Issuu on Google+

My funny valentine Sweet comic valentine You make me smile with my heart You’re looks are laughable Un-photographable Yet, you’re my favorite work of art Is your figure less than Greek? Is your mouth a little weak? When you open it to speak Are you smart? But don’t change a hair for me Not if you care for me Stay little valentine, stay Each day is Valentine’s Day. My favorite work of art, zo zong Mitzi Green haar Funny Valentine toe in de Broadwaymusical Babes in Arms (1937) van Rodgers & Hart. Pas echt onsterfelijk werd het lied in de versies die Chet Baker, Frank Sinatra en Miles Davis van My Funny Valentine maakten. Wij vroegen ons ensemble om hun favoriete kunstwerk in het Gentse te bezingen.

5


Toen ons gezin en onze honden in 2005 naar Gent verhuisden, hadden we het in het begin wel eens benauwd. In Nederland woonden we helemaal op de buiten. Als je de deur uitging, stapte je direct de natuur in. Geen aangelegd park met goed begaanbare paden, picknicktafels en vuilbakken maar rechttoe rechtaan natuur: rivier, uiterwaarden, koeien en prikkeldraad. Met bovendien 24 uur per dag enorme schepen die langs varen, gestaag tegen de stroom in of met de stroom mee, onbekende geheimzinnige vrachten vervoerend en met een tot de verbeelding sprekend leven in de stuurhut. Het idee dat dit alles vlak voor de deur was, gaf me ruimte in mijn hoofd, ruimte om inspiratie op te doen, alsof je voor een kunstwerk staat dat je de adem beneemt. In Gent woonden we in een prachtige loft, half souterrain, met een klein binnenplaatsje. Als ik eruit wilde, was ik aangewezen op de Blaarmeersen, een park met een aangelegd water in het midden, een strandje, glijbanen, volleybalnetten... Mooi, maar het gaf me niet het gevoel écht buiten te zijn. Er was altijd wel een politieagent of een opzichter met een vermanend woord of een strenge blik. Op zoek naar die ruimte in mijn hoofd, naar ongereptheid, horizonten, bezocht ik Het Leen in Eeklo en de Bourgoyen in Mariakerke, maar nergens voelde ik de vrijheid om je gedachten te laten waaien, teksten te overdenken, ideeën te krijgen. Totdat een vriendin mij naar Zevergem voerde en wel precies naar het gebied bij café ’t Doornhammeke. Het is er zó mooi, zó vrij, zó vol en verschillend elk seizoen. Ongelofelijk dat zo’n brok boerenland zo vlakbij de stad kan bestaan. Daar vond ik alles wat ik zocht. Knotwilgen, vergezichten, water, geheime plekken en zelfs grote vrachtschepen die er over de Schelde glijden. Elke keer dat je er bent, is het er anders. Ook nu, nu ik opnieuw in Nederland aan de rivier woon, ga ik als ik in Gent ben en tijd heb naar die plek en ik kom er altijd anders vandaan. Een absolute aanrader, dit ongekunstelde work of art.

Elsie de Brauw landschap bij het Doornhammeke, de Scheldemeersen in Zevergem (De Pinte)

6


7


Ooit heb ik dit geschreven over kunst en leven: ‘Het kunstwerk ademt in mijn bestaan. Het is niets bijzonders en het is buiten­ gewoon. Ik kan ernaar kijken als naar de kinderen of naar de berk in de tuin. Net als de berk en het kind bevindt het kunstwerk zich al lang niet meer buiten mij, maar binnen mij. Daar, te midden van duizend andere dingen, verdeeld over ratio, gevoel en geheugen, bepaalt het mij.’ Een kunstenaar wiens werk ergens tussen al de rest in mij zit, is Thierry De Cordier. Het SMAK heeft tekeningen en ‘dingen’ van hem. Ik kies niet voor één werk, ik kies voor het hele werk. Ik heb geen keuze. Dit werk is te nemen of te laten. Ik weet nog wanneer het is begonnen. Veertien jaar geleden, 1999: een tentoonstelling in het SMAK met tekeningen van De Cordier. Ik had zijn werk nog nooit gezien, en het zocht zijn weg in mij alsof het er thuiskwam. Niet dat ik het meteen doorgrondde, niet dat ik het inmiddels doorgrond, maar ik denk dat wij elkaar begrijpen. Zoiets maakt men niet vaak mee. En sindsdien, in die zeldzame gevallen dat iemand peilt naar de ziel, heb ik de neiging dat werk uit mij op te halen en te zeggen: voilà. Waar het op neerkomt: dit werk zoekt, wat hoogdravend gezegd, een onderkomen voor de onherbergzaamheid van het bestaan. Het biedt uiteraard geen oplossing, laat staan de verlossing, maar het ‘helpt’ op de een of andere manier. Tijdens de passage hier, tussen de afgrond en de schaterlach.

Bernard Dewulf werk van Thierry De Cordier maakt deel uit van de vaste collectie van het SMAK – www.smak.be

8


9


Ergens in Gent, bij mensen, in hun huis of in de tuin, staat er een sculptuur van mijn vader. Mijn vader is een beeldhouwer. Een beeldhouwer met marmeren handen en een kapotte rug, met stoffige haren en een groot atelier achter het huis in een verwilderde tuin. In dat atelier wordt de steen gekozen, helemaal uit Carrara aangesleept. ‘Het beeld zit al in de steen’, zegt hij altijd ‘je hoeft het er alleen voorzichtig uit te halen.’ En dan begint hij dat blok te draaien en te keren, de steen te stimuleren, gevoelsmatig en intellectueel gestalte te geven. Dan het harde labeur. Kappen, beitelen, schuren, slissen, polijsten. Een werk van weken en maanden met als resultaat een geheel eigen vormtaal tussen figuratief en abstract. Krachtige lijnen en gedurfde verhoudingen, gekapt uit de steen. Een grote uit zalmroze marmer gehouwen Icarus met smeltende vleugels. Een levensgrote wanhopige man die de stormen van het leven trotseert door zijn armen rond zijn hoofd te slaan en zijn ogen ten hemel. Een bronzen, naakte moeder op een bank met spelende kinderen aan haar voeten… Deze beelden staan ergens... bij mensen... ‘Ik benijd jouw beroep, jij zit altijd tussen de mensen en krijgt applaus’, zegt hij. ‘En jij staat alleen in je atelier, wanneer jij het wil, genoeg aan jezelf, niemand die over je schouder meekijkt en je maakt...’, zeg ik. Mijn vader is overleden op 28 januari 2013.

Els Dottermans In tegenstelling tot Leuven, waar het werk van Herman Dottermans onder meer te zien is in de Stadsschouwburg, is zijn werk in Gent enkel te vinden in privécollecties.

10


11


Als ik in ons theater ben — letterlijk en figuurlijk het hart van Gent — loop ik soms binnen bij de buren, de Sint-Baafskathedraal. Zo’n bezoek roept telkens grote gevoelens op. Zoals eerbied voor de grijze haren van de geschiedenis. Bewondering, en ook verwondering, verbeelding. Het Lam Gods, dat zijn vaste plaats heeft in de kathedraal, draagt al die grootsheid en verbeeldingskracht in zich. Het lijkt alsof daar op die paar vierkante meter álles wordt samengevat. En dat, ononderbroken, gedurende al bijna zeshonderd jaar. Voor mij als acteur is dat erg indrukwekkend, omdat het zo in tegenstelling staat tot het vluchtige van een theatervoorstelling. Maar zo’n bezoek roept ook tegenstrijdige gevoelens op. Het kan me doen verlangen naar een religievrije zone, een zone waar de mens is vrijgesteld van praten en handelen in naam van welke godheid dan ook. En ook dat is het mooie van het Lam Gods. Omdat het toont dat de hele godsdienst een kunstig verzinsel is van de mens. Als een mens vloekt op de godsdienst, dan vloekt hij op zichzelf als schepper van die godsdienst. Het is alsof het Lam Gods je daar door al zijn pracht aan herinnert: alles begint bij de mens. Die gedachte is me veel waard. Ze maakt dat je als acteur kan spelen met een open blik: op de wereld, op jezelf en op de anderen. Dat is kenmerkend voor vele producties van NTGent. Ze wijzen niet met de vinger, of veroordelen niet. Ze zetten aan tot begrijpen, en indien nodig, vergeven.

Frank Focketyn Het Lam Gods van de Gebroeders Van Eyck bevindt zich in de Sint-Baafskathedraal. De ontbrekende panelen zijn in restauratie (te bezichtigen in het Museum voor Schone Kunsten) of gestolen — www.closertovaneyck.kikirpa.be en www.mskgent.be

12


13


Onwillekeurig moest ik denken aan het peperkoeken huisje van Hans en Grietje. Ik denk dat het in 2007 was en ik ging naar een Borremans-tentoonstelling in het SMAK. Alleen, op een zondag. Ik vond werk van Michaël Borremans altijd al prachtig en dat vind ik nog steeds. Waarom? De concentratie waarmee de personages die zijn schilderijen bevolken aan het werk zijn of ergens naar kijken. Ik vind dat intrigerend. Ik hou van mensen die zich concentreren op iets. En dan altijd die ongedefinieerde plekken die hij als decor voor zijn schilderijen gebruikt. En het geel. Misschien noem je het geen geel, maar zandkleur of lichtbruin. Voor mij is het Borremans-geel. Uit zijn oeuvre verkies ik The House of Opportunity, een reeks bevreemdende, bloedspannende, David Lynch-achtige schilderijen. Een serie waarin mensen zijn afgebeeld die een huis bouwen of bezichtigen. De afgebeelde huizen zijn onmiskenbaar van dezelfde familie, maar zijn soms groter of hebben andere vormen. De huizen staan in verschillende omgevingen. Toen ik ze voor het eerst zag, vond ik het schilderijen uit een koortsdroom of uit een donker sprookje. Niemand zal ontkennen dat de huizen iets weg hebben van een modern peperkoeken huisje. Toen kon ik nog niet vermoeden dat we vele jaren later bij NTGent zelf ons ‘house of opportunity’ zouden gaan bouwen met het immens grote decor van opgestapelde koekjesdozen voor de bewerking van Hans en Grietje die ik samen met Wim Opbrouck en Christoph Homberger mocht maken. Maar de eerste keer dat ik het decor zag, moest ik niet meteen aan Hans en Grietje denken, wel aan Borremans.

Servé Hermans werk van Michaël Borremans maakt deel uit van de vaste collectie van het SMAK — www.smak.be

14


15


Beroepsmatig bezocht ik tal van grote theaters in Europa en elders. Als ik dan toekom in NTGent en de inkomhal binnenwandel, bedenk ik telkens weer wat een unieke plek dit is. Vanwege de muurtekeningen die Wim Opbrouck er aanbracht. Zowel de details van de tekeningen op zich, als het contrast met het rood van de loper en het koper van de lampen — het is een combinatie van provocatie met speelsheid, van anarchie met verbeelding. Die wrijving tussen irritatie en inspiratie, dat is zo waardevol. En bovenal: Wim is én speler én tekenaar én muzikant. Hij denkt en werkt vanuit verschillende disciplines, noem het allround. Dat in een tijd waar iedereen specialist ‘in iets’ is. Of moet zijn. Wat de inkomhal van NTGent mij vertelt, is een pretentieloos verzet. Tegen een al te eng en beperkend beeld van de mens.

Christoph Homberger tekeningen van Wim Opbrouck op muren en plafonds van de schouwburg van NTGent

16


17


Maart 2013. Precies drie jaar geleden liep in het Provinciaal Cultuurcentrum Caermersklooster de tentoonstelling ‘LIJN 3 — Beelden & verhalen uit de stadsrand van Gent’. De titel zei mij als Hagenees op het eerste gezicht niet zoveel. In Den Haag kende ik ook een LIJN 3, tramlijn 3 — station Den Haag Staatsspoor. Het grootste deel van de route liep over het zand. En daar kwam ik nooit! Het fotoboek van de tentoonstelling, met gelijknamige titel, is een duidelijk portret, een confrontatie met moderne verborgen armoede. De indrukwekkende foto’s uit de Gentse volkswijk Brugse Poort zijn gemaakt door Filip Claus, Bob Van Mol, Tim Dirven, Yann Bertrand, Jimmy Kets en Jonas Lampens. Het deed mij denken aan de foto’s van Geert van Kesteren onder de titel SCHRAAL die ik zag in 2006, het zijn persoonlijke verhalen achter het armoedeleed. Het is niet zozeer de interesse die ik als artiest heb in de zelfkant van de samenleving, maar veel meer een persoonlijke herkenning in het gedrag van degenen die in onze samenleving moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen; niet kunnen meedoen aan uitjes, vakanties, geen computer of mobiel hebben.

Bert Luppes foto’s van Filip Claus, Bob Van Mol, Tim Dirven, Yann Bertrand, Jimmy Kets en Jonas Lampen in de tentoonstellingscatalogus ‘LIJN 3 — Beelden & verhalen uit de stadsrand van Gent’, uitgegeven bij Ludion

18


19


‘Waar wij onder meer voor willen staan is het stimuleren van de verbeelding. Architectuur is een zeer verantwoorde bezigheid. Maar tegelijkertijd geloven we ook sterk in ‘het onverantwoorde’: de geste, de fantasie, de durf, de onverklaarbaarheid. Esthetiek berust vaak op het willekeurig samenbrengen van twee heel verschillende dingen. Noem het een ongecontroleerde schoonheid.’ Zo ongeveer klinkt het als de architecten van het Gentse architectenbureau de vylder vinck tailleu over hun werk praten. Er is iets aan hun esthetiek wat me heel erg ligt. Hun projecten zijn met zoveel gevoeligheid voor de juiste keuzes gemaakt dat ze op je systeem gaan werken, en je gemoedstoestand kunnen bepalen. Bijvoorbeeld de manier waarop ze natuurlijk licht integreren, dat zet heel veel open in je hoofd. Het zijn gebouwen die je een gevoel geven dat er veel kan. En dat inspireert. Het is veelzeggend dat ze de Studio’s van les ballets C de la B en LOD ontwierpen. Een omgeving is erg belangrijk. Ook bij het spelen. Bij het repeteren kom ik soms via de vormgeving van een decor of een repetitieruimte tot de inhoud van wat ik wil spelen. Het helpt me om mijn verbeelding open te zetten. De projecten van het bureau de vylder vinck tailleu zijn altijd op mensenmaat gemaakt en reageren heel gevoelig op de omgeving waarin ze worden gerealiseerd. Dat, én de manier waarop ze over hun werk praten, vind ik groots. ‘We stellen projecten nooit voor als een afgewerkt product. Een project bestaat nooit alleen uit het resultaat. Maar als iets dat zichzelf overruled. Zichzelf steeds weer heruitvindt.’

An Miller De Studio’s van les ballets C de la B en LOD bevinden zich op de Bijlokesite en zijn het werk van architecten de vylder vinck tailleu.

20


21


Ze zijn met vijf. Ze zijn gekleed in een mantel van brons. Eigenlijk zijn ze naakt. Het zijn jongens. Jongelingen. Ze zitten geknield en hebben de handen devoot over de schouders geslagen. De nek is schuin gebogen en draagt een onzichtbaar lijden. Ze kijken deemoedig omlaag alsof ze in een spiegel kijken, een bron? Introvert en elegant trotseren ze de jaren en de weersomstandigheden. De zon, de maan, en het stof van de stad. Ze zijn onkwetsbaar in hun kwetsbaarheid. Melancholie in steen gekapt. Waardig en soeverein bewaken ze de schoonheid. Ze zijn een baken, een loflied op de beeldhouwkunst. Als ik ga wandelen rond het NTGent ga ik graag naar ze kijken. Ik geniet van hun eenzaamheid. Ik geniet van hun onschuld, van hun inwendige kracht. Ik geniet van hun monumentale zinnelijkheid. Ik hou echter niet van de bijnaam die de volksmond hen gegeven heeft. De Pisserkes. Zij hebben namelijk niets met die dagelijkse behoefte van doen. Zij overstijgen de banaliteit van onze levens ter meerdere eer en glorie van het hogere. Tot in de eeuwen der eeuwen.

Wim Opbrouck Bij de heraanleg van het Emile Braunplein werd De fontein der geknielden van George Minne gerestaureerd en kreeg het bronzen beeld een nieuwe plek op ‘de Green’. Een versie in gips is te zien in het Museum voor Schone Kunsten te Gent. Ook in de tuin van het Paleis der Natie (het Federale Parlement) in Brussel en in het Folkwang Museum te Essen staat deze beeldengroep in respectievelijk brons en marmer. — www.mskgent.be 22


23


Soms leest een straat als een boek. Bijvoorbeeld het Biezekapelstraat(je), mijn lievelingsstraatje! Vertrek aan de Hoogpoort. Als je in het midden van het straatje wandelt, doemt recht voor je de imposante toren van de Sint-Baafskathedraal op. Een prachtig beeld. In elk seizoen. Zon, regen of sneeuw. Altijd even fotogeniek! (Op feestdagen en tijdens de Feesten zelfs mét vlaggetjes). Rechts het Koninklijk Muziekconservatorium. Uit de ramen waaien de klanken van piano’s, zangers, violen... Mijn hart maakt sprongetjes! Het kapelletje halfweg. 21 juli 1633. Getuigenis van een zekere Johanna van Hoorde: ‘Zestig jaar geleden, in den tijd dat de prins van Oranje hier met zijn volk lag, hoorde ik een geweerschot. Het kwam uit dit straatje, ik liep er heen en merkte dat een soldaat van Oranje dood op de grond lag. Omstaanders beweerden dat hij dronken schimpwoor­ den had geuit tegen het Mariabeeld en er daarna met zijn geweer had op geschoten. Hij had Maria op de wang getroffen, maar de kogel was teruggekaatst en had hem recht in de borst getroffen.’ De achtersikkel halfweg rechts met zijn torentje, de overdekte arcades, de tuin: een gedroomd Shakespeare-decor. Heb hier ooit als student ‘de balkonscène’ uit Romeo en Julia gerepeteerd. Een romantische plek, wellicht de reden waarom men dit ‘het vrijersstraatje’ noemt. Vervolgens sluit het Conservatorium naadloos aan op de backstage van NTGent — er is zelfs een geheime doorgang tussen beide — met achter die grote bruine poort de laaden loskade die recht naar het podium voert. Aan de overkant een bibliotheek vol katholieke geschriften. Verder richting Sint-Baafsplein langs enkele bijzonder fraaie herenhuizen. Op de hoek: het grootste ‘tochtgat’ van Gent. Men weze gewaarschuwd!

Chris Thys stadsgezicht bij de Biezekapelstraat, tussen Hoogpoort en Sint-Baafsplein

24


25


Nadat ik wat meer over Joseph Beuys zijn persoon en zijn ideeën te weten was gekomen, kon ik nooit meer zijn werk bekijken als het ding zelf, als zodanig. Al zijn werk is doordesemd en vormgegeven door zijn gedachten en ideeën door en voor en over de wereld. Hij kende geen kleine ambitie en droom: hijzelf, de wereld, de maatschappij en zijn kunst vallen samen. Dat is zijn utopie. ‘Iedereen is een kunstenaar’ (en daarmee verantwoordelijk voor het geheel). Iedereen maakt zo deel uit van ‘zijn’ sociale sculptuur. Ook weer een kunstwerk! Op deze manier kan de maatschappij de wereld aanpakken, vorm geven en veranderen. Ja, want er is nog heel veel werk te doen. Niks relativeren, niks cynisme! Hij gelooft in kunst als een enorme dynamische, creatieve kracht met een potentie tot veranderen. Ook een tekening of een voorstelling kan dat, dus. Dat vind ik een uitnodigende en troostrijke gedachte.

Julie Van den Berghe werk van Joseph Beuys maakt deel uit van de vaste collectie van het SMAK — www.smak.be

26


27


Het werk Trio van de Duitse kunstenaar Thomas Schütte, dat voorjaar 2013 op de tentoonstelling Ensemblematic in het SMAK te bezichtigen is, trekt meteen de aandacht. We zien drie figuren (een schilder, een tekenaar en een beeldhouwer) die met de ruggen tegen elkaar aan staan, bijna met elkaar vergroeid. Samen beslaat hun blikveld de hele ruimte. Ze hebben iets strijdvaardigs, als soldaten die omsingeld zijn maar niet van plan zijn zich zonder slag of stoot gewonnen te geven. Heldhaftig, zeker, maar ook een beetje belachelijk en grotesk (en daardoor weer ontroerend). Er steekt geen Kalasjnikov onder hun riem maar slechts een potlood, beitel of penseel. Bovendien lijken ze geen armen te bezitten die naar de wapens kunnen grijpen, de rudimentair gevormde lichamen zijn opgebouwd uit oud textiel en worden slechts bijeengehouden door stukjes touw en plakband. Houten stokjes steken er als spillebeentjes onderuit. De buitenissige wassen hoofden met hun getormenteerde, waanzinnige uitdrukkingen wegen zwaar door op de schriele en onmachtige lichamen. Het is alsof Schütte test hoe ver je kan gaan bij het boetseren van een herkenbaar menselijk gezicht. Daardoor krijgen de figuren niet alleen iets humoristisch maar ook iets monsterlijks, zoals dat ook bij Ensor het geval is (zijn werk in het Museum voor Schone Kunsten kwam trouwens evengoed in aanmerking als mijn ‘favorite work of art’). Niet toevallig is het ook een uitgesproken theatraal werk. Driedimensionaal en met prachtige, heroïsche en tragische personages. Met weinig middelen, knutselgrief haast, schetst Schütte een ontluisterend beeld van niet alleen het kunstenaarschap (want dat is hij nu eenmaal) maar ook van het mens-zijn an sich.

Oscar Van Rompay werk van Thomas Schütte maakt deel uit van de vaste collectie van het SMAK — www.smak.be

28


29


Aan de gevel van het HISK komen twee lichtsculpturen in neon te hangen van Frederik van Simaey (°1979), kunstenaar met de lichte ogen: A True Artist Changes The Weather en A Light Turns Into A Fire. A True Artist Changes The Weather. Ik bel Frederik hierover op, hij zegt: ‘Een kunstenaar moet proberen iets te veranderen. Het weer veranderen is bij uitstek een grote onderneming, tot voor kort, er worden tegenwoordig wolken gemaakt, of regen wordt juist afgewend. De neons moeten een soort motivatie voor de Hiskers zijn die daar komen. Zij moeten de verandering uitdragen. Het is ook een knipoog naar een van Bruce Naumans neonspiralen: The True Artist Helps the World by Revealing Mystic Truths.’ En over A Light Turns Into A Fire vervolgt hij: ‘Ik zat op een terras, naast me zat een Australiër, hij droeg krokodillenlederen laarzen en een typische hoed. Hij stelde zich voor, stelde allerlei vragen, we hadden een leuk gesprek, opeens vroeg hij: ‘Do you have a fire?’ Waarop ik antwoordde: ‘Nee, het is Light’. Waarop hij zei: Nee, in Australië vraag je vuur’. Toen zag ik licht dat vuur werd, een soort romance, als kunstenaar kom je op het HISK met een vlammetje en dat moet een vuur worden. Het kunstwerk moet een vuur creëren bij de toeschouwer.” Ik leerde Frederik kennen via Oscar van den Boogaard, mijn echtgenoot, toen hij op het HISK in 2010 als curator van de laureaten de tentoonstelling La conquête de l’espace maakte. Frederik stelde toen zijn werk Sunset tentoon. Wij hebben die zonsopgang van hem gekocht. Sunset staat nu bij ons thuis ingepakt in een houten kist, door Frederik gemaakt. Mooie contradictie donker en licht. Laatst was ik op atelierbezoek bij hem. Tussen alle werkenin-wording zag ik een woord tegen de muur hangen gemaakt van een Pritt-stift (I), een houtzaag (D), een zwarte reddingsband (O) en een omgekeerde hakbijl (L). Hij gaf het me cadeau. Nu hangt er tegen de muur achter mijn bureau sinds kort IDOL.

Steven Van Watermeulen De lichtsculpturen van Frederik Van Simaey komen aan de gevel van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te hangen, Charles de Kerchovelaan 187a te Gent — www.hisk.edu en www.frederikvansimaey.hi-ka-sk.be.

30


31


In het SMAK bevinden zich veel werken van kunstenaars die me zo dierbaar zijn dat ik me eerlijk gezegd moeilijk een leven zonder die werken kan voorstellen (Dirk Braeckman, Thierry De Cordier...). Er is één werk dat me al achtervolgt van de eerste keer dat ik het zag: Untitled (four small animals) van de Amerikaanse kunstenaar Bruce Nauman. Van Nauman zag ik eerder al (in een sublieme privé-collectie in Gent) grote en groteske neonwerken van figuren die in allerlei orgieën verwikkeld zijn. Of het spiraalvormige neonwerk met de tekst: the true artist helps the world by revealing mystic truths (de echte kunstenaar helpt de wereld door mystieke waarheden te openbaren) — een bewering die zowel hilarisch als fundamenteel is. Of een zelfportret als waterspuwend fonteintje. Dat ene werk dus: vier dierachtige vormpjes gemaakt in door tijd aangetast schuim hangen met ijzerdraad aan twee houten latjes. Kleur: gelig, oker. Enkele poten lijken afgehakt. De koppen zijn rudimentair afgewerkt. Een werk dat je de eerste keer enkele seconden bekijkt waarna je verder gaat. Maar je keert wel op je passen terug. Je kijkt nog een keer. Je ziet vier wezentjes, volstrekt weerloos, misvormd, gevild, blind. Het is niet de ‘kunstigheid’, het esthetische waar het over gaat. Het materiaal is banaal. Het is die carrousel die het hem doet: de carrousel beweegt niet, maar hij suggereert wel die volstrekt zinloze cirkelbeweging die niet ophoudt. Volstrekt absurd. Hopeloos. En op de een of andere manier dus troostend. Kortom: het soort werk dat een mens als ik ook in het theater wil brengen.

Peter Verhelst werk van Bruce Nauman maakt deel uit van de vaste collectie van het SMAK — www.smak.be

32


33


Waarom een (plastisch) kunstwerk me al dan niet raakt, is moeilijk uit te leggen. Meteen heb ik de neiging om het te hoeden voor al te veel overtollige commentaar. Maar goed, onlangs heb ik nog eens het Museum Dr. Guislain bezocht en dat heeft me alweer weten te bekoren. Alleen al de mooie omgeving en het oude, karaktervolle complex ademen rust uit. De tijdelijke expositie Nerveuze vrouwen omvat onder meer tekeningen, schilderijen, beelden, videofragmenten en getuigenissen van mensen uit de psychiatrie. Bij het werk van Louise Bourgeois uit 2004 heb ik wat langer stilgestaan. Toen ze 93 was, heeft ze een boek in stof gemaakt, getiteld Ode à l’Oubli. Hoe mooi dat zij als hoogbejaarde nog zo bedreven en gedreven kunstwerken maakte. Met dit kunstwerk wilde ze haar leven reconstrueren aan de hand van haar eigen kleren, vanaf 1920 tot aan haar hoge leeftijd. Zij heeft die kleren gedragen; nu dragen die kleren dus haar verleden. De kleurrijke kledij doorheen de jaren is omhuld in een zekere melancholie die ontroert. L’Oubli, de vergeten tijd, wordt weer zichtbaar. Het kunstwerk doet denken aan toevallige zolderbezoekjes, waar je in je eigen garderobe grabbelt en even geconfronteerd wordt met het feit dat je alweer een decennium verder bent. In de permanente tentoonstelling is een sectie ‘Outsiderkunst’. Geen grote namen. Pretentieloos. Relativerend naar de zogeheten verheven kunst toe. Daar zitten echt knappe werken tussen, van Pierre Avezard bijvoorbeeld (1902-1992). Hij was doofstom, met misvormd gezicht geboren; eerst koeherder, later houthakker. Hij verzamelde alles wat mensen weggooien en maakte er kunstwerken mee. Inspirerend in deze wegwerptijd. Een heel dorp heeft hij bij elkaar gekunsteld, vol kleurrijke figuurtjes. Aandoenlijk eenvoudig, maar net in die eenvoud ligt de charme van het werk. Ik heb er met ontzag naar gekeken.

Lien Wildemeersch werk van Louise Bourgeois vind je in de catalogus van de tentoonstelling Nerveuze vrouwen, uitgegeven bij Lannoo; werk van Pierre Avezard is te bezichtigen in de vaste collectie van het Museum Dr. Guislain — www.museumdrguislain.be

34


35


My favorite work of art,