Page 1

Jaargang 3 Ψ Nummer 2 Ψ Juni 2015

Nieuw! Interactive Drawing Test autisme Tekentest meet subtiele beperkingen in sociaal gedrag. Ontwikkelings­ psycholoog en onder­zoeker Sander Begeer vertelt over deze test en deelt zijn kijk op effectieve begeleiding van kinderen met autisme.

TP’er@Work Werken bij een jeugd­ zorginstelling voor uit huis geplaatste jongeren: geen dag hetzelfde! Een kijkje op het werk van TP’er Irma Heessels.

THEMA

KIND & psychologie

In dit nummer VAN DE REDACTIE 2

RAKIT herzien!

Kiene kleuters

Cognitieve mogelijkheden van basisschoolkinderen meten? De NBTP-redactie neemt de proef op de som en test de RAKIT-2!

Hoe begeleid je kinderen met een ontwikkelings­ voorsprong? Deze vraag stond centraal bij het congres Kiene kleuters. Redacteur Britt van Bavel-Stienen doet verslag.

Positieve psychologie

Mogelijkheden TP in het onderwijs

Docente en auteur Jacqueline Boerefijn over het belang van positief opvoeden, kinderen passende verantwoordelijkheden geven en zeggen wat goed gaat.

Wat zijn de arbeidskansen en mogelijkheden in het onderwijs? TP professionals in de leerlingbegeleiding vertellen vanuit ervaring en geven advies.

VAN DE VOORZITTER 2 ● EVEN VOORSTELLEN: MARIEKE 3 ● COLUMN TIJS 3 ● INTERVIEW: SANDER BEGEER 4 ● TP‘er@WORK 8 ● VERSLAG STUDIEDAG: KIENE KLEUTERS 9 ● INTERVIEW: JACQUELINE BOEREFIJN 11 ● VRAAGBAAK 14 ● 3X BOEKBESPREKING 15 ● TP IN HET ONDERWIJS 20 ● MEETINSTRUMENT: RAKIT-2 23 ●


COLOFON

VAN DE REDACTIE

Hoofdredactie Robin Huisman

Kinderpsychologie

Eindredactie Jiska Duurkoop, Eric de Ruijter Redactie Britt van Bavel-Stienen, Paulien van der Krift, Ian MacMenamin, Tijs Metternich, Marieke Remmen. Vraagbaak Ruben van Boven Lilian Jans-Beken Bo Sikkens Speciale medewerking aan dit nummer Sander Begeer Jacqueline Boerefijn Jenny Schoonbeek Corine Willemse Bestuur Monique Korpershoek (voorzitter), Nikki Bosch (secretaris), Karin van Leeuwen (penningmeester), Elout van Leeuwen, Ian MacMenamin, Anita Boerema, Sander van der Horst, Johannes Postema en Marjolein Smits. Website www.nbtp.nl Ontwerp en lay-out magazine Stephany Thijssen www.grafischontwerpstephany.nl

Ontwerp logo NBTP Anne Sesink en Joost Snel Lidmaatschap Wil je je gegevens wijzigen of kan je niet meer inloggen op Mijn NBTP van https://mijn.nbtp.nl, neem dan contact op met ledenadministratie@ nbtp.nl. Wil je je uitschrijven? Je kan je uitschrijven via mijn.nbtp. nl/uitschrijven. Uitschrijving dient minimaal één maand voor het einde lidmaatschap plaats te vinden. Lid worden? Dat kan via mijn.nbtp.nl Contributie De contributie voor het jaar 2015 is vastgesteld op 10 euro voor studentleden en 60 euro voor leden. Niets uit deze uitgave mag, noch geheel, noch gedeeltelijk, worden overgenomen en/of vermenigvuldigd zonder voorafgaande schriftelijke toestemming. We zijn niet aansprakelijk voor fouten, verkeerde interpretatie te gevolge van de uitgave van de NBTP Magazine. Aan deze uitgifte kunnen geen rechten worden ontleend. Het kopiëren of vermenigvuldigen van de NBTP Magazine is niet toegestaan, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.

In dit zomernummer komt de kinderpsychologie aan bod. Kinderpsychologie is de afgelopen maanden veelvuldig in de media gekomen in verband met de veranderingen in de zorg en de overgang van vergoeding van de jeugd GGZ van de zorgverzekeringen naar de gemeenten. Wat je echter niet hoort is waar kinderpsychologie nu eigenlijk uit bestaat, wat de ontwikkelingen binnen dit werkveld zijn. In deze uitgave komt het allemaal aan bod! Van hoogbegaafdheid bij kinderen tot interviews met specialisten binnen dit werkveld. Ook aan dit magazine heeft weer een nieuw redactielid meegewerkt. Namens het bestuur en de redactie heten wij Marieke Remmen van harte welkom in het team. Hiernaast stelt zij zich voor. We hopen dat ze zich snel thuis gaat voelen bij ons en dat we kunnen putten uit haar ervaringen binnen de HRM en positieve psychologie. Sinds de vorige uitgave zijn wij (bestuur en redactie) weer druk bezig geweest om ons mooie vak van Toegepast Psycholoog nog beter op de kaart te zetten. Zo is het bestuur in conclaaf met scholen en zelfs met het ministerie van VWS om de belangen van TP’ers te behartigen. Wij zijn hier uiteraard erg enthousiast over en wij hopen dat dit deuren kan openen waardoor de NBTP zich kan profileren als de professionele beroepsvereniging die het wil zijn. In de komende nummers leest u daar meer over Veel leesplezier! Robin Huisman, hoofdredacteur NBTP Magazine

VAN DE VOORZITTER

Connect

Monique Korpershoek

Zoals elke Toegepast Psycholoog weet maar ook of ervaart, zijn wij een nieuwe, jonge beroepsgroep. Dit merk je om je heen. Als je je voorstelt als Toegepast Psycholoog krijg je vaak vragende blikken. Deze vragende blikken omzetten in een blik van herkenning kost tijd en inspanning. Met het bestuur zijn wij dagelijks bezig om hier verandering in te brengen. 2015 staat bij ons in het teken van onze zichtbaarheid. De Toegepast Psycholoog moet definitief een plaats veroveren in het werkveld. Op landelijk niveau is hierin een grote stap gezet door een afspraak met het ministerie van VWS, die we hebben afgedwongen door middel van een petitie. Wij krijgen de mogelijkheid om aan te geven welke rol wij kunnen en willen spelen in de veranderingen binnen de GGZ. Hiermee we onze beroepsgroep verder op de kaart. Op regionaal niveau worden regiocoördinatoren ingezet om de Toegepast Psycholoog bij het bedrijfsleven meer bekendheid te geven. Hierbij wordt nauw samengewerkt met de aanwezige Hogescholen. Op dit moment zijn er drie regiocoördinatoren. Dit is nog niet voldoende voor een landelijke dekking, maar zeker een mooi begin. Op individueel niveau hebben we ons programma ‘Connect’. Als je lid bent van de vereniging kun je met dit programma in contact komen met andere leden. Ieder lid heeft zo zijn eigen kennis en specialisme. Door ‘Connect’ kunnen deze kennis en specialismen heel makkelijk met elkaar gedeeld worden. Verder kunnen we jullie kennis ook gebruiken om de toegepaste psychologie verder te profileren. Wij, als bestuur, horen graag jouw suggesties en maken graag gebruik van jouw netwerk, die een belangrijke schakel kunnen zijn voor ons. Zo werken we samen aan een mooie toekomst voor de Toegepast Psycholoog!


EVEN VOORSTELLEN Marieke Remmen

Foto: Heleen Klop

Ontwikkeling als rode draad! Mijn naam is Marieke Remmen, 48 jaar en werkzaam in een tweede loopbaan als zelfstandig trainer en life coach op het gebied van persoonlijke en professionele groei. Ik geef ondermeer trainingen work/ life balance en strong mindfulness. Ontwikkeling is de rode draad door mijn leven en loopbaan. Ik geniet ervan om samen met anderen hieraan te werken. Mijn kerntalenten zijn dan ook leergierigheid en nieuwsgierigheid. Dit ontdekte ik tijdens mijn studie als deeltijdstudent Toegepaste Positieve Psychologie (MSc Applied Positive Psychology) aan Bucks New University in Engeland. Deze studie gaat over het verhogen van het welbevinden van gezonde mensen door het ontwikkelen van sterktes, het bevorderen van positieve emoties en het versterken van hoop en veerkracht. Eens per maand dompel ik mij samen met medestudenten in Engeland onder in de nieuwste inzichten in dit jonge vakgebied. In de eerste helft van mijn loopbaan leerde ik veel van mijn werk als HRM-consultant en interim professional in zorgorganisaties. Dit combineerde ik met het volgen van diverse opleidingen op het gebied van organisatieontwikkeling en een deeltijdcursus ‘journalistiek voor academici’, om beter te leren schrijven over mijn interesses. Daarbij denk ik aan talentontwikkeling, mindfulness, yoga en internationale samenwerking. Ik schreef eerder al voor een vakblad over ontwikkelings­ samenwerking en een website over gezondheid. Graag wil ik aan het NBTP-magazine een bijdrage leveren vanuit de invalshoek van de positieve psychologie om deze discipline wat meer op de kaart te zetten. Meer informatie over mij en mijn werk vind je op www.mariekeremmen.nl

