Page 1


SOLITUDE Verschijnt in augustus 2014

Wanneer Frank en Robert het huis van hun opa leeghalen, ontdekken ze hun duistere familiegeschiedenis. Hun voorvaderen hebben meegevochten op Lombok in 1896; ze ondergingen de gruwelen van de oorlog en vestigden zich met de verworven buit als echte kolonialen in Nederlands-Indië, de een als planter, de ander als journalist. Dagboeken en andere documenten uit de vorige eeuw brengen Frank ertoe de geschiedenis van zijn opa en diens vader te reconstrueren. Erfelijke belasting en onverwachte familiebanden vormen een rode draad, en de Indische wortels zitten dieper dan Robert en Frank, in Nederland opgegroeid, ooit voor mogelijk hadden gehouden. Ontworteling lijkt een familietrekje waar ook zij niet aan ontkomen.

Foto auteur © Keke Keukelaar

Jeroen Thijssen is journalist en schrijft voor dagblad Trouw. Hij publiceerde eerder o.a. Mensen en Zoo, verhalen uit de dierentuin, zijn literaire debuut De Maarschalk en andere verhalen, Broeder en De Ronde van Gallië, in 2010 genomineerd voor Beste Reisgids van het Jaar. Eerder werk stond op de longlist voor de Libris Literatuurprijs.


4 vragen aan Jeroen Thijssen Waar komt je fascinatie voor Nederlands-Indië vandaan? 'Als kind fascineerde dat geheimzinnige, exotische gebied dat ooit van ons was geweest me al. Tijgers en neushoorns, oerwouden en vulkanen, gewelddadige expedities en dramatische oorlogen. Ook las ik over de schat van Tjakra Negara, die in het Rijksmuseum voor Volkenkunde werd bewaard. Dat alles was met ons polderland verbonden geweest! Naarmate ik opgroeide verbaasde het totale ontbreken van ons Indië in het dagelijks leven me. Verder dan Chinees-Indische restaurants en De stille kracht op televisie kwam het niet. Wat een gemiste kansen. Toen ik begon met schrijven nam ik me voor om minstens één boek in Nederlands-Indië te laten spelen.' Waarom heb je ervoor gekozen je historische roman tot in de moderne tijd te laten doorlopen? 'Ik wilde laten zien dat de geschiedenis van Nederlands-Indië niet stopt bij de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949. Nu nog zijn er mensen met trauma’s uit die periode, die ze doorgeven aan hun kinderen. Solitude was, toen ik het verzon, mijn verwerking van Honderd jaar eenzaamheid, dat veel invloed heeft gehad op mijn schrijven. Het is nog steeds een van mijn favoriete boeken. In eerste instantie speelde Solitude ook honderd jaar, maar daardoor klopten de leeftijden niet meer. Door het verhaal veertien jaar in te korten klopt het nu wel.' Je zou kunnen zeggen dat de broers Theo en Hendrik het optreden van kolonialen in Nederlands-Indië becommentariëren. Welke stemmen heb je ze gegeven? 'Theo heeft de weifelende stem van de man die beter wil maar het niet durft, Hendrik die van de ouderwetse planter die niet nadenkt over ethiek. Wel leeft hij, anders dan zijn broer, samen met de inlandse bevolking.' Wat is je het scherpst bijgebleven van je research voor het boek in Indonesië? 'Wat me het meest is bijgebleven zijn de uren in stoffige archieven en de reis naar Java. Er is nauwelijks een groter contrast denkbaar tussen de straten van Bogór en de gangen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden. Wat me nog meer opviel? De enorme toename van informatie over Indië op internet. Ik begon met mijn research in 2007, en moest toen bijvoorbeeld nog naar het Tropeninstituut om foto’s uit het begin van de twintigste eeuw te zoeken. In 2014 staan die nu bijna allemaal online.'


