maar eventueel volgens een meegegeven herkenningsteken (het geval van Rosalie Image) of een geheel onbekend criterium (het geval van Catharina Tortuer, uitbesteed vanuit Antwerpen maar begraven in Kontich). Verschillende gevallen van vondelingen die zeer jong gestorven zijn wijzen erop dat de gezondheid van deze kinderen doorgaans zeer zwak was. Zij werden soms één, twee of slechts enkele jaren oud: dit wijst waarschijnlijk op ondervoeding door geboorte in zeer armzalige omstandigheden, waarbij de betere zorg achteraf dit niet meer goed kon maken. In een paar uitzonderlijke gevallen zijn er attestaties van vondelingen die op latere leeftijd zelf huwen en kinderen krijgen. Peter Vanhooren (wordt vervolgd) Bronnen : - Lis, C., Soly, H. en Van Damme, D., Op vrije voeten ? Sociale politiek in West-Europa (1450-1914). Leuven 1985. - Sociale politiek, proletarisering en armoede (red. Van Bruwaene, C.). Gent 1985. - Thijs, F., Sociale geschiedenis van België. Antwerpen s.a. - Van Passen, R., Geschiedenis van Kontich. Kontich 1988. - Van Passen, R., Vondelingen in het Antwerpse in de 16e – 19e eeuw. (In : Naamkunde. Mededelingen van het Instituut voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde en Nederzettingsgeschiedenis te Amsterdam, 1970, 1-2, pp. 121-153.) - Uit de rekening van de tafel der armen van Kontich, 1622-1690-1691-1722-1782 (opgetekend door Luk Du Mont). - Verhulst, A., Geschiedenis van de Nederlanden. Gent 1973.

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 7


175 jaar treinen door Kontich-Waarloos. Deel 2 Een halteplaats, schuilplaats of station enkel na veel geschrijf! Edegem De treinen reden dan wel vanaf december 1875 voor goederen en vanaf begin 1876 voor reizigers maar ze denderden lustig door Edegem, zonder stoppen. Edegem deelde dus in de lasten maar niet in de lusten. Naast de klacht over de ongelukkige aanleg van de hellingen op de grens met Kontich doet een tweede klacht niet zo vreemd aan voor wie de topografische kaart bekijkt. De verontwaardigde notabelen signaleren aan de maatschappij dat het treintje soms geblokkeerd staat tussen Kontich en Edegem, in de buurt van de Edegemse beek en dit vooral bij hevige sneeuwval. Ook ontspoort de trein er omdat hij teveel snelheid haalt bij het afdalen van de helling vanuit Kontich-West met als doel de helling richting Hovestraat op te rijden. De inwoners moeten dan met man en macht helpen, ja zelfs onderdak verschaffen aan de geblokkeerde reizigers! Bedienden en studenten bleven intussen vanuit Edegem nog altijd te voet naar het station van Oude-God of naar de halteplaats in Hove stappen. Het gemeentebestuur liet het hier zeker niet bij en vroeg een halte in Edegem. Toen dat niet lukte vroegen ze opnieuw een echt station in Hove op lijn 25 Antwerpen-Brussel (stationsopening Hove pas in 1888). Vanaf 1881 schijnt de trein dan toch enkele malen te stoppen in Edegem maar veel te weinig. Opnieuw officiële brieven, nu voor meer treinen, meer haltes, aanpassing van de stopuren en de oprichting van een beschutting tegen gure weersomstandigheden. Pas nadat de grot van O.-L.-V.-van-Lourdes zoveel bezoekers uit Antwerpen en omstreken trok dat de perrons zwart zagen van het volk te Edegem (vooral op zondagen) gingen de spoorwegen overstag en zo kreeg Edegem een stopplaats op de ZW-hoek van Boniverlei en Hovestraat, wat aanleiding gaf tot heel wat festiviteiten: Vandaag ook zal onze naburige gemeente Edegem in volle feest zijn ter gelegenheid der plechtige inhuldiging der nieuwe statie aldaar van den ijzerenweg op het Groot Edegemveld. De plechtigheid zal aanvang nemen bij de aankomst van de trein uit Antwerpen ten 2 ure 10 minuten. Men spreekt van grof geschut, van rijke versieringen, van talrijke aanspraken, en bovenal van de welwillende medewerking van het gemeentebestuur en van de fanfaren maatschappij van Edegem, die bij deze gelegenheid de schoone stukken van haar repertorium zal uitvoeren. Aan volk uit Antwerpen en uit de omliggende zal het daar ook weerom niet ontbreken’(letterlijk uit de ‘Gazet van Kontich’ in die dagen) Een eigenlijk station werd er pas opgericht in 1895.

