Issuu on Google+

3/2011

Camerata Trajectina presenteert 3/2011

De Triomfeerende

MI N van Carolus Hacquart ‘eerste Nederlandse opera’ regie Marc Krone

3, 4, 5 november 2011 Museum Speelklok, Utrecht kaarten bestellen via www.camerata-trajectina.nl

FEstival Oude Muziek 2011: Roma - città Eterna Paul van Nevel: steeds minder compromissen / Monica Huggett: oermoeder van de barokviool arie abbenes: afscheid van de machinist van de domtoren / de twee miljoen boeken van de paus dirk snellings: De pauselijke kapel als voetbalteam en nog veel meer…


Om te beginnen

2 Mooi weer Jolande van der Klis

interviews Stadsbeiaardier Arie Abbenes zwaait af

4 Machinist van de Domtoren Paul Janssen

Enrico Gatti ontsluit Italiaans erfgoed

12 ‘Iedereen een eigen ruimte’ Jan Van den Bossche

Paul Van Nevel en veertig jaar Huelgas Ensemble 26 ‘Steeds minder compromissen’ Joke Dame

Monica Huggett, oermoeder van de barokviool 38 ‘Corelli was een control freak’ Agnes van der Horst

Compleet dagofficie voor Maria Hemelvaart 44 De pauselijke kapel als voetbalteam Marcel Bijlo

Leonardo García Alarcón verfijnt de Italiaanse verhoudingen 52 ‘Venetië heeft niets uitgevonden’

kleine interviews Wouter Verschuren van Het CaeciliaConcert: 9 ‘Frescobaldi’s canzones worden onderschat’ Marco Beasley: 17 Het verhaal als uitgangs­punt Roberto Festa van Daedalus: 23 De oudheid heruitgevonden Christina Pluhar van L’Arpeggiata: 25 Niet freewheelen met Monteverdi Stephen Rice van The Brabant Ensemble: 31 Evident Spaanse invloed bij Palestrina Cornettospeler Jean Tubéry: 37 ‘Componisten waren virtuoze improvisatoren’ Stephan MacLeod van Gli Angeli: 43 Scheins duitstalige Italiaanse madrigalen Avery Gosfield van Lucidarium: 49 ‘Grens tussen oud en traditioneel is dun’

Albert Edelman

artikelen Romeinse polyfonie aan het eind van de 16de eeuw 18 Een muzikale Wunderkammer Björn Schmelzer

Renovatie maakt collectie digitaal toegankelijk 32 De twee miljoen boeken van de paus

Marco Mencoboni van Cantar Lontano: 51 ‘Danckerts heeft een heel eigen sonoriteit’ Camerata Trajectina speelt: 57 Hacquarts triomfeerende min Fortepianist Bart van Oort: 73 ‘Mozart schreef als eerste vierhandig’ in memoriam

Sofie Taes en Albert Edelman

16 Bruce Haynes Feestelijk retrospectief op het Domplein 10 30 jaar Festival in 30 foto’s Perspectief: grote bezuinigingen 11 Waar staan we? Xavier Vandamme

Jolande van der Klis

rubrieken 24 Seizoen Oude Muziek 11/12 58 Berichten 60 Cd-besprekingen 70 Discografie / Cursussen / Festivals 74 Vriendenaanbiedingen 76 Colofon

INHOUD

extra

1


festivalboek 2011 De enige bron voor alle Festivalinformatie!

448 pagina’s plus Festival-cd: 

€10


OM TE BEGINNEN

Mooi weer

Jolande van der Klis

Terwijl donkere wolken zich samenpakken boven de Nederlandse cultuur, schijnt op de Utrechtse burelen van het Festival Oude Muziek de zon volop. Er is keihard g­ ewerkt aan de realisering van de dertigste editie, die helemaal gewijd is aan Roma - c­ ittà eterna. Je kunt je natuurlijk afvragen of het wel handig is om met zoveel tegenwind op komst mooi weer te spelen. Of het wel verstandig is om in deze barre tijden een Festival te presenteren dat zo mogelijk nog rijker is dan het vorige. Het antwoord is eenvoudig: we kunnen niet anders. Hoe groot het noodweer ook is dat ons straks wellicht zal overvallen (zie daarvoor ook p.11), het verandert niets aan onze missie om de overrompelende schoonheid van de oude muziek in al zijn verschijningsvormen en veelkleurigheid onder de aandacht te brengen van eenieder die er voor open staat. Het festivalthema is dit jaar dan ook ongelofelijk veelzijdig: niet alleen is Rome een stad met oneindig veel muzikale facetten, ook treden musici aan die stuk voor stuk een bijzondere affiniteit hebben met ‘hun’ muziek. Du Fay’s vernuftige motetten zullen daarom versteld doen staan, de geniale missen van Palestrina zullen de adem benemen, van Frescobaldi’s vernieuwingsdrift zal worden gesmuld en Corelli – ach, van Corelli zullen we opnieuw niet kunnen doorgronden hoe hij met zó’n klein oeuvre zoveel in Europa teweeg heeft gebracht. In dit nummer oudgedienden Monica Huggett en Paul Van Nevel, die er al in het eerste Festival bij waren en zich nog steeds in de voorhoede bevinden. Daarnaast musici van een jongere generatie als Björn Schmelzer en Leonardo García Alarcón, die hun hoogstpersoonlijke zienswijzen met verve uitdragen. We zwaaien Arie Abbenes uit, de beiaardier die ruim 25 jaar lang het Festival met zijn bewerkingen verrijkte, en vernemen van Dirk Snellings hoe hij een dag in de Sixtijnse Kapel zal doen herleven. En dat is nog maar een greep uit de inhoud deze keer. Kortom: we maken ons op voor een mediterrane zomertiendaagse en hopen daarmee ieders hart door en door te verwarmen. We zullen het allemaal nodig hebben…

3


Tekst

Paul Janssen

Machinist van de Domtoren Stadsbeiaardier Arie Abbenes zwaait af

Stadsbeiaardier Arie Abbenes zwaait af

4

Machinist van de Domtoren


Arie Abbenes .interview

Op zondag 4 september, de laatste dag van het Festival Oude Muziek, zal stadsbeiaardier Arie Abbenes zich na een concert met blokfluitiste Saskia Coolen eindelijk onder zijn publiek begeven. Het is ook meteen de laatste keer, want de bloemen die hij ontvangt, markeren na ruim 25 jaar trouwe dienst zijn afscheid van het carillon van de Dom. Ter gelegenheid daarvan laat hij nog één keer zijn domein zien en horen en praat hij over het naderend afscheid, het Festival en de toekomst van het beiaardvak.

nu eenmaal onder de verantwoordelijkheid van de stadsbeiaardier. Abbenes staat nog altijd met bewondering en ontzag te kijken naar de trommel en de vele tandwielen en assen die het speeldoosje in reuzenformaat aansturen. ‘Al driehonderdvijftig jaar hetzelfde instrument’, zegt hij met zekere trots. ‘Ook de klokken. Van de vijfendertig klokken die de gebroeders Hemony in 1664 goten en installeerden voor het nieuwe carillon dat toen geplaatst werd, zijn er nog vierendertig intact.’

Een primeur. Voor het eerst sinds in 1594 de functie van stadsbeiaardier van Utrecht in het leven geroepen is, zal straks een vrouw de toren beklimmen om de stad op gezette tijden van klokmelodieën te voorzien. En voor het eerst zal ook een buitenlandse een van de oudste functies van de stad op zich nemen. Malgosia Fiebig, Poolse van geboorte, wordt de opvolger van Arie Abbenes. De man die al meer dan vijfentwintig jaar Utrecht van het karakteristieke beiaardgeluid voorziet, krijgt tijdens dit interview een telefoontje dat ook burgemeester en wethouders akkoord zijn met de benoeming van Fiebig. Het is niet het enige telefoontje dat Abbenes krijgt terwijl hij hoog vanuit de Domtoren een boekpresentatie van de 375-jarige Universiteit Utrecht opluistert. Een camera en een straalverbinding maken hem op een groot doek zichtbaar in de Kloostergang. Een voordeel van de huidige stand van de techniek, die het vak van beiaardier minder anoniem maakt. Voordat het zover is pleegt hij druk overleg over het tijdstip van een bruiloft de volgende dag – hij moet na zijn zaterdagochtendconcert immers op tijd de toren weer uit – en wandelt hij als een moderne Klokkenluider van de Notre Dame door de Domtoren, zijn toren. Geroutineerd inspecteert hij het klokwerk dat onlangs een paar keer stilstond. Dat is lastig, want het uurwerk van de Dom is niet alleen het ijkpunt van de voortschrijdende tijd, het stuurt ook de speeltrommel voor het automatisch spel aan. Het goed functioneren van die klokken valt

Speeltrommel Een immens gevaarte, die speeltrommel. Er zijn maar liefst vijf mensen nodig om deze ‘automatische beiaardier’ van nieuwe melodietjes te voorzien, te versteken, zoals dat zo mooi heet. ‘Er gaan twee man in de trommel om alle moeren aan te draaien. We zijn er echt een dag mee bezig. Daarom wisselen de melodieën niet zo vaak.’ Straks, vlak voor het Festival Oude Muziek, gaan de festivaldeuntjes er op. Daar zal Abbenes nog op toezien. En daarna houdt het langzaam op. Hij verstelt nog iets aan het netwerk van tandwielen en dan vervolgt hij in een door jarenlange ervaring opgebouwde cadans zijn tred over de driehonderdvijftig treden naar zijn domein, de speelkamer die zich op zo’n tachtig meter boven de grond bevindt. ‘Je moet ook een beetje machinist zijn’, zegt hij onderweg. ‘Je moet die technische kant leuk vinden.’ Waarmee hij maar wil zeggen dat het vak van stadsbeiaardier van Utrecht niet iets is om licht over te denken. ‘Het is een omvangrijke vaste betrekking die niet alleen bestaat uit zo’n tweehonderddertig bespelingen per jaar op de beiaard van de Dom, de Nicolaïkerk of de Willibrordustoren in Vleuten, maar ook uit de zorg voor de instrumenten en uit het uitzoeken en bewerken van de muziek. Je moet handig zijn en goed kunnen arrangeren.’ De ogen van Abbenes glimmen nog steeds als het over de muziek zelf gaat. Logisch, hij heeft het beiaardrepertoire verrijkt met speciaal voor de Utrechtse beiaard geschreven moderne muziek, be5


interview. Arie Abbenes

werkingen van popsongs, volksliedjes en wat al niet. Bijna niets is te gek. ‘De beiaard is altijd een instrument geweest dat zich ergens tussen het volkse en de hogere cultuur bewogen heeft. Door de eeuwen heen zijn er naast de psalmen ook volksdeuntjes op gespeeld. En voor de echte liefhebbers zijn er de deftiger stukken. Een beiaardier is de enige musicus die het zich kan permitteren om een liedje van Marianne Weber te spelen en daarna verder te gaan met een Preludium en Fuga van Bach. Als een klavecinist dat doet wordt het beschouwd als een doodzonde, voor een beiaardier is het bijna verplicht. Als ik op zaterdagochtend zit te spelen heb ik een zeer gemêleerd publiek. Er zijn serieuze liefhebbers die speciaal voor mijn spel beneden op een bankje gaan zitten, maar er stoppen ook mensen van de markt. Ik wil graag dat al die groepen aan hun trekken komen.’ Eenzaam Hoewel de beiaardier dankzij camera’s en schermen steeds zichtbaarder wordt, is en blijft Abbenes de meest eenzame musicus die er is. In de toren, zittend achter zijn beiaard, heeft hij doorgaans geen publiek, maar beneden bestaat de hele stad uit zijn gehoor. ‘Je weet nooit wat je teweeg brengt’, zegt hij. ‘Soms krijg ik een mail of een brief, dat is leuk.’ Ter illustratie haalt hij uit zijn agenda een boodschappenbriefje. Op de andere kant heeft een toevallige passant uit Wijk bij Duurstede een bericht ‘aan de beiaardier’ gekrabbeld. ‘Ik heb genoten. Tot tranen toe geroerd.’ Zorgvuldig stopt hij dit bewijs dat hij wel degelijk gehoord wordt, weer weg. Ja, de mensen weten hem te vinden. Ook met verzoekjes. ‘Ik kreeg pas nog de vraag van iemand of ik ‘November Rain’ van Guns n’ Roses kon spelen. Het was vijf jaar geleden dat hij op dit nummer de eerste kus van zijn vriendin kreeg en dat wilde hij zo vieren. En voor de trouwerij van morgen speel ik als het bruidspaar naar buiten komt ‘Sinds een dag of twee’ van Doe Maar.’ Abbenes neemt plaats achter zijn instrument. De genodigden van de Universiteit Utrecht zijn er klaar voor en hij zet een reeks universiteitsdeunen in. ‘Io 6

vivat’, ‘Gaudeamus’, ‘Jubelzang’, de klokken zingen de melodie en Abbenes verrijkt de noten met virtuoze riedels die nergens op papier staan en die hij zo uit zijn mouw lijkt te schudden. ‘Dit zijn de verplichte nummers; je moet er toch wat van maken.’ Even later gaat hij verder met een Suite van Jean-François Dandrieu. ‘Dat is het serieuze werk.’ Afscheid Een beiaardier moet inderdaad van alle markten thuis zijn. ‘Daarom hebben we de kandidaten ook danig aan de tand gevoeld’, zegt hij tijdens een korte pauze over de procedure rond zijn opvolging. ‘Utrecht heeft de hele dag mee kunnen genieten van de openbare sollicitatieronde. Vier kandidaten kregen elk meerdere improvisatieopdrachten en moesten zich waar maken. Dan hoor je de verschillen wel.’ Dat gebeurde voor een brede commissie met stadsbeiaardier Geert D’hollander van Antwerpen, festivaldirecteur Xavier Vandamme en oud-directeur van Museum Speelklok Jan Jaap Haspels. Malgosia Fiebig is zo na een zorgvuldige procedure als beste uit de bus gekomen. Dat alle kandidaten die het tot de laatste sollicitatieronde schopten leerling zijn geweest van Abbenes, vindt hij eigenlijk niet zo gek. ‘Ik heb eenentwintig jaar les gegeven aan de Beiaardschool en heb vele goede musici onder mijn hoede gehad’, zegt de man die op de laatste dag van het Festival Oude Muziek officieel afscheid neemt en tijdens het Festival ook met een heus beiaardfestival uitgebreid in het zonnetje wordt gezet. ‘Het wordt anders’, zegt hij over de tijd na zijn afscheid. ‘Ik blijf voorlopig nog als vervanger aan in Utrecht en ik zal het de komende tijd wel druk hebben met de overdracht van de functie, maar aan de andere kant schept het ook ruimte. Hoewel ik nog wel beiaardier blijf in Oirschot en adjunct in Eindhoven kan ik nu makkelijker weg voor gast­bespelingen in binnen- en buitenland. Dat was nooit zo eenvoudig, want stadsbeiaardier van Utrecht is echt een zware baan. Zeker als je het niveau waarop ik opereer overeind wil houden. Ik ben nu 67 en nog altijd fysiek behoorlijk


Arie Abbenes .interview

fit, maar het moment van afscheid moest een keer komen, want op een dag redt het lijf het niet meer. We hebben het al twee jaar uitgesteld, maar nu is het mooi geweest.’ Beiaardbewerkingen Dat hij ooit stadsbeiaardier is geworden houdt hij op een toevallige speling van het lot. ‘Je komt het tegen als je er open voor staat’, zegt Abbenes die uit een muzikale familie komt. ‘Mijn vader was violist. Ik werd als baby al in slaap gespeeld met strijkkwartetten. Muziek was een vanzelfsprekendheid bij ons, maar toen ik hoofdvak piano studeerde, realiseerde ik mij gaandeweg dat dit niets voor mij was. Ik zag mijzelf niet lesgeven aan een muziekschool of zoiets. Op een dag zag ik in Hilversum beiaardier Peter Bakker aan het werk. Ik was direct gefascineerd en dacht: dit is het.’ En het is het nog steeds. ‘Het is een groot instru­ ment, je hebt een enorm ding onder handen. Boven­ dien ben je muzikaal en fysiek behoorlijk bezig. Er zitten zoveel interessante facetten aan. Je moet je verdiepen in het mechaniek en ondertussen ben je ook een belangrijk onderdeel van de gemeenschap. Bovendien moet je aardigheid hebben in het rondhangen in kerktorens.’ En hij heeft er aardigheid in. Want hij kijkt al weer met veel plezier uit naar het komende Festival Oude Muziek. ‘Het Festival is een doorlopend hoogtepunt van mijn tijd in Utrecht’, zegt hij. ‘Dat begon al toen ik aangesteld werd en Jan Nuchelmans, een oude kennis, enthousiast besloot om tijdens het Festival dankbaar gebruik te maken van mijn aanwezigheid. Dat is een traditie geworden. Zo ben ik het hele jaar bezig om repertoire te zoeken en te bewerken dat bij het festivalthema past. Het is echt een project geworden waar ik jaarlijks een studie van maak. Erg leuk.’ Beiaardfestival Dat zijn laatste Festival als stadsbeiaardier nu bekroond wordt met een beiaardfestival is vooral het werk van Xavier Vandamme, zegt hij. ‘Hij is op een

creatieve manier ingegaan op veelvuldig verzoek van het publiek of er niet vaker op de beiaard gespeeld kan worden tijdens het Festival.’ Dat is nu een compleet beiaardfestival geworden, met het traditionele openingsconcert dat op een scherm zichtbaar is in Vredenburg Leidsche Rijn, dagelijkse concerten, ‘Spieken bij de beiaard’ en een forumdiscussie over de toekomst van de beiaardkunst. ‘Er is wel kwaliteit, maar de basis is erg smal’, neemt Abbenes een voorschot op die discussie. ‘Toen ik 26 jaar geleden solliciteerde waren er veertig medesollicitanten. Voor mijn opvolging ontving de gemeente Utrecht slechts elf brieven, terwijl Utrecht toch de meest prestigieuze beiaardpost is. Dat geeft al aan wat de stand van zaken is. Bovendien is het algehele niveau niet zo hoopgevend; er zijn enkelingen die er met kop en schouders bovenuit steken, maar dat is niet genoeg. Ik heb echt geen zin om mij bezig te houden met mensen van wie ik denk: moet die nu een beiaardplaats bezetten? Iemand die met een zes voor zijn piano-examen slaagt, kan het heel goed doen op een muziekschool, maar is niet goed genoeg voor het podium. Er zijn ook beiaardiers die met een zes slagen. Zij zouden het innerlijk fatsoen moeten hebben om nooit van hun leven een beiaardpost te bekleden.’ Hoe het tij te keren, weet ook Abbenes niet precies. ‘Er is veel amateurisme. Het enige wat mijn opvolger kan doen is een eigen gezicht geven aan de beiaardcultuur. Enthousiasme creëren, het leuk en spannend maken voor mensen. Op het conservatorium leer je het standaardrepertoire kennen en de vaardigheden om het te spelen. Daarna gaat het om eigen initiatief dat moet voortvloeien uit gedrevenheid. Dan kun je wat bereiken. Zeker in een stad als Utrecht. Ik heb het hier altijd een bevoorrechte positie gevonden. Fantastische instrumenten en een stad die absoluut muziekminded is. Amsterdam is anders, die stad zit vol toeristen. Ga eens in Amsterdam naar een beiaardconcert in de Oude Kerk. Voordat je het weet, ben je een hoerenkast in gesleurd.’

7


interview. Arie Abbenes

Beleef nu de Eeuwige Stad met Persoonlijk Rome

Spieken bij de beiaard Je moet een carillon ervaren, vindt Abbenes. Er tegenaan lopen. Het is nu eenmaal geen normaal podiuminstrument en doorgaans voor het publiek onzichtbaar. Hij werd ook pas enthousiast toen hij een beiaardier op de vingers kon kijken. En het is waar, in het hol van de leeuw aanwezig zijn is een fysieke ervaring die de liefde voor het instrument snel doet groeien. De resonantie van de lage pedaalklokken, het ritmische gezucht en gesteun van alle mechanieken en de klokmelodieën die op tachtig meter hoogte letterlijk om je oren waaien. Tussen de mensen die tijdens het Festival Oude Muziek het geluk hebben te mogen ‘Spieken bij de beiaard’, zitten vast toekomstige beiaardiers. Zo’n vijftien man mag tijdens het Festival op gezette tijden met Abbenes mee naar boven, naar de speelkamer. ‘Een krappe bedoening, maar het moet kunnen’, zegt Abbenes. Hij kijkt er naar uit. Eindelijk, aan het einde van de rit, echt publiek in zijn domein. ‘Nee, ze krijgen geen stoelen. Ze blijven allemaal lekker om mij heen staan. En als het te warm wordt zetten we gewoon een raampje open.’ ıı

E-MAIL ONS VOOR EEN AANBOD OP MAAT

• Bezoek de kerken en paleizen uit de muziekgeschiedenis • Geniet van concerten op historische locaties Persoonlijk Rome

info@persoonlijkrome.nl www.persoonlijkrome.nl

SPECIAAL ZAAK VOOR K L ASS IEKE MUZ IEK TIJDENS HET FESTIVAL 10% KORTING OP DE GEHELE COLLECTIE, ÓÓK OP ONZE SPECIALE FESTIVALAANBIEDINGEN.

festival oudemuziek utrecht Beiaardfestival Arie Abbenes, Bernard Winsemius, Geert D’hollander e.a. 26 aug t/m 4 sep / Domtoren, Nicolaïtoren, Pandhof (zie ook p. 18-21 van de festivalbrochure)

(OP VERTOON VAN DEZE ADVERTENTIE) BOUDISQUE | VREDENBURG 31 3511 BC UTRECHT | T. 030 - 2394030 INFO@BOUDISQUE.NL

10 KOR T % ING OP G COLL EHELE E C T IE

BEZOEK OOK ONZE WEBWINKEL: WWW. BCQ.NL

8


festival oudemuziek Klein interview

Wouter Verschuren van Het Caecilia-Concert:

‘Frescobaldi’s canzones worden onderschat’

foto: Marco Borggreve

Het Caecilia-Concert brengt, met een bezetting van cornetto, viool, trombone, fagot, theorbe en klavecimbel/orgel, in het Festival een programma rond Frescobaldi. ‘Ons programma bestaat uit drie componenten’, vertelt fagottist Wouter Verschuren. ‘Van Frescobaldi zijn er canzones voor een wisselende bezetting en de fiori musicali voor toetsinstrument. Daarnaast spelen we een aantal diminuties, virtuoze instrumentale variaties die werden gecomponeerd op basis van motetten van bijvoorbeeld Palestrina. De canzones van Frescobaldi worden altijd wat ondergewaarderd, vind ik. De muziek is weliswaar niet zo virtuoos als wat er toen in Venetië werd gecomponeerd, maar Frescobaldi is een meester in het contrapunt, het tegen elkaar uitspelen van de verschillende partijen.’ Komt dat doordat Frescobaldi zelf organist was en dus ook veel voor toetsinstrumenten schreef? Wouter Verschuren: ‘Ja, dat denk ik wel. De fiori musicali bijvoorbeeld, korte stukken die waarschijnlijk gebruikt zijn om als instrumentaal intermezzo tijdens de liturgie te spelen, zijn op vier balken genoteerd, echt als vierstemmige stukken. Dan ligt de muziek voor toetsinstrument ineens heel dicht bij de kamermuziek. Ik denk dat dat voor Frescobaldi ook in elkaars verlengde lag, hoewel de Sint-Pieter, waar hij organist was, akoestisch natuurlijk totaal ongeschikt was voor het spelen van kamermuziek. In Venetië werd instrumentale muziek met een gemengde bezetting wél in de liturgie ingevoegd, maar de San Marco heeft dan ook een veel intiemere akoestiek.’ Het wordt dus een gevarieerd programma. Wouter Verschuren: ‘We vonden het niet zo’n goed idee om alleen maar canzones van Frescobaldi te spelen, hoe mooi en afwisselend die stukken ook zijn. Door ook die oudere diminuties te spelen, plaatsen we zijn instrumentale muziek wat meer in een kader. Dat sluit ook beter aan bij de manier waarop wij meestal werken. We hebben cd’s gemaakt met Buxtehude en Schmelzer, maar daarop staat ook altijd werk van andere componisten.’ Was de combinatie van instrumenten die Het Caecilia-Concert gebruikt anno 1630 gangbaar in Rome? Wouter Verschuren: ‘Frescobaldi schrijft niet precies voor welke instrumenten hij in zijn canzones wil horen, maar een combinatie als die van ons ­ensemble was zeker populair. We kunnen per stuk heel zorgvuldig afwegen welke combinatie het beste past. Er zijn een- tot vierstemmige canzones waarbij de verhoudingen steeds weer net iets anders liggen. Dat maakt deze muziek ook zo spannend.’ Marcel Bijlo Het Caecilia-Concert: zo 28 aug, 20.00 uur / Vredenburg Leeuwenbergh

9


festival oudemuziek: het verleden

Feestelijk retrospectief op het Domplein

30 jaar Festival in 30 foto’s Het Festival Oude Muziek Utrecht bestaat 30 jaar, en dat vieren we! Natuurlijk met tien dagen fantastische oude muziek, maar ook met een bijzonder cadeau. Het Festival dankt Utrecht voor drie decennia gastheerschap met een fotografische terugblik, geëxposeerd op het ­Domplein. Bezitters van een smartphone kunnen hierbij ook de relevante muziek beluisteren. In de aanpalende Pandhof kunt u alle ­festivaldagen terecht voor een hapje, een drankje en passend muzikaal vertier. vr 26 aug t/m 4 sep, Domplein opening: vr 26 aug, 22.30 uur daarna dagelijks geopend 10.00-24.00 uur

met bijzondere dank aan fotografen Marco Borggreve, Co Broerse en Remke Spijkers, en Radio4 en de omroepen productie: Henk van der Feest vormgeving: Hilde Wolters teksten: Jolande van der Klis muziek: Albert Edelman

10


festival oudemuziek: de toekomst

Perspectief: grote bezuinigingen

Waar staan we? xavier vandamme

De besparingsronde binnen de cultuur is een feit. De grote beweging is duidelijk: cultuur krijgt hardere klappen dan andere sectoren. Daarbinnen krijgen vooral de podiumkunsten het onevenredig lastig. Maar de ware omvang van de ravage zal pas over een jaar duidelijk worden. Dan zal het Fonds voor de Podiumkunsten, met sterk gekrompen budget, de vele tientallen extra instellingen die nu nog hoop koesteren noodgedwongen moeten ontgoochelen. Wat heeft de nieuwe koers van dit kabinet voor implicaties voor het Festival en Seizoen Oude Muziek? Het antwoord is duidelijk: Organisatie Oude Muziek verdwijnt uit de Basisinfrastructuur. Hiermee verliest de organisatie de continuïteit van een vierjarige subsidiëring. Of en hoeveel middelen nog ter beschikking zullen zijn vanuit het Fonds, is op dit moment onduidelijk. De beslissing is moeilijk te accepteren: OOM voldoet aan alle criteria van de staatssecretaris, en is daarin zelfs een absolute uitblinker. Een voorbeeld: de nieuwe mini­ mumdrempel aan eigen inkomsten wordt verhoogd tot 17,5%, waar OOM nu voor 50% genereert. Van elke euro maken we er dus twee. De paradox is dat dit goede ondernemerschap ons juist kwetsbaar maakt: zonder het broodnodige startkapitaal kunnen we minder concerten opzetten en missen we dus ook inkomsten. Als we het bloeiende en erg efficiënte cultuurbedrijf dat we zijn, willen redden, is bijzondere hulp noodzakelijk. Die hulp zal moeten komen van Gemeente en Provincie, en van private giften en sponsoring. De steun die nodig is om de oude muziek in dit land te kunnen blijven verdedigen, is echter omvangrijk. Organisatie Oude Muziek is dan wel buitengewoon efficiënt, maar het blijft een relatief groot cultuurbedrijf. Er is met andere woorden een mirakel nodig. Dat Organisatie Oude Muziek uit de BIS gaat, is ondertussen een feit, en het heeft weinig zin om daar lang over te jeremiëren. Beter is het te denken en te ageren vanuit onze sterkte, en die instelling is meer dan naïef voluntarisme. Deze maand vieren we in Utrecht de dertigste editie van het Festival Oude Muziek, dat zijn leidende rol na al die jaren alleen maar aan het herbevestigen is. Met dit grote publieksfeest, goed voor ruim 50.000 bezoekers in de stad, dragen we onze kracht en trots uit, en we delen muzikale en andere ervaringen met elkaar waar we jarenlang op kunnen teren. De economische randeffecten van ons muziekfeest zijn trouwens aanzienlijk. Wist u dat het Festival het enige moment van het jaar is waarin de Utrechtse hotelsector volgeboekt zit? Onze ware kracht schuilt in de passie die we koesteren voor 1000 jaar oude muziek, en de vastberadenheid om dat geweldige repertoire te delen met u. Met die positieve energie treden we de toekomst tegemoet. Ook al zou die er wel eens radicaal anders kunnen gaan uitzien. Maar een wereld waarin onze muzikale rijkdommen niet langer door creatieve jonge muzikanten onder handen worden genomen, een wereld waarin erfgoed sterfgoed wordt, een wereld van enkel arrogante, afgewende ruggen, nee, die wereld is voor ons ondenkbaar. 11


Tekst BEeld

Jan Van den Bossche

‘Iedereen een eigen ruimte’ Enrico Gatti ontsluit Italiaans erfgoed

Enrico Gatti ontsluit Italiaans erfgoed

12

‘Iedereen een eigen ruimte’


