Page 1

Magazine voor actuele Outsider Art

Jaargang 11 nummer 1 mei 2016 prijs â‚Ź 7,95

Thema: textiel


Voorwoord In deze Out of Art staat textiel centraal. Het gaat vooral om de meest uiteenlopende materialen waarmee wordt ‘ingestoken, omgeslagen en doorgehaald’. Textuur en fantasie. Van vrouwelijke en mannelijke kunstenaars wereldwijd.

Out of Art is een uitgave van Amerart n.v. onder auspiciën van am Foundation en verschijnt twee keer per jaar. Redactie Out of Art Prins Hendriklaan 43, 1075 ba Amsterdam Tel. 020-675 63 00 info@out-of-art.nl www.out-of-art.nl Werkgroep Out of Art 21: Frits Gronert, Eva von Stockhausen, Karin Verboeket (hoofdredacteur) en Phia Verstraete. Aan dit nummer werkten verder mee: Annemie Depaepe, Marie Finaz, Per Kjærsgaard Jensen en Frans Smolders. Vertaling: Language Unlimited Tekstredactie English section: Eva von Stockhausen Vormgeving: Van Rosmalen & Schenk, Amsterdam Druk: Drukkerij Tesink, Zutphen Omslag: Karin Zalin, Bloterik met paardenkop, 2012 Borduurwerk op jute, 100 x 150 cm (detail), Foto: Marcel Köppen, Collectie De Stadshof Abonnementen/subscriptions Out of Art Abonnementenland Postbus 20, 1910 aa Uitgeest Tel. 0900 - 226 52 63 Fax 0251 - 310 405 klantenservice@aboland.nl www.aboland.nl De eerste abonnementsperiode geldt voor bepaalde tijd en kan niet tussentijds beëindigd worden. Abonnementen worden na de eerste abonnementsperiode omgezet naar een jaar­ abonnement, tenzij u tenminste 3 maanden voor het eindigen van de abonnementsperiode opzegt.

Abonnementsprijs in Nederland € 15,- per jaar Subscription inside Europe € 22.50 and outside Europe € 27.50 Voor verkooppunten zie www.out-of-art.nl Niets uit dit magazine mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorgaande toestemming van de uitgever.

Frans Smolders van Collectie De Stadshof schreef de inleiding en besteedt behalve aan Marie-Rose Lortet, vooral ook aandacht aan de vele internationale ‘heren outsiders’ die zich in de loop der jaren op textiel richtten. Aan bod komen de uiteenlopende textiele creaties van Siebe Wiemer Glastra, Bertus Jonkers, Jacky Garnier, Saï Kijima, Hans Langner, Michel Nedjar en Nek Chand. In de thema-artikelen is vooral aandacht voor dames, zij het niet exclusief: zo zijn we verheugd weer eens aandacht te kunnen besteden aan de grootse en weidse breisels van de Deen Kenneth Rasmussen. En het glansrijke garen van Karin Zalin uit Venetië (zie ook de omslag) straalt de beschouwer tegemoet. De bewerkte foto’s van de Nederlandse Risja Steeghs onthullen geportretteerden van weleer die met draadjes en kralen uit de vergetelheid werden geborduurd. Lyndsy Mervylde werkt in Vlaanderen graag aan langlopende projecten en batikt onder meer op zijde. Française Marie-Rose Lortet, ook genoemd in de inleiding, gebruikt haar draad als palet en werkt eindeloos door aan haar textiele structuren. De Franse Jill Galliéni tenslotte, maakt mysterieuze poppen. Groot en roerloos.

Out of Art 22 verschijnt december 2016 met een themanummer over collages

2

OUT OF ART MEI 2016

16

Gert van ’t Riet wordt voorgesteld in de rubriek ‘Ik ben ik’. Zijn vele fascinaties legt hij in intrigerende tekeningen vast; om in de gaten te houden. In Rotterdam werd de nieuwe locatie van de Herenplaats bezocht. Net als in de stad gaan hier laagdrempeligheid en kwaliteit hand in hand. In een interview met Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag, horen we over “Outsiderkunst als speldenprikken” in het museum. En ‘The place to be’ is gewijd aan Die Schlumper in Hamburg. In dit voormalige abattoir kun je verfspetters niet ontlopen. Hier wordt met verve gecreëerd en samengewerkt. Nu ook met een eigen galerie. Geniet van de textuur van textiel en de veelzijdigheid van deze editie. Een hele mooie zomer gewenst. Karin Verboeket, hoofdredacteur

© 2016

4

10


38

40

29 Thema: textiel

4

Textiel voor durvers en doeners Speciaal voor dit themanummer schreef Frans Smolders van Collectie De Stadshof een inleiding over textiel. Lees over “nieuwsgierigheid naar de esthetische mogelijkheden”, “associaties met aaibaarheid” en “parallelle of uitwaaierende streepjes”. Zeven heren en één dame in een parade van gouddraad, zijde, jute en stro.

16

Kenneth Rasmussen. Alles waarmee je maar kunt breien Deze Deen breit met alles wat hij te pakken kan krijgen. Tot plastic tassen en binnenbanden van auto’s aan toe. Sommige objecten hebben nota bene halzen, benen en borsten.

20 29

Karin Zalin. Eredienst van de vrouwelijke gratie? In Venetië woont en werkt Karin Zalin in een “onverklaarbaar bewoonde” werkruimte aan de meest fantasievolle, gracieuze borduurwerken. Inspiratie voor haar wandkleden vindt zij in de lagunestad zelf: gondels, bruggen, kerken, palazzi en gouden maskers. Risja Steeghs. Door rust en kunst Op een bed vol naaldjes borduurde Risja Steeghs tijdens haar ziekte foto’s en postkaarten. Het werd haar “belangrijkste uitlaatklep”. Kralen en gedroogde bloemen tooien afbeeldingen van naakten, Indianen en heren van stand.

32

Lindsy Mervylde. Over textiel en texturen Twill. Mousseline. Satijn. In Vlaanderen buigt Lindsy Mervylde zich over ragfijne breisels en batik op zijde. Zij houdt van de glans en de zachtheid van stoffen.

38

Marie-Rose Lortet. De draad als palet Deze Française creëert poëtische en humoristische verhalen over ontmoetingen en indrukken, uitgedrukt in stof en draad. Altijd maar door werkt zij aan haar intrigerende reeksen van textiel.

40

Jill Galliéni. Tussen poppen, gebeden en dansende zielen Levensgrote poppen als een ”kopie van de geest”. Groots van postuur en rijk aan details. Hypnotiserend en betoverend.

Rubrieken

10

Ik ben ik; Gert van ’t Riet “Daar, waar de punt van mijn potlood het papier raakt” Met grote verbeeldingskracht en fascinatie voor uiteenlopende onderwerpen, ontwerpt Gert van ’t Riet onderwatergebouwen, steden en verpakkingen. Gedetailleerd en technisch tekent hij scheepwanden, ronde ramen, een zuurstof kiewenstraalmotor en de onderkant van waterski’s… Fascinerend.

18

Bezocht en bekeken; Nieuwe locatie Herenplaats Typisch Rotterdams Er werd een bezoek gebracht aan de ‘nieuwe Herenplaats’ in hartje Rotterdam. Een grote, lichte ruimte. Over groepsgevoel, individuele werkplekken, workshops, samenwerking met scholen en zo’n veertig kunstenaars die elkaar regelmatig “op sleeptouw” nemen.

23

Fascinerende ontmoetingen; Benno Tempel Met outsiderkunst als speldenprikken Hoofdredacteur Karin Verboeket interviewde Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag. Vanuit de gedachte dat Outsider Art een beeldtaal is, sprak Tempel zich uit over de functie die het in een tentoonstelling kan hebben. Het kan verfrissend zijn “omdat het je blik even omdraait”.

34

The place to be; Die Schlumper, Hamburg, Duitsland Van abattoir tot atelier Daar waar rode verfspatten je doen denken aan ...; daar is Die Schlumper. In dit voormalige abattoir wordt breeduit gecreëerd. Hier ontstaan de meest wonderlijke kunstwerken onder bezielende leiding van de dochter van de oprichter. En sinds kort heeft Die Schlumper zelfs een eigen galerie. Echt een aanrader voor wie in Hamburg is.

43 51

English section Agenda

OUT OF ART MEI 2016

3


Siebe Wiemer Glastra De bizonderen visvangst, ca. 1965-1970 Borduurwerk, zijde en wol op linnen 89,5 x 76 cm Collectie De Stadshof

4

OUT OF ART MEI 2016

Schilderen met naald en draad


Thema: textiel tekst: frans smolders foto’s: marcel köppen

Textiel voor durvers en doeners Siebe Wiemer Glastra (1910-1973) begon op 49-jarige leeftijd fanatiek te schilderen, aan de keukentafel. Het vlotte met de romige, glanzende olieverven zo goed, dat hij zich durfde spiegelen aan de grote meesters Rembrandt en Van Gogh. “Koningsschilder der schilders” noemde hij zichzelf. Trouw aan zijn roeping als heilsoldaat en aan de Bijbel, penseelde hij vooral verhalen uit het Oude Testament. Hij ontwikkelde een geheel eigen schildertechniek, met roerende, tamponnerende, boetserende en trekkende bewegingen. Op een gegeven moment kon Glastra’s echtgenote de indringende lucht van de olieverf in de huiskamer niet meer verdragen “Die stinkende verf de deur uit, of ik!”. Ze wist hem over te halen om de verf in te ruilen voor wol en borduurzijde. Ze ging met hem uit winkelen om garens van goede kwaliteit te kopen en ongetwijfeld heeft ze hem op weg geholpen bij deze nieuwe werkwijze. p Siebe Wiemer Glastra Daniël in de leeuwenkuil, ca. 1965-1970 Zijde en wol op linnen 90 x 100 cm Collectie De Stadshof

OUT OF ART MEI 2016

5


Bertus Jonkers Zonder titel Reliëf, wol en gemengde techniek, 50 x 65 cm Collectie De Stadshof

Textielkunst: een eigen discipline?

In de tweede helft van de twintigste eeuw zien we heel wat kunstenaars op zeker moment in hun loopbaan voor textiel kiezen, naast of in plaats van de traditionele teken-, schilder-, en beeldhouwmaterialen. Vrijwel altijd vanuit heel andere motieven dan die van Glastra: bij gebrek aan geld of materialen, uit nieuwsgierigheid naar de esthetische mogelijkheden (stofuitdrukking, kleurkracht), vanwege associaties met aaibaarheid, kleding, of omdat dat met de paplepel was ingegeven. Sommigen werken in oeroude, tijdrovende handwerktechnieken: breien, borduren, haken, quilten (patchwork), naaien, weven, knopen, klossen of vlechten. Anderen gaan op onconventionele wijze met het materiaal te werk: ze plakken collages of bouwen installaties met textiele objecten als panty’s, zwabbers en lompen. Textielkunst blijkt geen eigen discipline. We laten er hier gewoon een aantal in optocht aan ons voorbijtrekken, alle uit Collectie De Stadshof. Schilderen met naald en draad

Om de draad weer op te nemen met Siebe Glastra: hij is in borduurgarens verder gegaan zoals hij met olieverf werkte. Hij schilderde als het ware met naald en draad, op het hem vertrouwde schilderslinnen. Hij streefde ernaar zijn mooiste verfwerken te evenaren, qua kleurkracht en uitstraling, in dezelfde combinatie van abstract-architectonisch mozaïek en gedetailleerd weergegeven natuur. Al bordurend benaderde hij penseelstreken zo dicht mogelijk: effen vlakken maakte hij met parallelle of uitwaaierende streepjes. Een lijn trok hij juist met een enkele draad, in een complementaire kleur. Zo laat hij Daniël in de leeuwenkuil eruit springen door diens kleren met zilverkleurige contouren te omlijnen. De genadige leeuwen tonen hun

wolharige vacht en windhooskapsel. We zien heel dunne, maar ook dikke lijnen, recht, hoekig of gebogen. Glastra creëerde zelfs transparantie door ajour, met ’n open netwerkje van lichtere draden over een donkere ondergrond heen te borduren. En kleuren mengen deed hij al even handig door de afwisseling van garens in verschillende tinten, zodat er op het oog een menging optreedt. De kunstenaar voegde hier net als in zijn verfwerken af en toe andere materia-

Bertus Jonkers Zonder titel Reliëf, wol, gouddraad en gemengde techniek op paneel 68 x 90 cm Collectie De Stadshof

6

OUT OF ART MEI 2016

len in, zoals spiegelend zilverpapier. Glastra slaagde er in een zinderende spanning te verbeelden in De bizonderen visvangst. Wat een dynamiek in de opbouw: enerzijds de statische zeilboot met loodrechte verticale en horizontale vlakjes, anderzijds laat hij het water golven, evenals de wolkenlucht met bliksemschichten, die met zijde zijn ‘geschilderd’ in grillige, steeds verschuivende steekjes. Ook op de scheepsromp rond het rode zwaard breken de golven witschui-


Jacky Garnier La Tapisserie Interrompue Borduurwerk en wol op jute 160 x 2.616 cm (detail) Collectie De Stadshof

mend. Glastra is spaarzaam met contourlijnen. Meestal laat hij kleurvelden tegen elkaar aan stoten. Typisch is zijn aandacht voor natuurgetrouwe details en zijn streven naar volledigheid in de weergave van de boot, opgetuigd met zeilen, katrollen en netten, met drie groepjes apostelen aan de reling. Er wordt een wonderbaarlijk overvol visnet opgehaald. Jezus staat aan land, in het rood, wit en blauw, en met een goudgeel aureool. Ook na vijftig jaar hebben de geborduurde schilderijen van Glastra niets aan kleur en kracht ingeboet. Materiaalgevoeligheid

Een andere schilder in textiel is Bertus Jonkers (1920-2001). Hij startte zijn loopbaan als huisschilder, maar schoolde zich om tot kunstschilder via een opleiding bij Artibus in Utrecht. Volgens de regels van de academie bekwaamde hij zich in landschappen, stadsgezichten en portretten, in verf en aquarel. Tot hij last kreeg van depressieve buien. Zijn kennismaking met yoga begin jaren zestig, betekende een omslagpunt. Hij dompelde zich onder in hatha-yoga, bezocht goeroes, las stapels boeken over innerlijke vrijheid. Vanaf toen durfde hij voor altijd het spelende kind te zijn, met zijn ongeremde nieuwsgierigheid. Met zijn nijvere handen toverde hij alles wat op zijn weg kwam om tot kunstwerk. Hij experimenteerde met grafische, fotografische procedés. Hij was tegelijkertijd ook nog schilder, stofontwerper, bouwer, beeldhouwer en schrijver van dichterlijke en spirituele teksten. Om het beeld van watergolfjes op te roepen in zijn schilderijen probeerde hij opgeplakte garens in allerlei diktes en graden van pluizigheid uit. Jonkers maakte veel reliëfs met natuurlijke patronen. Vanuit zijn materiaalgevoeligheid plakt hij touw en draden op panelen of metselt hij er stukken schors, schelpen,

stenen en mozaïeksteentjes op. Tot op de draad versleten vloerkleden transformeert hij tot gewaagde abstracte composities. In Collectie De Stadshof bevinden zich verder nog twee uit sisaltouw geknoopte grote wandobjecten, waarin hij gekleurde stenen en strengen zelfgemaakte kralen verwerkte. Kunst op de rol

De Fransman Jacky Garnier (1939-2007) heeft altijd en alleen met textiel gewerkt. Garnier stamde uit een weverij-familie. Sinds zijn overgrootmoeder hadden alle vrouwen er de kost mee verdiend. Als kleine jongen werd hij door zijn moeder aan het borduren gezet op oude lakens. Tot zijn twaalfde jaar, kon hij zich later herinneren, zat hij zelf ontwerpen te verzinnen. Na zijn militaire dienstplicht ging hij terug naar school, waar een tekenleraar hem zijn ontwerpen liet uitvoeren op jute. Van 1976 tot kort voor zijn vroege overlijden besteedde hij alle tijd naast zijn onderwijzersfunctie aan zijn levenswerk Het onderbroken tapijt (La Tapisserie Interrompue). Collectie De Stadshof bezit een van de zeven immense geborduurde tapijtrollen van deze textielkunstenaar; alles bij elkaar driehonderdvijftig meter. In het Stadshof-tapijt volgen negen voorstellingen elkaar op, die hier en daar in elkaar overgaan. Als in een droom rijgen zich de beelden aaneen. De beelden die al bordurend ontstaan zouden mythologische verhalen kunnen zijn, met goden en helden, met heilige bomen, slangen en strijders. Aan het laatste, onvoltooide uiteinde zie je de kunstenaar zelf als borduurder aan het werk. De naald steekt nog in het doek; bewust afgebroken na zesentwintig meter borduurwerk. Garnier gebruikt weinig, maar intense kleuren; blauwen en roden die elkaar op allerlei plaatsen doordringen. Het enorme kleed is op geen enkele wijze functioneel: te groot en te

weinig stevig als wandkleed, niet geschikt als vloerkleed. Het is een loodzwaar schilderij dat je stukje bij beetje kunt afrollen in een expositiezaal. Geplooide gezichten

De Zwitserse Japanner Saï Kijima (1952) noemt zichzelf “Kalado-meester, danser en performer”. Zijn grote artistieke talent schuilt in zijn ogen: hij ontdekt voorstellingen van geesten en gezichten in iedere textuur en plooival, elk lijnenspel van hout, karton en stof. Die geestverschijningen zijn ongetwijfeld een vanuit zijn jeugd in Japan meegekregen culturele erfenis. Het liefst werkt Kijima met materialen die hij onder handbereik heeft, zoals zijn eigen afgedankte kleding en handdoeken, geribbeld verpakkingskarton uit de supermarkt en p Jacky Garnier La Tapisserie Interrompue Borduurwerk en wol op jute 160 x 2.616 cm (detail) Collectie De Stadshof

OUT OF ART MEI 2016

7


Ik ben ik; Gert van ’t Riet tekst: phia verstraete foto’s: leon hermans

“Daar, waar de punt van mijn potlood het papier raakt” In september 2015 bezoek ik de eerste ‘In the Outside Art Tour’ in het Museumpark in Rotterdam. Het is zo’n bonte verzameling van mobiele expositieruimtes dat het aanvoelt alsof ik in een circus ben beland. Tussen alle kunstwerken in paardenwagens, zeecontainers, caravans en schaftketen, wordt mijn aandacht getrokken door de tekeningen van Gert van ’t Riet. Een wirwar aan potloodlijnen, details, vreemde perspectieven en een grote verbeeldingskracht, vormen samen unieke kunstwerken. Enthousiast en nieuwsgierig geworden, breng ik enkele maanden later een bezoek aan deze kunstenaar in Atelier Zinderin in Den Haag.

Gert van ‘t Riet Waterkering en stad in een, 2015 Gemengde techniek, 65 x 80 cm

10

OUT OF ART MEI 2016

zinderinkunst.nl


Gert van ‘t Riet Aanslag Parijs - Attack Paris, 2015 Gemengde techniek op papier, 65 x 80 cm

Vele fascinaties

Gert van ‘t Riet (1989) kijkt vanaf zijn werkplaats hoog over het Haagse Westeinde naar het drukke verkeer en de duiven die in grote aantallen op de platte daken hun vertier zoeken. Tijdens onze kennismaking wijst hij op de opstapplaatsen van de bus en de tram; hij kent ze allemaal. Het moet een inspirerend uitzicht zijn. Toch verkiest en vindt hij een rustigere omgeving om te praten over zijn werk. Gert van ’t Riet communiceert in korte zinnen. Hij heeft leren praten met behulp van een doventolk. Op de vraag of hij al lang tekent, begint hij eerst rustig zijn levensverhaal te vertellen. “Ik ben met de keizersnede geboren. Tot vier jaar normaal, daarna terugval. Ging naar de Effatha school (school voor doven en slechthorenden) in Zoetermeer. Ik praatte met mijn achtste. Ik leerde techniek en koken. Ik woon in Zoetermeer. Ik kom sinds 2007 naar Atelier Zinderin”. Even moet hij diep nadenken en dan “Vroeger tekende ik ook”. Gert van ’t Riet blijkt onweerstaanbaar geboeid door techniek, vervoer, rampscenario’s en bijzondere natuurverschijnselen. Al deze elementen zie je regelmatig terugkomen in zijn werk. Voor hij zijn idee tweedimensionaal gaat uitvoeren, raadpleegt hij literatuur over het onderwerp en ontrafelt hij het geheel. Zelfs de keuze van het materiaal wordt zorgvuldig afgewogen. Daarna begint zijn ontdekkingsreis op het platte vlak. Opvallend blijkt het verschil tussen schilderen en werken met potlood p

ontdekkingsreis op het platte vlak

Gert van ‘t Riet Stad bij de Atlantic Russen, 2014 Potlood op papier, 65 x 80 cm

OUT OF ART MEI 2016

11


Gert van ‘t Riet Under Sea City, 2015 Gemengde techniek op papier 65 x 80 cm

of pen. Het geworstel met perspectief is veel minder te zien in zijn schilderijen. Deze stralen meestal eenvoud en rust uit. Het lijkt alsof het gebruik van potlood hem meer uitdaagt om met zijn ideeën te gaan experimenteren. Dat maakt zijn tekeningen krachtiger, raadselachtig en soms zelfs ronduit overweldigend. Onderwatergebouwen

Gert van ‘t Riet bouwt ingenieuze onderwatergebouwen op papier. In de tekening Onderwaterruimte suggereert het witte vlak van het papier het element water. Onderin is een ruimte uitgespaard voor het gebouw. Wat veel voorkomt in zijn werk is dat hij de voorzijde van objecten open laat; zo ook in deze tekening. De beschouwer kan er als het ware binnentreden. Men kan gerust zijn, want je kunt er overleven. “Het is een kleine stad”, zegt hij. De oven en vele “inloopkasten” met brood en wijn getuigen daarvan. Vanuit dit gebouw vol glazen wanden, moet het indrukwekkend rondkijken zijn. Ook al zijn ze afwezig op de tekening, volgens Gert van ’t Riet, zie je er kwallen, vissen en onderzee- en duikboten. Hij refereert aan een cruise met zijn zus Cecilia, die veel indruk op hem heeft gemaakt. Dagenlang op zee en dan aanleggen in havens van mooie landen als Columbia, Venezuela en Curaçao. Zijn onderwatergebouw is technisch goed doordacht, want hoe krijg je wel zuurstof, maar geen water in de ruimte? “Ik heb een zuurstof kieuwenstraalmotor ont-

wikkeld”, zegt hij trots. Hij legt in korte bewoordingen uit dat er een turbopomp in het water ligt, die zuurstof naar de kieuwenstraalmotor verplaatst en deze via de ventilatoren naar binnen laat stromen. In Onderwaterstad toont hij dat de pomp vastzit aan een buis op het terrein aan een loskade in Amsterdam. Underwater City is één van de meest raadselachtige tekeningen die ik te zien krijg. Hij tekende een duizelingwekkende hoeveelheid grijze en zwarte lijnen. Hoewel het gebruik van rasters in zijn tekeningen vaker

Gert van ‘t Riet Underwater City, 2013 Potlood op papier, 75 x 100 cm Foto: Cor van Niel

12

OUT OF ART MEI 2016


”Ik heb een zuurstof kieuwenstraalmotor ontwikkeld”

Verpakking Dampf met ontwerp van Gert van ‘t Riet

voorkomt, is dit patroon hier overdadig aanwezig. Links ligt een tegelvloer die in een bocht loopt langs de scheepswand van een binnenschip. Verrassend is het uitzicht door het ronde raam; alsof men omringd door wolkenkrabbers, vanuit een diepe koker omhoog kijkt. Op bijna elke vierkante centimeter lijkt iets te gebeuren. Bovenin loopt een brug dwars over de gebouwen. Er zijn vissen en duikboten te zien en de onderzijden van waterjets. De beschouwer lijkt zich te bevinden in een surrealistische waterwereld met een enorme hoeveelheid aan verrassende elementen, zodat het heel wat tijd kost alles waar te nemen. Op de vraag waar hij in zijn tekening begint, hoeft hij niet lang na te denken “Daar, waar de punt van mijn potlood het papier raakt”. Vandaag de dag staat Gert van ’t Riet niet alleen met zijn idee over onderwatergebouwen. Ook ontwerper Daan Roosegaarde (1979) vertelde op 20 februari 2016 in de Volkskrant dat hij graag op de bodem van de Maas een onderwaterhotel zou willen bouwen, waar mensen tussen de visjes kunnen slapen. En wat te denken van het op 1 maart 2016 geopende Museum Atlantico, op de bodem van de Atlantische Oceaan? Dit eerste Europese onderwatermuseum is een initiatief van de Britse kunstenaar, duiker en onderwaterfotograaf Jason deCaires Taylor (1974). Bijzondere ontmoeting.

