Mijn ouders zijn mijn ouders niet

Page 1

mijn ouders zijn mijn ouders niet

Een verhalenbundel van 18 volwassen geadopteerden

Robin Broos & Xavier Vankeirsbulck


02

Voorwoord

M

ijn ouders zijn mijn ouders niet” is een citaat dat bijna woordelijk werd geplukt uit het allereerste interview voor dit project. Een interview dat

zo gevoelig lag, dat het de finale selectie niet heeft gehaald. En toch blijft het verhaal voor altijd in mijn geheugen gegrift. De getuige was twaalf toen hij van Congo naar België werd gestuurd. Het waren zijn grootouders die hem samen met z’n jongste broer naar de hoofdstad brachten. Het was donker, niemand mocht hen zien. Ze hadden schrik dat dorpsgenoten hun wegen zouden kruisen, dat ze de paden zouden beheksen met voodoo-rituelen. Pas toen de vier onder de vleugels van het vliegtuig stonden, kregen de broers te horen wat hen te wachten stond. Ze zouden bij de blanken gaan leven, het zou er beter zijn. Onze getuige kon er zich niets bij voorstellen, in zijn ganse leven had hij één blank kind gezien. Die zag er toch niet béter uit? De vliegtuigreis was onvergetelijk. Met een heleboel andere kinderen werden ze op een toestel van Sabena gezet, ze maakten


een tussenstop in Parijs. Daar kregen ze een drankje, iets wat later spuitwater bleek te zijn. De bubbels brandden in z’n keel, zoiets had hij nog nooit geproefd. De reis maakte een zware indruk, de gevolgen waren buitengewoon ingrijpend. Nog steeds drinkt de man geen spuitwater, het brengt alleen maar nare herinneringen naar boven. Ik probeerde het me voor te stellen. Ikzelf, als tiener in een omgeving die dag en nacht verschilde van al de jaren ervoor. Onmogelijk. Natuurlijk is het geen verrassing dat onze getuige een loodzware puberteit heeft doorgemaakt. Dat hij zich meer dan gelijk welke leeftijdgenoot vragen stelde. Wie hij was, wat hij hier deed. Het kwam me niet eens als een schande over dat ook hij als puber wel ‘ns verkeerde dingen uitkraamde. “Jullie zijn mijn ouders helemaal niet, jullie hebben me niks te zeggen!” Onbedoeld hard en na al die jaren nog steeds spijt van die woorden. Elk verhaal is anders, elke getuige in deze bundel heeft


04

zijn adoptie op een andere manier ervaren. En toch lijken al deze volwassen geadopteerden een belangrijke waarde met elkaar delen: een grenzeloze loyaliteit. Loyaliteit naar hun adoptieouders. De mensen die hen hier hebben opgevoed, die elk op hun eigen manier hebben geprobeerd om hun aangenomen kinderen graag te zien. In die context was de uitspraak die uiteindelijk de titel van deze bundel zou worden, erg ondankbaar. Dat is meteen het antwoord op de vraag waarom de getuige zijn verhaal liever niet gepubliceerd zag. “Mijn ouders zijn mijn ouders niet� is dus letterlijk te interpreteren. Deze bundel verzamelt verhalen van mensen wiens ouders volgens de wetten van de natuur hun ouders niet zijn. Mensen die vaak hebben opgebokst tegen de vooroordelen van derden, maar nooit hun eigen gevoel hebben verloochend. Het gevoel dat hun adoptieouders wel degelijk hun ouders zijn. Of die ervaring nu positief of negatief was. Voor ons als makers is dit project geen rede voor of tegen adoptie. Het is geen klassering van mogelijke ervaringen, geen


wetenschappelijke analyse van wat er goed of slecht is aan de procedures en wetgevingen die er op dit moment rond adoptie bestaan. Dit project is ontstaan uit een gezonde interesse van twee buitenstaanders die het privilege genoten om een twintigtal aangrijpende, eerlijke verhalen te mogen noteren en illustreren. Misschien is deze bundel een houvast voor lotgenoten die zichzelf al dan niet herkennen. Hopelijk is het ook een aanzet om er als buitenstaander - dichtbij en veraf - even bij stil te staan. Want ieder mensenleven is een zoektocht, alleen is het een pak zwaarder om je eigen puzzel te leggen als niet alle stukjes voor handen zijn.

Robin Broos, augustus 2012


Tijs Magagi (26)

Ik voel mij overal en nergens thuis, een heel dubbel gevoel. Thuis is de basis, maar ik trek graag rond. Het zit in mijn bloed, ik stam af van Nigerijnse nomaden. Ik heb ooit maandenlang in Suriname gezeten, ook in Spanje. En nu wil ik naar Zweden, ik ben zelfs de taal aan het leren. Zolang ik weet dat ik achteraf nog altijd terug naar BelgiĂŤ kan komen. Mijn veilige thuishaven.



08

M

ijn verhaal is het verhaal van mijn ouders. Ik was maar drie, dus wat ik me herinner is veelal ingegeven door wat zij erover verteld hebben.

Mama en papa werkten in Niger. Ze konden geen kinderen krijgen en wilden ginder een kindje adopteren. Maar hun eigen ouders waren erg katholiek en vooral langs papa’s kant zagen ze die onbeantwoorde kinderwens als voorbestemd. Adopteren was dus uit den boze en het adopteren van een zwartje al helemaal. Misschien daarom dat papa er meteen voor wilde gaan. Ik heb mijn ouders voor het eerst gezien in het weeshuis van Niamey. We waren aan het voetballen, maar uit schrik liepen vele kindjes weg. Twee blanken, dat was ginder erg ongewoon. In een onnozele bui ben ik naar die twee mensen gelopen en heb ik de bil van papa gegrepen. Een vertederend tafereel, zo bleek. Op dat moment hebben ze beslist om mij in huis te halen. Al duurde het dan nog enkele maanden eer alles rond zou zijn. Het leven in het weeshuis was hard. We sliepen met z’n zessen in één bed, we moesten vechten om eten. Gelukkig was er Abdul, een jongen van een jaar of vijf ouder. Hij ontfermde zich over mij en mijn vriendinnetje Sarah. Voor mij was hij als een


grote broer. Uiteindelijk werden alleen Sarah en ik aan een gezin toegewezen. Logisch, wij waren nog erg jong en schattig. Maar ik vrees dat Abdul in het weeshuis volwassen is geworden, als hij het al overleefd heeft. Een vreselijke gedachte, want ik weet zeker dat ik het zonder hem nooit had gered en daar heb ik ‘m niet eens voor kunnen bedanken. We hebben geen afscheid kunnen nemen. Op een ochtend kreeg ik propere kleren aan, stond mijn papa voor de deur en reden we samen naar een mooi huis met zwembad. Sarah en Abdul heb ik nooit meer teruggezien. Het was wennen. De eerste weken durfde ik niet alleen gaan slapen. Ik had ook schrik van de knuffelbeer die ik kreeg, zoiets had ik nog nooit gezien. Om het me wat aangenamer te maken hebben mijn ouders vrij snel beslist om ook een pasgeboren meisje te adopteren. Het was even wachten op nieuws uit het weeshuis en ik herinner me nog de woorden waarmee we het te horen kregen: “Il y a une nouvelle arrivage.” Allemaal baby’s in kartonnen dozen waaruit ik eentje mocht kiezen. Het schattigste zwarte dingske dat ertussen lag, dat zou m’n zusje worden. Iris was toen nog maar zeven dagen oud, drie maanden later was ze al bij ons. Vanaf dan ging alles goed. Ik heb m’n zusje altijd erg in bescherming genomen. Nog steeds, eigenlijk. Niemand mag een vinger naar haar uitsteken en dat gevoel had ik zeker toen we voor het eerst naar België vlogen. Het was ook erg nieuw. De eerste keer in een vliegtuig,


10

de eerste sneeuw, het was ontzettend koud. En eenmaal in Zaventem stond er een dikke tante ons op te wachten. Ik schoot meteen achter de benen van mijn papa, zo vreemd allemaal. Diezelfde dag werd ik gedoopt en tijdens het feest achteraf ben ik onopvallend naar het spreekgestoelte gelopen. Ik nam de microfoon en riep: “Amen.” Iedereen keek om, ik probeerde subtiel weg te lopen. Dat stoer doen en in de belangstelling willen staan heeft er altijd wel ingezeten. En het bewees dat ik me daardoor snel op m’n gemak kon voelen. Tot mijn zesde hebben we in Afrika gewoond. Dan is mama tegen ieders verwachting in

Op mijn veertiende

toch zwanger geraakt. We zijn

kwam er thuis een

want een bevalling ginder zag ze

brief waaruit bleek

meteen naar België verhuisd, niet zitten. Niels werd als eerste

dat mijn biologische

geboren, hij kreeg als tweede

ouders gestorven

in het weeshuis. Daarna kwam

naam Abdul naar mijn vriendje

waren. Het deed

Anaïs. We zijn dus met vier

me niks.

Voor ons was dat heel normaal,

thuis. Twee zwarte, twee witte.


de jongste twee hebben het nooit anders geweten. Voor hen ben ik gewoon hun broer, ook al heeft mijn vel een andere kleur. Als kind ben ik nooit erg met mijn afkomst bezig geweest. Op mijn veertiende kwam er thuis een brief waaruit bleek dat mijn biologische ouders gestorven waren. Het deed me niks, al denk ik nu dat het ergens een geruststelling was. Ik hoefde niet meer terug. Mijn zus Iris heeft die hunker wel, misschien omdat zij helemaal geen herinneringen aan Afrika heeft. Onlangs hebben m’n ouders voorgesteld om met het hele gezin terug te gaan, maar ik wil niet terug. Ik heb schrik voor de shock en het maakt me kwaad dat Iris niet eens beseft dat er een shock zal zijn. Bovendien vind ik het onrespectvol tegenover mijn ouders om ginder naar haar biologische ouders te gaan zoeken. De enige band die we nog met Niger hebben, staat op papier. Dat is onze tweede naam. Ik dank mijn ouders dat ze mij in dat weeshuis gekozen hebben. Of moet ik zeggen: ik dank mezelf dat ik die bewuste dag naar mijn papa heb gegrepen? Want zonder dat was ik hen misschien niet opgevallen en was ik er misschien niet meer geweest. Ik probeer daar niet vaak bij stil te staan, dan word ik verdrietig van het idee dat ik ginder kinderen heb achtergelaten die nooit de kans hebben gekregen om iets van hun leven te maken. En dan overvalt me de gedachte wat voor ‘n geluksvogel ik ben. Voor een jongen van Niger doe ik het toch niet slecht, hoe moeilijk ik het soms ook heb om dat te aanvaarden.


Kim (41)

Het vliegtuig nemen was als binnenstappen in de teletijdmachine van Suske en Wiske. Ik wist niet waar ik was, ik herkende niets. Een dokter heeft me zelfs een spuitje moeten geven om te kalmeren. Toen ik wakker werd, dacht ik dat ik dood was. Mijn oma zei altijd: “als je sterft, dan word je een ster.� En zo hoog boven de wolken leek het al zover te zijn.



14

M

ijn eerste vier jaren beschouw ik nog steeds als de gelukkigste van m’n leven. Ik woonde bij m’n oma in een grot in het bos, ergens in Korea. Mijn

ouders heb ik nooit gekend. Volgens mij zijn ze gestorven, maar ik heb er nooit naar gevraagd, voor mij was het normaal zo. Ik had er een leven van deugnieterij, heel zorgeloos. Met de kinderen uit de buurt haalde ik kattenkwaad uit. Zo hadden we eens watermeloenen van een boer gestolen. Met enkele takken had ik de prikkeldraad rond zijn erf omhoog geduwd zodat we eronder konden kruipen. Mijn oma heeft onze vangst toen onder alle kinderen verdeeld, de pitjes hielden we bij als medicijn. Nog steeds kan ik geen marktkraam met watermeloenen passeren zonder aan dat zalige moment terug te denken. Wat een feest was dat! Maar dan moest ik gaan werken. Overdag op de rijstvelden, ‘s avonds gingen we kikkers vangen. Vreselijk. Ik voelde me rot toen ik besefte dat die arme diertjes later werden opgegeten. Intussen werd oma ouder en zieker. In de Koreaanse cultuur wordt zo’n bejaarde dan alleen gelaten. Voor een westerling klinkt dat hard, alsof ze aan haar lot wordt overgelaten. Maar voor mijn gevoel heb ik ze in vrede laten gaan, zo gaat dat ginder.


Ik ben bij verschillende gezinnen gaan aankloppen, in de hoop dat iemand me in huis zou halen, dat ik ergens van dienst kon zijn. Maar op een regenachtige dag werd ik door de politie meegenomen. Eerst was ik blij dat ik droog zat, maar zodra ik mijn kans zag, ben ik ontsnapt. Ik ben beginnen lopen, en lopen, tot ik ergens luide kinderstemmen hoorde. Het was een weeshuis, daar heb ik mezelf geplaatst. Niet veel later werd ik geadopteerd. Een Belgisch gezin zocht een kind van een jaar of 8. Ik was al 10, maar de zusters hebben mij voorgedragen. Ik voelde me gelukkig. De dag van mijn vertrek was overweldigend. Op de luchthaven stonden vijf moedertjes met een baby. Voor mij was dat een geruststelling, dan moest ik niet alleen die enge trappen van het vliegtuig op. Maar één voor één zag ik die vrouwen afdruipen, nadat ze hun kind aan een stewardess hadden gegeven. Allemaal, behalve de vijfde. Na een lange tijd commandeerde de piloot me dat ik het kind moest nemen. Een aanwezige dokter suste de moeder dat ik voor haar baby zorg zou dragen, dat haar kind niet alleen zou zijn in die andere wereld. Ik was te jong om te beseffen wat er gebeurde. Dat kleintje lag nog maar net in m’n armen, of het werd al weggerukt. Ik werd meegetrokken, het vliegtuig op. En door het raampje zag ik die moeder, alleen, troosteloos aan het huilen. Dat beeld zal ik nooit vergeten. Nog voor mijn vlucht had ik een foto van mijn adoptiegezin gezien. Een statig portret van een blanke vader en moeder, vier natuurlijke kinderen en een pleegkind. Op de luchthaven van


16

Zaventem herkende ik ze meteen, al was het tegelijk ook erg schrikken. Mijn adoptievader was groot, ik wist niet dat er zulke grote mensen bestonden. Op alle vlakken was het wennen. De eerste dag had mijn moeder Chinees besteld, maar de tweede dag kreeg ik al rode kool, aardappelen en worst voorgeschoteld. Ik was gewoon om met m’n handen te eten. Bestek was voor mij iets onbekend, maar niemand hielp me. Ik moest dat maar allemaal zelf ontdekken. Maar de grootste aanpassing was de regelmaat. Mijn oma in Korea zei altijd: je moet niet eten omdat de zon het zegt. Soms aten we dagen niet, omdat we geen honger hadden. In België moest er plots van alles. Aan dat woordje ‘moeten’ heb ik een hekel gekregen, in mijn eigen gezin moet er niets. Mijn adoptiemoeder was een Britse dame, met bijhorende etiquette. Thuis verliep alles gedisciplineerd. De eerste maanden heeft ze er de belachelijkste nuances van de Nederlandse taal ingestampt. Koffielepel, dessertlepel, soeplepel, pollepel, ik moest ze allemaal uit elkaar kunnen halen. Als ik een fout maakte, trok ze aan m’n oor. Ik noemde haar wel ‘ns Margaret Thatcher. Ze was streng maar rechtvaardig, voor al haar kinderen. Ik herinner me een kerstavond waar mijn broers en zus elk 500 frank van hun grootmoeder hadden gekregen. Ik kreeg niks. M’n moeder vond dat zo onrechtvaardig dat ze al haar kinderen heeft bevolen om hun centen terug te geven, uit solidariteit met mij. Ja, ik heb mijn adoptieouders altijd als mijn echte ouders beschouwd, al


is er over mijn adoptie nooit gesproken. Het is er ook nooit van gekomen, ze zijn allebei gestorven toen ik pas was afgestudeerd. Ik vind het jammer dat ik ze nooit echt heb leren kennen. Mijn zoontje zit nu in de derde kleuterklas. Hij is een mooie mix van Korea en hier, alle meisjes zijn wild van hem. Soms wijs ik hem mijn geboorteland aan op de wereldkaart. Mama komt van daar, ik wil dat hij zijn roots kent. Maar ik zal ‘m nooit dwingen om er ooit naartoe te reizen, ik weet niet eens of ik ooit terug wil. Ik heb er geen doel. Mijn oma is gestorven, van mijn ouders weet ik niets. Ik kan me niet eens herinneren waar ik gewoond heb, die grot kan ik nooit meer terugvinden. Als ik terugkeer, ben ik er toerist in eigen land. Dan ken ik wel andere landen waar ik nog naartoe wil. Ik kan nog steeds wakker liggen van de dingen die ik heb meegemaakt. Zoals dat beeld van die huilende moeder en haar baby aan de luchthaven. Pas onlangs heb ik dat schuldgevoel een plaats kunnen geven. Mijn zus kreeg toevallig een babyfoto van een collega te zien. Hij zat daar op een vliegtuig naar BelgiĂŤ, in de armen van een meisje. Dat meisje was ik. Wat een kleine wereld, toch? Ik realiseer me dat die man nu gelukkig is, dat hij in Korea nooit dezelfde kansen had gekregen. Zo denk ik er ook over. Ik ben ooit gelukkig geweest met niets, de rest is luxe. Maar ik ben ook blij dat ik aan deze kant van de wereld woon, al was het maar omdat mijn zoontje nu dingen leert waar ik op zijn leeftijd alleen maar van kon dromen.