Enrico Gatti .interview

De Corelli-reeks van dit aan Rome gewijde Festival belooft een opeenvolging van hoogtijdagen in de barokvioolkalender te worden. Een handvol vooraanstaande barokviolisten wijdt zich aan het nec plus ultra van hun eigen instrument: het al even compacte als sublieme oeuvre van Arcangelo Corelli. Onder hen ook de Italiaan Enrico Gatti. Hij speelt met zijn Ensemble Aurora een programma met muziek van Corelli en tijdgenoten. Zoals bij de meeste barokviolisten van zijn generatie begon ook voor Enrico Gatti het verhaal bij de moderne viool. Hij studeerde onder anderen bij Arnaldo Apostoli, lid van het befaamde Romeinse kamerorkest I Musici, dat vóór de doorbraak van de oude-muziekpraktijk samen met de Londense Academy of St. Martin in the Fields de toon aangaf in de orkestrale barokmuziek. Maar al gauw bekeerde Gatti zich tot de barokviool en werd hij de eerste Italiaan die zich exclusief op dit instrument toelegde. Na een fase als autodidact, ging hij in Genève in de leer bij Chiara Banchini en specialiseerde zich vervolgens in Den Haag bij Sigiswald Kuijken. Als diens leerling stamt Gatti dus ook direct af van degene die de barokviool zowat heeft uitgevonden. En omdat hij sinds 1999 zelf aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag doceert, is hij beter dan wie ook in staat om de evolutie van het barokvioolspel van de laatste decennia te beoordelen. Wanneer ik hem spreek, heeft hij net een vermoeiende dag met toelatingsexamens achter de rug. Het animo om in Den Haag te studeren is nog steeds heel groot, maar het aantal plaatsen is beperkt. ‘Het technisch niveau is zeer hoog, vergeleken met twintig jaar geleden’, zegt Gatti. ‘Dat heeft simpelweg natuurlijk ook te maken met het feit dat het aantal barokviolisten vandaag de dag veel groter is. Helaas zie je ook steeds meer moderne violisten die de barokviool er een beetje bijnemen vanwege de verhoogde kansen op werk, op schnabbels dus, en niet zozeer uit grote liefde voor het instrument of

voor het repertoire. Waarbij ook nog gezegd moet worden dat die zogenaamde barokviool vaak niet veel meer is dan hun moderne viool met twee darmsnaren erop.’ Klopt de vaak gehoorde verzuchting van een aantal pioniers dan, dat de nieuwe generatie te gemakzuchtig is, en alleen maar naspeelt wat anderen met zoveel bloed, zweet en tranen verworven hebben? ‘Daar is wel wat van waar’, beaamt Gatti, ‘maar ik zou het niet willen generaliseren. Er zijn ook vandaag nog steeds veel jonge musici die onderzoek willen doen. Imitatie van de leraar hoort er nu eenmaal bij, dat is meestal het startpunt. Dat was vroeger ook zo. Al in de Renaissance werden didactische canons en duetten geschreven waarbij de leerling de meester precies na kon spelen. Het voorbeeld van een meester is voor velen van ons de doorslaggevende aanleiding geweest om een bepaalde weg in te slaan. Tartini hoorde in 1716 Veracini in Venetië spelen en was zo onder de indruk van diens spel dat hij prompt acht uur per dag ging studeren.’ Veelvraat Grote aha-erlebnis van Gatti zelf was een concert dat de Nederlandse barokviolist Jaap Schröder in Rome gaf. ‘Toen ik begon was er in Italië zo ongeveer niets op het gebied van de oude muziek. Vivaldi werd gespeeld door I Musici, op moderne instrumenten dus. Het was dat concert van Jaap Schröder in Rome dat mij tot de barokviool heeft bekeerd. Ik herinner me nog dat hij stukken van Uccellini en van de Duitse componist Thomas Baltzar speelde. Die muziek heeft me toen diep geraakt. Zoals de meesten begon ik op de barokviool als autodidact. Maar in plaats van me toen meteen op Vivaldi en Bach te storten, ben ik me vooral gaan toeleggen op het spelen van minder bekende componisten uit de zeventiende eeuw. Dat was een vreemde keuze, want die muziek gold toen nog als obscuur en ondoorgrondelijk. Ik begreep er in ieder geval weinig of niets van, maar ik moest toch ergens beginnen. Ik was toen nogal een muzikale veelvraat. Naast mijn studie moderne viool, waarop ik zeer graag Brahms 13


interview. Enrico Gatti

speelde, experimenteerde ik ook met rockmuziek op de elektrische viool. Ik ben hoe dan ook nog steeds van mening dat het beter is niet meteen de klassieke canon van de grote meesterwerken aan te ­pakken. Bach bijvoorbeeld is als componist eerder een uit­ zondering dan de regel. En van de uitzonderingen leer je minder. Bij minor masters leer je veel beter de stijl van een bepaalde periode. Dan ben je minder met interpretatie bezig, en meer met de essentie van het idioom. En wat de zeventiende eeuw betreft: daar ligt de grondslag van de barokviool, met name in de versieringen en de diminuties. Daar leer je de basis voor alles wat erna komt.’ YouTube Na zijn eerste experimenten op de barokviool ging Gatti zijn licht opsteken bij de toen nog zeer jonge Chiara Banchini in Genève en later dus bij Sigiswald Kuijken in Den Haag. Maar de belangrijkste drijfveer blijft volgens Gatti toch altijd de persoonlijke zoektocht. ‘Natuurlijk kun je tegenwoordig ook van YouTube barokviool leren spelen, maar interessant wordt het pas echt wanneer je het instrument en het repertoire vanuit een zekere nieuwsgierigheid en leergierigheid benadert. Die persoonlijke gedrevenheid is ook nodig, want het onderzoek biedt verder geen andere beloning dan je eigen verrijking. Gelukkig is het veld onmetelijk groot en is er genoeg plek voor iedereen om een eigen ruimte te creëren.’ Wie Gatti’s zelfgeschreven en zeer uitvoerige toe­ lichtingen bij zijn cd-opnames leest, ziet meteen dat aan zijn uitvoeringen grondig onderzoek is voorafgegaan. Wars van alle uitvoeringsmodes zoekt hij de legitimering voor zijn interpretaties altijd en uitsluitend in de tijd van de componist. Geen bron ontsnapt aan zijn aandacht. Daarnaast zet hij zich ook onafgebroken in voor de verdere ontsluiting van het Italiaanse muzikale erfgoed, onder meer als lid van de commissie die door het Italiaanse ministerie voor cultuur belast is met de uitgave van het verzameld werk van Alessandro Stradella. Een stijl voor een nieuwe eeuw Ook met de aartsvader van de barokviool, Arcangelo Corelli, heeft Gatti zich lange tijd beziggehouden. Is het niet bizar dat een man die zo weinig heeft gepubliceerd zo’n immense invloed heeft gehad op verschillende generaties componisten in heel 14

Europa? ‘Corelli heeft inderdaad weinig muziek gepubliceerd, maar dat was volgens mij een zeer bewuste keuze. Alles wat hij publiceerde was van een ongelofelijke kwaliteit. Men hoopt steeds maar nieuwe werken te vinden, maar de stukken die later gevonden zijn en dus niet tot de officiële opusnummers behoren, halen meestal niet het zelfde niveau. Bovendien heb ik grote twijfels over de echtheid van een aantal van die werken. Wat we uit de biografie en ook uit het oeuvre van Corelli leren, is dat hij een tamelijk bedeesd en teruggetrokken man was, een man van weinig woorden dus.’ ‘Ook met wat hij publiceerde ging hij zeer bedacht­ zaam te werk. Hij heeft ongetwijfeld meer gecomponeerd dan we nu van hem hebben, maar wat hij publiceerde was het resultaat van een uiterst strenge selectie en vaak ook van jarenlange revisies. Je ziet bijvoorbeeld dat de opusnummers 1 tot en met 6 met een zekere regelmaat uitgegeven zijn, alsof hij een uitgekiend programma volgde, en niet zomaar de markt wilde overspoelen met nieuw repertoire. Dat had hij blijkbaar niet nodig, want hij was sowieso al rijk. Zijn beroemde opus 6 werd pas in 1714 in Amsterdam uitgegeven, een jaar na zijn dood. Maar sommige van die concerti had Muffat al in 1681 gehoord, die waren dus meer dan dertig jaar oud. Pas aan het eind van zijn leven hadden ze voor Corelli de vorm bereikt waarin ze uitgegeven konden worden. En wat het opus 5 betreft, het kan geen toeval zijn dat hij deze bundel, waarin hij het genre van de solosonate voor viool opnieuw definieert, precies op 1 januari 1700 uitbracht, in een prachtige kopergravure, alsof hij hiermee wilde zeggen: dit is de stijl voor de nieuwe eeuw.’ Post-wagneriaanse tempi Het programma dat Gatti met zijn in 1986 opgerichte Ensemble Aurora speelt is gewijd aan de triosonates uit het opus 3 van Corelli, gecombineerd met werk van een aantal van zijn Romeinse collega’s. ‘Het programma heette aanvankelijk Corelli and friends, maar het zijn eigenlijk meer de componisten die Corelli in Rome aantrof toen hij daar in 1675 voor het eerst aankwam, en die hij overigens ook al gauw overschaduwde met zijn eigen werk. Echte friends zullen het wel niet geweest zijn...’ Toen Gatti deze sonates een tiental jaar geleden opnam, beschuldigde een Engelse recensent hem


Enrico Gatti .interview

van post-wagneriaanse tempi, met name in de langzame delen. Gatti nam de handschoen op en diende de criticus in het booklet van zijn volgende Corelli-cd (met opus 5) uitgebreid van repliek. ‘Die tempi waren natuurlijk niet die modieuze, vlotte tempi waaraan men in de barokmuziek langzamerhand gewend was geraakt. Uitganspunt bij de tempokeuze is de absolute noodzaak van een heldere en verstaanbare voordracht van de versieringen. Dat geldt overigens vooral voor de solosonates. Opus 3, waaruit ik werk in het Festival zal spelen, bestaat uit triosonates, voor twee violen en continuo dus, en daar zijn de versieringen altijd iets minder exuberant, want overdaad aan versiering zou de door Corelli zo gewaardeerde “concinnitas”, zeg maar het evenwicht, verstoren.’ Missing link Behalve de met zorg uitgegeven zes opusnummers zijn de historische barokviolen zelf het meest directe contact dat we met Corelli hebben. Wat zou Corelli eigenlijk van Gatti’s viool denken? Zou hij ermee uit de voeten kunnen? Gatti moet even nadenken. Hij heeft zich die vraag kennelijk nooit gesteld. ‘Ik hoop van wel. Corelli hield zelf ook al van oude dingen, hij verzamelde schilderijen. En ook zijn instrument was oud voor die tijd: hij bespeelde een Andrea Amati uit de zestiende eeuw. Mijn instrument stamt uit de jaren zestig van de zeventiende eeuw en beantwoordt aan dezelfde esthetische idealen. Ik heb het gekocht van een oude weduwe, en het was natuurlijk helemaal omgebouwd tot een moderne viool. Het is van de hand van de Nederlandse bouwer Cornelis Kleynman, die het vak zeer waarschijnlijk geleerd heeft van zijn stiefvader Francis Lupo.’ ‘Daar hangt een heel verhaal aan vast. Lupo was een telg uit het beroemde Lupo-geslacht dat de Amati-stijl van Italië via Antwerpen naar Londen en ook Amsterdam exporteerde. Van die Francis Lupo zelf zijn geen instrumenten bewaard gebleven, maar we weten wel dat hij lid was van het Amsterdamse gilde. Hij was getrouwd met een weduwe Kleynman, en Cornelis Kleynman was zijn stiefzoon. Francis Lupo heeft Cornelis waarschijnlijk ingewijd in de vioolbouw en is dus de missing link tussen de Amatitraditie en de daarmee sterk verwante Amsterdamse school die met Hendrik Jacobs haar hoogtepunt zou bereiken.’

Leerstoel Gatti’s zoektocht naar de uitvoeringspraktijk heeft hem via Corelli, Bach, Leclair en Mozart uiteindelijk ook bij de jonge Beethoven en zelfs Schubert gebracht. Maar zijn oude jeugdliefde Brahms speelt hij niet meer. ‘Het is onmogelijk om alles goed te blijven doen, en wanneer je veel Romantiek speelt, krijgen de puur fysieke reflexen van de romantische stijl al gauw de overhand. Specialisatie is een absolute vereiste voor diepgang. Als je tenminste tot het soort musicus behoort dat dichter bij de muziek wil komen. Het andere soort, dat de muziek dichter bij zichzelf wil brengen, heeft van die overwegingen geen last.’ Gatti heeft in ieder geval geen spijt van de ingeslagen weg. Ook in Italië is veel veranderd sinds de tijd waarin hij zijn eerste schreden richting de barokviool zette. De historische uitvoeringspraktijk lijkt nu ook een eerste voet tussen het valhek van de schier onneembare burcht van het Italiaanse conservatoriumsysteem te hebben. Sinds december vorig jaar bekleedt Gatti namelijk de eerste officiële Italiaanse leerstoel voor barokviool aan het eerbiedwaardige Conservatorio di Santa Cecilia in Rome. Daar is hij erg trots op. Lesgeven blijft sowieso een belangrijk deel van zijn leven. ‘Op tien leerlingen zijn er altijd wel twee of drie die je grote voldoening geven en waarvan je heel veel terugkrijgt.’ Zijn didactische methode is op de traditie van de zeventiende en achttiende eeuw gebaseerd. Daar komen nog steeds uit de hele wereld jonge violisten op af. Na een halve eeuw heeft de Renaissance van de barokviool haar laatste adem nog lang niet uitgeblazen. Anzi! ıı

festival oudemuziek utrecht Corelli: Triosonates opus 3; Stradella, Lonati, Mannelli: Triosonates en sinfonia’s Ensemble Aurora / Enrico Gatti wo 31 aug, 15.00 uur/ Geertekerk

15


In memoriam

1942-2011

Bruce Haynes Jolande van der Klis

Op 17 mei jl. overleed in Montreal op 69-jarige leeftijd barokhoboïst Bruce Haynes. De in 1942 in Louisville (VS) geboren Haynes kwam in 1964 na een studie moderne hobo naar Nederland om zich te specialiseren in de historische uitvoeringspraktijk bij Gustav Leonhardt en tevens als blokfluitist bij Frans Brüggen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Als barokhoboïst was hij voornamelijk autodidact, net als zijn leeftijdgenoot en compaan in vele orkesten Ku Ebbinge. Zij waren samen de voortrekkers van een hele generatie barokhoboïsten in Europa. Haynes volgde Brüggen op in Den Haag als blokfluitdocent, maar zette daarnaast ook een hoboklas op. Hij was onder meer betrokken bij het grote Bach-project van Nikolaus Harnoncourt in 1975 in Den Haag. Ook in de vroege edities van het Festival Oude Muziek Utrecht ontbrak Haynes niet. Zoals in 1984, toen hij soleerde in een Bach-cantate tijdens de festivalopening door het gloednieuwe Collegium Musicum van De Nederlandse Bachvereniging, gedirigeerd door Gustav Leonhardt. Haynes vloog tijdens de live-uitzending van het concert op de radio in de sinfonia van cantate BWV 152 gierend uit de bocht. Het illustreert dat in deze jaren de technische moeilijkheden met het historische instrumentarium, zelfs bij iemand als de voortreffelijke Haynes, nog altijd onverwacht de kop konden opsteken. Haynes bleef niet hangen in Nederland, zoals vele van zijn buitenlandse oudemuziekcollega’s, maar vestigde zich met zijn vrouw, de gambiste Susie Napper, eerst in Californië en later in Montreal. Zijn brede interesse voerde hem naar Friedrich von Huene in Boston, bij wie hij zich bekwaamde in de bouw van barokblaasinstrumenten. Uit zijn muziekwetenschappelijk interesse kwamen diverse publicaties voort. Allereerst zijn nog steeds onmisbare Music for Oboe, 1650–1800: a Bibliography (1985, herdruk 1992), een van de eerste compendia op het gebied van de oude muziek en een enorme hulp voor veel jonge hoboïsten, net als zijn standaardwerk The Eloquent Oboe: A History of the Hautboy from 1640 to 1760 (2001). In 1995 promoveerde Haynes in Montreal op Pitch Standards in the Baroque and Classical Periods, waaruit in 2002 A History of Performing Pitch: The Story of A voortkwam. Zijn laatste boek, het provocatieve The End of Early Music (2007), gaf door de dubbel­zinnige titel veel voer tot overdenking over de reikwijdte van de oude-muziekbeweging. Als onvermoeibaar musicus bleef Haynes daarnaast tot de vroege jaren 2000 actief in in vele ensembles en orkesten en maakte hij talloze plaat-en cd-opnamen. De laatste jaren doceerde hij aan de universiteit van Montreal. 16


festival oudemuziek Klein interview

Marco Beasley:

Het verhaal als uitgangs­punt

foto: Marco Borggreve

Marco Beasley, bekend van vele spetterende festivaloptredens, laat zich dit jaar van zijn allerintiemste kant zien. Met zijn ‘racconto di mezzanotte’ brengt hij een volledig solistische middernachtelijke voorstelling die uitnodigt tot dromen. ‘Of ik nu solistisch optreed of met een groot orkest, het verhaal is altijd mijn uitgangspunt’, zegt Beasley. ‘In dit geval heb ik een vertelling gemaakt op het thema dromen en slapen, met als voornaamste inspiratiebron het gegeven van een moeder die haar kind gaat verliezen. Dit onderwerp is universeel en krijgt natuurlijk het indringendst gestalte in het verhaal van Maria en Jezus. Dat is mijn basis voor dit programma en daaromheen zing ik zowel oude als traditionele muziek. Dat is ook een van mijn uitgangspunten: er is altijd dialoog tussen verschillende muziekstijlen. ‘Vergine bella’ van Du Fay, dat eigenlijk driestemmig is maar dat ik in mijn eentje zing, plaats ik tegenover ‘Lamentu a Ghjesu’, een traditioneel mondeling overgeleverd lied. Zowel oude als traditionele muziek zijn voor mij altijd actueel, die muziek heeft ons vandaag nog heel veel te zeggen. Mij wordt wel eens verweten dat ik te veel aan crossover doe, maar dat doe ik juist nooit. Ik laat verschillende tradities met elkaar communiceren. Alle muziek kan in aanmerking komen zolang die past in het verhaal dat ik wil vertellen. Dat kan een lied van Purcell zijn, een madrigaal van Monteverdi, een lied uit de orale traditie of een popsong.’ Beasley staat helemaal alleen op het podium, zelfs toetsenman Guido Morini is er deze keer niet bij. Ben je dan niet ontzettend kwetsbaar? ‘Natuurlijk! Je moet echt met de billen bloot en alles staat of valt met het vermogen met het publiek, dat de taal waarin ik zing en vertel niet direct verstaat, te communiceren. Er is uiteraard wel een vertaling van de teksten, maar of dit programma slaagt, hangt voornamelijk af van de mate waarin ik in staat ben mijn verhaal over te brengen. Die wisselwerking met het publiek vind ik altijd heel belangrijk maar luistert nu natuurlijk extra nauw. Dit wordt een heel intieme voorstelling waarin ik met mijn stem het publiek meeneem in dit droomverhaal. De stem is daarbij het enige uitdrukkingsmiddel. Daarom luister ik ook zo graag naar de radio, ook daar draait alles om de kracht van de stem. Iedereen kan daar eigen beelden en voorstellingen bij maken.’ Marcel Bijlo

Marco Beasley: wo 31 aug, 24.00 uur / Aula, ingang Pandhof

17


Tekst BEeld

Bjรถrn Schmelzer

Een muzikale Wunderkammer Romeinse polyfonie aan het eind van de 16de eeuw

Romeinse polyfonie aan het eind van de 16de eeuw

18

Een muzikale Wunderkammer


Een muzikale Wunderkammer

Graindelavoix heeft de reputatie het onconventionele niet te schuwen. Ook in hun benadering van Palestrina’s Missa Papae Marcelli volgen ze een opmerkelijk traject. In plaats van te kiezen voor één uitvoeringspraktijk, neemt het ensemble de verscheidenheid aan virtuoze zangstijlen en -tradities in het toenmalige Rome als leidraad. Björn Schmelzer legt het verband tussen die geaccepteerde grote muzikale variatie en de zestiende-eeuwse Wunderkammer, het geliefde rariteitenkabinet waarin de bezienswaardigheden evenmin aan een rangorde zijn onder­ worpen. Het Palazzo Gravina in Napels was in de late zestiende eeuw een bijzondere trekpleister voor wetenschappers, natuurkundigen en nieuwsgierigen. De reden was de Wunderkammer die de Napolitaanse apotheker Ferrante Imperato daar had ingericht, een van de vroegste voorbeelden van het rariteitenkabinet, dat al gauw een algemene Europese rage zou worden. In zijn kleine huismuseum wist Imperato niet alleen alle wonderen van de wereld op te slaan, maar ze vooral ook in één oogopslag zichtbaar te maken voor de verbaasde bezoekers. Zij vergaapten zich aan de plafonds en gewelven met exotische vissen, kruipdieren, insecten, zeesterren, schelpen, geschubde reptielen, kraanvogels, knaagdieren, fossielen, hoorns, beenderen, antropomorfe planten enzovoorts, alles netjes naast elkaar hangend boven kleinere, van schuiven en rekken voorziene toon- en boekenkasten. Het was de tijd van onderzoekers, ontdekkers en opdelvers van de geheimen der schepping, die er toen nog meer op uit waren de onschuldige toeschouwer te verbluffen met zoveel mogelijk eigenaardigheden en curiositeiten, een voor een tot in het oneindige uitgespreid en opgesteld, dan te streven naar geïntegreerde classificaties en taxonomieën. De dingen werden zonder verder commentaar overgeleverd aan het oog van de bezoeker, die zich van het ene object naar het andere kon begeven en telkens opnieuw met verstomming werd geslagen. 19


Een muzikale Wunderkammer

De Wunderkammer die de jezuïet Athanasius Kircher in het begin van de zeventiende eeuw zou inrichten in het Collegio Romano in Rome, overtrof alle andere, zelfs het kabinet van Rudolf II van Praag. Kircher beperkte zijn museum niet tot de fauna en flora van de natuur, maar sleepte Egyptische obelisken aan, voorzag de gewelven van gedetailleerde sterrenhemels en construeerde machines, wetenschappelijke instrumenten en automaten. Het Kircherianum in Rome was een reusachtige verzameling bizarrerieën, die het tot een niet te missen trekpleister maakte voor elke toerist – tot het in de negentiende eeuw door de ‘echte’ wetenschappers als mystificatie en charlatanerie werd afgedaan en ontmanteld.

het nodig een dubbele beweging te maken. Enerzijds moeten we de hedendaagse esthetisering van de polyfone traditie ontmantelen die ergens in de negentiende eeuw maar wellicht al vroeger ont­ stond. We moeten vooral de protagonist van ons festivalprogramma, Palestrina, de polyfone hogepriester, het icoon, dé advocaat en redder van de zuivere polyfonie voor het tribunaal van het Concilie van Trente, ontdoen van de vele mystificerende pleisterlagen en gladstrijkende kalkoverschilderingen. Het is alsof we Palestrina tegen zichzelf moeten uitspelen om hem uiteindelijk in een andere, nieuwe gedaante te kunnen doen verschijnen. We dienen ook de receptie van de Romeinse tradities in de loop van de eeuwen vanuit dit licht te herlezen.

Sixtijnse Kapel Rome was een stad vol wonderen, maar het meest wonderlijke was ongetwijfeld de Sixtijnse Kapel en haar tot de verbeelding sprekende liturgieën en erediensten. Vanaf eind zestiende eeuw tot eind negentiende eeuw werden de gelovigen en bezoekers getroffen door de eigenaardige zangstijl van de Romeinse kapel, de diversiteit aan stijlen en uitvoeringspraktijken, de virtuositeit en voor sommigen misplaatste bravoure van de zangers, de wisselvallige kwaliteit, het mystieke of beter, mysterieuze klimaat van de tradities. De uitvoeringspraktijk van de pauselijke kapel in de late Renaissance kan met recht de muzikale pendant worden genoemd van een dergelijke Wunderkammer. Net zoals in het gabinetto delle curiosità overheerste het eclecticisme en het naast elkaar bestaan van diverse stijlen en uitvoeringspraktijken zonder dat die in een groter geheel werden geïntegreerd – wat zonder twijfel in de barokke avant-garde van de andere Italiaanse steden wél gebeurde, bijvoorbeeld in Monteverdi’s Mariavespers. Ongetwijfeld is dit de oorzaak van de grote verwarring, de ambigue appreciatie en het onbegrip voor de specificiteit van de Romeinse traditie.

Cecilianisme Anderzijds moeten we daarna, wanneer alles ontdaan is van zijn kalk en de troosteloze aanblik overblijft van een ontmanteld palazzo, beginnen met een geduldig en minutieus polijsten en polychromeren. Want de ideale uitvoering van de muziek van Palestrina is nog steeds vastgeklonken aan de ketens van het negentiende-eeuwse Cecilianisme, een beweging waaraan we ongetwijfeld de herwaardering van de polyfone muziek van de oude meesters te danken hebben. Het Cecilianisme pleitte voor een terugkeer naar de diepere inhoud en essentie van de religieuze en liturgische muziek. Een soort authenticiteitsbeweging dus, die in haar goedmoedige streven naar de oorspronkelijke zuiverheid van de tradities en uitvoeringspraktijken er niet voor terugschrok om elk vermoeden van onzuiverheid of décadence in de kiem te smoren. Dat ze daarmee de laatste restanten van authentieke tradities aan het vernietigen was, kwam niet in haar op, of beter, wordt nu pas duidelijk. De onderzoeker of uitvoerder die de publicaties doorneemt van vooral Angelsaksische musicologen van de afgelopen twee decennia betreffende de Romeinse uitvoeringspraktijken van eind zestiende eeuw, gelooft niet wat hij/zij leest: de complexiteit en diversiteit aan uitvoeringswijzen, improvisatietechnieken en virtuoze ornamentatie, het dynamisch gebruik van orgels en andere instrumenten, het vermengen van ouderwetse, archaïsche meerstemmigheid met een bijna sjamanistisch karakter in combinatie met avant-gardistische concertato-uitvoeringen, het gelijktijdig bestaan van introverte én

Palestrina Om deze muzikale Wunderkammer, die er zovele jaren uitgezien heeft als een muffig schoollokaal, opnieuw van zijn meubilair te voorzien, van zijn kleurrijke en veelvormige objecten, van zijn curiositeiten en rariteiten, van zijn bonte kleuren en onoplosbare tegenstellingen, van zijn grilligheden en grandeur, is 20


Een muzikale Wunderkammer

bijna expressionistische polyfonie, dat alles is exact dé authenticiteit van de muzikale uitvoeringspraktijk in de late Renaissance, en duidelijk verwant met de visuele sensatie van de Wunderkammer. Stile rappresentativo Is het toeval dat de passaggi en gorgie van de Romeinse zangers ‘meraviglie’ (wonderen) werden genoemd en dat hun uitvoerders dezelfde naam werd toebedeeld als de inrichters en uitbaters van de vertrekken vol wonderen: de virtuosi? Is het toeval dat die zangkunst het natuurlijke en artificiële, het oude en het nieuwe op een virtuoze manier met elkaar weet te combineren, vorm en inhoud, structuur en ornament op gedurfde wijze in balans weet te houden, zonder dat het een aan het ander ondergeschikt wordt gemaakt? De kunst en het esthetische ideaal van deze virtuosi, gekenmerkt door preciositeit, extravagantie maar ook hybridisering – in de zang bijvoorbeeld door het combineren van verschillende stemregisters zoals in de canto alla bastarda en de vermenging van genres – lijkt bij uitstek geboren uit de crisis van de aristocratie aan het eind van de zestiende eeuw. En tegelijk zet die de deuren open voor een tegenbeweging die ook geografisch – een hardnekkige noord-zuid tegenstelling – wordt bepaald. Laten we de gedurfde hypothese poneren dat de Florentijnse Camerata en de uitvinding van de stile rappresentativo uitsluitend kon bestaan door de meest radicale afwijzing van de Romeinse en Napolitaanse zangstijl en de bijbehorende doelloze ornamentaties, namelijk door die glad te strijken en te onderwerpen aan de inhoud van de poëtische tekst. In een beroemd manifest uit 1578, geschreven voor Caccini, staat precies dat wat Giovanni de Bardi’ de Romeinse zangers verwijt die hij in 1567 hoorde zingen en die de tekst op schandalige wijze teisterden met ondoordachte passaggi zonder enige gerichtheid op de tekst. In dit opzicht lijkt de intuïtie van N ­ ietzsche raak te zijn wanneer hij in zijn eerste boek, Die Geburt der Tragödie, de polyfonie van Palestrina letterlijk confronteert met de Florentijnse ‘zangkunststukjes’ van de vroege opera. Zoals ook Richard Wistreich aantoont in zijn boek over de canto alla bastarda, zijn het op paradoxale wijze de Romeinse kerken waar de geornamenteerde stijl het meest kon worden gehoord en moeten we

ons de Romeinse zangstijl voorstellen als de combinatie van een luide, fel geprojecteerde canto da chiesa met de versieringen van de canto di gorgia. De virtuosi die even later zouden profiteren van de vernieuwingen in de typografie en dergelijke bijna onzingbaar gediminueerde stukken gingen uitgeven bij Noord-Italiaanse drukkers, waren bijna altijd ex-zangers van de Sixtijnse Kapel of een andere Romeinse instelling. Polyfonie De uitvoering van polyfone missen en motetten varieerde van strikt a capella – in de Sixtijnse Kapel – via gemengd instrumentaal en vocaal tot instrumentaal met enkele of slechts één zanger, de zogenaamde concertato-uitvoering. Dezelfde zangers bewogen zich vaak in verschillende ruimtes waar andere bezettingsregels golden: van de Sixtijnse Kapel via de SintPietersbasiliek, de verschillende Romeinse kerken, de colleges zoals het Collegio Germanico dat ons veel informatie verschaft over de muzikale praktijken, tot de privékapel van de paus waar de zogenaamde ‘vespri segreti’ werden uitgevoerd. Niet alleen het orgel speelde een prominente rol, maar vooral ook lage instrumenten zoals basluiten en theorbes. Van het idee van een oertekst die gerespecteerd moest worden, kon geen sprake zijn: de Missa Papae Marcelli van Palestrina bijvoorbeeld werd geperfectioneerd in de vier-, acht- en twaalfstemmige bewerkingen van zijn leerlingen Anerio, Soriano en Nascimbeni, die het werk ‘verbeterden’ met technieken als dubbelkorigheid en chromatiek. Vanuit de laatzestiende-eeuwse esthetiek zou het dus veel logischer zijn om een dergelijke bewerking uit te voeren dan terug te grijpen op een zogenaamde ‘originele versie’. Naast het zingen van genoteerde polyfonie, voorzien van ornamentaties on the spot, konden de zangers ook geïmproviseerd contrapunt toepassen, bij het offertorium bijvoorbeeld of bij het Magnificat-antifoon. Canto fermo De uitvoeringspraktijk van het Tridentijnse gregoriaans of canto fermo staat ver af van de negentiendeeeuwse gregoriaanse revisie: de zangers zongen altijd voluit en lardeerden de met grandeur volgezongen lange noten met allerlei ornamentaties. Deze praktijk was zeker nog tot in de negentiende eeuw in 21


Een muzikale Wunderkammer

gebruik. We lezen erover in de brieven van Mendelssohn die accuraat, en vaak met walging, verslag doet van wat hij in 1831 in Rome hoort. ‘Het is waar dat de hymnen erg monotoon zijn, zelfs heel lelijk, zonder enige fusie en altijd fortissimo…De psalmen worden het ene vers na het andere gezongen door twee koren, maar enkel door één soort stem, bassen en tenoren. Zo hoort men gedurende anderhalf uur een monotone muziek… de psalmen worden zo luid mogelijk geroepen, altijd op één noot, waarop de woorden met een enorme snelheid worden uitgesproken, en aan het eind van elk vers volgt er een cadens die de diverse karakteristieken van de verschillende melodieën tentoonspreidt.’ (brief aan de familie, 4 april 1831) Hoewel Mendelssohn vaak aangedaan is door het mystieke effect van de praktijken, kan hij er vanuit puur esthetisch oogpunt geen appreciatie voor opbrengen: ‘U kunt zich niet voorstellen hoe dat alles zwaar was en monotoon, en met welke lompheid en nonchalance ze hun psalmen zongen…’ Voor Mendelssohn staat de verstaanbaarheid en de zeggingskracht van de tekst voorop, terwijl de Romeinse zangers zich binnen een traditie bevinden waarvan ze zich niet kunnen distantiëren en waarin smaak en esthetiek ondergeschikt zijn aan expressie en continuïteit van de praktijk. Toch blijkt uit Mendelssohns kritische opmerkingen ook de diversiteit en stilistische eigenheid van de uitvoering. Antifonen worden bijvoorbeeld door hoge en scherpe mannenstemmen gezongen in canto fermo. Toonsafstanden worden gebroken door ornamentele appoggiata’s – zo noemen de zangers deze techniek zelf. Voor Mendelssohn is het paradoxaal dat ‘tenebrae’ snel en zeer luid worden gezongen, terwijl andere gezangen los van hun functie of betekenis, juist een stille en trage uitvoering krijgen. Mendelssohn zoekt betekenis en inhoud terwijl de traditie haar eigen intrinsieke logica hanteert, vaak haaks op een voor de hand liggende muzikale esthetiek. De zangers voegen bij alle lettergrepen ornamenten toe: pater, met kleine fiorituren, meum met kleine trillers… Mendelssohn beschrijft verder gruppetti, appoggiata’s en diminuties, zowel in de polyfonie als in de canto fermo. Iedere zanger begint in zijn eigen tonaliteit te zingen zonder rekening te houden met de toonhoogte van de vorige. Noten worden zo luid en zo lang mogelijk aangehouden. Ten slotte beschrijft hij ook de typische falsobordone-stijl, een stijl die eeuwenlang met Rome zou worden geassocieerd en vereeuwigd én vereenvoudigd werd in het bekendste restant: het Miserere van Gregorio Allegri. 22