FRAGMENT


Solitude, 1911 De fijnste dag van de week was de zondag, wanneer vader niet pas laat terugkwam van de velden en Simon niet in zijn eentje naar de mandikamer hoefde. Vooral het tweede bad joeg hem de stuipen op het lijf. Wanneer in de schemering als bij toverslag de jungle stil was en de opkomende maan de bomen tot beschaduwde reuzen maakte, wanneer hij langs het pad de reuzenslangen zag liggen en in de waringins bleke spookgezichten schemerden. Langs de witte muren van het huis schuifelden witte schimmen. ‘De witte hadji,’ had Dewi gezegd, of Wulan, hij wist het niet meer, een van vaders vrouwen. Hij holde soms om een dreigend zwart stuk voorbij te zijn, dan sloop hij weer op zijn puntige sandalen, want wie geen herrie maakt valt ook niet op. De deur van de mandikamer bood nauwelijks bescherming, want binnen was het net zo donker als buiten, en het kaarslicht reikte niet tot tussen de bamboebalkjes, waar de giftigste dieren konden schuilen: slangen en spinnen; of de hantu waar de inlanders het altijd over hadden, de geest die dode zielen stal. Wel wist de jongen zich daar uit het zicht van de witte hadji. Hij waste zich haastig, met grote halen uit de mandibak, en rende terug zonder zich af te drogen of de kaars uit te blazen, een vergrijp waarvoor hij telkens weer op zijn mieter kreeg en dat hij telkens weer pleegde: het onzekere licht dat met hem meeviel over het grindpad baande de weg naar het inmiddels verlichte huis. Waarom hij het bad in zijn eentje moest nemen, begreep hij niet, de rest van de dag was hij omringd door personeel: de baboe, kokkie, de djongos of anders wel een van de meiden. Zo was het altijd geweest, hij kon zich geen moment alleen herinneren. Behalve dan tijdens de bezoeken aan de mandikamer. ‘Grote jongens gaan alleen,’ zei vader wanneer Simon zijn beklag deed. ‘Jij bent toch een grote jongen? Wat zou je moeder wel niet zeggen?’ Van zijn moeder kende Simon alleen de grote steen in de tuin waarop haar naam stond, Elize Bramme-Grevelingen, overleden op 6 mei 1906, naast de kleinere steen met Eveline Gerarda Bramme erop, en dezelfde datum.


Vader zweeg over de stenen, en Simon durfde geen vragen te stellen omdat, die keer dat ze per ongeluk ter tafel kwamen, het toch al uitdrukkingsloze gezicht van zijn vader nog vlakker werd; zijn snor was nog dieper over zijn onderlip geschoven, en er kwamen tranen in zijn ogen. ‘Kassian,’ zei Dewi, buiten het gehoor van vader. ‘Jouw moeder, zij was een heel mooie vrouw en heel goed.’ Wat was er dan met haar gebeurd, vroeg Simon. Goede mensen leefden toch lang en gelukkig? Dewi schudde droevig haar hoofd. ‘Wanneer een vrouw gaat kinderen krijgen,’ zei ze. ‘Zij lijdt. Of zij goed is of slecht.’ Meer wilde zij niet kwijt. ‘Vraag jouw vader, ja?’ Een tijdlang hield Simon de buiken van Dewi en Wulan scherp in de gaten, vooral die van Dewi. Hij had wel begrepen dat het daarmee te maken had: een dikke buik voorspelde onheil. Gelukkig bleven ze dun. Hij kende ze alle drie zoals hij zijn kamer kende: aan hun verschillende geuren; zoals zijn blokkendoos anders rook dan de klerenkast. En aan hun zachtheid, want Dewi was gewatteerd als zijn slaapmat, en Wulan stevig als een met leer beklede kledingkist. Een van hen was de hele dag bij hem in de buurt, tot hij ’s avonds veilig onder de klamboe lag. Dan droeg de nachtwind Dewi’s geur van kokos mee, of die van het dode muskushert dat oom Pieter op een dag had meegebracht van een jachtpartij: zo rook Wulan. Altijd hadden zij dezelfde geur, behalve korte perioden in de maand, wanneer zij alle drie geheimzinnig anders roken; zouter, kruidiger, net of zij die dagen geen bad hadden genomen. Maar dat kon niet: Javanen waren de schoonste mensen ter wereld, dat had vader zelf gezegd, en de twee zouden eerder de maaltijden overslaan dan hun baden. Bij Simon was dat omgekeerd. Hij at niet graag. Vooral de grijze, geleiachtige brei verafschuwde hij, die ’s morgens steevast op tafel kwam, vergezeld van koude rijst en bonenchips. ‘Kippenpap,’ noemde vader de brei en hij schreef er zijn onverwoestbare gezondheid aan toe. Hij sloeg het aarzelend eten van zijn zoon met iets van vrolijkheid gade. ‘Je lijkt je moeder wel.’ Toch zou Simon die dagelijks terugkerende beproeving zonder nadenken verdubbelen in ruil voor zijn avondbad. Misschien wel verdriedubbelen. Of misschien dat een van de meiden mee kon gaan voortaan.


