Page 1

Magazine voor actuele Outsider Art

Jaargang 10 nummer 2 december 2015 prijs â‚Ź 7,95

Thema: horror vacui


Voorwoord In mei 2006 verscheen de eerste Out of Art. Dit is alweer de twintigste editie. Deze jubileumuitgave is gewijd aan horror vacui, ofwel ‘angst voor de leegte’. Dit staat in de kunsten synoniem aan overvolle bladen, van hoek tot hoek gevuld.

Out of Art is een uitgave van Amerart n.v. onder auspiciën van am Foundation en verschijnt twee keer per jaar. Redactie Out of Art Prins Hendriklaan 43, 1075 ba Amsterdam Tel. 020-675 63 00 info@out-of-art.nl www.out-of-art.nl Werkgroep Out of Art 20: Frits Gronert, Eva von Stockhausen, Karin Verboeket en Phia Verstraete Aan dit nummer werkten verder mee: Joris Killian, Klaus Mecherlein, Bert Schoonhoven en Jack Vreeke. Vertaling: Language Unlimited Tekstredactie English section: Eva von Stockhausen Vormgeving: Van Rosmalen & Schenk, Amsterdam Druk: Drukkerij Tesink, Zutphen Omslag: Patrick Siegl, The Battle of Osaka-Neo-City, 2012, Fineliner en kleurpotlood op papier, 100 x 70 cm (detail) Abonnementen/subscriptions Out of Art Abonnementenland Postbus 20, 1910 aa Uitgeest Tel. 0900 - 226 52 63 Fax 0251 - 310 405 klantenservice@aboland.nl www.aboland.nl De eerste abonnementsperiode geldt voor bepaalde tijd en kan niet tussentijds beëindigd worden. Abonnementen worden na de eerste abonnementsperiode omgezet naar een jaar­ abonnement, tenzij u tenminste 3 maanden voor het eindigen van de abonnementsperiode opzegt.

Abonnementsprijs in Nederland € 15,- per jaar Subscription inside Europe € 22.50 and outside Europe € 27.50 Voor verkooppunten zie www.out-of-art.nl Niets uit dit magazine mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorgaande toestemming van de uitgever.

Hoewel in dit kader direct gedacht wordt aan werk van klassieke outsiders, toont Jack Vreeke dat de drang om te vullen ook meer recent, en dichtbij huis, aan de basis kan staan voor een fascinerende beeldtaal. Na zijn toelichting stappen we over op de voortrazende treinen en trams van Ron Oosterbroek. Om de buitengewoon minuscule lijnen van Patrick Siegl op hun ware merites te beoordelen, wordt aangeraden ze met een vergrootglas te bekijken. En dan zijn hier enkele details nog op ware grootte afgebeeld. Wim de Jong tekent aan elkaar gebreide lijnen die doen denken aan spinnenwebben en aan de doorgaande lijnen van Olga Paulissen lijkt evenmin een einde te komen, ook al is het papier vele meters lang. Bij Cieuw Wai Chong gaat het over zekere en onzekere gedachten en een robot die de mensheid helpt. Architectuur is een inspiratiebron voor de buitengewoon gedetailleerde tekeningen van Nicky Roos. En als het toch over ‘gepriegel’ gaat, lees dan vooral ook over het werk van Evert Panis.

Out of Art 21 verschijnt mei 2016 met een themanummer over textiel

2

OUT OF ART DECEMBER 2015

24

In België vond voor de rubriek ‘Ik ben ik’, een bijzonder gesprek plaats met de veelzijdige Klaus Compagnie. Met alle kennis in zijn hoofd en in de computer, weet hij wel raad. Voor ‘Eindeloze begeerte’ vonden we Julia Dotulong en Pieter van den Heuvel bereid te vertellen over hun groeiende en boeiende collectie Outsider Art. Ze verzamelen beiden en hebben ieder een eigen kijk op wat hen het meest aanspreekt. ‘The place to be’ besteedt aandacht aan het nieuwe Kunsthuis Yellow Art in het Belgische Geel, waar de gele zotheid samengaat met kunst en poëzie. Hoewel niet ingegeven door horror vacui, behoudt Out of Art ook de komende jaren de drang om magazine na magazine te blijven vullen met Outsider Art. Karin Verboeket, hoofdredacteur

© 2015

9

15


22

30

40 Thema: horror vacui

4

Volgeladen beelden. Horror vacui in het platte vlak In de beeldende kunst staat de drang om te vullen aan de basis voor het ontstaan van volle bladen. Jack Vreeke licht de verschillende gradaties van horror vacui toe: van behoorlijk vol tot overvol. Voornamelijk geïllustreerd met recente ­voorbeelden van tweedimensionaal werk uit de Lage Landen en omgeving. Oneindig gepriegel tot aan de rand en verder.

15

Zwarte lijnen van Ron Oosterbroek Overvolle treinen. Volgestouwde perrons. Volkalken en ­afschrapen voor een doorleefde huid.

16

Patrick Siegl en zijn kunst op de punt van de naald Siegls’ dunne punt van potlood, fineliner of etsnaald tovert een oriëntaalse wereld t­ evoorschijn. Alleen te ontdekken met een loep. Kleine, fijne minaretten, krijgers, zuiltjes, watervallen en nog veel meer.

22

Wim de Jong. Heldere structuren Als spinnenwebben zo fijn. Ragfijne lijnen verworden tot patronen met een eigen ritme.

30

Doorgaande lijnen van Olga Paulissen Figuratief. Abstract. Alles kan, mits de lijnen maar een ­doorgaande beweging kennen. Lege ruimte bestaat wel bij Paulissen, maar heel scheutig is zij er niet mee.

33

Cieuw Wai Chong. De deels bewezen tekening Filosofische bespiegelingen, gebaseerd op een gesprek tussen kunstenaar en auteur.

38

De ongelooflijke tekeningen van Nicky Roos Architectonische constructies. Veel verbindende loopbruggen, maar nergens een mens te bekennen.

40

De ‘Panis dimensie’ Duizenden vellen vol zelfverzonnen schrift. Doek na doek, vol in grafische harmonie. Voor wie oog heeft voor detail.

Rubrieken

9

Ik ben ik; Klaus Compagnie “Ik kan alles opzoeken” ‘Praatvaar’ Compagnie over het weer, Dutroux, ‘Breibolgen’, hersenen en moeiteloos wisselen tussen verleden en heden en weer terug. Deze Vlaming kan alles opzoeken en hij weet al zo veel. Herhalingen van motieven en personages in teksten en beelden. Een boeiend gesprek met een veelzijdig man.

24

Eindeloze begeerte; Julia Dotulong en Pieter van den Heuvel “Kunst is voor alles gevoel” Deze verzamelaars verzamelen “organisch”. Ook binnen de Outsider Art. Liefst in tweetallen. Het gaat hen niet om het “hebben”, maar “om de kracht van het werk”. Over de ­fascinatie voor het ontwerp en de fascinatie voor de obsessie: twee visies, één collectie en … de wensen die er nog zijn.

34

The place to be; Kunsthuis Yellow Art, Geel, België De kleur van de zotheid Waar kunst gemaakt wordt op een historisch en anderszins beladen plek. Vlakbij het ouderlijk huis van Jan Hoet. Waar de gevluchte Ierse koningsdochter Dimpna sinds eeuwen wordt beschouwd als patrones van bezetenen en krankzinnigheid. Het Belgische plaatsje Geel; waar psychiatrische gezinsverpleging over ging in een ziekenhuis. Met op het terrein ruimte voor kunst en poëzie.

43 51 52

English section Agenda 10 jaar Out of Art in 20 thema’s

OUT OF ART DECEMBER 2015

3


Dirk Martens Stint Hint, 2005 Collage, 30 x 23 cm

“Ik voer een gevecht op leven en dood met ontelbare indrukken en gedachten” Dirk Martens

4

OUT OF ART DECEMBER 2015


Thema: horror vacui tekst: jack vreeke

Volgeladen beelden

HORROR VACUI

IN HET PLATTE VLAK Hoe krijgt Hein Dingemans (1962), zoals hij zelf noteert “…14 polynesiërs, 2 melanesiërs, 9 negers, 18 indianen, 3 papoea’s, 3 ainoes, 1 galliër, 1 galla, 1 tasaday, 3 indonesiërs, 29 australische aborigines, 1 wedda en een negerin” op één vel papier van 50 x 65 cm? In totaal beslaat deze hele volkstelling tientallen wilde figuren. Dingemans kreeg het voor elkaar, door het blad gewoon aan beide zijden tot de rand toe te vullen. Het verschijnsel horror vacui komt regelmatig voor in de beeldende kunst. Meestal is het niet zozeer een gevolg van ‘angst voor de leegte’, wat de letterlijke vertaling van de term is, maar gaat het vooral om de uiting van een ontembare drang te tekenen. We zien dit op natuurlijke wijze al ontstaan bij sommige kinderen in de krabbelfase. Terwijl in de tekening van Dingemans ­tussen het gekrioel van zijn exotische ­figuren nog veel van het witte papier zicht­ baar is, bestaan er uiteraard veel extremere vormen van horror vacui. Het gegeven staat garant voor een fascinerende beeldtaal, p Joy Meeuwsen De wereld in hokjes Print op doek, 140 x 140 cm (gebaseerd op tekening, ca. 1975) Foto Nico Bierlaagh

OUT OF ART DECEMBER 2015

5


Livia Dencher, Spooklandschap, 2013, Gemengde techniek op doek, 50 x 50 cm Foto Fred Brekelmans

Laurien Röhring Abstract zwart wit, 2013 Acryl op doek, 70 x 100 cm Collectie Special Arts Foto Gerard van Rossum

Daardoor kunnen bouwplaatachtige werken ontstaan, die opvallend plat aan doen. Hoewel ook hier nadruk­ kelijk sprake is van volle werken, is de ondergrond vaak niet volledig bedekt. Evert Panis (1940-2013) plaatste zijn rondjes en vierkantjes niet zo zeer in rijtjes, maar meer verspreid over het blad. Zijn tekeningen doen eerder denken aan vlakvulling dan aan een bewuste vlakverdeling, al herkennen we ook hier een sterkte ritmische structuur. (zie pp. 40-42). In het kort kan gezegd worden dat er tekenaars met horror vacui zijn die met symmetrie, kruisarceringen of de eerder genoemde rijtjes, enige ordening in de getekende of geschilderde massa aanbrengen. Dit kan

ook met een duidelijke middenas die het werk symmetrie en structuur geeft. Dergelijke composities geven de indruk dat de maker maar de helft van de tekening hoeft te bedenken, om deze dan min of meer spiegelbeeldig te herhalen. Veel andere kunstenaars tekenen gewoon alle kanten op, totdat de fysieke randen van het papier letterlijk zijn bereikt. Ook als de ondergrond vele malen groter was, was deze hoogstwaarschijnlijk even vol getekend. Wie aan horror vacui denkt, denkt vaak direct aan deze rasechte ‘bladvullers’. Hun tekeningen worden een aaneenschakeling van terugkerende patronen, min of meer figuratieve elementen of juist van abstracte figuren. Denk bijvoorbeeld aan het werk van Laurien Röring (1987), Petra van Kordelaar (1963) en Livia Dencher (1980). Of kijk naar de architecturale werelden die zowel Olga Paulissen (1976) als Nicky Roos (1984) in hun tekeningen oproepen (zie pp. 30-32 en pp. 38-39) en de gekleurde en ritmische wereld vol treinen en trams van Ron Ooster­

broek (1957-2007)(zie p. 15). Ook Joy Meeuwsen (1948-1999) was zo’n ‘bladvuller’, maar dan wel een heel gestructureerde. Zij construeerde patronen van vierkantjes en rechthoekjes, waarin zij mensen en dingen tekende. Zo creëerde zij als het ware een wereld in hokjes. De patronen die we herkennen in de tekeningen van Wim de Jong (1956) starten vanuit een herkenbare, figuratieve basis en verworden gaandeweg tot abstracte composities met een duidelijke ritmiek (zie pp. 22-23). Op geheel eigen wijze geldt dit ook voor de tekeningen van Cieuw Wai Chong (1986) die abstracter over­ komen dan de intentie van de maker misschien is (zie p. 33). Patrick Siegl (1991) tenslotte, heeft tijdens het tekenen een visuele wereld voor ogen. Toch komen zijn exotisch ­aandoende werken op het eerste gezicht abstract over. Komt dat ­misschien door de buitengewone detaillering in minuscule lijntjes (zie pp. 16-21)? Al met al komt horror vacui in verrassend veel gedaanten voor. Het gekrioel van lijntjes en vormen duidt vaak geen begin en geen einde aan. Voor de beschouwer roept het ene kunstwerk een beklemmende, benauwende sfeer op, terwijl het andere aanspoort tot speurwerk: wat is hier allemaal getekend? Wat kan ik in beelden en teksten herkennen? Deze volgeladen beelden blijven boeiend om naar te kijken en nopen voortdurend tot het stellen van steeds andere vragen. Jack Vreeke is beeldend kunstenaar en ­oud-docent tekenen en kunstgeschiedenis.

