Skip to main content

VAM1 Februari 2026

Page 1


te verminderen en smeermiddelen optimaal te benutten. Je leert hoe je met de juiste aanpak kosten bespaart, de levensduur van machines verlengt en onderhoudsprocessen structureel verbetert.

Waarom kiezen voor een Noria-opleiding via Van Meeuwen?

Internationaal erkende opleidingen, gegeven in Nederland en België

Praktijkgericht en direct toepasbaar in jouw dagelijkse werk

Basisopleiding (Niveau 1) met deelnamecertificaat

Optioneel: internationaal erkend examen via ICML op dag 4

Vervolgopleidingen (Niveau 2) beschikbaar voor verdieping

Meer weten of direct aanmelden?

Doelmatig Onderhoud

Lange Schaft 7G

Postbus 138, 3990 DC Houten 030 634 60 40 www.nvdo.nl info@nvdo.nl

Auteurs

Pieter Pulleman (Digitale onderhoudsketen en R&D-lab Waterschap Brabantse Delta)

Ian van den Brink, NVDO (Ontmoet en Spie Experience Center)

Ideo (De Spiraaltrap)

Laura van der Linde, Mainnovation (Asset Management)

Heijmans (Professor of Practice)

Wat ‘Heel Holland Bakt’ ons leert over onderhoud

Iedereen kent het wel: de zenuwen van de bakkers in de tent van Heel Holland Bakt. De ovens loeien, de tijd tikt, en de jury kijkt streng toe. Taarten zakken in, soezen rijzen niet, en iemand roept in paniek: “Mijn crème is geschift!” En toch – aflevering na aflevering – zien we iets moois gebeuren. Niet alleen de taarten worden beter, maar vooral de bakkers zelf. Ze leren van hun fouten, delen tips en passen hun technieken aan. Continuous Improvement in optima forma – alleen dan met bloem en suiker.

In de wereld van onderhoud lijkt het misschien wat minder smeuïg, maar het principe is precies hetzelfde. Ook wij staan dagelijks in onze ‘onderhoudstent’. We werken onder tijdsdruk, met beperkte middelen en soms loopt er iets mis: een installatie valt stil, een proces hapert, of een planning blijkt te ambitieus. En, net als de bakkers, moeten we dan niet blijven hangen in frustratie, maar de oven opnieuw voorverwarmen en het recept verbeteren.

Proeven, leren, verbeteren

Ellen den Broeder-Ooijevaar (alle overige artikelen)

Druk

Elma Media B.V.

Advertentie-exploitatie

Elma Media B.V.

Silvèr Snoek - Sales Manager 0226 33 16 67 - s.snoek@elma.nl

Wat Heel Holland Bakt ons leert, is dat verbeteren niet begint met een groot plan, maar met kleine stapjes. Elke week een beetje beter. Een techniek aanpassen, feedback vragen, observeren wat werkt en wat niet. In onderhoud noemen we dat PDCA, lean of continu verbeteren – allemaal namen voor hetzelfde menselijk proces: leren van wat gisteren niet perfect was.

En net als in de bakkerstent, is het geheim van succes niet technologie, maar cultuur. De sfeer waarin fouten niet worden afgestraft, maar onderzocht. Waar de operator mag zeggen; “Dat had ik anders moeten doen,” en de planner reageert met; “Oké, wat kunnen we daarvan leren?” Zonder die veiligheid en nieuwsgierigheid komt er geen vooruitgang. Dan blijven we dezelfde taarten bakken met dezelfde gebreken.

De jury is streng, maar rechtvaardig

De klant (of dat nu de productielijn, de manager of de eindgebruiker is) is onze jury. En die verwacht resultaat. Betrouwbare assets, minder storingen, voorspelbaar onderhoud. Dat vraagt om mensen die hun vak voortdurend aanscherpen. Niet door harder te werken, maar slimmer. En misschien moeten we onszelf wat vaker afvragen: wat zou André van Duin zeggen als hij ons werk zag? Zou hij glimlachen en zeggen; “Dat ziet er goed uit,” of met een knipoog; “Het had iets luchtiger gekund”?

Tot slot

Continuous Improvement is geen project, het is een houding. Net als in de tent van Heel Holland Bakt draait het niet om perfectie, maar om progressie. En eerlijk is eerlijk: of je nu een taart bakt of een turbine onderhoudt, het mooiste moment blijft hetzelfde: wanneer alles eindelijk werkt zoals het hoort.

De krachten van blijven verbeteren

Nederland heeft een lange traditie van technische vindingrijkheid. Van waterwerken tot hightech maakindustrie: We zijn groot geworden door in mogelijkheden te denken, slim te handelen en voortdurend te verbeteren.

Wat opvalt, is dat de principes die onze technische sector zo sterk maken, terug te vinden zijn in uiteenlopende bronnen: de Japanse

Kaizen filosofie, de LEAN benadering, de moderne continu verbetercultuur, maar ook in eeuwenoude Bijbelse wijsheid en zelfs in Darwins evolutietheorie. Samen vormen ze een verrassend coherent fundament onder het Nederlandse concurrentievoordeel.

Kaizen leert dat vooruitgang ontstaat door dagelijkse, kleine verbeteringen. Dat past naadloos bij de Nederlandse mentaliteit: nuchter, pragmatisch en gericht op doen. In onze werkplaatsen, fabrieken en technische teams zie je dezelfde houding terug. Niet wachten op grote reorganisaties, maar elke dag iets slimmer, veiliger en efficiënter. LEAN versterkt dat door te focussen op waarde en het elimineren van verspilling. Het is precies wat Nederlandse ondernemers groot heeft gemaakt: met beperkte middelen maximale impact creëren.

Opmerkelijk genoeg sluiten deze moderne methoden aan bij oude Bijbelse principes. Romeinen 12:2 spreekt over vernieuwing van denken, een innerlijke transformatie die leidt tot beter handelen.

Dat is de essentie van continu verbeteren: reflecteren, leren en opnieuw proberen. In 2 Korintiërs 5:17 klinkt het loslaten van het oude en het omarmen van het nieuwe, precies zoals LEAN vraagt om het verwijderen van verspilling en het creëren van ruimte voor waarde. Filippenzen 3:13–14 benadrukt het streven naar wat voor ons ligt, een houding die je terugziet in elke ondernemer die vooruit wil, ondanks onzekerheid of concurrentiedruk.

Darwin voegt daar een biologisch perspectief aan toe dat verrassend goed past bij onze Nederlandse technische sector. Evolutie ontstaat door variatie, selectie en adaptatie. Organisaties die zich snel aanpassen aan veranderende omstandigheden, overleven en floreren. Dat is precies wat Nederlandse bedrijven onderscheidt: flexibiliteit, creativiteit en de bereidheid om te leren van fouten. In een wereld waarin technologie razendsnel verandert, is adaptief vermogen misschien wel het grootste concurrentievoordeel.

‘Continu verbeteren kan niet zonder investeren in geld, mensen en materieel’
‘ ’

Wanneer je deze lijnen samenbrengt, ontstaat een helder beeld. Kaizen geeft de dagelijkse discipline, LEAN biedt de structuur, continu verbeteren vormt de mindset, het geloof in verbeteren levert de waarden en Darwin bevestigt dat voortdurende aanpassing de sleutel is tot overleven. Het is een combinatie die diep verankerd is in de Nederlandse cultuur en die onze technische sector al generaties lang vooruit helpt. Niet door grootspraak, maar door elke dag een beetje beter te worden. Dat is waar we als Nederlanders in uitblinken en waar onze toekomst op gebouwd is.

En laten we dat vasthouden en verbeteren!!!

Ronald Wever, Voorzitter

Inhoud

Van de voorzitter

08 Leren klimmen op de spiraaltrap

14 Continu verbeteren als motor van Asset Management

18 R&D-lab Waterschap Brabantse

brengt onderhoud, energie en innovatie bij elkaar

25 Onderhoud windturbines verbeteren met de sensorinstallatierobot

32 Van onderwijs naar onderhoud: regie op AI als sleutel tot blijvende verbetering

36 Van restwarmte naar waardevolle energie

40 Veilig werken vraagt om continu verbeteren

44 Herziene NEN 2767-2 versterkt objectiviteit en kwaliteit van conditiemetingen

48 Professor of Practice moet structureleverbetering brengen

Een project met nationale prioriteit

Zonder de juiste mindset en gedrag zijn mooie tools slechts een administratieve last > Van de inhoud van een reactorvat tot de pomp die het aanstuurt, Mike de Jonge kent de technische en organisatorische kanten van dat werk als geen ander.

Van ‘voor elk probleempje een systeempje’naar één digitale onderhoudsketen 10

Met investeringen in drones biedt Defensie kansen voor bedrijven 16

Digitale sturing als sleutel tot verduurzaming 22

Hoe LeapSprong technologische innovatie richting een duurzame industrie stuurt 30

Een inspectie is geen schema-exercitie 39 Kort 35

Kort 43

Spitfire High Lady krijgt tweede leven 47

Wereldwijde stap vooruit: Danone officieel B Corp gecertificeerd 50

Nederlandse batterijoplossing houdt groei in stand 52

Cursuskalender 56

Casus

Mike de Jonge Foto: privé collectie

Wie

Mike de Jonge

Wat

Reliability & Continuous Improvement Engineer

ONTMOET Mike de Jonge <

Van de inhoud van een reactorvat tot de pomp die het aanstuurt, Mike de Jonge kent de technische en organisatorische kanten van dat werk als geen ander. Hij begon met een rol in de procestechniek en groeide door tot Reliability & Continuous Improvement Engineer. Zijn voorliefde voor en kennis van de chemische industrie brengen voordelen met zich mee; “Door de eigenschappen van het medium te doorgronden, begrijp je ook sneller waarom een installatie onder specifieke omstandigheden storingen vertoont”.

Vanuit zijn achtergrond in chemical engineering en ervaring in de chemische industrie maakte De Jonge de overstap naar Reliability Engineering. “Toen ik werd benaderd, moest ik eerst opzoeken wat het eigenlijk inhield”, geeft hij toe. Inmiddels is hij ruim tien jaar werkzaam in de chemie, waarvan de laatste vijf jaar bij Covestro (dat in 2021 de DSM Resins & Functional Materials-activiteiten heeft overgenomen) op de locatie in Hoek van Holland, waar dagelijks UVuithardende coatings voor glasvezelkabels worden geproduceerd.

In 2024 rondde De Jonge de master Engineering in Maintenance & Asset Management aan de Hogeschool Utrecht af om zijn praktijkkennis te ondersteunen met theorie. “Met Onderhoud en Asset Management sla je de brug tussen techniek en organisatie. Het gaat niet alleen om wat er moet gebeuren, maar ook om hoe je dat duurzaam inricht in de organisatie”.

> Waar Reliability en Continuous Improvement samenkomen. Inmiddels stuurt De Jonge verbeterprojecten aan over meerdere afdelingen. Van onderhoud tot het lab en van de operatie tot de afdeling kwaliteit. “Reliability Engineering draait om de vraag: wat moet er beter? Continuous Improvement kijkt: hoe zorg je dat dit binnen je organisatie geborgd wordt”. Een goed voorbeeld daarvan is het invoeren van autonoom onderhoud bij Covestro. Operators zijn medeverantwoordelijk voor de eerstelijns

onderhoudstaken en inspecties, zo krijgen ze inzicht in het functioneren van hun machines. “Dan zie je ook dat kleine afwijkingen eerder worden gesignaleerd”.

> Kleine stappen, groot effect. Covestro Hoek van Holland heeft een relatief kleine site, met ongeveer vijftig medewerkers. Daardoor is het werk van De Jonge breed en afdeling-overschrijdend. De focus ligt daarbij op het doorbreken van silo’s en het versterken van de samenwerking. “Kleine, consistente verbeteringen hebben op lange termijn een grote impact. Dan moet je continu verbeteren niet als project zien met een begin en einde, maar als manier van werken”.

> Blijven verbeteren. Volgens De Jonge draait 80% van Continuous Improvement om gedrag en mindset en slechts 20% om tools en methodes. “Zonder draagvlak worden verbetertrajecten ervaren als een administratieve last. Maar zonder de structuur wordt er vaak te weinig mee gedaan. De kunst is om beide in balans te brengen”. Dat blijven verbeteren zit bij De Jonge in zijn DNA. Dat is terug te zien in het sporten dat hij buiten werktijd veel samen met zijn vriendin doet. “We doen aan Hyrox, een combinatie van hardlopen en fitness en doen ook weleens mee aan wedstrijden. Het leuke is dat je steeds net iets beter wordt. Die drang naar verbetering zit er gewoon in”. <

‘ ’
‘Zonder de juiste mindset en gedrag zijn mooie tools slechts een administratieve last’

Leren klimmen op de spiraaltrap

Een gids is geen voorwaarde om de spiraaltrap te beklimmen Foto: Ideo

Veel Asset Management-organisaties investeren in continu verbeteren. Ze voeren Leansessies uit, scherpen KPI’s aan, vernieuwen systemen of herontwerpen werkprocessen.

Toch blijft de winst regelmatig achter bij de verwachting. Hoewel er volop beweging is, blijft structurele vooruitgang uit.

De centrale vraag wordt dan onvermijdelijk: waarom zetten we stappen, maar stijgen we niet? Volgens Bas Horvers, Enterprise Asset Management Consultant, ligt de verklaring in de manier waarop organisaties verbeteren; “Organisaties verbeteren vooral het werk dat ze doen, maar niet de manier waarop ze verbeteren. Daardoor ontstaat er beweging, maar geen ontwikkeling. Continu verbeteren wordt dan een cirkel die draait, maar niet stijgt”. Volgens Horvers raakt continu verbeteren aan proces, mens en methode. Als die drie niet synchroon ontwikkelen, blijft het bij rondjes lopen.

> Excel als vrijheidsillusie. In de praktijk wordt het rondjeslopen vaak zichtbaar op de plek waar mensen grip en snelheid ervaren: Excel. “Als je morgen de stekker uit Excel zou trekken, ligt bij veel bedrijven de operatie stil en dat is niet om te lachen. Het laat zien waar de afhankelijkheid zit. Excel voelt snel en vrij, maar die vrijheid is meestal schijn. Je kunt er alles in doen, maar je kunt er ook alles in fout doen”.

De aantrekkingskracht van Excel zit volgens hem in het gevoel van autonomie: iedereen kan velden overslaan, fouten corrigeren zonder consequenties of data kopiëren zonder validatie. Die vrijheid wordt in een ERP-systeem ingeperkt. Daar moet data volledig zijn, moet gekozen worden uit standaardlijsten en moet volgens een

procesflow gewerkt worden. Voor de operatie voelt dat als bureaucratie. De voordelen als betere rapportages, planning en lifecyclebeslissingen landen op een andere plek in de organisatie. “De mensen die het meeste moeten veranderen, ervaren vaak het minste van de winst. Zolang dat niet wordt erkend of verbonden, voelt verandering als eenzijdige boekhouding”, zegt Horvers.

> Een praktijkvoorbeeld: verandering zonder verbetering. Horvers haalt een organisatie aan uit de industriële sector die dit spanningsveld illustreert. Door snelle groei ontstond behoefte aan een stabieler en schaalbaarder ERP-systeem. De implementatie werd projectmatig succesvol afgerond, maar operationeel bleef men liever in Excel werken. Het nieuwe systeem werd als traag en inflexibel ervaren en opnieuw ontstonden schaduw-administraties. “Het systeem faalde niet,” legt Horvers uit, “maar het verbeterproces faalde. Er werd iets veranderd, maar niet verbeterd naar de mening van de medewerkers”. De oorzaak lag niet in de techniek, maar in de aanpak: processen waren 1-op-1 gekopieerd uit de Excel-praktijk, verandermanagement kreeg te weinig aandacht en het management maakte onvoldoende duidelijk waarom de verandering nodig was. Door de afwezigheid van eigenaarschap en ritme ontstond terugval. Niet uit onwil, maar omdat mensen hun professionele trots niet herkenden in de nieuwe werkwijze.

‘ ’ ‘Juist in de wisselwerking tussen proces, methode en mens ontstaat de echte verbetermethode’

> Verbetering is geen synoniem voor verandering. Een belangrijke oorzaak van dat rondjeslopen is een hardnekkig misverstand: verbeteren en veranderen zijn niet hetzelfde. “Vaak vereist een verbetering wel een verandering, maar niet elke verandering ís een verbetering. Dat moet helder zijn”, aldus Horvers. Als een nieuwe manier van werken leidt tot extra stappen, minder controle of verlies van flexibiliteit, wordt deze al snel als verslechtering ervaren. “Mensen zijn niet tegen verandering,” zegt hij, “maar ze verzetten zich logischerwijs tegen iets dat voor hen niet als een verbetering voelt. Soms voelt de nieuwe situatie zelfs slechter. Dan stokt niet de wil om te veranderen, maar het vertrouwen dat het ook echt beter wordt”. Hierdoor ontstaat terughoudendheid, terugvalgedrag en uiteindelijk frustratie: verandering zonder verbetering wordt geen vooruitgang.

> De valkuil van circulaire drukte. Veel organisaties gebruiken cirkelmodellen zoals PDCA, Kaizen of KPI-loops. Deze modellen zijn waardevol, maar alleen als ook de verbetermethode zelf meegroeit. Wanneer de methode stilstaat terwijl de ambitie groeit, ontstaat wat Horvers ‘circulaire drukte’ noemt: er wordt hard gewerkt, maar niet hoger geklommen; “Je maakt dezelfde ronde, in hetzelfde tempo, met dezelfde uitkomst. Dat voelt productief, maar het brengt je niet op het volgende niveau”.

> Van cirkel naar spiraaltrap. Hij gebruikt daarom liever het beeld van een spiraaltrap. De beweging is hetzelfde als in een cirkel - je draait rond - maar elke omloop brengt je een trede hoger. Dat is alleen mogelijk als drie ontwikkellagen tegelijk stijgen: het proces (hoe het werk is ingericht), de methode (hoe je verbetert en

leert) en de mens (hoe verandering wordt ervaren en gedragen). Techniek ondersteunt die drie, maar is geen proces op zichzelf. Het is een hulpmiddel, niet een ontwikkelas. Een ERP-systeem kan een proces faciliteren, maar vervangt geen verandervakmanschap en lost geen weerstand op. Als één van deze drie ontwikkellagen achterblijft, zakt de trap volgens Horvers in; “Verbeteren mislukt zelden op techniek. Het stokt meestal op mens en methode en juist in de wisselwerking tussen proces, methode en mens ontstaat de echte verbetermethode. Daar groeit óf stopt het verbetervermogen”.

