Issuu on Google+

Bijzondere literatuur in beeld Boordevol leesfragmenten en gespreksvragen


l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l enhoff

1


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

2

Inh ou d

Haley Tanner, De verdwijntruc

4

• Fragment

6

• Thematiek

16

• Gespreksvragen

18

Hisham Matar, Anatomie van een verdwijning

20

• Fragment

22

• Thematiek

34

• Gespreksvragen

36

Karl Marlantes, Matterhorn

38

• Fragment

40

• Thematiek

52

• Gespreksvragen

54

Merijn de Boer, Nestvlieders

56

• Fragment

58

• Thematiek

66

• Gespreksvragen

68

Laurent Binet, HhhH

70

• Fragment

72

• Thematiek

88

• Gespreksvragen

90


@maaikelenoble Amsterdam Uitrgever Meulenhoff http://www.meulenhoff.nl

Tweets

Favorites Following Followers Lists maaikelenoble Maaike Le Noble Beste lezer, namens uitgeverij @meulenhoff bied ik u hierbij een kijkje in onze keuken maaikelenoble Maaike Le Noble Een paar van onze favoriete boeken staan in deze literatuurgids voor u uitgestald! maaikelenoble Maaike Le Noble Het net verschenen #deverdwijntruc van Haley Tanner kreeg al een mooie, vroege recensie op nu.nl, en enthousiaste reacties op twitter maaikelenoble Maaike Le Noble Over ANATOMIE VAN EEN VERDWIJNING van Hisham Matar RT @femkehalsema: Boek uit… Kapot van maaikelenoble Maaike Le Noble Voor liefhebbers van oorlogsboeken en mensen die #HhhH al uit hebben: MATTERHORN van Karl Marlantes ‘grandioos debuut’ Publishers Weekly maaikelenoble Maaike Le Noble Avontuurlijk aangelegd? Lees NESTVLIEDERS van Merijn de Boer, en nodig hem uit voor een lezing bij uw leesclub! Via publiciteit@meulenhoff.nl maaikelenoble Maaike Le Noble #HhhH van Laurent Binet nog niet gelezen? Grijp nu uw kans. Internationale bestseller over nazikopstukken Himmler en Heydrich. TIP! maaikelenoble Maaike Le Noble Veel leesplezier gewenst! Laat u ons weten wat u ervan vond?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Maaike le Noble

3


4

| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


De verdwijntruc De verdwijntruc is het verhaal van de bijzondere vriendschap tussen de tienjarige goochelaar Vaclav en zijn charmante assistente Lena. De twee Russische immigrantenkinderen wonen in Brooklyn maar hebben een totaal verschillende achtergrond: zijn ouders werken hard om hun Amerikaanse droom te verwezenlijken, zij is een weeskind dat opgroeit onder nare omstandigheden. De liefde tussen de twee is onverwoestbaar. Ook als ze na een afschuwelijke ontdekking ruw van elkaar worden gescheiden, blijft hun band bestaan. Jaren later ontmoeten ze elkaar weer en heeft Vaclav nog altijd de gave om Lena te betoveren. Maar het verleden blijft een rol spelen. En de ontdekking die ze daarbij doen, vormt opnieuw een bedreiging voor hun liefde. De verdwijntruc is een fantastisch liefdesverhaal van een getalenteerde jonge schrijfster. Haley Tanner (1982) studeerde in New York en woont in Brooklyn. Dit is haar eerste roman. ‘Ontroerend… een realistische, intelligente en empathische roman.’ N u.n l ‘Een prachtige, hartverscheurende debuutroman (…) een ontroerend verhaal.’ The New York Time s oorspronkelijke titel: vaclav and lena | vertaling: erica feberwee & lucie van rooijen | paperback: 272 blz. | prijs: € 18,95 | isbn 9789029086332

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

HAL E Y TA NN E R

5


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

6

Haley Ta n n er

De verdwijntruc zonder assistente geen goochelaar ‘Hier, ik oefen, en jij oefent. Ahem. A-hém. Ik ben Vaclav de Geweldige, met verjaardag op zesde mei, beroemde dag van feest en vreugde voor de generaties, een dag in de toekomstige jaren die Kerstmis en Chanoeka en Ramadan en alle heidense festivals zal overschaduwen, geboren in een land hier ver, ver, ver, ver, ver, ver, ver vandaan, een land van oeroude en geweldige geheimen, een land van magische kennis, overgedragen van eeuwen en her, een land van verbeelding (Rusland!), in Rusland geboren en hier weer opgedoken in Amerika, in New York, in Brooklyn (wat een Wijk is), nabij Coney Island, wat een beroemd oord van magie is in het onbegrensde land van de mogelijkheden (dat is uiteraard Amerika), waar iedereen alles kan worden, waar een zwerver van vandaag morgen een zakenman in driedeels grijs is, en waar een zakenman van gisteren later vanmiddag een zwerver is, Vaclav de Geweldige, die zonder enkele twijfel zal worden verzocht zijn machtige stalen van tovenarij te vertonen aan graven en presidenten en tsaren en ayatollahs, en hen allemaal zal verenigen in verbazing en verstomming, en zo, op een dag in de toekomst, een nieuw tijdperk (dat wil zeggen een eenheid van tijd) vol vrede op aarde zal inluiden. Dames en herens, ik kondig u aan, ik presenteer u, ik waarschuw u alvast voor zijn komst, opdat u uw ogen kunt sluiten of met uw handen uw gezicht kunt bedekken als u schroomvallig bent: Vaclav de Geweldige, Jeugdig Goochelaar.’ ‘Eh,’ bromt Lena nors. ‘Lena, wij hebben hier perfecte introductie voor de optreden.


woorden uit synoniemenwoordenboek in,’ zegt Vaclav. ‘Zeg na derde zin: “Goochelen is kunst van beheersen van gebeurtenissen door gebruik van bovennatuurlijke krachten,”’ zegt Lena. Dit is een van Lena’s favoriete zinnen; ze heeft hem uit haar hoofd geleerd uit de Almanak voor de goochelaar, een groot oud zwart boek met goud op snee boordevol magie en goocheltrucs en illusionisme. Vaclav bleef het boek maar uit de bibliotheek halen, dus had ze het vorig jaar in haar rugzak gestopt en mee naar huis genomen om het hem voor zijn verjaardag te geven, zodat het voor altijd van hen zou zijn. ‘Dat klinkt mooi, maar het past niet in voorstelling. Dat heb ik al tegen jou gezegd. Dit is de inleiding, compleet. Verzegel hem nu met de magische verjaarskaars.’ Vaclav vouwt het blaadje uit het schrift waarop de introductie voor de voorstelling staat geschreven op en steekt het Lena toe. Die neemt het niet aan. Ze houdt het magische verjaarskaarsje in haar linkerhand en gaat met haar duim langs de spiraalvormige groeven. In haar rechterhand heeft ze de aansteker waarmee ze het gaat aansteken. Het verzegelen van het papier met druppels kaarsvet is een belangrijk onderdeel van alles wat Vaclav en Lena opschrijven, en het is de taak van Lena, uitsluitend van Lena, om het magische verjaarskaarsje aan te steken, in de lucht te houden en dan het kaarsvet op het opgevouwen papiertje te druppelen, zodat het voor altijd en eeuwig verzegeld is. Onder Vaclavs bed, naast een vergeten sok en tussen een grote verzameling pluizige, stoffige spullen, staat een schoenendoos vol blaadjes uit schriften, opgevouwen en verzegeld met Lena’s druppels kaarsvet. Wat erop geschreven staat, zijn belangrijke verklaringen, verdragen, lijstjes en andere artefacten uit het leven van de jonge goochelaars.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Hij is lang en perfect en er staan alleen maar mooiste en langste

7


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

8

‘Wij schrijven op en ronden nu af, Lena, en vanavond vraag ik toestemming om op te treden.’ ‘Onmogelijk,’ zegt Lena. ‘Mogelijk. Ik kan dit mogelijk maken. Misschien niet vanavond, maar wel gauw. Dus verzegelen wij introductie, wat betekent dat wij aan de truc kunnen gaan werken. Als wij toestemming hebben, gaan wij optreden. Aansteken. Smelten. Klaar.’ ‘Openvouwen. Opschrijven. Goochelen is kunst van beheersen van gebeurtenissen door gebruik van bovennatuurlijke krachten.’ ‘Dat doe ik niet, Lena, nee. Dit past niet bij de introductie van de optreden; dit past niet erbij. Het is heel goed Engels, maar het past niet erbij. Dit is introductie die wij moeten verzegelen, zodat hij bestaat en zodat wij kunnen gaan werken aan de truc.’ Lena kijkt naar de aansteker die ze uit de zak van de ochtendjas van de Tante heeft gestolen. Lena weet dat je geen dingen mag stelen tenzij je iets heel hard nodig hebt en degene van wie je het steelt niet thuis is en niet eens door zal hebben dat het weg is. Het was eng om de aansteker te stelen, en het voelde goed, en dapper. Lena voelt zich heel dapper met de aansteker in haar hand, heel grotemenserig. ‘Waarom ben jij altijd de baas?’ vraagt Lena. ‘Om te beginnen ben ik goochelaar en jij assistente. Assistente is ondergeschikt aan goochelaar. Zonder goochelaar geen assistente,’ zegt Vaclav. ‘Zonder assistente geen goochelaar,’ zegt Lena. ‘Ik ben een jaar ouder dan jij,’ zegt Vaclav. ‘Tien is maar een klein beetje meer dan negen plus elf maanden,’ zegt Lena. ‘Een goochelaar is belangrijker dan assistente, omdat…’ zegt Vaclav, zich opmakend om nog een argument aan te voeren


deze discussie winnen, hoewel hij weet dat ze die vaker zullen voeren. Het is een discussie die telkens weer opduikt. Het heeft wel iets weg van de aloude kwestie van de kip en het ei, over wie er het eerst was, over wie belangrijker en beter is dan de ander. Ze zullen er nooit uitkomen omdat onmogelijk te bewijzen valt wat er het eerst was of wat beter is, want eigenlijk is het allebei precies hetzelfde. Er wordt op de deur geklopt. Lena en Vaclav kijken met grote, verschrikte ogen op. Er wordt drie keer hard geklopt en dan gaat de deurknop heen en weer, maar de deur gaat niet open omdat hij op slot zit. Vaclav kan zich wel voor zijn kop slaan. De deur op slot doen was een slecht idee. Een deur die op slot zit wekt bij Vaclavs moeder de indruk dat er op de slaapkamer van de jonge goochelaar iets gebeurt wat niet mag. ‘Vaclav! Maak de deur open, anders doe ik het voor jou! Wil je makkelijk doen of moeilijk?’ Lena en Vaclav schuiven hun goochelspullen onder het bed, verstoppen ze achter de met gaatjes opengewerkte rand van de beddensprei. ‘Ik kom al, ik kom!’ zegt Vaclav terwijl hij overeind krabbelt. Zodra hij de deur van het slot draait, zwaait deze open en wordt Vaclav naar achteren geduwd. Rasia’s ogen doorzoeken de kamer. Ze weet niet waar ze naar op zoek is, maar ze maakt zich voortdurend zorgen. Elke dag om tien over vijf vliegt ze naar huis, want haar zoon groeit en verandert met de seconde en ze heeft nog maar een beperkt aantal uren om hem te kneden, als deeg. Ze heeft nog maar een beperkt aantal uren om hem duidelijk te maken dat het belangrijk is om je huiswerk te maken, om ’s avonds met het hele gezin te eten, om geen drugs

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

waarmee hij Lena kan bewijzen dat hij boven haar staat. Hij wil

9


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

10

te gebruiken en niet te stelen of lui te zijn of een oplichter. Ze moet hem beschermen tegen pedofielen, tegen vreemden, pestkoppen, pistolen en koolmonoxidevergiftiging. Ze maakt zich zorgen omdat hij na school thuiskomt in een leeg huis; hij is wat je noemt een sleutelkind en zij een werkende moeder, en ze wonen in de grote stad en Vaclav gaat naar een drukke openbare school, wat allemaal ingrediënten zijn voor een ramp als je het nieuws mag geloven, en daar luistert zij altijd aandachtig en angstvallig naar om te horen waar ze nu weer bang voor moet zijn. ‘Het bevalt mij niet wat ik hier zie. Wat gebeurt hier als ik niet thuis ben?’ ‘Niets! Wij doen niets! Huiswerk. We doen alleen maar huiswerk,’ zegt Vaclav. ‘Drie uur lang niets doen en huiswerk? Ik geloof dit niet. Na het eten wil ik al de huiswerk zien.’ Rasia loopt achteruit naar de deur, met haar ogen op Lena gericht. Ze maakt zich zorgen om Lena omdat alom bekend is wat de Tante doet. Dat is niet eerlijk, maar tegelijkertijd ook weer wel. ‘Goed dan, niets en huiswerk en misschien ook een beetje de optreden oefenen, met de goocheltrucs,’ zegt Vaclav. Rasia komt de kamer weer binnen. ‘Misschien een beetje de optreden oefenen?’ ‘Ja, wij oefenen goochelshow,’ zegt Vaclav, en hij probeert ernstig te kijken. ‘En misschien, als jij het goedvindt, omdat al de huiswerk af is, misschien…’ Vaclav kijkt op naar zijn moeder en Rasia kijkt neer op haar zoon, naar hoe hij om dat wat hij wil heen draait, naar zijn gympen met klittenband die zenuwachtig rondjes maken in de vloerbedekking. ‘Wat misschien?’ vraagt Rasia. ‘Misschien mogen wij voor het eten…’ zegt Vaclav.


knijpt. ‘Mogen Lena en ik een goocheltruc voor jullie doen, in de woonkamer, voor het eten?’ zegt Vaclav heel snel, in één adem. ‘Is al je huiswerk af?’ vraagt ze. ‘Ja, allemaal af,’ zegt Vaclav, hoewel hij zijn huiswerk nog niet helemaal af heeft. ‘Lena, blijf jij eten?’ vraagt Rasia. ‘Da,’ zegt Lena. ‘Engels!’ zegt Rasia. ‘Yè-hès!’ zegt Lena met een grom. ‘Voor er gegoocheld wordt, moet al de huiswerk af zijn,’ zegt Rasia. Vaclav glimlacht, want hij weet dat dat haar manier van ja zeggen is. Rasia kijkt nog even dreigend de kamer rond om alle vreemde zaakjes, waarvan ze niet eens weet of er wel sprake van is, in de kiem te smoren. Als ze eindelijk tevreden is gaat ze weg, waarbij ze de deur bijna helemaal dichttrekt. Zodra ze is vertrokken, springen Vaclav en Lena gillend van opwinding op en neer en beginnen dan als een dolle hun geweldige optreden voor te bereiden.

dame en heer Vaclav en Lena zetten de breedbeeld-tv in de woonkamer uit en duwen de grote mahoniehouten salontafel tegen de muur. De tafel vormt een perfect podium, zwart en stevig en glanzend. Ze hebben hem al vaak zo verplaatst; hij laat zich makkelijk over het grote versleten Perzische tapijt schuiven. Vaclav en Lena staan op het podium te wachten tot het publiek gaat zitten.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Zeg wat je gaat zeggen,’ zegt Rasia terwijl ze haar ogen toe-

11


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

12

‘Pap,’ roept Vaclav,‘kom nou, we zijn klaar!’ Rasia zit al op de grote zwartleren bank te wachten tot de voorstelling begint. Vaclavs vader komt met een glas wodka aanlopen en zijgt neer op de bank. ‘Oké, ik ben er. Wat gaan wij zien? Wat gaan jullie doen?’vraagt hij. ‘Kijk nou maar gewoon, goed?’ Vaclav heeft zijn kleren van school aan, een spijkerbroek met een groen t-shirt; om zijn hals bungelt een vlinderstrikje en hij heeft zijn hoge goochelaarshoed opgezet. Omdat Lena nog geen kostuum voor zichzelf heeft gemaakt, heeft zij haar gewone kleren aan: een spijkerbroek met een t-shirt. ‘Allereerst verwelkom ik mijn geliefde en intellectuele publiek. Dame en heer, u staat grote verrassing te wachten. Ik ben Vaclav de Geweldige, en dit is mijn assistente, Lieftallige Lena.’ Vaclav zwaait zijn linkerarm opzij om Lena voor te stellen, die een lange, diepe, plechtige buiging maakt. Vaclav en het publiek wachten in stilte tot ze weer overeind komt. ‘Vanavond hebben wij speciale verrassing die u zal verbluffen en verbijsteren. Mag ik alstublieft iemand uit publiek vereren mij een kwartje te schenken om deel uit te maken van de goocheltruc?’ ‘Dat is oplichterij,’ zegt Vaclavs vader. ‘Papa!’ zegt Vaclav. ‘Oleg, geef nou maar,’ bromt Rasia, en met veel zuchten en steunen wurmt Oleg zijn hand in zijn kontzak en haalt een warm kwartje tevoorschijn, dat hij aan zijn zoon geeft. ‘Dank u, vriendelijke meneer. Zeer gewaarderen.’ Vaclav neemt de munt tussen duim en wijsvinger en houdt hem ter inspectie omhoog voor het publiek.


achter haar rug tevoorschijn. Ze doet een stap naar voren en laat het publiek de voorkant, de achterkant en de randen van het papier zien. Ze houdt het omhoog naar het licht en doet dan een stap achteruit. ‘Zoals mijn lieftallige assistente laat zien is dit normaal vel papier – geen gaten of scheuren of geen vouwen. Dit is normaal stuk papier. Dankjewel, Lena.’ Lena knikt. ‘Let goed op, alstublieft. Ik vouw papier nu om de munt heen.’ Vaclav vouwt het vel papier een paar keer op zodat de munt erin zit, als in een envelop. Rasia schuift een eindje naar voren op de bank om extra goed op te letten, zoals haar zoon heeft opgedragen. Oleg slaat zijn armen over elkaar. Er lopen slaapkreukels als diepe littekens over zijn gezicht en hals en er ontspringt een woud van haren uit de hals van zijn shirt. ‘U ziet dat de munt helemaal is ingepakt in papier.’ Lena komt naast Vaclav staan en steekt haar handen uit naar opzij om de aandacht van het publiek op de mysterieuze, ingepakte munt te vestigen. Met opperste concentratie neemt Vaclav de munt van zijn linker-in zijn rechterhand. Hij licht deze beweging niet toe. Lena steekt haar armen stijfjes omhoog en draait een paar keer rond, waarbij ze gevaarlijk dicht bij de rand van de salontafel komt. Rasia houdt haar adem in, bang dat Lena zal vallen. ‘Met behulp van mijn toverstok zal ik de munt nu uit de lucht laten verdwijnen,’ zegt Vaclav terwijl hij het muntpakketje stijf in zijn rechterhand knelt en zijn linkerhand nerveus in zijn achterzak stopt. Lena probeert een shimmy te doen door haar smalle schouders krampachtig heen en weer te bewegen. Vaclav houdt zijn hand even in zijn zak terwijl Lena de shimmy doet en haalt hem er dan met een glimlach weer uit om het publiek zijn toverstok te laten zien. Vaclavs toverstok is zijn

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Lena, het papier alsjeblieft.’ Lena haalt een vel papier van-

13


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

14

dierbaarste bezit. Het is een echte, van een echte winkel voor echte goochelaarsbenodigdheden in Manhattan. Daar heeft zijn moeder hem mee naartoe genomen, en ze moesten meer dan een uur met de metro om er te komen. In de winkel vroegen ze de eigenaar of hij hen de beste toverstok kon helpen uitzoeken; na afloop gingen ze lunchen in een restaurant, en Vaclav hield de stok de hele tijd op schoot. Met deze stok tikt Vaclav driemaal op het papieren pakje. ‘Abracadabra!’ zegt hij bij de laatste tik. ‘De munt is verdwenen!’ ‘Lena,’ zegt hij, ‘mijn lieftallige assistente, ben jij zo vriendelijk en neem je deze papieren envelop aan en scheurt hem in twee hele stukken?’ Lena neemt het papieren pakketje van hem aan en scheurt het moeiteloos doormidden. Dan laat ze de stukken papier aan het publiek zien, en als de toeschouwers voldoende bewijs hebben dat het kwartje is verdwenen, gooit ze de stukken papier in de lucht bij wijze van dramatisch effect. Vaclav en Lena maken een buiging, zodat de toeschouwers weten dat ze moeten klappen. ‘Fantastisch!’ zegt Rasia, hoewel ze niet precies weet welk deel van de truc de truc was. Ze weet vrijwel zeker dat ze niet had mogen zien dat Vaclav de munt uit het papieren pakketje in zijn open hand liet rollen, en dat ze niet had mogen zien dat hij de munt in zijn zak stopte toen hij zijn toverstok pakte. Vaclav en Lena buigen nog een keer. ‘Bravo!’ zegt Rasia. Vaclav en Lena stappen van de salontafel af. ‘Waar is mijn kwartje?’ vraagt Oleg. ‘Een goochelaar onthult nooit de geheimen,’ zegt Vaclav. ‘Oleg,’ zegt Rasia tegen Vaclavs vader, en ze bedoelt: Hou op over dat kwartje. ‘Dank u,’ zegt Vaclav.


voor fans op de promenade van Coney Island.’ Vaclav straalt. ‘Vaclav.’ Rasia haalt diep adem. Ze heeft geprobeerd geen aandacht te schenken aan het plan om op te treden op Coney Island, maar Vaclav houdt voet bij stuk. Hij heeft het zich heilig voorgenomen. Hij weet niet dat het eigenlijk een heel slecht idee is. ‘Dat is geen heel goed idee,’ zegt ze. ‘Waarom niet?’ vraagt Vaclav. ‘Om daarom.’ Hoe kan ze hem de waarheid zeggen? Ze kan niet zeggen dat de dronkaards en de jeugd op Coney Island hem zullen uitlachen. Ze kan niet zeggen dat hij voor gek zal staan. Ze kan niet zeggen dat er niemand zal klappen, dat er niemand oh en ah zal roepen. ‘Waarom?’ vraagt Vaclav. ‘Het is niet veilig.’ Dat komt misschien nog het dichtst in de buurt van eerlijkheid, denkt ze. De buitenwereld is niet veilig voor Vaclav, die zo gevoelig is en zijn hart op de tong heeft, bereid om al zijn dromen aan iedereen te laten zien. ‘Dat is niet eerlijk! Wij moeten oefenen om voor écht publiek op te treden!’ roept hij uit. Dat is prima, zegt ze bij zichzelf, dat hij denkt dat zij de grootste gemenerik is die er bestaat. Laat hij maar denken dat ze niet wil dat hij goocheltrucs opvoert. ‘Dat is laatste woord. Ik ga niet in discussie,’ zegt ze. ‘Ik geloof dit niet!’ zegt Vaclav. ‘Handen wassen, we gaan aan tafel,’ zegt ze. ‘Lena, jij ook.’ Rasia staat bij de deur als Vaclav en Lena koers zetten naar de keuken, op weg naar een maaltijd die hun honger niet zal stillen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Fijn dat u bevalt. Lena en ik zullen dit zaterdag opvoeren

15


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

16

Haley Tanner De verdwijntruc Thematiek Vaclav en Lena zijn Russische immigrantenkinderen en ervaren de nodige aanpassingsproblemen met het leven in Amerika. Op school hebben ze allebei geen vrienden en ze storten zich dan ook vol overgave op hun vriendschap. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Vaclav, Lena en Vaclavs moeder Rasia, maar de lezer bevindt zich vooral in de wereld van Vaclav. Hij droomt ervan een wereldberoemde goochelaar te worden met Lena als zijn lieftallige assistente. Lena’s leefwereld blijkt een stuk ingewikkelder dan die van Vaclav, merkt de lezer als het vertelperspectief verschuift. Ze woont bij een tante die niet naar haar omkijkt. Voor Lena zijn aandacht, een schoon huis en een maaltijd niet vanzelfsprekend. Een belangrijk thema in de roman is hoe Lena haar hoofd boven water houdt ondanks deze erbarmelijke omstandigheden. Lena probeert zo onopvallend mogelijk door het leven te gaan. Ontroerend is de onvermoeibare moeder van Vaclav die met een open blik naar haar omgeving kijkt, waarin ze niets herkent van haar leven in Rusland. Maar ze is vastbesloten om haar zoon een beter leven te geven in Amerika. “Toen ze hem de grote Amerikaanse menigte in zag lopen, onder de grote Amerikaanse achtbanen door, had ze het gevoel dat de wereld in een wilde vaart van haar wegtolde, en ze moest huilen want ze was blij en verdrietig tegelijk omdat hij niet achterom keek, en omdat ze zoveel hield van dat kleine lijfje en dat rare hoofd met die kuif en die smalle


Op de dag dat Vaclav en Lena hun grote doorbraak hopen te beleven, verdwijnt Lena spoorslags uit het leven van Vaclav. Ze kan het niet over haar hart krijgen om aan Vaclav te vertellen wat de reden is van Lena’s vertrek, zowel hij als de lezer blijft in het ongewisse. Totdat ze elkaar zeven jaar later weer ontmoeten…” Waarheid, droom en werkelijkheid zijn terugkerende thema’s. Moet je altijd de waarheid vertellen of mag je die verzwijgen in belang van iemand die je liefhebt? De verdwijntruc is geen tearjerker, maar een realistische, intelligente en empathische roman over immigranten en hun overlevingskracht in een land waar mensen op eigen kracht hun weg moeten vinden. Binnen de kleine gemeenschap van Russische immigranten van Brighton Beach, schetst Tanner een wereld vol van kansen en wanhoop. Gelijk met de ontwikkeling van de personages loopt de verandering in hun taalgebruik; eerst simpel en gebrekkig, later complex en mooi. De thema’s immigratie, identiteit, verdrongen herinneringen, onvoorwaardelijke (moeder)liefde, en waarheid komen aan de orde, aanvankelijk door de ogen van twee jonge kinderen. Als jongvolwassenen ontkomen ze er niet aan om onder ogen te zien wat zij als jonge kinderen niet zagen. Het verhaal eindigt zoals het begon, als een sprookje.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

ribbenkast, en omdat hij, zo jong al, wist dat je een meisje bij de hand moet nemen als ze bang is.”

17


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

18

G es prek s v rage n 1 Vaclav wil graag een beroemde goochelaar worden.

Waarom denkt u dat Haley Tanner juist voor dit beroep heeft gekozen?

2 Vaclav maakt van zijn toekomstplannen lijstjes. Waar-

om doet hij dit volgens u?

3 Heeft Rasia goed gehandeld tegenover Lena? Had u

hetzelfde gedaan? Hoe zou u het uitgelegd hebben aan Vaclav?

4 In deze roman staan twee liefdesverhalen centraal.

Welke? En is de ene liefde sterker dan de andere?

5 Vaclav wordt volgens zijn moeder een ‘Amerikaanse

jongen’. Met wat voor moeilijkheden krijgen immi-

grantenfamilies te maken – zowel binnen als buiten hun familie? Is er volgens u een verschil tussen immigranten in Amerika en Nederland?


zij op het eind beweert?

7 Het thema waarheid speelt een grote rol in de roman.

Is het goed om altijd de waarheid te vertellen? En om

altijd de waarheid te willen weten? Hoe gaan de verschillende personages om met (of het ontwijken van) de waarheid. Bent u het hiermee eens? 8 Welk personage sprak u het meest aan? En waarom? 9 Hoe denkt u dat het verder zal lopen tussen Vaclav en

Lena?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

6 Geeft tante Ekaterina echt om haar nichtje Lena, zoals

19


20 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Anatomie van een verdwijning Nuri is nog maar een kind als zijn moeder overlijdt. Het lijkt of niets de leegte kan vullen die zij heeft achtergelaten. Tot hij op een vakantie Mona ziet. Als de verdrietige jongen deze schitterende vrouw tegen het lijf loopt, verdwijnt voor hem de rest van de wereld. Maar het is zijn vader op wie Mona verliefd wordt en met wie zij trouwt. Hun geluk wordt een obsessie voor hem, en hij droomt er zelfs van dat zijn vader zal verdwijnen. Op verschrikkelijke wijze komt zijn wens uit… Anatomie van een verdwijning vertelt ons het verhaal van een jongen en een vrouw die door het verlies van een geliefde hun eigen levens opnieuw vorm moeten geven. Hisham Matar (New York, 1975) groeide op in Tripoli, Caïro en Parijs, en woont nu in Londen. Eerder verscheen zijn bekroonde debuutroman Niemandsland. ‘Indringende roman rond het thema vaders en zonen.’ Vrij Ne d erlan d

‘Matar’s nieuwe boek is spannend als een thriller en tegelijkertijd is het een subtiele psychologische roman’ Tro u w

‘Boek uit… Kapot van.’ Femke

Hal sema o p Twitter

oorspronkelijke titel: anatomy of a disappearance | vertaling: manik sarkar | paperback met flappen: 224 blz. | prijs: € 18,95 | isbn 9789029087612

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

HISH A M M ATA R

21


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

22

Hisham Matar

Anatomie van een verdwijning 1 Er zijn dagen dat mijn vaders afwezigheid zo zwaar is als een kind dat op mijn borst zit. Andere dagen kan ik me zijn exacte gelaatstrekken nauwelijks voor de geest halen en moet ik zijn foto’s tevoorschijn halen die ik bewaar in een oude envelop in de la van mijn nachtkastje. Sinds zijn plotselinge, mysterieuze verdwijning is er geen dag voorbij gegaan dat ik hem niet heb proberen te vinden, dat ik niet op de meest onwaarschijnlijke plaatsen naar hem heb gezocht. Alles en iedereen, het hele leven is een evocatie geworden, iets wat me aan hem zou kunnen doen denken. Misschien is dat wat er bedoeld wordt met dat kleine, haast antieke woord elegie. Ik zie hem niet als ik in de spiegel kijk, maar ik merk hoe hij een plaats zoekt, alsof hij zich in een overhemd wurmt dat net te klein voor hem is. Mijn vader is altijd al intens mysterieus geweest, ook toen hij er nog was. Ik kan me bijna voorstellen dat het op hem af kwam als een vriend, een gelijke, maar net niet helemaal. Mijn vader is verdwenen in 1972, aan het begin van de kerstvakantie, toen ik veertien was. Mona en ik logeerden in het Montreux Palace; we zaten te ontbijten – ik met een groot glas feloranje sinaasappelsap en zij met dampende zwarte thee – op een terras dat uitkeek over het staalblauwe oppervlak van het Meer van Genève, waar aan de andere oever, voorbij de heuvels en de bocht in het water, de lege stad Genève lag. Ik keek naar de paragliders die stil boven het meer hingen en zij bladerde La Tribune de Genève door, toen haar hand plotseling naar haar mond


Een paar minuten later zaten we in de trein; we zeiden haast niets en gaven de krant continu aan elkaar door. Bij het politiebureau haalden we de weinige eigendommen op die op het nachtkastje waren achtergebleven. Toen ik het zegel op de plastic zak verbrak, rook ik hem tussen de tabak en het vuursteentje van zijn aansteker. Het horloge zit nu om mijn pols, en wanneer ik de onderkant van het leren bandje tegen mijn neusgaten druk, kan ik nog altijd een vleugje van hem opvangen. Ik vraag me af hoe anders mijn verhaal geweest was als Mona’s handen niet prachtig waren geweest, als ze geen ranke vingers had gehad. Ook nu nog, na al die jaren, hoor ik dat kinderlijke, koppige ‘Ik heb haar het eerst gezien’ dat als een duiveltje op en neer sprong op mijn tong wanneer ik vader een claimende beweging zag maken, als zijn vingers in haar haar verzonken of hij zijn hand op haar berokte dij legde, zo terloops als een man die midden in een zin naar zijn oorlel grijpt. Hij had de westerse gewoonte aangenomen om hand in hand te lopen en elkaar in het openbaar te kussen en aan te raken. Maar mij hield hij niet voor de gek: zijn stappen waren zo onvast als van een slechte acteur. Als hij merkte dat ik naar hem keek, wendde hij zijn blik af, en ik zweer dat ik hem dan zag blozen. Als ik bedenk hoe hard hij zijn best deed, komt er een sombere vertedering in me op: ook nu nog verlang ik naar een band met mijn vader die vanzelf gaat. In onze relatie heeft altijd iets ontbroken waarvan ik nog steeds denk dat het met het verstrijken van de jaren wel had kunnen komen, misschien wanneer ik volwassen was geworden en hij me in een vaderrol zou zien: een zekere ongedwongenheid, een gemakkelijke uitwisseling van emoties. Maar in werkelijkheid wordt het beeld

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

ging en begon te trillen.

23


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

24

dat ik in mijn hoofd van hem heb, gevormd door de afstand die in al onze interacties aanwezig was en die een onuitgesproken kloof tussen ons vormde. 2 We ontmoetten Mona in het Magda Marina, een klein hotel aan het strand van Agami in Alexandrië. De zee was vlakbij, maar we zwommen er nooit in, en zandkastelen bouwen wilde ik niet. Ook de meeste andere gasten negeerden de zee: ze hadden genoeg aan de veiligheid en de beperkte geneugten van het zwembad. De betonnen dozen van de gelijkvloerse kamers schermden ons af van het omringende landschap. We hoorden de golven loom tegen de kust slaan, als het gesnurk van een waakhond, maar van het blauw vingen we slechts zelden iets op. Hier had vader me de afgelopen twee zomers mee naartoe genomen, sinds moeder plotseling was overleden. Toen ze nog in leven was, kwamen we nooit op plekken als het Magda Marina. Ze hield niet van de hitte. Ik heb haar nog nooit een badpak zien dragen of in plotselinge overgave haar ogen zien sluiten voor de zon. Zodra in Caïro de lente aanbrak, begon ze onze zomervakantie te plannen. Eén keer zomerden we hoog in de Zwitserse Alpen, waar mijn lichaam verstijfde bij de aanblik van de diepe, holle kloven die in de rotsige aarde waren uitgehouwen. Een andere keer nam ze ons mee naar Nordland in het noorden van Noorwegen, waar de versplinterde pieken van de strenge zwarte bergen haarscherp door het onbeweeglijke water werden weerspiegeld. We verbleven in een verlaten blokhut aan het water die in de bruinrode kleur van dorre bladeren was geverfd. Rond het dak hing een goot, zo breed als een mensendij. Alles wat hier uit de hemel viel, viel in overvloed. Er was geen enkel


hele middag, en dan liet ik vader niet merken dat ik mijn hart in mijn oren voelde bonzen. Dan bleef ik op mijn kamer totdat ik voetstappen op de veranda hoorde en de keukendeur werd opengeschoven. Op een keer had ze zwart-rode vlekken op haar handen en een plek in de vorm van een aardbol op de voorkant van haar trui. Met ogen zo zuiver als glas, wijd open en tevreden, liet ze een handvol wilde bessen zien. Ze hadden een rijpe, zoete smaak die ik moeilijk met dit landschap kon verenigen. Op een nacht hing er een dichte mist, die de vegen en zuchten van het noorderlicht abstract maakte. Je moet volwassen zijn om zoiets angstaanjagends te kunnen waarderen. Een nerveuze hitte nam bezit van mijn achtjarige schedel en ik maakte me klein in mijn bed, probeerde mijn snikken te smoren en hoopte dat moeder me een van haar nachtelijke bezoekjes zou brengen, dat ze naast me zou komen liggen en mijn voorhoofd zou kussen. ’s Ochtends was alles weer verstild: het onschuldige water, de bloeddorstige bergen en de bleke lucht met hier en daar een kleine, pasgeboren wolk. Ze stond in de keuken melk op te warmen, en naast haar op het witmarmeren aanrecht stond een glas water. Geen sap, thee, koffie, maar water dronk ze ’s ochtends. Ze nam een slok, en met haar gebruikelijke zorg om lawaai te vermijden dempte ze bij het neerzetten het geluid met het zachte puntje van haar pink. Ieder onverwacht geluid maakte haar van streek. Al haar dagelijkse bezigheden kon ze in haast volmaakte stilte uitvoeren. Ik zat aan de gehuurde tafel waar moeder, als we met z’n drieën zaten te eten, soms naar de lege vierde stoel staarde alsof die een gemis, een verlies betekende. Ze schonk de warme melk in. Een snippertje stoom aaide de lucht en verdween langs haar nek. ‘Waarom kijk je zo sip?’ vroeg ze.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

ander menselijk bouwwerk te zien. Soms verdween moeder de

25


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

Ze nam me mee naar de veranda die boven het meer hing. De lucht was zo zuiver dat het pijn deed aan mijn keel. Zwijgend bleven we staan. Ik herinnerde me wat ze in de auto tegen vader had gezegd toen de naakte bergen van Nordland waren opgedoemd: ‘Hier besloot God dat Hij ging beeldhouwen; op andere plaatsen heeft Hij zich ingehouden.’ ‘“Heeft Hij zich ingehouden?”’ herhaalde vader. ‘Je doet alsof Hij een vriend van je is.’ In die tijd geloofde vader niet in God. Als moeder over het Goddelijke begon, reageerde hij meestal sarcastisch en geïrriteerd. Misschien had ik niet verbaasd moeten zijn toen hij na moeders dood af en toe ging bidden: sarcasme is vaak een dekmantel voor een verborgen fascinatie.

26

** Waren het de romantiek van het kampvuur en de verhullende dikke jassen die mijn moeder in de onbevolkte noordelijke delen van Europa aantrokken? Of was het de volmaakte rust van die twee weken die ze, voor het grootste deel beschut en binnenshuis, doorbracht met de enige twee mensen op wie ze aanspraak kon maken? In mijn herinnering gingen we iedere vakantie, waar we ook naartoe gingen, naar hetzelfde land – haar land – en is de stilte die er heerste verworden tot haar melancholie. Er waren tijden dat haar leed zo tastbaar leek als helder water. Na haar dood werd gauw genoeg duidelijk wat vader altijd al had willen doen met de twee weken vakantie die hij zichzelf ’s zomers gunde: de hele dag in de zon liggen. En dus werd het Magda Marina de plaats waar hij en ik onze tijd doorbrachten. Hij leek te zijn vergeten hoe hij met me om moest gaan: het weduwnaarschap had hem beroofd van alle ongedwongenheid


aan tafel gingen las hij de krant of staarde hij in de verte. Als hij zag dat ik hem aankeek, begon hij onrustig te bewegen en op zijn horloge te kijken. Zodra hij klaar was met eten, stak hij een sigaret op en knipte met zijn vingers voor de rekening, zonder te kijken of ik al klaar was. ‘Tot straks op de kamer.’ Zo was hij niet toen moeder nog leefde. Als we met z’n drieën uit eten gingen, zaten ze naast elkaar tegenover me. Als we met z’n drieën een gesprek voerden, richtte zij bijna alles wat ze zei tot mij, als tegen de achtermuur van een squashbaan. En als hij zich zo ongemakkelijk voelde dat hij de clown ging uithangen, peilde zij op haar discrete manier hoe ik op zijn geforceerde grapjes reageerde en daarna, als hij het niet meer volhield, op zijn eindeloze stiltes. Terwijl moeder naar me keek zag ik hoe vader de andere gasten monsterde of uit het raam keek, meestal naar een doodgewone straat of een doodgewoon plein, en ongetwijfeld dagdroomde of een plan van actie bedacht voor zijn geheime bezigheden, waarover hij nooit iets vertelde. Op zulke momenten leek hij de zoon en ik de vader, alsof hij het kind was dat met zijn ouders uit eten ging. Na haar dood leken hij en ik op twee door de omstandigheden op elkaar teruggeworpen vrijgezellen die een appartement deelden. Maar dan kwam opeens, op de vreemdste momenten, die ruwe, abrupte, tedere genegenheid bij hem op en begroef hij snuivend zijn gezicht in mijn nek, kuste hij me en kietelde me met zijn snor. Dan begonnen we allebei te lachen alsof er niets aan de hand was. 3 Het is echt waar: ik heb Mona het eerst gezien.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

die hij ooit in het bijzijn van zijn enige kind had gevoeld. Als we

27


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

28

Ze zat op de porseleinen tegels bij het rechthoekige zwembad van het Magda Marina en bestudeerde haar voetzool. De tegels vormden een patroon waarvan ik jaren later, op reis naar Sevilla, ontdekte dat het een replica was van een muurmozaïek in het Alhambra. Toen ik het origineel zag, streek ik met mijn vingertoppen langs de tegels en keerde ik in gedachten terug naar die verre zomerdag in Alexandrië in 1971, toen ik twaalf was. Haar haar zat in een brave paardenstaart en ze droeg een ongehoord fel geel badpak, dat haar huid donkerder maakte en haar leeftijd lager. Heel even dacht ik dat ze een kind was. Heel even moest ik bij het zien van de gele bandjes op haar rug denken aan het gele ziekenhuisarmbandje dat om de pols van mijn moeder was gebonden. Het licht weerkaatste blauw en zwak van het water op Mona’s lichaam. ‘Dit stukje huid is Arabisch; dit heb je van je Engelse moeder,’ zou ik later plagend tegen haar zeggen. Ze trok haar enkel naar zich toe; haar nek was gewelfd, de richel van haar ruggengraat drukte tegen de gele bandjes. Nu, terugkijkend, ben ik jaloers op de zelfverzekerdheid waarmee ik toen op haar afstapte, alsof ik alleen maar de weg overstak om een schildpad te helpen die op zijn rug lag. Die spontane zelfverzekerdheid ben ik allang verloren. Terwijl vader de mantel van verlegenheid met de jaren juist van zich af wist te schudden, is de mijne steeds zwaarder geworden. Ik ging in kleermakerszit naast haar op de tegels zitten, en zonder iets te vragen legde ik haar zeurende voet in mijn schoot. Een voor een bekeek ik haar tenen. Ze liet me begaan. Toen vond ik het: in de zachte onderkant van een van haar tenen zag ik het bruine uiteinde van een doorn die in het roze vlees verdween. ‘Vorige week had ik precies hetzelfde,’ zei ik, terwijl ik haar voet omdraaide om het beter te kunnen zien. ‘Ik werd er stapel-


kon. Ik heb hem eruit getrokken voordat ik naar bed ging.’ Ik pakte de doorn tussen twee nagels vast. Ze verstrakte, maar trok haar voet niet weg. ‘Kijk, zo,’ zei ik, en ik legde hem op het puntje van mijn wijsvinger zodat ze hem kon zien. Onze hoofden waren nu zo dicht bij elkaar dat ik een haarlok tegen mijn slaap voelde. ‘Dank je,’ zei ze in hoekig Arabisch. Ik zag dat haar schouders weer ontspanden. ‘Hoe heet je?’ Het was een Engels accent. Geen twijfel over mogelijk. Ze streek met haar hand over mijn wang, pakte me bij mijn kin en keek me aan. Ze had onvaste ogen: bruin, groen en zilver tegelijk. ‘Nuri,’ zei ik uiteindelijk, terwijl ik me losmaakte. ‘Nuri el-Alfi.’ ‘Aangenaam, Nuri el-Alfi,’ zei ze, en ze glimlachte met een lach die ik niet begreep. Ik liep terug naar de plek waar vader lag te zonnen. Hij was half overeind gekomen en leunde op zijn ellebogen, met zijn brede borstkas omhoog. ‘Wie is dat?’ vroeg hij, terwijl hij naar haar keek. Ik wilde terugrennen om haar naam te vragen, maar ze stond op, stak twee vingers onder haar badpak en haalde ze langs de stof rond haar billen. Het patroon van de tegels zat licht in de onderkant van haar dij gedrukt. Ze liep onze kant op. Ik vroeg me af of ze naar mij keek, naar vader, of naar ons allebei. Toen ging ze aan een tafel zitten waar een glas limonade stond te wachten. Vader ging weer liggen, zijn ellebogen rood van het gewicht, en deed zijn ogen dicht. Onder zijn perfect verzorgde snor vertrokken zijn lippen tot een precieze, veelzeggende, ironische glimlach, alsof hij blij was met zijn eigen sluwheid, alsof hij een raadsel had opgelost in de helft van de tijd die ervoor stond. Ze

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

gek van, totdat ik er aan het einde van de dag niet meer tegen

29


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

30

keek weer onze kant op, stak een sigaret op en deed toen of ze naar iets anders keek. Uiteindelijk sloot ze haar ogen vanwege de zon. Zonder enige terughoudendheid bekeek ik haar. Ik wilde haar dragen als een kledingstuk, me opvouwen in haar ribben, een steen in haar mond zijn. Ik deed alsof ik een rondje om het zwembad liep, zodat ik haar van alle kanten kon bekijken. Plotseling deed ze haar ogen weer open en keek ze me aan; ze was niet verrast en ze reageerde niet. Toen liep ze naar de rand van het zwembad, doopte eerst haar ene voet in het water, toen de andere, en liep op haar tenen weer weg. Ik keek hoe het spoor van natte voetstappen verdampte. Het glas limonade stond nog te wachten, vol en geduldig. Het werd meegenomen door een zwetende ober met een zwart jasje en een zwarte vlinderstrik. Jammer genoeg was hij me te snel af. Wat zou het heerlijk zijn geweest iets te drinken wat voor haar bedoeld was. Ik zag dat vader op zijn buik was gaan liggen; de houten latten van de ligstoel tekenden zich rood af op zijn rug. ** De rest van de ochtend zag ik haar niet. En toen we voor de lunch aan onze tafel gingen zitten, merkte ik dat ook vader de eetzaal rondkeek. Telkens als er iemand binnenkwam keek ik op van mijn bord; en dan keek vader, die met zijn rug naar de deur zat, naar mijn gezicht alsof het een spiegel was. Op een gegeven moment keek hij op om te zien wie er binnenkwam, en ik had het gevoel dat ik hem in de maling had genomen. Na de lunch gingen de meeste gasten naar hun kamers om te ontsnappen aan de zon. Een paar Europeanen bleven bij het zwembad in de schaduw liggen; hun huid had de kleur van een sinaasappelschil. Soms speelde de bries met de bladzijden van de


hun lichamen lagen onbeweeglijk te glanzen in de witte hitte. Ik ging met mijn bal naar het keurig verzorgde gazon dat zich rondom de kamers slingerde. De kamers hadden de vorm van dozen met een schuifpui als voorgevel, met spiegelglas omwille van de privacy. Ieder bouwseltje zoemde met zijn eigen airco, die siste en zijn warmte naar buiten blies. Ik voelde me bespied door de gasten in de kamers, ook al vermoedde ik dat iedereen lag te dutten, net als mijn vader. Hij zou in de koelte van de gordijnen liggen met zijn ene enkel over de andere, een beetje in de richting van de lampenkap geleund, met een ritselende krant in zijn handen. Eén schuifdeur stond open – ongeveer twee vingerbreedtes. Ik hoorde stromend water en een vrouwenstem die meezong met een Engels deuntje. Ik deed de deur zo ver open dat ik naar binnen kon, maar ik wachtte tot mijn ogen aan de duisternis waren gewend. De kamer was een nauwkeurige kopie van de onze, met dezelfde beddensprei en hetzelfde behang en meubilair: alleen stond hier één groot bed, even breed als onze eenpersoonsbedden bij elkaar. Ook de badkamerdeur stond nog open; het gele zwempak hing aan de deurkruk. Toen besefte ik dat ik haar had gezocht, dat ik gehoopt had dat ik haar zou vinden op een plek waar mijn vaders blikken me niet konden bereiken. Het feit dat ik in haar kamer stond, in het privévertrek van die mysterieuze, alleenreizende vrouw, bracht een koortsige opwinding bij me teweeg: wie was ze? Waarom sprak ze onze taal? Er zijn zo weinig niet-Arabieren die Arabisch spreken, dat het net zo spannend is om er een te ontmoeten, dan om een bekende te zien in het publiek van een enorme schouwburg, net voordat de lichten uitgaan. En uit de manier waarop ze bewoog, waarop ze me vanaf de andere kant van het zwembad had aangekeken, sprak een

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

boeken en tijdschriften die naast hen op de grond lagen, maar

31


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

32

vastberadenheid die je het gevoel gaf dat ze hier niet op vakantie was, dat ze niet zomaar wat rondhing, maar dat ze een geheim leven leidde, net als mijn vader. Ik ging aan het voeteneinde van het bed zitten en legde de bal naast me neer. Voor de leunstoel stond een paar schoenen op de grond. Een van de schoenen lag op zijn kant en onthulde het in vorm geperste crèmekleurige leer van de binnenkant. Op het buffet lagen een parelketting, een parfumflesje en een haarborstel. Met mijn hand op de kruk van de badkamerdeur, op het vochtige zwempak, keek ik met één oog door de smalle spleet. Ik zag haar naakte lichaam, wazig achter het douchegordijn: de driehoek van zwart haar vaag en beweeglijk als zo’n vlekje dat je ziet als je recht in de zon hebt gekeken. Ik maakte geen enkel geluid en ik wist zeker dat ze me niet kon zien, maar opeens zei ze: ‘Wie is daar?’ Ik rende weg, lette niet meer op hoeveel lawaai ik maakte, dacht pas aan mijn bal toen het al te laat was om hem nog te gaan halen. ** Zodra mijn vader wakker werd, vertelde ik wat er was gebeurd. ‘Mijn bal is een kamer in gerold en het leek me geen goed idee om hem eruit te halen.’ ‘Dus?’ zei hij, terwijl hij zich schoor. Gewoonlijk schoor hij zich aan het begin van de avond, voor het diner, niet ’s ochtends zoals de meeste mannen. ‘Ik wou gewoon niet dat iemand dacht dat ik spioneerde of zo.’ ‘Ik weet toch allang dat je een klein spionnetje bent,’ zei hij, glimlachend via de spiegel. Hij bracht het mes naar zijn keel en schoor met een soepele haal een hele reep schuim weg.


’s Avonds zag ik haar in een zwarte jurk bij onze tafel in de eetzaal staan praten met vader: ze leunde met haar hand op de rugleuning van de stoel tegenover de zijne – mijn stoel. Ze droeg de parels om haar nek. Haar geborstelde haar viel zwaar naar beneden en wist precies waar het moest omkrullen: net boven haar jukbeenderen. Toen ik dichterbij kwam, rook ik de geur van haar parfum. ‘Ha, daar is uw vriendje,’ zei mijn vader in het Engels, toen ik zo dichtbij was dat ik het kon verstaan. Ze stak me haar hand toe. Ik schudde hem, maar ik kon haar niet in de ogen kijken. ‘Zeg maar wat, je hoeft niet verlegen te zijn,’ zei vader in de pijnlijke stilte. ‘Hij zit op een Engelstalige school,’ zei hij tegen haar. Er werd een extra stoel gehaald, nog een couvert gedekt, en we aten met z’n drieën. Ze zei geen woord over wat er die middag was gebeurd, maar toen vader naar de telefoon werd geroepen glimlachte ze. ‘Er zat vanmiddag een muis in mijn kamer. Een heel grote muis.’ En opnieuw pakte ze me met die vederlichte greep bij de kin. ‘Kom morgen je bal maar ophalen.’ Ze nam een slokje water en depte haar mondhoeken droog met haar servet. ‘Je vader zei dat je twaalf bent. Om de een of andere reden dacht ik dat je ouder was.’ Ze sprak nu geen Arabisch meer en dus was ze die kwetsbaarheid kwijt die ik bij het zwembad had gezien. En omdat het vaders keuze was geweest om Engels te spreken – toen ik kwam aanlopen – weet ik die verandering aan hem.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

**

33


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

34

HISHAM MATAR Anatomie van een verdwijning Thematiek Als we Nuri leren kennen is hij een eenzaam jongetje dat het verlies van zijn moeder probeert te verwerken. Dat hij het daar moeilijk mee heeft zien we bijvoorbeeld als hij op vakantie Mona ontmoet, en haar gele badpak hem doet denken aan het gele ziekenhuisarmbandje dat zijn moeder moest dragen. Verlies is een belangrijk thema in deze roman en Nuri zal niet alleen de dood van zijn moeder maar ook de verdwijning van zijn vader moeten verwerken.   In beide gevallen moet de jonge Nuri opnieuw zoeken naar de identiteit van zijn weggevallen ouder. Zijn moeder en vader blijken allebei mensen te zijn met verborgen levens. De lezer zoekt met hem mee en beseft gaandeweg dat het sowieso moeilijk is voor een kind om een ouder daadwerkelijk te kennen.   De verdriet en eenzaamheid die Nuri ervaart zijn voelbaar in de tekst. Toch benoemt de auteur deze gevoelens nauwelijks expliciet. De toon van de roman is rustig en kalm, net als de rouwverwerking van Nuri. Rouw is een belangrijk thema dat als een rode draad door de roman loopt. Wachten en hoop zijn voor Nuri belangrijke overlevingsmechanismen. Nergens zien we hem wanhoop uiten, alsof hij bang is om echt verdrietig te zijn. Bij Mona is dat anders.   Mona, die met de verdwijning van haar man erachter komt dat hij niet eerlijk of trouw is geweest, belandt eveneens


naar antwoorden en acceptatie – om zo in ieder geval voor zichzelf een nieuwe relatie met zijn vader te creëren – laat zij haar boze gevoelens toe en zoekt zij troost in de ontkenning van het verraad van haar man.   De relatie van Mona en Nuri blijkt slecht bestand tegen het wegvallen van Kamal. Zonder de aanwezigheid van zijn vader weet Nuri niet goed vorm te geven aan zijn relatie met zijn stiefmoeder, en de verwarring die bij Nuri altijd al bestond – de ontluikende seksualiteit van een jonge puber die een mooie vrouw leert kennen, maar ook in haar een moederfiguur moet vinden – slaat ook over naar haar.   Liefde in alle mogelijke vormen is ook een thema in de roman: man en vrouw, geliefden of minnaars, ouders en kinderen, stiefouder en stiefkind. Ouderschap, vaderschap en moederschap worden van verschillende kanten benaderd, en vertellen de lezer veel over ‘het kindschap’.   De roman heeft duidelijk autobiografische elementen – de auteur Hisham Matar verloor net als Nuri zijn vader aan het onbekende: midden in de nacht werd hij ontvoerd uit het appartement in Cairo waar het gezin woonde. Al jaren zoekt de auteur tevergeefs naar zijn vader: altijd geduldig en met hoop. Net als Nuri lijkt Hisham Matar te hebben gekozen om zonder woede en in acceptatie van zijn lot door te leven.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

in een rouwproces. Maar dit lijkt niet op dat van Nuri. Waar de jongen hoop koestert en zoekt naar de waarheid,

35


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

36

G es prek s v rage n 1 Nuri is direct na de eerste ontmoeting al onder de in-

druk van Mona. Zijn deze gevoelens die van een verliefde puber, of van een jongen die zijn moeder mist?

Of iets anders? 2 Vindt u dat het Hisham Matar lukt om de eenzame

gevoelens van de jonge Nuri, na het verlies van zijn

moeder, over te brengen? En later na het verlies van zijn vader? 3 Het verhaal van Nuri lijkt op dat van de auteur – ook

Hisham Matar verloor zijn vader na een mysterieuze verdwijning. Denkt u dat de autobiografische elementen in

het verhaal deze roman sterker maken? 4 Hoe zou u de schrijfstijl van Hisham Matar beschrijven? 5 Waarom is de vader van Nuri met Mona getrouwd? Ge-

looft u dat zij van elkaar hielden?

6 Het feit dat Kamal, de vader van Nuri, ontrouw is ge-

weest wordt niet echt een onderwerp van discussie in

de roman. Wat vindt u hiervan?


zijn vader kunnen accepteren? In hoeverre is hij ge-

vormd door de verdwijning? 8 Wat vindt u van de gebeurtenissen in hoofdstukken

23 en 24? Heeft Mona met Nuri hiervoor de gedeelde

verantwoordelijkheid? 9 Hoe goed kent Nuri zijn vader? Leert hij hem beter

kennen na zijn verdwijning? En Mona, kent zij haar

man? En Beatrice? 10 Wat vindt u van de beslissing van Charlie Hass om

Nuri en Mona voor de volledige waarheid over Kamal al-Alfi te beschermen, en een ontmoeting met Beatrice af te houden?

11 Waarom wijst Nuri Mona aan het einde af als zij con-

tact zoekt?

12 Waarom vertelt Nuri niet aan Naima wat hij over haar te

weten is gekomen?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

7 Heeft Nuri als volwassen man zijn verleden en dat van

37


38 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Matterhorn Vietnam, 1969. Tweede luitenant Waino Mellas is eenentwintig jaar en net aangekomen in Matterhorn: het ondoordringbare fort diep in de Vietnamese jungle waarvandaan honderdtachtig Amerikaanse mariniers van Bravo Company in een bijna volledig isolement oorlog voeren. Een paar dagen na de aankomst van Mellas krijgen ze het bevel in vijandig gebied op zoek te gaan naar een Noord-Vietnamese legerunit van onbekende grootte. Buiten de veilige muren van het fort zal Mellas ziekte, honger, bloedzuigers, tijgers en een vrijwel onzichtbare vijand moeten trotseren. Daarnaast blijkt Bravo Company een bataljon waarin tegenstrijdige ambities, valse loyaliteiten en raciale spanningen de boventoon voeren. Karl Marlantes, een veelvuldig onderscheiden Vietnamveteraan, werkte dertig jaar aan Matterhorn. Het resultaat is een onvergetelijke roman die de tragedie van Vietnam omzet in een krachtig en universeel verhaal over moed, vriendschap en opoffering, en over de waanzin van oorlog. ‘Een oorlogsroman in zijn meest pure vorm.’ de

Vo lkskrant

‘Matterhorn is een groots werk, een herinnering aan een verschrikkelijke oorlog.’ USA T o day ‘Een grandioos debuut en een opvallende prestatie.’ h er s Weekly ( s tarred revie w)

oorspronkelijke titel: matterhorn | vertaling: otto biersma gebonden: ca. 544 blz. | prijs: € 22,95 | isbn 9789029087292

Pu blis-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

K AR L M A R L A N TE S

39


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

40

Karl Marlantes

Matterhorn 1 Mellas stond onder de grijze moessonwolken op de smalle strook vrijgemaakte grond tussen de rand van de jungle en de relatieve veiligheid van de afzetting. Hij probeerde zich te concentreren op het tellen van de dertien mariniers van de patrouille die één voor één uit de jungle tevoorschijn kwamen, maar hij was zo moe dat hij niet scherp kon zien. Hij probeerde ook tevergeefs geen aandacht te schenken aan de stank van de stront die in de half volgeregende latrines dreef, boven hem, aan de andere kant van de afzetting. Regendruppels vielen van de rand van zijn helm langs zijn ogen op de olijfgroene stof waarmee de bepantsering van zijn logge, zware nieuwe scherfvest op zijn plek werd gehouden. Het donkergroene tshirt en de boxershort die zijn moeder nog maar drie weken geleden voor hem had geverfd, plakten aan zijn huid, zwaar en klam onder zijn gevechtsjas en -broek. Hij wist dat er onder zijn kleren bloedzuigers over zijn benen, armen, rug en borst kropen, hoewel hij ze op dat moment niet voelde. Zo ging dat met bloedzuigers, mijmerde hij. Voordat ze je bloed begonnen op te zuigen, waren ze zo klein en dun dat je ze zelden voelde, tenzij ze vanuit een boom op je vielen, en je voelde nooit hoe ze je huid doorboorden. In hun speeksel zat een soort natuurlijk verdovend middel. Je ontdekte ze pas later, als ze waren opgezwollen door je bloed, als kleine zwangere buikjes uitpuilend op je huid.

Toen de laatste marinier de doolhof van zigzagpaden en

provisorische doorgangen door het prikkeldraad was overge-


drie die onder zijn commando stonden. ‘Elf plus drie,’ zei hij. Fisher knikte terug, stak bevestigend zijn duim op en liep de afzetting binnen. Mellas volgde hem, met Hamilton, zijn radioman, in zijn spoor.

De patrouille dook op uit het prikkeldraad en de jonge ma-

riniers beklommen de helling van

fsb

Matterhorn, de nieuwe

vuursteunbasis, voorovergebogen door vermoeidheid, en ze zochten hun weg tussen de stronken en dode bomen die geen dekking boden. De lage begroeiing was met gevechtsmessen weggekapt om een schootsveld voor de verdedigingslinies vrij te maken, en de junglebodem die eerder een netwerk van waterstroompjes was geweest, bestond nu alleen nog maar uit zuigende kleigrond.

De dunne, natte banden van Mellas’ twee katoenen patroon-

gordels sneden in zijn nek door het gewicht van twintig gevulde

m-16

magazijnen. Zijn huid was helemaal kapot. Hij wilde

alleen nog maar terug naar zijn schuilplaats en ze afdoen en zijn doorweekte gevechtslaarzen en sokken uittrekken. Hij wilde ook de wereld buitensluiten. Maar dat zat er niet in. Hij wist dat hij op enig moment het knagende probleem moest oplossen waarmee Bass, zijn pelotonssergeant, hem die ochtend had opgezadeld en dat hij met de patrouille als excuus voor zich uit had geschoven. Een zwarte knul – hij wist zijn naam niet meer, een mitrailleurschutter van de derde sectie – had onenigheid met de sergeant van de bataljonsstaf wiens naam hij ook niet meer wist. Alleen al in het peloton van Mellas waren er veertig nieuwe namen en nieuwe gezichten, en in het bataljon bijna tweehonderd, en ze zagen er allemaal hetzelfde uit, zwart of blank. Het werd hem allemaal een beetje te veel. Vanaf de commandant tot aan de jongens in de onder-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

stoken, knikte Mellas naar Fisher, de sectieleider, een van de

41


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

42

ste regionen, ze droegen allemaal hetzelfde vuile, gehavende tenue zonder rangonderscheidingstekens, er was geen enkele manier om ze uit elkaar te houden. Ze waren allemaal te mager, te jong en te uitgeput. Ze praatten ook allemaal hetzelfde, ze zeiden om de vier woorden ‘fuck’ of een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord of werkwoord met ‘fuck’ erin. De meeste van de tussenliggende drie woorden van hun gesprekken gingen over ontevredenheid over het eten, de post, de lange tijd in de rimboe en meisjes op de middelbare school die ze hadden achtergelaten. Mellas bezwoer dat hij daar nooit aan zou toegeven.

De zwarte knul wilde weg uit de rimboe om zijn steeds te-

rugkerende hoofdpijn te laten onderzoeken en een stel zwarten steunde hem daar luidkeels bij. De sergeant dacht dat de knul simuleerde en alleen een schop onder zijn kont nodig had. Vervolgens weigerde een andere zwarte om zijn haar te laten knippen en was daar weer een rel over ontstaan. Mellas werd verondersteld om te vechten. Niemand bij de basisopleiding had hem verteld dat hij te maken zou krijgen met Malcolm X-jes in de dop en racistische boeren uit Georgia. Waarom kon de medische staf niet gewoon beslissen of hoofdpijn wel of niet echt was? Zij waren de deskundigen. Hadden de pelotonscommandanten op Iwo Jima ook dit soort gezeik aan hun kop gehad?

Mellas klom moeizaam tegen de heuvel op met Fisher naast

hem en Hamilton volgde hem automatisch met de zender, en hij geneerde zich voor het geluid dat zijn laarzen maakten als hij ze uit de modder trok, bang dat iemand zou zien dat ze nog glimmend zwart waren. Hij probeerde de aandacht af te leiden door bij Fisher te klagen dat Hippy, de mitraillleurschutter van de sectie, te veel lawaai maakte toen Fisher hem had gevraagd


man dacht dat hij iets had horen bewegen. Alleen al door het te hebben over het recente bijna-treffen met de vijand voelde Mellas zijn maag weer samenkrimpen, de trilling van angst die leek op een sterke elektrische stroom die geen plek had om zich te ontladen. Hij was deels opgelucht dat het bij een bijna-treffen was gebleven en deels geĂŻrriteerd omdat het geluid misschien had voorkomen dat hij in actie had kunnen komen, en die irritatie wekte nu de ergernis van Fisher.

Toen ze de vaste positie van de sectie in de linies bereik-

ten, kon Mellas zien dat Fisher zijn woede nauwelijks kon onderdrukken aan de manier waarop hij de drie stokken op de grond smeet die hij tijdens patrouilles voor zichzelf en een paar vrienden had gesneden. Het waren de met zorg bewerkte wandelstokken van mannen die het einde van hun diensttijd in Vietnam naderden, ongeveer vier centimeter dik en een tot anderhalve meter lang. Soms waren het simpele kalenders, andere keren was het pure volkskunst. Op elke stok was af te lezen hoeveel dagen van zijn dertien maanden durende uitzending de eigenaar had overleefd en hoeveel dagen hij nog had te gaan. Mellas had zich ook geĂŤrgerd aan het lawaai dat Fisher maakte toen hij de stokken sneed, maar hij had er niets van gezegd. Hij bevond zich nog steeds in een precaire situatie: officieel had hij de leiding over de patrouille, maar tot hij met succes was ingewijd, stond hij nog onder commando van luitenant Fitch, de compagniescommandant, die hem had opgedragen om alles te doen wat Fisher zei. Mellas had het lawaai om twee redenen geslikt, allebei van tactische aard. Fitch had in feite gezegd dat Fisher de leiding had, dus waarom zou Mellas tegen hem ingaan? Fitch was degene die Mellas tot eerste officier kon benoemen wanneer de tijd in de rimboe van

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

om de mitrailleur naar voren te laten komen omdat de voorste

43


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

44

tweede luitenant Hawke erop zat. Dan was hij aan de beurt om compagniescommandant te worden, tenzij Hawke die positie wilde. De tweede reden was dat Mellas niet zeker had geweten of het lawaai kwaad kon, en hij was veel banger geweest om stomme vragen te stellen dan om erachter te komen of het inderdaad zo was. Te veel domme opmerkingen en stomme vragen zouden het in dit stadium veel moeilijker voor hem maken om het respect van het peloton te krijgen, en het was een stuk moeilijker om hogerop te komen als de mariniers de pest aan je hadden of vonden dat je incompetent was. Het feit dat Hawke, zijn voorganger, door het peloton bijna werd aanbeden, hielp ook niet echt. Mellas en Hamilton lieten Fisher achter bij de linie van schuttersputten van de tweede sectie en klommen langzaam tegen een helling op die zo steil was dat Mellas nauwelijks zijn knieĂŤn hoefde te buigen om overeind te blijven als hij teruggleed in de modder. Hamilton, die bijna dubbelgebogen liep onder het gewicht van de radio, prikte voortdurend met de antenne in de helling voor hem. De mistflarden om hen heen verhulden hun doel: een provisorische, verzakte schuilplaats die ze hadden gemaakt door hun met rubber geĂŻmpregneerde regencapes aan elkaar vast te maken en ze over een stuk veldtelefoonkabel te hangen die tussen twee struiken was gespannen. Dit afdak vormde samen met twee andere die vlakbij stonden wat met enige ironie de pelotonscommandopost werd genoemd.

Mellas wilde eronder kruipen en de buitenwereld laten ver-

dwijnen, maar hij wist dat dat stom zou zijn en dat elke vorm van rust maar van korte duur zou zijn. Over een paar uur werd het donker en het peloton moest valstriklichtkogels zetten


nva,

zouden proberen te naderen. Daarna moest het peloton in

het terrein voor de schuttersputten landmijnen plaatsen die via een stroomdraad tot ontploffing konden worden gebracht; ze verspreidden ter hoogte van het kruis zevenhonderd stalen kogeltjes in een waaierpatroon. Daarbovenop moesten de onvoltooide prikkeldraadversperringen worden voorzien van boobytraps. Als Mellas zijn gevechtsrantsoen wilde opwarmen, moest hij dat doen zolang het nog licht was, anders zou de vlam een ideaal richtpunt vormen. Daarna moest hij de veertig man van zijn peloton controleren op loopgraafvoet en ervoor zorgen dat iedereen zijn dagelijkse dosis dapson tegen schimmelinfectie en de wekelijkse dosis chloroquine tegen malaria innam.

45

Hamilton en hij bleven vlak voor Bass staan, de pelotons-

sergeant, die in de regen op zijn hurken in een conservenblik koffiezette boven een stuk brandend c-4

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

voor het geval soldaten van het Noord-Vietnamese leger, het

c-4

kneedexplosief. De

siste en produceerde een scherpe geur, maar dat had ie-

dereen liever dan de bijtende stank van de standaarduitrusting trioxaan-tabletten. Bass was eenentwintig en dit was zijn tweede uitzending naar Vietnam. Hij strooide een paar zakjes poederkoffie in het kokende water en tuurde in het blik. De mouwen van zijn gevechtshemd waren netjes tot net onder zijn ellebogen opgerold waardoor zijn grote, gespierde onderarmen zichtbaar waren. Mellas keek naar Bass en zette de m-16 die hij van Bass had geleend tegen een boomstronk. Er was maar weinig overredingskracht van Bass voor nodig geweest om Mellas ervan te overtuigen dat het stom was om te vertrouwen op zijn .45 pistool, het persoonlijk wapen dat het Korps Mariniers afdoende geschikt achtte voor verse officieren. Hij trok de natte patroongordels over zijn hoofd en liet ze op de


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

46

grond vallen: twintig magazijnen, elk gevuld met twee rijen kogels. Daarna schudde hij zijn koppel met koppelpassanten af, samen met het daaraan bevestigde .45 pistool, drie plastic veldflessen, pistoolmunitie, zijn gevechtsmes, noodverbanden, twee m-26 scherfhandgranaten, drie rookgranaten en zijn kompas. Hij haalde diep adem van opluchting en bleef naar de koffie kijken, de geur herinnerde hem aan de altijd pruttelende pot op het fornuis van zijn moeder. Hij had geen zin om de wapens van zijn peloton te inspecteren of dat van hemzelf schoonmaken. Hij had zin in iets warms, en daarna wilde hij gaan liggen en slapen. Maar door de naderende duisternis was daar geen tijd voor.

Hij trok de metalen broekklemmen van zijn enkels. Die

moesten ervoor zorgen dat de pijpen strak tegen de schacht van zijn gevechtslaarzen zaten ter bescherming tegen de bloedzuigers. Toch waren er drie in geslaagd om zijn linkerbeen te bereiken. Twee hadden zich vastgezogen en er zat een veeg gedroogd bloed op de plek waar de derde zich tegoed had gedaan om vervolgens weer los te laten. Mellas vond de bloedzuiger in zijn sok, schudde hem op de grond, ging er met zijn rechtervoet op staan en keek hoe zijn eigen bloed eruit spatte. Hij pakte zijn insectenpoeder en kneep een lading uit over de twee bloedzuigers die nog aan zijn huid vastzaten. Ze kronkelden van pijn en lieten los waarbij ze een wondje achterlieten waar traag bloed uit druppelde.

Bass gaf hem koffie in een conservenblik uit zijn gevechts-

rantsoen waar gemengd fruit in had gezeten en gaf toen ook een blik aan Hamilton, die zijn radio voor de schuilplaats van hem en Mellas had neergezet en erop was gaan zitten. Hamilton pakte het blik aan, hief het proostend naar Bass op en sloot zijn vingers eromheen om ze te warmen.


‘Bedankt, sergeant Bass,’ zei Mellas, erop lettend dat hij

de aanspreektitel gebruikte die Bass had verdiend, in de wetenschap dat de goodwill van Bass van cruciaal belang was. Hij ging op een vochtige, rottende boomstam zitten. Bass beschreef wat er was gebeurd terwijl Mellas op patrouille was. De toegevoegd vluchtleider van de compagnie was er nog steeds niet in geslaagd om de bevoorradingshelikopter door het wolkendek te loodsen, dus zaten ze nu al vier dagen zonder herbevoorrading. Er was nog steeds geen definitief rapport over het vuurgevecht van een dag eerder tussen de Alfa Compagnie en een

nva-eenheid

van onbekende omvang in de vallei onder

hen, maar het gerucht dat er vier mariniers waren gesneuveld, was nu bevestigd.

Mellas klemde zijn lippen en kaken op elkaar om zijn angst

te onderdrukken. Hij keek onwillekeurig omlaag naar de in wolken gehulde hellingen die zich onder hen uitstrekten tot in Noord-Vietnam, slechts vier kilometer verderop. Daar onder hen bevonden zich de vier dode jongens. Ergens in die grijsgroene massa had de Alfa Compagnie in de nesten gezeten. En nu was de Bravo Compagnie aan de beurt.

Dat betekende dat hij aan de beurt was, een mogelijkheid

die toen hij zich direct na de middelbare school bij de mariniers had aangemeld, maar heel even bij hem was opgekomen. Hij had zich ingeschreven voor een speciale officiersopleiding waarbij hij studeerde en ’s zomers trainde zodat hij in elk geval een inkomen had, en hij had zich voorgesteld dat hij bewonderaars en misschien op zekere dag zelfs kiezers zou vertellen dat hij bij de mariniers had gezeten. Hij had er nooit echt bij stilgestaan dat hij een oorlog moest uitvechten waar geen van zijn vrienden het nut van inzag. Toen de mariniers tijdens zijn eerste jaar in Da Nang landden, moest hij de kaart

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

47


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

48

erbij nemen om te kijken waar het lag. Hij had bij de luchtmachtafdeling willen gaan om vluchtleider te worden, maar elk administratief keerpunt, zijn cijfers bij zijn studie en zijn basisopleiding en het gebrek aan infanterieofficieren hadden hem onverbiddelijk de kant op gestuurd waar hij zich nu bevond, hij was een echte officier bij het Korps Mariniers, aan het hoofd van een echt infanteriepeloton en hij deed het bijna in zijn broek van angst. Hij bedacht dat door zijn verlangen om met een indrukwekkend oorlogsverleden thuis te komen hij misschien nooit meer thuis zou komen.

Hij probeerde de angst te verdringen die hem vervulde als

hij eraan dacht dat hij zou kunnen sterven. Maar nu had de angst hem weer aan het piekeren gezet. Als hij Hawke’s positie als eerste officier kon overnemen, zou hij veilig binnen de afzetting kunnen blijven. Dan hoefde hij niet meer op patrouille, hij zou administratief werk doen en als volgende aan de beurt zijn voor de functie van compagniescommandant. Als hij de functie van Hawke wilde krijgen, zou luitenant Fitch, de huidige compagniescommandant, naar de

vs

moeten te-

ruggaan zodat Hawke zijn plaats kon innemen. Dat was zelfs vrij waarschijnlijk. Iedereen was weg van Hawke, van hoog tot laag in de commandostructuur. Maar voor Fitch zou het een nieuwe functie zijn. Dat betekende dat Mellas lang moest wachten, tenzij Fitch natuurlijk gewond zou raken of gedood zou worden. Mellas voelde zich vreselijk toen die gedachte door zijn hoofd ging. Hij wilde niet dat iemand iets ergs overkwam. Hij probeerde het uit zijn hoofd te zetten, maar het lukte niet. Het drong tot hem door dat hij moest wachten tot Hawke naar de

vs

verkaste, tenzij Hawke iets overkwam. Mel-

las was verbaasd en beschaamd. Hij besefte dat een deel van hem er alles voor over zou hebben om hogerop te komen of


‘Hoe vordert het met de versperring?’ vroeg Mellas. Het

trekken van prikkeldraad voor de mangaten interesseerde hem niet echt, maar hij wist dat hij belangstelling moest tonen.

‘Niet slecht, luitenant,’ zei Bass. ‘Het derde is er de hele dag

mee bezig geweest. We zijn bijna klaar.’

Mellas aarzelde. Toen richtte hij zich op het probleem dat

hij die ochtend had vermeden door op patrouille te gaan. ‘Is die gozer van het derde nog bij je geweest vanwege het feit dat hij naar achteren wil?’ Het lukte hem nog steeds niet om iedereens naam te onthouden.

‘Hij heet Mallory,’ snoof Bass. ‘De laffe drukker.’

‘Hij zegt dat hij steeds hoofdpijn heeft.’

‘En ik heb pijn in mijn reet. Er zitten tweehonderd goeie

mariniers op deze heuvel die naar achteren willen, betere kerels dan deze klootzak. Hij heeft al hoofdpijn sinds hij naar de rimboe moest. En kom niet aanzetten met dat gelul dat we een zwarte niet mogen afvallen, want er zitten hier een hele hoop goeie bleekscheten die geen last van hoofdpijn hebben. Hij is een flapdrol.’ Bass nam een grote slok en zijn adem was zichtbaar in de koele, vochtige lucht. ‘En eh,’ voegde hij er met een glimlachje aan toe: ‘Doc Frederickson heeft hem bij zich geroepen. Hij heeft gewacht tot u terug was.’

Mellas voelde de zoete, hete koffie door zijn keel naar zijn

maag stromen. Hij bewoog zijn tenen, gerimpeld van het vocht, op en neer om niet weg te doezelen. De warme koffie in het blik voelde prettig tegen zijn handen, waarop zich pus begon te vormen, de eerste symptomen van schimmelinfectie. ‘Shit,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder. Hij drukte het blik tegen zijn nek op de plek waar de munitiegordel de huid kapot had geschuurd.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

zijn eigen huid te redden. Hij verdrong die gedachte.

49


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

50

‘Drink op, luitenant,’ zei Bass. ‘Ik heb hem niet gezet om

tegenaan te rijen.’ Bass pakte zijn zakmes en begon weer een ingewikkelde inkeping op zijn stok te snijden. Mellas bezag het met jaloezie. Hij had zelf nog driehonderdnegentig dagen te gaan.

‘Moet ik het echt nu afhandelen?’ vroeg Mellas. Hij had met-

een spijt van de vraag. Hij wist dat hij als een zeur klonk.

‘U bent de luitenant, luit.’ Zulke dingen hoorden er nu een-

maal bij als je hoger in rang was.

Mellas probeerde net een gevat antwoord te bedenken toen

er bij de tweede sectie een kreet klonk. ‘Jezus! Haal de hospik! Haal Doc Fredrickson!’ Bass gooide meteen zijn stok weg en rende naar de plek waarvandaan geroepen werd. Mellas bleef zitten, hij was zo uitgeput dat hij zichzelf er niet toe kon zetten om in beweging te komen. Hij keek naar Hamilton die zijn schouders ophaalde en daarna een slok koffie nam. Hij keek hoe Jacobs, de sectieleider van het tweede met de stotterstem, de heuvel op rende en in de schuilplaats van Fredrickson verdween. Mellas zuchtte en begon zijn bebloede sokken en natte laarzen weer aan te trekken, terwijl Jacobs en Fredrickson, de hospik van de eenheid, de helling weer af glibberden. Een paar minuten later kwam Bass langzaam en stoïcijns de heuvel weer op lopen.

‘Wat is er aan de hand, sergeant Bass?’ vroeg Mellas.

‘U kunt maar beter even gaan kijken, luitenant. Zoiets el-

lendigs heb ik nog nooit gezien. Fisher heeft een bloedzuiger die in het pisgaatje van zijn pik is gekropen.’

‘Godsamme,’ zei Hamilton. Hij keek naar de wolken en

daarna weer naar de dampende mok in zijn handen. Hij hief de mok op. ‘Een toost op die klerebloedzuigers.’


Mellas voelde walging, maar ook opluchting. Niemand kon

hem voor zoiets verantwoordelijk houden. Zonder zijn veters vast te maken liep hij de heuvel af naar de plek waar het tweede zich bevond, uitglijdend in de modder, piekerend hoe hij een sectieleider als Fisher moest vervangen terwijl hij nauwelijks iemand in het peloton kende.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

51


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

52

Karl Marlantes, Matterhorn Th ematiek Intens, krachtig en meeslepend, Matterhorn is een uitzonderlijke oorlogsroman in de traditie van Norman Mailer, James Jones en Catch-22 van Joseph Heller. Het is het tijdloze verhaal van een jonge luitenant in het Amerikaanse leger, Waino Mellas, en zijn maten in Bravo Company. De eenheid wordt op een berg in de woeste jungle van Vietnam gedropt, en de jonge soldaten zullen al vechtend zo snel mogelijk volwassen moeten worden. Jeugd en opgroeien, en het verlies van onschuld, zijn dan ook belangrijke thema’s in Matterhorn. De dagelijkse realiteit voor de mannen in Bravo Company is niet alleen het afslaan van aanvallen van de Noord Vietnamese  vijand, maar ook de nimmer aflatende moessonregens, de modder, bloedzuigers en tijgers, en de ziekte en ondervoeding. Misschien nog wel zwaarder is de onderlinge strijd binnen het Amerikaanse leger: rassenstrijd, misplaatste en meedogenloze ambitie en onbetrouwbare en incompetente hogere officieren.  Daarbij komen ook thema’s als vriendschap en ambitie aan bod. Mellas is de wat onwillige hoofdpersoon. Hij is eigenwijs, vernuftig en politiek gehaaid, maar misschien niet de natuurlijkste ‘vechter’ van zijn eenheid. Toch moet hij de verantwoordelijkheid op zich nemen als Bravo Company op een willekeurige berg (met de codenaam Matterhorn)


zwaar bewapende Noord Vietnamese leger. De lange veldslag die volgt vormt de structuur van dit boek, en wordt door de auteur gebruikt om op een realistische manier de verschrikkingen, maar ook de heldhaftige tragiek van de oorlog te beschrijven. Marlantes schrijft met overgave en kennis over het dagelijkse leven op Matterhorn en de band tussen de soldaten. De verschillen tussen de mannen worden genadeloos blootgelegd. Vooral de spanningen op het gebied van rang, ras en cultuur zijn vaak net zo rauw en brutaal als de magnifieke vechtscènes. Levensgevaarlijke verschillen worden onthuld tijdens de slapstickachtige en oersaaie pauzes in het oorlogsgeweld. Door een onderscheid te maken tussen de interne strijd binnen Bravo Company en de externe strijd met de Vietnamese vijand weet de auteur het verhaal zeer levendig te houden. De realistische personages en authentieke en opwindend veldslagen bieden een geweldig spannende leeservaring. Matterhorn is in veel opzichten een unieke debuutroman. De auteur Karl Marlantes is zelf een meermaals onderscheiden Vietnam veteraan en zijn ervaringen heeft hij uitzonderlijk mooi op papier gezet. Deze roman is een allegorie van niet alleen de oorlog in Vietnam, maar van alle oorlogen, en van de helende kracht van de literatuur. Oorlog is dus niet alleen het onderwerp, maar ook een op zichzelf staande thema.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

wordt gestationeerd, en al snel omsingeld wordt door het

53


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

Gespreksvragen 1 Vindt u Simpson een sympathiek personage? Gelooft u

dat hij moedwillig soldaten in gevaar bracht voor zijn eigen carrière?

2 Hawke verlaat zijn post zonder toestemming, om terug

te keren naar zijn eenheid die omsingeld is door de NVA. Waarom zou hij dit doen?

3 Wat bezielde Vancouver om elke keer voorop te lopen,

ondanks dat hij het angstaanjagend vond? Waarom

werd hij beschouwd als de ziel van de eenheid?

54

4 Waarom was het zo belangrijk voor Mellas om het

zwaard van Vancouver te redden?

5 Wat is er zo belangrijk aan de beker van Hawke? Zijn

er overeenkomsten met het zwaard van Vancouver, en

waarom zijn beide van belang voor Mellas? 6 Een van de meest cruciale scenes in het boek betreft de

dood van Pollini. Bespreek deze scene, en de verwarring

en schuldgevoelens die Mellas ervaart als hij met Pollini de heuvel afrolt en hoopt dat juist Pollini door de kogels zal worden geraakt.


medaille. Is zijn mening in de loop van het verhaal

aan het veranderen? 8 De jeugd van de soldaten wordt vaak benadrukt. Heeft

de leeftijd van de personages u verrast tijdens het lezen? Nu u weet hoe jong de soldaten waren tijdens de

Vietnam oorlog, is uw oordeel over soldaten en oorlog veranderd? 9 Wat was voor u het meest emotionele moment tijdens

het lezen? Waarom werd u zo diep geraakt?

10 ‘Dulce et decorum est pro patria mori’ – Hoe zacht en eervol

is het te sterven voor het vaderland. Wat denkt u dat Mel-

las zou denken over deze oude gezegde? Wat is uw eigen standpunt? En is dat  hetzelfde na het lezen van dit boek? Vragen door Ed Conklin – Grove Atlantic

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

7 Wat denkt u van de waarde die Mellas hecht aan een

55


56 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Nestvlieders Nestvlieders bevat vier verhalen waarin alles net anders is dan het in eerste instantie lijkt. Een saaie medebewoner van een modern appartementencomplex leidt een fascinerend dubbelleven. De reis die Balthasar Tak onderneemt verandert gaandeweg in een hellevaart. Het perfecte leven van Prince, ex-kampioen kogelstoten, blijkt op weinig gebaseerd te zijn. En in het slotverhaal keert een zoon voor het eerst terug naar zijn ouderlijk huis nadat zijn kat is overleden. Met zijn geheel eigen toon en subtiele humor beschrijft Merijn de Boer deze nestvlieders, die ieder op hun eigen manier de vervreemding van zichzelf en de maatschappij proberen te ontlopen. Merijn de Boer (1982) studeerde in Amsterdam, Brussel en Parijs. Hij is redacteur van uitgeverij G.A. van Oorschot en Tirade. Hij publiceerde eerder verhalen in De Gids en artikelen in onder meer De Parelduiker en Spiegel der Letteren. ‘Een genot om te lezen.’ de Volkskrant ‘Een mooi verhaal. Ik kijk uit naar de bundel.’ Wim Brands ‘Ik ben een fan van zijn verhalen. Hij heeft een heel prettige, lichte verteltrant. Ik heb er hard om gelachen.’ daphne de Heer, De Avonden

paperback: ca. 192 blz. | prijs: ca. € 17,95 | isbn 9789029087896

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

MERIJN DE BOER

57


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

58

Merijn de Boer

Nestvlieders Hij moet overstappen op vier verschillende vliegvelden die allemaal meer dan duizend kilometer van elkaar verwijderd zijn. Hij had er een waarschuwing in moeten zien: als een land zó moeilijk te bereiken is, alleen via andere landen waar ook bijna niemand komt, dan is er iets met dat gebied aan de hand. Maar in al zijn overmoed heeft hij er een verklaring voor gevonden. Het komt, houdt hij zich voor, omdat ik uit het noorden kom en weinig mensen vandaar naar het zuiden hoeven. Als ik uit het oosten kwam of uit het westen, dan was het heel anders geweest. Maar dat is niet waar, want het land is zo mogelijk nog lastiger te bereiken vanuit het oosten of westen dan vanuit het noorden. Alleen andersom gaat het makkelijker en sneller. Vanwege een onduidelijke reden kun je er zo weg als het je niet bevalt. De avond voordat hij vertrekt, een zomeravond aan het einde van augustus, zit hij met zijn studievrienden op een terras. Hun stoelen staan langs het water van een kanaal. Ze wiebelen omdat sommige tegels loszitten. Bovendien loopt er een kleine helling van de brug naar beneden, waardoor ze hun glazen moeten vasthouden. Laat iemand zijn glas los, dan schuift het over de tafel schuin naar beneden – een onherroepelijke neergang die wel moet eindigen in scherven. Uit behaaglijke verveling testen ze zo nu en dan hun reactievermogen: ze zetten hun glas op de ronde spiegel waarin je de lucht kan zien, wachten tot het glas begint aan zijn afdaling en grijpen het dan weer, vlak voordat het klotsend tegen de smalle rand aan stoot. Die rand is hooguit een gemakkelijk te passeren bobbel op een piste en niet hoog


maken aan de val van het glas. Zelf zit hij op de stoel die met zijn achterpoten leunt tegen een ijzeren balustrade die enkele centimeters boven de stenen hangt. Er wordt bijna niet gesproken over zijn reis. Als vrienden erover beginnen, antwoordt hij dat hij het wel zal zien. Ondertussen worden er wel veel herinneringen opgehaald, want het maakt niet uit of je nu voor een jaar weggaat of voor een weekend. Altijd is er de kans dat je elkaar niet meer terugziet. Op de brug neemt hij afscheid van drie van zijn vrienden. Hun fietsen grijpen in elkaar terwijl ze naar elkaar overbuigen. Een van hen geeft hij twee zoenen en omklemt hij stevig; naar een ander houdt hij energiek zijn arm omhoog, waarna hij met zijn vlakke hand tegen de zijne slaat, zo hard dat er op het terras wordt omgekeken naar waar het geluid vandaan komt. En de derde, die met zijn dij op de stang van zijn fiets leunt en een stukje verder weg staat, geeft hij alleen maar een hand. Slechts in schijn is dat een gebaar dat van minder betekenis is. Samen met de vriend die vlak bij hem woont, fietst hij vervolgens zorgeloos slingerend door het park. Ze grijpen elkaars hand. Zonder elkaar aan te kijken laten ze de han den los waarmee ze hun stuur vasthielden. Op die manier – de spieren in hun armen gespannen en erop vertrouwend dat ze elkaar niet los zullen laten – rijden ze verder. Meer nog dan om elkaar is het ze om de blikken van de voorbijgangers te doen. Zolang iets niet gezien wordt, bestaat het tenslotte niet. Ondanks de vrolijkheid van die avond is hij van zijn stuk gebracht wanneer hij thuiskomt. Toen hij even daarvoor over het verder verlaten marktplein fietste, zag hij rond een boom een groepje mannen staan. Ze bogen zich in een kring over een uit-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

genoeg om, zonder dat ze hoeven in te grijpen, een einde te

59


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

60

puilende doos boeken, trokken er af en toe een tussenuit en gooiden dat vervolgens over hun schouder op de grond, waar het fladderend neerkwam. Hij vertraagde zijn snelheid en keek met uitgestrekte kin, staand op zijn trappers, of hij er in de gauwigheid iets interessants tussen zag liggen; een mooi boek voor op reis. Maar zijn luiheid werd niet beloond. Alweer sneller fietsend, kreeg een van de mannen hem in het oog. ‘Hee meneer…’ begon hij. Balthasar reed snel door. Aan het einde van het plein draaide hij zich nog even om en zag hoe de man met een boek in de lucht zijn aandacht probeerde te trekken. ‘Meneer!’ riep hij nog eens. Hij voelt zich nog helemaal geen meneer. Het incident alweer snel vergetend, fietste hij verder. Op een hoek van een straat stonden een man en een vrouw die hem iets achterna riepen. Geen realistische gedachte natuurlijk, gewoon mensen die hem de weg wilden vragen, maar Balthasar had het gevoel dat ze hem ergens voor waarschuwden. Op zijn hoede trapte hij door, er bij iedere kruising op rekenend dat hem voetbalsupporters tegemoet zouden rennen, of een losgeslagen kudde paarden. Voor een stoplicht, drie straten verder, hield hij noodgedwongen stil. Van een terras aan de overkant van de straat waaiden hem cafégeluiden toe. Weer gebeurde het: iemand stond plotseling op en probeerde zijn aandacht te trekken, terwijl hij zeker wist dat hij diegene niet kende. De rest van het terras bleef zitten. Toen de man naar hem begon te schreeuwen, draaide iedereen zich in zijn richting – zodat hij gevolgd door tientallen ogen het kruispunt overstak. Hij voelt ze nog steeds in zijn rug prikken terwijl hij de trap naar zijn huis oploopt. Pijnlijk steken ze in het vel vlak onder zijn schouderbladen. Uren later, wanneer hij in de vertrekhal van een vliegveld zit, ver weg van huis en het caféterras, zal


wanneer je in een stilstaand watertje gaat zwemmen, onder je huid kruipen. Vlak nadat hij thuis is gekomen, stapt hij in het bad en besproeit zichzelf zittend met de douchekop boven zijn hoofd. Zeep komt er niet aan te pas. Het warme water ontspant hem maar nauwelijks en de blikken glijden niet van hem af. Hij vraagt zich af of hij zijn tas die avond al zal pakken of de volgende ochtend. Nog nooit heeft hij zijn tas eerder dan op het laatste moment gepakt, dus dat zal hij ook dit keer niet doen. Waarom afstand doen van waardevolle gewoonten? In zijn kamer staat op de tafel een bos bloemen die hij voor zijn verjaardag heeft gekregen, vier weken eerder. Ieder ander had ze allang weggegooid: op het hout van de tafel, waarvan de gaten en kieren zijn gevuld met gestold kaarsvet, liggen zowel de kroon- als de kelkbladeren. Alleen de uitgedroogde stampers prijken nog op de stelen, die beschimmeld in het bruine water drijven. Door de ramen kijkt hij in het donker. Nu is het niet te zien, maar overdag, als zonlicht zich in de kamer stort, dan zie je hoe vies die ramen zijn. Al jaren woont hij in dit huis en hij heeft ze nog nooit gelapt. Het is alsof hij al die tijd met ongepoetste brillenglazen op zijn neus de wereld in kijkt. Toch is zijn huis op het eerste gezicht niet vies. Hij stofzuigt zo nu en dan en hij doet de afwas iedere avond. Bovendien zorgt hij dat hij geen rommel maakt. Kranten vouwt hij op en legt hij op een nette stapel; kleren bewaart hij in de kast en laat hij niet rondslingeren. Maar als je langer dan tien minuten in zijn appartement verblijft, dan valt je plotseling het stof op, dat op alle mogelijke plekken tevoorschijn sluipt. Zit je in een stoel, dan zie je op de vloer waar je voeten staan nog geen kruimel. Maar draai je je om en kijk je wat er achter de stoel ligt,

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

hij ze nog steeds voelen. Ze zijn zoals sommige insecten die,

61


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

62

dan schrik je. Het stof omsingelt je van die kant. Sta je op en keer je het kussen om, dan moet je bijna kokhalzen van wat je ziet: etensresten, muizenkeutels, lange haren die zich om een muntje hebben gewikkeld. Er zijn mensen die in zo’n huis niet zouden kunnen leven. Balthasar kan het zich niet voorstellen. Had hij gewÊten van de haren onder het kussen, dan had hij ze weggehaald. Als hem was opgevallen dat de ramen vies waren, dan had hij ze schoongemaakt. En wist hij van al dat stof dat aan het onoplettende oog voorbijging, dan had hij het opgezogen en dan was hij daarna op die plekken gaan dweilen. Het enige wat daarvoor nodig zou zijn, is dat iemand hem op die dingen wijst. En dat is nog niet gebeurd. Nadat hij onzorgvuldig zijn tanden heeft gepoetst met een borstel die eruitziet als een bamboestruik waarop een panda is gaan zitten, stapt hij in zijn bed als in een envelop. Als hij eenmaal ligt, vouwt hij die dicht boven zijn hoofd en is hij klaar om verzonden te worden naar het district van de slaap. Maar hij heeft niet genoeg gedronken om geen last te hebben van de kriebel. Jaren eerder was hij eens op een goedkope vakantie naar Oost-Europa. In Brno, een stad die hem zich deed afvragen waarom hij niet naar Frankrijk was gegaan, huurde hij samen met zijn vakantievriend het goedkoopste appartement dat ze konden vinden. Ze waren bevangen door die merkwaardige lust om zelfs op de goedkoopste plekken nog de goedkoopste mogelijkheden te benutten. Op het station kwam een slecht Engels sprekende Tsjech naar ze toe. Voor niet meer dan drie euro klommen ze even later een krakkemikkige ladder op die hen bracht naar een ongeventileerde zolder waar je niet kon staan. De eerste nacht dat ze er sliepen, waren ze zo dronken dat ze onmiddellijk in slaap vielen. Ze bleken allebei over insecten


in, met als gevolg dat hij urenlang niet kon slapen. Voortdurend had hij het idee dat er legers beesten over zijn slaapzak marcheerden, waarvan sommige besloten de holen van zijn lichaam op te zoeken, te weten zijn neusgaten, zijn oren en zijn mond. Toen hij eenmaal met zekerheid had vastgesteld dat zijn vriend ook niet kon slapen, knipte hij het lampje naast zich aan. Op nog geen anderhalve meter boven hun hoofd, tegen het plafond waarvan ze wisten dat het wit was, krioelde een zwarte deken van dieren die blijkbaar als het donker was pas tevoorschijn kwamen. Ze schrokken zo verschrikkelijk dat ze onmiddellijk het luik opentrokken en met al hun spullen weer de straat opgingen, die sombere Tsjechische stad in waar het overal donker was. De verhuurder vervloekten ze. Nauwelijks sprak het in zijn voordeel dat er in de hoek van de zolder een spuitbus stond met daarin een chemisch bestrijdingsmiddel. Ze zagen het pas tijdens hun wanhopige ontsnapping. Aan deze nacht denkt hij terwijl hij de slaap niet kan vatten. Omdat hij hooguit twee keer per jaar zijn lakens wast, leven er naast hemzelf waarschijnlijk zo’n vier miljoenstofmijten onder het katoen. Nog afgezien van de wandluizen en de beesten die hij wÊl kan zien: er vliegen behalve muggen en vliegen ook motten door zijn kamer en dieren die niet door hem te identificeren zijn. Want van dat soort zaken heeft hij geen verstand. De dieren zijn er overigens wel de reden voor dat hij zijn gezicht verbergt onder het laken. Hij probeert hartgrondig te denken dat hij er alleen ligt. Wat van een afstandje ook het geval lijkt te zijn. Gelukkig voor hem rolt hij enkele uren voor hij moet opstaan de slaap in. De droom die hem bevangt, is niet zozeer een droom als wel een herinnering. Hij is een jaar of vier. Enkele

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

te hebben gedroomd. De dag erna bukten ze nuchter het bed

63


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

64

uitdagingen van het leven heeft hij reeds onder de knie en sommige vaardigheden beheerst hij. Een boot besturen hoort daar niet bij. Van zijn ouders krijgt hij een rubberen kano cadeau. Tussen de knieĂŤn van zijn broer gaat het peddelen nog wel. Maar wanneer hij op een dag alleen in de kano zit en voor hij er erg in heeft wegdrijft van het strandje waar zijn moeder ligt te slapen, raakt hij in blinde paniek. Een stukje verderop steken er drie hengels uit het riet. Hij drijft recht op ze af maar zou niet weten hoe hij de boot een andere kant op moet sturen. In zijn droom duurt dit drijven naar de hengels een eeuwigheid. Wanneer de vissers hem opmerken, beginnen ze in een vreemde taal op hem te schelden. Hij raakt verstrikt in de vislijnen en drukt zijn neus in het rubber, terwijl zijn tranen door de boot lopen. Deze herinnering (of droom) overvalt hem regelmatig. In een andere, verwante droom zit hij achter het stuur van een auto die zijn eigen gang gaat. Een rijbewijs heeft hij niet en zal hij waarschijnlijk wel nooit bezitten. De auto ramt alles wat langs de weg staat: vuilnisbakken natuurlijk, maar ook mensen, honden en lantaarnpalen. Uiteindelijk belandt hij met de auto in een ravijn. Dik zijn zijn ogen wanneer hij opstaat. Het is net alsof een mug hem op zijn oogleden heeft geprikt. Hij teistert zichzelf met een radiozender die alleen maar liedjes van eigen bodem door zijn kamer strooit. Het is voor hem de enige manier om uit bed te komen. De radiowekker staat op de tafel aan de andere kant van de kamer. Ooit overwoog hij een lange stok binnen handbereik te leggen, waarmee hij vanuit zijn bed voorzichtig op de uit-knop zou kunnen drukken of anders het ding met een agressieve slag op de grond kon smijten. Opnieuw in het bad wast hij zich en daarna eet hij een oude


inpakken van zijn tas heeft hij een half uur. Hij trekt hem van onder het bed vandaan en constateert dat er dikke watten stof aan vastzitten. Met zijn armen buiten het open raam slaat hij de tas door de lucht, waardoor de bolletjes stof als de veren van een vogel naar beneden dwarrelen. Sommige landen op de viooltjes van zijn onderburen, andere leggen de hele afstand tot de straat af. Met de rits open legt hij de tas in de kamer. Eerst gooit hij er een paar sokken en zijn slaapzak in. Daarna een grijze handdoek die ooit wit geweest moet zijn, een broek, een zonnebril, onderbroeken, een paar t-shirts en nog enkele hoofdzakelijk overbodige dingen. Geen moment twijfelt hij eraan dat hij iets vergeet. Maar hij kan niet verzinnen wat hij nog meer nodig kan hebben. Een paar jaar eerder heeft hij de tas gekregen toen hij een levensverzekering afsloot. Die verzekering interesseerde hem niet; hij wilde de tas. Sterker nog: hij wist en weet nog steeds niet eens wat dat is, een levensverzekering. Maar én verzekerd zijn én een tas krijgen, zoiets weiger je niet voor drie euro per maand – vond hij. Dat de tas nog maandelijks duurder wordt, realiseert hij zich niet. Ondertussen zit er onder een van de hengsels een gat ter grootte van zijn hand. Om te zorgen dat zijn spullen niet verdwijnen op een bagageband, haalt hij ze er weer uit, stopt ze in een grote vuilniszak die hij vervolgens weer in de tas propt. Even overweegt hij alleen de vuilniszak mee te nemen maar gelukkig weet hij zichzelf daarvan te weerhouden. Vlak voordat hij de rits dichttrekt, vliegt er, zonder dat hij het ziet, een mot naar binnen die op een van zijn kledingstukken gaat zitten. Hij zwaait de tas op zijn rug en loopt de deur uit. Hij heeft geen enkele verwachting van zijn reis.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

boterham met de laatste restjes uit een pindakaaspot. Voor het

65


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

66

Merijn de Boer Nestvlieders Thematiek Nestvlieders van Merijn de Boer bevat twee korte en twee lange verhalen. Veel van de personages die erin voorkomen, worden geplaagd door gevoelens van eenzaamheid. Bijna allemaal zitten ze in een sleur en proberen ze daar uit te komen. Ze zwelgen in hun eigen vervreemding en proberen zichzelf buiten de verantwoorde maatschappij te zien of te plaatsen. Eenzaamheid en vervreemding zijn dan ook belangrijke terugkerende thema’s in de verhalen. In ‘Overal leegte’ probeert een bewoner van een bijzonder vormgegeven appartementencomplex zijn eenzaamheid op te lossen door een andere bewoner te volgen, een man die op zijn beurt ook een eenzaam bestaan probeert te verdringen met bizarre nachtelijke escapades. In ‘Balthasar Tak’ zoekt het gelijknamige personage, een man die wordt vergeleken met een wandelende tak, een manier om uit zijn problemen te komen. Vanaf het begin van het verhaal is voelbaar dat hem dat niet zal lukken, een gevoel dat zijn vervreemding van zijn omgeving versterkt. Ex-wereldkampioen kogelstoten Prince uit ‘Luchtkasteel’ heeft voor zichzelf in Parijs zijn eigen luchtkasteel gebouwd, waar hij zelf meer in gelooft dan hij besefte. Zo komt hij ook nog verder van de realiteit te staan. In het slotverhaal ‘Kraaien in de schoorsteen’ leeft een man eveneens in ontkenning van de realiteit: hij bezoekt zijn moeder maar die blijkt slechts in zijn verbeelding nog te leven.


de personages niet zo veel bijzonders aan de hand is. Pas gedurende de vertelling blijken ze van hun omgeving en de rest van de maatschappij wat te zijn onthecht. Nestvlieders zijn zoekende, vluchtende en/of ontwortelde personages. Het zijn geen alledaagse personages, maar bijvoorbeeld een kogelstoter, een clown, een vleesvernietiger en een jongen die in erg slechte conditie verkeert, zowel lichamelijk als geestelijk. Allen kijken zij vanaf een afstand naar de rest van de maatschappij. De maatschappij wordt daarmee ook een belangrijk thema, en de plaats die we daarin wel of niet veroveren of innemen. Tijd en plaats zijn in de verhalen net zo krachtig en belangrijk als de personages. De omgeving staat steeds niet los van het verhaal maar speelt juist een bepalende rol erin, en ook een bepalende rol in het lot van de hoofdpersonen. De omgeving is een deel van het verhaal. Amsterdam, Parijs, een onbenoemd dorp en een onbepaald continent rond de equator. In een metropool kun je veel vrienden hebben, maar ook een desolaat bestaan leiden. Parijs, stad van de liefde en van flamboyante bewoners, is niet voor iedereen een romantische plek. Zo is het continent rond de evenaar bijvoorbeeld gekozen vanwege de (aanwezige) broeierigheid, die nodig is om het verhaal te dragen. En in een dorp is de veronderstelling dat sociale controle altijd een grote rol speelt belangrijk voor de lezer, al blijkt later het tegenovergestelde net zo vaak het geval.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

In eerste instantie lijkt het in deze verhalen alsof er met

67


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

68

G es prek s v rage n 1 Waarom zou er gekozen zijn voor de opzet van de verha-

lenbundel – twee korte en twee lange verhalen?

  2 Waarom zou er verschil zijn in de vertellers van de ver-

halen?

   

3 Wie is eigenlijk de hoofdpersoon in ‘Overal leegte’? 4 Is er een gebouw bekend met eenzelfde opzet als be-

schreven in ‘Overal leegte’ en waarom zou deze opzet

zijn gekozen?   5 Zijn de verhalen ‘Balthaser Tak’ en ‘De gedaanteverwis-

seling’ van Franz Kafka met elkaar te vergelijken? En

waarom wel, of niet?


6 Wat zou de betekenis kunnen zijn van de scarabee in

het verhaal over Balthasar Tak? En de sprinkhanen-

plagen? 7 Hoe is de titel van ‘Luchtkasteel’ te interpreteren? 8 Voor welk personage in ‘Luchtkasteel’ bestaat de meeste

sympathie? En waarom?

  9 Is er een scheidslijn aan te brengen wat wel en wat niet

is gebeurd in ‘Kraaien in de schoorsteen’?

  10 Welk verhaal intrigeerde het meest en waarom? Wat

maakte daarin de meeste indruk?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

 

69


70 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

al 30.00 0 exempla ren verkoch t


HhhH Nazikopstuk Reinhard Heydrich, alias ‘het blonde beest’, is een van de wreedste nazi’s die het Derde Rijk kende. In mei 1942 wordt hij getroffen door een granaat, gegooid door een Tsjechische parachutist. De gevolgen zijn verschrikkelijk: als represaille wordt het Tsjechische dorp Lidice meedogenloos met de grond gelijkgemaakt. De gebeurtenissen in deze roman zijn geen fictie en de auteur neemt daarom zijn eigen schrijverschap tijdens zijn vertelling scherp onder de loep. Laurent Binet (Parijs, 1972) studeerde aan de Sorbonne en aan de universiteit van Kent. Zijn militaire dienst bracht hij door in Slowakije en hij woonde enige tijd in Praag. Hij is docent Frans aan de universiteit in Seine-Saint-Denis. HhhH is zijn debuutroman en winnaar van de Prix Goncourt du premier roman 2010. ‘Het debuut van Laurent Binet (1972) is niet gewoon bijzonder. Het is subliem.’ De ‘Eng goed.’ De

Vo lkskra nt

G ro e n e A ms terdammer

‘Binet schrijft alsof hij als vriend onbevangen tegen je praat.’ Vrij Ne d erlan d

Oorspronkelijke titel: HHhH | Vertaling: Liesbeth van Nes Paperback: 352 BLZ. | Prijs: €19,95 | ISBN: 9789029086851

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

L aure nt Bi net

71


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

72

L aure nt B i net

HhhH 1 Gab ik is zijn naam en hij is een personage dat echt heeft bestaan. Heeft hij in zijn eentje achter de gesloten blinden van een in duisternis gehulde flat op het smalle ijzeren bed liggen luisteren, en buiten het zo herkenbare knarsen van de Praagse trams gehoord? Ik wil het geloven. Omdat ik Praag goed ken, kan ik bedenken welk nummer de tram heeft (maar dat is misschien veranderd), welke route hij rijdt en waar Gabčik achter de gesloten blinden ligt te wachten, te denken en te luisteren. We zijn in Praag op de hoek van de Vyšehradska en de Trojička. Tram 18 of 22 staat stil bij de Botanische Tuin. En het is 1942. In Het boek van de lach en de vergetelheid laat Kundera merken dat hij zich een beetje schaamt omdat hij zijn personages een naam moet geven, en ook al is er van die schaamte nauwelijks iets terug te vinden in zijn romans die overborrelen van de Tomassen, Tamina’s en Tereza’s, het is toch wel een beetje terecht, want wat is er nu banaler dan een verzonnen personage (in een kinderlijke poging realistisch te schrijven, of in het beste geval gewoon voor het gemak) een volkomen willekeurig verzonnen naam te geven? Kundera had wat mij betreft nog iets verder mogen gaan, want wat is er eigenlijk banaler dan een verzonnen personage? Gabčik heeft dus echt bestaan, en Gabčik was wel degelijk de naam waar hij naar luisterde (zij het niet altijd). Zijn geschiedenis is even waar als uitzonderlijk. In mijn ogen tekenen hij en zijn kameraden voor een van de grootste verzetsdaden uit de geschiedenis van de mensheid en ontegenzeggelijk het belangrijkste wapenfeit van verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al lange tijd wilde ik hem hulde brengen. Al lange tijd zie ik hem voor me in


staat en waar hij ligt te luisteren naar het knersen van de tram die bij de Botanische Tuin stopt (in welke richting hij gaat weet ik niet). Maar als ik dat beeld op papier zet, wat ik nu ongemerkt aan het doen ben, weet ik niet zeker of ik hem daarmee hulde breng. Ik verlaag die man tot de rang van een gewoon personage en zijn daden tot literatuur, het is alchemie en onterend, maar wat kan ik eraan doen? Ik wil dat beeld niet mijn hele leven met me meeslepen zonder althans geprobeerd te hebben het weer te geven. Ik kan alleen maar hopen dat de transparante spiegel van de historische werkelijkheid nog doorzichtig zal blijven achter de dikke weerspiegelende laag van idealisering die ik ga aanbrengen in dat fabelachtige verhaal.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

dat kamertje, waar de blinden gesloten zijn en het raam open-

73

2 Ik herinner me niet precies meer wanneer mijn vader me voor de eerste keer over die geschiedenis heeft verteld, maar ik zie hem weer voor me, zoals hij in mijn kleine flatje woorden uitsprak als ‘partizanen’, ‘Tsjecho-Slowaken’, misschien ook ‘aanslag’, zeer zeker ‘liquideren’ en dan het jaartal: ‘1942’. Ik had in zijn bibliotheek een Histoire de la Gestapo zien staan, geschreven door Jacques Delarue, en er een stukje in gelezen. Toen mijn vader me met dat boek zag, maakte hij en passant wat opmerkingen en noemde Himmler, hoofd van de

ss,

en ook diens rechterhand, Heydrich,

protector van Bohemen en Moravie. En hij vertelde me over een Tsjecho-Slowaaks commando dat door Londen was gestuurd, en over die aanslag. De details kende hij niet (en ik had in die tijd nauwelijks reden hem ernaar te vragen, omdat die historische gebeurtenis in mijn verbeeldingswereld nog niet de plaats innam die ze er nu inneemt), maar ik merkte bij hem wel de lichte opwinding die kenmerkend voor hem is als hij (meestal voor de hon-


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

74

derdste keer, want hij herhaalt zichzelf graag, een beroepsdeformatie of gewoon een natuurlijke neiging) iets vertelt wat hem op de een of andere manier heeft getroffen. Ik denk niet dat hij ooit heeft beseft dat hij enig belang aan die anekdote hechtte, want toen ik hem onlangs vertelde dat ik van plan was een boek over het onderwerp te schrijven, merkte ik bij hem slechts hoffelijke nieuwsgierigheid zonder een spoor van bijzondere emotie. Maar ik weet dat die geschiedenis hem altijd heeft geboeid, ook al heeft ze op hem niet zo’n grote indruk gemaakt als op mij. Ik begin ook aan dit boek om hem iets terug te geven: het is het resultaat van een paar woorden van een vader tegen een zoon, hoewel mijn vader in die tijd nog geen geschiedenis gaf, maar er in een paar slecht geformuleerde zinnen goed over wist te vertellen. De Geschiedenis. 3 Lang voordat de twee landen werden gescheiden, ik was toen nog een kind, maakte ik dankzij het tennis al onderscheid tussen Tsjechen en Slowaken. Ik wist bijvoorbeeld dat Ivan Lendl een Tsjech was, terwijl Miroslav Mečiř een Slowaak was. En terwijl Mečiř de Slowaak een onconventioneler, talentvoller en sympathieker speler was dan Lendl de Tsjech, die moeizaam, kil en antipathiek was (ook al was hij 270 weken de nummer een van de wereld, een record dat alleen Pete Sampras heeft gebroken, met 286 weken), had ik, ook van mijn vader, begrepen dat de Slowaken tijdens de oorlog hadden gecollaboreerd, terwijl de Tsjechen verzet hadden geboden. In mijn hoofd (dat de verbazingwekkende complexiteit van de wereld toen nog maar in zeer beperkte mate kon bevatten) betekende het dat alle Tsjechen verzetsstrijders waren geweest en alle Slowaken hadden gecollaboreerd, alsof dat in hun volksaard lag. Geen seconde had ik aan het geval Frankrijk gedacht, dat toch


ling. Hadden wij Fransen niet tegelijk verzet geboden en gecollaboreerd? Pas toen ik erachter kwam dat Tito een Kroaat was (en niet alle Kroaten dus hadden gecollaboreerd, en misschien ook niet alle Serviers dus in het verzet hadden gezeten), begon ik eerlijk gezegd een wat duidelijker beeld te krijgen van de situatie in Tsjecho-Slowakije tijdens de oorlog. Aan de ene kant had je Bohemen en Moravië (oftewel het huidige Tsjechië) die door de Duitsers waren bezet en door het Reich geannexeerd (dat wil zeggen dat ze de weinig benijdenswaardige status hadden van Protektorat, dat beschouwd werd als een integraal onderdeel van Groot-Duitsland) en aan de andere kant had je de staat Slowakije, in theorie onafhankelijk, maar in de praktijk een satellietstaat van de nazi’s. Dat zei uiteraard niets over het individuele gedrag van elk van de inwoners. 4 Toen ik in 1996 aankwam in Bratislava, van waaruit ik naar OostSlowakije door zou reizen om Frans te geven aan een militaire academie, was die geschiedenis van de aanslag op Heydrich een van de eerste dingen (nadat ik het nieuws had gekregen dat mijn zoekgeraakte bagage in Istanbul terecht was gekomen) waar ik de secretaris van de defensieattache op de ambassade naar vroeg. De beste man, een onderluitenant gespecialiseerd in het afluisteren van telefoongesprekken in het Tsjecho-Slowakije van tijdens de Koude Oorlog en daarna omgeschoold in de diplomatie, vertelde me de voornaamste details van de zaak. In de eerste plaats waren ze met zijn tweeën geweest: een Tsjech en een Slowaak. Ik was blij te horen dat een staatsburger van mijn gastland aan de operatie had deelgenomen (er waren dus heus wel Slowaakse verzetsmensen geweest). Over het verloop van de operatie zelf zei hij erg

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

een weerlegging was van een dergelijke schematische voorstel-

75


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

76

weinig, behalve als ik me goed herinner dat een van de wapens blokkeerde op het moment dat de auto van Heydrich onder vuur werd genomen (en ik begreep toen dus dat Heydrich in een auto zat op het moment van de aanslag). Maar wat mijn nieuwsgierigheid vooral prikkelde, was wat erop volgde: hoe de twee partizanen met hun vrienden hun toevlucht hadden gezocht in een kerk en hoe de Duitsers hadden geprobeerd hen daar te verdrinken… Vreemd verhaal. Ik wilde nadere bijzonderheden. Maar veel meer wist de onderluitenant er niet van af. 5 Korte tijd na mijn aankomst in Slowakije ontmoette ik een knappe jonge Slowaakse vrouw op wie ik wanhopig verliefd werd en met wie ik een hartstochtelijk avontuur zou beleven dat bijna vijf jaar duurde. Van haar kon ik aanvullende inlichtingen krijgen. Ten eerste de naam van de hoofdrolspelers: Jozef Gabčik en Jan Kubiš. Gabčik was de Slowaak en Kubiš de Tsjech – je schijnt je door de klank van hun achternamen niet te kunnen vergissen. De twee mannen leken in ieder geval een onontbeerlijk onderdeel te zijn van het historische landschap, want Aurelia, de jonge vrouw in kwestie, had hun naam op school geleerd, net als alle kleine Tsjechen en alle kleine Slowaken van haar generatie, denk ik. Verder kende ze het verhaal in grote lijnen, maar ze wist er nauwelijks iets meer van dan die onderofficier. Het zou nog twee of drie jaar duren voor ik me werkelijk bewust werd van wat ik altijd had vermoed, namelijk dat deze geschiedenis in romantiek en intensiteit de meest onwaarschijnlijke fictie ver achter zich laat. En dat ontdekte ik bijna bij toeval. Ik had voor Aurelia een flat gehuurd in het centrum van Praag, tussen de Vyšehradburcht en het Karlovo Naměsti, het Karelsplein. Vanaf dat plein loopt de Resslova Ulice naar de rivier en


te zwieren en dat de Tsjechen Tančici Dům noemen, het dansende huis. In die Resslovastraat staat een kerk, als je naar de rivier loopt aan de rechterkant. Aan de zijkant van die kerk bevindt zich een kelderraam waaromheen in de steen talrijke kogelinslagen te zien zijn, en een gedenkplaat die onder andere de namen van Gabčik en Kubiš noemt, en ook die van Heydrich, aan wie hun lot nu voor eeuwig is verbonden. Ik ben tientallen keren langs dat kelderraam gekomen zonder de inslagen of de gedenkplaat te zien. Maar op een dag bleef ik staan: ik had de kerk gevonden waarin de parachutisten na de aanslag hun toevlucht hadden gezocht. Ik ben met Aurelia teruggegaan op een moment dat de kerk open was en we de crypte konden bezoeken. In de crypte bevond zich alles. 6 Er waren nog ontzettend duidelijke sporen van het drama dat zich meer dan zestig jaar geleden in deze ruimte heeft afgespeeld: het kelderraam, maar nu van binnenaf gezien, een tunnel van enkele meters lang, kogelinslagen in de muren en het gewelfde plafond, en twee houten deurtjes. Maar er waren ook de gezichten van de parachutisten op foto’s en in een tekst, geschreven in het Tsjechisch en het Engels, stond de naam van een verrader, op een aanplakbiljet waren een regenjas, een schoudertas en een fiets te zien, er was inderdaad een stengun die op het ergst denkbare moment blokkeerde, er werd naar vrouwen verwezen, er werden onvoorzichtigheden genoemd, Londen, Frankrijk, mannen van het Vreemdelingenlegioen, een regering in ballingschap, een dorp genaamd Lidice, een jonge uitkijk genaamd Valčik, een tram die langs kwam rijden, ook op het ergst denkbare moment,

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

komt uit bij het vreemde gebouw van glas dat door de lucht lijkt

77


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

78

een dodenmasker, een beloning van tien miljoen kronen voor de man of vrouw die aangifte zou doen, cyanidecapsules, granaten en granaatwerpers, radiozenders en gecodeerde boodschappen, een verstuikte enkel, penicilline die alleen in Engeland te krijgen was, een hele stad afhankelijk van een man bijgenaamd ‘de beul’, hakenkruisvlaggen en doodshoofdinsignes, Duitse spionnen die voor Engeland werkten, een zwarte Mercedes met een lekke band, een chauffeur, een slager, hoogwaardigheidsbekleders rond een doodskist, politiemannen gebogen over lijken, verschrikkelijke represailles, grootsheid en waanzin, zwakte en verraad, moed en vrees, hoop en verdriet, alle menselijke hartstochten verzameld in die paar vierkante meter, oorlog en dood, gedeporteerde joden, afgeslachte gezinnen, opgeofferde soldaten, wraak en politieke berekening, een man die onder andere vioolspeelde en aan schermen deed, een slotenmaker die zijn beroep nooit heeft kunnen uitoefenen, de geest van het verzet die voor altijd in die muren staat gegrift, sporen van de strijd tussen de troepen van het leven en die van de dood, er was Bohemen, Moravië, Slowakije, in die paar stenen stond de hele geschiedenis van de wereld vervat. Buiten stonden zevenhonderd ss’ers. 7 Rondstruinend op internet ontdekte ik het bestaan van een film, getiteld Conspiracy, waarin Kenneth Branagh de rol van Heydrich speelt. Voor vijf euro, portokosten inbegrepen, bestelde ik haastig de dvd, die binnen drie dagen werd bezorgd. Het is een reconstructie van de Wannseeconferentie, waarop Heydrich, bijgestaan door Eichmann, op 20 januari 1942 in een paar uur vastlegde op welke manieren de Endlösung moest worden toegepast. Op die datumwaren in Polen en de ussr al massale


satzgruppen, uitroeiingscommando’s van de ss, die zich ertoe beperkten hun slachtoffers met honderden, zelfs duizenden tegelijk bij elkaar te drijven, vaak op een veld of in een bos, en hen daar met mitrailleurvuur neer te schieten. Het probleem van deze methode was dat ze de zenuwen van de beulen danig op de proef stelde, waardoor het moreel van de troepen steeds verder zakte, zelfs van geharde troepen als de ss of de Gestapo – Himmler zelf was in zwijm gevallen toen hij een van die massa-executies bijwoonde. Vervolgens waren de ss’ers ertoe overgegaan hun slachtoffers in stampvolle vrachtwagens te verstikken door de uitlaat naar binnen te draaien, maar de techniek bleef vrij ambachtelijk. Na Wannsee werd de uitroeiing van de joden, door Heydrich overgedragen aan de goede zorgen van de trouwe Eichmann, aangepakt als een logistiek, sociaal en economisch project van zeer grote omvang. Kenneth Branagh speelt de rol vrij intelligent, want hij slaagt erin om de grootst mogelijke hoffelijkheid te combineren met een autoritaire, bitse manier van optreden, waardoor hij er een zeer verontrustend personage van maakt. Toch heb ik nergens gelezen dat de echte Heydrich blijk kon geven van vriendelijkheid, echte of geveinsde, in welke omstandigheid dan ook. Wel laat de film in een heel korte scene het personage tegelijk psychologisch en historisch goed uitkomen. Twee deelnemers hebben een onderonsje. De een zegt tegen de ander dat hij heeft horen zeggen dat Heydrich joods bloed in zich heeft en vraagt hem of hij denkt dat het gerucht waar kan zijn. De ander reageert venijnig: ‘Waarom vraag je het hem zelf niet?’ Zijn gesprekspartner verbleekt bij de gedachte alleen al. Het hardnekkige gerucht dat Heydrichs vader joods was, heeft Heydrich inderdaad lange tijd achtervolgd en zijn jeugd verpest. Het schijnt een ongefundeerd gerucht te zijn

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

executies aan de gang, maar die waren toevertrouwd aan de Ein-

79


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

80

geweest, maar ook al was dat niet het geval, dan kon Heydrich als hoofd van de inlichtingendienst van de nazipartij en van de ss zijn stamboom zonder moeite van elk verdacht spoor zuiveren. Hoe dan ook, het is niet de eerste keer dat het personage Heydrich op het witte doek is gebracht, want al in 1943, minder dan een jaar na de aanslag, draaide Fritz Lang een propagandafilm getiteld Hangmen also die!, volgens een scenario van Bertolt Brecht. In die film was de reconstructie van de gebeurtenissen totaal verzonnen (Fritz Lang wist beslist niet hoe het zich allemaal in het echt had afgespeeld, en had hij het wel geweten, dan zou hij natuurlijk niet het risico hebben genomen het aan de grote klok te hangen), maar het was wel goed verzonnen: Heydrich werd vermoord door een Tsjechische chirurg, lid van het binnenlandse verzet, die zich verborg bij een jong meisje, wier vader, een professor, met andere lokale persoonlijkheden bij een razzia was opgepakt door de bezetter en bij wijze van vergelding geĂŤxecuteerd dreigde te worden, als de dader zich niet aangaf. De spanning die kundig (dankzij Brecht, waarschijnlijk) tot het uiterste was opgevoerd, eindigde in een ontknoping toen het verzet erin slaagde een collaborerende verrader de schuld in de schoenen te schuiven, met wiens dood de kwestie en ook de film eindigde. In werkelijkheid kwamen de partizanen noch de Tsjechische bevolking er zo gemakkelijk vanaf. Fritz Lang heeft ervoor gekozen Heydrich tamelijk grof weer te geven als een volkomen ontaarde, perverse en verwijfde man, die hij een rijzweep laat hanteren om zijn wreedheid en tegelijk zijn verdorven aard te onderstrepen. Het klopt dat de echte Heydrich doorging voor een seksueel gestoorde persoon en dat hij het moest doen met een falsetstem die afbreuk deed aan de rest van zijn persoonlijkheid, maar zijn arrogantie, zijn onbuigzaamheid, zijn absolute ariĂŤrprofiel hadden niets weg van de waggelende figuur in deze film. Als je een wat beter gelijkend portret wilt zien,


bekijken, waar Hynkel, de dictator, wordt geflankeerd door twee handlangers, een papperige, dikke poseur, duidelijk naar Goring gemodelleerd, en een lange dunne figuur die veel geslepener, killer en onbuigzamer is, en dat is niet de sluwe en ongemanierde Himmler met zijn snorretje, maar eerder Heydrich, diens zeer gevaarlijke rechterhand. 8 Voor de honderdste keer ben ik terug naar Praag gegaan. Ik heb de crypte weer bezocht, nu in gezelschap van een andere jonge vrouw, de prachtige Natacha (ze is Française, in weerwil van haar naam, ze komt net als wij allemaal uit een communistisch nest). De eerste dag was de crypte vanwege een nationale feestdag gesloten, maar ertegenover ligt, wat nooit eerder tot me was doorgedrongen, een bar, die ‘De parachutisten’ heet. De muren binnen zijn bedekt met foto’s, documenten, fresco’s en aanplakbiljetten die allemaal betrekking hebben op de parachutisten. Achterin een enorme muurschildering van Groot-Brittannië met punten die de verschillende militaire bases aangeven waar de gevechtsgroepen van het Tsjechische leger in ballingschap zich op hun opdrachten voorbereidden. Ik heb er met Natacha een biertje gedronken. De volgende dag kwamen we terug toen de kerk open was en ik heb de crypte aan haar laten zien, terwijl zij op mijn verzoek een paar foto’s maakte. In de hal werd een filmpje vertoond waarin de aanslag werd gereconstrueerd en ik probeerde vast te stellen waar het drama zich had afgespeeld om er eens een kijkje te kunnen gaan nemen, maar het is vrij ver van het centrum, in een van de voorsteden. De straatnamen zijn veranderd en ik kan de exacte plek van de aanslag nog steeds niet precies aanwijzen. Bij de uitgang van de crypte pakte ik een tweetalige folder mee over een