8

OUT OF ART DECEMBER 2015


Ik ben ik; Klaus Compagnie tekst: phia verstraete foto’s: leon hermans

“Ik kan alles opzoeken” Klaus Compagnie (1972) besluit in 1992 te gaan werken in het atelier van Het Molenhuis in het Belgische Zwevegem. De voorgaande schooljaren hebben hem teveel prikkels gegeven en hij gaat dringend op zoek naar een rustige omgeving. Voor het eerst ontdekt hij wat artistieke vrijheid voor hem betekent. Eindelijk kan hij zich ongestoord wijden aan zijn passies: schrijven, schilderen, tekenen en verhalen vertellen. In de jaren die volgen, vinden zijn vele fascinaties een ­uitweg in zijn beeldend werk. Hij is een gevraagd kunstenaar en heeft inmiddels een indrukwekkende lijst met tentoonstellingen, publicaties en andere kunstprojecten op zijn naam staan. Vier dagen per week reist hij met de trein vanuit zijn woonplaats Gent naar Kunstwerkplaats De Zandberg in Harelbeke, waar hij tegenwoordig werkt. p Voorkant van het visitekaartje van Klaus Compagnie

artotheek.be wzwwith.org

OUT OF ART DECEMBER 2015

9


Klaus Compagnie Het proces van Marc Dutroux, 2000 Acryl en collage op doek, 200 x 200 cm

Praatvaar

De onlangs vernieuwde tuin van De Zandberg is een oase van rust. Op het dak staan futuristische beelden en op het plein bevinden zich functionele kunstobjecten. De junizon schijnt uitbundig en hier en daar ­zitten kunstenaars aan houten picknicktafels. Binnen zit Klaus Compagnie in zijn atelier op me te wachten. Ik heb hem al verschillende keren ontmoet en met een blik van herkenning begroet hij mij met de woorden ”Buenos dias, señorita. Ik heb slecht geslapen. Pas om één uur vannacht viel ik in slaap. Dat ligt aan mijn medicatie en een beetje aan het gesprek vandaag”. Klaus Compagnie is een ‘praatvaar’, zoals ze dat hier in de streek noemen. Vanaf zijn jeugd kletst hij de hele dag door en geeft hij voortdurend commentaar op het leven. Vandaar dat hij begint met wat hem het meest boeit vandaag: de politiek. “Griekenland heeft geen geld en de banken willen niet lenen. Ik heb het vanmorgen nog op televisie gezien en premier Marcel Michel heeft zorgen.” Klaus Compagnie spreekt Vlaams in een wel heel rap tempo. Ik moet alle zeilen bijzetten om hem te verstaan. Op zijn tafel ligt een stapel tekeningen en tegen de wand staan grote schilderijen. Ze zijn uit de artotheek gehaald en bevatten zowel vroeg als laat werk. Overal waar je kijkt, zie je teksten in blokletters geschreven met houtskool, viltstift, fineliner of druipende acryl, soms dwars over de beeltenissen heen. Klaus wil graag een toelichting geven en we beginnen met een opvallend groot doek.

“Den diene babbelt teveel”

Klaus Compagnie Kenny Callens aan het kruis, 2013 Alcoholstift op papier, 54 x 73 cm

10

OUT OF ART DECEMBER 2015


Klaus Compagnie Spijsverteringsstelsel, 2013 Acryl op doek, 115 x 75 cm

De zaak Dutroux

‘Het proces van Marc Dutroux’ staat geschreven boven aan dit schilderij. Maandenlang is Klaus bezig zijn ge­­ dachten hierover op schrift te zetten, verhalen te vertellen en tekeningen te maken. Zijn kennis en ongebreidelde fantasie zorgen soms voor wonderlijke bespiegelingen op het proces dat heel België zo schokt. Een voorbeeld is deze collage, waar tussen alle ernstige interpretaties een grappige verwijzing zit naar het woord ‘Breibolg’. Het staat geschreven bij een bol wol, doorboord met vier breinaalden. ‘Breibolg’ blijkt een koosnaampje dat Klaus meestal reserveert voor iemand die hij graag mag. In dit doek wordt ermee verwezen naar Sofie Demeyer, een televisiejournaliste die hij adoreert. Om het nog ingewikkelder te maken, zijn voor Klaus deze journaliste en degene die hij doorgaans met dit koosnaampje aanduidt, in het doek één en dezelfde persoon. Links staat hoofdrolspeler Marc Dutroux afgebeeld, groter dan alle andere figuren, met een bruin pak aan, een zwart petje op en met grote ogen waarbij één pupil is o­ pengelaten. Daaromheen bevinden zich advocaten, rechters en journalisten. Vreemd is dat de vermoorde kinderen afwezig zijn, maar dat zich onderaan het doek wel een vrolijke baby bevindt met het opschrift ‘Bambino 1996 en 2004’. Het lijkt een humoristische kanttekening bij dit serieuze verhaal. De teksten, met nog meer uitleg over het proces, zijn veelal in horizontale lijnen over de schildering geplakt. Klaus Compagnie wijst aan “Hier, de proceskosten zijn vijftig miljoen euro. Heel veel geld”.

Nog meer dan het proces op zich, is Klaus Compagnie in die tijd geboeid door de eerder genoemde Sofie Demeyer en door Caroline Van den Berghe van justitiële zaken. Tijdens het proces volgt hij de twee vrouwen dagelijks op televisie. Trots vertelt hij “Met Caroline, zij is van 1946, heb ik een vriendschap. Ik mag haar altijd bellen als het nodig is”. Bij ­verschillende projecten en tentoonstellingen van hem, is zij aanwezig. Samen met professioneel fotograaf Lieven Nollet maakte hij een foto­ reportage van Caroline in de studio van de Vlaamse Radio en Televisieomroep. Het resultaat, een levensgrote foto van haar en Klaus hangt later in de studio van het journaal. Tijdens de opening van het tienjarig bestaan van vzw Wit.h, heeft Klaus Compagnie de rollen omgedraaid. “Ik heb een interview afgenomen van Caroline Van den Berghe”. En dat bevalt hem zo goed dat hij later nog verschillende mensen zal interviewen. Het menselijk lichaam

Zuurstofgebrek tijdens zijn geboorte, maakt dat Klaus Compagnie kampt met beperkingen. Hij is uitermate gefascineerd door alles wat met de binnenkant van het menselijk lichaam heeft te maken; vooral de hersenen. Veel tekeningen verbeelden skeletachtige mannetjes die op het eerste gezicht aan robotten doen denken. Het zijn bestaande figuren die hij heeft ontdaan van hun menselijk omhulsel. Hij wijst op een skelet dat een collega voorstelt. “Den diene ­babbelt teveel”, zegt hij met een ondeugende glimlach. De bewuste

p

Klaus Compagnie Angele, 2013 Acryl op doek, 115 x 75 cm

OUT OF ART DECEMBER 2015

11


Thema: horror vacui tekst: klaus mecherlein foto’s/scans: a.werner grafik, mßnchen

Patrick Siegl en zijn kunst Patrick Siegl The adventure of lost odysee-wind waley Fineliner en kleurpotlood op papier, 50 x 70 cm

16

OUT OF ART DECEMBER 2015


Onze aarde is een “schijnwereld”. Overal stuit je op de grenzen ervan. Grenzen die je kunt beschrijven en overschrijden en die je tenslotte achter je kunt laten. Daarachter liggen verre verschieten en landen, onbetreden gebieden, magische werelden en vergane beschavingen, die in ons de drang aanwakkeren om naar verre streken te reizen. Maar hoe kan de dimensie van tijd en ruimte buiten werking worden gesteld om voor het eerst die oorden te bereiken die nog nooit eerder door een mens zijn betreden? Hoe kom je van de ene schijnwereld in een andere, die onze eigen schijnwereld pas goed doet begrijpen? Op zeker moment heeft Patrick Siegl (1991) besloten hier met de middelen van de schilderkunst naar op zoek te gaan en te reizen naar onbekende streken. Als hij toen had geweten waarheen deze reis hem zou voeren en hoe lastig dat soms is, zou hij dan misschien een ander ­vehikel dan de beeldende kunst hebben gekozen?

Zulke vragen dringen zich onwillekeurig op, als je de werken van Patrick Siegl bekijkt. En al helemaal als je hem zelf aan het werk ziet. Hij is dan heel ver weg en tegelijk helemaal bij zichzelf. Ingesponnen in een cocon van beelden en toch altijd in een fractie van een seconde helemaal in het nu. Patrick Siegl begon meteen na de Montessorischool zijn kunst te ontwikkelen. Zo goed als uit het niets. Vanuit een kleine schat van slechts enkele schetsen uit zijn schooltijd vond hij heel plotseling zichzelf. Hij schiep monumentale panorama’s, wereldlandschappen, aan de fantasie ontsproten architecturen van tempelcomplexen, slagvelden voor samoeraikrijgers en woestijnduinen onder een verlaten, grijze, opengebroken wolkenhemel. Grote onderwerpen! En… grote formaten. Toch verwerkt hij alles op een minutieuze, miniaturistische manier die zijn weerga niet kent en die de laatste jaren een steeds kleinere schaal heeft aangenomen. De kunstenaar heeft zich daarbij tegen de grenzen p

op de punt van de naald

hpca.de

Patrick Siegl The adventure of lost odysee-wind waley, 2012 (details op ware grootte)

OUT OF ART DECEMBER 2015

17


Patrick Siegl Die andere Stadt Istanbul mit ehemaligen verlassenen Kerkerschluchten und mit Gruften vom Vlad der Pfähler, 2015 Fineliner en potlood op papier, 63 x 44 cm (onder: 1,5 x vergroot detail)

mentaal al in een plattegrond vastgelegd. Alles is gepland. Elk detail ligt al vast in zijn hoofd, voordat het potlood het vel papier voor het eerst beroert. Deze werelden zijn te delicaat en gedetailleerd, te kwetsbaar en immaterieel om je daarbij te verschrijven, ofwel ’vertekenen’. Voorzichtig en langzaam werken en veel, heel veel twijfel en nog meer herhalingen op herhalingen, tekenen het lange wordingsproces van deze tekeningen. Het is een stille kunst die pas in de overweldigende rijkheid aan details plotseling zachtjes explodeert. Op de punt van een naald is de omvang van de wereld het grootst. Zelfs nog de kleinste witte ruimte moet de kunstenaar benutten om zijn verhaal een andere kant op te laten gaan en voort te zetten. Het gaat een diepte in die, gezien het tweedimensionale vlak, natuurlijk eigenlijk een breedte is. De breedte van het verhaal in het vlak biedt hier echter ook een nieuwe dimensie die als ‘dekking’ moet worden getypeerd. Het begrip ‘dekking’ kennen we uit de schilderkunst en de druktechniek. Daar betekent het eigenlijk de hoeveelheid verf die zich op het oppervlak bevindt. In de tekening verandert deze ‘dekking’ in een dimensie van de tijd. Horror vacui en het eeuwige

De stelling dat de wereld geen vacuüm kent, dus geen enkele plaats waar iets ontbreekt, waar een niets bestaat, is afkomstig van Aristoteles. Dit idee leidde tot het begrip horror vacui, dat als aanduiding van overladenheid (‘dekking’) vooral door de artistieke creaties uit de barok bekend is geworden. Maar de kern van het fenomeen is, in elk geval bij Siegl, beslist geen ‘horror’ in psychologische zin. Veel beter laat het zich begrijpen als een volledige, bijna onverbiddelijke beschrijving van alles wat is en alles wat moet zijn. Want pas als de (schijn)wereld in zijn volle aanwezigheid is beschreven, geldt deze als bewezen en is het dreigende spook van het vacuüm bezworen. De wereld verliest zijn schrikwekkende aanblik. In deze logica komt het erop aan alles wat is tot in de kleinste details aan te duiden (te ‘betekenen’) en plaatsvervangend het vlak van het papier met tekens te bedekken. Volgeschreven wordt het als een sluitend bewijs. De diepere artistieke bedoeling is echter beslist deze, dat het verhaal van de kunstenaar daarmee nooit is afgelopen, maar op elk punt een nieuwe verbinding kan krijgen en eeuwig kan worden voortgezet. Waar zijn verhaal dreigt af te breken, kan het altijd nog eens worden vervolgd met een volgende wending. Tot in het oneindige.