> Zeven ontwikkellagen die de spiraaltrap activeren. Klimmen op de spiraaltrap vraagt om een verbetersysteem dat zelf meegroeit. Horvers onderscheidt zeven ontwikkellagen die samen bepalen of een organisatie blijft draaien of stijgt:

1) De bedoeling: wat moet er concreet beter worden, voor wie en waarom?

2) Procesherontwerp: digitaliseer geen oud gedrag; ontwerp eerst, automatiseer daarna

3) Verbetermethode: PDCA als leercyclus, niet als ritueel

4) Verandervakmanschap: erken verlies, luister naar weerstand en ontwerp gedragsverandering

5) Eigenaarschap: verbeteren mét in plaats van vóór de organisatie

6) Maturiteit: trede voor trede groeien in plaats van te springen

7) Ritme: een vaste cadans, gedeelde taal en zichtbare vooruitgang Deze zeven lagen vervangen geen methodieken zoals Lean of ISOstandaarden, maar helpen ze werken. “Ze maken zichtbaar waar de trap hapert. Niet om te oordelen, maar om te kiezen waar je eerst moet ontwikkelen”, aldus Horvers.

> Tot slot: SAP en de gids. Klimmen op de spiraaltrap vraagt volgens Horvers soms om een gids. Niet om het werk over te nemen, maar om ontwikkeling te begeleiden: iemand die helpt het ritme te vinden, verlies te erkennen, keuzes te structureren en het punt te bepalen waarop een organisatie het weer zelf kan. Moderne ERP-platformen zoals SAP S/4HANA met tooling zoals SAP Build, SAP Analytics Cloud en SAP Enable Now kunnen daarbij de technische kant versterken door processen te standaardiseren en data betrouwbaarder te maken, maar ook door adoptie te ondersteunen. “Een gids is geen voorwaarde om te beginnen, maar zonder begeleiding wordt de trap vaak te zwaar en valt men sneller terug. Uiteindelijk is de kernvraag niet of een organisatie genoeg verbetert, maar of zij hoger komt”, besluit Horvers. <

Van ‘voor elk probleempje een systeempje’naar één digitale onderhoudsketen

Met ruim 25.000 klanten en ‘een paar honderdduizend assets’ groeide Fudura uit tot een asset-intensieve energie-infraorganisatie. Het applicatielandschap dat deze groei mogelijk maakte, begon echter te knellen: 168 interfaces, periodieke datasynchronisatieprogramma’s en een groeiende hoeveelheid operationele ‘waste’.

Fudura Vallei Veluwe Harderwijk Foto: Fudura

“Fudura kent niemand, maar onze klanten kent iedereen”, begint Chief Operations Officer Esther Hehne. Fudura verbindt grote zakelijke partijen met het energienet en beheert een landelijk landschap van assets: van transformatorhuisjes en middenspanningsruimtes tot meters, schakelaars, laadpalen en batterijen.

> Twee hoofdsporen. Fudura komt voort uit commerciële activiteiten die eerder onderdeel waren van netbeheerder Enexis. Bij Operations werken circa 230 mensen, waaronder buitendienstmedewerkers, planners, maintenance engineers en asset managers. De afdeling onderscheidt twee hoofdsporen. Aan de ene kant projecten/engineering/realisatie: projectmatig werk voor nieuwe klanten of aanpassingen bij bestaande klanten, waarbij Fudura ‘meer de dirigent’ is en de uitvoering grotendeels via onderaannemers loopt. Aan de andere kant het reguliere onderhoud en storingen rond infra en meetdiensten. Dat werk doet Fudura in de basis zelf. Voor nieuwere assets, zoals batterijen, zonnepanelen en laadpalen, wordt nu nog veel uitbesteed, maar Hehne verwacht dat Fudura dit vanaf volgend jaar stap voor stap zelf gaat doen. De mix van ‘klassieke’ infra en de toename van nieuwe energietransitie-assets maakte één ding duidelijk: zonder robuuste assetdata en een strak werkorderproces is efficiënt en effectief werken lastig.

> Fragiel. “Voor elk probleempje hadden we een systeempje”, zegt Hehne, terugkijkend op het ICT-landschap dat in de beginjaren van de organisatie ontstond. Fudura had een platform voor meetdiensten, een assetregistratieplatform (meer een database) en twee werkordermanagementsystemen: één voor meetdiensten en één voor infra. Hoewel alleen het hoogst noodzakelijke was gekoppeld, ontstond toch een fragiel landschap met 168 interfaces. Om de paar jaar draaide Fudura een data-synchronisatieprogramma om data tussen systemen gelijk te trekken. Daarbij kwamen zaken boven water die direct raken aan Asset Management én business continuity: facturen naar klanten die geen assets meer hebben, of juist andersom; afschrijvingstermijnen die niet kloppen; en veldmedewerkers die wijzigingen niet eenvoudig konden terugmelden. Ook ontstonden operationele fouten doordat de assetregistratie niet overeenkwam met de werkelijkheid. De ‘waste’ zat volgens Hehne vooral in uitzoekwerk en herstelacties: extra ritten omdat informatie vooraf niet klopt met de werkelijkheid, schouwen omdat systemen geen uitsluitsel geven, en inefficiënte planning. “Een klant zit niet te wachten om op maandag iemand voor de meter te ontvangen en de week daarna iemand voor de infrawerkzaamheden”.

> Orion-programma. Met het zogenoemde Orion-programma zet Fudura daarom gestructureerde stappen om zijn Asset Management naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen. Volgens Nico Beenker, verantwoordelijk voor de ‘end-to-end’ digitalisering, draait het programma om één centrale beweging: van een versnipperd applicatielandschap naar één geïntegreerd EAM-platform. “We brengen rationalisatie, datakwaliteit en procesoptimalisatie samen in één omgeving, met een PDCA-cyclus die niet stopt bij ‘plan’ en ‘do’, maar ook structureel ‘check’ en ‘act’ mogelijk maakt”.

‘Wat we in het verleden deden was plan en do. Nu kunnen we ook check en act’

> Andere manier van werken. Die aanpak kreeg al vroeg concreet vorm in een nieuw asset register. Fudura combineerde assetdata uit verschillende bronnen – waaronder boekhouding en diverse subsystemen – ontdubbelde en verrijkte die en bracht een nieuwe structuur aan met twee functionele lagen en drie technische lagen. Het resultaat is niet alleen betrouwbare data, maar ook een andere manier van werken in de praktijk. Waar monteurs voorheen meerdere werkorders per locatie kregen, werken zij nu met één werkorder per locatie, met gerichte opdrachten per asset.

> Datamodel en schaalbaarheid. Voor het geïntegreerde platform koos Fudura voor Hexagon EAM. Hehne benadrukt dat het geen ‘systeem-ideologie’ was, maar een klassieke selectie met use cases. “We hadden zes use cases die echt belangrijk zijn voor Fudura om te laten zien wat leveranciers konden”. De keuze werd gedragen door een brede groep interne stakeholders. Beenker noemt daarbij het datamodel als doorslaggevend. “Elk softwarepakket heeft een datamodel. Het datamodel van deze software past het beste op de situatie bij Fudura”. Minstens zo belangrijk was de mogelijkheid om dat model passend te maken voor de variatie aan assets, van meters en transformatoren tot laadpalen, batterijen en installaties op verschillende spanningsniveaus.

> Werkorderstructuur. Een van de meest tastbare procesverbeteringen zit in de al genoemde werkorderstructuur. Hehne; “Met het oude systeem hadden we iets van 14.000 onderhoudsregeltjes >

> storingen soms op afstand oplossen, is de verwachting. Pas als er ‘echt een busje de weg op moet’ volgt fysieke interventie, gepland en gedocumenteerd in hetzelfde platform.

> Richting condition based maintenance. De integratie van alle Asset Managementactiviteiten in een EAM-pakket ondersteunt ook de stap richting condition based onderhoud. Beenker; “Wat we in het verleden deden was plan en do. We gingen het onderhoud plannen en uitvoeren. Maar wat er precies uit het onderhoud kwam, werd wel vastgelegd, maar niet gestructureerd”. Met het nieuwe EAM-pakket moet dat veranderen. Inspectieresultaten worden nu via vragenlijsten gestructureerd vastgelegd, inclusief non-conformities. Daarmee ontstaat de ‘check’ die nodig is om de ‘act’ van de PDCA-cyclus uit te voeren: onderhoudsplannen aanpassen op basis van feiten. “Slimmer onderhoud betekent bovendien betere inzet van schaarse vakmensen”, voegt Hehne toe.

> Fysiek én digitaal. Het Orion-programma gaat niet alleen over een verbeterd werkordersysteem, maar ook om een stap richting een hybride onderhoudsmodel waarin fysieke inspecties en digitale monitoring elkaar versterken. Beenker; “We gaan fysiek en digitaal monitoren met elkaar combineren in één systeem”. Bij smart assets worden non-conformities ook digitaal gedetecteerd, bijvoorbeeld bij overtemperatuur of overschrijding van het aansluitvermogen. Hehne noemt Net Control als voorbeeld: transformatoren uitbreiden met sensoren die proactief alerts sturen. In de toekomst kunnen daar automatisch werkorders uit ontstaan en kan Fudura

Fudura Logicor Foto: Fudura per jaar”. Het onderhoud was namelijk opgesplitst in losse orderregels per onderdeel. In het nieuwe systeem gaan we ‘veel meer naar de klant werken’ met geïntegreerd onderhoud: één klus waarin alle componenten op een locatie samenkomen. Dat maakt het werk overzichtelijker, helpt bij de planning en sluit beter aan op de klantbeleving met één afspraak en één bezoek”.

Meer op afstand monitoren is ook nodig omdat het volume aan nieuwe assets snel groeit. “We hebben nu nog minder dan honderd batterijen. Dat kan je nog met het handje monitoren. Maar iedere maand worden er weer nieuwe batterijen geplaatst”, zegt Hehne.

> Implementatie en vervolgstappen. De implementatie van het EAM-pakket verloopt gefaseerd. Beenker; “We zijn medio december met de tweede release live gegaan”. De eerste release was in april. De tweede release betrof onder meer de infra planners en de buitendienst. Hehne schetst een aanpak waarbij de medewerkers vanaf dag één werden betrokken en training ontvingen. Ook is er een stevige ‘hypercare-fase’. Er zijn drie dagelijkse inbelmomenten en op alle vestigingen is straks ondersteuning aanwezig. Doel: voorkomen dat medewerkers, bij storingen of gebruiksonvriendelijkheid, het systeem links laten liggen. Halverwege januari gingen de busjes de weg op met de nieuwe app, waarmee monteurs onderhoud uitvoeren én direct datakwaliteit kunnen toetsen. In maart volgt nog een release om verbeterpunten te verwerken.

> Ook de voorkant koppelen. In een volgende fase worden de meetdiensten (met andere vormen van onderhoud en controles) geïntegreerd, gevolgd door de supply chain en HR/ERP (AFAS), competenties/aanwijzingen en spare parts management. Beenker; “Dan wordt zo’n werkorder pas vrijgegeven op het moment dat het materiaal daadwerkelijk beschikbaar is”. Ook de voorkant van de keten wordt gekoppeld: CRM-pakket Salesforce met contractafspraken en

SLA’s wordt verbonden met de operatie. “Wat aan de voorkant is afgesproken, moet aan de achterkant digitaal beschikbaar zijn. Bij een storing kun je dan checken welke SLA van toepassing is en welke prioriteit dat betekent”.

> Onderhoud: van kostenpost naar waardecomponent. Maakt dit alles dat onderhoud ook meerwaarde levert en niet alleen gezien wordt als kostenpost? Zover is het nog niet, meent Hehne; “Daar is meer voor nodig, maar het systeem opent wel de deur. Het wordt makkelijker om af te stappen van de huidige one-size-fits-all aanpak en SLA-pakketten te koppelen aan klantbehoeften en risicoprofielen”. Ook verwacht ze betere sturing op beschikbaarheid en planning, inclusief rijafstanden en scheduling.

> Sturing op onderaannemers. Een tweede waardecomponent is sturing op onderaannemers. Hehne; “Hoe performen ze? Kunnen we daarop besparen? Kunnen we er meer waarde uit halen? Zonder betrouwbare registratie is dat onmogelij”. En een derde, strategische waarde is het leren van assetprestaties. Hehne wil op assetniveau inzicht krijgen in prestaties, onderhoudsbehoefte en storingsgedrag, om betere keuzes te maken in leveranciers en asset design. “Wij willen niet de goedkoopste assets, maar de meest duurzame asset met zo min mogelijk onderhoud en storingen”. Tot nu toe is dat vooral ‘buikgevoel en jarenlange ervaring’, zegt ze. Met het nieuwe EAM-pakket en het verbeterde Asset Management worden daaraan veel meer feiten over de actuele toestand van het asset toegevoegd.

Fudura koppelt het werken met het nieuwe EAM-pakket expliciet aan volwassenheid in Asset Management. Beenker en Hehne ver-

wijzen naar een recente audit langs de ISO 55001-standaard, met achttien domeinen (onder meer technische informatie en werkordermanagement). De gemiddelde auditscore lag rond 1,5. De ambitie is om in stappen door te groeien naar een gemiddelde van circa 3,5 en vandaaruit naar een structureel zeer hoog volwassenheidsniveau in Asset Management, ligt Beenker toe. De grootste groei zit nu in de domeinen rond technische informatie. Beenker; “Goed Asset Management is een randvoorwaarde om verder te groeien richting condition based en predictive onderhoud en het balanceren van kosten en risico’s om zo meer grip te krijgen”. <

Energie om volop te ondernemen en groeien. Dat is niet (meer) vanzelfsprekend. Maar bedrijven en overheden die altijd zeker kunnen zijn van de juiste energie? Dat moet wel een vanzelfsprekendheid zijn. En blijven. Ondanks de energietransitie. Ondanks netcongestie. Vanuit die drijfveer zet Fudura samen met ruim 25.000 klanten continu stappen vooruit.

“We analyseren inspectie- en monitoringsdata, toetsen prestaties aan afspraken en risico’s, passen onderhoudsconcepten en prioriteiten aan, en nemen gericht verbetermaatregelen. Daarmee wordt onderhoud geen herhaling van het verleden, maar een continu leer- en stuurproces op basis van feiten”.

Li: Esther Hehne. Re: Nico Beenker

Continu verbeteren als motor van Asset Management

Bij organisaties die een maatschappelijke functie vervullen en daarbij sterk afhankelijk zijn van hun assets, is ‘continu verbeteren’ een must. Zeker in een complexe omgeving als de Rotterdamse haven, waar infrastructuur, veiligheid, duurzaamheid en beschikbaarheid samenkomen. In de afgelopen 25 jaar werd duidelijk dat vooruitgang hier vooral wordt bereikt door het consequent blijven verbeteren van processen, data en besluitvorming.

Iets na de eeuwwisseling ontstond bij Havenbedrijf Rotterdam de behoefte om onderhoud professioneler aan te pakken. “We kwamen uit een versnipperde organisatie en waren net verzelfstandigd. De wens was om de beheerafdelingen samen te brengen en één gezamenlijke manier van werken te adopteren”, vertelt Giel Jurgens, Asset Owner bij Havenbedrijf Rotterdam. “De inkt van de toentertijd nieuwe VDM-methode – Value Driven Maintenance – was nauwelijks droog, maar we waren overtuigd: onderhoud als middel om maximale waarde uit assets te halen, was de juiste strategie”.

> Continu verbeteren. Continu verbeteren speelde vanaf het begin een belangrijke rol. Niet alles hoefde in één keer perfect te zijn, maar de richting was duidelijk: stap voor stap meer grip op

prestaties, kosten en risico’s. Een belangrijke versnelling kwam tussen 2004 en 2007, toen Havenbedrijf Rotterdam besloot om naast VDM ook één geïntegreerd ERP-systeem te implementeren. De keus viel op SAP. Jurgens; “Dat vereiste uniforme processen over verschillende onderhoudsdomeinen heen voor een veelheid aan assets zoals kademuren, waterbodem, steigers en natuurlijk vaartuigen. Met behulp van het VDM-procesmodel werden werkprocessen gestandaardiseerd en geoptimaliseerd. Op dat fundament konden we vervolgens door ontwikkelen”.

> Slimmer werken. Door overal dezelfde taal en werkwijze te hanteren, werd het mogelijk om prestaties te vergelijken, te sturen op KPI’s en onderbouwde keuzes te maken. “De VDM-analyses

lieten zien dat deze aanpak zou leiden tot significante efficiëntieverbeteringen, niet door harder te werken, maar door slimmer te organiseren”. Met deze basis wist Havenbedrijf Rotterdam in 2015 als eerste haven van de wereld het ISO 55001 certificaat te behalen. “Het fundament was goed, de processen helder en zodoende was certificeren redelijk eenvoudig”. VDM hielp ook om te bepalen wat de kritische assets zijn en op welke assets je minder hoeft te focussen. Jurgens; “Sommige (onderdelen van) assets mogen kapotgaan. Van andere wil je dit graag van tevoren weten. Maar voorspellen kost geld, dus je moet daarin de juiste afwegingen maken”. Door op basis van deze helder structuur slimme keuzes te maken, bleven verbeteringen niet incidenteel, maar werden deze structureel verankerd.

> Asset Management als groeimodel. Het certificaat was geen eindpunt, maar een meetmoment in een doorlopend proces. Het liet zien dat de organisatie haar Asset Management structureel had ingericht en bleef ontwikkelen. Met de certificering, en de introductie van VDMXL – Value Driven Maintenance & Asset Management – in datzelfde jaar (2015), verschoof de focus steeds verder naar volwaardig Asset Management. “Verouderende assets, strengere veiligheidseisen en maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie dwongen ons om verder vooruit te kijken. Asset Management biedt daarvoor het kader: het afwegen van prestaties, risico’s en kosten over de gehele levensduur van assets en daarbij maximale waarde te realiseren”, aldus Jurgens. Asset Management geeft input aan je vervangingsbeleid, levensduurverlengingsprojecten en modernisering.

> Inzicht in asset data. Voor de toekomst ziet Jurgens vooral kansen op het gebied van data. “Naarmate je meer met digitale middelen gaat werken, wordt dit alsmaar essentiëler. Bij Havenbedrijf Rotterdam hangen al veel sensoren en we zetten ook steeds vaker drones in om metingen en inspecties uit te voeren. Deze sensoren leveren steeds meer informatie. Het effectief opslaan, analyseren en benutten daarvan, vraagt om nieuwe competenties en investeringen”. Het hebben van een dedicated asset data-afdeling onderstreept hoe serieus Havenbedrijf Rotterdam dit neemt.

Een tweede voorwaarde voor succes is de betrokkenheid van de directie. “Dankzij de data uit ons EAM systeem en uit onze sensoren kunnen we, gebaseerd op feiten, de noodzaak van onderhoud aantonen. Onze directie begrijpt dat onderhoud waarde creëert”. Hierbij staan de gebruiker van de haven en de klant van het havenbedrijf centraal. “Wat moeten de assets doen voor de gebruiker? Wat is er nodig om deze assets beschikbaar te houden?”