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

zou je het beste The Great Dictator van Chaplin nog eens kunnen

81


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

82

tentoonstelling genaamd Atentát in het Tsjechisch en Assassination in het Engels. Tussen de twee titels was een foto van Heydrich te zien, die een trap op loopt met aan weerskanten lambriseringen, omringd door Duitse officieren en geflankeerd door zijn lokale rechterhand, Karl Hermann Frank, een Sudeten-Duitser, allemaal in ceremonieel tenue. Op het gezicht van Heydrich was een rode schietschijf afgedrukt. De tentoonstelling werd gehouden in het Legermuseum, in de buurt van het metrostation Florenc, maar er werden geen data genoemd (alleen de openingstijden van het museum waren aangegeven). We zijn er dezelfde dag nog heen gegaan. In het museum werden we door een kleine, tamelijk oude dame met veel egards verwelkomd; ze leek blij met een paar bezoekers en nodigde ons uit om alle zalen van het gebouw te bekijken. Maar er was er maar een die mijn belangstelling had en dat heb ik haar ook gezegd: de zaal waarvan de ingang was opgedirkt met een enorme aankondiging van karton, als een soort affiche voor een horrorfilm uit Hollywood: de tentoonstelling over Heydrich. Ik vroeg me af of het een permanente tentoonstelling was. In ieder geval was ze gratis, net als het hele museum, en de kleine mevrouw, die naar onze nationaliteit had gevraagd, gaf ons een boekje in het Engels mee (het speet haar dat ze ons alleen uit Engels of Duits kon laten kiezen). De tentoonstelling overtrof al mijn verwachtingen. Daar lag werkelijk alles, naast de foto’s, de brieven, aanplakbiljetten en uiteenlopende documenten, heb ik de wapens gezien en de persoonlijke bezittingen van de parachutisten, hun door de Engelse geheime dienst aangelegde dossiers, met aantekeningen, beoordelingen en de waardering van hun kwaliteiten, de Mercedes van Heydrich met de lekke band en het gat in het rechterachterportier, de fatale brief van de minnaar aan zijn maîtresse waardoor


lijke paspoorten met foto, en een overvloed aan andere authentieke en aangrijpende overblijfselen van wat er is gebeurd. Ik maakte koortsachtig notities, ook al wist ik dat er veel te veel namen, data en details waren. Bij het weggaan vroeg ik de kleine mevrouw of het mogelijk was het boekje te kopen, dat ze me had gegeven voor de duur van het bezoek en waarin alle onder- en bijschriften van de tentoonstelling waren opgenomen. Het speet haar werkelijk, maar dat was onmogelijk. Het was een bijzonder mooi gemaakt boekje, met de hand gebrocheerd en duidelijk niet bestemd voor handelsdoeleinden. Bij het zien van mijn teleurstelling en misschien ook geroerd door de moeite die ik deed om Tsjechisch te koeterwalen pakte de kleine dame uiteindelijk het boekje uit mijn handen en stopte het met een vastberaden blik in Natacha’s handtas. Ze gebaarde ons niets te zeggen en te vertrekken. We hebben haar hartelijk bedankt. Gezien het aantal bezoekers heeft niemand het boekje gemist, maar het was toch echt aardig van haar. Twee dagen later, een uur voordat onze bus naar Parijs vertrok, ben ik naar het museum teruggegaan met chocolaatjes, die de beduusde kleine mevrouw weigerde aan te nemen. De informatie die ze me gaf is zo overvloedig dat zonder dat boekje – en dus zonder haar – dit boek waarschijnlijk niet de vorm had gekregen die het nu heeft. Ik vind het jammer dat ik haar naam niet heb durven vragen, anders had ik haar hier nog eens plechtig kunnen bedanken. 9 Toen ze op de middelbare school zat heeft Natacha in twee opeenvolgende jaren meegedaan aan de Franse nationale verzetswedstrijd en is beide keren als eerste geëindigd, wat voor zover ik weet nooit eerder was gebeurd en daarna ook nooit meer is gebeurd.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

het bloedbad van Lidice werd veroorzaakt, naast hun respectieve-

83


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

84

Die dubbele overwinning bood haar onder andere de mogelijkheid om vaandeldraagster te zijn tijdens een herdenkingsplechtigheid en om een concentratiekamp in de Elzas te bezoeken. Tijdens die reis zat ze in de touringcar naast een voormalige verzetsman die haar wel aardig vond en haar boeken en documenten leende. Daarna verloren ze elkaar uit het oog. Toen Natacha me tien jaar later het verhaal vol schuldgevoelens deed, wat voorstelbaar is, want de geleende spullen had ze nog altijd in haar bezit en ze wist niet eens of die verzetsman nog in leven was, heb ik haar opgejut om weer contact met hem te zoeken, en ik heb hem op weten te sporen, ook al was hij naar de andere kant van Frankrijk verhuisd. We hebben hem dus een bezoek gebracht in het mooie witte huis in de buurt van Perpignan, waar hij met zijn vrouw was neergestreken. Terwijl we van de muskaatwijn nipten, vertelde hij ons hoe hij in het verzet terecht was gekomen, waarom hij was ondergedoken en wat hij zoal had gedaan. In 1943 was hij negentien en hij werkte in de melkhandel van zijn oom, die uit Zwitserland kwam en zo goed Duits sprak dat de soldaten die in de winkel proviand kwamen inslaan, de gewoonte hadden om wat te blijven hangen om met iemand te kunnen praten die hun taal sprak. In eerste instantie werd hem gevraagd of hij interessante informatie bij elkaar kon sprokkelen uit de gesprekken tussen de soldaten en zijn oom, bijvoorbeeld over troepenverplaatsingen. Vervolgens lieten ze hemdroppings doen, dat wil zeggen dat hij hielp met het terugvinden van kistenmaterieel die ’s nachts door geallieerde vliegtuigen waren afgeworpen. Ten slotte, toen hij eenmaal de leeftijd had om voor de Arbeitseinsatz te worden gerekruteerd en dus naar Duitsland dreigde te worden gestuurd, ging hij bij het verzet waar hij diende in gevechtseenheden en deelnam aan de bevrijding van de Bourgogne, en nog actief ook, als je afgaat op


Ik was oprecht geïnteresseerd in zijn verhaal, maar ik hoopte ook iets te horen wat ik kon gebruiken voor mijn boek over Heydrich. Wat precies kon ik beslist niet zeggen. Ik vroeg hem of hij een militaire opleiding had gekregen toen hij eenmaal bij het verzet was. Geen enkele, antwoordde hij. Later leerde men hem hoe hij een zware mitrailleur moest bedienen en hij kreeg een paar trainingen in het geblinddoekt uit en in elkaar zetten van een wapen en ook schietoefeningen. Maar de eerste keer dat hij er was, duwde men hem een machinepistool in zijn klauwen en hij moest maar zien. Een Engels machinepistool, een stengun. Een absoluut onbetrouwbaar wapen, blijkbaar, je hoefde alleen maar met de geweerkolf op de grond te slaan om de hele patroonhouder in de lucht leeg te schieten. Rotzooi. ‘De stengun was gewoon een pokkending, iets anders kun je het niet noemen!’ Gewoon een pokkending, kijk eens aan… 10 Ik zei dat de vertrouwde raadsman van Hynkel-Hitler in The Great Dictator van Chaplin geïnspireerd was op Heydrich, maar dat klopt niet. Dan houd ik geen rekening met het feit dat Heydrich in 1940 nog een man op de achtergrond was en vrijwel onbekend bij het grote publiek, in het bijzonder bij de Amerikanen. Dat is uiteraard het probleem niet, want Chaplin had zijn bestaan kunnen raden en de spijker op de kop kunnen slaan. Het komt erop neer dat de handlanger van de dictator wordt neergezet als een venijnige slang wiens intelligentie scherp afsteekt tegen de belachelijke figuur die een parodie is op de dikke Goring, maar het personage heeft ook een koddige en laffe kant waarin we de toekomstige beul van Praag niet herkennen. Er zijn nog andere films waarin Heydrich optreedt, en ik heb

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

het aantal Duitsers dat hij gedood schijnt te hebben.

85


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

86

net op tv een oude film van Douglas Sirk gezien (van origine een Tsjech), getiteld Hitler’s Madman. Het is een Amerikaanse propagandafilm die in een week werd opgenomen en uitkwam in 1943, vlak voor Hangmen also die! van Fritz Lang. Het verhaal is (net als bij Lang) volkomen verzonnen en plaatst het centrum van het verzet in Lidice, het gemartelde dorp dat net zo zal eindigen als Oradoursur-Glane. De film draait om de houding van de dorpelingen ten opzichte van een parachutist die uit Londen is aangekomen: zullen ze hem helpen, zich afzijdig houden, of hem zelfs verraden? Het probleem met die film is dat de organisatie van de aanslag zo’n beetje wordt teruggebracht tot een lokaal initiatief, en ook nog voortkomt uit een reeks toevalligheden en een samenloop van omstandigheden (Heydrich rijdt toevallig door het dorpje Lidice, waar toevallig een parachutist wordt verborgen en dan hoort men ook nog bij toeval hoe laat de auto van de protector langskomt, enzovoort). De plot is dus veel minder sterk dan in de film van Lang, met Brecht aan het scenario, waarin de dramatische kracht zich ontwikkelt in het neerzetten van een waar nationaal epos. Aan de andere kant is de acteur die Heydrich speelt in de film van Douglas Sirk uitstekend. Ten eerste is er een lichamelijke gelijkenis. Ten tweede weet hij uiting te geven aan de wreedheid van zijn personage zonder hem met al te overdreven tics op te zadelen, een mogelijkheid waar Lang voor is gezwicht zogenaamd om Heydrichs ontaarde ziel goed uit te laten komen. Heydrich was een kwaadaardige smeerlap zonder genade, maar hij was geen Richard iii. De acteur is John Carradine, de vader van David Carradine, de Bill van Tarantino. De best geslaagde scene in de film is de sterfscène: Heydrich houdt op zijn sterfbed, ondermijnd door de koorts, een cynisch betoog tegen Himmler waarin deze keer wel een echo van Shakespeare te horen is, en die vrij waarschijn-


zonder berouw of fanatisme en hij heeft maar van een ding spijt, namelijk dat hij een leven waaraan hij was gehecht, zijn leven, moet verlaten. Ik zei: ‘waarschijnlijk’.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

lijk op me overkwam. Laf noch heroïsch sterft de beul van Praag

87


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

88

Laurent Binet HhhH Th ematiek Op 27 mei 1942 werd een aanslag gepleegd op Reinhard Heydrich, nazikopstuk, rechterhand van Himmler. Van de SS kreeg hij de bijnaam HhhH: Himmlers hersenen heten Heydrich. Deze aanslag werd gepleegd in opdracht van ‘London’ en had desastreuze gevolgen. Door represailleacties werd het dorp Lidice van de kaart geveegd: het werd ongenadig met de grond gelijkgemaakt, de vrouwen werden afgevoerd naar een kamp, de mannen geëxecuteerd, de kinderen vergast. Het markeerde voor de nazi’s onbedoeld een keerpunt in de publieke opinie over hun regime. Tientallen jaren later vertelt de vader van schrijver Laurent Binet hem over deze geschiedenis. Binet raakt erdoor gefascineerd en schrijft het boek HhhH. De vorm van HhhH is opvallend. In de 257 korte hoofdstukken vertelt Binet drie verhalen; zijn eigen verhaal, het verhaal van de nazicarrière van de ambitieuze Heydrich en dat van de aanslagplegers. Hij doet dit aan de hand van films, krantenartikelen, nazi-archieven, actualiteiten, het dagboek van Goebbels, maar ook op het eveneens op historische feiten gebaseerde De welwillenden van Jonathan Littell (dat een paar maanden voor HhhH uitkwam) en waarvan de correctheid veelvuldig werd bekritiseerd. Binet geeft aan dat hij als schrijver slechts zijn best kan doen een geschiedenis zo waarheidsgetrouw mogelijk op te schrijven; fictie moet hij in het licht van feiten plaatsen.


Binet, de schrijver, doet onderzoek naar een geschiedenis en probeert in de huid te kruipen van de ‘hoofdrolspelers’ van zijn verhaal. Het feit dat ze hebben bestaan maakt dit voor hem des te moeilijker. Hij beschrijft zijn eigen schrijfproces en de grillen waaraan hij is overgeleverd, de twijfels over de betrouwbaarheid van de historische feiten, de gewetensbezwaren, keuzes van bronnen en stijloverwegingen. Zijn sterk aanwezige verlangen de geschiedenis naar zijn hand te zetten speelt in dit proces ook een dominante rol. En niet op de laatste plaats, zijn wens zichzelf in deze geschiedenis te plaatsen. Door de geschiedenis op schrift te stellen laat Binet deze historische figuren weer even tot leven komen. Hij zet zichzelf midden in hun verhaal, en ziet ze rennen, lachen. Hij hóórt ze denken. Ondertussen blijft hij de lezer er steeds aan herinneren dat hij slechts een schrijver is en dat hij ‘niets afweet van wat er in de mannen omgaat’. Dit is een strijd die het hele boek door woedt. Soms verzint Binet scènes om zich er vervolgens voor te verontschuldigden, of hij rectificeert aannames die wij als lezer voor lief namen. Hij probeert documentair te werken, maar degenen die hij moet spreken om het verhaal compleet te krijgen zijn er niet meer. Daardoor vallen in zijn verhaal gaten waar hij zich hardnekkig tegen verzet. De geschiedenis kan vanuit verschillende perspectieven worden herlezen maar mag niet herschreven worden. En dat vindt Binet tragisch. De geschiedenis, schrijft hij, is het ultieme noodlot.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Laurent Binet voert zichzelf op als een van de personages.

89


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

Gespreksvragen 1 Enerzijds kunnen historische romans geschiedverval-

sing worden genoemd en anderzijds is literatuur een

mooi medium om een geschiedenis te vertellen. Waar zou u HhhH indelen? 2 Zou u deze ‘roman’ categoriseren als fictie of non-fictie?

Waar ligt voor u de grens?

3 Binet heeft moeite de geschiedenis niet te kleuren. Het

zit nu eenmaal in de aard van zijn schrijverschap. Op welke momenten kan hij zich niet inhouden?

90

4 Er is een grote groep moedige mensen die Binet niet al-

lemaal kan noemen in zijn boek. Hij voelt zich er schul-

dig over dat zij anoniem zullen blijven. Hoe lost hij dit op? 5 Binet gebruikt een keur aan bronnen die we als het

ware met hem mee lezen. Wat is de meerwaarde van het

lezen van de bronnen voor ons? Prikkelde het u andere versies van dit verhaal te lezen?


ondergang van Heydrich, de aanslag van Gabčík en

Kubiš en Binets schrijversverhaal) spreekt u het meest aan en waarom? 7 Wat zou Binet kunnen bedoelen met ‘ínfra-roman’? (p. 256) 8 Binet is er op het neurotische af van overtuigd dat de

Mercedes van Heydrich groen is. Maar op p. 257 lezen we ‘Ik hoor de motor van de zwarte Mercedes…’ Hoe kan het dat Binet van mening verandert?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

6 Welke van de drie grote verhaallijnen (de opkomst en

91

9 Op p.10 al krijgt de lezer de afloop van operatie ‘An-

thropoid’ te lezen. Heeft de gegeven voorkennis uw

leeservaring op enige manier beïnvloed? 10 Voor wie schrijft Laurent Binet HhhH?


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

Op zoek naar goede boeken? Meer weten over toonaangevende auteurs? Inschrijven voor onze nieuwsbrief? Ga naar www.meulenhoff.nl

92

Deze literatuurgids is een uitgave van J.M. Meulenhoff bv, Herengracht 507, 1017 BV Amsterdam, tel. 020-55 33 500, www.meulenhoff.nl vormgeving

dps, Amsterdam

Voor verkoopinformatie: bestellingen@meulenhoffboekerij.nl Deze gids is met zorg samengesteld. Uitgeverij Meulenhoff is echter niet aansprakelijk voor fouten of onjuistheden die in de tekst per abuis zijn opgenomen.


Bijzondere roman over de intrigerende liefde tussen twee Russische immigrantenkinderen in Brooklyn: voor de lezers van De eenzaamheid van de priemgetallen van Paolo Giordano. ‘Ontroerend… een realistische, intelligente en empathische roman.’ nu.nl

Anatomie van een verdwijning vertelt ons het verhaal van een jongen en een vrouw die door het verlies van een geliefde hun eigen levens opnieuw vorm moeten geven. ‘Een prachtige roman over verlies en gemis, en over het verlangen ergens bij te horen. Sober en toch gloedvol geschreven. Om stil van te worden.’ boek

Onvergetelijke roman die de tragedie van Vietnam omzet in een krachtig en universeel verhaal over moed, vriendschap en opoffering, en over de waanzin van oorlog. ‘Een van de indringendste en aangrijpendste romans over de oorlog in Vietnam – of over welke oorlog dan ook.’ the new york times

Vier verhalen waarin alles net anders is dan het in eerste instantie lijkt. De nestvlieders die Merijn de Boer beschrijft proberen ieder op hun eigen manier de vervreemding van zichzelf en de maatschappij te ontlopen. ‘Een genot om te lezen.’ de volkskr ant

Roman over de verschrikkelijke represailles na de aanslag op het leven van nazikopstuk Reinhard Heydrich, gebaseerd op ware feiten en personen. Spel van feit en fictie. ‘Het debuut van Laurent Binet (1972) is niet gewoon bijzonder. Het is subliem.’ de volkskr ant

www.meulenhoff.nl


Literatuurgids Meulenhoff Zomer 2011