Jean bosco (58)

Het afscheid van mijn moeder verliep emotieloos. Mijn vertrek uit het vluchtelingenkamp onderging ik onbewogen aan de buitenkant, maar vanbinnen is er een existentiĂŤle vraag ontstaan. Ik kon ze als vijfjarige nog niet verwoorden, maar het is een probleem waar elk adoptiekind vroeg of laat mee te maken krijgt. Een oervraag die vanbinnen blijft zitten. Was ik het dan niet waard om te blijven?


20

I

k ben geadopteerd op 1 juli 1960. Volgens mij is mijn verhaal een half jaar ervoor begonnen, exact kan ik het me niet meer herinneren. Ik leefde met mijn familie op

een heuvel, in een nieuw samengesteld gezin. Mijn biologische vader was een blanke man, hem heb ik nooit gekend. Mijn moeder was samen met een andere man, een soort dorpshoofd. Ik had nog een zusje en waarschijnlijk twee halfbroers en halfzussen. We hadden koeien en een bananenplantage, we hadden het goed. Op een dag kwam er een boodschapper vertellen dat er een burgeroorlog ging uitbreken, het was een kwestie van uren voor die uit Kongo richting Rwanda zou overkomen. Onze inboedel stond in een mum van tijd gereed. Een bevriende legereenheid heeft ons met pak en zak naar een vluchtelingenkamp geĂŤscorteerd. Het ging snel, meedogenloos, het voelde alsof ik plots niet meer gehecht was aan mijn thuis.


Het kamp lag op een heuvel, bovenop de berg stond een schooltje. Het klaslokaal was vier op vier meter, de leraar was een blanke man. Er waren een dertigtal huisjes, eerder hutjes van golfplaten, ik ben hooguit twee weken gebleven. Een keer passeerde er een wagen met een blank koppel. Ze stapten uit, gingen met de leraar praten, mijn moeder kwam erbij staan. En dan gaf ze me een zakje met wat eten en zei: “jongen, met die mensen ga je mee.” Onverschillig deed ik wat ze me opdroeg, ik stelde me ook geen vragen. Na een dag en een nacht rijden kwam ik aan in een klooster, ergens op de grens met Burundi. Daar werden lotgenoten verzameld, allemaal kindjes met een koffie-met-melkkleurige huid, net als ik. Ik liep daar een tijdje rond, gelukkig te wezen, want ik werd ter adoptie aangeboden. Aan het eind van mijn verblijf ben ik door m’n benen gezakt. Ik werd toen onder het toezicht van een zuster geplaatst. Mijn vertrek naar België en het afscheid van die vrouw viel me wél zwaar, in tegenstelling tot het afscheid van mijn moeder. Heel vreemd, onbewust hebben die intense veranderingen me vanbinnen erg aangetast. Op korte tijd ging ik van overal naar nergens. Eerst naar een alleenstaande man met dochter. Het leek een soort proef en ik ben er niet lang gebleven. Dan brachten ze me naar het huis van mijn eigenlijke adoptieouders, maar er liep wat fout in de communicatie. Die mensen waren op dat moment net op reis en ik stond daar voor de deur. Voor een weekje kon ik


22

terecht bij de zus van mijn adoptiemoeder. Op korte tijd heb ik een aardig mondje Antwerps geleerd, iets wat mijn overlevingskansen in de streek aanzienlijk verhoogde. En zo kwam ik na enkele omzwervingen in een échte thuis terecht, ik ben er opgegroeid zoals zoveel kinderen in dit land. Op m’n zesde ging ik net als mijn leeftijdsgenoten naar de eerste klas. Mijn ouders waren prille vijftigers toen ik erbij kwam. Ze waren oorlogskinderen, een speciaal ras. Over mijn adoptie werd niet gesproken, dat vonden ze niet nodig. Begeleiding bestond nog niet, met de beste wil van de wereld konden ze dat ook niet bedenken. Maar ze hebben ook nooit fouten gemaakt, ze waren gewoon erg onhandig in communicatie. Mijn ouders waren door en door goede mensen die me

Ik voelde me een blanke, maar met

ondanks alles één belangrijke les hebben geleerd: elkaar graag zien. Het besef wat er met me is

het voordeel een

gebeurd, kwam pas een tiental

kleurtje te hebben.

herinnering aan mijn biologische

jaar later. Ik had dan wel een fijne


moeder, er viel hier zoveel te beleven dat ik er in eerste instantie niet meer aan dacht. Op mijn achttiende begon ik me de klassieke vragen te stellen: over wie ik was en tegelijk de ontkenning van mijn roots. Ik voelde me een blanke, maar met het voordeel een kleurtje te hebben. Door als jongvolwassene andere Rwandezen te ontmoeten, hun verhalen te horen, begon het te dagen dat ik lege bladzijden in mijn manual had. Pagina zeven was er niet, negen ook niet. En dan probeerde ik een verband te zoeken tussen bladzijde zes en acht om die toch een zekere invulling te geven. Naar échte verbanden en antwoorden zocht ik niet. Mijn slogan was: dit zijn m’n echte ouders, aan hen heb ik alles te danken. Ik wilde hen niet choqueren door ondankbaar te zijn. Pas achteraf besefte ik dat dat er niets mee te maken had, natuurlijk. De drang om toch op zoek te gaan, is er pas gekomen toen ik twee kinderen kreeg. Ik zat diep, wist met mezelf geen blijf en vertoonde vluchtgedrag. Om dat te verklaren, ben ik me gaan verdiepen in de spiritualiteit. Daarvoor diende ik terug te keren naar het moment van mijn adoptie. De vraag “was ik het dan niet waard om te blijven” is al die tijd nooit beantwoord. Dus betekende het niet waard zijn blijkbaar ook dat ik het niet waard was om succes te hebben. Ik kon gewoon niks meer tot een goed einde brengen, het was een soort van psychologische sabotage van mijn eigen kunnen. Stap voor stap moest ik mezelf vertellen dat ik het wél waard was.


24

Constant probeerde ik mezelf in balans te houden. Tot mijn homeopaat me een Europees-Afrikaanse methode heeft aangeraden, om mijn familieconstellatie terug in balans te brengen. Een Europees-Afrikaanse methode? Dat doe ik meteen, dat bèn ik. Tijdens die sessie mocht ik één vraag stellen, die op een uur tijd werd behandeld en beantwoord. Mijn vraag was: heeft mijn moeder me uit eigenbelang of uit liefde weggegeven? Volgens dat moment daar bleek het uit pure liefde geweest te zijn. Dat

Ik had dan wel

heeft alles voor mij veranderd, ik ben ook nooit meer op die

een fijne herinnering

vraag teruggekomen. Dat ene

aan mijn biologische

heb er rust in gevonden.

moeder, er viel hier

sleutelpunt is ontzenuwd en ik Een jaar later kreeg ik toevallig

zoveel te beleven

de maker van het tv-programma

dat ik er in eerste

al eerder voor dat programma

Spoorloos aan de lijn. Ik was

instantie niet meer

gevraagd, maar toen was ik er

aan dacht.

mezelf aangeboden. Tijdens de

niet klaar voor. Die keer heb ik


opnames kwam ik te weten dat mijn moeder overleden was door stokslagen en dat ook mijn zus gestorven was. Haar dochter heb ik ontmoet, later ook andere familieleden. Ik hou nog steeds contact, maar spaarzaam. Voor hen is het niet eenvoudig om mij objectief te bekijken, voor hen ben ik een rijke westerling. Dat schept verwachtingen, daar moet ik mezelf tegen wapenen. Mijn adoptieouders zijn negentigers geworden. Mijn moeder was dement, de laatste 12 jaar konden we nog amper communiceren. Enkel mijn vader heeft geweten dat ik naar Rwanda ben teruggekeerd, op die leeftijd konden we daar gelukkig wel over praten. Wij zijn die laatste jaren dichter naar elkaar toegegroeid. Voor hem was ik op mijn achttiende een nietsnut, want ik ging artiest worden. Tot ik op tv kwam, tot ik kon bewijzen dat ik mijn boterham verdiende, dan ging hij overal vol trots over zijn zoon vertellen. Mooi, toch? Ik heb mijn ouders misschien niet altijd alles kunnen vertellen, maar ik denk niet dat het nodig was. Wij konden elkaar zeggen dat we elkaar graag zagen, dat is de essentie. Ik heb veel bewondering voor mensen die ervoor kiezen om een ander kind op te voeden, met al hun mogelijkheden maar ook met al hun beperkingen. Om hen de wereld in te sturen, kansen te geven. Bij deze een grote chapeau voor die twee mensen die mij hier hebben grootgebracht. Ik heb veel aan mijn adoptieouders te danken, ik heb alles aan hen te danken.


HILDE (42)

Toen ik m’n dochter kreeg, wist ik niet goed wat ik met haar moest. Het idee dat ik moeder werd, daar heb ik aan moeten wennen. Die verantwoordelijkheid woog zwaar. Het liefdevol met m’n eigen kind omgaan heb ik moeten leren, omdat ik het zelf nooit heb meegemaakt. Voor mij heeft het woord moeder, moeder zijn, altijd gelijk gestaan aan afwijzing. Daar heb ik heel lang mee geworsteld.



28

M

ijn vader kon geen kinderen krijgen, maar mijn moeder wilde zo graag een gezin. Eén jaar oud was ik toen ik werd geadopteerd, later kwam

ook mijn broer erbij, die wat langer in het weeshuis is gebleven. Daarna zijn er nog vier kinderen geadopteerd, er woonden twee bootvluchtelingen bij ons en er verbleven af en toe kinderen uit instellingen. Ons huis zat nokvol, er werd altijd wel iemand opgevangen. Ik had het gevoel dat mijn ouders maar bleven zoeken tot ze dat ene ‘goede’ kind hadden gevonden. Want vanuit hun strikte, conservatieve opvattingen hadden ze telkens wel iets op ons aan te merken, leek er altijd wel iets mis of liepen de zaken niet zoals zij dat wilden. Op mijn jongste zus na - die als laatste werd geadopteerd - is er volgens mij niemand geworden zoals zij het graag gezien hadden. Ik heb me bij mijn adoptieouders nooit aanvaard gevoeld. Pas recent heb ik hen rechtuit durven vragen waarom ze me niet gewoon kunnen accepteren zoals ik ben. Waarom ik nooit iets goed kan doen. “Omdat je nooit goed genoeg zal zijn,” antwoordde m’n vader. Dat was eerlijk. Alleen jammer dat ik 42 jaar heb moeten wachten om dat uit zijn mond te horen. Het is nu goed zo. Ik heb het aanvaard, omdat ik nu weet dat het


hun probleem is en niet het mijne. Het is een last die van m’n schouders is gevallen, ik heb er vrede mee genomen. Mijn leven kan nu eindelijk beginnen. Pas op, je gaat me niet horen zeggen dat mijn ouders slechte mensen zijn. Integendeel. Het zijn hardwerkende WestVlamingen die in hun strikte, katholieke opvattingen alles hebben gedaan wat ze in hun ogen voor ons moesten doen. Ze hebben hun goedheid bewezen door ons allemaal in huis te halen. Maar ik miste geborgenheid, een nestgevoel. Emoties heb ik continu moeten onderdrukken. Als ik al ‘n keer aan tafel zat te huilen, vloog ik naar mijn kamer. ‘Iedereen heeft z’n problemen,’ zei m’n vader dan. ‘Met emoties raak je geen stap verder in het leven.’ Terwijl voor mij alles om emotie draait. Weet je, het is een proces van geven en nemen. En ik had meer warmte nodig dan zij me konden geven. Op mijn veertiende ben ik mijn biologische moeder gaan zoeken. Ik wilde weten of ik op haar leek, vooral innerlijk dan. Ik zocht referentiepunten voor mijn gevoelens. Op een uur tijd had ik al haar gegevens bij elkaar verzameld, iets wat in deze tijd misschien niet meer zou kunnen. Ik heb haar een brief geschreven, ze antwoordde dat ze langs zou komen. En op een avond - toen ik het al lang niet meer had verwacht stond ze voor de deur. Die ontmoeting heeft me meer kwaad dan goed gedaan. Voor haar is ons verhaal voorbij. Ze heeft me een familie met geld gezocht, ironisch genoeg was dat dezelfde


30

levensvisie als die van mijn adoptieouders. Maar er is meer in het leven dan geld alleen. Ik blijf nog steeds met vragen zitten, ik wil nog zoveel weten over mijn biologische vader. Hij was een Spaanse seizoenarbeider en is gestorven, heb ik gehoord, maar dat geloof ik niet. Ik heb verschillende keren toenadering gezocht met mijn biologische moeder om dat verder uit te klaren, maar ze wees me steeds af. Ze behandelt me zelfs als een stalker. Ik weet waar ze werkt, ik ben er al verschillende keren gepasseerd, maar ik blokkeer als ik voor de deur sta. Mijn man is er wel al eens binnen geweest, samen met ons dochtertje. Raar, mijn bloedeigen moeder heeft dus oog in oog gestaan met haar eigen kleinkind en heeft het nooit geweten. Ik geloof niet dat het goed kan zijn om mensen uit hun eigen omgeving weg te plukken. Misschien is het wel daarom dat sommige mensen door de natuur tegen zichzelf worden beschermd. Sommige mensen zijn niet gemaakt om kinderen op te voeden, dus vind ik het beter dat zij geen kinderen kunnen krijgen. Als je dat toch gaat forceren, kan het alleen maar mislopen. Mijn levensvisie is radicaal tegenovergesteld aan die van mijn adoptieouders en dat botst. Maar ik ben nu op het punt gekomen dat het niet meer uitmaakt wie er gelijk heeft. Ik heb mijn mening, zij de hunne. Ik zou hun leven niet willen, zij het mijne niet. Daar houdt het op. Klikken heeft het nooit echt gedaan en gaat het ook nooit meer doen. Ik zie mijn ouders niet meer, maar ook met mijn broer en


zussen is de band niet zo sterk. Het enige dat wij gemeen hebben is ons verleden, maar dat is geen prettige herinnering. We hebben elk onze eigen weg gezocht en proberen onze jeugd elk op onze eigen manier te verwerken. Daarom is het moeilijk om over mìjn familie te spreken, die relatie is er niet. Dat hoeft ook niet. Mijn vrienden zijn mijn familie. Stuk voor stuk zijn dat mensen die ook in een gekke situatie hebben gezeten. Intelligente mensen die iets bereikt hebben in hun leven, maar ook mensen met issues. Heel emotionele mensen, mensen zoals ik. We zijn er voor elkaar als we elkaar nodig hebben. En heel belangrijk, we aanvaarden elkaar zoals we zijn. Het zou maar al te makkelijk zijn om alles wat er in mijn jeugd is misgegaan aan mijn adoptie te wijten. Adoptie is en blijft een moeilijk gegeven. Een kind afstaan kies je zelf, een kind adopteren ook. Maar als geadopteerd kind heb je zelf geen stem gehad en moet je je neerleggen bij de keuzes die anderen voor je gemaakt hebben. Een keuze die de rest van je leven sowieso beïnvloedt. Mijn ouders waren misschien niet zoals ik ze graag had gehad en omgekeerd. Mochten mijn ouders destijds geweten hebben wie hun kinderen later zouden worden, zouden ze dan nog steeds voor adoptie gekozen hebben? Ik vrees ervoor. Maar een kind is geen object met een garantie, er is geen return to sender. Als het je niet aanstaat, kan je ‘t niet zomaar terugbrengen. Het is een moeilijk parcours geweest, maar ik denk dat ik er sterker ben uitgekomen. Uiteindelijk.