Passaggi De polyfone stijl waarin de psalmen werden gereciteerd, werd het meest door virtuositeit en extravagantie gekenmerkt. De Romeinse zangers stonden in heel Europa bekend om deze techniek van virtuoze geïmproviseerde ornamentatie op de lang aangehouden akkoorden van de psalmtonen. Verschillende pauselijke zangers publiceerden eind zestiende en begin zeventiende eeuw handboeken met talloze voorbeelden van deze snelle diminuties, vocale loopjes of passaggi. De uitvoering van dergelijke passaggi was eind zestiende eeuw nog erg divers en heterogeen, zoals blijkt uit het traktaat Passaggi per potersi essercitare nel diminuire terminatamente con ogni sorte di instromenti uit 1592 van de Milanese componist Rognoni. Sommige zangers zongen dergelijke ornamentaties zoals dat nu nog gebeurt in de traditionele mediterrane muziek. Andere gingen meer borststeun gebruiken, wat niet altijd de snelheid, maar vaak wel de draagkracht ten goede kwam. Ongetwijfeld bestond de kunst van dergelijke passaggi erin verschillende technieken te combineren en zo een heel divers palet aan bewegingen en dynamieken hoorbaar te maken. De Wunderkammer overleefde de verwetenschappelijking van de moderne maatschappij uiteindelijk niet en zou ten slotte in de marginaliteit van reizende circussen en kermissen in de negentiende eeuw een stille dood sterven. Zou het kunnen dat we de ‘echte’ Palestrina ook daar moeten gaan zoeken, in de marges van de grote Europese muziektraditie: een soort Kafkaiaanse hongerkunstenaar die een  kunst opvoert, ogenschijnlijk absurd en voor de luisteraar bijna onbegrijpelijk, behalve dan dat die hem of haar ongemerkt confronteert met de paradox van de historische uitvoeringspraktijk: de directe injectie van een wereld die we onherroepelijk verloren hebben? ıı

festival oudemuziek utrecht Palestrina: Missa Papae Marcelli Graindelavoix / Björn Schmelzer di 30 aug, 17.00 uur / Pieterskerk


festival oudemuziek Klein interview

Roberto Festa van Daedalus:

De oudheid heruitgevonden

foto: bob Saintes

Onder invloed van het humanisme ontstond begin zestiende eeuw in heel Europa grote belangstelling voor de antieke poëzie van Horatius, Virgilius en Ovidius. Allerlei vertalingen en nieuwe uitgaven werden, met dank aan de pas uitgevonden boekdrukkunst, in grote hoeveelheden verspreid. Ook de muziekwereld ging mee in deze belangstelling voor de poëzie die rond 1500 al meer dan duizend jaar oud was en gedurende eeuwen was vergeten. Het ensemble Daedalus brengt tijdens het Festival een overzicht van dit bijzondere repertoire. Ensembleleider Roberto Festa legt uit dat de interesse voor de antieke poëzie een sterk idealistische inslag had: ‘Men wilde terug naar de eenvoud van de Antieken. De eerste componisten die de oude Latijnse poëzie gingen toonzetten, deden dat geheel op basis van het tekstritme. De stemmen bewogen zich allemaal even snel en pasten zich volledig aan de lengte van de versvoeten aan. Men had het idee dat dat de manier was waarop ze in de oudheid poëzie zongen. Maar die declamatorische stijl heeft in verschillende landen wel steeds andere accenten gehad.’ Hoe gaat het programma er precies uitzien? Festa: ‘We maken een reis door Europa aan de hand van dit bijzondere genre. We beginnen in Duitsland, waar een componist als Tritonius zich strikt hield aan het tekstritme. Dat is muziek met heel opmerkelijke ritmische patronen. Daarna gaan we naar Italië, waar de omgang met deze materie wat vrijer was. Componisten als Cipriano de Rore en Jacob Arcadelt, van welke laatste we een schitterend Lamento van Dido zingen, componeerden veel madrigalistischer, lieten het strikte tekstritme los en namen de muziek meer als uitgangspunt. Ten slotte zijn we in Frankrijk waar Claude Le Jeune een soort mengvorm tussen de Duitse en Italiaanse manier van componeren op antieke Latijnse poëzie tot stand bracht. Rond 1600 krijg je dan de seconda prattica, waarbij opnieuw geprobeerd wordt een ‘antieke’ muziek te herscheppen, maar nu niet meer door middel van een vocaal ensemble maar slechts met één stem en eenvoudige begeleiding. De belangstelling voor de Antieken hield lang stand, kijk maar naar de thematiek van veel opera’s uit de zeventiende en achttiende eeuw, maar de omgang met hun materiaal werd steeds vrijer. Dit programma is heel kenmerkend voor ons als ensemble. We houden ervan bepaalde vormen uit te diepen aan de hand van verschillende componisten uit verschillende landen.’ Marcel Bijlo Daedalus: zo 28 aug, 17.00 uur / Pieterskerk

23


seizoen oudemuziek okt-nov 2011 Israelis Brünnlein: Scheins cyclus compleet Gli Angeli Genève / Stephan MacLeod Hana Blazikova, sopraan / Maria Cristina Kiehr, sopraan / Robert Getchell, tenor / Jan Kobow, tenor / Stephan MacLeod, bas / Maude Gratton, orgel / Hager Hanana, cello / Matthias Spaeter, luit

vr 14 okt, 20.00 / Brussel (B), Miniemenkerk za 15 okt, 20.30 / Maastricht, Ursulinenkapel; € 27,50; € 25; € 10 zo 16 okt, 15.00 / Antwerpen (B), AMUZ ma 17 okt, 20.15 / Utrecht, Geertekerk; € 28; € 25; € 7

Canto di Roma: Kapsberger, Mazzocchi e.a. Johannette Zomer, sopraan & Fred Jacobs, theorbe wo 19 okt, 20.15 / Poederoijen, Slot Loevestein do 20 okt, 20.00 / Hasselt (B), Stadhuis vr 21 okt, 20.15 uur / Westzaan, Zuidervermaning za 22 okt, 20.00 / Zeist, Evangelische Broederkerk di 25 okt, 20.00 / Enschede, Grote Kerk do 27 okt, 19.00 / Antwerpen (B), Rubenshuis za 29 okt, 20.15 / Leeuwarden, Waalse Kerk

De Grote Drie: Bach, Händel en ­Telemann Ensemble Diamanté Tomokazu Ujigawa, blokfluit / Rie Kimura, viool / Robert Smith, viola da gamba en cello / Aya Fukuma, klavecimbel wo 2 nov, 20.15 / Delft, Oud-Katholieke Kerk do 3 nov, 20.15 / Utrecht, VB Leeuwenbergh vr 4 nov, 20.15 / Deventer, Oude Synagoge za 5 nov, 20.15 / Amsterdam, Waalse Kerk zo 6 nov, 16.00 / Haarlem, Waalse Kerk

24

Locaties en prijzen € 21; Vriendenpas € 18; CJP/studentenkaart € 7, tenzij anders aangegeven

Kaartverkoop voor Vlaanderen alleen bij: Antwerpen: www.amuz.be / 0032 32 92 3680 Brussel: www.bozar.be / 0032 2507 8200 Hasselt: www.ccha.be / 0032 1122 9933 Bestel online via www.oudemuziek.nl, telefonisch via 030 23 29 010 (ma-vrij 10-16 uur, vanaf 4 okt) of schriftelijk met de bon voor in dit tijdschrift. Voor uitgebreide informatie zie de brochure of de website: www.oudemuziek.nl.

Mozart veelhandig: Sonates fortepiano Bart van Oort & Petra Somlai, fortepiano wo 9 nov, 20.15 / Woerden, Lutherse Kerk do 10 nov, 20.15 / Westzaan, Zuidervermaning za 12 nov, 20.15 / Venlo, Domani zo 13 nov, 14.30 / Amerongen, Kasteel Amerongen

Landini’s Trecento: Lyrische muziek op poëzie van Petrarca, Boccaccio e.a. Liber / William Hudson Andrew Rader, countertenor / William Hudson, tenor / Daniel Carberg, tenor / Matthew Leese, bariton

wo 23 nov, 20.00 / Brussel (B), O.L.V. van Goede Bijstand do 24 nov, 20.15 / Muiden, Muiderslot vr 25 nov, 20.00 / Utrecht, VB Leeuwenbergh; € 29,50; € 26; € 21,50 za 26 nov, 19.30 / Amsterdam, Muziekgebouw; € 20; € 17,50; € 10 zo 27 nov, 14.30 / Limbricht, St. Salviuskerkje€ 15; € 12; € 7


festival oudemuziek Klein interview

Christina Pluhar van L’Arpeggiata:

Niet freewheelen met Monteverdi

foto: Marco Borggreve

Het veelgeprezen ensemble L’Arpeggiata onder leiding van Christina Pluhar zal dit jaar het Festival afsluiten met Monteverdi’s Vespro della Beata Vergine. Pluhars uitvoering geeft geen liturgische context aan Monteverdi’s muziek. Ze vertelt: ‘Er zijn veel uitvoerenden die dat wel doen, maar ik heb daar niet voor gekozen. Je zet de muziek dan in een ander licht, terwijl ik juist wil laten horen wat Monteverdi zélf heeft opgeschreven. Bovendien is er nog een praktisch gegeven: wij voeren Monteverdi’s werk in een moderne concertzaal uit voor een modern publiek. Een liturgie reconstrueren in een concertzaal is niet wat ik wil. Je moet er dan ook van alles bij uitleggen, waarom juist díe liturgie met díe gregoriaanse gezangen, terwijl het toch moet gaan om Monteverdi’s eigen werk.’ De bejubelde cd-opname en ook de uitvoering in Utrecht zal enkelvoudig bezet zijn. Christina Pluhar hierover: ‘Ik geloof echt dat dat Monteverdi’s bedoeling is geweest, hoewel hij de mogelijkheid open liet om een koor te gebruiken. Maar in eerste instantie schreef hij zijn muziek voor een aantal zeer virtuoze zangers, één stem per partij. Dat zie je al aan de facsimile-uitgave. Hij maakt geen onderscheid tussen soli en tutti, alle zangers zingen het hele stuk mee. Ook muzikaal werkt het wat mij betreft het beste als je iedere partij met één stem bezet. Monteverdi’s schrijfwijze is heel complex en al die lijnen blijven het best hoorbaar in solistische vocale bezetting. Ik kies de zangers daarop natuurlijk ook uit, die moeten zowel solistisch als in het ensemble alle kanten uit kunnen. De zangers bij de uitvoering in Utrecht zullen daarom grotendeels dezelfden zijn als op de cd.’ In de uitvoeringen van L’Arpeggiata neemt improvisatie altijd een belangrijke plaats in. Christina Pluhar: ‘Dat improvisatorische aspect is inderdaad een van de pijlers van onze manier van oude muziek benaderen. Maar het is nóóit een doel op zich. In de muziek uit de zeventiende eeuw heb je over het algemeen heel veel ruimte om een eigen invulling te geven en daar maken we meestal optimaal gebruik van. Maar Monteverdi schreef precies op wat hij wilde, tot en met de kleuren in het continuo toe, wat voor zijn tijd zeer uitzonderlijk is. Al die verschillende kleuren die Monteverdi aangeeft hebben ook een symbolische betekenis, die weer aansluit op de tekst die dan gezongen wordt. Daar ga je niet mee freewheelen.’ Marcel Bijlo

L’Arpeggiata: zo 4 sep, 20.00 uur / Vredenburg Leidsche Rijn

25


26

Tekst BEeld

Joke Dame Remke Spijkers

‘steeds minder compromissen’ Paul Van Nevel en veertig jaar Huelgas Ensemble

Paul Van Nevel en veertig jaar Huelgas Ensemble

‘steeds minder compromissen’


Paul Van Nevel.interview

Paul Van Nevel stond met zijn Huelgas ­Ensemble in de allereerste Festivals Oude Muziek, en toen was de groep al tien jaar bezig met de verkenning van het repertoire uit Middeleeuwen en Renaissance. En dan ging het niet om zomaar wat deuntjes: in 1982 klonk de laatvijftiende-eeuwse La favola d’Orfeo van een schrijverscollectief waaronder Tromboncino, in 1983 keerde het ensemble terug met anonieme, veertiende-eeuwse C ­ ypriotische O-antifonen… En zo is het eigenlijk nog steeds. In dit dertigjarige Festival concerteert het nu veertigjarige Huelgas met een tegendraads programma waarin Van Nevel Palestrina sandwicht tussen Animuccia, Agazzari, Anerio en Michel­angelo Rossi. Een Romeinse avond dus, die de vraag of er leven was voor en na gigant Pale­strina afdoende beantwoordt. Meer Van Nevel is er op de festivalslotdag, als de maestro tijdens een brunch wordt ondervraagd over zijn passies. Over Paul Van Nevel en zijn voorliefde voor Cubaanse sigaren is al zo vaak zo veel gezegd, een beetje interview kan daar niet meer mee aankomen. Maar de meester van de polyfonie dwingt je er gewoon toe. Bij het veertigjarig bestaan van zijn Huelgas Ensemble presenteerde hij dit voorjaar The Art of the Cigar, een vrolijke cd in een fraai sigarendooshoesje – hecho a mano, handmade by paul van nevel – met ‘songs, ballads and hymns’ ter ere van de sigaar. Uit Van Nevels persoonlijke sigarenarchief koos de dirigent een selectie liederen die een periode beslaat van de vijftiende tot de twintigste eeuw. Het levert een klinkende zedenschets op van de fumoirs in Parijs of Berlijn, de rookhuizen in Sevilla of Londen, van die mannenclubs waar sigaren werden gerookt. En over sigaren werd gezongen. Nu is het zijn eigen Huelgas Ensemble dat zich stevig in de rook zet, als hommage aan de handgerolde bladeren waar Van Nevel

sinds zijn dertigste niet zonder kan. De constatering dat roken toch niet gezond is voor de zingende stem, verwijst hij in een YouTube-filmpje met een achteloos gebaar naar het rijk der fabelen: ‘Dat weet ik zo nog niet. Dat zijn uitspraken van mensen die meer de vegetarische kant opgaan in het leven. Al mijn zangers roken als Turken en drinken als Zwitsers.’ Waarvan akte. Maturiteit Deze zomer brengt Paul Van Nevel zijn Huelgaszangers achtereenvolgens naar Eton, niet ver van Londen, naar Lissabon en Rome. Niet fysiek – fysiek zitten ze in Saintes (in de buurt van Bordeaux), in Antwerpen en Utrecht. Maar de programma’s die hij heeft samengesteld voor deze zomerse festivalperiode doen genoemde steden in Europa aan. In Frankrijk heeft hij net concerten gegeven en een opname afgerond van het befaamde Eton Choirboek. In Antwerpen wijdt hij zich aan ook al zo’n oude liefde: Portugal, meer specifiek Lissabon en de fado, die een confrontatie aangaat met de polyfone traditie rond het moeilijk te vertalen begrip saudade. Voor het Utrechtse Festival Oude Muziek heeft Van Nevel de Romeinse componist Palestrina en enkele Romeinse voorgangers en nakomers van hem op het programma. Giovanni Pierluigi da Palestrina, het schoolvoorbeeld van wat hoort en wat niet hoort in de polyfonie, is dat wel wat voor Van Nevel en zijn Huelgas Ensemble? ‘Het is zeker minder avontuurlijke muziek dan veel andere muziek die ik tot nu toe gedaan heb’, beaamt de dirigent. ‘Maar er is nog iets anders en dat heeft niks met Palestrina te maken, dat ligt aan mij. Net als voor de laatste werken van Beethoven, moet je voor Palestrina een zekere maturiteit hebben. Maturiteit om te kunnen doordringen in de mystiek en de esthetiek van zijn muziek. Daar was ik tot voor enkele jaren nog niet aan toe. Nu vind ik dat ik genoeg ervaring heb, genoeg achtergrondinformatie en voldoende drukken van zijn werken heb bekeken 27


interview. Paul Van Nevel

om serieus te proberen de diepgang van zijn stukken te begrijpen in zijn melodievorm, in zijn dissonantenbehandeling en zo verder.’ Lauda’s Palestrina is in het Huelgas-programma voor het Utrechtse Festival ook niet de enige hoofdpersoon, vindt Van Nevel. Weliswaar is de Missa Ut-re-mifa-sol-la het langste werk op het programma, maar als het gaat om progressiviteit, dan zijn er werken die veel verder zijn dan Palestrina’s beroemde mis. ‘Palestrina is door zijn complexiteit en vakkundige dissonantbehandeling van een andere orde, maar er zijn zeker twee componisten die ook een belangrijke betekenis hebben in de evolutie van de Romeinse polyfonie’, legt Van Nevel uit. ‘Ten eerste is dat Agostino Agazzari, een vrij pedante en arrogante kerel, die zichzelf op de borst sloeg door zich de opvolger van Palestrina te noemen, en die een enorm repertoire heeft neergeschreven dat nauwelijks nog wordt uitgevoerd. We voeren van hem een geestelijk werk uit – een achtstemmig Stabat Mater – en wat madrigalen. En dan heb je natuurlijk de iets oudere Giovanni Animuccia, die onder andere zeer eenvoudige, maar prachtige lauda’s heeft geschreven, waar wij er zo’n drie à vier van uitvoeren.’ Wat dat zijn, lauda’s? ‘Het zijn liederen geschreven voor amateurs, namelijk voor de compagnie dei laudesi, wereldlijke broederschappen die dagelijks bijeenkwamen om aan Maria-verering te doen door te zingen. Maar ze zongen ook over de dingen des levens. Er zijn honderden van die lauda’s geschreven, variërend van een- tot vier- of vijfstemmig, die uitmunten in eenvoud en daardoor zeer populair konden worden. Ze zijn zeer eenvoudig wat tekst betreft en wat de vormgeving van de stemmen betreft, dus geen complex contrapunt, maar innemend en indringend in zijn eenvoud. Voilà.’ Geluk Veertig jaar bestaat het Huelgas Ensemble; hoe zou de oprichter de ontwikkeling van zijn groep willen samenvatten? ‘Als alleszins minder en minder bereid tot compromissen sluiten’, zegt Van Nevel, die met het oude-muziekensemble begon als ‘een naïeve club van vier’, waaronder hijzelf – hij was de contratenor. Zingen leerde hij als jongen tussen zijn 28

twaalfde en achttiende via een gedegen training bij het bisschoppelijk collegekoor waar hij drie keer per dag zong. ‘Daar heb ik zingen geleerd en daar heb ik polyfonie geleerd. Niet in een conservatorium: daar leer je op een slechte manier een techniek. Het sluit alles wat niet academisch is uit. De materie die onderricht wordt is zo complex dat alles in schijfjes gehakt en geordend moet worden, terwijl de mooiste dingen ontstaan uit de chaos. In een conservatorium wordt geleerd netjes tussen de lijnen te lopen en te zingen en te spelen. En dat heeft niets van doen met het eigenlijke, grootse muziek maken – met dat je een moment beleeft van extase. Daar zijn de studenten ook te jong voor. Wat wil je, tussen achttien en vierentwintig jaar al proberen mensen te vervoeren…? Er zit zelden diepgang bij. Ik begin medelijden te krijgen met mensen die nu met een ensemble willen beginnen. Mijn god, die moeten eerst nog een weg van vijftien jaar afleggen voor ze tot de essentie komen van de dingen, terwijl ze zelf denken dat ze al tot de essentie zijn. Ik heb dat zelf in het begin ook gedacht.’ Jonger Terug naar het ensemble. Nee, zingen doet hij niet meer, ‘tenzij ik dronken ben, dan juist weer wel.’ Qua uitgangspunten van het ensemble dan. ‘De bedoeling was om te leren wat je als muzikant moet invullen als je van de originele notatie speelt en zingt en niet van een transcriptie. Wat de gevolgen zijn van hetgeen de muzikanten in die tijd voor hun ogen gehad hebben en wij nu. Zo is het clubje begonnen. Het had een soort laboratoriumfunctie. Het eerste openbare concert van het Huelgas was voor elf man: vijf vrijkaarten en zes familieleden. Er was nog weinig repertoire uitgegeven. Er waren nauwelijks serieuze catalogi. Dat is allemaal veranderd nu. Mensen die nu op zoek gaan naar oud repertoire hebben eigenlijk geen geluk. Het romantische aspect van zoeken en vinden is vrij zeldzaam geworden.’ ‘Wij proberen zo puur mogelijk – in onze visie dan, want wij zijn natuurlijk niet de enigen – zo puur mogelijk tegenover de muziek te staan. De polyfonie heeft geen behoefte aan compromissen in de zin van tempi aanpassen, slagwerk bijvoegen, waar de zuidelijke groepen zo goed in zijn, daar waar de muziek er helemaal niet om vraagt, zulke dingen meer. Daar


Paul Van Nevel.interview

zijn wij volledig van afgestapt. We hebben een paar dagen geleden in Saintes het Eton Choirbook gebracht. Dat bevat monumenten: stukken die vijftien minuten duren. Nu kunnen wij dat aan, twintig jaar geleden niet. Dus we worden jonger, eigenlijk – met ouder te worden, worden we jonger. We gaan terug naar de essentie, terug naar de moederschoot van de polyfonie.’ Festivals En dan liever niet op festivals oude muziek – dat wil zeggen, zo’n tien jaar geleden zei hij dat hij ze háátte. Is dat nog zo? ‘Ja natuurlijk. Maar zoals u weet: tussen haat en liefde bestaat een zeer nauwe band. Of het nou Brugge is of Utrecht of Parijs, ik blijf ze haten. Maar pas op hè, er zijn nu festivals die iets breder gaan en daar reken ik Utrecht ook toe. De sfeer, de inhoud en de beperkte visie van het Festival Oude Muziek Utrecht van pakweg twintig jaar geleden, die is geëvolueerd. Er wordt breder gedacht, minder fanatiek en daardoor kritischer, en dat is toe te juichen. Het zou het beste zijn als het Festival Oude Muziek in Utrecht een festival zou worden van goede muziek van de Europese cultuur. Of het nou negende-eeuws mohammedaans is of achttiende-eeuws Rameau, of 21ste-eeuws Rihm, de norm zou moeten zijn: goede muziek die iets te zeggen heeft, die op festivals gebracht kan worden en die niet thuishoort op abonnementsconcerten. Het is voor onze opdracht – ja, ik heb het over opdracht – veel interessanter om tussen Berlioz, Bach en Messiaen geprogrammeerd te staan dan tussen alleen maar oude muziek en voor mensen die deze muziek sowieso al goed vinden. Het repertoire van 1000 tot 1600 heeft dringend behoefte aan een verbreding van het publiek. Om juist hen te laten inzien dat het om zeer waardevolle, cultureel belangrijke muziek gaat die heel belangrijk is in de evolutie van het Europese muzikale denken. Wanneer we onze muziek alleen brengen in milieus waar mensen komen die nog nooit van Berlioz gehoord hebben, of van Messiaen, maar wel alles van Lassus kennen, beter nog dan de organisatoren en de uitvoerders, ja... die mensen hoeven we niet over de lijn te trekken. Dát bedoel ik.’

Smeulen Het is gezegd. O maar wacht, Van Nevel wil nog wel iets kwijt over de dramatische Nederlandse cultuurpolitiek. ‘Ik wens Xavier Vandamme veel succes en veel inzicht met zijn Festival in Utrecht. Ik hoop dat hij zich niet laat doen – maar zo is hij niet, hij heeft wel hardere noten gekraakt in België – door die verschrikkelijke arrogante politiek ten aanzien van de kunst.’ Er slingert nog een filmpje op YouTube, een wat rafelig restproduct, met in de hoofdrol Paul Van Nevel als sigarenroker. Je ziet hoe hij – donker met wit gestreept hemd, rode bretels – een gasaansteker onder zijn sigaar houdt om de top te laten gloeien. ‘Je moet er aandacht aan besteden,’ zegt de sigarist, zonder zijn rituele handeling uit het oog te verliezen. ‘Het is gelijk een vrouw versieren, dat neemt veel tijd in beslag.’ De sigaar draait enkele millimeters boven de vlam – ‘kom maar’ moedigt de dirigent zijn corona aan die voorzichtig vanaf de randen begint te smeulen. En dan, terwijl hij zijn blik opslaat naar de interviewer: ‘Het is als de wijn: het prikkelt het verhemelte, de smaak en de neus – daarvoor rookt men sigaar. Dan geniet ik, dan smaak ik, dan denk ik aan de Caraïben – waar ik nooit ben geweest en waar ik nooit zal gaan, want ik wil genen droom kapotmaken hè.’ Dit is ook Paul Van Nevel. Hoe luidt de aloude zegswijze ook weer? O ja: een tevreden roker is geen onruststoker. ıı

festival oudemuziek utrecht Palestrina, Agazzari, Animuccia e.a. Huelgas Ensembe o.l.v. Paul Van Nevel za 3 sep. 20.00 uur / Domkerk Brunch con maestro Van Nevel Met delen uit de documentaire Chants et soupirs des renaissants Moderator: Thea Derks zo 4 sep, 11.30 uur / Aula, ingang Pandhof

29


Paul Van Nevel ツゥ Michiel Hendryckx

OUDE MUZIEK

VENICE BAROQUE ORCHESTRA, HUELGAS ENSEMBLE, LE CONCERT DES NATIONS, BACH COLLEGIUM JAPAN, ORCHESTRE DES CHAMPS-ELYSテ右S, LA RISONANZA, THE SIXTEEN, ARION, COLLEGIUM VOCALE GENT ...

30

TOM_oudemuziek.indd 1

29/06/11 12:26


festival oudemuziek Klein interview

Stephen Rice van The Brabant Ensemble:

Evident Spaanse invloed bij Palestrina foto: Tom Allwood

The Brabant Ensemble van Stephen Rice maakt de ene prachtige cd na de andere en zal ook in het komende Festival aantreden. Dan staat uiteraard Palestrina op het programma en wel de vijfstemmige Missa Ad coenam agni providi, een vroeg werk. Stephen Rice licht toe: ‘We hebben voor deze mis gekozen omdat we een programma wilden maken rond muziek voor de paastijd, maar ook omdat dit stuk goed aansluit bij de muziek van de componisten waar we ons als ensemble het meest mee bezighouden. Dat zijn componisten van de generatie Gombert en Clemens non Papa. De mis is in principe vijfstemmig, maar in het Agnus Dei komt er een extra stem bij. Andere bijzonderheid is dat Palestrina in het tweede Hosanna ineens een heel archaïsche, bijna vijftiende-eeuwse compositietechniek toepast die aan Du Fay doet denken. We beginnen het programma dus ook met Du Fay’s zetting van de hymne ‘Ad coenam agni’, net als Palestrina’s mis gebaseerd op de gregoriaanse zetting. Die hymnezettingen van Du Fay zijn, in tegenstelling tot zijn grote motetten die hij voor bepaalde gelegenheden componeerde, nog tot ver na zijn dood in de pauselijke kapel gezongen. Het valt dus aan te nemen dat ook Palestrina ze heeft gekend.’ Palestrina is nog helemaal opgeleid in de traditie van de polyfonisten uit de Nederlanden. In hoeverre is hij door hen beïnvloed? Stephen Rice denkt lang na en zegt dan: ‘Dat is een lastige! Natuurlijk is er invloed geweest, maar daar kun je moeilijk exact de vinger op leggen. Palestrina gebruikte de technieken die alle componisten van zijn tijd gebruikten. Dat hij een radicaal andere stijl zou hebben gehad is een mythe. Maar in harmonisch opzicht heeft hij misschien wel meer invloed ondergaan van de Spaanse school. Daarom zingen we ook het zesstemmige Regina coeli van Cristóbal de Morales.’ Gaat The Brabant Ensemble meer Palestrina uitvoeren? Stephen Rice: ‘Misschien wel. Er is nog veel werk dat nauwelijks bekend is, gewoon omdat er geen goede praktische uitgave van is. Je kunt Palestrina’s muziek meestal niet op de genoteerde toonhoogte zingen en de meeste kerkkoren, tenminste, zo gaat het hier in Engeland, beperken zich dan tot de stukken waarvan wel goede uitgaven zijn. Een nieuwe complete editie zoals die nu in Italië gaat verschijnen is dus meer dan welkom.’ Marcel Bijlo

The Brabant Ensemble: vr 2 sep, 17.00 uur / Pieterskerk

31


Tekst

Sofie Taes en Albert Edelman

De twee miljoen boeken van de paus Renovatie maakt collectie digitaal toegankelijk

Renovatie maakt collectie digitaal toegankelijk

32

De twee miljoen boeken van de paus


De twee miljoen boeken van de paus

Geklemd tussen de twee reusachtige vleugels van het Vaticaanse paleis staat ’s werelds enige bibliotheek waar je zonder paspoort niet binnenkomt. De Biblioteca Apostolica Vaticana ligt immers sinds 1929 niet meer in Italië, maar in de soevereine staat Vaticaanstad. Nicolaas V (1397-1455) bedoelde met zijn bibliotheek weliswaar zo veel mogelijk kennis openbaar te maken, maar de toegang wordt streng bewaakt. Niet gek, als je bedenkt dat pas in 2010 de benodigde stappen zijn ondernomen om de immense collectie beter tegen diefstal te beveiligen. Behalve de paus wordt niemand geacht een boek uit de rijk versierde zalen te lenen, maar dat is ook niet meer nodig, want sinds kort is een groot deel van de collectie digitaal te raadplegen. Digitalisering is een zegen voor een kwetsbare historische bibliotheek als de Biblioteca Apostolica Vaticana: de meeste van de twee miljoen items zijn veel te kwetsbaar om lang buiten de stabiele temperatuur en vochtigheid van de kelders te verblijven. Te beginnen met de 80.000 manuscripten in alle mogelijke talen van Aramees tot Oud-Slavisch, over­geleverd uit de Oudheid, de Middeleeuwen en de Renaissance. Hier ligt de basis van het w ­ ester­se denken. Denk bijvoorbeeld aan enkele van de vroeg­ste bronnen van het Nieuwe Testament, een laatantieke versie van Vergilius’ Aeneis en de oudst bekende Hebreeuwse tekst, evenals een zeer vroege kopie van de stelling van Pythagoras. Dan zijn er nog honderdduizenden kaarten, gravures, tekeningen en munten, plus 1,6 miljoen gedrukte boeken en talloze tijdschriften. Deze opsomming laat het zogenaamde Archivum Secretum nog buiten beschouwing, het persoonlijke archief van de pausen, waarvan het adjectief (teleurstellend misschien) niet méér betekent dan ‘gescheiden’. De Vaticaanse bibliotheek werd officieel opgericht door Sixtus IV (van de Sixtijnse Kapel) in juni 1475 op basis van paus Nicolaas’ nalatenschap van 33


De twee miljoen boeken van de paus

twaalfhonderd manuscripten; hij had de Griekstalige zelfs naar het Latijn laten vertalen, zodat ze voor ‘iedereen’ toegankelijk werden. De collectie groeide razendsnel: zes jaar later al was de bibliotheek de grootste verzameling in Europa, terwijl een eeuw later de binnenhof van het paleis werd doorbroken door de vleugel die nu nog altijd in gebruik is. In die tijd, de periode van de katholieke reactie op de protestantse Reformatie, ging de bibliotheek langzaam maar zeker op slot: wetenschappelijke ontdekkingen die al te gevaarlijk werden geacht voor de eenheid van de Kerk kwamen op de Index, de lijst van verboden boeken, en slechts weinigen kregen de collectie nog te zien. Pas in 1883 herstelde de progressieve Leo XIII de toegang voor gekwalificeerde onderzoekers, terwijl het nog tot de jaren ’80 van de twintigste eeuw zou duren voor serieus werk werd gemaakt van een complete catalogus. Renovatie Vorig jaar werd een grote renovatie van de bibliotheek afgerond, waarbij onder meer scanners zijn geplaatst waarmee boek voor boek de fragiele miniaturen worden gefotografeerd, zodat ze nog maar zelden met mensen in contact hoeven komen, maar tegelijk voor iedereen via internet zijn op te zoeken. Bovendien voorkomen elektronisch labels in de gedrukte boeken dat items verdwijnen of verkeerd worden teruggeplaatst, wat in feite op hetzelfde neerkomt bij een collectie die in de loop der eeuwen nogal chaotisch bij elkaar is verzameld. Dagelijks maken 150 tot 200 wetenschappers gebruik van de bibliotheek. Uiteraard omvat de Vaticaanse bibliotheek ook een belangrijke collectie muziekhandschriften en -drukken. Niet alle bronnen zijn direct in verband te brengen met de eigenlijke muziekpraktijk aan het pauselijke hof, maar toch kun je stellen dat de meeste ervan repertoire bevatten dat door de paus en zijn entourage de moeite waard werd geacht om te bewaren en te beschermen, muziek die wellicht in de pauselijke kapel of de pauselijke vertrekken heeft geklonken. Zo weerspiegelen deze bronnen de muziekcultuur aan het pauselijke hof door de eeuwen heen. Fondo Cappella Sistina De bibliotheek van het Vaticaan omvat diverse fondsen met muziekhandschriften en -drukken. De als ‘Fondo Cappella Sistina’ betitelde deelverzameling houdt de meest directe link in met de muziekpraktijk aan de pauselijke kapel. Het is een omvangrijk fonds 34

met meer dan 660 handschriften en drukken, en een van de grootste nog bestaande muziekarchieven afkomstig van één enkel muziekinstituut. Dit fonds ontstond vermoedelijk in de vijftiende eeuw. De eerste pogingen tot systematisering blijken al rond 1570 te zijn begonnen. In 1751 werd de muziekcollectie opgesplitst in een archief- en een gebruiksbestand, die op twee verschillende plaatsen werden ondergebracht. Het archiefbestand bevatte toen 224 nummers, maar moest door talrijke schenkingen en uitbreidingen in 1863 opnieuw geordend en gecatalogiseerd worden. In 1870 werden het archief en de gebruiksbestanden herenigd tot wat vandaag het Fondo Cappella Sistina wordt genoemd. Zoals het zich vandaag bevindt in de Biblioteca Apostolica Vaticana, valt het fonds uiteen in drie bestanden: het Fondo Cappella Sistina in enge zin, de Diari Sistini (dagboeken van de pauselijke kapel) en de Camerlengati Sistini (rekeningen en kwitanties; ze behandelen de personeelsgeschiedenis van de kapel, maar bevatten ook gegevens omtrent muziekuitvoeringen en repertoire). In het Fondo in enge zin zijn behalve muzikale stukken ook andere documenten bewaard gebleven die inzicht bieden in de ontwikkeling, de geschiedenis en de collectievorming van de Sixtijnse Kapel. De inhoud van het fonds werd gecatalogiseerd door Franz Xaver Haberl in 1888 en door José Maria Llorens in 1960. Recent realiseerde Bernhard Janz een studie die de ontstaansgeschiedenis van dit fonds grondig analyseert. Toch blijft het moeilijk om vandaag de precieze omvang en inhoud van het oorspronkelijke Fondo Cappella Sistina in te schatten: het fonds is door de eeuwen heen met talloze aanwinsten uitgebreid, maar leed ook ernstige verliezen. De numerieke ordening van de signaturen wijst er zelfs op dat zeker de helft van de koorboeken verloren moet zijn gegaan. Ook van de toevoegingen aan het bestand uit de periode 1570-1700 zou zo’n 15% de tand des tijds niet doorstaan hebben. Toch is het Fondo Cappella Sistina ook nu nog een onmisbare bron van informatie omtrent de geschiedenis van de pauselijke kapel van de vijftiende tot de negentiende eeuw; vooral het bronnenbestand uit de Renaissance is van uitzonderlijk belang. Oudste gregoriaanse bronnen De oudste gregoriaanse bronnen in dit fonds werden in het midden van de vijftiende eeuw gekopieerd voor kardinaal Pietro Barbo, de latere paus Paulus


De twee miljoen boeken van de paus

II (1464-1471). Deze waren echter niet voor de pauselijke zangers bestemd en kwamen ook pas later in het fonds terecht. De oudste handschriften, die binnen de eigenlijke overleveringsgeschiedenis van het eenstemmige, liturgische repertoire van de pauselijke kapel gesitueerd kunnen worden, bekend onder hun catalogusnummers I-Rvat, CS 27 en CS 37, dateren uit het begin van de zestiende eeuw. De herkomst van de oudste koorboeken met meerstemmige muziek in het bestand, I-Rvat, CS 14 en CS 51 (ca. 1470?) is omstreden: zij zouden zowel uit Rome, Florence als Napels kunnen stammen, maar werden waarschijnlijk wel in opdracht van en voor de zangers van de Sixtijnse Kapel vervaardigd. Opvallend is het grote formaat, dat de pauselijke zangers in staat stelde om – in een groep opgesteld rond één lessenaar – uit hetzelfde koorboek te musiceren. Deze boeken bevatten cyclische miscomposities en enkele delen van het misordinarium. Scribenten Tijdens de pontificaten van Alexander VI (14921503) en Julius II (1503-1513) werd het bronnenbestand van de pauselijke kapel aanzienlijk uitgebreid. Interessant is dat Josquin des Prez als componist het vaakst vertegenwoordigd is in deze koorboeken en dat de composities – of groepen van composities – eerst op afzonderlijke folio’s of fascikels gekopieerd blijken te zijn, om pas later te worden ingebonden tot meer omvangrijke manuscripten. Opmerkelijk is daarnaast dat er zeer weinig overlappingen zijn binnen het fonds: de koorboeken moeten al in een vroeg stadium als collectie zijn opgevat en kopiisten moeten goed op de hoogte geweest zijn van de inhoud van eerder vervaardigde handschriften. Scribent Claudius Gellandi en zijn collega’s kopieerden tijdens het achtjarige pontificaat van Leo X zeven delen van het misordinarium, 47 motetten en ruim 30 missen. Het vaakst vinden we composities van Jean Mouton terug, terwijl werken van Adrian Willaert, Costanzo Festa en Jean Richafort voor het eerst hun opwachting maken. Daarnaast zijn er koorboeken uit het roemrijke atelier van Petrus Alamire, verbonden aan het Habsburgs-Bourgondische hof van Margaretha van Oostenrijk. Voor het eerst duiken hier werken op van Pierre de la Rue. Ook de pontificaten van Paulus III (1534-1549) en Pius IV (1559-1565) verleenden een nieuwe dynamiek aan de uitbouw van het fonds. Meer dan een dozijn handschriften van de hand van Johannes

Parvus – de belangrijkste scribent – vormen de kern van het uit deze periode overgeleverde Vaticaanse bronnenmateriaal. Na de dood van Parvus werd Luca Orfei de belangrijkste scribent; het repertoire wordt nu gedomineerd door werk van Giovanni Pierluigi da Palestrina en tijdgenoten. De voorliefde voor het ‘klassieke’, oudere polyfone repertoire bij de paus of bij de pauselijke kapel evolueerde daarna tot muzikaal conservatisme: de cappella sistina bleef renaissance-muziek zingen tot ver in de zeventiende eeuw, terwijl de scribenten de muziek bleven noteren in de mensurale notatie waarin dat repertoire traditioneel werd vastgelegd. Fondo Cappella Giulia Naast het Fondo Cappella Sistina bevat ook het Fondo Cappella Giulia enkele topstukken, die zoals de naam al zegt afkomstig zijn van de cappella giulia, het ensemble van de Sint-Pieter. Formaat en inhoud van de handschriften vertonen sterke overeenkomsten met die van de cappella sistina en de manuscripten werden vaak gekopieerd door de officiële scribenten van de pauselijke kapel. Later nam de cappella giulia zelf een voltijdse kopiist in dienst voor het vervaardigen van muziekhandschriften. De verzameling vroege drukken is eveneens van belang, omdat die enkele hiaten in het bestand van de Sixtijnse Kapel opvult. Zo is er een oeruitgave van Palestrina’s eerste boek met missen bewaard, opgedragen aan paus Julius III (15501555). Frappant is verder het zogenaamde Cappella Giulia-­chansonnier, de enige belangrijke bron met wereld­lijke r­ enaissance-muziek die in de pauselijke collecties is terug te vinden. Ook andere fondsen binnen de bibliotheek van het Vaticaan bevatten gregoriaanse muziek, polyfonie en muziektraktaten. Enkele belangrijke bronnen met renaissance-missen en -motetten zijn terug te vinden in het ‘Fondo Palatini Latini’. Recent werd hier een handschrift ontdekt dat ontstond aan het hof in Heidelberg en opdrachtwerken bevat van onder meer Gregorius Trehou. Het fonds ‘Vaticani Latini’ omvat muziektheoretische traktaten en polyfonie uit de veertiende tot de zestiende eeuw, waarvan een handschrift met polyfone zettingen van een psalm, enkele hymnen en motetten zelfs aan Palestrina zelf zou hebben toebehoord. Het fonds ‘Cappella Liberiana di Santa Maria Maggiore’ bevat eveneens muziekhandschriften en -drukken. Het fonds ‘Borgiani Latini’ bevat onder 35


De twee miljoen boeken van de paus

meer een elfde-eeuws graduale met neumen uit Besançon, terwijl de verzameling ‘Borghesiani Codices’ een grote hoeveelheid liturgische handschriften uit de twaalfde tot de zestiende eeuw telt. ‘Barberiniani Latini’ bevat traktaten en polyfone missen in handschrift, waaronder werken van Cristóbal de Morales en Palestrina, maar ook aria’s en cantates uit de zeventiende en de achttiende eeuw. Het fonds ‘Oratorio di Santo Marcello’ omvat vooral libretti. De collectie ‘Ottoboniani Latini’, die ontstond in de zeventiende eeuw en tot op heden niet werd geïnventariseerd, zou liturgische handschriften uit de negende tot de dertiende eeuw herbergen, vroege polyfonie voor het misordinarium, Byzantijnse muziek en vocale werken uit de zestiende tot de achttiende eeuw. In de deelverzameling ‘Reginenses Latini’ zijn juist hymnalen, een troparium, het Le Mans-missaal, het Arras-chansonnier, polyfonie uit de veertiende en vijftiende eeuw, evenals hofmuziek uit de Middeleeuwen bewaard gebleven. De ‘Rossiani codices’ omvatten onder andere hymnen en graduales, in ‘Urbinati Latini’ zijn composities van Gilles Binchois en Guillaume Du Fay terug te vinden. De verzameling ‘Vaticani Greci’ bevat handschriften met Byzantijnse en polyfone veertiende-eeuwse muziek, ‘Vaticani Musicali’ tenslotte omvat diverse werken uit de achttiende tot de twintigste eeuw. De gigantische collectie bewijst dat muziekhandschriften van belang bleven aan het Vaticaan, zelfs lang na de druktechnische innovaties van Petrucci in 1501. Liever dan de muziekcollectie snel uit te breiden met drukken, bewaarde men muziek blijkbaar bij voorkeur in manuscripten. Dit mogelijk om bewaartechnische of esthetische redenen of om het prestige en de uniciteit van het instituut en zijn muziek te onderstrepen. Vast staat dat door het opnemen van nieuw gecomponeerde muziek in handschriften de verspreiding van het repertoire onder controle kon worden gehouden: het was exclusief bezit en verboden terrein voor niet-ingewijden. ıı Sofie Taes schreef een deel van dit artikel in opdracht van de ­Alamire Foundation, K.U.Leuven. 36

The world’s largest supplier and manufacturer of early music instruments and kits

EMS Lutes from £538.50 finished £341.50 kit form inc case EMS Harps from £229.99 finished £149.95 kit form

Harps • Lutes • Psalteries • Dulcimers Tabors • Drums • Crumhorns • Viols Symphonies • Hurdy-Gurdies • Shawms Harpsichords • Rebecs • Music Stands Visit us at the Festival Oude Muziek Utrecht

The early music shop

Salts mill, victoria road, saltaire, west yorkshire BD18 3la England UK Tel: +44 (0) 1274 288100 Fax: +44 (0) 1274 596226

sales@earlymusicshop.com

www.earlymusicshop.com


festival oudemuziek Klein interview

Cornettospeler Jean Tubéry:

‘Componisten waren virtuoze improvisatoren’

foto: Bertrand Pichène

La Fenice, het ensemble van cornettospeler Jean Tubéry, biedt tijdens het Festival een dwarsdoorsnee van de Romeinse instrumentale muziek uit de zeventiende eeuw. Jean Tubéry omschrijft zijn programma als ‘typisch voor La Fenice’ vanwege de grote rol die improvisatie erin speelt. ‘In de zeventiende eeuw waren componisten altijd ook virtuoze improvisatoren op hun instrument, daar hebben we veel getuigenissen van, en rond dat idee is ons programma opgebouwd. We gaan de hele zeventiende eeuw door en beginnen natuurlijk bij Girolamo Frescobaldi. Zijn muziek heeft de naam soms wat streng te zijn, maar hij biedt de uitvoerenden juist veel vrijheid. Datzelfde geldt voor Girolamo Kapsberger. Van hem kennen we voornamelijk de muziek voor theorbe, zijn eigen instrument, maar wij spelen een aantal sinfonie a quattro die zijn opgezet als een soort kaders voor improvisatie. Die componisten pikten overal hun invloeden op, ze reisden veel en bleven dus niet hun hele leven in Rome. Daarom is het ook lastig om van een typisch Romeinse school te spreken.’ Op het programma staat ook werk van Stradella en Pasquini. Schreven deze componisten nog wel voor de cornetto? Jean Tubéry: ‘Ja, je zit dan al een stuk verder in de zeventiende eeuw en steeds meer muziek werd inderdaad exclusief voor de viool gecomponeerd. Maar bij Stradella vind je nog veel werken met de aanduiding ‘violino o cornetto’, muziek dus die voor beide instrumenten geschikt is.’ Hoe kwam het eigenlijk dat de cornetto in Italië uit de mode raakte? Jean Tubéry: ‘De generatie virtuoze cornettospelers stierf uit en er kwamen hoe langer hoe meer componerende violisten die natuurlijk vooral voor zichzelf schreven. Maar er is in Rome toch nog langer cornetto gespeeld dan je zou denken. Via het Collegio Germanico, een jezuïetencollege waar wetenschappelijk onderwijs werd gegeven in de Duitse traditie en waar Carissimi heel lang gewerkt heeft, drong ook veel muziek uit Duitsland door. Daar had je, met bijvoorbeeld Weckmann en Buxtehude, tot begin achttiende eeuw nog een heel virtuoze schrijfwijze voor de cornetto. Maar ook in Rome verdween de cornetto niet helemaal, het instrument werd tot ver in de achttiende eeuw nog gebruikt in blazersensembles die in de openlucht speelden. Ons programma zal dus een overzicht geven van wat er in de zeventiende eeuw in Rome aan instrumentale muziek klonk, met de cornetto als het centrale instrument.’ Marcel Bijlo

La Fenice: ma 29 aug, 20.00 uur / Jacobikerk

37


Tekst BEeld

Agnes van der Horst Torsten Kjellstrand

‘Corelli was een control freak’ Monica Huggett, oermoeder van de barokviool

Monica Huggett, oermoeder van de barokviool

38

‘Corelli was een control freak’


Monica Huggett.interview

Op haar zeventiende koos ze voor de oude muziek en ze prijst zichzelf nog altijd gelukkig met die beslissing. Barokvioliste Monica ­Huggett wordt wel ‘de oermoeder van de barokviool’ genoemd. Ze is een van de p ­ ioniers van de historische uitvoeringspraktijk en heeft haar vioolwijsheid al aan talloze jonge violisten doorgegeven. In het Festival Oude Muziek brengt ze een programma in de reeks rond Arcangelo Corelli, ‘de granddaddy van de vioolsonate’, zoals ze hem noemt. Monica Huggett was in het allereerste Festival Oude Muziek al van de partij. Vragend naar haar ervaringen tijdens die beginjaren begint ze onmiddellijk over Ton Koopman, met wie ze het Amsterdam Baroque Orchestra oprichtte. ‘Hij is degene die mij het meest muzikaal heeft beïnvloed’, zegt ze. ‘Ik speelde in die tijd barokmuziek met verschillende Engelse clubjes. En de Engelsen hadden toen de neiging om de muziek nogal droog te brengen. Ons belangrijkste doel was de juiste klankkleuren van de oude meesters weer terug te brengen en dat deden we allemaal tamelijk academisch en afstandelijk. Maar voor Ton Koopman was het belangrijkste doel communicatie. Voor mij was dat een grote ontdekking. De passie van de muziek, daar ging het om; wat je ook deed, dát moest overgebracht worden. Daarmee grepen we de luisteraars als het ware bij de lurven. De muziek moest opwindend zijn, speels en dansant. Ik ben tot 1987 concertmeester bij Ton geweest en na mijn vertrek hebben we niet zoveel contact meer met elkaar gehad, maar de tijd met Koopman was een onvergetelijke leertijd. Het was alsof er een nieuw register in me werd opengetrokken.’ Hoe ze die ommezwaai van academisch naar gepassioneerd zo gemakkelijk kon maken? ‘Toen ik jonger was, luisterde ik ook veel naar rockmuziek en jazz. Ik was een groot fan van Eric Clapton. De manier waarop hij gitaar speelde, met al die energie en vrijheid, maakte me jaloers. Waarom lukte mij dat

niet met mijn eigen muziek? Doordat ik bij Ton ben gaan spelen heb ik die passie van Eric Clapton weer teruggevonden.’ Muzikale bastaard Zo te horen is die passie nog steeds volop a­ anwezig. Al pratend voert Monica Huggett je mee in een enthousiasme dat voortdurend wordt gerelativeerd of aangescherpt met een fikse dosis humor en gezond verstand. Terugkijkend op de beginjaren van het Festival komen er weliswaar geen anekdotes of persoonlijke belevenissen los – ze is meer iemand van vooruitgaan dan van terugkijken – maar ze weet wél dat het Festival Oude Muziek in die dertig jaar van zijn bestaan letterlijk en figuurlijk is gegroeid. ‘Het is inhoudelijker en breder geworden, en zeker avontuurlijker.’ De musici zijn in de loop van de tijd ook anders gaan spelen, constateert ze. Huggett heeft in tal van ensembles gespeeld en is nu artistiek leider van het Irish Baroque Orchestra en het Portland Baroque Orchestra. ‘De barokmusici van nu zijn niet meer zo op een academische manier geobsedeerd door de historische uitvoeringspraktijk. Ze nemen de speelstijl van die tijd als uitgangspunt, maar hun spel is natuurlijker en persoonlijker geworden. En dat is ook goed. In de tijd van de Barok was het ook gebruikelijk dat je de muziek interpreteerde op de manier die bij jou paste. Wij waren daar in het begin nogal huiverig voor, maar daar hebben de musici van nu geen last meer van.’ Maar waar in de orkestwereld wel wordt geklaagd dat alle symfonieorkesten op elkaar beginnen te lijken, is daar in de barokmuziek geen sprake van, aldus Monica Huggett. ‘De verschillende nationale kenmerken in de uitvoeringen van oude muziek zijn er nog steeds. Gelukkig maar, want dat is zo basaal. Dat mag nooit verdwijnen. De Italianen spelen, net zoals ze altijd hebben gedaan, met veel virtuositeit. De Duitsers hebben een krachtige klank en een felle “attack”, de Fransen spelen nog altijd net als in de zeventiende en achttiende eeuw met een mooie klank, licht en elegant. En de Engelsen hebben de neiging om te spelen als in een gambaconsort. Dat is 39


interview. Monica Huggett

typisch voor het Engelse muzikale karakter.’ En hoe speelt Monica Huggett? Ze lacht een bassende gulle lach. ‘Kijk, ik ben een gekke mix. Ik ben geboren in Engeland maar ik heb Iers bloed en kom uit een rooms-katholiek gezin. Daardoor ben ik geen typisch Engelse violist. Bovendien werk ik de laatste jaren heel veel in Amerika. Ik ben eigenlijk een soort bastaard geworden, een muzikale vluchteling.’ Masterclasses Huggett heeft haar vioolcarrière altijd gecombineerd met lesgeven. Ze gaf en geeft nog altijd masterclasses over de hele wereld, ze was hoofddocent barokviool aan de Hochschule für Künste in Bremen en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, en is nu de eerste artistiek leider van de nieuw opgerichte afdeling oude muziek aan de Juilliard School in New York. In Bremen leerde ze Veronika Skuplik kennen, de jonge Duitse violiste die artist in residence is in het Festival Oude Muziek. Ze beschrijft haar als een violiste met een ‘sterk karakter en een grote muzikaliteit’. Sowieso is ze onder de indruk van de nieuwe generatie violisten. Sommige van haar leerlingen noemt ze ‘bijna angstaanjagend goed’. ‘De jonge generatie die nu oude muziek speelt is totaal anders dan wij waren. Zij zijn getraind en geïnformeerd. Wij moesten alles nog ontdekken en uitvinden. Maar dat was dan ook wel heel spannend hoor, en ontzettend leuk. De vioolstudenten die ik nu heb zijn al heel ver. Ze zijn afgestudeerd en volwassen, geen achttien meer. Ik leer ze vooral over de verschillende opvattingen en scholen die er zijn op het gebied van de authentieke uitvoeringspraktijk en bereid ze voor op alle meningen die ze tijdens hun carrière zullen tegenkomen. Ze moeten eigen keuzes leren maken en hun eigen opinies vormen. Ik dicteer ze niets.’ Of ze ook iets van haar leerlingen opsteekt, wil ik weten. Ze lacht haar aanstekelijke schaterlach. ‘O ja, wat dacht je! Ze zetten me aan het denken. En dan vooral over waarom ik de dingen doe zoals ik ze doe. En soms gebruiken zij technieken die ik helemaal niet ken. Dan vraag ik: “hee: hoe doe je dat?” En dan doen ze het voor, en zijn de rollen even totaal omgedraaid.’ New York Sinds september 2008 leidt ze de afdeling oude muziek aan de Juilliard School in New York. Nu wordt de Verenigde Staten niet meteen geassocieerd met oude muziek, maar volgens Monica Huggett is 40

dat niet terecht. In het westen zijn er redelijk veel barokorkesten, vertelt ze. In Los Angeles bijvoorbeeld, Seattle en Portland (waar ze zelf leider is van het barokorkest). In San Francisco zijn er zelfs drie. In het oosten van de VS was het slecht gesteld met de belangstelling voor historisch verantwoorde uitvoeringen van oude muziek, maar dat begint rap te veranderen sinds de oprichting van de oude-muziekafdeling in New York. ‘De Juilliard School heeft veel invloed op het muzikale culturele leven. En nu we dit opleidingsprogramma hebben opgezet, gebeurt er hier aan de oostkust heel veel. Het publiek vindt het nieuw en spannend, we treffen volle zalen en er is veel morele en financiële steun voor de opleiding en de concerten. Met name New York lijkt zijn ogen en hart te hebben geopend voor deze muziek.’ Corelli Op het Festival speelt Monica Huggett met cellist Joe Crouch, klavecinist James Johnstone en luitiste Elisabeth Kenny vier van Corelli’s twaalf solosonates opus 5, afgewisseld met solo- en ensemblestukken van andere componisten. Ze praat over Corelli als over een goede bekende. ‘Corelli was een control freak. Hij publiceerde niets voor hij zeker wist dat het absoluut goed was. De concerti grossi die in 1712 uitkwamen had hij waarschijnlijk al dertig jaar eerder geschreven. Maar hij wachtte net zolang tot hij er zeker van was ze helemaal perfect waren. En de sonates opus 5 stonden ook al veel eerder op papier, maar hij waagde het pas in 1700 om de collectie te laten drukken. Ik weet zeker dat hij ze niet eerder in de openbaarheid durfde te brengen, omdat hij wist dat deze stukken heel belangrijk zouden zijn voor de toekomst van de sonate. Corelli had door Frankrijk en Duitsland gereisd en in deze stukken bracht hij aspecten van het noorden en het zuiden bij elkaar. Tot nu toe waren sonates vrije vormen met een toccata aan het begin, gevolgd door een variatiedeel en afgesloten met een finale. Maar Corelli gaf zijn sonates structuur door een uitgekiend gebruik van toonsoorten en modulaties. Corelli is de granddaddy van de sonate, de componist die voor het eerst echte fuga’s schreef voor het vioolrepertoire.’ La Follia Tijdens haar (ook al ruim dertig jaar durende) carrière speelde Monica Huggett zes cd’s vol met Vivaldi. Op de vraag waarin land- en tijdgenoten Corelli en Vivaldi (beiden ook violist) verschilden, antwoordt ze onmiddellijk dat Corelli lang niet zo’n goede violist


Monica Huggett.interview

was als Vivaldi. Corelli waagde het niet om zulke hoge tonen te spelen (en te schrijven) als zijn jongere collega. Maar, zo verzekert ze, dat betekent niet dat Corelli’s twaalf sonates opus 5 gemakkelijk te spelen zijn, want dat zijn ze absoluut niet. ‘Er zitten heel veel dubbelgrepen in deze sonates. Toen ik ze voor het eerst instudeerde, kreeg ik het idee dat het in feite allemaal concerti grossi waren, maar dan voor soloviool en basso continuo. In de fuga-onderdelen speel je soms wel drie stemmen tegelijk. Die moeten dan alledrie heel duidelijk hoorbaar gespeeld worden, maar tegelijk ook een solide eenheid vormen.’ La Follia, de twaalfde sonate van Corelli’s opus 5, die naast de nummers 3, 4 en 5 ook op het festivalprogramma staat, is een reeks variaties gebaseerd op het beroemde folia-motief. Het waarschijnlijk uit Spanje afkomstige thema was erg populair in de Barok. Ruim 150 componisten schijnen het in hun muziek te hebben verwerkt. ‘Het is een thema met een grote dramatiek’, legt Huggett uit. ‘Dit was het soort muziek dat de katholieke kerk heeft geprobeerd uit te bannen, want het maakte de verkeerde soort emoties los in mensen. Te lichamelijk en te sensueel.’ Ze vindt het iedere keer opnieuw fantastisch om deze La Follia-sonate te spelen. ‘Corelli heeft er echt alles in gestopt wat er op het gebied van vioolspel in de zeventiende eeuw nieuw en mogelijk was. Alle trucs die je als violist maar kon gebruiken zitten erin.’ Delftsblauw Monica Huggett speelt maar één concert op het Festival Oude Muziek. Blijft ze nog even hangen om wat concerten van anderen bij te wonen? Ze aarzelt. Want, bekent ze, als ze dan toch langer in Nederland blijft, lokt vooral Amsterdam. ‘Ik vind het heerlijk om daar de antiekwinkeltjes af te struinen. Ik houd van de stad om de geschiedenis die je er zomaar tegenkomt en geniet ervan om langs de grachten te lopen en even in de zeventiende eeuw te zijn.’ Wat zoekt een oude-muziekspecialist in Amsterdamse antiekwinkels? Boeken, oude partituren, instrumenten? Ze schiet eerst in de lach en zegt vervolgens, bijna hoorbaar blozend door de telefoon: ‘Delftsblauw porselein, daar ben ik dol op. Ik zoek ook wel naar kopergravures van zeegezichten en schepen, maar die zijn meestal veel te duur.’ Lezend en horend wat Huggett allemaal doet aan concerten geven, cd’s maken, over de hele wereld violisten coachen, twee orkesten en een afdeling

oude muziek in New York leiden (en dan ben ik vast nog wat vergeten), rijst de vraag waar ze al die energie vandaan haalt. Ze grinnikt om die vraag, alsof ze hem al vaker gehoord heeft. ‘Ik was een moeilijk kind. Ongeduldig en ontzettend nieuwsgierig. En dat is ook net wat me drijft: ik ben gewoon ontzettend nieuwsgierig naar alles. Ik houd ervan om allerlei projecten te beginnen en die dan ook af te maken. Ik drijf mezelf voort, ik heb een demon in me wonen.’ Een heel vrolijke demon dan zo te horen, eentje die ze koestert? Ze beaamt het. ‘Weet je, toen ik al jong aanleg voor de viool bleek te hebben, zei iedereen tegen me: “O, Monica je bent zo goed, jij moet het Vioolconcert van Tsjaikovski gaan spelen in de grote concertzalen.” Ik heb het nooit gedaan, want ik was nieuwsgierig naar een ander soort muziek en naar een andere manier van muziek maken. En ik ben heel blij dat ik die keuze heb gemaakt, want ik zou dat leven van een vioolster behoorlijk saai gevonden hebben. Het leven dat ik nu heb is zo gevarieerd en interessant, ik heb al zo veel geweldige dingen kunnen doen. De oude muziek heeft me veel meer gegeven dan ik ooit had kunnen bedenken toen ik zestien was. Ik heb zoveel meer bereikt dan ik ooit had kunnen dromen. Ik zou nooit iets anders willen doen. Alhoewel… heel soms twijfel ik. Ik heb namelijk een heerlijk huis in het Lake District. En gisteren heb ik zeven uur, ja echt zeven uur, in de tuin gewerkt. Dat is bijna net zo geweldig. Bijna!’ ıı

festival oudemuziek utrecht Corelli opus 5 Monica Huggett and friends vr 2 sep, 15.00 uur / Geertekerk

41


42

VWF-2011-adv-145x220.indd 1

04-07-2011 12:20:50


seizoen oudemuziek Klein interview

Stephan MacLeod van Gli Angeli:

Scheins duitstalige Italiaanse madrigalen Vocaal ensemble Gli Angeli Genève tekent voor het openingsprogramma van het Seizoen Oude Muziek, dat op 14 oktober van start gaat. Op de lessenaars staat Israelis Brünnlein, een verzameling motetten van Johann Herman Schein. Stephan MacLeod, bas en leider van het ensemble, koos voor een integrale uitvoering van dit opus. Vormen al deze losse motetten eigenlijk wel een geheel? Stephan MacLeod: ‘Jazeker! Hoewel de motetten voor heel verschillende gelegenheden gecomponeerd zijn – huwelijken, begrafenissen enzovoorts – zit er stilistisch duidelijk eenheid in. Schein heeft bovendien op een grandioze manier alle kenmerken van het Italiaanse madrigaal vertaald naar het Duits.’ Zijn de stukken in Israelis Brünnlein niet meer te beschouwen als madrigalen dan als motetten? Stephan MacLeod: ‘De term die je ervoor gebruikt is eigenlijk niet zo belangrijk. Het zijn teksten uit de Bijbel en het zijn motetten die geschreven zijn voor uitvoering bij een plechtige gelegenheid. Maar tegelijk gebruikt Schein alle retorische technieken die de Italiaanse componisten ook in hun madrigalen gebruiken. Hij kende deze stijl heel goed, hij componeerde ook op Italiaanse teksten, en wist zaken als woordschildering op geniale wijze naar het Duits te vertalen. Dat was tot dan toe nog niet zo diepgravend gedaan.’ ‘Frappant is trouwens dat Schein cantor was aan de Thomaskerk in Leipzig, precies een eeuw voordat Bach die post bekleedde. Bach heeft alle specifiek Italiaanse bijzonderheden die Schein en ook Schütz aan de Duitse muziek hebben toegevoegd, later in zijn werk overgenomen. Die symboliek van precies een eeuw tussen Schein en Bach vind ik altijd heel treffend.’ Gli Angeli Genève heeft een voorkeur voor het Duitse repertoire. ‘Israelis Brünnlein hebben we opgenomen en die cd verschijnt ergens in 2012’, vertelt MacLeod. ‘Nu zijn we bezig met een groot project rond de koraalcantates van Bach. Daarbij gaan we benadrukken hoe hij die koraalmelodieën van Luther, die iedereen in zijn tijd kende, gebruikte om zijn muziek meer inzichtelijk te maken. Voorafgaand aan iedere cantate zingen we het betreffende koraal a capella – in zijn puurste, onbegeleide vorm dus – en klinkt een orgelbewerking van Bach of een andere componist. Op die manier wordt pas echt duidelijk hoe geniaal Bach de koraalmelodieën heeft gebruikt. Ook van dit project zal in de toekomst een cd-box verschijnen.’ Marcel Bijlo Zie voor de concertdata van Gli Angeli Genève p. 24

43


44

Tekst

Marcel Bijlo Remke Spijkers(p.46), Marcel Van Coile (p.47)

De pauselijke kapel als voetbalteam Compleet dagofficie voor Maria Hemelvaart

Compleet dagofficie voor Maria Hemelvaart

De pauselijke kapel als voetbalteam


Dirk Snellings .interview

Hoe verliep een hoogtijdag in de pauselijke kapel rond 1430? Op de laatste zaterdag van het Festival zullen we daar gedurende de hele dag een indruk van krijgen. Dan brengen Capilla Flamenca en Psallentes♀ van 6.00 tot 22.00 uur een heel dagofficie van Maria Hemelvaart dat, met enige aanpassingen, geprogrammeerd is volgens het ritme van de liturgische getijden. Behalve gregoriaans klinkt ook veel polyfonie van vooral Du Fay en Brassart, met als hoogtepunt om 15.00 uur een Missa de beata virgine Maria. Ensembleleider Dirk Snellings licht zijn keuzes voor muziek en uitvoering toe. Officiedagen zijn tijdens het Festival wel eens eerder georganiseerd, maar nog nooit is een zo specifieke setting gereconstrueerd als nu, met gregoriaans en polyfonie van Guillaume Du Fay en Johannes Brassart. Zij waren twee van de vele noorderlingen die begin vijftiende eeuw in Rome actief waren als zangers en componisten. In de turbulente periode in de kerkgeschiedenis die de vijftiende eeuw was, met pausen en tegenpausen, wilde Rome de beste zangers aantrekken en die kwamen toen vooral uit Noord-Frankrijk. Preciezer gezegd uit Kamerijk, dat de reputatie had van een zangersfabriek. In de loop van de veertiende eeuw waren er al heel wat musici vanuit deze Noord-Franse plaats naar Rome gereisd en vormden daar een hechte kring. Er is in Rome een aantal manuscripten bewaard met werken van de eerste noorderlingen die naar Rome kwamen en die nog helemaal stonden in de Franse ars novatraditie. Het betreft hier overigens vooral wereldlijke muziek op Franse teksten. Ook Du Fay werd in Kamerijk opgeleid en hij zou er tijdens en na zijn verblijf in Rome regelmatig terugkeren. Rond 1420 vinden we Du Fay voor het eerst in Italië, in Rimini, waar hij betrekkingen onderhield met het hof van de Malatesta’s. Dat opende voor Du Fay de deuren naar een aanstelling in Rome.

Avignon - Rome Niet alleen kerkhistorisch was de vijftiende eeuw een hectische periode, ook in de muziek veranderde er veel. In de dertiende en veertiende eeuw was Frankrijk het belangrijkste muzikale centrum van Europa. Alle nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de meerstemmigheid, zowel in de wereldlijke als in de kerkmuziek, vonden daar plaats. Toen in de veertiende eeuw Avignon de pauselijke residentie werd, was daar ingewikkelde polyfonie in de kerkmuziek totaal geaccepteerd. Dat had zijn weerslag op de zangpraktijk in de pauselijke kapel in Rome. Deze cappella papale herbergde een selecte groep zangers die vaak ook liturgische functies bekleedden. Wat moeten we ons daarbij voorstellen en wat moest een zanger anno 1430 in huis hebben om in de pauselijke kapel te worden toegelaten? Dirk Snellings, leider en oprichter van Capilla Flamenca, heeft zich uitgebreid in deze materie verdiept en begint met een treffende vergelijking: ‘De pauselijke kapel had eigenlijk wel iets van een voetbalteam. Niet iedere zanger zong altijd mee en zangers zaten dus soms ook ‘op de bank’. En niet iedereen kwam altijd opdagen, we hebben verslagen van straffen die werden uitgedeeld aan zangers die te vaak verstek lieten gaan. Maar de besten onder hen, waaronder natuurlijk Guillaume Du Fay, kregen overal opdrachten en waren dus lang niet altijd in Rome. Du Fay moest altijd schipperen om zowel de paus in Rome als zijn andere opdrachtgevers te vriend te houden. En dat gold ook voor veel andere zangers van de pauselijke kapel. Dat kon soms knap ingewikkeld zijn omdat kerkelijke en wereldlijke macht enorm met elkaar verstrengeld waren: een hertog kon zomaar tegenpaus worden en Du Fay kwam dan in de lastige situatie terecht waarin hij zowel voor de paus in Rome als voor een tegenpaus moest werken. Maar zijn reputatie was zodanig dat hij daar, tenminste voor zover we weten, weinig hinder van heeft ondervonden. Hoe die pauselijke kapel werkte is kortom niet te vergelijken met hoe wij nu, als modern vocaal ensemble, dit repertoire benaderen.’ 45


interview. Dirk Snellings

Gregoriaans – polyfonie ‘Kern van het officie was natuurlijk het gregoriaans, dat was het dagelijks brood van de zangers en dat kon iedereen zingen. Dat het gregoriaans het belangrijkste onderdeel van het pauselijke repertoire uitmaakte, blijkt ook uit de grondigheid waarmee dat bewaard en gekopieerd werd: in mooie handschriften met perkamenten bladzijden. Maar daarnaast had je polyfonie, de eenvoudige en de ingewikkelde. Eenvoudige polyfonie werd meestal super librum geïmproviseerd, een praktijk die de koorknaapjes al heel jong werd aangeleerd en die in principe iedere zanger beheerste. Voor de gelaagde polyfonie van bijvoorbeeld Du Fay waren er verschillende groepen zangers, zeg maar de a-selectie van de pauselijke kapel. Dat moest ook wel, want zo rond 1430 waren er verschillende muzieknotatiesystemen in gebruik en er waren niet veel mensen die met allebei die systemen even goed overweg konden. Er was dus niet altijd een vast aantal zangers, het hing er maar net vanaf wie de desbetreffende muziek het beste kon lezen. De zangers stonden allemaal om een grote lessenaar heen en zongen hun partijen uit één boek. Dat is ook de reden waarom men in Rome ook na het uitvinden van de boekdrukkunst uit handschriften is blijven zingen: in muziekdrukken zijn de

Capilla Flamenca

46

partijen verdeeld over verschillende stemboeken.’ ‘Uit documenten weten we dat de bezetting in poly­ fonie vrijwel altijd solistisch is geweest, één zanger per stem dus, en dat instrumenten in de pauselijke kapel absoluut niet werden toegelaten. Door de solistische bezetting hadden de zangers alle ruimte om versieringen toe te voegen en te improviseren. Die improvisatiepraktijk werd van generatie op generatie doorgegeven. Rond 1430 was het niet ongebruikelijk, zeker niet op feestdagen als Maria Hemelvaart, dat het gregoriaans gezongen werd door jongens. Wij zetten daarvoor een ensemble van vrouwenstemmen in, iets wat in de pauselijke kapel uiteraard nooit aan de orde was.’ oudste bronnen Over welke rol die polyfonie nu precies speelde in de pauselijke kapel gedurende de eerste helft van de vijftiende eeuw is nog veel onduidelijk. De oudste bronnen van polyfonie aan de pauselijke kapel dateren pas van het laatste kwart van de vijftiende eeuw. Daaruit zou de conclusie kunnen worden getrokken dat er vóór die tijd uitsluitend eenstemmig werd gezongen. Maar we weten ook dat aan het pauselijk hof van Avignon, ondanks een decreet uit 1322 dat pleitte voor terughoudendheid in het gebruik van


Dirk Snellings .interview

meerstemmige muziek in de liturgie, de polyfonie volop kon bloeien en dat de zangers die vanuit Avignon weer naar Rome kwamen daar volop vertrouwd mee waren. En waarom zouden rond 1430 beroemde zangers als Du Fay door de paus worden aangetrokken louter en alleen om gregoriaans of eenvoudig organum te zingen? Dirk Snellings: ‘De pauselijke kapel houdt er zo zijn eigen mythes op na, veel weten we maar veel weten we ook niet, en uitgerekend de periode waarop wij ons concentreren was een zeer complexe. We weten wel dat al ruim vóór het Concilie van Trente werd geageerd tegen zangers die hun polyfonie al te uitbundig zongen, dat moet dus rond 1430 ook al de praktijk zijn geweest. Bovendien zijn veel werken in de vroegste bronnen aanmerkelijk ouder, dus het is aannemelijk dat die toen ook al langer in gebruik waren. Ik denk dus wel dat er een doorgaande lijn te trekken valt van Avignon naar Rome als het gaat om het gebruik van polyfonie. En Du Fay zat daar natuurlijk niet zomaar! Hij kreeg veel opdrachten voor het componeren van motetten bij speciale gelegenheden, maar het kan haast niet anders of zijn muziek is ook in de pauselijke kapel gezongen toen hij daar zelf nog als zanger actief was, vóór 1434 dus.’

Uitbundige versieringspraktijk Ook Johannes Brassart, van wie tijdens de officiedag werk wordt uitgevoerd, was in die tijd aan de pauselijke kapel verbonden. Dirk Snellings: ‘Zijn polyfonie is minder gelaagd dan die van Du Fay maar ook van een grote schoonheid. Dat er tot het einde van de vijftiende eeuw uitsluitend eenstemmig werd gezongen is dus moeilijk vol te houden. Maar er zal zeker minder polyfonie geweest zijn dan in latere jaren. Aan het eind van de vijftiende eeuw zie je de eerste handschriften met polyfonie komen en daarna is er ineens geen houden meer aan. In de loop van de zestiende eeuw moesten er zelfs aparte kopiisten worden aangesteld om alle polyfonie in de pauselijke handschriften uit te schrijven. De versieringspraktijk werd ondertussen ook steeds uitbundiger. Het Concilie van Trente stond een versobering van de polyfonie voor waarin de tekst centraal moest staan. Die stijl werd door Palestrina ontwikkeld en de zangers en componisten uit het noorden verloren terrein. Maar daarmee is nog niet gezegd dat hun werken, goed bewaard in de handschriften, daarna niet meer in de pauselijke kapel gezongen zijn. Officieel werd de polyfonie van de generatie ná die van Du Fay, zoals van Josquin des Prez en Jean Mouton die beiden aan de pauselijke kapel verbonden zijn

Psallentes♀

47


interview. Dirk Snellings

geweest, na Trente als te uitbundig en te ingewikkeld beschouwd, maar ook Palestrina was nog in die lijn opgeleid. Of hij de van hogerhand opgelegde versoberingen zo snel heeft kunnen doorvoeren als vaak wordt aangenomen, is dus nog maar de vraag.’ Liefdespoëzie De festival-officiedag van Capilla Flamenca en Psallentes♀ is opgebouwd rond de liturgie van Maria Hemelvaart, een van de belangrijkste feestdagen in het kerkelijk jaar. Dat op zo’n feestelijke dag veel meer polyfonie werd gezongen dan normaal, was voor Dirk Snellings een belangrijke factor bij zijn keuze. ‘Het schept voor ons veel mogelijkheden om gedurende de dag in ieder onderdeel zowel gregoriaans als polyfonie op te nemen. ’s Middags is er een complete mis, opgebouwd uit muziek van verschillende componisten, de Missa de beata virgine Maria die traditioneel bij deze dag hoort. Bovendien vind ik de aan Maria gewijde muziek, op vaak heel poëtische teksten, een bijzonder rijk repertoire binnen het geheel van de kerkmuziek uit de Renaissance. Die Maria-teksten kun je eigenlijk beschouwen als een soort liefdespoëzie en componisten hebben altijd veel werk gemaakt van het toonzetten ervan.’ Er is dus geen pauselijke bron van rond 1430 waaruit men heeft kunnen putten voor deze reconstructie. Hoe kwam de keuze dan tot stand? Dirk Snellings: ‘We hebben veel gebruik gemaakt van de Trentecodices die nu in een goede uitgave beschikbaar zijn. Maar onze keuzes zijn natuurlijk artistiek gemotiveerd. We zijn geen vijftiende-eeuwse religieuzen die een liturgie vieren, noch musicologen die een strikt historische reconstructie opdissen, maar 21ste-eeuwse zangers die het publiek van nu iets moois willen bieden. We hebben de stukken dus vooral op muzikale gronden geselecteerd en het aandeel polyfonie op deze dag zal naar alle waarschijnlijkheid dan ook groter zijn dan in de vijftiende eeuw gebruikelijk was. Tijdens alle concerten, ook de kleine uren, zal polyfonie klinken.’ Concessie ‘We doen trouwens wel een moderne concessie, want het nachtofficie op de dag vóór het feest zullen we niet zingen. Het eerste concert is ’s morgens om zes uur; anders wordt de nacht, zeker 48

met zo’n lange dag voor de boeg, wel erg kort. In de vijftiende eeuw had men daar kennelijk minder moeite mee. We zijn heel benieuwd naar de reacties van het publiek, maar we hebben gehoord dat op eerdere officiedagen tijdens het Festival heel positief gereageerd werd. Er was altijd een groep mensen die het officie van begin tot eind volgde, maar dat hoeft natuurlijk niet.’ De officieconcerten zijn inderdaad nadrukkelijk ook afzonderlijk te bezoeken, maar de zangers van Capilla Flamenca en Psallentes♀ leggen zelf natuurlijk wel het hele traject af van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Hoe verdeel je dan je energie over al die uren? Dirk Snellings: ‘Tijdens de concerten is er uiteraard steeds een afwisseling van gregoriaans en polyfonie, dus niet alle zangers hoeven altijd te zingen. In de paar uur die er tussen elk concert zit zullen we waarschijnlijk wel rust nemen, maar ook de stukken voor het volgende concert even doornemen. Op den duur kom je in een soort stroom terecht waardoor je op een heel natuurlijke manier je energie kunt verdelen. Als je normaal ’s avonds om acht uur één concert geeft moet alles er in één keer uit, nu moet het verdeeld worden over zestien uur. Dat is wel even wat anders. Het feit dat we de hele dag bezig zijn mag natuurlijk niet ten koste gaan van de muzikale kwaliteit die we bieden. Wie alleen de completen laat op de avond bezoekt, moet uiteraard geen uitgeblust ensemble op het podium zien staan. Voor ons wordt dit dus ook een heel bijzondere dag!’ ıı

festival oudemuziek utrecht Een dag in de Sixtijnse Kapel anno 1430 Capilla Flamenca & Psallentes♀ za 3 sep, 6.00-22.00 uur / St. Willibrordkerk


festival oudemuziek Klein interview

Avery Gosfield van Lucidarium:

‘Grens tussen oud en traditioneel is dun’ Lucidarium, de groep rond Francis Biggi en Avery Gosfield, werpt licht op de muziek van de Joodse gemeenschap in Rome gedurende de zestiende eeuw in het programma Una festa ebraica. Welk feest wordt hier gereconstrueerd? Avery Gosfield: ‘Het is geen reconstructie in liturgische zin, maar het programma geeft een indruk van wat Joden in Rome in de zestiende eeuw hoorden, zongen en waar ze op dansten. Natuurlijk is er de liturgische muziek uit de synagoge maar er is ook veel wereldlijke muziek. We werken in dit programma samen met Joods Koor Sjiera uit Amsterdam. Rode draad is de levenscyclus. Dat is een belangrijk thema in het Joodse denken en er is rond dit thema heel wat poëzie overgeleverd die we in verband kunnen brengen met de Joodse gemeenschap in Rome.’ Is deze poëzie op muziek gezet, en zo ja door welke componisten? Avery Gosfield: ‘Dat ligt heel moeilijk, tenminste voor ons nu. Waarschijnlijk is deze poëzie op allerlei melodieën gezongen, maar die werden niet genoteerd, iedereen kende ze immers. Wij zoeken er dus melodieën bij en putten daarbij niet alleen uit zestiende-eeuwse bronnen maar ook uit traditionele muziek.’ Lucidarium zoekt altijd het grensgebied op tussen schriftelijk overgeleverde muziek en de muziek die we meestal aanduiden als ‘traditioneel’. Een grens die volgens Avery Gosfield erg dun is. ‘Veel muziek die we wel uit bronnen kennen, is ook blijven voortleven in de traditie en valt dus in beide categorieën; ik geloof dus niet zo in die strikte scheiding die een paar decennia geleden nog gemaakt werd. Dat geldt ook voor poëzie trouwens. In Italië wordt nog steeds uit Gerusalemme liberata gezongen, niet alleen door oude-muziekspecialisten maar ook door leraren, postbodes en elektriciëns die dat gewoon doorgegeven hebben gekregen. Wat zij zingen is dan meestal geïmproviseerd, bij de jongeren zie je ook veel invloed uit de popmuziek die ze op de radio horen en waar ze gebruik van maken bij het zingen van die oude poëzie.’ De omgang met het materiaal is dus zeer vrij. Avery Gosfield: ‘Een programma als Una festa ebraica zou je niet kunnen maken louter en alleen op basis van wat er op papier staat, je móet interpreteren. Zo’n papieren reconstructie is ook niet interessant wat ons betreft. Door allerlei elementen toe te voegen kun je juist aantonen hoe levend die poëzie en muziek nog steeds is.’ Marcel Bijlo

Lucidarium: di 30 aug, 20.00 uur / St. Catharinakathedraal

49


10 EURO KORTING VOER DE ACTIECODE OMMV11 IN OP PIETERSKERK.COM

50


festival oudemuziek Klein interview

Marco Mencoboni van Cantar Lontano:

‘Danckerts heeft een heel eigen sonoriteit’

foto: Lorenzo Franzi

In het Festival van 2007 maakten ze veel indruk met spectaculaire vespermuziek van Diego Ortiz. Dit jaar komt het Italiaanse ensemble Cantar Lontano, geleid door Marco Mencoboni, met werk van Ghiselin Danckerts, een in Zeeland geboren componist die werkzaam was aan de pauselijke kapel. Hoe kom je zo iemand op het spoor? Marco Mencoboni was er eigenlijk al jaren mee bezig. ‘Er was een manuscript in Rome waarvan we tot voor kort niet wisten van wie de muziek was die erin stond. Maar dat die muziek van bijzonder hoge kwaliteit was stond voor mij buiten kijf. Musicoloog Arnaldo Morelli, met wie ik dit project heb opgezet, heeft overtuigend aangetoond dat Ghiselin Danckerts de componist moet zijn. Van Danckerts kenden we tot dan toe alleen enkele motetten, maar de overeenkomsten met de mis in het manuscript zijn frappant. Het is muziek met een heel eigen sonoriteit. Danckerts is zeker niet de progressiefste componist van zijn tijd, zijn theoretische geschriften zijn zelfs nogal behoudend, maar dat wil beslist niet zeggen dat zijn muziek niet interessant zou zijn. Hij stond in Rome dan ook in hoog aanzien. We hebben dit programma op ons eigen Festival Cantar Lontano al eens gezongen en de reacties waren heel goed. We hebben ook al een cd-opname gemaakt.’ Instrumenten werden in de pauselijke kapel niet gebruikt. Maar Cantar Lontano neemt toch drie blazers mee. Hoe zit dat? Marco Mencoboni: ‘In principe heb je gelijk. De pauselijke kapel maakte echter een uitzondering voor zeer belangrijke feestdagen en dat waren vooral Maria-feesten. Maar wanneer en hoe vaak die instrumenten precies werden ingezet weten we niet, ondanks het feit dat we zo langzamerhand behoorlijk veel informatie hebben over de uitvoeringspraktijk. Dat zou erop kunnen duiden dat het gebruik van instrumenten echt een grote uitzondering is geweest.’ In 2007 maakte Cantar Lontano op heel bijzondere wijze gebruik van de ruimtelijke mogelijkheden van de Dom. Kunnen we zoiets nu weer verwachten? Marco Mencoboni: ‘Het gebruik van de ruimte is voor ons altijd een aandachtspunt, maar we komen nu wel met een veel kleiner ensemble dan in 2007. In die productie hadden we 26 zangers en vijf dirigenten nodig. Dit concert zal veel intiemer zijn, maar we zullen uiteraard ook de ruimtelijke mogelijkheden van de Dom, die enorm zijn, weer gebruiken.’ Marcel Bijlo

Cantar Lontano: zo 4 sep, 17.00 uur / Domkerk, ingang Pandhof

51


Tekst

Albert Edelman

‘Venetië heeft niets uitgevonden’ Leonardo García Alarcón verfijnt de Italiaanse verhoudingen

Leonardo García Alarcón verfijnt de Italiaanse verhoudingen

52

‘Venetië heeft niets uitgevonden’


Leonardo García Alarcón .interview

Sommige artiesten zijn zo wispelturig als het weer. Maar in dit geval was het eigenlijk andersom: een telefonische afspraak met Leonardo García Alarcón hing de afgelopen maanden helemaal af van het weer in Aix-en-Provence, waar hij aan het hoofd stond van een openluchtproductie van Acis & Galatea. Dreigend onweer of plotselinge opklaringen betekenden het verschil tussen wel of niet repeteren, en voor repetities moeten alle interviews, tv-optredens en persconferenties wijken. Die werklust heeft hem in één decennium tot een van de meest geziene jonge dirigenten gemaakt, en na België en Frankrijk is hij klaar om de rest van Europa te veroveren. Voor Utrecht heeft hij samen met zijn vrouw, de sopraan Mariana Flores, een charme-offensief in petto. De jaarlijkse opera-academie van het prestigieuze festival van Aix-en-Provence staat onder leiding van dirigenten als William Christie (Il ritorno di Ulisse in patria, 2000) en René Jacobs (L’Orfeo van Monteverdi, legendarisch geënsceneerd door choreografie Trisha Brown) en hielpen al tal van carrières op weg. Geen wonder dat jonge instrumentale en vocale toptalenten van beide kanten van de Atlantische Oceaan in de rij staan om in de Provence te komen werken en leren. Maar een muzikaal leider die nauwelijks ouder is dan de deelnemers is zeldzaam. Je kunt dus gerust zeggen dat ook Leonardo García Alarcón meer dan gelukkig was met zijn uitnodiging voor Acis & Galatea. ‘Lesgeven op zich is niet mijn roeping. Ik ben niet per se geïnteresseerd in het hoe van muziekmaken, dat moet iedereen zelf onder controle krijgen voordat we samen aan het werk gaan. Ik zoek naar een situatie waarin ik kan delen, uitleggen, bouwen en laten bezinken. Communicatie zit in mijn bloed, dus je begrijpt dat zo’n groep bovenmatig getalenteerde mensen voor mij het paradijs is. Het liefst zou ik iedereen thuis uitnodigen om samen lekker te eten en muziek te maken, maar ik realiseer me dat die

tijd voorbij is. Tegenwoordig moet voor elke noot de kassa rinkelen. Ik vind het triest hoe teveel oudemuziektalent wordt gedwongen om halsoverkop overal en nergens aan de slag te gaan, bijna zonder tijd voor verdieping. Daarom hou ik van dit soort onvervangbare projecten, waar we in het collectief zaken kunnen uitproberen.’ Acis & Galatea Buitenvoorstellingen brengen volgens Alarcón hun eigen uitdagingen met zich mee. ‘Zeg maar gerust: grote problemen. Acis & Galatea stond in het park rond het zestiende-eeuwse renaissance-kasteel Grand Saint-Jean, op een plateau in het landschap tien kilometer buiten Aix. Het is een spectaculaire plek, ideaal voor Händels pastorale met al dat groen als decor. De voorstellingen begonnen om half tien ’s avonds, een magisch tijdstip waarop het licht begint te verdwijnen. Bij Acis’ dood was het helemaal donker, en telkens waren we weer in tranen: alle zintuigen kwamen daar bij elkaar. Maar behalve dat het bij zonsondergang razendsnel afkoelt, is er buiten niets om de muziek te reflecteren, alles vervliegt meteen. Dat betekent dat je elke dag voor de voorstelling een uur moet wennen aan het gebrek aan klank, anders lukt buiten spelen niet.’ Met zijn workshop-achtige manier van werken trof Alarcón het met zijn regisseur, de Japanse choreograaf Saburo Teshigawara, want ook die liet de zangers volop improviseren. Daarbij bespeurde hij interessante verschillen tussen de twee casts, de eerste bezet met Franse zangers, de tweede met Amerikanen: ‘Julien Behr, de Amerikaanse Acis, kan prachtig lange lijnen zingen en bracht zijn bewegingen daarmee in balans. Zijn Franse tegenhanger, Pascal Charbonneau, heeft een meer heroïsche stem en dat zag je terug in zijn bewegingen. Saburo heeft met de zangers hard gewerkt aan een persoonlijke bewegingstaal.’ En die taal helpt het zingen weer, volgens Alarcón, want goed kunnen bewegen op het podium is voor hem een teken van gezonde vocaliteit. In Aix observeerde Alarcón ook dat de oude muziek technisch op een absoluut hoogtepunt staat. ‘In het 53


interview. Leonardo García Alarcón

orkest had ik meer dan een handvol uitzonderlijke jonge musici. Onze hoboïst bijvoorbeeld leek met zijn 21 jaar alle geheimen van zijn instrument al te hebben ontdekt. Of onze concertmeester, Boris Begelman uit Moskou – voor hem is technische perfectie allang geen issue meer, dat komt natuurlijk. Die jongen speelt net zo gemakkelijk en stijlvol Tsjaikovski als Corelli, Bach en Marais. De grootste ontdekking tussen de zangers was Joélle Harvey, onze Amerikaanse Galatea. Haar adembenemende pianissimo alleen al is voor mij genoeg om haar te boeken voor allerlei rollen. In haar zie je ook het voorwerk van de pioniers terug: ze heeft werkelijk elke oude-muziekopname beluisterd die ze maar kon vinden en dat hoor je terug in hoe ze zingt. Zo accomplished al, aan het begin haar carrière!’ La Plata & Bazel Alarcóns eigen carrière begon in zijn geboorteland Argentinië. ‘De passie voor muziek heb ik geërfd van mijn vader, die de tango en andere volksmuziek zong. Toen mijn zus en ik nog klein waren, schreef hij voor ons liedjes bij de dagelijkse dingen. Hoewel ik het zingen graag aan anderen overlaat, zit het vocale in alles wat ik doe.’ Met Bach als sleutel begon Alarcón oude muziek te verkennen. Vanuit La Plata laafde hij zich aan de muziek die vijftig kilometer verderop in Buenos Aires werd gespeeld door William Christie, Sigiswald Kuijken en Jordi Savall, terwijl hij zelf orgel en klavecimbel speelde in het oude-muziekensemble Toccata Instrumental. In 1997 volgde de oversteek naar het Zwitserse Bazel en een studie bij klaveciniste Christiane Jaccottet. Twee jaar later geeft hij met enkele vrienden een eerste aanzet voor Cappella Mediterranea, dat pas in 2005 officieel ten doop zou worden gehouden tijdens het festival van Ambronay. Daar, in het voormalige benedictijnenklooster, presenteert hij ook zelfgevonden onbekende muziek voor een groot publiek, zoals het onconventionele oratorium Il diluvio universale van de Napolitaan Michelangelo Falvetti. In die uitvoering, terug te vinden op YouTube, dirigeerde Alarcón het Choeur de Chambre de Namur, dat sinds zijn aanstelling als chefdirigent in 2010 is begonnen aan een ambitieus concert- en registratieprogramma. In Genève ontmoette Alarcón de violiste Stéphanie de Failly, die hem vroeg om samen met haar de 54

leiding van ensemble Clematis op zich te nemen. ‘­Stéphanie lokte me met Ulisse van Giuseppe Zamponi, waaruit in ons eerste festivalconcert een fragment klinkt. Zulke onbekende muziek maakt iets gretigs in me los, die voert me naar een andere wereld.’ Intervallen & dynamiek Over hoe muziek klinkt in die andere wereld heeft Alarcón duidelijke ideeën. ‘Volgens mij beginnen we nu pas langzaam te begrijpen hoe barokmuziek heeft gewerkt. Dat heeft er ook mee te maken dat oude muziek is herontdekt door noordelingen, terwijl ik natuurlijk een zuidelijke touch aanbreng. Affectenleer is één ding, en een belangrijk onderdeel, maar ik wil meer aandacht besteden aan de emotionele kracht van intervallen en dynamiek. Neem een vrouw als Strozzi. Haar muziek is ideaal voor beginnende luisteraars, want net als de andere barokcomponisten had zij maar één plan: met simpele, pure lijnen recht op het hart van de luisteraar af, een dramatische tekst in de hand. Die kun je niet kalm en beleefd zingen, je moet overdrijven als je wilt dat het aankomt. Operazangers hebben dat begrepen, die gaan voluit als het moet, maar zo gauw we die theatrale dimensie verlaten lijkt dynamiek ineens geen rol te spelen. Ik ben gezegend met musici die daar verandering in willen brengen, in de eerste plaats mijn vrouw. Sinds we elkaar leerden kennen in 2006 hebben we alle ontdekkingen samen gedaan en doordacht. Met Mariana kan ik muziek maken “volgens de regels”, zoals ik denk dat het hoort. Ik vind in haar stem alle kleuren van die tijd.’ Paus & doge Tijdens het Festival kan Alarcón met Mariana Flores en Cappella Mediterranea twee keer laten horen wat hij bedoelt. In het eerste concert gaat het om de relatie tussen Rome en Venetië, paus tegen doge. De kern van zijn betoog: Venetië heeft niets uitgevonden. ‘De revolutie van het recitar cantando begon met Giulio Caccini in Rome, gevolg door Luigi Rossi en Marco Marazzoli voor de cantate en Carissimi met het oratorium. Op de achtergrond echter bood polyfonie nog lang een raamwerk voor compositie. Dat zie je bij een componist als Frescobaldi, die met al zijn vernieuwingen nooit echt buiten de lijntjes


