Page 1

JAARGANG 14 - NR. 3 - SEPTEMBER 2005

METEOROLOGICA

Neerslag van de zware buien op 29 juli

Waarnemingen op grote hoogte

Meer kans op extreem warme zomers?

UITGAVE VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN BEROEPSMETEOROLOGEN


NIEUW!

Gill MetPak meet windsnelheid en windrichting (ultrasoon) en temperatuur en luchtvochtigheid (Rotronic HygroClip S3)

compact en lichtgewicht weinig onderhoud makkelijk te installeren Rotronic HygroCli p S3

verwisselbare voelers

toepassingen gebouwautomatisering automatische weerstations transportveiligheid metingen voor milieuwetgeving sportevenementen land- en tuinbouw havens

Vraag informatie of een offerte aan! ingenieursbureau

wittich & visser

wetenschappelijke en meteorologische instrumenten postbus 1111

tel: 070 3070706

info@wittich.nl

2280 cc rijswijk

fax: 070 3070938

w w w. w i t t i c h . n l

maatwerk in meten

geen bewegende delen


INHOUD De neerslag van 29 en 30 juli 2005 volgens diverse modellen

5

INGEBORG ZUURENDONK, SANDER TIJM EN ROBERT MUREAU

Herinneringen aan dr. K. R. Postma (1913-2005) 11 BALTUS ZWART

Boven de wolken

14

GEERT GROEN

Verandering van de kans op extreem warme Europese zomers onder invloed van een versterkt broeikaseffect 19 MARCEL VAN SCHAIK

Kees Dekker: een terugblik

22

Rubrieken: Korte berichten Nieuwe producten Opmerkelijke publicaties

26 28 29

NVBM Mededelingen

33

18

Advertenties: Wittich en Visser CaTeC Bakker & Co Ekopower Almos

2 8 16 24 32

34

Colofon

35

ROBERT MUREAU

De weerjournalist: van columnist tot vakpurist

27

KEES FLOOR

Zomercursus Klimaat en de Hydrologische Kringloop

31

FRANK SMITS

Columns: Schitterend gebrek HUUG VAN DEN DOOL

Weerplicht

HENK DE BRUIN

Van de hoofdredacteur De afgelopen zomer leek de meteorologie, of beter nog, de gevolgen van weer en klimaat (en van menselijk ingrijpen en/of falen), niet uit het nieuws weg te slaan. In Nederland en België was er een deels verregende zomer, met de bekende ellende voor vakantievierders in eigen land. In de Alpenlanden waren er overstromingen door rivieren die buiten hun oevers traden, met veel schade en menselijk leed. In Spanje en Portugal, landen die al maanden onder extreme droogte lijden, waren de talloze bosbranden haast niet te blussen. In de Verenigde Staten en Zuidoost-Azië hielden tropische cyclonen op een verschrikkelijke manier huis. Blijkbaar blijft het geweld dat de natuur kan ontketenen ons toch weer (op een onaangename manier) verrassen. Maar tevens blijft het ons ook boeien want het stelt ons telkens ook weer voor raadsels. Gelukkig zijn de vergelijkingen die het gedrag van de atmosfeer beschrijven dermate complex en niet-lineair dat we nog jaren voortkunnen. De toenmalige president van de WMO dr. Obasi zei het al: “Zodra het weer net zo voorspelbaar wordt als de getijden, zal iedereen de interesse erin verliezen”. Welaan dan, na een moeizame start, wellicht te wijten aan de vakantie, ligt er een meer dan overvolle Meteorologica voor u met daarin een artikel van Ingeborg Zuurendonk en de heren Mureau en Tijm over de buien van 29 en 30 juli. Menig kam

peerder in Midden-Nederland zal zich die nog wel herinneren. In dit artikel wordt beschreven waar al dat nats vandaan kwam en of we dat misschien nog beter kunnen verwachten met mesoschaalmodellen. Niet dat de tent er dan minder nat van wordt, overigens. Baltus Zwart haalt herinneringen op aan Klaas Postma, een markante KNMI-er die onlangs overleed. Geert Groen houdt blijkbaar van de bergen want hij verzamelde feiten over meteorologische bergstations die weinigen van ons weten. Marcel van Schaik vraagt zich af of de zomers in Europa warmer worden door het versterkte broeikaseffect. Hij gebruikt daarbij gegevens van het “Challenge Project”. Robert Mureau interviewde oud-NVBM bestuurslid van het eerste uur Kees Dekker die dit voorjaar, net als vele anderen, het KNMI vaarwel zei. Kees Floor bespreekt de journalistieke kanten van de weerberichtgeving in de media. Naast de gebruikelijke rubrieken, en natuurlijk, de onvolprezen bijdragen van onze twee columnisten, was er nog net ruimte voor een kort bericht van Frank Smits die deelnam aan de zomercursus “Klimaat en de hydrologische kringloop”. En daarmee is de cirkel weer rond het blad vol. Veel plezier met dit nummer! Leo Kroon

Voorzijde Grote afbeelding. Buien op 29 juli in de buurt van Zeewolde. Uit deze en andere buien viel in de avond en nacht van 2930 juli 2005 veel neerslag in Nederland en België. In een brede strook viel 30 tot ruim 60 mm; in Dwingeloo werd zelfs 80 mm afgetapt. Lokaal ontstond schade door wateroverlast. De vraag is of mesoschaalmodellen een betere verwachting kunnen maken van dit soort grote neerslaghoeveelheden (foto: Arno Paanstra,

http://www.paanstra.nl) (zie bladzijde 5). Afbeelding linksonder. Het meteorologisch observatorium op de Sonnblick in Oostenrijk is een van de meteorologische bergstations die nog dateren uit de 19e eeuw (© Deutsche Meteorologische Gesellschaft, Foto: Landespressebüro Salzburg) (zie bladzijde 14).

Afbeelding rechtsonder. Een drooggevallen nevengeul van de Rijn. Zullen er door klimaatverandering meer extreem warme zomers komen, met bijbehorende lage waterstanden? (bron: RIZA) (zie bladzijde 19).

METEOROLOGICA 3 - 2005

3


WeerOnline B.V. is een commercieel weerbedrijf, actief in zowel de consumentenmarkt als in de business-to-business markt. Met de populaire website www.weeronline.nl bereikt WeerOnline maandelijks circa 2 miljoen consumenten. Daarnaast werkt WeerOnline voor internetuitgevers, uitgevers van dagbladen, agrariërs, bouwbedrijven, recreatie ondernemers, verzekeraars en de lokale en regionale overheid. WeerOnline is samen met MeteoOnline, WetterOnline en WeatherOnline internationaal actief in verschillende Europese landen. WeerOnline bestaat uit een team van jonge en enthousiaste medewerkers die dagelijks klaar staan voor de klanten. De bedrijfscultuur wordt gekenmerkt door een goede werksfeer, veel contacten met klanten en mogelijkheden om initiatieven te ontplooien. In verband met groei van onze activiteiten zijn wij op zoek naar een:

Operationeel Meteoroloog (m/v) Functieomschrijving Als operationeel meteoroloog ben je verantwoordelijk voor de meteorologische inhoud van de producten die WeerOnline voor klanten produceert. Ook ben je verantwoordelijk voor (een deel van) de daadwerkelijke productie van deze klantenproducten. Je maakt deel uit van het team van meteorologen. De dagelijkse werkzaamheden bestaan uit: �� het maken van weeranalyses en weersverwachtingen �� het bewaken van meteorologische omstandigheden voor specifieke klanten (onder meer voor de gladheidsbestrijding) �� het schrijven van meteorologische teksten voor dagbladen, websites en andere producten �� het via de telefoon adviseren van klanten op het gebied van weergerelateerde werkzaamheden en activiteiten �� het produceren van grafische weerinformatie voor dagbladen en websites De kandidaat WeerOnline is op zoek naar een collega die voldoet aan de volgende criteria: �� een afgeronde opleiding meteorologie (BOM, VOM, universiteit) �� bij voorkeur ervaring met het werken in een operationele meteorologische dienst (in het bijzonder ervaring met advisering op het gebied van gladheidsbestrijding) �� een goede uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands (vooral schrijven, maar ook spreken) �� affiniteit met nieuwe media �� basiskennis van HTML �� kennis van Engels is een pré. WeerOnline biedt �� een veelzijdige baan met veel externe contacten �� mogelijkheden voor persoonlijke en professionele groei �� een zelfstandige functie binnen een gemotiveerd en enthousiast team �� uitstekende primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden; �� veel plezier! Solliciteren Wij ontvangen je sollicitatiebrief met uitgebreid CV bij voorkeur per e-mail (e.brink@weeronline.nl). Je kunt ook een brief schrijven naar: WeerOnline BV, t.a.v. drs. ing. E. Brink, Nudepark 97c, 6701 DZ Wageningen. Voor meer informatie over de functie kun je telefonisch contact opnemen met Erik Brink of Gerrit Hiemstra op 0317-460355.

4

METEOROLOGICA 3 - 2005


WAT VOEGT HET GEBRUIK VAN EEN MESOSCHAALMODEL TOE?

De neerslag van 29 en 30 juli 2005 volgens diverse modellen INGEBORG ZUURENDONK (METEO CONSULT), SANDER TIJM (KNMI) EN ROBERT MUREAU (KNMI) Op 29 en 30 juli 2005 heeft Nederland veel neerslag te verduren gehad. Het KNMI-maandoverzicht van juli 2005 meldt: “Ook in de laatste week van juli viel plaatselijk zeer veel neerslag. Zo lieten zware buien in de nacht van 29 op 30 juli in een brede strook over het land 30 tot ruim 60 mm achter. In Dwingeloo werd zelfs 80 mm afgetapt. Lokaal ontstond schade door wateroverlast.” ([1]) In dit artikel wordt beschreven hoe goed verschillende modellen, waaronder twee mesoschaalmodellen (MM5 en Hirlam 11), in staat zijn de neerslag van 29 en 30 juli 2005 te representeren. Het is een interessante situatie omdat extreme neerslag (grootschalig) voorafgegaan werd door een zeewindcirculatie (mesoschaalsysteem). Door middel van een aantal modelruns kan onderzocht worden in hoeverre een mesoschaalmodel geschikt is om een combinatie van een mesoschaalen een grootschalig systeem te simuleren. Ter vergelijking worden ook de resultaten van het PEPS-project, het ECMWF-model en het UKMO besproken.

Terwijl de MCS’en vanuit Frankrijk dichterbij komen, is in Nederland aan de windwaarnemingen te zien hoe het zeewindfrontje het binnenland in trekt. Voor het frontje uit krimpt de wind, er

vlak achter ruimt deze. Dit versterkt de kustconvergentielijn, die eerst over ZuidHolland trekt en later in de richting van Flevoland gaat. Hier blijft de lijn, die nog steeds neerslag veroorzaakt, liggen tot ongeveer 18 UTC.

gelegen MCS bereikt Nederland niet, maar trekt over Duitsland. Daar veroorzaakt het noodweer in de avond met zelfs twee doden tot gevolg. Op veel plaatsen was sprake van overstromingen, landverschuivingen en blikseminslagen ([3]).

Vervolgens lijkt deze neerslag, die is ontstaan ten gevolge van het zeewindfrontje, boven Flevoland uit te doven. Op dat moment, vanaf 18 UTC, komt de eerste grootschalige neerslag, afkomstig van de MCS’en vanuit het zuiden, Nederland binnen. Een combinatie van de meest westelijk gelegen MCS’en heeft dan al voor grote wateroverlast in en rond Brussel gezorgd: straten waren ondergelopen en in tunnels stond zo’n 30 cm water ([3]). Hetzelfde systeem veroorzaakt later veel neerslag in ons land. Rond 19 UTC leeft onder invloed van deze grootschalige neerslag de buienactiviteit op de voormalige convergentielijn (zeewindfrontje) weer op. Dit gebeurt net ten noorden van de MCS’en boven Brabant en zorgt daar voor een buienlijn die plaatselijk ook weer veel water achterlaat. Het oostelijk

In de hierop volgende uren, tussen 29 juli 18 UTC en 30 juli 10 UTC, trekt het regengebied van zuid naar noord over de bijna volledige breedte van Nederland. Het voormalige zeewindfrontje wordt als het ware overvleugeld door grootschalige neerslag, voortkomend uit de samengevoegde MCS’en. Dit systeem veroorzaakt aan de voorzijde sterke dalende bewegingen. Het lijkt alsof de zeewindconvergentie hierdoor compleet wordt weggevaagd, maar later blijkt dat de verschillende luchtsoorten nog zijn blijven bestaan. Als het MCS namelijk boven de voormalige convergentielijn ligt, wordt deze opnieuw geactiveerd. Precies op die zone, in een strook evenwijdig aan de lijn Utrecht-Flevoland, valt de meest actieve neerslag. In figuur 2 (zie achterzijde) is de totale neerslagsom tussen 29 juli 8 UTC en 30 juli 8 UTC afgebeeld. Hieruit valt duidelijk op te maken dat de meest

Maandag 25 Juli

120

mm

100

Twente Accum Neerslag

120 100

80

80

60

60

40

40

20

20

0

Figuur 1. Waterdamp satellietbeeld van 29 juli 2005 12 UTC (METEOSAT-7 [2]).

2005 (starttijd Zo 12 UTC)

Control Oper Ens mn

Zo

00

Ma

00

Di

00

Wo

00

Do

00

Vr

Dag

00

Za

00

Zo

00

Ma

00

Di

00

mm

Waarnemingen: extreme neerslag en wat er aan vooraf ging Op het waterdampbeeld van 29 juli 12 UTC (figuur 1) zijn in de zuidelijke helft van Frankrijk een aantal Mesoscale Convective Systems (MCS’en) te onderscheiden. Deze zijn nog ver weg van Nederland, maar bewegen in hoog tempo naar het noorden. Op dit zelfde tijdstip wordt op de radar in Nederland de eerste neerslag in Zeeland zichtbaar, die ontstaat als gevolg van een zeewindfrontje. Ook in het zuidoosten van ons land zit een klein naar het noorden bewegend regengebied, maar dat heeft om 17 UTC ons land al verlaten.

0 Wo

Bron: ECMWF/KNMI

Figuur 3. EPS voor cumulatieve neerslag in Twente, gebaseerd op de ECMWF run van 24 juli 2005 12 UTC (bron: ECMWF). METEOROLOGICA 3 - 2005

5


���������������������������������������������������� ������� ���� ������

���

���

������ ��������������

��� ���

���

���

��

���

���

���

��

��

��

��

��

��

� ��

��

��

��

��

��

��

��

��

��

��

���

��

��

��

��

��

��

��

��

��

��

���

� ��

����������������

Figuur 4. EPS voor cumulatieve neerslag in Twente, gebaseerd op de ECMWF run van 27 juli 2005 00 UTC (bron: ECMWF).

actieve buien zijn opgetreden langs de lijn Utrecht-Flevoland-Assen. Tevens zijn maximale neerslaghoeveelheden gemeten in de buurt van Venlo, door een meer oostelijke tak van de MCS’en. Een derde maximum is in Noord-Brabant te vinden, waar de buien op de convergentielijn voor de MCS’en uit al activeerden in het begin van de avond. Maximale neerslagwaarden lagen in de orde van grootte van 50-80 mm in 24 uur. In de rest van het land viel ongeveer 20 mm, met uitzondering van de kustzones, die achterbleven met circa 10 mm neerslag. Globale modellen Het Europese model gaf al heel vroeg (ongeveer 5 tot 7 dagen van tevoren) aan dat er op vrijdag 29 of zaterdag 30 juli iets kon gebeuren boven Nederland. Dit is goed te zien in de EPS (Ensemble Prediction System, ofwel “pluim”) voor cumulatieve neerslag in Twente (zie figuur 3). Deze pluim is gebaseerd op de ECMWF-run van zondag 24 juli 12 UTC. Tussen vrijdag en zaterdag is in enkele ensembleleden een duidelijke toename van de cumulatieve neerslag te herkennen. In de EPS van enkele dagen later, die gebaseerd is op de ECMWF run van woensdag 27 juli 00 UTC (zie figuur 4) zijn al veel meer ensemble-leden die

Figuur 5. Cumulatieve neerslag voor een periode van 6 uur (van 29 juli 2005 18 UTC tot 30 juli 2005 00 UTC), gebaseerd op de deterministische run van het ECMWF van 25 juli 2005 12 UTC (+108) (bron: ECMWF). 6

METEOROLOGICA 3 - 2005

een grote hoeveelheid neerslag geven in de nacht van vrijdag op zaterdag. Toch is de spreiding in de verwachte neerslaghoeveelheden nog aanzienlijk. Dit bleef zo, zelfs tot op zeer korte termijn. Dit geeft aan dat het niet vreemd was dat het normaal gesproken zeer consistente ECMWF-model deze dagen nogal inconsistent bleek in de opeenvolgende deterministische modelruns. Het ECMWF-model verwachtte dus wel neerslag, maar de ligging bleek te oostelijk. Ook was de ECMWF-neerslag te veel geconcentreerd in één systeem, terwijl uit bovenstaande analyse blijkt, dat ook veel neerslag is gevallen op een convergentielijn voor de MCS’en uit. Deze neerslag, en ook de neerslag die oostelijker in Duitsland is gevallen, lijkt niet goed door het ECMWF verwacht te zijn. Dit blijkt uit figuur 5, waarin de deterministische verwachting voor de neerslag van ECMWF is weergegeven. Er wordt 108 uur van tevoren (op 25 juli 12 UTC) verwacht dat in het oosten tot 60 mm neerslag kan vallen in de 6 uur tussen 29 juli 18 UTC en 30 juli 00 UTC. De extreme hoeveelheid is dus prima verwacht, maar het gebied met maximale neerslag ligt te oostelijk. In het Engelse model (UKMO) werd de neerslag zelfs nog oostelijker verwacht. De grote lijn van de verwachting was dus in orde, maar de precieze locatie was nog onduidelijk. Op basis van de uitvoer van het ECMWF-model is het MM5 model gedraaid. MM5: flexibel model Om deze situatie te onderzoeken is versie 3.6 van MM5 gebruikt. MM5 is een niethydrostatisch mesoschaalmodel, ontwikkeld in Amerika door Pennsylvania State University (PSU) en National Center for Atmospheric Research (NCAR) (Dudhia, 1993). Het grote voordeel van MM5 is het feit dat het zeer flexibel is op verschillende punten. De volgende opties zijn door de gebruiker zelf in te stellen:

• De ligging van het gebied waarvoor de verwachting gemaakt wordt. MM5 kan, afhankelijk van de beschikbaarheid van data, in principe over de hele wereld gedraaid worden. • Het aantal (geneste) domeinen, hun afmeting en de roosterpuntsafstand. De roosterpuntsafstand kan zelfs kleiner dan 1 km zijn. • De verwachtingsperiode en de tijdstap van het model. • Het grootschalige model dat gebruikt wordt voor de initialisatie en randvoorwaarden. Bijvoorbeeld het ECMWFmodel of het NCEP-model. • Het aantal verticale niveaus. MM5 rekent niet met drukniveaus maar met sigma-niveaus. Sigma is een dimensieloos gemaakte druk. Dit geeft met name in bergachtige gebieden betere resultaten. • De fysische parameterisaties van o.a. grenslaag, bewolking en convectie. Zo kan voor iedere situatie de meest geschikte combinatie van parameterisaties worden bepaald (NCAR, 2000). Modelinstellingen MM5 heeft voor de initialisatie en de randvoorwaarden de data van een grootschalig model nodig. In dit geval zijn ECMWF-data (op een resolutie van 0.4° x 0.4°) gebruikt. Voor de hele verwachtingstermijn (48 uur vooruit) zijn iedere 6 uur de ECMWF-analyses meegenomen in de modelberekening. Op het initialisatietijdstip wordt de complete analyse gebruikt, daarna wordt MM5 slechts aan de randen van het modeldomein gevoed met ECMWF-data. Voor de simulatie van 29 en 30 juli 2005 zijn twee in elkaar geneste domeinen gebruikt (zie figuur 6). Het grootste domein (domein 1) heeft een roosterpuntsafstand van 18 km en bestaat uit een deel van West-Europa. Binnenin domein 1 is een kleiner gebied gedefinieerd, dat vrijwel heel Nederland bestrijkt. Van dit domein (domein 2) is de roosterpuntsafstand 6 km. Het binnenste domein is “two-way-nested”. Dat houdt in dat het grootste domein het kleinere beïnvloedt, maar dat omgekeerd het binnenste domein ook invloed heeft op het buitenste. Karakteristieken van het landgebruik, zoals bodemvochtgehalte en albedo, worden ingelezen uit de database van de U.S. Geological Survey (USGS), die bestaat uit 24 categorieën. Voor domein 1 zijn landgebruiksdata op een resolutie van 5 minuten (ongeveer 9 km) gebruikt en voor domein 2 op een resolutie van 30 seconden (ongeveer 0.9 km).


als uit eigen ervaring blijkt dat ze veel gebruikt worden en de resultaten over het algemeen goed zijn.