LONG (44)

Ik was op het strand aan het spelen toen er een boot aanmeerde. Onbezonnen ben ik aan boord geklauterd, mijn ouders wisten van niks. Met 324 mensen stonden we samengepropt, ik kende alleen twee vriendjes. De boot was maar 17 meter lang, niemand kon bewegen en zo hebben we acht dagen lang gevaren op zee. Zonder eten, zonder drinken. Maar onbewust wist ik dat deze vlucht een nieuw en bĂŠter leven zou betekenen. Achteraf bekeken was dat een erg volwassen beslissing voor een dertienjarige.


34

I

k ben geboren in Vietnam, maar mijn familie wilde vluchten voor het communistische regime. Door als jonge bootvluchteling naar Maleisië te reizen, ben ik

onverwacht als eerste van het gezin vertrokken. Ik was helemaal verlamd van de lange reis, het leek wel of mijn lichaam dood was en in het kamp was het niet veel beter. Af en toe kregen mijn vriendjes en ik 200 gram rijst waar we dan enkele dagen op moesten teren. Ja, ik heb er veel miserie gekend, maar ik leefde op hoop. Ik wou snel naar Amerika of Canada trekken, maar heb een gans jaar tevergeefs op hulp gewacht. Tot er een Belgische ontwikkelingsorganisatie arriveerde. Camina kon 48 Vietnamese kinderen mee naar België nemen. België? Daar had ik nog nooit van gehoord. In mijn fantasie was het een klein land vol dikke vrouwen, maar ook één waar de gezinnen kleiner waren dan die in Amerika. Perfect, dacht ik. Zo was er misschien meer tijd voor mij. Die gekke gedachtesprong heeft me overtuigd om mee te gaan en me zo te laten plaatsen


in een pleeggezin. Logisch dat ze niet echt konden adopteren. Ik kende mijn biologische ouders nog, ze hadden me ook niet afgestaan. En toch was dat pleeggezin geen tijdelijke oplossing, ik ben acht jaar bij hen gebleven. Ook al ging dat vaak met vallen en opstaan. Ik was een straatkind, was complete vrijheid gewoon en dan moest ik plots in een huis vol regeltjes leven. Niets voor mij. Mijn vader begreep mijn streken, hij was leraar en wist hoe tieners konden zijn. Maar voor mijn moeder was dat nieuw. Hun eigen dochter was pas negen maanden toen ik erbij kwam, de drie andere kinderen zijn later gekomen. Dat botste soms, maar ik wilde vooral dankbaar zijn. Ik was erg sociaal, had veel vrienden, ging voetballen en toch verplichtte ik mezelf om veel thuis te zijn en mijn hardwerkende ouders te helpen in het huishouden. Het werd niet eens van mij verwacht, maar in mijn ogen was het de enige manier om iets terug te doen. Ik maakte ook elke dag het eten klaar en zo kreeg ik de microbe van het koken te pakken. Als kind droomde ik ervan om bakker te worden, omdat ik zoveel honger had geleden in het vluchtelingenkamp. Uiteindelijk ben ik kok geworden. Ik wilde snel wat meer vrijheid krijgen en daarom heb ik mijn middelbaar op de kokschool verdergezet. Meteen daarna ben ik als keukenhulp gaan werken. Mijn pleegouders hadden me liever in een job met zekerheden gezien, maar ik wou op termijn een eigen zaak uit


36

de grond stampen, mijn eigen plan trekken. In die periode zijn we wat uit elkaar gegroeid, maar hoe ouder ik word, hoe groter mijn respect wordt. Voor alles wat zij ooit uit liefde voor mij hebben gedaan. Ze hebben me nooit veel geld kunnen geven, dat hadden ze niet. Maar de kansen die ik heb gekregen, de waarden die ze mij hebben bijgebracht, die zijn onbetaalbaar. Ik blijf hen beschouwen als een tweede paar ouders. Ze zijn mijn vake en moeke, hun kinderen zijn mijn broers en zussen. Met de jaren heb ik ook mijn biologische ouders teruggevonden. Door mijn impulsieve vertrek hebben ze lang niet geweten waar ik was, maar eenmaal ik in BelgiĂŤ woonde, zijn we beginnen schrijven. Ze waren opgelucht en blij dat ik goed terecht was gekomen, maar het was ook moeilijk. Ook zij wilden betere

Ook al ben ik in

oorden opzoeken en ze konden me niet achterna reizen. Ik was

BelgiĂŤ altijd omringd

te jong, ik kon hier niet voor hen

geweest door lieve

mijn zus gaan wonen, die samen

zorgen. Na vele jaren zijn ze bij

mensen, toch voelde

met mijn broer naar Amerika

ik me vaak eenzaam.

tussen ons, maar we leven in een

was gevlucht. Er zit veel afstand


tijd waarin dat nog weinig uitmaakt. We bellen regelmatig, ik probeer ze af en toe op te zoeken en met de geboorte van mijn kinderen zijn ze al ‘ns hier geweest. Was ik destijds in Vietnam gebleven, had ik daar waarschijnlijk ook een eigen zaak gestart. Net zoals de rest van mijn familie, het zit in ons bloed. Ook zij zijn ondernemers, door omstandigheden verspreid over de hele wereld. Als we ginder waren samengebleven, zou ons leven niet gek veel anders zijn dan vandaag. Er is ook heel wat veranderd in de regio, het is er beter geworden. Ik heb geen spijt van de keuzes die ik heb gemaakt. Ik heb het goed hier, ik heb hier kansen gekregen. Maar er is altijd iets blijven ontbreken. Ik ben opgegroeid in een wereld die niet de mijne was. En ook al ben ik in België altijd omringd geweest door lieve mensen, toch voelde ik me vaak eenzaam, miste ik de link met mijn roots. Daar kan ik nog steeds erg verdrietig van worden. Misschien daarom dat ik onbewust naar een Aziatische vrouw heb gezocht. Pas op, ik heb niets tegen Europese vrouwen. Maar koppels uit eenzelfde cultuur hebben vaak al problemen genoeg. Ik voel dat we in onze relatie de cultuur van het oosten meedragen en ik hoop dat ik ooit de tijd vind om met m’n kinderen naar Vietnam te trekken om ook hen te laten kennismaken met hun achtergrond. Nu ik zelf een gezin heb gesticht, is dat eenzame gevoel verminderd. Al blijf ik me als een vreemde in dit land voelen, dat zal nooit weggaan.


SARA (24)

Ooit heeft iemand hard op m’n ziel getrapt door te zeggen dat mijn ouders mijn échte ouders niet zijn. Dat ik de bloedband met hen en de rest van ons gezin miste. Die uitspraak deed pijn. We mogen dan geen biologisch verwantschap hebben, we zien elkaar wel doodgraag. Dat is het enige wat telt, toch? Voor mijn familie ga ik door het vuur, net als iemand anders dat voor zijn ‘echte’ familie zou doen.



40

I

k was 2 en half toen er een koppel uit België mijn weeshuis kwam bezoeken om een adoptie te regelen. Voor de gelegenheid werd ik helemaal opgetut. Ik kreeg

de mooiste kleertjes aan, mijn haar werd in twee dotjes gedaan. Een heuse verkoop, eigenlijk. Meteen met hen meegaan was uitgesloten, de administratie was nog niet helemaal rond. Ik moest dus even later moederziel alleen naar België reizen. Speciaal voor die trip hadden mijn adoptieouders wat nieuwe kleertjes in het weeshuis achtergelaten, maar die hebben ze nooit teruggezien. Ik was enkel in een vod gewikkeld toen ik in Zaventem aankwam. Herinneringen aan die dag heb ik niet, maar foto’s zijn er wel. De ganse familie stond me op te wachten, er waren spandoeken: ‘Welkom Sara Patricia!’ Patricia was de naam die ik in het weeshuis had gekregen, maar mijn mama vond Sara mooier klinken.


Mijn ouders hadden al twee zonen, de ene uit Zuid-Korea en de andere uit Indonesië. Onze karakters liggen ver uit elkaar, meer dan bij broers en zussen in andere gezinnen. Volgens mij is dat logisch, het heeft allicht te maken met onze roots. Drie verschillende temperamenten, dat kan al ‘ns botsen. We vochten thuis kleine wereldoorlogen uit, zoals onze mama het noemde als we ruzieden. Dan riepen we al eens ‘spleetoog’ en ‘stomme indiaan’ naar elkaar. Hard, maar nooit gemeend. We waren als kat en hond, maar dat zijn alle broers en zussen op jonge leeftijd. Moest een buitenstaander dezelfde opmerking over m’n broers hebben gemaakt, was ik door het lint gegaan. Thuis is er altijd erg open met het onderwerp adoptie omgegaan. “Ik ben wit en jij bent bruin,” zei mama altijd. “Maar jij zal altijd mijn liefste dochter zijn.” Ze wonden er geen doekjes om. En als dat nodig was, werd er humor gebruikt om de thematiek nog beter bespreekbaar te maken. Mijn mama heeft ook altijd gezegd dat mijn biologische mama geen slechte moeder was. Die vrouw heeft me negen maanden in haar buik laten leven, ze wilde een beter leven voor mij. Volgens mij kan ik net door die open opvoeding de zaken wat beter relativeren. Maar in de puberteit heb ik het moeilijk gehad. Ik begon me – net als iedereen – vragen te stellen. Vragen waarop ik het antwoord niet kon achterhalen. Op zes maanden ben ik te vondeling gelegd. Zonder papieren, zonder gegevens. Ze wisten zelfs niet of ik gedoopt was, terwijl Ecuador toch een heel


42

katholiek land is. Ik wilde net als mijn broers over mijn afkomst kunnen praten, maar ik had niks te vertellen. Alles wat ik wist, kon ik in twee zinnen samenvatten. In die periode durfde ik thuis al ‘ns stomme dingen zeggen. “Jij moet mij niet vertellen wat ik moet doen, jij bent mijn echte papa niet!” En dan zag ik mijn papa wegkrimpen, omdat ik hem diep had gekwetst. Gelukkig hebben mijn ouders dat toen meteen als puberaal gedrag begrepen. Ik probeer mijn adoptie nog steeds met een glimlach

Mijn mama heeft

te benaderen. Dat doe ik niet om mezelf te beschermen, ik

altijd gezegd dat mijn

heb er gewoon geen slecht

biologische mama

dat ik wél de echte dochter

gevoel bij. Ik grap wel eens

geen slechte moeder

van m’n mama ben, omdat

was. Die vrouw heeft

op onze benen hebben staan.

we toevallig allebei geen haar

me negen maanden

Of ik vraag m’n vrienden

in haar buik laten

een gelukkige verjaardag te

om me elke dag van het jaar

leven, ze wilde een

wensen. Mijn geboortedatum

beter leven voor mij.

informatie gegist door het

is bij gebrek aan concrete


weeshuis. Heel wat wezen hadden dezelfde geboortedatum, kinderen met ongeveer dezelfde leeftijd werden gewoon op eenzelfde datum ingeschreven. De onwetendheid over mijn afkomst is altijd gebleven, maar ik heb niet het gevoel dat ik iets mis. Onlangs heb ik een kleurtje op mijn zwarte haar laten zetten. Mijn mama vond dat zonde, alsof ik een stukje van mijn eigenheid had aangetast, maar zo heb ik dat nooit bekeken. Nooit heb ik een band met mijn geboorteland gevoeld. Ik ben best nieuwsgierig naar Ecuador, als kind gaf ik er zelfs spreekbeurten over. Maar ik voel me niet Latijns-Amerikaans, ik ben gewoon een meisje van hier, iemand van België die toevallig ergens anders is geboren. Ooit wil ik wel mijn weeshuis bezoeken. Daar wil ik met mijn eigen ogen zien of het er nog steeds zo mooi en verzorgd is als op de foto’s die mijn ouders er destijds hebben gemaakt. Ik ben benieuwd naar het leven ginder, naar de mentaliteit. Meer niet. Ik wil geen zoektocht starten, ik wil geen moeite doen om mijn biologische ouders terug te vinden. Pas op, mocht iemand het me op een schoteltje aanbieden, zou ik geen “neen” zeggen. Ik wil die mensen wel eens zien, maar dan liefst vanop een veilige afstand. Van een ontmoeting wil ik niks weten, omdat ik simpelweg die behoefte niet voel. Ik heb mijn ouders hier, dat zijn mijn échte ouders. Zij hebben me gemaakt tot wie ik ben geworden, meer heb ik niet nodig.


benny (49)

Toen de dokter vroeg of er erfelijke ziektes in de familie zaten, sloeg mijn moeder rood aan. Ook voor mij was dat niet prettig, telkens opnieuw moest ik uitleggen dat we er geen idee van hadden. Na een resem bloedproeven werd duidelijk dat ik een genetische nierziekte had. Ik was dertien en erop gebrand te weten vanwaar die aandoening kwam, maar ik kon niets beginnen.



46

I

k ben geboren op 1 april 1962, om 17u. Naar het schijnt was mijn moeder een jaar of 47. Ze wilde graag actief blijven en was van goed moreel gedrag, dat stond er op de

steekkaart in het weeshuis. Aan het einde van haar zwangerschap heeft ze een villa gehuurd in Villers Semeuse, pal over de grens met Frankrijk. Daar ben ik geboren, in een groot herenhuis dat fungeerde als privékliniek. Moeders als de mijne bevielen daar anoniem. Er werd een register bijgehouden, maar geen bewijzen die konden dienen voor de geboorteakte. De mijne staat dus vol met x’en. Normaal werd ik op de dag na mijn geboorte opgehaald door Thérèse Wante, een vrouw die kinderen zoals ik terug over de grens smokkelde en hen aan adoptieouders hielp. Maar ik denk dat ik ziek ben geworden, want pas 21 dagen later ben ik in België aangekomen. Niet lang daarna ben ik geadopteerd. Op m’n zesde vertelde een klasgenootje dat ik net als haar geadopteerd was. Geadopteerd? Ik wist niet eens wat dat woord betekende. Toen ik er ’s avonds mijn moeder mee confronteerde, bleek ze voorbereid op mijn vraag. Er lag een primitief boekje


klaar, met een ooievaar op de kaft. Ik was geboren uit een andere mama en dan naar haar gebracht. Voor mij was dat antwoord voldoende. Het heeft tot mijn tienerjaren geduurd eer mijn interesse in adoptie stommelings werd aangewakkerd. In vaders bureau lag een grote map en daar mocht ik niet in kijken. Tja, wat doe je dan als kind? Natuurlijk ben ik op een dag gaan piepen. Alles wat met mijn adoptie te maken had, lag daar netjes verzameld. Een brief van de pastoor die getuigde dat mijn ouders goede katholieken waren, het vonnis van de Franse rechtbank die hen toeliet om een ‘Frans’ kind te adopteren. Ik heb die ganse bundel stiekem meegenomen en helemaal doorgelezen, maar veel kwam ik niet te weten. De vele x’en in mijn dossier werden ook in mijn hoofd grote vraagtekens, zodat ik thuis steeds vaker naar mijn afkomst ging vragen. Mijn vader verwees me door naar m’n moeder. Zij heeft één keer geprobeerd om me alles op een rustige manier uit te leggen. Nadien durfde ik er niet meer over beginnen. Op m’n zestiende heb ik dan beslist om zelf die Thérèse Wante op te zoeken. ‘Tante’ Thérèse was overleden en ook de huidige directrice van de organisatie kon me niet verder helpen. Alle dossiers van mijn generatie waren vernietigd en net daarin stond de naam van mijn biologische moeder én vader. Van mij bleef er enkel een vage steekkaart over. Blijkbaar vond een toenmalige medewerkster het niet nodig dat er ooit iemand aan die informatie zou kunnen, dat was “voor ons eigen goed”. Maar


48

voor mij was die informatie van cruciaal belang, het kon me helpen in het bestrijden van mijn ziekte. Want naast problemen met mijn nieren, bleek ik ook een genetisch bepaalde spierziekte te hebben. Tot mijn 38 heb ik obsessief naar mijn biologische ouders gezocht. Dat heeft heel wat kapot gemaakt, al mijn relaties moesten het ontgelden. Logisch, want wat hadden mijn partners aan een man die de ganse tijd met zijn adoptie bezig was? Ik plaatste berichten in kranten, ik deed interviews voor radio en televisie tot ik uiteindelijk op een muur ben gebotst. Mijn biologische vader was een man van aanzien en

Volgens mij heeft

zijn familie kreeg het erg benauwd. Mijn harde aanpak kon hen wel ‘ns

mijn vader aan zijn

schade berokkenen. Toen ook zij

sterfbed begrepen

ben ik gaan inzien dat mijn

me geen stap verder wilden helpen,

waarom ik me

situatie hopeloos werd. Ik heb

vroeger tegen hem

lange tijd geëmigreerd. Eerst naar

mijn spullen gepakt en ben voor

heb afgezet.

Australië, later naar Mexico.

Gelukkig maar.

geweest. Maar waar ik ook ging,

Mijn ganse leven is een vlucht


de problemen hebben me overal ingehaald. En toch, zo lang van huis te zijn heeft me tot rust gebracht. Die jaren ben ik begonnen met het helpen van andere geadopteerden in hun zoektocht naar hun biologische ouders. Dat gaf me voldoening. Het hielp me om mijn eigen adoptie - en zelfs mijn aangeboren ziekte - een plaats te geven, het werkte als een therapie. Pas toen mijn vader terminaal ziek werd, ben ik teruggekeerd. Zijn laatste anderhalf jaar heb ik heel intens beleefd. Alles wat er ooit tussen ons is verkeerd gelopen, hebben we uitgepraat. In de puberteit heb ik het uitgehangen, iets wat hij maar moeilijk kon vatten. Als hij zei dat ik blij mocht zijn dat ik z’n naam mocht dragen, riep ik dat het net omgekeerd was. Ik heb er niet voor gekozen om geboren te worden, laat staan geadopteerd. Hij mocht blij zijn dat hij het kind van een ander mocht opvoeden. En dat argument ben ik toen gaan misbruiken. Hij moest me niet dicteren wat ik moest doen, hij was toch mijn echte vader niet. Volgens mij heeft hij aan zijn sterfbed begrepen waarom ik me vroeger tegen hem heb afgezet. Gelukkig maar. Ik blijf nog steeds zoeken naar mijn biologische moeder. Niet meer zo actief, niet meer zo gefrustreerd. Puur uit zelfzucht, omdat het veel over mijn zwakke gezondheid zou kunnen verklaren. Maar die vrouw zal mijn adoptiemoeder nooit kunnen vervangen. Zoals ze het op haar 78e nog steeds zegt: “ik ben je moeder, en ik blijf je moeder.” Mijn adoptieouders zal ik altijd loyaal zijn.


soo jin (28)

Ik wil mijn biologische ouders niet opzoeken. Dat zou ik ondankbaar vinden. Mijn moeder woont hier, niet in Zuid-Korea. Zij heeft me opgevoed en ik vind het belangrijk dat zij dat ook zo voelt. Toen m’n pleegzus plots contact kreeg met haar biologische moeder, zag ik dat het mijn mama kwetste. Dat wil ik haar niet aandoen, uit respect. Ook al weet ik dat ze me die zoektocht oprecht gunt.



52

M

ijn adoptieouders konden geen kinderen krijgen, maar toch wilden ze graag een gezin. Eerst was er Elodie, een pleegkind. Zuid-Afrikaans, maar hier

geboren. Ze zou maar even blijven, maar is nooit teruggekeerd. Mijn broer en ik komen allebei uit Zuid-Korea, maar uit een ander gezin. Yoo Chan werd afgestaan omdat hij ernstig ziek was. Was hij ginder gebleven, had hij z’n ziekte vast niet overleefd. Mij hebben ze recht uit het weeshuis gehaald. Niet veel later is mijn moeder totaal onverwacht toch zwanger geworden en zo kregen mijn ouders nog twee eigen kinderen. We waren een atypisch gezin, dat beseften we. Ik heb altijd geweten dat ik anders was, maar ik voelde me niet vreemd. In


ons dorp woonden vele geadopteerde kinderen. Veel van m’n vriendinnen waren toevallig ook adoptiekinderen uit ZuidKorea. Best grappig. Mensen dachten vaak dat we zussen waren. En nog steeds, als we samen op straat lopen, spreekt men ons nog geregeld in het Engels aan. Die gekleurde bende was doodnormaal voor mij. Vragen heb ik me nooit gesteld, die zijn pas achteraf gekomen. Ik heb nooit geweten waarom mijn biologische ouders me naar het weeshuis hebben gebracht. In mijn dossier staat er dat mijn Koreaanse moeder zestien was toen ze me kreeg, mijn vader achttien. Ik vermoed dat ik gewoon niet in dat plaatje paste. Ze waren veel te jong, ze waren ongehuwd en ze kregen een kind. In hun samenleving is dat not done, voor hun families zal dat een schande geweest zijn. Zo’n jonge mensen worden vaak afgestoten en dan is de keuze snel gemaakt. Met mij erbij hadden ze nooit een degelijk leven gehad. En ik vast ook niet. Als kind ben ik nooit van plan geweest om mijn verleden verder uit te diepen. Ik voelde geen band met mijn achtergrond, ik heb er amper geleefd. Pas toen mijn vader plotseling een nieuwe vriendin kreeg, kwam er voor mij een kentering. Ik was een tiener, sowieso een moeilijke periode en ons gezin viel uit elkaar. Op dat moment ben ik beginnen filosoferen over mijn bestaan. Dan beeldde ik me in dat ik in Korea op straat leefde. Dat ik er moest vechten om te overleven. Daar kon ik erg depressief van worden, hoewel ik wist dat het nergens voor


54

nodig was. Ik heb geprobeerd om me in te prenten dat ik blij mocht zijn dat mijn biologische ouders me hebben afgestaan. Nog steeds wil ik niet te vaak stilstaan bij de vragen over mijn afkomst. Ik wil niet nadenken over hoe anders mijn leven ginder was geweest, over wie mijn biologische ouders precies zijn. Die vragen vind ik overbodig, ik heb het goed hier. Pas op latere leeftijd ben ik wel over mijn geboorteland beginnen lezen. Uit interesse, omdat ik mijn roots niet helemaal wil verloochenen. Ik ben zelfs de taal gaan leren, iets wat zo moeilijk was dat ik er vrij snel mee ben opgehouden. Vorig jaar ben ik

De zoektocht naar

voor het eerst naar Zuid-Korea geweest. Ik probeerde mijn reis

mijn biologische

te beschouwen als een vakantie

ouders zal vast heel

ik toevallig ook voor het eerst met

veel teleurstellingen

zoals een andere. Eentje waarbij mijn afkomst in aanraking zou komen. Vreemd genoeg voelde ik

met zich meebrengen. me er meteen thuis, ondanks de Dat wil ik mezelf nu

grote verschillen met België. Ik viel

nog niet aandoen.

hen en tegelijk ook niet.

er minder op, ik was er één van


Ik ben geschrokken van Seoul, zo hightech er alles is. Maar de cultuurshock was het grootst in mijn geboortestad. De huisjes waren piepklein, met van die traditionele daken. Mannen waren aan het vissen, oudjes vertelden over de oorlog. Heel primitief en gezellig. Ik ben er één dag geweest, veel te kort om het helemaal te proeven. Daarom wil ik zeker nog eens terug, heel basic logeren in een guesthouse. Na een eerste toeristische ervaring ben ik klaar om me helemaal in de cultuur onder te dompelen. Mijn weeshuis heb ik niet bezocht. Ik heb er geen herinnering aan, ik ben er ook niet lang gebleven. Voor mij is het een gebouw als een ander, ik hoef daar niet per se te zijn. Ook naar mijn biologische ouders ben ik niet op zoek gegaan. Mijn reisgenoten wezen me erop dat ik misschien op dat eigenste moment voorbij het huis van mijn moeder liep. Raar, maar ik voelde de behoefte niet. Misschien hield ik de boot wel af uit eigenbelang, om mezelf te beschermen. Omdat ik niet kon inschatten wat die confrontatie met mij zou doen. Stel dat zij intussen een nieuw gezin heeft gesticht? Ik zou met een leeg gevoel achterblijven. Terwijl ik wéét dat ik geen reden tot klagen heb. Ik heb het goed hier, ik kom niks tekort. Maar het is niet omdat ik nu geen nood heb aan het vinden van mijn biologische ouders, dat het gevoel er nooit zal zijn. Ik kijk nog even de kat uit de boom, want ik denk dat zo’n zoektocht ook heel veel teleurstellingen met zich meebrengt. Dat wil ik mezelf nu nog niet aandoen.


CLARA (26)

Ik ben niet afgestaan, ik ben gewoon tussen het vuilnis gedropt. Een toevallige passant heeft me daar zien liggen en naar de nonnetjes gebracht. Ik was in shock toen ik dat hoorde, ik kon het niet aanvaarden. Waarom had mijn biologische moeder me niet naar een weeshuis gebracht? ‘s Nachts, niemand die haar herkend zou hebben. Maar nee, ik was weggesmeten. Volgens mij is dat trauma de oorzaak van mijn borderline.



58

M

ijn adoptieouders konden maar één eigen kind krijgen, terwijl ze graag een groot gezin hadden. Daarom hebben ze nog twee meisjes geadopteerd. Ik

was al 3,5 toen ik van India naar België kwam, maar van mijn geboorteland weet ik niks meer. Er zijn nog een paar foto’s waarop ik een kaartje vasthou met m’n naam opgeschreven, iets wat ze blijkbaar naar adoptiebureaus verstuurden. Zo ben ik bij mijn ouders terecht gekomen. Wisten zij veel dat ze met dat meisje op de foto zo’n moeilijke persoonlijkheid in huis zouden halen. Iedereen zou blij zijn met de ouders die ik hier gekregen heb. Ik ook, maar ik kon me niet hechten. Het was alsof er een muur


tussen ons in stond. Ik had schrik om me te binden, schrik dat ze me ooit zouden verlaten. Dat probeerde ik dan te camoufleren met een grote mond. Ooit vroeg ik zelfs aan mijn ouders waarom ze me haatten. Zo grof, natuurlijk kwetste hen dat. Als ik ruzie had, liep ik nog het liefst van al weg om verdere conflicten te vermijden. De eerste keer was ik een jaar of tien, de aanvaring had een erg banale oorzaak. Ik wilde een cd van m’n zus lenen, maar dat mocht niet. Dus ben ik weggefietst, zo’n 15 kilometer ver, niemand wist waar ik uithing. Uiteindelijk ben ik diezelfde avond nog teruggekeerd, maar de politie was al opgetrommeld om me te zoeken. Iedereen was doodongerust. Toen ik er op m’n veertiende weer vandoor ging, hebben m’n ouders me op aanraden van een maatschappelijk werkster naar een jeugdinstelling gestuurd. Daar heb ik tot het einde van mijn middelbaar gezeten. Weglopen deed ik er niet meer, maar vanaf dan heb ik wel regelmatig met zelfmoord gespeeld. Al op de lagere school schreef ik in mijn dagboek dat ik niet langer wilde leven. Eén keer heb ik als tiener zelfs in de medicijnkast gegraaid, maar verder dan wat misselijkheid is het toen niet gekomen. Tot ik achttien werd. Mensen zeggen vaak dat zelfmoord een roep om aandacht is, dus sprak ik er niet over. Ik deed het gewoon. Van het vierde verdiep heb ik me uit een raam laten vallen, vijf maanden heb ik in een ziekenhuis moeten revalideren. Ook daar gedroeg ik me vrij tegendraads, ik werd er constant in de gaten gehouden door


60

de psychologen. Daar is er voor het eerst de term ‘borderline’ gevallen. Sindsdien heb ik nog een paar zelfmoordpogingen ondernomen. Telkens om onbenullige redenen, zaken die in m’n hoofd gigantische proporties aannamen maar in werkelijkheid niets betekenden. Achteraf kon ik dat allemaal relativeren, maar dan was het kwaad natuurlijk al lang geschied. En telkens schaamde ik me dood als m’n ouders me zo op de spoedafdeling zagen liggen. Hoe meer ik over mijn persoonlijkheidsstoornis ben gaan lezen, hoe meer ik mezelf herkende. Heel onzeker, een laag zelfbeeld, eindelijk kon ik plaatsen wat er al die jaren met mij was gebeurd. Ik begreep vanwaar mijn gedrag kwam, maar kon het niet goedkeuren. Dat besef heeft me rationeler met de dingen des levens

Mensen zeggen

doen omgaan en nu zijn mijn

vaak dat zelfmoord

me miserabel voel, probeer ik me

een roep om aandacht is, dus

zelfmoordneigingen voorbij. Als ik in prenten dat het de dag erop net zo goed voorbij kan zijn. Intussen ben ik ook een maand

sprak ik er niet over.

naar India gereisd. In Calcutta ben

Ik deed het gewoon.

en daar voelde ik me al snel thuis.

ik mijn weeshuis gaan bezoeken


Terwijl ik eigenlijk een rondreis zou gaan maken, ben ik de ganse tijd daar gebleven. Als vrijwilliger heb ik er gewerkt, ‘s nachts sliep ik tussen jonge moeders die op het punt stonden om zelf hun kind af te staan. Van hen weet ik dat er veel gelogen wordt over de persoonlijke gegevens die in zulke dossiers genoteerd staan. Met andere woorden: zelfs al had mijn biologische moeder me afgestaan, dan nog kon er niemand me garanderen dat alle informatie over mij als kind klopte. Laat staan dat ik zou weten wat er zich afspeelde in het hoofd van de vrouw die mij op de wereld heeft gezet. Is dat dan meer waard? Die reis heeft me rustiger gemaakt. Ik heb me verzoend met mijn adoptie en nog tijdens de reis heb ik mijn ouders gebeld om hen dat te vertellen. “Ik heb het jullie vergeven,” flapte ik eruit. Gelukkig kenden ze me beter dan dat, ze wisten wat ik bedoelde. Mijn vader heeft ooit gezegd dat - mocht hij de klok kunnen terugdraaien - hij nooit meer zou adopteren. Die uitspraak heeft me heel diep geraakt, maar ik begrijp hem. Ik heb het mijn ouders écht moeilijk gemaakt, daarom ben ik zo blij dat het de laatste tijd erg goed gaat tussen ons. Ik beschouw m’n moeder zelfs als een goeie vriendin, we kunnen elkaar alles vertellen. Nu mijn ouders een term op mijn gedrag kunnen plakken, begrijpen ze beter wat er vroeger is gebeurd. Daarover praten, dat doe ik niet graag. Maar ik ben hen dankbaar dat ze me doorheen de jaren niet lieten vallen, ondanks de gestoorde dingen ik soms gedaan heb. Dat is ontzettend knap.


Constantin (22)

Elke avond lag ik onder m’n deken Roemeense woordjes te prevelen. Mijn broer en ik mochten nog enkel Nederlands met elkaar spreken, maar ik wilde m’n roots niet verloochenen, m’n taal niet afleren. Daarom bleef ik mijn taal stiekem oefenen in bed. Ik kan nog steeds een mondje Roemeens spreken, in tegenstelling tot mijn broer. Dat vind ik zonde.



64

A

ls kleuter kon ik ontzettend jaloers zijn op de andere kinderen in het weeshuis. Vaak kenden zij hun ouders en mochten ze in het weekend naar huis, maar ik leek

geen ouders te hebben. Man, ik voelde me alleen. Ik heb me heel miserabel gevoeld, alsof ik voor mijn biologische ouders niet goed genoeg was. Tot er een dag een jongetje aankwam dat m’n broer bleek te zijn. Na vijf jaar had ik dus toch familie! Mijn moeder had een gezin van 12 kinderen, dat was niet eens zo abnormaal in het Roemenië van die tijd. Een groot nest was zo goed als verplicht onder Ceauşescu, maar vrijwel niemand kon zoveel monden voeden. Meteen na mijn geboorte heeft mijn moeder me in een doek gewikkeld en te vondeling gelegd, iets wat ze later nog drie keer zou doen. Sinds de komst van mijn jongste broer was ik herenigd met mijn familie en mocht ik regelmatig naar huis, tot op de dag dat mijn moeder tragisch om het leven is gekomen. Terwijl ze op het perron stond te wachten, werd ze onder een voorbijrijdende trein geduwd. Het was niet zij die me die dag kwam ophalen, het was m’n oudste zus die het nieuws kwam vertellen. Ik heb gehuild als een klein kind.


Het contact met mijn vader is snel verbroken. Hij was er nooit, zat altijd op café. Uiteindelijk is hij in de gevangenis beland en daar gestorven. Er was alleen nog een nonkel waar ik heen kon, maar ook hij kon me niet in huis halen. Op mijn elfde zijn m’n broer en ik dan geadopteerd door een Belgisch koppel. Ik wou niet geadopteerd worden, ik had schrik door de verhalen die ik had gehoord. In het weeshuis waren de jongere kinderen altijd het slachtoffer van de ouderen. Ze sloegen ons wakker, we moesten alle klusjes klaren, maar vooral: ze maakten ons van alles wijs. Mocht iemand me adopteren, zou ik naar een ander land verhuizen, een land waar ik mishandeld zou worden. Geen wonder dat ik liever in Roemenië wou blijven, hoe slecht het er soms ook was. Mijn adoptieouders hadden al een oudere zoon en dochter, maar wilden een groter gezin. Tijdens één van hun vele reizen naar Roemenië zijn ze in ons weeshuis terecht gekomen. Ik wilde niet mee, was bang voor het onbekende. De avond voordien had ik nog een griezelfilm gezien, vol vliegtuigcrashes. In het vliegtuig wilde ik naast m’n broer zitten, om hem gerust te stellen, hem te beschermen, maar dat mocht niet. Daar zat ik dan, naast een volstrekt onbekende naar een volstrekt onbekend land. Vreselijk. Voor mij was de overgang te bruut. Ik kon me amper aanpassen, terwijl mijn adoptieouders niet liever wilden dan een perfecte integratie. De verwachtingen waren erg hoog en dat heeft de relatie met mijn nieuwe familie danig op de proef


66

gesteld. Mijn adoptiebroer en zus waren uitblinkers, maar ik deed het niet zo goed op school. Omdat mijn adoptiemoeder dat niet kon begrijpen, hield ik mijn slechte toetsen achter. Ik wilde haar niet teleurstellen. Uiteindelijk ben ik gaan rebelleren. Studeren, weg ermee! Verplichte klusjes, laat maar! Maar mijn puberaal gedrag werd thuis verkeerd geïnterpreteerd. Mijn moeder vond het onrespectvol, zo mocht ik niet omgaan met de mensen die me zò hadden geholpen. Op een dag heeft ze me mijn enige hobby verboden. Ik deed aan freerunning, een soms erg gevaarlijke vorm van straatacrobatie. Misschien was haar bezorgdheid wel terecht, maar haar beslissing maakte me furieus. Onze discussie escaleerde, ze gaf me een klap in m’n gezicht en ik verloor m’n zelfbeheersing. Keihard heb ik haar tegen de kast geduwd en ben dan gevlucht naar een vriend van school. Ik heb

Ik wou niet

hem mijn kruisje gegeven, dat als

geadopteerd worden,

geluksbrenger rond m’n nek zat.

ik had schrik door

Hij zou me nooit meer terugzien. Uiteraard ben ik niet veel later

de verhalen die ik had gehoord.

teruggekeerd en met die vriend is het altijd blijven klikken. In Roemenië had ik veel


vrienden. Misschien is dat logisch, met die jongens in het weeshuis sliep ik in één slaapkamer, we waren dag en nacht samen. In België was dat anders. Ik zocht terug naar dat groepsgevoel, maar vond het niet. In de jeugdbeweging werd ik al snel een populaire jongen, maar die vriendschappen waren onstabiel. Bovendien begreep ik die kinderen niet. Ze hebben geen respect voor niks of niemand, voor hen is het goede leven maar een normale zaak, dat snap ik niet. En toch kan ik niet alleen zijn. Ik functioneer het best in groep, iets waar ik bij kan horen. Nu ik in het leger zit, voel ik terug zo’n vriendschappen als in het weeshuis. Mannen van dezelfde leeftijd, in hetzelfde ritme. Zo leer je mensen écht kennen, zo krijg je meer respect voor elkaar. Mijn broer is van huis weggelopen, hij kon de situatie niet langer aan. Ik wil niemand kwetsen, dus bijt ik op m’n tanden. In mijn weinige vrije tijd woon ik nog thuis, tot ik me een eigen stek kan veroorloven. En als het dan even wat moeilijker gaat, loop ik naar m’n kamer. Dan leg ik me op bed, m’n hoofd onder het hoofdkussen en probeer ik heel eventjes alles te vergeten. Want ik blijf mijn adoptieouders dankbaar. Zonder hen was ik volwassen geworden in het weeshuis, dan leefde ik nu misschien op straat. Ik beschouw hen als mensen die het goed bedoelden. Maar als ouders? Dat is een duur begrip. Ik ben altijd aan onze band blijven werken, maar ik kan niet blijven proberen. Als het na zoveel jaren niet is gelukt, geloof ik niet dat het ooit zal lukken.


CHRISTINE (30)

Het liefst was ik gewoon hier geboren, blank zoals de andere Belgen. Overal viel ik op, terwijl ik me eigenlijk gewoon westerling voelde, net als zij. Nog steeds spreken mensen me in andere talen aan. Die vinden het dan knap dat ik zo goed Nederlands spreek, terwijl dat natuurlijk ook mijn moedertaal is. Dat is soms erg vervelend.



70

D

e overburen van mijn adoptieouders hadden twee Indische kinderen geadopteerd. Dat heeft hen geïnspireerd, ze konden zelf geen kinderen krijgen.

Maar toen ze de procedure hadden opgestart, kon dat voor slechts één kind tegelijk. Ik was anderhalf en mijn ouders hebben vast even lang op mij moeten wachten. Ze hebben het daarbij gelaten, ik ben altijd enig kind gebleven. Jammer, want net daarom waren mijn ouders overdreven veel met mij bezig. Op school kon ik maar moeilijk vriendinnetjes maken. De mentaliteit in de dorpsschool was helemaal anders dan de mentaliteit die ik thuis gewoon was. Mijn ouders waren progressiever, het waren eerder stadsmensen die toevallig op het platteland waren beland. Ik wilde graag zijn zoals de rest van m’n


klas zodat ik op z’n minst wat minder zou opvallen, maar dat kon niet. Ja, ik heb me er vaak eenzaam gevoeld. Misschien daarom dat ik pas in Leuven ben opengebloeid, toen ik verder ging studeren. Daar zaten meer gelijkgezinden. Mijn ouders hadden thuis wat Indische meubelen, ze lieten me boeken lezen, de film Ghandi heb ik wel honderd keer gezien. De Indische cultuur boeide hen meer dan mij, maar het maakte wel dat ik op de hoogte was van alles wat met m’n afkomst te maken had. Van teruggaan wilde ik niet weten. Waarom zou ik er de rijke westerling gaan uithangen, dacht ik. Maar doorheen de jaren werd ik nieuwsgierig en zo ben ik aan het einde van het middelbaar voor drie weken naar Calcutta gereisd, samen met mijn adoptiemoeder. Ik wilde er de plaatselijk bevolking leren kennen, de sfeer opsnuiven. En ik kreeg het idee dat ik me er misschien thuis zou kunnen voelen. Dat was vreemd genoeg niet het geval. De mensen zijn er zo anders dan hier, ik kan dat maar moeilijk uitleggen. Als je in de westerse wereld iets over India hoort, lijkt het altijd zo’n hartelijk en hoopvol land, met inspirerende figuren als Moeder Theresa en Ghandi. Maar dat gevoel heb ik er nergens ervaren. Mensen waren ook heel opdringerig, zelfs fysiek. Dat was ik niet gewoon, mannen in België houden véél meer afstand. In Calcutta heb ik verschillende keren mijn weeshuis bezocht. Ik had er geen bijzondere verwachtingen van, daarom dat het me zo verbaasde toen er tijdens m’n laatste bezoek een dossier werd


72

opgevist. Ik was overdonderd, had er geen idee van dat er zo’n document over mij bestond. Mijn ouders waren gestorven, heb ik altijd gedacht. Zo stond het ook op mijn officiële papieren. Maar je weet hoe zo’n dingen gaan, tijdens zo’n procedure wordt er al gauw zomaar iets ingevuld. Het was dus even schrikken toen er plots werd voorgelezen dat mijn biologische ouders nog leefden toen ze me afstonden. Waarschijnlijk vonden de zusters ginder dat die persoonlijke informatie weinig relevant was om door te spelen, toen waren ze allicht al blij dat er überhaupt weeskinderen naar het buitenland konden vertrekken. Maar in deze tijden gaan die adoptiekinderen steeds vaker op zoek naar hun

India zal onbewust

roots. Kinderen zoals ik.

altijd een belangrijke

nieuwsgierig gemaakt en bij m’n

Dat dossier heeft me erg

rol in m’n leven blijven

terugkeer zat ik met heel wat

spelen, hoe weinig

begonnen aan de zoektocht naar

vragen. Via de adoptielijn ben ik

ik me er ook mee

mijn biologische familie, maar

verbonden voel.

aan. Mijn Indische ouders waren

dat voelde al gauw niet goed


blijkbaar niet getrouwd toen ze mij kregen. In hun cultuur wordt dat niet geaccepteerd. Daarom kan ik hen niet gaan zoeken. Dat zou hun leven overhoop gooien, dat mag ik ze niet aandoen. Maar dat is niet de enige reden waarom ik mijn zoektocht heb gestaakt. Ik wil geen twee levens leiden. Stel dat ik mijn Indische ouders zou terugvinden, misschien zullen die dan verwachten dat ik ze regelmatig ga bezoeken. Dat zie ik niet zitten, dat interesseert me niet. Voorlopig hou ik het bij de informatie die ik gekregen heb en daarmee ben ik al ‘ns aan de slag gegaan op het internet. Zo heb ik al wat familieleden uit dezelfde stam gevonden en weet ik dat veel van hen christelijk zijn. Waarschijnlijk hebben ze me daarom naar een katholiek weeshuis gebracht. Ik heb in twee weeshuizen gezeten, het tweede was dat waar Moeder Theresa hielp. Mijn relatie met India is heel dubbel. Ik voel me helemaal niet Aziatisch en toch kleed ik me graag etnisch met veel felle kleuren. Ik zou het liefst samenzijn met iemand van onze cultuur en toch word ik om één of andere reden altijd verliefd op buitenlanders. En het liefst van al had ik toch een Indische naam gekregen, want Christine vind ik niet echt passen bij mij. Als ik ooit kinderen krijg, wil ik ze zeker een Indische naam geven. Maar dan eentje die hier ook klinkt. Iets als Rani, wat ginder koningin betekent en waarvan ook hier niemand vreemd zal opkijken. India zal onbewust altijd een belangrijke rol in m’n leven blijven spelen, hoe weinig ik me er ook mee verbonden voel.


Lucrecia (50)

Op een dag was mijn broertje verdwenen, niemand wist waarheen. Mijn biologische mama is gestorven toen ik een jaar of vier was, mijn broer was nog maar een boreling. Pas enkele dagen later hebben ze ons bij haar lichaam gevonden en zijn we naar een weeshuis gebracht. De meisjes lagen op het gelijkvloers, de jongens een verdieping hoger. Ik was verknocht aan m’n broertje. Elke ochtend ging ik de grote trap op, om hem te kunnen zien. Tot die ene dag.



76

M

ijn pleegouders hebben als jongvolwassenen afgesproken om ook een ander kind dan het hunne een thuis te geven. Na drie eigen kinderen zijn

ze beginnen zoeken. Een binnenlandse adoptie was niet meteen mogelijk en zo zijn ze na wat omzwervingen in Ecuador terecht gekomen. Eerst kwam mijn broertje, hij was het eerste kind dat zo in BelgiÍ belandde. Adoptie bestond er nog niet dus werd hij een pleegkind. De dag voor zijn vertrek hebben de zusters van ons weeshuis nog een foto van ons beide gemaakt. Die stak in zijn rugzakje toen hij hier aankwam. Mijn ouders vonden dat beeld en vroegen aan de ambassadeur wat er gebeurd was. Blijkbaar dacht men verkeerdelijk dat mijn broertje helemaal alleen was, waarop mijn pleegouders beslist hebben om ook mij te laten overkomen. Dat kon niet onmiddellijk. Pas twee jaar later - toen de ervaring met mijn broer positief leek uit te draaien - zette mijn geboorteland het licht op groen. Ik was acht jaar en had al twee levens achter mij: bij mijn biologische moeder en in het weeshuis. Die laatste periode was zo vreselijk, dat dit nieuwe leven alleen maar beter kon worden. Enfin, dat dacht ik. Al die tijd heb ik niet geweten wat er met mijn broer was gebeurd, tot ik na twee lange jaren wat foto’s van hem te zien kreeg. Hij kon al lopen, zag ik, verder kreeg ik geen uitleg. Ik kon alleen maar vurig hopen dat ik hem eindelijk terug


zou zien. Nog geen dag later vertrok ook ik naar België, samen met een tiental andere kinderen. Bij mijn aankomst heeft mijn tweede moeder me meteen naar de slaapkamer van m’n broer gebracht. Hij sliep, ik mocht m’n niet wekken, maar even voelde ik me zò gelukkig. De ontnuchtering kwam de dag erop. Mijn eigen broer herkende me niet meer, voor hem was ik een vreemde geworden. Mijn ouders hadden de impact van mijn komst waarschijnlijk anders ingeschat. Ik was een ouder kind, had al veel meegemaakt, had bepaalde verwachtingen. Dat was een groot verschil met mijn broer die zoveel jonger was toen hij hier kwam. Ik had moeite om me hier een plaats te geven, maar voor hem was alles in dit gezin begonnen. Hun band is altijd veel sterker geweest, bij mij botste het keer op keer. We begrepen elkaar simpelweg niet, het was de start van een erg turbulente relatie tussen mijn ouders en mij. Mijn ouders hebben me nooit weggestoken. Iedereen mocht weten dat twee van hun kinderen uit Ecuador kwamen. Mijn moeder heeft zich in de jaren nadien zelfs oprecht ingezet om de adoptieprocedures vanuit ons geboorteland in goede banen te leiden. Ze organiseerde reünies met de andere Ecuadoriaanse kinderen, we zijn nog steeds een hecht kliekje. Er was ook veel respect voor mijn geschiedenis. Als we het graf van een grootmoeder gingen groeten, werd er altijd ruimte gemaakt om ook even stil te staan bij mijn biologische moeder. En toch liep het mis.


78

In het dagelijkse leven werd er weinig met elkaar gesproken. Mijn ouders namen elk van hun kinderen wel ‘ns uit eten om bij te babbelen, maar dat hoefde niet voor mij. Waarom dan wel en anders niet? Tot mijn achttiende hebben de conflicten zich opgestapeld, ik was hun probleemkind. Misschien omdat ik wat anders was in vergelijking met hun andere kinderen, al wil ik dat zeker niet overdrijven. Op aanraden van mijn toenmalig vriendje ben ik dan toch met mijn ouders gaan praten, zoals gewoonlijk gebeurde dat op restaurant. Al tijdens de aperitief deden ze hun oplossing uit de doeken: ik moest tot inkeer komen en kon maar beter voor een tijdje naar Ecuador terugkeren. De tickets waren al geboekt. Nog voor de hoofdschotel werd geserveerd ben ik opgestapt. Ik geloofde niet wat ik hoorde. Ik wou niet terug naar mijn geboorteland, maar ik wou wĂŠl weg van thuis. Mijn ganse reis was voorbereid, alles was voor mij gepland. Doorheen de jaren had mijn moeder er veel mensen leren kennen, ik kon er bij bekenden terecht. Maar de confrontatie als jonge vrouw in die mannenmaatschappij, daar was ik eigenlijk veel te jong voor. Na anderhalf jaar ben ik teruggekeerd en wilde ik de slechte herinneringen uit mijn verleden achter me laten. Zelfs tegen mijn man heb ik er lang over gezwegen. Niet uit schaamte, ik wilde gewoon opnieuw beginnen. Daarom hield ik de potjes angstvallig dicht, maar natuurlijk is dat allemaal terug komen bovendrijven. Intussen was de band met Ecuador erg intens geworden.


Toen ik trouwde heb ik mijn man zelfs opgedragen om voeling met mijn geboorteland te krijgen. Hij stemde in, we zijn er ook op huwelijksreis geweest. Het is een stuk van mijn zijn, ik ben Ecuadoriaans én Belgisch. Ik heb ginder een familie gevonden. Geen biologische, maar goede vrienden die me een thuis hebben gegeven. Mensen die altijd voor me klaarstaan, iets wat hier niet altijd het geval is geweest. Soms hoorde ik er bij, soms niet. Dat was hard, daarom heb ik enkele jaren geleden zelf een beslissing genomen. Ik wìl erbij horen. Ik wil het kind zijn van mijn Belgische ouders en niet alleen op de momenten dat zij me ondersteund hebben. Emotioneel heeft dat veel van mij gevraagd, maar ik voel me goed nu ik terug deel uitmaak van het gezin. Ik merk ook dat mijn broer interesse begint te tonen in onze gemeenschappelijke afkomst. Het is mijn droom om ooit samen met hem de reis terug te maken. Het is mooi om te zien hoe mijn ouders nu grootouders voor mijn kinderen zijn. Of hoe graag mijn moeder me helpt met mijn hobby, juwelen maken. In het ouderlijk huis heb ik haar bureau als atelier mogen inrichten. Ze komt er dan bijzitten en vraagt me wat ze kan doen. Ik kan mijn pleegouders “ouders” noemen, ik weet dat ze het nooit slecht bedoeld hebben, ook al hebben ze soms verkeerde beslissingen genomen. Ze hebben moeite gehad om te aanvaarden dat ik anders ben dan zij, maar ze hebben het wél gedaan. En ik heb mijn weg naar huis teruggevonden.


Paul (47)

Ik had mijn adoptiedochter zĂŠlf willen bijstaan in haar zoektocht. Haar roots hebben haar altijd beziggehouden, meer dan haar twee jaar oudere zus die nochtans ook in Vietnam geboren is. Afgelopen zomer zijn ze allebei naar hun geboorteland teruggekeerd, samen met hun moeder, mijn ex-vrouw. En ik, ik voelde me schuldig. Ik ben ook geadopteerd, eigenlijk had ik op dat moment aan haar zijde moeten staan.



82

I

k ben geboren en opgegroeid in Wales. Mijn ouders hadden al een eigen dochter, ze was een jaar of tien ouder dan ik. Een tweede kind lukte niet meer, dus hebben ze mij

rechtstreeks uit het ziekenhuis geadopteerd. Alles ging goed, we hadden een fijne jeugd. Tot mijn adoptiemoeder van de ene dag op de andere aan een hartaanval is gestorven. Om vier uur kwam ze me nog van school afhalen, we zijn zelfs naar de winkel geweest. Niets dat erop wees dat ze de volgende dag niet meer zou halen. Het enige wat ik me van die avond herinner is de komst van de pastoor en de knuffel van m’n vader. Of ik naar de begrafenis ben geweest, kan ik niet meer zeggen. Ik was amper zeven jaar oud en m’n wereld was helemaal ingestort. Mijn vader had een eigen zaak, was altijd druk bezig. Daarom kwam er een huishoudster die ons de jaren na moeders dood in de watten heeft gelegd. Maar dan leerde vader iemand nieuw kennen en het feest was over. Ik kreeg een stiefmoeder en dat klikte


niet. Ze was geen slecht mens, maar we waren ook niet bepaald een warm gezin. Intussen was ook mijn zus het huis uit, ze ging studeren. Ik heb thuis zitten aftellen tot m’n achttiende en ben halsoverkop vertrokken, op reis, de wijde wereld in. Het lot heeft me zo in Athene gebracht, waar ik ’n jaar in de toeristische sector heb gewerkt. Terwijl ik stond te koken, kreeg een Belgisch meisje me in de gaten. Een man die kon koken, dat vond ze geweldig. En ik genoot van haar aandacht. Ik ben haar tot in Antwerpen gevolgd, voor een vent van 19 was dat een fantastische stad. Ik ben erg jong getrouwd en wilde al snel kinderen, maar dat lukte niet. Na 9 jaar proberen hebben mijn ex-vrouw en ik adoptie overwogen. Waarom ook niet? Ik had zelf geen uitgesproken negatieve ervaring. Een kind in eigen land zou jaren duren, dus zijn we buiten de grenzen beginnen zoeken. Op m’n dertigste werd ik voor het eerst papa. Ik had loopbaanonderbreking genomen, tien weken heb ik in Vietnam gezeten. Daar werd ik van hot naar her gestuurd en telkens schoof ik wat verder op de wachtlijst. Mijn geluk was groot toen ik eindelijk met een meisje terug naar België kon keren. Onze tweede dochter kwam wat sneller, ik kon haar meteen van het weeshuis meenemen. Het duurde nog vier weken eer alle papieren in orde waren, die tijd hebben we samen op hotel doorgebracht. Pas als ze sliep, kon ik even naar buiten. Met mijn dochter in zo’n draagzak op mijn buik, kuierend in een ondraaglijke hitte. Waanzin, maar dat had ik er graag voor over.


84

Op geen enkel moment in mijn leven heb ik mijn eigen afkomst in vraag gesteld. Niet in Wales, niet in België. Voor mij was mijn vader mijn échte vader. Pas toen hij vijftien jaar geleden aan longkanker stierf, rezen de vragen op. Nooit had ik iemand écht familie kunnen noemen. Ik wist niks over mijn afkomst, ik kon niet eens met zekerheid zeggen dat ik een échte Welshman was. Op dat moment heb ik beslist om toch naar mijn biologische ouders te gaan zoeken. M’n geboorteakte heb ik vrij snel onder ogen gekregen, mijn roots lagen wel degelijk in Wales. Ik ben toen zelfs de naam van mijn moeder te weten gekomen, die stond gewoon op mijn papieren ingevuld. Er bleken verschillende dames op die naam ingeschreven te staan, verder heb

Was het anders gelopen had ik nu niet

ik niet gezocht. Op een bepaalde manier was ik gerustgesteld. Nu wil ik wél op zoek gaan.

in België gewoond,

Voorzichtig, zonder iemand te

dan had ik nu geen

mijn biologische moeder, ik wil

bruuskeren. Ik ben niet boos op

twee schatten van

haar ook niet zomaar lastigvallen.

dochters.

haar wel wat dingen vragen.

Nu ik wat ouder word, wil ik


Niet per se waarom ze me heeft afgestaan, mijn zoektocht is niet emotioneel. Ik wil praktische dingen te weten komen, zoals hoe het met de gezondheid in haar familie zit, bijvoorbeeld. En misschien kan ik vanuit mijn ervaring en kennis mijn oudste dochter steunen als ook zij de behoefte voelt om ooit op zoek te gaan. Want dan wil ik er wél bij zijn. Toen mijn jongste dochter zonder mij naar haar biologische ouders op zoek ging, had ik voor het eerst in mijn leven spijt dat ik niet eerder naar mijn eigen afkomst op zoek was gegaan. Sinds mijn vaders dood voel ik geen behoefte meer om mijn adoptiefamilie te bezoeken als ik in Engeland ben. Geen idee of dat erg is of niet, het moet ook van twee kanten komen. Alleen met mijn zus hou ik sporadisch contact. We sturen elkaar af en toe een e-mail, we zien elkaar op trouwfeesten en begrafenissen, de klassieke gelegenheden. Soms voel ik me ‘ns schuldig tegenover mijn vader. Misschien was ik wel een lastig kind en zijn we daarom uit elkaar gegroeid? Of misschien heb ik dat gewoon niet nodig, een eigen familie? Maar om de mislukking in ons gezin nu op m’n adoptie te steken, dat vind ik te kort door de bocht. Volgens mij heeft mijn adoptie m’n leven niet getekend, ik heb alleen een beetje pech gehad. Bovendien, was het anders gelopen dan had ik nu niet in België gewoond, dan had ik nu geen twee schatten van dochters. Nee, achteraf bekeken zou ik niets aan m’n leven willen veranderen.


maaike (34)

Ik lees vaak m’n horoscoop, maar kan het niet laten te denken: ben ik wel een ram? Mijn verjaardag, is dat wel mijn verjaardag? Alles wat ik over mijn afkomst weet, komt recht uit mijn adoptiedossier, maar daar wordt heel vaak mee gesjoemeld. Hoe kan ik dan zeker zijn dat de dingen die ik over mezelf weet, wel kloppen? Om nog maar te zwijgen over de vele dingen die andere mensen gewoon weten en ik niet.



88

M

ijn adoptieouders hadden een grote kinderwens maar bleken allebei onvruchtbaar, adoptie was de enige mogelijkheid. Ik was hun eerste kind,

na mij zijn er nog drie kinderen uit Haïti gevolgd, nog een zusje uit Zuid-Korea en nog eentje uit mijn geboorteland Guatemala. Zes kinderen dus. Volgens mij zijn mijn ouders meegesleurd in de mallemolen van procedures en konden ze geen “nee” meer zeggen. Ik heb mijn biologische ouders niet gekend, ik was amper vijf maanden toen ik naar België ben gekomen. Dat scheelt, voor mij zijn mijn adoptieouders mijn échte ouders, zij hebben mij opgevoed. Zij hebben hun tijd in mij gestoken, zijn ‘s nachts opgestaan om m’n pamper te verversen. Maar ik heb het in ons gezin ook anders gezien. Mijn broers en zus uit Haïti waren al ouder toen ze bij ons kwamen. Zij hadden al ouders, een mama en een papa die ze voor hun ogen hebben zien sterven. Dat was héél moeilijk, voor hen en voor ons. Mijn ouders hebben alles in het teken gezet om hun adoptiekinderen zo vlot mogelijk te laten integreren. Ze


hebben alle mogelijke problemen die de adoptie met zich kon meebrengen naar best vermogen proberen op te vangen. In het begin hebben ze zelfs geprobeerd om hun Ha誰tiaanse kinderen in hun eigen, Creoolse taal aan te spreken en toch is die relatie in hun puberjaren misgelopen. Misschien is dat wel normaal. Mijn Koreaanse zus en ik kenden elkaar al van toen we heel jong waren, we konden altijd al op elkaar terugvallen, maar de band met de anderen was gewoon nog niet zo groot. Dat heeft ons uiteindelijk uit elkaar gedreven. Met twee van hen heeft onze familie geen contact meer, de derde springt soms nog binnen. Bij mij, niet bij onze ouders. Het zit hen diep. Te diep. Voor mijn ouders voelt het aan als een mislukking. Ze hebben elk van hun zes kinderen graag gezien en hen alle kansen willen geven. Iedereen mocht gaan studeren, iedereen mocht op kot. Op hun centen hebben ze nooit gekeken. Tuurlijk komt het dan bikkelhard aan als drie van de zes niets meer van zich laten horen. Nu er kleinkinderen zijn, merk ik dat mijn moeder toch probeert om vooruit te kijken. Het leven gaat verder en ze wil er ondanks alles het beste van maken. Maar mijn vader is erg verbitterd geworden, het blijft hem erg veel pijn doen. Ik heb nooit moeite gehad met mijn adoptie. Alleen mijn lengte vond ik storend, zeker als puber. Was ik maar een centimeter of tien groter, dacht ik altijd. En nu nog, als ik aan de schoolpoort tussen al die grote ouders sta te wachten. Dan vraagt


90

m’n dochter wel eens: “Mama, waarom ben jij zo klein?” “Omdat mama van een ander land komt,” leg ik dan uit. “De mensen zijn daar nu eenmaal wat kleiner.” Wist je dat ik in Guatemala zelfs heel groot ben? Dat heb ik er met mijn eigen ogen gezien. Na m’n studies ben ik met de rugzak door mijn geboorteland getrokken, samen met m’n man. Ik was een prille twintiger en het was thuis even wat moeilijker geweest. Die reis was nodig om een periode af te sluiten, maar ik wilde er zo mogelijk ook op zoek gaan naar mijn biologische ouders. Al was het maar om kleine, persoonlijke dingen te weten te komen. Zoals wiens neus ik heb, van wie ik mijn type haar heb geërfd. Of zekerheid over die paar dingen die er in mijn dossier soms halfslachtig of vaag zijn neergeschreven. In België staat

Drie van de zes kinderen laten niks

dat allemaal proper gearchiveerd, ginder natuurlijk niet. Tijdens mijn reis ben ik te weten

meer van zich horen.

gekomen dat het Guatemalteekse

Voor mijn ouders

adoptie hebben geregeld. Mijn

zusters waren die destijds mijn

voelt dat aan als

moeder is aan TBC gestorven,

een mislukking.

niet erkennen. Ik kwam uit een

mijn vader wilde me vervolgens


groot gezin, tiende in de rij. Mij afstaan was voor hem allicht de beste, de meest betaalbare oplossing. Dat neem ik hem niet kwalijk, integendeel. Het is zelfs erg moedig om je eigen kind af te staan om het zo een beter leven te gunnen. Veel meer antwoorden heb ik in Guatemala niet gevonden en achteraf bekeken vind ik dat niet eens zo erg. Had ik er mijn vader of mijn broers teruggevonden, wat was er dan gebeurd? En is dat dan de moeite waard? Het zou alles zo nodeloos gecompliceerd maken. Dat hoeft niet. Nee, ik heb me verzoend met het feit dat ik mijn biologische familie niet ken, maar ik zal mijn roots nooit verloochenen. Ik ben trots op mijn land en ik vertel er vaak over tegen m’n kinderen. Ze zijn er op hun beurt ook erg mee bezig. Mijn oudste dochter is blond. Buiten haar bruine ogen zie je niet dat ze een mengeling van hier en daar is. De kinderen uit haar klas kunnen maar niet begrijpen dat ik van Latijns-Amerika kom. Dus als ze op school een spreekbeurt moet geven, gaat dat vaak over Guatemala. Ik wil ooit nog één keer naar mijn geboorteland terugkeren, samen met m’n kinderen, als ze wat ouder zijn. Toen ik er als twintiger ben geweest, zijn mijn ogen opengegaan. Pas toen ben ik gaan beseffen hoe goed ik het hier heb. Rechten en plichten, of iets als sociale zekerheid, voor ons is dat allemaal erg evident. Daar bestaat het niet. Dat besef van groot geluk, dat wil ik mijn kinderen graag meegeven.



renĂŠ (42)

Dat ik het zo laat ben te weten gekomen, is mijn geluk geweest. Mijn adoptievader wilde adopteren, mijn adoptiemoeder niet. Bij mijn vader heb ik me ook altijd welkom gevoeld, met mijn moeder is de band nooit hecht geweest. Pas toen ik hoorde dat ik niet haar eigen kind was, kon ik begrijpen waarom. Maar had ik het eerder geweten, was het misschien geĂŤscaleerd. Ik was een rebelse puber, in die wetenschap had ik de relatie met mijn ouders misschien helemaal kapot gemaakt. Of die tussen hen.


