Page 1

Reineringen Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Du

✎ Voorwoord

ivenstraat

22

Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 2, nummer 3 (september 2011)

Daar hoort natuurlijk ook een nummer van Reineringen bij. Met doorlopende artikels, maar er worden ook nieuwe thema’s aangesneden. Herman Jacobs ontsluit verder de ontdekkingstocht van vier Kontichnaren. Ze Ook voor onze kring staat een interessant werkjaar laten de V8-motor van hun Fordje verder snorren als een voor de deur. Na de aanpak van onze archeologische poes, ditmaal door de Hoge Atlas van Casablanca naar afdeling door AVRA en daarbij de logistieke bijstand Rabat, Fez en Agadir, met elke dag een briefje of een van bestuur, conservator en leden, willen we de kaart van Louis Jacobs naar zijn Delphine thuis in café pas verworven voorzaal inrichten als een De Eendracht. Peter Vanhooren vertrekt bij onze mooie erfgoedtentoonstelling Armoe troef en beschrijft de verkenningseiland voor textiel, zeg maar Kontichse situatie doorheen de eeuwen, gelardeerd onze merklappen en tekendoeken. met interessante zoekresultaten van Luk Du Een tijdpad is er moeilijk op te Mont. plakken, afhankelijk als we zijn In een nieuwe artikelenreeks over van verschillende leveranciers en 135 jaar treinsporen in Kontich externe vaklui maar dat ze dit vertrekken we in dit nummer werkjaar klaar geraakt, daar alvast in het station van zijn we het over eens. We Oude God en volgen de staan de leraren van basis- en ‘afgebroken route’ lijn secundair onderwijs te woord 61. Maria de Hullu, een te op maandag 19 september in jong gestorven Zeeuwse, onze prachtige archeo-gang vervaardigde ooit de bijzonder op zoek naar gezamenlijke fraaie merklap uit onze educatieve invulling. collectie. Frank Hellemans Zaterdag 24 september vind je probeert aan te tonen dat ons op de cultuurmarkt waar deze afstammelinge van de we onze naambekendheid Franse hugenoten misschien wel nog wat aanscherpen. connecties heeft met president Obama. Begin december willen we Ward Adriaens uitnodigen voor een publieke lezing over ‘joodse archieven in Vermits er ook af en toe mag gelachen worden kan u België’ en op erfgoeddag einde april 2012 besteden misschien beginnen met de Kontichse strontboeren als we de nodige aandacht aan zoveel mogelijk Kontichse mogelijke bijnaam of moeten we het toch deftig houden Helden. Tijdens de heemkundezondagen van juni en Kontich eerder bestempelen als een kardinaalsdorp? willen we een aantal aspecten uit onze wooncultuur De redactie tot slot doet weer een loffelijke poging doorheen de vorige eeuwen zichtbaar maken. om in Wadisdaffeuriet een collectiestuk tot leven te Ondertussen wordt de eindmeet zichtbaar van ons brengen. Hopelijk speelt u ditmaal weer mee, anders project Op Leven en Dood of hoe acht joodse meisjes moeten we in ons eentje lamsbout eten, gevat in een overleefden tijdens de Tweede Wereldoorlog in het lamsbouthouder. Altena Instituut. Kortom het bestuur timmerde al een Paul Wyckmans, Paul Catteeuw en Frank Hellemans stevig stramien voor het nieuwe werkjaar. Is ‘t weer voorbij die mooie zomer? Of begint hij, volgens sommige optimisten? De mooie boskapel in Kontich-Kazerne, het mooiste plekje van Kontich volgens kenners, toont al duidelijk een winters gezicht.


Enkele raadgevingen voor een tocht door de Sahara…. deel 3 Wat vooraf ging: Bijna tachtig jaar geleden, op nieuwjaarsdag 1933, een zondag, vertrokken vier Kontichnaren: Nathalis en Paul Boelens, Louis Jacobs en John Gonthier, met een Ford V8-cylinder op avontuur doorheen Frankrijk en Spanje naar de toenmalige Noord-Afrikaanse protectoraten (het huidige Marokko en Algerije) tot in de Sahara. De expeditie heeft in vier dagen Frankrijk en Spanje doorkruist. Ze hebben de Rif doorkruist en Casablanca bezocht en verkennen Marokko nu verder. Grand Café des Arcades Av. du Général d’Amade, 52-54-56 Casablanca Téléphone: A. 56-87 Casablanca, le 10 Jan 1933 Beste Del en kinderen,

De weg wordt verbreed in de Hoge Atlas

Ik heb gisteren avond het nieuws van de vrienden van Contich ontvangen; het deed mij veel plezier; gelieve ze te bedanken. Wij zijn dus zaterdag morgend te Casablanca vertrokken naar Marrakech door echte woestijnen waar plant noch boom groeit kwamen we tegen de avond te Marrakech, inlandsche hoofdstad gelegen in eene oasis tusschen duizenden palmen. We hebben daar een gids genomen welke ons rondgeleid heeft gedurende uren en al het wonderbare heeft getoond. We hebben geluk wij komen hier juist in den grooten vasten Ramadan. Dit is 40 dagen dat de inlanders niet eten, drinken of rooken zoolang de zon op is en ik kan u verzekeren dat de godsdienst hier gevolgd word. Daar kan de grootste kwezel bij ons nog een punt aan zuigen. Wij hebben de souks markt gezien; wat daar te zien is, is onbeschrijflijk. Ook zou het voor een toerist onmogelijk zijn er nog uit te geraken eens hij daar in gegaan is. Een warboel van straatjes en steegjes (stof genoeg om een gansche dag van te vertellen). Hier zijn ook maar enkele Europeanen meer te zien. Wij hebben hier gelogeerd in het groote hotel, een paleis! Nog nooit gezien aan fatsoenlijke prijs. Den anderen dag zijn wij vroeg vertrokken voor het overtrekken van het Atlasgebergte waarvoor wij eene speciale toelating hadden daar deze streek niet onderworpen is en dus niet bezet door de Franschen.

hebben gereden van 8 u ’s morgens tot 5 uur ’s avonds langs steile hellingen en slingerpadjes, langs wegen welke bijna nooit door toeristen gedaan worden. De inboordelingen – werkelijk halve wilden – hebben ons zeer goed ontvangen bij zoover dat wij verschillende fotos ervan kunnen maken hebben hetgeen hier niet zo gemakkelijk gaat, doch dit is meest te danken aan een Caïd welke we tegen kwamen en aan welke wij den weg vroegen in het arabisch. Daar hij zeker hoorde dat wij de taal niet goed kenden sprak hij ons aan in gebroken Fransch en wij waren onmiddellijk bij de inboordelingen de mannen. (Een Caïd is een inlandsch opperhoofd met eene onbeperkte macht.)

Op zekere ogenblikken hebben wij in de sneeuw gereden op 3.444 m hoogte langs smalle paadjes met ernevens afgronden van honderden meters en niemand heeft er bang geweest dank aan onze chauffeur den Jonh welke werkelijk en artist een meester is in het vak. Om 5 u waren wij te Taroudant, eene echte inboordelingen stad zonder een europeesch huis. Overal worden wij door de inboordelingen omringd met honderdtallen doch worden niet lastig gevallen. Verder over ongebaande wegen naar Agadir waar wij onder den weg voor het eerst kennis maken met wilde dieren. Hyenas en jakhalzen maar die veel banger zijn als wij. Eindelijk komen wij te Agadir en slapen in het chikste hotel – een echte varkensstal. Wij hebben allen met onze kleren aan geslapen en waren ’s anderdaags vroeg te been. Deze stad is schoon gelegen aan den oceaan. Bestaat Deze overtocht is het schoonste wat ik ooit te zien uit inboordelingen en mannen van het vreemdelingen kreeg. Daar is Zwitserland volgens het zeggen van legioen, waaronder Belgen, doch die niet mogen met de den Jonh een klein kind tegen. Het is 300 kms en wij vreemdelingen spreken. Hier te moeten leven voor die menschen is erger dan in den bak zitten. Wij vertrekken 2 • Reineringen 2.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


vroeg naar Mogador, schoone inlandsche stad met eenige Europeanen en wonen er eene muselmansche begraving bij (eigenaardig!) en gaan verder langs schoone streken naar Saffi en verder naar Casblanca, naar die eenig mooie stad - werkelijk de naam van Witte Stad waardig – waar wij om 8 uur aankomen. Toch blij van weer eens terug bij beschaafde menschen te zijn.

Model beenhouwerij in de Hoge Atlas

Vandaag gaan wij naar Rabat, Fes en Meknes, dan naar Oudjda en dan onze laatste etappe naar de woestijn. Wij denken van rond den 22e terug ’t huis te zijn, zo veel valt de reis mede dank aan de kwaliteiten van onzen Ford. Wij zullen eene massa fotos meebrengen welke ieder zeker zal interesseren. Als wij in grootere steden komen worden wij overvallen door eene massa gidsen welke ons hotels, weg enz. willen wijzen doch we kennen dat al. Wij doen lijk al de Europeanen hier doen: de portel open en bonk stamp mot en alles op den loop.

Beste Del en kinderen, Vandaag hebben wij den weg Fes-Taza-Oudjda afgelegd zijnde ongvr. 375 Kms. Wij waren gisteren avond te Fes aangekomen en hebben gelogeerd in het paleis Jamaï, een vroeger paleis van een pacha. Welke weelde en rijkdom wij daar gezien hebben is met geene pen te beschrijven. Dit paleis is het eigendom van de Compagnie Transatlantique en word nu als hotel uitgebaat. Gisteren hebben wij verder Casablanca bezocht eene stad vol pracht met lanen vol palmen en paleizen en villas, alles vol met bloemen. Ook de bloemen staan hier open als bij ons in den zomer (de rozen azaléas seringen geraniums enz.). Verder zijn wij naar Rabat gereden, de stad van den Sultan; bijna zo schoon als Casablanca. Verder naar Volubilis de oude romeinsche stad over enige jaren blootgelegd. Men kan daar de puinen zien van eene stad van 20.000 inwoners gebouwd in het jaar 48 na Christus. Deze stad werd gebouwd door de Romeinen welke te dien tijde over noord Afrika heerschten en is later ten gevolge van een groote aardbeving in puin gestort, de gansche bevolking bedelvende. Deze (…) zijn werkelijk de moeite te zien; spijtig dat wij maar om 4 uur daar waren en er maar 2 uren meer overbleven voor deze stad en het oudheidkundig museum te bezoeken. In de namiddag waren wij door Meknes gereden, eene groote inlandsche stad welke wij maar oppervlakkig bezocht hebben daar er geen tijd te verliezen viel. Na Volubilis hebben wij het geluk gehad toegelaten te worden in een gedeelte der groote pelgrimsstad Moulay Idriss (dank aan onzen gids). In deze stad leefde en stierf Moulay Idriss, de afstammeling van den Profeet (Mahommed) en is voor de muzelmannen heilig. Het is aan de christenen, joden enz. verboden zekere gedeelten der stad te betreden. Het bezoeken der stad door een niet Muzelman word gestrafd met onmiddelijke dood. Trouwens de staat heeft gezorgd voor de nodige aanduidingen in alle talen om dit verbod niet te overtreden; in deze stad woont geen enkel Europeaan. Wij zijn dan verder gereden en kwamen ’s avonds te Fez waar wij in het voornoemde hotel vernacht hebben.

Ik moet mijn brief eindigen want wij vertrekken. Doet vele groeten aan de vrienden; vertellen (zonder liegen) zullen wij later gemakkelijk 8 dagen kunnen doen. Verontschuldig mij als ik iemand moest overslagen die ik geen kaartje gezonden heb. Wij hebben er samen al honderden kaarten verzonden. Ik hoop U binnen eenige dagen in volle gezondheid terug te vinden en zend U intusschen en aan de kinderen vele groeten en nog meer kussen van Casablanca. Vandaag zijn wij vroeg over Tara naar Oudjda vertrokken waar wij in den namiddag (5 uur) aangekomen zijn. Louis Deze stad (73.000 inwoners) word bewoond door vele t’ Is hier lijk de stikheete dagen in den zomer om 7.30 u blanken en heeft een sterke militaire bezetting (de licht en om 6.30 s’ avonds donker. strafkolonie der Franschen is hier gevestigd). Brasserie & Hotel Simon H. Simon Propriétaire Oudjda (Maroc) Téléphone 0-04 Oudjda, le 11 Januari 1933

Morgen om zes uur vertrekken wij en beginnen onzen tocht door de Sahara; tocht voor dewelke al de noodige schikkingen en inlichtingen getroffen zijn en welke – als gij dezen brief zult lezen – reeds zal volbracht zijn (wij denken het op vier dagen te doen). Maandag denken wij terug naar Europa over te steken en tegen zondag

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 3


Fez op een postkaart uit die tijd

22 Januari onze reis te eindigen. Met allen en alles gaat het opperbest (mijne gezondheid is buitengewoon goed). Ieder doet zijn werk en er word nooit gekritikeerd: de Nathalis is algemeene bestuurder, de Paul is fourier en zorgt voor het eten onder den weg en de valiezen en doet de noodige aankoopen in de winkels (wij eten onderweg in den auto koopen brood vleesch en kaas en een fles wijn de man per dag (een liter wijn kost hier 3.50 fr.) en eten ’s avonds in het hotel. Den Jonh dat is werkelijk de held van de historie.Algemeen technisch bestuurder; heeft ieder oogenblik ons leven in zijn handen maar maakt er geen misbruik van. Ik zelf ben kwartiermeester: zorg voor hotels en de noodige betalingen en alles loopt op een rolleke. Onzen auto gelijkt het meeste van de tijd op een vliegende opera want de helft van den tijd wordt er gezongen of gefloten. Al de dagen vliegen voorbij en toch heeft ieder den indruk reeds weken op reis te zijn, zooveel hebben wij op dien tijd gezien. Ik hoop u binnen 10 dagen in volle gezondheid en vreugde weer te vinden en zal van deze wondere streken weken kunnen vertellen. Gelieve den goeden dag te doen aan al de vrienden en moest ik iemand overgeslagen hebben een kaartje te schrijven mij te willen verontschuldigen. Overmorgen zend ik u nieuws uit het midden der woestijn en zend u allen intussen vele kussen en bijzonder aan U. Louis (wordt vervolgd)

In een kamp van nomaden

4 • Reineringen 2.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


175 jaar treinen door Kontich-Waarloos. Deel 1 In 1835 werd op het Europese vasteland de eerste spoorlijn tussen Brussel en Mechelen aangelegd,. Dat leerden we vroeger al in de geschiedenisles met een afbeelding erbij van de drie locomotieven: De Pijl, De Olifant en de Stephenson. Dat een jaar later in 1836 deze lijn doorgetrokken werd van Mechelen naar Antwerpen, dwars door Kontich, Hove en Mortsel is misschien ook nog bekend. Dat de spoorwegmaatschappijen (toen nog niet gecentraliseerd in N.M.B.S.) de volgende jaren lustig spoorlijnen trokken door het Kontichse landschap tot men bij het begin van de twintigste eeuw er wel zeventien km rails zag blinken is misschien niet meer bekend. Toch spreken we nog altijd van de ‘afgebroken’ en de ‘diepe route’ voor Kontich als verdwenen relicten, met in onze gedachten dampende en stomende ijzeren gevaarten. Precies 175 jaar geleden reed de eerste trein door Kontich. Later ook door Waarloos, wat we niet willen vergeten in dit overzicht. Over welke lijnen ging het dan precies en in welk jaar werden ze in gebruik genomen? - 1836: Lijn 25 (Brussel-)Mechelen-Antwerpen - 1855: Lijn 13 Kontich-Kazerne-Lint-Lier-Turnhout - 1875: Lijn 61 Antwerpen-Oude God-Edegem-Kontich-Boom-Aalst - 1907: Lijn 25a Antwerpen-Zuid-Wilrijk (als deel van de Antwerpse fortenlijn al bruikbaar vanaf 1894)-(Molenstraat)-Kontich-Nieuwe Lei-Waarloos-Sint-Katelijne-Waver-Mechelen-Vrouwenvliet - 1930: Lijn 25/27 Brussel-Mechelen-Antwerpen (ontdubbeling en elektrificatie van snelspoorlijn, ingraven van beide lijnen in Oude God). In Kontich-Waarloos waren ooit drie volwaardige stations en twee stopplaatsen operationeel (die laatste niet gelijktijdig), evoluerend van Frans- naar Nederlandstalige aanduidingen, geschreven in de oude en later in de moderne spelling: - Station Contich, Contich-Est/Oost, Contich-Caserne/Kazerne, Kontich (L25-27) aan het Stationsplein in Kontich-Kazerne (sinds 1857); - Station Contich-Village/Dorp, Contich-Ouest/West-kruispunt Molenstraat /Spoorwegstraat (L61) (1875-1953); - Station Waarloos langs de Stationsstraat nu Beekboshoek (1907-1929); - Stopplaats Nieuwe Lei (straat in 1930 herdoopt in Rubensstraat) (L25a) (tussen 1907-1914) beneden in de ‘diepe route’ aan het ijzeren bruggetje) - Stopplaats Molenstraat aan lijn 25a beneden aan bruggetje Groeningelei (tussen 1929-1940) Bij deze verjaardag willen we in een artikelenreeks telkens een hoofdstuk wijden aan deze vijf Kontichse spoorlijnen en de verbindingsbogen ertussen een plaats geven. We doen dit echter niet chronologisch volgens openstelling maar eerder gevoelsmatig. We beginnen dan ook met die lijn waar we het sterkst bij betrokken waren: het ‘Leireken’ ofwel later voor Kontichenaren; ‘de afgebroken route’. Spoorlijn 61 “Het Leireken” Nostalgische mijmeringen

Overzicht van de spoor- en buurtspoorwegen provincie Antwerpen

Zestig jaar geleden fietste ik regelmatig van Kontich naar Edegem voor een bezoekje bij ‘bomma en bompa’. Hiervoor zochten we de boeiendste verbinding. Spannend en best technisch voor een beginnende fietser volgde dit paadje van in de Molenstraat dit enkelspoor. Halfweg liep het bergop naar het niet bestrate deel van de Transvaalstraat. Aan de overweg van de De Villermontstraat (vandaag verkeerslichten) reed ik links

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 5


naast het spoor verder langsheen een klein metaalfabriekje (gepunte stukken zinkafval lagen er voor het grijpen en waren bruikbaar als schitterende luxeafwerking voor lans of speer). Even verder verbond een onbewaakte overweg de hoeve Schroyens met zijn weilanden. De doorlopende blinkende rails verderop wezen op een nog regelmatig gebruik en bogen met een bocht omheen het Vrij Technisch Instituut (de vakschool) naar de Edegemsesteenweg en zo naar Kontich-Kazerne. Hier konden op een doodlopende vertakking bouwmaterialen gelost worden met een ijzeren rolbrug met kraan van de betonfabriek De Meyer. Dit gebeurde tot in 1969 (einde 30-jarig contract). Bij deze onbewaakte overweg, waarover boer Schroyens zijn vee naar een van de laaggelegen meersen in de vallei van de Edegemse beek kon drijven, kozen we een zijpaadje doorheen iets wat leek op een wanordelijk achtergelaten bouwterrein, een zalig aanvoelend ‘crossterrein’ tussen brem, raaigras en zandheuveltjes. Eigenaardig genoeg daalde het ‘crosspaadje’ halfweg steil naar beneden, met in de zijwanden zichtbaar ijzeroer (zavel voor allochtonen), ideaal voor puberende motorcrossers. Voorbij de Kontichsestraat/ Edegemsesteenweg op de grens van Kontich en Edegem loopt de Boniverlei bergop. In die tijd was het in de zomer nog een brede en stoffige assenweg, met rechts een immense stortplaats met bergen Edegems (soms brandend en/of smeulend) huisvuil. De bewoners van de Romeinse Put in de wijk Buizegem zullen het niet graag meer horen. Even voorbij de Buizegemlei verborg een langgerekte haag langs de linkerzijde een immens laaggelegen tuingebied. Als kind keek ik wel eens geïntrigeerd, zonder me af te vragen waarom dat zo was. Het inzicht kwam pas veel later.

Winterse motorcrosser in actie op de ‘afgebroken route’

Ik reed inderdaad over de resten van een oude opgehoogde spoorberm: deze spoorlijn moet ooit de realisatie van een grote spoorwegdroom geweest zijn: de verbinding van het Antwerpse havengebied, met zijn aanvoer van ijzererts voor Henegouwen, en het Franse hinterland en de uitvoer van Franse kolen uit het steenkoolbekken van Armentières/ Douai via de haven van Antwerpen.

Deze spoorlijn is er echter nooit helemaal gekomen. De gok van de spoorwegmaatschappij dat de haven van Antwerpen zou uitbreiden ten zuiden van Antwerpen (Hoboken, Hemiksem, …) is nooit uitgekomen en het economisch rendement van de lijn liet achteraf nooit meer toe dan de verbinding Antwerpen-Mortsel-Oude-GodEdegem-Kontich-Reet-Boom en verder langs Londerzeel en Opwijk tot in Aalst ofwel lijn 61. Als je dan weet dat een van de treinmachinisten Valère Mannaerts heette, dan is de bijnaam van deze spoorlijn verklaarbaar: het ‘Leireken’. We beperken ons in ons overzicht tot het tracé Oude-God-Edegem-Kontich-Boom, waarlangs inwoners van Kontich-Village nadien Kontich-West de ‘Middenstatie’ van Antwerpen-Centraal konden bereiken en op donderdag zelfs naar de markt in Boom konden sporen. Plannen en aanleg In 1865 verkreeg de firma Gillon-Peeters-Baertsoen bij K.B. concessie van de overheid om de spoorlijn Antwerpen-Doornik-Douai aan te leggen. Het oorspronkelijke tracé op de Popp-kaart lag zelfs nog dichter bij 6 • Reineringen 2.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Het station van Oude God gesloopt rond 1930 bij het ontdubbelen en ingraven van de bestaande spoorlijn Antwerpen – Brussel.

Edegem-Centrum. Een latere variant maakte echter een aftakking te Oude God op de hoofdlijn 25 AntwerpenBrussel en volgde grosso modo de Boniverlei. In 1869 kreeg men dan officieel de zegen, maar … Gods molen maalt langzaam… Pas in 1875 startte men – en dan nog wel in recordtempo – in Edegem met de aanleg. Edegem had in die tijd nogal wat last van al dat spoorvolkje dat in de week ter plaatse bleef ‘pleisteren’. Gevoegd bij het grote aantal metselaars, bouwvakkers en timmerlieden die aan Fort V werkten en er in barakken verbleven, leverde dat zeker in de beginfase van de werken heel wat rondhangend ruw werkvolk ’s avonds in de tavernes van oud-Edegem. Tussen Edegem en Kontich loopt de Edegemse beek in een heuse vallei met hoogteverschillen tot 8 meter. Daardoor diende deze ‘zak’ opgehoogd aan het einde van de Boniverlei tot aan de onbewaakte overweg Pluyseghemhoeve met, jawel ijzeroer (‘zavel’), gewonnen in het driehoekige perceel van wat later zou verkaveld worden als nieuwEdegem (rond de eeuwwisseling 1900) woongebied met straatnamen als Lentelei en de Hagedoornlei. Vandaag geven we geld voor zo een (gratis) waterspaarbekken. Het betekende ook dat de Kontichsestraat in Edegem/Edegemsesteenweg in Kontich hier een serieuze ‘helling’ cadeau kreeg en de reacties bleven dan ook niet uit. Edegem beklaagde er zich dan ook al snel over dat door deze twee ‘’stijghellingen’ de pas aangelegde Kontichsestraat totaal verknoeid was. Het drukke rijtuigenverkeer kon deze ‘rampspoedige rampen’ nauwelijks over en zeker niet in barre wintertijden. Het bestuur verzocht de Antwerpse gouverneur dan ook om een deskundige ter plaatse te sturen en bij de ‘societeyt’ (de spoorwegmaatschappij), die de betrokken gemeenten nooit geraadpleegd had, alles in het werk te stellen om de wegverbinding met Kontich opnieuw op een normale manier berijdbaar te maken. Spoorlijn 61 Antwerpen-Boom werd nog in datzelfde jaar geopend. Paul Wyckmans (wordt vervolgd) Dank aan volgende auteurs voor de gevonden informatie: - De Bot Hugo (red.) e.a., 150 jaar spoorwegen in de Kempen (1855-2005) - De Bondt L., Callaert Ph., Het Leireken, geschiedenis van lijn 61 (1996 uitgeput) - Van Passen R., Geschiedenis van Edegem (1975 uitgeput) en van Kontich (1988) - Mens A., Hens P., De basiliek van Edegem, Davidsfonds Edegem (2008) Dank voor de collegiale ondersteuning d.m.v. (post)kaart- of fotomateriaal, het correctiewerk en de inhoudelijke aanvullingen van: - Het archief van het Vlaams Tram- en Autobusmuseum Berchem (Antwerpen); - De archieven van de heemkundige kringen uit Edegem, Hove, Kontich, Mortsel, Reet, en Rumst; - Leo Van Linden, Gemeentelijk Archief Kontich, Eddy Beyens en Rene Beyst.

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 7


Maria de Hullu. Deel 1 Wat heeft de Amerikaanse president Barack Obama te maken met de maker van onze fraaiste tekendoek, Maria de Hullu? Op het eerste gezicht niks. Maar wat las ik onlangs in de krant? Hij “heeft misschien Vlaamse roots. Vorsers van het genealogisch instituut Eneclann in Dublin hebben uitgeplozen dat Obama waarschijnlijk afstamt van een Vlaamse, Nederlandse of Franse hugenoot die op het einde van de zeventiende eeuw naar Ierland is geëmigreerd.” (De Zondag, 22 mei 2011, p.4). Iets gelijkaardigs is voorgevallen met de voorouders van Maria de Hullu. Ook zij komt uit een familie van hugenoten die oorspronkelijk in Frankrijk woonde. Hugenoten zijn de Franse aanhangers van de Reformatie, protestanten dus. Zij worden onder de navolgers van Calvijn gerekend, calvinisten Luther en Calvijn dus. Zij werden gehaat door de fervente aanhangers van de rooms-katholieke kerk, waardoor zij in de zestiende en zeventiende eeuw op gespannen voet met elkaar leefden. Op de duur – en vooral met de komst van Louis XIV - werd de Franse grond te heet onder hugenootse voeten. Een vijfde van de ca. 18 miljoen Fransen (rond 1670) was hugenoot. In de laatste twintig jaar van de zeventiende eeuw ontvluchtten ongeveer 200 000 van hen het land, tussen de 50 000 en 75 000 naar de Nederlanden, anderen naar Engeland, Duitsland en Zwitserland. Vluchten was verboden en werd bestraft met dwangarbeid op de galeien. De bezittingen werden verbeurd verklaard. Een andere keuze was de schijnbekering. Velen kwamen daardoor in diepe gewetensnood, want dat werd beschouwd als verraad aan God! Ondertussen was de situatie aan de grenzen van Frankrijk conflictueus. Het land had af te rekenen met Engeland, Spanje en de Verenigde Nederlanden: de troepen van deze laatste mogendheid kregen eind 1708 het gebied rond Rijsel (Lille) in handen. En laat dat nu de voorouderlijke geboortestreek van de familie de Hullu zijn! De gereformeerde leer kon weer openlijk bloeien! Een predikant maakte voor de Raad van State van de Verenigde Nederlanden een lijst met de namen van de families die het roomse geloof openlijk hadden afgezworen en beloofd dat zij wilden leven en sterven in de gereformeerde religie. Onder hen de familie de Hullu uit Santes. Vijf jaar later werd echter in Utrecht 8 • Reineringen 2.3

vrede gesloten en kwam Rijsel en omgeving weer bij Frankrijk. De hugenoten wisten wat ze mochten verwachten van de Zonnekoning. Vóór de Hollandse troepen de streek ontruimden, maakten verscheidene huisgezinnen zich gereed om te vertrekken naar Ieper en verder noordwaarts. Zoals vele andere families vestigden verscheidene De Hullus zich in Staats-Vlaanderen, het huidige

Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen: op deze kaart uit de 17e eeuw wijst de bovenkant wel naar het oosten...

Zeeuws-Vlaanderen. Ze werden er gastvrij ontvangen, kregen steun van de overheid en werden opgevangen in de Waalse kerken die in de loop van de 17e eeuw gesticht waren in Sluis, Groede, IJzendijke, Cadzand en Oostburg. Alle De Hullus die nu nog in Nederland wonen, blijken af te stammen van ene Jean, geboren

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


in Santes in 1660 en overleden in Cadzand in 1729. Eindelijk hebben we ze gevonden, Maria de Hullu, Hij was al voor de tweede keer weduwnaar geworden die de blikvanger heeft vervaardigd van onze collectie toen hij met zijn drie jongste kinderen naar Sluis in de Nederlanden vertrok. Zijn oudste zoon Nicolas bleef op de ouderlijke hofstede achter. Later zou Jean een hofstede bewonen in de Tienhonderdpolder nabij Cadzand. Zijn jongste zoon Jacques (°Santes 1704 – Cadzand 1778) trouwde met Marie Elisabeth le Mey, afkomstig

De hoeve in Zuidzande waar Maria de Hullu jaren aan haar tekendoek werkte

tekendoeken en merklappen. Zij bracht haar eerste levensjaren door op de boerderij “Welgelegen” in Schoondijke, maar het gezin verhuisde al in 1770 naar Zuidzande in de Antwerpenpolder. Het telde toen vier kinderen, waarvan Maria de jongste was: Jacob (17611823), Sara (1763-1796) en Elisabeth (1765-1798). In Zuidzande kwamen er nog vijf bij: Anna (1769-1810), Magdalena (1771-1774), Pieter (1772-1851), Abraham (1775-1859) en Isaac 1778-1818). Op het moment dat Maria haar merklap maakte waren er dus nog acht in leven. We weten weinig over haar, op basis van haar tekendoek kunnen we hoogstens enkele vermoedens opperen. De gebruikte materialen zijn hoogwaardig en waren dus duur. Het gezin was dus niet onbemiddeld. Dat valt trouwens ook af te leiden uit het feit dat zij de mogelijkheid hadden een grote hoeve over te nemen met heel wat land.

De Waalse kerk van Cadzand

van Wambrechies maar opgegroeid in Groede. Dit echtpaar had twaalf kinderen waarvan er acht vroeg overleden zijn. Jacques begon als landarbeider en eindigde als pachter op het Hof van Sint-Jan, alias De Hoogte, gelegen in de Zwartepolder onder Cadzand. Pierre (°Cadzand 1732 – Zuidzande 1795) was zijn derde kind, werd ook landbouwer en woonde eerst op de hofstede “Welgelegen” in Schoondijke en daarna op een hoeve in de Antwerpenpolder in Zuidzande. Hij was getrouwd met Anne Claerbout (°Cadzand 1736 – Zuidzande 1793) en samen kregen ze negen kinderen: het vierde heette Maria en werd geboren op 27 maart 1767 in Schoondijke. Zij had vier zussen en vier broers.

Deze hoeve moet al vóór 1668 bestaan hebben, want toen werd ze door de toenmalige bewoner Adriaan Casteleijn aan zijn broer verkocht; ook hun ouders hadden er gewoond. Het landbouwbedrijf wisselde ettelijke keren van eigenaar, waarbij de familienaam Casteleijn opvallend vaak betrokken is. Zo heette de derde vrouw van Isaac le Mahieu, de eigenaar van wie Pieter de Hullu de hoeve in 1770 overnam, Anna Casteleijn. De Hullu betaalde 7200 gulden voor “de timmer (hoevegebouwen), plantage en mestput”: dat was niet weinig, want veertien jaar eerder was de prijs nog 4200 gulden. Het pachtland had in 1704 een oppervlakte van 116 “gemeten”, wat nu zou overeenkomen met ongeveer 50 hectare. Ondertussen kan de grootte uiteraard vermeerderd of verminderd zijn geworden.

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 9


De hoeve in Zuidzande waar Maria de Hullu jaren aan haar tekendoek werkte

Maria is gestorven op tweede kerstdag in 1788: zij is niet ouder dan 21 jaar geworden. Haar moeder Anna Claerbout overleed in 1793, haar vader in 1795. Haar broer Pieter bleef op de boerderij en trouwde in 1796 met een zekere … Janneke Casteleijn! In 1829 nam hun zoon Jannes het bedrijf over, maar toen hij twee jaar later stierf was het de beurt aan zijn zus, die ook Maria de Hullu heette, zoals haar overleden tante! Zij was in 1825 getrouwd met Izaak Luteijn. Moei Mietje – zoals ze in de familie genoemd werd – bleef ook na het overlijden van haar man in 1865 met haar ongehuwde zonen Pieter en Abraham op de ouderlijke boerderij wonen tot ze in 1884 op 79-jarige leeftijd stierf. Haar gehuwde zoon David was molenaar in Zuidzande. Toen deze laatste de hofstede erfde in 1920, heeft hij haar verpacht aan zijn zoon David. Toen die met zijn vrouw in 1951 in het dorp ging wonen, kwam zijn dochter Suzanne (°1925) op de hoeve wonen. Zij was datzelfde jaar getrouwd met Abraham Pieter Kools. Samen beboerden zij de hofstede tot in 1989: het meeste land werd verkocht aan een achterneef, ook al een David Luteijn. De 5 overblijvende ha. rondom de gebouwen werden verpacht. “Van de oude schuur, zo’n 300 jaar oud, bleef niet veel meer moois over. Een stormnacht in 2002 deed al een deel instorten en na de storm van 1 februari 2004 bleef maar een vijfde deel meer over.” Dat zijn de woorden van Suzanne zelf, die na het overlijden 10 • Reineringen 2.3

van haar man in 2009 haar geboortegrond heeft verlaten. Haar zoon Johan Pieter Kools is nu eigenaar van het erfgoed. “Het laatste stuk schuur werd gesloopt en hopelijk komt er een nieuw bouwwerk in wat oude stijl voor terug. – Het oude huis was in 1962 vervangen door een nieuw huis. Door oorlogsbeschietingen was het provisorisch wat opgeknapt maar vooral het dak was er slecht aan toe. Ook de oude wagenschuur werd na de oorlog’s(1940-1945) handelingen niet meer herbouwd.” Wanneer de hofstede de benaming “Reino-hoeve” kreeg, is niet duidelijk, maar de betekenis van die naam werd wel overgeleverd: Rustig En Ingespannen Naar Omhoog. Vader David Luteijn noemde de hoeve, gelegen aan de Molenweg 9 te Zuidzande, “Bouwlust”. Hoe we aan al die gegevens zijn gekomen, leest u in volgende aflevering, met bronvermelding. Frank Hellemans (wordt vervolgd)

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Kontich, kardinaalsdorp bewoond door strontboeren? Of toch niet? Aanleiding Enige tijd geleden vroegen enkele Antwerpse kranten aan de heemkundige kringen of de inwoners van hun dorp een bijnaam hadden. Bij mijn weten - en dat van andere kringleden - werden Kontichnaren nooit spottend benoemd. De eerste publicerende krant veroorzaakte bij een buur van het documentatiecentrum een boze reactie. Dit familielid van onze Kontichse bokslegende Gaston Van den Bos ( kampioen van België bij de pluimgewichten in 1936) verzekerde ons bij hoog en bij laag dat zijn vader en grootvader Kontichnaren altijd strontboeren genoemd had en dat wij er dus glansrijk naast zaten! Gelukkig gaf onze conservator Guido Theys ons een gouden tip door twee andere gemeenten met strontboeren op te sporen. Zo kon ik onze buur een antwoord sturen. Wanneer nadien ook nog Erwin Van de Velde ons verwees naar een historische aanduiding van Kontich als een van de vele kardinaalsdorpen in de regio met als bewijs een artikel uit de Gazet van Atwerpen (1975), kon ons geluk niet meer op! Kringantwoord met ‘een reukje’! Inderdaad, vooraleer in de 19e eeuw het Engelse toilet of WC met waterspoeling zijn intrede deed, zaten stadsmensen zoals de Antwerpenaren voortdurend met een groot probleem. Af en toe was de put vol. De septische put was nog niet uitgevonden, zelfs aan een overloop naar de riool was nog niet gedacht. Het goedje werd dan wel tegen betaling met een beerschepper in een ton, paardenkar, aanhangwagen, … opgeslagen, maar … waar naartoe? De oplossing in de negentiende eeuw bestond in het bouwen van reusachtige betonnen of gemetselde opvangbakken in randgemeenten met veel landbouw zoals Kontich, Sint-Katelijne-Waver, Lier, … De boeren konden - voordat guano uit Zuid-Amerika en later chemische meststoffen hun intrede deden – hun landerijen ermee bemesten. Ook in Kontich waren toen heel wat akkerbouwbedrijven en liep er heel wat minder vee dan vandaag, zodat ook Kontich zijn ‘beerputten’ kreeg. De ‘beer’ moest er nog wel geraken. In Kontich bouwde men deze opslag tussen het afleidingsspoortje vanuit de Molenbossen op de lijn Antwerpen-Zuid naar Kringlid Fons Hermans, tegen de begroeide zijkant van de beerputten met de zwengel goed zichtbaar en vandaag nog Mechelen (diepe route) en de lijn Oude God – Kontichbestaande huizen in de Rubensstraat (links en rechts van de West (centrum) – Boom. Men kon de paarden de kar opgevulde ‘diepe route’).. over een schuinlopende oprit (rampe) naar boven laten trekken en het goedje in de putten laten lopen. De boer kon al of niet tegen betaling (dat is ons niet bekend) zijn voorraadje oppompen, als hij zelf de zwengel van de pomp ronddraaide. Of ook een trein zijn tankwagons met het goedje in Kontich kwam lossen, vond ik nergens. Waar water was gebeurde dit transport per binnenschip, zoals u hieronder kan lezen in Duffel. Als kind zag ik deze Kontichse putten nog langs het toen slecht gekasseide ‘Korte Drabstraatje’ in het verlengde van de Rubensstraat, aan de overzijde van het ‘ijzeren’ voetgangersbrugje over de diepe route, richting Sint-Rita. Dit straatje liep als assenweg verder tot aan de overweg Drabstraat – Pierstraat. De putten schitterden in de zomer geel, begroeid als ze waren met ‘rijstpap’, een kruipend vetplantje. Bij mijn en ons weten is de bijnaam die deze buur voorstelde echter nooit officieel in gebruik geweest, laat staan dat het in geschreven documenten stond. Al kan hij hier en daar door mensen wel gebruikt zijn. Onze conservator Guido Theys vond wel twee buurgemeenten met strontboeren: Hoboken en Duffel. Dat is zo dichtbij dat mensen hem vandaar eventueel wel kunnen ‘meegebracht’ hebben bij verhuis naar Kontich of na een huwelijk met een Kontichse inwoner. Alvast mijn eigen overgrootvader kwam zo in 1790 van Hoboken naar de Drabstraat in Kontich wonen. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 11


Op Wikipedia lezen we over deze twee buurgemeenten: Hoboken: De naam Hoboken is samengesteld uit twee bestandsdelen: Ho en boken. Ho is een afkorting van Hoog, boken komt van het Middelnederlandse boeken, wat tegenwoordig beuken zijn. Hoboken betekent dus Hoge Beuken, bomen die de gemeente al eeuwenlang sieren. Naar de Hoge Beuken is het ziekenhuis van Hoboken genoemd. Schertsend wordt Hoboken ook wel “het dorp waar de boeren stront koken” genoemd, oftewel het “strontdorp” van de “strontboeren” of “strontkokers”. Dit komt tot uiting in het plaatselijke liedje: Wie pakt er den bak en wie rijdt er om kak? Strontboeren! Duffel: Duffel was een doorvoerhaven voor beer en stront, afkomstig van grote steden langsheen een waterweg. Vanuit Duffel werd de stront op elk stukje landbouwland in de buurt gekieperd zodat er geen vruchtbaarder grond is dan die zwarte grond van de groentestreek en omgeving, dankzij ‘t labeur van Duffelse strontboeren. De strontschepen geraakten in onbruik en grote strontboeren pardon -transporteurs, zoals de familie Castrel, bleven wel zaken doen in het vrachtvervoer. Wablieft? Kontich een kardinaalsdorp, en wat nog? In 1550 erfde Antoine Perrenot de Granvelle (1517 – 1586) de heerlijkheid van Cantecroy (Mortsel). Op 21-jarige leeftijd was hij al bisschop van Atrecht en hij diende, evenals zijn vader, keizer Karel V, die hij herhaaldelijk vertegenwoordigde op het concilie van Trente, waar ook de katholieke vorsten zitting hadden. Filips II, zoon van keizer Karel, stelde hem in 1559 aan als eerste raadsheer en lid van de Consulta naast onze landvoogdes Margareta van Parma. Bij de oprichting van 14 nieuwe bisdommen (contrareformatie) werd Granvelle de eerste aartsbisschop van Mechelen en primaat van de Kerk der Nederlanden. Hij was dan misschien als mens milder tegenover het protestantisme, uit eigenbelang vervolgde hij de ketters wel erg meedogenloos. Op zijn aanraden werd de zestienjarige Filips-Willem, oudste zoon van Oranje en student in Leuven ontvoerd naar Spanje om als gijzelaar te dienen. Van hem kwam ook het voorstel om diens vader Willem van Oranje vogelvrij te verklaren. Kardinaal Granvelle was een erudiet persoon die goede contacten onderhield met Christoffel Plantijn en hem beschermde tegen aantijgingen van ketterij. Buitenburgemeester Van Stralen van Antwerpen en zelfs Willem van Oranje kwamen regelmatig op bezoek in zijn residentie Cantecroy. Van zijn vader had hij de lenen Cantecroy, Mortsel en Edegem geërfd. Hij kocht er nog de heerlijkheden Borsbeek, Hove en Boechout bij. Later verwierf hij zelfs nog Vremde, Kontich, Waarloos, Reet en Aartselaar. Cantecroy kreeg ten slotte de titel graafschap. De Granvelles bleven nog lang de titel graaf van Cantecroy dragen, zelfs lang nadat ze de residentie Cantecroy al verlaten hadden. Borsbeek, Mortsel, Boechout en Vremde, Edegem, Hove en Kontich, Aartselaar, Reet en Waarloos zijn sindsdien bekend gebleven als de kardinaalsdorpen. CONCLUSIE: Neen Kontichnaren worden niet spottend strontboeren genoemd MAAR….ze wonen wel in één van de kardinaalsdorpen uit de regio. Paul Wyckmans

Waddisdaffeuriet? Een beetje tot onze verbazing, maar we kregen geen enkel antwoord op onze prijsvraag. En dat is natuurlijk niet onze bedoeling. Misschien nu toch eens meedoen. Weet je waarvoor dit ding (waarvan je hier een stuk ziet) werd gebruikt, stuur dan je antwoord (met als onderwerp “Wedstrijd Reineringen”) naar reineringen@gmail. com – een klassieke gele briefkaart naar ons adres (Reineringen, Duivenstraat 22, 2550 Kontich) telt ook. Laat ons ook weten met welke prijs we jou een plezier kunnen doen: een merklappen-verjaardagskalender, het fotoboek “Archiefbeelden Kontich” of een (verlenging van je) abonnement op “Reineringen”. We verwachten je mail of briefkaart ten laatste op 30 oktober! In ons volgende nummer geven we uiteraard de oplossing. En een nieuwe opgave. 12 • Reineringen 2.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Ten behoeve van den armen gedaen

Een historiek van de armenzorg in Kontich en elders (deel 1) Na de val van het Romeinse rijk duurde het eeuwen vooraleer op de puinhopen van de antieke beschaving in Europa opnieuw een min of meer geordende maatschappij was opgebouwd. Pas met de groei van de steden in de tweede helft van de middeleeuwen werd het probleem van de armoede openlijk zichtbaar. Een aalmoes in ruil voor Gods genade Omdat de ordening van de samenleving toen werd beschouwd als de wil van God, kon de middeleeuwse arme rekenen op een vorm van medeleven. Voor de meer welgestelden die hun zielenheil wilden verzekeren vervulden de armen een belangrijke functie binnen de kerkelijke katholieke samenleving. Voor een middeleeuwer was het geven van aalmoezen zowel een maatschappelijke plicht als een middel om zijn hemel te verdienen. De tafels van de heilige Geest Hulpverlening aan armen en behoeftigen was op de eerste plaats een zaak van de kerk: de parochiaal georganiseerde “armendissen” hielden zich vooral bezig met het verzorgen van maaltijden voor de armen. Deze instellingen werden bekend onder de benaming “Tafels van de Heilige Geest” (de heilige Geest werd beschouwd als inspirator van de liefdadigheid). Elke parochiale tafel werd bestuurd door twee heiligegeestmeesters of armenmeesters, in samenwerking met de plaatselijke pastoor. Onder de levensmiddelen aan de armen uitgedeeld vinden we in die periode vooral brood (het basisvoedsel voor elke middeleeuwer) maar ook erwten, bier en op feestdagen af en toe vlees. Ook in Kontich konden de armen terecht bij een heilige-geesttafel (vanaf de dertiende eeuw). De oudste bronnenvermelding dateert van 1266. Dat deze tafel aan een reële behoefte voldeed, blijkt uit de gegevens Broodbedeling in een landelijk dorp van het aantal ondersteunde armen in Kontich voor de jaren 1480 (21 procent van de gezinnen) en 1496 (25 procent van de gezinnen). In grotere steden bestonden er ook nog zogenaamde “godshuizen”, eventueel kloosters en begijnhoven die steun verleenden aan behoeftigen: net zoals de armentafels waren dus ook deze instellingen religieus geïnspireerd of kerkelijk georganiseerd. Uitbesteding Een in onze hedendaagse ogen pijnlijk aspect van deze liefdadigheidsarmenzorg was de uitbesteding van kinderen en bejaarden. Kleine kinderen en oude mensen – de niet actieven of niet productieven dus – werden in ruil voor een financiële vergoeding uitbesteed aan godshuizen of aan gezinnen in andere gemeenten. Ook de Kontichse heilige-geesttafel besteedde zijn kleinste armen uit, terwijl godshuizen in Antwerpen hun arme kinderen of bejaarden soms onderbrachten in Kontich (ook in omliggende dorpen). Deze praktijk van uitbesteding bleef nog bestaan tot in de negentiende eeuw. Armenbussen en ziekenbussen Voor de volledigheid dienen we te vermelden dat er naast de kerkelijke liefdadigheid tijdens de middeleeuwen ook initiatieven bestonden van gilden en diverse beroepsverenigingen, waarbij behoeftige leden ingeval van ziekte of werkloosheid ondersteund werden door de “armenbus” of “ziekenbus”. Maar dit lidmaatschap was gebonden aan een bepaald beroep en dus aan de factor arbeid: enkel wie werk had in een bepaald beroep kon lid worden en dus eventueel steun ontvangen. Bijgevolg ging het niet om armenzorg in de hier door ons gehanteerde betekenis. Sommige van deze armenbussen waren de vroege voorlopers van de latere “maatschappijen van onderlingen Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 13


bijstand”, op hun beurt de voorlopers van ziekenfondsen en werkloosheidskassen. Het schuldmodel (16e en 17e eeuw) Vanaf de zestiende eeuw trad er een drastische wijziging op in de houding van de maatschappij tegenover de armen. Reeds in de vijftiende eeuw nam het pauperisme geweldig toe als gevolg van enerzijds de opkomst van het kapitalisme in landbouw en industrie, anderzijds de aangroei van de bevolking. Vele bezitlozen zochten hun toevlucht in de aangroeiende steden. Het aantal bedelaars nam toe en de armoede werd meer en meer zichtbaar in het straatbeeld. Deze evolutie deed zich overal voor in West-Europa, ook in onze streken. In Gent liep het aantal armen op tot de helft van de totale bevolking. In Leuven was dit zelfs 60 procent. Het lompenproletariaat liep rond 1600 op tot dimensies die wij ons nu niet meer kunnen voorstellen. De kloof tussen arm en rijk was groter geworden en het middeleeuwse systeem van liefdadigheid en aalmoezen volstond niet meer: het was niet in staat om de toenemende verpaupering van zeer grote delen van de bevolking op te vangen, vooral in de grote steden. Resultaat van dit alles was een verandering in de houding van de overheid en in de geesten van veel mensen (alleszins van de welgestelden). De armen werden niet langer met mededogen bejegend. Zij werden niet meer geboren als kinderen van God. Integendeel, voortaan werden armen beschouwd als een last en zelfs als een gevaar voor de orde van de maatschappij.

Winterhulp in Waarloos

De vierde wereld De Europese legers tijdens de oorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw bestonden in toenemende mate uit huursoldaten: groepen beroepskrijgers dus die hun diensten ter beschikking stelden van de heer, koning of generaal die hen nodig had en hen wilde betalen. Maar na de afloop van een veldtocht of een oorlog vielen deze huurlingen zonder werk en zonder inkomsten. De rondtrekkende groepen werkloze huurlingen en hun oorlogentourage (handwerklieden, prostituées, muzikanten, leurders, …) waren uiteraard nergens welkom en vervoegden – al dan niet via de omweg van roversbenden – de uitgestoten armengroepen uit de late middeleeuwen. Denk hierbij aan de plunderingen van de troepen van Maarten van Rossum tussen Antwerpen en Mechelen. Mede via deze evolutie ontstond volgens een aantal onderzoekers de groep van generatiearmen, de zogenaamde vierde wereld, die tot op vandaag afzonderlijke gemeenschappen vormen met een eigen cultuur en gebruiken en eigen waarden en normen.

Dwangarbeid in het werkhuis In vele steden ontstond geleidelijk een systeem van controle en repressie waarbij bedelarij werd verboden en waarbij de armen werden opgepakt en verplicht tewerkgesteld in werkplaatsen aan zeer lage vergoedingen of zelfs enkel in ruil voor levensonderhoud. In 1595 werd in Amsterdam het startschot gegeven: in het tuchthuis en in het spinhuis moesten daar de armen voortaan dwangarbeid verrichten, in ruil voor hun overleven. Eveneens ontstonden weeshuizen waar de arme kinderen werden ondergebracht. Buiten de Nederlanden was het de Britse “Poor Law” uit 1601 die het voorbeeld gaf: ook in Engeland werden de armen voortaan onder dwang tewerkgesteld in de workhouses. In Frankrijk ontstond een soortgelijk netwerk van manufactures. Aldus ontstond het zogenaamde arbeidsreserveleger. Onder druk van liberale economisten en ondernemers werkten de plaatselijke overheden (meestal stadsbesturen) mee aan de uitbouw van deze reserve van goedkope arbeidskrachten met als excuus de beteugeling van bedelarij en criminaliteit. Dit arbeidsreserveleger werd in latere eeuwen een belangrijke economische factor: het loonniveau van de “geregelde” arbeiders kon hierdoor laag gehouden worden en het “lompenproletariaat” van het reserveleger diende tevens om nieuwe machines uit te testen en om stakingen te breken. Peter Vanhooren (wordt vervolgd, inclusief bronvermelding)

14 • Reineringen 2.3

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Agenda en Nieuws Vrijdag 2 december om 19.30 uur in het museumgebouw (Sint-Jansplein): lezing door Ward Adriaens: “De Belgische archieven van de holocaust”. Toegang gratis. Aan de hand van een powerpointpresentatie krijgen we een directe kijk op de vervolging van joden en zigeuners in ons land. Ward Adriaens, directeur van de kazerne Dossin, heet al eerder een talrijk publiek weten boeien met het verhaal van de partizanen in onze streken. Ditmaal sluit hij aan bij het project van onze kring over de joodse kinderen die tijdens de oorlog in Altena ondergedoken zaten. Museum voor heem- en oudheidkunde: elke zondag open van 14 tot 17 uur met gids Zondag 11 september: Open Monumentendag. Het museum zal uitzonderlijk open zijn van 10 tot 18 uur. Nieuwe webstek: Op http://www.altenawijk.be hebben enkele bewoners van de genoemde wijk alle wetenswaardigheden over hun leefomgeving verzameld. Een lovenswaardig initiatief dat navolging verdient. Later hierover meer, maar ga nu alvast een kijkje nemen. Het archeologisch gedeelte van ons museum is vernieuwd, nu werken we hard aan de verbeterde presentatie van onze overige collecties. Vooral de afdeling textiel (met onze merklappen, tekendoeken e.a.) krijgt een prominente plaats in het “voorzaaltje”, waar nu ook al enkele van de fraaiste spinnewielen te zien zijn van de meer dan vijftig die we dit jaar verworven hebben. De inwijding van het vernieuwde museum is voorzien voor volgend jaar, onze trouwe lezers worden uiteraard als eersten op de hoogte gesteld van de juiste datum. Publicaties die met Kontich te maken hebben zijn makkelijk consulteerbaar op www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Kontich” in en je komt zo bij die uitgaves terecht.

De lamsbouthouder In de vorige Waddisdafeuriet gaven we de afbeelding van een lamsbouthouder. Over dit voorwerp valt eigenlijk weinig te vertellen. Het was gewoon een hulpstuk om een lamsbout vast te zetten. Dit had twee voordelen: je kon de lamsbout makkelijker aansnijden omdat je een stevige greep had en je maakte je handen niet vet omdat je de houder kon gebruiken. Deze houder was een gift van Alice Hellemans.

Interessant tijdschrift?

Zin om de volgende nummers te blijven ontvangen? Schrijf dan €15,00 over op rekening 415-5044221-42 van Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich vzw 2550 Kontich met vermelding van uw naam, adres, en “Reineringen”. U bent dan meteen ook lid van de “Vrienden van het museum” Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Reineringen 2.3• 15


Reineringen Reineringen 2 (2011), 3 Driemaandelijks (juli-augustus-september 2011) Afgiftekantoor Kontich P912187

België Belgique P.B. 2550 Kontich BC 31956

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Enkele raadgevingen voor een tocht door de Sahara. Deel 3 Pagina 5 175 jaar treinen door Kontich-Waarloos Pagina 8 Maria de Hullu Pagina 11 Kontich, kardinaalsdorp bewoond door strontboeren? Of toch niet? Pagina 12 Waddisdafeuriet Pagina 13 Ten behoeve van den armen gedaen Een historiek van de armenzorg in Kontich en elders (deel 1) Pagina 15 Activiteitenkalender en nieuws Pagina 15 De lamsbouthouder Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 2 (2011), 3 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Grafische vormgeving: Bruno Catteeuw Druk: Drukkerij Hendrickx, Schelle Verantwoordelijke uitgever: Paul Wyckmans, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2011 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): 15 euro Te betalen op rekeningnummer 415-5044221-42 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen” Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be

Reineringen - 2/3 (2011)  

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you