Figuur 6. Ligging van domein 1 (resolutie van 18 km) en domein 2 (resolutie van 6 km) voor de MM5 runs.

Wat betreft de fysica: de situatie van 29 en 30 juli is gesimuleerd met behulp van twee configuraties van MM5. Het enige verschil tussen deze twee configuraties is de grenslaagparameterisatie. Run A is uitgevoerd met het ETA-grenslaagschema en run B met het MRF-grenslaagschema. ETA (Eta-Mellor-Yamada) is een lokaal 1½-orde sluitingsschema (Janjić, 1994). Het MRF- (Medium-Range Forecast) schema daarentegen, gaat uit van een niet-lokale 1e-orde sluiting (Hong en Pan, 1996). Voor meer technische informatie over beide grenslaagparameterisaties wordt verwezen naar de genoemde literatuur. Om een eerlijke vergelijking mogelijk te maken, zijn de overige parameterisaties ongewijzigd gebleven. Voor de microfysica (vochtparameterisatie) is “Reisner 2” gebruikt en als convectieschema (wolkparameterisatie) “Grell” in domein 1. In domein 2 is de resolutie hoog genoeg om de wolken expliciet te berekenen. Daar is dus geen wolkparameterisatie nodig. De keuze is op deze parameterisaties gevallen, omdat zowel uit de literatuur

Convergentielijn volgens MM5 Voor de analyse van deze situatie met behulp van MM5 is gebruik gemaakt van domein 2 van zowel run A als B. Domein 2, met roosterpuntsafstand 6 km, levert de meest gedetailleerde resultaten en omvat toch nog bijna heel Nederland. Toch is domein 1 niet zinloos; MM5 draaien met enkel domein 2 zou niet kunnen, omdat dan de stap van ECMWF invoerdata (resolutie ongeveer 40 km) direct naar de MM5-resolutie van 6 km te groot zou worden. Nu fungeert domein 1 (resolutie 18 km) dus als intermediair niveau om over te gaan naar een hogere resolutie. De verhouding tussen resolutie van invoerdata en het grootste domein mag maximaal ongeveer een factor 3 zijn. Allereerst is onderzocht of het model erin slaagt om het zeewindfront, dat in de middag van 29 juli is ontstaan, te simuleren. Een in MM5 beschikbare parameter die hierbij zeer bruikbaar is, is (vocht)convergentie. In run A begint vanaf 11 UTC in Zeeland een zeewindcirculatie te ontstaan, die goed in het windpatroon en als convergentielijn te herkennen is. De waargenomen krimping van de wind voor het zeewindfront, die de convergentie nog een keer versterkte, zat echter niet in de MM5 uitkomsten. In de daarop volgende uren trekt de convergentielijn langzaam maar zeker het binnenland in. In figuur 7 (zie achterzijde) is de positie van de convergentiezone om 16 UTC duidelijk herkenbaar. De zone ligt ongeveer evenwijdig aan de kust, over Tilburg – Ede – Apeldoorn

– Almelo, aan de noordkant enigszins verstoord door een bui. Uit de waarnemingen is gebleken dat de convergentielijn in werkelijkheid iets westelijker lag en daar ook is blijven liggen. In MM5 daarentegen schuift de convergentielijn nog verder door naar het oosten. Om 11 UTC begint volgens run A de eerste neerslag in Zeeland. Die trekt met de convergentielijn mee richting het noordoosten. Om 16 UTC (figuur 8, zie achterzijde) ligt de neerslag volgens MM5 net ten zuiden van Flevoland, op de grens van de convergentielijn en de divergentie ten westen ervan (zie figuur 7). Hoewel het zeewindfrontje iets te oostelijk ligt, komt de locatie van de neerslag toch redelijk goed overeen met de neerslag uit het cumulatieve radarbeeld van 15-16 UTC (figuur 9, zie achterzijde). Ook de orde van grootte van de hoeveelheid neerslag is goed (ongeveer 10 mm). MM5 mist echter de neerslag die in het uiterste noordoosten van Nederland is gevallen. In run B ontstaat de convergentielijn iets later op de dag en deze is ook minder duidelijk herkenbaar; er is sprake van een uitgestrekt gebied met hier en daar maximale waarden in de convergentie. Daar komt bij dat in run B de neerslag minder goed overeenkomt met de waarnemingen dan in run A. De reden dat in dit geval het ETA-schema (run A) een meer realistische uitkomst geeft dan het MRF-schema (run B), heeft te maken met het feit dat ETA een lokaal schema is, en dat dus de convectieve activiteit meer gelokaliseerd is. Er vindt minder uitwisseling plaats met de omgeving. De contrasten op korte afstand zijn dus groter. MRF is vaak gematigder, ETA geeft bij neerslag meer “actieve pitten”. Ditzelfde effect speelt weer mee als later

A

B

Figuur 10. Neerslag (in mm) over het afgelopen uur en windpatroon aan het oppervlak voor domein 2 (resolutie 6 km), voor 30 juli 2005 03 UTC, gebaseerd op (a) MM5 run A (ETA), en (b) MM5 run B (MRF). METEOROLOGICA 3 - 2005

7


CaTeC

Professionele meteorologische apparatuur voor windsnelheid, windrichting, vocht, temperatuur, straling, barometrische druk, dauwpunt en neerslag. Thies disdrometer de optimale neerslagmeter met laser

De sensor detecteert en onderscheidt verschillende vormen van neerslag zoals motregen, regen, hagel en sneeuw. Het systeem berekent de intensiteit, de hoeveelheid/tijdseenheid, het volume en het spectrum van de verschillende vormen van neerslag. Hierbij worden diverse cross checks op juistheid van de waarde uitgevoerd. De disdrometer is in RVS uitgevoerd, onderhoudsarm en kan t.b.v. extreme omstandigheden (-60 … +70°C) uitgerust worden met verwarmingselementen. De disdrometer is een uitermate geschikt instrument om te worden ingezet t.b.v. de verkeersveiligheid, meteorologie, (lucht) havens en wetenschappelijk onderzoek.

Thies Ultrasone 2D anemometer

Thies optische regenmelder

Meet windsnelheid-, windrichting en virtuele temperatuur. - hoge precisie - onderhoudsvrij - inclusief verwarming - digitale- en analoge signaal uitgangen

Deze opto electronische regenmelder maakt gebruik van een revolutionair ontworpen infra rood sensor waarmee doorvallende druppels binnen een bepaald tijdbestek worden gedetecteerd. Géén nat oppervlak, geen corrosie of problemen door vallende bladeren of uitwerpselen van vogels meer! Met instelbaar potentiaal vrij contact uitgang en verwarmde behuizing voor alle weersomstandigheden. Nu ook leverbaar met analoge uitgang voor indicatie van de regenintensiteit.

De Utrasone-Anemometer 2D leent zich uitstekend voor gebruik in: Zeeklimaat, Proces, Lucht- en scheepvaart, Meteorologie, Langs rijkswegen, enz. Voldoet aan WMO specificaties geen bewegende delen

Van stand-alone tot complete systemen Voor meer informatie, prijzen of een gespecificeerde offerte

CaTeC b.v. Turfschipper 114 2292 JB Wateringen  0174-272330  0174-272340  info@catec.nl

8

METEOROLOGICA 3 - 2005

www.catec.nl


Figuur 11. Cumulatieve neerslag uit radarbeelden voor de periode van 24 uur van 29 juli 2005 08 UTC tot 30 juli 2005 08 UTC.

op de dag gekeken wordt. Grootschalige neerslag Volgens de radar komt om 18 UTC de eerste grootschalige neerslag van de MCS’en vanuit het zuiden ons land binnen. In run A is dat inderdaad zo, maar het gaat hier om slechts kleine, zeer lokale buien. Er is geen groot uitgestrekt aaneengesloten gebied aanwezig zoals dat in werkelijkheid is opgetreden. In run B daarentegen is de neerslag wel meer “uitgesmeerd”. Dit heeft ook weer te maken met het niet-lokale karakter van het MRF-schema. Bij deze grootschalige neerslag geeft MRF dus betere resultaten. Het verschil tussen ETA en MRF is te zien in figuren 10a en 10b. Deze figuren geven de neerslagsom tussen 2 en 3 UTC op 30 juli 2005. In figuur 10b is een uitgestrekter gebied te zien dan in figuur 10a.

Figuur 13. Infrarood pseudo-satellietbeeld, gebaseerd op Hirlam 11 voor 29 juli 2005 16 UTC.

De timing van de neerslag is redelijk goed, alleen is deze te oostelijk. Dit heeft te maken met de initialisatie van het model. Zoals al eerder vermeld, had ECMWF de grootschalige neerslag te oostelijk berekend en gezien het feit dat MM5 ECMWF als initialisatie en randvoorwaarden gebruikt, gaat MM5 daar dus ook van uit. Bovendien kan bij snel bewegende structuren de beperkte tijdsresolutie (eens in de 6 uur) van de randvoorwaarden een rol gaan spelen, waardoor buiengebieden vervormd aan de randen binnenkomen. Om te bepalen of de neerslaghoeveelheid realistisch is, kunnen cumulatieve neerslagbeelden van de radar gebruikt worden. Deze hebben een grotere detaillering dan het eerder getoonde neerslagkaartje (figuur 2). Figuur 11 toont de waargenomen cumulatieve neerslag over 24 uur (tussen 29 juli 8 UTC en 30 juli 8 UTC), zoals bepaald uit radarbeelden.

Figuren 12a en b laten voor dezelfde periode de cumulatieve neerslaghoeveelheid volgens MM5 zien, voor respectievelijk run A en run B. Zoals gezegd, ligt de neerslag wat te oostelijk. Dat is de reden dat er voor gekozen is, om in deze figuren een groter gebied weer te geven, waarin heel Nederland, België en het westen van Duitsland zichtbaar zijn. Zo komt het algemene neerslagpatroon duidelijker uit. Dit gebied is een snede uit het grootste domein (18 km resolutie). De resultaten in domein 1 en 2 zijn wel in overeenstemming met elkaar, want er is “two-way-nesting” toegepast. Uit deze figuren blijkt dat in dit geval MRF voor deze grootschalige neerslag een realistischer patroon berekent dan ETA. De neerslag ligt wel iets te oostelijk, maar het patroon komt in grote lijnen overeen met de waarnemingen. De neerslaghoeveelheden lijken aan de lage kant, maar uitgaande van de neerslag die berekend

A

B

Figuur 12. Cumulatieve neerslag en windpatroon aan het oppervlak voor (een deel van) domein 1 (resolutie 18 km), voor de periode van 24 uur van 29 juli 2005 08 UTC tot 30 juli 2005 08 UTC, gebaseerd op (a) MM5 run A (ETA), en (b) MM5 run B (MRF). METEOROLOGICA 3 - 2005

9


Figuur 14. Cumulatieve neerslag gebaseerd op Hirlam 11 voor de periode van 24 uur van 29 juli 2005 09 UTC tot 30 juli 2005 09 UTC.

wordt op hogere resolutie in domein 2 (resolutie 6 km: convectieve neerslagmaxima komen beter tot uiting), komt de MRF-run tot waarden van ongeveer 60 mm, wat heel aardig overeenkomt met de waarden in figuur 11. Een “toevalligheid” is dat MM5 extreme neerslag bij Venlo verwacht, wat in werkelijkheid ook is opgetreden. De neerslag die daar uiteindelijk is gevallen, was echter afkomstig van een neerslaggebied wat volgens MM5 veel oostelijker lag. Het gehele patroon is dus opgeschoven richting het oosten. Hirlam en PEPS Naast MM5, is ook de uitvoer van Hirlam 11 bekeken voor deze situatie met extreme neerslag. Op basis van de uitvoer van Hirlam worden op het KNMI pseudosatellietbeelden gemaakt. Als voorbeeld is in figuur 13 het Hirlam infrarood beeld voor 29 juli 2005 om 16 UTC weergegeven. Dit is gebaseerd op de Hirlam-run van 6 UTC op diezelfde dag. Als dit Hirlam-satellietbeeld wordt vergeleken met het waterdamp-satellietbeeld (figuur 1), wordt duidelijk dat de MCS’en op beide beelden duidelijk zichtbaar zijn. Alleen liggen de MCS’en op het Hirlam-beeld inmiddels natuurlijk een stuk noordelijker. De afstand die ze volgens deze beelden tussen 12 en 16 UTC hebben afgelegd, lijkt realistisch, zeker als dit wordt geëxtrapoleerd naar het moment waarop in Nederland de neerslag begint in het zuiden en de uitlopers van de MCS’en daar dus aankomen. Ook op basis van de resultaten van Hirlam 11 is een berekening gemaakt van de cumulatieve neerslag. In figuur 14 is het resultaat hiervan weergegeven. Dit is in 10

METEOROLOGICA 3 - 2005

principe hetzelfde figuur als figuren 11 en 12, alleen is de neerslag in figuur 14 geaccumuleerd over de 24-uurs periode van 29 juli 9 UTC tot 30 juli 9 UTC. Een uur later dus dan in de eerder getoonde figuren, maar dat maakt voor het algemene neerslagpatroon en de hoeveelheden niet veel uit. Uit figuur 14 kan worden afgeleid dat Hirlam een maximale neerslag van 115 mm verwacht in de omgeving van Brussel. Een ander neerslagmaximum ligt ten oosten van Flevoland. Het gebied met extreme neerslag ligt op zich goed in vergelijking tot de werkelijk opgetreden neerslag. Qua hoeveelheid heeft Hirlam de neerslag echter wat overschat: volgens het cumulatieve radarbeeld is de neerslag niet boven de 70 mm gekomen, terwijl Hirlam over de 100 mm heen gaat. Wat dat betreft had MM5 realistischer waarden. Hierbij moet echter wel bedacht worden, dat MM5 aan de randen gebaseerd is op ECMWFanalyses, terwijl Hirlam deze informatie niet had. Tot slot zijn de verwachtingen bekeken, die berekend zijn binnen het PEPSproject. PEPS staat voor Poor-Man’s Ensemble Prediction System en combineert de output van ongeveer 20 limitedarea modellen, waaronder Hirlam. Een interessant product afkomstig van het PEPS-project zijn kanskaarten. Figuren 15a en b zijn hier voorbeelden van; ze geven de kans (in %) op meer dan 50 mm neerslag binnen 24 uur. Figuur 15a gaat over de periode van 29 juli 6 UTC tot 30 juli 6 UTC, terwijl figuur 15b de kans weergeeft over de periode van 29 juli 18 UTC tot 30 juli 18 UTC. Figuur 15a geeft de extreme neerslag te oostelijk, maar in figuur 15b is het gebied met extreme neerslag precies boven Flevoland te vinden, zoals dat ook daadwerkelijk is opgetreden (zie figuur 11). Dus de combinatie van een grote hoeveelheid modellen blijkt voor deze run goede resultaten te leveren om een indicatie van de risicogebieden te geven. Als echter naar de absolute waarde van de verwachte neerslag wordt gekeken (niet afgebeeld), blijkt dat die te laag wordt ingeschat. Dat is dan weer een nadeel van het middelen tussen vele modellen, waarbij extremen weg kunnen vallen, zeker in situaties met convectieve neerslag. Conclusies en discussie De verschillende modellen hebben in ieder geval alle verwacht dat er “iets” zou gaan gebeuren op 29 en 30 juli 2005. In de EPS van ECMWF was dit al

zeker vijf dagen van tevoren zichtbaar, al was de precieze hoeveelheid, locatie en timing toen nog onzeker. Uiteindelijk is de neerslag, berekend in de verwachting van ECMWF, te oostelijk. MM5 is met twee grenslaagparameterisaties getest, ETA en MRF. Voor het simuleren van het zeewindfrontje dat vooraf ging aan de extreme neerslag, blijkt het ETAschema het meest geschikt. Dat geeft een duidelijke convergentielijn en ook op de goede plaats. Wat niet overeenkomt met de waarnemingen, is het feit dat de convergentielijn te ver doorschuift naar het oosten. In werkelijkheid bleef het gebied met convergentie stationair rond de lijn Utrecht - Flevoland - Assen. De daaropvolgende grootschalige neerslag wordt echter beter gesimuleerd met behulp van de MRF-parameterisatie. De neerslag ligt te oostelijk (waarschijnlijk met name door de ECMWF-initialisatie), maar het patroon, de timing en de hoeveelheden zijn goed. Hirlam 11 heeft de hoeveelheid neerslag overschat. De verwachte ligging van het neerslaggebied was wel goed. De Hirlam-satellietbeelden geven een goed beeld van de grootschalige situatie en de naderende MCS’en. PEPS maakt de kans op extremen inzichtelijk. Voor de absolute neerslaghoeveelheid is zo’n ensemble niet echt geschikt, doordat variabele convectieve signalen gemiddeld worden. Terugkomend op de vraagstelling: “Wat voegt het gebruik van een mesoschaalmodel toe?”, kunnen we zeggen dat mesoschaalmodellen, zoals MM5 en Hirlam 11, beter in staat zijn om extreme neerslagmaxima te berekenen dan grootschalige modellen. Dit komt o.a. omdat beter rekening wordt gehouden met terreineffecten. Het verhogen van de resolutie, zoals dat met MM5 is gedaan, geeft als extra voordeel dat ook lokale effecten zoals zeewind gedetecteerd kunnen worden. Door het instellen van verschillende parameterisaties voor - in dit geval - de grenslaag, kan het model goed inspelen op verschillende weersituaties. Gezien deze resultaten en die van het PEPS-project, is het raadzaam om een soort ensemble-verwachting met MM5 te maken, waarbij het model met een aantal verschillende configuraties wordt gedraaid. Dit zal waarschijnlijk de voordelen van de verschillende methodes combineren. De moeilijkheid blijft dan echter om de juiste oplossing te kiezen, met name als één of twee oplossingen extreem zijn. Het feit dat de extreme neerslag door MM5 nu te oostelijk werd


dan het gebruik van slechts één domein (hierdoor wordt de rekentijd korter) en kunnen wolken expliciet worden berekend.

A

B

Figuur 15. Kans (in %) volgens data van het PEPS-project op neerslag van meer dan 50 mm binnen een periode van 24 uur voor (a) 29 juli 2005 6 UTC tot 30 juli 2005 6 UTC, en (b) 29 juli 2005 18 UTC tot 30 juli 2005 18 UTC.

verwacht, heeft waarschijnlijk te maken met de initialisatie die plaatsvindt op basis van het ECMWF-model. In de

toekomst wordt ook het ECMWF-model nauwkeuriger, dus zal de initialisatie van MM5 verbeteren. Bovendien volstaat

Literatuur Dudhia, J., 1993: A Nonhydrostatic Version of the Penn State-NCAR Mesoscale Model: Validation Tests and Simulation of an Atlantic Cyclone and Cold Front. Monthly Weather Review, 121, 1493-1513. Hong, S.Y. en H.L. Pan, 1996: Non-local Boundary Layer Vertical Diffusion in a Medium-Range Forecast Model, Monthly Weather Review, 124, 2322-2339. Janjiċć, Z.I., 1994: The Step-Mountain Coordinate Model: Further Developments of the Convection, Viscous Sublayer, and Turbulence Closure Schemes, Monthly Weather Review, 122, 927-945. NCAR, 2000: PSU/NCAR Mesoscale Modelling System – Tutorial Class Notes and User’s Guide: MM5 Modelling System Version 3, Mesoscale and Microscale Meteorology Division - National Center for Atmospheric Research. [1] KNMI Maandoverzicht “Juli 2005: Aan de warme kant maar nat en somber”; http://www.knmi.nl/klimatologie/ maand_en_seizoensoverzichten/maand/jul05.html [2] Archief satellietbeelden http://www.sat.dundee.ac.uk [3] WEEReldniews, archief juli 2005 http://www.vwkweb. nl

Herinneringen aan dr. K. R. Postma (1913-2005) BALTUS ZWART Dr. K. R. Postma, directeur van de afdeling Weerdienst en Luchtvaartmeteorologie van het KNMI van 1961 tot 1978, overleed op 22 juni 2005, op 92 jarige leeftijd. Na het Gymnasium volgde hij de studie natuurkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Al tijdens zijn studie vertrouwd geraakt met het KNMI, trad hij op 1 juli 1938 in dienst van het Instituut als wetenschappelijk assistent. In de oorlogsjaren, die daarna volgden, werd het KNMI gecontroleerd door de Duitse bezetter. De contacten met het buitenland werden verbroken en er viel aan het maken van verantwoorde weersverwachtingen niet meer te denken. Postma kreeg toen de gelegenheid een belangrijke bijdrage te leveren aan het Leerboek der Meteorologie van prof. dr. W. Bleeker. Op 14 juni 1948 promoveerde hij bij prof. Bleeker cum laude op het proefschrift “The formation and development of occluding cyclones –a study of surface-weather maps-”. Vanaf 1951 nam hij het directeurschap van de afdeling Weerdienst en Luchtvaartmeteorologie waar, waarna op 1 januari 1961 de officiële benoeming volgde. Gedurende enkele jaren was Postma ook plaatsvervangend hoofddirecteur van het KNMI. Hij woonde verscheidene congressen bij van de WMO en ICAO en gaf daar vaak belangrijke adviezen. Na zijn pensionering op 1 juni 1978 bezocht hij nog vele jaren bijna dagelijks zijn oude werkomgeving en liet niet na commentaar te leveren op analyses en verwachtingen. Postma was Officier in de orde van Oranje Nassau. Al vroeg belangstelling voor het weer Klaas Rienk Postma groeide op in Den Haag, vlak bij Scheveningen, en was daardoor al vroeg vertrouwd met stormen en hoge waterstanden. Zijn vroege belangstelling voor het weer stond er mee in verband. Als 14-jarige mocht hij zich van zijn vader abonneren op het dagelijkse weerbericht (het weerkaartje). Van jongs af aan liet het weer Postma nooit los, vierentwintig uur per dag was hij ermee bezig. Op zijn werk was hij veelal op de weerkamer te vinden, ook op dagen en tijden dat een collega de dienst waarnam. Met de analyse was hij het vaak niet eens, stak dat niet onder stoelen of banken en schroomde niet in

andermans analyse te gommen, wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Hij was een expert in het aankondigen van (extreme) vorstperioden. Menige periode met strenge vorst heeft hij nauwkeurig voorspeld. Met het aankondigen van dooi had hij minder succes. Postma had een hoog verantwoordelijkheidsgevoel voor de gevolgen van extreme weersituaties. Tijdens zijn directeurschap was hij bij zware noordwester stormen met hoge wateropzetten slechts enkele uren van de nacht afwezig. De door de weerdienst te geven voorlichting vond hij in deze situaties van cruciaal belang. Tijdens de rampzalige storm van februari 1953 nam hij met Bijvoet de dienst waar. Het feit dat ook op 31 januari 1953 de radiozen-

Figuur 1. Postma (vooraan) in de weerkamer van het KNMI omstreeks 1950 (Met dank aan G.J. Postma). METEOROLOGICA 3 - 2005

11


der, ondanks aandringen van Postma die na middernacht open te houden, toch uit de lucht ging en het KNMI tengevolge daarvan tot acht uur in de ochtend (het was zondag) geen waarschuwingen meer kon geven voor de uiterst gevaarlijke situatie die zich toen ontwikkelde, heeft hij nooit goed kunnen verwerken. Dat komt bij het lezen van latere interviews over die rampnacht duidelijk tot uiting. De directeur deed graag de weerdienst Klaas Rienk Postma was iemand die geheel opging in zijn werk, een weeramateur op hoog niveau. Op de weerkamer was hij zelden tot andere gesprekken te bewegen dan over het weer of daaraan verwante zaken. Hij was letterlijk niet uit de weerkamer weg te slaan. De directiewerkzaamheden liet hij graag over aan de adjunct-directeur, dr. G. H. Klamer. Ook die deed, evenals Postma, mee in de roulerende diensten van de weerdienstleiders. Maar Klamer kwam vaak niet toe aan het analyseren van de weerkaart. Volgens Postma was er op zo’n moment nog veel achterstallig bureauwerk, dat niet langer kon wachten. Klamer hield niet zo erg van het soms enerverende werk op de weerkamer, dat vaak onder tijdsdruk moest worden verricht. Spoedig zat de directeur tevreden achter de weerkaart. Het is één van de vele bijzondere eigenschappen, die het leven van Postma karakteriseren. 'De beste meteoroloog van het noordelijk halfrond' Postma kan ongetwijfeld beschouwd worden als de nestor van de synoptische meteorologen. Met prof. Bleeker geheel vertrouwd geraakt met de Noorse School (de frontenanalyse), voerden zij deze methode van analyseren direct na de Tweede Wereldoorlog bij de weerdienst in. Onder van Everdingen was de manier van analyseren in dertig jaar nauwelijks veranderd. Met de invoering van de analysemethode van de Noorse School ging de beoefening van de synoptische meteorologie in Nederland na de bezettingstijd met sprongen vooruit. Op het oog kleine en onbelangrijke details op de weerkaart vielen Postma onmiddellijk op. Hij stond bekend als niet te overtreffen bij de analyse, al bleef volgens Bijvoet zo’n analyse toch altijd de persoonlijke interpretatie van de waarnemingen. Een objectieve analyse van een weerkaart kan alleen gerealiseerd worden door de computer en dan nog uitsluitend voor isobaren, de ligging van fronten wordt bepaald door een veelheid aan parame12

METEOROLOGICA 3 - 2005

ters. Postma was niet snel tevreden met zijn analyse. Nieuwe gegevens konden de analyse ingrijpend veranderen. Er werd langdurig aan de lijnen gegomd. De sporen ervan waren vaak duidelijk op de kaart zichtbaar. Postma’s zakken zaten vol met gommetjes. Hij was er als de kippen bij om de 500 hPa-kaart te analyseren. Bij de veelheid van lijnen op die kaart moet veel worden geïnterpoleerd, vooral boven de Oceaan, en dus veel gegomd. Zekerheid bij een analyse vereist voldoende waarnemingen, die de oplossing ondersteunen. Aan waarnemingen ontbrak het op de weerkaart nogal eens, zeker boven de Atlantische Oceaan. De schaarse waarnemingen in dat gebied kwamen in Postma’s tijd van weerschepen en van de koopvaardij. Op de laatste schepen zaten echter geen professionele waarnemers en aan die waarnemingen werd nogal eens getwijfeld. Postma kon dikwijls niet wachten tot alle waarnemingen waren geplot. Hij tekende al vaak op de kaart waarop de assistent nog aan plotten was. Ook hielp hij wel met plotten. Het ging hem dan niet snel genoeg. Als hij het gekund had zou hij graag een koptelefoon op hebben gehad, waarmee de waarnemingen rechtstreeks waren te beluisteren. Dikwijls was hij te vinden op de telexkamer. Kwam hij weer op de weerkamer, klonken er kreten als “Heeft u de laatste waarneming van schip I al gezien?” en “Op schip I daalt het al met meer dan zestig!” Bekendheid met de laatste waarnemingen was voor de analyse en de weersverwachting een must. De weerkaart voor de volgende dag moest door de meteoroloog met behulp van de actuele en de vorige kaarten worden gemaakt. Postma genoot zichtbaar van het handmatige werk, waarbij hij een buitengewoon scherpe kijk aan de dag legde. Oude weersituaties kon hij zich direct voor de geest halen. Hij was een wandelende analogenverzameling. Een grote ervaring was in die tijd voor een synoptisch meteoroloog onontbeerlijk. Het mag ons niet verbazen dat Postma zich aanvankelijk tegen invoering van de automatisering, de komst van een grote computer op het KNMI, verzette. Hij twijfelde aan de waarde daarvan. Voor hem was het vak dan niet meer boeiend genoeg. Bij de handmatige methoden liepen de meningen op de weerkamer meermalen uiteen. Dit leidde soms tot confrontaties. De dienstdoende weerdienstleider had het laatste woord, maar kon bij zijn beslissingen soms flink worden gehinderd door een bijna altijd aanwezige Postma. Als die zelf dienst deed waren zijn uitspraken vaak veel

Figuur 2. Krantenbericht in het Algemeen Handelsblad van 13 februari 1963.

voorzichtiger en beklaagde hij zich over het uitblijven van een weerwoord. De grote misser Als de beste meteoroloog kan men zich weinig missers veroorloven. Maar het maken van een verantwoorde weersverwachting was in de tijd van Postma geen sinecure. Ook Postma maakte wel eens een misser. Hij had daar soms moeite mee en trachtte dan de werkelijkheid naar zijn verwachting te interpreteren (zie kader 1) Hij was onmiskenbaar één van de beste meteorologen. Eén voorval wil ik echter nog noemen. Het vond plaats aan het einde van de uiterst strenge winter van 1962-63, een winter, die zich over de volle drie wintermaanden uitstrekte en waarvan Postma bijzonder genoot. Maar deze winter bezorgde de samen-


Kader 1 Opmerkelijke uitspraken Postma had zon voorspeld, maar die liet het de volgende dag afweten. Postma, buiten op het balkon van de weerkamer: “Aan de warmtestraling zou je zeggen dat de zon schijnt”. Er hing een gesloten Altocumulusdek. Soms had hij een bijzonder inventieve verklaring voor een mislukking. Hij had regen verwacht, maar het bleef de hele dag droog. Postma met een grijns: “De atmosfeer bevat te veel vochtvijandige deeltjes”. Er zijn meer voorbeelden, maar dat zou een verkeerd beeld geven van zijn capaciteiten.

Figuur 3. Postma in 1963 achter het scherm van de buienradar van het KNMI (Bron: PCM Landelijke Dagbladen).

leving veel overlast. In februari werd alom op een spoedige dooi gehoopt. Vol spanning keek men elke dag naar de weersverwachting. Wanneer komt de dooi? In die jaren had men op het KNMI voor het eerst de beschikking over met een computermodel tot 72 uur vooruit berekende kaarten van het 500 hPa-vlak. Deze kaarten waren afkomstig uit de Verenigde Staten, vanwaar ze per fax werden ontvangen. Ze waren een welkome steun bij het maken van de verwachte grondkaart. De bouwmeteorologen maakten er ook gebruik van bij het toepassen van de zogeheten FRT-methode van dr. H.C. Bijvoet. Postma twijfelde nogal eens, en soms niet ten onrechte, aan de betrouwbaarheid van de toen nog sterk vereenvoudigde computermodellen van de atmosfeer. Maar in de ochtend van woensdag 13 februari 1963 gaven de kaarten zo’n duidelijke aanwijzing voor het op gang komen van een krachtige westcirculatie, waarmee depressies tot boven West-Europa konden doordringen dat Postma geheel overtuigd was. De kop van het weeroverzicht vermeldde: “Einde vorstperiode in zicht” en boven de weersverwachting stond: “Depressie in aantocht”. De media haakten er direct op in. Het Algemeen Handelsblad plaatste het weeroverzicht prominent rechtsboven op de voorpagina met de veelbetekenende kop: “De Bilt vlagt” (zie figuur 2). Helaas, er kwam niets van terecht, de winter continueerde na enkele kwakkeldagen met verhevigde strengheid (De Bilt registreerde later in de maand minima van min 14 graden) en duurde voort tot in de eerste dagen van maart! Uiteraard werd De Bilt op deze mislukte verwachting aangesproken. Postma moest zich als

weerdienstleider verantwoorden. Tijdens een interview met Het Parool gaf hij een voor hem karakteristieke verklaring: “Het is erg jammer dat wij misschien te veel zijn afgegaan op het product van een elektronische rekenmachine, die niet in Nederland staat. Deze producten bezitten nog steeds de onnauwkeurigheden, die verbonden zijn aan het gebruik van een mathematisch vereenvoudigd model”. Postma was teleurgesteld door deze misrekening, een gevolg van één van de weinige keren dat hij had blind gevaren op de Amerikaanse computerproducten. Gevoelig voor kritiek Jarenlang hebben meteorologen van het KNMI zogeheten kritiekkaarten ingevuld. Deze kaarten leverden de prestatie-index, de PI. Aan de PI werd de betrouwbaarheid van de weersverwachting getoetst. De resultaten werden niet gepubliceerd en waren uitsluitend bij de directie bekend. Men wist wat de meteorologen presteerden, tegenwoordig weten we wat het computermodel waard is. In de tijd van Postma moest het verificatieformulier worden ingevuld direct nadat de weersverwachting voor de volgende dag was opgesteld. Het ingevulde formulier werd opgehangen en door de zaalchef voorzien van kruisjes op de opgetreden waarden. Hoewel de formulieren gedurende de daaropvolgende

dagen vrij konden worden geraadpleegd, lag het niet in de bedoeling dat er iets aan werd veranderd, zuiver een vertrouwenskwestie. Maar in de eerste uren na het invullen kon nieuwe informatie de mening van de meteoroloog soms doen veranderen. Het was bijzonder frustrerend om dan al te weten dat je laag zou scoren. Als Postma na de lunch weer op de weerkamer verscheen kon men hem, het zijn hoge uitzonderingen, wel eens stiekem een vakje meer zien aanstrepen of een stukje lijn zien weggommen. Niets menselijks was hem vreemd. Postma-regels Krijg echter geen verkeerde indruk van deze indrukwekkende en integere man. Hij was ontegenzeggelijk een groot meteoroloog, van wie veel viel te leren. Hij was ook niet karig met adviezen. In het eerste jaar dat ik op de weerkamer dienst deed, schreef ik een heel aantekenboekje vol. Daarbij waren ook de zogeheten Postma-regels (zie kader 2), uiterst bruikbaar in een weerdienst die uitsluitend dreef op waarnemingen, de theorie van de synoptische meteorologie en een grote dosis praktijkervaring. Vooral het laatste was in die tijd bijzonder belangrijk. Eén van de regels was dat windhozen niet in de verwachting komen! Joop den Tonkelaar deed dat toch op 27 juni 1967 (hoos van Tricht) en scoorde hiermee. Enkele uren later moest “kans op windhozen” er in opdracht van de directie weer uit. Dikwijls werd tot Postma gezegd: schrijf eens op wat je allemaal beweert, maar Postma was geen schrijver; na zijn dissertatie heeft hij slechts enkele malen de pen ter hand genomen voor een artikel. Ze verschenen in

Kader 2 Postma-regels Eén van de bekendste regels was de La Coruña-regel: trad er in het uiterste noordwesten van Spanje onweer op dan kon je met zekerheid zeggen dat het, bij een heersende zuidwest-circulatie, binnen 24 uur ook boven Nederland zou onweren. Andere zaken betroffen: mistverwachting in de zomer na onweer, lage nachtelijke minima in het voorjaar en de vroege zomer na het binnendringen van (getransformeerde) arctische lucht, het uitdrogen boven Engeland van frontensystemen, die in de zomer boven Ierland en Wales veel regen geven, het optreden van plaatselijk zeer grote weersverschillen in alle jaargetijden bij de passage van koude putten, veel regen bij over Frankrijk naderende en uitdiepende (rand)storingen, gepaard met onweer en soms windhozen (maar het laatste mag niet in de verwachting!) Frontale storingen (met nog geen duidelijke lagedrukkern) boven de oceaan bewegen met de helft van de windsnelheid in het 500 hPa-vlak. Zij bereiken meestal in geoccludeerde toestand ons land, maar, "Weest op uw hoede, soms exploderen ze", zoals we bij Lothar en enkele andere gevaarlijke kleine compacte depressies hebben ervaren. Fronten van depressies, ontstaan uit tropische cyclonen, passeren hier meestal zonder of met weinig regen. Ze brengen wel warmte mee. Een belangrijke regel was ook die van dalende luchtdruk bij zuidoosten winden in het zomerhalfjaar: zonnig en warm weer. METEOROLOGICA 3 - 2005

13


Het Waddenbulletin, De Ingenieur en in Hemel en Dampkring. Hij gaf het voorbeeld Zelf hield Postma het weer uitstekend bij, ook als hij geen dienst had. Dagelijks zag men hem in de weer met zijn banenkaart. Op deze kaart hield hij de baan bij van de centra van hoge- en lagedruk, inclusief de waarde van de luchtdruk in de kern, zodat opbouwen, afzwakken, uitdiepen en opvullen direct waren af te lezen en er een voorspelling kon worden gedaan van de ligging van de centra in de eerstvolgende uren. In situaties waarbij het uitdiepen van depressies een belangrijke invloed kon hebben op de windkracht boven de Noordzee en langs onze kust hamerde hij er op een grafiek bij te houden van de luchtdruk in de kern in relatie tot die van de meest nabij zijnde hogedrukkern, zodat toenemende luchtdrukgradiënten voor de eerstvolgende uren direct konden worden afgeleid. Een belangrijk gegeven vormde de zogeheten geowind, de wrijvingsloze wind, berekend uit de luchtdrukwaarden van een drietal landstations. Bij de overschrijding van een bepaalde waarde daarvan kon worden overwogen een sein voor windkracht acht of hoger uit te geven. College bij het publicatiebord Ook na zijn pensionering bezocht Postma bijna dagelijks zijn oude werkomgeving. Meestal was hij te vinden bij het zogeheten publicatiebord in de lifthal bij de kantine. Ongevraagd kreeg iedere belangstellende uitvoerig uitleg. Ook toen was hij het vaak niet met de analyse eens, maar op een gekopieerde kaart viel

werden speciaal voor Postma opgehangen. Ook bij deze kaarten bracht hij aan belangstellenden zijn eigen interpretatie ten gehore.

Figuur 4. Klaas Rienk Postma (Foto: Corrie Gerritsma)

niet te gommen. Soms drong hij door tot op de weerkamer. Helaas werden zijn adviezen daar langzamerhand niet meer op prijs gesteld. Het bijwonen van de colloquia heeft hij tot op hoge leeftijd volgehouden. Het speet hem dat hij daar in de laatste jaren lichamelijk niet meer toe in staat was. Op 14 februari 2003 was hij nog als eregast aanwezig bij het door het KNMI, Rijkswaterstaat en ECMWF georganiseerde internationaal symposium over de waternoodramp in 1953, waar hij bij de voordracht van dr. Tony Hollingsworth (ECMWF) kon vernemen dat de ontwikkeling van de storm van 1 februari 1953 drie tot vier dagen van te voren met grote nauwkeurigheid kon worden berekend. Maar de tijd dat hij geen vertrouwen had in computerproducten lag toen al ver achter hem. Dit getuigt zijn latere grote belangstelling voor uitkomsten van het Ensemble Prediction System (EPS) van het ECMWF. Voordat de “pluim” het licht zag werd de EPS gepresenteerd met kaarten. Die

Metingen tijdens de vakanties Postma had een vakantiehuisje op Vlieland, waar hij bijna elke zomer was te vinden. De weerverwachting voor de Waddeneilanden behoort tot één van de lastigste. Nauwelijks was Postma op Vlieland gearriveerd of de telefoon ging op de weerkamer. Postma aan de lijn. De weersverwachting voor het Waddengebied deugde niet, het weer op Vlieland was er totaal niet mee in overeenstemming. Hij verrichtte er ook metingen. Zo kwam hij te weten dat in de zomer de temperatuur in duinpannen, zelfs vlak bij de zeereep, dicht boven de grond in stralingsnachten ver kon dalen, tot dicht bij of zelfs onder het vriespunt. Ook ontdekte hij dat Vlieland het hoogste aantal uren zonneschijn van Nederland had. Zijn huisje op Vlieland was eerder primitief dan comfortabel te noemen, maar dat was weer met zijn karakter in overeenstemming. Het vakantiehuis stelde hij ook ter beschikking aan collegameteorologen. Op Vlieland, maar ook in De Bilt, had hij oog voor alle bijzondere verschijnselen aan het hemelgewelf. Tevens was hij sterk betrokken bij de natuur. In De Bilt had hij een volkstuin. Ik herinner mij Postma als een belangrijke meteoroloog, van wie veel viel te leren en die geheel opging in zijn vak. Discussies met hem liepen soms hoog op, maar Postma was een integer man, niet rancuneus. Er ging altijd een stimulerende invloed van hem uit.

OVER WAARNEEMPOSTEN OP GROTE HOOGTE IN DE 19E EEUW

Boven de wolken GEERT GROEN (KNMI) Op de rommelmarkt vond ik een drietal dikke verzamelboeken van een stichtelijk jeugdblad van zo’n 100 jaar geleden, “Voor het Jonge Volkje”. Hierin stond een verrassend artikel over de begindagen van meteorologische waarneemposten op bergstations. Het inspireerde mij tot een kleine speurtocht en het schrijven van dit artikel. Verenigde Staten In de Verenigde Staten was in 1873 een waarneemstation op Pikes Peak (figuur 1) in Colorado op 4340 m hoogte gerealiseerd. Het Signal Corps of the U.S. Army (opgericht in 1870) bouwde een weerstation op de top en bemensde de waarneempost tot 1889. De post werd 14

METEOROLOGICA 3 - 2005

bij toerbeurt bemand door een (militaire) solodienst. Kort daarvoor was op Mount Washington (44°16’N 71°18’W, New Hampshire, 1916 m) een waarneempost ingericht op de hoogste top in het noordoosten van de VS. De bouw van het Mount Washington

Figuur 1. Het weerstation op Pikes Peak, Colorado. Foto uit circa 1885 (bron: NOAA Photo Library).


helft van de 19e eeuw meteorologische observatoria ingericht op bergtoppen. De beklimming van de Mont Blanc door Horace Bénédict de Saussure in 1787 wordt als de toeristische en wetenschappelijke ontsluiting van de hogere bergdelen in Europa beschouwd. De omvang van zijn meteorologische, fysische en geologische waarnemingen maakten hem de pionier van het alpine onderzoek. Het duurde echter nog bijna honderd jaar voordat de wetenschappers de Alpen veroverden. Zo werd onder barre omstandigheden van 1838 tot 1841 door Louis Agassiz, later professor aan de Harvard Universiteit, een wetenschappelijke expeditie naar de gletsjers van de rivier de Aare en het Jungfraumassief geleid.

Figuur 2. Historische weerkaart met windrecord op Mount Washington.

Observatory volgde na een wetenschappelijke expeditie in 1870-1871 met de vestiging van een basis door het U.S. Signal Corps. Deze basis bleef intact tot 1892. Het winterweer was zo zwaar dat enkele tientallen jaren de post onbemand moest blijven. Door de inzet van een groep fanatieke wetenschappers werd de bergtop opnieuw herwonnen in 1932. Een illustratie van de vijandige omstandigheden blijkt uit een windmeting van 231 knopen op 12 april 1934, tot nu toe een record voor een landstation. Van deze dag (zie figuur 2) vermeldt de historie van dit bergstation: Na een dutje werd Stephenson om 4 uur ‘s morgens wakker. Nog slaapdronken merkte hij dat de wind harder klonk en sterker geworden was, hij controleerde de windrecorder. Deze moest hij corrigeren met de windmeter, die “maar” 105 knopen aanwees, veel minder dan hij had verwacht en misschien het gevolg van ijsvorming op de windrecorder. Daarom trok Stephenson zijn winterjas aan, nam een houten stok mee en wilde naar buiten gaan. De sterke wind wierp hem echter gelijk tegen de grond toen de deur openging. Hij worstelde zich naar buiten, hij kreeg de wind nu in de rug en werd zo naar de ladder geholpen. Met een dozijn klappen op de windmeter sloeg hij het ijs eraf. Per ongeluk verloor hij zijn stok, die wegvloog in de sneeuwstorm naar het Tip Top House. Weer teruggeworsteld naar de waarneempost zette hij de recorder weer aan en telde het aantal klikken van de telegraafmachine.

De wind bleek nu zo’n 150 knopen te zijn. Vandaag waren de drukverschillen tussen het laag bij de Grote Meren en het hoog op de Atlantische Oceaan nog groter dan gisteren en de gradiënt was het sterkst aan de noordoostkant van het laag, de oorzaak voor deze zeldzame keiharde zuidoosterstorm.....Terwijl de dag vorderde nam de storm nog verder in kracht toe, geregeld werden rond de middag waarden bereikt van 220 knopen en om 13 uur soms windstoten tot 229 knopen. Toen, om 13.21 uur op 12 april 1934, werd de extreme waarde van zuidoost 231 knopen gehaald. Deze waarde bleek de hoogste natuurlijke grondwind te zijn die ooit met een anemometer was gemeten. (bron: vertaald uit http://www. mountwashington.org/bigwind/) Europa In navolging van de Verenigde Staten werden ook in Europa in de tweede

Oostenrijk In Europa was men in Oostenrijk al in 1846 op de Obur-Gipfel (2044 m) begonnen met waarnemingen, maar dat gebeurde alleen ‘s zomers van maandag

Figuur 4. Sonn(en)blick anno 2004.

tot zaterdag, want op zondag was de bemensing thuis. In 1878 werd de situatie verbeterd door de bouw van een stenen hotel, waar de huisbewaarders ook de waarnemingen deden.Veel kennis werd blijkbaar niet vereist, want Professor Hain liet zelfregistrerende instrumenten plaatsen. Op de Norische Centrale Alpen, deel van de Hohe Tauern, op de grens van Salzburg en Karinthië, werd in 1886 op 3105 meter hoogte Hoher Sonnblick gebouwd door Ignaz Rojacher. (zie figuren 3 en 4). De Hoher Sonnblick is een van drie bergtoppen van de Goldberg groep, de andere toppen zijn Hocharn en Schareck. De naam Sonnblick geeft wat verwarring, want er zijn

Figuur 3. Hoher Sonnblick in de Norische Centrale Alpen. METEOROLOGICA 3 - 2005

15


16419 A4/Meteo

04-06-2004

13:14

Pagina 1

GOED WEER KUNNEN WIJ NIET VOORSPELLEN . . . MAAR EEN GOEDE METING KUNNEN WE WEL GARANDEREN!

Meteorologische sensoren � � � � � �

Windrichting/snelheid Neerslag Temperatuur Relatieve vochtigheid Baro-druk Zonnestraling

Meteorologische systemen � Dataloggers � Visualisatie/netwerk software

Al veel toepassingen gerealiseerd in � Industrie � Scheepvaart � Gebouwbeheersing

Handels- en Ingenieursbureau Bakker & Co B.V., Industrieterrein "de Geer", Gildenweg 3, Postbus 1235, 3330 CE Zwijndrecht, Tel. 078-610 16 66, Fax 078-610 04 62, e-mail info@bakker-co.nl, www.bakker-co.nl

16

METEOROLOGICA 3 - 2005


nog enkele bergtoppen met die naam, zoals “Stubacher Sonnblick” (3086 m) en “Malteiner Sonnblick” (3030 m). Frankrijk Frankrijk had in het oorlogsjaar 1870 op de top van Pic du Midi (2877 m) in de Pyreneën een gebouwtje neergezet voor meteorologische waarnemingen op grote hoogte. Het werd gefinancierd door middel van openbare inschrijvingen. In 1873 begon generaal du Bois de Nansouty samen met ingenieur Vaussenat zijn waarnemingen, maar nog dezelfde winter moesten ze een barre tocht in een sneeuwstorm omlaag maken toen brokken vallend ijs de ruiten versplinterden en er geen materiaal was om dat te verhelpen. In de daarop volgende zomer werd het gebouw verstevigd, de waarnemingen werden doorgeseind naar het telegraafkantoor van het nabijgelegen stadje Bagnères de Bigorre, waar ook waarnemingen werden gedaan. In 1879 kregen ze onverwacht bezoek van de ballonvaarder Tissandier. Het belang van de waarnemingen op grote hoogte werd steeds duidelijker. In 1882 werd het bergstation overgedragen aan de nationale meteorologische dienst. In 1878 werd op de Puy de Dôme (1255 m), een uitgedoofde vulkaan in de Auvergne een tweede observatorium gebouwd. Professor Aulard leidde de waarnemingen en merkte op: “De bergtoppen lijken eilanden op een oceaan van wolken, een gezichtsbedrog dat wordt versterkt als de wolken door de wind een sterk golvende beweging maken”. De Puy de Dôme was door Blaise Pascal in 1648 beklommen om met een barometer hydrostatische proeven te doen. Zowel de waarnemingen van Aulard als de proeven van Pascal waren niet op de

hoogste piek, dat is de Puy de Sancy op 1866 m. Op de hoogste berg van Europa, de Mont Blanc, werd door Vallot op de Rochers des Bosses in 1890 op 4358 m een observatorium neergezet, waar naast sterrenkundige observaties ook meteorologische waarnemingen werden gedaan door de Parijzenaar dr. Janssen (figuur 5). Op het Jungfraujoch is op 3850 m hoogte een waar- Figuur 6. Ben Nevis observatorium neemstation gevestigd door De Saussure. door André Chamson en in 1948 is zijn verhaal verfilmd door Jean Gehret. Overige Op lagere hoogten werden observatoria De financiering voor de bergstations gebouwd op de Etna (2900 m), Säntis in kwam in den beginne van giften en de het Appenzeller Land (2500 m), Monte verkoop van waarnemingen: het station Cimon in de Apennijnen (2162 m), Mont op Ben Nevis in Schotland (1344 m), Ventoux in de Cottische Alpen (1960 m), opgericht in 1883 (zie figuur 6), werd Wendelstein in Zuid Beieren (1860 m) en grotendeels betaald door de verkoop van Schafberg bij Ischl (1776 m). de dagelijkse waarnemingen. Clement Wragge beklom dagelijks gedurende Op Mont Aigoual (1567 m), de hoogste bijna 18 maanden in zijn eentje Ben top van de Cevennen, (de berg bevindt Nevis om de waarnemingen hiervoor te zich op de grens van de departementen doen. Lozère en Gardin de Cevennen) werden vanaf 1 december 1894 door de hout- Tot slot hakker Blanc, de eerste bewoner van de De bron kwam uit het historische jeugdwaarneempost op de Mont Aigoual (Ardè blad Voor ‘t Jonge Volkje uit het begin che), waarnemingen bijgehouden. In van de 20e eeuw. Het artikel eindigt met 1897 bouwde de Franse Alpine Club een een prachtige passage over de helden schuilhut, die onderdak bood aan klim- van de start van de meteorologische mende toeristen. In 1898 bezochten zo’n waarnemingen op bergstations: 1250 mensen deze hut. Winterstormen zorgden herhaaldelijk voor grote schade “De Meteorologie, hoewel nog verre en soms waren de telegraafverbindingen van volkomen te zijn, heeft in de laatste voor maanden buiten gebruik. Tabusse, jaren dan ook reusachtige vorderingen een lokale bewoner, hielp met het her- gemaakt, ontsluierd, wat enkele jaren bouwen en was verantwoordelijk voor geleden nog verborgen, opgelost, wat de schuilhut en het observatorium vanaf een raadsel was. Dat die wetenschap 1916. Naar hem is een boek geschreven niet alleen met heel veel moeite, maar ook ten koste van vele opofferingen, tal van ontberingen en onder het dreigen van vele gevaren beoefend wordt, toont alweer voor den zoveelsten keer, dat niet alleen de oorlog zijne helden heeft, maar dat de wetenschap ook de hare aan kan wijzen”. Voor de lezers van Meteorologica: dit artikel staat met dynamische links op http://home.wanadoo.nl/geertgroen/ Bergweerpost.htm Literatuur Voor ‘t Jonge Volkje (42e deel omstreeks 1910) Berg, W. van den, 1999: Dubbelmoord op de Säntis, Meteorologica 8, no.4 p.4-7.

Figuur 5. Gravure van het observatorium op de Mont Blanc. METEOROLOGICA 3 - 2005

17


Schitterend gebrek HUUG VAN DEN DOOL Verreweg het mooiste gebrek in de meteo-rologie is de systematische fout. De naam suggereert namelijk dat ie eenvoudig te verwijderen is, en, tot m’n genoegen kan ik melden dat ik een generatie lang werk aan de correctie van de systematische fout heb mogen aanschouwen. Werkgelegenheid voor tientallen collega’s, dikke blauwe boeken van de WMO, wat kan er mooier zijn. Zelf heb ik ook regelmatig een graantje meegepikt uit het zachtegeldcircuit. En geen enkele branche is er op uit zichzelf na gedane zaken overbodig te verklaren, zodat het werk onverminderd doorgaat, nee nog aan kracht en prestige wint. Het begin was mooi. Tot de vroege jaren tachtig was er namelijk een geweldige ‘cold bias’ in vele modellen, die er voor zorgde dat bijvoorbeeld het 500mb niveau te laag lag in een 5-daagse verwachting. Weet je dat eenmaal, dan is daar met post-processing wel een mouw aan te passen, zodat in het vervolg de verwachtingen konden worden opgekrikt. Alle details terzijde latend kunnen we de verwachting met F voorstellen en de waarnemingen met O, en het tijdgemiddelde van x als <x>. Zelfs een column (kolom) heeft wel eens een formule. Als <F-O> de systematisch fout is, dan tel je die dus met het teken omgekeerd bij de volgende verwachting op. Of niet soms? Gelukkig is het niet zo simpel. <F-O> is namelijk de tijdgemiddelde fout, en alleen maar een schatting van de echt systematische fout, dwz. een fout met een foutenmarge. Een klassiek geval van signaal en ruis. Bepaal je <FO> over te weinig gevallen dan is de foutenmarge groter dan de fout zelf en raak je van de regen in de drup, zoniet een donderbui, als je de illusoire correctie uitvoert op de volgende verwachtingen. In de praktijk werd <F-O> bepaald over bijvoorbeeld de 30 laatste dagen. Niet veel. Vroeger hadden we niet veel materiaal, veel ruis dus, maar de systematische fout was gelukkig groot. Er vielen toch nog een paar puntjes te verdienen. Behalve door een gebrek aan materiaal kan je ook gewoon domoorfouten maken. Vooral conditionele fouten zijn vermakelijk. Vroeger hadden we bijvoorbeeld weinig of geen blokkades in het model op dag 10. Je kunt je dan als onderzoeker afvragen wat daarin de bijdrage van de systematische modelfout is. Ik heb een geleerde van naam <F-O> 18

METEOROLOGICA 3 - 2005

zien voorrekenen voor alle 10-daagse verwachtingen die in de waarnemingen met een blokkade eindigden. Aangezien het model geen noemenswaardige skill heeft op dag 10 is <F> bij benadering de klimatologie van het model, en <F-O> is dan bij benadering minus de waargenomen anomalie (=afwijking van klimatologie gemiddeld over talloze blokkades). In het geval van de geleerde ommenabij het negatief van het blok. Hoe modellen zoiets kunnen weten??? Ik heb een paar jaar terug alle zeilen moeten bijzetten om NCEP te weerhouden een speciale werkgroep (een tiger team) in te stellen toen het NCEP-model op dag 10 een koude bias had tijdens een ongewoon zachte winter. De lezer begrijpt hopelijk waarom. Wachten op een gewone winter, dan is die bias (een conditionele) vanzelf weer weg, zonder gesleutel aan het model. Gebrek aan skill is iets anders dan een systematische fout. Vervelend genoeg neemt de systematische fout door modelverbeteringen af, zodat in 1991 de activiteit bijna over de kop ging. Maar gelukkig werd toen het ensemble uitgevonden zodat we meer materiaal hebben om een systematische fout met enige nauwkeurigheid vast te stellen. We kunnen <F-O> namelijk ook nog eens over alle ensembleleden middelen {x}, zeg <{F}-O>, waarmee de ruis wordt verkleind. (Jammer dat er geen ensembles voor O zijn, waarom toch leven we niet in een groot aantal realisaties van de werkelijkheid?...zal Onze Lieve Heer tzt daarover aanspreken.) Bovendien werd met de introductie van de ensembles ontdekt dat we hogereorde fouten maken en de kans op een bepaalde ‘gebeurtenis’ systematisch en soms dramatisch overschatten. Dat bleek een nieuwe lente en een nieuw geluid in deze branche. Zonder veel overdrijving mag worden gesteld dat ensembleleden tot op de dag van vandaag meer op elkaar dan op de werkelijkheid lijken. Daar moet ingegrepen worden. Stochastisch forceerders aller landen, verenigt U!. Calibreren van waarschijnlijkheden heet het vak nu. De mogelijkheden zijn eindeloos vele. Enorme projecten zijn er door gemotiveerd. Bovendien worden er nu met een constant model achteraf verwachtingen gemaakt. Vroeger veranderden de modellen iedere 6 maanden, werd er alleen vooruit gewerkt en viel er eigenlijk geen fat-

soenlijke statistiek te bedrijven. Maar nu kan je alles vanaf min oneindig met een nieuw model weer overdoen. De computers zijn geduldig. De verwachting voor 6 januari 1984 (ik noem maar een dwarsstraat) wordt regelmatig overgedaan. In plaats van het povere gemiddelde van de verwachtingen van de laatste 30 dagen mag je nu middelen over verwachtingen in de vergane 30 jaren, 20 ensemble leden op de koop toe, ook nog eens netjes gecentreerd rond de tijd van het jaar van de volgende verwachting, want dit soort fouten heeft natuurlijk een jaarlijks gang die uiteraard veel studie vergt. Op deze wijze kunnen we nog jaren vooruit met dit werk. Hoe kleiner de fout, hoe meer CPU er aan gespendeerd moet worden. Ik heb in totaal 87 vergaderingen en workshops meegemaakt waar de systematische fout en haar correctie een vast en groot onderdeel van de agenda was. Veronderstel nu toch dat ik morgenochtend wakker wordt en er is geen systematische fout meer. Waar moeten we dan verder nog over praten, wat valt er dan nog te doen? De aanwezigheid van een systematische fout heeft namelijk een zeer positieve werking. Men kan dan met enig recht zeggen dat er iets mis is met het model, en dat ....puntje puntje..... er op vooruit zal gaan als de systematische fout via modelverbetering (niet postprocessing) tot nul wordt gereduceerd. Voor puntje puntje vul je gewoon je hobby van de dag in. De NAO, de MJO, PNA, blokkades, voorspelbaarheid, de QBO, noem maar op. Want de modellen zijn niet-lineair en een fout interageert dus ook met de transients. Zonder systematische fout geen hoop op verbetering. Schitterend. Als we geen enkele systematische fout (inclusief fouten in standaarddeviatie en andere hogere orde) meer zien zou de lol er wel af zijn. Dat verwacht ik niet spoedig. Daarop hebben we namelijk het volgende bedacht: de systematische fout hangt van de stroming zelf af. Bij een blokkade of een westcirculatie zijn er natuurlijk verschillende fouten. De analogen zijn weer van stal gehaald, tot m’n vreugde natuurlijk, maar nu in de modelwereld. Voor de stroming 8 dagen vooruit zijn er in het enorme bestand van tientallen jaren hindcasts toch weer heel wat minder gelijkende 8-daagse verwachtingen te vinden dan je zou hopen en denken. De ruis is er weer. Honderden jaren en duizenden ensembleleden zou eigenlijk beter zijn. Het duizelt me nu. Werkte ik als student al niet aan een probleem dat niet wilde sluiten?


Verandering van de kans op extreem warme Europese zomers onder invloed van een versterkt broeikaseffect MARCEL VAN SCHAIK (WAGENINGEN UNIVERSITEIT) De zomer van 2003 was extreem warm. Om te onderzoeken of dit soort extreme zomers in de toekomst vaker voor gaat komen, kan gebruik gemaakt worden van data uit het Dutch Challenge Project. Dit project (zie kader) heeft als doel om te evalueren wat de invloed van een warmer wordende wereld is op de verandering van extremen. Uit dit project blijkt dat extreem warme zomers in Europa steeds vaker voorkomen in de toekomst. In dit artikel wordt onderzocht of deze stijging verklaard kan worden door het vaker optreden van luchtdrukpatronen en hoeveelheden bodemvocht die karakteristiek zijn voor extreem warme zomers. Recent is onderzoek verricht naar de extreem warme zomer van 2003. Over grote delen van Europa werd de gemiddelde temperatuur van 1961-1990 met 3ºC overschreden (Schär et al., 2004). De vraag rijst of dit soort extreme zomers in de toekomst vaker voor zal komen. Volgens de conclusies van Beniston (2004) is dit het geval. Ook Huth et al. (2000) concludeerden dat, onder een verdubbeling van de hoeveelheid CO2, de kans op extreme zomers in de toekomst groter is. Tijdens extreem warme zomers kunnen bepaalde voorkeurscirculaties worden geïdentificeerd. Kysely (2001) concludeerde dat de meeste hittegolfdagen boven Tsjechië voorkomen onder drie groepen GWL’s (Grosswetterlagen). Deze drie groepen worden gekarakteriseerd door een Centraal-Europees hoog, een Fennoscandinavisch hoog of een Noorse zee/Fennoscandinavisch hoog en een circulatie met de aanvoer van warme lucht van zuidwest tot zuidoost naar Centraal-Europa.

Karakteristieken van warme zomers in model en NCEP Warme zomers zijn aan de hand van verschillende criteria te selecteren. De twee gebruikte criteria in dit onderzoek zijn (1) de seizoensgemiddelde waarde van de daggemiddelde temperatuur, en (2) de zomers met de meeste hittegolven (op basis van het KNMI-criterium voor een hittegolf). Het blijkt dat de verschillen tussen de twee selectiemethoden slechts kleine verschillen te zien geven in de berekende statistiek. In dit artikel wordt criterium (1) gehanteerd voor de dataset van het Challenge Project, en criterium (2) voor de NCEP/NCAR reanalysis dataset. Uit de dataset van het Challenge Project zijn tussen 1951 en 1980 de warmste 186 (10% van 62 runs x 30 zomers) Europese zomers gekozen. Dit is gedaan met criterium (1) voor een roosterpunt in de buurt van De Bilt. Vervolgens zijn seizoensgemiddelde drukanomalieën bepaald van deze 186 zomers ten opzichte van het gemiddelde van alle 1860 zomers in de periode 1951-1980. Om de resultaten van het model te kunA

nen vergelijken met de werkelijkheid zijn de 6 warmste zomers (1948, 1975, 1976, 1994, 1990 en 2003) geselecteerd uit de NCEP/NCAR-reanalysis op basis van de hoeveelheid hittegolven en de duur van de hittegolf. Ook van deze zomers zijn anomalieën en gemiddeldes bepaald. In figuren 1a en 1b staan respectievelijk het gemiddelde drukanomaliepatroon van de 186 gesimuleerde warmste zomers en het gemiddelde drukanomaliepatroon van de zes zomers uit NCEP. In figuur 1a is een duidelijke positieve drukanomalie te zien boven Europa. Deze positieve anomalie komt nog het meest overeen met het Centraal-Europees hoog (Kysely, 2001). Ook is er een duidelijk golfpatroon (met golfnummer 4) te herkennen boven het noordelijk halfrond, met afwisselend positieve en negatieve anomalieën. Wat opvalt is dat het patroon van de NCEPzomers (figuur 1b) de sterke zonale component van de gesimuleerde anomalieën mist. De NCEP-zomers laten wel, net zoals de gesimuleerde zomers, boven Europa een duidelijke positieve anomalie zien. De positieve anomalie boven CenB

Figuur 1. Gemiddelddrukanomaliepatroon (in hPa) voor het noordelijk halfrond (a) voor 186 gesimuleerde zomers met de hoogste zomertemperatuur in Europa, (b) voor 6 zomers met de meeste hittegolven in Europa, uit de NCEP-reanalysis. METEOROLOGICA 3 - 2005

19


A

B

Figuur 2. Gemiddeld temperatuuranomalie patroon (in K) voor het noordelijk halfrond (a) voor 186 gesimuleerde zomers met de hoogste zomertemperatuur in Europa, (b) voor 6 zomers met de meeste hittegolven in Europa uit de NCEP-reanalysis.

traal Rusland komt echter niet terug in de gesimuleerde zomers. De ligging van de negatieve anomalieën in de NCEP-zomers zijn redelijk in overeenstemming met de ligging van de negatieve anomalieën in de gesimuleerde zomers. De negatieve anomalie boven Canada in de gesimuleerde anomalieën kan echter niet worden gevonden in de NCEP-zomers. De verschillen tussen beide figuren kunnen worden veroorzaakt doordat er slechts zes NCEP-zomers geselecteerd konden worden. Dit veroorzaakt een grotere onnauwkeurigheid bij het berekenen van een gemiddeld drukanomaliepatroon. Ook is het mogelijk dat er verschillen zitten tussen het CCSM-model en de ‘werkelijkheid’ (NCEP). In figuren 2a en 2b zijn respectievelijk de gemiddelde temperatuuranomalie van de 186 gesimuleerde warmste zomers en de gemiddelde temperatuuranomalie van de zes warmste zomers uit NCEP te zien.

Figuur 3. Frequentieverdeling van de daggemiddelde augustustemperatuur voor 1951-1980 (zwart) en 2051-2080 (grijs) voor een roosterpunt bij De Bilt. De verticale balkjes geven vlnr de waarden van de 10 percentiel, het gemiddelde en de 90 percentiel (bron: Challenge Project). 20

METEOROLOGICA 3 - 2005

In beide figuren is een duidelijk patroon te herkennen, met afwisselend positieve en negatieve gebieden. In beide figuren wordt de positieve anomalie boven Europa geflankeerd door negatieve anomalieën boven de Atlantische Oceaan en boven West-Siberië. De positieve anomalieën boven Centraal-Rusland en de noordelijke Stille Oceaan komen overeen met de positieve anomalieën in NCEP. De positieve anomalieën in NCEP worden echter onderbroken door een gebied met negatieve anomalieën. Ook kan in beide figuren een positieve anomalie worden gevonden boven Canada, de positie verschilt echter enigszins. Er is een duidelijke samenhang tussen de druk- en de temperatuuranomalieën. De positieve drukanomalie boven Europa in figuur 1a duidt erop dat aan de zuidkant van de anomalie een extra aanvoer is van warmere lucht uit het oosten en zuidoosten. Aan de noordkant van de positieve anomalie komt echter extra aanvoer van koelere lucht uit het westen. In figuur 2a resulteert dit in negatieve temperatuuranomalieën boven Scandinavië en

West-Siberië en positieve anomalieën boven het zuiden en midden van Europa. Ditzelfde effect kan ook goed worden teruggevonden boven Rusland en Canada. Door de negatieve drukanomalie boven West-Siberië vindt extra aanvoer van warmere lucht uit het zuiden plaats naar Centraal- en Oost-Rusland. Dit leidt hier tot positieve temperatuuranomalieen. Boven Oost-Canada vindt ook extra aanvoer van lucht uit het zuiden plaats en worden positieve temperatuuranomalieën gevonden. Verandering in extremen De resultaten van het Challenge Project geven aan dat de kans op extreem warme zomers in de toekomst zou toenemen. Het blijkt dat deze stijging wordt veroorzaakt door de toename van het aantal extreem warme augustusmaanden (figuur 3). De opschuiving van het 0.9 percentiel voor augustus is ongeveer twee keer zo groot als de opschuiving van het gemiddelde. Dit is niet het geval in de maanden juni en juli. De toename in het aantal extreme zomers komt ook tot uitdrukking in de hoeveelheid gesi-

Het Dutch Challenge Project Het doel van dit project is om de invloed van een warmer wordende wereld op de verandering van extreme weersomstandigheden te onderzoeken. Deze veranderingen zijn onderzocht door simulaties te maken van het klimaat van de aarde met behulp van het CCSM1.4 model ([1]). Er zijn 62 simulaties gemaakt, elk van 1940 tot 2080. In elke simulatie is de begintoestand enigszins verstoord waardoor 62 geheel verschillende simulaties ontstaan. Tot het jaar 2000 zijn er schattingen gemaakt van de hoeveelheid broeikasgas, sulfaatdeeltjes, vulkanische deeltjes en zonnestraling. Na het jaar 2000 is een Business-As-Usual scenario toegepast voor de schatting van de emissie van de hoeveelheid broeikasgassen (Dai et al., 2001). De concentratie van sulfaatdeeltjes, vulkanische deeltjes en de hoeveelheid zonnestraling wordt op het niveau van het jaar 2000 gehouden.


Figuur 4. Frequentieverdeling van de drukpatroon amplitude voor alle gesimuleerde zomers in de periodes 1951-1980 (zwart) en 2051-2080 (grijs).

muleerde hittegolven in de toekomst. Dit aantal neemt toe van eens in de vijf jaar naar eens in de twee jaar. Ook het aantal tropische dagen in het model neemt toe van 2 dagen nu tot ongeveer 4 dagen per jaar in de toekomst. De toename van het aantal extreme zomers kan deels worden verklaard uit een toenemende frequentie van het drukpatroon dat geassocieerd wordt met extreem warme zomers. Dit komt tot uiting als van elke zomer in de dataset wordt bepaald in hoeverre de drukpatroonanomalie lijkt op de anomalie behorende bij een warme zomer (figuur 1a). Om de gelijkenis tussen deze drukpatroonanomalieën te bepalen worden zogenaamde amplitudes berekend voor elke zomer. Een amplitude is een statistische maat voor de overeenstemming tussen druk- of temperatuurpatronen van twee simulaties. Een positieve amplitude voor een bepaalde zomer betekent dat er een overeenkomst is met het drukpatroon behorende bij een warme zomer. Negatieve amplitudes laten juist een tegenovergesteld drukpatroon zien. In figuur 4 zijn de amplitudes voor de zomers van nu en in de toekomst weergegeven. Er is in de toekomst een kleine significante opschuiving te zien in de positieve richting. Dit betekent dat er meer positieve amplitudes voorkomen wat duidt op

Figuur 5. Frequentieverdeling van gemiddelde hoeveelheid bodemvocht voor alle gesimuleerde zomers in de periodes 1951-1980 (zwart) en 2051-2080 (grijs).

een verhoogde kans op extreem warme zomers. Een andere factor die bijdraagt aan de toename van het aantal extreem warme zomers is een lagere hoeveelheid bodemvocht in de toekomst (figuur 5). Een lagere hoeveelheid bodemvocht kan betekenen dat ook de verdamping in meer situaties beperkt zal worden. Dat betekent dat er meer energie van de zon beschikbaar zal zijn om de temperatuur te laten stijgen. Dat dit het geval is kan worden opgemaakt uit de figuren 6a en 6b. Hierin is te zien dat tijdens extreem warme zomers de hoeveelheid bodemvocht extreem laag is (figuur 6a). Ook is in deze situaties de latente warmtestroom zeer laag (figuur 6b). Dit komt in figuur 6b tot uiting als een verandering in het verband tussen de latente warmtestroom en de zomertemperatuur. Normaal gesproken neemt de latente warmtestroom namelijk toe bij hogere temperaturen. Tijdens extreem warme zomers met een tekort aan bodemvocht neemt de latente warmtestroom echter af.

ven neemt toe in de toekomst. • Extreem warme zomers komen meer voor in de toekomst. • Belangrijke oorzaken voor de toename van het aantal extreme zomers in de toekomst zijn beperktere hoeveelheid bodemvocht en een vaker voorkomend drukpatroon dat karakteristiek is voor een extreem warme zomer. • Er bestaan teleconnecties tussen warme zomers boven Europa en andere gebieden boven het noordelijk halfrond. Literatuur Beniston, M., 2004. The 2003 heat wave in Europe: A shape of things to come? An analysis based on Swiss climatological data and model simulations. Geophys. Res. Let., 31, L02202. Dai, A. et al., 2001. Climates of the twentieth and twentyfirst centuries simulated by the NCAR Climate System Model. J. Clim., 14, 485-519. Huth, R. et al., 2000. A GCM simulation of heat waves, dry spells, and their relationshiphs to circulation. Clim. Change, 46, 29-60. Kysely, J., 2001. Temporal fluctuations in heat waves at Prague-Klementinum, the Czech Republic, from 19011997, and their relationships to atmospheric circulation. Int. J. Climatol., 22, 33-50. Schär, C. et al., 2004. The role of increasing temperature variability in European summer heat waves. Nature, 427, 332 – 336. [1] http://www.ccsm.ucar.edu/

Conclusies Naar aanleiding van de huidige modelstudie op basis van een ensemble van het CCSM1.4 kan het volgende geconcludeerd worden; • Het aantal tropische dagen en hittegolA

B

Figuur 6. Scatter plots (a) van temperatuur en bodemvocht, (b) van temperatuur en latente warmtestroom voor alle gesimuleerde zomers in de periodes 1951-1980 (zwart) en 2051-2080 (grijs). METEOROLOGICA 3 - 2005

21


Kees Dekker: een terugblik ROBERT MUREAU (KNMI) Kees Dekker heeft in maart jongstleden gebruik gemaakt van de FPU-plus regeling. Hij was een van de velen die in de afgelopen 12 maanden het KNMI heeft verlaten. Kees is jarenlang actief lid van de NVBM geweest en hij heeft vele bestuursfuncties bekleed. Hij is actief geweest in de luchtvaartmeteorologie (Zestienhoven en Schiphol) en in de maritieme meteorologie (Hoek van Holland). De laatste jaren was hij relatiebeheerder maritiem. Een gesprek. Wanneer kwam je precies in dienst bij het KNMI en wat kan je je herinneren van die eerste dagen? Dat was toch wel heel anders dan nu, neem ik aan? Ik kwam op 17 augustus 1970 in dienst. Ik had bij de Koninklijke Luchtmacht de forecasterscursus gedaan en werkte als forecaster op de vliegbasis Deelen. Aan het eind van mijn dienstplicht las ik een advertentie in Intermediair waarin HTS-ers werden gevraagd om opgeleid te worden tot meteoroloog. Ik had de HTS gedaan (electrotechniek) en ook de forecasterscursus zodat we het snel eens werden, al begrijp ik tot op de dag van vandaag niet waarom de vooropleiding HTS moest zijn. Omdat men op Rotterdam een vacature had ben ik daar begonnen bij de toenmalige LMD. John Bernard was hoofd, en Frans Emmink en Corrie van Dijk waren de andere meteorologen. Ik denk dat Corrie één van de eerste vrouwelijke meteorologen was, zoniet de eerste. Het werk van meteoroloog was nauwelijks vergelijkbaar met de manier waarop nu wordt gewerkt. Geen modellen, geen satellietfoto’s, weerkaarten die eens in de 6 uur met de hand werden geplot en op de andere tijdstippen van Offenbach per Mufaxrecorder werden ontvangen

evenals vrijwel alle bovenluchtkaarten. Radarbeelden en vluchtinformatie kwam op papier via de Mufaxrecorder van Schiphol en De Bilt. De telex en de Mufaxrecorders waren de belangrijkste bronnen van informatie. Je was blij als je een redelijk betrouwbare verwachting voor 24 tot 36 uur vooruit kon maken. Het ergste vond ik de situaties met een hoog boven de Britse Eilanden en een noordwestelijke aanvoer over de Noordzee vol met stratocumulus. Je had geen satellietbeelden en betrouwbare waarnemingen van bewolking waren schaars. Je had geen enkel idee over de uitgestrektheid van die bewolking en probeer dan maar eens een goede verwachting te schrijven. Het was werken volgens de Noorse School. Je had de beschikking over allerlei handmethodes. Kortom in mijn ogen een pionierstijd, maar een ideale leerschool voor een jonge meteoroloog. Naast de luchtvaarttaak werden in Rotterdam al verwachtingen voor het Rotterdams Havengebied gemaakt. John en Frans vertrokken al vrij snel naar De Bilt, waarna Piet Rosier hoofd werd. Een paar jaar later ben ik Piet in die functie opgevolgd.

Figuur 1. Hoog bezoek aan de KNMI-vestiging Zestienhoven omstreeks 1975. Van links naar rechts Kees Dekker, Bijvoet en Postma.

22

METEOROLOGICA 3 - 2005

De MMD, ben je daar van het begin bij betrokken geweest? Ja. Toen de Deltawerken vrijwel af waren en duidelijk werd dat de KNMI vestiging in Zierikzee gesloten zou worden is men gaan nadenken over de toekomst van de hydro-meteo binnen het KNMI. In Zierikzee had men enorm veel kennis en ervaring opgedaan die niet verloren mocht gaan. Vanuit Zestienhoven werd de haven van Rotterdam bediend en in De Bilt werden de overige maritieme verwachtingen gemaakt (scheepsweerbericht, SVSD, stormwaarschuwingen e.d.). Bundeling van al deze kennis en werkzaamheden lag voor de hand, en het was niet zozeer de vraag of er een hydro-meteocentrum moest komen als wel waar? Ik ben als hoofd Zestienhoven vrij intensief bij de oprichting betrokken geweest. Zeeland wilde persé een KNMI-vestiging houden, maar het toenmalige Gemeentelijk Havenbedrijf van Rotterdam (GHR) wilde alleen meedoen en meebetalen als een vestiging in het Rotterdamse werd opgericht. Uiteindelijk kwam er een kleine dienst in Middelburg, het HMCZ, en de hoofdvestiging in Hoek van Holland, het HMR (HydroMeteocentrum Rijnmond) als samenwerkingsverband tussen het KNMI, RWS Directie Noordzee en het GHR. Gelegen op een prachtlocatie in de duinen van Hoek van Holland met uitzicht op zee. Eind 1989 begonnen we daar met 7 man onder leiding van Piet Rosier. In de toptijd werkten we daar met 15 meteorologen. Het was best wel een unieke dienst. We begonnen direct met een standby-regeling, uniek binnen het KNMI en we hadden ook geen assistenten. Als meteoroloog moest je alles zelf doen. We waren ook de eerste dienst die volledig overging op werken met het Meteorologisch Werkstation. De applicaties waarmee we werkten werden grotendeels door eigen mensen ontwikkeld. Na de ontvlechting vertrok het toenmalig hoofd, Paul Gelton en ben ik hem opgevolgd.


Figuur 2. Kees aan de balie op Zestienhoven.

Hoe kwam je op Schiphol terecht? Ik kwam op Schiphol terecht toen daar een waarnemend hoofd moest komen. Het toenmalige HLMD, Evert Sluiter heeft mij benaderd en na enkele gesprekken heb ik toen voor ruim driekwart jaar die functie waargenomen. Volgens mij was dat in 1996. Een hele zware baan die ik daarom ook niet definitief wilde vervullen. Nadat een nieuw hoofd was gevonden kon ik weer terug naar Hoek van Holland. En dan de laatste jaren: accountmanager, dat is tegenwoordig een beladen woord, wat is dat eigenlijk? Ik weet het niet zo precies. Bij accountmanager heb ik steeds het gevoel dat dit een commerciĂŤle functie is en ik vind dat niet goed passen bij de huidige rol van het KNMI, tenminste niet voor het gedeelte dat zich met de Overheid en Maatschappij bezig houdt. Het past beter bij mijn oud-collegaâ&#x20AC;&#x2122;s die de Luchtvaart in hun portefeuille hebben. Ik had het ook niet op mijn visitekaartje staan. Ik voelde mij meer relatiebeheerder, vaak ook manusje van alles (al stond ook dat niet op mijn kaartje). Gewoon doen wat nodig is, niet alleen naar buiten toe, maar ook intern binnen het KNMI. Ik vond dat ik mijn werk binnen LO&M niet goed kon doen als ik ook niet goede relaties had met de andere afdelingen en sectoren binnen het KNMI. Deze functie heeft de mogelijkheid om bruggen te slaan tussen allerlei afdelingen van het KNMI en ik vond dat je deze rol dan ook moet spelen. Ik liep liever naar de mensen toe dan dat ik de telefoon pakte. Vrijwel iedere werkdag begon bij mij met een bezoek aan de weerkamer. Even de

sfeer proeven, even kijken wat het weer gaat doen en even met de meteorologen en procesbewakers bijpraten. Ik heb het voorrecht gehad om als kwartiermaker mee te mogen werken aan het opzetten van deze afdeling en in het eerste concept was een externe- en interne relatiebeheerder voorzien. In de uiteindelijke opzet is die scheiding vervallen. Door ook als eerste te beginnen met de functie van relatiebeheerder Overheid en Maatschappij, samen met mijn overleden collega Dick Riepma, konden we de functie ook gaan invullen. Voor mij was het eigenlijk een voortzetting van iets wat bij de MMD was begonnen. Door de ontvlechting kwam er veel meer tijd vrij voor kontakten met allerlei overheidsinstanties. Dit begon al in Hoek van Holland waar we steeds meer contact kregen met een aantal Rijkswaterstaatdiensten, het Kustwachtcentrum en het Gemeentelijk Havenbedrijf van Rotterdam. We hebben ze toen al bewust benaderd met de vraag wat zij van het KNMI verwachtten. Er kwam een gebruikersoverleg met de verkeersposten langs onze kust, wat geleid heeft tot een specifieke verwachting. De oprichting van een afdeling relatiebeheer op het KNMI (LO&M) was daarom een logische stap, waardoor de contacten binnen de overheid enorm werden uitgebreid. In deze functie heb ik met heel veel mensen en organisaties te maken gehad, heel boeiend en uitdagend.

logie kennis maakte met andere gebruikers. Gladheidsverwachtingen voor de gemeente Rotterdam, neerslagverwachtingen voor de wegenbouw. Toen bekend werd dat er een regionale zender zou komen, Radio Rijnmond, heb ik contact gezocht met Nico Haasbroek en zijn we begonnen met live weerpraatjes. De MMD-periode was bijzonder omdat ik aan de wieg gestaan heb, een nieuwe weerdiscipline en nieuwe werkwijzen heb moeten leren. De contacten met de Scheepvaart, de SVSD sessies tijdens zware stormen, de verantwoordelijkheid voor een aantal waarschuwingen maakte het werk daar ontzettend boeiend. Al mijn ervaring en al mijn kennis van de buitenwereld kon ik tenslotte gebruiken in mijn laatste baan als relatiebeheerder. Ik ben van huis uit geen hobbymeteoroloog, heb mijn tuin niet vol staan met instrumenten, maar haalde erg veel voldoening uit het praktisch gebruik van meteorologische verwachtingen en weerinformatie door onze afnemers. Dit is ook de reden dat ik een nieuwe indeling van de waarschuwingsdistricten van de Nederlandse kustwateren heb willen en kunnen realiseren. Een indeling die beter aansluit bij de behoefte van de gebruikers. Ook de onlangs operationeel geworden seichesverwachting voor het Rotterdams havengebied is iets waarvoor ik mij heb ingezet, samen met Han Mellink. In samenwerking met het Havenbedrijf van Rotterdam heb ik ook in de MMD-periode het eerste extranet opgezet, iets wat nu is uitgegroeid tot het medium waarmee het KNMI zijn partners binnen de overheid, de veiligheidsorganisaties en de waterschappen bij extreme omstandigheden van relevante informatie voorziet. Allerlei zaken die vooral tot doel hadden dat de gebruikers

Wat was je mooiste periode? Is moeilijk te zeggen. Overal heb ik erg leuke maar soms ook minder leuke dingen meegemaakt. De periode op Zestienhoven was een leerperiode, maar ook een periode waar ik naast de lucht- Figuur 3. Tijdens het afscheid op 3 maart 2005, vlnr: John Bernard, Ria Dekker vaartmeteoro- en Kees. METEOROLOGICA 3 - 2005

23


Het ultieme weerstation Vantage PRO2 van EKOPOWER! Het meest veelzijdige (semi)-professionele weerstation! Voor: weerkundigen - brandweer & politie - milieu - watersport - luchtvaart - tuinbouw - scholen - weerliefhebbers Barometrische Druk (hPa) Display huidige druk en van de afgelopen 24 uur. Aanduiding van trend met pijl druk stijgend, gelijk of dalend.

Regen Intensiteit (mm/uur) Vantage PRO2: NU MET Geeft aan hoe hard het EXTRA KRACHTIGE regent. Regen Alarm ZENDER met bereik tot 300 meter! Windsnelheid (m/s) Momentane windsnelheid Standaard modellen: Gemiddelde windsneheid 6152EU draadloos model Temperatuur (C) van afgelopen 10 6162EU idem met uv en zon Binnen temperatuur en buiten minuten.Alarms voor 6152CEU bekabeld model temperatuur: huidige en van hoogste en gemiddelde. Optie: met professionele OPTIES en artikel nummers de afgelopen 24 uur. � Weatherlink voor aansluiten op Temperatuur alarmen (hoog windsensoren! computer en website (6510) en laag) (voor usb en rs 232 leverbaar) Uitbreidbaar met meerdere Windrichting temperaturen! Momentane windrichting. � UV:dosis en index (6490) Kompasroos en richting � Zonnestraling/zonuren (6450) � Geventileerde weerhut t.b.v. Vochtigheid (%) van de hoogste snelheid. extra nauwkeurige temperaBinnen en buiten tuurmetingen (7747) Huidige en van afgelopen En verder ook: (werkt op zonne energie!) 24 uur. Alarmen (hoog/laag) � weersvoorspellingen � Draadloze windmeter (6332) Uitbreidbaar: extra sensor. � gevoelstemperatuur � Professionele wiindsensoren, aanbevolen voor professionele � dauwpunt gebruikers. Regen (per 0,2 mm) � hitte index � Extra temperaturen (6372) Neerslag gedurende de � zonsopgang � Repeaters tbv grote afstanden laatste 15 minuten en � zonsondergang � Gewasverdamping (berekend) laatste 24 uur, dagen, � minima & maxima � Bladnat meting tbv tuinders maanden en jaar. � datum & tijd � Grond vochtigheid voor tuinder Regen alarm

Maak uw eigen Website met de lokale weergegevens!

Zie: www.ekopower.nl

Weersvoorspellingen Op het display worden weersvoorspellingen gegeven!! Uw eigen weerbericht in huis!

De Vantage PRO2 is een verbeterde versie van de bestaande Vantage PRO, met oa: groter bereik (tot ca 300 m) door nieuwe zender: z.g. spread spectrum techniek (storingongevoeliger) en aluminium gecoate laser-gecalibreerde regenmeter. EKOPOWER : al ruim 20 jaar specialist in weerstations en dataloggers en is sinds 15 jaar importeur/distributeur (met eigen service werkplaats). Wij leveren ook direct aan bedrijven en particulieren de speciale Europese (EU) modellen met CE keur. Een prachtig weerstation voor zowel (semi) professional als de echte weerliefhebber met zeer goede service en ondersteuning! Sluit het station ook aan op uw PC en stuur gegevens naar uw website! Vraag de gratis catalogus met prijslijst aan! Of bekijk onze website.

EKOPOWER • Monitoring & Control Systems for Energy & Environment • P.O. Box 4904 • 5604 CC Eindhoven • The Netherlands • Tel: +31.40.2814458 • www.ekopower.nl

21-1-05

24

METEOROLOGICA 3 - 2005


beter van meteorologische informatie kunnen profiteren. Als je de grootste verandering zou willen aangeven die je hebt meegemaakt als professionele meteoroloog, welke was dat dan? Ik denk dat de overgang naar het werken met het meteorologisch werkstation (MWS) wel de grootste verandering is geweest. Voor die tijd was er ook wel het e.e.a gebeurd, maar dat ging vrij geleidelijk. Ik noem het gebruik van terminals i.p.v. telex en Mufaxrecorders, de voorzichtige introductie van modellen, de komst van de ontvanger voor satellietfoto’s, de plotters, enz enz, maar de werkwijze bleef daarbij vrijwel ongewijzigd. Dit veranderde drastisch met de komst van het MWS. Na de komst van het MWS op de werkvloer in Hoek van Holland is er enige tijd gewerkt met zowel het werkstation als met de papieren weerkaarten. De meteorologen zelf hebben op zeker moment besloten om de plotter uit te zetten en helemaal te gaan werken met het MWS. Dit was een grote verandering. Had je er moeite mee? Met die verandering? De meeste veranderingen gingen zo geleidelijk dat ik daar weinig moeite mee had, maar met de overgang naar werken met het MWS heb ik even een kleine periode gehad van onzekerheid. De oude vertrouwde werkwijze maakte plaats voor een nieuwe en dat ging bij mij wel met wat onzekerheid gepaard. Maar omdat dit gebeurde in de “commerciële“ periode, waarin we klanten over de hele wereld moesten bedienen bleek al gauw het grote voordeel van het werken met het MWS. Nu pas kon je wereldwijd werken en kon je op relatief eenvoudige manier alle mogelijke meteorologische bronnen met elkaar vergelijken en over elkaar projecteren. Modeluitkomsten met waarnemingen en satellietdata vergelijken, allemaal op dezelfde schaal was nu mogelijk en dit bood ons enorme mogelijkheden. Toch bleek de oorspronkelijke opzet, namelijk een werkplek met alleen een MWS, niet haalbaar te zijn. Naast het MWS bleven systemen staan die de meteoroloog van belangrijke informatie voorzagen en die ook een waakfunctie hadden. Ik noem de aparte pc’s voor de radar- en satellietbeelden, het MFPS (multi-functioneel presentatie station) met meetgegevens van de Noordzee. Dit zijn dingen die je van te voren moeilijk kunt plannen.

Tussendoor loopt dan de NVBM. Je was er vrijwel van het begin af bij? Ja, ik ben tijdens de oprichtingsvergadering in het bestuur benoemd en dat 10 jaar gebleven, met veel plezier. Ik heb samen met, ik meen, Peter Kerkmans de eerste redactie van Meteorologica gezocht en gevonden en daarnaast in deze 10 jaar allerlei zaken in het bestuur gedaan. (Ik vind het nog steeds erg eervol dat de naam die ik bedacht had ook de naam is geworden van het blad). Meteorologica was in het begin voor het bestuur een financieel zorgenkind, want de redactie wilde (terecht) een kwalitatief hoogstaand Figuur 4. Kees geeft een presentatie tijdens het KNMI symblad uitbrengen, maar dat posium ter gelegenheid van de 50-jarige herdenking van de kostte vrij veel en als vereni- watersnoodramp. ging hadden we nog niet veel geld. Gelukkig zijn we er altijd uitgekomen en is Meteorologica uitgegroeid niets is minder waar. Door de NVBM tot een toonaangevend Nederlandstalig kunnen onderzoekers en meteorologen meteorologisch tijdschrift. van de verschillenden instituten en commerciële organisaties elkaar ongedwonZie je daar veranderingen? Ik bedoel in gen ontmoeten. de manier waarop de NVBM actief is, en in de manier waarop de NVBM gezien En dan nu? Ben je de hele dag aan het wordt door de leden? houtdraaien en olijfolie persen? De NVBM is min of meer begonnen als Nee, ik verbaas mij er nog iedere dag belangengroep van operationele meteo- over hoe gevuld mijn dagen nog steeds rologen, maar al tijdens de oprichtings- zijn, en dat houtbewerken daar maar een vergadering is, vooral op aandrang van vrij beperkt onderdeel van uit maakt. Ik Jon Wieringa, het een vereniging gewor- zit nu in de Gepensioneerdenraad van het den voor iedereen die beroepshalve en op KNMI en in deze hoedanigheid bezoek professionele manier met meteorologie ik samen met collega’s gepensioneerde bezig is. Ik zie ten opzichte van de begin- KNMI-ers die een kroonverjaardag vietijd wel veranderingen. In het begin moest ren, en ook zit ik nog in de KNMI-prode vereniging zich waarmaken. Door een jectgroep Aviodrome, die in het nageenthousiaste redactie van Meteorologica bouwde stationsgebouw van Schiphol en een paar geslaagde congressen heeft uit 1928 bij het Aviodrome op Vliegveld de NVBM zich een plaats weten te ver- Lelystad een weerkamer annex exposiwerven. Ook heeft de NVBM (lees: Jon tieruimte aan het inrichten is. Wieringa) een belangrijke rol gespeeld Olijfpersen is niet nodig. Ik heb wel twee bij het ontstaan van de EMS. Goede olijfboompjes in mijn tuin staan, maar symposia en congressen samen met een dat levert geen olijven op, laat staan kwalitatief hoogstaand blad vind ik nog olijfolie. Dat is ook niet nodig, want met steeds de belangrijkste activiteiten van een Italiaanse schoondochter liggen er de NVBM. Het is jammer dat niet meer genoeg lijntjes naar Italië en tegen die onderzoekers lid zijn van de NVBM. olijfolie kan ik niet op. Dit zou de vereniging een bredere basis geven. Ik merk een zekere matheid bij de leden als het gaat om NVBM activiteiten. De jaarvergadering en de symposia worden maar matig bezocht en dat is jammer. Het lijkt erop alsof de meeste leden de NVBM al als een instituut beschouwen wat er is en gewoon blijft bestaan, maar METEOROLOGICA 3 - 2005

25


KORTE BERICHTEN Bart van den Hurk hoogleraar bij het IMAU Op 1 maart 2005 is Bart van den Hurk begonnen met zijn werkzaamheden als buitengewoon hoogleraar ‘Dynamica van het klimaat’ op de Buys Ballot Leerstoel bij het IMAU. Bart, geboren

op 19 november 1963 in Heeze (NB) en getrouwd met Christien, studeerde Milieuhygiëne, oriëntatie Luchthygiëne en -verontreiniging, aan de toenmalige Landbouwuniversiteit Wageningen. Deze studie rondde hij af in 1989. Aan de vakgroep Meteorologie van die universiteit heeft hij vervolgens verschillende aanstellingen gehad (dienstweigerbaan, projectmedewerker EFEDA, NWO-promotieaanstelling). Uiteindelijk promoveerde hij in januari 1996 bij Prof. Wieringa en Henk de Bruin op het proefschrift “Sparse canopy parameterizations for meteorological models”. Een proefschrift over parameterisatie van landprocessen in grootschalige modellen voor gedeeltelijk begroeide gebieden

26

METEOROLOGICA 3 - 2005

(zoals EFEDA). Vanaf september 1995 is hij bij het KNMI aangesteld op talloze extern gefinancierde projecten, eerst onder begeleiding van Anton Beljaars, later van Bert Holtslag. Deze projecten waren aanvankelijk vooral op het gebied van remote sensing en bodemvocht, later ook meer op de parameterisatie van landprocessen in het regionale klimaatmodel RACMO. Van 2002-2004 was hij projectleider van het EU-project ELDAS, op het gebied van bodemvocht data-assimilatie in NWP-modellen. Vanaf begin 2002 is hij projectleider van het interne KNMI-project RegioKlim, gericht op het verder ontwikkelen van RACMO en het inzetten van dat model voor regionale klimaatscenario’s. Vanaf begin 2004 is hij tevens themacoördinator van het BSIK-programma Klimaat voor Ruimte, waarbij hij alle projecten op het gebied van monitoring en modelleren van klimaatprocessen en het maken van klimaatscenario’s onder zijn hoede heeft. Nationaal verwierf hij bekendheid als dirigent, als componist en als arrangeur voor a cappella popkoor Kix (www.kixamersfoort.nl). Bart, veel succes! Gert-Jan Steeneveld ontvangt prijs van Kipp & Zonen Tijdens de EMS in Utrecht heeft Kipp & Zonen, bekend van de Kipp solarimeter en vele andere meteorologische apparatuur de “Kipp & Zonen Award for Boundary Layer Meteorology” uitgereikt aan Gert-Jan Steeneveld (zie foto).

Gert-Jan is AIO bij prof. Bert Holtslag (Wageningen Universiteit). De prijs, een geldbedrag, is onlangs door Kipp & Zonen ingesteld ter viering van hun 175jarig bestaan. De prijs is bestemd voor een jonge onderzoeker die tijdens de 5e EMS/ECAM-conferentie een uitmuntend artikel presenteert op het gebied van de grenslaagmeteorologie met speciale aandacht voor straling en de directe effecten daarvan. Gert-Jan presenteerde het artikel: “Modeling the evolution of the atmospheric boundary layer for three contrasting nights in CASES-99” geschreven door Steeneveld, G.J., B.J.H. van de Wiel and A.A.M. Holtslag. Het artikel is geaccepteerd door Journal of Atmospheric Science.


De weerjournalist: van columnist tot vakpurist KEES FLOOR Echt nieuws is het weerbericht voor de meeste journalisten niet. En toch hoeft het maar een paar dagen dertig graden te worden of de ‘tropische temperaturen’ beheersen de voorpagina’s van de kranten én de hoofdpunten van het journaal. Weerjournalistiek is blijkbaar net zo veranderlijk als het weer zelf. Weermannen als Erwin Kroll en Peter Timofeeff zijn evenals de presentatoren van het ‘gewone’ nieuws, bijna iedere dag op televisie te zien. Maar journalist voelen ze zich niet. ‘Het geven van weerpresentaties is puur service’, zegt Kroll. ‘Ik voel me meer en meer presentator, al proberen we bij de NOS het weer wel zo journalistiek mogelijk te benaderen.’ ‘Ik zie mezelf vooral als meteoroloog’, stelt Timofeeff van RTL daartegenover. ‘Als weer echt nieuws is, wordt het een zaak van de nieuwsredactie.’ Uitleggen en verklaren zit de twee bekende Nederlanders in het bloed. ‘Ik ben als een meester voor de klas’, bekent Kroll. ‘Ik vertel altijd een verhaal. Niemand kan me tegenspreken’. Toch vindt hij dat de ruimte daarvoor erg beperkt is. Ook Timofeeff zou wel meer willen uitleggen. ‘Dat kan helaas slechts sporadisch. Er is gewoon te weinig tijd’, zegt hij spijtig. In Nederland zijn heel wat mensen in de weer met berichtgeving over het weer. Slechts een klein deel daarvan werkt vanaf de journaalredacties. Weerjournalisten met minder naamsbekendheid spreken thuis of op het werk hun teksten in voor de radio, mailen hun stukjes door aan de redacties van kranten of uploaden hun teksten naar de website van hun weerbedrijf. Weerberichtgeving lijkt dus ‘big business’. ‘Al denk ik niet dat er in Nederland journalisten zijn die alleen over het weer schrijven’, zegt Harry Otten van Meteo Consult, dat onlangs door de Britse Press Association werd overgenomen. ‘Daar zit gewoon te weinig geld in.’

Erwin Kroll

Voor de dagelijkse routinematige weerberichtgeving ligt dat kennelijk anders. Meteo Consult levert weerinformatie aan RTL, de Volkskrant, NRC/Handelsblad en talrijke regionale dagbladen. Daar zit dus wél brood in. Concurrent Weathernews, de afgescheiden commerciële poot van het KNMI, rekent onder andere het ANP, de NOS, Wereldomroep, De Telegraaf, Het Parool en enkele regionale bladen in Noord-Nederland tot zijn klantenkring. Daarnaast is er nog weerbedrijf WeerOnline, dat onder andere het Algemeen Dagblad van weerinformatie voorziet. En natuurlijk wat ‘loslopend volk’ als Piet Paulusma, Jan Visser, Jan Versteegt (Radio2) en een handvol regionaal opererende weermannen. Servicerubriek Persvoorlichter Harry Geurts van het KNMI, ziet weerberichtgeving wél als een aparte tak van de journalistiek. ‘Kijk alleen al naar die overdaad aan weerberichtgeving in de krant,’ zegt Geurts, tevens weerpublicist met af en toe een achtergrondverhaal in De Telegraaf. ‘Vooral in Trouw zie ik altijd een originele journalistieke aanpak. Meer dus dan dat er morgen een bui kan vallen’. ‘Dat is ook precies de bedoeling’, glundert Trouw-weerman Jan Visser, die verder te horen is op Radio 10 Gold. ‘Als weerjournalist moet je niet alleen verwachtingen maken, maar ook oog hebben voor de dingen die om je heen gebeuren’, vindt hij. ‘Je ontwikkelt een fingerspitzengefühl voor wat op een bepaald moment belangrijk is. Je bent als het ware opvoedkundig bezig.’ Visser vindt het vreemd dat op televisie geregeld wordt gerept over elkaar tegensprekende computermodellen. ‘Daar hebben de kijkers niets aan. Je moet de informatie selecteren en duiden.’ Dat betekent overigens niet dat hij in de krant onbeperkt de ruimte zou willen hebben. ‘Als je het te lang maakt, wordt het onoverzichtelijk.’ Of de weermannen het nu leuk vinden of niet, in de

meeste gevallen blijft het weerbericht een servicerubriek. ‘Er is een scheiding tussen nieuws en service’, weet meteoroloog Michiel Severin van Weathernews. ‘De service schrijven we zelf. Als weer nieuws is, worden we gebeld door de journalisten van de kranten waarvoor we werken.’ ‘Het weer heeft een apart etiketje’, zegt ook NOS-weerman Ger-

Peter Timofeeff

rit Hiemstra. ‘De normale journalistieke regels gelden niet’. De gang van zaken bij de redacties van dagbladen geeft hem gelijk. De weerpraatjes worden er zorgvuldig gescheiden van de nieuwsberichten en vervolgens doorgesluisd naar de redacteuren van service- of mediapagina’s. Op nieuwswaarde wordt niet gelet; daar zijn die pagina’s niet voor. De puzzel, het recept, het colofon, de waterstanden en de wegwerkzaamheden op dezelfde pagina staan er óók niet voor het nieuws. Overzichtelijkheid en voorspelbaarheid zijn veel belangrijker. Van Hiemstra, tevens mede-eigenaar van WeerOnline, mag het weerbericht best wat meer diepgang krijgen. ‘Termen als front, lagedrukgebied en buienlijn worden vermeden, om nog maar te zwijgen over kansverwachtingen en ensembles. Ik zou naast wat we al doen in het journaal graag eenmaal per dag een weerbericht willen hebben waarin we onze kennis als meteoroloog beter kwijt kunnen.’ Ook Robert Mureau denkt in die richting. VolMETEOROLOGICA 3 - 2005

27


gens de onderzoeker van het KNMI is de kloof tussen de meteorologie en het algemeen publiek nog nooit zo groot geweest als nu. ‘Ondanks de toegenomen kennis is het weerbericht de afgelopen decennia nauwelijks veranderd. We weten veel meer dan er nu naar buiten komt.’ Paraplu Hiemstra weet ook wel dat lang niet iedereen geïnteresseerd is in de meteorologische achtergronden. ‘De kijkers willen gewoon weten of ze hun paraplu moeten meenemen of niet.’ Sommige presentatoren spelen daarop in en willen het weerbericht graag juist zo toegankelijk mogelijk houden. ‘Ik ga me niet te buiten aan termen als cumulus of hogeen lagedrukgebieden’, zegt Piet Paulusma van SBS6. Volgens een onderzoek van Trendbox uit april van dit jaar heeft hij, net als Kroll en Timofeeff, een naamsbekendheid van meer dan negentig procent.

‘Hoe meer terminologie, hoe minder mensen het oppakken’, weet de populaire weerman. Uit de Trendbox-enquête bleek ook dat weer buiten Nederland en weer dat al voorbij is, op televisie te veel aandacht krijgen.‘Ik doe alleen Nederland en kijk weinig terug’, schuift hij die verwijten naar zijn collega’s door. In de Spits is Paulusma nadrukkelijk aanwezig met foto en ‘tip van de weerman’. Zijn weerpraatjes doen denken aan een column. ‘Wat ons betreft is het gewoon een deel van de servicepagina’, ontkracht Spitsredactrice Karin ter Wal die suggestie. Paulusma zelf houdt het op een gewoon weerbericht, maar anders geschreven. ‘Gun mij m’n eigen stijl’, is zijn verweer. ‘Ik sta ook graag buiten voor presentaties. Mijn collega’s doen dat af als amusement en vinden alleen studiowerk echt. Maar dat buitengebeuren heeft alles met het weer te maken. O ja, en we krijgen dit jaar zeker een warme zomer’, roept

Piet Paulsma

hij nog voor we ophangen. Dit artikel verscheen eerder in "De Journalist" van 29 juli 2005.

NIEUWE PRODUCTEN Weerstation MetPak Wittich & Visser en Gill Instruments lanceren de MetPak, een nieuw weerstation voor het meten van windsnelheid, windrichting, relatieve vochtigheid en temperatuur. Het MetPak weerstation is een combinatie van de beste producten op de markt voor meteorologische metingen. Windrichting en de windsnelheid worden gemeten met de WindSonic, een ultrasone anemometer zonder bewegende delen. Temperatuur en vocht worden standaard gemeten met de Hygroclip-S3 van Rotronic ondergebracht in een RMYoung sensorhut. De Hygroclip-S3 is makkelijk en voordelig uitwisselbaar. Eventueel kunnen ook andere voelers toegepast worden. De MetPak heeft weinig onderhoud nodig en is makkelijk te installeren. Door het lage energieverbruik is het instrument ook geschikt voor afgele28

METEOROLOGICA 3 - 2005

gen locaties waar stroom schaars is. De MetPak heeft analoge uitgangen en is uitstekend toe te passen bij gebouwautomatisering, automatische weerstations, metingen voor milieuwetgevingen en andere toepassingen waarbij het gaat om het eenvoudig en goed meten van het weer. Meer informatie is te vinden op de website van Ingenieursbureau Wittich & Visser: www.wittich.nl. Meteo sensor van Thies De Clima Sensor 2000 is geschikt voor regendetectie en voor het meten van windsnelheid, straling, temperatuur en luchtvochtigheid. De analoge uitgangssignalen kunnen rechtstreeks op bijv. een PLC of GBS worden aangesloten. Optioneel kunnen verschillende sensor configuraties geleverd worden. Hiermee is de Clima Sensor 2000 het aanbevelen waard. De uitgangssignalen zijn 0 tot 10 Volt per parameter en kunnen door middel van een draadboom naar de desbetreffende PLC of GBS aangesloten worden. Door middel van een bevestigingsbeugel is

de Clima Sensor 2000 te bevestigen op een mast of aan een wand. Voor meer gegevens en prijzen: www. catec.nl. Relatieve vochttransmitters Vaisala heeft een nieuwe lijn relatieve vocht- en temperatuurtransmitters geïntroduceerd: de HMT 100. Deze zijn verkrijgbaar in diverse uitvoeringen, een wandmodel en modellen met verschillende kabellengten en een korte robuuste metalen voeler. Daarnaast kent de HMT 100 verschillende 3-draads spanninguitgang configuraties en een 2-draads

“loop powered” stroomuitgang. Optioneel is de transmitter verkrijgbaar met een scherm. Het instrument kan worden geconfigureerd voor relatieve vochtigheid of dauwpunt. Voor meer gegevens en prijzen: www.catec.nl.


OPMERKELIJKE PUBLICATIES

Meer Katrina’s door menselijke invloed? AARNOUT VAN DELDEN (IMAU) In de nacht van 29-30 augustus 2005 kwam orkaan Katrina nabij New Orleans aan land en veroorzaakte in die stad en de wijde omgeving grote schade. Katrina was de op twee na zwaarste orkaan die in de laatste 100 jaar de Verenigde Staten heeft aangedaan, Als de statistiek van Professor Kerry Emanuel van het prestigieuze Massachausetts Institute of Technology klopt, zal dit scenario zich in de toekomst vaker herhalen. In de nacht van 29-30 augustus 2005 kwam orkaan Katrina nabij New Orleans aan land en veroorzaakte in die stad en de wijde omgeving grote schade. Katrina was de op twee na zwaarste orkaan die in de laatste 100 jaar de Verenigde Staten heeft aangedaan, Als de statistiek van Professor Kerry Emanuel (figuur 1) van het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology klopt, zal dit scenario zich

cycloon. De maximale doorstaande wind wordt al sinds de jaren 1940 iedere 6 uur gerapporteerd en gedocumenteerd door het National Hurricane Center in Miami. Van deze gegevens heeft Emanuel gebruik gemaakt om zijn PDI te berekenen. Een toenemende PDI betekent

dus een toename van de intensiteit (grote Vmax) van cyclonen, maar kan ook duiden op een toename van de levensduur van cyclonen. Sinds de jaren tachtig is er een duidelijke toename van zowel de gemiddelde zeewatertemperatuur in het gebied waar tropische cyclonen ontstaan

Figuur 1. Kerry Emanuel

in de toekomst vaker herhalen. In een, met veel gevoel voor timing, op 4 augustus j.l. in Nature gepubliceerd artikel laat Emanuel zien dat er een goede correlatie bestaat tussen de zeewatertemperatuur en de verwoestende werking (“Power Dissipation Index”, of “PDI”) van een tropische cyclonen. Emanuel definieert de PDI als volgt.

Hierin is Vmax de maximale doorstaande (1 minuut gemiddelde) wind op 10 m hoogte en τ de levensduur van de

Hurricane Katrina op 29 augustus 2005 (bron: NASA, Hurricane Resource Page). METEOROLOGICA 3 - 2005

29


New Orleans onder water.

Figuur 2. Jaarlijks geaccumuleerde PDI voor de noordwestelijke Stille Oceaan en de Noord-Atlantische Oceaan. De PDI is vermenigvuldigd met een factor 5.8x10-13. De zeewatertemperatuur (stippellijn) is een gemiddelde over het gebied tussen 30°Z en 30°N. De waarde van de PDI is bijna verdubbeld in de laatste 30 jaar, terwijl de zeewatertemperatuur met ongeveer een halve graad is gestegen.

en groeien, als de gemiddelde PDI (zie figuur 2). De PDI van tropische cyclonen in de Atlantische Oceaan is zelfs verdubbeld sinds 1975. Emanuel veronderstelt dat dit een signaal is van het door de mens geïnduceerde broeikaseffect.

Figuur 3. William Gray 30

METEOROLOGICA 3 - 2005

Bij collega’s bestaat er flinke twijfel over de houdbaarheid van de conclusies van Emanuel. Volgens de ervaren orkaanonderzoeker William Gray van Colorado State University (figuur 3) zijn de windmetingen waar Emanuel zich op baseert onderling niet consistent en bevatten ze grote fouten omdat het slechts ruwe schattingen zijn uit vliegtuigmetingen en satellietbeelden. Rechtstreekse metingen van de windsnelheden zijn nauwelijks gedaan. Omdat de PDI evenredig is met de derde macht van de windsnelheid, werkt de fout in de windsnelheid zeer hard door in de fout in de PDI. Gray verwijst het artikel van Emanuel dan ook naar de prullenbak met de weinig diplomatieke woorden, “it’s a terrible paper, one of the worst I’ve ever looked at”. Zowel Gray als Emanuel staan bekend als wetenschappers die de media niet schuwen. Gray is vaak tegendraads, bot en wat brommerig. Emanuel is uitdagend en ook bot. In 1986 begon Emanuel aan een jarenlang durende kruistocht tegen de toen heersende theorie over de groei van tropische cyclonen met het doel om zijn eigen theorie geaccepteerd te

krijgen. De oude theorie staat bekend als “Conditional Instability of the Second Kind” (“CISK”) en is het werk uit 1964 van niemand minder dan Jule Charney en Arnt Eliassen, beide onderzoekers die tussen 1947 en 1980 het gezicht waren van de dynamische meteorologie. Jule Charney stond aan de wieg van de numerieke weersverwachting (in 1950), was de eerste (in 1947) die een goede theorie bedacht over het ontstaan van frontale depressies op de gematigde breedte. Hij legde het fundament onder de theorie van de grootschalige golfvoortplanting van de troposfeer naar de stratosfeer (in 1961) en forceerde in 1979 een doorbraak in het inzicht in de dynamica van blokkades (hogedrukgebieden die de westelijke stroming blokkeren). Jule Charney was bovendien de begeleider van Emanuel bij zijn promotieonderzoek. In 1995 diskwalificeert Emanuel de theorie van Charney en Eliassen niettemin met de weinig vleiende woorden, “the theory of CISK has been an influential and lengthy dead-end road in atmospheric science”. Het is Emanuel gelukt zijn theorie, die tegenwoordig bekend staat als “Wind Induced Surface heat Exchange” (WISHE), geaccepteerd te krijgen door het IPCC (intergovernamental Panel on Climate Change), maar de term CISK is nog lang niet verdwenen uit het vocabulaire van de gemiddelde orkaanonderzoeker. Literatuur Emanuel, K., 2005: Increasing destructiveness of tropical cyclones over the past 30 years. Nature, 436, 686-688.


Zomercursus Klimaat en de Hydrologische Kringloop FRANK SMITS (WITTEVEEN+BOS) Van 4 tot en met 15 juli vond in Utrecht de zomercursus Klimaat en de Hydrologische Kringloop plaats. De cursus, onder de paraplu van het Boussinesq Centrum georganiseerd door de Universiteit Utrecht, de Vrije Universiteit Amsterdam en Wageningen Universiteit, trok bijna 60 deelnemers uit binnen- en buitenland. Als locatie was gekozen voor het monumentale Academiegebouw, naast de Dom, met het verstilde Pandhof en de Uniezaal, waar in 1579 de Unie van Utrecht werd getekend. De cursus werd gegeven in de Senaatszaal, waar een indrukwekkende verzameling portretten van illustere hoogleraren minzaam neerkijkt op de bezoekers.

aan bod: verdamping, neerslag, oppervlaktehydrologie, het modelleren van de processen aan het aardoppervlak in klimaatmodellen, sneeuw- en arctische hydrologie, de dynamiek van gletsjers, ijsbedekkingen en het zeeniveau, terugkoppelmechanismen tussen het klimaat, bodemvocht en grondwater, terugkop-

Figuur 1. De deelnemers van de zomercursus voor het Academiegebouw.

De cursus beoogde een overzicht te geven van de wetenschappelijke stand van zaken met betrekking tot het klimaat, de verandering van het klimaat en de mogelijke invloed daarvan op de hydrologische kringloop. Van oudsher wordt het terrestrische gedeelte van de hydrologische kringloop vooral door hydrologen bestudeerd en houden meteorologen zich specifiek bezig met het atmosferische gedeelte. In het nog jonge vakgebied van de klimaathydrologie komen deze twee disciplines samen. Het klimaatonderzoek is een bij uitstek multidisciplinaire aangelegenheid en dit bleek duidelijk uit de verschillende bijdragen van medewerkers van de drie organiserende universiteiten, het KNMI, het IMAU en het ITC. Achtereenvolgens kwamen, naast meer integrerende colleges, de volgende onderwerpen

en enorme rekentijden. Er werden niet alleen colleges gegeven, maar de deelnemers (zie figuur 1) konden ook zelf aan eenvoudige modellen rekenen. Met name werden de gevoeligheden voor een klimaatverandering van de verschillende modellen verkend. Een letterlijk hoogtepunt was een bezoek aan de meetmast en andere meetopstellingen van het KNMI in Cabauw en de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg Over de opwarming van de aarde, de stijging van de zeespiegel en het veranderen van het klimaat bestaat onder klimatologen inmiddels wel overeenstemming. De mate waarin het klimaat verandert en de vraag of de hydrologische kringloop zich hierdoor zal gaan versnellen is nog onderwerp van nader onderzoek. Afsluitend mag worden opgemerkt dat het een zinvolle cursus was over een relevant onderwerp, met degelijke colleges, in een bijzonder inspirerende omgeving. De cursus bood voldoende interessante aanknopingspunten waar de deelnemers als jonge onderzoekers zich de komende jaren mee bezig kunnen houden. Hopelijk wordt een dergelijke vruchtbare samenwerking tussen de verschillende universiteiten en wetenschappelijke instellingen gecontinueerd en mogelijk zelfs uitgebreid. En de geportretteerde hoogleraren in de Senaatszaal? Het zal mij niks verbazen als die om klokslag middernacht onder leiding van Buys Ballot geanimeerd over de gepresenteerde onderwerpen verder discussiĂŤren...

pelmechanismen tussen landgebruik en de koolstofkringloop, de relaties tussen vegetatie, wolken en neerslag, de zoetwaterflux van de rivieren naar de oceanen in verband met de thermohaline circulatie, palaeohydrologie en remote sensing van vegetatie, neerslag en bodemvocht. Het blijkt dat al deze componenten in elkaar grijpen met positieve of negatieve terugkoppelingen. Dit maakt het rekenen aan het klimaat tot een complexe zaak, waarbij modellen ingezet worden met veel parameters, een grote verwevenheid aan onderlinge relaties Figuur 2. De Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg.

METEOROLOGICA 3 - 2005

31


Almos Systems biedt sinds 1986 wereldwijd meteorologische oplossingen. Van het brede product portfolio, onder de naam METWORX®, is door Almos o.a. het volgende geleverd:

�� �� �� �� �� �� �� ��

Automated Weather Stations (AWS)-Networks (Nationale Meetnetten): Australië (BOM), Nederland (KNMI), Zwitserland (MeteoSwiss); Automated Weather Observation System (AWOS): Nederland (16 vliegvelden, incl. Schiphol), België (18 vliegvelden, incl. Brussel), Hongarije, Peru, Kosovo, Zambia, Spanje, Namibië; Automated Terminal Information Service (ATIS): België (3 vliegvelden, incl. Brussel D-ATIS), Iran (10 vliegvelden), Hongarije, Zuid-Afrika (3 vliegvelden), Barbados, Namibië; Low Level Windshear Alert System (LLWAS): Taiwan (2 vliegvelden), Kuwait International Airport, Spanje (2 vliegvelden); Runway Visual Range (RVR) sensor (Transmissometer): Hongarije (Budapest), Kosovo (Prishtina), Kroatië (Zagreb); World Aerea Forecast System (WAFS)-SADIS/ISCS: Korea (Inchon), Hongarije (Budapest), Kosovo (Prishtina), VAE (Abu Dhabi); Forecaster Workstations: Koninklijke Luchtmacht, Belgische Luchtmacht; Meteorological Switching Systems: Belgische Luchtmacht, Italiaanse CAA.

Met het modulaire softwarepakket METCONSOLE® van Almos is het mogelijk alle producten in één systeem te integreren en te presenteren:

Contact gegevens: Almos Systems BV Landzichtweg 70, 4105 DP, Culemborg Tel: + (31) 345 54 40 80 Fax: + (31) 345 54 40 99

32

METEOROLOGICA 3 - 2005

Email: Website:

Info@AlmosSystems.com www.AlmosSystems.com


NVBM mededelingen NVBM-onderscheidingen

Overige medelingen

De NVBM streeft ernaar om met enige regelmaat werk dat heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de meteorologie in het Nederlandse taalgebied een bredere bekendheid te geven. Om dit te bereiken zijn de NVBM-onderscheidingen ingesteld. Deze onderscheidingen worden op een NVBM lustrum uitgereikt. Voor het eerst zal dat geschieden in 2006 bij het derde lustrum.

Als u dit leest is de ECAM/EMS conferentie inmiddels voorbij en kijken we terug, naar ik verwacht, op een zeer geslaagd evenement. Tijdens het conferentiediner is de EMS Young Scientist Award uitgereikt aan Martijn de Jong. Martijn was door de NVBM, vanwege zijn onderzoek naar seiches in de Rotterdamse haven, voorgedragen voor deze award. Helaas kon Martijn zelf niet aanwezig zijn bij de uitreiking de award is daarom in ontvangst genomen door zijn promotor Prof. Dr. Battjes.

Wij nodigen u hierbij uit om kandidaten voor te dragen. Hierbij zijn de volgende regels, vastgesteld door de ledenvergadering, van belang: o Voor de onderscheidingen komen in aanmerking: onderzoekers en operationeel meteorologen werkzaam in Nederland of Vlaanderen of werkzaam voor een internationale organisatie als ECMWF en ESA alsmede voor leden van de NVBM waar ter wereld ze ook werken. o Er zijn twee soorten onderscheidingen, één voor onderzoekers en één voor operationeel meteorologen o De prijzen worden eens in de 5 jaar uitgereikt tijdens de lustra van de NVBM. De eerste maal bij het 15 jarig lustrum in 2006. o De prijzen bestaan uit een bescheiden geldbedrag (€ 500.-) en een artikel over prijswinnaar en werk in Meteorologica. o Alleen leden van de NVBM kunnen kandidaten voordragen. o De prijswinnaars worden uit de voorgedragen kandidaten geselecteerd door een daartoe opgerichte Commissie NVBM-onderscheidingen. De kandidaten dienen een opvallende bijdrage geleverd te hebben aan de meteorologie. o Bij onderzoekskandidaten gaat het om R&D resultaten. Daarbij gaat de voorkeur uit naar resultaten die zicht geven op een praktische toepassing. o Bij operationele kandidaten gaat het om een bijdrage in ruime zin aan de operationele meteorologie. Eén en ander moet blijken uit publicaties, rapporten, logboeken of andere verifieerbare bronnen. Kandidaten kunnen tot uiterlijk 1 oktober 2005 per briefpost of elektronisch (voorkeur) ingediend worden bij de voorzitter van de commissie. De voordracht dient vergezeld te gaan van een onderbouwing, kort CV van de kandidaat en één of meer rapporten (dan wel verwijzingen naar publieke bronnen) ter adstructie. De commissie zal de informatie vertrouwelijk behandelen. Wij hopen dat u in de gelegenheid bent om één of meer kandidaten voor te dragen en zodoende een bijdrage te leveren aan een bredere bekendheid van de ontwikkelingen van de meteorologie in het Nederlands taalgebied. De commissie, Leo Hafkenscheid (voorzitter) Kees Dekker (secretaris) Robert Mureau Wim van den Berg vacature

Voordrachten svp sturen aan: E-mail: nvbm@hafkenscheid.net Briefpost: Commissie NVBM-onderscheidingen p/a Leo Hafkenscheid Dorpsstraat 124 3732 HL De Bilt

Zoals u wellicht weet heeft de NVBM ook een tweetal awards ingesteld. Deze awards zullen om de vijf jaar worden uitgereikt tijdens de viering van een lustrum van de NVBM. De eerste keer zullen deze awards worden uitgereikt in 2006. Inmiddels heeft de awards-commissie schriftelijk aan alle leden een oproep uit doen gaan voor kandidaten. De betreffende oproep is ook hiernaast terug te vinden en op onze website. Voor wat betreft het najaarssymposium heeft het IMAU toegezegd dat ze ons een kijkje achter de schermen, van het meteorologisch onderzoek en onderwijs, zal gunnen. Het symposium is gepland voor december van dit jaar. Nadere mededelingen hierover volgen nog. Inmiddels is het beheer van de website overgegaan in de handen van Geert Groen en als u inlogt op onze website zult u merken dat Geert zich met enthousiasme op die taak geworpen heeft. De informatie met betrekking tot het najaarssymposium zal dan ook zo gauw ze beschikbaar is, op de website te vinden zijn.

METEOROLOGICA 3 - 2005

33


Weerplicht

column

HENK DE BRUIN

34

METEOROLOGICA 3 - 2005

Ik ben net grootvader geworden en u wilt niet weten hoe druk het is tegenwoordig voor prenatale en postnatale opa’s. Veel tijd voor andere zaken was er dus niet dit keer. Gelukkig kwam ik vorige week het begrip weerplicht tegen. Dat kwam als een geschenk uit de hemel tot mij, want voor een beroepsmeteoroloog is weerplicht toch een heerlijk woord! Het klinkt nog ouder dan telex, weerdienstassistentes, BK4 of stoelen met armleuning voor weerkamerambtenaren met schaal 99 of hoger. In mijn tijd was het dienstplicht, maar het zal me niet verbazen als binnenkort het woord weerplicht weer zal worden gebruikt. Dienstplicht is taboe, dus noem je het anders en dat andere bestaat al. Om de ontspoorde jeugd van tegenwoordig orde en netheid bij te brengen zou een algemene sociale weerplicht geen overbodige maatregel zijn, toch? Voor de wetenschap zou dat in ieder geval een zegen zijn, want dan komen er ook weer weigeraars. Weerweigeraars dus. Daar moesten wij het vroeger van hebben, want weerweigeraars vormden een oneindige pool van goedkope wetenschappelijke arbeidskrachten. Destijds kon ik op een bescheiden Europees project gemakkelijk 3 weerweigeraars aanstellen. Zij werden er zelf ook niet slechter van, want ik ken zo al twee weerweigeraars die nu weerprofessor zijn. Weer invoeren dus die weerplicht, ook voor meisjes! Weerplicht is ook een mooi kleinkunstwoord, het rijmt op keerdicht. En dat is ook een bijzonder woord, want er is op het World Wide Web geen verklaring voor te vinden! Dat is hot nieuws voor de nieuwe zender Maulwurf. Een woord dat niet verklaard wordt op het WWW! Hier moeten kamervragen over gesteld worden. Ministers moeten worden teruggeroepen van reces en in ieder geval moet er een deskundige voor op komen draven. Ach ja, deskundigen. Ze zijn er altijd bij actualiteitenrubrieken, want er gebeurt veel op deze aardkloot. U weet net zo goed als ik, hoe meer je over het weer weet, hoe minder je er van begrijpt, dus deskundigen bestaan strikt genomen niet, maar goed. Beroepsmeteorologen worden als deskundige uitgenodigd als er weer eens iets extreems in onze atmosfeer heeft plaatsgevonden. Dat is linke soep. De redactie knipt er alles uit wat door een kleuter van 4 niet kan worden begrepen en wat dan uiteindelijk wordt uitgezonden is onzin. Zo hoorde ik in 2003 een directeur wetenschappelijk onderzoek van een bekend weerinstituut in Nederland uiteenzetten dat als lucht opstijgt je wolken krijgt, waarna de commentaarstem op de achtergrond concludeerde dat er daarom een enorme klimaatsverandering was opgetreden in Centraal Europa die leidde

tot overstromingen. De beelden van huizen die door het snel stromende water werden meegesleurd vormden het doorslaggevende bewijs. Meestal vormen deskundigen geen gevaar voor de volksgezondheid, maar er zijn uitzonderingen. Denk aan spellingsdeskundigen. Ik ben zelf ook wel eens deskundige geweest. Jawel, ik ben op TV geweest als ijsdeskundige! Hoe je ijsdeskundige wordt vertel ik nog wel eens als ik echt met pensioen ga. In elk geval stond ik in de vrieskou op ons meetveld in Wageningen met een stuk ijs in mijn hand. Een grote camera en een microfoon, bekleed met een vacht van wild, geschoten in de Schotse Hooglanden, waren op mij gericht en mij werd gevraagd waarom ijs mijn belangstelling had. Het enige dat ik ter plekke kon bedenken was dat ijs blijft drijven in water. “Kunt u dat demonstreren?” Ik was ook de beroerdste niet en ik wierp met een ferme boog het stuk ijs in de sloot naast mij. Helaas, deze was zo ondiep dat het ijs in de modder bleef steken. Daar stond ik dus voor paal als ijsdeskundige. Thuis heb ik de videoband nog, maar gelukkig hebben we geen videospeler meer. Door de vooruitgang van de techniek zullen mijn kleinkinderen de band waarschijnlijk nooit te zien krijgen. Ik zal overigens nooit meer worden uitgenodigd als deskundige. Nadat een redacteur van een actualiteitenrubriek mij had opgebeld met de vraag of ik iets kon vertellen over een vliegend voorwerp dat de avond ervoor een graancirkel had veroorzaakt gepaard gaande met buitenaardse licht- en geluidseffecten en ik had geantwoord dat dat een UFO moest zijn geweest, a) omdat het vloog en b) omdat niemand wist was het was, ben ik van de lijst van deskundigen geschrapt. Toch wel jammer. Als troost heb ik bij een bekende kledingzaak maar het overhemd aangeschaft dat de weerman van Maulwurf aanhad. Dat helpt wel moet ik zeggen. Ik voel me nu toch nog een beetje een bekende Nederlander. Een bekende opa dus. En zo ben ik weer terug bij de inleidende zin. Dit is dus een keercolumn. Als u nu ook een woord vindt dat net als keerdicht niet op het WWW verklaard wordt, mail mij dan! De redactie van Meteorologica stelt een leuke prijs ter beschikking.


Sponsors van de Nederlandse Vereniging van BeroepsMeteorologen zijn:

Postbus 1235, 3330 CE Zwijndrecht, Tel. 078-6101666

S P E C I ALISTEN IN WEERSTATIONS P.O.BOX 4904, 5604 CC E I N D H O V E N w e b s i t e w w w . e k o p o w e r. n l

Turfschipper 114 2292 JB Wateringen  0174-272330  0174-272340  info@catec.nl

Colofon Redactieadres: Meteorologica Postbus 464 6700 AL Wageningen e-mail: leo.kroon@wur.nl Tel. 0317-482604

Meteorologica (ISSN 0929-1504) verschijnt vier maal per jaar en is een uitgave van de Nederlandse Vereniging van BeroepsMeteorologen (NVBM). Hoofdredacteur: Leo Kroon Redactieleden: Wim van den Berg, Aarnout van Delden, Henk van Dorp, Robert Mureau, Heleen ter Pelkwijk. Medewerker: Ronnie Voets Penningmeester: Gerard van der Vliet e-mail: vlietvdj@wanadoo.nl Vormgeving: Rob.Stevens@chello.nl Vermenigvuldiging: CopyProfs, Almelo Abonnementen: Alle leden van de NVBM zijn automatisch geabonneerd op Meteorologica. Ook nietleden kunnen zich abonneren door 23,- Euro voor vier nummers over te maken op Postbank gironummer 388132 ten name van:

������������� ��������������

������������� ������ ���������������� ������������������ ����������� ������������������ ��������� ���� �������������������� ���� �������������������� ������ ��������������������� �������� ��������������������

www.catec.nl NVBM-Meteorologica Postbus 501 3720 AM Bilthoven onder vermelding van: - Abonnement Meteorologica - Uw adres Abonnementen worden telkens aangegaan voor een heel kalenderjaar; bij tussentijdse betaling worden de reeds verschenen nummers van dat jaar toegestuurd. Voor abonnees in het buitenland zijn de kosten 29,- Euro per jaar. Ook losse nummers kunnen op deze manier worden besteld (zolang de voorraad strekt) voor 8,- Euro per stuk, onder vermelding van de gewenste jaargang en nummer(s). Instellingen betalen 52,- Euro voor een abonnement. Einde abonnement: Afgesloten abonnementen worden stilzwijgend per kalenderjaar verlengd. Stopzetting dient schriftelijk te geschieden voor 15 november van het lopende jaar. De mededeling omtrent stopzetting kunt U richten aan: NVBM-Meteorologica Postbus 501 3720 AM Bilthoven Lid worden van de NVBM: Het lidmaatschap van de NVBM kost 45,Euro per jaar voor gewone leden en 34,Euro per jaar voor buitengewone leden.

Meer informatie hierover is te vinden op de NVBM website:www.nvbm.nl. Artikelen uit Meteorologica mogen uitsluitend worden overgenomen na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie. Adverteren in Meteorologica is mogelijk. Advertenties worden geplaatst op 3 formaten: A5, A4 of A3. Uiterste inleverdata voor advertenties zijn: 1 februari, 1 mei, 15 augustus en 1 november voor respectievelijk nummer 1, 2, 3 en 4. Tarieven kunt u opvragen bij Leo Kroon Tel. 0317-482604 e-mail: leo.kroon@wur.nl Sponsorschap NVBM: Men kan sponsor worden van de NVBM. Een sponsorschap wordt afgesloten voor minimaal 1 jaar. Een sponsor heeft diverse rechten, o.a.: - Het plaatsen van advertenties in Meteorologica - Plaatsing van het firmalogo in het blad. - Het bijwonen van congressen e.d. georganiseerd door de NVBM. Voor meer informatie over het sponsorschap kunt u contact opnemen met Leo Kroon (zie boven).

METEOROLOGICA 3 - 2005


Waargenomen 24-uurs neerslagsommen tussen 29 juli 2005 08 UTC en 30 juli 2005 08 UTC (figuur 2 van artikel Zuurendonk e.a.)

Vochtconvergentie (in 10-7 kg kg-1 s-1) nabij het aardoppervlak in domein 2 (resolutie 6 km), gebaseerd op MM5 run A (ETA) voor 29 juli 2005 16 UTC (figuur 7 van artikel Zuurendonk e.a.)

Neerslagsom uit radarwaarnemingen over de periode 15 – 16 UTC op 29 juli 2005 (figuur 9 van artikel Zuurendonk e.a.)

Neerslag en windpatroon aan het oppervlak voor domein 2 (resolutie 6 km), gebaseerd op MM5 run A (ETA) voor 29 juli 2005 16 UTC (figuur 8 van artikel Zuurendonk e.a.)

Meteorologica september 2005  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you