Havenbedrijf Rotterdam en Mainnovation zijn dus al 25 jaar partners in continu verbeteren. Jurgens; “Door vertrouwen en een gedeelde verbeterambitie durven we te experimenteren, te leren en bij te sturen. Continu verbeteren krijgt zo een praktische invulling: niet door steeds opnieuw te beginnen, maar door voort te bouwen op wat er al staat”. <

‘Niet steeds opnieuw beginnen, maar voortbouwen op wat er al staat’
Giel Jurgens

Met investeringen in drones biedt Defensie kansen voor bedrijven

Het bedrijf Zephro gaat met de Taskforce Drones van de Koninklijke Landmacht bestaande verkenningsdrones doorontwikkelen. Militairen gebruiken deze onbemande systemen om tijdens operaties informatie te verzamelen. Staatssecretaris Gijs Tuinman zette zijn handtekening onder de opdracht.

Foto: Defensie

‘ ’ ‘Drones vragen om specifieke onderhoudsconcepten’

Defensie investeert steeds meer in de ontwikkeling en productie van drones. Die spelen een belangrijke rol in moderne militaire operaties. Dat blijkt duidelijk uit de oorlog in Oekraïne. Om goed voorbereid te blijven werkt Defensie op het gebied van drones samen met Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en andere partners.

> Continu Verbeteren. Door te investeren in de eigen industrie kan de krijgsmacht langer opereren in een mogelijk gevecht. Tegelijkertijd blijft de Nederlandse drone-industrie internationaal relevant. Defensie wil namelijk dat bedrijven bij de tijd blijven en zich kunnen meten met de besten van de wereld. Dat kan als Defensie het bedrijfsleven betrekt bij de militaire ontwikkelingen en technologie. Taskforce Drones van de Koninklijke Landmacht richt zich op de versnelde invoering van drones en bescherming tegen vijandelijke drones. Daarmee introduceert Defensie een nieuwe categorie assets met een eigen levenscyclus, inzetbaarheidseisen en kostenstructuur. Drones vragen om specifieke onderhoudsconcepten, waaronder condition-based en data-gedreven onderhoud, vanwege slijtage van hardware, software-afhankelijkheid en snelle technologische veroudering. De beschikbaarheid en betrouwbaarheid van deze systemen zijn direct afhankelijk van goed ingericht asset management. Daarnaast draagt counter-dronecapaciteit bij aan risicobeheersing en bescherming van bestaande assets. De Taskforce laat zien dat operationele innovatie onlosmakelijk verbonden is met modern Onderhoud en professioneel Asset Management.

> Bescherming tegen aanvalsdrones. Naast drones investeert Defensie ook in middelen om vijandelijke drones te stoppen, zogenoemde Counter-Unmanned Aircraft Systems (C-UAS). In november vroeg Defensie bedrijven om ideeën voor bescherming tegen deze aanvalsdrones. Dat gebeurde in samenwerking met de partners binnen het publiek-private platform Defport. In totaal ontving Defensie 55 voorstellen. Een onafhankelijke commissie beoordeelt ze. Uiteindelijk mogen 4 bedrijven hun oplossing verder ontwikkelen en testen tijdens de oefening Fighter Lion.

Defensie wil deze aanpak blijven gebruiken. In het eerste kwartaal van 2026 start een tweede C-UAS Challenge. Zo krijgen Nederlandse bedrijven opnieuw de kans om innovatieve oplossingen te laten zien.

> Internationaal. Nederland is ook internationaal actief. Samen met Letland en Kroatië leidt het land binnen Europa de samenwerking op het gebied van drones en counterdrones. Door deze gezamenlijke inzet versterkt Defensie niet alleen de veiligheid, maar ook de positie van de Nederlandse industrie. <

R&D-lab Waterschap Brabantse Delta brengt onderhoud, energie en innovatie bij elkaar

Op rioolwaterzuivering Nieuwveer in Breda werkt Waterschap Brabantse Delta aan vraagstukken die steeds zwaarder drukken op het dagelijks beheer van assets. Energiekosten stijgen, wet- en regelgeving wordt strenger en installaties worden complexer, terwijl ze vaak langer mee moeten gaan dan oorspronkelijk voorzien. Tegelijkertijd groeit de afhankelijkheid van data, automatisering en slimme aansturing.

Om die ontwikkelingen beheersbaar te houden, richtte het waterschap enkele jaren geleden een eigen Research & Development-lab in. Het is een gecontroleerde omgeving waarin nieuwe technieken, software en onderhoudsconcepten eerst grondig worden onderzocht en beproefd, voordat ze in het veld worden toegepast.

> Slimmer, zuiniger en voorspelbaarder. De aanleiding voor het R&D-lab was in eerste instantie pragmatisch, legt product owner René de Ren uit. De Ren begon enkele jaren geleden als senioradviseur procesautomatisering en informatievoorziening. Al snel liep hij tegen dezelfde beperking aan die veel asset owners herkennen: innovatie is gewenst, maar lastig te organiseren in een omgeving die 24/7 moet blijven draaien. “Nieuwe software of een andere regelstrategie test je niet zomaar op een bestaande installatie”, zegt hij. “Daarvoor zijn de risico’s te groot. Toch moet je ergens ervaring opdoen. Maar tegelijkertijd verwachten we wel dat we slimmer, zuiniger en voorspelbaarder gaan werken. Dat vraagt om een plek waar je kunt onderzoeken, valideren en leren, zonder direct operationele risico’s te lopen”. In het lab werkt De Ren samen met collega’s uit alle disciplines van de organisatie. “Het is meer een netwerk dan een team”.

> Eerst eenvoudige toepassingen. Een van de eerste concrete toepassingen betrof de optimalisatie van monstername op rioolwaterzuiveringen. Door weersvoorspellingen te koppelen aan het verwachte influentdebiet van peilwater kan een monstername-

kast automatisch bepalen wanneer en hoeveel er wordt bemonsterd. “Op zichzelf levert dat geen spectaculaire bedragen op”, zegt De Ren. “Maar de kernvraag erachter is veel interessanter: kun je influentdebiet betrouwbaar voorspellen?” Diezelfde voorspellende logica blijkt namelijk ook relevant voor andere domeinen, zoals energieverbruik, piekbelasting en de omgang met netcongestie. “Door een relatief eenvoudige toepassing te kiezen, maken we een complex vraagstuk inzichtelijk. Dat helpt om het gesprek te voeren, zowel technisch als bestuurlijk”.

> Pompaansturing en energie-efficiëntie. Een veel omvangrijker traject richt zich op de aansturing van pompinstallaties. In het R&D-lab ontwikkelde het team een generieke digitale tweeling van pompen, gebaseerd op fysische modellen en pompcurves. “We kijken hiermee niet alleen naar individuele pompen, maar naar het geheel”, legt De Ren uit. “Welke combinatie van pompen levert bij een bepaalde druk en flow het beste rendement?” Op de proefopstelling leidde die aanpak tot een gemiddelde energiebesparing van circa 30 procent. “Dat is geen garantie voor elke installatie”, benadrukt hij. “Maar het laat wel zien hoeveel inefficiëntie vaak zit in de manier waarop pompen worden aangestuurd”.

> Voorspellend onderhoud vanuit bestaande data. Voor onderhoud is vooral het voorspellende vermogen van de modellen relevant. Door het theoretische gedrag van een pomp te vergelijken met de gemeten werkelijkheid, worden afwijkingen zicht- >

René de Ren bij testopstelling Foto: Pieter Pulleman
‘Door het zelf te onderzoeken, kunnen we gerichter naar de markt stappen en beter beoordelen wat een oplossing werkelijk doet’

baar. “Je ziet langzaam verschil ontstaan tussen wat een pomp zou moeten doen en wat hij daadwerkelijk doet”, zegt De Ren. “Dat geeft vroegtijdig inzicht in slijtage, vervuiling of hydraulische problemen”. Opvallend is dat het R&D-lab hierbij bewust inzet op bestaande data. “We verzamelen al enorm veel informatie, maar benutten die vaak nog onvoldoende. Door modellen slimmer te maken, haal je meer uit wat je al hebt, zonder meteen te investeren in extra sensoren”.

> Waarom zelf ontwikkelen?Een terugkerende vraag is waarom het waterschap zoveel zelf ontwikkelt, in plaats van kant-enklare oplossingen in te kopen. De Ren begrijpt die vraag, maar ziet meerdere redenen om het anders aan te pakken. “Veel leveranciers optimaliseren hun eigen product, maar niet het totale systeem”, zegt hij. “En wij werken met aanbestedingen, waardoor je vrijwel altijd met verschillende merken en typen assets zit”. Daarnaast speelt kennisopbouw een cruciale rol. “Als je zelf geen ervaring hebt met dit soort modellen, weet je ook niet welke eisen je moet stellen. Door het zelf te onderzoeken, kunnen we gerichter naar de markt stappen en beter beoordelen wat een oplossing werkelijk doet”.

> Onderhoud structureel aangehaakt. ODe onderhoudsorganisatie is vanaf het begin betrokken bij het R&D-lab. Een onderhouds-medewerker draait structureel één dag per week mee en fungeert als brug tussen ontwikkeling en praktijk. “Onderhoud stelt vaak andere vragen dan ontwerp of automatisering”, zegt De Ren. “Bijvoorbeeld over toegankelijkheid, betrouwbaarheid of de keuze van sensoren”. Die inbreng leidt soms tot andere keuzes. “Herhaalbaarheid van metingen blijkt vaak belangrijker dan absolute nauwkeurigheid. Als een sensor consistent meet, kun je daar prima op sturen. Dat voorkomt onnodige complexiteit en kosten”.

> Studenten als versneller van ontwikkeling. Een opvallend onderdeel van het R&D-lab is de structurele inzet van studenten. Jaarlijks werken zo’n veertig hbo- en wo-studenten mee aan uiteenlopende projecten. “Zij leveren de ontwikkelcapaciteit die wij zelf niet hebben”, zegt De Ren. “Zonder hen zouden veel trajecten simpelweg te langzaam gaan.” Studenten bouwen opstellingen, werken modellen uit en brengen ideeën tot een eerste toepasbaar niveau. Dat levert niet alleen prototypes op, maar ook kennis. “Meerdere studenten zijn inmiddels bij ons in dienst. En projecten zoals het afvlakken van gemaalpieken en het optimaliseren van de digitale tweeling van de biologische zuivering komen rechtstreeks uit studentonderzoek”.

> Digitale tweeling van de biologische zuivering. De ontwikkeling van een digitale tweeling van de biologische zuivering die De Ren noemt, is een van de meest ambitieuze projecten. Doel is niet alleen simulatie, maar realtime ondersteuning van de aansturing. “Biologische processen zijn lastig te voorspellen”, zegt De Ren. “Veel bestaande oplossingen werken met black boxes of offline modellen. Wij combineren fysische modellen met AI-technieken, zodat we ook tijdvertragingen, energieverbruik en procesdynamiek meenemen”. Die aanpak maakt het mogelijk om ingrepen beter te voorspellen. “Niet globaal, maar met inzicht in wat er daadwerkelijk gebeurt als je een klep opent of een pomp opschaalt”. Daarnaast is het nodig om te verbeteren omdat nieuwe wetgeving strengere eisen stelt, legt hij uit. “We willen zo lang mogelijk met de bestaande hardware doorwerken”.

> Van lab naar veld. De overgang van lab naar praktijk verloopt gefaseerd. De eerste implementatie staat gepland op RWZI Klundert. “We beginnen met het testen van de architectuur en de veiligheid”, zegt De Ren. “Pas daarna gaan we prestaties meten en

optimaliseren”. De uitrol gebeurt samen met vaste partners. “Wij ontwikkelen en valideren, zij helpen bij implementatie en schaalvergroting”. Op basis van de huidige inzichten loopt de potentiële besparing op tot circa één miljoen euro per jaar voor Brabantse Delta alleen.

> Investeren om te kunnen sturen. Wat begon als een kleinschalige R&D-opstelling in een tijdelijke tent, groeide stap voor stap uit tot een vaste ontwikkelomgeving. Inmiddels is besloten om ruim een miljoen euro te investeren in een nieuw R&D-gebouw, waarin meerdere proefopstellingen parallel kunnen draaien. “Dat besluit is niet over één nacht ijs gegaan”, zegt De Ren. “Daar zijn jaren van onderbouwing, uitleg en overtuigen aan voorafgegaan. Een miljoen lijkt veel, maar afgezet tegen de potentiële besparingen en de maatschappelijke opgave is het een logische stap”.

> Gericht verbeteren. Volgens De Ren zit de grootste winst niet alleen in techniek, maar ook in de manier van werken. “Door beter inzicht haal je veel ad-hoc handelen weg. Onderhoud wordt voorspelbaarder en inhoudelijker”. Dat maakt het werk aantrekkelijker. “Mensen hoeven niet meer reactief afwijkingen te signaleren, maar kunnen gericht verbeteren. Dat is beter voor de assets én voor de organisatie”.

De ambities reiken verder dan Brabantse Delta alleen. De ontwikkelde software is open source en ook bedoeld voor andere waterschappen en marktpartijen. “Niet afdwingen, maar laten zien wat werkt”, zegt De Ren. “Als anderen de meerwaarde zien, ontstaat samenwerking vanzelf”. Zijn motivatie is helder; “Waterbeheer is een publieke taak met grote impact. Als we slimmer omgaan met onderhoud, energie en assets, dragen we bij aan een toekomstbestendig systeem. Dat vraagt investeringen, samenwerking en inhoudelijke diepgang. Precies daar is dit R&D-lab voor bedoeld”. <

Aan het werk bij eerdere testopstelling Foto: WBD

Digitale sturing als sleutel tot verduurzaming

Een Experience Center waar technologie, energiemanagement en onderhoud samenkomen: SPIE Nederland heeft het kantoor in Hoogezand niet alleen verduurzaamd, maar getransformeerd tot een levend praktijkvoorbeeld.

Wat begon als een ambitieus verduurzamingsproject, is inmiddels een demonstratieplek waar collega’s en klanten kunnen zien wat er komt kijken bij het realiseren van een slim en duurzaam gebouw.

“Behalve dat we dagelijks opdrachtgevers met hun duurzame ambities helpen, willen we vooral ook zelf het goede voorbeeld geven”, vertelt Rogier Paanakker, Business Unit Manager en gebouwverantwoordelijke van de SPIE-locatie in Hoogezand. De duurzaamheidsambities en verplichtingen vanuit de overheid – bijvoorbeeld om van energielabel G naar A te gaan – vormden de directe aanleiding om met het pand aan de slag te gaan. Met maatregelen als isoleren, het plaatsen van dubbel glas, alle verlichting vervangen door led en het opwekken van energie met zonnepanelen, werd een eerste stap gezet. Maar, gaandeweg groeide het project uit tot veel meer dan enkel een eenvoudige verduurzaming. Het kantoor werd een proeftuin voor slimme energiesturing.

SPIE Experience Center Foto: SPIE Industry Services

> Digitaal slim ontwerpen. De afgelopen jaren is stevig ingezet op de elektrificatie van het wagenpark, een positieve ontwikkeling die gepaard ging met de aanleg van laadinfrastructuur. Ook bleek teruglevering van zonne-energie door netcongestie niet mogelijk, waardoor er risico ontstond op verlies van opgewekte stroom. Paanakker; “Al die uitdagingen kwamen op een gegeven moment samen en zorgden voor een energieonbalans. Daar moest iets aan worden gedaan, maar de vraag is waar je dan begint”.

Dat begin kwam in de vorm van een nieuw duurzaamheidsteam met collega’s uit het hele land en met verschillende achtergronden, zoals engineers, energie consultants en specialisten van Building Solutions, Industry Services en Smart City. Het team heeft, samen met een start-up, de huidige staat van het gebouw digitaal gemodeleerd in een digital twin. Hierin werden energieprofielen, warmteverbruik en piekbelasting van de stroom inzichtelijk.

> Doorpakken. Dankzij die digital twin kon Paanakker met zijn team verschillende toekomstscenario’s doorrekenen. De oplossing? Die lag uiteindelijk in het installeren van een extern accusysteem, gekoppeld aan het gebouw, de zonnepanelen en de laadinfrastructuur. En, de volledige energiestromen daarvan worden gereguleerd door een Energie Management Systeem (EMS), dat automatisch de balans bewaakt en beslissingen neemt over waar de energie op welk moment het best benut kan worden.

> De simulatie vertaald naar de praktijk. Hoewel het systeem op papier werkte, bleek de praktijk uitdagender. Zelfs met het nieuwe systeem ontstond er zo nu en dan nog piekbelasting boven het gecontracteerde vermogen. Dat leidt in eerste instantie tot waarschuwingen, maar kan zelfs tot boetes leiden. “De oplossing daarvoor zat in een klein detail. De snelheid waarmee meetdata werden doorgestuurd bleek cruciaal. Met nieuwe software, snellere dataverwerking en optimalisatie van de aansturing, kon het systeem worden verbeterd. Zo zie je maar dat je onderweg nog genoeg leert” legt Paanakker uit.

> Slim onderhoud op basis van data. Met het slimme energiesysteem in werking, was ook een ander soort onderhoud nodig. Naast eisen vanuit normen als de NEN1010, PGS 37-1 en SCIOS Scope, kreeg datamonitoring een centrale rol. De meeste installaties worden nu continu digitaal uitgelezen. Accu’s, omvormers en laadpalen genereren real-time data waarmee afwijkingen vroegtijdig worden gedetecteerd.

Op basis van deze gegevens is de onderhoudsstrategie opgezet, digitale logging van data is nu leidend. Fysieke inspecties van bijvoorbeeld het PV-systeem, de ventilatiekoeling van de batterij en laadpunten hoeven hierdoor enkel eens per jaar, of bij afwijkingen, plaats te vinden. Dat is niet alleen kostenbesparend, maar ook effectiever. Zo is het reactieve onderhoud gegroeid naar preventief onderhoud.

>

De route die in Hoogezand is afgelegd, is inmiddels een basis geworden voor andere projecten. Door eerder in het proces bij opdrachtgevers aan tafel te zitten — het liefst nog voordat er gebouwd wordt — helpt SPIE bij het stellen van realistische ambities en het toetsen van de technische haalbaarheid. Wat begon als een technische opgave, is uitgegroeid tot visie, samenwerking en de kracht van goed doordachte digitalisering.

> Van praktijkcase naar Experience Center. Wat begon als intern project, groeide uit tot een locatie waar collega’s en klanten praktijkvoorbeelden kunnen ervaren van energiesturing, verduurzaming en de bijbehorende uitdagingen. “In het begin schaamde ik me een beetje voor hoe rommelig het liep,” lacht Paanakker. “Maar dat is juist waardevol, men ziet waar je tegenaan loopt en hoe je dat oplost. Door zo openlijk de kennis die we hebben opgedaan te delen, kom je gezamenlijk echt verder”.