Leonardo García Alarcón .interview

kleurde. De bijdrage van Venetië zit in het extravagante. Die stad bracht genieën voort die de expressie konden bevrijden, mannen die veel verder durfen te gaan met dissonanten dan in Rome zou worden getolereerd. En terwijl de conservatieve krachten daar zich hevig bleven verzetten tegen de ‘amorele’ en ‘verderfelijke’ operavoorstellingen tijdens het carnaval, soms zelfs door al het muziektheater te verbieden, omarmden de Venetianen het genre juist. In de operahuizen ontstond een populaire, spectaculaire stijl, waar niemand er vreemd van opkeek dat Monteverdi, kapelmeester aan de San Marco, een muzikaal orgasme schrijft voor zijn Poppea. In dit concert wil ik van alles een beetje laten horen: liederen, stukjes cantate en operafragmenten.’ Zamponi & Scacchi Op het programma staan ook twee muzikale bannelingen. ‘Zamponi en Scacchi verlieten Rome halverwege hun carrière, misschien wel om hun creativiteit elders tot bloei te laten komen. Zamponi noemde ik al: zijn Ulisse all’isola di Circe is in feite een Venetiaanse opera, in 1650 geschreven voor een Brussels koningshuwelijk waarbij toevallig ook de controversiële ex-koningin Christina van Zweden aanwezig was. Net als Luigi Rossi moduleert Zamponi zijn stijl naar gelang de opdrachtgever: een nobele geldschieter krijgt nobele muziek, voor een extravagante gaan alle remmen los. Scacchi is nog zo’n interessante figuur. Hij vertrok naar Polen met in zijn bagage een kopie van Monteverdi’s vierde madrigaalboek, om in het verre Warschau in zijn eigen madrigalen alle regels te overtreden, vaak trouwens op dezelfde teksten als zijn grote voorbeeld. Tot slot wil ik Mazzocchi noemen, die weliswaar in Rome verbleef maar zich toch de nodige vrijheden kon veroorloven. Hij werkte namelijk voor de jezuïeten, die het muziektheater hadden leren waarderen bij hun bekeringstaak. Zijn muziek neemt in Rome dus een bijzondere positie in.’ Palestrina & Frescobaldi In zijn tweede programma wil Alarcón wat zaken rechtzetten. ‘Zowel Palestrina als Frescobaldi kregen in de loop der tijd zulke negatieve etiketten opgeplakt dat hun muziek eronder lijdt. Palestrina was verre van conservatief toen hij zijn madrigalen

schreef, dat kan ook bijna niet anders. Het genre was gloednieuw toen hij zich ermee bezighield, sterk beïnvloed door het humanisme. Je hoort hoe hij zich nauwelijks kan beheersen om een nieuwe expressie te vinden, bijvoorbeeld door enorme ornamenten als de tekst een emotioneel hoogtepunt bereikt. Dat verwachten mensen niet van Palestrina. Frescobaldi zucht onder een soortgelijk lot, alsof hij in de SintPieter alleen religieus bezig was. Maar zo stijfjes als hij wordt voorgesteld is hij niet. Op schilderijen heeft hij zijn bloes open, die nonchalance hoor je ook in zijn vocale muziek.’ Steeds als Alarcón iets anders of nieuws kan doen, pakt hij die kans: vooringenomenheid is hem vreemd. Ontdekkingen als Zamponi, Falvetti en Scacchi zijn misschien voor de hand liggende voorbeelden voor een barokmusicus, maar hij confronteert net zo lief Monteverdi met Piazzola, een componist in wie hij een voortzetting ziet van een pre-twintigste-eeuwse esthetiek. ‘We moeten oppassen met willekeurige grenzen tussen muziekgenres, de ene muzieksoort is niet heiliger dan de andere – geen enkele muziek is voor mij trouwens heilig. Piazzola wilde gewoon hetzelfde als Strozzi, Monteverdi en Palestrina, dat weet ik zeker. Ik probeer dus mijn oren open te houden voor de muziek van nu, zonder waardeoordeel. Denk maar zo: als Bach in de kroeg een vreselijk slechte bourrée hoorde, schreef hij daarna toch een eigen bourrée voor de eeuwigheid. Elk ritme, elke stijl is even adequaat om menselijke emoties uit te drukken.’ ıı

festival oudemuziek utrecht Caccini, L. Rossi, Monteverdi e.a. Cappella Mediterranea do 1 sep, 22.30 uur / Geertekerk Palestrina, Frescobaldi Cappella Mediterranea vr 2 sep, 17.00 uur / St. Augustinuskerk

55


tley Mister Mo en

1 jvaooar r €

nst

0 185,

Knoopt ku elkaar leven aan

1 jaar

kunst, ley gaat over . Mister Mot een voetstuk op et ni t ns maar zet ku otley leest, M r te is m l, wie Integendee (leven, land ch dat alles is kt realiseert zi en dr or k melk) do schap, een pa t. ns ku et m WW

voor

32,50

nis, Ontdek de geschiede gazine lees Geschiedenis Ma WWW.GESC HIEDENIS

TLEY.NL W.MISTERMO

MAGAZIN E .NL

1 jvaooar r €

Onderzoek het

Bergen Mag azine

Voor bergwan

delaars

verleden, lees

Beleef de over weldigende schoonheid va n de bergnatu ur en –cultuur. Ontd ek de gebiede n waar het massatoer isme nog niet is doorgedronge n, de routes die alleen de fijnpr oevers kennen . WWW.BERGE NMAGAZINE .NL

Archeologie M

WWW.ARC HEOLOG

agazine

IEONLI NE .NL

1 jvaooar r

5 169,

0 250,

meer tijdschriften? surf naar www.leeseenswatanders.nl Archeologie Magazine

Jaarabonnement (6 nrs) € 25,–

Geschiedenis Magazine

Jaarabonnement (8 nrs) € 32,50

Mister Motley

Jaarabonnement (4 nrs) € 18,50

Bergen Magazine

Jaarabonnement (4 nrs) € 16,95

Proefabonnement (2 nrs) € 8,50

Naam

m/v

Adres

Proefabonnement (2 nrs) € 8,50 Proefabonnement (2 nrs) € 8,50 Proefabonnement (2 nrs) € 8,50

Proefabonnementen lopen automatisch af. Jaarabonnementen zijn tot wederopzegging. Opzeggen kan tot twee maanden voor het abonnement

Postcode en Woonplaats

Telefoon

E-mail

Ik machtig de uitgever (jaarlijks) het abonnementsgeld af te schrijven (alleen voor nederland).

Bank/Gironummer

eindigt. De vermelde jaarabonnementsprijs is een introductieprijs die alleen het eerste jaar geldig is. Prijswijzigingen en drukfouten voorbehouden.

Datum

Handtekening

Stuur deze bon in een envelop naar Lees eens wat anders, Antwoordnummer 7086, 3700 TB Zeist, Nederland (Vanuit Nederland kan dit zonder postzegel.)

56


Klein interview

Camerata Trajectina speelt:

Hacquarts triomfeerende min Camerata Trajectina geeft drie groots opgezette voorstellingen van De triomfeerende min, de oudstbekende Nederlandse opera, gecomponeerd door Carolus Hacquart. Artistiek leider van het ensemble Louis Grijp legt uit dat het eigenlijk meer een zangspel is dan een opera. ‘Er zitten geen recitatieven in en wel gesproken tekst, maar de muziek is onmiskenbaar opera-achtig. Het stuk werd gecomponeerd naar aanleiding van de Vrede van Nijmegen in 1678, waarmee een eind kwam aan de oorlog met Frankrijk. Dat was een behoorlijk heftige strijd geweest, dus de vreugde was in 1678 groot.’ Het rampjaar 1672 zegt de meeste mensen vermoedelijk wel iets. Maar niet iedereen zal die daaropvolgende oorlog nog paraat hebben. Louis Grijp: ‘Daarom gaan we ook laten zien wat er aan dat vredesverdrag voorafging. Om De triomfeerende min in de context te zetten waarin het stuk geschreven werd, hebben we een extra laag toegevoegd. Kasteel Amerongen werd door de Fransen met takkenbossen in brand gestoken. De kasteelvrouwe Margaretha Turnor moest vluchten naar Den Haag en schreef brieven met ooggetuigeverslagen van de verschrikkingen aan haar man en zoon die in het buitenland zaten. Die brieven vormen, samen met straatliedjes over die actualiteiten, de leidraad van de voorstelling. Daaromheen is de muziek van Hacquart geprogrammeerd. Door het zo te doen kunnen we duidelijk maken waaróm men in 1678 zo blij was.’ De muziek van De triomfeerende min wordt door sommige musicologen nog steeds als verloren beschouwd. Louis Grijp: ‘Nou, het meeste is door Hacquart netjes uitgeschreven, maar er zijn plaatsen in de tekst waarin om muziek wordt gevraagd, als er gedanst wordt bijvoorbeeld, die er vervolgens niet staat. Daarbij passen we hetzelfde procedé toe als we hebben gedaan met de opera van Schenck een paar jaar geleden. We voegen andere muziek van Hacquart in, bijvoorbeeld uit zijn gambasuites waar je prima op kunt dansen.’ Er zullen veel mensen op het toneel staan, want De triomfeerende min kent vele kleine rollen. Louis Grijp: ‘We werken samen met het Utrechts Conservatorium. We vinden het leuk om jong zangtalent een kans te geven en om al die rolletjes met andere zangers te bezetten. Daarnaast zullen we ook gebruik gaan maken van de orgels en klokken van Museum Speelklok. We zijn nog hard aan de productie aan het werken, maar ik kan nu al beloven dat we er een groot spektakel van zullen maken.’ Marcel Bijlo Hacquarts De triomfeerende min: 4 t/m 6 november / Museum Speelklok, Utrecht / www.camerata-trajectina.nl

57


BERICHTEN Winnaars Edison Klassiek

Engelse editie Van Eyck-boek

berichten

Vijf jaar geleden promoveerde Thiemo Wind aan de Universiteit Utrecht op de blinde Utrechtse stadsbeiaardier, klokkendeskundige en blokfluitist Jacob van Eyck (ca. 1589-1657). Van het proefschrift Jacob van Eyck en de anderen – Nederlands solorepertoire voor blokfluit in de Gouden Eeuw verschijnt nu een 756 pagina’s tellende Engelse editie, die wordt gepresenteerd tijdens het Festival Oude Muziek, en wel op zaterdag 27 augustus om 17.00 uur. Plaats van handeling: de Aula van de Universiteit aan het Domplein. Tijdens de presentatie zal de auteur een voordracht houden en zal blokfluitist Erik Bosgraaf werken van Jacob van Eyck en ‘de anderen’ ten gehore brengen. Gratis toegangskaarten zijn op de dag zelf vanaf 10.00 uur verkrijgbaar bij de festivalkassa in de Pandhof.

58

Op 16 juni jl. werden de Edisons Klassiek uitgereikt in het Scheveningse Kurhaus. In de categorie solist-vocaal wonnen Mark Padmore en Kristian Bezuidenhout met Schumanns Dichterliebe en Liederkreis; Andreas Staier won met Bachs Goldberg Variationen in de categorie solist-instrumentaal; Stile Antico won met Puer Natus Est (Tallis, White, Sheppard, e.a.) in de categorie koor, en in de categorie opera was het opnieuw René Jacobs die samen met het RIAS Kammerchor en de Akademie für Alte Musik Berlin met de eer ging strijken, nu voor hun vertolking van Mozarts Die Zauberflöte. In de nieuwe categorie het document won het Gesualdo Consort de ondescheiding voor het complete vocale werk van Sweelinck. Voor het ensemble betekent het dat zij voor hun Sweelinck-opnamen nu een tweede Edison in de wacht hebben gesleept. In 2009 ontving het Gesualdo Consort namelijk al een Edison voor de wereldlijke werken van Sweelinck, het eerste deel van het zesdelige Sweelinck Monument. Zie voor de juryrapporten www.edisons.nl/klassiek.


berichten

Radio4 gaat met Concerthuis digitaal  

Radio4 heeft met het Concert­huis via radio4.nl een digitale zender met veel concertopnamen on demand opgezet. Ieder jaar zendt Radio4 ruim 1100 live concerten uit: concertopnames van orkesten, ensembles en solisten uit binnen- en buitenland, eigen Radio4-concertseries en historische opnamen uit het omroeparchief. In het Radio4 Concerthuis, te vinden via www.radio4.nl/concerthuis, kunnen al deze concerten nu op elk gewenst moment worden teruggeluisterd. Het aanbod is actueel en bestaat steeds uit ruim 100 wisselende concerten. Ook worden er bijzondere highlights geprogrammeerd, zoals een terugblik op dertig jaar Festival Oude Muziek, met daarin een tiental hoogtepunten uit het omroeparchief, te beluisteren vanaf maandag 8 augustus. In die week werd gestart met de periode 1981-1991; in de week van 15 augustus komt daar de periode 1991-2001 bij, en vanaf 22 augustus staat ook de periode 2001-2010 online. Zodra er concerten van de festivaleditie 2011 beschikbaar zijn (doorgaans een dag na opname), worden ook die aan het bestand van het Concerthuis toegevoegd. www.radio4.nl/concerthuis

Muziekcollectie omroep online

De Muziekbibliotheek van de Omroep, waarin een van de grootste collecties bladmuziek van Europa, gaat online. Een deel van de collectie is vanaf 29 mei toegankelijk via de nieuwe website www.muziekschatten.nl. Het gaat om bladmuziek van ruim 5.000 werken in diverse genres (koorwerken, lichte muziek, salonmuziek, klassieke muziek, tunes en arrangementen), die kan worden gedownload en geprint. Van een aantal werken zijn naast de partituur ook de partijen beschikbaar.

Via dezelfde website kan ook een ‘virtuele studio’ en de ‘OmroepmuziekWiki’ worden bezocht. In de virtuele studio kunnen gebruikers (gratis) eigen opnamen uploaden; anderen kunnen deze opnamen beluisteren en waarderen. In de OmroepmuziekWiki zijn gegevens te vinden over orkesten en ensembles, componisten en arrangeurs, dirigenten, musici en zangers. Net als bij de echte Wikipedia kunnen gegevens worden aangevuld. Het project wordt ondersteund door Facebook en Twitter. www.muziekschatten.nl De Concertzender tijdens het Festival Oude Muziek

De volgende festivalconcerten worden door de Concertzender opgenomen voor uitzending op latere datum. za 27 aug, 22.30: La Chimera zo 28 aug, 15.00: Per-Sonat ma 29 aug, 15.00: La Dolcezza di 30 aug, 13.00: Schola Gregoriana di 30 aug, 22.30: Comp. del Madrigale wo 31 aug, 15.00: Ensemble Aurora do 1 sep, 13.00: Magdalena Malec vr 2 sep, 13.00: Francesco Corti za 3 sep, 2 concerten: Capilla Flamenca & Psallentes♀ za 3 sep, 22.30: Egidius Kwartet & College zo 4 sep, 15.00: cantoLX Houd de website www.concertzender.nl in de gaten voor de ­uitzenddata.

De AVRO tijdens het ­Festival Oude Muziek

AVRO/Radio4 verzorgt van zaterdag 27 augustus t/m zondag 4 september live-uitzendingen van de avondconcerten. Voorafgaand aan die uitzendingen is er doorgaans een AVRO/ NTR Festivaljournaal, waarin gesprekken met musici live op locatie zijn te volgen. Presentator is Mark Brouwers. AVRO/NTR Festivaljournaal za 27 aug, 19.00: Pandhof zo 28 aug, 19.30: Pandhof ma 29 aug, 19.30: Pandhof di 30 aug, 19.30: Pandhof wo 31 aug, 19.30: Jacobikerk do 1 sep, 19.30: Jacobikerk vr 2 sep, 19.30: VB Leidsche Rijn za 3 sep, 19.00: Pandhof Live uitzendingen za 27 aug, 20.00: The Sixteen zo 28 aug, 20.15: Les Talens Lyriques ma 29 aug, 20.00: Concerto Italiano di 30 aug, 20.00: Mala Punica wo 31 aug, 20.00: Concerto Palatino do 1 sep, 20.00: I Barocchisti & RSI vr 2 sep, 20.00: Concerto Copenhagen za 3 sep, 20.00: Huelgas Ensemble zo 4 sep, 20.00: l’Arpeggiata Opnamen voor latere uitzending za 27 aug, 15.00: Cantica Symphonia – uitzending 5 sep zo 28 aug, 17.00: Capella de la Torre – uitzending 12 sep ma 29 aug, 13.00: Laurent Stewart – uitzending 19 sep do 1 sep, 15.00: Holland Baroque Society – uitz. 26 sep do 1 sep, 22.30: Cappella Mediterranea – uitz. 3 okt vr 2 sep, 17.00: The Brabant Ensemble – uitz. 10 okt

59


cd-besprekingen De Leidse Koorboeken II

Egidius Kwartet en College o.l.v. Peter de Groot Etcetera KTC 1411 C. Schuyt: Madrigali, padovane e gaillarde

Camerata Trajectina o.l.v. Louis Peter Grijp Globe GLO 6068

cd-besprekingen

Het zal weinig muziekliefhebbers zijn ontgaan dat het Egidius Kwartet bezig is met een groot project rond de Leidse Koorboeken. Zes kloeke handschriften die als door een wonder de Beeldenstorm overleefden, daarna eeuwen hebben liggen sluimeren in de Leidse Pieterskerk en die schitterende muziek bevatten. Samen vormen de zes koorboeken een afspiegeling van de zangpraktijk in de Pieterskerk, waar door de dag heen polyfonie klonk in de diverse liturgische getijden. Daaronder is veel werk van bekende componisten als Clemens non Papa, Philippe Verdelot en Nicolas Gombert, maar ook veel anoniem werk en werk van minder bekende meesters. Het Egidius Kwartet kiest niet voor een integrale opname van alle muziek uit de Leidse Koorboeken maar voor een thematische opzet. Op zes dubbel-cd’s, die vergezeld gaan van mooie, gebonden boekjes, wordt telkens één koorboek belicht aan de hand van een thematische selectie. Op dit tweede deel is het Magnificat de rode draad. In het tweede koorboek staan maar liefst acht Magnificat-zettingen van Clemens non Papa, waarvan er drie op de cd zijn opgenomen. Maar er is ook muziek van Christianus Hollander, Johannes Lupi, Josquin Baston en Joachimus de Monte en ook die muziek is van zeer hoge kwaliteit. Datzelfde geldt voor de anonieme werken, waarschijnlijk gecomponeerd door koormeesters van de Pieterskerk die het niet nodig vonden hun namen onder de muziek te zetten. Ongelofelijk dat er zó werd gecomponeerd door anonieme zangmeesters. Dat geeft aan dat de zangpraktijk in de Pieterskerk in de zestiende eeuw op een geweldig niveau stond. De collegezangers van de Pieterskerk verzamelden in hun koorboeken graag werk van componisten die in heel Europa bekend waren, maar hun eigen composities deden vaak bepaald niet onder voor die van hun beroemdere collega’s. De veronderstelling dat grootse polyfonie enkel en alleen in de hofkapellen klonk is dus een mythe. Helaas heeft de voortvarendheid waarmee de beeldenstormers te werk zijn gegaan het merendeel van de koorboeken die in Nederlandse stadskerken werden gebruikt verloren doen gaan. Maar in Leiden bleven ze op miraculeuze wijze gespaard! De uitvoeringen door het Egidius Kwartet en College zijn net als op de vorige uitgave van topkwaliteit. Ondertussen zijn de voorbereidingen voor de derde uitgave al in volle gang – dan zal het Requiem centraal staan. Deze cd verscheen in dezelfde week als de nieuwste van Camerata Trajectina met werk van Cornelis Schuyt. Toeval bestaat niet, zou je zeggen. Schuyts vader was organist in de Pieterskerk ten tijde van de Beeldenstorm. Cornelis Schuyt publiceerde vier bundels: drie met madrigalen en één met pavanes en gaillardes. Dat hij in Italië studeerde is te horen aan zijn madrigalen, op Italiaanse maar ook op Nederlandse tekst. Zijn dansmuziek is weer heel Engels van karakter. Camerata Trajectina maakte een mooie selectie uit de vier boeken en treedt hier aan in een grote bezetting met extra blokfluiten (de leden van Brisk) en extra gamba’s (de leden van The Spirit of Gambo). Alles uitgevoerd met de zwier en souplesse die we kennen van Camerata Trajectina. Marcel Bijlo 60


cd-besprekingen

F. Cavalli: Artemisia

Solisten, La Venexiana o.l.v. Claudio Cavina Glossa GCD 920918 Heeft u ook altijd zo’n last van ingewikkelde operaplots? De handen in het haar van wéér een doorzichtige persoonsverwisseling? Het boekje bij Cavalli’s Artemisia legt u uit hoe dat komt: in zeventiende-eeuws theater was niet het uiterlijk van een personage belangrijk, maar zijn handelen. Vandaar dat in dit spannende verhaal een vrouw tot en met de laatste scène doorgaat voor een man, en dat de titelheldin niet al in de eerste scène besluit om voor haar grote liefde te kiezen, alleen omdat hij tegen haar loog dat hij niet van adel was. Of het uiteindelijke huwelijk een succes wordt, durf ik niet te zeggen; haar talent om elke ontmoeting om te toveren tot de meest ongemakkelijke situatie belooft in elk geval weinig goeds. Dat er zoveel in Artemisia en de andere karakters te lezen valt, is de verdienste van librettist Nicolò Minato, die een complexe liefdeskluwen met een flinke dosis humor wist te verwoorden. Er is zelfs een politieke ondertoon te bespeuren in de metamorfose van koningin Artemisia van strijdklare weduwe in vergevingsgezinde heerseres, met andere woorden: haar gevoelens staan haar zelfgekozen plicht in de weg. In dat emotionele vacuüm wordt ze overrompeld door haar generaal,

die eerst de macht grijpt maar later ten behoeve van het lieto fine, het gelukkige einde, toch aan de liefde toegeeft. Al die hoogstaande ideeën zitten verpakt in een verhaal dat leest als een Kuifje-strip – er zijn immers sopranen en een gestolen juweel, wat wil je nog meer? Cavalli had in 1657 inmiddels een mooie balans gevonden tussen recitatief en aria en bleef ondertussen trouw aan het Venetiaanse operamodel, dat blijkbaar toch evolueerde. De obligate echo-aria staat hier volledig los van het verhaal; Artemisia reageert dan ook droogjes met een ‘goh, leuke echo’ en gaat over tot de orde van de dag. Het is dankbaar materiaal voor de zangers van La Venexiana, die allemaal wel een speciale vermelding verdienen, maar vooral Francesca Lombardi Mazzulli (Artemisia), Roberta Mameli (Artemia) en ‘onze eigen’ Maarten Engeltjes als Artemisia’s snel teleurgestelde love interest Meraspe. Het minimaal bezette instrumentale ensemble heeft een mooie tragische klank, al zou het drama misschien aan gewicht winnen met een volwaardig orkest. Albert Edelman J. de Nebra: Esta dulzura amable, sacred cantatas

María Espada, Al Ayre Español o.l.v. Eduardo López Banzo Challenge Classics CC 72509 In plaats van direct uit te wijden over de subtiele kwaliteiten van Nebra’s muziek, begint López Banzo zijn toelichting bij een aspect van het vak dat in feite net zo essentieel is: de plaats waar de muziek tot klinken gaat komen. Hij zocht een kerk met de ‘barokke geest van Zaragoza’ en vond een piepklein dorpje aan de voet van het Moncayo-gebergte met een nog onaangetast pareltje. De opname moest en zou dus plaatsvinden in die

Ermita Virgen del Rosario in Ambel; enkele foto’s getuigen van de energie die de ruimte moet hebben geïnspireerd. Dat Banzo van reizen houdt is bekend. Al jaren bezoekt hij bibliotheken in de Oude en de Nieuwe Wereld op jacht naar muziek die de eeuwen niet heeft overleefd. Of misschien toch? Inmiddels weten we hoe de populaire cultuur van Midden- en Zuid-Amerika nog altijd is doordrongen van de ritmes, melodieën en instrumenten van de Iberische Barok. We weten ook dat misschien de meest verrassende muzikale ontdekkingen aan de overkant van de Atlantische Oceaan worden gedaan. En de vraag hoe die muziek daar kwam, staat garant voor fascinerende antwoorden. In het geval van José de Nebra (1702-1768) zat het waarschijnlijk zo: een jonge geestelijke uit Guatemala werd naar Europa gestuurd en kwam terug met een koffer vol met de nieuwste muziek, waarbij hij uiteraard niet voorbij had kunnen gaan aan een van de meest prominente Spaanse componisten van het moment. Nebra’s cantates zijn erfgoed van uitzonderlijke kwaliteit. Ze ontstonden op een moment dat Italiaanse muziek de Spaanse muziekscene in het spoor van koningin Elisabetta Farnese ging domineren, met da capo-aria’s op typisch Spaanse poëzie. Al Ayre Español geeft een uitgebalanceerde lezing met rond sopraan María Espada niet meer dan een strijkkwartet en continuo. Het is duidelijk dat alles bij elkaar kwam in stille concentratie: een prachtig kerkje vol aandachtig publiek met topuitvoerenden tegenover zich. Dan neem ik de nogal bizarre Engelse vertalingen in zowel de toelichting als de gezongen teksten graag op de koop toe. Wat een ontdekking! Albert Edelman

61


cd-besprekingen

 CD kort Historia Sancti Martini

Diabolus in Musica o.l.v. Antoine Guerber Aeon AECD 1103 Deze cd biedt een Sint-Maartensofficie zoals dat begin dertiende eeuw moet hebben geklonken in de kathedraal van Tours. Het leven van de heilige Martinus, begraven op 11 november van het jaar 399, wordt gevolgd aan de hand van aan hem gewijde gezangen. Diabolus in Musica heeft niet zomaar wat bij elkaar gezocht: in een manuscript staat deze liturgie minutieus beschreven en Diabolus in Musica houdt zich nauwgezet aan deze bron. We horen eenstemmige en polyfone gezangen waarbij de zangers vaak ruimtelijk en in groepjes verdeeld staan opgesteld. De polyfonie was begin dertiende eeuw nog niet zo uitbundig, maar hier en daar klinkt al het eerste voorzichtige hoquetusje. Doordat Diabolus zich zo nauwkeurig houdt aan de bron komt de dertiende MB eeuw nu wel héél dichtbij! F. de Peñalosa: Missa Nunca fue pena mayor

Les Sacqueboutiers, Ensemble Gilles Binchois o.l.v. Dominique Vellard Glossa GCD 922305 Francisco de Peñalosa zou je de Spaanse Josquin des Prez kunnen noemen. Ze waren tijdgenoten en hielden van gepuzzel met contrapunt. Maar daar houdt de vergelijking wel op. Josquin was beroemd in heel Europa en de Peñalosa heeft, afgezien van een aanstelling aan de pauselijke kapel, zijn hele leven in Sevilla doorgebracht. Zijn muziek is bovendien veel somberder dan die van Josquin. Op deze cd horen we een mis en een aantal motetten. Blazers werden in de Spaanse kathedralen regelmatig 62

ingezet, maar of er daar zo slapjes gezongen is als hier door het Ensemble Gilles Binchois valt te betwijfelen. Waar iedereen meedoet gaat het nog redelijk, maar als de blazers zwijgen blijft er weinig over. Dit kan véél MB mooier! Ph. Schöndorff: The complete Works

een blokfluit, trombone, fagot, luit en klavecimbel. Dit soort muziek werkt nu eenmaal het beste als consorts van blazers en strijkers elkaar snel kunnen afwisselen, en dat kan hier dus niet. Wel jammer, want de cd’s van Doulce Mémoire met dit repertoire zijn niet meer verkrijgbaar. Maar verder is dit MB een leuke uitgave.

Cinquecento Hyperion CDA 67854 De titel van deze cd is een onvervalst staaltje Britse humor, een vette knipoog naar de compleetheidsmanie. Deze cd had ook gewoon Music at the court of Rudolf II kunnen heten, maar dat wordt zo saai. Het klopt allebei wel. Philippe Schöndorff was werkzaam aan het hof in Praag en wat er op deze cd klinkt is alles wat er nog rest van zijn oeuvre. Hij schreef een mis op een madrigaal van de Monte en die schreef weer een mis op een motet van Schöndorff. Beide werken klinken op deze cd. En wat zingen die mannen van Cinquecento toch fantastisch! Prachtig ook dat ze altijd zulk onbekend repertoire ter hand nemen, maar ik zou ook graag the complete works van bekendere componisten MB door dit ensemble horen. Bal au temps des Valois

Compagnie Outre Mesure o.l.v. Robin Joly Musiques à la Chabotterie 605009 Deze cd geeft een beeld van wat er rond 1550 in Lyon werd gepubliceerd aan dansmuziek. Ensembleleider en blokfluitist Robin Joly is opgeleid door Denis Raisin Dadre van Doulce Mémoire, dat ook meerdere cd’s aan dit repertoire wijdde. Maar op dat niveau staat de Compagnie Outre Mesure nog niet. Probleem is dat het ensemble te weinig van elke instrumentgroep in huis heeft: drie strijkers,

Il Ballo di Mantova

Liuwe Tamminga, orgel Accent ACC 24225 G. Frescobaldi: Ricercari (1615)

Liuwe Tamminga, orgel Passacaille 966 De titelsong van de eerste cd is buiten­ gewoon wijdverbreid, niet alleen als Ballo di Mantova maar bijvoorbeeld ook als Noël Suisse, Chant de Cécile, of als Smetana’s Moldau en het Israëlisch volkslied. Liuwe Tamminga beperkt zich voornamelijk tot een aantal zestiende- en zeventiende-eeuwse Italiaanse bewerkingen van deze melodie, aangevuld met andere muziek die op een of andere manier verbonden is met de kerk van het hof van de Gonzaga’s in Mantua, de Basiliek van Santa Barbara, en met composities die aan deze familie zijn opgedragen. Heel toepasselijk (ik zou bijna zeggen: authentiek) bespeelt Tamminga het orgel van de basiliek (Graziadio Antegnati, 1565), dat na een lange restauratie sinds enkele jaren weer in oude luister is hersteld. Minder origineel maar minstens zo


cd-besprekingen

de moeite waard is de opname met ricercares uit de tweede gedrukte collectie klaviercomposities van Girolamo Frescobaldi: Recercari, et Canzoni franzese fatte sopra diversi oblighi in partitura. De ricercares, zelf al zeer gevarieerd van opzet en uitwerking, worden vergezeld van enkele capriccio’s en een aantal werken uit Frescobaldi’s Secondo libro di toccate. Bij Tamminga is deze muziek in de best denkbare handen, zeker in de San Petronio in Bologna, waar hij alweer bijna dertig jaar de beroemde orgels mag bespelen. Van harte aanbevolen! WdJ Il ballo della vita humana

Johan Hofmann, klavecimbel Enigma EGM 001 Deze cd biedt een bloemlezing van componisten van de zestiende- en vroeg zeventiende-eeuwse Italiaanse klavecimbelliteratuur met een keur aan ricercari, balletti, toccata’s en canzona’s van componisten als Mayone, Frescobaldi, Merulo en Luzzaschi. Het is repertoire voor de kenners en liefhebbers die hier zeker veel interessants zullen vinden. Johan Hofmanns klavecimbelspel is zeer verzorgd en bij tijden sprankelend, zeker wanneer de stukken aan een metrum zijn gebonden, zoals de dansvormen en de Partite sopra Romanesca. Een ander verhaal wordt het bij de aanpak van de toccata’s. Frescobaldi schrijft voor dat deze moeten worden gespeeld zoals de moderne madrigalen, waarover hun grote vernieuwer Caccini zegt dat ze zo nu en dan ‘senza misura’, zonder een vaste slag, gezongen moeten worden. Ook Frescobaldi zelf raadt aan verschil te maken tussen snelle en langzame passages, al naar gelang de uit te drukken gemoedsstemming. Met deze vrijheid lijkt Hofmann niet goed raad te weten, waardoor starheid op de loer ligt. Het klavecimbel,

gebouwd naar zestiende-eeuwse Italiaanse voorbeelden, en het dito HD ottavino zijn mooi opgenomen.

Un camino de Santiago

Arianna Savall, La Fenice o.l.v. Jean Tubéry Ricercar RIC 312 Meestal bevatten cd’s met Santiago in de titel oudere muziek dan we op deze cd horen. Maar hier geeft de ondertitel onmiddellijk duidelijkheid: ‘The music of the 17th century on the way of St. James of Compostella’. Jean Tubéry volgt een muzikale pelgrimsroute van Frankrijk via Italië naar Spanje. Niet alle muziek (van onder meer de la Toure, du Cauroy en Selma y Salaverde) heeft rechtstreeks met Santiago of met pelgrims van doen, maar we krijgen wel een indruk hoe Franse, Italiaanse en Spaanse muziek elkaar beïnvloed hebben. Te gast bij La Fenice is dit keer Arianna Savall, wier sopraanstem fraai mengt met de cornetto van Tubéry en met de andere instrumenten van het ensemble. La Fenice heeft bij Ricercar zo langzamerhand een imposante discografie opgebouwd en Tubéry weet wat origineel programmeren is. Dat er op deze cd een paar stukjes staan die hij ook al eens eerder heeft opgenomen, vind ik MB dan geen bezwaar.

A. Grandi: Vespro della Beata Vergine

Solisten, Gächinger Kantorei Stuttgart, Bach-Collegium Stuttgart o.l.v. Matthew Halls Carus 83.367 Als we het woord ‘Mariavespers’ horen, gaat de gedachte bijna automatisch naar Monteverdi, in wiens schaduw het gros van zijn tijdgenoten nog altijd verkeert. Maar met díe vesperdienst hebben we meteen een van de zeldzame samenhangende liturgieën te pakken - veel vaker werd voor zulke diensten geput uit rijke psalmcollecties. Deze live-opname combineert enkele van zulke losse psalmen, elk bijna een sprekende Monteverdi-gelijkenis. Niet gek, want Alessandro Grandi mag dan vergeten zijn (waarschijnlijk door geen opera na te laten), hij was net zo’n onverbeterlijke vernieuwer als zijn beroemde baas aan de Venetiaanse San Marco. Zijn tekstbehandeling is bijna kinderlijk beeldend, en zijn gebruik van cori spezzati is ronduit opwindend in de energieke handen van Matthew Halls. Van de solisten springen vooral Deborah York en Ed Lyon in het oor, de ene blijkbaar niet op haar beste dag, de andere met een stem als een klaroen. De eerbiedwaardige Gächinger Kantorei klinkt door de wollige akoestiek AE vurig enthousiast. H. Schütz: Musicalische Exequien

Vox Luminis o.l.v. Lionel Meunier Ricercar RIC 311 De iconografie rond deze cd is bijna net zo opmerkelijk als de muziek zelf. Heinrich Schütz schreef zijn Duitstalige uitvaartmuziek Musicalische Exequien namelijk als deel van een heus Gesamtkunstwerk, op basis van de teksten die prins Heinrich Reuss zelf had gekozen voor zijn rijkgedecoreerde 63


cd-besprekingen

doodskist, waarvan nauwelijks foto’s beschikbaar zijn. Dat zal wel, heb ik altijd gedacht, maar pas als je de sarcofaag onder ogen krijgt, kun je beginnen te begrijpen hoe een vrome lutheraan omging met de dood: met kalme melancholie, in de wetenschap dat het leven pas begint na een productief verblijf op aarde (de prins behoedde Gera voor de Dertigjarige Oorlog). Precies zo kalm en beheerst zingt Vox Luminis Schütz’ meesterwerk, dat glinstert van de kleine solo’s, afgewisseld met bijnadubbelkorige passages, aangevuld met enkele versies van ‘Herr, nun lässest du’ en andere funeraire motetten. Een mooiere Exequien-opname is er nu niet te vinden. Beelden van de kist staan op de site van de erfgenamenReuss: www.heinrich-posthumus.de. AE

teressant? Niet bepaald, maar dat was ongetwijfeld ook niet Maiers plan. De eenvormige stukjes in Atalanta fugiens (1617) zijn eerder meditatief dan plezierig om naar te luisteren, fuga-oefeningen bedoeld als een weerschijn van esoterische epigrammen, geschreven in het meest literaire Latijn. Maier kon voor zijn project geen betere taal bedenken dan het strenge vroeg-middeleeuws contrapunt, misschien als een herinnering aan de hoogtijdagen van de alchemisten, van wie hij een enthousiast navolger was. Het ultieme curiosum, en een originele productie van Ensemble Plus Ultra, dat we vooral kennen van hun briljante opnames AE van Iberische polyfonie. D. Buxtehude: Une alchimie musicale

Raphaële Kennedy, Da Pacem o.l.v. Pierre-Adrien Charpy K617 227

M. Maier: Atalanta fugiens

Ensemble Plus Ultra o.l.v. ­Michael Noone Glossa GCD P31407 Prinses Atalanta werd achterna gezeten door de man met wie ze koste wat kost niet wilde trouwen. Deze Hippomenes gooide gouden appels op haar pad in een poging haar vlucht te remmen en zo zijn begeerde in te halen. Die truc herhaalde Michael Maier vijftig keer: het liefdespaar wordt gesymboliseerd door tweestemmige mini-canons, terwijl steeds dezelfde cantus firmus als appel ervoor zorgt dat ze tegelijk arriveren. Klinkt dat in64

De titel van deze cd doet misschien vrezen – wat voor zweverige kwaliteiten worden nu weer losgelaten op de onschuldige Buxtehude? Het valt mee en het valt tegen: de lijvige toelichting wil u ruimschoots te veel vertellen over barokke retoriek en getallensymboliek, maar de muziek, gevoed door al die kennis, is prachtig. Da Pacem trapt niet in de val om de orenschijnlijk simpele noten van Buxtehude maar gewoon te spelen, maar kiest voor subtiel golvende tempi en neemt ruim de tijd voor elk detail (met een Duitse uitspraak van het Latijn). De mooiste momenten zijn de stilste, daar bereiken zowel sopraan Raphaële Kennedy als de spelers ijle hoogten. ‘Schlafe wohl,’ zingt Kennedy tot slot in het tweede deel van Klag-lied, waar de strijkers zwijgen en een handgeblazen orgel nog de enige begeleiding vormt. Pure magie – in dat opzicht heeft de titel dus toch gelijk: Buxtehude is een AE tovenaar.

S. de Brossard: Oratorios, Leandro

La Rêveuse o.l.v. Benjamin Perrot, Florence Bolton Mirare MIR 125 Als de geschiedenis zich Sébastien de Brossard herinnert, dan is het vooral vanwege zijn ontzagwekkend grote muziekcollectie vol unica waaronder enkele oratoria van Carissimi. In zijn eigen tijd berustte zijn roem op de Dictionnaire de musique uit 1703, die een onmiddellijk internationaal succes werd. Daarnaast was hij een druk correspondent, een groot voorstander van de goûts réunis, oftewel een panEuropese muziekstijl, én een actief componist die al die buitenlandse invloeden handig wist te verwerken in het Franse idioom van de tijd van Lodewijk XIV, met een Italiaans tintje. Brossard klinkt op zijn best als hij dicht bij Carissimi blijft, en op zulke momenten (zoals in een symphonie infernale) klinken ook de instrumenten van La Rêveuse optimaal. Voor deze bloemlezing uit Brossards vocale werk treedt een zestal zangers van de jonge Parijse oude-muziekscene aan, onder wie de sopranen Eugénie Warnier en Isabelle Druet en de Amerikaanse AE haute-contre Jeffrey Thompson. Jauchzet dem Herren: Les psaumes de David

Hans Jörg Mammel, La Fenice o.l.v. Jean Tubéry Alpha 179


cd-besprekingen

In een fors deel van de ‘gereformeerde’ regionen kwam het kerkorgel, doorgaans de trots van de gemeenschap, in een kwaad daglicht te staan. Luther zelf geloofde echter niet dat er een pauselijke dreiging uitging van iets méér dan de meest spaarzame kerkmuziek – dit zal tijdens het Festival Oude Muziek 2012 uitbundig duidelijk worden. In het zeventiende-eeuwse Noord-Duitsland floreerde het orgel dus, terwijl organisten als Buxtehude en Bruhns briljante werken schreven voor de eredienst. Hans-Jörg Mammel koos een aantal psalmen, aangevuld met instrumentaal werk voor soloinstrumenten als viool en cornetto. La Fenice is in dit repertoire volledig in zijn element, net als Mammel. Zijn stem klinkt de laatste tijd echter vermoeider dan prettig is om naar te luisteren. Zijn hoogte is niet langer vanzelfsprekend, zijn lijnen soms net iets te klagend van toon. Ontzettend jammer, want zijn muzikaliteit en zijn energie zijn als vanouds. Toch is een mooie repertoireverkenning als deze nooit te versmaden, want er is blijkbaar nog heel veel te ontdekken. AE J.Ph. Rameau: L’orchestre de Louis XV

Le Concert des Nations o.l.v. Jordi Savall Alia Vox AVSA 9882 Het was feest vorig jaar tijdens het slotconcert van het Festival Oude Muziek, vooral toen Le Concert des Nations na de pauze twee suites uit Rameaus Les Indes galantes en Les Boréades ten beste gaf. Deze twee staan nu, samen met suites uit Naïs en Zoroastre, op een gloednieuwe dubbel-cd. Hoewel we met Christie, Minkowski en Rousset de laatste jaren bepaald niet te klagen hebben over goede uitvoeringen van Rameaus orkestmuziek, weet Savall er net weer iets anders van te maken. Met grote tempocontrasten, spetterend slag-

werk en altijd dat kekke barokgitaartje haalt hij er álles uit. Savall sluit met deze uitgave zijn serie Franse orkestmuziek af. Eerder verschenen cd’s met muziek aan de hoven van Louis XIII en XIV en deze Rameau besluit de MB reeks op magistrale wijze.

J.S. Bach: Goldberg-variaties

Steven Devine, klavecimbel Chandos CHAN 0780 De laatste tijd zijn er, kort na elkaar, enkele opnames van deze magistrale variaties verschenen, waarvan deze nieuwe er niet uitspringt. Sommige variaties worden erg snel gespeeld met plotseling lang uitgerekte belangrijke noten, waardoor een tegenstrijdig effect van gladheid naast teveel nadruk ontstaat. In de wat beschouwelijker variaties had een lager tempo beter gewerkt en in het algemeen had een spitsere articulatie voor meer levendigheid gezorgd. Het klavecimbel naar Fleischer, Hamburg 1710, klinkt HD prachtig, dat wel. J.S. Bach: Motetten

Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe Phi LPH 002 ‘Het blijft zoeken’, zegt Philippe Herreweghe over zijn opname van Bachs enigmatische motetten, de tweede productie voor zijn eigen label Phi. We hebben de noten, we kennen soms de

aanleiding voor de stukken, maar zing je ze enkel- of meervoudig bezet, met of zonder instrumenten... we weten het niet. Volledige vrijheid dus voor Herreweghe, die in zijn achterhoofd het beeld had van een ‘bezielde (en jonge) predikant in Leipzig’ die met elk woord zijn publiek wil raken. Dat levert tekstrijke, kleurige maar vooral ook energieke interpretaties op, blakend van jeugd. Collegium Vocale Gent is in topvorm – dat bleek al tijdens hun Josquin-tournee in het afgelopen seizoen, en tijdens het concert met deze motetten in Brugge dat aan de opname voorafging. Het opgenomen resultaat is verbluffend en weerspiegelt de ontwikkelingen sinds de jaren ‘80. Bach is volbloedmuziek geworden, met volwassen solostemmen in de kleinbezette motetten en goudgerande klanksluiers in ‘koorstukken’ als AE ‘Singet dem Herrn’.

G. F. Händel: Suites de Pièces pour le clavecin

Cristiano Holtz, klavecimbel Ramée RAM 1004 Hoewel Händel zich in zijn geboorteplaats Halle onder leiding van Friedrich Wilhelm Zachow al tot een begaafd organist en klavecinist had ontwikkeld, publiceerde hij pas in 1720 in Londen een selectie van zijn beste composities in de vorm van acht suites. In deze eerste bundel komen zowel oudere als speciaal voor deze uitgave gecomponeerde stukken 65


cd-besprekingen

voor. Een latere bundel suites, verschenen tussen 1727 en 1733, bevat veel jeugdwerk uit zijn Duitse tijd. Cristiano Holtz speelt drie grote suites uit de eerste bundel en wat kleingoed uit de latere: en hoe! Luister naar de vrije Prélude uit de suite in D-klein: temperamentvol, spannend en fantasierijk; of de Ouverture uit de suite in G-klein, die staat als een huis. Ook de ingetogener stukken zoals Allemandes of Andantes speelt Holtz zeer subtiel. Het klavecimbel, gebouwd naar achttiende-eeuwse voorbeelden van Christian Zell en Johann Christoph Fleischer, is uitgerust met een destijds als exclusief beschouwde zestienvoet, die in de monumentale suite-delen HD een groot effect sorteert.

G.F. Händel: Ariodante

Solisten, Il Complesso Barocco o.l.v. Alan Curtis Virgin Classics 50999 07084423 Opnieuw wordt een opname van Il Complesso Barocco gered door enkele van Virgins topzangers. Met Curtis als orkestleider gaat het duidelijk niet meer goedkomen, en daarom pleit ik niet alleen voor financieel maar vooral voor artistiek risico. Laten we Virgin helpen door de jacht op het nieuwe jonge operaorkest te openen. Ondertussen is het in deze Ariodante vocaal genieten met Karina Gauvin (Ginevra), Marie-Nicole Lemieux (Polinesso), Topi Lehtipuu (Lurcanio, met een 66

extra, door Händel geschrapte aria) en vooral Joyce DiDonato in de titelrol. Haar ‘Scherza infida’, immers geen meeslepende klaagzang maar een verklanking van smeulende wraakzucht, is ronduit dreigend, terwijl haar andere hit ‘Dopo notte’ net voor de finale binnenkomt als een welkom maar nog wat onzeker straaltje hoop. Op eerdere cd’s zong ze de stukken al eens los (maar nog niet eerder met zulke spectaculaire versieringen), als een belofte die ze nu met een complete interpretatie van de rol ruimAE schoots inwilligt. G.F. Händel: Belshazzar

Solisten, RIAS Kammerchor, Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. René Jacobs Harmonia Mundi HMD 9909028.29 (dvd) René Jacobs verstaat de kunst van het overdrijven zoals maar weinig musici dat kunnen. Dat bedoel ik in positieve zin: elke keuze die hij maakt is voor de luisteraar glashelder, of hij het er nu mee eens is of niet. Als Jacobs dus besluit om het oratorium Belshazzar op het toneel te brengen, dan krijg je opera. Regisseur Christof Nel omzeilt de beperkingen van het oratorium door de godslastering van Belshazzar en de vrijheidsstrijd van de Joden tegen een neutrale achtergrond te plaatsen, waar het koor soepel wisselt tussen verschillende nationaliteiten zonder het toneel te verlaten. Zijn enscenering is verder op het saaie af, misschien uit angst dat het dramatische verhaal de muziek zou overschaduwen. De meest indrukwekkende prestaties komen op naam van Rosemary Joshua (Belshazzars vrome moeder), Kristina Hammarström (de profeet Daniël) en Bejun Mehta als de onbaatzuchtige koning Cyrus. Het meeste applaus gaat terecht naar de zangers van het RIAS Kammerchor. AE

J.S. Bach: Italian Concertos

Matthias Havinga, orgel Brilliant Classics 94203 Als organist aan het hof van Weimar (1708-1714) kreeg Johann Sebastian Bach de allernieuwste Italiaanse muziek in handen, onder meer via prins Johann Ernst von SachsenWeimar. Die bracht na zijn studie in Utrecht een verzameling drukken en kopieën mee, afkomstig uit Amsterdam, hét muziekdrukcentrum van die tijd. Daar had hij bovendien de blinde organist van de Nieuwe Kerk, Jan Jacob de Graaf, bewerkingen van Italiaanse concerten horen spelen. Blijkbaar raakte Bach dermate geïnspireerd dat hij zowel voor orgel als klavecimbel een flink aantal transcripties maakte, met name van concerten van Antonio Vivaldi, Alessandro Marcello en prins Johann Ernst zelf. Ook al zette Bach de stukken naar zijn eigen hand, het oorspronkelijke Italiaanse temperament spat er nog vanaf. Heerlijke muziek dus om je debuut-cd mee te vullen, zoals de jonge Nederlander Matthias Havinga deed. Hij won in 2009 het orgelconcours in het Finse Kotka, en werd in de gelegenheid gesteld deze opname te maken. Havinga laat het orgel van Martti Porthan (1998) sprankelen als ware het een echte Silbermann. Een WdJ fris en veelbelovend debuut! J.S.Bach: Famous works on Pedal Harpsichord

Luc Beauséjour, pedaalklavecimbel Analekta AN 2 9970 Het pedaalklavecimbel heeft naast het gewone klavecimbel en het orgel nooit een eigen plaats ingenomen. Het kostbare instrument, dat voor het pedaal een aparte klankkast en snaren had (achtvoet- en zestienvoetsnaren), is waarschijnlijk vooral een studieklavier voor organisten geweest. Jakob


cd-besprekingen

Adlung beschrijft in 1758 een prachtig exemplaar dat hij in Weimar bij organist Vogler aantrof. Deze Vogler was ooit leerling van J.S. Bach en het is denkbaar dat Bach ook een dergelijk instrument heeft bezeten. Vandaar dat Luc Beauséjour heeft gekozen voor Bach-werken die we allemaal als typische orgelstukken kennen. De befaamde Toccata in D-klein BWV 565, enkele koraalvoorspelen, Preludes en Fuga’s en de monumentale Passacaille in C-klein BWV582. Het is even wennen, maar ik vind het resultaat boeiend; zó hebben deze stukken dus bij de organisten thuis geklonken. Het spel van Beauséjour is levendig en spannend; mooi gearticuleerd en ritmisch soepel. Omdat het klavecimbel vrij direct is opgenomen, komt de grandeur van dit orgelrepertoire toch goed over. De ronkende zestienvoet van het pedaal zou een klavecinist HD bijna jaloers maken!

Caldara. (Wat u ook doet met deze recensie, koop die onmisbare cd!) Sindsdien zijn verschillende ‘nieuwe’ stukken van hem op de markt gekomen, maar prettig geschokt raakte ik nooit: of de uitvoering was ondermaats, of de muziek toch niet zo interessant. Daar is met Clodoveo verandering in gekomen, en dan zeker in deze uitvoering (Le Parlement de Musique nam het stuk eind jaren ’90 ook al op). Tegen de achtergrond van Clovis’ bekering tot het christendom schildert Caldara zijn karakters met een fijn penseeltje, en met niet meer dan strijkers en een enkele fluitpartij. De artistieke kracht achter Le Nouvel Opéra uit Canada is sopraan Suzie LeBlanc, hier vergezeld van Matthew White, Nathalie Paulin en Allyson McHardy. Ik voel een nieuwe liefde AE opbloeien! Il primo uomo: Arias for Nicolini

Dmitry Egorov, La Stagione Frankfurt o.l.v. Michael Schneider Deutsche Harmonia Mundi 88697816252

A. Caldara: La conversione di Clodoveo, Rè di Francia

Solisten, Le Nouvel Opéra o.l.v. Alexander Weimann Atma Classique ACD 22505 Iedereen heeft wel een opname die vanaf de eerste keer luisteren een schok teweeg brengt die nog steeds naklinkt. Voor mij is dat René Jacobs’ Bazelse uitvoering van Maddalena ai piedi di Cristo, een eenvoudig bezet maar o zo verleidelijk oratorium van

Händel kwam niet voor niets naar Londen: hij wist dat er een felle strijd woedde tussen voorstanders van Engelstalige en Italiaanse opera en besloot zijn bijdrage te leveren. Olie op het vuur (of, voor fans: koren op de molen) waren de buitenlandse sterren die het Italiaanse kamp liet overvaren, dit zeer tegen de zin van de nationalisten die niets op hadden met zulke importartiesten. Het zuidelijke kamp claimde een voorlopige overwinning, met een aantal castraten als zijn generaals onder wie Nicolini, aan wie deze opname is gewijd. Countertenor Egorov werkt zich vlakjes door enkele spectaculaire aria’s van Scarlatti en Händel, behendig begeleid door het huisorkest van Deutsche Harmonia Mundi. Hoe deze twee bij elkaar zijn

gekomen is me een raadsel, of het zou moeten zijn dat DHM een gaatje in hun kalender op het laatst moest vullen. Jammer, maar gelukkig zijn er van Rinaldo en Agrippina al uitsteAE kende opnames.

P.D. Paradisi: Complete Sonate per gravicembalo

Filippo Emmanuele Ravizza, klavecimbel Concerto CD 2008-2 G.B. Pescetti: Sonate per gravicembalo

Filippo Emmanuele Ravizza, klavecimbel Concerto CD 2062-2 Zowel de Napolitaan Paradisi als de Venetiaan Pescetti trokken naar Londen waar ze, behalve op het operatoneel, succes hadden als klavecinist en docent. Beiden lieten hun werken in Londen verschijnen en beiden trokken uiteindelijk weer naar Italië. Bij Paradisi treffen we vooral de mengeling aan van Napolitaanse en Franse invloeden met een techniek die vooruitloopt op Domenico Scarlatti. De sonates van Pescetti zijn representatief voor de overgangstijd tussen Barok en galante stijl en lijken vooral bedoeld om het klavecimbel te laten schitteren: korte motieven die niet doorgewerkt worden, maar naast elkaar gezet, afgewisseld met virtuoze passages waarin alle mogelijkheden van het instrument worden benut. Ik had deze componisten wel een wat zwieriger uitvoering gegund. Klavecinist Ravizza speelt netjes, maar komt niet los van 67


cd-besprekingen

de grond: het klinkt een beetje hoekig en eenvormig. Paradisi is erg direct opgenomen. Pescetti gelukkig minder, zodat er tenminste nog enige charme HD in het klavecimbelgeluid zit.

D. Terradellas: Sesotri

Solisten, Reial Companyia Òpera de Cambra o.l.v. Juan Bautista Otero RCOC 1102.3 De naam Terradellas klinkt Spaans genoeg. Toch hebben we hier te maken met een componist die Italië inclusief de nationale muziekstijl volledig adopteerde als zijn nieuwe thuis. Rousseau rekent hem zelfs tot de illusterste Italianen, al is helaas niet bekend welk werk de filosoof-componist van Terradellas gehoord heeft. Sesostri, re d’Egitto is diens laatste opera, na een leven vol reizen en steady successen geschreven voor het Romeinse carnaval van 1751. Doorgaans felle, druk georkestreerde da capo-aria’s passen in het standaardmodel voor opera seria, waarvan een flink aantal het schematische ontstijgt. Terradellas Catalaans noemen gaat stilistisch gezien wat ver, maar ik ben de uitvoerenden dankbaar voor die claim als excuus, want met deze herontdekking voegen ze een nieuw facet toe aan de Napolitaanse operatraditie, en dat in een prima uitvoering. De solisten zijn overigens verre van Spaans: in de hoofdrol zingt Sunhae Im, terwijl verder vooral Alexandrina Pendatchanska AE opvalt als Sesostri’s moeder. 68

A Daring Game - Scarlatti

Film van Francesco Leprino Concerto dvd 2021 De maker van deze dvd, waarop ‘12 thematic variations on Domenico Scarlatti’, vraagt ons kijkers begrip voor het feit dat dit een low budget productie is en dus niet aan de allerhoogste technische eisen kan voldoen. Dat mag zo zijn, maar dat is geen excuus voor de chaotische opzet van dit product. Muziekfragmenten worden afgewisseld met korte interviews waarin beurtelings schrijvers, musici en andere liefhebbers ons vertellen hoe geweldig Scarlatti’s muziek is. Een van de geïnterviewden is Gustav Leonhardt, die helaas niet speelt en wiens verhaal wordt onderbroken door een klavecinist die liefdeloos een mooi klavecimbel te grazen neemt. Wanneer daarna een deskundige verklaart dat het klavecimbel het instrument bij uitstek voor Scarlatti is, horen we een pianist een gedeelte van een Sonate spelen. Voor de Scarlatti-liefhebbers voegt deze productie niets toe, en komen hier nieuwe liefhebbers van? Ik HD heb mijn twijfels. France 1789

Les Lunaisiens Alpha 810 Voor wie geïnteresseerd is in geschiedenis, en met name in de Franse Revolutie, is deze cd gewijd aan de ‘révolte en musique d’un sans-culotte et d’un royaliste’ een echte aanrader. Les Lunaisiens, in 2010 al te gast in het Festival met dit unieke repertoire, presenteren met verve de sarcastische teksten vóór en tegen het nieuwe bewind. Robespierre, de koninklijke familie, het Opperwezen, beurtelings worden ze vocaal beschimpt en bewierookt. De cd eindigt met de Marseillaise, sinds die tijd het officiële Franse volkslied, en een parodie

daarop waarin angstige geestelijken het volk oproepen om zich niet met de revolutionairen in te laten. Les Lunaisiens -vier zangers, diverse strijkers en blazers en een heuse ‘piano organisé’ (een combinatie van een pianoforte en een orgeltje) zetten dit repertoire met verve neer. De soms bijtende teksten komen goed over. Laat achttiende-eeuws satirisch cabaret, niets HD meer en niets minder.

J.R. Zumsteeg: Die Geisterinsel

Solisten, Kammerchor Stuttgart, Hofkapelle Stuttgart o.l.v. Frieder Bernius Carus 83.229 Prettig aan Frieder Bernius en zijn ensembles: ongeacht het repertoire is de uitvoering altijd tot in de puntjes verzorgd. Jammer van deze opname: Zumsteegs muziek is niet zo interessant. Terwijl Mozart eind achttiende eeuw het operalandschap wild overhoop ploegt, schrijft zijn tijdgenoot in Stuttgart grootse aria’s zonder spanning. Het moet echter gezegd: Die Geisterinsel (1798) was een van de eerste stukken in zijn soort in de regio, en kon waarschijnlijk alleen al daarom twintig jaar repertoire houden. Dan zijn er nog het op Shakespeares The Tempest geïnspireerde verhaal en de echt niet onverdienstelijke melodieën; je hoort de aantrekkingskracht. Maar ruim tweehonderd jaar terugkijkend begrijp je ook waarom Zumsteeg het


cd-besprekingen

behalve met zijn liederen (voorlopers van Schubert en Loewe) niet heeft gehaald, want zijn effecten hebben de kracht niet meer om te verrassen. AE Toch: de uitvoering is top.

L. van Beethoven: Pianosonates op. 109, 110, 111

Alexei Lubimov, fortepiano Zig-Zag Territoires ZZT 110103 Beethovens laatste drie pianosonates gelden als zijn meest ontoegankelijke werken. De gebruikelijke sonatevorm wordt losgelaten: in bijvoorbeeld het eerste deel van op.109 wisselen Vivace en Allegro elkaar af, terwijl de afsluitende variatiereeks volgens Czerny in de stijl van Bach en Händel gespeeld dient te worden. Op.111 heeft maar twee delen waarvan het laatste, een Adagio, een rust en verstilling uitstraalt die we nog niet eerder bij Beethoven zijn tegengekomen. Slechts de allergrootsten onder de pianisten weten deze weerbarstige muziek goed tot klinken te brengen en Alexei Lubimov is er een van. Zelden heb ik in de begindelen van op.109 en 110 het espressivo en con espressione zo duidelijk ervaren als bij Lubimov. Hartstochtelijk Prestissimo (op.109) of het zwaarmoedige Adagio (op.110), alle aspecten komen prachtig uit de verf. En dan op.111! De manier waarop, na de bravoure van het eerste deel, de sfeer in het tweede en laatste deel onder Lubimovs handen steeds abstracter wordt, is adembenemend. De

Alois Graff-vleugel van circa 1828 uit het bezit van Edwin Beunk blijkt voor deze sonates het ideale instrument te zijn. De opname is uitstekend en de enige fortepianist zich die in deze stukken op hetzelfde niveau bevindt is Ronald Brautigam. Allebei aanschafHD fen, lijkt me.

veel expressie die in de langzame delen tot prachtige resultaten leidt. Imposant is haar begin van de Beethoven-sonate, fors geblazen en met mooie contrasten. Deze sonate is ook iets ruimer opgenomen dan de rest. Fortepianiste Cok is van hetzelfde niveau: De Rosenberger-kopie (ca.1798) van David Winston zingt onder haar HD handen. Een echte aanrader.