Er zijn in het werk van Patrick Siegl meerdere van deze oneindig­ heden, van aspecten van het eeuwige. We herkennen het oneindig doorgaan van het verhaal door de aaneenrijging, de tot het uiterste doorgevoerde kleinheid van de elementen die zich aan de zintuiglijke waarneming onttrekken (zelfs nog onder een vergrootglas). Ze gaan als het ware over in een vertellend micro bereik dat uit­ sluitend nog abstract als intellectueel vormprincipe te begrijpen valt. Dit zich onttrekken, dit verdwijnen in de kleinheid schept een oneindige afstand. Het vergrootglas neemt de plaats van de verrekijker in. En tenslotte eindigt de schildering bij Siegl, zoals hij zelf aangeeft vaak in een “zwart gat” of een magentarode sterrenhemel, als de laatste tekenen en symbolen van de oneindigheid. Op die plaatsen in de tekeningen gaat de wereld van de lijnen over in de abstracte wereld van het vlak. De betekening van objecten mondt uit in het ene, symbolische object, de verf ofwel in een abstract ruisen van aanwezigheid. Het is dezelfde verte die zich symbolisch uitstrekt in de grote wolkenluchten en verre ­einders. De hemel is reusachtig en de uitgestrektheid oneindig. De horizon kan alleen nog maar in de verte worden bevroed. De wolken stevenen aan op deze verte en lijken op iets te wijzen wat er achter ligt. Het is de verte van voorbije tijden en lang vervlogen beschavingen… of de verte van wat nog komen moet. Kunsthistoricus Klaus Mecherlein is directeur van atelier hpca & Euward-Archiv in Duitsland. Hij publiceert regelmatig over Outsider Art.

20

OUT OF ART DECEMBER 2015


OUT OF ART DECEMBER 2015

21


tekst: karin verboeket

Olga Paulissen Huizen, 2010 Inkt op papier, 50 x 65 cm

30

OUT OF ART DECEMBER 2015


Thema: horror vacui tekst: karin verboeket foto’s: erik van rosmalen

Doorgaande lijnen van Olga Paulissen Met een origineel oog voor perspectief en detail, vertrouwt Olga Paulissen ofwel Olga Minderhout (1976) haar lijnen toe aan het papier. Met potlood of met inkt. En of dat nu gebeurt op een vel papier van 50 of van 500 centimeter lengte; doorgaans vult zij het hele blad. Golvend oppervlak

Uit de getrokken lijnen ontvouwen zich soms louter abstracte elementen, door haar zelf dan bijvoorbeeld simpelweg “… de tekening van iets met strepen” genoemd. Maar meestal toch, gaat het om herkenbare vormen. Deze kunnen zich voordoen als gevarieerde onderdelen van een zelfde reeks, zoals muziekinstrumenten of snoepgoed in de meest verleidelijke gedaanten. Bij deze reeksen geldt dat de losse onderdelen vaak min of meer regelmatig over het blad worden geplaatst. Uit haar pen blijven de lijnen stromen. Meer, meer, meer… totdat de randen zijn bereikt. De beschouwer kan zich niet onttrekken aan het gevoel dat deze reeksen oneindig veel groter zijn dan de plek die ze op het papier hebben veroverd. Ze lijken een optelsom van losse delen die als vanzelf een gelijkmatig, ritmisch patroon vormt. De context van al die aparte elementen wordt gevormd door de reeks waarin ze passen. p

Olga Paulissen Theeglazen, 2005 Inkt op papier, 64 x 43,5 cm

OUT OF ART DECEMBER 2015

31


De kleur van de zotheid 34

OUT OF ART DECEMBER 2015

Het lijkt erop dat de verbondenheid tussen de 足psychiatrie en de omgeving rond het Belgische plaatsje Geel, terug te voeren is tot in de zevende eeuw. Hier was het dat de Ierse koningsdochter Dimpna schuilde voor haar vader die, na het over足 lijden van zijn vrouw, met zijn eigen dochter wilde trouwen. Na enige tijd achterhaalde de koning zijn dochter vlakbij de Sint-Maartenskapel van Geel en onthoofde hij haar in een vlaag van waanzin. In de loop der eeuwen werd de heilige Dimpna patrones van bezetenen en geesteszieken en beschermheilige tegen epilepsie en krankzinnigheid. Familieleden van geesteszieken brachten hun verwanten naar Geel. Na hun verblijf werd een deel van hen in 足plaatselijke gezinnen ondergebracht. Zo begon de psychiatrische gezinsverpleging in het kleine plaatsje, waar sinds 1980 een modern Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis (opz) gevestigd is.


The place to be; Kunsthuis Yellow Art, Geel, België tekst: frits gronert foto’s: frits gronert en yellow art

Nieuw kunsthuis

Via via kreeg ik te horen over een bijzonder atelier in Geel, dat ik graag met eigen ogen wilde zien. Ria Govaerts, tien jaar lang coördinator van het betreffende Kunsthuis Yellow Art, was inmiddels met pensioen. Haar vervanger, Bert Boeckx, ontving me en toonde me samen met Willy Casier (1955), een van de kunstenaars, de ateliers in een fonkelnieuw gebouw. Het was er opvallend schoon en steriel; helemaal niet wat je zou verwachten van een kunstenaarsatelier. Voordat dit nieuwe pand in 2014 in gebruik werd genomen, was het Kunsthuis nog gevestigd in de voormalige woning van de ouders van Jan Hoet (1936-2014). Deze bekende museumdirecteur van het smak in Gent, organiseerde in 2001 de tentoonstelling ‘yellow’ in zijn ouderlijk huis, op de campus van het psychiatrische ­ziekenhuis. Hier groeide hij tot zijn tiende jaar op als zoon van een psychiaterneuroloog die verbonden was

aan het opz. Op de tentoonstelling was werk te zien van enkele erkende ‘reguliere’ kunstenaars en kunstenaars met een psychiatrische achtergrond. Een van de bezoekers, Koningin Paola, noemde het een mooi voorbeeld van “integratieve kunst”. Vanaf 2006 krijgen kunstenaars “met een artistiek talent en een psychische kwetsbaarheid” in Kunsthuis Yellow Art de mogelijkheid hun kwaliteiten verder te ontplooien door in een ongedwongen sfeer te experimenteren. Doel van dit alles is hen in de gelegenheid te stellen een eigen oeuvre en een eigen beeldtaal te ontwikkelen. Rondlopend over het enorme terrein zag ik verschillende klinieken, een groentetuin en een bezoekerscentrum. “Hier”, vervolgde Bert, “kunnen mensen het werk van onze kunstenaars bekijken, samen met de poëzie van de psychiatrie”. Ik moest meteen denken aan Museum Het Dolhuys in Haarlem, waar de geschiedenis van de psy­chiatrie en de beeldende kunst ook in samenhang p

Het nieuwe pand van Kunsthuis Yellow Art

Het ouderlijk huis van Jan Hoet op het terrein van het opz Geel

OUT OF ART DECEMBER 2015

35


“Geel is de kleur van de zotheid, de naam van de stad, de kleur van Van Gogh” Jan Hoet

met poëzie gepresenteerd wordt. Aan de rand van het terrein wacht het ouderlijk huis van Jan Hoet op een nieuwe bestemming. “Het nieuwe Kunsthuis voldoet aan de eisen van deze tijd. Het staat dichterbij de entree van het opz en is daardoor toegankelijker voor de deelnemers. Er komen zo’n vijfendertig deelnemers op regelmatige basis ­werken. Er is een team van vijf begeleiders, waarvan er twee p­ rofessioneel kunstenaar zijn. Om de deelnemers doorgroeimogelijkheden richting het professionele kunstcircuit te bieden, worden op regelmatige basis ­tentoonstellingen bezocht en workshops en kunst­ projecten met beroepskunstenaars georganiseerd”, aldus Bert. Ook vindt men het “belangrijk om het stigma van isolement vanuit de psychiatrie te doorbreken en om de deelnemers te stimuleren te functioneren binnen de lokale kunstscène en daarbuiten”.

Karel Laenen Zonder titel Kleurpotlood op papier, 73 x 110 cm

36

OUT OF ART DECEMBER 2015

“Da’s komiek…”

In een interview in het digitale ‘Go For It magazine’ ­vertelt Jan Hoet over het kunsthuis Yellow Art “Het is een knap project. Het huis is omgezet in een therapiehuis waar opz-patiënten kunnen schilderen. Geel is de kleur van de zotheid, de naam van de stad, de kleur van Van Gogh. Geel is ook een kleur die Munch heeft gebruikt. Munch is een van die kunstenaars die ook lange tijd in een psychiatrische instelling heeft gezeten. Da’s komiek dat ze dan geel gebruiken. Geel: de zon, de warmte, de gloed, het goud… Je bent van Geel en dan zie je een schilderij van Van Gogh in het geel. Je verbindt dat allemaal met elkaar. Raar hè’”. Wonderlijke wezens, duivels en Dimpna’s gezicht

In het Kunsthuis viel mij het werk van drie kunstenaars op: Karel Laenen (1956), Paul Blockx (1961-2015) en William D.R. Casier. Veel tekeningen van Karel Laenen,

Paul Blockx Zonder titel, 2000 Potlood op papier, 29,7 x 21 cm


Het bezoekerscentrum in Pas-Sage in Geel kan zonder afspraak bezocht worden. Wie een bezoek aan Kunsthuis Yellow Art wil brengen, neemt contact op met Bert Boeckx: Bert.boeckx@opzgeel.be

yellowart.be

toveren de beschouwer vaak een glimlach op het gezicht door de aanwezigheid van w ­ onderlijke wezens in fantastische kleuren. Fascinatie voor wetenschap en natuur vormt de aanleiding voor het creëren van een nieuw universum waarin ruimteschepen de kijker van ­planeet naar planeet brengen om daar de bewoners, hun eetgewoonten, de flora en de fauna te leren ­kennen. Laenen hanteert zijn kleurpotloden b­ ij­zonder slagvaardig. De onlangs overleden Paul Blockx was een veelzijdig kunstenaar. Al sinds zijn academische opleidingen in Antwerpen en Leuven bevocht hij zijn demonen door ze om te zetten in beelden. Zijn schreeuwerige duivels verwerkte hij in etsen, litho’s, tekeningen en schilderijen. Ook kwamen zij terecht als illustraties bij zijn dicht­ bundel ‘Openbaringen’. Naast het voortdurend tekenen van duivels, maakte Blockx semiwetenschappelijke ­vlindertekeningen voor zijn dichtbundel ‘Vlindergids’

Paul Blockx Venus hysterica, 1995 Ets, 34 x 25 cm

William D.R. Casier Zonder titel, 2011 Houtskool en olieverf op doek, 120 x 80 cm

en een reeks tekeningen, gebaseerd op vroege jeugd­ herinneringen, onder de noemer ‘Vrolijke vertelseltjes’. Zoals aangegeven, begeleidde William D.R. Casier, artiestennaam van Willy Casier, mij op mijn tocht in Geel. Ik werd getroffen door zijn verhalen en zijn enthousiasme voor het Kunsthuis, waar hij regelmatig aan het werk is. Met houtskool en olieverf tovert hij zijn beeltenissen op het doek. Krassend en aaiend zoekt hij naar vorm en kleur. Zijn ingrepen vloeien door elkaar heen en lijken een verhaal te vertellen over onrust, lijden en gemis. Ook grijpt hij terug op de geschiedenis van het opz in zijn recente doeken Dimpna 1 en Dimpna 2, waarin hij de gekwelde Ierse koningsdochter uit het jaar 600 een eigentijds gezicht geeft.

William D.R. Casier Dimphna I en II, 2015 Houtskool en olieverf op doek, 73 x 73 cm

OUT OF ART DECEMBER 2015

37


Thema: horror vacui tekst: bert schoonhoven foto’s: erna ammeraal, bert schoonhoven

De ‘Panis dimensie’

Evert Panis (1940-2013) begon in 1975 met het schrijven van dag­ boeken in een eigen verzonnen taal. Dagelijks moest hij van zichzelf alle gebeurtenissen van de dag noteren; eerder vond hij geen rust. Zijn grafische handschrift, met regels in niet bestaande letters, vormen ware kunstwerken. Duizenden vellen vol ‘schreef’ hij. Om deze obsessie in betere banen te leiden, ging hij zich ook bezighouden met keramiek. Bij wijze van decoratie schilderde hij zijn ‘teksten’ op schalen en theepotten. Dit werd een groot succes; niet alleen voor kunstliefhebbers, maar vooral ook voor hemzelf. In kunst hij had hij zijn passie gevonden. Juweeltjes van Outsider Art

In 1991 startte Evert met het tekenen van stadsplattegronden op papier. Zo ontstonden imaginaire steden met straten en huizen en auto’s, van bovenaf gezien. Deze plattegronden werden voor de beschouwer steeds abstracter. Evert echter, wist precies

Evert Panis Dummy, 21 x 15 cm

40

Evert Panis Collage in tijdschrift, 29,7 x 42 cm

OUT OF ART DECEMBER 2015

Evert Panis Stift op papier in tijdschrift geplakt, 29,7 x 42 cm

aan te wijzen en te benoemen wat hij waar had getekend. Hij haalde de huizen, auto’s en mensen uiteindelijk uit zijn plattegronden en begon ze te plaatsen op losse tekeningen. De mensen werden opgesteld in lange rijen, van links naar rechts en in regels onder elkaar. De hoofdharen leken