> Continue verbetering via digitalisering. Om de exploitatie structureel te verbeteren is een DMJOP (Duurzaam Meerjaren Onderhoudsplan) opgesteld, waarin zowel de energie- als onderhoudsstromen zijn geïntegreerd. Zo is gemakkelijk inzichtelijk of slimme investeringen in CAPEX kunnen leiden tot lagere OPEX-kosten terwijl ze ook nog eens beter presteren op duurzaamheidsdoelen. “Een mooi praktijkvoorbeeld daarvan is dat grote gebouwen sinds 1 januari 2026 moeten voldoen aan de richtlijn gebouwautomatiseringsen controlesystemen (GACS). Met de aanpassingen die we aan het gebouw hebben gedaan, konden we dit gelijk eenvoudig meenemen en voldeden we daar vorig jaar al aan”.

> Kennis delen als uitgangspunt. De opgedane kennis wordt inmiddels breed gedeeld binnen SPIE. Elke twee weken komt het duurzaamheidsteam van Paanakker bijeen en worden ervaringen, standaarden en checklisten afgestemd. Via roadshows worden collega’s meegenomen in de complexiteit van dit soort vraagstukken. Zo groeit de expertise in de hele organisatie. “Mijn grootste leerpunt in het hele proces is dat je de tijd moet nemen om alle details goed te doorgronden,” zegt Paanakker. “Juist daar zit vaak de oplossing”. <

‘‘Samen werken aan Duurzame Inzetbaarheid door het koppelen van fysieke en digitale assets’
Rogier Paanakker Foto: SPIE Industry Services
De batterij Foto: SPIE Industry Services

Onderhoud windturbines verbeteren met de sensorinstallatierobot

Windturbines en hun slanke flexibele bladen worden steeds groter. Omdat deze bladen steeds langer moeten meegaan, is er steeds meer vraag naar betrouwbare monitoring van de belasting en vermoeidheidsopbouw zodat windparkbeheerders het onderhoud optimaal kunnen plannen. Dit vereist sensoren door het hele blad, dus ook diep binnenin, wat flinke uitdagingen met zich meebrengt bij het installeren van sensoren. Dat vraagt om continuous improvement!

TNO heeft, in samenwerking met TU Delft en Robohouse, een stap vooruit gezet in het onderhoud van windturbinebladen met de ontwikkeling van een geavanceerde robot die sensoren diep in windturbinebladen kan installeren. Dit levert waardevolle data op van de conditie van het blad. Het project, dat zich nu in de ‘proof-

of-concept’ fase bevindt, heeft als doel de installatie van sensoren binnenin turbinebladen te automatiseren. Hierdoor kunnen de onderhoudsplanning worden verbeterd, menselijke activiteiten in het blad verminderd en problemen met beperkte ruimtes vermeden.

Foto: NVDO

> risico. De robot kan ook helpen met het consequent en met hoge kwaliteit installeren van sensors wat ook positief is voor de asset”, aldus Castricum.

> Een stap vooruit in windenergie monitoring. Wim Castricum, TNO; “Tot nu toe werd de installatie van sensoren gedaan door een engineer zoals ik. Ik moet mijn gereedschap meenemen en in het blad kruipen om een sensor op een locatie te installeren. Een robot kan deze sensoren dieper in het blad installeren en kritieke live data leveren over de conditie van het blad en de structurele belasting. Dit gaat helpen om de prestaties van de turbine te verbeteren en storingen te voorkomen”.

Als sensorinstallatie geautomatiseerd gaat worden, schuift de rol van fysiek installeren naar het interpreteren en valideren van de data. “Waar de robot een machine is om ons te helpen, zijn er evengoed engineers nodig die het proces van installeren moeten monitoren en verifiëren. Een rol voor de engineer die veel veiliger is en minder fysiek intensief”. Deze transitie vraagt een verandering in vaardigheden zoals datalezen, diagnostiserenen begrijpen van het gedrag van turbinebladen. “Waar de vraag naar gekwalificeerd personeel groeit en waar mogelijk robots bepaalde taken zullen overnemen, zien we ook grote nieuwe kansen”.

Het robotsysteem wordt momenteel ontwikkeld om volledig bediend te kunnen worden door een technicus die bij de basis van het windturbineblad staat, waardoor een duidelijk visueel zicht tijdens het hele proces wordt gegarandeerd. De robot is ook uitgerust met een camera die in de toekomst autonoom kan worden bediend buiten de visuele zichtlijn.

> Impact op de windenergie-industrie. Wanneer je de installatie van sensoren binnen turbinebladen kunt automatiseren, is de verwachting dat de veiligheid vergroot wordt en de kwaliteit van de data verbetert. Hierdoor kan de levensduur van windturbines worden verlengd. “De robot neemt een stuk diep in het blad werken weg. De engineers werken vanuit de basis van het blad, dit is gesloten ruimte, maar daar is veel meer ruimte en een veel lager

Het project sluit aan bij de wensen van de industrie die steeds meer belang hecht aan voorspellend onderhoud. Het gebruik van sensordata en voorspellende algoritmen verandert het onderhoud aan windturbines ingrijpend. Door continu inzicht in trillingen, temperaturen en belastingen, kunnen afwijkingen vroegtijdig worden herkend, waardoor storingen en stilstand aanzienlijk worden beperkt. Onderhoud wordt daardoor minder afhankelijk van vaste intervallen en meer gestuurd door de daadwerkelijke conditie van componen-

Kenmerken en mogelijkheden

De robot is ontworpen om te voldoen aan strenge technische eisen:

• Compact ontwerp: klein genoeg om in een windturbineblad te passen, waardoor het toepasbaar is voor onderhoud van echte turbines

• Geautomatiseerde positionering: uitgerust met geavanceerde sensoren om de beoogde installatielocatie te identificeren en de uitlijning voor nauwkeurige plaatsing te bepalen

• Voorbereiden van het oppervlak: kan het contactgebied schuren en ontvetten om optimale hechting van de rekstrook te garanderen

• Nauwkeurige sensorplaatsing: brengt lijm aan, plaatst de sensor en houdt druk totdat de juiste hechting is bereikt

• Mogelijkheden voor externe inspectie: uitgerust met een hogeresolutiecamera voor live monitoring en controle

• Draagbaar en zelfaangedreven: ontworpen voor eenvoudig transport en zelfstandige werking binnen windturbines

Testdag met de studenten bij Fieldlab Zephyros in Vlissingen (Innovatiepunt KAAP)
‘De sensorinstallatierobot sluit direct aan bij continuous improvement doordat hij het onderhoudsproces van windturbines structureel slimmer, consistenter en datagedreven maakt’

ten, wat kosten verlaagt en de beschikbaarheid van turbines verhoogt. Maintenance professionals krijgen een meer data-gedreven rol, waarbij diagnose en interpretatie centraal staan. Bovendien draagt deze aanpak bij aan een langere levensduur van onderdelen en ondersteunt het een efficiëntere en duurzamere exploitatie van windparken.

> Sensorinstallatierobot als versneller van kwaliteitsverbetering. De sensorinstallatierobot van TNO sluit direct aan bij continuous improvement doordat hij het onderhoudsproces van windturbines structureel slimmer, consistenter en data-gedreven maakt. Door sensoren nauwkeurig en reproduceerbaar te installeren, ontstaat een betrouwbaarder datastroom waarmee prestaties van turbinebladen continu kunnen worden gevolgd en geoptimaliseerd. Elke inspectie en installatie levert nieuwe inzichten op over slijtage, belasting en faalmechanismen, waardoor processen steeds verder worden verfijnd. Dit leidt tot kortere cycli van leren, aanpassen en verbeteren. Castricum; ”Bovendien vermindert de robot variatie in kwaliteit en verkleint hij menselijke foutkansen, waardoor het totale onderhoudsproces professioneler en efficiënter wordt. Zo ondersteunt de robot niet alleen technisch onderhoud, maar ook een cultuur van voortdurende verbetering binnen de windenergiesector”.

> Toekomstperspectief. Janaki Mohanan Nair, projectmanager bij TNO; “Nadat de robottechnologie is gevalideerd, kan deze wereldwijd worden ingezet in windparken, waardoor een schaalbare oplossing mogelijk is voor het onderhouden en verbeteren van windenergie-infrastructuur”. Internationaal kunnen landen deze technologie ook inzetten om de beschikbaarheid van hun windparken te verhogen, de kosten per kilowattuur te verlagen en het tekort aan technisch personeel op te vangen. Bovendien maken robots uniforme standaarden en kwaliteitscontroles mogelijk, waardoor grote internationale operators hun onderhoudsprocessen beter kunnen opschalen. Daarmee draagt robottechnologie niet alleen bij aan betrouwbaardere windenergie, maar versnelt het wereldwijd de energietransitie.

’“We bekijken ook de verdere ontwikkeling van deze technologie zoals AI-gestuurde navigatie, een mogelijkheid om kabels te bevestigen, verbeterde lijmtoepassingstechnieken en integratie met andere turbine monitoringssystemen”. <

Slimmer Smeren begint met kennis van zaken: investeren in opleidingen loont

Professioneel smeertechnisch onderhoud is veel meer dan “smeren”. Het is een vak apart, waarin kennis, ervaring en aandacht voor detail het verschil maken tussen stilstand en maximale machinebeschikbaarheid. Al meer dan 90 jaar bouwt Van Meeuwen Lubrication aan diepgaande expertise op dit gebied. Die kennis houden we niet voor onszelf – integendeel. Met passie delen we onze ervaring, zodat industriële organisaties de levensduur van hun machines en equipment verlengen én tegelijkertijd onderhoudskosten verlagen door slimmer gebruik van smeermiddelen en een efficiëntere planning.

Om kennis over industriële smering naar een hoger niveau te tillen, biedt Van Meeuwen Lubrication uitgebreide opleidingsmogelijkheden, zowel theoretisch als praktisch. Dat doen we via twee krachtige routes: de internationaal erkende Noria opleidingen en onze eigen, praktijkgerichte Slimmer Smeren trainingen.

Noria opleidingen: internationale standaard in smeertechnisch onderhoud

Sinds november 2025 is Van Meeuwen Lubrication officieel partner voor Noria-opleidingen in Nederland en Vlaanderen. Noria staat wereldwijd bekend als hét kennisinstituut op het gebied van industriële smering. Via het uitgebreide opleidingsportfolio krijgen deelnemers diepgaand inzicht in smeertechnisch onderhoud, gebaseerd op onafhankelijke en bewezen methodieken.

De opleidingen worden verzorgd door Corné Balvert, smeertechnisch specialist met bijna 20 jaar praktijkervaring. Zijn interactieve en enthousiaste aanpak maakt complexe materie direct toepasbaar. De basisopleiding Machinery Lubrication 1 bestaat uit drie intensieve opleidingsdagen en wordt afgesloten met een deelnamecertificaat. Wie een stap verder wil gaan, kan op de vierde dag een internationaal erkend ICML-examen afleggen (MLT-1a en/of MLA-1a).

Onderwerpen als onderhoudsstrategieën, smeermiddelselectie, contaminatiecontrole, oliemonstername, olieanalyse en on-site inspecties komen uitgebreid aan bod. Essentiële kennis voor iedereen die onderhoud professioneel wil onderbouwen.

Slimmer Smeren trainingen: direct toepasbaar in de praktijk Naast de Noria opleidingen biedt Van Meeuwen Lubrication ook eendaagse Slimmer Smeren trainingen aan. Deze trainingen zijn ontwikkeld vanuit onze eigen praktijkervaring en richten zich volledig op directe toepasbaarheid. Denk aan smering van lagers, tandwielen,

kettingen en staalkabels, maar ook aan (voedsel)veiligheid en digitale tools die onderhoud eenvoudiger en efficiënter maken.

De trainingen zijn geschikt voor technische diensten, operators en onderhoudsteams en kunnen zowel op locatie, online als volledig op maat worden verzorgd – inclusief praktijkvoorbeelden uit de eigen productieomgeving.

Kortom: wie wil besparen op onderhoudskosten, storingen wil voorkomen en het maximale uit machines wil halen, kan informatie verkrijgen via https://vanmeeuwen.com/lubrication/oplossing/kennis/ Ontdek hoe slimmer smeren écht werkt.

Hoe LeapSprong technologische innovatie richting een duurzame industrie stuurt

De tweede editie van LeapSprong Amsterdam is van start! Dit initiatief, opgezet door de gemeente Amsterdam, de start-up accelerator Rockstart en ETCA (met participatie van Shell), richt zich op het versneld toepassen van nieuwe technologieën binnen de industrie en haven rond Amsterdam.

Acht start-ups staan klaar om hun oplossing voor te leggen (en als die overtuigen) toegang te krijgen tot laboratoria, begeleiding en de mogelijkheid om hun concepten te testen in de praktijk. De regio biedt daar volop kansen voor: van de grootste benzinehaven ter wereld, via Schiphol tot de staal- en voedingsindustrie in de IJmond of Zaanstreek. De industriële infrastructuur is er, en verduurzaming dringt.

> Waterstof vraagt systeemdenken. Een van de kernfiguren in LeapSprong is waterstofspecialist Linda Boukhelifa, die bij ETCA leidinggeeft aan een wereldwijd team dat zich bezighoudt met het opschalen van waterstoftechnologie: van productie tot infrastructuur. Haar rol in LeapSprong is niet vrijblijvend: ze beoordeelt de voorstellen van start-ups op technische waterdichtheid, schaalbaarheid,

systemische inpasbaarheid en marktrelevantie. Voor haar is het essentieel dat een start-up niet slechts een idee presenteert, maar een technologie die aansluit op de waardeketens van industrie en haven. Wanneer technische haalbaarheid niet overtuigt, of de concurrentie verkeerd wordt ingeschat, dan luidt dat voor haar de alarmbel.

Bij LeapSprong wordt niet geïnvesteerd in losse experimenten, maar in concepten die binnen het grotere systeem passen. Een voorbeeld is het internationale project PropelH2, waarin partners samenwerken aan de volledige keten van vloeibare waterstof — van productie en liquefactie tot transport en opslag. Alleen door het hele systeem te begrijpen en te ontwerpen, kan waterstof daadwerkelijk schaalbaar en rendabel worden ingezet. Volgens Boukhelifa toont PropelH2 aan dat samenwerking en open kennisdeling technisch en economisch nieuwe wegen openen.

Flowbatterijen in de industrie Foto: NVDO

> Flexibele Opslag. Naast waterstof speelt energieopslag een belangrijke rol. Techniekexpert Alessandro Sutto, die zelf ervaring heeft met flowbatterijen, benadrukt dat opslagtechnologieën cruciaal zijn om duurzame energie betrouwbaar beschikbaar te maken voor industriële processen. Flowbatterijen, waarin energie wordt opgeslagen in chemisch geladen vloeistoffen die via membraantechnologie elektronentransport mogelijk maken, bieden voordelen zoals opschaalbaarheid, lange levensduur en flexibiliteit: eigenschappen die goed passen bij veranderlijke energieinfrastructuren. Volgens Sutto zijn dergelijke technologieën alleen succesvol als start-ups de kans krijgen om snel te ontwikkelen én tegelijk te profiteren van de schaal, kennis en stabiliteit van gevestigde spelers zoals Shell.

> Geen kletspraat. Met LeapSprong wil ETCA de transitie van prototypen naar concrete industriële toepassingen versnellen. De combinatie van jonge, flexibele ondernemers met gevestigde industriële expertise moet leiden tot oplossingen die niet alleen theoretisch werken, maar ook technisch, economisch en organisatorisch te implementeren zijn. Zo moet innovatie geen tijdelijk experiment zijn, maar structureel onderdeel worden van de industriële praktijk.

> Wat LeapSprong betekent voor continu verbeteren in Asset Management. Het model van LeapSprong is in wezen vergelijkbaar met de principes van continu verbeteren in Asset Management. In Asset Management houdt continu verbeteren in dat je niet wacht tot één groot project, maar geleidelijk systemen, processen en installaties optimaliseert. LeapSprong brengt dat idee in de praktijk door niet te focussen op één enkele technologie, maar te werken aan systemen en ketens waarbij productie, opslag, infrastructuur en gebruik samen worden bekeken. Door start-ups te koppelen aan robuuste infrastructuur, uitgebreide data en ervaren industriële kennis, kunnen nieuwe technologieën stapsgewijs worden geïntegreerd in bestaande assets.

Als bijvoorbeeld een waterstofinstallatie ontwikkeld wordt binnen ETCA, dan kan via LeapSprong direct worden getest hoe die installatie past binnen de bestaande energie- en logistieke infrastructuur van een haven of fabriek. Daarmee worden risicovolle veranderingen beheerst, én kan de prestatie van de asset continu worden gemonitord en verbeterd. Net als bij Asset Management draait het om het

’ ‘Als je al lang in een industrie zit, blijf je vaak op de gebaande paden. Startups brengen nieuwe energie en dagen ons uit om anders te denken’

maken van data-gedreven beslissingen: wat is technisch haalbaar, wat levert het op, hoe past het in de lifecycle van de installatie? Zo wordt LeapSprong niet alleen een broedplaats voor innovatie, maar ook een proeftuin voor duurzaam, adaptief en beheersbaar assetbeheer. En dat is precies wat nodig is voor een industrie die wil transformeren zonder haar assets over boord te gooien. <

LeapSprong Amsterdam is een innovatieprogramma van de gemeente Amsterdam, start-upaccelerator Rockstart en de Energy Transition Campus Amsterdam (ETCA), waar Shell met ruim 30 andere partijen werkt aan oplossingen in de energietransitie. LeapSprong Amsterdam richt zich op de energietransitie in de haven en industrie. Start-ups kunnen hun oplossing aandragen en de beste ideeën worden geselecteerd om verder te ontwikkelen. De winnende start-ups krijgentoegang tot de laboratoria van de ETCA, begeleiding én kans op een proef in de regio. Aan de 2025-editie van LeapSprong — de tweede in het bestaan van het programma — doen de volgende acht start-ups mee: Hexwise, J4Energy, 0Plastic, H2Terminals, HyER Power, SeaO2, Upheat en Snerpa Power.

INTERVIEW

<

Van onderwijs naar onderhoud: regie op AI als sleutel tot blijvende verbetering

Kunstmatige intelligentie is inmiddels diep doorgedrongen in vrijwel alle sectoren. Waar het onderwijs experimenteert met AI-ondersteuning bij leren en lesgeven, zien onderhoudsorganisaties AI steeds vaker terug in voorspellend onderhoud, planningssoftware en digitale inspectietools. Toch worstelen veel organisaties met dezelfde fundamentele vraag: hoe zorg je dat AI daadwerkelijk waarde toevoegt, zonder de regie te verliezen?