Stopplaats Edegem

Station Edegem

De Boniverlei-noord en -zuid werd voor 1910 aangelegd, de ontdubbeling van deze straat aan de Hovestraat vandaag getuigt er nog van. De Boniverlei kreeg zijn huidig uitzicht pas na 1936 toen de bedding van de in 1929 afgeschafte lijn Oude God tot aan de grens met Kontich werd aangekocht door de gemeente Edegem. Velen hebben deze bedding nog jaren weten liggen als de ‘afgebroken route naar Edegem’. Vanaf 1969 werd 8 • Reineringen 2.4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


ze helemaal genivelleerd en het tracé ingericht als expresweg tot aan het kruispunt met de verlengde Prins Boudewijnlaan. Zo ontstond de N171 tot in Reet. Het treintje puft en zucht, of niet? ‘Richting Antwerpen was er een daling over heel de lengte van het Edegems Bos, waar middendoor gereden werd. Men hoorde het duidelijk aan de locomotief, die ophield te puffen zodra men bergaf reed om daarna bij het naderen van station Edegem, waar weer te klimmen viel, duidelijk te voelen hoe de stoommachine sterk aantrok. Daarna, halfweg Edegem–Oude God kreeg de locomotief het weer gemakkelijk, omdat het weer bergaf ging, tot we juist voor Oude God door een wissel op de grote spoorbaan terecht kwamen. Van hier uit lag het spoor waterpas. (Notities van wijlen Joseph Van Passen in zijn schriftje, getiteld ‘Kontich rond 1900’) Kontich Bij de eerste plannen ( nog vóór het K.B. van 1865) voor een nieuwe spoorlijn Denderleeuw-Boom-Lier, niet over Kontich maar misschien wel over Duffel, kroop het gemeentebestuur te Kontich in de pen. De bedoeling van een lijn via Kontich naar Boom, zoals ons bestuur die zag, was klaarblijkelijk de vroegere welvaart van onze gemeente te herstellen en zelfs te verhogen, na het economisch verval van het dorpcentrum door de aanleg van de drukke spoorlijn Antwerpen–Brussel (L25/27) tussen Kontich en Lint, ruim twintig minuten te voet vanuit de dorpskom. Een jaar later ontstond er nieuwe hoop, want toen was er sprake van een tracé van Boom naar Antwerpen via Kontich, met een vertakking naar de spoorweg Kontich (Kazerne)–Lier. Met voldoening nam het college in 1864 kennis van het bijgestuurde ontwerp Antwerpen-Doornik-Douai (Frankrijk). In 1865 verscheen een K.B. i.v.m. de aanleg van deze spoorlijn en al in april 1867 lagen de plannen voor aanleg en onteigening ter inzage op ons gemeentehuis. Het gemeentebestuur raakte echter helemaal in paniek toen de spoorwegmaatschappij in 1870 alles weer op losse schroeven zette door een tracé van Antwerpen via Hemiksem-Schelle naar Boom te suggereren (de later toch nog aangelegde spoorlijn 52). Men schetste in Kontich nog maar eens de sinds 1836 opgetreden malaise in KontichCentrum en de teloorgang die eruit volgde voor de diligencegebonden lokale middenstand (logementshuizen, paardenstallen, smeden, herstellingsbedrijven, hooi- en stroleveranciers, de waardevermindering van de huizen bij verhuring, …). Ook verwees Kontich furieus naar het K.B. van 1865 en riep de gemaakte kosten in voor een deftige aanleg van wat vandaag ongeveer de Pierstraat zou kunnen geweest zijn als verbinding met het achterland vanuit het nieuwe station in Kontich-dorp. Dit had in Kontich-Centrum al speculatie met stijgende grondprijzen tot gevolg. Bij de geplande bouw van deze spoorlijn met station in het centrum van de gemeente en de daaruit volgende verbeterde mobiliteit speelden toen ook al duidelijk financiële motieven mee. Nil novi sub sole, niets nieuws onder de zon dus.

Het station van Kontich-Dorp of -West, gezien richting Edegem

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 9


In 1875 was het werk, dat verscheidene malen onderbroken was, eindelijk af, voor wat de sectie Antwerpen– Boom betrof. Wanneer de verbindingsboog (aftakking achter de Vrije Technische School, Edegemsesteenweg) van deze lijn 61 met lijn 25 (vlak na het buitenrijden van het station Kontich-Kazerne richting Hove) tot stand kwam is niet helemaal duidelijk. Wel is hij te zien op een bijgewerkte topografische kaart uit 1909. Voor het goederenverkeer werd lijn 61 geopend op 28 december 1875, voor het reizigersverkeer op 23 januari 1876. De St.-Ceciliaharmonie organiseerde bij die gelegenheid een groots festival dat op 28 mei 1876 plaats had, en begin 1877 diende de Molenstraat al opnieuw te worden gekasseid, door het druk verkeer van en naar de ‘Weststatie’. Ook kreeg Kontich-West in 1898 zijn petroleumopslagplaats net zoals Kontich-Oost het jaar voordien. Bij ministerieel besluit werden de benamingen van onze beide stations Contich-West/Ouest en -Oost/Est, in 1903 omgedoopt tot respectievelijk Contich-Dorp/Village en Contich-Kazerne/Caserne.

Het station van Kontich-Dorp of -West, gezien richting Reet

In 1909 verzocht men het ministerie een extra schuilplaats te willen bouwen voor de reizigers op de perrons van het station Kontich-Dorp, blootgesteld als ze daar waren aan weer en wind terwijl ze op de trein wachtten. Rond die tijd werden ook een aantal wegen aan de Pierstraat verlegd, waarvan het tracé door de spoorlijn in het gedrang was gekomen. In die jaren voor de Eerste Wereldoorlog reed de trein naar Boom en Oude-God vanuit Kontich-Centrum op onze lijn 61 alleen ’s morgens en ’s avonds enkele malen, overdag was het slechter geregeld en dus dikwijls wachten geblazen. De variant via de verbindingsboog naar Kontich-Kazerne, voor werklieden, bedienden en scholieren richting Mechelen-Brussel kon ook gebruikt worden en zo vermeden mensen een voettocht van twintig minuten naar het Ooststation. Helaas waren er dus maar beperkte reismogelijkheden zodat het Kontichse gemeentebestuur voortdurend inspanningen leverde om betere en meer geschikte vertrek- en aankomsturen te verkrijgen. Dat streven naar en ijveren voor betere treinverbindingen werd na WO I voortgezet, zeker toen door het afschaffen van enkele treinen deze lijn 61 er verlaten begon bij te liggen. De Kontichse reizigers keken dan ook met verlangen uit naar het spoor van de zgn. ‘Diepe Route of de Put’, lijn 25a, die in 1905 gegraven werd en sinds 1907 Antwerpen–Zuid-Wilrijk-Kontich en Waarloos met MechelenO.-L.-Vrouwevliet verbond. De Duitsers hadden die lijn al opgebroken maar in 1920 zou men ze opnieuw in gebruik nemen. Tot ca. 1914 had de zgn. ‘Diepe Route’ een halteplaats aan de Nieuwe Lei (Rubensstraat) gehad (aan het zgn. ‘ijzeren brugje’). Na de Eerste Wereldoorlog werden echter geen passagierstreinen meer langs daar geleid in gewone dienst. In 1929 schafte de spoorwegmaatschappij deze halteplaats af en opende een nieuwe bij de Molenbossen, nou ja halteplaats…twee afgedankte spoorwegwagons nota bene. Ver van het centrum, verlaten aan het brugje van de Groeningenlei weer op twintig minuten van het centrum,nu in westelijke richting. De maatschappij doopte deze nieuwe halteplaats eufemistisch ‘Kontich-Molenstraat’. Op het relaas van deze spoorlijn komen we in een latere aflevering terug. Het regende dan ook klachten over deze slechte treinverbinding. Zo vernemen we in de herfst 1921 dat de laatste 10 • Reineringen 2.4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


trein voor Kontich te Antwerpen om 7u. ‘s avonds vertrok. Wie die miste moest te voet of per fiets uit Mortsel of Oude-God naar Kontich komen en liep het risico in het beruchte bosje op de grens Kontich–Edegem te worden overvallen! Jaar na jaar duurden de klaagliederen over de slechte treinverbindingen voort. In die tijd moet onze lijn 61 Kontich-Dorp-Edegem-Oude-God ook zijn opgedoekt want in 1927-1928 kocht de gemeente Edegem die spoorwegbedding daar aan. Intussen werden de geruchten over de afschaffing van het station Kontich-Dorp steeds hardnekkiger en in 1929 was het zo goed als zeker dat ze ten dode opgeschreven was. De elektrificatie van de lijn Antwerpen-Mechelen vereiste de sloop van het bovengrondse station Oude-God dat later ingegraven opnieuw zal verschijnen. Daardoor was de bestaande gelijkgrondse aansluiting met ons ‘Leireke’ niet meer mogelijk tussen Oude-God en Hove, en lijn 61 tot in Kontich werd afgebroken, vandaar de naam ‘afgebroken route’. Nog even droomde men in Kontich over een geheel nieuw station…

Stationschef Edmond Broeckx met stofjas te midden van de onderstationchef met dochter (links) en hulpje-drager (porteur) op het perron van hun ‘Kontich-West’

Inderdaad, in 1930, op de vooravond van het tijdperk van de autobussen, deed de spoorwegmaatschappij een laatste poging om het treinverkeer uit Boom naar Kontich nieuw leven in te blazen. Daartoe werd de lijn DorpKazerne - oorspronkelijk de verbindingsboog – waarvan de spoorstaven al opgebroken en de grond verkocht was, haastig heraangelegd. Bij de overgang van de Mechelsesteenweg (later Antwerpsesteenweg na de aanleg van de Astridlaan), aan de dreef van Boutersem, werd een bareel geplaatst. De krant noemde dit alles ‘ellendig verkeer’. Sedert 1934 is de lijn Antwerpen-Boom, officieel naar Douai maar nooit verder geraakt dan Aalst en bestaansreden van het station Kontich-Dorp, definitief afgeschaft.

De lijn Kontich-Kazerne-Boom bleef nog een tijdje in gebruik en in 1940 wordt er nog druk met de N.M.B.S. gecorrespondeerd om de treintjes naar Reet en Boom en in de andere richting naar Kontich-Kazerne te handhaven. Maar ook deze lijn blijkt een verloren zaak. In 1953 vraagt het gemeentebestuur aan de Maatschappij der Spoorwegen om de spoorwegbareel aan de Molenstraat te verwijderen en het seinwachterhuisje af te breken. In de jaren ’60-’61 wordt onderhandeld met de N.M.B.S. om het verlaten stationsgebouw Kontich-Dorp aan de gemeente te verkopen, helaas zonder succes, en in 1971-1972 doet de slopershamer definitief zijn werk bij de aanleg van de expresweg die tussen de Kontichsestraat in Edegem en de Eikenstraat in Reet/Pierstraat Kontich/ Aartselaar met een op- en afrittencomplex ook aansloot op de E19. Het tracé van lijn 61 verdween zo definitief tot aan de laad- en loskade spoor/buurtram te Reet. Enkel de naam Spoorwegstraat herinnert de inwoners nog aan het station Kontich-dorp. Paul Wyckmans (wordt vervolgd)