‘Eet je kom leeg,’ zei vader. ‘Je moet niet zo zeuren.’ Alleen op zondag bleef Vader thuis en waren zij de hele dag samen. Wanneer dan de avond viel en de uil in de ginkgo begon te roepen, dan nam Vader handdoeken en lantaarns, dan stak hij zijn hand uit en zei ‘kom’, dan liepen zij samen door de tuin, waar een schaduw niet meer dan een schaduw was en de spookgezichten in de waringins oplichtende bladeren bleken. In de badkamer hurkten zij bij elkaar en maakten pret. Vader goot scheppen koel water over hen beiden, veel grotere scheppen dan Simon kon nemen. Hij wreef zijn afgekoelde lijf tegen het warme van Vader, bestudeerde de weelderige vacht van donkere haren die van de schouders afliep naar de buik en samengroeide tot een bosje waaruit iets stak als een vinger, maar wel een grote vinger. Simon bekeek zijn eigen lijfje en bedacht dat daar ooit, als hij even groot was als Vader, ook haar zou groeien, en dat ook zijn onderste vinger ooit groot uit zo’n bosje zou steken, en dat hij dan niet langer bang zou zijn voor het avondlijke bad. Op Solitude liep nog een Europeaan rond, een grote man met een gezicht als de volle maan en een baard, rood als sirih. Simon was een beetje bang voor hem, al had hij daartoe geen reden. Von Danzig was joviaal op het potsierlijke af, noemde hem ‘kleine meester’ en maakte spottende buigingen als hij Simon zag naderen. ‘Gila,’ zei Barep, zijn vriendje uit de dessa. ‘Gek. Maar wel aardig. Voor een totok.’ Simon vroeg zich af waarom Von Danzig niet bij hen aan tafel at, zoals Europeanen eigenlijk verplicht waren te doen, dat had vader hem vaak genoeg voorgehouden. ‘Wij zijn met één op tien,’ zei hij. ‘Misschien wel één op twintig. We moeten elkaar steunen, anders worden we overlopen.’ Daarom mocht Barep ook niet binnenkomen en zeker niet mee-eten of zich in de privévertrekken begeven. Inlanders hoorden niet in huis. Maar Dewi en Wulan wel, dacht Simon. Ook al zijn die inlands. En Von Danzig niet, ook al was die weer blank. ‘Von Danzig,’ zei vader, ‘is een ander soort Europeaan.’ ‘Hij slaapt met mijn moeder,’ zei Barep. Ze lagen op hun rug bij de kali, in niet meer gekleed dan een baadje tegen de zon.


‘Ben jij dan zijn zoon?’ Het opwindende verband tussen samen slapen en kinderen krijgen was hem onlangs door Dewi onthuld. Barep trok een apengezicht. ‘Hij is mijn vader niet.’ ‘Wie dan?’ ‘Ik weet het niet,’ zei Barep. ‘Maar hij is het niet.’ De vaderloosheid van Barep was een probleem dat Simon niet goed begreep. Kennelijk hadden alle kinderen in de kampong een vader en een moeder, alleen zijn vriend niet. Daarom werd hij nagejouwd door andere kinderen, en soms bekogeld met stenen. Ik heb wel een vader maar geen moeder, dacht Simon. Kennelijk is dat niet zo erg. Hij vroeg zijn vader ernaar, die vertwijfeld zijn handen in de lucht stak. ‘Inlanders!’ riep hij. ‘Waarom trek je met die jongen op?’ Maar hij verbood het niet en dat was maar goed ook, anders zouden ze weglopen van huis, naar neef Diederik in Batavia. Daar zou niemand hen vinden. Hij zou nooit zijn beste vriend opgeven, de enige met wie hij echt kon spelen. Gelukkig hoefde weglopen niet. Vrolijk rende Simon het pad af naar de desa, onder de verzakte toegangspoort door naar het huis van Bareps moeder. Hij trof zijn vriend op de pelatan, de ruimte voor het huis waar de rijst te drogen lag. ‘Von Danzig is er,’ verklaarde Barep, met een klank van geërgerd ontzag in zijn stem. Ergernis begreep Simon wel. Maar ontzag? Samen kropen ze door de haag van bamboe en bomen die ieder erf van het aangrenzende scheidde, worstelden zich door de aanplant van vruchtdragend gewas en renden naar hun vaste plekje aan de kali, Barep lichtvoetig voorop, Simon hijgend als tweede; hij kon in de zon nooit zo hard lopen als zijn vriend. ‘Wat wil jij later worden?’ Tersluiks bekeek hij de slanke maar gespierde armen van zijn kameraad. Snel en sterk, dat was Barep. Hij kon wel bokser worden. Of politieman, boeven vangen en weggelopen koelies. ‘Ik word commissaris,’ zei Simon. Barep keek niet-begrijpend. ‘Worden?’ ‘Later. Als ik groot ben.’ Barep schudde zijn hoofd. ‘Ik begrijp je niet.’ ‘Over twintig jaar. Wat doe je dan?’ Barep keek over de rivier en schreeuwde: ‘Daar! Een muntjak.’


Inderdaad waadde aan de overkant een bruin hert door het water, geheel tegen zijn gewoonten in midden op de dag, en keek wazig om zich heen. Toen hij de haast bevroren jongens ontdekte, keerde het dier en verdween op een sukkeldrafje in de alangalang. Barep zuchtte diep. ‘Een muntjak. Wat zou dat betekenen?’ Nu haalde Simon zijn schouders op.

Profile for Nieuw Amsterdam

Voorpublicatie: Jeroen Thijssen, 'Solitude'  

Voorpublicatie: Jeroen Thijssen, 'Solitude'  

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded