Vakblad Asset Management

![]()

Stilstand voorkomen en kosten verlagen
Verder kijken dan de bekende oplossingen
Inspiratiebron duurzame energie



VAM is het vakblad voor Asset Management in Nederland.
Concept en realisatie
Elma Media B.V.
Keizelbos 1, 1721 PJ Broek op Langedijk 0226 33 16 00 www.elma.nl
Art Director
Kim Speleman Martijn van der Wielen
Hoofdredactie
Ellen den Broeder-Ooijevaar, Verenigings Manager NVDO
VAM is een uitgave van de NVDO Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud
Lange Schaft 7G Postbus 138 3990 DC Houten www.nvdo.nl info@nvdo.nl
VAM is een samenwerking met WCM

World Class Maintenance Boschstraat 35 4811 GB Breda 076 7631553 www.worldclassmaintenance.com info@worldclassmaintenance.com
Auteurs

Er wordt ongelofelijk veel geïnnoveerd en dat is super. Maar het hoeft echt niet meteen tientallen miljoenen te kosten of heel erg groot te zijn. Soms kan je gewoon klein beginnen om te komen tot enorme verbeteringen in je proces, in je product of dienstverlening. Deze editie van VAM staat in het teken van de Impact van de Innovatie. Grote en kleine voorbeelden komen voorbij. Enkele bijzondere andere innovaties wil ik je niet onthouden.
Een voorbeeld van het gebruik van data en ICT-systemen in de Infrasector, is de Big Data Challenge Klimaat Adaptief Waterbeheer. Het startupteam van Royal HaskoningDHV en Ynformed hebben samen deze challenge gewonnen met hun HydroTwin. Dat is een digitale, zelflerende replica van een watersysteem.
De HydroTwin maakte gebruik van de destijds beschikbare data. Het gaat daarbij onder andere om neerslag- en temperatuurmetingen, grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeilen. Daarbij werden gerichte data science-
‘Het mag klein, Het mag groot’
technieken toegepast om de peilbeheerder van de juiste informatie te voorzien. Op basis van deze informatie kon actie worden genomen voor het uitvoeren van preventief onderhoud. De verwachting is dat toekomstige metingen en testen nog betere voorspellingen zullen geven, omdat er gebruik wordt gemaakt van zelflerende algoritmes (machine learning). Na elke bui en storm zullen voorspellingen dus accurater worden, waardoor er steeds meer inzicht wordt gekregen in het functioneren van een watersysteem.
Ik maak van de gelegenheid gebruik om nog een voorbeeld te noemen van zo’n innovatie. Het MKB-metaalbedrijf Aebi Schmidt heeft met haar innovatieve Servitization strategie de Metaalunie Smart Manufacturing Award 2018 gewonnen. Naast het verkopen van onder andere zoutstrooimachines, is er ook een after sales dienstenpakket ontwikkeld dat predictive maintenance op basis van gebruikersdata bevat. Na het einde van het prestatiecontract worden de machines ook teruggenomen, hersteld en opnieuw in de markt gezet.
Pieter Pulleman (Thema artikel PepsiCo en Port of Amsterdam)
Evi Husson (Onderhoud voorspelbaar maken komt op gang)
Maxime van Amersfoort (Team Fast)
Tamara Onos (STOP voor nu en later)
Fiona van Kessel (Kabelbreuken ProRail)
Genevieve Smaling
Ellen den Broeder-Ooijevaar Redactie; John van Rooij (Ideo), World Class Maintenance (WCM)
Druk
Elma Media B.V.
Advertentie-exploitatie
Elma Media B.V.
Silvèr Snoek - Sales Manager 0226 33 16 67 - s.snoek@elma.nl
En dan is er nog de Overheid. Zij heeft een innovatiebudget van 1,5 miljard euro tot haar beschikking. Daarmee probeert zij innovatie te bewerkstelligen bij aanbestedingen. Nederland is één van de meest concurrerende en innovatieve landen wereldwijd. Om ons land vernieuwend en economisch succesvol te houden, heeft de ministerraad, op voorstel van minister Wiebes en staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat, ingestemd met het nieuwe Missiegedreven Innovatiebeleid dat voortbouwt op de samenwerking uit de Topsectorenaanpak. Hierin staan economische kansen van maatschappelijke uitdagingen, zoals voldoende duurzaam geproduceerd voedsel en betaalbare en toegankelijke gezondheidzorg, centraal. Sleuteltechnologieën als fotonica, ICT en kunstmatige intelligentie krijgen een centrale rol. Innovatieve mkb’ers en startups worden actief betrokken bij de nieuwe aanpak. Graag noem ik nog een praktische innovatie. Cubes in a Box biedt twaalf (op het huisvestingsconcept van de politie aangepaste) standaard functionele bouwstenen voor de inrichting van bestaande of nieuwe gebouwen als politielocatie. De uitgewerkte bouwstenen zijn multifunctioneel inzetbaar wat de flexibiliteit van deze oplossing bevordert. Met Cubes in a Box wordt de basisindeling gemaakt voor teambureaus en politieposten die een gebouw in compartimenten verdeelt. Zo beschikt elk gebouw, groot of klein, over een universele uitstraling met een unieke plattegrond afgestemd op de behoeftes van de politie.
Innovaties, klein of groot, alles samen maakt Nederland tot één van de meest concurrerende landen van Europa!
Ellen den Broeder-Ooijevaar, Verenigings Manager NVDO


Innovatie is van alle tijden. Het wiel is nog steeds rond, maar sinds de uitvinding hiervan, hebben hierop ontelbare innovaties plaatsgevonden. Ook binnen de onderhoudssector is er altijd geïnnoveerd. Betere materialen, sensoren, nieuwe werkmethoden, concepten, strategieën, samenwerkingsvormen; innovaties vinden over de gehele breedte van het spectrum plaats.
Innovatie is het nuttig toepassen van bestaande technologie. Technologische ontwikkelingen zitten in een stroomversnelling. Met de steeds goedkoper wordende sensortechniek, gecombineerd met de alsmaar slimmer wordende informatica, maken dat ook in de onderhoudssector steeds meer toepassingen worden gevonden voor technologieën die al lang bestonden, maar nu pas fysiek en economisch rendabel toegepast kunnen worden.
Omdat de technologische ontwikkelingen elkaar steeds sneller opvolgen, zijn alleen de innovaties levensvatbaar die snel, in 1x goed en voor de juiste doelgroep zijn ontwikkeld. Dit kan alleen door samenwerking. Denk aan de kruisbestuiving tussen de luchtvaartindustrie en de automobiel industrie voor wat betreft het toepassen van aluminium en composiet materialen. Denk aan de Senseo koffiepads, ontwikkeld door Philips en Douwe Egberts en denk aan de samenwerking van de chemische industrie met de Universiteit Wageningen met betrekking tot het toepassen van biomassa voor de productie van kunststoffen.
Net als binnen andere sectoren vinden ook binnen de onderhoudssector de meeste innovaties plaats bij de kleinere bedrijven. Op een aantal plaatsen in Nederland zijn kennis- en innovatiecentra ontstaan om samenwerking te stimuleren en kruisbestuiving met de
grotere bedrijven mogelijk te maken. Brainport (Eindhoven), Food Valley (Wageningen) en de ons bekende Maintenance Valley (Woensdrecht) zijn hier voorbeelden van.
Samenwerking is een ‘must’ geworden. Technologieën ontwikkelen zich zo snel en zijn zo divers toepasbaar, dat het zo goed als onmogelijk is geworden om innovatie binnen het eigen bedrijf te houden. Bedrijven die op het gebied van samenwerking snel kunnen schake-
‘Samenwerking cruciaal bij Innovaties’
len gaan het van de concurrentie winnen. Zou ASML ooit zover gekomen zijn zonder de samenwerking met al die innovatieve bedrijven op de HighTech campus?
De NVDO is er trots op dat veel van de genoemde innovatieve bedrijven een lidmaatschap hebben aangegaan. De NVDO is bij uitstek een platform waar kruisbestuiving tussen de verschillende sectoren plaatsvindt. De NVDO zal dit nog verder versterken door zich zoveel mogelijk te focussen op gemeenschappelijke thema’s en pro-actief de mensen bij elkaar te brengen d.m.v. het organiseren van workshops, evenementen en congressen.
Het wiel is nog steeds rond, maar zal mede door uw innovatiekracht, steeds beter gaan rollen.
Bas Kimpel, Voorzitter NVDO

08 PepsiCo vermindert de druk en daarmee de energierekening
> Perslucht wordt in de hele industrie gebruikt in tal van toepassingen en productieprocessen.
Techniek van levensbelang
> “Uiteindelijk doe je het voor de patiënt”,
Unieke Samenwerking gestart 11
IMPACT (9 november) 12

Trainingsresultaten al tijdens de training voorspellen? 14
20 Onderhoud voorspelbaar maken komt op gang
Jeugd krijgt mooie kans bij Walibi > Wat doe je als er drie enthousiaste leerlingen
van het Stedelijk gymnasium
Johan van Oldenbarnevelt
Amersfoort aankloppen om hun zelfgemaakte metingsapparatuur te testen?
Dan laat je ze ‘gewoon’ toe.

28 Van vuurtje op het strand naar Radartoren
32 Planten als inspiratiebron voor duurzame energie
NEN2767 breed inzetbaar

Stilstand voorkomen en kosten verlagen 30
50 Slimme meetmethodiek geeft meer inzicht in kabelonderhoud bij ProRail
Predictive Maintenance opstarten 40
Port of Amsterdam zet voor beheer en on derhoud in op nieuwe technologieën
Cursuskalender Casus 54

Efficiënter werken dankzij koppeling GIS en SAP bij Pidpa > Scherpere wet- en regelgeving en de steeds kritischer wordende consument, zorgen ervoor dat bedrijven hun Asset Management-processen effectiever moeten managen.

Wie
Joke Wymenga
Wat
Hoofd Technische Dienstverlening Flevoziekenhuis
“Uiteindelijk doe je het voor de patiënt”, aldus Joke Wymenga, hoofd Technische Dienstverlening Flevoziekenhuis. “Of je nou kijkt naar de technieken, beheer & onderhoud en/of innovaties; de patiënt staat centraal. En in sommige gevallen draait het kortweg om mensenlevens. “Dat vind ik mooi, die reuring en dynamiek, daar gedij ik goed in. Het liefst met een beetje druk op de ketel”.
> Fijnmechanica. Fijnmechanische techniek aan de MTS in haar geboorteplaats Stadskanaal is het eerste dat Wymenga aan haar CV mag toevoegen. Het plan was om daarna de orthese- en prothesetechniek in te gaan, maar tijdens haar eerste stagejaar bleek het toch niet helemaal haar ding. Daarom koos ze een algemenere opleiding in het midden van het land; HTS bedrijfskunde in Utrecht, waarna ook een master Facility Management volgde. “Hoewel ik het verder eigenlijk nooit écht nodig heb, is het toch handig, die basiskennis van mijn opleiding(en). In gevallen van bijvoorbeeld elektra, pneumatiek, hydrauliek of stoomtechnieken begrijp ik bij bepaalde vraagstukken wel hoe het werkt en waarom voor bepaalde oplossingen wordt gekozen. Of ik kan inzien hoe groot een ‘probleem’ is, en dat is best handig”.
> Medische wereld. Wymenga werkt nu als hoofd Techische Dienstverlening in het Flevoziekenhuis. Met jaren ervaring rijker als accountmanager en moeder, kwam zij eerst nog terecht bij het UMC Utrecht als werkvoorbereider. “Ik heb daar elf jaar met veel ple-

zier gewerkt, o.a. als procescoördinator en de laatste zeven jaar als teamleider onderhoud en beheer”. Bij het Flevoziekenhuis is zij verantwoordelijk voor het onderhoud op E, W en B gebied, milieubeheer en de (ver)bouwprojecten. Maar dat niet alleen; “Ik ben ook verantwoordelijk voor het aansturen van de stafafdeling en vrijwilligers. Dat is iets wat voor veel voldoening zorgt. Ik vind leidinggeven en eindverantwoordelijk zijn leuk; medewerkers verder helpen in hun carrière en op zijn minst zorgen dat ze fluitend naar hun werk kunnen. Prachtig!”
> Innovatie. In het Flevoziekenhuis speelt innoveren een grote rol. Op grote en kleine schaal. Niet alleen apparatuur wordt verbeterd, ook systemen en methodieken worden aangepakt. Zo is het Meerjarenonderhoudsplan inzichtelijker en praktischer gemaakt. “Dit hebben we onder andere gerealiseerd door het meer ‘in stukjes te hakken’. We werken van een planning voor 30 jaar, met een grofmazige financiële clustering, toe naar een gedetailleerd plan voor vijf jaar. Dit plan, het werkelijke Meerjarenonderhoudsplan, wordt geac-
OntMOet Joke Wymenga <

tualiseerd en is op element- en bouwdeelniveau uitgewerkt. Deze projecten worden ingebracht bij de investeringscommissie. Het vergt wat inspanning, maar dan heb je ook wat!”
> Toekomst. Het innoveren van bestaande systemen. Dat ziet Wymenga graag in de toekomst. En dan niet het uitbreiden daarvan, maar juist het klein houden, gebruiksvriendelijker maken. Ook het linken met andere systemen kan volgens Wymenga beter. “Wij hebben bijvoorbeeld veel externe bedrijven die ‘onderhoudsgegevens in de cloud’ voor ons bijhouden. In principe is dat goed, maar door het medisch convenant dien ik deze gegevens ook met de gebruiker in de zorg te delen. Dan zijn dit soort oplossingen erg lastig. Het koppelen van deze gegevens naar één managementsysteem zou een verbetering geven en tegelijk zorgen voor minder administratielast voor de Maintenance Professional. Dan kan die zich focussen op de technische zaken, dat lijkt me veel efficiënter”. <

Perslucht wordt in de hele industrie gebruikt in tal van toepassingen en productieprocessen. Het is dikwijls een cruciaal onderdeel, maar het is ook een energievreter. Reden voor PepsiCo om het gebruik en het verbruik te optimaliseren. “Reduceren van het persluchtgebruik zie je wel meer, maar het verlagen van de druk niet”.
Dagelijks komen er een miljoen zakken chips (waaronder de merken Lay’s en Hamka’s) uit de fabriek in Broek op Langedijk. De ambitie van PepsiCo op het gebied van energie is om in 2050 geen CO2 meer uit te stoten. Daarvoor ontplooit het diverse initiatieven. De chipsfabriek in Noord-Holland was in 2010 bijvoorbeeld een van de eerste fabrieken die volledig werd voorzien van LED-verlichting.
> Levensduurkosten. Dave van Braak is teamleider Energie & Faciliteiten en legt uit wat er gebeurt om het gebruik van perslucht te verminderen en daarmee het energieverbruik. “Toen we een compressor moesten vervangen, hebben we meerdere partijen uitgedaagd om te komen met zo laag mogelijke levensduurkosten voor een periode van tien jaar”. Die kosten bestaan uit tien procent aanschafkosten, twintig procent onderhoudskosten en zeventig procent energieverbruik. “Om één kilowatt perslucht te maken, is 7,5 kilowatt elektriciteit nodig. Een energiezuinige compressor ligt dus voor de hand. Maar voordat we een nieuwe aanschaften, hebben we eerst onderzocht of het verbruik omlaag kon. Dus lekkages opsporen en bij de grootste persluchtgebruikers in de fabriek de druk omlaag brengen”.
> Minder druk. Veel machineleveranciers zeggen dat ze minimaal zeven bar nodig hebben. Onze ervaring is dat het gemakzucht is. Soms gaat het maar om één compressor in de hele installatie die meer druk nodig heeft en dat kan je dan vaak oplossen met een kleine booster. Leveranciers gaan vaak aan de veilige kant zitten, dus je moet ze uitdagen”. Bij PepsiCo gaat het om uiteenlopende machinesystemen: van verpakkingsmachines, dozenopzetsystemen en optische sorteerders tot een waterzuiveringsinstallatie. “Bij die laatste hadden we bijvoorbeeld op één plek zeven bar nodig en daar hebben we dus een drukverhoger op gezet”.
> Leverancier moet wennen. Voorheen was het altijd de machineleverancier die aangaf dat hij zeven bar nodig had. Nu schrijft PepsiCo voor dat ze een machine willen die functioneert op vijf bar. “Dat betekent dat we vaak in gesprek moeten, want de gemiddelde machineleverancier heeft er nooit over nagedacht en is er niet aan gewend. Maar ze zullen eraan moeten wennen, want het zal vaker gaan voorkomen. Elke bar lager, betekent een energiebesparing van zeven procent. Dat is flink. Aan de andere kant: ze moeten wel hun garantie kunnen geven op het correct functioneren van hun apparatuur op vijf bar. Dus je moet er samen over nadenken welke aanpassingen er nodig zijn. Onze ervaring is dat het met die aanpassingen nogal meevalt. Met wat kleine technische aanpassingen aan kleppen en een enkele drukverhoger kan de druk van 7,5 naar vijf bar”.
> Inzicht. Voordat je aan de slag kunt, moet je eerst meten, zegt Van Braak. “Dat geeft het benodigde inzicht. Daarna kan je de grootste verbruikers aanpakken, deels kan dat met de kennis die je al in huis hebt. Wij zijn een grote organisatie, dus benchmarken en best practices uitwisselen gaat hier prima. De stelregel is vervolgens dat een investering zichzelf in vijf jaar terugverdient. Voldoe je daaraan, dan kan je investeren. Bij onze aanpak van de perslucht ging het ook om bewustwording, over het voorkomen van lekkages en onnodig gebruik. Verder zijn wij niet de technisch inhoudelijke experts van een nieuwe installatie. Dus je moet niet te
veel specificeren op het technische vlak, maar zeggen wat je nodig hebt. De minimale druk, het volume, zo energiezuinig mogelijk en tegelijkertijd een maximale betrouwbaarheid”.
> Lekkages. Een ander belangrijk aandachtspunt is het reduceren van lekkages. “In een groot en complex systeem als het onze is nul lekkages niet haalbaar. Met tien procent hoor je al bij de besten. We hebben zoveel verbindingen, als er ergens een slang niet goed is afgesneden en niet goed in de koppeling zit, heb je al een lek”. Juist bij de storingsmonteurs kan dit probleem zich voordoen, zegt Van Braak. “Storingsmonteurs hebben altijd haast, moeten door naar de volgende klus. Dus, hup, afsnijden, monteren en weer verder”. Om dit fenomeen een halt toe te roepen, hebben alle storingsmonteurs een persluchtkitje gekregen, inclusief een slangenknippertje.
> Oneigenlijk gebruik verbannen. Andere oorzaken voor een lekkage zijn oude, poreuze leidingen, lekkende appendages en schades door foutief handelen. Je moet goed kijken wat je waar nodig hebt, zegt Van Braak. “Er zijn veel soorten slangen. In het magazijn kan je waarschijnlijk toe met een goedkopere versie dan in het productieproces waar de slang in aanraking komt met allerlei stoffen. Ook voor appendages geldt: wat heb je waar nodig? Hoe vaak wordt iets aangestuurd? Kan het eventueel met een elektrische klep? Dat is in elk geval goedkoper over de totale levensduur”. Het verbannen van oneigenlijk gebruik van perslucht is ook een aandachtspunt. “Perslucht werd nogal eens gebruikt als iemand het warm had. Even het pistool onder het T-shirt om af te koelen. Of het werd gebruikt bij schoonmaakwerk waarbij je ook een bezem of andere standaard schoonmaakmiddelen kunt gebruiken. Dat soort foutief gebruik vindt hier niet meer plaats”.
> Extra handjes nodig. “Een lekkage is elke dag, elke minuut een verlies. Bij het opsporen en repareren van lekkages kunnen we nog een verbeterslag maken. Aan de ene kant speelt het landelijke tekort aan onderhoudstechnici ons hier parten. Aan de andere kant gaat het ook om bewustwording. Perslucht werd vroeger bij standaardonderhoud overgeslagen. Het besef dat perslucht geld kost, was er niet. Net zo min als het idee dat het tot machinestilstand kan leiden. Misschien was er ook te weinig kennis. Met het bewustzijn en de kennis gaat het nu goed, maar extra handjes zijn welkom”.
> Online monitoringsysteem. Van Braak legt uit dat er in de chipsfabriek zeven dagen non-stop vier grote compressoren draaiden op een druk van zeven bar. Na de vervangingsexercitie zijn dat er nog steeds vier, maar dan wel een stuk slimmer. “Eén kleintje voor het hoognodige in het weekend, zoals de waterzuiveringsinstallatie. Twee die vijf dagen 24 uur doordraaien en één als backup. En alles draait nu op vijf bar. Al met al een flinke besparing”. Tegelijk met de nieuwe compressor, kreeg PepsiCo ook de beschikking over een online monitoringsysteem. Vanaf een willekeurige computer kan Van Braak inloggen en inzicht krijgen in de status van het persluchtsysteem. “Het aantal lekkages, de uitgevoerde reparaties, het energieverbruik en de financiële impact; het is allemaal beschikbaar en daarmee is het een goed hulpmiddel om mee te sturen”. >
> Dauwpunt omlaag. PepsiCo heeft te maken met de wet- en regelgeving op het gebied van voedselveiligheid. De compressoren zijn daarom olievrij. En om vocht in appendages en het product te voorkomen, moet het dauwpunt zo laag mogelijk zijn. Bij de aanschaf van de nieuwe compressor werd het dauwpunt daarvoor verlaagd naar -55 graden Celsius. In overleg met leverancier Geveke is ervoor gekozen om de perslucht eerst te drogen met een koeldroger en daarna pas met een adsorptiedroger. “Lucht uit een compressor bevat dertig gram vocht per kuub, uit een koeldroger slechts zes gram. De adsorptiedroger verbruikt tweederde minder energie door de koeldroger ervoor te zetten. Deze investering verdienen we in een jaar terug. Geveke heeft ons hier echt een stap verder geholpen”.
> Tips. “Als je de perslucht onder de loep wilt nemen, dan zijn dit mijn tips. Kijk eerst of perslucht wel de beste oplossing is. Probeer daarna het volume zo laag mogelijk te houden. Dus vermijd lekkages zo veel mogelijk en zorg voor de juiste materialen en middelen. En het derde is dat je probeert de druk zo laag mogelijk te houden. Die 7,5 bar die iedereen voorschrijft, die kan best flink minder. En zorg ervoor dat de installatie in zijn optimum bereik draait, dus zorg ervoor dat de instellingen juist zijn”.
> Energieprestatiecontract. In het kader van Performance with Purpose kijken Van Braak en zijn collega’s continu naar mogelijke verbeteringen. “We gebruiken veel stikstof om zuurstof uit de chipszakken te trekken. In het contract met de leverancier van de stikstofinstallatie is een energie-prestatiedeel opgenomen over
het kilowattuurverbruik per kuub stikstof. Ook hiervoor geldt dat je elkaar moet uitdagen: de laatste twee jaar hebben we een bonus uitbetaald omdat de prestaties beter waren dan afgesproken. In onze fabriek in Zaandam werken we aan een nieuw klimaatbeheersysteem. Daar nemen we nadrukkelijk de levensduurkosten mee, omdat energie zo’n belangrijk onderdeel is. En hier onderzoeken we nu de energie-efficiency van het bakproces”. “Restwarmte terugwinnen doen we hier al en we kijken nu ook of we de waterdamp uit de schoorsteen kunnen hergebruiken. Het terugwinnen is niet het probleem, maar je moet het wel kunnen toepassen. De minimaal benodigde warmte daarvoor halen we nu nog niet. Voor mij geldt: je moet verder willen kijken dan de bekende oplossingen. Kunnen we iets met biogas, of waterstof? Of gaan we elektrisch bakken? Of wordt het iets dat ik nu nog niet ken? Dat stukje innovatie, daar word ik wel enthousiast van. We hebben het ook nodig; voor ons eigen Performance with Purpose-programma, maar ook in het kader van het klimaatakkoord”. <
‘Je moet verder willen kijken dan de bekende oplossingen’

De belangrijkste vakbeurs voor industrieel onderhoud van de Benelux en Europa’s grootste maintenance-conferentie trekken, op initiatief van de NVDO, in 2021 samen op. Het gloednieuwe Rotterdam Ahoy Convention Centre biedt dan plaats aan het grootste maintenance event dat ooit in Europa is georganiseerd. Maintenance NEXT en EuroMaintenance verwelkomen samen duizenden onderhoudsprofessionals van over de hele wereld die afkomen op de vakbeurs, inhoudelijke lezingen, workshops, demonstraties en bedrijfsbezoeken o.a. in de hele Botlek.
> Synergie. Maintenance NEXT en EuroMaintenance zetelen in maart 2021 samen in het spiksplinternieuwe Rotterdam Ahoy Convention Centre (RACC), dat eind 2020 haar deuren opent. Die nieuwbouw, onderdeel van de prestigieuze gebiedsontwikkeling in Rotterdam-Zuid genaamd ‘Hart van Zuid’, telt 35 zalen en een theater/ auditorium met maar liefst 2.750 zitplaatsen. Gert-Jan van den Nieu-

wenhoff, Manager B2B Events bij Rotterdam Ahoy, is verheugd over de aankondiging; “2021 is een bijzonder jaar voor Ahoy. Het jaar dat we 50 jaar bestaan en waarin we ons gloednieuwe congrescentrum openen. Dat we aan het begin van dat jaar een dergelijk groot event mogen huisvesten gecombineerd met onze eigen vakbeurs Maintenance NEXT, is geweldig nieuws. Perfecte synergie!”
> Grootste maintenance event in Europa. Voor het eerst in hun lange geschiedenis hebben Maintenance NEXT en EuroMaintenance de agenda’s gelijk getrokken om in maart 2021 samen het grootste maintenance event van Europa te organiseren. De opening van het state of the art RACC is de ideale gelegenheid om de handen ineen te slaan. Voor het event zullen zowel het nieuwe congrescentrum, de zes Beurs- en Evenementenhallen en de Ahoy Arena worden gebruikt. Nergens in Europa is een plek te vinden waar beursruimte te combineren is met zoveel congres- en vergaderfaciliteiten. Ellen den Broeder, Verenigings Manager van de Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud (NVDO), kijkt al uit naar 2021. “Rotterdam is dan drie dagen lang het centrum van de onderhoudswereld. Het vernieuwde Rotterdam Ahoy Convention Centre biedt een prachtig podium voor onze internationale sprekers”.
> Over Maintenance NEXT en EuroMaintenance. Maintenance NEXT is het belangrijkste kennisplatform voor industrieel onderhoud in de Benelux. Het vervult al decennialang een belangrijke netwerkfunctie binnen de branche en organiseert elke twee jaar de belangrijkste technologie- en onderhoudsexpo van de Lage Landen. EuroMaintenance, de grootste Europese conferentie als het gaat om onderhoud, bestaat al sinds 1972 en is een initiatief van de EFNMS (European Federation of National Maintenance Societies). De NVDO is vanaf de start betrokken bij de overkoepelende organisatie. Eind september werd tijdens de slotceremonie bij EuroMaintenance in Antwerpen de vlag overgedragen en de NVDO. <

> Professor Tilburg University / Impact van VR en AR. Max Louwerse is hoogleraar cognitieve psychologie en kunstmatige intelligentie aan het Tilburg Center for Cognition and Communication van de Tilburgse universiteit. Hij is vanuit de universiteit initiatiefnemer van het project VIBE (Virtual Humans in the Brabant Economy). Dit project is opgezet om de ontwikkeling van virtuele mensen. Het project VIBE is het eerste project van Mind Labs, het initiatief rondom interactieve technologieën en menselijk gedrag in de Spoorzone in Tilburg. De Europese Unie, OP Zuid, het Ministerie van Economische Zaken, de provincie Noord Brabant en de gemeente Tilburg financieren het project. Max praat ons bij over de laatste ontwikkelingen.

> Schrijver / Impact op je Leven. Joseph gaat na de basisschool naar de HAVO en vervolgens op zestienjarige leeftijd naar het HBO in Breda. Daar studeert hij Hogere Informatica en vier jaar later is hij één van de jongste IT-ingenieurs van Nederland. Hij wil verder studeren (Universiteit), maar het Bedrijfsleven biedt hem goede kansen. Een paar jaar later start hij succesvol een eigen IT-bedrijf. Studeren, werken, liefde, alles gaat Joseph voor de wind, maar dan gaat het mis. In december 2004 gebeurt er iets dat zijn comfortabele leven totaal op zijn kop zet en dat kan zomaar iedereen overkomen. Een zakenreis naar Marokko loopt uit op een catastrofe met ongekende gevolgen!

> President-directeur ProRail / Impact van de Innovatie. Pier Eringa was na zijn opleiding aan de Nederlandse Politie Academie vanaf 1984 inspecteur van de gemeentepolitie Leeuwarden. In 1988 kwam hij in dienst bij de Nederlandse Spoorwegen als districtmanager van de spoorwegpolitie. Daarna was hij onder meer commissaris van politie en plaatsvervangend korpschef en districtschef. Van 1999 tot 2002 werkte hij als regiodirecteur bij NS-Reizigers en als directeur Veiligheid. Tussen 2002 en 2010 was hij hoofdcommissaris en korpschef van de regiopolitie Flevoland en algemeen directeur/ gemeentesecretaris bij de gemeente Nijmegen. Inmiddels staat hij alweer 3,5 jaar aan de top van ProRail. Pier neemt ons mee in de laatste innovatieve ontwikkelingen.

PARTNERPROGRAMMA
De NVDO viert haar 55e verjaardag in Duinrell Wassenaar. Dat doen we samen met WCM, de participanten, de sprekers en zo’n 400 deelnemers. U bent hartelijk uitgenodigd om u te laten vergezellen door uw partner. Voor hen is een speciaal partnerprogramma ingericht van 13.30-16.00 uur. Geef bij uw registratie duidelijk aan wie hier gebruik van maakt.
‘Kom naar het grootste

No Shoes is een coverband van Rock- en Popmuziek vanaf de 70-er jaren tot nu, van bekende nationale en internationale artiesten, van Queen tot Anouk en van De Dijk tot The Eagles. Bijzonderheid van de band is dat er naast een stevige basis van drums, bas, gitaar, keys en (dubbele) zang een stevige blazerssectie is van vier personen.

De Jaarbijeenkomst is een samenwerking tussen NVDO en WCM
NVDO is dé onafhankelijke branchevereniging voor de professional en zijn organisatie! De Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud richt zich op de totale keten van Asset Management en vertegenwoordigt daarmee zo'n 300.000 onderhoudsprofessionals met een totale omzet van 30-35 miljard euro. De NVDO verbindt mensen, kennis en organisaties uit verschillende sectoren en op verschillende niveaus.
WCM is het netwerk voor ‘smart maintenance’ in Nederland. Doelstelling is radicaal: op naar 100% voorspelbaar onderhoud in de Nederlandse industrie. World Class Maintenance doet dat door slimme onderhoudskennis te ontwikkelen, te verspreiden en toe te passen. De projecten op het gebied van slim onderhoud dragen bij aan een verlengde asset lifetime, aan een betere mobiliteit, aan de noodzakelijke energietransitie, aan kennisontwikkeling en last but not least, aan de Nederlandse concurrentiekracht.

Duinrell, Wassenaar
Het verhaal van het landgoed Duinrell is ook het verhaal van de Nederlandse duinkust. Daar werden, onder invloed van de zee en de Rijn, de langgerekte strandwallen gevormd, waarachter zich westwaarts de hogere en jongere duinen konden vormen. Hier werd de basis gelegd voor wat nu één van de populairste recreatie- en natuurgebieden van Nederland is. Het brede Wassenaarse strand- en duingebied, in de directe omgeving van Duinrell, is aantrekkelijk voor de dagrecreant die rust zoekt en graag lange wandelingen maakt. Wat nu de binnenduinen worden genoemd, waren eens de duinen uit de Romeinse tijd. Het huidige recreatiegebied Duinrell is zo’n 500 jaar voor Christus ontstaan op de vierde strandwal, de vijfde strandwal vormt nu de zeereep. Uit dit verre verleden is door de vondst van oude fundamenten bekend, dat er op de plaats waar het kasteel Duinrell stond, een lusthof was met in de nabije omgeving een boerenhoeve. Vanaf 1962 liet wijlen H.R.J. Graaf van Zuylen van Nijevelt, de vader van de huidige directeuren, Duinrell ontwikkelen tot recreatiecentrum en camping.

‘Te veel focus op de techniek en te weinig op de mens’

In de jaren ‘80 en ‘90 van de vorige eeuw werd reeds geëxperimenteerd met virtual reality en augmented reality, maar toen waren deze technieken nog niet voldoende ontwikkeld. Door de opkomst van de smartphone werden kleine beeldschermen met hoge resolutie en bewegingssensoren ineens op grote schaal geproduceerd en daardoor goedkoper. Dat gaf de ontwikkeling van virtual reality systemen een duw in de rug waardoor deze systemen ‘de kinderschoenen nu wel zijn ontgroeid’, zegt Louwerse.
> DAF-Lab. Max Louwerse is hoogleraar Cognitieve Psychologie en Artificiële Intelligentie aan Tilburg University. Louwerse publiceerde meer dan 120 artikelen op het gebied van cognitieve science, computational linguistics en psycholinguistics. Hij richtte het DAF Technology Lab (DAF-Lab) op, een virtual en mixed reality ruimte op de universiteit, dat wordt gebruikt voor onderzoek, onderwijs en samenwerking met bedrijven. DAF-Lab maakt deel uit van Campione, het WCM-innovatiecluster dat zich richt op honderd procent voorspelbaar onderhoud in de procesindustrie door middel van living labs en een fieldlab.
> VR, AR en MR. Virtual reality wordt vaak gebruikt als overkoepelende term voor virtual reality (VR), augmented reality (AR) en mixed reality (MR). Dat is niet helemaal juist, want er zijn wel degelijk verschillen. Virtual reality is een virtuele of gesimuleerde werkelijkheid die je met een VR-bril kunt ervaren. Dankzij 3D-effecten en 360 graden beelden is het voor de brildrager net alsof hij in de actie zit. Door deze gesloten bril ziet de gebruiker echter niets van de echte wereld. Ook het beperkte gezichtsveld is nog een probleem als de brildrager zijn hoofd beweegt. Augmented reality voegt juist beelden toe aan de echte wereld (met een bril, smartphone of tablet), waardoor interactie met anderen mogelijk blijft. Mixed reality combineert realiteit en virtual reality waarbij de volledige omgeving, inclusief alles wat er zich in die omgeving bevindt, in kaart wordt gebracht. De techniek projecteert digitale elementen in deze omgeving op een doorzichtige bril waarbij het mogelijk is die digitale elementen te laten interacteren met hun omgeving maar ook met elkaar. “In het DAF Technology Lab werken we voor de beste collaboratieve ervaring met mixed reality”.
Virtual Reality is een relatief jonge technologie die door steeds meer bedrijven wordt toegepast, bijvoorbeeld bij het trainen van medewerkers. Maar is virtual reality hiervoor wel een goede technologie? Voegt het wat toe? Hoogleraar Max Louwerse van Tilburg University onderzoekt dit binnen Fieldlab Campione.
> Technologie is niet het doel. Louwerse; “De ene techniek is niet beter dan de andere, maar richt zich op een andere toepassing of taak”. Voor trainingsdoeleinden zijn virtual en mixed reality bijvoorbeeld het meest geschikt zegt Louwerse, terwijl voor assistentie bij het repareren of onderhouden van een installatie augmented reality de beste oplossing biedt. “En dat is precies waar het in het bedrijfsleven wel eens mis gaat. Bedrijven richten zich te veel op de technologie, kiezen er één en ‘daar moet het dan maar mee gebeuren’, terwijl de toepassing of de vraag leidend moet zijn. De technologie is niet het doel, maar slechts een middel”.
> Trainingsresultaat voorspellen. Binnen het Campione fieldlab onderzoekt Louwerse met zijn team of en hoe virtual en mixed reality zijn in te zetten bij trainingen. Hiervoor zijn eerst een drietal onderzoeksvragen geformuleerd. De eerste vraag was ‘wat is de juiste vorm: VR, MR of een andere trainingsvorm?’ De tweede vraag kijkt naar de gebruiker, de mens: ‘wat zijn de individuele verschillen bij gebruik van die verschillende technologieën?’ ‘Leren mensen op dezelfde manier, of zijn er verschillen, bijvoorbeeld
VR, AR en MR. Foto: WCM

door leeftijd, geslacht of bedrijf?’. De derde vraag is echt interessant, zegt Louwerse: “Kun je mensen trainen en het succes ervan al voorspellen tijdens de training zelf en niet na de training? Dat is nuttige informatie voor een bedrijf. Kan de training korter, of moet het juist langer”?
> Gedrag meten. “Heeft een virtuele wereld invloed op ons gedrag? Onze fysiologie is ontvankelijk voor VR. Maar is onze cognitie dat ook? Uit onderzoek weten we dat onze mentale gesteldheid verandert afhankelijk van waar we ons bevinden in een virtuele achtbaan. Dit geeft aan dat ons denken beïnvloed kan worden voor virtual reality”. Een test met proefpersonen die eerst een simulatie op een computer moesten volgen en daarna hetzelfde met een VR-headset moesten doen, leek geen verschil op te leveren. “Er was echter wel degelijk een verschil op het moment dat je naar individuele ervaringen keek. Als proefpersonen het gevoel hadden meegenomen te worden in de inhoud, was er een onmiddellijk voordeel voor VR. Met andere woorden, je kan niet altijd concluderen dat VR beter is voor alle gebruikers, maar je kan wel voorspellen of VR beter is per gebruiker. Daarnaast hebben we gekeken of leerprocessen gemeten kunnen worden in virtual reality. Ook daar vinden we interessante resultaten in zweet reactie, hartslag, hersenactiviteit en snelheid in een taak. Dit klinkt misschien als fundamentele wetenschap, maar die kennis is onmiddellijk te vertalen naar de praktijk”.
> Kennis vertalen naar toepassing. “De vraag is nu hoe we de resultaten uit het onderzoek het beste kunnen inzetten. We zoeken hiervoor nadrukkelijk de samenwerking met de deelnemende bedrijven om zo de werkvloer te betrekken in de wetenschappelijke experimenten, die tot nu toe alleen uitgevoerd werden met proefpersonen van de universiteit. Nu we antwoorden hebben, kunnen we testen hoe professionals uit het werkveld reageren”. Het meest concreet op dit moment is een case met een technisch dienstver-
lener die virtual reality al gebruikt bij het geven van trainingen. “Het effect daarvan wordt tot nu toe niet gemeten. De bedoeling is dat wij dat nu wel gaan doen en die data gaan analyseren. Daarmee kunnen wij onze nieuwe kennis valideren en hopelijk voorspellen wat het resultaat van de training zal zijn”.
> Kloof dichten Projecten als Campione zijn juist om die reden belangrijk, zegt Louwerse. “De stelling is dat wetenschappers de vertaalslag naar het bedrijfsleven niet kunnen maken en dat bedrijven al snel denken ‘dat is fundamenteel onderzoek; laat de universiteit dat maar oppakken.’ Echter, projecten waarin bedrijven samenwerken met onderwijs en onderzoeksinstellingen zorgen ervoor dat de kloof juist kleiner wordt. Inmiddels is er al veel bereikt en zijn er concrete resultaten behaald bij verschillende partners”.
> Scannerhelm. Naast de activiteiten in Campione, is Louwerse met zijn team bezig met het verder ontwikkelen van het DAF-Lab, zodat ook andere bedrijven op de Universiteit in Tilburg hun trainingen kunnen geven. “Wij kunnen de deelnemers dan in een veilige omgeving voorzien van sensoren en meten wat er gebeurt”. Het lab beschikt over sensing technology die het mogelijk maakt om een scala aan bewuste en onbewuste reacties van deelnemers te meten. “Stel dat wij met EEG-scanners het succes van leren kunnen meten, dan is er waarschijnlijk geen bedrijf dat zijn medewerkers in een leslokaal een dergelijke scanner op het hoofd zet. Maar, stel dat wij in staat zijn om die scanner te integreren in een bril of helm, dan wordt het wel interessant”.
> Afwachten is geen optie. VR is bezig aan een opmars en ontwikkelingen op de voet volgen is essentieel, zegt Louwerse. “De ontwikkelingen gaan enorm snel. Kijk naar wat er gebeurt in de big data en data science sector; als je nu begint, ben je te laat. Dat geldt ook voor VR. Ik verwacht daarbij dat met name de interactie tussen menselijk gedrag en VR-technologie belangrijker zal worden”.
> Innovatiemogelijkheden vergroten. Door bij te blijven met de nieuwste technologie, vergroot je vanzelf de innovatiemogelijkheden binnen een organisatie, vindt Louwerse. “Er zijn bedrijven die AR gebruiken om vanaf de wal te assisteren bij reparaties of storingen in de machinekamer terwijl het schip op zee zit. De volgende stap is om een zelflerend systeem te ontwikkelen, zodat dezelfde vraag niet nog een keer voorkomt. Dan boek je vooruitgang op vooruitgang”.
“Mijn belangrijkste stokpaardje is dat ik vind dat er te veel focus is op de techniek en te weinig op de mens. Zeg maar de vragen twee en drie uit het Campione-onderzoek. Het gaat er niet om of je een VR-bril kunt kopen, maar of je het gedrag kunt meten. En daarom is Campione zo belangrijk. We kunnen hierdoor bedrijven informeren over de laatste ontwikkelingen en hun vragen op een relatief goedkope manier beantwoorden. Als bedrijven dit individueel moeten onderzoeken, zullen deze vragen vaak onbeantwoord blijven”. <









HYDRA™: Een nieuwe standaard in bundelreiniging
Innovatie loopt als een rode draad door de geschiedenis van Mourik. Wij zoeken altijd al naar methodes voor een betere, efficiëntere en veiligere industrie.

Hydra, de robotic exchanger cleaning, is hét voorbeeld waarmee wij er voor zorgen dat u homogeen schone bundels krijgt én inzicht in de conditie van uw bundels. U weet wat u kunt verwachten.
Schoner, sneller + maximale uptime. Met Mourik, +31-10-296 54 00.
Revamo wordt vaak benaderd door productiebedrijven waarvan het productieproces is stilgevallen ten gevolge van slijtage. De vraag die dan vaak gesteld wordt is: “was deze slijtage te voorkomen geweest?”. Om hier een goed antwoord op te kunnen geven moet eerst duidelijk zijn waardoor deze slijtage is ontstaan. Pas dan kan Revamo een goed advies geven voor een verbetering.
Een tweetal voorbeelden:

Corrigeren van verkeerde materiaal keuze
Corrigeren van verkeerde materiaal keuze
Deze stalen (1.6582) pompas is ingezet in een chemisch milieu waarbij de waaier en de slijtbus gemaakt zijn van een corrosief bestendig RVS basismateriaal. Echter het medium vindt zijn weg tussen de slijtbus en de waaier tot aan de as. Onder de slijtbus is een O-ring gemonteerd en deze voorkomt dat het medium verder kan komen. De stalen as is niet bestendig tegen het medium en corrodeert. Na verloop van tijd gaat de corrosie onder de o-ring door en is de pomp lek. Omdat de as dermate is aangetast is alleen het vervangen van slijtbus en afdichting geen optie.
Revamo heeft samen met de opdrachtgever een corrosievaste coating ontwikkeld. Met de keuze is rekening gehouden met de resistentie tegen het zure milieu en het afdichtingvlak van de o-ring. Deze laag is door Revamo met lasercladden aangebracht en nabewerkt.
De corrosiebestendigheid door deze lokale aanpassing is vergelijkbaar met een geheel uit RVS vervaardigde pompas. De kosten van deze aanpassing is veel lager dan het maken en monteren van een nieuwe RVS as. En er is geen concessie gedaan in de mechanische eigenschappen van de as.

Zuur- en schuurbestendige laag verdrievoudigt levensduur
Dit verdeelstuk is een onderdeel van een fluidized bed reactor in de chemische industrie. Die onderdelen worden in een volcontinu proces blootgesteld aan een zuur, abrasief en wervelend medium. De slijtage was zo groot dat het verdeelstuk al na 7 à 8 maanden aan vervanging toe was. Revamo ontwikkelde met de opdrachtgever een slijtvaste coating. Daarbij is rekening gehouden met de resistentie tegen zuur en abrasie. De coating is door Revamo via het HVOF thermisch spuitproces aangebracht en nabewerkt, wat de reactorlevensduur verdrievoudigde. Daarmee viel een onderhoudstop weg. De kosten van de slijtvaste coating waren snel terugverdiend!
Zuur- en schuurbestendige laag verdrievoudigt levensduur
Ook in ontwerpfase
Steeds meer OEM-ers benaderen Revamo al tijdens de engineering in de ontwerpfase van de installatie. Dan ontwikkelen wij een coating welke het onderdeel al daar veredeld waar de slijtage zal gaan optreden. Om engineers te informeren over de mogelijkheden kan een bedrijf een kennissessie bij Revamo aanvragen.
En zo zijn er nog vele voorbeelden van toepassingen, waarvan de levensduur fors verlengd is en de functionaliteit is verbeterd. Revamo adviseert en voert dit uit in o.a. chemie, food, zuivel, energie en vele andere marktsegmenten.
‘Was deze slijtage te voorkomen geweest?’
Revamo
Pieter Mastebroekweg 2a | 7942 JZ Meppel T: 0522-251941 | E: info@revamo.nl | W: www.revamo.nl
Industrieel onderhoud heeft de laatste jaren grote stappen gemaakt. Steeds meer bedrijven spreken de ambitie uit om hun onderhoud voorspelbaar te maken. De plannen omzetten in daden is allesbehalve eenvoudig.

De onderhoudssector in Nederland heeft een aantal uitdagingen. Door de vergrijzing is het belangrijk kennis te borgen en nieuwe talenten aan te trekken Daarbij moeten de assets te allen tijde concurrerend blijven, terwijl een optimum moet worden gezocht waarin correctief en preventief onderhoud in balans zijn, onderhoud voorspelbaar wordt en de total costs of ownership zo laag mogelijk zijn. Het voorspelbaar maken van onderhoud is geen eenvoudige opdracht. Dat blijkt onder andere uit een in september verschenen rapport van PWC en Mainnovation “Predictive Maintenance 4.0, Beyond the hype: PdM 4.0 delivers results”. Uit een enquête waaraan 268 bedrijven uit Nederland, België en Duitsland in 2018 deelnamen komt naar voren dat, net als vorig jaar, slechts 11 procent van de ondervraagden voorspellend onderhoud (Predictive Maintenance 4.0 oftewel PdM 4.0) in volle breedte hebben geïmplementeerd.
> Meer pilots. In het rapport worden vier niveaus van volwassenheid met betrekking tot voorspellend onderhoud gedefinieerd. Op niveau één (visuele inspectie) worden inspecties periodiek en fysiek uitgevoerd. Diegene die inspecteert, trekt conclusies. Op niveau twee (instrumentele inspectie) worden inspecties eveneens periodiek uitgevoerd, maar de conclusies zijn in deze fase gebaseerd op zowel het uitlezen van instrumentatie als de expertise van de inspecteur. In niveau drie staat realtime conditiemonitoring centraal. Assets worden op dit niveau continu realtime gemonitord. Waarschuwingen worden afgegeven bij vooraf bepaalde kritieke niveaus. Het hoogste niveau van onderhoud is Predictive Maintenance 4.0 oftewel PdM 4.0. In deze fase worden niet alleen de assets continu realtime gemonitord. Ook met omgevingsdata (klimaat, locatie, gebruik en gebruiker) wordt rekening gehouden. Op basis van machine learning technieken worden waarschuwingen en suggesties voor aanpassingen gegeven.
“Van de deelnemende bedrijven bevindt elf procent zich op dit moment op niveau 4”, vertelt Michel Mulders, partner & industry leader Industrial Manufacturing van PwC. “Dit is hetzelfde percentage als in 2017, maar toch is er wel degelijk een ontwikkeling gaande: zestig procent geeft aan concrete plannen te hebben om PdM 4.0 te gaan implementeren, terwijl dat vorig jaar nog maar 49 procent was” Mark Haarman, managing partner bij Mainnovation vult aan. “Er zijn steeds meer bedrijven bezig met pilots om te komen tot niveau vier. Zestig procent van de bedrijven die we hebben ondervraagd werkt ofwel aan een PdM 4.0-implementatie, is een pilotproject gestart of heeft plannen om binnen afzienbare tijd van start te gaan. Daarom verwacht ik dat volgend jaar minstens twintig procent op niveau vier zal zitten”.
Mulders; “De meeste bedrijven die aangeven nog geen plannen te hebben, noemen daarvoor gebrek aan budget als voornaamste reden. Daardoor krijgen ze de businesscase niet rond”. Dit is enigszins logisch, vindt Haarman. “We staan nog maar aan het begin van de toepassing van een nieuwe techniek waardoor er nog maar weinig referenties zijn om naar te verwijzen. Echter, uit het rapport blijkt dat maar liefst 95 procent van de bedrijven die voorspelbaar onderhoud heeft geïmplementeerd, er positieve resultaten mee boekt”. Denk bijvoorbeeld aan een verbetering van de uptime
met negen procent. Uit het rapport blijkt eveneens dat de implementatie van voorspelbaar onderhoud heeft bijgedragen aan een verlaging van de kosten en een vermindering van risico’s rond veiligheid, milieu, gezondheid, terwijl voorspelbaar onderhoud eveneens zorgt voor meer grip op de levensduur van de assets.
> Meer data, meer tools, meer betrokkenen. Bedrijven die uitblinken in PdM 4.0 onderscheiden zich van andere bedrijven door het gebruik van externe data oftewel omgevingsdata die niet meteen direct gerelateerd is aan de asset. Dit is precies waar big data analyse om draait: het verbeteren van de nauwkeurigheid van voorspellings- en beslissingsprocessen door extra data op te nemen die nieuwe, voorheen ongebruikte informatie bevat die relevant is voor het beoogde doel, zo stelt het rapport. Alle bedrijven die PdM op het hoogste niveau toepassen gebruiken daarnaast ook inspectiesystemen en sensoren die ook in eerdere niveaus werden gebruikt. Ze slaan dus geen fase van volwassenheid over, maar gebruiken alle typische methoden en werkwijzen die ook in minder volwassen niveaus aan bod komen om stap voor stap te komen tot voorspelbaar onderhoud.
Bedrijven die PdM 4.0 hebben geïmplementeerd, maken ook meer gebruik van mobiele netwerken en hebben een voorsprong genomen als het gaat om het gebruik van andere geavanceerde tools zoals conditiebewakingssoftware en cloud- en IoT-oplossingen. Waar deze groep bedrijven zich misschien nog wel het meest in onderscheidt, is het aantal betrokkenen. Niet alleen de onderhoudsmanagers en monteurs, maar ook reliability engineers, dataanalisten, IT-specialisten en de verantwoordelijken voor kwaliteitscontrole zijn betrokken.
> Stappenplan. Om te komen tot het hoogste niveau van onderhoud, hebben Mainnovation en PwC een stappenplan opgesteld dat bedrijven kan helpen hun ambities waar te maken.
Stap 1: De assets op waarde rangschikken en het maken van een haalbaarheidsstudie.
De belangrijkste stap om mee te beginnen, is het bepalen van de assets waarvoor het de moeite waard is én haalbaar is om voorspellend onderhoud op toe te passen. Alleen belangrijke en cruciale assets zijn geschikt aangezien er investeringen moeten worden gedaan en deze moeten worden verantwoord. Kiest een bedrijf zorgvuldig de assets uit waarop hij PdM 4.0 wil toepassen, dan kan een positieve business case worden gecreëerd. Voorwaarde is uiteraard dat er data beschikbaar moet zijn. Er moeten met andere woorden twee vragen worden beantwoord: Welke assets hebben een waardepotentieel om voorspelbaar onderhoud op toe te passen? Kan ik voldoende en betrouwbare data uit de machine halen waarmee ik PdM 4.0 kan inrichten?
Stap 2: Selectie van de assets voor PdM 4.0
Een goed overzicht houden op het project is erg belangrijk. Meteen de volledige fabriek willen aanpakken, is niet handig. Bedrijven kunnen beter een aantal machines selecteren en een pilotproject starten. Op die manier ontstaat een leerproces waaruit de noodzakelijke lessen kunnen worden getrokken voor een verdere uitrol per type asset of machines.

Stap 3: Betrouwbaarheid
In de derde stap staat het controleren van de betrouwbaarheid centraal. Het rapport hierover: Gebruik een Root Cause Analysis (RCA) en een Failure Mode Effects Analysis (FMEA) per asset om de juiste richting te bepalen. Daarbij moeten kritische vragen worden gesteld. Welke data is nodig om oorzaken en storingen te monitoren? Welke data uit sensoren en welke externe data zijn nodig? Hoe zijn de verschillende oorzaken en gevolgen met elkaar verbonden? Belangrijk in deze fase is de samenwerking van reliability engineers en data-analisten. Ze kunnen elkaar uitdagen en aanvullen.
Stap 4: Ontwerp van een algoritme
De essentie van data-analyse. Volgens het rapport is het kiezen van het algoritme de belangrijkste factor bij het bepalen van de kwaliteit van de voorspellingen. Een betrouwbaar model van de assets dat in stap drie is gemaakt, kan bijdragen aan het ontwerpen van het beste algoritme. In sommige gevallen is het nodig om data-analisten te betrekken die een zelflerend algoritme bouwen dat in staat is om betekenisvolle inzichten uit de verzameling van data te halen.
Stap 5: Real-time monitoren van prestaties
Nu is het ogenblik daar dat het model live gaat. Het algoritme verwerkt gegevens uit verschillende bronnen zoals sensoren uit machines, de onderhouds- en faalhistorie van de machines en/of externe data. In real-time kan op die manier worden waargenomen en gevisualiseerd wat de prestaties zijn.
Stap 6: Voorspelling van storingen (vroegtijdige waarschuwing)
Het algoritme zal nu toekomstige storingen gaan voorspellen. Op basis van deze voorspellingen actie, zoals het daadwerkelijk stilzetten van een ogenschijnlijk perfect draaiende machine, vergt vertrouwen in de data. Dit is, zeker in deze beginfase en wan-
‘Er is wel degelijk een ontwikkeling gaande’
neer je als management of onderhoudsteam weinig ervaring of affiniteit hebt met data-analyse, niet vanzelfsprekend. Is er weinig vertrouwen, zo geeft het rapport aan, dan zou je PdM 4.0 parallel kunnen laten lopen met bestaande onderhoudsprocedures op een andere machine van hetzelfde type waarop geen onderhoud wordt gepleegd, gebaseerd op voorspellingen. Dit kan bijdragen aan het verder opbouwen van vertrouwen in voorspellingen.
Stap 7: Voorschrijvende taken
Op het hoogste niveau van voorspellend onderhoud, voorspelt het algoritme niet alleen wanneer een storing wellicht zal optreden, maar het stelt ook een verzameling van standaard onderhoudstaken samen die voorschrijven wat de beste te nemen acties zijn om storingen te voorkomen. Worden de gewenste resultaten behaald in het pilotproject, dan kan voorspelbaar onderhoud geleidelijk aan ook breder in de organisatie worden ingezet. Het spreekt voor zich dat de implementatie van PdM 4.0 een IoT-structuur vereist die het stappenplan ondersteunt. <

• Wat is Asset Management?
• Hoeveel onderhoud is juist genoeg?
• Kunnen we met de onderhoudsfunctie waarde creëren?
• Wat is de rol van onderhoud binnen het Asset Management?
• Wat is Predictive Maintenance en hoe geef ik dit vorm?
DEZE OPLEIDINGEN ZIJN IN TE BRENGEN IN DE BACHELOR WERKTUIGBOUWKUNDE DEELTIJD. INFORMEER!
EXTRA START MEDIO MEI 2019 ONDERHOUDSTECHNOLOGIE IN HOOGEVEEN. INFORMEER!
Een onderhoudsopleiding bij Hogeschool Utrecht helpt u in uw eigen bedr ij f de antwoorden te vinden op deze vragen. Aan de hand van kaders gesteld door het Institute of Asset Management (IAM) en de European Federation of National Maintenance Societies (EFNMS) zijn vele mooie resultaten en forse besparingen bereikt bij de deelnemende bedr ij ven. Door de brede scope op zowel Materiaalkunde, Engineering, Inspectie als Maintenance Management bieden onze opleidingen op het gebied van Onderhoud precies die (integrale) kennis die nodig is om verder te kunnen k ijken dan het eigen vakgebied, en daardoor aantoonbaar betere resultaten te boeken.
• Post-MBO Onderhoudstechniek (OTK)
• Post-HBO Onderhoudstechnologie (OT)
• Post-HBO Onderhoud en Asset Management
• Master of Engineering in Maintenance & Asset Management
Start 2 oktober 2019
Start 3 oktober 2019
Start 3 oktober 2019
Start 2 september 2019
Alle genoemde opleidingen kunnen naar wens in-company (op maat) verzorgd worden. Informeer naar de mogelijkheden.
Meer weten? Bel 088 481 88 88, mail naar info@cvnt.nl of k ijk op www.cvnt.nl.
Wie
Ko Nieuwenhuijse
Wat
Regime Beheerder Constructies Tata Steel
Met net een post HBO diploma Conditiemeting op zak, is Ko Nieuwenhuijse, Regime Beheerder Constructies Tata Steel, een trotse vertegenwoordiger van de NEN2767. Hij neemt namens Tata Steel deel aan de normencommissie en in de toekomst ziet hij talloze mogelijkheden voor de norm.
“Ik vind dit een unieke en uiterst sterke tool en ben van mening dat, wanneer dit op de juiste manier toegepast wordt, het ook in de industrie te implementeren is. En zelfs in de maritieme wereld”. Dat laatste lijkt Nieuwenhuijse wel wat, “want daar liggen echt mijn roots”.
Nieuwenhuijse wordt geboren in Weesperkarspel en groeit op op de woonark ‘Luctor et Emergo’ in de Utrechtse Vecht tussen Weesp en Nichtevecht. “Er werd bij ons thuis veel waarde gehecht aan zelfredzaamheid, discipline, doorzettingsvermogen en hard werken. En dat zit er nog steeds in”.
> De beste keuze ooit. Nieuwenhuijse praat vol lof over de Hogere Technische School voor Scheepswerktuigkundigen. “Het gaat daar om één afgebakende, fantastisch georganiseerde opleiding van topniveau. Een bijna eindeloos technisch vakkenpakket, te veel om op te noemen, gecombineerd met een pittig portie praktijk. Studielast uren? Nooit van gehoord. Van half negen tot drie in de anken, vijf dagen in de week en daarna studeren, werkstukken maken etc. Tot aan vandaag heb ik daar nog steeds profijt van!”
Loopbaan. Tot in de jaren ‘80 bevond Nieuwenhuijse zich op zee.
“Die kennis en ervaring die ik daar heb opgedaan is een onbetaalbare basis gebleken voor mijn latere loopbaan”. Deze loopbaan ontwikkelt zich op indrukwekkende wijze. Hij gaat van projectleider in de zuivel- en voedingsmiddelenndustrie naar inspecteur bij Stork
Werkspoor Diesel, naar projectleider en later productiechef bij Holec. Al deze ervaringen, samen met verscheidene opleidingen en cursussen, dragen hun steentje bij aan de kennis en kunde die Nieuwenhuijse vandaag de dag overduidelijk bezit.
> Innovaties en de NEN2767. Inmiddels werkt Nieuwenhuijse alweer 17 jaar bij Tata Steel. In zijn huidige functie als Regime beheerder constructies houdt hij zich o.a. intensief bezig met inspectiemanagement en installatie-integriteit. In 2013 rond hij met succes de volledige Conditiemeting BOEI opleiding af. In die tijd is er in het kader van installatie-integriteit een inspectieregime ontwikkeld voor alle trapleuningen en bordessen binnen de staalproducent. Dat zijn er maar liefst meer dan 40.000! Het doel: veilige trappen, leuningen en bordessen! Dit regime is nu in de uitrolfase. Ook de grote constructies en schoorstenen worden onderworpen aan een inspectieregime. Dat is nu in ontwikkeling en de NEN 2767 zal daar een belangrijke rol in spelen.
> Tevreden. Een terugblik op zijn loopbaan stemt Nieuwenhuijse tevreden. “Mijn loopbaan is in eerste instantie niet verlopen zoals ik het als 19-jarige voor ogen had. Daarentegen denk ik ook dat toeval niet bestaat omdat ik, na mijn vaartijd, van alles heb gedaan wat ik nooit van te voren had kunnen bedenken, maar waar ik zoveel plezier aan heb beleefd, wat naadloos in elkaar bleek te passen en wat mij zoveel heeft gebracht. Dat valt nauwelijks te beschrijven”. <

DIr ECTEur PaTr ICk Lamm Ers Va N Qur+:
Wat ooit begon als een goed idee, blijkt nog geen twee jaar later een schot in de roos: Het kennisplatform Qur+ is binnen de kortste keren uitgegroeid tot de grootste online community in beheer en onderhoud van Nederland. “Als eigenwijze techneuten wisten we ergens wel dat onderhoudsprocessen effectiever konden, maar dat het platform zo’n succes zou zijn, oversteeg ook onze verwachtingen”, aldus medeoprichter Patrick Lammers.

Alles-in-één oplossing
De aanleiding voor het ontwikkelen van Qur+ was de behoefte aan procesversimpeling. Lammers: “We wilden een alles-in-één oplossing ontwikkelen voor beheer- en onderhoudstaken, waarbij onze klanten vanuit één centrale database al hun onderhoudsactiviteiten en kosten konden bekijken en analyseren. Qur+ biedt inzicht in het complete onderhoudsdomein. Prioritering van het onderhoud vindt plaats op basis van risiconiveaus en gebruiksintensiteit. Zo beschik je als opdrachtgever niet alleen over de actuele onderhoudsstatus van je installaties en vastgoed, maar zijn ook je bedrijfsrisico’s in beeld.”
Samenwerken als absolute voorwaarde
Naast procesoptimalisatie staat Qur+ vooral in het teken van transparantie, standaardisatie en samenwerking. “Als we de onderhoudsketen echt willen optimaliseren, is samenwerken een absolute voorwaarde”, motiveert Lammers. “Qur+ is een online community waar zowel opdrachtgevers als contractanten -zoals aannemers en installateurs- toegang toe hebben. Door samen te werken binnen één platform, kunnen we trajecten enorm versimpelen. Denk alleen al aan het contracterings- en aanbestedingsproces.”
Met een paar drukken op de knop online aanbesteden
“Doordat we werken met gestandaardiseerde onderhoudsregels en –activiteiten, kan je als opdrachtgever met een paar drukken op de knop online aanbesteden. Ook contractanten hebben voordeel”, vervolgt Lammers. “Ze hoeven maar eenmalig hun onderhoudsactiviteiten af te prijzen om direct in beeld te zijn bij aangesloten

Voorbeeld van een onderhoudsanalyse in Qur+
‘Binnen Qur+ delen we kennis en inzichten.
opdrachtgevers. Natuurlijk wordt eerlijke concurrentie gewaarborgd: contractanten hebben onderling geen inzicht in prijzen van hun collega’s. Een win-winsituatie voor iedereen.”
Kennis delen en ervaringen uitwisselen
Lammers hanteert een duidelijke visie: “Samenwerken is ook kennis delen en ervaringen uitwisselen. De informatiebehoefte omtrent onderhoud en exploitatie is groot. Als gebruikers van Qur+ zorgen we er samen voor, dat de database steeds aangevuld wordt met waardevolle inzichten en de laatste actualiteiten. Zijn er bijvoorbeeld wijzigingen in wet- en regelgeving of zijn er nieuwe onderhoudscondities? Dan wordt dat direct gedeeld in Qur+. Maar ook montageschema’s en andere instructiedocumenten zijn terug te vinden binnen de community.”
Teamspirit
“We merken dat steeds meer gebruikers elkaar online opzoeken: er wordt onderling advies gegeven en hulp geboden. Dat soort ont-
wikkelingen vind ik misschien nog wel het allermooiste aspect van Qur+: een stukje teamspirit om binnen het onderhoudsdomein hét verschil te maken. Online synergie die zich doorvertaalt naar directe kennis op de werkvloer. IJzersterk!” besluit Lammers.
Ook uw onderhoudsprocessen versimpelen? Vraag een gratis demo aan via info@qurplus.nl.
www.qurplus.nl
Samen de onderhoudsketen optimaliseren met Qur+
• Eenvoudig onderhoudsplannen en vastgoed beheren
• Online contracteren en aanbesteden (LEAN!)
• Efficiënter werken door gestandaardiseerde onderhoudsregels
• Kennisuitwisseling d.m.v. kennisbank en discussiefora
• 24/7 inzicht in actuele geldstromen en onderhoudskosten

‘Gemaakt van weervast, onderhoudsvrij staal’
Lang geleden werden er vuurtjes op het strand gestookt om daarmee boten op zee te waarschuwen dat er land was. En daarna kwamen er vuurtorens waarvan die van Alexandrië (de Pharos), zelfs een van de zeven wereldwonderen uit de oudheid is. Op deze toren werd hout verbrand (vandaar de naam 'vuurtoren') en het bouwwerk deed voornamelijk dienst als dagmerk. Niet alleen het vuur deed dienst, de opstijgende rook vergrootte de zichtbaarheid van het baken. Na een bestaan van ongeveer 1600 jaar is deze toren (die voorbeeld is geweest van alle anderen) verdwenen.
> Karakter. Elke vuurtoren heeft een karakter wat het schijnsel op afstand betreft, variërend van een vast rondomschijnend licht tot een groepschitterlicht, waaraan ze herkend kunnen worden. De karakters staan aangegeven in de lichtenlijsten en zeekaarten, gestandaardiseerd in alle talen. Dat gebeurt volgens afspraken gemaakt door de International Association of Lighthouse Authorities (IALA). De karakters zijn te onderscheiden in verschillende groepen; vaste lichten (Engels: fixed), onderbroken lichten (occulting), schitterlichten (flashing) en morse. Het meest gebruikt zijn witte schitterlichten, maar andere karakters en kleuren, vooral rood en groen, worden veel gebruikt bij haveningangen.
> Innovatie gaat verder. Het vuurtje op het strand is al lang verleden tijd. Het is tijd voor innovatie, ook als het om vuurtorens gaat. Een mooi voorbeeld daarvan is de radartoren aan de Prinses Maximaweg op de zeewering van de Maasvlakte 2 waar het Havenbedrijf Rotterdam een radartoren liet bouwen. De toren heeft een hoogte van 70 meter en neemt de radardekking over van “Radarpost 2”, zoals de voormalige vuurtoren aan de Europaweg wordt genoemd in het Verkeersbegeleidend Systeem. Deze toren van 67 meter, ooit de hoogste vuurtoren van Nederland, is inmiddels gesloopt omdat hij aan het einde van zijn bouwkundige levensduur was. Bovendien nam de radardekking steeds verder af doordat de Maasvlakte vol wordt gebouwd met obstakels zoals kranen. Daarom is ook de nieuwe locatie op de zeewering gekozen.
> Communicatie. De radartoren huivest naast een radarsysteem ook marifoonapparatuur voor de communicatie met de scheepvaart. Bovendien verzorgt de radartoren met een straalverbinding de datacommunicatie met Lichteiland Goeree, ongeveer 30 kilometer ten zuidwesten van Hoek van Holland. Op het eiland bevinden zich, naast een vuurtorenlicht, diverse middelen voor de scheepvaartbegeleiding, zoals een radarsysteem en hydro/meteo apparatuur.
> Vormgeving. Het uiterlijk van de radartoren past in het beleid van het Havenbedrijf om het haven- en industriegebied aantrekkelijk te houden, zodat mensen ook in het havengebied vertoeven om te recreëren. Er is extra aandacht besteed aan de vormgeving van de radartoren. Na een Europese aanbesteding is gekozen voor het duurzame ontwerp van hoofdaannemer Hollandia Infra en de architect Syb van Breda. De voorgeroeste, weervast stalen toren wordt slank en licht uitgevoerd.
> Onderhoud. De nieuwe radartoren heeft een duurzaam ontwerp. Hij is gemaakt van weervast, onderhoudsvrij staal. De radarinstallatie zelf is afkomstig van de oude toren. Aan het einde van zijn levenscyclus is de torenconstructie volledig recyclebaar. <
In een structurele samenwerking onderzochten de NVDO Sectie Suto en de Universiteit Twente onder meer hoe beslissingen rondom de toepassing van predictief onderhoud beter kunnen worden gestructureerd.
Leidinggevenden in kapitaalintensieve sectoren beschouwen onverwachte storingen van fysieke kapitaalgoederen als een primair operationeel risico voor hun bedrijf. Omdat de daaruit voortvloeiende stilstandtijd complexe productieketens kan verstoren, is de onderhoudsstrategie vaak nogal conservatief en daarom kostbaar.
> Kosten verlagen. Methodes als predictive maintenance (PdM) hebben de belofte om onverwachte stilstandtijd van assets te voorkomen en tegelijkertijd de totale onderhoudskosten te verlagen en hierdoor waarde toe te voegen. “Bedrijven worstelen met het toepassen

van de technieken die dit mogelijk maken en zijn vaak nog niet in staat om de potentiële voordelen te realiseren”, aldus Wilbert Wijns. Wijns is programmamanager sprinter nieuwe generatie bij NS en vanwege zijn bestuurlijke functie bij de NVDO Sectie Suto intensief betrokken bij het onderzoek dat de Suto in samenwerking met de Universiteit Twente onlangs afrondde.
> Technieken. De keuze van de juiste technieken om de verzamelde data te verwerken, lijkt een trial en error proces en de business case van de toepassing van predictive maintenance is vaak onbekend. Wijns; “Gestructureerde hulp hierin ontbreekt. De keuze van de toegepaste techniek lijkt vaak gebaseerd op dat wat al beschikbaar of gebruikelijk is binnen het bedrijf of de industrie”. Wijns is er dan ook blij mee dat het onderzoek van de onlangs gepromoveerde Wieger Tiddens zich bezig houdt met de vraag hoe beslissingen rondom de toepassing van predictief onderhoud beter kunnen worden gestructureerd.
Uit de meervoudige casestudy blijkt dat bijna alle organisaties die met succes PdM hebben toegepast, een kostbaar proces van vallen en opstaan hebben gevolgd. Dit lijkt het resultaat te zijn van de technische en organisatorische complexiteit van de toepassing van PdM en de afwezigheid van effectieve theoretische begeleiding bij. Wijns; “Dan gaat het om het selecteren van de meest geschikte technieken voor PdM. Maar ook om het identificeren van de meest geschikte systemen en het evalueren van de toegevoegde waarde van PdM”.
> Factoren. “Bij het selecteren van assets en componenten die geschikt zijn voor Predictive Maintenance, is er namelijk een groot aantal factoren waar rekening mee gehouden moet worden om tot een optimale selectie te komen” aldus Wijns. Hij noemt daarbij de meest belangrijke. “Allereerst kunnen huidige selectieprocessen heel tijdrovend zijn, omdat complexere assets vaak uit een groot aantal componenten en sub-componenten bestaan. Een andere overweging is het feit dat er niet altijd gelegenheid is om onderhoud te plegen”. Een voorbeeld is onderhoud aan een boot, dat over het algemeen alleen gebeurt wan-

neer de boot in de haven ligt. Het uitstellen van gepland onderhoud is dan enkel mogelijk wanneer dit uitgesteld wordt tot de volgende keer dat de boot in de haven ligt
Wijns; “Er moet ook rekening gehouden worden met de kosten van Predictive Maintenance en de impact van het implementeren ervan. Zo is PdM bijvoorbeeld niet rendabel als er niet ‘genoeg’ falen van assets verwacht wordt of als het falen relatief voorspelbaar is met huidige methodes”.
> Tips. Ter afronding van het NVDO Suto onderzoek, wordt een methode voorgesteld om geschikte componenten en assets vast te stellen. Er wordt in deze methode gekeken naar drie fases: ‘criticality classification’, ‘showstopper identification’ en ‘focused feasibility’. Wijns; “We hebben de methode in het Visiedocument opgenomen en gepresen-
teerd tijdens het congres begin oktober. Ik kan me voorstellen dat er geïnteresseerden zijn in deze methode en ons onderzoeksteam is altijd bereid hierover in gesprek te komen”.
Ervaringen om te investeren
Bij het maken van de business case voor PdM is het belangrijk dat er, naast de traditionele financiële elementen (zoals ROI), ook gekeken wordt naar niet-financiële toegevoegde waarde. Een voorbeeld hiervan is kennisverrijking. De organisatie en maintenance professionals doen relevante kennis en vaardigheden op door te investeren in veelbelovende onderhoudsmethodes. Dit kan de effectiviteit van de (eigen) onderhoudsorganisatie verbeteren, waardoor op de lange termijn ook financiële voordelen behaald worden. En ook weer ervaringen leveren voor herinvesteringen in nieuwe assets. <
ProRail heeft onlangs samen met NS in twee reizigerstreinen sensoren ingebouwd om zo realtime baanligging, wissels en spoorstaven te meten. Daardoor wordt er meer actuele data verzameld over de staat van het spoor.
Het gaat om sensoren die bewegingen en trillingen van wielen, geluid, temperatuur, luchtvochtigheid en locatie meten. Ze zijn gemonteerd op twee treinen van het type SLT (sprinter) en VIRM (dubbeldekker) die in normale dienstregeling rijden. Tot nog toe worden metingen uitgevoerd met speciale meettreinen die zo’n twee keer paar jaar het gehele spoor monitoren. Door de sensoren te plaatsen op reizigerstreinen, wordt het nu mogelijk om de kwaliteit van het spoor continu te meten.
“Deze ontwikkelingen zijn erg belangrijk om de betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het spoorsysteem verder de verhogen”, overtuigt Wijns. “Hierdoor kunnen de systeemprestaties omhoog en kunnen we onze reizigers nog betere vervoersprestaties aanbieden. Erg belangrijk gelet op de sterke groei die we zien. Ook bij deze ontwikkelingen zie je het belang van PdM. Een mooi voorbeeld van de volgende stappen in onderhoud”. Naar verwachting kunnen problemen zoals verzakkingen, wisselbeschadigingen en spoorstaafdefecten hiermee vroegtijdig worden gesignaleerd. De hoop is dat zodoende een deel van de treinvertragingen kan worden voorkomen.
Samen met NS
De twee treinen met sensoren komen voort uit het project Camino, een innovatief samenwerkingsproject van ProRail en NS. Als de proef succesvol is, worden meer reizigerstreinen uitgerust met dergelijke sensoren. Binnen Camino is voorzien om in 2019 meer typen sensoren te testen en hierbij verschillende partners uit de spoorsector te betrekken.
ProRail innoveert
ProRail is altijd op zoek naar nieuwe hoogwaardige en innovatieve oplossingen om het spoor veiliger, betrouwbaarder, duurzamer en kostenefficiënter te maken en storingen en vertragingen te voorkomen. Dat doet zij samen met vervoerders, aannemers, ingenieursbureaus, leveranciers en start-ups. Voor innovaties van marktpartijen hebben ze de InnovatieHUB, een platform om de markt te stimuleren om met ideeën te komen. We zijn samenwerkingsverbanden aangegaan, zoals onze allianties met de TU Delft en TNO, en met collega-infrabeheerders binnen Next Generation Infrastructures.
‘Kracht zit ‘m in het bundelen van verschillende disciplines’

Kan er een manier gevonden worden om via een natuurlijke wijze zonne-energie op te slaan zoals planten dat doen? En is deze vorm van brandstof dan net zo gemakkelijk in gebruik zoals Fossiele brandstoffen? Belangrijke vraagstukken waar de studenten van Team FAST al een aantal jaar met succes aan werken. Door duurzaam geproduceerd mierenzuur in te zetten als energiedrager, ontwikkelden zij een innovatieve generator voor stationair gebruik. Om de generator in de praktijk te testen, liep er een pilotproject van twee weken bij de bouw van de N211.
Het team startte als het honours-programma van de Technische Universiteit Eindhoven en werd vertegenwoordigd door vrijwel alle disciplines. Toen hun generator een werkend prototype bleek te zijn, nam een aantal studenten de stap naar het ondernemerschap. Ook Max Aerts werd tijdens zijn studie Industrial Design Engineering gevraagd deel te nemen en is nu Founder van Stichting Team FAST. Een ondernemer met een revolutionaire droom die zelfs behoort tot de Top 100 Duurzaamste Jonge Ondernemers. Een fantastische prestatie!
> Disciplines bundelen
“Ik wil iets fundamenteels toevoegen aan de maatschappij. Niet alleen maar consumeren” vertelt de uiterst gedreven Aerts. “Het gebruik van het fossiel heeft ons de afgelopen eeuw ver gebracht. We zijn nu op een punt gekomen waarin we begrijpen dat we dit hoofdstuk moeten afsluiten en moeten doorontwikkelen”. Volgens hem zijn alle facetten voor baanbrekende innovatie aanwezig en zit de kracht in het bundelen van verschillende disciplines. Vanaf het begin lag de focus van het project op een duurzamere transitie van Groene Energie, vertelt Aerts. “Al vrij snel kwam hier een scheikundig proces aan te pas dat in een bepaalde reactor geplaatst moest worden met speciale regeltechniek. Hiernaast is er onder andere elektronica, software en vormgeving nodig”.
> Overschot. Er is een missmatch gaande als het gaat om vraag en aanbod van duurzame energie, verheldert Aerts. “In de zomer als er veel mensen met vakantie zijn, is het verbruik laag en door de vele zonuren de opbrengst hoog. Dit gebeurt ook in de omgekeerde vorm in de winter. Er kan op die manier dus niet aan de behoefte worden voldoen. Het overschot moet dus worden opgeslagen en dit leidt tot een knelpunt in de huidige energietransitie van o.a. windmolens en zonnepanelen. De bronnen zijn er, maar het is geen opslag voor later gebruik. Iets dat gemakkelijk met batterijen kan worden ondervangen, maar door zijn beperkte capaciteit blijkt dat economisch niet aantrekkelijk”. Het Team zocht dus naar een oplossing om het resterende energie van een heel seizoen te kunnen opslaan en vond deze in waterstof. “Als men elektriciteit door water laat lopen, splitst het zich op in waterstof en zuurstof. Waterstof vangt tijdens dit splitsen de energie op en is als op te slaan in gecomprimeerde vorm”. Door het waterstof molecuulen aan een CO 2 molecuul te verbinden, ontstaat er een praktischere en energiedichtere vloeistof dan gas, die tevens makkelijk te vervoeren en te tanken is. Vervolgens wordt in de generator de formic acid weer gesplitst om tot een 100% CO2 neutrale energievorm te komen.
> Testpilot. Team FAST heeft het systeem succesvol ingezet tijdens de pilot voor bouwbedrijf BAM Infra bij de bouw van de N211. Aerts verwachtte vooraf dat tijdens deze test de mogelijke verbeterpunten sneller zichtbaar zouden worden en dat bleek ook het geval. “Er waren continue drie man nodig om het apparaat draaiende te houden, dit maakt de huidige generator nog niet startklaar. De aanwezige vakmensen ondervonden geen hinder van stankoverlast of roetuitstoot. Dat de generator daarbij ook fluisterstil was, werd als zeer prettige eigenschap ervaren” voegt hij toe. In de eerstvolgende generatie werken ze aan een ready-to-use systeem wat de gedragsverandering voor de eindgebruiker zo veel mogelijk moet minimaliseren.
> Connected onderhoud. Alle innovaties leveren nieuwe vraagstukken voor de onderhoudsprofessional. Zijn er veel bewegende delen, zijn de levertijden lang en zijn er veel custom onderdelen? DENS, de spin-off van het studententeam die het systeem op de markt zal brengen, verwacht dat de generator minder onderhoud kost dan traditionele systemen. Het luchtfilter vraagt om verversing en de katalysator zou sowieso tien jaar mee gaan. Wel voorziet Aerts dat de professional een vernieuwde werkwijze zal aan moeten leren die beter aansluit op de huidige technische generatie. “We willen werken aan een update-systeem dat op afstand werkt en alles online kan monitoren. Je kunt je voorstellen dat als een generator een hele nacht een kelder leeg moet pompen, je via je mobiel een notificatie krijgt van storingen”. De onderhoudsprofessional zou dus in de toekomst niet overal fysiek hoeven kijken, maar door connected te blijven zal de vraag vanuit het apparaat komen. Een scholing in deze moderne onderhoudssystemen door middel van een cursus is dan volgens Aerts ook nodig.
> Opschaling. In eerste instantie ligt de focus op het gebruik van formic acid binnen de stationaire toepassingen. Vanzelfsprekend is een latere variant van het systeem ook bruikbaar in andere sectoren zoals de chemische industrie of de mobiliteitssector. Aerts; “Wij hebben een Black Box gecreëerd waar duurzame ener-

‘De leden van spinn-off DENS, de spinn-off van team FAST’ Foto: Team FAST
gie uit komt. Door dit modulair op te bouwen uit eenheden van 25 kilowatt, is het product op een breed afzetgebied inzetbaar in een veelvoud van 25kW”. Het is dan ook een bewuste keuze van DENS om nu eerst een stationair systeem markt-klaar te maken.
Deze keuze is dan ook goed terug te zien in de innovatiekeuzes. Door het scheikundige proces te optimaliseren, is er een reusachtige groei gerealiseerd. Op de schaal van TRL (Technology Readiness Levels) zijn ze namelijk in drie jaar tijd van TRL0 naar TRL7 gestegen. Dit houdt in dat ze niet alleen binnen een kort tijdsbestek van idee naar werkend product zijn gekomen, maar de enthousiaste ondernemer verteld dat ze een opschaling in het vermogen van 42.000x hebben bereikt. “We begonnen met een paar milliwatt en zijn nu aan de slag met 25 kilowatt”. Een enorme prestatie van dit jonge team. <

Bij Walibi Holland weten ze wel hoe hard je gaat in de imposante houten achtbaan, de Robin Hood. Ze weten ook op welke hoogte het karretje ratelend stopt voordat je een vrije val maakt in de Goliath. Welke G-krachten je dan te verduren krijgt, is ook bekend. Ze weten bij wijze van spreken zelfs hoe zweterig je handen worden van al deze zinderende actie. Dus, wat doe je dan als er drie enthousiaste leerlingen van het Stedelijk gymnasium Johan van Oldenbarnevelt Amersfoort aankloppen om hun zelfgemaakte metingsapparatuur te testen? Dan laat je ze ‘gewoon’ toe.
> Uniek. De dochter van een van de NVDO-leden richtte zich voor de zomer tot de NVDO met de vraag of de branchevereniging haar kon helpen bij het vinden van een passende organisatie voor haar profielwerkstuk. Bij Lidbedrijf Walibi Holland werd het studenteam met open armen ontvangen. “We staan bij Walibi zeker open voor dit soort verzoeken, helaas is het in de praktijk vaak onmogelijk om dergelijke experimenten uit te voeren. Er komt namelijk ontzettend veel bij kijken, denk hierbij aan de begeleiding, montage van de apparatuur, openingstijden van het park, veiligheid etc. Dit is dus best uniek!” aldus Peter de Vries, Assistent Manager WOD afdeling R&M bij Walibi. “We vinden het echter wel heel erg belangrijk om jongeren te stimuleren als zij enthousiast bezig zijn met techniek. Ook hier merken we dat er een tekort is aan goed geschoold technisch personeel, als we dan op deze manier een steentje kunnen bijdragen doen we dat graag”.
> Taakverdeling cruciaal. Fleur, Jop en Sanne hebben een gezamenlijke interesse in de bètawetenschappen en maken met zijn drieën een profielwerkstuk over G-krachten. Deze kracht, die natuurkundig gezien de verhouding is van twee krachten, meet de totale kracht die op een bewegend voorwerp werkt. Bij mensen veroorzaakt dit, naarmate de kracht hoger wordt, allerlei ongemakken, die zelfs tot bewusteloosheid kan leiden. Maar een klein beetje G-kracht wordt over het algemeen goed gewaardeerd. Denk maar aan de soms lange wachtrijen voor die éne spannende achtbaan. En dat is precies waar de drie jonge enthousiastelingen ook aan dachten. Sanne; “We wilden deze meters heel graag testen in echte achtbanen. Het is zo ontzettend gaaf dat dit bij Walibi Holland mocht!”
De achtbanen werden beschikbaar gesteld (buiten sluitingstijd) voor een viertal verschillende versnellingsmeters waaronder een (bestaande) app op een smartphone, een meter die verbonden was met een arduino (een kleine computer voor verschillende soorten metingen), en buis van plastic buis met veren en een gewichtje en een buis met water.
Met een goed georganiseerde taakverdeling en hulp vanuit school maakten de drie leerlingen de meters zelf, met uitzondering van de app. De handen werden serieus uit de mouwen gestoken; “Naast de meters moesten we ook een veiligheidsbeugel hebben waar alles op bevestigd werd. Daarvoor moesten we boren, zagen, noem maar op. Dat was, naast het coderen van de meters, eigenlijk ook heel leuk om te doen”.
> De uitvoering. De meters zijn getest in de Goliath, de Speed of Sound en de Robin Hood. Wat best uitzonderlijk is. De Vries; “Vanuit Walibi Holland doen wij zelf geen metingen, dit gebeurt vanuit de moedermaat- schappij het CDA. Elk jaar komen er veiligheidsmedewerkers uit Frankrijk om dit te realiseren. Wij zorgen dan enkel voor de begeleiding”. Begeleiding kregen Fleur, Jop en Sanne uiteraard ook, alleen dan een stuk intensiever. “Alles moest op een uiterst veilige manier verlopen”, benadrukt De Vries.
Met name vanwege de veiligheid, werkten ze na sluitingstijd. De veiligheidsbeugel met de meetapparatuur werd stevig in de karretjes gemonteerd, samen met een camera die de meters in de gaten hield. Zo zijn per achtbaan drie metingen gedaan. Al snel bleek dat in de praktijk de dingen toch anders werkten dan in
theorie, of zelfs helemaal niet. Zoals de arduinometer, waarbij de connectie met de tablet niet functioneerde. “En zo liepen we met het uitvoeren van de metingen tegen meer problemen aan, gelukkig geen hele grote. We hebben alles kunnen oplossen. Dat was vooral leerzaam, je wordt erg creatief op die manier” zegt Sanne als ze terugkijkt op deze fantastische kans.

> Innovatief? Best een beetje trots zijn ze wel op hun meters; “We vinden dat de zelfgemaakte meters best goed gelukt zijn. De analoge meters zijn wat onhandig aangezien ze gefilmd moeten worden en de beelden daarna frame by frame bekeken moeten worden voor de resultaten. Ze gaven echter wel een reële uitslag, al was deze niet zeer specifiek. De arduinometer is heel exact, maar het kostte veel moeite om deze te programmeren”, stelt Jop, die daar verantwoordelijkheid voor was. Ook functioneerde hij niet met de metingen in de achtbaan. Een latere meting op een trampoline liet wel mooie resultaten zien. De innovatie zit in dit geval het meest in de app voor je smartphone. Daarnaast is het erg gebruiksvriendelijk, het vereist verder geen hogere wiskunde (of natuurkunde) en kan tegenwoordig door bijna iedereen uitgevoerd worden. Echter verschillen de resultaten wel per type telefoon.
> Resultaten. Het jonge drietal is optimistisch over de beoordeling en kijkt uit naar de cijfers die zij voor dit profielwerkstuk zullen krijgen; “We hebben niet op ‘zomaar’ een plek metingen gedaan, het was echt bijzonder en we zijn goed begeleid. Het was fijn dat de NVDO dit contact voor ons kon leggen”. <
‘Ontzettend gaaf dat we ons project bij Walibi mochten doen’

Scherpere wet- en regelgeving en de steeds kritischer wordende consument, zorgen ervoor dat bedrijven hun Asset Managementprocessen effectiever moeten managen. Dat ook de serviceen onderhoudsafdeling hierbij een onmiskenbare rol speelt, realiseerde ook het Vlaamse waterbedrijf Pidpa zich. Zij gingen op zoek naar een oplossing om GIS en SAP aan elkaar te koppelen bij het aanmaken en uitvoeren van werkopdrachten, om zo de efficiëntie binnen de bedrijfsprocessen te verhogen.
Assets dienen een optimale bijdrage te leveren aan het primaire bedrijfsproces. De service- en onderhoudsafdeling speelt daarin een belangrijke rol en bepaalt voor een groot deel hoe assets op een zo kosteneffectieve wijze beheerd kunnen worden. Het managen van deze processen is vaak een lastig en complex geheel aan taken, die met elkaar afgestemd moeten worden. Pidpa ondersteunt daarom haar service- en onderhoudsprocessen door middel van GIS en SAP.
> Procesondersteuning. Door de krachtige mogelijkheden van beide systemen op een slimme manier te koppelen, kan asset data optimaal worden ingezet ter ondersteuning van deze processen. Om dit te realiseren heeft Pidpa samen met Ideo, gespecialiseerd in het verbeteren van service- en onderhoudsprocessen en partner voor mobiele oplossingen, interfaces tussen beide systemen gebouwd.
Het grote voordeel van deze integratie is dat de geografische data uit het GIS nu eenduidig gecombineerd wordt met de service- en onderhoudsdata uit SAP. De werkopdracht bevat relevante informatie uit de twee systemen en wordt centraal en integraal ontsloten voor de verantwoordelijke medewerkers in het proces. Hierdoor is bijvoorbeeld de werkvoorbereider in staat om de opdracht volledig voor te bereiden met toegang tot onderhoudshistoriek voor die asset/locatie, de planner kan de opdracht efficiënt in de tijd plannen en de monteur kan de opdracht op een correcte manier uitvoeren en resultaten terugmelden via SAP en GIS.
> Visualisatie. Door de status van de taken in werkopdrachten in SAP terug te koppelen naar het GIS en daar te visualiseren, kunnen relevante partijen zoals burgers en gemeenten, ook via de kaart geïnformeerd worden over de voortgang van hun meldingen en actuele werklocaties. De kaart is de ideale manier om met duidelijke symbologie deze doelgroep overzichtelijk te informeren.
“Door de slimme koppeling tussen GIS en SAP wordt informatie uit beide systemen efficiënter en correcter gecombineerd en is de drempel om werkopdrachten aan te maken en eenduidig te koppelen aan een locatie, sterk verlaagd” aldus Bart Reynaert, Geo-
ICT architect bij Pidpa. "Dit alles leidt uiteindelijk tot het beter informeren van alle stakeholders en een sprong vooruit in onze geo-communicatie”.
> Doorpakken. Pidpa is één van de grootste Vlaamse waterbedrijven die dagelijks zo’n 1,2 miljoen inwoners uit de provincie Antwerpen van lekker en zuiver drinkwater voorziet. Hiervoor beschikt Pidpa over een indrukwekkende infrastructuur: 59 watertorens, 29 opjaagstations en meer dan 12.800 km aan leidingnetwerk. Deze essentiële schakels in de distributieketen worden continue onderhouden, vernieuwd en/of uitgebreid. Naast het leveren van drinkwater, is Pidpa ook verantwoordelijk voor het beheer van rioleringen. Een uitgelezen kans om de succesvolle integratie van GIS en SAP, in een volgende projectstap ook daar op de service- en onderhoudsprocessen toe te passen. <
‘Efficiënter en correcter combineren’

Colette Alma, Algemeen Directeur VNCI
In het huidige tijdsgewricht is de innovatie in de chemie voor een belangrijk deel gedreven door de ambitie om te verduurzamen. Die Innovatie richt zich dan ook vooral op producten met een geringere “footprint”, op circulair grondstofgebruik en op processen met lagere risico’s en minder impact op mens en milieu. Dat zegt Colette Alma van de VNCI.
“Voor de onderhoudssector is naar mijn inschatting vooral de laatste innovatielijn van belang. De stormachtige ontwikkeling van digitale technieken maakt daarin fundamentele verbeteringen mogelijk. Met nieuwe sensor- en analysetechnieken zal de status van de assets steeds nauwkeuriger te monitoren zijn en wordt gewenst onderhoud steeds voorspelbaarder.
Een voorbeeld is het project dat beoogt “Corrosie onder isolatie” beter beheersbaar te maken voor industrie en onderhoudsprofessionals. Corrosie onder isolatie is één van de meest bekende, omvangrijke faalmechanismen in de procesindustrie. Corrosie onder isolatie, afgekort CUI (Corrosion Under Insulation) is bij de meeste chemische bedrijven een groot aandachtspunt voor onderhoud. Zelfs bij roestvast stalen leidingen kan door vochtinwerking corrosie optreden. Daarom is het noodzakelijk dat het isolatiesysteem droog blijft en de onderliggende leidingen en apparaten geconserveerd zijn.
Een ander voorbeeld is het “asset health centre” op Chemelot, waarmee de gesteldheid van verschillende apparaten nauwkeurig wordt gemonitord. Inmiddels worden er meer dan 500 fabrieksinstallaties gemonitord, met als doel trends te analyseren die informatie verschaffen over de conditie van deze installaties. Die informatie maakt het mogelijk in actie te komen, nog voordat er iets defect gaat in de fabriek. Het centraal monitoren van de conditie van een uitgebreid scala aan installaties geldt als een primeur in de West-Europese procesindustrie.
Alma; “Met de beschikbaarheid van digitale beelden van de assets kunnen Virtual Realityand Augmented Reality onderhoudswerkzaamheden ondersteunen”. En het implementeren en onderhouden van de nieuwe digitale techniek zelf in een operationele omgeving, zal ook nadere aandacht vragen volgens Alma. Al met al kijken we naar een toekomst waarin operatie en onderhoud steeds dichter bij elkaar komen en waarin asset owners en onderhoudsprofessionals nauwer samenwerken. Met hun gezamenlijke inzet en gecombineerde competenties vormen ze het fundament van een steeds veiliger en duurzamer procesindustrie.

Innovaties kenmerken het onderhoudsvak al jaren. Nota bene was de uitdaging in de vorige eeuw (hoe in te inspelen op nieuwe eisen die aan het onderhoudsvakgebied gesteld werden), de directe aanleiding om de NVDO op te richten.
De maatschappelijke behoefte om ontwikkelingen in ons vakgebied op het gebied van bedrijfskunde, digitale technieken en software te integreren, heeft het onderhoud op een hoger plan gebracht. En laten we eerlijk zijn, voor de buitenstaander heeft het onderhoudsvak zich in de laatste decennia zonder problemen aan nieuwe inzichten aangepast.
Bestaan er nu nog maatschappelijke aanleidingen om verder te innoveren? Het antwoord op die vraag is ja. Juist nu leven we in een spannend tijdsgewricht, in een kritische fase. Kijk naar de klimaatverandering en de circulaire economie. Overal om je heen hoor je van klimaat wetenschappers dat het klimaat aan het veranderen is. De gevolgen van die veranderingen ondervinden we nu al in het onderhoudsveld en dat effect zal naar mijn inzicht op korte termijn alleen maar groter worden.
Daarnaast is de invloed van de circulaire economie op ons vakgebied, dat horizontaal is verweven in het maatschappelijk stelsel, zeker aanwezig. Denk bijvoorbeeld aan de toenemende schaarste van sommige grondstoffen die het gebruikspatroon van grondstoffen fundamenteel zal veranderen.
In de laatste decennia heeft de NVDO het innovatieproces gesteund met het organiseren van cursussen en het faciliteren van ervaringsuitwisseling tussen vakmensen en dat is noodzakelijk. Kan de NVDO
GaSt COlUMn <

deze taak in de volgende decennia blijven vervullen? Niemand die daaraan twijfelt.
Het werken aan innovaties kan de NVDO leden met elkaar verbinden en creëren. Het bedenken en integreren van vernieuwingen heb ik altijd ervaren als een motiverende activiteit, die zich later goed laat vertellen aan de kinderen en/of kleinkinderen. Wedden dat je gewaardeerd wordt indien je kunt zeggen dat je nog meegewerkt hebt aan de strijd om het tempo van de klimaatveranderingen af te remmen!
Het verhaal zou helemaal af zijn als je later ook kunt zeggen dat je er niet alleen voor stond. Maar dat er veel leden van de NVDO waren die elkaar daarbij steunden. Dat zou mooi zijn. <
Adri Meijdam
a.s.r.
Specialist Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Starten met predictive maintenance is een uitdaging. Bedrijven weten niet waar ze moeten beginnen en wat ze er precies mee willen bereiken. Predictive maintenance is echter geen doel op zich, maar een middel.
Door eerst te kijken naar wat bedrijven er precies mee willen bereiken en wat ze eruit willen halen, kan de toepassing van predictive maintenance doelgerichter en beter overwogen worden. Het toepassen ervan kan een grote investering zijn en het gaat gepaard met hoge (opstart)kosten. Voordat bedrijven daarom gaan investeren in predictive maintenance, kunnen ze een Business case opstellen en de (opstart)kosten afwegen tegen de huidige onderhoudskosten. Bedrijven moeten ook meegaan met innovaties om de concurrentiepositie te behouden. Dit moet ook worden meegenomen in de Business case. Ook kunnen bedrijven ervoor kiezen eerst klein te starten met predictive maintenance door een pilot op te zetten. Indien er
bewijs is dat de toepassing zijn vruchten afwerpt, kan de toepassing breder in het bedrijf worden geïmplementeerd.
> Data en Maturiteit. Het vertalen van de data naar bruikbare informatie om mee te kunnen (be)sturen, is een grote uitdaging. Bedrijven kunnen kijken welke parameters invloed hebben op de doelstellingen en de KPI’s van het onderhoud en welke data ze hiervoor willen ophalen. Dat kan door te kiezen welke assets ze willen monitoren en welke data deze assets kunnen produceren.
De mate waarin predictive maintenance kan worden toegepast en de hoogte van de benefits, hangen ook af van het type sector en met name ook de type assets. Lang niet in alle gevallen wegen de benodigde investeringen op tegen de voordelen. Het is dus als bedrijf altijd belangrijk om een gedegen afweging te maken welk maturiteitsniveau wenselijk is. Het zal niet voor elk bedrijf (en elke sector) wenselijk en/of rendabel zijn om naar het hoogste niveau te streven (NVDO Onderhoudskompas red.). Het benodigde niveau kan per industrie en bedrijf verschillen. Vanzelfsprekend zijn de moge-
lijke waarde uit analyse en inzichten én de benodigde investeringen bij de meer geavanceerdere maturiteitsniveaus hoger.
> Mensen. Een uitdaging vinden we ook in de toepassing van de combinatie capaciteit en competentie van de medewerkers. Aangezien de werknemers van onderhoudsbedrijven wellicht (nog) niet over de juiste capaciteiten beschikken om de analyses te doen, kan er daarom een samenwerking worden aangegaan met een (externe) expert of data-analist die variaties in de data kan ontdekken en vertalen naar inzichten (ook d.m.v. statistieken). Daarnaast kan er commitment onder de medewerkers worden gecreëerd door ze te betrekken en te enthousiasmeren en specialisten te binden aan de organisatie.

> Systemen. Bedrijven beschikken niet altijd over de juiste technologieën en systemen om predictive maintenance te doen. Aan de hand van het gekozen maturiteitslevel om het onderhoud te doen, dienen bedrijven daarom de bijhorende systemen aan te schaffen, of kunnen ze partneren met partijen die over de technologieën beschikken. Met deze systemen dienen bedrijven zich goed bewust te zijn van cybersecurity en wat de consequenties zijn van een mogelijke datalek. Hiertoe moeten keuzes worden gemaakt hoe ze databases, communicatiestromen en toegang tot systemen van de organisatie op het gewenste level kunnen beveiligen. Het samenwerken met andere partijen is vaak van hele grote waarde, maar kan ook gevaarlijk zijn omdat er data kan uitlekken. Er dienen daarom goede afspraken te worden gemaakt met externe partijen over data-uitwisseling en wie de data beheert. Ook dienen de systemen de capaciteit te hebben om de data te verwerken en structureren. Met het bepalen van de faalmechanismen van te monitoren assets kunnen er regels worden opgesteld die bepalen wanneer data wordt opgeslagen. Ook kunnen hiermee de juiste algoritmes worden vastgesteld, die vervolgens kunnen worden aangescherpt.
‘Predictive Maintenance is een middel, geen doel
‘Robotica kan onderhoud enorm ondersteunen’ Foto: NVDO
> Ontwikkelingen van predictive maintenance? Waar predictive maintenance precies heen gaat in de toekomst en hoe snel deze ontwikkelingen gaan, is nog onzeker. Andere technologische ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de impact van predictive maintenance. Zo wordt the Internet of Things (IoT) al door 78% van de NVDO-achterban gebruikt of in de toekomst geïmplementeerd. De ontwikkelingen in Artificial Intelligence (AR) en Virtual Reality (VR) worden ook al door meer dan de helft van de bedrijven momenteel of in de nabije toekomst toegepast voor onderhoudswerkzaamheden of trainingsdoeleinden.
Ook robotica en 3D printing kunnen het onderhoud enorm ondersteunen en efficiënt maken. Uiteindelijk zal predictive maintenance zich mogelijk ontwikkelen naar zelfregulerende systemen die het onderhoud kunnen optimaliseren op o.a. kosten, tijd, financiën, kwaliteit en veiligheid zonder tussenkomst van mensen. De weg ernaar toe is echter nog onduidelijk. Voor bepaalde bedrijven staat predictive maintenance namelijk nog in de kinderschoenen. Andere bedrijven zijn al verder met het toepassen. <
De eerste versie van de ISO 45001-norm voor managementsystemen voor gezond en veilig werken is gepubliceerd. Officieel NEN-ISO 45001:2018. De ISO 45001 gaat de OHSAS 18001-norm vervangen. Vanaf het moment van publicatie start een overgangsperiode van drie jaar voor de organisaties die OHSAS 18001 zijn gecertificeerd.

“Occupational Health and Safety Assessment Series”, (officieel BS OHSAS 18001) is een internationaal toegepaste Britse standaard voor Arbo Managementsystemen. Met een arbo-managementsysteem kan aan alle stakeholders worden aangetoond dat de arbeidsomstandigheden in de organisatie goed geregeld zijn, dat arbo risico’s zijn geïnventariseerd en geëvalueerd en dat de medewerkers zijn aangezet te leren van de ervaringen. Het is een algemeen erkend en populair Arbo Managementsysteem.
> Verbeterd. Ten opzichte van OHSAS 18001, heeft ISO 45001 een nieuwe hoofdstuk- en paragraafindeling. Deze zijn gebaseerd op de zogenaamde ISO High Level Structure (HLS). Door ISO is bepaald dat alle normen voor managementsystemen op basis van de HLS worden
opgebouwd en in elke norm de basistekst met eisen voor een managementsysteem uit de HLS wordt gebruikt. De HLS-basistekst voor een managementsysteem is in alle ISO-normen voor managementsystemen terug te vinden. Dit geldt dus ook voor de ISO 45001.
In de verschillende managementsysteemnormen wordt de HLS-basistekst aangevuld met eisen die voor het betreffende onderwerp van belang zijn. Grofweg bestaat circa de helft van de ISO 45001 uit HLStekst en de andere helft uit tekst die specifiek is voor het managementsysteem voor gezond en veilig werken. Door de gelijke indeling en de gelijke basistekst voor organisaties, wordt het makkelijker om de managementsystemen te integreren.
> Processen. In de norm wordt vaak de term Processen gebruikt. Deze moeten worden ingericht, geïmplementeerd en onderhouden. Daarnaast worden documenten of registraties vereist om de aanwezigheid en werking van onderdelen van het systeem en van het juist, beheerst en volgens planning verlopen van de processen aantoonbaar te maken.
Een organisatie kan ervoor kiezen om de processen geheel of gedeeltelijk vast te leggen, dit heeft een aantal voordelen, zoals het vergemakkelijken van de overdracht van taken van de ene naar de andere medewerker. Voor taken die niet zo vaak worden uitgevoerd, is het makkelijk om terug te vinden hoe deze moeten worden uitgevoerd. Bij certificatie is het eenvoudiger om aan te tonen dat de processen er zijn en deze worden uitgevoerd zoals beschreven.
> Compliance. Planning van acties: expliciet moet worden gemaakt wat het vervolg is van de geïdentificeerde risico’s en kansen, complianceverplichtingen en noodsituaties als nieuw onderdeel in de norm. De essentie is dat duidelijk wordt gemaakt op welke manier de risico’s, kansen, compliance-verplichtingen en maatregelen in het kader van noodsituaties, een vervolg krijgen in het managementsysteem. Het vervolg kan zijn dat beheersmaatregelen worden genomen die terugkomen in de uitvoering.
> Competenties. ISO 45001 vereist dat eerst de benodigde competenties worden vastgelegd voor de uitvoering van het werk en ook het kunnen identificeren van gevaren. Samen met opleiding en ervaring kunnen trainingen zorgen voor de benodigde competenties. OHSAS 18001 vereist niet om deze bekwaamheid in de vorm van competenties te onderbouwen, wel moesten de trainingsbehoeften worden geïdentificeerd..

Beheer en Onderhoud
Asset Management
Techniek
Branchevereniging

Conditiebewaking
Prestatiemanagement
Maintenance Academy
Kennisontwikkeling

Maak onderdeel uit van Europa’s grootste netwerk
De Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud (NVDO) is dé toonaangevende brancheorganisatie die middels belangenbehartiging, kennisontwikkelingen en -overdracht en netwerken ondersteuning biedt aan bedrijven en personen die bij de besluitvorming op het gebied van Beheer en Onderhoud/Asset Management betrokken zijn en daarmee de Nederlandse onderhoudssector als ’s werelds beste helpt te presteren.
De NVDO doet dit door in de sector een onafhankelijke positie in te nemen en alle relevante bedrijfssectoren met behulp van voorlichting, advisering, kennisontwikkeling, (wetenschappelijk) onderzoek en kennisuitwisseling ten dienste te staan en zo op weg te helpen naar excellent Asset Management.
Het NVDO-lidmaatschap biedt vele voordelen! Het NVDO-Lidmaatschap geeft toegang tot
• Grootste netwerk van Europa (fysiek en digitaal)
• Regionale activiteiten
• Vakinhoudelijke kennis en netwerk
• Compleet portfolio Maintenance Academy
• Collectieve abonnementen op vakbladen
• Kengetallen, Trends, Visie (NVDO Onderhoudskompas)
• Platform Materiaalkunde
• (wetenschappelijke) Publicaties, waaronder Visiedocumenten
• Kortingen op ons cursusaanbod van de NVDO Maintenance Academy
• Jongerenboard
Asset Management, Duurzaamheid, Veilig Werken en Energie-efficiency zijn belangrijke thema’s waaraan de NVDO regelmatig en in breder verband aandacht besteedt!

De Nederlandse chemische industrie behoort tot de veiligste ter wereld. Gelukkig. Niemand wil een ontploffende fabriek met slachtoffers binnen of buiten de poort. En minder dramatische ongevallen zijn ook ongewenst. Elk ongeval blijft er één teveel.
Een reden voor het programma Duurzame Veiligheid 2030 om te streven naar: ‘een vitale (petro)chemische industrie zonder noemenswaardige incidenten’. En dat is een prachtig streven. Maar geen volledig streven. Want met dit doel vergeten we een belangrijke groep slachtoffers. Per jaar overlijden ongeveer 4100 mensen aan een beroepsziekte. Blootgesteld tijdens het werkleven, veelal ziek geworden na het pensioen, gestorven in stilte. Onzichtbaar voor het bedrijf, niet opgenomen in de verzuimstatistieken en buiten schot van de KPI’s. Bedrijven hebben de morele en wettelijke plicht om dit

‘Nederlandse chemische industrie behoort tot de veiligste ter wereld’
te voorkomen. Ook als de huidige omstandigheden pas over tien, twintig of dertig jaar voor slachtoffers zorgen.
> Sterven in stilte. Per jaar overlijden 4100 mensen aan een beroepsziekte. Er kunnen tientallen jaren verstrijken tussen de blootstelling en het ziek worden. Hierdoor worden met name gepensioneerden getroffen door beroepsziekten; 78% van de mensen die overlijden aan een beroepsziekte is gepensioneerd. De mensen die in de sectoren industrie, bouw en gezondheidszorg werken, hebben de grootste kans om ziek te worden door het werk (TNO, 2016). Ook bij de nieuwe meldingen die bij het Nederlandse Centrum voor Beroepsziekten binnenkomen, staat de industrie in de top drie (NCvB 2017).
Het aantal dodelijke slachtoffers per jaar is hoog. Het aantal doden door een beroepsziekte is vele malen hoger dan het aantal dodelijke arbeidsongevallen per jaar. In 2017 zijn 50 personen overleden ten gevolge van een arbeidsongeval (Inspectie SZW, 2017). Het zal niet verrassen dat roken en ongezonde voeding de grootste bijdragen leveren aan de ziektelast in Nederland; respectievelijk 9,4% en 8,1%. Een ongezond binnen- en buitenmilieu veroorzaakt 4% van de ziektelast, waarbij luchtverontreiniging de belangrijkste factor is. Ongezonde arbeidsomstandigheden, zoals blootstelling aan gevaarlijke stoffen, lichamelijke en psychische belasting, veroorzaken bijna 5% van de ziektelast (RIVM, 2018). De cijfers tonen het onomstotelijk aan: we worden met zijn allen behoorlijk ziek van ‘arbo’ en ‘milieu’. Dit zijn twee factoren waar de (petro)chemische industrie een bijdrage aan levert en waar zij dus iets aan kan doen.
> Verplichting. De wet kent meerdere verplichtingen die een relatie hebben met beroepsziekten. Zo moeten beroepsziekten gemeld worden (Arbowet, artikel 9). Bedrijfsartsen doen deze melding bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekte. Na de melding gebeurt er niets dat voor het bedrijf relevant of merkbaar is. Het geheel van alle meldingen wordt gebruikt voor onderzoek en dat genereert relevante beleidsinformatie, maar het is niet zoals bij ongevallen dat er na een melding bij het bedrijf een onderzoek plaatsvindt.
De indicatoren die we gebruiken om het veiligheidsbeleid te toetsen, hebben betrekking op (persoonlijke)veiligheid. Wettelijk zijn er
Over het
Bedrijfsleven, Overheid en Wetenschap hebben afgesproken structureel te gaan samenwerken om de veiligheid in de (petro) chemische sector te verbeteren. Om dit te bereiken worden via vijf roadmaps concrete activiteiten, pilots en onderzoek uitgewerkt. De thema’s van de roadmaps zijn duurzaam Asset Management, integrale uitvoering van beleid, een transparante en beveiligde chemiesector, ruimte voor (petro)chemieclusters en een hoogwaardig kennissysteem voor de chemie.
Naast omgevingsveiligheid, gaat het hierbij ook om procesveiligheid en arbeidsveiligheid. Het RIVM brengt hierbij de kennis in over veroudering van installaties, maar ook de know how over Smart Maintenance en de perceptie van veiligheid. Tevens legt het RIVM de verbinding tussen academische kennis en de toepassing daarvan in de praktijk, bij lokale overheden, bedrijven en het Rijk.

Foto: NVDO
verplichtingen die als indicator gebruikt zouden kunnen worden om het beleid rondom beroepsziekten te toetsen, maar die worden onvoldoende nageleefd. De vraag is natuurlijk waarom? Daar is geen onderbouwd antwoord op te geven. Vermoedelijk is het nog niet op orde, omdat de verplichtingen omvangrijk en ingewikkeld zijn.
> Oplossing. De Nederlandse chemische industrie behoort tot de veiligste ter wereld. De veiligheid met acute effecten is nagenoeg onder controle. Maar langetermijneffecten zorgen voor een groot aantal onzichtbare slachtoffers per jaar. De maatschappij heeft in toenemende mate aandacht voor deze stille slachtoffers. De Nederlandse chemische industrie heeft de morele plicht en de mogelijkheid om dit probleem aan te pakken. Daarom is het cruciaal dat het programma duurzame veiligheid 2030 een bredere scope hanteert; veiligheid en gezondheid. Het doel zou moeten zijn ‘Nagenoeg geen noemenswaardige incidenten. Niet met een acuut effect, maar ook niet met een chronisch effect’.
> Prioriteer. Het is niet mogelijk om alles tegelijk te doen. Gezien de grote impact van blootstelling op werkenden en omwonenden, moet de focus in eerste instantie gelegd worden op gevaarlijke stoffen. En die aandacht voor gevaarlijke stoffen moet behapbaar zijn. Prioriteren is noodzakelijk. Beoordeel de blootstelling aan de top tien gevaarlijke stoffen en bepaal op basis daarvan de top tien blootstellingsindicator. Deze indicator maakt zichtbaar of een bedrijf de blootstelling aan gevaarlijke stoffen onder controle heeft.
Verwerk de top tien blootstellingsindicator in de bedrijfsstatistieken, toon het aan de poort, neem het op in KPI’s en laat het meewegen in bonussen. Maak gebrek aan actie in het heden, dat zorgt voor risico’s in de toekomst, zichtbaar voor de wereld. Als er sprake is van te hoge blootstelling, dan wordt dit opgelost volgens het STOPprincipe;
• Substitie
• Technische maatregelen
• Organisatorische maatregelen
• Persoonlijke beschermingsmiddelen
> Focus. Focus op de top tien gevaarlijke stoffen. Bepaal de top tien blootstellingsindicator. En laat zien wat de top tien blootstellingsindicator is. Gebruik deze indicator bij het beoordelen van het bedrijfsbeleid. Maak in alle uitingen duidelijk dat Safety & Health voorop staan. En als de blootstelling te hoog is, los het op volgens STOP en analyseer altijd hoe de ongewenste situatie heeft kunnen ontstaan. <
Port of Amsterdam beheert ruim 1.900 hectare havengebied, zoals haventerreinen, los- en laadkades, wegen, spoorwegen en 600 hectare vaarwater. Om zijn taken nog beter en efficiënter uit te kunnen voeren, zet het havenbedrijf in op digitalisering. Dat gebeurt onder meer met slimme apps om de buitenruimte te monitoren. Ook met de inzet van drones (vliegend, varend en duikend), – wordt inmiddels gepilot.
“Digitalisering is de motor van het toekomstbestendig maken van de haven. Digitalisering is natuurlijk niet iets ‘van ons’, het gebeurt overal. Wij zijn in feite een traditioneel bedrijf in een traditionele omgeving, maar willen we antwoord hebben op maatschappelijke ontwikkelingen en vraagstukken, dan moeten we wendbaar zijn. Zo houden we onze voorkeurspositie vast. De haven verandert in rap tempo door bijvoorbeeld de energietransitie. Nu zijn we nog de grootste benzinehaven ter wereld en een grote speler in kolen. Dat zal gaan veranderen”, zegt Joost Zuidema van de afdeling Strategie & Innovatie.
> Beheer en onderhoud. Het havengebied strekt zich uit van de havens in de stad Amsterdam tot aan het einde van het Noordzeekanaal in IJmuiden. Een van de hoofdtaken van het havenbedrijf is de aanleg en het onderhoud van de infrastructuur, het vernieuwen van de haven en het beheer van het Amsterdamse havengebied. “Sinds de verzelfstandiging van het Amsterdamse havenbedrijf in 2013, is er in de

organisatie meer aandacht voor innovatie”, vertelt Zuidema. Hij kwam in die periode aan boord om vanuit zijn achtergrond in sensortechnologie een bijdrage te leveren aan de gewenste vernieuwing.
> Waar liggen de toepassingen? Een van de onderwerpen waarmee Zuidema zich bezighoudt is de inzet van onbemande drones. “Drones werden toen al wat serieuzer, maar het was tegelijkertijd ook nog een exclusief iets. We hebben ons toen de vraag gesteld; waar liggen de toepassingen? Dat zijn er best veel”. Zuidema noemt onder andere onderhoudsinspecties aan kades en steigers, pijpleidingen, daken van tanksilo’s en het meten van de diepgang in havenbekkens. Naast onderhoud valt te denken aan inzet bij calamiteiten, bijvoorbeeld het meten van gevaarlijke stoffen in de rookwolken van een brand of voor het maken van beelden vanuit de lucht ten behoeve van brandweer of politie op de grond.

‘Traditioneel bedrijf in een traditionele omgeving’
Foto: Port of Amsterdam

> Gecontroleerd luchtruim. Bedrijven in de Amsterdamse haven gebruiken al enige tijd vliegende drones in afgesloten ruimten, zoals loodsen of ladingruimten van een schip. In de buitenlucht kon dat tot medio dit jaar niet. Want, behalve de algemeen geldende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van drones, heeft de Amsterdamse haven te maken met de CTR van Schiphol. Een CTR is een gecontroleerd luchtruim dat valt onder het beheer van, in dit geval, luchthaven Schiphol. Om veiligheidsredenen was het niet toegestaan om in de CTR van Schiphol vliegende drones in te zetten. Zuidema; “Sinds dit voorjaar is het in ongeveer tweederde van de haven toegestaan om te vliegen met drones. Er gelden nog steeds regels en afstemming met LVNL (Luchtverkeersleiding –red.), maar het inzetgebied is verruimd. Dat bevordert veiliger en efficiënter werken in de haven en dat is goed voor onze klanten”.
> Geslaagde test. In maart van dit jaar vond een pilot met een vliegende drone plaats bij tankopslagbedrijf Eurotank Amsterdam. De resultaten waren veelbelovend, weet Zuidema. “Er is met de beelden van de drone een 3D-model gemaakt van de tank. Daarmee kon de status van de tank bekeken worden en het benodigde onderhoud worden gepland”. Het succes leidde bij het havenbedrijf tot de vraag: ‘Hoe kunnen we de inzet van drones breder neerzetten, voor onszelf en voor onze klanten?’ “Wij zitten niet per se in de rol van voorloper op het gebied van innovatie. Professionele drone-inzet is in de haven nog geen gemeengoed en het is afwachten of de toegevoegde waarde die er op papier is, in de praktijk ook echt uitkomt”. In eerste instantie zoekt het havenbedrijf daarom externe partijen die de drones inzetten. Zuidema sluit niet uit dat de eigen inspecteurs op termijn opgeleid worden tot dronepiloot. “De rol van het havenbedrijf is vooral om de mogelijkheden van nieuwe technologie te onderzoeken en te faciliteren”, zegt Zuidema.
> Efficiënter. Een drone is in principe goedkoper en milieuvriendelijker, omdat er gewerkt wordt met een kleiner vaartuig of vliegtoestel.
Dat scheelt in aanschaf, onderhoud en brandstofverbruik, maar je bespaart bijvoorbeeld ook kosten omdat je geen of minder steigers hoeft te bouwen. Een drone is veiliger omdat je mensen niet fysiek aanwezig hoeft te laten zijn, bijvoorbeeld bij een brand, of werk op hoogte. Zuidema; “En drone-inzet is vaak efficiënt, omdat je bijvoorbeeld met een inspectievaartuig op de hoofdvaarroute blijft, terwijl de drone de bekkens ingaat voor een meting of inspectie”.
Steve Faerber is bij de afdeling Beheer verantwoordelijk voor Asset Management en Projecten. Hij geeft de beheerprojecten vorm en maakt de onderhoudsbestekken. Faerber; “We hebben zelf een klein testje gedaan met een vliegende drone om scheurtjes te detecteren in een wegdek. Dat was goed waarneembaar op foto en film”. Dat er nu meer mag in de CTR is goed nieuws, zegt hij, maar het gaat nog niet zo snel als gehoopt. “De techniek is sneller dan de regelgeving”.
> Ontheffing aanvragen. Belangrijke beperkende factor bij het inzetten van vliegende drones is het vroegtijdig moeten aanvragen van een ontheffing. Voor een inspectie is dat nog wel in te plannen, hoewel slecht weer op de inspectiedag een flinke streep door de rekening kan halen. Voor het inzetten bij een calamiteit is eerst een ontheffing regelen natuurlijk niet handig. Zuidema; “Ik verwacht nog wel een verdere versoepeling. Vanuit het havenbedrijf kijken we samen met bijvoorbeeld Rijkswaterstaat en Waternet naar de mogelijkheden en kansen en leveren we input aan beleidsmakers over wat voor ons zinnig zou zijn. Het gaat erom dat het op een zinnige manier soepeler wordt, in ieders belang en met oog voor de veiligheid”.
> Onbemande vaartuigen. Een drone is niet per se een onbemand ‘vliegend systeem’. Het kan ook een onbemand vaartuig zijn, of een systeem dat zelfstandig onder water opereert. Het havenbedrijf deed een succesvolle testinspectie met een onbemand vaartuig aan de (deels holle) steiger van de Passenger Terminal Amsterdam. Faerber; “Traditioneel is dat mensenwerk, met boten en duikers. Onbemand is het veiliger en sneller en de cruiseschepen kunnen de steiger blijven >
gebruiken tijdens de drone-inspectie. De inspectie leverde haarscherpe beelden op en dat is meteen het probleem: de bestanden zijn zo groot dat het lastig is om alles op te slaan. En als je iets heel specifieks wilt zien, is een duiker soms alsnog nodig”. Varende onbemande vaartuigen werden ook al ingezet voor het inmeten van taluds en het meten van de diepte in havenbekkens. Normaal gebeurt beide met een sonarboot die extern wordt ingehuurd. Duiken met een onbemand vaartuig blijkt vooralsnog niet zo zinvol. Vanwege het troebele water kan de camera niet voldoende kwalitatief beeld leveren.
> Fijn hulpmiddel. Digitalisering gaat om meer dan drones. ‘Digitaal’ is voor beheer en onderhoud een fijn hulpmiddel, zegt Zuidema; “We verzamelen veel data en het is iets van de laatste jaren om op een slimme manier nieuwe databronnen aan te boren. Zo hebben we sensoren geplaatst op vrachtwagenparkeerplaatsen. De eigenaar kan zien of zijn truck er nog staat en wij krijgen inzicht in het gebruik”. Voor inspecties in de openbare ruimte werken de inspecteurs sinds enige tijd met een beeldbank. Ze maken met hun tablet foto’s van objecten en taggen die met een code en een opmerking. Faerber; “De aannemer heeft toegang tot de app en kan bij ons areaal. Hij ontvangt een melding en komt automatisch in beweging om het op te lossen”. Een ander voorbeeld zijn de aanmeerpalen in IJmuiden. Faerber; “De IJ-palen in IJmuiden zijn voorzien van sensoren zodat we kunnen monitoren of de palen beschadigd zijn”.
> Interne ICT. Terug naar de onbemande vaar- en vliegtuigen. Ondanks de succesvolle tests, blijft de inzet van drones nog beperkt. Faerber; “Onze computersystemen zijn op dit moment niet geschikt voor de enorme hoeveelheden data. De vraag is nu dus wat we intern nodig hebben om de databerg beter te ontsluiten”. Zuidema; “Digitalisering is ook data-analyse. En wat vroeger op papier ging, gaat steeds vaker digitaal. Bestaande data die we voorheen niet gebruikten, bijvoorbeeld cijfers over welk type schepen de haven bezoeken, gebruiken we nu wel. Bijvoorbeeld om trendlijnen te trekken en te correleren met andere bronnen, zoals het weer of de olieprijzen. Dat geeft nieuwe inzichten die
‘Mogelijkheden van nieuwe technologie onderzoeken en faciliteren’
weer bruikbaar zijn voor bijvoorbeeld het beheer. Digitalisering is dus ook de interne ICT klaarmaken voor de toekomst, bijvoorbeeld door in de Cloud te gaan werken”.
De vernieuwingsdrang in de Amsterdamse haven krijgt ook gestalte in innovatiehub Prodock, een initiatief van het Amsterdamse havenbedrijf om havengerelateerde start-ups ‘die de ideefase zijn ontgroeid’ te faciliteren in een pand in de haven. Het idee erachter is dat de beginnende bedrijven zich uiteindelijk vestigen in het havengebied en/of dat hun technologie of dienst een plek krijgt in de haven. Zuidema; “Prodock is een plek waar ze een laatste ontwikkelslag kunnen maken, een testlocatie of pilotplant kunnen opzetten. En we bieden ze toegang tot ons netwerk. Prodock zit inmiddels bijna vol en er gebeurt van alles op het gebied van sensoren, drone-inzet, biobased en circulaire economie en meer. De sensoren op de IJ-palen zijn tot stand gekomen in samenwerking met het bedrijf 30MHz, die destijds ook in Prodock was gevestigd”. <

‘Vaartuig bij Prodock’ Foto: Port of Amsterdam
‘Eerste IBIS Powernest op gebouw gezet’ Foto: Inside-Out Lab
Op het dak van een appartementsgebouw aan de Henriëttedreef in Utrecht Overvecht wordt momenteel een innovatieve energiemodule getest. De PowerNEST van IBIS Power wekt energie op uit zon en wind.
Het meet spanning en stroom vanuit de Schakelkast, dus op afstand van de motor zelf. Dat is een belangrijk verschil met bijvoorbeeld trillingsmetingen. Simon Jagers, oprichter van Semiotic Lab vult aan; “De gangbare methodes, denk aan bijvoorbeeld trillingsmetingen, worden op of dicht in de buurt van de te monitoren assets geplaatst. Precisie-instrumenten, zoals sensoren, zijn in de regel niet geschikt om in een industriële omgeving geplaatst te worden. Ze gaan stuk door stof, schoonmaakwerkzaamheden of gewoon door de ruige omgeving”. Daarnaast wordt een sensor op de motor vaak gevoed door batterijen. Met de proefwoning in Utrecht Overvecht gaat het Inside Out-consortium twee uitdagingen aan. De eerste is het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. Hoogbouwflats, zoals aan de Henriëttedreef, vormen hiervoor een flinke uitdaging, met veel woningen onder één dak en beperkte ruimte om energie op te wekken.
De tweede uitdaging is ervoor te zorgen dat huurders van sociale woningen voordeel hebben bij de energietransitie. Hoe zorg je voor een groot onderhoudstraject waarbij huurders een comfortabele, opgeknapte woning krijgen met lagere woonlasten en minimale overlast van de werkzaamheden?
> Inside Out als oplossing. Het Inside Out renovatiesysteem biedt een oplossing voor deze uitdagingen. Flats krijgen een slimme gevel met multifunctionele bouwdelen die woningen duurzaam verwarmen en ventileren, gecombineerd met energie opwek door zon en wind. Onderzoek wijst uit dat de tien-hoog flat aan de Henriëttedreef hiermee op jaarbasis niet langer energie opslurpt, maar energie kan opleveren.
Verhuurder Bo-Ex wil hiermee bereiken dat huurders onder de streep minder woonlasten hebben. Ook wordt met dit systeem de overlast door verbouwing beperkt. Uniek aan het systeem is namelijk dat de
‘Slimme gevel met multifunctionele bouwdelen’

installaties aan de buitenzijde van de flat komen, vandaar de naam ‘Inside Out’. De bouwdelen kunnen daardoor geprefabriceerd geleverd worden, de installateurs kunnen snel doorwerken en de bewoners ervaren minimale overlast. Zij hoeven niet te verhuizen tijdens de werkzaamheden.
> Eerst een proefwoning, dan de rest. Afgelopen jaar heeft het Inside Out-consortium de multifunctionele bouwdelen onderzocht in verschillende testopstellingen om het ontwerp te optimaliseren. Door het systeem nu bij één woning te installeren, kan het consortium toetsen of het in de praktijk werkt. Om draagvlak voor verduurzaming te creëren, betrekt het consortium de flatbewoners bij het traject. Het consortium neemt hun ideeën waar mogelijk mee, om samen de beste en meest gebruiksvriendelijke oplossing te zoeken. In de woonkamer en keuken van de woningen kan het snel warm worden. Daarom worden in de proefwoning verschillende soorten zonwering getest.
> Opschaling. In Nederland staan tienduizenden vergelijkbare flatwoningen. Opschaling is daarom mogelijk om deze Inside Out energietransitie-methode zonder subsidie overal te kunnen realiseren. Bij een opschaling van de vraag kunnen de prefab multifunctionele bouwdelen lokaal gefabriceerd worden met een grote inzet van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in het kader van social return. <
Over het Inside Out-consortium
Het project wordt uitgevoerd door woningcorporatie BoEx, Bos Installatiewerken, Bosch Thermotechniek, Alkondor Hengelo, Mex Architects, LomboXnet, Hogeschool Utrecht en Universiteit Utrecht, onder leiding van het Utrecht
Sustainability Institute. Het project wordt uitgevoerd met Topsector Energiesubsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Kabels die op leeftijd komen moeten vervangen worden. Maar het vernieuwen van hoogspanningskabels is een kapitaalintensieve operatie. Bij ProRail willen ze er daarom zeker van zijn dat de kabels of de verbindingsmoffen wel echt aan vervanging toe zijn. Om dit zo accuraat mogelijk te bepalen, maakt de spoorinfrastructuurbeheerder gebruik van een methodiek, waarbij gebreken in hoogspanningskabels door middel van deelontladings-metingen worden aangetoond.
> Gedeeltelijk ontlading. Edward de Vries, vakdeskundige bij ProRail, legt uit hoe dit in zijn werk gaat. “Bij een deelontladingsmeting wordt er een hoge wisselspanning met een bepaalde frequentie in de kabeladers geïnjecteerd. Deze spanning plant zicht voort in de kabel en bij gebreken zullen ontladingen optreden. Doordat deze ontladingen voor reflecties zorgen op het punt van optreden, zijn de locatie en de ernst van het gebrek inzichtelijk”. De locatie van het gebrek kan worden aangetoond door tijdens de meting te kijken hoe lang het duurt voordat het signaal terugkomt. Aan de hand van de reflectietijd is de afstand van het lek te zien. De meting is vrij exact en geeft de afstand op een meter lengte, maar is uiteraard wel afhankelijk van het soort kabel.

Het is aan de meettechnicus om aan de hand van de kabellengte en de samenstelling van de kabel in te schatten hoe je de reflectie moet interpreteren.
> Hoge beschikbaarheid. Deze ontladingsmetingmethodiek is niet nieuw en bestaat al een aantal jaren. De methodiek wordt met name gebruikt bij verbindingen die een hoge beschikbaarheid vereisen. Het gebruik van de methodiek in de railinfrastractuursector is recenter, mede doordat de techniek steeds goedkoper toe te passen is. Daarbij speelt volgens De Vries ook de veroudering van de kabels een rol; “Een aantal van onze huidige kabels is op een leeftijd gekomen dat er vervanging gepland moet gaan worden. Het vernieuwen van hoogspanningskabels is een kapitaalintensieve operatie en ProRail wil er zeker van zijn dat de kabel of de verbindingsmoffen aan vervanging toe zijn”.
> Voorspellen kabelbreuken. De eerste meting werd gedaan in 2012 door een student bij Inspectation, onderdeel van Volkerrail, die zijn afstuderen richtte op het doen van on-line deelontladingsmetingen. ProRail bood de toenmalige student, Haruna Abdulai, de mogelijkheid om een aantal van haar installaties te gebruiken voor de metingen. De eerste metingen werden uitgevoerd in Dordrecht en in Den Haag. Tijdens dat onderzoek ontdekte hij volgens De Vries geen schokkende dingen. “Aan Den Haag moesten we wat meer aandacht besteden, omdat het anders kon gebeuren dat er fouten zouden optreden, maar verder werden er geen schokkende ontdekkingen gedaan”.
Het onderzoek was voor de spoorwegnetbeheerder de aanleiding om aan de hand van een meerjaren monitoring te bekijken of de methodiek kosteneffectief ingezet kan worden, door bijvoorbeeld vervanging tijdig te plannen en te kijken of hinder door falen is te voorkomen. Hoewel

de methodiek geen kabelbreuken kan voorspellen, is het wel zo dat breuken bijna altijd worden veroorzaakt door externe invloeden zoals grondverzakking, graafwerkzaamheden of boringen. De techniek voorspelt dan wel geen breuken, maar geeft wel een indicatie van met name de vochtintreding in de kabel, die weer kan leiden tot het falen van een lasverbinding. De levensduur van een kabel zit over het algemeen tussen de vijftig en tachtig jaar.
De kabels waarbij volgens De Vries de methodiek wordt getest, zijn kabels die al aardig op leeftijd zijn en waarbij in sommige gevallen het stoorgedrag al bekend is. “Voor de oudere kabels zoekt ProRail een manier om het einde van de levensduur van de kabel te kunnen bepalen. Met de deelontladingsmetingen kan in elk geval de status worden bepaald en of de kabel, dan wel de lasverbindingen, onderhoud nodig hebben. De metingen zijn onderdeel van het spoorbeheer”.
> Hinder reiziger. Voor de metingen is specifieke kennis nodig. Die kennis ligt onder andere bij Inspectation en energieleverancier Jules Energy. ProRail heeft de metingen voornamelijk uitbesteed aan Inspectation, omdat zij over de juiste kennis beschikken en ook de spoorwereld goed kennen. De reiziger zelf zal volgens De Vries niets merken van
de metingen. “Daar bij ProRail de meeste hoogspanningsverbindingen dubbel worden uitgevoerd, zal de reiziger dit niet gaan merken. Wel kunnen we preventief delen gaan vervangen zodat we het falen van een hoogspanningskabel voor blijven. Het vervangen van de kabels zou in de toekomst juist voor minder hinder kunnen zorgen, maar daarover kan ik nog niet zoveel zeggen”.
> Total Cost of Ownership. De afgelopen jaren is ProRail bezig om ervaring en kennis op te bouwen met een aantal hoogspanningskabels, maar volgens De Vries komt het langzaam op gang. “Het is moeilijk om nut en noodzaak aan te tonen, want je moet blijven overwegen waar je geld aan uitgeeft en wat je er mee kan voorkomen. Wij moeten bekijken wanneer het beste moment is voor de metingen, op welke leeftijd van de kabels en met welke randvoorwaarden. Dat is iets waar wij mee bezig zijn bij het Systeem Management in Utrecht. Het voorkomen van hinder geeft hierin de doorslag, maar het komt uiteindelijk neer op de Total Cost of Ownership (TCO). We proberen de kosten volledig inzichtelijk te maken; Het is belangrijk de kabels tijdig te vervangen, maar je moet dit ook niet te vroeg doen. Wij willen natuurlijk wel de volle leeftijdsduur uit de kabel halen. Daarnaast spelen zaken als: Wat kost het om een kabel aan te leggen, te gebruiken, te onderhouden en te vervanging ook mee”.
Bij de meeste locaties hebben we twee kabels liggen, voordat er hinder ontstaat, moeten allebei de kabels tegelijk falen. Een overweging is door regelmatig metingen uit te voeren en de kwaliteit te bewaken, hoeft er in de toekomst maar één kabel aangelegd te worden en te worden onderhouden. “Dat zou een overweging voor de toekomst kunnen zijn, maar dan hebben we het over ongeveer tien jaar. Daar zijn nu nog geen concrete plannen voor”.
De Vries; “Het is belangrijk om passende onderhoudsacties te ondernemen en dit kan mede door het onderhoud meer inzichtelijk te krijgen; meten is ook een vorm van onderhoud natuurlijk”. <
In company mogelijk
Binnen risicomanagement is het gebruik van risicomatrices een essentieel onderdeel om kosteneffectiviteit te realiseren voor het beheer en onderhoud van assets. Door gebruik te maken van risicomatrices en risicogetallen kunnen de risicogevolgen in kaart worden gebracht wat leidt tot beslissingsscenario’s. Hierdoor kunnen risico’s vermeden worden of bewust worden geaccepteerd op gebieden als productie, kosten, veiligheid, imago en milieu.
Door het toepassen van risicomanagement op praktijkgerichte vraagstukken wordt niet alleen de kennis overgebracht, maar leert men ook wat de impact is van de methodiek voor uw organisatie. Ook wordt duidelijk wat de verhouding is tussen de kosten en de opbrengsten bij het implementeren van de risicomanagement.
Deze cursus stelt u in staat om risicomanagement voor beheer en onderhoud toe te passen gedurende de gehele levenscyclus van een technische installatie
Onderwerpen
• Kader van risicomanagement en Gebruik van risicomatrices
• Gebruik van risicogetallen en Toepassen van kosteneffectiviteit
• Werken met scenario’s en tools en Uitvoeren van risicoanalyse
• Interpreteren en communiceren van resultaten
• Realiseren van risicobewust denken, organisatiebreed
De NVDO cursus “ISO 55000 Strategisch Gebouwbeheer” geeft deelnemers waardevol inzicht in de wereldwijde normering. U maakt kennis met de inhoud en heeft aan het eind van de dag een helder en compleet inzicht in de integrale eenduidige aanpak die de norm voorschrijft. Hierbij wordt dieper ingegaan op de toepassing van ISO 55000 bij strategisch gebouwbeheer. Let op: de training gaat specifiek in op de ISO 55000 serie en behandelt slechts in hoofdlijnen het vakgebied van Asset Management, met als doel de norm te verduidelijken.
ISO 55000 is een internationale norm die de eisen voor het ontwikkelen, implementeren, onderhouden en verbeteren van een managementsysteem voor Asset Management specificeert. De norm specificeert welke elementen in een Asset Managementsysteem zouden moeten voorkomen en hoe deze met elkaar verbonden zijn. De invulling daarvan is aan de organisatie zelf.
De norm bestaat uit drie delen:
1. ISO 55000 Asset Management: Overview, Principles en Terminology
In company mogelijk
2. ISO 55001 Asset Management: Management systems, Requirements 3. ISO 55002 Asset management: Management systems, Guidelines for the application of ISO 55001
Onderwerpen
• Wat is ISO 55000 en hoe draagt het bij aan goed Asset Management als het gaat om Gebouwbeheer op strategisch niveau
• De relatie tussen ISO 55000 en andere management systemen
• Basisvereisten van een Asset Management Systeem
• Toepassen van de norm voor strategisch gebouwbeheer en vastgoedsturing
• Asset Management in combinatie met Verantwoord Ondernemen
• Aansluiting ISO 55000 op bestaande ontwikkelingen binnen de vastgoedsector als NTA 8026, NEN2767 en BIM
Nota bene:
Bij deelname aan deze eendaagse ISO 55000 cursus is uiteraard de norm deel I inbegrepen!
Doel
Deelnemers hebben na deze eendaagse training inzicht in de toepassingsmogelijkheden van de ISO 55000 en kennen de integrale eenduidige aanpak die de norm voorschrijft. Ze kunnen deze kennis inzetten voor vastgoedsturing en strategisch gebouwbeheer in hun eigen organisatie.
29/30 november;
In company mogelijk
De term “Operational Excellence” staat van origine voor het zo efficiënt mogelijk aanbieden van een product of dienst. Tegenwoordig is het een fundamenteel onderdeel van goed presterende organisaties. Bedrijven hebben door de jaren heen al in detail uitgewerkt hoe ze hun productieproces “operational excellent” moeten inrichten. Onderhoudsprocessen vragen echter een geheel eigen benadering. De principes zijn dezelfde, de uitwerking is soms totaal anders dan bij productieprocessen.
Doel
Na het volgen van de cursus “Operational Excellence in Perspectief” kent de cursist het totaalmodel van operational excellence in onderhoud en heeft hij of zij een basis om verder te kunnen werken aan het opzetten van een Operational Excellence binnen zijn onderhoudsorganisatie
Onderwerpen
• De geschiedenis en de basisprincipes van Operational Excellence
• Het verband tussen Lean, TPM en Asset Management
• Een totaalmodel voor Operational Excellence in onderhoud
• Een aantal onderwerpen uit het model:
- Afstemmen van het onderhoud op de bedrijfsstrategie, budgettering en KPI’s
- Organisatiestructuur
- Preventief onderhoud
- Autonoom onderhoud
- Werkstroombeheersing
- Competentiemanagement
- Informatiebeheer
- Reservedelenbeheer
- Cultuur, verandermanagement en implementatie
- Continue verbetering
Bij een meerjarenonderhoudsplanning gaat het erom dat de wensen van een organisatie vertaald worden naar de mogelijkheden van het gebouw waarin die organisatie gehuisvest is. Een goede meerjarenonderhoudsplanning maakt gebruik van de resultaten die verkregen zijn uit onderhouds-inspecties (bijvoorbeeld volgens NEN 2767). Elke onderhoudsplanning heeft twee belangrijke functies: het is een goed stuk gereedschap bij onderhoudsbeheersing en het is een goed communicatiemiddel bij het zichtbaar maken van de resultaten van onderhoudswerkzaamheden.
Doel
De cursist is na afloop van de cursus Meerjarenonderhoudsplanning in staat: een Programma van Eisen voor Instandhouding op te stellen, bezien vanuit dwingend recht, regelend recht en beleid. Hij kan een meerjarenonderhoudsplanning van (bouwkundig) onderhoud maken en weet om te gaan met onderhoudskengetallen en projectanalyses om de eigen meerjarenonderhoudsplanning mee te kunnen vergelijken.
Onderwerpen
In company mogelijk
• Onderhoudsplanning als onderdeel van de bedrijfsbeheersing (control): meetbare doelstellingen en meetbare output en Het verzamelen van gegevens via gerichte inspecties (b.v. NEN 2767)
• Welke eisen worden er per discipline aan een conditiemetingmeerjarenplan gesteld?
• Directe toepassingen van inspecties NEN 2767. Hoe doe je dat?
- Het in beeld brengen van de bestaande conditie van de gebouwenvoorraad: Het opstellen van een meerjarenonderhoudsplanning (budgettering), Het meten en controleren van onderhoudscondities, Het ondersteunen van vastgoedbeheer en –beleid en communicatie
• Indirecte toepassingen NEN 2767. Hoe doe je dat?
- Het opstellen van een activiteitenplan op basis van het meerjarenonderhoudsplan, Het uitwerken ervan naar een jaarplan, Het in beeld brengen van te verwachten kosten Het uitvoeren van projectvoorbereiding en invullen van bestekken, Het opstellen van (resultaatgerichte) onderhoudscontracten en Het overdragen van verantwoordelijk-heden bij aanvang of beëindiging van (resultaatgerichte) onderhoudscontracten
• Afgeleide besturingsproducten van meerjaren beheerplannen:
- Objectoverzichten, Basis Programma van Eisen per object. Inspectierapportages (ruimtelijk, esthetisch, functioneel, technisch en wettelijk), Meerjarenplanningen (naar tijd en geld) en Financiële meerjaren planningen, vastgoeddossiers, productkaarten
• Rapporteren van bevindingen in een meerjaren onderhoudsplan
Bij een staalfabriek wordt zuurstof gebruikt voor het reduceren van het vloeibaar ruwijzer tot staal. Het daarbij ontstane CO wordt via leidingen afgevoerd. In deze leidingen zijn zogenaamde compensatoren ingebouwd om trillingen op te vangen en te voorkomen dat schade ontstaat aan de leidingen. Uiteraard moeten deze compensatoren lekdicht zijn om te voorkomen dat O2 of CO vrijkomt. Door uitharding van het rubber onder invloed van UV-straling en temperatuurwisselingen kan het rubber echter uitharden en op den duur scheurtjes vertonen. Dit kan uiteindelijk leiden tot onacceptabele milieu-incidenten (CO) of zelfs explosies (O2).
> Probleem. Het onderhoud bestond uit het periodiek controleren van het rubber op scheurtjes om onacceptabele lekkage te voorkomen. Bij het evalueren van dit onderhoudsconcept is vastgesteld dat dit onacceptabel is. Tussen het ontstaan en het waarnemen van het scheurtje kan er al O2 of CO lekken met het risico op ontploffingsgevaar of een milieu incident. Eigenlijk is hier ook geen sprake van preventief onderhoud door inspectie, maar van een zogenaamde ‘Failure Finding’ onderhoudstaak.
> Oplossing. In plaats van de Failure Finding onderhoudstaak, is gezocht naar een inspectiemethodiek die lekkage kan voorkomen of zelfs op den duur kan voorspellen. Er is gekozen voor een “Shore Hardness” meting waarbij de hardheid van het rubber van de compensator wordt gemeten en aan de hand van een afkeurgrens wordt bepaald wanneer de compensator dient te worden vervangen. Er is tevens voor gekozen om de meetgegevens ter plekke vanuit een mobiele applicatie (via SAP meetpunten) rechtstreeks in SAP te vullen. Een volgende stap is om dan ook automatisch de opdracht tot vervanging op te starten.
> Resultaat. De risico’s op lekkage van de compensatoren zijn nu tot een acceptabel niveau teruggebracht. Tevens is het interval van inspecties vanwege de mogelijkheid van trending (monitoren van het faalmechanisme) omlaag gegaan wat ook nog een totale besparing van enkele tienduizenden euro’s per jaar oplevert. Een mooi voorbeeld dat het mes aan twee kanten kan snijden: hogere betrouwbaarheid en lagere kosten!
23/24 januari a.s.; Cursus Maintenance Engineering in de Praktijk
Het doel van deze cursus is om de (toekomstige) maintenance engineer in zijn dagelijkse werk een goede ondersteuning te bieden.
Onderwerpen
Dag 1
• De plaats en functie maintenance engineering in de organisatie
• Het takenpakket van de maintenance engineer
• De relatie tussen de onderhouds- en productiefunctie
• Het afstemmen van productie- en onderhoudsdoelstellingen
• De kern van maintenance engineering: borgen en verbeteren van de prestatie van produktiemiddelen
• De gereedschapskist van de maintenance engineer
• Het analyseren en reduceren van storingen
• Het opstellen van verbeterplannen
Dag 2
• Het doel en het ontwerpen van onderhoudsconcepten
• Van onderhoudsconcept naar onderhoudsbeheersing
• Praktijkvoorbeelden onderhoudsconcept
• Het invoeren van onderhoudsconcepten in de eigen organisatie
• Het borgen en bijsturen van onderhoudsconcepten in de praktijk
• De invloed van onderhoudsconcepten op het bedrijfsresultaat
• De effectiviteit en de efficiëntie van de maintenance engineer
> NVDO-cursus. In de cursus Maintenance Engineering in de Praktijk wordt, naast methodieken voor het opstellen van onderhoudsconcepten en voor storingsreductie, ook aandacht besteed aan het borgen van deze methodieken en het vastleggen van de resultaten. De organisatorische voorwaarden daartoe worden belicht, want daar gaat het vaak in de praktijk mis. <


INTEGRALE OPLOSSING
Hoe richt u als Maintenance Manager uw onderhoudswerkzaamheden nog efficiënter in? En hoe maakt u onderhoud nou echt voorspelbaar? Koppel uw assets en processen aan elkaar en ga gewoon aan de slag. Voor meer inspiratie over Internet of Things, de rol van Ultimo hierbij en praktische voorbeelden nodigen wij u graag uit op ons blog: www.ultimo.com/blog
Met Ultimo legt u niet alleen de verbinding tussen machines en mensen, maar ook tussen afdelingen en werkprocessen. Zet Ultimo in voor Maintenance Management, Safety Management (HSE), Fleet Management, Facility Management, IT Service Management en ondersteun in één gebruiksvriendelijk systeem al uw ondersteunende processen.

Het kleinste drupje olie op precies de goede plek. Minder storingsminuten door de juiste smering. Een hoger rendement van machines door beter gekwalificeerde handen. Een hogere productiecapaciteit en lagere Total Cost of Ownership (TCO). Handige hulpmiddelen om het smeertechnisch onderhoud veilig uit te voeren. Zomaar een paar voorbeelden van tastbare e ecten van onze expertise in smeermiddelen en smeersystemen. Voor uiteenlopende markten en toepassingen. Voor optimale prestaties van uw productiemiddelen, uw assets.