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 11


Maria de Hullu. Slot Op 12 augustus 2010 bezocht weduwe Suzanne Kools-Luteijn met haar jongste dochter Anita de tentoonstelling “’t Zijn weer lappen” in Goes. “Tot haar verrassing bleek op de voorlaatste lap die we bekeken bekenden te staan. Het was de merklap van Maria d’Hullu.” Benieuwd hoe de lap in Kontich was terechtgekomen, mailde de dochter voor meer uitleg. Uiteindelijk resulteerde dat contact in een bezoek aan ons museum in het voorjaar van 2011. Lapzussen Hilde Schollen en Lieve Ruwet (alsmede ondergetekende) gaven present. De dames hadden heel wat waardevolle documentatie meegebracht, zoals foto’s, een huwelijksgedicht van voorvader Pieter de Hullu, en de publicatie “De Hullu’s in Nederland – Beschrijving van een Hugenotengeslacht in Nederland in de periode van 1697-1985”, door H. de Hullu (’s Gravenzande 1986). Vooral de (fotokopieën die ik gemaakt had van de) hoofdstukken “Achtergronden van het vertrek uit Frankrijk van onze voorouders” en “Gegevens over gezinnen” (genealogie, of zo je wil “stambomen”) bleken heel nuttig voor het schrijven van dit artikel, evenals de blaadjes met persoonlijke aantekening die mevrouw Kools-Luteijn had uitgeschreven. Dankzij haar is de persoon van Maria de Hullu, de maker van onze prachtige tekendoek, weer een beetje levend geworden. Dankzij “’t Zijn weer lappen” in Goes. “’t Kan verkeren” zei Bredero! Hoe nu die lap van Zeeuw-Vlaanderen hier is terechtgekomen? In 1968 organiseerde de Kring voor Heemkunde de eerste textieltentoonstelling in Kontich. Stichter-voorzitter Z.E.H. Jozef Van Herck putte daarvoor onder meer ook uit de rijke verzameling van hem en zijn zuster. Waarschijnlijk heeft hij toen het pronkstuk samen met tientallen andere aan de kring geschonken. Waar hij of zij het vandaan heeft hebben we echter niet kunnen achterhalen. De familie Van Herck was gespecialiseerd in het veilen van inboedels en nalatenschappen. Merklappen, tekendoeken en aanverwanten waren in de eerste helft van vorige eeuw nog niet zo gegeerd als nu. Waarschijnlijk konden zij voor een appel en een ei dergelijke mooie stukken op de kop tikken: zij hadden toen al een neus voor wat volkskundig de moeite waard was. Eigenlijk was hun tante Eugénie hen al voorgegaan: zij was (ook) oudheidkundige en kocht al in de negentiende eeuw merklappen op voor het vermaarde Victoria and Albertmuseum in Londen.

12 • Reineringen 2.4

Maria begon aan deze merklap in 1778, toen ze elf jaar oud was. Hij is rijk gevuld met diverse kleine en grotere motieven, naast - of liever onder - het gebruikelijke alfabet (in kleine gotische letters), de cijfers van 1 tot 0, de plaatsnamen en het jaartal wanneer ze beginnen borduren is. Daaronder een hele rij kleine symbooltjes: eenvoudige levensboompjes die teruggaan op een Keltisch-Germaanse traditie die door de predikers van het christendom niet kon uitgeroeid worden. De vele verschillende bloemen hebben ook elk hun symbolische betekenis, evenals de duiven in de til, de pauw en de papegaai in de kooi: babbelzucht en napraterij moeten in toom gehouden worden! De Nederlandse maagd in de Hollandse tuin is een typisch vrijheidssymbool dat zou verwijzen naar het beleg van Hagestein (1405-1406) en het huis van Oranje. De verspieders van Kanaän, Josua en Kaleb zijn symbool voor respectievelijk het christendom (Nieuwe Testament) en het jodendom (Oude Testament). De wonderbare druiventros die ze dragen verwijst naar Jezus Christus. De ster rechts ervan, nagenoeg in het midden van het doek, heeft vier gesplitste punten. Het getal vier staat voor de wereld, de natuur (seizoenen, windstreken, elementen…) en acht is het getal van de volmaaktheid, want zeven was het getal van de schepping dus acht dat van de herschepping door Christus. De cartouche met de namen van de ouders van Maria de Hullu, symboliseert de onverbreekbaarheid van het huwelijk en is versierd met rozenknoppen, eikels en duifjes, tekens voor respectievelijk liefde, vruchtbaarheid en vrede. Voorts zien we nog een palmtak (zegening), adelaar met twee koppen (hemel en aarde), molen (ijver

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De Reino-hoeve, Molenweg 9 te Zuidzande. Luchtfoto van vóór de Tweede Wereldoorlog. Hier werkte Maria de Hullu aan haar tekendoek. Meer dan 200 jaar later woont er nog een nazaat van haar broer Pieter.