Evert Panis Zonder titel, 2005-2010 Viltstift op ansichtkaart, 16 x 11 cm


op geschreven regels en de auto’s en huizen werden ontleed en in grafische harmonie verspreid over het hele vlak. Al snel werden de vellen papier te klein en zette Evert zijn zoektocht verder op doek. Eerst nog in een ­formaat van 80 x 100 cm, maar steeds meer werkte hij op doeken van 150 x 200 cm. Dagelijks en onafgebroken tekende hij doek na doek vol. Ook hier wist hij met grote ­trefzekerheid aan te wijzen waar de auto’s, huizen en mensen zich precies bevonden. Later begon hij met het bewerken van foto’s. Soms werden hele tuinboeken getransporteerd in zijn eigen systeem. Hij tekende zijn patronen

over de foto’s heen en ving het beeld als het ware in grafische vormen. Stapels van deze interessante voorstudies vonden we in zijn nagelaten schilder- en tekenkist. Het zijn ware juweeltjes van Outsider Art. Panis nam de vertalingen van foto’s in zijn geheel over in zijn werk of stelde hieruit combinaties samen. Daarnaast had hij een fascinatie voor zonnebloemen en molens ontwikkeld, die in spinachtige vormen hun weg zochten in een ingewikkeld grafisch web. Nergens is te zien waar iets begint of eindigt. De druk op de pen blijft in de gehele tekening even groot. In zijn latere werk gebruikte hij voor iedere laag een andere lijndikte, waardoor zijn werk letterlijk p Evert Panis Zonder titel, 2005-2010 Viltstift op karton, diverse afmetingen

OUT OF ART DECEMBER 2015

41


Evert Panis Drukte, 1997 Pen op papier, 83 x 103 cm Foto Daniël Nicolas

en figuurlijk meerdere lagen kreeg. De lijnen werden grilliger; zijn werk oogde minder statisch. Het gevoel bekruipt je krioelende microben onder een microscoop te zien. Al zijn creaties vragen om aandacht en oog voor detail. Als beschouwer moet je er echt de tijd voor uittrekken om een werk te doorgronden en ­werkelijk toegang te krijgen tot de zogenaamde ‘Panis dimensie’. Naar zichzelf toe

In de laatste fase van zijn leven leek het alsof de voorstudies en de schetsjes die Evert Panis maakte, een steeds belangrijkere rol gingen spelen. Hij kwam steeds minder toe aan het vervaardigen van uitge-

42

OUT OF ART DECEMBER 2015

werkte schilderijen en tekeningen. Het leek wel alsof Panis bezig was de hem omringende natuur naar zichzelf toe te vertalen. Zo bestaan er talloze magazines waarin hij pagina’s beplakte met kleine uitgeknipte vierkantjes papier. Alsof het lay-out ontwerpen waren die het beeld in balans moesten brengen. Panis ging altijd zijn eigen gang. Begeleiders kregen absoluut geen vat op hem. Hij was een meester in het vriendelijk jaknikken en trok ­vervolgens steevast zijn eigen plan. Daardoor is zijn werk zo uniek gebleven. Tot vlak voor zijn dood bleef hij tekenen. In februari 2013 maakte hij zijn grote overzichtstentoonstelling bij Amsterdam Outsider Art nog mee.

Werk van Evert Panis bevindt zich in de Collection de l’Art Brut in Lausanne, Zwitserland, in Galerie Hamer, Amsterdam en in verschillende particuliere ­collecties. Exposities waren er in onder andere het GAIA Museum in Randers, Denemarken, in Kunsthaus Kannen in Münster, Duitsland en in de Matiss Club Art Gallery, Sint Petersburg, Rusland. Recent nog was werk van Panis te zien op de Art Brut Biënnale in Hengelo.

Bert Schoonhoven is g­ aleriehouder van Amsterdam Outsider Art en ­programmamaker van Outsider Art TV.

amsterdam-outsider-art.nl


English section Out of Art publishes key articles in English, something we hope will extend our services to our readers worldwide. Although Out of Art is a Dutch magazine, we work with writers from all over the globe to inform you about contemporary Outsider Art. In general, the magazine is published in May and December, with each edition based on a specific theme. This time, we are focusing on horror vacui. In addition to feature items on the theme for that particular edition, the magazine also includes articles on art collectors and places to visit as well as interviews with fascinating people. We’re delighted to welcome you to Out of Art and would appreciate any feedback you might have. Whether you are a reader, subscriber or sales representative, we hope you enjoy our magazine. Karin Verboeket, Editor-in-chief

P. 4 - 8 Theme: horror vacui

Pictures filled to the brim. Horror vacui on a flat surface Text: Jack Vreeke

How does Hein Dingemans (1962), as he records himself, get “…14 Polynesians, 2 Melanesians, 9 blacks, 18 Indians, 3 Papuans, 3 Ainu, 2 Gauls, 1 Galla, 1 Tasaday, 3 Indonesians, 29 Australian aborigines, 1 Wedda and a black woman” onto one sheet of paper 50 x 65 cm in size? Altogether, this accumulation of humanity numbers dozens of wild figures. Dingemans achieved it simply by filling the sheet to the edges on both sides. The horror vacui phenomenon recurs ­frequently in visual art. Usually it is not so much a consequence of ‘fear of ­emptiness’, which is the literal translation of the term, but rather the expression of an untameable urge to draw. We see this emerging naturally in some children in the scribbling phase, and also in adults with disabilities. While glimpses of the white paper are still visible in Dingemans’ drawing, in between his swarming, exotic figures, there are of course far more extreme forms of horror vacui. It guarantees fascinating imagery, known internationally mainly from classical outsiders. What f­ollows is a small selection from the two-dimensional art by, primarily, contemporary outsiders. With and without writing, structured or entirely chaotic; hidden pictures, labyrinths and

parallel worlds at their best. Several of the artists briefly characterised here are discussed in more detail elsewhere in this issue. Writing Both images and writing, or a combination of the two, can develop from what Hans Prinzhorn in his well-known publication ‘Bildernerei der Geisteskranken’ refers to as ‘scribbles’. Sometimes a sheet will be filled completely with simulated writing. Or an artist may copy entire sheets of text and numbers, such as Ben Augustus (1960), who draws inspiration for his own “hot girls” in ink from porn mags (Out of Art 2008-1, pages 10-11). His fascination for this remarkable subject and the ­systematic manner in which he draws sheet after sheet with more or less the same visual language, create a consistent oeuvre as a matter of course. However, the paper on which he draws remains recognisable as the carrier of all those arms, legs, bottoms and bellies. When artists fill their sheets purely with numbers and capital letters, it almost seems as if we are seeing a secret code. This makes the viewer want to decipher it, whereas it is clear from the outset that this probably won’t produce an objective result. A well-known, more readable writer is classic outsider Adolf Wölfli (1864-1930), who often completely filled the reverse side of his drawings with writing. Or he carried out detailed calculations of the interest a small amount of money should yield over a period of many years. Also famous are the pieces of music he ­composed, which he performed himself using a rolled-up newspaper in the form of a trumpet. Writing may be arranged on the sheet from left to right, but there are also instances in which it is distributed more chaotically across the entire space. Another possibility is placing lines of text in several directions; in playful twists or at different angles. This technique was used (particularly in the pre-digital era) on

postcards to fit a lot of text into a small area. Text and images In combinations of text and images, we often see text written over drawn forms. In these cases, the lines will go right across the images or the other way around: with the drawing overlapping the text. Sometimes, images and text take up the same amount of space. For example, Dina de Jonge (1972) makes drawings about all her experiences and will write down everything she has to say about them around these drawings. And if an artist combines text and images because the images apparently require explanation, this often occurs in residual forms between the figures, like we saw in Hein Dingemans’ identified savages. Except in his case we still see bits of empty space. Horror vacui fits Flemish artist Dirk Martens (1970), in his own words “like a glove”. Texts in some of his collages could be regarded as a “type of automatic script”. He considers them to be “aesthetically justified chaotic inflation”. Images With the first circle in a scribble drawing, a child will become aware that they have drawn something ‘thing-like’. This realisation is lacking in a person who makes so-called ‘open scribbles’. Sometimes adults with a low level of development will repeatedly draw large numbers of circles and other geometric shapes, often in the form of rhythmic rows. For them, the guiding principle seems to be the process of drawing itself. A person who draws in rows often does so with repetitions of the same basic forms. There are quite a number of autistic artists who work in this way. They will for example fill sheets with drawings of cars or trains, or even with encyclopaedic ­collections of the most diverse objects. Everything is systematically placed onto a single sheet. What is striking is the fact

Subscriptions: www.aboland.nl Editorial office: info@out-of-art.nl

that virtually all of them avoid overlaps or the cutting off of images at the edge of the sheet (juxtaposition). This way works resembling cardboard cut-out models can come about, appearing remarkably flat. Although these pieces, too, are decidedly full, the base is often not completely covered. Evert Panis (1940-2013) placed his circles and squares not so much in rows but rather more distributed across the sheet. His drawings seem to be more about filling spaces than about a deliberate division of planes, although here, too, we recognise a strong rhythmic structure. (see pages 40-42). In short, it could be said that there are ­artists who execute horror vacui, using symmetry, cross-hatching or the rows referred to previously to create some degree of order in the drawn or painted mass. This can also be done with the help of a clear central axis that gives the work symmetry and structure. Compositions like that give the impression that the maker actually only needs to conceive half of the drawing, before more or less repeating it in mirror image. Many other artists simply draw in every direction until they literally reach the physical edges of the paper. Even if the base on which they draw had been many times larger, it would most probably have been filled to the same extent. When it comes to horror vacui, many immediately think of these archetypal ‘sheet fillers’. Their drawings become a succession of recurring patterns, more or less figurative elements or abstract ­figures. The work of Laurien Röring (1987, Livia Dencher (1980) and Petra van Kordelaar (1963) comes to mind. Or just behold the architectural worlds evoked by both Olga Paulissen (1976) and Nicky Roos (1984) in their drawings (see pages 30-32 and 38-39) and the coloured and rhythmical worlds, filled with trains and trams, of Ron Oosterbroek (1957-2007) (see page 15). Joy Meeuwsen (1948-1999) was another ‘sheet filler’, albeit a highly structured one. She constructed patterns of squares and rectangles in which she drew people and things, creating a world in boxes, as it were. The patterns we recognise in the drawings of Wim de Jong (1956) start out from a recognisable, figurative basis and gradually turn into abstract compositions with clear rhythmics (see pages 22-23). In an entirely distinctive way, this also applies

OUT OF ART DECEMBER 2015

43


to the drawings of Cieuw Wai Chong (1986), which come across as more abstract than was perhaps the artist’s intention (see page 33). Finally, Patrick Siegl (1991) envisages a visual world while drawing. Nevertheless, his exotic-­ looking works initially come across as abstract. Is this perhaps a result of the exceptional detail of miniscule lines on the over-filled background? (see pages 16-21). All in all, horror vacui occurs in a surprising different number of forms. The swarming lines and shapes often have no obvious start or ending. For the spectator, one work of art may evoke a heavy, oppressive atmosphere, whereas the next urges us on to do some detective work: what is it that has been drawn here? What do I recognise in the images and texts? These pictures, which are filled to the brim, continue to entice us to look and continually compel us to pose ever different questions. Jack Vreeke is a visual artist and former ­lecturer in drawing and art history.

P. 9 - 14 I am who I am: Klaus Compagnie

“I can look up anything” Text: Phia Verstraete

In 1992 Klaus Compagnie (1972) decided to start working in the studio of Het Molenhuis in Zwevegem, Belgium. The preceding years of full-time education had overstimulated him, and he urgently wanted a calming environment. For the first time, he discovered what artistic freedom means to him. Finally he could devote himself to his passions undisturbed: writing, painting, drawing and telling stories. In the years that followed, his many fascinations found their outlet in his visual work. As an artist he is in demand, and he has an impressive list of exhibitions, publications and other art projects under his belt. Four days a week he travels by train from his home in Ghent to the art studio of De Zandberg in Harelbeke, which is where he currently works.