Onderzoek van Avans Hogeschool laat zien dat het antwoord niet primair in technologie ligt, maar in organisatie-inrichting, samenwerking en continu verbeteren. Die lessen zijn minstens zo relevant voor onderhoudsorganisaties.

> Aanleiding. Esther van der Stappen is lector Digitale Didactiek bij expertisecentrum Future-Proof Education. Ze leidt het project rond het opstellen van de Handreiking. “We werken bij Avans allemaal met Microsoft 365. Begin november konden we na een update gebruik

Oooo
Foto: NVDO

maken van twee vernieuwingen in Outlook op basis van AI: Copilot en Samenvatten. Al snel bleek het risico op datalekken daarbij veel hoger dan Avans wenst. We konden niet zelf de keuze maken om de functionaliteiten weg te laten of uit te schakelen. Dat wil je niet als afnemer. En dat geldt ook voor onderwijsapplicaties als Brightspace, Wooclap en FeedbackFruit. Sterker nog: je wilt betrokken zijn bij de ontwíkkeling van AI-innovaties voor die applicaties, zodat ze ook echt bijdragen aan de kwaliteit van je onderwijs en onderzoek”.

> Het onderzoek. In het onderwijs zijn AI-functionaliteiten vaak ongemerkt onderdeel geworden van bestaande software. Updates van leeromgevingen of kantoorapplicaties brengen nieuwe AI-mogelijkheden met zich mee, zonder dat instellingen daar expliciet om hebben gevraagd. Avans onderzocht hoe onderwijsinstellingen hiermee omgaan en constateerde dat veel organisaties achteraf proberen te sturen, terwijl de keuzes al zijn gemaakt door leveranciers. Het gevolg is onzekerheid over privacy, compliance en, misschien wel belangrijker, over de daadwerkelijke bijdrage aan de kerntaak: goed onderwijs.

Van der Stappen; “We zijn met een bestaande casus aan de slag gegaan en hebben het onderzoek samen met FeedbackFruits opgepakt. Dat bedrijf biedt een applicatie die gekoppeld is aan onze digitale leeromgeving Brightspace. FeedbackFruits kondigde een update aan. Die bood de mogelijkheid om door de docent opgestelde criteria voor de beoordeling van opdrachten door AI verder aan te laten vullen.

Daarbij werden geen persoonsgegevens gebruikt. Het ging om een functionaliteit die docenten aardig wat tijd kon schelen. Het risico was laag. Toch is de tool uiteindelijk niet in gebruik genomen. We gingen

met alle betrokkenen samen in gesprek en konden zo een goed beeld schetsen. Conclusie was dat het proces zo stroef verliep dat het uiteindelijk is blijven steken. Een paar knelpunten: er is binnen Avans niemand duidelijk ‘eigenaar’ van dit vraagstuk. De bereidheid om risico’s te nemen op het gebied van dit soort AI-innovaties is laag. Ook gaan er bij de term AI nog steeds veel alarmbellen af en vindt er een soort verlamming plaats. Verder liep het proces via zo’n 15 verschillende personen. Veel checks werden dubbel gedaan, bijvoorbeeld op juridisch vlak. Kortom: er viel veel te verbeteren. Op basis van onze bevindingen schreven we de handreiking”.

> Heft in handen nemen. Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat deze regie niet eenmalig kan worden vastgelegd. AI-toepassingen ontwikkelen zich continu. Nieuwe data, nieuwe algoritmen en nieuwe updates zorgen ervoor dat systemen steeds anders gaan functioneren. Daarom pleit Avans voor een aanpak die is gebaseerd op continue levering en voortdurende evaluatie. “Niet eerst jarenlang plannen en daarna implementeren, maar stap voor stap invoeren, monitoren en bijsturen”.

Dit sluit naadloos aan bij het gedachtegoed van continuous improvement, dat binnen onderhoudsorganisaties al stevig is verankerd. Net zoals onderhoudsprocessen continu worden geoptimaliseerd op basis van storingsdata, inspectieresultaten en feedback van monteurs, zou ook het gebruik van AI voortdurend tegen het licht moeten worden gehouden. Werkt deze toepassing zoals bedoeld? Leidt zij tot betere beslissingen, veiliger werken of minder faalkosten? En zo niet, wat moet er dan worden aangepast?

Foto: NVDO

Ester van der Stappen Foto: Avans Hogeschool, Ferencz van Weert

> > Intern Samenwerken. Avans laat zien dat dit alleen lukt als verschillende disciplines samenwerken. In het onderwijs betekent dit dat docenten, IT-specialisten, juristen en bestuurders gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen. “Als je met onderwijsprofessionals van andere instellingen praat, is dat ook wat je hoort. Avans is op dit gebied zelfs een pionier in het onderwijsveld. Het is niet voor niks dat Npuls juist ons gevraagd heeft om dit onderzoek uit te voeren (Npuls is een samenwerkingsverband binnen het Nederlandse vervolgonderwijs met onder meer als doel de digitale transformatie goed vorm te geven en lerenden te laten leren zonder drempels, red.)”, aldus Verstappen.

Voor onderhoudsorganisaties betekent dit dat technische specialisten, data-analisten, planners en management niet in aparte werelden opereren. AI raakt immers zowel de techniek als de organisatie, de werkprocessen en de cultuur. Zonder gezamenlijke reflectie bestaat het risico dat AI-systemen wel efficiënt lijken, maar in de praktijk niet aansluiten bij hoe het werk echt wordt uitgevoerd.

> Externe samenwerking. Een ander belangrijk leerpunt uit het onderzoek is de relatie met leveranciers. Avans pleit voor co-creatie in plaats van passieve afname. Onderwijsinstellingen moeten het gesprek aangaan over transparantie, datagebruik en ontwikkelrichting.

Voor onderhoudsorganisaties is dit minstens zo relevant. Leveranciers van onderhoudssoftware en sensortechnologie bepalen in hoge mate welke inzichten AI oplevert. Door actief mee te praten over updates, functionaliteiten en randvoorwaarden, kunnen organisaties voorkomen dat zij afhankelijk worden van oplossingen die niet passen bij hun praktijk.

> Tot slot. De kern van het Avans-onderzoek is breder dan onderwijs alleen. Het laat zien dat AI-implementatie vooral een veranderkundige opgave is. Technologie dwingt organisaties om expliciet te maken wat zij belangrijk vinden, hoe zij leren van ervaring en hoe zij omgaan met onzekerheid. Voor onderhoudsorganisaties biedt dit een kans. AI kan niet alleen helpen bij het voorspellen van storingen, maar ook bij het verbeteren van het leervermogen van de organisatie zelf, mits het bewust en stap voor stap wordt ingezet.

Door AI te benaderen als onderdeel van een continu verbeterproces, en dus niet als eindoplossing, ontstaat ruimte om te experimenteren, te leren en bij te sturen. Dat vraagt om lef, maar vooral om structuur. Precies daar ligt de waarde van de inzichten uit het Avans-onderzoek: ze maken duidelijk dat duurzame AI-toepassing begint bij regie, samenwerking en een cultuur van voortdurende verbetering. Voor onderwijs én onderhoud. <

‘‘Het zou mooi zijn als er in elke organisatie een soort beslisboom komt over AI-innovatie’

BAM geselecteerd voor integraal hard services beheer hoofdkantoor Rabobank

BAM Bouw en Techniek – Gebouwservices is door Rabobank geselecteerd als nieuwe partner voor het integraal beheer, onderhoud en instandhouding van de gebouwen en installaties van het Rabobank-kantoor aan de Croeselaan in Utrecht. Dit kantoor fungeert als hoofdkantoor en kent een 24/7 bedrijfsvoering.

Rabobank wil haar dienstverlening voor Hard Services verder integreren om flexibel, wendbaar en toekomstbestendig te blijven.

BAM Bouw en Techniek is hierbij de langdurige partner die helpt deze ambities te realiseren. De samenwerking is gebaseerd op een gedeelde visie van continu verbeteren, waarbij innovatie, kostenbeheersing, veiligheid, beschikbaarheid, duurzaamheid en planning centraal staan.

Belangrijke speerpunten

• Optimalisatie en uniformering van beheer en onderhoud

• Integrale uitvoering van verduurzamingsmaatregelen

• Innovatie in middelen, methoden en technieken, met aandacht voor energiehuishouding, slimme gebouwtechniek en gebruikerservaring

Samen met BAM Bouw en Techniek Rabobank het Beheer en Onderhoud van het hoofdkantoor op niveau houden, duurzaamheidsmaatregelen doorvoeren, innoveren en actief bijdragen aan de continue doorontwikkeling van werkplekconcepten. Deze samenwerking vraagt om flexibiliteit en wendbaarheid om de ambities van Rabobank continu te ondersteunen.

“Wij zijn verheugd met het vertrouwen dat Rabobank wederom in ons stelt en kijken ernaar uit om een proactieve rol te spelen in het beheer en de verdere verduurzaming van hun hoofdkantoor,” zegt een vertegenwoordiger van BAM. “Onze expertise in complexe, integrale technische dienstverlening en onze focus op innovatie sluiten naadloos aan bij de ambities van Rabobank.”

De overdracht van de dienstverlening is inmiddels gestart. De nieuwe samenwerkings-overeenkomst, met een looptijd van vier jaar en twee verlengingsopties van telkens twee jaar, gaat officieel in op 1 januari 2026. Beide partijen werken samen volgens een ‘benefit sharing’-systeem, gericht op een professionele samenwerking met een gezamenlijk doel.

Slimme Energieopslag: continue blijven verbeteren

Van Haandel Metaal investeert in een Nederlandse batterijoplossing om de continuïteit van haar productie te waarborgen en voorbereid te blijven op verdere groei. Door de snelle elektrificatie van het machinepark en uitbreiding van de productiecapaciteit, bereikte het familiebedrijf de grenzen van het gecontracteerde vermogen. Met de installatie van twee Cellpower-batterijen beschikt het nu over extra flexibiliteit om piekbelastingen op te vangen en onafhankelijk te blijven van beperkingen op het stroomnet.

Het productiebedrijf uit Boekel is gespecialiseerd in het draaien en frezen van aluminium en kunststof en levert wereldwijd aan sectoren als machinebouw, automotive, landbouw en bouw. De energievraag is de afgelopen jaren sterk gestegen door de groei van het bedrijf en de omschakeling naar elektrische aandrijving. Vier jaar geleden werd al geïnvesteerd in een nieuw transformatorstation, maar ook dat bood geen structurele oplossing. In plaats van te wachten op uitbreiding van het net, koos Van Haandel voor een eigen energieoplossing – een keuze die past binnen hun cultuur van continue verbetering en innovatie vanuit eigen kracht.

De onderneming werkte samen met W. Jansen Elektrotechniek en specialisten in duurzame energie-oplossingen, waaronder Alius en

<

batterijfabrikant Intercel. Hun gedeelde visie op kwaliteit, betrouwbaarheid en lange termijnondersteuning vormde de basis voor een toekomstbestendig systeem. De keuze voor Nederlandse partners versterkt bovendien de lokale samenwerking en servicezekerheid – een belangrijk aspect in de maakindustrie, waar continuïteit en leverbetrouwbaarheid essentieel zijn.

De nieuwe installatie bestaat uit twee batterijsystemen met elk 261 kWh opslagcapaciteit en 125 kW vermogen, aangestuurd door het slimme energiemanagementsysteem van Embion. Dit systeem zorgt niet alleen voor piekafvlakking, maar optimaliseert ook het eigen verbruik. Zodra de energievraag het gecontracteerd vermogen nadert, levert de batterij automatisch bij; ’s nachts wordt deze weer efficiënt opgeladen.

Dankzij deze investering kan Van Haandel Metaal haar natuurlijke groei de komende tien jaar veiligstellen. De onderneming verkleint het risico op netafhankelijkheid en legt tegelijk de basis voor verdere verduurzaming, zoals de integratie van zonne-energie in de toekomst. Daarmee bewijst Van Haandel dat structurele verbetering ontstaat door vooruit te denken, te investeren in slimme technologie en samen te werken met betrouwbare partners. <

Van restwarmte naar waardevolle energie

In Hilversum-Oost onderzoeken de gemeente, het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, lokale woningcorporaties en warmtebedrijf Firan de mogelijkheden om warmte uit afvalwater te benutten voor de verwarming van woningen. De rioolwaterzuiveringsinstallatie blijkt een onverwacht rijke bron: het gezuiverde water dat dagelijks richting oppervlaktewater stroomt, is gemiddeld twintig graden warm.

Dit is het resultaat van alledaagse activiteiten zoals douchen, wassen en koken. Tot nu toe ging deze energie moeiteloos verloren. Met aquathermie ontstaat de kans om deze warmte niet langer als reststroom te zien, maar als een volwaardige, duurzame energiebron.

> Altijd beschikbare bron. Aquathermie is in opkomst binnen de Nederlandse warmtetransitie. Door warmte uit oppervlaktewater of afvalwater te onttrekken en met warmtepompen op te waarderen,

ontstaat een relatief constante en lokaal beschikbare bron van lagetemperatuurwarmte. Het Nationaal Programma Aquathermie ziet hierin een potentieel dat in sommige regio’s zelfs een aanzienlijk deel van de warmtevraag kan invullen. Voor Hilversum biedt deze techniek vooral zekerheid: de RWZI levert elke dag een stabiele hoeveelheid warm water, ongeacht seizoen of buitentemperatuur. Daarmee past de bron uitstekend binnen het streven naar duurzame, betrouwbare en betaalbare warmtesystemen.

‘‘Aquathermie biedt een betrouwbare, lokaal beschikbare warmtebron’

Sander Mager, bestuurder van het waterschap, spreekt van een logische stap; “De warmte die we nu afvoeren, is eigenlijk te waardevol om te verspillen. Hoe mooi zou het zijn als Hilversummers hun eigen warmte opnieuw kunnen gebruiken?” Het enthousiasme is groot, maar het project staat nog in de onderzoeksfase. Er wordt gekeken of het technisch haalbaar is om circa 2.500 woningen in Hilversum-Oost via een nieuw warmtenet te verwarmen. Daarbij spelen financiële vragen, maar ook vraagstukken rond ruimtelijke inpassing en organisatorische verantwoordelijkheid.

> Een project dat vraagt om vakmanschap en professioneel onderhoud. Voor onderhoudsprofessionals is dit soort warmtenetontwikkeling meer dan een interessante innovatie: het markeert een verschuiving in het werkveld. Warmtenetten op basis van aquathermie vragen om nieuwe vormen van toezicht en beheer. Warmtewisselaars en filters in de RWZI zijn gevoelig voor vervuiling en moeten zorgvuldig worden gemonitord. Warmtepompen die de warmte opwaarderen, draaien continu en vragen om systematische performanceanalyse, waarbij kleine afwijkingen in rendement of trillingsgedrag direct invloed kunnen hebben op het totale systeem. Het leidingwerk van een warmtenet brengt eveneens zijn eigen complexiteit mee: drukbewaking, corrosiebeheer en temperatuurregulatie worden kritieke factoren in een keten die altijd beschikbaar moet zijn.

Daarmee groeit het belang van datagestuurd onderhoud. De betrouwbaarheid van warmtesystemen verschuift steeds meer van reactief ingrijpen naar voorspellend en preventief werken. Sensoren, digitale tweelingen en realtime monitoring worden cruciale hulpmiddelen. Voor Hilversum betekent dit dat water- en warmteprofessionals intensief moeten samenwerken, omdat de continuïteit van het warmtenet mede afhankelijk wordt van de stabiliteit van

zuiveringsprocessen. Die ketenafhankelijkheid vraagt om gezamenlijke prestatie-indicatoren en eenduidige afspraken over beheer, risico’s en interventies.

> Continu verbeteren als fundament voor warmtenetten. Deze casus laat zien hoe continu verbeteren de ruggengraat vormt van duurzame warmtesystemen. Het begint met de vraag hoe bestaande processen slimmer kunnen worden ingericht. Afvalwater dat voorheen als bijproduct werd beschouwd, krijgt nu een nieuwe functie binnen een circulair energiesysteem. Die verandering ontstaat niet in één stap, maar via een zorgvuldig proces van onderzoeken, testen en bijsturen. De haalbaarheidsfase waarin Hilversum zich bevindt, is daar een goed voorbeeld van. Elke berekening, simulatie en proefopstelling levert inzichten op die het ontwerp verder verfijnen.

In de uitvoering zal dezelfde benadering nodig blijven. Een warmtenet leeft en verandert: het vraagt van organisaties dat zij voortdurend evalueren hoe technieken presteren, hoe gebruikers ze ervaren en hoe onderhoudswerkzaamheden effectiever kunnen worden ingericht. Voor >

Voorbeeld van een aquathermie installatie Foto: NVDO

onderhoudsprofessionals betekent dit dat het vak zich steeds verder ontwikkelt richting een cyclische manier van werken, gebaseerd op meten, leren en verbeteren. Continu verbeteren wordt zo geen abstract principe meer, maar een dagelijkse praktijk die direct invloed heeft op betrouwbaarheid, comfort en duurzaamheid.

> Ook nog een wettelijk voldoen! Ook de nieuwe Wet Collectieve Warmte onderstreept deze beweging. Doordat warmtenetten in publieke handen moeten komen, ontstaat een systeem waarin transparantie en prestatie-verbetering centraal staan. Gemeenten krijgen de regie en moeten keuzes maken die robuust zijn voor de lange termijn. Firan ondersteunt in Hilversum bij het ontwerpen en realiseren van deze infrastructuur, maar de structurele kwaliteit zal uiteindelijk afhangen van een stabiele samenwerking tussen alle betrokken partijen. Continu verbeteren krijgt daarmee niet alleen een technische, maar ook een organisatorische dimensie.

Voorbij de Core Op reis door het universum van IT, Service & Asset Management

Vakblad Asset Management

heteventop2oktober Een inspirerende dag waarin we laten zien hoe toonaangevende organisaties de volgende stap zetten naar slimmere en duurzamere procesoptimalisatie.

Aquathermie groeit snel: ruim 100 initiatieven in Nederland

Aquathermie ontwikkelt zich in hoog tempo tot een serieuze pijler binnen de Nederlandse warmtetransitie. Volgens STOWA, het landelijke kenniscentrum voor waterbeheer, zijn er inmiddels meer dan honderd aquathermieinitiatieven in Nederland. De techniek – waarbij warmte wordt onttrokken aan afvalwater, oppervlaktewater of drinkwater – blijkt vooral aantrekkelijk vanwege de relatief constante watertemperatuur en de brede beschikbaarheid van waterbronnen in stedelijke gebieden.