Door Tijs Metternich

COLUMN 3

Liever Piaget dan Napoleon Geduld is een schone zaak. Ik heb veel dingen, maar dat niet. Wel een schone zaak, maar geen geduld dus. Voilà, zie hier de reden waarom ik een doodsangst heb om ooit kinderen te krijgen. Goede ouders staan bij mij synoniem voor geduldige mensen. Gisteren was het zondag en om de tijd te doden werk ik dan bij mijn bijbaan-Italiaan. En op zondag komen busladingen kinderen om samen met Giuseppe of Pietro zelf pizza’s te bakken. Met stijgende verbazing kijk ik naar hoe ze die kids weten te vermaken. Pizzabollen transformeren in een mum van tijd in hartjes, spoken en weet ik veel wat. Ze vliegen alras de steenoven uit. Compleet met gezichtjes van salami en groenten. Razend knap vind ik het. En mama vindt het prachtig. Papa is gematigd tevreden, want hij ziet een onveilige constructie in het deeg-met-kaas-kasteel. Maar het enige wat hij zegt is: “Wat mooi, schat.” Pizza op? “TOETJE!! IJSJE!! MAMA, IK WIL IJSJE!!” En hoe vervelend ik dat gegil ook vind, die koters zijn blij en dat is de bedoeling van uit eten gaan. So far, so good dus. Maar dan. Dan gaat het fout. Ik signaleer weer eens een gefrustreerde ouder. Dit keer is het de moeder. Grijpend en schreeuwend naar een kind dat niet wil luisteren. “Donny, DONNY!!! EN NU IS HET AFGELOPEN! MAMA KAN ER NIET MEER TEGEN! MAMA IS JOU HELEMAAL ZAT!” En mama gaat erbij zitten. Met een machteloze blik gevuld met dikke tranen. Zou het niet fijn zijn als die mensen iets meer van hun kinderen begrepen? Voor henzelf en de kinderen natuurlijk. Maar vooral voor mij. Dit is een oproep om psychologie op de middelbare school te geven. Waarom leren we over resultaten­rekeningen, de turgor, de Koreaanse oorlog, de passé composé en het löss in Limburg, maar leren we niet onszelf en anderen te begrijpen? Jong geleerd is immers oud gedaan. Hoe eerder we als pubers snappen welke behoeften wij zelf als kind hebben (gehad) en waarom, hoe beter onze voorbereiding op het leven en het eventuele ouderschap is. Laten we ze liever over Piaget leren dan over Napoleon. Dus: Kinderpsychologie als zondagse katerremedie!


4 INTERVIEW

Sander Begeer


INTERVIEW 5 Test meet wederkerigheid in sociale relaties d.m.v. het maken van een tekening

Interactive Drawing Test (IDT): nieuw diagnostisch instrument autisme Door Eric de Ruijter

Ontwikkelingpsycholoog Sander Begeer (41) is altijd gefascineerd geweest door het fenomeen autisme. Het meeste van zijn wetenschappelijk onderzoek dat hij als Universitair Hoofddocent aan de Vrije Uni­versiteit Amsterdam uitvoert, is erop gericht om autisme te begrijpen, de diagnostiek te verbeteren en de ontwikkeling van mensen met autisme op de lange termijn in kaart te brengen. Hij heeft net onderzoek gedaan naar een nieuw diagnostisch instrument, de Interactive Drawing Test (IDT). De uitkomsten zijn veelbelovend. Wat voor instrument is IDT?

Fundamenteel en toegepast onderzoek naar autisme: http://www.ara.vu.nl/ Nederlands Autisme Register: www.nederlandsautismeregister.nl Nederlandse Vereniging voor Autisme: http://www.autisme.nl/

“Tineke Backer van Ommeren, een gepensioneerd klinisch psychologe, heeft een test ontwikkeld die wederkerigheid in sociale relaties meet door middel van het maken van een tekening. Dat gaat zo: een onderzoeker vraagt aan een deelnemer om samen te gaan tekenen. Ze tekenen elk met een eigen kleur. Zonder dat aan de deelnemer te vertellen, tekent de onderzoeker altijd eerst de basisvorm van een huis. Hij zet een eerste lijn en de deelnemer zet vervolgens ook iets op het papier, en dat wordt steeds herhaald. Meestal gaat de deelnemer met de onderzoeker mee tekenen aan dat huis. Dit patroon zie je in de tekening van een zich normaal ontwikkelend zesjarig jongetje (f iguur 1). Je ziet aan de verschillende kleuren in hetzelfde object dat hij heel goed samenwerkt. Maar als je kijkt naar de tekening van een jongetje met autisme van dezelfde leeftijd en met hetzelfde IQ, dan zie je dat hij helemaal niet mee doet met de onderzoeker (f iguur 2). Het huis is helemaal door de onderzoeker getekend. Wij hebben gevonden dat kinderen met autisme die op andere testen laag scoren en in eerste instantie dus niet als autist herkend worden, op deze tekentaak duidelijk door de mand vallen.” >>


6 INTERVIEW Figuur 1, tekening van een kind met normale ontwikkeling.

“Een kind met autisme zal het niet erg vinden als jij met hem meedoet. Dit is een interessant aspect aan die wederkerigheid. Als je meedoet aan zijn activiteit dan zie je wel sociaal gedrag. Dan krijg je op zijn initiatief wel wederkerigheid. Als ze zelf kunnen bepalen wat ze spelen, als het gaat over hun fascinatie, dan kunnen ze prima praten en sociaal zijn. Maar zodra het over een ander onderwerp gaat, vinden ze het heel moeilijk om te switchen en zich te verhouden tot de andere persoon. Dat zie je ook bij de tekentaak. Als een kind met autisme zelf initiatief heeft genomen om iets te tekenen, laat het de ander daarin wel toe en reageert daar adequaat op.” “Mijn grootste uitdaging is om een goed instrument te ontwikkelen dat de subtiele beperkingen in sociaal gedrag meet. De IDT is wat dat betreft echt iets veel­ belovends. Bij eerdere taken zagen we nooit zulke grote verschillen tussen deelnemers met en zonder autisme. Het lijkt er dus op dat deze taak een groot onderscheidend vermogen heeft, ook bij kinderen en jongeren met autisme en een normale intelligentie. Ik wil heel graag dat IDT wordt klaargemaakt voor de diagnostische praktijk. We zijn nu hard bezig met het ontwikkelen van een goede handleiding en een digitale versie van de IDT. En met de validatie. Dat hele proces duurt waarschijnlijk een jaar.”

Vanaf welke leeftijd kan je de diagnose autisme stellen? “Je kunt redelijk betrouwbaar bij een tweejarige vast­ stellen dat het om autisme gaat. Wat je vervolgens kan inzetten, is een intensieve therapie waarbij je probeert

om het aangeboren gebrek aan sociale motivatie aan te wakkeren. Als je bijvoorbeeld aan een zich normaal ontwikkelende baby een plaatje van een gezicht of een object laat zien, dan heeft deze een voorkeur voor het gezicht. Een kind met autisme verliest allemaal leer­ momenten ten opzichte van een zich normaal ontwikkelend kind omdat het juist meer focust op objecten dan op gezichten.” “Vroege, intensieve behandelingen gaan uit van de motivatie en interesses van het kind. Dus als het kind geïnteresseerd is in schommelen dan ga je iets doen rond die schommel. De situatie waarin de motivatie heel hoog is, gebruik je om het kind te motiveren sociaal initiatief te tonen. De therapie kan soms veertig uur per week zijn. Sommige mensen zijn kritisch over de inten­ siteit ervan, maar ik zie wel degelijk dat daar grote sprongen worden gemaakt. Die kinderen gaan dan ook ineens heel erg vooruit in hun cognitieve ontwikkeling en zijn beter in staat om hun sociale omgeving te waarderen. Een ruime hoeveelheid degelijk onderzoek heeft aan­ getoond dat deze therapie het meest effectief is.”

Je bent mede-initiator van het Nederlands Autisme Register. Dat is met name opgezet om langetermijnonderzoek te verrichten. Wat is de opzet? En het doel? “De Nederlandse Vereniging voor Autisme deed al enquêtes vanaf 2001. Dat waren steeds losstaande, niet aan elkaar gekoppelde onderzoeken. Het register is vooral gestart om de resultaten wel aan elkaar te kunnen linken en dus een volgsysteem te maken. We hebben een eerste enquête gedaan in 2013 en net de


INTERVIEW 7 Figuur 2, tekening van een kind met autisme.

tweede afgerond. De onderwerpen zijn heel algemeen. Het gaat over diagnoses, behandeling, wonen, arbeid, vrije tijd en welbevinden.” “Meer dan bij andere stoornissen zit er een enorme diversiteit binnen autisme. Je hebt mensen die echt op laag niveau functioneren. Je hebt mensen die een hoog niveau hebben. Zelfs binnen dezelfde IQ-groep zijn de verschillen groot: sommigen zijn heel proactief en hebben moeite om zichzelf te begrenzen. Anderen zijn juist heel passief en maken weinig contact. Wat wij willen weten is wat de succesfactoren zijn en wat de beperkende factoren. Kunnen we die blootleggen en preventief interveniëren, zodat deze mensen beter kunnen participeren? Door grote groepen mensen met autisme te volgen over de tijd wordt dat mogelijk. Dan kun je zien wat er verandert bij wie en waar dat aan ligt.”

Zijn er al resultaten van de enquête van 2015? “Je ziet dat er nog steeds een grote groep is die geen baan of een dagbesteding heeft. Dat vinden we nog steeds geen best verhaal. De hoeveelheid mensen die een reguliere betaalde baan hebben, is nog steeds maar rond de 30%. Een belangrijk punt is dat één op de vijf mensen die zonder dagbesteding thuis zit een normale tot hoge intelligentie heeft. Dat is echt een verspilling van talent. Zij zouden enorm goed kunnen participeren. Er zijn uitzendbureaus specifiek voor mensen met autisme, zoals AutiTalent. Zij zorgen voor een aangepaste werkomgeving en voor goede informatie aan collega’s en leidinggevenden. Werkgevers zijn dolenthousiast, omdat werknemers met autisme 100%

leveren van wat hen gevraagd wordt. Daar valt nog een enorme slag te maken.”

Op welke manier kunnen mensen met autisme het beste functioneren? “Mensen met autisme hebben vaak moeite om te begrijpen waarom mensen doen wat ze doen. Wij handelen niet altijd omdat we dat van tevoren bedacht hebben, maar zo werkt het bij veel mensen met autisme wel. Eerst hebben ze een plan en dat gaan ze dan uitvoeren. Als er vervolgens onverwachte dingen gebeuren, valt het plan in duigen. Veel kinderen met autisme moeten tijdens de schoolpauze harder werken dan tijdens de les. Iedereen gaat dan gewoon door elkaar heen spelen. Er lijken opeens geen regels meer te gelden. Die behoefte aan regels zie je altijd heel sterk terug. Dat zie ik als een van de basisproblemen in alle domeinen van het leven van iemand met autisme.” “Transities zijn ook altijd een groot probleem. Mensen met autisme hebben bepaalde gewoontes waar ze niet alleen sterk aan hechten, maar ook echt van afhankelijk zijn. Ze kunnen in blinde paniek raken als ze daar vanaf moeten stappen. Sociale relaties zijn met name lastig omdat in de ogen van iemand met autisme de ander zo onvoorspelbaar is. Vaak is niet duidelijk wat die andere persoon wil. Als je iemand met autisme wilt helpen, moet je de ene helft van je energie in die persoon stoppen en de andere helft in de omgeving, door te zorgen dat die omgeving op de hoogte is van het autisme. Dat kun je doen door een goede structuur en een duidelijke context te bieden en heldere afspraken te maken. Dan kan iemand prima functioneren.”


8

TP‘ER@WORK Wie ben je en wat doe je? Mijn naam is Irma Heessels. Ik heb Toe­ gepaste Psychologie gestudeerd aan de Fontys Hogeschool in Eindhoven. Ik ben werkzaam als pedagogisch medewerker op de behandelafdeling voor jongeren tussen de 14 en 18 jaar die uit huis zijn geplaatst. Het is een 24-uursinstelling wat in houdt dat je daar dag-, avond- en slaapdiensten draait.

Bij wat voor organisatie werk je? Bij Juzt, een jeugdzorginstelling in West-Brabant en Zeeland, op het terrein Lievenshove. Juzt is een grote organisatie met zowel woongroepen, behandelgroepen, dagbehandeling, trainingen en ambulante zorg.

Wat zijn jouw taken? Mijn taken bestaan uit het begeleiden en behandelen van de jongeren in de groep. Tevens ben ik mentor van twee of drie jongeren. Dit houdt in dat ik één op één met de jongere samenwerk, behandeldoelen opstel, me bezighoud met de organisatie rondom het leven van de jongere en contact onderhoud met ouders of voogd. Ik voer wekelijks mentorgesprekken en houd de vorde­ringen van de jongere bij. Ik heb samen met collega’s werkoverleg en cliënt­ besprekingen. Je zorgt voor een pedagogisch behandelklimaat in de groep zodat de jongeren in een veilige omgeving nieuw gedrag kunnen aanleren.

Wat voor meerwaarde heeft de opleiding TP in jouw baan? De meerwaarde van de TP’er is de grote theore­ tische kennis van psychiatrische stoornissen en kennis van de vele psychologische modellen waarmee wordt gewerkt in de praktijk. De TP’er kan er mede voor zorgen dat er vanuit onderzoek wordt gewerkt, zodat alle collega’s op dezelfde manier de gedragsproblemen behandelen. Dit bevordert de continuïteit en het resultaat van de behandeling.

Hoe ben je bij dit werk gekomen? Ik ben na mijn studie begonnen in de psychiatrische zorg voor volwassenen, maar ik wist vanaf mijn studietijd al dat ik liever met kinderen en jongeren werk. Ik ben vervolgens gaan solliciteren in de jeugdzorg zodat ik een combinatie had van jongeren en psychologie.

Welke vakken uit je studie zijn zinvol in je werk? Alle theorie uit de verschillende vakken, maar ook gespreksvoering, coachen, onderzoek en statistiek, mijn minors (GGZ Agoog bij Avans en Gedrag & Probleem bij HU) en stages hebben zeker bij­ gedragen aan het goed kunnen uitvoeren van mijn werkzaamheden.

Hoe ziet een doorsnee werkdag er voor jou uit? Het leuke van een behandelgroep met jongeren is dat geen dag hetzelfde is. Simpelweg omdat de diensten al anders zijn. De dagen bestaan bijvoorbeeld uit het begeleiden van de jongeren, gesprekken voeren, activiteiten met hen doen, werkoverleg, cliëntbesprekingen, contact met ouders en het schrijven van een multidisciplinair plan over jouw mentorkinderen. Naast de dagplanning die je maakt voor jezelf, moet je er altijd op voorbereid zijn dat de dag toch anders zal lopen.

Heb je nog tips of opmerkingen voor (aanstaande) collega TP’ers? Maak tijdens je studie zoveel mogelijk gebruik van alle mogelijkheden die je krijgt. Zoals je minor, stage, en afstudeeronderzoek. Wees creatief in het onderzoeken van je kansen en wat je leuk lijkt en bespreek deze met je studieloopbaanbegeleider. Ik heb twee minors op twee verschillende hogescholen gevolgd. Ik heb mijn praktijkstage in het buitenland gedaan en mijn afstudeeronderzoek bij de Koninklijke Marine. Hierdoor heb ik me al tijdens mijn studie breed georiënteerd, wat me snel aan een baan heeft geholpen. Inmiddels is Irma Heessels verhuisd naar Australië waar ze haar werk als Toegepast Psycholoog voortzet en individuele, psychologische begeleiding geeft aan kinderen van basisschool-leeftijd.


VERSLAG STUDIEDAG 9

Hoe begeleid je kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong?

Kiene kleuters in de klas Door Britt van Bavel-Stienen

Congres Kiene kleuters Te volgen bij: Medilex Onderwijs Website: http://www.medilexonderwijs.nl/aankondiging/ontwikkelingsvoorsprong/congres Volgende mogelijkheid tot het deelnemen aan deze dag: maart 2016

NBTP-redactielid Britt van Bavel-Stienen studeert af op het onderwerp hoe het onderwijsaanbod van groep 2 leerlingen met een ontwikkelingsvoorsprong eruit dient te zien. Zij reisde namens de redactie enthousiast af naar Driebergen, waar zij een congres volgde van Medilex Onderwijs. Medilex organiseert congressen en cursussen voor professionals in het primair, voortgezet, middelbaar beroeps-, hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs. De dag over ‘Kiene kleuters’ was bedoeld voor iedereen die interesse heeft in of werkt met kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong. >>


10 VERSLAG STUDIEDAG

B

ij kleuters spreekt men over het algemeen niet over hoogbegaafdheid omdat hun ontwikkeling sprongsgewijs verloopt en een IQ-score weinig voorspellende waarde heeft voor het zesde levensjaar (Van Gerven, 2009). Omdat men steeds meer bekend raakt met de gevolgen van het niet op tijd (h)erkennen van een ontwikkelingsvoorsprong - denk aan onderpresteren en verlies van motivatie - richt de professional zich tegenwoordig in een steeds vroeger stadium op de onderwijsbehoefte van het kind. Het congres stelt zich ten doel te voorzien in de informatiebehoefte hieromtrent. Dagvoorzitter Rienkje van Boekel (onder andere docent Pedagogiek/Onderwijskunde, lid kenniskring Lectoraat EarlyChildhood ) geeft de aftrap en vertelt over de definities en cijfers die er prevaleren met betrekking tot hoogbegaafdheid, meerbegaafdheid of een ontwikkelingsvoorsprong. Diverse specialisten uit het onderwijs en pedagogisch onderzoek zoomen vervolgens in op een vijftal thema’s: 1. Signaleren en volgen: Hoe herken je kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong, hoe maak je als professional optimaal gebruik van de informatie van de ouders bij het signaleren en volgen? Jacqueline van Nieuwenhuizen (specialist jonge kind en begaafdheid) geeft antwoord op deze vragen en stipt de aandachtspunten aan. 2. Uitdagen en versnellen: Hoe verrijk je de dagelijkse activiteiten met materialen die al op school aanwezig zijn? Verrijken versus versnellen zijn onderwerpen waar Carla van Deelen (specialist jonge kind Seminarium voor Orthopedagogiek) dieper op in gaat. 3. Spel en de sociale ontwikkeling: Annerieke Bolland (lector onderwijs aan het jonge kind iPabo) maakt de congresbezoeker deelgenoot van de wijze waarop de sociaal-emotionele ontwikkeling van kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong gestimuleerd kan worden en hoe voor cognitieve uitdaging in het spel gezorgd kan worden. 4. Onderpresteren bij kleuters: Arja Kerpel (specialist hoog­ begaafdheid, redactielid Wij-leren.nl) geeft inzicht in de oorzaken en kenmerken van onderpresteren bij kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong en hoe dit aangepakt dient te worden. 5. Kleuters en techniek: Hanno van Keulen (lector Leiderschap in Onderwijs en Opvoeding, Hogeschool Windesheim Flevoland) geeft praktische tips voor het begeleiden van het exploratie­ gedrag van kleuters en het stimuleren van creativiteit en experimenteerdrift bij kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong.

ontwikkelingsvoorsprong en hoogbegaafdheid liep uiteen. Desalniettemin wisten de sprekers het grootste deel van het publiek te boeien. De humor die op momenten bij enkele sprekers naar voren kwam, zorgde voor een positieve sfeer waardoor de tijd voorbij leek te vliegen. Vooral de voorbeelden van hoe het niet (h)erkennen van kinderen met een ontwikkelings­voorsprong op 4-jarige leeftijd kan zorgen voor grote problemen in het verdere scholingstraject maakten veel indruk op de zaal. De afstemming van de voordrachten en de planning van de lezingen hadden beter gekund. De thema’s vertoonden op punten overlap en een lezing werd afgebroken. Hierdoor kwam de specialiste in kwestie minder professioneel over. Eén van de lezingen had ook veel weg van een verkooppraatje, met weinig meerwaarde voor het publiek. Tijdens de lunch en koffiepauzes was er gelegenheid om te netwerken en na afloop verschafte de organisatie het publiek toegang tot een digitaal naslagwerk en ontving men een certificaat. Een mooie afronding van een interessant congres.

Conclusie Het congres was een boeiende opfrisser van de bestaande kennis en kunde met betrekking tot hoogbegaafdheid en ontwikkelingsvoorsprong. De bijdragen van de sprekers waren zeer toegankelijk, ook voor de professionals met minder voorkennis. Het was mooi om te zien dat zo veel onderwijspersoneel motivatie tot verandering van het onderwijs liet zien. Hopelijk is dit een stap naar een toekomst waarin begaafdheid eerder wordt (h)erkend en waar vanaf het eerste moment wordt ingezet op de onderwijsbehoeften van hoogbegaafde kinderen.

TOP 5 bevindingen 1. Steeds meer professionals in het onderwijs raken gemotiveerd om het onderwijs ook af te stemmen op de onderwijsbehoeften van kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong. 2. Kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong lopen over het algemeen sociaal niet achter maar voor. 3. Versnelling is niet verkeerd, maar is geen oplossing wanneer het onderwijsaanbod vervolgens niet aangepast wordt. Een nieuwe voorsprong blijft dan een terugkerend ‘probleem’. 4. Zo vroeg mogelijk (het liefst al voor plaatsing door middel van informatie van ouders, peuterspeelzaal e.d.) herkennen van een ontwikkelingsvoorsprong is van cruciaal belang om het risico op onderpresteren zo laag mogelijk te houden. 5. Verrijken van het onderwijsaanbod hoeft geen geld te kosten, maar kan makkelijk met zelfgemaakt materiaal.

Terugblik Het congres ‘Kiene Kleuters was zeer leerzaam en goed verzorgd. Het kennisniveau van de deelnemers omtrent

Meer weten m.b.t. het afstudeeronderzoek van Britt, mail de redactie t.a.v. Britt.


INTERVIEW 11 In Lessen in geluk onderzoeken scholieren wat geluk is en ontdekken zij dat iedereen anders is

Hoe kunnen we het leven beter maken? Door Door Marieke Marieke Remmen Remmen

Jacqueline Boerefijn is docent biologie bij het Groen van Prinstererlyceum in Vlaardingen en auteur op het gebied van geluk en welbevinden van pubers. Samen met Ad Bergsma schreef zij de boeken Opvoeden tot Geluk en Gelukkig voor de klas. Jacqueline geeft lezingen en workshops in het hele land over het belang van geluk op school voor ouders en leraren. Zij studeerde in 2010 af aan de University of East London als Master of Science Applied Positive Psychology (MAPP). >>


12 INTERVIEW

W

e treffen elkaar op het stationsplein in Rotterdam, waar Jacqueline meteen enthousiast begint te vertellen over de vernieuwingen: “Mooi geworden hè? Binnenkort wordt hier ook nog een nieuw kunstwerk geplaatst, maar misschien werkt het ook als een soort klimrek. Daar maak ik me wel een beetje zorgen over, dat er misschien kinderen vanaf zullen vallen.”

Je hebt je als docent en toegepast positief psycholoog gespecialiseerd in geluk en pubers. “Ik kwam er als docent in mijn biologielessen achter dat het allemaal zo negatief was. Roken, drugs, loverboys. En biologie gaat over het wonder van het leven. Er waren al lessen over huiselijk geweld en ik was ook mentor. De aandacht was steeds gericht op risico’s, alles wat fout kon gaan. Dat vond ik zo slecht en de leerlingen klaagden er ook over. Met het idee om gelukslessen te geven heb ik een prijs gewonnen. Daarmee heeft het Verwey Jonker Instituut gelukslessen ontwikkeld. Lessen in geluk is een programma van zes lessen waarin brugklassers of tweedeklassers onderzoeken wat geluk is en ontdekken dat iedereen anders is. Ze onderzoeken dit bij elkaar en hun familie. Daaruit blijkt dat contacten heel erg belangrijk zijn. Belangrijker dan een auto en geld. Familie en vrienden, daar gaat het om. Als je dertien bent is het goed om dit te weten met oog op alle reclame en afleidingen die je onderweg tegenkomt.” “Wat is nou de moeite waard in het leven naast een carrière of een studie? Dat wordt vaak gewoon vergeten. Wat ik van tevoren niet wist, is dat het ook een andere atmosfeer neerzet in een klas. Je hebt een prettigere sfeer in een klas als je in het begin van het jaar met gelukslessen start. Het is zoveel positiever dan de antipestlessen die je nu zoveel ziet.”

Volgens de Volkskrant leidt positief opvoeden tot kleine narcistjes. “Positieve psychologie is heel wat anders is dan positief denken. Dat wordt helaas vaak verward. Overladen met complimenten is ook zeker niet hetzelfde als positief opvoeden. In de Verenigde Staten hebben ze de kinderen jarenlang overgecomplimenteerd, met de goede bedoelingen om kinderen meer zelfvertrouwen te geven. Elke scheet die een Amerikaans kind liet was fabulous. Het gevolg was dat er een generation-me ontstond met alle nare gevolgen van dien. Deze kinderen bleken niet goed opgewassen tegen de normale tegenslagen in het echte leven, of ook eens iets niet te krijgen of te moeten delen. Inmiddels is tamelijk overtuigend aangetoond dat complimenten over inspanning altijd wel goed zijn en leiden tot de zogenaamde ‘growth-mindset’, terwijl complimenten over het resultaat of de persoon juist kunnen leiden tot een ‘fixed-mindset’. Narcisme zou naar mijn mening eerder geassocieerd worden met een fixed-mindset, met de opvatting ‘zo (geweldig) ben ik nu eenmaal’.”

Je schreef er een boek over: Opvoeden tot Geluk. Wat is positief opvoeden dan wèl? “Ik versta onder positief opvoeden een balans met niet alleen nadruk op alle risico’s van het leven, maar juist op dat we kinderen passende verantwoordelijkheden geven, met ook de kans om te falen en te leren. Het veiligheidsof risicodenken is behoorlijk doorgeschoten. Er zijn zoveel rubberen tegels en antipestprotocollen en steeds minder kinderen die gewoon buiten mogen spelen. Als ik naar mezelf kijk als ouder heb ik me door mijn eigen kind zo op de kast laten jagen. Ik ben zo ontzettend niet rustig gebleven. Het hoeft niet zo te gaan als je als ouder snapt dat het in de puberteit niet alleen om hormonen gaat, maar dat het ook een proces is waarbij er afstand moet komen tussen ouder en kind. Het is dan niet zo dat het kind jou haat, zelfs al krijg je dit te horen. Dat is tegenwoordig nog moeilijker geworden met de verlengde navelstrengen, mobieltjes en helicopter parenting.”

Hoe dragen de principes uit de positieve psychologie hieraan bij?

Positieve psychologie is heel wat anders dan positief denken

“Vanuit de positieve psychologie blijf je zien wat goed gaat. Je bent dankbaar voor wat goed gaat. Je ziet dat je kind een ander leven gaat leiden dan jij en daar moet je ook ruimte voor geven. De puberteit begint tegenwoordig al in groep 7 met het prepuberen. Dan zijn de ouders al bang voor wat er gaat komen. Dat is voor een


INTERVIEW 13 deel echt niet nodig. Kinderen in Nederland zijn op de basisschool en in de brugklas het gelukkigst. Het geluksniveau keldert rond de leeftijd van 13 jaar. Dat is onvermijdelijk. Er zijn heel veel zaken waar kinderen eerst tegen beschermd worden zoals kennis over de onderwereld, prostitutie en mishandeling. Daar komen ze dan ineens zelf achter. Als volwassenen doen we erg lullig tegen de jeugd, ze worden best wel negatief bejegend. Socrates zei al ‘de jeugd is lui’, dus dat is een gedachte van alle tijden. Terwijl ze juist steeds nieuwe dingen verzinnen. Ouders en met name ook leraren mogen best wel wat meer vragen van pubers. In het boek Opvoeden tot geluk staat ook dat als je een puber verantwoordelijkheid geeft, je kind ook de gelegenheid krijgt om zelf te zien wat ie kan. Ik ga al 20 jaar elke dag met pubers om en dan vraag ik wel eens wat ze thuis doen; zoals de hond uitlaten en de vaatwasser uitruimen. De meesten hoeven niets te doen, terwijl sommigen juist alles thuis doen als de ouders bijvoorbeeld ziek zijn. Je mag de jeugd wel wat meer stem geven, dan zouden ze gelukkiger worden.”

Hoe dragen de gelukslessen bij aan ‘gelukkiger worden?’ “De lessen gaan over henzelf. Dat gebeurt bijna nooit op school. Dit gaat over hun eigen leven. De eerste keer dat ze een test maakten was er een jongen die ontdekte dat ‘vriendelijkheid’ één van zijn sterktes was. Iedereen in zijn omgeving wist het, maar zelf wist hij dat niet. Het was geweldig dat hij daar achter kwam. De gelukslessen zijn een goede binnenkomer. De eindscores van het eerste onderzoek gaven een kleine, maar significante verbetering in de schoolresultaten van de kinderen te zien. Dit is ook wel logisch, omdat je samen een prettige sfeer hebt gecreëerd en kinderen daardoor gestimuleerd worden om meer hun best te gaan doen.” “Het programma wordt nog steeds elke dag gedownload. Mijn boodschap voor ouders is dat je de puberteit serieus moet nemen in de zin dat het een lastige periode is, maar ook een soort ouderschapstest is. Dat klinkt niet zo leuk, maar het is ook een toets hoe je rustig en stabiel kan blijven. Je kind gaat uittesten of je daar wel toe in staat bent, omdat ie van jou af moet.”

Welke taak zie jij voor toegepast psychologen weggelegd? “Een trend die ik al jaren zie, is dat de ambities bij zowel ouders als kinderen enorm zijn gestegen. Ik heb heel veel kinderen op een te hoog niveau zien instromen.

Vanuit de positieve psychologie blijf je zien wat goed gaat

Als het kind het niet aankan, dan komen er klachten. Dan komt zo’n kind bij een psycholoog terecht. Deze vraagt vaak wat er allemaal misgaat, maar vraagt zelden of het niet te moeilijk is op school en het misschien een stapje terug zou kunnen doen om wat minder op de tenen te moeten lopen. Daar zie ik een rol weggelegd voor schoolpsychologen. Dit waren vroeger meestal orthopedagogen, maar je ziet dat dit nu steeds vaker psychologen zijn.” “Verder krijgen kinderen te snel een etiket opgeplakt. Dit is bedoeld om te helpen. Zoals bij dyslexie dat je wat langer over je examen mag doen. Maar er zijn heel veel etiketten waar kinderen onder lijden. Kinderen denken daardoor soms dat ze niet deugen. Dat vind ik wel jammer. Daarom is het nodig om sportcoaches en leerkrachten te trainen in het creëren van een prettige omgeving. Ik wil heel graag leraren of lerarenopleiders daarin gaan trainen.”

Hoe gebruik jij positieve psychologie zelf in het dagelijks leven? “Het is een manier van leven geworden. Ik leef vanuit de positieve psychologie gedachte die vorig jaar op de Europese Conferentie Positieve Psychologie in Amsterdam werd gelanceerd: Hoe kunnen we het leven beter maken?”

‘Opvoeden tot geluk’ ISBN13 9789401402286 ‘Gelukkig voor de klas’ ISBN 13 9789401421126 http://www.uel.ac.uk/study/courses/ positivepsychology.htm (MAPP) Verwey Jonker Instituut: http://www.verwey-jonker.nl/ www.positiefonderwijs.nl


14 VRAAGBAAK

Rubriek de Vraagbaak

OPROEP

Advies voor en door (student)psychologen

Heb je een vraag?

Vraag het ons panel! Stuur je vraag naar redactie@nbtp.nl

• Heb je een vraag? • Wil je weten hoe je het in het werkveld moet aanpakken? • Ben je benieuwd hoe anderen iets hebben gedaan? • Zit je met vragen rondom je studie? Stel ze hier! Elke editie wordt er één vraag uitgelicht.

Ruben van Boven

Lilian Jans-Beken

Bo Sikkens


BOEKBESPREKING 15

Samen stilzitten als een kikker Door Britt van Bavel-Stienen In het boek Stilzitten als een kikker behandelt Eline Snel mindfulness voor kinderen van 5-12 jaar en hun ouders. Naast theorie bevat zowel het boek als de bijbehorende CD oefeningen.

ADHD, ASS of andere problematiek vinden het heerlijk om oefeningen te doen. De CD is erg traag ingesproken, wat voor veel volwassenen en kinderen juist goed werkt. Er is ook een groep kinderen waarbij de oefeningen een grote weerstand zullen oproepen. Deze groep zou wellicht meer open staan voor mindfulnessoefeningen als deze zouden starten met een iets snellere spraak.

Conclusie

Kinderen hebben het vaak druk. Ze zijn niet gewend om stil te staan bij wat ze ervaren op het moment dat er iets prettigs of onprettigs gebeurt. Sommige kinderen zijn onrustig, andere snel afgeleid of piekeren aan de lopende band. Zoals Snel (2013) het omschrijft: “De aanknop doet het, maar waar zit de pauzeknop?”.

Het boek en de CD zijn prettig in het gebruik voor iedere ouder die meer mindful met zijn of haar kind om wil gaan. Voor de TP’er is het boek het adviseren waard aan iedere ouder, maar zeker aan ouders die stress ervaren in de opvoeding of die zorgen, onrust of concentratieproblemen zien bij hun kinderen.

Het boek is geschreven als leidraad en verdieping bij de oefeningen op de CD. De teksten in het boek nodigen erg uit om door te lezen, ondanks wat spelfouten hier en daar. Eline maakt gebruik van eigen ervaringen met haar kinderen waardoor je meteen een gevoel van herkenning krijgt. Het is geen boek met verhalen over hoe de perfecte ouder met een kind omgaat. Juist de imperfectie wordt met waargebeurde verhalen geïllustreerd. Vooral die kwetsbare opstelling van Eline maakt dat er bij het lezen een gevoel van verbondenheid ontstaat. De eigen ervaringen van Eline met haar gezin zullen voor veel mensen herkenbaar zijn. De momenten dat het nodig is om mindful om te gaan met je kinderen, zullen door die link naar het boek snel duidelijk worden zodra ze zich voordoen.

Als aanvulling voor de TP’er is het goed te weten dat er momenteel door de Universiteit van Amsterdam een onderzoek wordt gedaan naar de effectiviteit van mindfulnesstraining bij kinderen met ADHD (waarbij de ouders een parallelle training volgen). Dit doet men door een groep kinderen met ADHD die medicatie gebruiken te vergelijken met een groep kinderen met ADHD die de training volgen. Kijk voor meer informatie op: http://www.uvaminds.nl/site/wetenschappelijk-onderzoek/adhd-meditatie-of-medicatie

De oefeningen op de CD zijn bruikbaar voor zowel ouder als kind. Het is voor iemand die juist het beste denkt te functioneren onder hoogspanning een vreemde gewaarwording hoe de mindfulnessoefeningen op de CD een gevoel van totale rust geven. Om een kind deze oefeningen te laten doen, is het belangrijk dat een kind gemotiveerd is. Sommige kinderen met bijvoorbeeld

Snel, E. (2012). Stilzitten als een kikker (14e ed.). Utrecht: Ten Have. ISBN: 9789025902186 Auteur: Eline Snel Te bestellen bij: Uitgeverij Ten Have


16 BOEKBESPREKING

Ouders geven pubers de ruimte en blijven toch dichtbij Door Britt van Bavel-Stienen

In het boek Ruimte geven & dichtbij zijn behandelt Eline Snel mindfulness voor ouders met pubers van 12-19 jaar. Voor therapeuten, leerkrachten en andere professionals is dit tevens een interessant naslagwerk. Het laat zien hoe je als volwassene zelf af en toe pas op de plaats kunt maken. Het blijkt verrassend goed te werken als je niet meteen op je kind reageert, maar wél volop aanwezig bent bij de turbulentie waar het in zit. Naast theorie staan in het boek oefeningen. Het boek bevat ook een CD met mindfulnessoefeningen zoals ‘De piekerfabriek’, ‘Ik houd mijn hart vast’ en ‘De kunst van het luisteren’. Die helpen je aanwezig te zijn met vriendelijke, bewuste aandacht; open, zonder te oordelen. Zo kom je ook in verbinding met je eigen wijsheid en vitaliteit. Op de CD staan meditatieoefeningen voor ouders (MP3-bestanden) en er is een speciale download met oefeningen voor pubers (Snel, 2014).

Mindfulness Mindful zijn betekent eigenlijk niets anders dan bewust aanwezig zijn. Mindfulnessoefeningen helpen je om bewust aanwezig te zijn zonder mening, vooropgezet doel of bepaald resultaat. Wanneer je leert bewust aanwezig te zijn, mis je minder. Hoe vaak gebeurt het niet dat je ergens een antwoord op hebt gegeven, terwijl je niet écht geluisterd hebt naar de vraag? Iedereen heeft behoefte aan bewuste aandacht. Mindfulnessoefeningen helpen ouders, kinderen en jongeren om met hun aandacht in het hier en nu te zijn en bewust te reageren of juist niet te reageren op wat er op dat moment gebeurt.

Het boek is verdeeld in drie delen: moed, compassie en vertrouwen. In de drie delen worden stap voor stap de moeilijke punten behandeld waar mensen met de zorg voor pubers mee te maken krijgen. Het boek is een vervolg op Stilzitten als een kikker zie p.15. Ruimte geven & Dichtbij zijn is een hulpmiddel om te mindful te leren omgaan met pubers van 12-19 jaar. Wanneer je te maken hebt met kinderen van 10 of 11 jaar die verder zijn in hun ontwikkeling dan het gemiddelde kind van die leeftijd is het boek ook goed bruikbaar. Juist wanneer de hormonen nog niet op volle kracht door het lichaam gieren, staat een kind wellicht meer open om de downloads die bij het boek horen te gaan gebruiken. De wereld van een puber wordt steeds complexer, en als ouder heb je steeds minder zicht op de bezigheden van het kind naarmate het ouder wordt. Om niet van elkaar vervreemd te raken zijn moed, compassie en vertrouwen van belang. Eline vertelt prachtig dat bij het ruimte bieden ook grenzen horen. De verhalen over de dochter en zoons van Eline laten je glimlachen, maar maken je ook meteen duidelijk wat je als ouder van toekomstige en beginnende pubers te wachten staat. De verhalen worden afgewisseld met oefeningen. Wanneer je helemaal opgaat in het boek is het niet altijd even prettig om met lezen te stoppen voor de oefening op de CD, waarnaar in het betreffende stuk verwezen wordt. Op zulke momenten zou doorlezen en achteraf de oefeningen uitvoeren een prima optie zijn. De oefeningen worden elk afzonderlijk geïntroduceerd. Dat maakt de CD zelfs bruikbaar voor mensen die het boek niet gelezen hebben. Het boek sluit af met een stuk dat geschreven is door de dochter van Eline. Meteen wordt duidelijk hoe goed zij na veel turbulente jaren terecht is gekomen. De MP-3 bestanden voor pubers zijn te downloaden en er is tegenwoordig ook een app (mobiel programma voor


BOEKBESPREKING 17 telefoon en tablet) voor hen beschikbaar. Voor de app zijn kosten van 3 1,79 verschuldigd en de MP-3 bestanden zijn gratis te downloaden bij het boek. De MP-3 downloads bestaan uit oefeningen zoals: ‘Spaghettitest’, ‘Omgaan met lastige gevoelens’ en ‘De kunst van het luisteren’. “De app is geschikt voor jongeren die anders met stress, gepieker en (examen)spanning willen leren omgaan”, aldus Snel (2014).

Conclusie Het boek is aangenaam leesvoer met humor en bewustmakende verhalen waarin de auteur gebruik maakt van eigen ervaringen. Voor het effect van de downloads is de motivatie van de puber in kwestie van belang. Het boek is zonder die motivatie voor ouders en iedereen die met pubers te maken ook goed bruikbaar. Een nadeel is dat de oefeningen niet op iedere CD-speler te beluisteren zijn omdat de ze in MP-3-formaat op de CD staan.

Over Eline Snel Snel, E. (2014). Ruimte geven & dichtbij zijn. Utrecht: Ten Have. ISBN: 9789025901387 (inmiddels is de tweede druk uit met ISBN: 9789025904456) Auteur: Eline Snel Te bestellen bij: Uitgeverij Ten Have Dowload MP-3 Download APP

Eline Snel is vanaf 1980 werkzaam als zelfstandig therapeut en trainer. Sinds 1990 ontwikkelt zij meditatie- en bewustwordingscursussen. Ze geeft mindfulnesstrainingen aan volwassenen, jongeren en kinderen en is oprichtster en eigenaar van de Academie voor Mindful Teaching (AMT). Ze geeft daar de opleiding Mindfulness voor kinderen via de methode ‘aandacht werkt!’ aan professionals in het onderwijs en de GGZ in binnen- en buitenland. Ook heeft ze trainershandboeken ontwikkeld voor gebruik in de leeftijdscategorieën van 9-15 jaar. Deze worden inmiddels gebruikt op vele scholen in het basis- en voortgezet onderwijs, in GGZ-­ instellingen en zelfstandige praktijken (Snel, 2012). Eline Snel schreef de boeken Stilzitten als een kikker (2012) en Ruimte geven en dichtbij zijn (2014).


18 BOEKBESPREKING

Handboek hoogbegaafdheid Door Britt van Bavel-Stienen

Het Handboek hoog­ begaafdheid geeft een overzicht van ontwikkelingen op het gebied van hoogbegaafdheid en daarbij een beeld van de verscheidenheid aan visies. Het boek bestaat uit vijftien hoofdstukken die geschreven zijn door elf deskundigen op het gebied van hoogbegaafdheid. Vroeger (maar ook nu nog vaak) werd van hoogbegaafde leerlingen gedacht dat die er wel komen zonder extra hulp. Deze kinderen komen er juist vaak niet, ondanks hun cognitieve capaciteiten. Doorlopen ze nog goed het basisonderwijs, dan is er een deel dat in het voortgezet onderwijs toch steeds verder in niveau omlaag gaat. Waarom? Hoogbegaafde leerlingen kunnen goed leren, maar ontwikkelen daarvoor niet altijd de juiste leerstrategieën. De hoog­begaafde leerling heeft daarom juist wel begeleiding nodig. Het boek bestaat uit drie delen:

Deel 1 Het eerste deel behandelt het herkennen van begaafdheid en een oplossingsgerichte benadering van eventuele problemen. Dit deel is ook voor de TP’er die niet een aan het onderwijs verbonden functie bekleedt de moeite van het lezen waard, met uitzondering van het hoofdstuk over protocollen. Dit deel begint met theorie en werkt steeds meer naar de praktijk toe. Eleonoor van Gerven schrijft zelf over de beschrijvende en verklarende definities van begaafdheid en concreet waarneembaar gedrag. Jacqueline van Swet neemt het hoofdstuk over diagnostiek vanuit oplossingsgericht perspectief voor haar rekening. Tot slot wordt er in dit deel door Agnes Burger-Veltmeijer een hoofdstuk gewijd aan hoog­ begaafdheid en psychologisch-pedagogische diagnose.

Deel 2 Dit deel richt zich op de begeleiding van begaafde leerlingen. De TP’er die bijvoorbeeld als intern begeleider werkzaam is, kan hier veel informatie uit halen. Ook de TP’er die met kinderen werkt en mogelijk te maken krijgt met hoogbegaafdheid kan zijn of haar kennis verrijken. Wanneer is het bijvoorbeeld verstandig met leertijdverkorting akkoord te gaan en wat zijn de risico’s? In dit deel schrijft Sylvia Drent over het zo­ genaamde ‘compacten’ of indikken van de leerstof waarbij herhaling wordt vermeden. Verrijkingsonderwijs komt daarna aan bod in het hoofdstuk geschreven door Patricia Termeer. Van Gerven behandelt vervolgens het onderwerp leertijdverkorting. Dolf Janson richt zich op verrijkingsgroepen en Van Gerven vult wederom aan met informatie over slimme kleuters.

Deel 3 In het laatste deel staat het thema ‘begaafd en bijzonder’ centraal. Juist dit deel is relevant voor TP’ers en andere hulpverleners die met kinderen met een stoornis zoals dyslexie, ADHD en ASS werken. De werking en opbouw van het brein, de combinatie van hoogbegaafdheid met leer- en/of gedragsstoornissen en onderpresteren komen uitgebreid aan bod. Dit deel laat nogmaals het belang zien van een vroegtijdige herkenning van hoogbegaafdheid omdat daarmee veel problemen voorkomen kunnen worden of in ieder geval minder grote gevolgen zullen hebben. Winny Bosch-Sthijns schreef het hoofdstuk over het ontwikkelen van werk- en leerstrategieën. Jan Kuipers laat in het hoofdstuk over onderpresteren zien hoe lastig het kan zijn om bij een onderpresterende leerling de hoogbegaafdheid te herkennen. Alja de Bruin-de Boer en Van Gerven bespreken de sociaalemotionele ontwikkeling van begaafde leerlingen. De Bruin licht toe hoe dyslexie bij hoogbegaafde kinderen pas aan het einde van de basisschool of zelfs pas in het voortgezet onderwijs herkend wordt. De laatste twee hoofdstukken gaan over leerlingen die ook wel ‘twice exceptionals’ genoemd worden. Burger-Veltmeijer bespreekt de combinatie hoog­ begaafdheid / ASS. In het hoofdstuk hoogbegaafd en ADHD wordt door Rob Rodrigues Pereira gesteld dat


BOEKBESPREKING 19

er bij hulpverleners te weinig kennis is over de dimensionale aard en situationele beïnvloeding van ADHD.

Omdat het niet herkennen en erkennen van hoog­begaafdheid vaak grote negatieve gevolgen kan hebben, is meer bekendheid hierover bij hulpverleners geen overbodige luxe. Dit boek kan daar een bijdrage aan leveren omdat de belangrijkste aspecten die komen kijken bij hoogbegaafde kinderen in het onderwijs aan bod komen. Het boek is een aanrader voor mensen die met kinderen werken in een aan onderwijs gelieerde instelling. TP’ers die binnen een dergelijke instelling werken kunnen het handboek dan ook goed gebruiken bij het werken met of adviseren over onderwijs gerelateerde zaken met betrekking tot hoogbegaafde kinderen. Vooral de delen 1 en 3 zijn (onderwijs) psychologisch van aard.

Foto Martin van Rooijen

Conclusie

Over Eleonoor van Gerven

Van Gerven, E. (2009). Handboek hoogbegaafdheid. Assen: Koninklijke Van Gorcum BV. ISBN: 9789023244813 Auteur: Eleonoor van Gerven (red.) Te bestellen bij: Uitgeverij Van Gorcum

Eleonoor van Gerven studeerde pedagogiek. In haar praktijk Slim! Educatief adviseert en begeleidt zij scholen op het gebied van hoogbegaafdheid. Ze verzorgt diverse trainingen en studiedagen. Werken van haar hand zijn onder andere: Zicht op hoogbegaafdheid: handboek voor de onderwijspraktijk (2001), Slim! kan lezen: leesen werkserie voor slimme kleuters (2007) en Slim beleid: keuzes en consequenties bij beleid voor hoogbegaafde leerlingen in het basis­ onderwijs (2008). Verder ontwikkelde zij het Digitaal Handelings­ protocol Hoogbegaafdheid (2007, webbased editie).


20 GASTARTIKEL

Door Jenny Schoonbeek en Corine Willemse

De rol van de toegepast psycholoog binnen het onderwijs


GASTARTIKEL 21 In het onderwijs kunnen toegepast psychologen samen met andere disciplines in de leerlingenzorg een belangrijke toegevoegde waarde bieden. Steeds meer TP’ers vinden werk in deze sector. Toch blijkt het voor stagiairs en beroepsgenoten lastig om helder antwoord te geven op vragen naar hun mogelijkheden op scholen. TP’ers Jenny Schoonbeek en Corine Willemse besloten daarom een artikel te schrijven over de mogelijke rol van de toegepast psycholoog binnen het onderwijs.

Als je actief bent op het gebied van leerlingbegeleiding, dan merk je hoeveel missiewerk er nog nodig is. Regelmatig leggen we met veel plezier uit wat we allemaal kunnen en ‘mogen’, en welke enorme kansen het biedt om een professionele TP’er in te zetten; voor de school, maar ook voor de leerling. Het drááit tenslotte om het kind. Daarom nemen we de leerling/student als uitgangspunt. De vraag ‘welke rol kan TP hebben in het onderwijs?’ draaien we om: ‘Hoe kan TP bijdragen aan oplossingen en verbeteringen voor leerlingen zodat zij zo goed mogelijk kunnen leren en presteren?’.

Nodig om te leren In het onderwijs is het de bedoeling dat elke leerling met zijn mogelijkheden en beperkingen zo goed mogelijk tot leren komt. Leerlingen verschillen uiteraard in hun capaciteiten. Om te bepalen hoe je individuele scholieren optimaal kunt helpen, moet je eerst weten wat een kind nodig heeft om te kunnen leren. Cognitieve intelligentie is zeker niet de enige factor. De kenmerken waarover een kind nog meer moet beschikken om te kunnen leren, heeft Martine Delfos als volgt benoemd: • creatieve, emotionele, en sociale intelligentie; • concentratievermogen; • het vermogen om behoeftebevrediging uit te stellen (leren is nuttig voor later, denk aan de beroemde Marshmallow-test); • de motivatie om het goed te willen doen. Om deze kenmerken goed te benutten is ook zelfvertrouwen, emotionele stabiliteit, stressbestendigheid en doorzettingsvermogen nodig, wat valt samen te vatten als de kracht in jezelf. Daarbij is het heel prettig en wenselijk voor een kind als het ook steun en stimulans van ouders en leraren (kracht vanuit de omgeving) krijgt. Deze ‘bagage’ is deels aangeboren, deels aangeleerd. Kinderen met een aangeboren stoornis of belemmering

in de ontwikkeling staan al één of meer punten ‘achter’. Andere kinderen hebben onder invloed van de omgeving (opvoeding, gebeurtenissen) negatief gedrag of sociaalemotionele problemen (angst, agressiviteit, depressieve gevoelens) ontwikkeld. Meestal is het een combinatie van factoren die een leerling belemmert in zijn ontwikkeling en vermogen om te leren. Dit werkt door in de eigen schoolprestaties, maar ook in het gedrag op school en de (school)omgeving. Pesten kan hiervan een gevolg zijn.

Passende en verantwoorde aanpak Afhankelijk van de ernst van de problematiek bij leerlingen, vormt deze een grote uitdaging voor het onderwijs. Het is belangrijk dat leerlingen een passende en verantwoorde aanpak krijgen en dat daar niet onnodig lang mee gewacht wordt. Dit voorkomt dat problemen escaleren en meer schade aanrichten bij de jongere. Een passende, positieve benadering en succeservaringen kunnen een leerling (weer) op de goede weg helpen. Van docenten kan niet verwacht worden dat zij de specifieke en specialistische kennis en tijd hebben om voor elke leerling de juiste aanpak te bepalen. Een toegepast psycholoog kan dat wel. De TP’er kan adviseren en ondersteunen in en om school, op schoolen teamniveau en op niveau van individuele leerlingen, docenten en groepen. Zie het kader op pagina 22. >>


22 GASTARTIKEL Mogelijke rollen en taken van TP in het onderwijs: - Adviseren over het schoolbeleid omtrent leerlingenzorg; - Adviseren vanuit het zorg- en zorgadviesteam over de aanpak van problematiek van leerlingen; - Begeleiden van leerlingen die extra ondersteuning behoeven vanwege een structurele belemmering, zoals een ontwikkelingsstoornis, leer- of gedrags­ probleem; - Tijdelijk begeleiden van leerlingen bij het omgaan met een heftige periode in relatie tot school, denk aan rouw, ziekte, pesten of problemen thuis; - Coachen/trainen van leerlingen met problemen bij het organiseren van schoolse taken, faalangst, sociaal functioneren e.d.; - Verrichten van diagnostiek (onder supervisie), o.a. psychologisch onderzoek en observaties; - Adviseren van leerlingen/studenten over hun (school)loopbaan; - Bijdragen aan handelingsbekwaamheid van docenten rond ontwikkelings- en gedragsproblematiek; - Coachen van docenten bij problemen met leerlingengedrag; - Coördineren van zorg en ondersteuning bij in-, uit- en doorstroom van leerlingen.

De genoemde taken sluiten binnen scholen en opleidingen aan bij functies als: leerlingbegeleider en -coach, trainer, schoolpsycholoog, decaan, opleidingsen loopbaanadviseur, zorgmedewerker, coördinator leerlingen- en studentenzorg, docent, mentor en coach. In al deze rollen en functies draait het om de vragen: wat heeft deze leerling nodig, in hoeverre is de leerling te helpen om zelf gedrag te veranderen en in hoeverre is er in de schoolomgeving specifieke aandacht of verandering wenselijk? Zo kan de Toegepast Psycholoog via onderzoek, advies en specifieke ondersteuning in verschillende fasen van de schoolloopbaan bijdragen aan oplossingen of verbetering van een situatie, zodat leerlingen beter kunnen leren en presteren.

Reactie? Ben je ook als TP’er betrokken bij onderwijs of leerlingbegeleiding, dan is je reactie welkom. Vermeld ook je deskundigheid in Connect (via NBTP.nl), dan kunnen we elkaar vinden en meer inzicht krijgen in toegepaste psychologie in het onderwijs.

OPROEP! Gebruik eens onze ‘Connect’ tool!

Jenny Schoonbeek

Corine Willemse

De auteurs zijn beiden als Toegepast Psycholoog actief in de begeleiding van leerlingen, geregistreerd in het kwaliteitsregister voor Toegepast Psychologen en betrokken bij de beroepsvereniging NBTP.

• Neem voor reacties contact met Jenny Schoonbeek j.schoonbeek@nbtp.nl, of Corine Willemse: c.willemse@nbtp.nl / @corinewillemse • Het hele stuk over TP in het onderwijs is te vinden op: www.corinewillemse.nl (link op homepage onderaan). • Toegepaste info over leren/18 worden: www.project18.info


MEETINSTRUMENT 23

De intelligentie meten bij kinderen van 4-12.6 jaar Door Britt van Bavel-Stienen

De RAKIT-2 is een herziening van de RAKIT, een geheel in Nederland ontwikkelde kinderintelligentietest. De testbatterij bestaat uit dezelfde 12 subtests als de vorige versie, namelijk: Figuur Herkennen, Exclusie, Geheugenspan, Woordbetekenis, Doolhoven Analogieën, Kwantiteit, Schijven, Namen Leren, Verborgen Figuren, Ideeënproductie en Vertelplaat. De items zijn gemoderniseerd en er zijn makkelijkere en moeilijkere items toegevoegd. Dit om specifiek bij kinderen met een benedengemiddeld IQ betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de cognitieve mogelijkheden. Het minimaal te meten IQ met dit instrument is om deze reden ook uitgebreid naar een IQ van 40. De uitbreiding met moeilijkere items heeft plaatsgevonden om de test ook bij 12-jarigen af te kunnen nemen.

Instrument: RAKIT-2 | REVISIE AMSTERDAMSE KINDERINTELLIGENTIETEST 2 Te bestellen bij: Uitgever: Pearson Assessment and Information BV www.pearsonclinical.nl, Bestellen

RAKIT-2 Doel van de RAKIT-2 is het in kaart brengen van het cognitief functioneren (IQ) van kinderen in de basisschoolleeftijd vanaf 4 tot en met 12,5 jaar. Het instrument is zeer geschikt voor kinderen met lage cognitieve capaciteiten, omdat het een bereik heeft tot een IQ van 40. Daarnaast is de test ook uitermate geschikt voor kinderen met hoge cognitieve capaciteiten omdat de test een maximum bereik heeft van 145.

Afname van de test en scoring van de resultaten De afname duurt ongeveer 90-150 minuten. Tijdens de test pauzeren of onderbreken bij bijvoorbeeld een verminderde concentratie is mogelijk. Wel dient de test binnen een week nadat de eerste onderdelen zijn afgenomen, afgerond te worden. De RAKIT-2 geeft naast een totaal IQ ook informatie over de Perceptuele Redeneerfactor, Verbale Leerfactor, Ruimtelijke Oriëntatie factor en Verbale Vlotheidsfactor. Binnen deze categorieën wordt onderscheid gemaakt tussen verbaal en niet-verbaal, maar ook tussen het verwerken en het handelen met informatie. Zo ontstaat er een genuanceerd beeld van een intelligentieprofiel. Wanneer je een significant verschil tussen de factoren vindt, kun je zien bij welk percentage van dezelfde leeftijdsband een dergelijk verschil voorkomt. Dit geeft meteen inzicht in of het verschil al dan niet zorgelijk te noemen valt. Het is ook mogelijk om een verkorte test af te nemen waarbij de scores een vergelijkbaar resultaat met het totaal IQ geven. Het nadeel is echter dat er geen intelligentieprofiel geschetst kan worden omdat de factorscores niet berekend kunnen worden. Zeker wanneer de standaardscores tussen de subtests erg verschillen, en je wilt iets kunnen vertellen over de sterktes en zwaktes van het kind, is een verkorte versie niet aan te raden. Er kan gekozen worden voor hand­


24 MEETINSTRUMENT matige- of digitale scoring. Bij de handmatige scoring doe je alle score­berekeningen zelf met behulp van het handmatig scoringssupplement. Bij digitale scoring voer je de ruwe subtestscores in op een online scoreplatform, waarna alle scoreberekeningen automatisch worden gedaan.

Gebruiksgemak De test is aantrekkelijk voor kinderen. Tussendoor staan er ook oefenopgaven die niet meetellen voor het resultaat. Dit geeft kinderen het gevoel dat ze goed bezig zijn en veel weten omdat deze opgaven weer net iets gemakkelijker zijn dan de voorgaande opgaven. De heldere handleiding vertelt precies wanneer een subtest afgebroken dient te worden, bij welke vraag je bij welke leeftijd dient te starten en wat er wel of niet gezegd mag worden. Ook de scoringshandleiding is helder. Het enige minpunt is de beschrijving van de richtlijnen voor de subtest Vertelplaten. Daar loopt de handleiding een beetje door elkaar. Wanneer de test vaak gebruikt gaat worden en de richtlijnen voor scoring meer geautomatiseerd zijn, zal dit waarschijnlijk niet meer als een minpunt ervaren worden. Het berekenen van het totaal IQ en verkort IQ staat helder uitgelegd in de handleiding net als de andere

Figuur 1: COTAN beoordeling RAKIT-2 1. Uitgangspunten bij de testconstructie

Goed

2. Kwaliteit van het testmateriaal

Goed

3. Kwaliteit van de handleiding

Goed

4. Normen

Voldoende 1, 2

5. Betrouwbaarheid

Goed 3

6. Begripsvaliditeit:

Voldoende

7. Criteriumvaliditeit:

Goed

(Pearson Assessment and Information B.V., 2013) 1) Deze COTAN beoordeling betreft uitsluitend de Nederlandse normen. Deze kant­ tekening is geplaatst omdat er bij de RAKIT-2 sprake is van aparte Nederlandse en Vlaamse normen en de Cotan zich alleen over de Nederlandse situatie buigt (Pearson Assessment and Information B.V., 2013). 2) Vanwege een hogere standaardfout is voorzichtigheid geboden bij het gebruik voor kinderen in de uiterste leeftijdsgroepen. Tevens is bij de leeftijdsgroep 12;0 tot 12;6 het aantal leerlingen te gering en is de representativiteit niet gewaarborgd omdat er geen leerlingen uit het voortgezet onderwijs aan het onderzoek hebben deelgenomen. Het instrument mag dan ook alleen bij 12-12,5 jarigen in het basisonderwijs ingezet worden (Pearson Assessment and Information B.V., 2013). 3) De betrouwbaarheden van het IQ, ook het verkorte IQ, zijn goed voor belangrijke beslissingen op individueel niveau. Voor minder belangrijke beslissingen op individueel niveau zijn de betrouwbaarheden van de factorscores goed en van de subtests voldoende tot goed, met uitzondering van de subtests Schijven en Vertelplaat, waarvan de betrouwbaarheden bij sommige leeftijdsgroepen onvoldoende zijn. Aparte subtests mogen dan ook niet los gebruikt worden om beslissingen op te baseren (Pearson Assessment and Information B.V., 2013).

berekeningen die uitgevoerd kunnen worden om een uitgebreid profiel te verkrijgen.

Waarom kiezen voor RAKIT-2 in plaats van een ander meetinstrument? • RAKIT-2 heeft een grote range, waardoor deze geschikt voor gebruik is bij zowel kinderen met een hele lage intelligentie als een hele hoge intelligentie (IQ 40-145) en alles wat daar tussen zit. • RAKIT-2 is als een van de weinige instrumenten geschikt voor kinderen van 4-12.6 jaar en is daardoor bruikbaar voor kinderen gedurende de gehele basisschool periode. • De RAKIT-2 meet ook het creatieve denkvermogen in tegenstelling tot bijvoorbeeld de WISC-III-NL. Bij een kind dat een voorkeur heeft voor visuele aanbieding van lesmateriaal en visuele informatie makkelijker kan verwerken is RAKIT-2 beter in staat het werkelijke IQ te meten dan bijvoorbeeld de WISC-III-N. De COTAN heeft de RAKIT-2 positief beoordeeld (f iguur 1).

Kritische noot Hoewel er veel geschreven wordt over het feit dat er bij de RAKIT-2 minder snel kinderen onderpresteren, is mijn eigen ervaring anders. Doordat de diverse onderdelen bij de stimulus­boeken worden gescheiden door tabbladen, ziet een kind hoe groot de resterende gedeeltes zijn. Een kind dat moeite heeft met het doen van veel dezelfde soort opdrachten, kan door het weten hoeveel er nog komt de neiging hebben om niet meer serieus mee te werken.

Conclusie Het is het overwegen meer dan waard om de RAKIT-2 te gebruiken omdat het in veel gevallen de meest ideale keuze is. De bruikbaarheid van RAKIT-2 is in mijn ogen zo breed, dat het gebruik van andere instrumenten die beperkter zijn in range van leeftijd, intelligentiespreiding en/of die minder goed beoordeeld zijn door de COTAN, weinig meerwaarde biedt. Het is dan ook jammer dat veel instellingen nog gebruik maken van minder geschikte instrumenten terwijl er een beter instrument te verkrijgen is. Waar ik voorheen de keuze zou maken om bij de aanschaf van een instrument te kiezen voor de WISCIII-NL, alleen maar omdat dit een van de meest gebruikte instrumenten is bij leerlingen in de basisschoolleeftijd, zal ik na de ervaring met de RAKIT-2 voor deze laatste optie gaan. Hoewel het risico op onderpresteren kleiner is bij dit instrument, blijft het van groot belang om ook bij de RAKIT-2 hierop alert te zijn.


Advertentie

Begin je voor jezelf of ben je toe aan een update van je identiteit? Wil je een ontwerp voor je huisstijl? Of heb je behoefte aan advies over het opzetten van je huisstijl of andere items en alles wat daarbij komt kijken? Ik help zelfstandigen zich professioneel te presenteren en profileren! Stuur een berichtje naar info@grafischontwerpstephany.nl, waarin je kort aangeeft wat je wilt weten en waarmee je bezig bent. Vergeet niet je telefoonnummer te vermelden. Ik neem dan zo snel mogelijk contact met je op. Neem alvast een kijkje op www.grafischontwerpstephany.nl.

Laat je inspireren! Vraag de gratis e-books aan.

AANBOD ter kennismaking

10%

korting op eerste opdracht.

Hoe vergroot je je kracht als toegepast psycholoog?

7 tips om de huisstijl te krijgen die bij je bedrijf past.

Je professioneel presenteren, profileren en het inzetten van grafische tools. Veel zelfstandigen weten wel dat ze een logo en een website nodig hebben, maar vinden het lastig om dit op te pakken en uit te zetten. In dit boekje beschrijf ik het belang van het hebben van een professionele uitstraling, het hebben van een eigen gezicht en het laten zien van je expertise of diensten door grafische ondersteuning. Ook geef ik aan hoe je dit kunt oppakken. Ja, stuur mij het mini boek!

Wat staat er in een goede briefing? Een ontwerper moet weten wat jij voor ogen hebt om de juiste vertaling naar een visuele identiteit te kunnen maken die helemaal bij je bedrijf past. Maar‌ hoe maak je nu een goede briefing? 7 tips waarmee je je voordeel kunt doen! Ja, stuur mij het mini boek!

Helpt zelfstandigen zich professioneel te presenteren en profileren

Profile for NBTP Magazine

NBTP Magazine Kind & Psychologie  

Juni 2015

NBTP Magazine Kind & Psychologie  

Juni 2015

Advertisement