44

OUT OF ART DECEMBER 2015

‘Blabber’ The recently redeveloped garden of De Zandberg is an oasis of calm. On the roof are futuristic sculptures and on the square there are functional art objects. The June sun is shining cheerfully and here and there artists are sitting at wooden picnic tables. Inside, Klaus Compagnie is waiting for me in his studio. I have already met him several times and he greets me with a look of recognition and the words “Buenos dias, señorita. I slept badly. I only fell asleep at one o’clock in the morning. That is partly to do with my medication and partly with the interview today.” Klaus Compagnie is a blabber. Since he was small, he has talked all day long, providing a constant commentary on life. So he starts with what interests him most today: politics. “Greece has no money and the banks don’t want to lend. I saw it on TV this morning and Prime Minister Marcel Michel is worried.” Klaus Compagnie speaks Flemish at a rather rapid pace. I have to give my all to understand him. On his table is a stack of drawings and against the wall are large paintings. They have been taken from the art library and they contain both early and late work. Everywhere you look there are texts written in block letters using charcoal, felt-tip, fine-liner or dripping acrylic, sometimes right across the images. Klaus is keen to elucidate and we start with a strikingly large canvas. The Dutroux case ‘The trial of Marc Dutroux’ it says at the top of this painting. Klaus was busy for months committing his thoughts about the trial to paper, telling stories and ­making drawings. His knowledge and unbridled imagination sometimes result in strange reflections on the trial which so shocked Belgium. An example is this collage, where in between all the serious interpretations there is a funny reference to the word ‘Breibolg’ (‘ball of yarn’). It is written beside a ball of wool, pierced by four knitting needles. ‘Breibolg’ turns out to be a pet name which Klaus generally reserves for someone he really likes. In this painting it refers to Sofie Demeyer, a television journalist he adores. To make things even more complicated, to Klaus this journalist and the person he generally refers to, using this pet name, are one and the same person in the painting. On the left is depicted the protagonist Marc Dutroux, bigger than all the other figures, wearing a brown suit, a black cap and with large eyes, one of which has a pupil missing. Around him are ­lawyers, judges and journalists. Strangely, the murdered children are absent, but at the bottom of the canvas there is a jolly

baby with the caption ‘Bambino 1996 and 2004’. It seems to be a humorous comment on this serious story. The texts, with further explanation about the trial, have mostly been stuck across the painting in horizontal lines. Klaus Compagnie points out “Here, the trial cost fifty million euros. That’s a lot of money”. Even more than the trial itself, Klaus Compagnie was at the time fascinated by the above-mentioned Sofie de Demeyer and by Caroline Van den Berghe of the department of justice. During the trial, he daily followed the two women on television. He proudly relates “I am friends with Caroline, she was born in 1946. I can always call her if I need to”. She has attended various of his projects and exhibitions. Together with professional photographer Lieven Nollet, he made a photo reportage on Caroline in the studio of the Flemish broadcasting station VRT. The result, a life-sized photo of Klaus and her, would later hang in the TV news studio. At the opening to mark the tenth anniversary of vzw Wit.h, Klaus Compagnie reversed the roles. “I interviewed Caroline Van den Berghe.” And he enjoyed the experience so much that later he would interview various other people. The human body Klaus Compagnie struggles with ­dis­abilities as a result of oxygen deprivation at birth. He is deeply fascinated by everything to do with the inside of the human body, particularly the brain. Many of his drawings depict tiny skeletal male figures which at first sight are reminiscent of robots. They are existing figures from which he has removed their human ‘envelope’. He points to a skeleton representing a fellow artist. “That one talks too much”, he says with a mischievous smile. The man in question is hanging Christ-like on a cross. In the void next to the cross are the brain, a stethoscope and medical attributes. Underneath is an examination table, with on it a container with spatulas. The year on the drawing is ‘1769’. Here an anachronism becomes visible: the character goes with the modern attributes, but the crucifix and the year refer to the 18th century. Sometimes he’ll predict the future, for example in a work in which he depicts ‘Annemie’ as a skeleton in the year ‘2056’. In answer to the question of why he regularly includes dates in his work, he shrugs and says “I don’t know.” Time plays a role in his purely anatomical drawings too, such as those of the digestive tract. He has studied the process in detail. He explains, “It takes three, four hours for food to digest. After that, it is sent for disposal. The small intestine is two hundred centimetres long and

after forty-eight hours it comes out again”. A coloured digestive tract labelled with the year ‘1356’, a Spanish text and the name of a fellow artist testify to the knowledge he is keen to show off to ­others. “So they can read it”, he mumbles. When an acquaintance had to undergo a heart operation, it completely preoccupied him. He searched the internet for heart operations, studied exactly how they work and wrote and painted on the subject. As such, an absolute highlight for Klaus Compagnie was the time he got to observe, at the dissection table, the work of the human anatomy section, part of the department of anatomy and embryology of Ghent University Hospital. “You can see all the muscles inside and the heart and the brain”, he recounts enthusiastically. When I ask him whether he doesn’t find that creepy, he beams visibly and replies with conviction, “No, not at all”. He tries to explain that in fact it inspires him to depict what he has previously seen with his own eyes. History ‘It was an ice-cold winter and the soldiers peed water and it turned to ice’ is written in coloured letters on a painting about the Second World War. Another painting is situated in the First World War. Against a blue background it tells the story of Saskia Packeu, whose parents were born in the year ‘1824’. Saskia Packeu is a fellow artist, who now gets to play a role in the First World War. A soldier with a helmet and a cannon, at the bottom of this text, reinforces Compagnie’s narrative. Now and then Klaus wanders off to the dark Middle Ages. He likes old paintings: he often goes to museums to view them. “I find them so true to life that they I expect them to come alive any moment.” Christian motifs from that era regularly find their way into his work. A painted image in a frame bears the words: ‘Good Friday’ and the year ‘1241’. An angel floating protectively above the crucifix, and a nun with a large cross on her habit, have an endearing effect. The frame of the ­picture consists of coloured stripes. The background is hard to interpret; the brown and white dots could be either snow or stars, or just as easily be a stained glass window. It is too long ago for Klaus Compagnie to be able to tell me anything more about it. One thing he never forgets is the weather forecast, he’ll depict spectacular climatological phenomena. It is one of his ­greatest passions. He has given a number of live performances in which he coined creative words about the weather, interspersed with appropriate noises. Triumphantly he tells me that a CD has been made of these performances, titled


The diary of an exceptional artist. “Today”, he says solemnly, “there are heavy thunderstorms on the way. It is much too dry. It only rained last spring. There used to be this weatherman Armand Pien, now it’s Frank Deboosere and Sabine Hagedoren. I watch the weatherman every day”. Penchant for languages Klaus Compagnie exudes an air of calm which seems at odds with all that is going on inside his head. More topics are discussed: dinosaurs, disasters, monsters and so on, it seems endless. His computer is his best friend, he says, because “I can look up anything”. He also has a special interest in travel and foreign languages – Portuguese, Italian, Spanish and English. He has started learning Spanish at night school and is trying to learn Italian and Portuguese with the help of a translation computer. There was a breakthrough in his visual work when he started drawing countries. Until then he had worked in grey tones, which now made way for colours. Spanish texts started to prevail. His fascination with Spain knows no bounds, which shows in the recurrence in his visual work of old motifs and characters, with a strong Spanish feel. When he met people from Africa, it made him want to learn English. He went to Scotland for a three-week course in English but came back disappointed. He had failed. As often happens, he temporarily lost inspiration and no longer wanted to exhibit his work. After a period of rest he returned to experimenting with charcoal, chalk, ecoline, acrylic, pyrography (images burned in wood) and sometimes makes stop-comics or gags (short comic strips made up of a few images or one page at most) about his favourite subjects. His love of language is also expressed in letters that breathe the same seriousness, humour and spontaneity as his visual work. “I like reading them aloud”, he adds. Finally, Klaus says, “This afternoon I have to go to Art et Marge in Brussels. I have made work for the exhibition ‘Atelier with a view’”. For me, this is a sign to end the interview. However, Klaus Compagnie would not be Klaus Compagnie if he didn’t have a parting thought to share: “I live in Ghent, Sint Amandsberg; a little house on Begijnhof. It’s quiet there. In the evenings they shut the gates until six o’clock the next morning”. He gives me a firm handshake and in passing informs me about today’s train timetable. My fascinating conversation with this extraordinary artist will live in my memory. www.artotheek.be www.wzwwith.org

P. 15 Theme: horror vacui

Black lines by Ron Oosterbroek Text: Bert Schoonhoven

but also from the streets along which the Amsterdam trams ran up and down. Art Brut connoisseur Nico van der Endt of Galerie Hamer regards Oosterbroek as one of the Netherlands’ few true Art Brut artists. Although the artist died several years ago, his trams and trains continue to run without interruption, in all their ­colour and vitality. Work by Ron Oosterbroek can be found in the De Stadshof collection and in various private collections.

There has recently been a revival of interest in the work of Ron Oosterbroek (1957-2007). His art regularly enjoys a prominent place in exhibitions on Outsider Art in Amsterdam and elsewhere. Ron started working in Galerie Atelier Amsterdam, the precursor to Amsterdam Outsider Art, in 1993. He always drew trams and trains as series. We see them one on top of the other, side by side and always without surroundings or people. He only started adding people when he began working in a studio. Alongside the trams he saw through the window, ­passers-by, gallery customers and interns suddenly attracted his attention. They serve as pure filler around the trains and trams. From antenna to penis Although Ron Oosterbroek used more or less the same ingredients in his art as his famous counterpart Willem van Genk (1927-2005), he gave his vehicles and erotically tinged subjects a signature all his own. Overcrowded trains and packed platforms full of naked men are the main component. Ron Oosterbroek’s world, both real and imaginary, simply contained few women. In his early work, he drew male genitals almost like antennae. However, after attending a life drawing course, he increasingly transformed them into realistically depicted penises in various sizes and thicknesses. Repetitions Oosterbroek established his drawings in hard, black lines, which he often filled with pastel crayon before scraping them clean, so that the original line was again rendered visible. This way, he created works in multiple layers with a marked surface. What characterises them above all is the expressive, almost compulsive repetition of subjects and forms. Ron drew inspiration from books and magazines about his beloved means of transport,

Bert Schoonhoven is the owner of the Amsterdam Outsider Art gallery and makes programmes for Outsider Art TV.

www.amsterdam-outsider-art.nl

P. 16 - 21 Theme: horror vacui

Art at the point of a needle by Patrick Siegl Text: Klaus Mecherlein

Everywhere we run up against its limits – limits that one can describe and transgress and ultimately leave behind. Beyond lie far horizons and countries, undiscovered regions, those magical worlds and lost cultures that fire our wanderlust. But how to suspend the dimensions of time and space, in order to reach these places that nobody entered before? How to make your way from a world of illusion into another world that allows us to understand our own? At some point, Patrick Siegl decided to embark on this quest using the tools of painting. To go on a journey to new and ever more distant unknown places. If he had known then where it would lead him and how difficult it would sometimes be, perhaps he would have chosen a ­different vehicle than visual art, the art of painting, for his travels. Finding yourself, being in touch with yourself Questions like these arise unintentionally when you observe the work of the artist Patrick Siegl, particularly when you see

him at work. He is far away and at the same time very much in touch with ­himself. Enfolded within a cocoon spun from images, yet always completely in the present moment, from one fraction of a second to the next. Patrick Siegl, born in 1991 in Munich, ­started developing his art immediately after finishing his education at a Montessori school. He did so practically out of nothing. From a small collection of just a few sketch-like sheets from his school days, he suddenly found himself. He created monumental panoramas, ‘world landscapes’, architectures of temple complexes drawn from imagination, ­battlefields for Samurai warriors, desert dunes under a desolate, grey, sundered, cloudy sky. Big themes! And big dimensions too. Yet he handles them all in a detailed, miniaturist fashion which is second to none and which has become ever smaller in recent years. In doing so, the artist operates within an artistic scale that touches the limits of perception. Quite deliberately. Although he works purely with the naked eye, the drawings in which he incorporates a breathtaking degree of detail can only be viewed with a magnifying glass. And even then, in order to find and literally recognise what we are looking for, guided by the title, we still require an explanation. Stasis emanates from constant movement The technical execution remains a riddle. How did the artist succeed in placing so many lines side by side in the smallest of spaces? No less mysterious is the simultaneous existence of different layers of reality and imagination, of proximity and distance, of figurative and abstract, and a profusion of realistic detail and misty dream landscapes, interwoven with one another and arranged in densely ordered patterns. Everything within is spread out right before our eyes, and for that very reason is also hidden. Asian culture, architecture of the Far East and cityscapes are the recurring main themes in almost all of Siegl’s works. In the process of drawing, this range of ­topics is developed with a corresponding degree of detail. In the filigree imagery of the Far East and the abstract ornamentation of the Orient, Siegl finds a counterpart to his own sense of form. The motifs of his images are often ordered in a schema and are placed within a visual framework, through repetition and the use of sequences. Grids are created by the repetition of forms. The exuberant abundance is contained in rhythmic patterns and preserved by them. In this way, the constant motion of

OUT OF ART DECEMBER 2015

45


everything creates a paradoxical silence. Following a structure which underlies the entire creative process, Patrick Siegl divides the image into sectors which impose a pattern on the composition. While working, he first covers the surface of the drawing with small, permanently repeated forms, this way creating scenelike areas. Finally, these are interconnected by additional forms or colour fields, so as to create an unbroken layer: fractal spider webs that catch thoughts and anything else that happens to be swirling around. Interlaced together and piled one on top of another, we discover Asian temple roofs with thousands of little pillars. Between them flow waterfalls pouring from rocks covered in tropical vegetation; we see clouds, Buddha statues, stone lanterns, minarets, churches, structures of defensive walls and, time and again, Asian warriors or people “whizzing around like electrons” who appear to be submerged within them. Space However, the place from which all of this emanates is barely larger than the point of a needle. This is how thin the lead of Patrick Siegl’s drawing pencil is, or the stylus with which he repeatedly works on the etching plate, too. Nor does the artist himself require much space while drawing. He sits at a small table which barely affords him more space than is taken up by the sheet he is drawing on. Surrendering to the moment. Surrendering to a beyond in the here and now. Every time, Siegl starts drawing his works from a single corner - bottom right, bottom left - with a pencil. Diffident but precise and without any mistakes, the point of the pencil gnaws steadily from the bottom upwards on the white sheet, which initially rises up overwhelmingly like a block of Carrara marble. The little strokes of pencil and fine-liner sculpt, model their way through this blank mass and wrestle it into submission, symbol by symbol, meaning by meaning. The characters impart meaning and cause it to crumble, gradually devouring it, as rust devours iron. Sometimes, they also proliferate organically like algal bloom. No beginning, no ending In this way, a new world is produced, ­projected. But its inner structure always has already been mentally outlined in a blueprint. Everything is always planned, every detail is already in his head, before the artist’s pencil touches the paper for the first time. These worlds are too delicate and detailed, too vulnerable and immaterial, to be “revealed” too quickly or to allow for mistakes. Caution and

46

OUT OF ART DECEMBER 2015

slowness and many, many doubts and even more repetitions, sometimes re-­repetitions, define the long road which the creative process of these images entails! It is a quiet art, one that only explodes softly, suddenly in the profusion of details. At the tip of a needle, the extent of the world is at its greatest. The artist must use the tiniest gaps to guide his narrative in yet another new direction, to extend it one more time. Into new depths, which (in view of the two-dimensional surface) are actually ‘breadths’. However, the breadth of the narrative over the surface offers a new dimension, which we must describe as ‘cover’. We know the term ‘cover’ from the art of painting and the technique of printing. Here it actually refers to the quantity of paint to be found on a surface. In the drawing, this ‘cover’ changes into a dimension of time. Horror vacui and the eternal The assertion that the world knows no vacuum, in other words, no point where there is nothingness, where nothing exists, may be traced back to Aristotle. This idea leads to the term Horror vacui, one which gained currency as a description of exuberance (cover) particularly for the baroque art forms. But the key aspect of the phenomenon – at least in this case (in Siegl’s work) – is certainly not a ‘horror’ in a psychological sense. It is much better understood as a restless, virtually rigorous description of everything that is – and everything that should be. Because only when the (imaginary) world has been described in its full presence, does it rank as proven and can the threatening spectre of vacuum be banished. The world loses its terror. It is this logic which leads Siegl to describe everything, down to the last detail, and to cover the surface of the paper with symbols by way of substitution. Filled with writing, it becomes a piece of evidence without gaps. The deeper ­artistic point however is definitely that as a result, the artist’s narrative never ends but finds new connections at every point and can be continued indefinitely. Where the narrative is in danger breaking down, it can always be continued with one more turn. To infinity. In the work of Patrick Siegl there are ­several of these infinities, aspects of the eternal. This endlessness of the narrative is a result of interlinking; the ultimate smallness of the elements, which escape observation (even under a magnifying glass). They pass into a narrative with nano range, as it were, which can only be grasped abstractly as an intellectual formal principle. The quality of evading,

disappearing into smallness, creates an infinite distance. The magnifying glass takes the place of binoculars. And finally, Sigel’s depiction often ends in a ‘black hole’ or in a magenta-coloured starry sky, as the final indices and symbols of infinity. These are also the points in the drawings at which the world of lines transforms into the abstract world of the surface and the description of objects becomes a symbolic object, colour: a general, abstract murmur of presence. It is the same distance that symbolically expands in the great clouded skies and distant horizons. The sky is huge, the ­distance infinite, the far horizon only to be sensed. The clouds stream into this distance and indicate a beyond. It is the distance of times past and distant cultures – or those which are yet to come. Klaus Mecherlein is director of hpca & Euward-Archiv in Germany. He regularly writes about Outsider Art.

www.hpca.de

or less absent-mindedly, for example during a long telephone conversation. Unlike doodles, however, De Jong ­purposefully links his patterns together. Few are the lines which have nothing to do with one another. Open spaces small and large, spider webs, circles with crosses or dots inside, gradually spread across the virginal paper. They colonise the whiteness, eat it up, as it were. As they do, the clear pencil lines, in black and in colour, remain impeccably clean. Nowhere does the image blur or run as a result of a careless hand movement or an accident while working. The result is a stylised but lively surface; almost as if you are looking at two spider webs, one hanging close behind. Everything is created in the highest state of concentration. Once in his studio, the deed of drawing is the constant factor for De Jong. The ­variable actions of daily life are reduced to necessary interruptions. This energetic process spawns playful images characterised by an intriguing rhythm that makes each work of art unique.

P. 22 - 23 Theme: horror vacui

Wim de Jong Clear structures Text: Karin Verboeket

P. 24 - 29 Endless desire; Julia Dotulong and Pieter van den Heuvel

“Above all else, art is feeling.” Text: Eva von Stockhausen

Only if everything in the studio is in its right place in accordance with his fixed daily pattern and his pencils are in their familiar place does Wim de Jong (1956) find the peace to draw for hours on end. He only lays his pencils aside temporarily for the next routine daily event or when he has completely filled the sheet with drawings. When he works, De Jong loses himself in his visual world, which he expands little by little. He loses himself in his lines, crosses and colours, as it were. Intriguing rhythm De Jong always starts at the bottom of an empty sheet by drawing figurative elements. He’ll make a selection from houses, trees, people and the sun, gradually filling the surrounding empty space with abstract forms. They remind us of doodles; patterns that people draw more

Pieter van den Heuvel (designer and joint owner of Volta_thinks_Visual) and Julia Dotulong (communication projects and PR) have been collecting Outsider Art for about five years. Eva von Stockhausen visited them at their temporary home in the Dutch village of Amerongen in the Utrecht hills. They had a discussion about collecting in twos, design versus obsession and about the use of the internet when ­collecting art in general and Outsider Art in particular. The beginning Julia and Pieter first became acquainted with Outsider Art in 1998, when Pieter bought the book Willem van Genk, A Marked Man and His World (Zwolle, 1998). He recounts, “I was gripped straight


away. I am a bibliomaniac and a designer. I saw this book lying there in the Scheltema bookshop and I thought ‘How extraordinary, I must have that.’ I studied at art academy, so I kind of knew the story of Jean Dubuffet (1901-1985) and Art Brut, but this one book really brought Outsider Art to life for me. Later on, our big discovery of Outsider Art came in 2009 in Paris. Julia lived there for a few months and I went to visit her a couple of times. We would pore over Pariscope, which is how we discovered Halle St. Pierre, which happened to be showing a retrospective of their own ­collection of Art Brut and Outsider Art. We went to see the show, and really we were hooked from that moment on. Because it immediately became very clear to us how extensive the world of Outsider Art, the genre, really is.” “A new world opened up to us”, adds Julia. In the years that followed, they visited ­various Outsider Art events. They bought their first works at the Outsider Art fair in Haarlem in 2010; two drawings by Johnson Weree (1970) and two works by Alexandra Huber (1955). This was ­followed by a visit to the workshop of Creativity Explored (“the ‘talent class’ of Creative Growth”) in San Francisco in 2011. There they discovered the outsider artist Daniel Green (1985). “The interesting and attractive thing about his art is the way that text, including lists, and images go together”, says Pieter. “He fills his compositions completely with writing. During our visit to Creativity Explored, we came across a huge hall full of artists, and they simply let us go around opening drawers. There was a little board hanging by the exit, and I said ‘How extraordinary, may I see that?’, whereupon I was told that all works by Daniel Green had been removed just the week before, for an exhibition. Nevertheless, I really wanted to buy that board, and they let me. We later bought another eight works by this artist from them over the internet. They have a good web shop, we like to keep an eye on it.” In 2013 Julia and Pieter made a real ‘Outsider Art trip’ through Europe. Starting in France, they drove via Italy to Switzerland and Germany in order to visit museums and ‘environments’, taking in the Prinzhorn Collection in Heidelberg and Museum Charlotte Zander in Bönnigheim among others. Pieter relates how Museum Haus Cajeth in Heidelberg was holding an exhibition and sale and that they bought a few works by Hans Schön (1965) there. “I found their manner of presentation really interesting; they had a huge wall filled right to the top with these works. We recently watched a documentary

about La Maison Rouge in Paris; at their exhibitions the walls are also covered with paintings.” “So we can do it that way, too!”, says Julia laughing. “I think it looks really beautiful, but I can imagine that at some point it could get a bit too much.” “Profusion only works if it is set against emptiness”, adds Pieter. “Otherwise you would no longer notice the art at a certain point. In our next house (which is currently being converted), we will really need to start rotating works, because it is getting too much to hang everything at the same time. How to do that is something we are thinking about now.” Internet “We find new names and tips on the internet”, Julia continues. “Pieter recently discovered a Californian artist online.” “This work by Hein Dingemans, for example, I found on Catawiki”, says Pieter. “It’s an internet auction, and they sell all kinds of things; from little antique cupboards to steamboats. They also have a modern art department. Suddenly, two early works by Hein Dingemans showed up there. Once I had bought them, I was offered another four works by his hand. This gentleman, an antiques dealer, had got them from an estate. So now we own this early work by Hein, from even before he was at Galerie Herenplaats in Rotterdam. Before Outsider Art, we collected modern art and African ethnographic artefacts. We still do, but we would never dare to buy an African statuette as easily as we buy Outsider Art online from California.” Favourites As of 2015 the couple’s collection consists of around two hundred works. To give just a few examples: drawings and graphic art by Bob van Buuren (1981) from the Wijde Doelen workshop in Utrecht, comic-like work by Wouter Coumou (1957) from Jans Pakhuys in Amersfoort and works in black ballpoint on paper by the American artist Beverly Baker (1961). A great favourite is Robert Kirshner (1955-2009). Pieter has two works by this American outsider. “What I like is the fact that it is not perfect, it has that questing element. I look at it as a draughtsman. Because I am a failed artist myself, I went to art academy (St. Joost Academy for Art and Design in Breda) to become a painter and study monumental design. After a year it was pretty clear that I wasn’t going to be a painter, that I would be a designer instead. But I’ve always carried on drawing. And that’s what I find so exciting in Kirshner’s work. That, combined with the typography; because he always writes in his work. And the way he works with an eraser; removing things, so that it

becomes a layered whole. I discovered him through the Museum of Everything in the UK, where they have fantastic ­catalogues that tell you where you can find a particular artist, on which website. And then you find that someone is very approachable. Kirshner has also made really big works; skylines of American ­cities, but they are very expensive.” He then shows two oil pastels by another outsider: Bullfight from 2010 and Bull from 2010 by Charles ‘Pancho’ Cruz (1946), of Creativity Explored. “I think they are so beautiful together; and look how the matador is cut off by the edge of the paper.” Pieter also views the work of Willem van Genk (1927-2005) primarily as a designer. He opens the book Willem van Genk, A Marked Man and His World, containing pictures of works by the outsider artist from The Hague. “You can drown in these images, you become submerged, that is what is so special about them. And of course he was brilliant at lay-out. They are basically cover images made by a designer. He has a really good understanding of how to build up a composition, how to use typography. Often it’s not even about the meaning of the words, it’s about the fact that it says something, anything. He uses them primarily as illustrative elements. Very exciting.” Twos If Pieter and Julia believe in an artist, they like to buy two works by their hand. Pieter explains, “You need several works in order to see that a person is working on something obsessively, and what exactly their style is. What does this person create after that first interesting piece? Will he paint a flowerpot or a landscape? If you see one work by Hein Dingemans, you might think, ‘Wow, a lot of black people with big phalluses.’ But if you saw twenty of his works, you would realise that he has really latched onto a theme.’ “And you would also understand that there is a whole world behind it”, adds Julia. “That fascinating world is what interests me.” Design versus obsession Julia says, “There are differences between us in what we find beautiful. We don’t always agree. Pieter is very focused on forms and writing, he has a lot of repetitive work. Lots of typography too, based on his job as a designer. I, on the other hand, prefer obsessive work. It really has to contain a world that captivates me.” The person and the work I ask Pieter and Julia to what extent they are interested in the artists themselves;

the person behind the work. Both say this always comes in second place for them. Julia says, “First we want to be captivated by the work itself. We do know about the artists; they often provide short biographies at exhibitions, which we will read. Sometimes they’ll offer insight, for example when it says that a young man suddenly started painting twenty crucifixes after the death of his mother. That does enrich the experience of viewing it, but I don’t find a work more interesting because I know that ‘that boy has Down Syndrome’. Many artists, non-outsiders too, have been through a lot, troubled childhoods, for instance. Above all else, art is feeling to me.” “We don’t find a work beautiful because someone has a condition”, adds Pieter, “’Isn’t it clever that he made that, despite his handicap?’, that kind of idea. That is totally not our vision, we take artists too seriously for that.” Julia continues, “For us it’s just art. When it comes to non-outsider art, we don’t need to know that he’d had a bad night, or what his childhood was like, either. Only if it is relevant, then I do want to know. But initially that’s not what it’s about. It’s no different in literature or music. The inside cover of a book often tells you something about the writer. But I’ll start on page 1, and if I like it, I’ll read page 2. And only when I have finished the book do I read the text on the inside cover. I want to keep the experience pure. I don’t want to be influenced by what it says on the inside cover. If it’s good, it’s good”. The future Pieter has no hard and fast plans for the future as regards the collection. “Collecting is a very organic process for us. It may be that we go to Art Rotterdam and fall in love with a modern work of art again, and then find that we have not bought any Outsider Art for six months. We are not concerned about buying for the sake of it, it is not about ‘having.’ It’s just that this art really makes us so happy that it’s well worth collecting it. We are not interested in particular big names either; what matters is the power of a work.” Julia says she would like to collect more folk art in the future. “Real folk art; landscapes, for example, and also more Eastern European art. And I would like to take a trip all around that part of Europe, and visit different places where Outsider Art is to be found.” “Isn’t that type of art called ‘Farmers’ Art?”, Pieter asks. “That’s right”, says Julia, “in German it is called ‘Bauernkunst’. We first came across the term in the art museum in St. Gallen in Switzerland. This type of work has a

OUT OF ART DECEMBER 2015

47


really lovely, everyday quality. As a result, it offers me another dimension, as it were, as a counterpoint to obsessive art. I like its pastoral quality: farmers who have time on their hands in the winter and start painting their lives. The pure beauty of daily life.” Finally, Pieter again points to the book with works by Willem van Genk “The ultimate work that I would still like to have! That’s easy for me to say, because I don’t think there’s anything left on the market. If only I could buy one of his works one day…”.

P. 30 - 32 Theme: horror vacui

Olga Paulissen’s continuous lines Text: Karin Verboeket

------- - - - On Saturday 12 and Sunday 13 September 2015, the Netherlands’ first mobile outsider festival was held in Museumpark in Rotterdam: ‘In-theOutside-Art-Tour’. This Outsider Art ­exhibition with accompanying festivities formed part of the annual ‘Kunst in het Witte de With Kwartier’ neighbourhood art festival. In the park behind Museum Boijmans van Beuningen there was work on display by thirty-seven outsiders, the majority of whom work at various studios in the Netherlands, presented in an alternating setting including several construction trailers, a greenhouse and a real horse-drawn carriage. To name just a few of the artists represented: Mohin Khaleghi (Ateliers de Wijde Doelen, Utrecht), Livia Dencher (Galerie Atelier Herenplaats, Rotterdam), Wim de Jong (Kunstcentrum Kijkoor, Eemnes), Marianne Schipaanboord (Galerie Atelier De Kaai, Goes), Nicky Roos (Kwintes/ Uniekpalet, Zeist), Ria Mul (Artilabo, Tilburg) and Johnson Weree (does not work at a studio). And there was more: in the course of the two-day event, there was a chance to attend different festivities. For instance, on Saturday there was a workshop on recitation, and on Sunday afternoon Dutch musician Spinvis gave a performance on a packed festival site. This special, free-admission event was organised by the Cultureel Rijk foundation. This non-profit organisation is an initiative by Julia Dotulong and its aim is ‘to generate more interest in Outsider Art in the broadest sense of the word’: regardless of dogmas and conventions. It is for good reason that the pocket-sized catalogue, which was available for free during the ‘In-the-Outside-Art-Tour’ festival, advises visitors to “Look with your heart, not with your head!”.

48

OUT OF ART DECEMBER 2015

With an original eye for perspective and detail, Olga Paulissen (Olga Minderhout) (1976) commits her lines to paper. In pencil or in ink. And whether it’s on a sheet of paper of 50 or 500 centimetres long, she generally fills the entire sheet. Undulating surface Sometimes, purely abstract elements unfold from the lines she draws, which she’ll then simply refer to as, for example “...the drawing of something with stripes”. Usually, though, she draws recognisable forms. These can crop up as varied ­elements of the same series, such as musical instruments or the most temptinglooking sweets. In these series, the individual elements are often placed more or less regularly across the sheet. Lines continue to flow from her pen. More, more, more... until the edges of the paper are reached. The spectator cannot avoid feeling that these series are infinitely ­bigger than the space they occupy on the sheet of paper. They appear to be a sum of individual parts which naturally form an even, rhythmic pattern. The context of all these separate elements is the series into which they fit. In other drawings, the same element, such as the prototype of a house (with bricks and a sloping roof) is repeated often enough and in so many different positions that here, too, a more or less abstract image emerges. These patterns have a scintillating effect and recall the undulating surface of the sea, compact and always in motion. Recognisable And of course there are her more narrative drawings, composed of both individual and repeating forms. An example is Mijn woning (My apartment), a work from 2006, in which we get to see the artist’s home from above, as if the roof had temporarily been removed. Within its walls, the house is laid out with furniture placed in an orderly fashion and with sufficient motion space for the currently absent resident.

However, outside the walls, open and closed block forms tumble across the paper, sometimes in clusters, sometimes as an unbroken knit-work of lines. They are reminiscent of bookcases or even entire blocks of flats. Perhaps Paulissen’s continuous lines are capable of dividing up a whole into individual parts and transforming individual parts into new wholes? But there is no space for the spectator’s interpretations in Olga Paulissen’s ­drawings; often she meticulously notes down on the reverse side what she has drawn on the front, as in this case “This is the drawing of my apartment and of blocks and of staircases going up and down”. And the more there is to see, the more there is to write, which yields lovely texts such as “That is the drawing of the old houses and of the bridge and of the water and of the little boats and of the pavement and of the bricks and of the clouds and of the little ducks and of the cat and of the dog on the leash and of the aeroplanes.” In Olga Paulissen’s visual vocabulary there certainly does not seem to be much room for the word ‘empty’.

P. 33 Theme: horror vacui

The partially proven drawing. Cieuw Wai Chong Text: Joris Killian

The news provides facts, but facts rarely stand alone. News reports throw up problems, reveal processes and above all help thoughts to germinate. This is true for the artist Cieuw Wai Chong (1986), too. They spur him on to think about matters such as medical science, war and much more. Some of his thoughts are gradually confirmed by proof and logic. Others remain uncertain, sketchy, just like his drawings. We do not find an absolute distinction between certainty and doubt here; however, something of his search for these truths is revealed in the way in which Chong calmly touches the paper. Drawn thoughts Chong’s packed drawings are made up

of round forms in various colours, held together by a grey pencil haze. The grey extends into every corner of the paper. At various points, it increases in intensity. In the round forms we recognise one or more faces, each with subtle differences. Although most of the faces look angry or sad, it is the happy faces which are more clearly defined. Untitled focuses on the face of a robot. Chong explains that the function of this machine is “repairing and removing bad cells”. In the top left-hand corner, the robot is depicted several times with a smiling face and square eyes. As the drawing extends to the bottom right, he develops more advanced functions. At the bottom, the robot has four arms and is holding indefinable medical instruments. Chong says he “becomes small and removes bad cells in the body”, almost like a mechanised surgeon. Chong’s drawings are drawn thoughts, as it were, based on the news. He wants to turn them into ideal images, but sometimes he is not quite sure of himself. For instance, a few of the functions that the robot in Untitled develops appear not to serve any purpose. The functions of the robot that remain unclear, originate from uncertain thoughts on the part of the ­artist. Consequently, these functions are depicted in thin, fragile lines compared to the distinct, dark grey haze at the top of the drawing. All steps in this creative process are directly linked to Chong’s mental leaps. This is how the artist visualises his own thought process. Unexplored territories Chong’s drawings have something about them of a map in progress; complete with designations of undiscovered and unexplored territories. It appears that Chong, who works for weeks at a time, uses the full size of the paper to ‘write out’ a thought that is so much bigger than the sheet itself. The more he regards a particular thought as proven, the deeper it will be pressed in the sheet of paper. Then, the ‘deep grey’ predominates. However, the certainty speaking from these dark areas could not exist without the cautiously drawn faces along the edges; signs of still uncertain, unproven thoughts. www.herenplaats.nl Joris Killian is a lecturer in visual art and design and writes for publications including 8WEEKLY.


P. 34 - 37 The place to be; Kunsthuis Yellow Art, Geel, Belgium

“The colour of madness” Text: Frits Gronert

It seems that the relationship between psychiatry and the environs of the Belgian town of Geel can be traced back to the seventh century. Here it was that Dimpna, the daughter of an Irish king, hid from her father when he wanted to marry her following the death of his wife. After some time, the king tracked his daughter down to Geel and beheaded her in a fit of madness near Saint Martin’s chapel. Over the centuries, Saint Dimpna became the patron saint of the possessed and the mentally ill and protectress against epilepsy and insanity. Family members of the mentally ill would bring their r­ elatives to Geel. Afterwards, some of them would be housed with local families. These are the origins of psychiatric family care in this small town, which has had a modern Public Psychiatric Hospital since 1980. New art house I heard about Kunsthuis Yellow Art in Geel by word of mouth and wanted to see it with my own eyes. Ria Govaerts, who had been coordinator of the art house for ten years, had since retired. Her successor, Bert Boeckx, welcomed me and showed me around the studios in a brand-new building, together with Willy Casier (1955), one of the artists. It was noticeably clean and sterile, not at all what you might expect of an artist’s studio. Before the new building – a ­refurbished school – was taken into use in 2015, the art house was still situated in the former home of the parents of Jan Hoet (1936-2014). In 2001, Hoet, the well-known museum director of SMAK in Ghent, organised the exhibition ‘YELLOW’ in his parents’ house on the campus of the psychiatric hospital. This is where he grew up until the age of ten, as the son of a psychiatrist/neurologist working at the Public Psychiatric Hospital. The exhibition displayed work by a ­number of recognised ‘regular’ artists and artists with a psychiatric background. One of its visitors, Queen Paola, called it a fine example of ‘integrative art’.

Since 2005, artists ‘with artistic talent and a psychological vulnerability’ have been given the opportunity to develop their qualities in Kunsthuis Yellow Art, by experimenting in a relaxed atmosphere. The main goal is enabling them to develop their own oeuvre and imagery. Walking around the huge site, I saw various clinics, a vegetable garden and a visitor centre. “Here,” explained Bert, “people can view the work of our artists, together with the poetry of psychiatry” It instantly reminded me of Museum Het Dolhuys in Haarlem, where the history of psychiatry and visual art are also presented in connection with poetry. On the edge of the site in Geel, Jan Hoet’s parents’ home awaits a new use. “The new Kunsthuis meets the requirements of the present day. It is closer to the entrance of the Hospital, making it more accessible to participants. Some thirty-five participants regularly come here to work. There is a team of five supervisors, of whom two are professional artists. In order to offer the participants the opportunity to progress towards the direction of the ­professional art circuit, there are regular visits to exhibitions and workshops and we organise art projects with professional artists”, explains Bert. Furthermore it’s considered “important for psychiatry to break through the stigma of isolation and to encourage the participants to function within and outside the local art scene”. Yellow Art is also a gallery which represents its artists and presents and sells their work. “It’s comical...” In an interview with the digital ‘Go For It magazine’, Jan Hoet talks about Kunsthuis Yellow Art “It’s a great project. The house has been converted into a therapy house where OPZ patients can paint. Yellow (geel in Flemish) is the ­colour of madness, the name of this town, the colour of Van Gogh. Yellow is also a colour used by Munch. And Munch is one of those artists who spent many years in a psychiatric institution, too. So it’s comical that they started using yellow. Yellow: sun, warmth, glow, gold... You come from Geel and you see a painting by Van Gogh that’s all yellow. You link it all together. Odd, isn’t it?”. Wondrous beings, devils and Dimpna’s face In the art house, I was struck by the work of three artists: Karel Laenen (1956), Paul Blockx (1961-2015) and William D.R. Casier (1955). Many of Karel Laenen’s drawings put a smile on the viewer’s face, thanks to the presence of wondrous beings in fantastic colours.

A fascination with science and nature prompts the creation of a new universe in which spaceships take the viewer from planet to planet to get to know the inhabitants, their eating habits, the flora and fauna. Laenen is particularly adroit in his use of coloured pencils. The recently deceased Paul Blockx was a multi-faceted artist. Since his academic training in Antwerp and Louvain, he fought his demons by turning them into images. He incorporated his garish devils into etchings, lithos, drawings and paintings. They also turned up as illustrations in his poetry collection ‘Openbaringen’ (‘Revelations’). As well as constantly drawing devils, Blockx made semi-scientific drawings of butterflies for his poetry ­collection ‘Vlindergids’ (‘Butterfly Guide’) and a series of drawings based on early childhood memories called ‘Vrolijke vertelseltjes’ (‘Jolly Little Stories’). As stated previously, I was accompanied on my tour of Geel by William D.R. Casier, artistic pseudonym of Willy Casier. I was struck by his stories and enthusiasm for the Kunsthuis, where he works regularly. Using charcoal and oils, he conjures his images on the canvas. Scratching and stroking, he searches for form and colour. His interventions flow into one another and seem to tell a tale of turmoil, suffering and loss. He also reverts to the history of the OPZ in his recent canvases Dimpna 1 and Dimpna 2, in which he lends the ­tormented Irish princess from 600 AD a contemporary face. The Pas-Sage visitor centre in Geel can only be visited by appointment and ­accompanied by a guide (hands-on expert/artist). If you would like to visit ­Pas-Sage or receive more information about Kunsthuis Yellow Art, please contact Bert Boeckx at Bert.boeckx@opzgeel.be.

www.yellowart.be

P. 38 - 39 Theme: horror vacui

The incredible drawings of Nicky Roos Text: Frits Gronert

For the exhibition ‘Essenties 1: Zomer­ expositie met actuele outsiderkunst’ (‘Essences 1: Summer exhibition of ­contemporary Outsider Art’) in the Dutch museum Het Dolhuys in Haarlem last summer, work was selected from various creative studios in the Netherlands. Walking around, I was particularly struck by the work of one artist: Nicky Roos (1984). I saw refined pencil drawings in which a new world seemed to have been ­created in an astonishingly technical manner. Oil refineries, power stations, Pernis, the structure of oil platforms… all are drawn jumbled together, but within the structure of a realistic city. Everything is literally filled in, right to the edge. I was struck by the fact that there are no people in these drawings. Apparently this was a person with a highly personal style. I decided there and then that I wanted to meet Nicky Roos. Some time later, I visited her at home. “My grandma is my heroine” A small, squat woman wearing a woolly hat and dressed entirely in black welcomed me and offered me tea. She told me about her life; a life that had not always been easy. According to Nicky her mother had called her “crazy” and “disturbed”. She had little appreciation for her daughter’s talents. As a child, she was placed in three foster homes. Because she couldn’t cope with life, she was admitted to hospital for a long time. She continued to draw there. She would fill every sheet of paper she could get hold of with drawings. Her grandma, who Nicky calls “my ­heroine”, visited her regularly. In her she found the security and the love she needed. Grandma taught her to eat and to enjoy life again. Moreover, she always kept her supplied with liquorice, pencils and paper. Nicky was never a child who played with dolls. Her fascination lay elsewhere; in the structure of buildings and imaginary

OUT OF ART DECEMBER 2015

49


castles. From those buildings she always drew a certain reassurance when she felt lonely – particularly when the lights went on inside the buildings at night. For her drawings, she uses examples from books on architecture, of which she has built up quite a collection. On a sheet of paper she will draw buildings which she connects together with footbridges, so creating an entirely new world. “Guardian angel” Nicky has a highly developed memory, stored as images in her head. She says “By drawing these images, I create peace in my head”. There’s a drawing of a ­dragon which consists of two sheets of paper stuck together. Here a mysterious world appears, in which Scottish castles come together with imaginary plants and two planets in the sky on the right, complete with surrounding mist. At the centre of this image, a highly refined dragon has been drawn. He served as a “guardian angel” for Nicky at a difficult time. She tells me that for two months in 2003 she worked on this drawing every day. Desolate structures The drawing Kijken doe je niet in 1 minuut (‘Looking is not something one does in 1 minute’) offers a good example of the combination of different, complex architectural structures which is so characteristic of her work. It is a world of buildings ­without people, filled exclusively with desolate factory structures. This, too, has been drawn extremely meticulously. Through the use of a grey pencil, these drawings also take on a sombre note. But the most striking thing is the degree of attention and concentration that goes into the work of Nicky Roos. One thing is certain: you need to spend more than ‘one minute’ looking at them, to be able to grasp the power and beauty of this drawn world. The exhibition ‘Essenties 1: Zomerexpositie met actuele outsiderkunst’ was on display from 9 June to 13 September 2015 in Het Dolhuys in Haarlem.

50

OUT OF ART DECEMBER 2015

P. 38 - 39 Theme: horror vacui

The ‘Panis dimension’ Text: Bert Schoonhoven

Evert Panis (1940-2013) started keeping diaries in his own made-up language in 1975. Every day, he forced himself to record all the events of the day; until he had, he could not find peace. His graphical handwriting, with lines in non-existent letters, constitutes true art. He filled thousands of sheets with his ‘writing’. In order to put this obsession to better use, he also developed an interest in ceramics. He started painting his ‘texts’ as decoration on bowls and ­teapots. This became a great success; not just for art lovers, but above all for himself. In art he had found his ­passion. Jewels of Outsider Art In 1991, Evert started drawing city maps on paper. This way he created imaginary cities with streets, houses and cars, viewed from above. These maps became ever more abstract to the viewer. However, Evert could indicate and identify exactly what he had drawn and where. He eventually removed the houses, cars and people from his maps and started placing them in separate drawings. The people were arranged in long rows, from left to right, and in lines one below another. The hair on their heads like written lines of text and the cars and houses dissected and distributed across the entire surface in graphical harmony. The sheets of paper soon grew too small and Evert continued his quest on canvas, initially working on canvases measuring 100 x 80 cm, but increasingly on canvases 150 x 200 cm in size. He filled canvas after canvas with his drawings, daily and without interruption. Again, he was able to pinpoint with great accuracy exactly where the cars, houses and people were located. Later on, he started modifying photos. Entire gardening books were at times transported into his own system. He drew his patterns over the photos and ‘captured’ the images in graphical forms, as it were. We found stacks of these interesting ­preliminary studies in the painting and

drawing box he bequeathed. They are true jewels of Outsider Art. Panis incorporated the translations of photos into his work in their entirety or put together combinations of them. In addition, he had developed a fascination with sunflowers and windmills, which found their way into his complex graphical webs in spidery forms. Nowhere is it possible to see where one thing ends and the next thing begins. The pressure on the pen remains equal throughout the drawing. In his later work, he used a different line thickness for each layer, which literally and metaphorically added more layers to his work. The lines became more erratic and his work took on a less static appearance. When viewing it, you can’t help feeling you are seeing microbes swarm under a microscope. All of his creations demand attention and an eye for detail. As a viewer, you really need to take the time to fathom his works and truly gain access to the so-called ‘Panis dimension’. Translated to himself In the final phase of his life, it seemed as though the preliminary studies and little sketches that Evert Panis made, became ever more important. He found less and less time for completing elaborate paintings and drawings. It was almost as if Panis was engaged in translating the nature surrounding him to himself. There are entire pages filled with magazines on which he glued little square-shaped clippings, as if they were lay-out designs intended to restore balance to the pictures. Panis always did his own thing. The care staff absolutely could not figure him out. He was a master at genially nodding and then merrily going his own way. This is what kept his work so unique. He continued to draw until shortly before his death. He lived to see the large retrospective of his art at Amsterdam Outsider Art in February 2013. Work by Evert Panis can be found in the Collection de l’Art Brut in Lausanne, Switzerland, in Galerie Hamer, Amsterdam and in various private collections. There have been exhibitions in the GAIA Museum in Randers, Denmark, in Kunsthaus Kannen in Münster, Germany, and in the Matiss Club Art Gallery, Saint Petersburg, Russia, among others. Work by Panis has recently been on display at the Art Brut Biennale in Hengelo. Bert Schoonhoven is the owner of the Amsterdam Outsider Art gallery and makes programmes for Outsider Art TV.

www.amsterdam-outsider-art.nl


Agenda NEDERLAND

Rotterdam Galerie Atelier Herenplaats

Bönnigheim, Duitsland Museum Charlotte Zander

Lausanne, Zwitserland Collection de l’Art Burt

Amstelveen Cobra Museum

Schiedamse Vest 56-58

Hauptstrasse 15

11, avenue des Bergières

(Adreswijziging per 1 jan 2016)

www.sammlung-zander.de

www.artbrut.ch

Sandbergplein 1

Schietbaanstraat 1-15

www.cobra-museum.nl

www.herenplaats.nl

D t/m 31 jan 2016 Miró en Cobra. Experimenteel spel. Over de relatie tussen de Spaanse kunstenaar Joan Miró en de COBRA beweging. Speels en poëtisch, met meer dan 120 kunstwerken.

D t/m 18 dec 2015 Outsider Art Salon #5 Groepstentoonstelling met ­kunstenaarsselectie, als symbolisch afscheid van de Schiedamse Vest.

Sava Sekuliç; Self Taught Grote overzichttentoonstelling van de autodidact Sava Sekuliç (1902-1989) tgv de verbouwing en de heropening van het museum.

D t/m 17 apr 2016 Architectures Tweede Art Brut Biënnale.

BUITENLAND

Münster, Duitsland Kunsthaus Kannen Alexianerweg 9

Amsterdam Galerie Hamer Leliegracht 38 www.galeriehamer.nl

D t/m 02 jan 2016 Tobias Tebbe: Checkpoint Charles Tebbe (1980) creëert een eigen universum. Een tentoonstelling over grenzen in hem zelf en de wereld.

Brussel, België Art et Marges Museum Rue Haute 312-314 www.artetmarges.be

D t/m 24 jan 2016 Van navel tot kosmos; In en om de ABC verzameling van Bruno Descharmes Buitengewone kunstenaars vragen zich af welke plaats zij innemen in het universum. Een tentoonstelling als beleving. Gent, België Museum Dr. Guislain Jozef Guislainstraat 43 www.museumdrguislain.be

Goes Galerie Atelier De Kaai J.A. van der Goeskade 65 www.artotheek.be

D 2 mrt t/m 27 mei 2016 Grafiek van de Kaaikunstenaars www.eennieuwewind.nl

D 28 jan t/m 03 feb 2016 Ter gelegenheid van de Poëzieweek organiseert Stichting Een Nieuwe Wind (voor de vierde keer) een gedichten- en verhalenweek in Goes onder het motto ‘Jaren die druppelend versmelten’.

Zie voor actuele agenda de website: out-of-art.nl

D t/m 29 mei 2016 Schaamte Kunstenaars thematiseren het gevoel van schaamte in schilderijen, sculpturen, fotografie en video. Humblebaek, Denemarken Louisiana Museum of Modern Art

www.kunsthaus-kannen.de

D t/m 28 jan 2016 Jaarlijkse verkooptentoonstelling Met een aanbod van ruim 300 van de meest uiteenlopende kunstwerken, gemaakt door o­utsiderkunstenaars.

Davidstrasse 44

Los Angeles, VS Fowler Museum

Op de campus van de Universiteit van Californië www.fowler.ucla.edu D t/m 13 mrt 2016 Disguise. Masks & Global African Art Afrikaanse maskertradities tot aan hedendaagse cultuur en ­digitale media.

www.museumimlagerhaus.ch

D t/m 28 feb 2016 Egodokumenten Over uiteenlopende uitdrukkings­ wijzen van het ‘ik‘, met Adolf Wölfli en Pietro Angelozzi. Zürich, Zwitserland Musée Visionnaire Predigerplatz 10 www.museevisionnaire.ch

D t/m 31 jan 2016 Einfach Tierisch! Tiere in Aussen­ seiter­kunst. Tentoonstelling over echte dieren en fantasiedieren in de Outsider Art.

GI. Strandfej 13

Parijs, Frankrijk La Halle Saint Pierre

www.louisiana.dk

2 rue Ronsard

D t/m 24 jan 2016 Yayoi Kusama. In Infinity. Overzichtstentoonstelling van 86-jarige Japanse kunstenares, met aandacht voor mode en design.

St. Gallen, Zwitserland Museum im Lagerhaus

www.hallesaintpierre.org

D t/m 13 mrt 2016 Hey ! Modern Art and Pop Culture - Act III Met werk van 62 internationale kunstenaars. Laatste deel van deze populaire trilogie in Parijs.

OUT OF ART DECEMBER 2015

51


10 jaar Out of Art in 20 thema’s 2006-1

2006-2

2007-1

2007-2

Cultureel ondernemerschap

Kunst en autisme

Woord en beeld

Architectuur

2008-1

2008-2

2009-1

2009-2

Lust en liefde

Religie

Transport

Dieren

2010-2

2011-1

2010-1

Obsessie

Ruimtelijk werk

2012-1

2012-2

Grafiek

Portretten

2014-1

2014-2

Landschap

Trauma

Out of Art bestaat tien jaar en bedankt iedereen die dit kunstmagazine mogelijk maakt: uitgever, redactie, vormgevers, fotografen, auteurs, kunstenaars, drukker en abonneehouders. 52

OUT OF ART DECEMBER 2015

NaĂŻeve kunst 2013-1

Street Art 2015-1

Het heelal

2011-2

Non-figuratieve kunst 2013-2

Kunst en autisme 2015-2

Horror vacui

Check de website van Out of Art en de Facebook-pagina voor nieuws over de laatste ontwikkelingen op het gebied van Outsider Art en abonneer je via out-of-art.nl op de digitale nieuwsbrief.

Out of art 2015#2  

Bekijk enkele pagina’s van Out of Art 2015-1. Houd je van kunst met een rafelrandje? Lees dan Out of Art, hét kunstmagazine over hedendaagse...

Out of art 2015#2  

Bekijk enkele pagina’s van Out of Art 2015-1. Houd je van kunst met een rafelrandje? Lees dan Out of Art, hét kunstmagazine over hedendaagse...

Advertisement