94

M

ijn adoptieverhaal is pas begonnen op mijn vierentwintigste. Ik zou vader worden, stond op het punt met mijn toenmalige vriendin te gaan

trouwen en moest mijn geboorteakte bij de gemeente opvragen. Het document was wat uitgebreider dan verwacht, ik bleek geadopteerd. Dat was schrikken, maar ook een hele geruststelling tegelijkertijd. Heel mijn leven voelde ik me een nakomertje, een ongelukje. Het besef dat ik niet ongewenst maar net heel gèwenst was, dat was een geruststelling. Die geboorteakte gaf heel wat gebeurtenissen en uitspraken uit mijn jeugd een hele andere betekenis. Mijn moeder durfde wel eens zeggen: “had ik het geweten, ik had een meisje gekozen”. Als kind stelde ik me daar geen vragen bij, dat passeerde, maar ineens werden die woorden me wel duidelijk. Het verklaarde ook waarom ik op geen van mijn beide ouders leek, fysiek noch qua karakter. Voor mij was het een puzzel die eindelijk in elkaar viel.


Ik besefte meteen dat het klopte wat daar zwart op wit op dat papier stond. Mijn adoptieouders hadden elkaar leren kennen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze hadden een grote kinderwens, maar dat lukt niet op de natuurlijke manier. In 1969 heeft mijn vader dan toch zijn wil doorgedreven en hebben ze mij geadopteerd. Mensen mogen maar adopteren tot hun vijftigste, op dat moment waren zij 48 en 49 jaar. Het was hun laatste kans. Dat ze er nooit open over gesproken hebben, was hun keuze. Mijn ouders waren 50 jaar ouder, dat zijn twee generatiekloven verschil met mij. Praten is altijd moeilijk geweest. Ik ben nooit kwaad geweest op mijn ouders. Dankzij hen heb ik een zorgeloze jeugd gehad en heb ik me in mijn moeilijke tienerjaren nooit vragen moeten stellen. Toen ik het dan toch te weten kwam, heb ik ze er ook niet op aangesproken. Ze wisten dat ik naar het gemeentehuis moest, ze wisten dat ik het zo zou ontdekken. Mijn vader is er nadien ĂŠĂŠn keer zelf over begonnen, hij vond het jammer dat het na al die jaren dan toch was uitgekomen. Niet omdat het een geheim moest blijven, maar hij hoopte dat het niets zou veranderen aan onze band. Ik was zijn zoon, hij was mijn vader, daar mocht gewoon geen twijfel over bestaan. Die twijfel was er ook niet, met hem ben ik altijd erg close geweest. Hoe sterk ik me ook hield, de eerste maanden na die ontdekking ben ik er wel erg mee bezig geweest. Ik was benieuwd


96

naar mijn biologische ouders en hoefde niet eens zoveel moeite te doen om er iets over te weten te komen. In die tijd klapten de roddelaars van de gemeente al eens uit de biecht. Zo kwam ik er achter dat mijn natuurlijke moeder 27 was toen ze me kreeg. Ze was weduwe en begon een relatie met een man die niet mijn vader was. Er waren al kinderen voor mij gekomen, er zijn er na mij gekomen. Was die overleden man dan mijn vader of is er intussen iets gebeurd, dat weet ik niet. Maar volgens de verhalen kon die nieuwe partner niet met mijn aanwezigheid leven. Hij heeft haar voor de keuze gesteld en ik heb die verloren. Ik viel er tussenin, om welke

Ik ben regelmatig

reden dan ook. Vrij snel kreeg ik het laatste

voorbij het huis

domicilie van mijn biologische

van mijn biologische

voorbij haar huis gereden, maar

moeder. Ik ben regelmatig

moeder gereden,

nooit vond ik de moed om aan

maar nooit vond

ik verderop in de straat in m’n

te bellen. Een paar keer ben

ik de moed om

wagen blijven wachten, hopend

aan te bellen.

zou komen. Ik wilde haar wel

dat ze net op dat moment buiten


eens zien, vanop afstand, maar dat is nooit gebeurd. De dag voor de geboorte van mijn dochter stond ik er voor het laatst. Toen heb ik beslist dat het niet meer hoefde. Ik was zo verheugd op mijn vaderschap, keek zo uit naar dat nieuwe leven. Ik kon de beslissing van mijn natuurlijke moeder gewoon niet meer begrijpen. Je kind sta je niet af, toch niet voor een vent die dat van je verwacht. Misschien was er toch een andere verklaring waarom ze mij niet kon houden, maar dat vind ik moeilijk om te aanvaarden. Feit dat die vrouw me nooit zelf heeft opgezocht, zegt genoeg. Volgens mij heeft ze geen goede reden, de teleurstelling van een flauw excuus wil ik mezelf besparen. De vragen over mijn afkomst blijven nog steeds hangen, maar die beheersen mijn leven niet. De curiositeit van toen is die ene dag in mijn wagen in haar straat weggeëbd. Ik heb nooit geweten wat een moeder is, dat warme moedergevoel is er thuis nooit geweest. Maar omdat ik het niet kende, heb ik het ook nooit gemist. Pas met de komst van mijn eigen dochter ben ik gaan begrijpen wat zo’n moederinstinct was. Vreemd genoeg had ik dat gevoel zélf. Mijn dochter is altijd een papa’s kindje geweest en ook voor mij was zij alles waar het om draaide. Ze moest ’s nachts maar een kik geven en ik sprong recht. Ik had mijn job, mijn huis, mijn kind. Meer had ik niet nodig. Ik hoefde ’s avonds niet op café, ik wilde thuis zijn. Daar was ik gelukkig. En nog steeds. Ik heb dan wel een nieuwe vriendin, maar mijn dochter komt nog steeds op de eerste plaats.


MĂŠlissah (27)

Op mijn zevende ging ik stiekem huilen in de velden, vlakbij ons huis. Ik ben nochtans altijd omringd geweest door liefde, ik was in een fantastische familie terecht gekomen. En toch ontbrak er iets fundamenteels. Mijn hart zat dicht, alsof het zich onbewust van binnenuit wilde beschermen tegen een nieuw trauma, een nieuw verlaten. Ik was bang om nog eens afgestoten te worden, net zoals mijn moeder dat heeft gedaan na mijn geboorte.



100

I

k ben met de keizerssnede geboren in een ziekenhuis in Port-au-Prince, de hoofdstad van Haïti. Mijn moeder woonde in een krottenwijk, net buiten de stad. De dag

na mijn geboorte heeft ze me afgestaan, meer weet ik niet. In mijn dossier staat er verder alleen een naam, Mélissah. Dat er een accent op de ‘e’ stond, ben ik pas onlangs te weten gekomen, toen ik thuis nog eens door mijn papieren bladerde. Voor mijn ouders was die schrijfwijze iets triviaals, maar voor mij was dat ontzettend belangrijk. Het is een deel van mezelf, een schamele link die ik nog heb met m’n roots. Mijn adoptieouders hadden al een gezin voor ze mij kregen. Ze hadden een eigen dochter en twee zonen en er was al een achtjarig adoptiedochtertje uit Brazilië. Ze wilden nog één kind, liefst van dezelfde leeftijd als hun jongste. Iemand waarin zij zich kon herkennen, een broer of zus die hetzelfde had meegemaakt. Op dat moment was ik een pasgeboren baby, niet meteen wat


mijn ouders in gedachten hadden en toch hebben ze meteen toegehapt toen ze het aanbod kregen. Zelfs al zaten ze daardoor opnieuw in de pampers, terwijl ze allebei de veertig gepasseerd waren. Voor mijn ouders stonden wij allemaal op dezelfde lijn: hun eigen kinderen én hun geadopteerde kinderen. Ik was gewoon één van de vijf, ik heb nooit een verschil gevoeld. Fantastisch, toch? Mijn ouders hebben een bijzonder groot hart. Ze hebben ons allemaal de warmte gegeven die we als kinderen nodig hadden, maar ik kon dat niet aan. Onbewust kon ik de breuk met mijn biologische moeder niet loslaten. Ik heb negen maanden in haar buik gezeten, dat schept een unieke band en die werd met de navelstreng mee doorgeknipt. De geborgenheid van een pasgeboren kind, die heb ik nooit gekend. Mijn moeder was vast een erg sterke vrouw. Het vraagt moed om je eigen kind los te laten en het zo een beter leven te gunnen, maar die afwijzing is in m’n systeem gekropen. Ik heb er lang mee geworsteld, heb er nooit over gesproken, tot ik op internaat werd gestuurd. Daar ging het paradijs voor me open. Het liep er vol met kinderen die het moeilijk hadden, kinderen die ooit op één of andere manier gekwetst waren. Het was lang mijn droom om naar Haïti te reizen, om er mijn moeder te zoeken, om zo mijn onvolmaakte gevoel weg te werken. Nu voel ik die behoefte niet meer. Door ouder te worden ben ik gaan beseffen dat mijn eigenwaarde niet afhangt


102

van het feit dat ik geadopteerd ben. Mijn adoptie hoort bij mij en ik omarm mijn verhaal. Met dat inzicht heb ik geprobeerd om de blokkades in mezelf weg te nemen. Dat heeft lang geduurd, maar het is me gelukt. Het gemis heeft me sterker gemaakt. Ik heb iets heel positief uit mijn trauma kunnen halen en daar kan mijn biologische moeder niets meer aan toevoegen. Nu moet ik proberen mijn leven maximaal te leven, in plaats van het hare overhoop te gooien. Als ik dan toch ooit naar mijn geboorteland trek, zal het zijn om te genieten. Van het lekkere eten, de muziek, de levensopvattingen en de kracht die

Toen m’n broer me

er in dat volk zit. Ik heb me ook gerealiseerd dat

vroeg of ik meter

mijn roots - ondanks het feit dat

van zijn kindje wilde

van mijzelf blijven. Zolang ik dat

ik hier in BelgiĂŤ woon - de essentie

worden, was dat voor niet aanvaard, zal ik nooit ten volle mij het bewijs dat ik

van het leven kunnen genieten.

altijd zijn zus zal zijn,

manier te vinden om in de eerste

Met die kennis probeer ik nu een

ook al zie ik er wat

plaats mezelf graag te zien, om zo

anders uit.

gaf ik al mijn liefde aan de mensen

ook voor mezelf te kiezen. Vroeger


rondom mij, maar vaak waren zij niet in staat dat te ontvangen. Ik heb het nu omgekeerd, alle kracht die ik heb, geef ik nu aan mezelf. Een rijkdom, want net daardoor ben ik nu in staat om me dieper met anderen te verbinden. We zijn allemaal mensen met ons eigen gedrag, maar gedragingen zijn oppervlakkig. Ik heb mezelf geleerd om dat oppervlakkige te doorprikken door bij anderen te kijken naar de mens zelf. In de hoop dat zij mij ooit ook gewoon als een mens zullen zien. Mijn adoptieouders ben ik eeuwig dankbaar. Ze hebben me de ruimte gegeven om mezelf te ontplooien, terwijl dat voor hen niet altijd evident is geweest. Zij zijn mijn ouders, zij hebben de kwaliteit aan m’n leven gegeven die ouders horen te geven. Voor mij gaat het niet langer om de naam, maar om de rol die ze in mijn leven hebben gespeeld. Het is spijtig dat ik er zo lang over gedaan heb, maar ik voel dat ik ondanks alles nu een bijzondere band met mijn familie heb. Bijvoorbeeld toen mijn broer me vroeg of ik meter van zijn kindje wilde worden. Voor mij was dat het bewijs dat ik altijd zijn zus zal zijn, ook al zie ik er wat anders uit. Of onlangs nog, toen ik m’n moeder een kaartje voor Moederdag schreef. Ik wilde haar vertellen dat ik de indruk had dat ze steeds sterker in het leven stond. Terwijl ze mijn tekst las, herkende ik een dankbare blik in haar ogen. Ik was de enige die de verandering had opgemerkt. Op zo’n moment ben ik gelukkig. Ik heb iets van mezelf kunnen geven, terwijl ik dat vroeger altijd onbewust als onmogelijk achtte.


San-Ho (42)

Een paar seconden had ik het gevoel dat ik een mama had. Het was de directrice van het weeshuis die me na een lang gesprek plots omhelsde. Ik kan niet omschrijven hoe warm die knuffel voelde, hoe stom dat ook klinkt. Naar die geborgenheid was ik al die jaren op zoek. Ik mag mijn biologische moeder dan niet teruggevonden hebben, die dag vond ik wel een rustpunt in m’n leven.



106

V

an mijn geboorteland Zuid-Korea weet ik niks meer. Er zijn twee fotootjes die bij m’n papieren staken, waarop ik dossiernummer K-1000 droeg. Hoe lang

ik in het weeshuis heb gezeten, kan ik niet exact zeggen. Mijn geboortedatum is geschat, maar volgens mijn paspoort was ik 2,5 toen ik naar België kwam. In eerste instantie werd ik in een gezin in Borgerhout geplaatst, maar daar ben ik slechts negen maanden gebleven. Een sociale werkster kwam toevallig langs en volgens haar werd ik verwaarloosd. Er moest snel een nieuw adoptiegezin gezocht worden, een alleenstaande vrouw diende zich aan. Ze had al twee Koreaanse meisjes. Na mij is er nog een jongen bijgekomen, we waren dus met vier. De eerste jaren leek alles peis en vree. Mijn adoptiemoeder beschouwde ons als haar eigen kinderen en op zich is dat een mooie zaak. Maar ze ging voorbij aan de specifieke vragen en noden die wij als geadopteerden hadden. Mijn broer had zijn ouders zien wegdrijven in een modderstroom, maar mocht daar niets over vertellen. Voor haar leefden we per slot van rekening in België, Korea deed niet meer ter zake. Ikzelf heb vaak moeten horen dat ik zonder haar in een vuilbak had geleefd. Compleet verzonnen, dat kon ze niet weten. Maar als kind komen zo’n woorden héél hard aan, ik geloofde haar. Ze


liet ons ook lederhosen dragen, boven ons schooluniform. Geef toe, je Koreaanse zoon op die manier te kijk zetten voor zijn schoolkameraadjes, dat getuigt niet van groot respect voor de gevoeligheden van je kind. Onze opvoeding was autoritair en met harde hand. Mijn adoptiemoeder was in alle opzichten het toonbeeld van hoe het niet moest. Ze was ook nooit ‘gescreend’ of voorbereid op adoptie zoals dat vandaag wel gebeurt. Maar hoewel ik op m’n zesde al besefte dat er iets niet klopte, ben ik altijd erg loyaal gebleven. Op school speelde ik het gelukkige kind, alleen met mijn broer durfde ik over onze problemen spreken. Achteraf bekeken heb ik het nog lang volgehouden, ik was al 17 toen ik thuis ben vertrokken. We zaten met z’n allen voor de zoveelste keer bij een andere therapeut en daar besefte ik dat de situatie uitzichtloos was geworden. Na die sessie ben ik mijn eigen weg gegaan, iets wat m’n jongste zus me altijd kwalijk heeft genomen. Dan hoefde ze me ook niet meer te zien, zei ze. En ze heeft woord gehouden. Mijn vertrek was een grote stap in het onbekende, maar wel een bewuste keuze. Ik belandde eerst in een opvangcentrum. Terwijl de andere kerels daar met drugs experimenteerden, zat ik Latijnse woordjes te leren. De volgende stap was een gesloten observatiecentrum en dan tijdelijk in een pleeggezin. Niemand wist ervan, zelfs mijn vrienden of klasgenoten hadden geen idee. Als ik na schooltijd naar huis ging, ging ik naar huis. Wisten zij veel waar ik toen woonde. Pas tijdens de bezinning in het laatste


108

middelbaar heb ik voor het eerst m’n verhaal gedaan, een ware verlossing. Ik was net in een jongenstehuis geplaatst. Het was een periode van doorbijten, ook tijdens mijn hogere studies, tot ik op mijn 21e eindelijk alleen mocht gaan wonen. Voor het eerst kon ik zélf bepalen wat ik deed, dat was allemaal zo nieuw. Toen is mijn leven pas écht begonnen. Hoe moeilijk mijn jeugd ook was, mijn adoptie is nooit een issue geweest. Tot ik de eerste keer naar mijn geboorteland ben teruggekeerd, daar voelde ik die dualiteit. Ik zag er Koreaans uit, net als de mensen op straat. Het was moeilijk om dat een juiste plaats te geven, maar ook thuis werd dat lastig. Het gebeurt nog vaak dat ik ‘s ochtends opsta, voor de spiegel m’n tanden sta te poetsen en me plots realiseer: ik zie er Koreaans uit! Zo voel ik me niet, mijn denken is toegespitst op het leven hier en nu. Mijn zelfbeeld wordt zo een beetje vertekend. Ik vind het verrassend dat ik dat gevoel nog steeds heb. In Korea ben ik een sterke

Als ik na schooltijd

affectie voor mijn geboortemoeder gaan voelen. Raar, ik heb geen

naar huis ging, ging

enkel beeld van haar en toch lijkt

ik naar huis. Wisten

alsof de navelstreng onzichtbaar

mijn klasgenoten veel

onze band onverbreekbaar. Het is naar de andere kant van de wereld loopt en nooit is doorgeknipt. Ik

waar ik toen woonde. hoop haar ooit terug te vinden,


maar dat is onrealistisch. Net dat gevoel probeer ik soms in poëzie te vatten en zo van me af te schrijven. Dat gemis houdt me niet constant bezig, maar het steekt wel regelmatig de kop op. Bijvoorbeeld als ik mijn eigen kinderen met hun moeder bezig zie. Ik had een grote kinderwens, als geadopteerde was het een openbaring om zelf kinderen te krijgen. Voor een ander is het evident om te spreken over wat ze van wie hebben geërfd, maar ik heb niks van niemand. Nu herken ik me wél in mijn drie kinderen. Fantastisch! Ik probeer hen te betrekken in mijn adoptieverhaal, tenslotte bepaalt het ook een deel van hun eigen verhaal. Ze zien er toch nét iets anders uit dan hun volbloed Belgische vriendjes, ze hebben geen grootouders langs mijn kant. Daar praten we wel ‘ns over, en ze kijken nu al uit om ooit samen naar Korea te reizen. Mijn adoptiemoeder heeft lang geprobeerd om contact te houden, maar dat heb ik altijd afgehouden. Dat kon ik niet aan, ik wilde verder met mìjn leven. Nu de kwaadheid voorbij is en ik alles een plaats heb gegeven, loop ik met het idee rond om haar terug met het verleden te confronteren. Ik koester geen wraak, maar ik ben benieuwd naar haar verhaal. Waarom ze geadopteerd heeft, waarom ze gedaan wat ze gedaan heeft. Dat kan ik nu pas, omdat ik nu de juiste afstand heb. Want zo’n verwerkingsproces is niet eenvoudig, merk ik. Mijn oudste zus en broer zie ik nog maar weinig, deels omdat het moeilijk praten is over ons gemeenschappelijk verleden dat nog diep zit. Te diep.


laura (27)

Op mijn twaalfde heb ik zitten neuzen in mijn adoptiepapieren. Ik zou verwaarloosd, ondervoed en mishandeld zijn. Raar om dat zo zwart op wit over jezelf te lezen. Heel vaag ook, maar mijn fantasie sloeg wel op hol. Ik kon er mij niets bij voorstellen, het was alsof iemand anders’ verhaal daar beschreven stond. Tot dat moment was ik nooit met mijn achtergrond bezig geweest en plots zat ik na te denken over het hoe en waarom van mijn situatie.



112

M

ijn adoptieouders hadden al twee dochters maar ze wilden graag nog een ander kindje. Eentje dat al wat ouder was, dat niet meer in de

pampers zat. Het adoptiebureau heeft mij voorgesteld en mijn mama is me in Colombia komen ophalen. Van mijn eerste levensjaren herinner ik niets meer, ik was amper drie toen ik naar BelgiĂŤ kwam. Maar niemand heeft er ooit een geheim van gemaakt dat ik geadopteerd was. Het kon ook niet anders. Mijn zussen waren groot, blond en hadden blauwe ogen. Ik was het tegenovergestelde, dus het viel op. Over mijn adoptie werd niet gesproken. Het kon wel, maar ik deed het niet. Soms loog ik zelfs over mijn afkomst als er anderen naar mijn geboorteland vroegen. Dan verzon ik verhaaltjes alsof ik toch hier geboren was. Ik denk dat ik me ervoor schaamde. Ik


was bang om er zelf over te beginnen, al kan ik nog steeds niet begrijpen waarom. En omdat ik nooit de interesse toonde, wekte ik waarschijnlijk de indruk dat ik er niet mee bezig was. Terwijl dat wél zo was. Ik had vaak het gevoel dat ik nergens bij hoorde. Iedereen in mijn omgeving had een eigen verhaal, iedereen leek op iemand in de familie. Ik leek op niemand, ik wist niet waar ik vandaan kwam. Terwijl net dat zo belangrijk is in een ontwikkeling. Ik heb me heel verward gevoeld, maar opstandig – explosief zelfs – ben ik pas op latere leeftijd geworden. Tot na mijn studies. Dan ben ik zeven maanden gaan reizen door ZuidAmerika. Zonder verwachtingen, zonder plan. Het drong vreemd genoeg niet tot me door. Zelfs toen ik in Neiva - mijn zogezegde geboorteplaats - was aangekomen, heb ik dat niet als iets bijzonders ervaren. Iets wat ik achteraf bekeken wat vreemd vond. In een lokale winkel ben ik nummers in het telefoonboek gaan opzoeken, niet veel later kreeg ik het adres van mijn Colombiaanse pleegmoeder te pakken. Zo vond ik de schoonzus van mijn moeder en is stilaan de hele familie opgedoken. Van mijn biologische ouders heb ik als eerste mijn biomama ontmoet. Zij reageerde erg koel, net als ik. Al snel werd me duidelijk dat ze vooral geïnteresseerd was in de rijkdom die ik in haar ogen had. Daar kon ik erg boos van worden, ik wilde me niet verantwoordelijk voelen voor haar problemen. Zij heeft me ook niet geholpen, zij heeft me gewoon afgestaan.


114

Even later kwam ook mijn biopapa opdagen, blijkbaar had hij mijn biomama al lang niet meer gezien. Hij was erg emotioneel en wilde me de hele tijd omhelzen. Ik ben niet zo fysiek en dat heeft me erg afgeschrikt. Maar ook het feit dat hij me de hele tijd “zijn dochter” noemde, stoorde me. Ik ben zijn dochter niet. Hij deed onrecht aan mijn échte papa, mijn adoptiepapa. Sindsdien heb ik iedereen op een afstand gehouden. Die ontmoetingen hebben lang niet al mijn vragen beantwoord. Ik weet nu dat ik op mijn biomama lijk en ook mijn grootte heb ik van mijn ouders

Mijn adoptie is een

geërfd. Maar de vragen over wat er precies met mij als kind

boek dat ik nog

is gebeurd, zijn onbeantwoord

niet helemaal heb

vertelden, verschillen dag en

gebleven. De versies die ze mij

uitgelezen, maar dat

nacht, het was ook altijd de

ik intussen wel terug

had me niet goed behandeld

schuld van de andere. De andere

op m’n boekenplank

en daar waren zij zelf ook het

heb gezet.

vreemd, mijn adoptie had

slachtoffer van geworden. Heel


een ruzie in de familie ontketend en daar wilde ik me niet in mengen. Ook nu heb ik nog amper contact, daar heb ik momenteel geen behoefte aan. Mijn reis heeft me wel rustiger gemaakt. Nadat ik ginder het verhaal van mijn twee jaar jongere zus had gehoord, kwam het harde besef aan welke ellende ik was ontsnapt en wat voor een gelukzak ik eigenlijk ben. Wat zij heeft moeten doorstaan als kind, dat had mijn leven kunnen zijn. Dat bezorgde me lange tijd een zeker schuldgevoel. Ik kan dat nu beter relativeren: kinderen zijn het slachtoffer van de handelingen van ouderen. Ze treffen zelf geen schuld. Wat mijn zus moest meemaken, daar kon ik niets aan doen. Als kind heb ik mijn lot ook moeten ondergaan. Ik voel ook dat de band met mijn ouders sinds die reis versterkt is. Als er iets met me scheelt, val ik sneller op hen terug, iets wat ik in mijn moeilijke periode niet deed. Achteraf vertelde mijn mama wel dat ze die reis graag samen met mij had gedaan. Dat gevoel had ik ook, maar misschien moest het wel zo lopen om dat in te zien. Het liefst zou ik terug in de tijd willen gaan, om dan van bovenaf te zien hoe het allemaal is gelopen. Want het is niet fijn om zo’n groot gat in mijn eigen verleden te hebben. Maar ik probeer het nu achter mij te laten, al is het maar voor even. Alsof het een boek is dat ik nog niet helemaal heb uitgelezen, maar dat ik intussen wel terug op m’n boekenplank heb gezet.


116

Nawoord

Z

o’n jaar geleden kreeg ik een e-mail met de vraag of ik aan het project “Mijn ouders zijn mijn ouders niet” wilde meewerken. Ik was bijzonder enthousiast. Of

beter gezegd: héél geïnteresseerd, maar met een gezonde portie scepsis. Of ik over mijn verhaal als geadopteerde wilde delen? Natuurlijk! Zelf ben ik al enkele jaren actief als voorzitter van vzw Triobla en coördinator van het nazorgproject geadopteerd.be. De vraag van de makers lag in lijn van mijn engagementen om adoptie onder de aandacht te brengen en wel door de bril van de geadopteerden zélf. En zo werd mijn getuigenis, naast die van tal van andere geadopteerden, door Robin opgetekend. Xavier schoot een passend portret. Het werd geen sec interview met vraag en antwoord. Ik voelde een sterke geboeidheid van twee mensen die in feite geen enkele directe band met het thema hadden. Dat was op zich al een interessant gegeven. Ik heb al talloze keren over mijn


verhaal en ervaringen getuigd, maar dan was dat telkens voor een ‘betrokken’ publiek of gesprekspartner. Dat is uiteraard ook heel boeiend, maar het gevaar schuilt erin dat je in zo’n gesprek vanuit bepaalde belangen een pleidooi gaat houden. Deze keer was het anders. De verhalen werden zonder enige sturing opgetekend. De vragen waren verrassend goed gericht en toonden het nodige respect voor mij als betrokkene. Dat beloofde veel goeds! Het resultaat van die vele gesprekken en fotosessies heeft u hier in handen en is best bijzonder in zijn soort. Iedereen die in het adoptiegebeuren betrokken is, zal uit deze verhalen wel iets kunnen meenemen dat bijleert, inspireert of nieuwe vragen doet rijzen. Voor mezelf was het de bevestiging van een overtuiging: adoptie is een complex gegeven dat de nodige zorg en aandacht verdient. De totstandkoming van adoptie is één zaak. Daar kan je op ethisch gebied heel wat over discussiëren, maar valt buiten de


118

scope van dit project. Waar dit project wel over gaat – en wat minstens zo belangrijk is – is wat de geadopteerden nu zelf ervaren. Er zijn gelukkig veel positieve verhalen, maar helaas ook vele moeilijke. Hopelijk draagt een boek als het deze bij tot dit besef. Elke ervaring in deze bundel is anders en toch loopt er één rode draad doorheen. Een rode draad die je letterlijk mag nemen, als ware het een navelstreng. Elke geadopteerde wordt er vroeg of laat mee geconfronteerd, de navelstreng die recht naar zijn of haar (on)bekende biologische moeder leidt. Voor sommigen in de vorm van een stil gemis, voor anderen mondt het uit in een wanhopige zoektocht naar zijn of haar afkomst. Want of je nu wil of niet: je bent pas volledig als je alle puzzelstukjes hebt, als je je eigen verhaal helemaal kent. Dat is een universeel menselijk gegeven. En een recht.

San-Ho Correwyn, augustus 2012.

Volgens Van Dale betekent het woord ‘ouders’: vader en



Colofon Tekst: Robin Broos, www.robinbroos.be Beeld: Xavier Vankeirsbulck, www.xaviervankeirsbulck.be Opmaak: Daniel Garrido, dnl.garrido@gmail.com Dank Voor hun eerlijke verhaal. Benny, Christine, Clara, Constantin, Hilde, Jean, Kim, Laura, Long, Lucrecia, Maaike, Mélissah, Paul, René, San-Ho, Sara, Soo Jin en Tijs. Voor hun onmiskenbare inbreng. Annick Shlup, Bram Vanbroeckhoven, Brecht Decaestecker, Daan Broos, Daniel Garrido, Frauke Joossen, Haryanti Frateur, Helena Van Rompaey, Herbert Wilmots, Isabelle Cheyns, Jan Delvaux, Jan Ryckx, Jelle Goossens, Jessica Feyaerts, Johannes Muselaers, Jolien Janzing, Monica Neyt, Kaat Timmerman, Ken Stuykens, Lore Van Hees, Ludo Schodts, Peter Delmont, Sofie Vanlommel en Walter Van der Perren. Voor de intense samenwerking. Isabel Lowyck, Martijn Loix, San-Ho Correwyn. Voor de juiste omkadering. Geadopteerd.be, vzw Triobla, M – Museum Leuven, De Morgen.

GEADOPTEERD BE contac t • ondersteuning • advies


mijn ouders zijn mijn ouders niet was een expo in de Antichambre van M – Museum Leuven in september en oktober 2012. Op zoek naar andere geadopteerden? Surf naar www.geadopteerd.be. (c) Robin Broos en Xavier Vankeirsbulck, Leuven, 2012 — sajam.be — sofam.be


Volgens Van Dale betekent het woord ‘ouders’: vader en moeder, van geslacht tot geslacht. Gevoelsmatig betekent het vaak hetzelfde, onze ouders zijn de twee mensen die ons hebben opgevoed. Maar voor sommigen zijn die eerste ouders niet dezelfde als die tweede en dat zorgt soms voor aangrijpende confrontaties. In deze bundel vertellen 18 volwassenen over hun adoptie. Mensen die ooit - om welke reden ook - in een andere dan hun biologische omgeving zijn opgegroeid. Robin Broos tekent op, Xavier Vankeirsbulck portretteert.

Robin Broos (28) is journalist. Hij werkte enkele jaren voor de vernieuwde Story, maar ruilde print voor het gesproken woord. Op dit moment is hij programmamedewerker bij Radio 2. Xavier Vankeirsbulck (33) is fotograaf. In 2010 studeerde hij af aan het SLAC (academie Leuven). Daarnaast is hij leerkracht en staat hij voor de klas in Brussel.