Gert van ’t Riet heeft een medestander in ingenieur Bart van Krimpen, voorheen werkzaam in

de offshore-industrie. Hij ziet de tekeningen van Gert van ’t Riet en concludeert “Zoals Gert tekent, zo ziet het eruit in mijn hoofd”. Al snel koopt hij drie interessante tekeningen. Later ontwikkelt Van Krimpen een nieuw product met de naam Dampf: een luidspreker die in elk willekeurig plafond gezet kan worden. Deze synchroniseert met de muziek van de smartphone, zodat iedereen overal thuis of in een hotel eigen muziek kan beluisteren. Van Krimpen vraagt aan Van ‘t Riet of hij de verpakking wil ontwerpen. Het ontwerp, geïnspireerd door de printplaat van Dampf, wordt enthousiast ontvangen en gaat nu de hele wereld rond. Ook het visitekaartje en de folder mag hij vormgeven. Een aantal tekeningen hangt in het bedrijf en de vraag naar een nieuw ontwerp is alweer onderweg. Gert van ’t Riet blijft er schijnbaar rustig onder en zegt alleen maar “Ik vind het leuk”. Rampen

Veel van zijn tekeningen wekken een angstig gevoel op. Men waant zich in de ondergrondse in Londen, midden op de spoorlijn, waar de metro elk moment komt aanstormen. Gert van ’t Riet probeert het tij te keren door stootblokken te tekenen “om de klap zo veilig mogelijk te maken”. Hij hoopt dat de techniek hem “niet in de steek laat”. Gert van ’t Riet vraagt dagelijks aan zijn omgeving om hem tijdig veel informatie te geven over wat hem te wachten staat. Dat geeft hem rust en zo overziet hij de dag. Hij overschrijdt zijn grenzen wanneer p

OUT OF ART MEI 2016

13


p

14

OUT OF ART MEI 2016


”Mijn leven is afhankelijk van de techniek” Gert van ‘t Riet MCH Water rise, 2014 Gemengde techniek op papier 30 x 23 cm

hij zonder een spoor van angst in de meest hoge achtbanen kruipt. Terwijl hij er een aantal in Europa opnoemt, ”de Python, Robin Hood, Walibi en Walt Disney in Parijs”, stelt hij zichzelf de vraag, waarom hij dat doet. “Ik denk”, zegt hij aarzelend, “ik geef mij over, ik ben los van alles. Mijn leven is afhankelijk van de techniek. Een schroefje kan loszitten, maar ik vertrouw op de techniek”. Waar hij geen vat op heeft zijn auto-ongelukken en natuurrampen. Het boeit hem mateloos wanneer een vulkaan uitbarst en mensen moeten vluchten voor de lavastroom. “Gaan zij zichzelf wel redden?”, is zijn gedachte. Ongelukken op de weg hebben meer dan zijn gewone aandacht “Gisterenmiddag was het weer raak”. Gert van ‘t Riet gniffelt, alsof hij het allemaal al heeft voorspeld. Hij brengt op zo’n moment al zijn Facebookvrienden op de hoogte van de verkeersopstopping “Het loopt vast van de A4 naar de A12. Wij kunnen doorrijden via de tweede rijstrook. Achter ons wordt de weg afgesloten”.

de notitie op de voorzijde. Men zou verwachten dat de tekening een oud-Hollandse voorstelling oplevert, maar niets is minder waar. De werkplaats van de kleibakkers is vreemd genoeg gesitueerd … in de oven. De kleipakketten liggen hoog opgestapeld en de arbeiders zijn aan het werk. Door het gebruik van veel zwart en grijs en het uitsparen van witte vormen, ruik je haast de geur van aarde. Cijfers en woorden op de stopcontacten in de huiskamer tonen ook hier zijn voorliefde voor de techniek. “Ik wilde de oven tussen de wolkenkrabbers”, zegt hij. “Dat is gelukt.” Een groot rasterwerk beslaat het bovenste gedeelte van de tekening. Ervoor en erachter zijn hoge torens getekend. Een niet nader te duiden voorwerp hangt in de lucht. Hij geeft geen antwoord op de vraag wat het voorstelt.

Gert van ’t Riet geeuwt en zijn aandacht verslapt. Hij kijkt naar buiten waar het zonlicht met de rode dakpannen speelt en de koolmeesjes aan een ijzeren afrastering hangen. Een witte meeuw zweeft op de thermiek tegen de felblauwe lucht. De beeldtaal van Gert van ‘t Riet laat zich niet zomaar verklaren. Hij heeft genoeg toelichting gegeven. De rest is aan de beschouwer. Het is lunchtijd en Gert van ’t Riet eet zijn boterham aan zijn werktafel. Met grote snelheid rijdt een ambulance met sirene richting het MCH Westeinde ziekenhuis, direct om de hoek. Gert van ’t Riet staat plotseling op en houdt zijn oren dicht. Hij wil weg van het gevaar. Het is te dichtbij. Ik neem afscheid van deze getalenteerde, vriendelijke kunstenaar. Onderweg zal ik goed uitkijken, want het leven zit volgens Van ’t Riet immers vol gevaar.

Inspiratiebron

Soms wordt Gert van ’t Riet geïnspireerd door een foto op internet. Hij wijst op een tekening “Deze oude keramiekoven wilde ik tekenen”. De oven met gietijzeren dierenpootjes op een tegelvloer krijgt in een huiskamerachtige setting plaats in het onderste gedeelte van zijn potloodtekening. De oven komt van de ‘Rodelaan 10’ uit ‘Venlo’; een ‘kleibakkers speciaalzaak’, getuige

Gert van ‘t Riet Picaso op deur keramicoven Potlood op papier, 65 x 80 cm Foto: Cor van Niel

OUT OF ART MEI 2016

15


Thema: textiel tekst: per kjaersgaard jensen foto’s: bifrost

Alles waarmee je maar kunt breien Kenneth Rasmussen (1971) woont en werkt in het Deense Randers. Hij vertelt dat hij als jongen van een jaar of acht, negen, begon met breien. Op school had hij een paar meisjes zien breien en hij vond het er interessant uitzien. Toen hij vroeg of hij dat ook mocht leren, kreeg hij te horen dat dit alleen voor meisjes was. Kenneth deed zijn beklag bij zijn moeder die hem toen wel leerde breien, hoewel zijn vader een breiende zoon wel een beetje vreemd vond. In het begin maakte Rasmussen voornamelijk sjaals. Eenmaal volwassen, bleef hij breien, maar nu werden het hoofdzakelijk peniskokers en bh’s. Of gewoon dingen die in breiwerk werden ingepakt en daardoor transformeerden tot onbepaalde ruimtelijke objecten. Atelier als installatie

Kenneth Rasmussen zit sinds 2000 op de kunstopleiding Bifrost. Hij is geboren en getogen in Århus, maar verhuisde naar een eigen appartement in Randers toen hij een paar jaar op de opleiding zat. Hij woont nu op loopafstand van Bifrost. Hij is ongelooflijk actief en deelt zijn dag heel systematisch in. Bij Bifrost maakt hij vooral linoleumsneden, maar ook eenvoudig ogende schilderijen. Na schooltijd gaat hij naar een door hem zelf gehuurde werkplaats. Hier houdt hij zich primair met schilderen bezig. Hij schildert vaak op gevonden voorwerpen of panelen die bij het grofvuil zijn gezet. Galerie BJÆK, zoals hij zijn werkplaats noemt, is open als de kunstenaar aanwezig

is en iedereen is welkom. Wanneer je daar binnenkomt, is het alsof je een installatie betreedt waarvan de kunstenaar zelf deel uitmaakt. Je vindt er talloze beschilderde voorwerpen, breiwerk in grote zakken, schilderijen en bitse opmerkingen op schrift. Tekstrollen en woordbeelden

Kenneth is dichter en woordkunstenaar. Zinnen en hele kleine teksten maken een wezenlijk deel uit van zijn grafische universum. Ook op zijn schilderijen duiken woorden op. Vanuit zijn werkplaats verkocht hij eerder kleine tekstrollen die hij Woordbeelden noemde. Hij schreef ook een verhaal van vele pagina’s met als titel De Aberomance (Apenromance). Kenneth vindt

Kenneth Rasmussen bij een van zijn breiwerken 400 x 800 cm

16

OUT OF ART MEI 2016

het heerlijk om met woorden te spelen. Hij verzamelt ze op dezelfde manier als waarop hij spullen verzamelt. Hij is muzikaal als het om woorden gaat en geniet ervan als hij de juiste woorden vindt om de wereld om hem heen te beschrijven. Als hij ergens boos over is, schrijft hij eindeloze reeksen brieven om uiting te geven aan zijn gevoelens. Havermout en plastic tassen

Het breien gebeurt vooral thuis of als Kenneth de wacht houdt bij een tentoonstelling of in de galerie. In het begin breide hij met touw, garen en resten stof, maar langzamerhand is hij overgegaan op het gebruik van plastic tassen, die hij aan repen knipt. Kenneth zegt dat de mensen wel vreemd naar hem kijken als hij bij de

bifrost.dk


Netto supermarkt is en een pak havermout en vijf plastic tassen koopt. Af en toe probeert hij nieuwe materialen uit. Alles waarmee je maar kunt breien, wordt uitgeprobeerd: binnenbanden voor fietsen, bindtouw, videobanden en nog veel meer. Veel van wat hij breit wordt later aan elkaar genaaid tot gigantische werken, afhankelijk van wat zijn overkoepelende idee is. Soms worden verschillende materialen door elkaar gebruikt. De afgelopen tijd houdt hij het echter bij de opengesneden plastic tassen, die hij oprolt tot kluwens zodat hij ermee kan breien. Wanneer hij de grote werken moet beschrijven die onder zijn handen ontstaan, dan beschrijft hij ze vaak als objecten met vele halzen, benen of borsten of hij volstaat met “Dat moet je zelf weten”. Tentoonstellingen wereldwijd

Kenneth is zeer actief in het presenteren van zijn werk. Hij wil graag zoveel moge-

Kenneth Rasmussen Een van zijn breiwerken in de blauwe kamer van de ‘Kapel voor de toekomst’ van kunstenaar Bjørn Nørgaard

lijk tentoonstellen, heeft eigen exposities samengesteld en wereldwijd meegedaan aan groepstentoonstellingen, met zowel breiwerk als linoleumsneden. New York, Glasgow, Osaka, Kobe, München, Kopenhagen, Brussel en Sydney zijn enkele plaatsen waar hij zijn werk heeft getoond. Op dit moment heeft hij een solotentoonstelling in het Gaia Museum voor Outsiderkunst in Randers en in het Kunstcentrum Silkeborg Bad, samen met een Japanse, een Amerikaanse en enkele geselecteerde Deense kunstenaars. Dat de tentoonstelling nu wordt georganiseerd in Kunstcentrum Silkeborg Bad dat tot nu toe nog geen Outsider Art heeft laten zien, draagt eraan bij dat de individuele kunstenaars als personen worden gezien die niet ondanks, maar dankzij hun handicap in staat zijn interessante en grensoverschrijdende kunst van hoge kwaliteit te maken. Tijdens deze presentatie toont Kenneth Rasmussen zowel linoleumsneden als gebreide werken.

Beeldend kunstenaar Per Kjaersgaard Jensen is als docent betrokken bij onder andere Bifrost en de Funen Kunstacademie.

Kenneth Rasmussen Een van zijn breiwerken in het Kettuki Art Center, Finland

OUT OF ART MEI 2016

17


Thema: textiel tekst: frans smolders foto’s: marcel köppen en frans smolders

Eredienst van de vrouwelijke gratie? De borduurkunst van Karin Zalin

Haar creatieve arbeid speelt zich af in het halfduister van een vochtig Venetiaans souterrain, schaars verlicht door een enkele gloeilamp. Daar maakt Karin Zalin (1951) haar grote wandkleden uit afvalmateriaal van een textielatelier. Hoog langs de muren staan rijen gekregen zakken vol garens en bandjes. Met haar fenomenale geheugen herinnert ze zich exact de inhoud van iedere zak. Feilloos vist zij er de gezochte materialen uit op. Haar ‘onverklaarbaar bewoonde’ woonwerkruimte in Venetië wordt ’s winters regelmatig onleefbaar door hoog water, ratten- en muizenplagen. Dan ligt haar borduurwerk stil. Zalin is broodmager, maar een overlever. Ze weet zich in de meest barre omstandigheden te redden. In luilekkerland

Alweer meer dan twintig jaar leeft Karin Zalin in Venetië. Ruim daarvoor al had ze zichzelf van haar Amerikaanse ‘roots’ losgerukt en zich min of meer verstopt in de Noord-Italiaanse lagunestad. Rond het jaar 2000 begon ze met haar borduurwerk; eerst op shawls. “Ga door, ga door, avanti, avanti!”, spoorde een kennis haar aan. Dat duwtje in de rug leidde tot een serie wandkleden, steeds met de historische stad als onderwerp. Ze lijken op geborduurde stadspanorama’s met een wirwar van kanalen, straten, passages, stegen en bruggen. Met typisch Venetiaanse gebouwen, schommelende gondels, maar ook met fantastische mens- en dierfiguren, waarvan het wemelt in Venetië. En zoals dat bij veel autodidacte kunstenaars gaat: iemand moet hun fenomenale artistieke talent onderkennen, hen als het ware ontdekken. De ontdekker van deze kunstenares beschermt de kwetsbare vrouw tegen opdringerige lieden. Alleen aan hem vertrouwt zij haar schaarse, voltooide kleden toe om ze te verspreiden in de wereld. Zalin is een echte solist en volgde geen praktische kunstopleiding.

Maar vanaf haar vijfde jaar bezit ze al wel een speciaal oog voor kunst. Zo wijdt ze van jongs af veel tijd aan museumbezoeken, kunstboeken, literatuur en muziek. Voor zo iemand is Venetië een luilekkerland: dat ondoorgrondelijke doolhof met zijn uitbundig versierde palazzi, die oprijzen uit het schitterende water. Met zijn pleinen met rijkelijk uitgestrooide standbeelden, gedecoreerde waterputten en fonteinen. Waar je maar kijkt, zie je gebeeldhouwde reliëfs, gesmede hekwerken, feestelijke guirlandes en winkeletalages die uitpuilen van theatrale, vergulde maskers, gekleurd glaswerk en kroonluchters met zwierige krullen.

Karin Zalin Zonder titel, 2014 Borduurwerk, gemengde techniek op jute 140 x 92 cm Collectie De Stadshof

20

OUT OF ART MEI 2016


Titansarbeid of monnikenwerk

Noch qua techniek, noch qua thematiek zijn Zalins kleden in te passen in een of andere textieltraditie van gobelins, meubelstoffering of antieke adellijke mode. Werken volgens een van de Italiaanse borduurtradities op zijn Assisi‘s, Florentijns of Venetiaans, vereist een systematiek van voorgeschreven patronen, materialen en technieken. Voor een mooi resultaat werkt de borduurster in regelmatige steken, zoals platsteken, kruis- of kettingsteken, span-, steel- of stiksteken. Alleen zo ontstaan er strakke patronen op een compleet bedekte ondergrond. Daarbij hoort dat de kunstenaar voor een ordelijk werkstuk een rechthoekige drager hanteert en bij een groter borduurwerk een borduurraam. Zo niet Karin Zalin: zij werkt met wol, zijde, kunstgarens en alle soorten band, zelfs veters, op een juten drager. Dun en dik, alles door elkaar heen. Ze is eigenwijs, werkt totaal vrij. Helemaal niet keurig, en altijd zonder borduurraam. Voor haar is haar artistieke bezigheid bepaald geen “eredienst van de vrouwelijke gratie”, zoals Emile Zola in zijn roman ‘Au bonheur des dames’ borduurwerk noemt1. Hier en daar zie je een ondertekening van de belangrijkste elementen, waarmee Zalin de beeldbepalende onderdelen naast en boven elkaar ordent. Verder werkt ze associatief. Ze hanteert naald en draad als een schilder zijn kwasten, in lange en korte halen, in stippen, vlekken en lijnen. Zakken vol textielrestjes zijn haar exuberante palet. En ze verrijkt haar kleden met glimmende kralen, stenen en pailletten. Er zit geen decoratieve rand om het tapijt, alleen een boord met snelle festoensteken, ter versteviging. Bloterik met paardenkop

In het groenige kleed (zie omslag) zien we in een S-vorm van rechtsboven naar midden onder een optocht van losse gebouwen. Palazzi en kerken en de befaamde San Marco-leeuw op zijn kolom, staan te dansen als losse silhouetten. Centraal staat een statig en majestueus gebouw met een rijk versierde gevel, dat van binnenuit een paars licht verspreidt. Ter weerszijden dartelen JeroenBosch-achtige wezens, bloot maar geslachtsloos, in afwisselende roze-tinten. Monstrueuze verschijningen in extreme houdingen, mythologische zeegoden, griffioenen, vogels, gevleugelde leeuwen, fantasiebeesten met paardenhoofd of vissenkop. Op de onderrand kijkt een bloterik ons vrijmoedig aan. De zwarte ondertekening op de jute, van de mensen- en dierenkoppen, is op veel plaatsen nog zichtbaar doordat Zalin niet alle lijnen bedekt met garens. Gezichten arceert ze met wat losse steekjes. Het borduursel heeft een zeer wisselende dichtheid. Draadjes lijken

collectiedestadshof.nl

afzonderlijke penseelstreken, likjes verf, meest in simpele rijgsteken, van rijstkorrelformaat tot lange halen, in zeer bonte kleuren. We zien geen perspectivische verhoudingen tussen gebouwen en figuren: er is geen suggestie van diepte, niet door kleurvervaging of lineair perspectief, noch door overlappingen. Vogels zijn zo groot als een huis. Waterpartijen in blauwen en groenen fungeren als verbindende lijnen en geven het doek zijn hoofdkleur. De losse scenes bij elkaar opgeteld, vormen geen vertelling. Vuurwerk uit naald en draad

In een voornamelijk goudkleurig kleed (zie p.22) legde Zalin ook het jaarlijks terugkerend vuurwerkspektakel vast bij de kerk Il Redentore, ter herdenking aan de pestepidemie, van 1570. Het uiteenspattende vuurwerk weerspiegelt in het donkere water en zet de hele stad in een goudgele gloed. Verschrikt vliegen vogels op. Ook hier ontwaren we, naast sierlijke gebouwen, bruggen en

p

Karin Zalin Zonder titel, 2014 (detail) Borduurwerk, gemengde techniek op jute 140 x 92 cm Collectie De Stadshof

OUT OF ART MEI 2016

21


Karin Zalin Zonder titel, 2013 Borduurwerk, gemengde techniek op jute, 73 x 78 cm Collectie De Stadshof

gondels, de San Marco-leeuw op zijn zuil en enkele steigerende paarden. Die springerige paarden lijken me geïnspireerd door een kermiscarrousel, of door de gouden afzetkoordhouders die je in veel gondels ziet; eerder dan door de robuuste ruiterstandbeelden in de stad. Rechtsonder in dit tapijt kijkt een aap de beschouwer brutaal aan. Eigengereid, stoer en gracieus

Ik vermoed dat Karin Zalin zich in Venetië voelt als Alice in Wonderland. Al past dat kinderlijk speelse en verwonderende niet in het beeld van haar verschijning en haar karige levensomstandigheden. Of zoekt ze in haar borduurwerk verstrooiing, een afleiding van onaangename gedachten? Waarschijnlijker is het dat ze zich gewoonweg verliest in haar kunst, zoals mensen totaal kunnen opgaan in een ingewikkeld breiwerk of een legpuzzel. Zijn haar wandkleden te vergelijken met de Italiaanse achttiendeeeuwse ‘vedute’, geschilderde stadsgezichten die meestal dicht bij de werkelijkheid blijven? Die willen vooral imponeren met uiter-

lijk vertoon. Of meer met een theatraal operadecor, dat op dramatisch effect uit is? In elk geval is er geen verhaal in te ontwaren, dus is het ook heel anders dan het beroemde middeleeuwse Tapijt van Bayeux. Haar fantasievolle werk is verder niet moralistisch te noemen en is dus ook niet vergelijkbaar met de belerende zotternijen van Jeroen Bosch (1450-1516). Evenmin bevat het verborgen boodschappen, en is dus ook al geen politieke of sociale rebus, zoals de mild spottende wandkleden van de excentrieke hedendaagse kunstenaar Grayson Perry (1960). Zalins tapijten leveren geen commentaar op onze moderne tijd. Geen vliegtuigen, cruiseschepen, speedboten, drommen toeristen of andere taferelen uit het Venetiaanse dagelijks leven. Niets van dat alles! Mij dunkt dat Karin Zalin geheel voor eigen vermaak werkt, zonder communicatie met ons. Ze biedt ons een onbedoelde glimp in haar eigen binnenwereld, een zelf geconstrueerde gracieuze kunstwereld, waarin zij haar eigen gang gaat met een geëmancipeerde vrouwelijke vrijheid en doortastendheid. Frans Smolders is conservator van Stichting Collectie De Stadshof.

1. Emile Zola, ‘In het paradijs voor de vrouw’, Parijs 1883

22

OUT OF ART MEI 2016


Fascinerende ontmoetingen; Benno Tempel, Gemeentemuseum Den Haag tekst: karin verboeket foto’s: leon hermans

Poppenhuizen, muziekinstrumenten en … schilderijen: ik ontdekte ze als kind in het Gemeentemuseum in Den Haag. Als leerkracht kwam ik er met basisschoolleerlingen en als student kunstgeschiedenis vond ik er vooral een goede leerschool. Nog steeds gaan leren en genieten hand in hand als ik het Berlagegebouw betreed. Soms ontdek ik daar een beeldtaal die lijkt aan te schurken tegen die van de Outsider Art: nooit voor de volle honderd procent, maar toch… Ik denk aan de Übermalungen van Arnulf Rainer (zie ook Out of Art mei 2006) en aan de ‘poppen’ van Louise Bourgeois. En dan was daar opeens de tentoonstelling ‘Outsider Art; Creativiteit buiten de kaders’ in 2015. Tijdens de Karel Appel tentoonstelling dit jaar, sprak ik Benno Tempel, sinds 2009 directeur van het Gemeentemuseum en het Fotomuseum. Het werd een gesprek over beeldende kunst, fotografie, Outsider Art, de kracht van het museumgebouw en de veranderende samenleving.

Met outsiderkunst als speldenprikken Hoe kijkt het Gemeentemuseum aan tegen de beeldtaal van Outsider Art en hoe komt dat tot uitdrukking in het tentoonstellingsprogramma? “Outsider Art is voor ons geen vreemd idee; het is sowieso onderdeel van de beeldende kunst. Neem de tentoonstelling ‘Kandinsky en der Blaue Reiter’ in 2010. Dat is natuurlijk niet exact Outsider Art, maar Kandinsky en zijn partner Gabriële Münter verzamelden kindertekeningen die ze gebruikten als voorbeeld voor hun eigen werk. En outsiderfotografen hebben we natuurlijk ook getoond, zoals Tichy, Heyboer en natuurlijk Fieret, een groot Haags kunstenaar. Hij was opgeleid als beeldend kunstenaar, maar niet als fotograaf. In die techniek heeft hij een autodidactische weg afgelegd die in de uitingsvorm ook wel raakt aan Outsider Art. Het is altijd interessant als een kunstenaar een ander medium gaat gebruiken, zoals analoge fotografie in dit geval. Die worsteling met de materie gaat dan deel uitmaken van het werk. Je wordt veel vrijer in hoe je met het beeld omgaat. Dan zie je dat Tichy foto’s op karton plakt en ze omlijnt als een soort kunstwerkje dat hij overal laat rondslingeren; het wordt heel smoezelig. Het is een goed

“…het is altijd interessant als p een kunstenaar een ander medium gaat gebruiken.”

OUT OF ART MEI 2016

23


voorbeeld van hoe de keuze van perspectief en omlijningen er een andere beeldtaal aan geven. Zo ook voor Heyboer. We organiseerden voor het Fotomuseum de tentoonstelling ‘Het onvermoeibaar epos’ (2011) met werk van Tichy en Fieret. We wilden er een derde fotograaf aan toevoegen. Op een gegeven moment komt een conservator uit het depot met een afgesneden foto en zegt “Tja, dit is een Heyboer, maar ik begrijp niet wat het is”. In het depot bleek dat Heyboer een hele grote afbeelding op zestien afzonderlijke bladen had afgedrukt. Hans Locher, de toenmalige directeur, had deze samen met etsen verworven. Hij ging altijd als een antropoloog te werk en bekeek deze foto’s vooral documentair. Voor Heyboer echter, betekende dit vooral het vastleggen van het leven, stempelen, samenstellen, bijschrijven…Dat maakt dit voor ons toch echt tot kunstwerken. Je kunt op allerlei manieren praten over outsiderkunst, maar het is tenslotte een beeldtaal.” Hoe worden Outsider Art en daaraan grenzende beeldtalen door het publiek in het Gemeentemuseum ontvangen? “Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat in de regel de uitdrukkingskracht in de Outsider Art zelf zit. De grote charme ervan is, dat als je werk van een outsiderkunstenaar in een tentoonstelling tussen werk van professionele kunstenaars hangt, het er altijd heel verfrissend uitspringt. Je loopt er snel naar toe. Het maken van een presentatie, is toch vooral het maken van een compositie. Als regisseur bepaal je wat je toont en in welke volgorde je daarmee een verhaal vertelt. Daarin functioneert het werk van een outsiderkunstenaar erg goed. Omdat het even de blik omdraait. Dat is altijd wel heel verfrissend in zo’n ensemble. Denk bijvoorbeeld ook aan Willem Witsen. Die zou je geen outsider noemen, maar een amateurkunstenaar; een vriend van Breitner en Israels, maar duidelijk minder getalenteerd. Als je een hele tentoonstelling van hem ziet, is het werk niet goed genoeg. Maar als je maar een of twee werken in een tentoonstelling hebt hangen, dan is het heel lekker werk en dat trekt. Het is mijn ervaring dat overdaad schaadt. Altijd, en vooral ook met Outsider Art. Als je het gedoseerd brengt, kan het heel goed werken. Kijk naar de Biënnale 2013 in Venetië. Het leuke ervan is natuurlijk dat je nieuwe kunstenaars ontdekt. Ook voor de geoefende kunstkijker ligt daarin juist de grote aantrekkingskracht. Maar neem je dat alleen als blikveld, dan implodeert het. Als je van de kunstenaars uit de zogenaamde ‘canon’ dan ook nog eens een atypisch werk selecteert, dan wordt het Outsider Art element versterkt. Heel jammer. Er waren een paar zalen waar het ontdekken wel goed werkte, zoals de presentatie van werk van Viviane Sassen met dat van een Japanse kunstenaar. Maar het frisse mag je niet om zeep brengen. Als je binnen de canon van de kunst als speldenprikken die outsiderkunst plaatst, werkt het heel goed.”

24

OUT OF ART MEI 2016


Hoeveel waarde hechten jullie aan verklarende teksten bij kunstwerken en hoe was in 2015 de ontvangst van de tentoonstelling ‘Outsider Art; Creativiteit buiten de kaders’ met werk van Collectie De Stadshof? “Ach, al die terminologie. Het beschrijft… het helpt wel om bepaalde dingen te benoemen. Kunst, terminologie en hokjes: het kan zo vechten tegen de bierkaai worden. Veel gecanoniseerde kunstenaar kunnen ook niet uitleggen waarom ze iets maken. Ik denk dat het juist de reden is waarom ze beeldend kunstenaars zijn… Voor de Outsider Art tentoonstelling hebben we zelf heel goed geselecteerd. Zo’n collectie is in de loop van de jaren gegroeid, maar dat wil nog niet zeggen dat je alles moet tonen. Dat doen we hier in het museum ook niet; een deel ligt in het depot omdat het rust moet krijgen. Een deel selecteren we weer voor op zaal. We wilden over deze tentoonstelling een ‘Gemeentemuseumsausje’ gieten. We hebben er zelf nog werk van de Haagse kunstenaar Napaku aan toegevoegd. Die vele manieren waarop je met een collectie kunt spelen, zijn interessant. De reacties van het publiek waren positief. Kijk, een groot deel van het publiek heeft dit soort kunst niet eerder gezien. Mensen zien het museum als een plek waar je iets kunt leren. We willen ook met teksten niet veel invullen. We willen niet zeggen dat kunst God is of dat kunst je gaat verblijden. Nee, het kan ook ergeren of troostend werken. We willen het in elk geval nooit heel sturend één kant opduwen. Wat je zou willen, is dat de verschillende beeldtalen gaan samenvloeien. In het museum gaat het om de esthetische beleving. Om het beeld. In eerste instantie is vorm bij een kunstwerk eigenlijk belangrijker dan het verhaal. Je moet geen encyclopedie zijn die wat feitjes oplepelt. Wij zeggen niet ‘we laten u genieten van kunst’. Wat we wel kunnen garanderen is dat museumbezoek iets teweeg brengt. Daar durf ik voor in te staan. Maar wat precies, dat moeten de mensen zelf invullen.” Vertel eens wat meer over de relatie tussen kunstenaars, het museum en de collectie. “Ten eerste: je bent een museum voor moderne kunst en Outsider Art is een interessant onderdeel dat een rol speelt in de geschiedenis van de moderne kunst. Wat ook een rol speelt, is dat wij een gemeentemuseum zijn en daardoor heel erg verankerd in de stad. Rijksmusea staan ook in een stad, maar hadden ook ergens anders kunnen zijn. Ook voor Museum Boijmans Van Beuningen en het Centraal Museum zal gelden dat ze totaal zijn vergroeid met hun steden. Kijk naar zo’n plaatselijke kunstenaar als Fieret, die op een bepaalde manier een outsider of een art brut kunstenaar genoemd mag worden. Hij woonde in deze stad en had veel contact met het p

“In eerste instantie is vorm bij een kunstwerk eigenlijk belangrijker dan het verhaal.”

OUT OF ART MEI 2016

25


Van abattoir tot atelier 34

OUT OF ART MEI 2016

Al ruim twintig jaar ken ik Die Schlumper in Hamburg. In Galerie Herenplaats exposeren we sinds 1999 regelmatig werk van kunstenaars uit dit opzienbarende Duitse atelier. Zo toonden we tijdens een expositie over transport de futuristische vliegmachines en raketten van Uwe Bender (1943) en later het werk van Werner Voigt (1935- 2015) op een tentoonstelling over de Bijbel. Zomer 2015 bracht ik weer eens een bezoek aan Die Schlumper. Ik wist dat de oprichter Rolf Laute (19402013) inmiddels was overleden en dat zijn dochter Anna-Karoline Pongs-Laute diens levenswerk had overgenomen. Graag wilde ik kennismaken met haar en haar ideeĂŤn omtrent de voortzetting van het atelier. Tegen het eind van de middag kwam ik aan bij de Neuer Kamp 30, ooit een abattoir waar dieren hun laatste adem uitbliezen, voordat ze in braadworsten veranderden. Sinds 1998 zijn hier de ateliers van Die Schlumper gevestigd. Het is een schitterende, industriĂŤle ruimte met hoge ramen en gietijzeren kolommen die de ruimte in twee lagen verdelen. Bij binnenkomst stonden kunstenaars te wachten op vervoer naar huis; een herkenbaar en vertrouwd tafereel dat we bij Atelier Herenplaats ook dagelijks meemaken.


The place to be; Die Schlumper, Hamburg, Duitsland tekst: frits gronert foto’s: die schlumper en frits gronert

Onverwachte meevaller

Artistiek directeur Anna-Karoline vertelde me dat haar vader beeldend kunstenaar was en dat hij al in 1980 ging samenwerken met kunstenaars met een beperking. Dit gebeurde in een tijdelijke atelierruimte in het voormalige Rode Kruis Ziekenhuis bij de metrohalte ‘Schlump’ in de straat ‘Beim Schlump’ in de Hamburgse wijk Alsterdorf. Het begon allemaal met de opdracht voor een muurschildering in het Wilfried Borck Huis, een instituut voor mensen met een beperking. Samen met een aantal getalenteerde bewoners realiseerde Laute daar een enorm werkstuk van 3 bij 9 meter. Het bestaat uit een soort raster waar boven en onder mensfiguren uitsteken. In het raster zijn verschillende materialen verwerkt, zoals steentjes en collages van papier en hout. Het heeft de titel Der Weg durch die Furt. Vier jaar later verhuisde Laute met deze kunstenaars naar de kelder van het stadhuis Schlump, wat in het Duits ‘onverwachte meevaller’ betekent, wat natuurlijk mooi paste bij zijn ideeën. Bovendien strookt het met de werkwijze van outsiderkunstenaars. Al met al een prima naam dus, voor deze groep kunstenaars die inmiddels internationale bekendheid geniet.

Volgens Anna-Karoline echter, beschouwde haar vader het in die tijd niet zozeer als een kunstenaarscollectief. Voor hem was het vooral belangrijk dat kunstenaars met een beperking, na hun werk of dagbesteding, konden tekenen en schilderen. Het succes trok steeds meer kunstenaars naar de studio en in 1985 werd de stichting ‘Vrienden van Schlumpers’ opgericht. Laute kreeg daarop financiële steun van de gemeente Hamburg, waarna de groep professioneel aan de slag kon, onder begeleiding van betaalde beroepskunstenaars. Vele tentoonstellingen volgden, zowel in binnen- als buitenland, waaronder in 2005 in de befaamde Kunsthalle in Hamburg en in 2008 in de Italiaanse Galleria D’Arte Moderna e Contemporanea in San Gimignano. In 2013, vlak voor zijn overlijden, kreeg Rolf Laute een eremedaille voor zijn werk van de Senaat van de Vrije Hanzestad Hamburg. Voor deze creatieve initiatiefnemer stond de kwaliteit van de kunst onverminderd voorop. Indrukwekkende ruimte

In de kleine ateliers van Die Schlumper spat de verf er van af. Overal zijn ongegeneerd kwasten afgestreken aan muren en meubels. Het is wel duidelijk: hier wordt woest p

OUT OF ART MEI 2016

35


“...altijd een bijzondere dynamiek.”

En… een eigen galerie

Tentoonstellingen met werk van Die Schlumper in Galerie Herenplaats, Rotterdam: -‘Een ontmoeting met Schlumpers’, 26 maart t/m 15 mei 1999, met onder andere werk van Uwe Bender, Kiymet Bock, Inge Wulff en Werner Voigt. -‘Transport’, 19 mei t/m 16 juli 2000, met werk van onder andere Uwe Bender. -‘En het geschiedde in die dagen’, 17 november 2000 t/m 28 januari 2001, met werk van onder andere Werner Voigt.

schlumper.de

36

OUT OF ART MEI 2016

geschilderd. Vanaf de rondgang op de verdieping heb je een goed uitzicht over de gehele ruimte. Beneden, bij de entree is een kleine balie waar boeken en kaarten verkocht worden en bevindt zich een koffiehoek. Tegen een muur is een podium geplaatst voor muziekoptredens. De ruimte kan in het weekend en in de avond worden gehuurd voor culturele evenementen. Ook is het mogelijk om rondleidingen te krijgen en de kunstenaars te ontmoeten. Heel anders dan bij Herenplaats is dat er ook na 17.00 uur kunstenaars met een beperking komen tekenen en schilderen. De vaste groep kunstenaars ‘Schlumper van beroep’ komt overdag, en sommigen blijven hangen tot 19.00 uur om anderen te ondersteunen in hun creatieve proces. Er wordt, vertelt Anna-Karoline, bovendien intensief “samengewerkt met scholen in de omgeving waar mooie projecten uit zijn voortgekomen”. Als voorbeeld noemt zij de muurschildering in een school die kunstenaars en schoolkinderen samen realiseerden. “De samenwerking tussen onze kunstenaars en basisschoolkinderen geeft altijd een bijzondere dynamiek. De kinderen vinden het heel erg leuk.”

Anna-Karoline heeft vertrouwen in de toekomst en gaat stralen als zij vertelt “Een hoogtepunt in ons bestaan, eigenlijk is het meer een droom, is dat we op 27 juni 2014 een eigen galerie hebben gekregen. Het is een ruimte van ongeveer 150 vierkante meter, verdeeld over twee verdiepingen. Het gaat om nieuwbouw en is op loopafstand van ons atelier. Aanvankelijk zou er een supermarkt in komen, maar door financiële ondersteuning van de particuliere Stichting Hans Kauffmann konden wij het pand huren. We zijn echter nog steeds afhankelijk van donaties en de verkoop van kunstwerken om de huur van deze galerie blijvend op te brengen”. De galerie ‘Forum voor Kunst en Inclusie Schlumpers’ is gevestigd in het hart van Hamburgs bruisende wijk Karoviertel en wordt beschouwd als een welkome aanvulling op de activiteiten in de wijk. Al met al was het weer een bijzondere ervaring om de mensen van dit bruisende collectief te ontmoeten. De volgende keer hoop ik meer kunstenaars te treffen om me door hen, hun werk en de omgeving te laten inspireren. Borduurwerk van Rohullah Kazimi

Tijdens mijn bezoek aan galerie Forum in Hamburg, bekeek ik de tentoonstelling ‘Star Wars’, met werk van veertien kunstenaars van Die Schlumper en leden van Kunstwerkstatt 18, een soortgelijke werkplaats in deze stad. Mij trof vooral het werk van Rohullah Kazimi (Kabul, 1987). Op de vlucht voor de burgeroorlog in Afghanistan kwam hij met zijn familie via Iran in Duitsland terecht. Hij woont inmiddels al weer vijftien jaar in Hamburg en begon in 2007 bij Die Schlumper. Hij werkt met verschillende materialen. Wat mij het meest opviel, is dat hij vaak op zijn tekeningen borduurt. Zo ontstaat een heel eigen beeldtaal. Ik herkende striphelden, zoals Batman en Superman, maar daarnaast zag ik ook stillevens en elementen uit de wereld van wetenschap, cultuur, geschiedenis, techniek, architectuur, anatomie, allerlei transportmiddelen en de natuur. Het gebruik van textiel in deze kunstwerken deed me denken aan de befaamde tapijtknopers uit Kazimi’s vaderland, daar is het een eerzaam beroep voor mannen.


Bijzonder is ook dat Kazimi een buitengewoon intrigerend dagboek bijhoudt, dat oogt als een kunstwerk op zich. Op de linkerpagina’s staan steevast de datum en de dagboektekst en rechts de tekening, soms in kleur, maar vaker in grijs potlood. Een exemplaar werd in een beperkte oplage van driehonderd stuks gedrukt en uitgegeven onder de titel Abendteuer Traum Tagebuch. Zelf zegt hij daarover “Das Traumtagebuch bedeutet, dass man eine Reise durch seine eigenen Träumen macht” (Het droomdagboek betekent dat men een reis door zijn eigen dromen maakt).

uit 1984, een groots altaarstuk van 400 x 200 cm. Het bevindt zich in de protestantslutherse Sint Johanniskerk in Altona, het noordelijke deel van Hamburg. Het opvallende beeldje van de beschermengel, vormgegeven als een klein, eenvoudig, Egyptisch aandoend figuurtje, werd hét icoon van Die Schlumper.

Werner Voigt en zijn icoon voor Die Schlumper

Een wel zeer bekende kunstenaar van Die Schlumper is Werner Voigt (1935-2015) (zie ook Out of Art, december 2008). Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag organiseerde de galerie Forum in 2015 een overzichtstentoonstelling van zijn werk. Helaas heeft hij dit zelf niet meer kunnen maken. Voigt heeft van 1984 tot 2005 deel uitgemaakt van de groep en in die tijd een heel eigen stijl ontwikkeld. Zijn thema’s zijn bijna altijd religieus. Heel indrukwekkend is zijn Alsterdorfer Passion

Rohullah Kazimi Barbarella, 2015 Garen op doek 26 x 20 cm Foto: Johannes Seebass

Karl-Ulrich-Iden Giganten Verf op karton en papier Tentoonstelling in de galerie van Die Schlumper Foto: Chr. van Hoffen

OUT OF ART MEI 2016

37


Thema: textiel tekst: marie finaz foto’s: marie finaz gallery

Jill Galliéni

Tussen poppen, gebeden en dansende zielen Naar binnen kijken

Jill Galliéni Princesses, 2010 Textiel Maximale afmetingen 36 x 21 cm

De poppen zijn groot en roerloos, hebben soms ogen, zijn in zichzelf gekeerd en erg sierlijk. Een tijd lang worden ze gemaakt van gips en stof, soms versnipperd, losgetornd of zelfs verscheurd en gespleten. Later worden ze meer verenigd, geconcentreerder en meer één geheel. Sinds 1999 maakt Galliéni poppen die groter zijn dan zijzelf, soms wel 1,95 meter hoog. De kunstenares zegt “Ze zijn niet op echte schaal; het is absoluut niet de bedoeling dat ze op mensen lijken. Ze zijn geen kopie van de mens, maar van de geest”. Deze slanke, rijzige poppen richten zich op, draaien zich, rekken zich uit, bukken zich, rechten hun rug, kronkelen om zichzelf... en dan verstijven ze in een onbeweeglijke roes. Hun gezichten zijn bedekt of hebben geen ogen, want de kunstenares wil dat ze naar binnen kijken en dat ze alleen zijn met hun gedachten. Deze beelden nemen ons mee in hun gebaren en nodigen ons uit ze van veraf en van dichtbij te bekijken. Zowel hun postuur als de kleine details zijn fascinerend. Jill Galliéni (1948) is geboren in Aix-en-Provence in Frankrijk. Haar moeder is Amerikaanse en haar vader is een Frans acteur. Tot haar zevende jaar werd ze opgevoed door voogden en daarna teruggehaald door haar vader. Haar moeder kende ze nauwelijks. Toen ze 28 jaar was, begon ze mysterieuze poppen te maken om zich mee te omringen en zo “een parallel universum naar haar eigen werkelijkheid” te creëren.

mariefinazgallery.com

40

OUT OF ART MEI 2016

Modellerend borduren

Jill Galliéni werkt maandenlang aan iedere pop. Ze begint met een metalen roosterwerk, vulstof en meerdere draden, totdat ze naar eigen zeggen “de innerlijke pose van dans, emotie

“de innerlijke pose van dans, emotie en intimiteit...”


en intimiteit laat zien die naar buiten komt”. Vervolgens bedekt ze de structuur met dikke stof, die ze samenvoegt en waarop ze borduurt met gekleurde draden. “Als het beeld al gevorderd, maar nog niet klaar is, helpt het borduren mij om het nog meer vorm te geven, de rondingen af te slanken en ze nog meer te draaien. Het is geen ‘mooi’, verfijnd borduurwerk, maar een modellerende manier van borduren. Het is een fijn en feestelijk moment. Ik houd van het idee dat deze lichamen volledig omgeven worden door draden; de draad staat voor de gedachte.” De “huid” van de poppen is zo getatoeëerd en ingekerfd dat deze tegelijkertijd verwond en versierd is; leed en sierlijkheid ineen, zoals een beschrijving van het leven. Sinds 2007 plaatst Jill Galliéni de vrouwen in groepjes, die zo een “verzameling” geworden zijn; voor de kunstenares zijn het “dansende zielen”. In de lijn van haar poppen en beelden tekent Jill Galliéni met een naald prinsessen op transparante organdie (dun, doorzichtig weefsel). Stukje bij beetje komen de lichamen naar voren uit een achtergrond met energiek geweven lijnen, als een elektrisch geschrift. De prinsessen hebben allemaal een eigen postuur en eigen gebaren. Ze observeren. Ze zijn hypnotiserend en betoverend.

Jill Galliéni L’exilée, 2003 Textiel, 185 x 68 x 53 cm Foto: Pierre David

OUT OF ART MEI 2016

41


Jill Galliéni Le pensionnat des sables (hommage au poème de Jean Barral), 2003 Textiel, 26 x 24 x 16 cm

Gebeden

Naast haar “vrouwen” tekent en naait Jill Galliéni, die een moeilijke periode in haar leven doormaakt, gebeden aan de heilige Rita, de patrones van de hopeloze gevallen. Sindsdien is ze niet meer gestopt met bidden. Uit een automatisch en onleesbaar handschrift ontstaat een tekening en een echte compositie. Sommige gebeden zijn met balpen geschreven, andere zijn op papier genaaid en samengevoegd in novenenschriften, die het spirituele leven van de kunstenares een ritme geven. 1 Voor Galliéni is kunst een essentieel middel om zich uit te drukken, een middel dat haar helpt om beter te leven en beproevingen te doorstaan. Draad is haar bondgenoot, waardoor zij kan weven, samenvoegen, tekenen, verbinden en weer aanhechten, alsof zij de verwondingen van het bestaan repareert en weer vooruit gaat. Tenslotte vertelt zij “Ik heb de

1. Novenschriften komt van ‘novena’: een reeks van negen dagen waarin men op bijzondere wijze tot God bidt om verhoord te worden

42

OUT OF ART MEI 2016

Jill Galliéni Fleurs sur l’autoroute, 2003 Textiel, 24 x 30 x 15 cm

indruk dat de beweging van mijn ziel, van mijn tegenstellingen en mijn vreugde te zien is in mijn werk”. Het werk van Jill Galliéni wordt regelmatig tentoongesteld en maakt onderdeel uit van openbare en privécollecties, waaronder Musée de l’Art Brut in Lausanne en in Frankrijk in Musée LAM, Villeneuve d’Asq en Musée Jean Lurçat et de la tapisserie contemporaine, Angers. Tentoonstellingen waren er ook in Centre Pompidou, Parijs, Art & Marges Museum, Brussel, Institut Français, New York en in Musée Bargoin, Clermont-Ferrand. Zij wordt vertegenwoordigd door Marie Finaz Gallery in Parijs die haar werk in 2016 exposeerde met dat van de kunstenares Marie-Rose Lortet (zie ook pagina’s 38 en 39 in dit magazine), tijdens de Outsider Fair in New York en de Salon Zurcher tijdens de Armory Show. Marie Finaz presenteert o.a. hedendaagse Outsider Art. Bezoek haar op de Outsider Art Fair in Parijs 20 t/m 23 oktober 2016.

Jill Galliéni Constellation Y, 2006 Textiel, 14 x 14 cm


English section Out of Art publishes key articles in English, something we hope will extend our services to our readers worldwide. Although Out of Art is a Dutch magazine, we work with writers from all over the globe to inform you about contemporary Outsider Art. In general, the magazine is published in May and December, with each edition based on a specific theme. This time, we are focusing on textile. In addition to feature items on the theme for that particular edition, the magazine also includes articles on art collectors and places to visit as well as interviews with fascinating people. We’re delighted to welcome you to Out of Art and would appreciate any feedback you might have. Whether you are a reader, subscriber or sales representative, we hope you enjoy our magazine. Karin Verboeket, Editor-in-chief

P. 4 - 9

not to be a separate discipline after all. Various works will be presented here, all are form The Stadshof Collection.

Theme: textile

Textiles, for those who dare and those who do Text: Frans Smolders Thema: textiel tekst: frans smolders

Textiel voor durvers en doeners Siebe Wiemer Glastra (1910-1973) begon op 49-jarige leeftijd fanatiek te schilderen, aan de keukentafel. Het vlotte met de romige, glanzende olieverven zo goed, dat hij zich durfde spiegelen aan de grote meesters Rembrandt en Van Gogh. “Koningsschilder der schilders” noemde hij zichzelf. Trouw aan zijn roeping als heilsoldaat en aan de Bijbel, penseelde hij vooral verhalen uit het Oude Testament. Hij ontwikkelde een geheel eigen schildertechniek, met roerende, tamponnerende, boetserende en trekkende bewegingen. Op een gegeven moment kon Glastra’s echtgenote de indringende lucht van de olieverf in de huiskamer niet meer verdragen “Die stinkende verf de deur uit, of ik!”. Ze wist hem over te halen om de verf in te ruilen voor wol en borduurzijde. Ze ging met hem uit winkelen om garens van goede kwaliteit te kopen en ongetwijfeld heeft ze hem op weg geholpen bij deze nieuwe werkwijze.

Siebe Wiemer Glastra De bizonderen visvangst, ca. 1965-1970 Borduurwerk, zijde en wol op linnen 89,5 x 76 cm Collectie De Stadshof

4

OUT OF ART MEI 2016

Schilderen met naald en draad

p

Siebe Wiemer Glastra Daniël in de leeuwenkuil, ca. 1965-1970 Zijde en wol op linnen 90 x 100 cm Collectie De Stadshof

OUT OF ART MEI 2016

5

Siebe Wiemer Glastra (The Netherlands, 1910-1973) started avidly drawing at his kitchen table at the age of 49. Working with creamy, shiny oil paints went so well that he dared to compare himself to the great masters Rembrandt and Van Gogh. ‘Court painter of painters’, he called himself. Faithful to his calling as a Salvationist and to the Bible, he mainly painted stories from the Old Testament. He developed a painting technique all his own, of stirring, stippling, moulding and pulling. At a certain point, Glastra’s wife could no longer stand the pungent odour of the oil paint in the living room – ‘Either that stinking paint goes or I go!’. She managed to persuade him to trade his paints for wool and embroidery silk. She went out shopping with him to buy good quality yarn and no doubt helped him with this new technique. Textile art: a separate discipline? In the second half of the 20th century, we see quite a few artists opting for textile at a certain point in their careers, alongside or instead of traditional drawing, painting and sculpting materials. In almost all cases, their motives were different to Glastra’s: whether it was lack of money or materials, curiosity as to the aesthetic possibilities of the material (expressiveness, richness of hue), associations with cuddliness and clothes, or because they had grown up with textiles. Some worked with ancient, time-consuming craft techniques: knitting, embroidery, crochet, quilting (patchwork), sewing, weaving, knotting, lacemaking or braiding. Others approached the material in unconventional ways: they stuck together collages or built installations using textile objects like stockings, mops and rags. Textile art turned out

Painting with needle and thread To pick up the thread with Siebe Glastra again: using embroidery yarn, he continued working in the same way as he had with oil paint. He painted with needle and thread, as it were, on canvas, with which he was familiar. He always worked to equal his most beautiful paintings, in terms of richness of hue and appearance, with the same combination of abstract-architectural mosaic and nature rendered in detail. When embroidering, he sought to get as close as possible to brushstrokes: he created plain fields using lines that ran in parallel or fanned out. He drew lines with a single thread, in a complementary colour. For example, he makes Daniel in the lion’s den stand out by outlining his clothes in silver-coloured contours. The merciful lions display their woolly hide and shaggy manes. We see very thin lines, but also thick ones, straight, angular or curved. Glastra even created transparency by means of openwork embroidery in lighter threads over a darker background. And he was just as good at mixing colours by alternating yarns in different hues, giving the appearance of a blend. As in his painted works, the artist occasionally added different materials, such as reflective tinfoil. Glastra succeeded in depicting an electrifying tension in The Miraculous Draught Of Fish. There is such dynamism in the composition: on the one hand, he depicts the static sailing boat with perpendicular vertical and horizontal fields, on the other he makes the water undulate, as he does the cloudy sky with lightning bolts, ‘painted’ in silk, in jagged, always shifting stitches. On the boat’s hull we see white foaming waves breaking around the red lee board. Glastra is sparing in his use of contour lines. Usually, he allows colour fields to abut. Typical of the artist is his attention for lifelike details and his efforts at completeness in the rendering of the boat, rigged with sails, pulleys and nets, with three groups of apostles at the rail. They are hauling in a net miraculously teeming with fish. Jesus is standing on the shore, shown in red, white and blue, with a golden-yellow halo. Even after 50 years, Glastra’s embroidered paintings have lost none of their colour and power.

Sensitivity to material Another painter in textiles was Bertus Jonkers (1920-2001). He started his career as a house painter but retrained as an artist at Artibus in Utrecht. In accordance with the rules of the academy, he studied landscapes, cityscapes and portraits, in oils and watercolours – until he started suffering depressive episodes. His introduction to yoga in the early 1960s represented a turning point. He immersed himself in hatha yoga, visited gurus, read stacks of books on inner liberation. From that point on, he dared to always be the playful child, indulging his unbridled curiosity. With his diligent hands, he transformed everything he encountered into art. He experimented with graphical, photographic procedures. At the same time, he was also a painter, fabric designer, builder, sculptor and writer of poetic and spiritual texts. In order to evoke an image of rippling water in his paintings, he tried sticking on yarns in all kinds of thickness and degrees of fluffiness. Jonkers made many reliefs with natural patterns. Harnessing his sensitivity to materials, he would stick rope and threads onto panels, even adding bark, shells, stones and mosaic tiles. He took threadbare carpets and transformed them into bold, abstract compositions. The Stadshof Collection also contains two large wall pieces knotted from sisal twine, in which he incorporated coloured stones and strings of self-made beads. Art on a roll Frenchman Jacky Garnier (1939-2007) always worked exclusively with textiles. Garnier came from a weaving family. Since his great-grandmother’s time, all the women of his family had earned a living from the craft. As a small boy, he was set to embroidering old sheets by his mother. Until the age of twelve, he later recalled, he would devise his own designs. After military service, he went back to school, where a drawing teacher allowed him to execute his designs on jute. From 1976 until shortly before his early death, he devoted all the leisure time his teaching job left him to his life’s work, The interrupted tapestry (La Tapisserie Interrompue). The Stadshof Collection contains one of seven immense embroidered carpet rolls by this textile artist; altogether, they are 350 metres long. The Stadshof tapestry consists of a sequence of nine scenes, here and

Subscriptions: www.aboland.nl Editorial office: info@out-of-art.nl

there merging into one another. The images form a chain, as in a dream. The images created by the embroidery could be mythological stories, with gods and heroes, holy trees, snakes and warriors. At the unfinished end of the final carpet, you see the artist himself at work, embroidering. The needle is still stuck into the cloth; deliberately broken off after 26 metres of embroidery. Garnier uses few, but intense colours; blues and reds that seep through one another in all kinds of places. The enormous tapestry is in no way functional: too large and not robust enough for a tapestry, nor suitable as a carpet. It is an enormously heavy painting that can be unrolled bit by bit in an exhibition space. Pleated faces The Swiss Japanese Saï Kijima (1952) calls himself a ‘Kalado master, dancer and performer’. His great artistic talent resides in his eyes: he sees representations of ghosts and faces in every texture and fold, every pattern of lines in wood, cardboard and fabric. These apparitions are undoubtedly a cultural legacy of his childhood in Japan. Kijima prefers to work with materials he has within reach, such as his own discarded clothing and towels, ribbed cardboard packaging from the supermarket or pieces of flaking waste timber from a skip by the side of the road. Saï Kijima uses them to create dolls, but also reliefs, through minimal interventions. He sticks pieces of cloth onto packaging material; crumpling, gathering and creasing as he goes. For example in Mi-Ru (Looking), from 1993, painted in monochrome using textile paint. Impassive, his character figures radiate mysterious power. Kijima reveals the inner life energy of each work, not the expression of the maker. Knitted poems From a young age, Marie-Rose Lortet (France, 1945) was boldly creative knitting. Each piece of work is a representation that has grown spontaneously, sometimes over months. She works without design or sketch, often combining knitting and crochet, with different parts being sewn together. Lortet is a born narrator of remembered, imagined or dreamed stories. She gives her textile art works poetic titles that betray her moods : Il voit rouge dans un tunnel noir and Toujours une petite armoire dans la tête. Does the title L’écouter jusqu’à l’entendre (‘Listening until you understand’) in this double-sided face of a man and a woman refer to miscommunication in a relationship? The blue person with the yellow nose and broad chin must be the man. The woman with the red nose is pouting slightly. Two pairs of ears that look like antennae ought to ensure good communication of wishes and feelings. However, these two people have been put together according to different patterns: the man in bright fields with the odd twist, the woman divided into numerous boxes and frivolities. These days, Lortet also makes architectural


sculptures from yarns solidified with sugar and fragments of lace. Stockings and mops Hans Langner (Germany, 1964) is a unique example of the ‘playing man’ (homo ludens), a man who fills his life with play for play’s sake, and is extremely serious about it. And this has an enormously inspiring and infectious effect. He is at his best making improvised ‘art’ from old objects that have been found or supplied. In 1999, to usher out the old millennium, he created a fantastic installation of 2000 creatures which he had shaped, under the title Requiem for my innocence.1 As a visitor, you enter a space like a limestone cave hung with constricted objects made from textiles, rags, or complete garments. It looks like an impenetrable forest filled with fantastical, hairy beings. Langner fills nylon stockings with household objects and cement, dramatically bringing into play elasticity and transparency alongside colour and texture. In every object he conjures up a living soul by means of suggestive amalgamations or by simply adding a pair of little eyes. Rags with blood, sweat and tears As an adolescent, Michel Nedjar (France, 1947) became painfully aware of his origins, overshadowed as they were by the Holocaust, and his inescapable mortality. Between 1970 and 1975, this led to restless wanderings through Turkey, Iran, Afghanistan, Mexico, Guatemala and Belize. He was touched by folk customs and death and burial rituals. His artistic, more emotional than intellectual response was an endless series of Poupées: dolls, fetish objects made from rags, bones, feathers and all kinds of rubbish found on the streets. Rags mean a lot to Nedjar because they bear witness to past lives. They are melancholy and consoling relics of those lives. He owes this interest to his grandmother, who was a rag seller at a flea market. Folk art rag bales Nek Chand (Pakistan, 1924-2015) was a foreman on the construction of Chandigarh, a city for 500,000 people in northern India designed by the modernist architect Le Corbusier around 1950. As the hyper-modern city started to take shape in accordance with a rigid grid pattern, the visionary Chand had vivid dreams of his own ‘kingdom’ Rock Garden. From 1958 to 1974, he worked in utmost secrecy on his great creation, an enchanting sculpture garden in a quarried gorge in the jungle, at a stone’s throw away from the unimaginative new buildings. A greater contrast is barely imaginable. He worked at night and during his holidays. For a long time, he would haul waste into the forest: building waste, lots of scrap from bicycles and cars and endless numbers of bottles and pieces of reject porcelain. Nek Chand used them to create his ‘immortal beings from an otherworldly kingdom’, as he himself describes his figures, which populate his Rock Garden in their thousands. At special festivals and events, life-sized patchwork dolls, people and beasts of burden occupy the festival site. They have been shaped from rags tied together over metal

frames. Most of the figures are dressed in typical costumes from the northern Indian province of Punjab, which makes them more like folk art than their stone counterparts. Textile: a women’s thing? And here ends the parade of artists, all men except one, making sensitive, vulnerable objects using textiles as their medium. Whether the makers were obsessed with typical textile qualities or had more practical considerations, without exception their images remain fascinating and penetrating. It is a shame that art objects made from textiles are less sought-after by museums than works of art in traditional materials such as oil paint, bronze or stone. Textile art supposedly has this controversial, lower status within the art world because it is ‘a women’s thing’, women’s art, having more in common with household handiwork and practical craft than with true art.2 I am convinced that none of the men in this story were or are bothered by that. Their artistic and existential message was too urgent for that, or their playfulness too irrepressible. Frans Smolders is curator of The Stadshof Collection Foundation. 1. Originally made for Museum De Stadshof in Zwolle, this work has been on display in the permanent Outsider Art exhibition ‘Hidden Worlds’ in Museum Dr.Guislain in Ghent (Belgium) since 2002. 2. Natalya Boender; Textile: A matter for women? A study of gender and textile within the art world, master’s thesis, Art and Cultural Sciences, Rotterdam 2013.

www.collectiedestadshof.nl

looks out over The Hague’s Westeinde, at the busy traffic far below and the pigeons which congregate on the flat roofs in large numbers. As we are introducing ourselves, he points to the bus and tram stops; he is familiar with them all. It must be an inspiring view for him. Even so, he seeks out a quieter environment to talk about his work. Gert van ‘t Riet communicates in short sentences. He learned to speak with the help of a sign language interpreter. When asked whether he has been drawing long, he launches into his life story. ‘I was born by caesarean section. For the first four years (I was) normal, then (I) regressed. I went to the Effatha school (school for the deaf and the hearing impaired) in Zoetermeer. I started talking when I was eight. I received a technical education and learned to cook. I live in Zoetermeer. I have been coming to Atelier Zinderin since 2007.’ He thinks deeply for a moment, before adding ‘I used to draw before, too’. Gert van ‘t Riet, it turns out, has an irresistible fascination with technology, transport, disasters and unusual natural phenomena. All these elements regularly recur in his work. Before executing his idea two-dimensionally, he reads up on the subject and unravels the whole. Even his choice of material is carefully considered. Then his journey of discovery on the flat surface begins. The difference between Van ‘t Riet’s paintings and his work with pencil and pen is striking. The struggle with perspective is much less visible in his paintings. These usually exude simplicity and peace. It is as though using a pencil challenges him to experiment with his ideas more. That makes his drawings more powerful, enigmatic and sometimes quite overwhelming.

P. 10 - 15 I am who I am: Gert van ‘t Riet

‘There, where the point of my pencil touches the paper.’ Text: Phia Verstraete Ik ben ik; Gert van ’t Riet tekst: phia verstraete foto’s: leon hermans

Gert van ‘t Riet Aanslag Parijs - Attack Paris, 2015 Gemengde techniek op papier, 65 x 80 cm

Vele fascinaties

“Daar, waar de punt van mijn potlood het papier raakt” In september 2015 bezoek ik de eerste ‘In the Outside Art Tour’ in het Museumpark in Rotterdam. Het is zo’n bonte verzameling van mobiele expositieruimtes dat het aanvoelt alsof ik in een circus ben beland. Tussen alle kunstwerken in paardenwagens, zeecontainers, caravans en schaftketen, wordt mijn aandacht getrokken door de tekeningen van Gert van ’t Riet. Een wirwar aan potloodlijnen, details, vreemde perspectieven en een grote verbeeldingskracht, vormen samen unieke kunstwerken. Enthousiast en nieuwsgierig geworden, breng ik enkele maanden later een bezoek aan deze kunstenaar in Atelier Zinderin in Den Haag.

Gert van ‘t Riet Waterkering en stad in een, 2015 Gemengde techniek, 65 x 80 cm

zinderinkunst.nl

Gert van ‘t Riet (1989) kijkt vanaf zijn werkplaats hoog over het Haagse Westeinde naar het drukke verkeer en de duiven die in grote aantallen op de platte daken hun vertier zoeken. Tijdens onze kennismaking wijst hij op de opstapplaatsen van de bus en de tram; hij kent ze allemaal. Het moet een inspirerend uitzicht zijn. Toch verkiest en vindt hij een rustigere omgeving om te praten over zijn werk. Gert van ’t Riet communiceert in korte zinnen. Hij heeft leren praten met behulp van een doventolk. Op de vraag of hij al lang tekent, begint hij eerst rustig zijn levensverhaal te vertellen. “Ik ben met de keizersnede geboren. Tot vier jaar normaal, daarna terugval. Ging naar de Effatha school (school voor doven en slechthorenden) in Zoetermeer. Ik praatte met mijn achtste. Ik leerde techniek en koken. Ik woon in Zoetermeer. Ik kom sinds 2007 naar Atelier Zinderin”. Even moet hij diep nadenken en dan “Vroeger tekende ik ook”. Gert van ’t Riet blijkt onweerstaanbaar geboeid door techniek, vervoer, rampscenario’s en bijzondere natuurverschijnselen. Al deze elementen zie je regelmatig terugkomen in zijn werk. Voor hij zijn idee tweedimensionaal gaat uitvoeren, raadpleegt hij literatuur over het onderwerp en ontrafelt hij het geheel. Zelfs de keuze van het materiaal wordt zorgvuldig afgewogen. Daarna begint zijn ontdekkingsreis op het platte vlak. Opvallend blijkt het verschil tussen schilderen en werken met potlood

“Vroeger tekende ik ook”

Gert van ‘t Riet Stad bij de Atlantic Russen, 2014 Potlood op papier, 65 x 80 cm

p

10

OUT OF ART MEI 2016

OUT OF ART MEI 2016

11

In September 2015, I attended the first ‘In the Outside Art Tour’ at Museumpark in Rotterdam. It was such a colourful collection of mobile exhibition spaces that it felt as if I had landed in a circus. In between all the works of art in horse-drawn carts, shipping containers, caravans and site huts, my attention was drawn to the drawings of Gert van ‘t Riet. A jumble of pencil lines, details, odd perspectives and a great imagination together go to make up unique works of art. Excited and curious, a few months later I paid a visit to the artist in Atelier Zinderin in The Hague. Many fascinations From his workplace, Gert van ‘t Riet (1989)

Underwater buildings Gert van ‘t Riet constructs ingenious underwater buildings on paper. In the drawing Underwater Room, the white area of the paper suggests the element of water. At the bottom, a space has been left blank for the building. A common feature of his work is that the front of buildings are left open, as in this drawing. The viewer can, as it were, step inside. We can rest assured, because we can survive there. ‘It’s a small city’, he says – as the oven and lots of ‘walk-in cupboards’, filled with bread and wine, testify. The view from this building full of glass walls must be amazing. Although they are absent from the drawing, according to Gert van ‘t Riet you can see jellyfish, fish and submarines. He is referring to a cruise he took with his sister Cecilia, which made a big impression on him – spending days at sea and then mooring in ports in beautiful countries like Colombia, Venezuela and Curaçao. His underwater building is technically well thought-out, for how do you supply a space with enough oxygen while keeping the water out? ‘I developed an oxygen gill jet engine’, he says proudly. Succinctly, he explains that there is a turbo pump in the water which moves oxygen to the gill jet engine, from where it is circulated by fans. In Underwater City, we see that the pump is attached to a tube at an unloading site in Amsterdam.

Underwater City is one of the most mysterious drawings I get to see. Van ‘t Riet has drawn a dizzying number of grey and black lines. Although he uses grid lines in other drawings too, here the pattern is present in abundance. On the left is a tiled floor that follows the curve of the rigging of a barge. The circular window offers a surprising view; it is as if you are surrounded by skyscrapers, looking up out of a deep cylinder. There seems to be something happening on nearly every square centimetre. At the top, there is a bridge spanning the buildings. There are fish and submarines to be seen and the bottoms of water jets. The viewer appears to be in a surrealistic water world with an enormous number of surprising elements, which means it takes quite a while to take it all in. When I ask where he starts his drawing, he doesn’t have to think long: ‘There, where the point of my pencil touches the paper.’ These days, Gert van ‘t Riet is not alone in his ideas about underwater buildings. On 20 February 2016, Dutch designer Daan Roosegaarde told the De Volkskrant newspaper he would like to build an underwater hotel on the bed of the Maas river, where people could sleep among the fish. And what about the Museum Atlantico, which opened on 1 March 2016, on the floor of the Atlantic Ocean? This, the first European underwater museum, is an initiative by British artist, diver and underwater photographer Jason deCaires Taylor. Extraordinary meeting. Gert van ‘t Riet has an ally in engineer Bart van Krimpen, who used to work in the offshore industry. Confronted with Gert van ‘t Riet’s drawings, he concluded: ‘The way Gert draws, that’s how things look inside my head’. Soon he would buy three interesting drawings. Later, Van Krimpen developed a new product called Dampf: a loudspeaker that can be installed in any ceiling. It synchronises with the music on a smartphone, so that wherever you are at home or in a hotel, you can listen to your own music. Van Krimpen asked Van ‘t Riet to design the packaging. The design, inspired by the Dampf’s circuit board, was enthusiastically received and is now finding its way all over the world. Van ‘t Riet also got to design the business card and leaflet. A number of his drawings are hanging in the company’s offices and another new design has been requested. Gert van ‘t Riet appears unmoved by it all, simply saying ‘I like it.’ Disasters Many of his drawings arouse an anxious feeling. Viewing one of them, you imagine yourself in the London underground, standing in the middle of the track, with a tube train bearing down on you. Gert van ‘t Riet seeks to turn the tide by drawing buffers ‘in order to absorb the blow as much as possible’. He hopes technology ‘will not let him down’. Every day, Gert van ‘t Riet asks the people around him for lots of information about what awaits him, well ahead of time. It helps him stay calm and cope with the day ahead. He pushes his boundaries by climbing into the highest rollercoasters, without showing


a trace of fear. After naming a few European rollercoasters, ‘the Python, Robin Hood, Walibi and Walt Disney in Paris’, he wonders aloud why he does it. ‘I think’, he says, hesitating, ‘I just give in to it, I am detached from everything. My life depends on technology. There could be a screw loose, but I have faith in technology’. Things he can’t control are car accidents and natural disasters. He gets immensely excited when a volcano erupts and people have to flee the lava flow. ‘Will they get out in time?’, he wonders. Road accidents have his special attention. ‘There was another one yesterday afternoon’, Gert van ‘t Riet chuckles, as if having predicted it all. He then tells all his Facebook friends about the traffic jam: ‘It’s snarled up from the A4 to the A12. We can keep moving using the second lane. Behind us, they are closing the road.’ Source of inspiration Sometimes, Gert van ‘t Riet is inspired by a photo on the internet. He points to a drawing: ‘I wanted to draw this old ceramic oven’. The oven, its cast-iron legs standing on a tile floor, has been given a homely setting in the lowest part of his pencil drawing. This oven comes from ‘Rodelaan 10’ in ‘Venlo’; a ‘specialist store for ceramicists’, according to a note on the front. You might expect the drawing to show an old Dutch scene, but nothing could be further from the truth. Strangely enough, the ceramicists’ workshop is situated… in the oven. The slabs of clay are stacked up high and the labourers are at work. Lots of black and grey hues have been used, and white shapes have been left open, so you can almost smell the earthy aroma. Numbers and words on the sockets in the living room once again testify to his love of technology. ‘I wanted to have the oven between the skyscrapers’, he says. ‘I succeeded.’ A large lattice covers the top part of the drawing. In front and behind, he has drawn tall towers. An unidentified object is hanging in mid-air. When I ask him what it represents, he doesn’t answer. Gert van ‘t Riet yawns and his attention wanes. He looks outside where the sunlight plays on the red tiles and the great tits are hanging from an iron trellis. A white gull soars in a bright blue sky. Gert van ‘t Riet’s visual language is not easy to interpret. He has provided plenty of explanation. The rest is up to the viewer. It’s lunchtime and Gert van ‘t Riet eats his sandwich at his work table. An ambulance drives at high speed towards the MCH Westeinde hospital just around the corner, its siren wailing. Gert van ‘t Riet suddenly gets up and covers his ears. He wants to get away from the danger. It is too close by. I say goodbye to this talented, friendly artist. I promise to take good care, because according to Van ‘t Riet, life is full of danger. www.zinderinkunst.nl

P. 16 - 17 Theme: textile

Anything you could possibly use for knitting Text: Per Kjaersgaard Jensen

Kenneth Rasmussen (1971) lives and works in Randers, Denmark. He tells me he started knitting at the age of eight or nine. He had seen some girls knitting at school and thought it looked interesting, but when he asked if he could learn how to knit at school, he was told that knitting was for girls only. He complained to his mum about it who then did teach him how to knit, though his dad thought his knitting son a bit odd. In the beginning he mostly knitted scarves but now, as an adult, he knits mainly bras and jockstraps. He also knits everyday objects which when encapsulated in knitting, are transformed into undefined three dimensional objects. A studio as an installation Since 2000, Kenneth Rasmussen has been a student at the Bifrost Art School. He was born in Aarhus and also grew up there, but after having been at the Randers based Bifrost for a few years, he has now moved into his own flat in Randers, which is within walking distance of Bifrost. He works incredibly hard and his day is split up systematically. At Bifrost, he mainly makes linocuts but also elementary looking paintings. After his classes, he goes to his own rented studio and primarily works on paintings. He often finds and paints on recycled canvasses and other objects. He calls his studio ‘Gallery BJÆK’ and everybody is welcome when he is there. When you step into his studio, it’s like entering an installation that the artist himself is part of. Here you will find countless painted objects, large bags of knitting, paintings and acrid comments that have been printed.

Lately he has mostly been using cut up plastic bags, which he rolls into balls ready for knitting. When asked, he often describes his large pieces he has created as objects with many necks, legs or breasts or simply says: ‘that’s for you to decide’. Exhibitions worldwide Kenneth is very busy exhibiting his work. He likes to present his work as often as possible. He has put together solo exhibitions and participated in group shows in New York, Glasgow, Osaka, Kobe, Munich, Copenhagen, Brussels and Sydney, presenting both knitwork and linocuts. Currently he has a solo exhibition at the Gaia museum for Outsider Art in Randers and he will exhibit at the Art Centre Silkeborg Bad, together with artists from Japan, America and a few other selected Danish artists. It is the first time that Silkeborg Bad will host such an exhibition. The main goal of this exhibition is to create a better understanding of being different and to show that the individual artists are seen as people who create interesting and thought provoking art of high quality, thanks to , not despite their disability. Having this exhibition at the Art Centre Silkeborg Bad, which until now has never exhibited In this exhibition at the Art Centre Silkeborg Bad, Kenneth will show both linocuts and knitted pieces. Visual artist Per Kjaersgaard Jensen is a lecturer at i.a. Bifrost and Funen Art academy. www.bifrost.dk

P. 18 - 19 Rolls of text and word pictures Kenneth is a poet and a wordsmith. Sentences and small pieces of text are an important part of his graphic universe and words also pop up in his paintings. Kenneth has made and sold small rolls of text from his studio, which he calls ‘word pictures’. He has also written a multiple page story called The Monkey Romance. Kenneth loves playing with words; he collects words in the same way he collects things. He is musical with words and enjoys finding the right words to describe the world around him. When Kenneth is angry about something, he will write many long letters to help him express his emotions. Oats and plastic bags Kenneth mostly knits at home or when he is busy keeping watch over an exhibition or gallery. Gradually he has switched to using materials like string, yarn and scraps of fabric to knit with, but nowadays, he mainly uses plastic bags, which he cuts into long strips. Kenneth says that people do give him strange looks when at the local Netto supermarket he buys one bag of oats and five plastic carrier bags. He occasionally tries out new materials, anything you could possibly use for knitting: bike inner tubes, twine, old videotapes and much more. A lot of what he knits will later be sewn together to create huge pieces of art, depending on the overarching idea. Sometimes he uses a mixture of materials.

Visited and viewed: new location for Herenplaats

Typical Rotterdam Text: Eva von Stockhausen After more than 20 years at Schiedamse Vest, in early 2016 Herenplaats Gallery Studio, one of the Netherlands best-known Outsider Art organisations, moved to a new location. Editor Eva von Stockhausen visited the new studio and exhibition space in the heart of Rotterdam, where she was given a guided tour by supervisor and lecturer Mandy Struik. The heart of Rotterdam From Rotterdam Central Station, newly completed in all its glory, it is just a short walk to the new location of the Herenplaats Studio Gallery. I am heading for a building just behind Nieuwe Binnenweg, a street which for years has been a kind of barometer for the condition of Rotterdam’s city centre. Today it combines optimistic bustle with a large dose of (faux) nostalgia: here you’ll find skinhead fashion shop ‘The Punch’, vinyl LP store ‘De Plaatboef’ and ‘old school’ barber shop Schorem’ side-by-side. Accessibility and quality go hand-in-hand here; typically Rotterdam. Group versus individuality Just around the corner, supervisor and lecturer Mandy Struik welcomes me to the enor-

mous new building (a former printing works). We start in the gallery, at this point still under construction, and head for the studio, taking in the new office, the photo studio and the art lending library. This is where forty Herenplaats artists come to work at least three times a week. It is a formula that has certainly borne fruit: not just in a social sense – there’s an ongoing positive group process taking place, with artists with mental health problems, learning difficulties or both trying their best to support one another and solve any problems that arise together. But the work of many of those artists is of a high standard as well. Mandy says, ‘Although we certainly encourage the feeling of being part of a group, in their individual workplaces the artists are still rather insular, and we would like things to stay that way. Artistic development takes place within the artists themselves, although they sometimes ‘help each other get going’. Guided tour During our tour of the studio, Mandy and I stop by various artists’ ‘rooms’ and we find a number of them prepared to show us their work and tell us something about it. The techniques used vary, as do the subjects: whereas Livia Dencher’s (1980) cityscapes in thick impasto take on ever more dramatic forms, with only limited space for human figures, Cengiz Imamdi (1997) fills the entire sheet with ‘Dutch celebrities’ and Hindu gods in rich colours. This young artist, only 19 years old, already has a complete oeuvre and pulls out one drawing after another for me to peruse. Another new artist, Niels Lagerwaard (1991), has just completed a gigantic acrylic painting in which he gives the theme ‘Farmer wants a wife’ (a popular TV show) an erotic twist. Sometimes, the themes of artists will overlap (eroticism, vehicles, pop stars, games, Science Fiction), but this has more to do with the artists’ inner world than with subjects deliberately chosen or copied. The Herenplaats studio is marked by a highly individual approach to the creative process. That said, some have a clear perception of how their work is received by others. For example, during our tour Jeroen Pomp (1985) asks Mandy who she thinks is the better artist: Wouter Valentijn (1982) or him? Mandy replies that she values the fact that he and Wouter are so different artistically, and that both oeuvres have the right to exist. She tells me ‘What’s so great about our new site, is the fact that we have much more space. It really makes a huge difference, particularly in the configuration of the workshop. Whereas at Schiedamse Vest the building could sometimes be rather crowded, here everyone has more than enough room to work. This has a calming effect’. New times Herenplaats has started a collaboration with Rotterdam schools. Primary school classes regularly visit the workshop to be taught by the artists. ‘Sometimes we have classes here from neighbourhoods where problematical behaviour is common, and you’ll see the teachers’ jaws drop. Pupils are clearly prepared to listen to our artists talking about themselves and about their work. It’s extraor-


dinary. Secondary school classes will also start coming soon; we are curious to see how things turn out.’ The workshops are part of the new programme of activities at Herenplaats. Mandy continues ‘The artists are challenged to develop other activities alongside being creative, such as teaching. Times are changing, and we are changing with them’. With a brand new location and a productive programme full of new activities, it looks like Herenplaats is going to be a resounding success. Galerie Herenplaats officially opened on 15 April 2016 and is open to visitors every Monday to Friday from 1.00 p.m. to 5.00 p.m. The new Herenplaats website has now also gone live. It was created in partnership with the Rotterdam Centre for Theatre and Theater Maatwerk. Until 22 May 2016, the world’s only touring Outsider Art Institute was based at the Kunsthal in Rotterdam: ‘The Museum of Everything’. This exhibition includes works made by the artist Paulus de Groot (1977) in his time at Herenplaats. Various activities took place around the show. For example, several artists from Herenplaats gave visitors a tour of the exhibition. www.herenplaats.nl

P. 20 - 22 Theme: textile

Worship of feminine grace? The embroidery art of Karin Zalin Text: Frans Smolders Thema: textiel tekst: frans smolders foto’s: marcel köppen en frans smolders

Eredienst van de vrouwelijke gratie?

Titansarbeid of monnikenwerk

Noch qua techniek, noch qua thematiek zijn Zalins kleden in te passen in een of andere textieltraditie van gobelins, meubelstoffering of antieke adellijke mode. Werken volgens een van de Italiaanse borduurtradities op zijn Assisi‘s, Florentijns of Venetiaans, vereist een systematiek van voorgeschreven patronen, materialen en technieken. Voor een mooi resultaat werkt de borduurster in regelmatige steken, zoals platsteken, kruis- of kettingsteken, span-, steel- of stiksteken. Alleen zo ontstaan er strakke patronen op een compleet bedekte ondergrond. Daarbij hoort dat de kunstenaar voor een ordelijk werkstuk een rechthoekige drager hanteert en bij een groter borduurwerk een borduurraam. Zo niet Karin Zalin: zij werkt met wol, zijde, kunstgarens en alle soorten band, zelfs veters, op een juten drager. Dun en dik, alles door elkaar heen. Ze is eigenwijs, werkt totaal vrij. Helemaal niet keurig, en altijd zonder borduurraam. Voor haar is haar artistieke bezigheid bepaald geen “eredienst van de vrouwelijke gratie”, zoals Emile Zola in zijn roman ‘Au bonheur des dames’ borduurwerk noemt1. Hier en daar zie je een ondertekening van de belangrijkste elementen, waarmee Zalin de beeldbepalende onderdelen naast en boven elkaar ordent. Verder werkt ze associatief. Ze hanteert naald en draad als een schilder zijn kwasten, in lange en korte halen, in stippen, vlekken en lijnen. Zakken vol textielrestjes zijn haar exuberante palet. En ze verrijkt haar kleden met glimmende kralen, stenen en pailletten. Er zit geen decoratieve rand om het tapijt, alleen een boord met snelle festoensteken, ter versteviging.

De borduurkunst van Karin Zalin

Haar creatieve arbeid speelt zich af in het halfduister van een vochtig Venetiaans souterrain, schaars verlicht door een enkele gloeilamp. Daar maakt Karin Zalin (1951) haar grote wandkleden uit afvalmateriaal van een textielatelier. Hoog langs de muren staan rijen gekregen zakken vol garens en bandjes. Met haar fenomenale geheugen herinnert ze zich exact de inhoud van iedere zak. Feilloos vist zij er de gezochte materialen uit op. Haar ‘onverklaarbaar bewoonde’ woonwerkruimte in Venetië wordt ’s winters regelmatig onleefbaar door hoog water, ratten- en muizenplagen. Dan ligt haar borduurwerk stil. Zalin is broodmager, maar een overlever. Ze weet zich in de meest barre omstandigheden te redden. In luilekkerland

Alweer meer dan twintig jaar leeft Karin Zalin in Venetië. Ruim daarvoor al had ze zichzelf van haar Amerikaanse ‘roots’ losgerukt en zich min of meer verstopt in de Noord-Italiaanse lagunestad. Rond het jaar 2000 begon ze met haar borduurwerk; eerst op shawls. “Ga door, ga door, avanti, avanti!”, spoorde een kennis haar aan. Dat duwtje in de rug leidde tot een serie wandkleden, steeds met de historische stad als onderwerp. Ze lijken op geborduurde stadspanorama’s met een wirwar van kanalen, straten, passages, stegen en bruggen. Met typisch Venetiaanse gebouwen, schommelende gondels, maar ook met fantastische mens- en dierfiguren, waarvan het wemelt in Venetië. En zoals dat bij veel autodidacte kunstenaars gaat: iemand moet hun fenomenale artistieke talent onderkennen, hen als het ware ontdekken. De ontdekker van deze kunstenares beschermt de kwetsbare vrouw tegen opdringerige lieden. Alleen aan hem vertrouwt zij haar schaarse, voltooide kleden toe om ze te verspreiden in de wereld. Zalin is een echte solist en volgde geen praktische kunstopleiding.

Bloterik met paardenkop

Maar vanaf haar vijfde jaar bezit ze al wel een speciaal oog voor kunst. Zo wijdt ze van jongs af veel tijd aan museumbezoeken, kunstboeken, literatuur en muziek. Voor zo iemand is Venetië een luilekkerland: dat ondoorgrondelijke doolhof met zijn uitbundig versierde palazzi, die oprijzen uit het schitterende water. Met zijn pleinen met rijkelijk uitgestrooide standbeelden, gedecoreerde waterputten en fonteinen. Waar je maar kijkt, zie je gebeeldhouwde reliëfs, gesmede hekwerken, feestelijke guirlandes en winkeletalages die uitpuilen van theatrale, vergulde maskers, gekleurd glaswerk en kroonluchters met zwierige krullen.

Karin Zalin Zonder titel, 2014 Borduurwerk, gemengde techniek op jute 140 x 92 cm Collectie De Stadshof

20

OUT OF ART MEI 2016

In het groenige kleed (zie omslag) zien we in een S-vorm van rechtsboven naar midden onder een optocht van losse gebouwen. Palazzi en kerken en de befaamde San Marco-leeuw op zijn kolom, staan te dansen als losse silhouetten. Centraal staat een statig en majestueus gebouw met een rijk versierde gevel, dat van binnenuit een paars licht verspreidt. Ter weerszijden dartelen JeroenBosch-achtige wezens, bloot maar geslachtsloos, in afwisselende roze-tinten. Monstrueuze verschijningen in extreme houdingen, mythologische zeegoden, griffioenen, vogels, gevleugelde leeuwen, fantasiebeesten met paardenhoofd of vissenkop. Op de onderrand kijkt een bloterik ons vrijmoedig aan. De zwarte ondertekening op de jute, van de mensen- en dierenkoppen, is op veel plaatsen nog zichtbaar doordat Zalin niet alle lijnen bedekt met garens. Gezichten arceert ze met wat losse steekjes. Het borduursel heeft een zeer wisselende dichtheid. Draadjes lijken

collectiedestadshof.nl

afzonderlijke penseelstreken, likjes verf, meest in simpele rijgsteken, van rijstkorrelformaat tot lange halen, in zeer bonte kleuren. We zien geen perspectivische verhoudingen tussen gebouwen en figuren: er is geen suggestie van diepte, niet door kleurvervaging of lineair perspectief, noch door overlappingen. Vogels zijn zo groot als een huis. Waterpartijen in blauwen en groenen fungeren als verbindende lijnen en geven het doek zijn hoofdkleur. De losse scenes bij elkaar opgeteld, vormen geen vertelling. Vuurwerk uit naald en draad

In een voornamelijk goudkleurig kleed (zie p.22) legde Zalin ook het jaarlijks terugkerend vuurwerkspektakel vast bij de kerk Il Redentore, ter herdenking aan de pestepidemie, van 1570. Het uiteenspattende vuurwerk weerspiegelt in het donkere water en zet de hele stad in een goudgele gloed. Verschrikt vliegen vogels op. Ook hier ontwaren we, naast sierlijke gebouwen, bruggen en

p

Karin Zalin Zonder titel, 2014 (detail) Borduurwerk, gemengde techniek op jute 140 x 92 cm Collectie De Stadshof

OUT OF ART MEI 2016

21

Her creative work takes place in the semi-darkness of a damp Venetian basement, dimly lit by a single light bulb. There, Karin Zalin (1951) makes her large tapestries out of waste material from a textile workshop. Lining the walls are rows of donated sacks full of yarn and ribbons. With her phenomenal memory, she recalls the exact contents of each sack. Unerringly, she digs up the required materials. Her ‘inexplicably inhabited’ living/working space in Venice is uninhabitable in winter due to high water levels and infestations by rats and mice. Then, her embroidery stops for a time. Zalin is skin and bones, but she is a survivor. She is able to manage in the harshest environments. In the Land of Cockaigne Karin Zalin has been living in Venice for over 20 years. Well before then she had escaped her American roots and more or less hidden herself away in this Northern Italian city on the lagoon. Around the year 2000, she started embroidering; first on shawls. ‘Carry on,

carry on, avanti, avanti!’, urged an acquaintance. That little push led to a series of tapestries, each with this historic city as its subject. They look like embroidered city panoramas, a maze of canals, streets, passageways, alleys and bridges. Featuring typical Venetian buildings and rocking gondolas, but also the fantastical human and animal figures that abound in Venice. And as it goes with many self-taught artists: someone has to recognise their phenomenal artistic talent, discover them, as it were. The person who discovered Karin protects this vulnerable woman from pushy people. Only to him does she entrust her scarce, completed tapestries, to circulate them in the world. Zalin is a true soloist and has had no practical art education. But she possessed a special eye for art when only five years old. From a young age, she devoted a lot of time to museum visits, art books, literature and music. For a person like that, Venice is a Land of Cockaigne: an unfathomable maze with its elaborately decorated palazzi, rising from the sparkling water. With its squares, richly strewn with statues, decorated water wells and fountains. Wherever you look, you see carved reliefs, forged fences, festive garlands and shop windows overflowing with theatrical, gilded masks, coloured glassware and chandeliers with elegant curls. Work of Titans or drudgery Zalin’s tapestries do not fit into any textile tradition of Gobelins, furniture upholstery or ancient noble fashions, either in terms of technique or theme. Working in accordance with one of the Italian embroidery traditions in an Assisian, Florentine or Venetian style demands a system of prescribed patterns, materials and techniques. For a beautiful result, the embroiderer works in regular stitches, such as flat stitches, cross or chain stitches, span, stem or straight stitches. Only in this way can clean patterns be created on a fully-covered surface. This also means that in order to achieve a neat work piece, the artist uses a rectangular bearer or, for a larger embroidery, an embroidery frame. Not so Karin Zalin: she works with wool, silk, synthetic yarn and all kinds of ribbons, even laces, on a jute bearer. Thick and thin, all mixed up together. She is wilful, works with total freedom. Not neat at all, and always without an embroidery frame. For her, this artistic activity is certainly no ‘worship of feminine grace’, as Emile Zola describes embroidery in his novel ‘Au bonheur des dames’.1 Here and there you see an underdrawing of the key elements, which Zalin uses to arrange them side-by-side and one above the other. Apart from that, she works in an associative way. She uses needle and thread the way a painter uses brushes, in long and short strokes, in dots, patches and lines. Sacks full of textile leftovers are her exuberant palette. And she enriches her hangings with shiny beads, stones and sequins. There is no decorative edge to the tapestry, just a border of quick festoon stitches by way of reinforcement. Naked figure with horse’s head In the greenish tapestry (see cover) we see a parade of individual buildings in an S-shape

from upper right to bottom centre. Palazzi and churches and the famous San Marco lion on its column are dancing as loose silhouettes. In the centre stands a stately and majestic building with a richly decorated facade whose interior exudes a purple light. On either side there are frolicking Hieronymus Bosch-like creatures, naked but sexless, in alternating pink hues. Monstrous apparitions in extreme postures, mythological sea gods, griffins, birds, winged lions, fantasy beasts with horse’s heads or fish heads. At the bottom edge, a naked figure gazes boldly at us. The black underdrawing on the jute, of the human and animal heads, is still visible in many places due to the fact that Zalin does not cover all her lines with threads. She adds shading to faces with a few loose stitches. The density of the embroidery is highly varied. Threads appear as individual brush strokes, licks of paint, mostly in simple tacking, from the size of a grain of rice right up to long strokes, in very bright colours. We see no perspective in the proportions of buildings and figures: there is no suggestion of depth, neither by colour fading or linear perspective, nor by means of overlaps. Birds are as big as houses. Water features in blues and greens that act as connecting lines and give the cloth its primary colour. Together, the individual scenes do not constitute a narrative. Fireworks from needle and thread In a mostly gold coloured tapestry, Zalin records the annual fireworks display at the Il Redentore Church to commemorate the plague epidemic of 1570. The exploding fireworks are reflected in the dark water and suffuse the whole city with a golden glow. Startled birds take to the air. Here too, alongside ornate buildings, bridges and gondolas, we see the San Marco lion on its column and some prancing horses. These skittish horses appear to have been inspired by a fairground carousel, or by the golden safety cord holders you see on many gondolas; rather than by the robust equestrian statues in the city. In the lower-right corner of this tapestry, a monkey regards the viewer cheekily. Headstrong, feisty and graceful I suspect that Karin Zalin in Venice feels like Alice in Wonderland. Even if that childlike, playful and wide-eyed quality is incongruent with her appearance and her frugal living conditions. Or is she seeking oblivion in her embroidery, a distraction from unpleasant thoughts? More likely, she is simply losing herself in her art, the way people can totally immerse themselves in a complex piece of knitting or a jigsaw puzzle. Can her tapestries be compared to the Italian 18th-century ‘vedute’, painted cityscapes which usually remain close to reality? They seek to impress through ostentation. Or is her work better compared to a theatrical opera decor, designed for dramatic effect? In any event, there is no story to be discerned in them, so they are very different from the famous mediaeval Bayeux Tapestry. Her imaginative work is not moralistic and is therefore not comparable to the educational buffoonery of Hieronymus Bosch (1450-1516). It also does not contain hidden messages,

and it is neither a political nor a social rebus, unlike the mildly mocking wall hangings of the eccentric contemporary artist Grayson Perry (1960). Zalin’s tapestries do not deliver a commentary on our modern times. No planes, cruise ships, speed boats, crowds of tourists or other scenes from Venetian daily life. None of all that! I rather think Karin Zalin works entirely for her own entertainment, without communicating with us. She offers us an unintended glimpse into her own inner world, a self-constructed gracious art world, in which she does her own thing with emancipated feminine freedom and resolve. Frans Smolders is curator of The Stadshof Collection Foundation. 1. Emile Zola, ‘In women’s paradise’, Paris, 1883

www.collectiedestadshof.nl

P. 23 - 28 Fascinating encounters; Benno Tempel, Gemeentemuseum Den Haag

Outsider Art as pinpricks Text: Karin Verboeket

voorbeeld van hoe de keuze van perspectief en omlijningen er een andere beeldtaal aan geven. Zo ook voor Heyboer. We organiseerden voor het Fotomuseum de tentoonstelling ‘Het onvermoeibaar epos’ (2011) met werk van Tichy en Fieret. We wilden er een derde fotograaf aan toevoegen. Op een gegeven moment komt een conservator uit het depot met een afgesneden foto en zegt “Tja, dit is een Heyboer, maar ik begrijp niet wat het is”. In het depot bleek dat Heyboer een hele grote afbeelding op zestien afzonderlijke bladen had afgedrukt. Hans Locher, de toenmalige directeur, had deze samen met etsen verworven. Hij ging altijd als een antropoloog te werk en bekeek deze foto’s vooral documentair. Voor Heyboer echter, betekende dit vooral het vastleggen van het leven, stempelen, samenstellen, bijschrijven…Dat maakt dit voor ons toch echt tot kunstwerken. Je kunt op allerlei manieren praten over outsiderkunst, maar het is tenslotte een beeldtaal.” Hoe worden Outsider Art en daaraan grenzende beeldtalen door het publiek in het Gemeentemuseum ontvangen? “Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat in de regel de uitdrukkingskracht in de Outsider Art zelf zit. De grote charme ervan is, dat als je werk van een outsiderkunstenaar in een tentoonstelling tussen werk van professionele kunstenaars hangt, het er altijd heel verfrissend uitspringt. Je loopt er snel naar toe. Het maken van een presentatie, is toch vooral het maken van een compositie. Als regisseur bepaal je wat je toont en in welke volgorde je daarmee een verhaal vertelt. Daarin functioneert het werk van een outsiderkunstenaar erg goed. Omdat het even de blik omdraait. Dat is altijd wel heel verfrissend in zo’n ensemble. Denk bijvoorbeeld ook aan Willem Witsen. Die zou je geen outsider noemen, maar een amateurkunstenaar; een vriend van Breitner en Israels, maar duidelijk minder getalenteerd. Als je een hele tentoonstelling van hem ziet, is het werk niet goed genoeg. Maar als je maar een of twee werken in een tentoonstelling hebt hangen, dan is het heel lekker werk en dat trekt. Het is mijn ervaring dat overdaad schaadt. Altijd, en vooral ook met Outsider Art. Als je het gedoseerd brengt, kan het heel goed werken. Kijk naar de Biënnale 2013 in Venetië. Het leuke ervan is natuurlijk dat je nieuwe kunstenaars ontdekt. Ook voor de geoefende kunstkijker ligt daarin juist de grote aantrekkingskracht. Maar neem je dat alleen als blikveld, dan implodeert het. Als je van de kunstenaars uit de zogenaamde ‘canon’ dan ook nog eens een atypisch werk selecteert, dan wordt het Outsider Art element versterkt. Heel jammer. Er waren een paar zalen waar het ontdekken wel goed werkte, zoals de presentatie van werk van Viviane Sassen met dat van een Japanse kunstenaar. Maar het frisse mag je niet om zeep brengen. Als je binnen de canon van de kunst als speldenprikken die outsiderkunst plaatst, werkt het heel goed.”

24

OUT OF ART MEI 2016

Hoeveel waarde hechten jullie aan verklarende teksten bij kunstwerken en hoe was in 2015 de ontvangst van de tentoonstelling ‘Outsider Art; Creativiteit buiten de kaders’ met werk van Collectie De Stadshof? “Ach, al die terminologie. Het beschrijft… het helpt wel om bepaalde dingen te benoemen. Kunst, terminologie en hokjes: het kan zo vechten tegen de bierkaai worden. Veel gecanoniseerde kunstenaar kunnen ook niet uitleggen waarom ze iets maken. Ik denk dat het juist de reden is waarom ze beeldend kunstenaars zijn… Voor de Outsider Art tentoonstelling hebben we zelf heel goed geselecteerd. Zo’n collectie is in de loop van de jaren gegroeid, maar dat wil nog niet zeggen dat je alles moet tonen. Dat doen we hier in het museum ook niet; een deel ligt in het depot omdat het rust moet krijgen. Een deel selecteren we weer voor op zaal. We wilden over deze tentoonstelling een ‘Gemeentemuseumsausje’ gieten. We hebben er zelf nog werk van de Haagse kunstenaar Napaku aan toegevoegd. Die vele manieren waarop je met een collectie kunt spelen, zijn interessant. De reacties van het publiek waren positief. Kijk, een groot deel van het publiek heeft dit soort kunst niet eerder gezien. Mensen zien het museum als een plek waar je iets kunt leren. We willen ook met teksten niet veel invullen. We willen niet zeggen dat kunst God is of dat kunst je gaat verblijden. Nee, het kan ook ergeren of troostend werken. We willen het in elk geval nooit heel sturend één kant opduwen. Wat je zou willen, is dat de verschillende beeldtalen gaan samenvloeien. In het museum gaat het om de esthetische beleving. Om het beeld. In eerste instantie is vorm bij een kunstwerk eigenlijk belangrijker dan het verhaal. Je moet geen encyclopedie zijn die wat feitjes oplepelt. Wij zeggen niet ‘we laten u genieten van kunst’. Wat we wel kunnen garanderen is dat museumbezoek iets teweeg brengt. Daar durf ik voor in te staan. Maar wat precies, dat moeten de mensen zelf invullen.” Vertel eens wat meer over de relatie tussen kunstenaars, het museum en de collectie. “Ten eerste: je bent een museum voor moderne kunst en Outsider Art is een interessant onderdeel dat een rol speelt in de geschiedenis van de moderne kunst. Wat ook een rol speelt, is dat wij een gemeentemuseum zijn en daardoor heel erg verankerd in de stad. Rijksmusea staan ook in een stad, maar hadden ook ergens anders kunnen zijn. Ook voor Museum Boijmans Van Beuningen en het Centraal Museum zal gelden dat ze totaal zijn vergroeid met hun steden. Kijk naar zo’n plaatselijke kunstenaar als Fieret, die op een bepaalde manier een outsider of een art brut kunstenaar genoemd mag worden. Hij woonde in deze stad en had veel contact met het

“In eerste instantie is vorm bij een kunstwerk eigenlijk belangrijker dan het verhaal.”

OUT OF ART MEI 2016

p

25

Doll’s houses, musical instruments and... paintings: I discovered them all as a child in the Gemeentemuseum Den Haag (The Hague Municipal Museum). As a teacher, I took primary school classes there and as an art history student it offered me a great learning experience. Learning and enjoyment still go hand in hand when I step inside the building designed by Berlage. Sometimes I discover a visual language there that seems to come close to that of Outsider Art: never a hundred percent, but still... I’m reminded of Arnulf Rainer’s Übermalungen (see Out of Art May 2006) and the ‘dolls’ by Louise Bourgeois. And then suddenly there was the exhibition ‘Outsider Art; Creativity Outside the Mainstream’ in 2015. During the Karel Appel exhibition this year, I spoke to Benno Tempel, director of the Gemeentemuseum and the Museum of Photography since 2009. It turned into a conversation about art, photography, Outsider Art, the power of the museum building and changing society. How does the Gemeentemuseum regard the visual language of Outsider Art and how is that reflected in the exhibition programme? ‘Outsider Art is not a foreign concept to us; it is definitely part of the visual arts. Take the exhibition ‘Kandinsky and der Blaue Reiter’ in 2010. Of course that is not exactly Outsider Art, but Kandinsky and his partner Gabriële Münter collected children’s drawings, which they used as examples for their own work.


And we have also shown outsider photographers such as Tichy, Heyboer and of course Fieret, a great artist from The Hague. He trained as a visual artist, but not as a photographer. In that discipline, he followed an autodidactic path which is similar to Outsider Art in its forms of expression. It is always interesting when an artist starts using a different medium, in this case analogue photography. The struggle with the material becomes part of the work. They become much freer in the way they approach the image. You see Tichy sticking photos on cardboard and outlining them as if they were works of art, and then leaving them lying around all over the place; they get very grimy. It’s a good example of how the choice of perspective and outlines creates a different visual language. The same goes for Heyboer. At the Museum of Photography, we held an exhibition entitled ‘The indefatigable epos’ (2011) with work by Tichy and Fieret. We wanted to add a third photographer. At one point, a curator came out of the depot with a cropped photo and said ‘Well, this is a Heyboer, but I don’t understand what it is’. Back in the depot we found that Heyboer had printed a very large image onto 16 separate sheets. Hans Locher, the director at the time, had acquired them along with some etchings. He always proceeded as an anthropologist and essentially took a documentary approach to those photos. However, for Heyboer that especially meant capturing life, stamping, putting images together, writing captions... To us, that’s what really makes them works of art. You can talk about Outsider Art in all kinds of ways, but it is ultimately a visual language.’ How are Outsider Art and related visual languages received by the public at the Gemeentemuseum? ‘That’s hard to say. I think that as a general rule, the power of expression resides in the Outsider Art itself. Its great charm is that if you hang the work of an outsider artist in an exhibition of work by professional artists, it always stands out in a very refreshing way. You’re likely to be attracted to it. After all, more than anything, making a presentation is about making a composition. As the director, you decide what to show and in what order you want to tell a story. The work of an outsider artist functions very well within that narrative. Because it briefly changes the focus. It’s always very refreshing in an ensemble like that. Take Willem Witsen, for example. You wouldn’t call him an outsider, but rather an amateur artist; a friend of Breitner and Israels, but clearly less talented. If an entire exhibition were dedicated to him, the work would not be good enough. But if you only have one or two works in an exhibition, then his contribution is appealing and attracts people to it. My experience is that less is more. Always, and especially when it comes to Outsider Art. If you present it selectively, it can work very well. Take the 2013 Biennale in Venice. The great thing, of course, is that you get to discover new artists there. That is the great appeal for connoisseurs too. But if we limit our scope to just that, the whole thing

implodes. And if additionally you select an atypical work by artists from the so-called ‘canon’, that enhances the Outsider Art element. A great pity. There were a few rooms where that element of discovery did work well, such as the presentation of work by Viviane Sassen alongside that of a Japanese artist. But you shouldn’t spoil the freshness. If you place outsider art within the canon of art like pinpricks, it works very well.’ How much value do you attach to explanatory texts accompanying works of art and how was the 2015 exhibition ‘Outsider Art; Creativity Outside the Mainstream’ with work from The Stadshof Collection received? ‘Oh, all that terminology. It’s descriptive... It does help to name certain things. Art, terminology and boxes: it can feel like fighting a losing battle. Many canonised artists can’t explain why they make what they make. I think that’s the reason why they are visual artists... For the Outsider Art exhibition, we made a very careful selection ourselves. Our collection has grown over the years, but that does not mean you have to show everything. And we don’t; part of the collection is in the depot here at the museum, because it needs time to rest. Other works we select for display. We wanted to give this exhibition a ‘Gemeentemuseum flavour’. We even added work by The Hague artist Napaku. The many ways you can play with a collection is interesting. The audience’s reaction was positive. Look, much of the public has not seen this kind of art before. People see the museum as a place where they can learn something. We don’t want the captions to tell the story too much. We won’t claim that art is God or that art will make you happy. No, it can also irritate or provide consolation. In any event, we don’t want to consciously push people in one direction. What we would like to achieve is to allow the various visual languages to mingle. A museum is all about aesthetic experience. About the image. In the first instance, form is more important than the story of a work of art. Our job is not to be an encyclopaedia, dishing up facts. We’re not saying ‘We’re going to make you enjoy art’. What we can claim, though, is that your museum visit will have an effect on you. That’s something I can guarantee. But what exactly that effect is, people will have to work out for themselves.’ Please, tell us more about the relationship between artists, the museum and the collection. ‘Firstly: we are a museum for modern art, and Outsider Art is an interesting element that plays a role in the history of modern art. What also plays a role is that we are a municipal museum, which means we are very much anchored in the city. National museums are also located in a particular city, but it could be any city. Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam and the Centraal Museum in Utrecht, are like us, they have become completely identified with their cities. Take a local artist like Fieret, who in a certain sense could be called an outsid-

er artist or an art brut artist. He lived in this city and had a lot of contact with the museum. That kind of relationship can lead to all sorts of things – for example, at some point the museum may inherit an estate, in whole or in part. It is also possible that an artist is known in a particular field, and that after his death we discover drawings or photos which nobody knew about. It is interesting when something like that ends up in a museum, because it casts new light on the oeuvre and can be an important addition to the museum. In that sense, I personally think our museum is a pleasant place. We have a kind of ‘cherry-picked’ collection. You can’t see the entire development of modern art here because, to give an example, we have no Surrealists and we also don’t have much pop art. Actually, that’s pretty cool. Take the Zero movement: we do have one of the largest collections of Jan Schoonhoven’s work, but that’s it. And one or two works by Peters and Armando. But Schoonhoven’s work really suits the museum. There’s something monomaniacal about it. The collection expands in all kinds of ways. A while ago we received a donation of work by Henri Heerup, one of the Cobra artists closest to Outsider Art. He primarily made little sculptures, but also paintings. We received paintings from the 40s, 50s, 60s, 70s and 80s: one from each decade. It allowed us to make a wonderful cabinet of this artist’s work. That’s fantastic. The collection is so diverse. We are now talking primarily about visual art, but we also have the largest fashion collection in the country and an extensive applied art collection with glass and ceramics. That is the richness of this collection.’ I am struck time and again by how the form and content of this building reinforce one another, even with the ever-changing exhibitions. ‘The building is an important factor. It is so beautiful; that is obviously a very big plus. Everything is all mixed up together here. In the Louvre, for example, the rooms are divided into compartments or segments. In our museum, you won’t enter happily and leave dog tired with your tongue dragging on the floor. Here, the building also has the power to surprise. The rooms are not very big, they have a meandering effect and they breathe like a lung. You can wander. You can always glimpse one of the succeeding rooms from the room you’re in. Which makes it very pleasant. I notice that many people just come here without knowing what’s on. There’s always plenty to see. If you don’t come here for a long time, you have the feeling you’re missing something. And I think it’s true, you are. Yes, that’s good for us!’ The exhibition ‘Karel Appel Retrospective’ highlights the drawings by psychiatric patients at the Saint Anne hospital in Paris which Appel viewed in 1947. How does that fit into this retrospective? ‘We publicised this exhibition by saying ‘this is a new Appel exhibition’. Of course, to experts this is familiar territory, but strangely enough no one had ever brought those different aspects together. Those sources of

inspiration or the fact that he made preliminary studies…; that clichéd image of the artist just spontaneously doing his thing is still strong in the Netherlands. We wanted to counter that, and you can only do so if you simultaneously display objects to support your argument. In other words, to show preparatory sketches and the painting that ultimately resulted from them. Or indeed things that inspired him, such as those drawings. We brought them together, and that is the story of this exhibition. I have to say that the response has exceeded my expectations. I thought it would particularly attract people who love modern art and are keen to see the first major Appel exhibition in many years. But the turnout has been much bigger than that. I think this is explained by the fact that we communicated our vision very clearly. Apparently, people were keen to see for themselves.’ I was struck by the number of young people at the Appel exhibition. Do they represent an important target group for this museum? ‘Yes, reaching young people is an important area of focus. In most museums, education is regarded as a secondary department. For us, however, it is one of the main pillars of the museum. There has been a fall in the number of primary school classes visiting us. The government is putting a lot of emphasis on literacy and maths. We can argue ‘You will only spend an hour at the museum’, but they still lose half a day. And another thing is, the government is now offering prizes for the best ideas for teaching art in the classroom. We say, ‘You don’t learn sport from a book either’. If you’re teaching PE, you don’t say ‘grab your book, it’s all explained on page 5’. It’s just like going to a theatre or a concert hall, you have to go to a museum to understand what art does. You need to discover it for yourself; interact with it. You really can’t learn that from a piece of paper. And you can’t with just objects in the classroom either. We are happy with the use of objects to teach in class, but only as a supplement. Another factor is that politicians want all, really all, cultural institutions, to develop educational programmes. Which means the range of programs on offer is much bigger. You have to wonder whether primary school pupils really need to go and see very avant-garde experimental theatre, for example. If something is being done well, try to encourage that, so that it expands, instead of reining it in. Another thing. We had these beautiful stools from a sheltered workshop. No more. Government cuts. Such a shame. It’s bad to marginalise people in this way.’ What role can museums play in this changing society? ‘I think our society right now is desperately old-fashioned, with its ‘nanny state’ and culture of fear. In many cultures, museums are places where you are encouraged to view life differently. To be critical, to be challenged. A concert hall is perhaps the only place in the Netherlands where you have to try to avoid coughing for an hour and a half. Perhaps that is one of the biggest, most important aspects of a concert hall. And I


certainly don’t mean that in a mocking way. It’s to do with the fact that you have to achieve a level of concentration there that becomes very physical. It’s important for society that people get to experience not being the same person everywhere, that they behave differently in different places. That they experience things. You might even learn to breathe differently there. These are important elements which we too easily forget. It all tends towards uniformity, and uniformity is deadly for a society.’ The collection contains a lot of art from around 1900. This is a period I always associate with a visual language that has an affinity with Outsider Art. What is your opinion? ‘This was a very interesting moment in time: the end of the nineteenth century and the beginning of the twentieth century. For example, the brothers Evert and Thijs Rinsema, cobblers from Drachten who came into contact with Theo van Doesburg during the mobilisation for World War I. These brothers used to paint on long winter evenings. Thanks to their encounter with Van Doesburg, they joined De Stijl and the Dada movement for a while. In 1921 they even joined Kurt Schwitters’ Dada tour which Van Doesburg led through the Netherlands. They designed and made modernist furniture and architectural and other objects. When those contacts petered out because Van Doesburg went to Paris, where he died not long after, they gradually went back to their old style of painting still lifes. This is fascinating of course. It shows that change in society sets all sorts of things in motion. Take the advent of television, for example; I think that’s why there are far fewer people using scissors, needle and thread these days. Jan Schoonhoven was an artist who worked for the Post Office by day and would clear the kitchen table in the evening to make way for cardboard and a glue stick. That’s where he created his reliefs. In another era, he might not have done that because he would have spent the whole evening in front of the box. Society is becoming impoverished.’ What exhibitions are in the pipeline that might be of particular interest to the readers of Out of Art? ‘We are holding an exhibition by photographer Robin de Puy, known for her portraits in Volkskrant Magazine. She is a professional photographer but suffers from almost compulsive neurotic problems. She recently rode a Harley across the States and took the photos we are showing here. Of course it is not the same as outsider art, but this is an artist who feels a lot of psychological pressure and has also found ways to stay on her feet through art. A tormented soul: someone who finds it hard to cope with lots of things, but who nevertheless is able to cross America on a motorbike. Really fantastic. A documentary has been made about it. And I think documentaries and films are very important because to many people, artists are just these crazy creatures. There are so many clichés about them, but I can’t think of anybody working harder than artists. And that does not match the image we have of artists in

Netherlands. In Germany, for example, an artist is someone who is treated with respect. In any event, we will regularly be holding exhibitions in which the visual language of the canonised art world touches that of outsider art.’ The exhibition ‘Robin the Puy; If this is true... 10,000 km across America on a motorcycle’ is on display at the Fotomuseum in The Hague until 26 June 2016. www.gemeentemuseum.nl www.fotomuseum.nl

express herself. However, due to a lack of muscular strength and depth perception, she was not able to. ‘But luckily I could draw, and above all embroider! Somehow I managed to prick those little holes very precisely and so make little lines with thread. They were very small movements, but there was a rhythm to it. It became my most important release. It did mean my bed was always full of needles, and the dishwasher once got blocked by lots of little threads which I had laid on a dinner plate. I kept my materials on a trunk beside my bed. There was all sorts of junk on it. And my sister had a flower press in the attic. I started using it, with some help.’

P. 29 - 31 Theme: textile

Risja Steeghs ‘Through tranquillity and art’ Text: Eva von Stockhausen

Memento mori

Risja Steeghs’ oeuvre verhaalt van een jong leven dat is teruggebracht tot de essentie: overleven op de vierkante meter. De werken uit haar ziekteperiode zijn vaak klein van formaat; indicatief voor de beperkte actieradius van de kunstenaar. Uit de door haar gekozen basis voor haar werk: oude, vaak wat verkleurde, familiefoto’s, spreekt een zekere soberheid en zelfs somberheid. De foto’s zijn echter bewerkt met naald en draad, en beplakt met kleine tekeningen en gedroogde bloemen, waardoor een rijke, ietwat grillige beeldtaal ontstaat. Société de fleurs passées is gebaseerd op een groepsportret van pakweg honderd jaar geleden. We zien een clubje jongemannen, hun formele kleding doet voor de toeschouwer van nu een beetje ouwelijk aan. Maar hun frisse gezichten zijn nog ongeschonden; onaangeraakt door de grote sloper ‘tijd’. Losjes gegroepeerd staan ze, en ze kijken je aan. Het zijn jongens die het leven, en zichzelf, duidelijk erg

Risja Steeghs Société des fleurs passées, 2014 Collage van krantenknipsel met borduurwerk, gedroogde bloemen en verf, 4,5 x 6 cm

30

OUT OF ART MEI 2016

serieus nemen. Maar oude, verbleekte foto’s als deze slagen er altijd in één boodschap glashelder over te brengen: ‘memento mori’ (gedenk te sterven). Deze mensen zijn allang dood! Dan zien we echter uit de zorgvuldig opgeschoren en met pommade gecoiffeerde hoofden – een kapsel zó ouderwets dat het inmiddels weer in de mode is – kleurrijke florale vormen opschieten. Een ecologische encyclopedie ontbreekt me, maar de bloemen in kwestie zijn duidelijk met gevoel voor esthetiek en diversiteit gekozen. Enkele stropdassen zijn bewerkt met borduurdraad in fluorescerend roze, een kleur die in de herenmode van de vroeg twintigste eeuw beslist afwezig moet zijn geweest. Mede daardoor doet het werk niet organisch, eerder enigszins kunstmatig aan. De toegepaste techniek en kleurrijke materialen breken de onderliggende afbeelding open, maar vullen haar ook aan. Er spreekt een zekere nostalgie uit, en het verlangen om uit vervlogen dromen een nieuwe realiteit te creëren.

Ook Indianendans is een bewerkt groepsportret, ditmaal van volwassenen en kinderen aan de rand van een bos. Door het fletse zwart/wit van de foto doen de bomen op de achtergrond naargeestig, haast steriel aan. Een blik op de personen voorin maakt de zaak er niet beter op. De heren en dames op de tweede rij zijn allen ontdaan van hun hoofd. De ontstane gaten zijn opgevuld met fragmenten uit een parallel landschap in goudbruine tinten, en afgezet met grove steken in helle kleuren. Maar dan de kinderen op de voorgrond! Als indiaantjes zitten ze gehurkt, voorzien van veertjes, kralen en fleurige borduursels. Waar de volwassen in het beeld vooral een lege indruk wekken, daar bezwijken de kinderen haast onder hun versieringen. Het is duidelijk: het draait hier om hen. Staan zij symbool voor een rijke jeugd, voor de angst voor een leeg bestaan als volwassene? Wellicht is dat te simplistisch gedacht. Feit is dat de beeldtaal die de kinderen van de volwassenen scheidt haast rigide is doorgevoerd.

Risja Steeghs Madame Butterfly, 2014 Collage van oude postkaart met borduurwerk en schilderwerk 7,5 x 5,5 cm

Al met al roept het werk een sfeer van vervreemding op. Carpe diem

Stijlvolle heren, mild glimlachende grootmoeders, hologige baby’s en pornosterren avant la lettre: allemaal worden ze door Risja’s barokke, maar trefzekere ingrepen het hier en nu ingesleurd en getransformeerd tot dragers van een hoogst individuele, moderne boodschap: grijp je kans om ondanks tegenspoed, je dromen toch waar te maken: carpe diem (pluk de dag)! Risja zegt hier zelf over “Ik werkte niet met de gedachte ‘nu zet ik iets neer voor de toekomst’, het was eerder de drang me uit te drukken. Ik denk dat ik dromen had, die ik niet kon verwezenlijken. Maar over dit kleine stukje leven had ik wèl de regie. Door het bewerken van deze oude foto’s kreeg ik de regie over iets wat ik totaal niet begreep: de buitenwereld”.

gezondheid, met pieken en dalen, verbeterd. “Binnenkort waag ik een grote sprong en ga in Brazilië een kunstopleiding doen. Wat ik wil is om met vertrouwde technieken – fotografie, textiel, tekenmaterialen en gedroogde bloemen – nu eens héél grote werken te gaan maken. Groot, groter, grootst. Het kan nu! In Brazilië is het dagelijks leven gelukkig niet zo gejaagd als hier in Nederland. Op deze manier hoop ik te genezen. Door gebalanceerd te leven; door de combinatie van rust en kunst.”

Risja Steeghs Les cuisses de grenouilles, 2013 Collage van oude Franse prent met pentekening, 52 x 27 cm

Groot, groter, grootst

Sinds anderhalf jaar is Risja’s

Risja Steeghs Children of the forest/ Indianendans, 2012 Collage van krantenknipsel met borduurwerk, gedroogde bloemen en kralen, 4 x 5 cm

Risja Steeghs Prudish Pride Collage van tijdschriftknipsel met borduurwerk, kralen en gedroogde bloemen 6 x 11,5

Risja Steeghs Over een bloempot met grootheidswaan, 2015 Fotocollage met borduurwerk en kralen, 6 x 4 cm

OUT OF ART MEI 2016

31

It is a dark, windy night in November when Risja Steeghs (1991) welcomes me to her studio in North Amsterdam. She has recently moved here and the studio is cheerfully chaotic, with drawing materials, textiles and dried flowers everywhere. Risja shows me a number of works, and reveals the stories behind some of them. I ask her if she doesn’t feel isolated here, alone in an unheated site hut on the virtually desolate NDSM site. She thinks for a moment. Then she says, ‘I think that loneliness is just part of it’. Ballerina no more Risja knew what she wanted to be at an early age: a ballet dancer. But when she was fourteen, she had to leave the ballet academy due to frequent illness. After secondary school, she decided to attend the fashion academy in Arnhem. ‘When I started dancing, I stopped drawing. Now I got back into it. I wanted to do something applied, because I have a rational mindset.’ But in Arnhem she fell ill again. Having returned to her parents’ home in Reuver, Limburg, she painted in their garage for a time, venting her frustrations, until that too came to an end. ‘Suddenly there I was on the sofa in the living room, sleeping all the time. And waiting for test results to shed some light on what the heck was wrong with me.’ It turned out that Risja had Lyme’s disease. Following a course of intravenous antibiotics, she was completely bedridden. ‘For months, I was fighting for my life. When things got a little better, I ended up in a completely tranquil, lonely world, in which ultimately I was nevertheless very happy.’ Embroidery In this mini universe, which did not extend beyond her bedroom and her bed, Risja felt a great need to start painting again, to

Memento mori Risja Steeghs’ oeuvre tells the story of a young life that has been reduced to the essentials: survival in the space of a few square metres. The works from her period of illness are often small in size; indicative of the artist’s limited action radius. The chosen basis for her work – old, often discoloured, family photos – expresses a certain sobriety and even gloom. The photos, however, are worked with needle and thread, and covered with small drawings and dried flowers, creating a rich, somewhat whimsical visual language. Société de fleurs passées is based on a group portrait from around one hundred years ago. We see a group of young men. Their formal attire strikes today’s viewer as somewhat old-fashioned. But their fresh faces are still unblemished; untouched by the ravages of time. They stand, loosely grouped, and gaze at the viewer. These are boys who clearly take life, and themselves, very seriously. But old, faded pictures like these always manage to convey one message loud and clear: ‘memento mori’ (the inevitability of death). These people are long dead! But then, from among the carefully shaved heads, coiffed with pomade – a hairstyle so old-fashioned it is now back in fashion – we see colourful floral shapes popping up. I don’t have an ecological encyclopaedia, but the flowers in question have clearly been chosen with a feel for aesthetics and variety. Some of the ties have been worked with embroidery thread in fluorescent pink, a colour that would definitely not have featured in gentlemen’s fashion of the early 20th century. Partly as a result, the work feels not organic but rather somewhat artificial. The technique and colourful materials used break open the underlying image, but also augment it. The resulting work expresses a certain nostalgia, and the desire to create a new reality from the dreams of yesteryear. Indian Dance is another group portrait modified with the embroidery needle, this time showing adults and children at the edge of a forest. Due to the pale black and white of the photo, the trees in the background have a dreary, almost sterile appearance. A glance at the individuals in front of the trees doesn’t really make it any better. The ladies and gentlemen in the second row have all had their heads removed. The resulting gaps have been filled with fragments from a parallel landscape in golden brown hues, and delineated by large stitches in bright colours. But what about the children in the fore-

ground! Crouched like indians, they’re provided with feathers, beads and flowery embroidery. Whereas the adults in the picture make a largely blank impression, the children are practically buried in decorations. It’s clear that this picture is about them. Do they represent an abundant childhood and the fear of an empty existence as adults? Perhaps that thought is too simplistic. The fact is that the visual language separating the children from the adults has been implemented almost rigidly. All in all, the work evokes an atmosphere of alienation. Carpe diem Stylish gentlemen, mildly smiling grandmothers, hollow-eyed babies and porn stars avant la lettre: all of them are dragged into the here and now by Risja’s baroque but assured interventions and transformed into bearers of a highly individual, modern message – seize the opportunity to realise your dreams in spite of adversity: carpe diem (seize the day)! Risja herself says, ‘I was not thinking ‘now I’m going to make a statement for the future’, it was more about the urge to express myself. I think I had dreams that I was not able to fulfil. But I did have control over this little piece of my life. By modifying these old photos, I gained control over something I totally failed to understand: the outside world.’ Big, bigger, biggest Over the past year and a half, Risja’s health has improved, although she has had her ups and downs. ‘I will shortly be taking a big step and moving to Brazil to attend art school there. I want to use familiar techniques – photography, textiles, drawing materials and dried flowers – to make some really big works. Big, bigger, biggest. I can do that now! Fortunately, daily life is not as hectic in Brazil as it is in the Netherlands. I hope that will help me heal. By living in a balanced way; through the combination of tranquillity and art. ‘ www.risjasteeghs.com www.instagram.com/risjasteeghs

P. 32 - 33 Theme: textile

On textiles and texturing; Lindsy Mervylde Text: Annemie Depaepe Lindsy Mervylde (1981) lives with her mother in Desselgem, Flanders. She has her own suite and increasingly withdraws to it to do her thing. Working at home is important to her; her passion does not stop when the doors of Atelier de Zandberg close. Sometimes her work goes back and forth between the studio and her home. With flair Lindsy has been working in the textile workshop of the De Zandberg art studio in Harelbeke, Flanders since 2005. Initially she learned some basic techniques: stitching, felting, knitting, fabric designs ... Gradually her knowledge and understanding of textile


design expanded. Once she had mastered the craft, she tentatively entered the zone in which design and execution go hand in hand. There, she gives her imagination free rein. She designs and makes original scarves, sweaters, delicate knitted dresses and asymmetric dresses in cling film, set with buttons as if they were sequins. And she doesn’t shy away from showing off her own creations and other peoples’ on specific occasions, which she does with flair. Atmospheres and possibilities Lindsy arrives at the art workshop on the first bus, along with her colleague Linh Pham. They cross the drive with synchronised steps, but they don’t exchange a word, at least not usually. Yet you do see her talking, mumbling, holding conversations – preparing for the day ahead or still talking about how the morning went. Usually she goes to her working area straight away. There are mornings that she slams the door: a clear ‘leave me alone’ signal. There is work to be done, there is no time for talking, only to herself. All the same, plenty of talking goes on at De Zandberg. The conversations are not always in sync with one another, the words go back and forth and everyone wants to have their say. The casual conversations are often the most interesting. If you can make out the connecting thread at such times, you can gain an insight into the story or process that results in a work. Language often has an important place within the art world. That linguistic language is precisely what Lindsy lacks. She is much better at sensing atmospheres and possibilities. In addition to body language, she prefers to use visual language to express herself. That way, she is able to communicate, and distinctions in the choice of words no longer matter. In short, Lindsy is an artist. In her textile work, she is able to tell a story in which she is not subject to any restrictions. Alone with others Lindsy often seeks out the tranquillity of working alone, but she also hugely enjoys working with others. She lives themes and projects, sometimes organised by herself, other times organised for her. For the past year and a half, she has been working one day a week in Wit.h with Geertje Vangenechten (1963) and Christa Allegaert (1964). Three women together depicting a story with the theme ‘They lived in a box’. As they go, they add song and dance to their textile images. Her withdrawal contrasts strongly with her boldness in putting on performances for the general public. Long-term projects are perfect for Lindsy. She can sink her teeth into the same piece for months on end with endless patience. For instance, in 2011 and 2012 she created 356 embroideries over the course of a year: pieces of fabric which she assembled into two-dimensional dolls; one every day. On each human figure she embroidered a pattern. Repetition is clearly of great importance in her work.

The rolls are carried into the studio as if they were gold bars, in order to be felt in silence. Lindsy is crazy about their shine and softness. She is also greatly fascinated by the quality the fabric has of slipping away between her fingers. Simultaneously with the arrival of the silk, she embarks on a collaboration with textile artist Hilde Wallace, an experienced batik expert who specialises in drawing on silk in wax. Hilde, too, is immediately enchanted by the silk. The duo are able to experiment with twill (diagonally woven fabrics), transparent muslin and shiny satin. Choosing the material takes a long time. The softness, gloss and transparency of the fabric determine the artistic choices made. Different types of silk are rolled out and held up to the light. There is scope for endless debate, but then, unexpectedly, Lindsy makes a decision. The batik work marks the point at which she takes the step up to working at a larger scale. Using collage techniques, omitting and adding pieces and magnifying details, new forms are created. Using a projector, she transfers sketches and drawings onto a piece of cloth a metre and a half wide and two to three metres high. She is not put off by the size of the cloth; she sews everything by hand. Stitch by stitch, she fills the big pieces of cloth. Sometimes she does so quite furiously, which will make the silk feel much stiffer. And then there are the ‘clean’, graphical works, in which she starts a drawing with a few subtle threads, so that the silk retains its suppleness. Lindsy’s work is characterised by a play with textures. She colours her fabrics with thread and creates a new material by repeatedly stitching the fabric, embroidering it or drawing on it in wax. She doesn’t colour every wax drawing afterwards in a paint bath. Some cloths she paints with a broad brush. Often, the fact that the wax gives the silk a new texture and the definite but subtle colour contrast are enough for her. However, she does colour her finer work, created using a tjanting (a batik pen for applying the wax). She takes the preparatory drawings, always coloured in, from a sketchbook full of her impressions from a trip to southern France, or simply subjects from everyday life. Annemie Depaepe is artistic mentor of De Zandberg textile workshop, Belgium. www.vzwwith.org

P. 34 - 37 The place to be; Die Schlumper, Hamburg, Germany

‘From abattoir to atelier’ Text: Frits Gronert The place to be; Die Schlumper, Hamburg, Duitsland tekst: frits gronert foto’s: die schlumper en frits gronert

Van abattoir tot atelier 34

Silk Thanks to a fortunate twist of fate, the studio was able to take delivery of a palette of silk.

OUT OF ART MEI 2016

Al ruim twintig jaar ken ik Die Schlumper in Hamburg. In Galerie Herenplaats exposeren we sinds 1999 regelmatig werk van kunstenaars uit dit opzienbarende Duitse atelier. Zo toonden we tijdens een expositie over transport de futuristische vliegmachines en raketten van Uwe Bender (1943) en later het werk van Werner Voigt (1935- 2015) op een tentoonstelling over de Bijbel. Zomer 2015 bracht ik weer eens een bezoek aan Die Schlumper. Ik wist dat de oprichter Rolf Laute (19402013) inmiddels was overleden en dat zijn dochter Anna-Karoline Pongs-Laute diens levenswerk had overgenomen. Graag wilde ik kennismaken met haar en haar ideeën omtrent de voortzetting van het atelier. Tegen het eind van de middag kwam ik aan bij de Neuer Kamp 30, ooit een abattoir waar dieren hun laatste adem uitbliezen, voordat ze in braadworsten veranderden. Sinds 1998 zijn hier de ateliers van Die Schlumper gevestigd. Het is een schitterende, industriële ruimte met hoge ramen en gietijzeren kolommen die de ruimte in twee lagen verdelen. Bij binnenkomst stonden kunstenaars te wachten op vervoer naar huis; een herkenbaar en vertrouwd tafereel dat we bij Atelier Herenplaats ook dagelijks meemaken.

Onverwachte meevaller

Artistiek directeur Anna-Karoline vertelde me dat haar vader beeldend kunstenaar was en dat hij al in 1980 ging samenwerken met kunstenaars met een beperking. Dit gebeurde in een tijdelijke atelierruimte in het voormalige Rode Kruis Ziekenhuis bij de metrohalte ‘Schlump’ in de straat ‘Beim Schlump’ in de Hamburgse wijk Alsterdorf. Het begon allemaal met de opdracht voor een muurschildering in het Wilfried Borck Huis, een instituut voor mensen met een beperking. Samen met een aantal getalenteerde bewoners realiseerde Laute daar een enorm werkstuk van 3 bij 9 meter. Het bestaat uit een soort raster waar boven en onder mensfiguren uitsteken. In het raster zijn verschillende materialen verwerkt, zoals steentjes en collages van papier en hout. Het heeft de titel Der Weg durch die Furt. Vier jaar later verhuisde Laute met deze kunstenaars naar de kelder van het stadhuis Schlump, wat in het Duits ‘onverwachte meevaller’ betekent, wat natuurlijk mooi paste bij zijn ideeën. Bovendien strookt het met de werkwijze van outsiderkunstenaars. Al met al een prima naam dus, voor deze groep kunstenaars die inmiddels internationale bekendheid geniet.

Volgens Anna-Karoline echter, beschouwde haar vader het in die tijd niet zozeer als een kunstenaarscollectief. Voor hem was het vooral belangrijk dat kunstenaars met een beperking, na hun werk of dagbesteding, konden tekenen en schilderen. Het succes trok steeds meer kunstenaars naar de studio en in 1985 werd de stichting ‘Vrienden van Schlumpers’ opgericht. Laute kreeg daarop financiële steun van de gemeente Hamburg, waarna de groep professioneel aan de slag kon, onder begeleiding van betaalde beroepskunstenaars. Vele tentoonstellingen volgden, zowel in binnen- als buitenland, waaronder in 2005 in de befaamde Kunsthalle in Hamburg en in 2008 in de Italiaanse Galleria D’Arte Moderna e Contemporanea in San Gimignano. In 2013, vlak voor zijn overlijden, kreeg Rolf Laute een eremedaille voor zijn werk van de Senaat van de Vrije Hanzestad Hamburg. Voor deze creatieve initiatiefnemer stond de kwaliteit van de kunst onverminderd voorop. Indrukwekkende ruimte

In de kleine ateliers van Die Schlumper spat de verf er van af. Overal zijn ongegeneerd kwasten afgestreken aan muren en meubels. Het is wel duidelijk: hier wordt woest

OUT OF ART MEI 2016

p

35

I have known Die Schlumper in Hamburg for over 20 years. We have been exhibiting

work by artists from this remarkable German studio at Herenplaats since 1999. For example, during an exhibition on the theme transport we displayed the futuristic flying machines and rockets of Uwe Bender (1943), and later we showed the work of Werner Voigt (1935-2015) in an exhibition about the Bible. In the summer of 2015, I visited Die Schlumper again. I knew its founder Rolf Laute (1940-2013) had since died and that his daughter Anna-Karoline Pongs-Laute had taken over his life’s work. I wanted to meet her and get to know her and her ideas about keeping the studio going. Towards the end of the afternoon I arrived at Neuer Kamp 30, once an abattoir where cows drew their final breaths before being turned into ‘bratwurst’. Since 1998, it has been home to the studios of Die Schlumper. It is a wonderful, industrial space with high windows and cast iron columns that divide the space into two floors. Upon entering, I saw artists waiting for their ride home home; a recognisable and familiar scene that we also see daily at Herenplaats. Unexpected piece of luck Artistic Director Anna-Karoline told me her father was a visual artist who started working with artists with disabilities as early as 1980. He did so in a temporary studio space in the former Red Cross Hospital by the ‘Schlump’ metro stop in Hamburg’s Alsterdorf neighbourhood, on a street called ‘Beim Schlump’. It all started with the commission for a mural in the Wilfried Borck House, an institute for the disabled. Together with a number of talented residents, Laute created an enormous piece measuring 3 by 9 metres. It consists of a kind of grid with human figures sticking out at the top and bottom. The grid incorporates different materials, such as small stones and collages of paper and wood. It is entitled Der Weg durch die Furt. Four years later, Laute together with these artists moved into the basement of the Schlump town hall, Schlump meaning ‘piece of luck’ in German, which, of course, fitted in with his ideas perfectly. It is also consistent with the method of working of outsider artists. All in all a fine name for this group of artists who have since achieved international renown. However, according to Anna-Karoline, at that time her father didn’t consider it to be so much as an artists’ collective. For him, the main thing was that artists with disabilities should be enabled to draw and paint after their work or daily activities. The studio’s success attracted more and more artists and in 1985, the ‘Friends of the Schlumpers’ foundation was set up. Thereupon, Laute received financial support from the municipality of Hamburg, after which the group could work in a professional manner, under the guidance of paid professional artists. Many exhibitions followed, both at home and abroad, including in Hamburg’s famed Kunsthalle in 2005 and in the Italian Galleria D’Arte Moderna e Contemporanea in San Gimignano in 2008. In 2013, shortly before his death, Rolf Laute was awarded a medal

of honour for his work by the Senate of the free Hanseatic City of Hamburg. For this creative initiator, the quality of the art always came first. Impressive space In the small studios of Die Schlumper, paint flies all over the place. Brushes have been carelessly wiped on walls and furniture everywhere. It’s clear: this is where the painting happens. From the gallery on the first floor, you have a good view over the whole space. Downstairs by the entrance is a small desk where books and maps are sold and there is a coffee corner too. Against a wall, a stage has been erected for musical performances. The space can be rented for cultural events at weekends and in the evenings. Visitors can also get guided tours and meet the artists. Something very different from Herenplaats is that artists with disabilities also come to draw and paint after 5 PM. The regular group of ‘professional Schlumpers’ come during the day, and some stick around until 7 PM to support others in their creative process. What’s more, explains Anna-Karoline, they ‘work together intensively with schools in the area, which has led to some great projects’. As an example, she mentions a mural in a school that artists and school children created together. ‘The collaboration between our artists and primary school children always generates a special dynamic. The children really love it.’ And... a gallery of their own Anna-Karoline has faith in the future and beams when she relates ‘A highlight in our existence, a dream come true really, was getting our own gallery on 27 June 2014. It is a space of about 150 square metres, arranged over two floors and it’s in a new building within walking distance of our studio. Originally it was going to be a supermarket, but thanks to financial support from the private Hans Kauffmann Foundation, we were able to rent the property. However, we are still dependent on donations and the sale of works of art in order to be able to continue to pay the rent for the gallery.’ The ‘Schlumpers Forum for Art and Inclusion’ gallery is housed in the heart of Hamburg’s bustling Karoviertel district and is regarded as a welcome addition to the activities in the area. All in all, it was a special experience to meet the members of this vibrant collective. Next time I hope to meet more artists in order to be inspired by them, their work and the surroundings. Embroidery by Rohullah Kazimi During my visit to the Forum Gallery in Hamburg, I viewed the ‘Star Wars’ exhibition, featuring work by 14 artists from Die Schlumper and members of Kunstwerkstatt 18, a similar studio in the same city. I was particularly struck by the work of Rohullah Kazimi (Kabul, 1987). Fleeing the civil war in Afghanistan, he came to Germany with his family via Iran. He has now been living in Hamburg for 15 years and started at Die Schlumper in 2007. He works with various materials and what struck me most is that he often embroiders on his


drawings. This creates a unique visual language. I recognised comic heroes such as Batman and Superman, but I also saw still lifes and elements from the worlds of science, culture, history, technology, architecture, anatomy, all kinds of modes of transport and nature. The use of textiles in these works of art reminded me of the famous carpet weavers of Kazim’s homeland, where this is considered an honourable job for men. Also unique is the fact that Kazimi keeps a highly intriguing diary, which looks like a work of art in itself. The left-hand pages invariably show the date and diary entry, while the righthand pages bear drawings, sometimes in colour, but more often in grey pencil. One of his diaries was printed in a limited edition of three hundred copies and published under the title ‘Abendteuer Traum Tagebuch’. Of the diary he says, ‘Das Traumtagebuch bedeutet, dass man eine Reise durch seine eigenen Träumen macht’ (The dream diary means taking a journey through your own dreams). Werner Voigt and his icon for Die Schlumper A very famous artist among Die Schlumper was Werner Voigt (1935-2015) (see also Out of Art, December 2008). To mark his 80th birthday in 2015, the Forum gallery organised a retrospective of his work. Sadly, he did not live to see it himself. From 1984 to 2005, Voigt was part of the group and in that time he developed a very distinctive style. His themes are nearly always religious. A particularly impressive piece is his Alsterdorfer Passion from 1984, a large altarpiece measuring 400 x 200 cm. It hangs in the Lutheran Church of St John in Altona, the northern part of Hamburg. The striking figure of the guardian angel, shaped like a small, simple, Egyptianlooking figure, has become the ultimate icon of Die Schlumper. Exhibitions with work by Die Schlumper at Herenplaats, Rotterdam: - ‘A meeting with Schlumpers’, 26 March through 15 May 1999, including work by Uwe Bender, Kiymet Bock, Inge Wulff and Werner Voigt; - ’Transport’, 19 May through 16 July 2000, with work by Uwe Bender; - ‘And it came to pass in those days’, 17 November 2000 through 28 January 2001, with work by artists including Werner Voigt. www.schlumper.de

P. 38 - 39 Theme: textile

Yarn as palette; Marie-Rose Lortet Text: Marie Finaz Thema: textiel tekst: marie finaz foto’s: marie finaz gallery

Jill Galliéni

Tussen poppen, gebeden en dansende zielen Naar binnen kijken

Jill Galliéni Princesses, 2010 Textiel Maximale afmetingen 36 x 21 cm

De poppen zijn groot en roerloos, hebben soms ogen, zijn in zichzelf gekeerd en erg sierlijk. Een tijd lang worden ze gemaakt van gips en stof, soms versnipperd, losgetornd of zelfs verscheurd en gespleten. Later worden ze meer verenigd, geconcentreerder en meer één geheel. Sinds 1999 maakt Galliéni poppen die groter zijn dan zijzelf, soms wel 1,95 meter hoog. De kunstenares zegt “Ze zijn niet op echte schaal; het is absoluut niet de bedoeling dat ze op mensen lijken. Ze zijn geen kopie van de mens, maar van de geest”. Deze slanke, rijzige poppen richten zich op, draaien zich, rekken zich uit, bukken zich, rechten hun rug, kronkelen om zichzelf... en dan verstijven ze in een onbeweeglijke roes. Hun gezichten zijn bedekt of hebben geen ogen, want de kunstenares wil dat ze naar binnen kijken en dat ze alleen zijn met hun gedachten. Deze beelden nemen ons mee in hun gebaren en nodigen ons uit ze van veraf en van dichtbij te bekijken. Zowel hun postuur als de kleine details zijn fascinerend. Jill Galliéni (1948) is geboren in Aix-en-Provence in Frankrijk. Haar moeder is Amerikaanse en haar vader is een Frans acteur. Tot haar zevende jaar werd ze opgevoed door voogden en daarna teruggehaald door haar vader. Haar moeder kende ze nauwelijks. Toen ze 28 jaar was, begon ze mysterieuze poppen te maken om zich mee te omringen en zo “een parallel universum naar haar eigen werkelijkheid” te creëren.

mariefinazgallery.com

40

OUT OF ART MEI 2016

Modellerend borduren

Jill Galliéni werkt maandenlang aan iedere pop. Ze begint met een metalen roosterwerk, vulstof en meerdere draden, totdat ze naar eigen zeggen “de innerlijke pose van dans, emotie

“de innerlijke pose van dans, emotie en intimiteit...”

en intimiteit laat zien die naar buiten komt”. Vervolgens bedekt ze de structuur met dikke stof, die ze samenvoegt en waarop ze borduurt met gekleurde draden. “Als het beeld al gevorderd, maar nog niet klaar is, helpt het borduren mij om het nog meer vorm te geven, de rondingen af te slanken en ze nog meer te draaien. Het is geen ‘mooi’, verfijnd borduurwerk, maar een modellerende manier van borduren. Het is een fijn en feestelijk moment. Ik houd van het idee dat deze lichamen volledig omgeven worden door draden; de draad staat voor de gedachte.” De “huid” van de poppen is zo getatoeeerd en ingekerfd dat deze tegelijkertijd verwond en versierd is; leed en sierlijkheid ineen, zoals een beschrijving van het leven. Sinds 2007 plaatst Jill Galliéni de vrouwen in groepjes, die zo een “verzameling” geworden zijn; voor de kunstenares zijn het “dansende zielen”. In de lijn van haar poppen en beelden tekent Jill Galliéni met een naald prinsessen op transparante organdie (dun, doorzichtig weefsel). Stukje bij beetje komen de lichamen naar voren uit een achtergrond met energiek geweven lijnen, als een elektrisch geschrift. De prinsessen hebben allemaal een eigen postuur en eigen gebaren. Ze observeren. Ze zijn hypnotiserend en betoverend.

Jill Galliéni L’exilée, 2003 Textiel, 185 x 68 x 53 cm Foto: Pierre David

OUT OF ART MEI 2016

Marie-Rose Lortet, Jean Dubuffet’s little protégé, is still creating ten hours a day.

41

In 1969, she was noticed and encouraged by Dubuffet (1901-1985), who acquired some of her works for the Neuve Invention collection, which would join the Collection de l’Art Brut in Lausanne in 1978. They engaged in a correspondence in which Dubuffet closely followed Marie-Rose’s art and expressed his enthusiasm for her ‘small knittings’. Spontaneity Very early on, Marie-Rose, who grew up watching her mother and grandmother knit, broke free from knitting’s ‘utilitarian’ aspect, to paint ‘pictures in yarn’, that follow her everywhere. So much so that, released from any constraint, she had trouble conforming to the patterns of a fashion house she joined at the age of sixteen, preferring to create her own clothes; miniatures with ‘sleeves more suitable for angels’ wings than models’ arms’. Marie-Rose ‘had a falling out with armholes’ and soon went her own way. Marie-Rose uses yarn to tell stories based on events, encounters or impressions. She does not make preparatory drawings, allowing the work to spontaneously come into being, sometimes over a period of several months. ‘Knitting lets the mind and the imagination take the time to travel and create pictures’, she says. The artist has neither a canvas nor a structure ‘My yarn is my palette; I combine colours like a painter’.

Freshness of childhood Marie-Rose never stops having fun. She knits stories with poetic or funny titles, as though agreeing with what Chilean poet Pablo Neruda said ‘A child who does not play is not a child, but a man who does not play has forever lost the child who lived inside him, and whom he will miss very much’. Marie-Rose Lortet’s work is in many private and public collections such as Collection de l’Art Brut, Lausanne, Switzerland, Musée Jean Lurçat et de la tapisserie contemporaine, Angers, France, Irish Museum of Modern Art, Dublin, Ireland, De Stadshof Collection, Dr Guislain Museum, Ghent, Belgium, La Fabuloserie, Dicy, France, French Contemporary Art Fund, Paris, France, Dammann Collection, Switzerland and is often presented in solo and collective exhibitions, such as the French Musée de Vernon, Museum of Modern Art and Halle Saint Pierre, both in Paris. The artist is represented by Marie Finaz Gallery which exhibited her work in 2015, at the Saatchi Gallery in London during ‘Collect’, then during the ‘Outsider Art Fair’ in Paris and in 2016 at the Outsider Art Fair in New York and the Salon Zurcher during the Armory Show. www.mariefinazgallery.com

P. 40 - 42 More than 45 years of creation Bursting with creativity, Marie-Rose never stops knitting. She might start and finish a work in a single go or, on the contrary, enjoy watching it come alive over a period of months. The artist is often working on three or four projects at a time in her yarn-filled studio. In fact, the artist has never completely finished the four series; she goes back to whenever it strikes her fancy. In the 1970s, Marie-Rose created Territoires de Laine, where ‘the braid gives the yarn a different way of arranging colours, one pushing another in labyrinthine paths…’ . At first, Les Masques, which smile, laugh, grimace, look surprised, frown and express outrage, are just ‘large territories, roads, fields and bird’s-eye views that, throughout the story I tell myself, gradually become a unique piece comprising a network of wrinkles, like the grooves the engraver incises’. The Architectures de Fil series, which MarieRose began in the 1980s, demonstrate her desire to mark the environment with a human presence. Her ‘houses’, three-dimensional assemblages of ‘knit windows’, capture light and project striking patterns on walls. This poetic architecture (abandoned houses, dream-catchers, signs of possible habitation), take us on a journey through time, space and thought. La Suite Incertaine is a group of 365 handsized heads knit in white yarn that play with their shadows and grimace at each other. Lastly, Miniatures, or ‘Knits with pins’, are sculptures that sometimes become animals. A mouse may appear, as in M’as-tu vue? (Have you seen me?). Bursting with pride, the swaggering rodent shrugs its shoulders, puffs out its chest and taunts us. The Pull-over pour mouches (Sweater for flies) are there to dress athletic flies trying to lose us.

Theme: textile

Jill Galliéni, amidst dolls, prayers and dancing souls Text: Marie Finaz Jill Galliéni (1948) was born in Aix-enProvence, France, to an American mother, with a French actor for a father. She was raised by private tutors until the age of seven, when her father took over. She didn’t live with her mother and barely knew her. Aged 28, she started to create mysterious dolls for company, and to ‘build a universe running parallel to [her] reality’. They are huge and motionless, with or without eyes, turned inwards, exuding grace. The dolls started out as objects crafted from plaster and fabric, some with their seams coming apart, or ragged and ripped, yet over time they have regrouped to achieve a more focused, rounded look. In 1999, the dolls grew even bigger than the artist, reaching up to 1.95m in height. In the artist’s own words ‘They are not on a human scale, they mustn’t even look like humans. They are not our doubles, they are our spirit’. These dolls rise up in slender splendour, then twist and stretch, lean over and out, roll themselves up, then freeze dizzyingly. Their faces are masked or eyeless, as the artist aims for an introspective stance, in which each remains alone with their thoughts. The sculpted dolls beckon us in, inviting us to examine them both from afar and up close, because their posture and every last detail are simply fascinating. Shaping through embroidery Jill Galliéni takes several long months to sculpt each doll, using metal wiring, stuffing and all sorts of yarn, until she can reveal ‘an

introspective dance stance, that grips you, turning the doll inside out’, as the artist puts it herself. She then covers the structure with thick fabrics, assembled and embroidered with colourful yarn. ‘Once the sculpture has taken shape, the embroidery helps to elaborate yet further on the sculpture, thinning down the curves, twisting again and again. I’m not embroidering to pretty the doll up, nor to add a touch of sophistication; it’s part of the shaping process. It’s a delightful, jubilatory moment. I love the idea of wrapping the bodies up in yarn, the thread symbolizes thought.’ So the dolls skin get covered in tattoos, scarification, evoking both injury and adornment, suffering to achieve elegance, spinning their own yarn. Since 2007, Jill Galliéni has been placing women into groups, ultimately resulting in a ‘collection’; the artist sees them as ‘dancing souls’. Following this line of dolls and sculptures, Jill Galliéni also designs embroidered princesses, on sheer organdie (thin transparent fabric). Their bodies gradually take shape with their features energetically sewn in a sort of electric writing. The princesses each have their own posture and gestures, and they watch you. They hypnotise you, put a spell on you! Prayers As Jill Galliéni was experiencing some tough times in her life, she started writing, drawing and sewing prayers for Saint Rita, patron saint of lost causes, alongside her dolls. She has never stopped praying. Illegible, automatic writing forms a design to become a composition. Some prayers are scrawled in biro, others are sewn onto paper and assembled into a novena prayer book, lending a sense of pace to the artist’s spirituality. For Jill Galliéni, art has been a vital means of expression, helping her to live better and rise to challenges. And her ally, yarn, helps her to weave, regroup, design, link up, sew, all the better to repair the scars of life and move on. Lately, she confided in us, ‘I get the impression that the innermost feelings, my contradictions and sources of joy are all reflected in my work’. Jill Galliéni’s work belongs to many private and public collections like Collection de l’Art Brut, Lausanne, Switzerland, Musée LAM, Villeneuve d’Asq, France, Musée Jean Lurçat et de la tapisserie contemporaine, Angers, France and has been on display in many personal and collective exhibitions like Centre Pompidou, Paris, France, Musée Art et Marges, Brussels, Belgium, Institut Français, New York, United States of America and Musée Bargoin, Clermont-Ferrand, France. Jill Galliéni is represented by Marie Finaz Gallery which exhibited her work alongside that of artist Marie-Rose Lortet in 2016 at the Outsider Fair in New York and the Salon Zurcher during the Armory Show. Marie Finaz represents international contemporary art and Outsider Art. Visit Marie Finaz at the Outsider Art Fair in Paris, 20 – 23 October 2016. www.mariefinazgallery.com


Agenda NEDERLAND Amsterdam Galerie Hamer Leliegracht 38 www.galeriehamer.nl

D 29 okt t/m 31 dec 2016 Nieuwe Ontmoetingen, een bont gezelschap Gijs Ambrosius (NL), Bertho (België), Henry Faust (USA), Seth Prime (Australië), Roboxo (NL), Günther Schützenhhöfer (Oostenrijk),El Sirio (Cuba)

D 16 sep t/m 28 okt 2016 Tekst Helden Geschreven teksten in de Outsider Art

Brussel, België Art et Marges Museum Rue Haute 312-314

J.A. van der Goeskade 65 www.artotheek.be

D t/m 30 jun 2016 Grafiek op papieren tassen Grafisch werk van de Kaaikunstenaars

9 N Pallant www.pallant. org.uk

D t/m 12 jun 2016 Radical Craft: Alternative ways of making Werken op de grens van kunst en ambacht door internationale kunstenaars

D 03 jun t/m 09 jul 2016 New York te gast in Rotterdam Kunstenaars van het beroemde Living Museum tonen hun werk.

BUITENLAND

Goes Galerie Atelier De Kaai

Chichester, Groot Brittannië Pallant House Gallery

Marianne Schipaanboord, David Abrisror, Mies van der Perk, Livia Dencher, Jeroen Pomp, Laan Irodjojo, Edward Teeuw, Ognjen Jeremic en vele anderen

www.artetmarges.be

D t/m 12 jun 2016 Atomik Bazar Zwitserse kunstenaar François Burland brengt een eerbetoon aan de magie van de wanorde met puin, affiches en een … tank.

Heidelberg Prinzhorn Collectie

Chicago, Verenigde Staten Intuit: Center for Intuitive and Outsider Art

Vosstrasse 2,

756 N Milwaukee Avenue

www.prinzhorn.uni-hd.de

www.art.org

D t/m 16 sep 2016 Paul Goesch Duits expressionistisch schilder/ architect die twintig jaar in psychiatrische instituties verbleef. Slachtoffer van het euthanasieprogramma van de Nazi’s.

D t/m 5 jul 2016 Lee Godie: Self Portraits De eerste tentoonstelling, speciaal gewijd aan de vele fotografische zelfportretten die Lee Godie liet maken in fotohokjes

Bègles, Frankrijk Musée de la Creation Franche 58 ave. du Maréchal de Lattre de

Lausanne, Zwitserland Collection de l’Art Burt 11, avenue des Bergières www.artbrut.ch

Tassigny

D 1 juli t/m 30 sep 2016 20 jaar De Kaai Groepstentoonstelling van de Kaaikunstenaars

www.musee-creationfranche.com

D t/m 5 jun 2016 Jeroen Hollander Tentoonstelling van 150 grafische visionaire kaarten van autodidact met fascinatie voor transportmiddelen en tijdstabellen

www.eennieuwewind.nl

D 04 sep 2016 Stichting Een Nieuwe Wind organiseert om 13.30 uur een literaire middag tgv de ‘Bunderletteren’ op De Panhoeveweg in ’s-Heer Arendskerke, Zeeland.

D t/m 28 aug 2016 L’Art Brut de Jean Dubuffet Veertig jaar geleden schonk Jean Dubuffet zijn collectie Art Brut aan de stad Lausanne. Een tentoonstelling over de werken die hij tussen 1945 en 1949 verzamelde.

Parijs La Halle Saint Pierre 2 rue Ronsard www.hallesaintpierre.org

Rotterdam Galerie Atelier Herenplaats

Bönnigheim, Duitsland Museum Charlotte Zander

Schietbaanstraat 1-15

Hauptstrasse 15

www.herenplaats.nl

www.sammlung-zander.de

D t/m 20 mei 2016 25 jaar Herenplaats Met werk van Coen Ringeling,

D t/m 28 aug 2016 27 Künstler, 209 Werke Nieuwe presentatie van werken

Zie voor actuele agenda de website: out-of-art.nl

D t/m 26 aug 2016 L’Esprit Singulier. Collection de L’Abbaye d’Auberville Selectie uit collectie met kunstwerken uit de wereld van Art Brut, Art Singulier, hedendaags expressionisme, surrealisme en populaire kunst

OUT OF ART MEI 2016

51


Profile for Out of Art

Out of Art 2016 #1  

Out of art 2015#2 Bekijk enkele pagina’s van Out of Art 2015-1. Houd je van kunst met een rafelrandje? Lees dan Out of Art, hét kunstmagazin...

Out of Art 2016 #1  

Out of art 2015#2 Bekijk enkele pagina’s van Out of Art 2015-1. Houd je van kunst met een rafelrandje? Lees dan Out of Art, hét kunstmagazin...

Advertisement