Veel van deze projecten bevinden zich nog in de verkennings- of pilotfase, maar de groei laat zien dat aquathermie niet langer een nichetechniek is. Gemeenten, waterschappen en warmtebedrijven experimenteren actief met toepassingen in warmtenetten, renovatieprojecten en nieuwbouwwijken. De interesse neemt toe nu duidelijk wordt dat aquathermie kan bijdragen aan een structurele vermindering van de CO2-uitstoot én een alternatief biedt voor aardgas in dichtbebouwde gebieden.

Toch is grootschalige uitrol niet vanzelfsprekend. Organisatorische vraagstukken, zoals eigenaarschap, financiering en samenwerking tussen water- en warmtebeheerders, bepalen mede het tempo van ontwikkeling. Wat wél vast staat: met meer dan honderd initiatieven is aquathermie uitgegroeid tot een kansrijke en snel volwassen wordende route naar duurzame warmte in Nederland. Vakblad Asset Management

Aandacht voor wetten, regels en richtlijnen

MAATSCHAPPELIJKE WAARDE

van Onderhoud

Vakblad Asset Management

Een inspectie is geen schema-exercitie

Laten we eerlijk zijn: in veel organisaties is een inspectie nog steeds een ritueel. Een vinkjeslijst. Een verplicht nummertje dat we zo efficiënt mogelijk proberen af te handelen. Maar wie denkt dat je met schema’s en protocollen de kwaliteit overeind houdt, mist de kern. Inspecties zijn geen bureaucratische exercitie — ze spelen een sleutelrol binnen continu verbeteren. En precies daarom moeten we ze anders organiseren, anders waarderen en vooral: anders gebruiken.

Binnen de NVDO zijn we actief in denktanks met goede initiatieven.

Mooi, waardevol, inspirerend. Maar midden in dat landschap staat iets wat vaak wordt onderschat: het InspectiePlatform. Geen praatclubje, maar een platform waar theorie en praktijk uit alle sectoren elkaar ontmoeten. Een platform dat zegt wat gezegd moet worden: continu verbeteren begint bij de inspectie — of het houdt daar op. Hoe borg je kwaliteit als inspecteren mensenwerk is? Hoe zorg je dat inspectie nummer 100 net zo scherp is als nummer 1? Wet- en regelgeving geven richting, maar kwaliteit ontstaat in de uitvoering: in het oordeel van de inspecteur, de dialoog met de asset owner en de terugkoppeling naar strategie, beleid en uitvoering. Wie continu verbeteren serieus neemt, verschuift van afvinken naar betekenis geven. Of; stuur op bedoeling, niet op norm.

Wat betekent dat in de praktijk?

Een inspectie is geen schema-exercitie, maar draait om onafhankelijkheid, vakmanschap en een begrijpelijke terugkoppeling. Alleen wanneer inspectieresultaten echt worden begrepen en gebruikt, gaat de PDCA-cyclus werken zoals bedoeld. Normen zijn daarbij geen doel

‘ ’ ‘Goede inspecties de sleutel tot continu verbeteren’

op zich, maar een hulpmiddel. De relevante vraag is niet waar iets staat voorgeschreven, maar wat het in de praktijk betekent voor veiligheid en levensduur. In sommige situaties leidt dat zelfs tot minder inspecties, zolang ze met meer diepgang en scherpte worden uitgevoerd.

Vakmanschap is daarbij de hefboom. Inspecteurs moeten onder druk het juiste oordeel kunnen vellen, ondersteund door goede instrumenten en voldoende ruimte om hun bevindingen betekenisvol vast te leggen. Dat vraagt om uniformiteit waar dat nodig is, maar ook om maatwerk waar dat meerwaarde heeft. Wie continu wil verbeteren, moet bovendien kunnen meten. Zonder betrouwbare inspectiedata blijft leren vrijblijvend en wordt verbeteren vooral zoeken in plaats van sturen.

Deze manier van inspecteren sluit direct aan bij continu verbeteren, omdat inspecties niet worden gezien als een eindpunt, maar als input voor leren en bijsturen. Door vakmanschap, relevante normen en betrouwbare data te combineren, ontstaat inzicht in wat werkt en wat niet. Die inzichten maken het mogelijk om processen, inspectiestrategieën en onderhoudsmaatregelen steeds gerichter aan te passen, waardoor veiligheid, prestaties en levensduur structureel verbeteren in plaats van incidenteel.

Industrie, infra, gebouwde omgeving: verschillende dynamieken, maar veel te leren van elkaar. Het NVDO InspectiePlatform werkt aan een gemeenschappelijke basis mét ruimte voor nuance. Mijn uitnodiging: maak van inspecties een leerproces. Organiseer terugkoppeling, beleg eigenaarschap voor verbeteracties en vraag bij elke norm: wat is hier de bedoeling? Dan wordt een rapportage geen eindpunt, maar het startschot voor beter beheer.

Doe mee met het NVDO InspectiePlatform. omdat de sector veel beter verdient dan het huidige compliance-theater. Deze column is mede tot stand gekomen door HI — de Human Intelligence van de leden van het NVDO InspectiePlatform. Co-creatie in optima forma. <

Huib Oostdijk

Voorzitter NVDO InspectiePlatform

VEILIG WERKEN <

Veilig werken vraagt om continu verbeteren

Wie vandaag naar de Nederlandse industrie kijkt, ziet dat veiligheid niet langer uitsluitend een kwestie is van regels naleven. De kern verschuift naar het voortdurend verbeteren van systemen, processen en gedrag. Overheidsinstanties zoals de SER, het RIVM en de Nederlandse Arbeidsinspectie benadrukken steeds sterker dat veilig werken alleen duurzaam geborgd kan worden wanneer organisaties veiligheid benaderen zoals ze kwaliteit, betrouwbaarheid en prestaties benaderen: als een doorlopend verbeterproces.

In het advies ‘Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie’ stelt de SER dat de risico’s in het huidige werkveld sneller veranderen dan regelgeving kan bijhouden. Deze wijzigende omstandigheden – variërend van energietransities tot digitalisering – maken dat veiligheid niet meer iets is dat je eenmaal inricht en vervolgens beheert, maar een systeem dat steeds opnieuw moet worden getoetst aan veranderende werksituaties. De Raad schrijft dat “veiligheid een dynamisch gegeven is, waarbij organisaties moeten leren van afwijkingen en moeten anticiperen op toekomstige risico’s, in plaats van uitsluitend te reageren op incidenten”.

Daarmee raakt de SER de kern van continu verbeteren: niet wachten tot iets misgaat, maar structureel analyseren welke factoren het werk veiliger kunnen maken.

> Van theorie naar praktijk. Die beweging is ook zichtbaar in de benadering van het RIVM, dat in zijn recente publicaties benadrukt dat veilig werken niet los staat van een systematisch ingerichte organisatie. Gezondheid en veiligheid zijn volgens het instituut afhankelijk van de mate waarin een organisatie in staat is signalen, trends, bijna-ongevallen en nieuwe technologieën te vertalen naar structurele verbeteringen. “Een veilige werkplek ontstaat niet door protocollen, maar door het vermogen die protocollen steeds weer aan te passen aan nieuwe inzichten”, aldus een RIVM-onderzoeker. Daarmee wordt veiligheid in feite een lerende activiteit, een continue dialoog tussen werkpraktijk en organisatieontwikkeling.

> Dynamisch. De Nederlandse Arbeidsinspectie verwoordt hetzelfde uitgangspunt in haar ‘Agenda Arbeidsveiligheid 2050’, waarin wordt beschreven hoe toekomstige werkvormen nieuwe veiligheidsvraagstukken zullen opleveren. De Arbeidsinspectie benadrukt dat bedrijven nauwelijks nog kunnen volstaan met een statische risicoinventarisatie. De organisatie moet voortdurend nagaan of eerdere aannames nog kloppen, of procedures nog passen bij de werkelijke routine en of medewerkers voldoende kennis en handelingsruimte hebben om risico’s te beheersen. Veiligheid verschuift daarmee van naleving naar adaptiviteit: de mate waarin een organisatie zich aanpast aan veranderende omstandigheden wordt een veiligheidsfactor op zichzelf.

> Wat betekent dat allemaal?. Samen laten de drie instanties zien dat veilig werken niet alleen een juridische of technische opdracht is, maar vooral een organisatorische. Het gaat niet meer om het officiële document of het perfecte protocol, maar om het proces waarin die documenten en protocollen steeds opnieuw worden getoetst, aangescherpt en verbeterd. Continu verbeteren, bekend uit Kwaliteitsmanagement, Lean of Asset Management, blijkt in de praktijk de basisstructuur die veiligheid duurzaam maakt.

In veel bedrijven is die verschuiving al zichtbaar in de praktijk. Operators die afwijkingen melden, engineers die oorzaken analyseren, onderhoudsteams die storingen vertalen naar ontwerpwijzigingen en veiligheidskundigen die gedragspatronen onderzoeken: werkvloeren worden kleiner, maar de hoeveelheid informatie groter. Daardoor wordt reflectie belangrijker dan registratie. “We moeten niet meer alleen vastleggen wat is gebeurd, maar begrijpen hoe het heeft kunnen gebeuren en wat dat betekent voor ons systeem”, zegt een veiligheidsmanager van een groot industrieel bedrijf. “Dat vraagt om een manier van denken waarin iedereen continu kansen ziet om veiliger te werken, in plaats van alleen maar regels af te vinken”.

> De ene sector verandert sneller dan een andere. Het concept van continu verbeteren maakt dit mogelijk, omdat het uitgaat van de veronderstelling dat processen nooit af zijn. Incidenten, nearmisses, technische verstoringen, signalen uit audits en veranderende

‘‘Uit RIVManalyses blijkt dat veiligheid toeneemt wanneer organisaties afwijkingen en bijna-ongevallen systematisch gebruiken om processen te verbeteren’

omgevingseisen worden geen losse gebeurtenissen, maar input voor een cyclisch proces waarin plannen, uitvoeren, evalueren en aanpassen voortdurend in elkaar overvloeien. Veiligheid wordt een iteratieve beweging, een ritme dat in de organisatie gaat zitten. Dat ritme is cruciaal in sectoren waar technologie snel verandert, zoals energie, chemie en offshore. De energietransitie vraagt bijvoorbeeld om nieuwe materialen, nieuwe werkwijzen en nieuwe installaties. Volgens de SER betekent dit dat organisaties zich opnieuw moeten uitvinden in hoe ze veiligheid organiseren, en dat continu verbeteren de enige manier is om die ontwikkeling bij te houden.

> De mens maakt het verschil. De menselijke factor speelt een steeds grotere rol in het verbeteren van veiligheid op de werkvloer. Organisaties die hun veiligheidsniveau structureel willen verhogen, moeten ruimte creëren voor open gesprekken over risico’s, twijfels en

onverwachte signalen. Een operator die aarzelt bij een nieuwe werkwijze, een onderhoudsmonteur die een afwijkend geluid signaleert of een technicus die merkt dat een procedure niet meer aansluit op de huidige installatie: zulke observaties vormen waardevolle informatie binnen een lerend en adaptief veiligheidsysteem.

Volgens een woordvoerder van de Nederlandse Arbeidsinspectie is het essentieel dat organisaties deze signalen serieus nemen. “In onze inspecties zien we dat veel incidenten voorafgegaan worden door kleine afwijkingen die wel werden opgemerkt, maar niet werden besproken”, aldus de Arbeidsinspectie. “Een veilige organisatie is niet per definitie een foutloze organisatie. Het is een organisatie die begrijpt dat fouten en near-misses belangrijke aanwijzingen zijn voor wat er in het systeem verandert”.

Continu verbeteren is daarmee niet alleen een technische benadering, maar ook een cultuurprincipe. De bereidheid om afwijkingen te benoemen, routines ter discussie te stellen en aannames opnieuw te beoordelen, bepaalt in hoge mate hoe veilig een organisatie daadwerkelijk kan opereren. Veiligheid ontstaat zo niet uit het vermijden van fouten, maar uit het vermogen ervan te leren en het systeem op basis daarvan te versterken. <

Wat betekent dit voor Onderhoud?

Voor onderhoudsteams is de relatie tussen veilig werken en continu verbeteren direct zichtbaar in de dagelijkse praktijk. Onderhoud registreert en analyseert storingen, inspecties, interventies en conditiemetingen, waardoor deze discipline als eerste afwijkingen in installaties opmerkt. Een terugkerende storing, een stijgende trilling of een afwijkende temperatuur betekent niet alleen een risico voor beschikbaarheid, maar vormt ook een concreet veiligheidsrisico. Onderhoud ziet daardoor eerder dan andere afdelingen hoe technische degradatie zich ontwikkelt en welke maatregelen nodig zijn om onveilige situaties te voorkomen.

Door deze signalen systematisch te koppelen aan een continu verbeterproces – via root cause analyses, updates van werkprocedures en aanpassing van onderhoudsstrategieën – wordt veiligheid ingebed in de levenscyclus van de asset. Waar productie vooral de operationele output monitort, biedt onderhoud feitelijke informatie over de technische staat. Daarmee is onderhoud een cruciale schakel in het structureel en aantoonbaar veiliger maken van installaties.

Foto: NVDO

Gestuurde boring bij Vijfhuizerweg

In het landelijk gebied van Hoofddorp worden de persleidingen vervangen. Om de calamiteitenweg van Schiphol bereikbaar te houden richting de Polderbaan, is er onlangs een speciale ondergrondse boring uitgevoerd. Deze boring gaat 300 meter onder de Vijfhuizerweg en de watergang de Vijfhuizertocht door. De Vijfhuizerweg is voor Schiphol en de calamiteitendiensten belangrijk, omdat er langs deze weg hulpdiensten snel op de Polderbaan kunnen zijn, indien dit nodig is.

BAM Energie & Water voert de boring uit in samenwerking met Van Leeuwen Sleufloze Technieken. Halverwege oktober begon het boorteam met een pilotboring. Dit is noodzakelijk om van punt A naar punt B te komen en vervolgens de buis weer van punt B naar punt A te trekken. Het boorgat wordt geruimd met een ruimer, waarbij boorstangen worden aangebracht op de terugweg, zodat er altijd een verbinding blijft tussen A en B. Daarna zetten ze een barrel voor de buis, die ervoor zorgt dat eventueel vuil in de boortunnel mee omhoog wordt genomen, zodat er vrij baan is voor de buis. Op het land lag de boorstreng al klaar met een lengte van 300 meter en een doorsnede van 800mm gemaakt van

het materiaal HDPE. Elke leiding is 20 meter lang. Door middel van spiegellassen zijn ze aan elkaar verbonden en volledig getest. De boorstreng is ingetrokken door het geruimde boorgat. Om de ruimtes rondom het boorgat op te vullen, wordt er tijdens het intrekken bentoniet ingespoten. Dat is een natuurlijke klei die helpt om het boorgat waterdicht te maken. Het intrekken duurde zo’n drie uur; 1 uur per 100 meter. De totale werkzaamheden buiten duurden ongeveer een week en verliepen volgens planning. De tweede boring kwam onder deze boring te liggen.

De gestuurde boring bij de Vijfhuizerweg illustreert Continuous Improvement in onderhoud: door een pilotboring uit te voeren, processen te optimaliseren en materialen vooraf te testen, is de betrouwbaarheid en efficiëntie vergroot. De samenwerking tussen BAM, Van Leeuwen en Rijnland toont ketenoptimalisatie, terwijl het gebruik van sleufloze technieken de impact op de omgeving minimaliseert. Door kennisdeling, proactieve planning en kwaliteitsborging worden risico’s verminderd en toekomstige werkzaamheden voorspelbaarder en duurzamer.

De gezondheid van ’s werelds langste bruggen gemeten vanuit

de ruimte

Dankzij nieuwe technieken op basis van satellietgegevens kan de veiligheid van belangrijke infrastructuren, zoals bruggen, veel nauwkeuriger worden beoordeeld. Een recent onderzoek, gepubliceerd in Nature Communications, toont aan dat wanneer ruimtemonitoring wordt meegenomen in risicobeoordelingen, het aantal bruggen dat als hoog risico wordt bestempeld met ongeveer een derde afneemt. Dit biedt grote voordelen voor onderhoudsplanning en prioritering, vooral bij bruggen in moeilijk bereikbare gebieden waar nauwelijks sensoren aanwezig zijn.

In totaal werden ruim zevenhonderd lange bruggen wereldwijd onderzocht met een methode die geologische risico’s, zoals aardverschuivingen en verzakkingen, beter in kaart brengt. De aanpak combineert gegevens van sensoren op locatie met informatie afkomstig van satellietwaarnemingen, wat resulteert in een vollediger beeld van de structurele conditie. De studie, uitgevoerd door een internationaal team onder leiding van onderzoekers van de TU Delft en de University of Bath, laat zien dat radarsatellieten een waardevolle aanvulling zijn op traditionele inspecties.

Wereldwijd is minder dan twintig procent van de lange bruggen uitgerust met sensoren die structurele veranderingen meten. Daar-

<

door ontbreekt bij het merendeel van de constructies actuele kennis over hun staat. Visuele inspecties vinden vaak slechts eens per twee jaar plaats en zijn bovendien subjectief en kostbaar. Ruimtegebaseerde radar, zoals de Multi-Temporal Interferometric Synthetic Aperture Radar (MT-InSAR), maakt het mogelijk om minieme vervormingen op te sporen — tot op millimeterniveau — en om veranderingen over grote gebieden te volgen.

De combinatie van satelliet- en sensorgegevens, onder meer via de Europese Sentinel-1-satelliet, levert frequentere en nauwkeurigere updates dan traditionele inspecties. Daardoor kunnen beheerders beter bepalen welke bruggen daadwerkelijk risico lopen en waar onderhoud het hardst nodig is. Deze vorm van monitoring verlaagt de onzekerheid over de actuele conditie van bruggen en ondersteunt besluitvorming over onderhoud en veiligheid.

De methode biedt vooral uitkomst in regio’s waar lokale meetinstrumenten schaars zijn, maar waar satellietdekking wel goed is. Zo draagt de technologie bij aan duurzamere, veiligere infrastructuur wereldwijd en ondersteunt zij de internationale doelstellingen voor veerkrachtige en betrouwbare verbindingen binnen het transportsysteem. <

Herziene NEN 2767-2 versterkt objectiviteit en kwaliteit van conditiemetingen

De recent gepubliceerde herziening van NEN 2767-2 wordt door NVDO, Hogeschool Utrecht en Helix verwelkomd. Als erkende landelijke opleiders van inspecteurs en adviseurs in Conditiemeting BOEI zien wij deze actualisatie als een belangrijke stap in het verder professionaliseren en uniformeren van conditiemetingen van bouwdelen en gebouwgebonden installaties.