en welvaart: brood op de plank), naaikussen (huisvlijt), kussenkast (tevredenheid, huiselijkheid, gastvrijheid), huis met hekje (geborgenheid, huiselijke warmte), schip (huwelijksboot: de ouders staan op het dek, zes kinderen zitten in het want – op het moment van de voltooiing van de lap waren er nochtans acht in leven!). In het totaal 130 figuurtjes: onze opperlapzus Hilde Schollen heeft een getrouwe kopie gemaakt en werkte er 254 uren aan! Ook de afstammelinge van Maria de Hullu’s broer Pieter, mevrouw Suzanne Kools-Luteijn, heeft zich het telpatroon aangeschaft en is er aan begonnen. We wensen haar veel succes en vooral moed en het nodige geduld! Frank Hellemans

Bronnen: • Hullu, H. de: “De Hullu’s in Nederland – Beschrijving van een Hugenotengeslacht in Nederland in de periode van 1697-1985”. ’s Gravenzande, 1986. • Schollen, Hilde: “’t Zijn weer lappen!” en “Zeeuwse Merklap 1778”, ongepubliceerde teksten van een lezing n.a.v. de tentoonstelling van de collectie merklappen, tekendoeken, stoplappen, pronkrollen e.d. van ons Museum voor heem- en oudheidkunde in Kontich (2009) en Goes (2010), z.j. • Goosen, Louis: “Van Abraham tot Zacharia – Thema’s uit het Oude Testament in religie, beeldende kunst, literatuur, muziek en theater”. SUN, Nijmegen, 1999.

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 13


Ward Adriaens: “De Belgische archieven van de holocaust”. Een vijftigtal mensen daagde op voor deze pakkende lezing op vrijdag 2 december. Ward liet via een powerpointpresentatie zien welke diverse bronnen de vorsers van de kazerne Dossin, meer bepaald van het “Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten” gebruiken om een zicht te krijgen op de vervolging van joden en zigeuners in ons land tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elke gedeporteerde krijgt in de mate van het mogelijke een dossier, zodat hij of zij geen cijfer blijft in de statistieken maar een persoonlijkheid met een individueel verhaal. Op dit vlak is België koploper op wereldschaal! Een hoofdstuk van zijn betoog ging over de organisatie die vanaf 1942 ervoor heeft gezorgd dat meer dan 3000 kinderen konden onderduiken bij Belgische families, wat aansloot bij het project van onze kring over de joodse kinderen die tijdens de oorlog in Altena zaten ondergedoken. Deze blijken van naastenliefde staken schril af tegen die van de “jodenjagers”, Vlaamse medeburgers die er behagen in schepten om hun slachtoffers te folteren door ammoniak in neus en keel te gieten, of een minderjarig meisje een week lang bloot te stellen aan groepsverkrachtingen zodat ze meer dood dan levend in een ziekenhuis werd opgenomen. Dergelijke verhalen vertelt Adriaens niet gratuit, maar hij wil er ook mee waarschuwen tot welke excessen racisme kan leiden.

Waddisdaffeuriet? Weet je waarvoor dit ding werd gebruikt, stuur dan je antwoord (met als onderwerp “Wedstrijd Reineringen”) naar reineringen@gmail.com . Een klassieke gele briefkaart naar ons adres (Reineringen, Duivenstraat 22, 2550 Kontich) telt ook. Laat ons ook weten met welke prijs we jou een plezier kunnen doen: een merklappen-verjaardagskalender, het fotoboek “Archiefbeelden Kontich” of een (verlenging van je) abonnement op “Reineringen”. We verwachten je mail of briefkaart ten laatste op 31 januari! In ons volgende nummer geven we uiteraard de oplossing. En een nieuwe opgave.

Het spinnewiel In de vorige Waddisdafeuriet gaven we de afbeelding van een gedeelte van een spinnewiel. Een spinnewiel is een eeuwenoud instrument dat niet alleen in bijna alle huisgezinnen aanwezig was, het speelde ook een belangrijke rol in de fantasie van de mensen. Denk maar even aan Doornroosje. Ze prikte zich niet aan de doorn van een roos, maar aan een spintol en viel als een blok in slaap om te wachten op de prinselijke kus. Onze beide winnaressen zullen het zonder prins moeten doen, maar ze krijgen binnenkort hun geschenk. De meest onschuldige hand van onze redactie duidde met name lapzus Agnes Meul en Marleen Valckenborgh aan tussen de vele inzendingen. Hierdoor weten we ook meteen dat onze vorige opgaves toch net iets te moeilijk bleken.