L. van BEethoven, N. von krufft e.a.: Sonatas for horn and fortepiano

F. von Suppé: Missa Dalmatica

Anneke Scott, hoorn & Kathryn Cok, fortepiano Challenge CC 7351

Lords of the Chords, Jens Wollenschläger, orgel Carus 83.455

Natuurhoornspeelster Anneke Scott en fortepianiste Kathryn Cok geven op deze cd een boeiende bloemlezing van repertoire dat in de vroege achttiende eeuw voor deze combinatie zeer geliefd was. Krufft, die als diplomaat midden in de politieke verwikkelingen van het Wener Congres zat, had kennelijk nog genoeg tijd om te componeren en liet de Sonate in E-groot in 1812 verschijnen. Welke hoornist hem hiertoe inspireerde is niet bekend. Dat weten we wel bij de sonate in F-groot op.17 uit 1800 van Beethoven. De Boheemse hoornist Stich, rondreizend onder de naam Giovanni Punto, werd door kenners als een solist zonder rivalen beschouwd en Beethoven schreef in één dag deze sonate voor hem (wellicht geholpen door tips van Punto zelf). Maximillian Joseph Leidesdorf was behalve pianist en gitarist ook muziekuitgever, en publiceerde in 1824 zijn sonate in Es-groot op.164, opgedragen aan de hoornist Bellonci die, gezien de virtuositeit van de hoornpartij, een belangrijk aandeel in de totstandkoming moet hebben gehad. Drie uiterst plezierige sonates, aangevuld met een onbekende bewerking van het Largo uit Haydns Reiter-kwartet, worden op een fantastische manier gespeeld. Anneke Scott heeft een mooie toon,

Een van de koningen van de operette, Franz von Suppé, blijkt zomaar zijn eigen Petite messe solennelle te hebben geschreven, en waarom grijpen mannenkoren overal te wereld niet hun kans met dit aandoenlijke en substantiële werk? Het is eens ‘iets anders’ dan de motetten van tijdgenoot Bruckner, zonniger van kleur en door de nauwverholen verwijzingen naar muziektheater een stuk minder zwaar op de hand. Drie solisten (twee tenoren en een bas) krijgen gaandeweg hun kans te stralen, maar het driestemmige koor is leidend, ondersteund door een eenvoudige orgelpartij. En hoe brengen die curieus genaamde Duitse Lords of the Chords het ervan af? Wat mij betreft streeft hun kwaliteit die van de muziek ver voorbij, vooral als die verrassend genoeg omslaat van best aardig naar beslist aangrijpend. En die gekke mistitel dan? Von Suppé bracht zijn jeugd door aan de Adriatische kust, voordat hij in Wenen triomfen kwam vieren. AE Om te proberen.

69


70

J. de Berchem La favola di Orlando. Daedalus o.l.v. Roberto Festa. Accent ACC 10112

E. Jacquet de la Guerre Sonatas for violin and basso continuo. Les Dominos o.l.v. Florence Malgoire. Ricercar RIC 310

J. Haydn Baryton Trios. Guido Balestracci, Alessandro Tampieri, Bruno Cocset. Ricercar RIC 315

L. van Beethoven Sonatas no. 4, 17 & 27. Igor Tchetuev. Caro Mitis CM 0032010

J. Blow Venus and Adonis. Boston Early Music Festival Vocal and Chamber Ensembles o.l.v. Paul O’Dette, Stephen Stubbs. CPO 777614-2

G.F. Händel Suites de Pièces de clavecin. Cristiano Holz. Ramée RAM 1004

J.S. Bach Complete sonatas & partitas for solo violin. Pavlo Beznosiuk. Linn Records CKD 366

G.F. Händel Ariodante. Il Complesso Barocco o.l.v. Alan Curtis. Virgin Classics 5099907084423

G.F. Händel Messiah. Apollo’s Fire. Avie AV 2208

F. Guerrero The Angel’s Voice, incl. Missa L’homme armé. Ensemble La Sestina o.l.v. Adriano Giardina. DHM 88697824012

C.H. Graun Montezuma. Deutsche Kammer­akademie o.l.v. Johannes Goritzki. Capriccio C 7085

A. Grandi Vespro della Beata Vergine. Gächinger Kantorei Stuttgart, Bach-Collegium Stuttgart o.l.v. Matthew Halls. Carus  83.367

G.W. Gluck Five Symphonies. L’Orfeo Barockorchester o.l.v. Michi Gaigg. CPO 777411-2

J.A. Hasse Requiem in c. Dresdner Kammerchor, Dresdner Barockorchester o.l.v. HansChristoph Rademann. Carus 83.349

J.S. Bach Orgelbüchlein. Ensemble Mare Nostrum o.l.v. Andrea De Carlo. MA Recordings M 076 A

J.S. Bach Goldberg Variations. Steven Devine, klavecimbel. Chandos CHAN 0780

J.S. Bach Famous works on pedal harpsichord. Luc Beauséjour. Analekta AN 2 9970

J.S. Bach Clavier-Übung II. Benjamin Alard. Alpha 180

J.S. Bach L’art de la fugue. Sit Fast, gambakwartet. Eloquentia EL 1125

J.S. Bach Motetten. Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe. Phi LPH 002

J.S. Bach Cantatas vol. 48. Bach Collegium Japan o.l.v. Masaaki Suzuki. BIS SACD 1881

discografie / cursussen / festivals

G.Ph. Telemann Orpheus. L’Orfeo Barockorchester o.l.v. Michi Gaigg. DHM 88697805972

G.Ph. Telemann Lukas-Passions, 1748. Die Rheinische Kantorei, Das Kleine Konzert o.l.v. Hermann Max. CPO 777601-2

G.Ph. Telemann Cantatas & chamber music. Klaus Mertens, Berliner Barock Compagney. Capriccio 10741

J.P. Sweelinck Organ Works vol.1. Harald Vogel. MDG 9141690-6

F. von Suppé Missa Dalmatica. Lords of the Chords, Jens Wollenschläger, orgel. Carus 83.455

H. Schütz Musikalische Exequien. Vox Luminis o.l.v. Lionel Meunier. Ricercar RIC 311

P. Schoendorff The Complete Works. Cinquecento. Hyperion CDA 67854

A. Scarlatti Serenata a Filli. La Risonanza o.l.v. Fabio Bonizzoni. Glossa GCD 921511

La Spagna, a tune throught the ages Diverse componisten. Atrivm Mvsicae o.l.v. Gregorio Paniagua. BIS SACD 1963

La guitarra española Milán, Guerau, Sor, Tárrega. José Miguel Moreno. Glossa GCD 920111

Jauchzet dem Herren Les psaumes de David au XVIIe siècle en Allemagne du Nord. Hans-Jörg Mammel, La Fenice o.l.v. Jean Tubéry. Alpha 179

Inspired by the Bells English and French music for carillon and recorder. Arie Abbenes, Saskia Coolen. Globe GLO 5239

Il primo uomo, arias for Nicolini Händel, Scarlatti. Dmitry Egorov, La Stagione Frankfurt o.l.v. Michael Schneider. DHM 88697816252

Historia Sancti Martini Diabolus in Musica. Aeon AECD 1103

France 1789 Révolte en musique d’un sans-culotte & d’un royaliste. Les Lunaisiens. Alpha 810

Flos inter spinas Medieval Czech Music. Hana Blazikova, Tiburtina Ensemble o.l.v. Barbora Sojková. Supraphon SU 4037-2

Concerti Curiosi Paradies, Reichenauer, Pepush e.a. Charivari Agréable o.l.v. Kah-Ming Ng. Signum Classics SIGCD 249

A. Reichenauer Concertos. Musica Florea o.l.v. Marek Stryncl. Supraphon SU 4056-2 G. Sammartini Concertos & Overtures. Les Muffatti o.l.v. Peter Van Heyghen. Ramée RAM 1008

Candlemas in Renaissance Rome Arcadelt, Palestrina, De Silva. Musica Contexta. Chandos CHAN 0779

A. Reicha Variations & Grand Quintet. Island. Ars 38091

Apollo Ensemble www.apollo-ensemble.nl onderwerp: De Lelystadse Telemanndagen (blokfluitorkest, concours, masterclasses) datum: 30 september – 2 oktober plaats: Lelystad docenten: Apollo Ensemble, Erik Bosgraaf

Musica Antica a Magnano www.musicaanticamagnano.com onderwerp: symposium klavichord datum: 6-10 september plaats: Magnano (I)

  cursussen

W.A. Mozart Don Giovanni. Orchestra of the Age of Enlightenment o.l.v. Vladimir Jurowski; regie: Jonathan Kent. EMI Classics 5099907201790

G.F. Händel Serse. Les Talens Lyriques o.l.v. Christophe Rousset. Medici Arts EA 2053798

A daring game 12 thematic variations on Domenico Scarlatti. Film van Francesco Leprino. Concerto DVD 2021

  DVD

Venezia Rosenmüller, Legrenzi, Stradella. The Rare Fruits Council o.l.v. Manfredo Kraemer. Ambronay AMY 864

Un camino de Santiago The music of the 17th century on the way of St. James of Compostella. Arianna Savall, La Fenica o.l.v. Jean Tubéry. Ricercar RIC 312


M. Mielczewski Virgo prudentissima i inne religijne koncerty. Les Traversées Baroques o.l.v. Etienne Meyer. K617 226

C. Monteverdi Vespers 1610. Choir of the Enlightenment, Orchestra of the Enlightenment o.l.v. Robert Howarth. Signum Classics SIGCD 237

A. Caldara La conversione di Clodoveo, Rè di Francia. Le Nouvel Opéra o.l.v. Alexander Weimann. Atma ACD 22505

F. Cavalli Artemisia. La Venexiana o.l.v. Claudio Cavina. Glossa GCD 920918

71

G. Giorgi Ave Maria. Choeur de Chambre de Namur o.l.v. Leonardo García-Alarcón. Ricercar RIC 313

C. Gesualdo Madrigals, book 3. Delitiae Musicae o.l.v. Marco Longhini. Naxos 8.572136 (digitale editie)

J.J. Fux Partite a 3. Ars Antiqua Austria o.l.v. Gunar Letzbor. Challenge CC 72381

A. de Févin Requiem d’Anne de Bretagne. Doulce Mémoire o.l.v. Denis Resin Dadre. ZigZag Territoires ZZT 110501

J.F. Fasch Overtures, Concerti. Cappella Coloniensis o.l.v. Hans-Martin Linde. Capriccio C 5073

J. Des Prez Stabat Mater. Dufay Ensemble. Ars Musici TI 232918

J.P. Rameau L’orchestre de Louis XV. Le Concert des Nations o.l.v. Jordi Savall. Alia Vox AVSA 9882

P. Philips Paradisus sacris cantionibus. Currende o.l.v. Erik Van Nevel. Accent ACC 10062

F. de Peñalosa Missa Nunca fue pena mayor. Les Sacqueboutiers, Ensemble Gilles Binchois o.l.v. Dominique Vellard. Glossa GCD 922305

P.D. Paradisi Complete Sonate di gravecimbalo. Filippo Emmanuele Ravizza. Concerto CD 2008

A. Pandolfi Mealli Six Violin Sonatas op.6. Ars Antiqua Austria o.l.v. Gunar Letzbor. Arcana A 360

J. de Nebra Esta dulzura amable, sacred cantatas. Al Ayre Español o.l.v. Eduardo López Banzo. Challenge CC 72509

G.Ph. Telemann Quatuors parisiens vol. 2. John Hollo­way, Lars Ulrik Mortensen e.a. CPO 777376-2

O. de Lassus Prophetiae Sybillarum & Missa Amor ecco colei. The Brabant Ensemble o.l.v. Stephen Rice. Hyperion CDA 67887

W. Byrd Complete Consort Music. Phantasm o.l.v. Laurence Dreyfus. Linn Records CKD 372

Bal au temps des Valois, 1599 Estrée, Duchemin. Compagnie Outre Mesure o.l.v. Robin Joly. Musiques à la Chabotterie 605009

 Verzamel

J.R. Zumsteeg Die Geisterinsel. Kammerchor Stuttgart, Hofkapelle Stuttgart o.l.v. Frieder Bernius. Carus 83.229

A. Vivaldi Giorno e notte, concerti per flauto. Conrad Steinmann. Divox CDX 70804

A. Vivaldi La Stravaganza. Europa Galante o.l.v. Fabio Biondi. Virgin Classics 5099951930028

A. Vivaldi La Passione dell ‘Uomo. La Magnifica Communità o.l.v. Enrico Casazza. DHM 88697767592

T.L. de Victoria Requiem. Tenebrae o.l.v. Nigel Short. Signum Classics SIGCD 248

G.Ph. Telemann Sonatas & Sonatines. Heiko ter Schegget e.a. MDG 9051693-6

G.Ph. Telemann Trios and Quartets. Ensemble Meridiana. Linn Records CKD 368

J.G. Janitsch Sonate da camera vol. 2. Notturna o.l.v. Christopher Palameta. Atma ACD 22638

D. Buxtehude Une alchimie musicale. Da Pacem o.l.v. Raphaëlle Kennedy. K617 227

G.Ph. Telemann The Recorder Collection. Drottningholm Baroque Ensemble. BIS CD 1488-90

H. Jadin Quatuors à cordes oeuvre 1. Quatuor Franz Joseph. Atma ACD 22610

S. de Brossard Oratorios, Leandro. La Rêveuse o.l.v. Benjamin Perrot, Florence Bolton. Mirare MIR 125

The Seven Sins of Hieronymus Bosch incl. dvd van de voorstelling. Camerata Trajectina, La Caccia. Globa GLO 6067

The Great Bach Tradition Thomanerchor Leipzig. Berlin Classics BC 300224

Stellwagen-Orgel zu St. Marien Stralsund. Schmiedtlein, Hintz, Gronau e.a. Martin Rost. MDG 3201697-2

Songs of an English Cavalier Byrd, Blow, Campion, Purcell e.a. Kobie van Rensburg, Lautten Compagney o.l.v. Wolfgang Katschenr. NCA MA 60220

Sonatas for horn and fortepiano Krufft, Beethoven, Haydn, Leidesdorf, Bellonci. Anneke Scott, Kathryn Cok. Challenge CC 72515

Some strange felicity Purcell, Locke, Banister, Gibbons e.a. Sospiri Ardenti. KA 005

Salzburg Barock Biber, Muffat, Bernardi. Emma Kirkby, Bell’Arte Salzburg o.l.v. Annegret Siedel. Berlin Classics BC 300120

Per la Vergine Maria Monteverdi, Bencini, Melani e.a. Concerto Italiano o.l.v. Rinaldo Alessandrini. Naïve OP 30505

Musicae Fons Aureus Czech organ concertos of the 18th century. Jarlslav Tuma, Hipocondria Ensemble. Arta F 10191

Mostly Mozart Mozart, Paisiello, Holzbauer: aria’s. ­Mojca Erdmann, La Cetra Barockorchester Basel o.l.v. Andrea Marcon. Deutsche Grammophon 4778979

Kleine steentjes muziek www.muziektrainingen.com/nl/master classes/liederen-op-teksten-van-heine onderwerp: Masterclass liederen op teksten van Heinrich Heine datum: 23 oktober plaats: Leiden docent: Frans Huijts, Maarten Hillenius Musica www.musica.be onderwerp: Blokfluitcursus Duitse consortmuziek datum: 21-23 oktober plaats: Neerpelt (B) docenten: leden Flanders Recorder Quartet

Huismuziek www.huismuziek.nl onderwerp: Barokke versieringen op de cello datum: 8 oktober en 12 november plaats: Parnassos, Utrecht docenten: Elske Tinbergen onderwerp: Blokfluitensemble-weekend datum: 8-9 oktober plaats: De Glind, Barneveld docenten: Sascha Mommeertz, Suzanne van der Helm onderwerp: Renaissancedag Decamerone, voor zangers en blokfluit, viool, gamba datum: 26 november plaats: Parnassos, Utrecht docenten: Jacqueline Dubach, Christopher Kale onderwerp: Tous les matins du monde: Franse barokmuziek (nog plaats voor klavecinisten) datum: 9-11 december plaats: De Glind, Barneveld docenten: Trio da Fusignano: Sascha Mom­ mertz, Marijn Slappendel, Diederik van Dijk onderwerp: Renaissancedag Decamerone (zangers, blokfluitisten, violisten, gambisten) datum: 28 januari 2012 (cursus gelijk aan 26 nov) plaats: MuzyQ, Amsterdam docenten: Jacqueline Dubach, Christopher Kale

discografie / cursussen / festivals


72

Vlaamse orgeldagen www.orgelinvlaanderen.be onderwerp: Het orgel versus en andere toetsinstrumenten datum: 18 t/m 20 augustus plaats: Sint-Niklaas (B) uitvoerenden: Paul De Maeyer, Geert D’Hollander, Christophe Bursens, Erwin Van

  festivals

onderwerp: Open masterclass Érard 1876 datum: 26 november plaats: Antwerpen (B) docente: Claire Chevallier onderwerp: Hendrik van Veldeke (zangers en instrumentalisten) datum: 16-17 dec, 27-29 jan 2012, 17-19 feb 2012 plaats: Alden Biesen (B) docenten: Marc Lewon, Benjamin Bagby

30ste Holland Festival Oude Muziek Utrecht www.oudemuziek.nl onderwerp: Roma – città eterna datum: 26 augustus – 4 september plaats: Utrecht uitvoerenden: Rosas, Graindelavoix,

Laus Polyphoniae Festival van Vlaanderen-Antwerpen www.festival-van-vlaanderen.be onderwerp: Sons Portugueses datum: 20-28 augustus plaats: Antwerpen (B) uitvoerenden: Capilla Flamenca, La Colombina, Officium, Andrew Lawrecne-King, Ensemble Daedalus, Huelgas Ensemble, Ludovice Ensemble, La Hispanoflamenca e.a.

Bogaert, Dieter Van Handenhoven e.a. Voorts: workshops, kinderactiviteiten, tentoonstelling etc.

Festival d’Ambronay www.ambronay.org onderwerp: Passion Bach datum: 9 september – 2 oktober plaats: Ambronay (F) uitvoerenden: Leonardo García Alarcón, Philippe Jaroussky, Vivaldi’s Farnace met Max Emanuel Cencic en Vivica Genaux , Hélène Schmitt, Pierre Hantaï, Bernard Foccroulle e.a.

Huelgas Ensemble, The Sixteen, Concerto Copenhagen, I Barocchisti, La Fenice, Monica Huggett, Hopkinson Smith, Raquel Andueza, Marco Beasley, The Brabant Ensemble, Holland Baroque Society, Capilla Flamenca, B’Rock e.v.a. onderwerp: Oude Muziek Markt datum: 2-4 september plaats: Utrecht, Museum Speelklok onderwerp: Beiaardfestival Oude Muziek datum: 27 augustus – 4 september plaats: Utrecht, binnenstad

Brighton Early Music Festival www.bremf.org.uk Onderwerp: Dance Datum: 21 oktober – 6 november Plaats: Brighton (GB)

Berliner Tage für Alte Musik www.berlinaltemusik.com onderwerp: Concerten, Muziekinstrumentenmarkt datum: 14-16 oktober plaats: Berlijn (D) uitvoerenden: B’Rock, Les Cyclopes, Hélène Schmitt, Fontana di Musica e.a.

Musica Sacra www.musicasacramaastricht.nl onderwerp: De vreugde der wet datum: 15-18 september plaats: Maastricht uitvoerenden: Les Muffatti, Benjamin Alard, Cappella Amsterdam, Cantica Symphonia, Currende, The Royal Wind Music e.a.

Greenwich Early Music Festival www.earlymusicfestival.com onderwerp: Concerten, oude-muziekmarkt datum: 11-13 november plaats: Greenwich (GB) uitvoerenden: Red Priest, L’Arpeggiata, Pantagruel, Matthias Maute e.a.

Tage Alter Musik Herne www.tage-alter-musik.de onderwerp: Alter ego datum: 10-13 november plaats: Herne (D) uitvoerenden: nog niet bekend ook: Muziekinstrumentenmarkt: blaas- en snaarrinstrumenten

uitvoerenden: BREMF Players and Singers, The Sixteen, The Oboe Band, Estampie, The Telling, Joglaresa, Eclypse e.a.

discografie / cursussen / festivals


seizoen oudemuziek Klein interview

Fortepianist Bart van Oort:

‘Mozart schreef als eerste vierhandig’ Fortepianisten Bart van Oort en Petra Somlai zullen zich in het Seizoen Oude Muziek wijden aan Mozart. Op het programma staat muziek voor piano vierhandig, voor piano solo en voor twee piano’s. Bart van Oort legt uit dat Mozart de eerste was die voor piano vierhandig schreef. ‘Dit waren echte concertstukken die hij mogelijk samen met een leerling speelde; het hele idee dat vierhandig pianospel iets was voor tijdens de muzieklessen dateert pas van ná Mozart. De twee partijen, primo (rechts) en secundo (links) zijn volkomen gelijkwaardig aan elkaar.’ Hoe werkt het precies? ‘Mozart vergroot alles heel sterk uit in vergelijking met zijn solopianowerken. Logisch, want zowel primo- als secundopartijen speel je met twee handen. De secundopartij is het fundament, de bas en de harmonie, de rechterhand kan zich de nodige retorische vrijheden permitteren. Vaak wordt gedacht dat rechts de belangrijkste partij is, maar daar denk ik anders over: juist bas en harmonie waren in de klassieke periode zo belangrijk.’ Wie speelt wat? ‘Wij hoeven niet eindeloos uit te puzzelen wie welke partij moet spelen, dat maakt eigenlijk niet uit. Petra en ik spelen ieder ook één solostuk, en we spelen een sonate voor twee piano’s. Daarmee hebben we dus drie verschijningsvormen van Mozarts klaviermuziek.’ Bart van Oort won in 1986 het fortepianoconcours van Brugge. De Hongaarse Petra Somlai, onlangs bij Bart van Oort afgestudeerd met een 10 met onderscheiding, schreef dit concours in 2010 op haar naam. Bart van Oort: ‘Er is in die tussentijd natuurlijk heel veel veranderd. Oude muziek is echt een merk geworden en je hoeft je als fortepianist steeds minder te verdedigen voor de keuzes die je maakt. Ook moderne pianisten raken steeds geïnteresseerder in de voorgangers van hun instrument. Tegenstanders heb je natuurlijk ook altijd nog, maar het worden er wel steeds minder. Anderzijds worden historisch geïnformeerde musici ook wat minder streng in de leer, ikzelf ook. Mozart mag van mij best op een Steinway, maar je zult het mij niet horen doen. Ik zal altijd liever spelen op de instrumenten uit de tijd van het repertoire dat ik het liefst speel, zeg tussen 1750 en 1850. Ik vind het geweldig om dit Mozart-programma samen met Petra Somlai te doen. Zij is de eerste fortepianiste die met een 10 afstudeert en dat zegt wel iets over het niveau waarop het fortepianospel inmiddels is beland.’ Marcel Bijlo Zie voor de concertdata van Bart van Oort & Petra Somlai pp. 24

73


vrienden oudemuziek

CD-AANBIEDINGEN De Leidse Koorboeken I Egidius Kwartet en College o.l.v. Peter de Groot Etcetera KTC 1410 (2 cd’s) Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Het Egidius Kwartet is bezig met een groot project rond de Leidse Koorboeken: zes kloeke handschriften die als door een wonder de Beeldenstorm overleefden. Samen vormen ze een afspiegeling van de zangpraktijk in de Leidse Pieterskerk, waar door de dag heen polyfonie klonk in de diverse liturgische getijden. In het eerste koorboek uit 1549 staan veel composities van Thomas Crecquillon en de vrijwel onbekende Joachimus de Monte, stuk voor stuk sprankelende composities. Op deze dubbel-cd ook een mis van Nicolas Gombert, de ‘godfather’ van de Habsburgse polyfonie, en een anonieme Missa Sancta Maria.

C. Schuyt: Madrigali, padovane e gaillarde Camerata Trajectina o.l.v. Louis Peter Grijp Globe GLO 6068 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Cornelis Schuyt publiceerde vier muziekbundels: drie met madrigalen en één met pavanes en gaillardes. Dat hij in Italië studeerde is te horen aan zijn madrigalen, die behalve op Italiaanse ook op Nederlandse tekst zijn gezet. Schuyts dansmuziek is weer heel Engels van karakter. Camerata Trajectina maakte een mooie selectie uit de vier boeken en treedt hier aan in een grote bezetting met extra blokfluiten (de leden van Brisk) en extra gamba’s (de leden van The Spirit of Gambo). Alles uitgevoerd met de zwier en souplesse die we kennen van Camerata Trajectina.

74

De Leidse Koorboeken II Egidius Kwartet en College o.l.v. Peter de Groot Etcetera KTC 1411 (2 cd’s) Normale prijs ca. € 25,00 Voor Vrienden € 20,00

Op dit tweede deel van de Leidse koorboeken, die eeuwen hebben liggen sluimeren in de Leidse Pieterskerk, staan enkele schitterende Magnificats, waaronder drie van Clemens non Papa. Maar er is ook muziek van Christianus Hollander, Johannes Lupi, Josquin Baston, Joachimus de Monte en enkele anonieme meesters, allemaal van zeer hoge kwaliteit. De veronderstelling dat grootse polyfonie enkel en alleen in de hofkapellen klonk is dus een mythe. De uitvoeringen door het Egidius Kwartet en College zijn net als op de vorige uitgave van topkwaliteit. De mooie gebonden boekjes maken de reeks tot een topproduct.

C. Monteverdi: Vespro de Beata Vergine L’Arpeggiata o.l.v. Christina Pluhar Virgin Classics 50999 64199429 Normale prijs ca. € 25 Voor Vrienden € 20

L’Arpeggiata zal met Monteverdi’s Mariavespers het Festival Oude Muziek dit jaar besluiten. Voor de thuisblijvers en degenen die niet kunnen wachten nu al de cd van dit meesterwerk. Daarop maakt Christina Pluhar heldere keuzes: geen liturgische context maar de muziek als kunstwerk, en geen koorzang maar uitsluitend solozangers waaronder Nuria Rial, Raquel Andueza, Pascal Bertin, Jan Van Elsacker en João Fernandez, die garant staan voor grotere acceleratie en wendbaarheid. Pluhars onvolprezen instrumentalisten zorgen voor de virtuoze touch die Monteverdi voor dit werk in gedachten had. Met bonus-dvd.

GRATIS THUISBEZORGD ZOLANG DE VOORRAAD STREKT. TE BESTELLEN VIA DE SPECIALE BESTELBON.


vrienden oudemuziek

CD-AANBIEDINGEN Inspired by the bells - English and French Music for Carillon and Recorder Saskia Coolen en Arie Abbenes Globe GLO 5239 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Op het vorige Festival Oude Muziek kon het live worden meegemaakt; hoe blokfluitiste Saskia Coolen vanuit de Pandhof het samenspel aanging met beiaardier Arie Abenes, hoog verschanst in zijn Domtoren. Hun bijzondere samenwerking resulteerde al eerder in een cd, toen met muziek voor beiaard of blokfluit van Jacob van Eyck. Dit keer zocht het duo naar muziek die is geïnspireerd op het carillongeluid. Zo kwamen onder meer bewerkingen van Byrds The Bells voor klavecimbel en Marais’ Sonnerie de Sainte Geneviève voor viool, gamba en b.c. op deze cd terecht. Een inspirerend afscheidskado van Abbenes, die met pensioen gaat.

Historia Sancti Martini Diabolus in Musica o.l.v. Antoine Guerber Aeon AECD 1103 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Deze cd biedt een Sint-Maartensofficie zoals dat begin dertiende eeuw moet hebben geklonken in de kathedraal van Tours. Het leven van de heilige Martinus, begraven op 11 november van het jaar 399, wordt gevolgd aan de hand van aan hem gewijde gezangen. In een manuscript staat deze liturgie minutieus beschreven en Diabolus in Musica houdt zich nauwgezet aan deze bron. We horen eenstemmige en polyfone gezangen waarbij de zangers vaak ruimtelijk en in groepjes verdeeld staan opgesteld. De polyfonie was begin dertiende eeuw nog niet zo uitbundig, maar hier en daar klinkt zelfs al het eerste hoquetusje.

G. Frescobaldi: Ricercari (1615) Liuwe Tamminga, orgel Passacaille 966 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Girolamo Frescobaldi is dit jaar een van de centrale componisten in het Festival Oude Muziek, en niet voor niets: wat een ongelofelijk originele geest is deze klaviercomponist geweest! Zijn tweede gedrukte collectie orgemuziek bevat ricercares en canzones ‘fatte sopra diversi oblighi in partitura’. De ricercares, zelf al zeer gevarieerd van opzet en uitwerking, gaan vergezeld van enkele fantasievolle capriccio’s en vrije werken uit Frescobaldi’s Secondo libro di toccate. Bij ­Liuwe Tamminga is deze muziek in de best denkbare handen, zeker in de San Petronio in Bologna, waar hij alweer dertig jaar de beroemde orgels bespeelt.

France 1789 Les Lunaisiens Alpha 810 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Les Lunaisiens stal op het vorige Festival Oude Muziek de show met hun liederen rond de Franse Revolutie. De cd die de neerslag vormt van dit programma, gewijd aan ‘révolte en musique d’un sans-culotte et d’un royaliste’, is dan ook zeer goed geslaagd. De sarcastische teksten vóór en tegen het nieuwe bewind zijn vermakelijk: Robespierre, de koninklijke familie, het Opperwezen, niemand wordt gespaard. Les Lunaisiens – vier zangers, diverse strijkers en blazers en een heuse ‘piano organisé’ (een combinatie van een pianoforte en een orgeltje) brengt achttiende-eeuws satirisch cabaret, niets meer en niets minder.

GRATIS THUISBEZORGD ZOLANG DE VOORRAAD STREKT. TE BESTELLEN VIA DE SPECIALE BESTELBON.

75


Tijdschrift Oude Muziek

aan deze uitgave werkten verder mee:

ISSN 0920-6649

Marco Borggreve, Jan Van den Bossche, Joke Dame, Henk

jaargang 26 / nr. 3 - augustus 2011

Dekker, Agnes van der Horst, Paul Janssen, Wilmer de Jong,

verschijnt 4x per jaar

Björn Schmelzer, Sofie Taes

uitgave en productie:

advertentietarieven:

Stichting Organisatie Oude Muziek Utrecht

op aanvraag 030 23 29 000 en op www.oudemuziek.nl

bureau-adres:

mini-advertenties:

Mariaplaats 23

voor particulieren, € 15 per 4 regels,

3511 LK Utrecht

140 lettertekens, bewijsexemplaar € 5

t: 030 23 29 000 f: 030 23 29 001

opgave voor service-rubrieken:

info@oudemuziek.nl www.oudemuziek.nl

Cursussen en festivals op het gebied van de oude muziek

correspondentieadres:

worden kosteloos aangekondigd indien de gegevens tijdig en

Postbus 19267

compleet worden aangeleverd. Onvolledige opgaven worden

3501 DG Utrecht

niet geplaatst.

vormgeving:

deadlines:

Studio rUZ / Went&Navarro

periode 15 februari - 15 mei: 2 januari periode 15 mei - 15 augustus: 1 april

opmaak:

periode 15 augustus - 15 november: 1 juni periode 15 november - 15 februari: 1 oktober

Hilde Wolters drukwerk en bindwerk:

donateur worden:

Marcomprint

Voor een bijdrage van € 40, € 80, € 160 of € 1000 aan de Stichting ­Vrien­den­Oude Muziek (zie voor de bijbehorende

op de cover:

voordelen www.oudemuziek.nl) ontvangt u 4x per jaar het Tijd­schrift Oude Muziek met alle gegevens over het Festival en

foto: Marco Borggreve

onze concerten. Tevens krijgt u dan de Vriendenpas, waarmee u in aanmerking komt voor diverse kortingen.

redactie:

Voor informatie: 030 23 29 000

Jolande van der Klis (hoofd- en eindredactie)

Voor mensen met een leeshandicap is dit Tijdschrift ook op cd

Marcel Bijlo

verkrijgbaar. Inlichtingen: Dedicon, Postbus 24, 5360 AA Grave,

Albert Edelman

0486 486 486.

colofon

Xavier Vandamme Het volgende nummer verschijnt medio november 2011

76


TOM 3/2011