Foto: NVDO

De herziene NEN 2767-2 bevat geactualiseerde gebrekenlijsten die worden toegepast bij conditiemetingen. In de norm zijn nieuwe bouwdelen, materialen en theoretische levensduren opgenomen en zijn verouderde elementen aangepast aan de huidige bouw- en installatietechniek. Daarnaast is de structuur en terminologie beter afgestemd op de methodiek zoals vastgelegd in NEN 2767-1.

Ellen den Broeder, Verenigings Manager NVDO ziet als belangrijkste verbetering dat de gebrekenlijsten per bouwdeel nu expliciet voorbeelden bevatten van componenten en onderdelen; “Dit ondersteunt inspecteurs bij het eenduidig interpreteren en toepassen van de norm en draagt bij aan een betere reproduceerbaarheid en vergelijkbaarheid van inspectieresultaten. Daarmee wordt de objectiviteit van conditiemetingen verder versterkt, wat essentieel is voor onderbouwde onderhoudsbeslissingen. Dat is precies de reden waarom de NVDO al decennia lang de beroepsgroep opleidt: het behalen van objectieve en kwalitatief hoge uniforme inspecties”.

Michel Grijpink, Hogeschool Utrecht vult aan; “De samenhang tussen NEN 2767-1 en NEN 2767-2 blijft daarbij cruciaal. Waar NEN 2767-1 de methodiek beschrijft, levert NEN 2767-2 de bijbehorende decompositie en gebrekenlijsten die nodig zijn om deze methodiek

consequent en eenduidig toe te passen in de praktijk. De herziening onderstreept deze onderlinge relatie. Dat vinden we als samenwerkende partners van groot belang”.

In 2026 volgt een verdere actualisatie van NEN 2767-2. Deze richt zich onder andere op de overgang naar de NLBE-SfB codering en op het verwerken van verbeterpunten die vanuit de praktijk zijn aangedragen. Daarmee blijft de norm aansluiten op ontwikkelingen in de sector en op het dagelijks gebruik door inspecteurs en adviseurs.

“NVDO, Hogeschool Utrecht en Helix leiden al jaren inspecteurs op voor NEN 2767 BOEI-inspecties” zegt Harriet Walhout, Directeur Helix Academy. “De inhoud van NEN 2767-2 maakt al meerdere edities structureel onderdeel uit van de Leergang Conditiemeting BOEI, zodat deelnemers tijdens de opleiding werken met de geldende decompositie en gebrekenlijsten. De aangekondigde aanpassingen in 2026 worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van het opleidingsprogramma, zodat de opleiding blijvend aansluit op zowel NEN 2767-1 en -2 als op de praktijk in de markt”.

De gezamenlijke opleiders geven niet alleen aandacht aan de koppeling NEN 2767 en BOEI, maar uiteraard krijgt de RVB-Beslisboom >

Foto: NVDO
‘Uniformering via de norm is nuttig, maar mag niet ten koste gaan van professioneel oordeel en onderhoudsexpertise’

tevens een prominente focus. De RVB BOEI-methodiek is een door het Rijksvastgoedbedrijf ontwikkelde inspectie- en beoordelingssystematiek voor gebouwbeheer. BOEI staat voor de thema’s Brandveiligheid, Onderhoud, Energiezuinigheid & duurzaamheid en Inzicht in het voldoen aan wet- en regelgeving. De methodiek integreert deze vier onderdelen in één periodieke inspectie om te komen tot objectieve, betrouwbare en eenduidige gegevens over de conditie van vastgoed.

Binnen deze methodiek speelt de RVB Beslisboom soort gebrek een centrale rol. Het is een gestandaardiseerd stappenmodel dat inspecteurs gebruiken om waargenomen afwijkingen of waarnemingen consistent te classificeren en te koppelen aan een soort gebrek met bijbehorende prioriteit en onderhoudsstrategie.

De beslisboom vervangt daarmee in de praktijk de traditionele NEN2767-benadering voor het vaststellen van gebreken en leidt tot uniforme beoordelingen ongeacht inspecteur of discipline. Inspecteurs beoordelen waarnemingen eerst op functie en gebruik, en bepalen vervolgens via de beslisboom of iets als technisch of functioneel gebrek moet worden aangemerkt en of er actie nodig is. Het gebruik van de beslisboom reduceert subjectieve interpretaties, maakt inspecties sneller en overzichtelijker, en ondersteunt betere afstemming op wet- en regelgeving, duurzaamheid en circulair beheer.

De beslisboom is opgenomen in het RVB BOEI-handboek en maakt onderdeel uit van de standaard werkinstructies per vakgebied. <

Het Rijksvastgoedbedrijf heeft de RVB BOEI-beslisboom in de praktijk toegepast binnen pilots op bestaande rijksvastgoedlocaties, waaronder Vliegbasis Gilze-Rijen en de Tonnetkazerne in ’t Harde. Deze pilots maakten deel uit van de doorontwikkeling van de RVB BOEI-methodiek en hadden als doel om de toepasbaarheid en effectiviteit van de beslisboom in de inspectiepraktijk te toetsen.

Tijdens deze pilots zijn inspecties uitgevoerd volgens de vernieuwde RVB BOEI-systematiek, waarbij inspecteurs waargenomen afwijkingen hebben beoordeeld met behulp van de beslisboom soort gebrek. De beslisboom werd gebruikt om waarnemingen systematisch te classificeren en te bepalen of sprake was van een gebrek, en zo ja, welk type gebrek dit betrof. Daarmee werd invulling gegeven aan de RVB-doelstelling om inspectieresultaten eenduidig, reproduceerbaar en minder afhankelijk van individuele interpretatie vast te leggen.

De toepassing van de beslisboom in deze pilots leverde praktijkervaring op met het gebruik van het stappenmodel binnen verschillende gebouwtypen en gebruiksfuncties.

Deze ervaringen zijn door het Rijksvastgoedbedrijf benut om de beslisboom verder te verfijnen en beter aan te laten sluiten op de dagelijkse inspectiepraktijk. De pilots vormden daarmee een belangrijke stap richting bredere implementatie van de beslisboom binnen RVB BOEIinspecties en onderhoudsprocessen.

De resultaten van deze praktijktoepassingen zijn meegenomen in de verdere ontwikkeling van het RVB BOEI-handboek en dragen bij aan de standaardisering van inspecties binnen het rijksvastgoedbeheer.

Spitfire High Lady krijgt tweede leven

Iconisch vliegtuig wordt een leerproject waarin geschiedenis en moderne techniek samenkomen. Studenten van het ROC Da Vinci College, specialisten van GKN Fokker en vakmensen van Alprokon werken samen aan de restauratie van de Spitfire High Lady.

Het iconische vliegtuig krijgt in de Duurzaamheidsfabriek Dordrecht een nieuw leven. Niet in de lucht, maar als leerproject voor techniekstudenten en als eerbetoon aan historisch vakmanschap.

> Samen leren, samen maken. De High Lady is een Spitfire Mk 26B, een moderne replica op schaal van de Spitfire PR XI, het type verkenningsvliegtuig dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ingezet voor luchtfotografie boven vijandelijk gebied. Het vliegtuig werd naar Nederland gehaald door de stichting Project Spitfire, die de herinnering vliegend wil houden.

Na een noodlanding raakte het toestel dusdanig beschadigd dat een luchtwaardige reparatie onmogelijk was. Daarop heeft het toestel gediend als donor voor haar opvolger, de Prinses Beatrix Wat niet hergebruikt kon worden, werd naar Alprokon in Barendrecht gebracht. Hier ontstond het idee om het vliegtuig in cosmetische staat te herstellen: een project waarin studenten luchtvaarttechniek, plaatbewerking en mechatronica samenwerken met ervaren technici uit de industrie. “Het is bijzonder om te zien hoe historie en moderne techniek samenkomen,” zegt Richard Snel, directeur van Alprokon. “Studenten werken met echte materialen, echte constructies en leren wat precisie in techniek betekent”.

> Techniek met geschiedenis. De geschiedenis van het origineel is al bijzonder. Het type werd ingezet voor luchtfotografie boven vijandelijk gebied door de Amerikaanse luchtmacht. Bijzonder omdat de Amerikanen normaal niet met Engelse vliegtuigen vlogen. De unieke vliegeigenschappen van de Spitfire (hoog en hard kunnen vliegen) maakten echter dat dit toestel perfect geschikt was voor fotoverkenning. Het origineel werd gevlogen door maj. Walter L. Weitner en voerde o.a. een vlucht uit op 4 maart 1944 boven Berlijn na hevige geallieerde bombardementen. Een waar huzarenstukje voor echte durfals uit die tijd.

De stichting Project Spitfire vloog sinds 2021 met de replica van de High Lady in Nederland. Ze werd gevlogen en onderhouden door enthousiaste vrijwilligers (certificaathouders) van de stichting, waaronder de directeur van Alprokon. Zo heeft het kunnen gebeuren dat

Alprokon aan dit vliegtuig heeft meegewerkt door een aantal (non crucial) onderdelen te maken en leveren en nu de beschadigde delen in bezit heeft.

> Voor jongeren is Techniek opeens super interessant. De samenwerking biedt studenten een unieke kans om praktijkervaring op te doen met hoogwaardige aluminiumconstructies en precisiewerk dat normaal zelden binnen handbereik komt. Ook voor partners als GKN Fokker en Alprokon is het een manier om kennis over te dragen en jongeren enthousiast te maken voor techniek. “Dit project laat zien wat er mogelijk is als onderwijs en bedrijfsleven de handen ineen slaan”, vertelt Arjan van Es, onderwijsmanager bij het ROC Da Vinci College. “De Spitfire is niet alleen een vliegtuig. Het is een leermiddel vol geschiedenis en vakmanschap”.

“Toen ik het vliegtuig een paar weken geleden voor de eerste keer zag, begon het echt te kriebelen. Wat een fantastische kans om dit stuk historie levend te houden”. Walter van de Coeverring van GKN Fokker is enthousiast, zo ver is duidelijk.”We gaan dit vliegtuig niet alleen herstellen, maar ook in kaart brengen om delen te kunnen reproduceren”. Studenten van het ROC Da Vinci College gaan, samen met GKN Fokker en Alprokon, aan de slag om het iconische vliegtuig stap voor stap nieuw leven in te blazen. <

Onderhoud toen

Het onderhoud aan de Spitfire werd tijdens de Tweede Wereldoorlog strak georganiseerd binnen de Royal Air Force. Dagelijks lijnonderhoud vond plaats op het squadron zelf, uitgevoerd door ground crews die verantwoordelijk waren voor inspecties, brandstof, munitie en kleine reparaties. Grotere reparaties en structureel onderhoud gebeurden in Maintenance Units, waar gespecialiseerde technici motoren, avionica en luchtframeonderdelen reviseerden. Bij zware schade werd de Spitfire naar gespecialiseerde depots of fabrieken gestuurd voor volledige herstelwerkzaamheden. Dit systeem zorgde voor snelle inzetbaarheid en een veilige, betrouwbare operationele staat van het toestel.

Spitfire High Lady promo Foto: Alprokon

Professor of Practice moet structurele

verbetering brengen

TU Delft en Koninklijke Heijmans kondigen de komst aan van een speciale Professor of Practice Integrale Veiligheid. De positie wordt gefinancierd door bouwbedrijf Heijmans en is bedoeld om, samen met de sector, de integrale veiligheid aantoonbaar te verhogen.

De aanstelling van een Professor of Practice Integrale Veiligheid draagt bij aan continu verbeteren doordat deze functie structureel, samen met de sector, werkt aan het blijvend verhogen van de (constructieve) veiligheid in alle fasen van ontwerp en bouw. De

Professor of Practice gaat onderzoek initiëren en onderwijs verzorgen op het gebied van integrale veiligheid en richt zich op direct toepasbare, uitvoeringsgerichte oplossingen in ontwerp, bouw en beheer. Vanuit dit programma zal ook de maatschappelijke discussie worden gevoerd en het huidige systeem tegen het licht worden gehouden om zo integrale veiligheid van bouwwerken naar het gewenste niveau te brengen en te houden.

De komende maanden start een zorgvuldig zoekproces om deze positie te vervullen met de juiste kandidaat, die de brug kan vormen tussen onderzoek en praktijk.

> Niet meer vanzelfsprekend. De aanleiding is duidelijk: in Nederland gaan we er als vanzelfsprekend van uit dat elk gebouw dat we betreden constructief veilig is. De praktijk liet de afgelopen jaren echter een ander beeld zien, met incidenten in zowel utilitaire gebouwen als bij infrastructuur.

De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) stelde recent naar aanleiding van Nieuwegein dat “De borging van de constructieve veiligheid gedurende ontwerp, uitvoering en gebruik niet sluitend is” en wees erop dat “het bouwpartijen volledig vrij staat hoe zij de verantwoordelijkheden voor het controleren van de constructieve veiligheid beleggen”. Het is nu bijvoorbeeld toegestaan om in de ontwerpfase en bouwfase een andere constructeur te betrekken, wat kan leiden tot kennis- en informatieverlies tijdens de overdracht.

TU Delft en Heijmans nemen met deze Professor of Practice gericht initiatief om die leemtes te dichten en de aanbevelingen te vertalen naar de dagelijkse praktijk op bouwplaats en kantoor. De inzet sluit aan op de OVV-oproep om verantwoordelijkheden eenduidig te beleggen, één constructeur te benoemen en te borgen en aantoonbare ontwerp, uitwerking- en controles wettelijk en contractueel te verankeren.

> Uitnodiging branchepartijen. Ton Hillen, CEO van Koninklijke Heijmans N.V.; “We moeten af van de vrijblijvendheid. Er wordt te weinig nagedacht of iets veilig gebouwd kan worden in Nederland. Daarom investeren wij nú, samen met TU Delft, in kennis én in doen. Dit is een brancheverantwoordelijkheid – en we nodigen andere bedrijven en betrokken organisaties nadrukkelijk uit om aan te haken.

Fictieve Professor of Practice Foto: NVDO

Wij willen dit niet laten vertroebelen: het OVV-rapport is glashelder. Eerst van de kant af komen: wie wil instappen, stapt in, op welke manier dan ook”.

Stefan Aarninkhof, decaan faculteit Civiele Techniek & Geowetenschappen van de TU Delft: “Iedereen in ons land moet erop kunnen vertrouwen dat een bouwplaats en een gebouw constructief veilig zijn. Helaas is de afgelopen jaren te vaak gebleken dat dit niet vanzelfsprekend is. Een betere borging van integrale en daarmee ook constructieve veiligheid in de bouwsector is noodzakelijk. Met deze Professor of Practice verbinden we wetenschap en praktijk en verankeren we kennis, richtlijnen en een betere samenwerking binnen de sector”.

> Boegbeeld voor de sector. De beoogde Professor of Practice zal een onderzoeksprogramma Integrale Veiligheid aan de TU Delft initiëren, in samenwerking met publieke en private organisaties en kennisinstellingen. De kennis uit dit programma zal direct bijdragen aan het onderwijs binnen de bestaande bachelor en masterleerlijnen van de TU Delft, evenals een masterclass integrale veiligheid voor professionals. Daarnaast zullen vanuit dit onderzoeksprogramma pilots met de sector worden opgezet om de brug tussen wetenschap en praktijk te slaan. De Professor of Practice is hiermee in de perfecte positie om de maatschappelijke discussie over het huidige systeem en verbetering van integrale veiligheid binnen de gehele bouwsector te versnellen.

‘ ’ ‘Een Professor of Practice is iemand die zijn sporen verdiend heeft buiten de deur, dus niet in de academische wereld’
Foto: NVDO

Wereldwijde stap vooruit: Danone officieel B Corp gecertificeerd

Daarmee voldoet het bedrijf aan hoge normen op het gebied van sociale en milieuprestaties, transparantie en verantwoordingsplicht. Eerder dit jaar werd de certificering al behaald voor alle Nederlandse activiteiten; inmiddels zijn ook alle internationale productielocaties en het hoofdkantoor in Parijs officieel gecertificeerd. Wereldwijd werkt 9% van alle medewerkers binnen B Corp organisaties bij Danone.

Het bedrijf onderging een uitgebreide toetsing op onder meer energiegebruik, afval- en waterbeheer, diversiteit en bedrijfsvoering. Het internationale kantoor in Hoofddorp behoorde tot de locaties die recent de certificering ontvingen.

> Impact op gezondheid, natuur en maatschappij. De wereldwijde certificering vormt een belangrijke mijlpaal binnen de zogeheten Danone Impact Journey, waarin het bedrijf werkt aan sterke

ESG-doelstellingen. Met initiatieven zoals het Green Track-platform, dat inzicht geeft in milieu-impact, en een uitgebreid zorgprogramma voor medewerkers, wil het bedrijf tastbare vooruitgang boeken voor gezondheid, natuur en mensen. Volgens interne reacties is de certificering “een resultaat van een langdurige reis waarin maatschappelijke verantwoordelijkheid centraal staat” en wordt het gezien als “een beloning voor de intensieve transformatie die nodig was om aan de B Corp-standaarden te voldoen”.

Ook vanuit de B Corp-organisatie wordt de erkenning omschreven als “het resultaat van een omvangrijke inspanning” en benadrukt men dat “voortdurende verbetering centraal blijft staan in het verdere traject”.

> Lokale resultaten in Nederland. De certificering sluit naadloos aan bij de Nederlandse initiatieven binnen de Danone Impact Journey. Uit het Danone Impact Rapport blijkt dat de productielocatie in Haps jaarlijks minder CO₂ uitstoot, mede dankzij een energieterugwinningsproject dat tot 7% uitstootreductie oplevert en een systeem voor waterhergebruik. Daarnaast werden samen met Too Good To Go ruim 244.000 producten gered van verspilling, goed voor ongeveer 143.000 kilo voeding.

Ook op maatschappelijk vlak groeit de impact. Zo biedt een speciaal Care Team, bestaande uit diëtisten en voedingsdeskundigen, 24/7 ondersteuning bij voedingsvragen en werden in 2024 meer dan 14.000 mensen geholpen. Bovendien draagt samenwerking met onder meer het Nationaal Schoolontbijt bij aan het stimuleren van gezonde eetgewoonten onder kinderen en ouders. <

OB Corp is een internationaal keurmerk voor organisaties die aantoonbaar streven naar brede maatschappelijke waarde. De certificering beoordeelt niet alleen financiële prestaties, maar ook de impact op medewerkers, klanten, gemeenschappen en het milieu. Bedrijven moeten hiervoor voldoen aan strenge eisen op het gebied van transparantie, verantwoordingsplicht en duurzame bedrijfsvoering. De toetsing kijkt naar de totale bedrijfsvoering: van energieen grondstoffengebruik tot inclusiviteit, welzijn en ethisch handelen.