Specfour: Kontichse uitvinding Je vindt het nog in sommige winkels: SPECFOUR of “spéculoos fourré”. Letterlijk vertaald wordt het “gevulde speculaas”, maar als je ernaar googelt kom je op een ander recept uit dan dat van Jos De Backer, bakker in Kontich tussen 1910 en 1940. Zijn bakkerij stond in de Magdalenastraat, waar later wasserij Gladys is gekomen en nu de parking tussen gemeentehuis en dekenij. 14 • Reineringen 2.4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Hij is de uitvinder van deze lekkernij: malse speculaas met een zoete kokosvulling. Maar wie herinnert nog zich Jos De Backer? En hoe was precies zijn recept? Daarom een dringende oproep: alle informatie is welkom bij onze conservator Guido Theys (tel. 03 457 54 68 of guido.theys@telenet.be). Men vertelle het voort. Want SPECFOUR moet weer een Kontichse specialiteit worden!

Agenda en Nieuws Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids Het archeologisch gedeelte van ons museum is vernieuwd, nu werken we hard aan de verbeterde presentatie van onze overige collecties. Vooral de afdeling textiel (met onze merklappen, tekendoeken e.a.) krijgt een prominente plaats in het “voorzaaltje”, waar nu ook al enkele van de fraaiste spinnewielen te zien zijn van de meer dan vijftig die we dit jaar verworven hebben. De inwijding van het vernieuwde museum is voorzien voor volgend jaar, onze trouwe lezers worden uiteraard als eersten op de hoogte gesteld van de juiste datum. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Zondag 12 februari 2012: Bezoek aan Tongeren en Alden Biezen. We bezoeken de tentoonstelling Sagalassos City of Dreams in het Gallo-Romeins museum, in de namiddag verkennen we de landcommanderij Alden Biezen in Rijkhoven, Bilzen. We gaan met eigen vervoer en spreken af om samen te rijden met zo weinig mogelijk wagens, indien er meer dan 40 inschrijvingen zijn, leggen we een bus vast (ca. 10 euro p.p.). Programma: 08.15 uur bijeenkomst en 8.30 uur: vertrek aan de carpoolparking (Sint-Rita) 10.00 uur koffie in de cafetaria van het Gallo-Romeins museum (met mogelijkheid tot bestellen lunch) 10.30 uur bezoek aan de tentoonstelling met 2 gidsen (12 euro, toegang inbegrepen) 12.30 uur lunch, eventueel in de cafetaria of elders in Tongeren-centrum. 14.00 uur vertrek naar Alden Biezen, geleid bezoek (ca. 2 uur: 5,50 euro p.p.) 17.30 uur terugkeer naar Kontich Maximum 50 deelnemers! Als u zeker wil zijn van een plaatsje, schrijf dan zo snel mogelijk 17,50 euro over op het rekeningnummer van de Kring voor Heemkunde 415-5044221-42 met de vermelding “ x (aantal) personen Sagalassos + telefoonnummer”. Indien er meer dan 40 inschrijvingen zijn wordt u persoonlijk door ons gecontacteerd via uw telefoonnummer.

Hernieuwing Abonnement

Als je van dit nummer van Reineringen houdt, dan ligt ook de toekomst van dit blad je nauw aan het hart. Wens je het verder te ontvangen, hernieuw dan zo snel mogelijk je abonnement voor 21012 (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 15 euro. Te betalen op rekeningnummer 415-5044221-42 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen” Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.4 • 15


Reineringen Reineringen 2 (2011), 4 Driemaandelijks (oktober-november-december 2011) Afgiftekantoor Kontich P912187

België Belgique P.B. 2550 Kontich BC 31956

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Enkele raadgevingen voor een tocht door de Sahara. Slot Pagina 4 Goesjdiejel astablieft Pagina 5 Ten behoeve van den armen gedaen. Deel 2 Pagina 8 175 jaar treinen door Kontich-Waarloos. Deel 2 Pagina 12 Maria de Hullu. Slot Pagina 14 Lezing Ward Adriaens Waddisdafeuriet Het spinnewiel Specfour Pagina 15 Activiteitenkalender en nieuws Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 2 (2011), 4 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2011 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): 15 euro Te betalen op rekeningnummer 415-5044221-42 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen” Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen - 2/4 (2011)  

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you