De essentie van B Corp sluit nauw aan bij Continuous Improvement. Beide benaderingen vragen om een cultuur waarin leren, meten en verbeteren centraal staan. Voor bedrijven die B Corp-gecertificeerd zijn, betekent dit dat verbeterprocessen niet incidenteel zijn, maar structureel worden ingebed in strategie en dagelijkse operatie. De vereisten van B Corp stimuleren organisaties om doelgericht te werken aan vernieuwing en om elke stap in de keten kritisch te blijven evalueren. Daarmee vormt de certificering zowel een erkenning van behaalde resultaten als een blijvende aanmoediging om verder te groeien in duurzame en verantwoorde impact.

Nederlandse batterijoplossing houdt groei in stand

Van Haandel Metaal investeert in een Nederlandse batterijoplossing om te blijven voorzien in de energiebehoefte van het bedrijf. Door de snelle groei en elektrificatie van de productie liep het familiebedrijf tegen de grenzen van het gecontracteerde vermogen aan. Met de installatie van twee Cellpower batterijen door W. Jansen Elektrotechniek, kan Van Haandel niet alleen piekbelastingen opvangen, maar ook blijven groeien zonder beperkt te worden door het net.

‘‘Uitbreiding bleek onmogelijk nadat gecontracteerd vermogen niet meegroeit’

> Vertrouwen in Nederlandse expertise. Samen met W. Jansen Elektrotechniek werd gezocht naar een nieuwe oplossing. “Voor dit soort grote investeringen heb je partners nodig die verder kijken dan alleen snelle verkoop. Wij wilden een oplossing die jarenlang meegaat, met betrouwbare service en ondersteuning in Nederland,” legt Stan Jansen, mede-eigenaar van het installatiebedrijf, uit. Daarnaast was er sprake van tijdsdruk; “Het moest snel gebeuren, de batterij-installatie moest voor een bepaalde datum operationeel zijn”.

Het bedrijf uit Boekel is gespecialiseerd in het draaien en frezen van aluminium en kunststof. Ze leveren wereldwijd aan diverse branches, zoals machinebouw, auto-industrie, landbouwindustrie, bouwsector en camperbouw. Door groei en de transitie naar elektrisch, steeg de vraag naar energie de afgelopen jaren aanzienlijk. Vier jaar geleden werd al een nieuw transformatorstation geplaatst, maar begin 2025 liep Van Haandel alsnog tegen de grenzen van het gecontracteerd vermogen aan. “Volgens de netbeheerder zou het vermogen meegroeien met het bedrijf, maar in de praktijk gebeurde dat niet,” vertelt Dennis van Haandel, directeur bij Van Haandel Metaal. “We gingen er afgelopen jaar met onze stroomvraag een aantal keer net overheen, maar verhoging van gecontracteerd vermogen bleek onmogelijk”. Omdat een overschrijding kan leiden tot boetes of zelfs afsluiting van het net, besloten ze het probleem zelf aan te pakken.

Specialist in duurzame energie-oplossingen, Alius, werkt regelmatig samen met Intercel, batterijfabrikant achter het merk Cellpower. Hun positieve ervaringen gaven Jansen het vertrouwen om het advies van Alius op te volgen en de batterijen bij Intercel aan te schaffen. Na een bezoek aan het gloednieuwe productiecentrum van Intercel in Haarlem, was ook Van Haandel overtuigd van de samenwerking; “Intercel is het meest transparant in technische mogelijkheden en data. Juist het feit dat ze in Nederland gevestigd zijn en al zo lang bestaan, gaf mij veel vertrouwen”.

> Continuïteit in bedrijfsvoering. De installatie bestaat uit twee batterijsystemen met elk 261 kWh opslagcapaciteit en 125 kW vermogen, geplaatst buiten de transformatorruimte. Het systeem wordt aangestuurd door Embion EMS en zorgt voor onder andere peakshaving maar ook voor een optimalisatie van het eigen verbruik. Zodra het verbruik boven het gecontracteerd vermogen komt, levert de batterij energie. De batterij laadt ‘s nachts automatisch op. “Deze oplossing zorgt voor continuïteit in de bedrijfsvoering. We willen niet afhankelijk zijn van zonne-energie of een netwerk dat geen ruimte biedt,” vertelt Van Haandel. Met de nieuwe batterijopslag verwacht hij de natuurlijke groei van het bedrijf de komende tien jaar goed op te kunnen vangen. <

Een project met nationale prioriteit

De Grebbedijk, een eeuwenoude primaire waterkering tussen Wageningen en Rhenen, staat aan de vooravond van een ingrijpende versterking en gebiedsontwikkeling. Hoewel de dijk met een lengte van circa 5,5 kilometer relatief kort is, heeft hij een essentiële functie in de waterveiligheid van de Gelderse Vallei.

Bij een eventuele doorbraak kan water zich ver naar het oosten uitspreiden tot in het gebied rond Amersfoort: een scenario met grote maatschappelijke impact. Daarom is deze opgave met landelijke prioriteit opgenomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het consortium Boskalis Nederland en Wetering ondertekende samen met Waterschap Vallei en Veluwe het contract voor de uitvoering van deze gebiedsontwikkeling. Iv is door het consortium geselecteerd om het integrale ontwerp verder uit te werken, waarin waterveiligheid, duurzaamheid en maatschappelijke ambities samenkomen.

> Waarom de dijk nu versterkt moet worden. Sinds 2017 gelden strengere normen voor waterveiligheid in de Waterwet. Deze kijken niet alleen naar de sterkte van de dijk zelf, maar ook naar de potentiële schade bij een doorbraak. Een beoordeling door het waterschap wees uit dat de huidige Grebbedijk niet meer voldoet

aan deze eisen. Met de gebiedsontwikkeling wordt de dijk op een duurzame en toekomstbestendige manier versterkt, zodat hij ook in de toekomst bescherming kan bieden tegen hoge waterstanden vanuit de Nederrijn. Het doel is duidelijk: de Grebbedijk moet voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen voor het zichtjaar 2075, zodat de regio veilig blijft wonen en werken.

> Meer dan alleen een dijkversterking. Wat deze opgave onderscheidt, is de integrale aanpak: het project beperkt zich niet tot het verstevigen van de dijk, maar benut kansen om de omliggende natuur te verbeteren en het gebied aantrekkelijker te maken voor recreatie en flora en fauna. Naast de dijkversterking worden plannen gerealiseerd zoals het verwijderen van de Witte Sluis, een historische uitwateringssluis. En het inpassen van nieuwe constructies en ophogingen bij monumentale panden zoals het Dijkmagazijn

Blauwe Kamer Foto: NVDO

‘ ’ ‘Nieuwe koers voor de Grebbedijk: veilig, duurzaam en toekomstgericht’

en de Rijnschans. Het ontwerpen van een KRW-geul op basis van de Kaderrichtlijn Water (KRW) om biodiversiteit te versterken, staat ook op het programma.

Daarnaast maakt het project deel uit van een breder plan voor de natuurontwikkeling in omliggende uiterwaarden zoals de Plasserwaard en de Blauwe Kamer. Hier worden nieuwe geulen, wetlands en leefgebieden voor soorten zoals de kamsalamander en kwartelkoning aangelegd, wat bijdraagt aan ecologische verbindingen in het rivierenlandschap.

> Technische uitdagingen en innovatieve oplossingen. De beperkte ruimte rondom de dijk, vooral nabij bebouwing en monumenten, vraagt om technische finesse. Er worden innovatieve oplossingen ingezet zoals talen damwanden, nauwkeurig ontworpen op locatie. Er worden onderzoeken gedaan naar de beste maatregelen tegen faalmechanismen zoals piping. En er komen strategische ophogingen en steunberm-integraties die passen binnen het ruimtelijk kwaliteitkader.

Bij de keuze voor technische oplossingen speelt een duurzame benadering een doorslaggevende rol. Materialen worden waar mogelijk hergebruikt, zoals grond, damwanden en grasbekleding. Innovaties in het voortraject hebben bovendien geleid tot een aanzienlijke verlaging van de benodigde ophooghoogte, wat zowel milieu-impact als kosten reduceert. Verder wordt een heiproef uitgevoerd om uit te vinden welke methode de minste hinder veroorzaakt voor omwonenden, bijvoorbeeld door trillingen of geluid. De resultaten worden gebruikt om het definitieve uitvoeringsontwerp te optimaliseren.

> Continuous improvement in de gebiedsontwikkeling Grebbedijk. De gebiedsontwikkeling van de Grebbedijk laat zien hoe continuous improvement concreet wordt toegepast binnen een complex HWBP-project. Het ontwerp is niet in één keer vastgelegd, maar iteratief verbeterd op basis van voortschrijdend inzicht uit ondergrondonderzoek, faalmechanisme-analyses en omgevingsinput.

De gebiedsontwikkeling van de Grebbedijk is een spraakmakend voorbeeld van hoe waterveiligheid kan worden gecombineerd met ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en natuurontwikkeling. Dankzij samenwerking, innovatie en integrale planning ontstaat een project dat niet alleen voldoet aan wettelijke verplichtingen, maar ook bijdraagt aan een veilig en aantrekkelijk rivierenlandschap voor de komende decennia.

Door gerichte optimalisaties is de benodigde ophoging beperkt, het materiaalgebruik verminderd en de impact op omgeving en natuur verkleind. Proeven, zoals de heiproef, worden bewust ingezet om te leren en uitvoeringsrisico’s te reduceren voordat grootschalige werkzaamheden starten. Deze lerende aanpak resulteert in betere prestaties op veiligheid, duurzaamheid en maakbaarheid, en maakt de Grebbedijk tot een project waarin continuous improvement aantoonbaar onderdeel is van ontwerp en uitvoering.

> Planning en samenwerking. De komende periode staan de uitwerking van het integrale ontwerp en het opstellen van uitvoeringsplannen centraal. De buitenwerkzaamheden zijn gepland om begin 2027 te starten, met als doel de gehele gebiedsontwikkeling uiterlijk in 2030 op te leveren. In dit complexe project werken uiteenlopende partijen intensief samen. Naast het waterschap en het consortium zijn ook provincies, gemeentes en natuurorganisaties betrokken om te zorgen voor een gedragen eindresultaat dat recht doet aan zowel veiligheid als leefkwaliteit. Heemraad Bert van Vreeswijk, Waterschap Vallei en Veluwe; “Deze samenwerking markeert een belangrijke mijlpaal. Door onze krachten te bundelen zorgen we niet alleen voor een veilige dijk, maar ook voor een gebied waar mens en natuur floreren”. <

Van links naar rechts: Bert van Vreeswijk (heemraad, Waterschap Vallei en Veluwe), Ans Mol-van de Camp (gedeputeerde, provincie Gelderland), ErikJan Bijleveld (wethouder, gemeente Wageningen), Joost de Jong (ambtelijk opdrachtgever, Rijkswaterstaat), Arjan Snel (provinciehoofd Gelderland, Staatsbosbeheer).

CursusKalender

5 maart: Leergang (R&ME): Claim je startbewijs op tijd!

De leergang R&ME is erop gericht dat de deelnemers beter in staat zijn een faciliterende rol te vervullen, als spin in het web van continu verbeteren. Het resultaat is dat zij gestructureerd en systematisch verbeterprojecten begeleiden. Met andere woorden; de deelnemers worden “kampioen” in aanpak en methoden, in het ondersteunen van teams bij het kritisch analyseren van vraagstukken en het zoeken naar creatieve oplossingen. Meer generalist dan specialist!

Na afloop van de leergang beschikt de organisatie over een doelgerichte, slagvaardige verbeteraar in Asset- & Maintenance Management.

• Vaardigheden voor het oplossen van problemen en root cause analyse (Introductiegame, Event Mapping, Probleem Analyse, Human Factor Analyse).

• Vaardigheden voor Lean Maintenance en vaardigheden voor FMEA/ FMECA en RCM.

• Facilitatorvaardigheden en ontwik-keling persoonlijke effectiviteit (incl. Whole Brain Thinking).

10 en 11 maart: Risk Based Maintenance (RBM), Onderhoudsconcepten

op basis van Risico

Leer hoe je grip krijgt op het onderhoud en een optimum kunt creëren tussen bedrijfsdoelstellingen en onderhoudskosten. Je leert een risicomatrix op te stellen op basis van bedrijfsdoelstellingen. Je leert (van grof naar fijn) de kritische onderdelen van de installaties op te sporen en de faaloorzaken in kaart te brengen.

Risk Based Maintenance (RBM) helpt prioriteiten te stellen in preventief onderhoud. Het maakt inzichtelijk waar de grootste risico’s liggen, zodat je daar op kunt anticiperen en weet welke delen van je installatie wel en welke niet mogen falen.

Het herkennen en formuleren van bedrijfsdoelstellingen, Het definiëren van risico’s en de verschillende methodieken van risicoanalyses (een voorbeeld: FMECA).

Opstellen van een onderhoudsconcept naar aanleiding van de risicoanalyse en Optimaliseren van onderhouds-concepten.

Kennis is onze kracht! Inschrijven kan eenvoudig via de maintenance academy op www.nvdo.nl

25 en 26 maart: Uitbesteden van Onderhoud

Na het volgen van de tweedaagse cursus Uitbesteden van Onderhoud, ben je in staat om het proces van contractmanagement in te richten en te beheersen. Concreet leer je wat contractmanagement inhoudt, welke typen onderhoudscontracten mogelijk zijn en hoe deze strategisch toegepast kunnen worden. Daarnaast leer je onderhoudscontracten opstellen, borgen, bewaken en evalueren. Tot slot worden de concepten Life Cycle Costing en Total Cost of Ownership behandeld als uitgangspunten voor investeringsbeslissingen.

Onderwerpen

• Algemeen: wat wordt verstaan onder contractmanagement en het Proces van uitbesteden

• Strategie: type onderhoudscontracten, kennismanagement en risicoanalyse

• Opstellen contracten

• Leverancierselectie: aanbesteding, kostenbenchmarking en contract-evaluatie

• Controle en Grip

8

en 9 april: Optimaal benutten van je Onderhoudsbeheersysteem

Gedurende een implementatie van een OBS of CMMS worden namelijk belangrijke keuzes gemaakt die zowel de verdere optimalisatie van het systeem kunnen belemmeren als ondersteunen. Deze tweedaagse training biedt de noodzakelijke kennis en inzichten om een succesvolle OBS-implementatie te realiseren en het onderhouds-beheersysteem te verbeteren.

Onderwerpen

In deze training, die een mix van theorie, best practices, interactieve opdrachten en dialoog biedt, worden onder andere de volgende onderwerpen behandeld:

• Introductie tot OBS en CMMS in het kader van Asset Management

• Structuur en opbouw van databases

• Het implementatieproces van OBS

• Masterdata versus transactionele data

• Opbouw van boomstructuren

• Werkprocessen en compliance (bijvoorbeeld CSRD)

• Autorisatie

• Interfacing

• Integratie en borging binnen de organisatie

Asbreuken en vastlopers? Samen opgelost dankzij de RCA

Gesprek met Bart Smit, docent

Vraag: Bart, kun je schetsen wat er in januari precies aan de hand was? “Zeker. Het bedrijf waar dit speelde bestaat al 150 jaar en is een vaste waarde in de regio. Ze maken basisproducten voor de voedselindustrie en werken daarbij intensief met stoom. Zonder stoom staat de hele productie stil. En juist de ketelvoedingswaterpompen – essentieel voor die stoom – vielen steeds uit”.

Vraag: Waar zaten de grootste problemen? “Sinds november gaven pompen 1 en 2 serieuze storingen: assen die braken, pompen die vastliepen of lekten. Omdat er telkens maar één pomp in bedrijf was en één reserve in het magazijn, werd het een race tegen de klok om de reserve telkens op tijd te repareren. Dat was onhoudbaar”.

Wat besloot men toen? “Samen met CoThink hebben ze een Root Cause Analyse (RCA) uitgevoerd. Het doel: feiten verzamelen, oorzaken achterhalen en het probleem definitief oplossen. In sessie 1 kwamen productie, onderhoud, technologie en wij voor het eerst écht samen. Er werd een tijdlijn opgesteld en vier verschillende problemen kwamen naar boven. De prioriteit lag bij het vastlopen en de asbreuken. Na twee uur besloten we extra data te verzamelen”.

Vraag: En de tweede sessie? “Toen bleek dat vooral pomp 2 vastliep. Metingen lieten zien dat de pomp een soort ‘kattenrug’ had: hij stond bol, waardoor de as klem kwam en kon breken. De cruciale vraag was: waarom? We zagen dat dit precies vanaf de laatste shutdown speelde”.

Wat maakte pomp 2 anders dan pomp 1? “Tijdens die shutdown waren nieuwe kleppen geplaatst. Bij pomp 1 hing het leidingwerk

‘Samen de feiten vaststellen,

visualiseren

en doorvragen’

netjes verend op, bij pomp 2 was een tijdelijke, starre bevestiging gemaakt. Daardoor kon het leidingwerk bij pomp 2 niet meer uitzetten of krimpen. Met de nieuwe, goed afsluitende kleppen werd dat effect nog groter. Het gevolg: spanning in de pomp, en dus problemen”.

Vraag: Wat maakte de RCA hier zo effectief? “Samen de feiten vaststellen, visualiseren en doorvragen. Het lijkt simpel, maar zonder die structuur was men waarschijnlijk blijven gissen en proberen. De RCA gaf richting en hielp doorbraken te forceren”. Bart benadrukt dat het leren toepassen van een RCA centraal staat in de training Storingsanalyse, maar dan Anders!

Wat leverde het uiteindelijk op? “De grootste kostenposten – vastlopers en asbreuken – zijn opgelost. We hebben samen een definitieve oplossing bereikt. Misschien waren ze er ooit ook zonder RCA gekomen, maar zeker niet zo snel en structureel”.

Vraag: Tot slot, jouw les voor anderen? “Lastige problemen vragen om samenwerking en discipline. Niet te snel conclusies trekken, maar de feiten vaststellen. Het kost even tijd, maar levert blijvende resultaten op. Ik vind het geweldig om steeds weer, tijdens de open trainingen, en de in company trajecten, professionals nieuwe kennis bij te brengen, zodat ook zij na afloop een dergelijk probleem als asbreuken of vastlopers eenvoudig kunnen oplossen met behulp van een RCA”.

KENNIS MOET JE OOK ONDERHOUDEN

In een dynamische branche groeit de vraag naar goed opgeleide vakmensen die innovatief durven te zijn. Hogeschool Utrecht biedt werkende professionals uitgebreide mogelijkheden om hun kennis en vaardigheden te verbreden met verschillende opleidingen in onder andere Materiaalkunde, Inspectie, Onderhoud en Projectmanagement.

Onze opleidingen, variërend van mbo-plus, hbo, post-hbo tot masterniveau, bieden actuele kennis die direct toepasbaar is in jouw werk. Bovendien kunnen al onze opleidingen op maat in-company verzorgd worden.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook