Issuu on Google+

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

1

Bijzondere boeken in beeld Boordevol leesfragmenten en gespreksvragen

U A A NGEBODEN DOOR UITGEV ER IJ MEULENHOFF BOEK ER IJ


L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

1 2

| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

LI T ER AT U U RGIDS | MEU LENHOF F BOEK ER IJ


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

4 6 14 16

Tilt – Michiel Stroink • Fragment • Thematiek • Gespreksvragen

18 20 24 26

De bleke koning – David Foster Wallace • Fragment • Thematiek • Gespreksvragen

28 30 35 36

De mooiste kleur die niet bestaat – Maartje Laterveer • Fragment • Thematiek • Gespreksvragen

40 42 48 50

De schimmen – César Aira • Fragment • Thematiek • Gespreksvragen

52 54 60 62

Het boek van leugenaars – Naomi Alderman • Fragment • Thematiek • Gespreksvragen

64 66 70 72

Een goede raad – J.K. Rowling • Fragment • Gespreksvragen

74 76 80

Zusje – Rosamund Lupton • Fragment • Gespreksvragen

82 84 92

Beste lezer, In deze nieuwe leesgids vindt u weer een mooie selectie nieuwe boeken van Meulenhoff en Boekerij. Behalve een leesfragment staan we per titel ook uitgebreid stil bij de thematiek en gespreksvragen. Bovendien bevat de gids kortingsbonnen ter waarde van € 3,- voor De vlucht van Jesús Carrasco en Het boek van leugenaars van Naomi Alderman, en een unieke e-boekaanbieding. Voor meer (lees)tips kunt u ons volgen op twitter of facebook. Kijk ook eens op onze sites www.boekerij.nl en www.meulenhoff.nl, hier staan ook onze eerdere literatuurgidsen online. Mocht u meer informatie missen of een andere opmerking hebben, dan hoor ik dat graag. U kunt mij bereiken op onderstaand mailadres. Veel leesplezier gewenst en met vriendelijke groet, Maaike Le Noble Uitgever Meulenhoff en Boekerij mlenoble@meulenhoffboekerij.nl

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

2

De vlucht – Jesús Carrasco • Fragment • Thematiek • Gespreksvragen

3


Koop nu De vlucht van Jesús Carrasco met

€3 ,-

KORTINGSBON Koop nu Het boek van leugenaars van Naomi Alderman met

KORTING!

€3 ,-

KORTING!

4

KORTINGSBON AUTEUR: Jesús Carrasco TITEL: De vlucht ISBN: 978-90-290-8880-0 PRIJS: €16,95

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

KORTINGSBON

5

KORTINGSBON AUTEUR: Naomi Alderman TITEL: Het boek van leugenaars ISBN: 978-90-290-8885-5 PRIJS: €19,95

ACTIEPRIJS: €13,95 KORTING: €3,-

ACTIEPRIJS: €16,95 KORTING: €3,-

ACTIEPERIODE: Geldig t/m 9 augustus 2013 ACTIECODE: 902-02339

ACTIEPERIODE: Geldig t/m 9 augustus 2013 ACTIECODE: 902-02346

Deze bon is in te leveren bij alle boekwinkels en warenhuizen

Deze bon is in te leveren bij alle boekwinkels en warenhuizen


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De vlucht Een jongen verbergt zich in een olijfboomgaard. Hij hoort dat de mannen uit het dorp hem zoeken en kruipt nog verder weg in zijn schuilplaats. Wanneer de stemmen wegsterven is hij helemaal alleen. Er ligt een oneindige, dorre vlakte voor hem die hij moet oversteken, verzengende hitte, honger en dorst trotserend. Midden in de nacht komt hij uitgeput aan bij het kampvuur van een oude geitenhoeder. Daar, onder de sterren, wordt een onuitgesproken vriendschap gesmeed die voor beiden van levensbelang zal blijken. De vlucht is een verpletterend debuut, een emotionele tour de force. Een roman die even keihard en realistisch als poëtisch en zintuiglijk is – je voelt de hitte van de zon en je hoort de krekels in de nacht. Jesús Carrasco vertelt het verhaal van een gesloten wereld, waar de moraal net als het water is weggespoeld. Tegen deze achtergrond krijgt de jongen, onschuldig nog, de kans om te leren oordelen over goed en kwaad. Of blijft hij gebrandmerkt door het geweld waarmee hij is opgegroeid?

6

€3, - KO RT IN G

OP BLZ 4

Jesús Carrasco (1972) woont in Sevilla, waar hij werkt als redacteur en schrijver. Zijn debuutroman De vlucht verschijnt in meer dan tien landen. ‘Verbijsterend wat een boek met je kan doen.’ HHHHH het parool ‘Originaliteit, rijk proza en hyperrealisme kenmerken dit mythische debuut van Jesús Carrasco.’ la vanguardia GEBONDEN MET STOFOMSLAG | 208 BLZ. | PRIJS €16,95 ISBN E-BOEK 978-94-6023-577-1 ISBN 978-90-290-8880-0

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

JESÚS CARRASCO

7


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De vlucht Ze liepen een paar uur over braakliggende landerijen, met de jongen, zoals de oude man had bevolen, steeds vlak naast de ezel. Ze hielden halt op een verlaten akker, waar nog restanten lagen van de laatste oogst. De geiten verspreidden zich en begonnen de schaarse halmen te besnuffelen met hun kop dicht bij de grond. De jongen, die zijn hoofd had bedekt met zijn hemd, sloeg het tafereel gade in de schaduw van de ezel. De oude man stond nog en draaide om zijn as tot hij de immense ruimte die hen omringde helemaal had afgespeurd. Met zijn handpalm als zonneklep boven zijn ogen bleef hij een tijdje naar het zuiden staan kijken. Daarna haalde hij zijn tabaksdoos uit de weitas en draaide een sigaret. Toen hij die had opgerookt, keek hij naar de heldere lucht en liet zijn blik eroverheen glijden. Hij nam zijn hoed af om zich koelte toe te wuiven en floot naar de hond, waarna ze hun weg vervolgden. Ze verplaatsten zich zo traag over de stenige grond dat ze niet eens stof opwierpen. Overal waar ze langs kwamen, spraken de restanten van voren en dorsvloeren van het wegtrekken van de bevolking. Uitgespoelde ploegvoren waarop een korst van gebakken klei golfde, waar alleen de zwaar beladen ezel in wegzakte. Oude groentetuinen als wasborden en vuurstenen die hadden losgelaten van de dorsplanken, met hun scherpe kanten en wasachtige glans. Er kwam een moment dat de zon zo hoog stond dat de schaduw van de ezel de jongen geen beschutting meer bood en dat hij voortdurend bezig was met zijn hemd, om te proberen tegelijk zijn hoofd en zijn rug te beschermen. Zo nu en dan keek hij naar de oude man om hem zijn kwellingen duidelijk te maken, maar die leek immuun voor de warmte en ging gewoon op de ingeslagen weg door, alsof ze langs de oever van een bergmeer liepen. Een keer bleef de jongen een stukje achter om

zijn tulband weer goed te doen. De hond was bij hem en rende kwispelstaartend om hem heen, alsof de metgezel van zijn baas zijn nieuwe speeltje was. Om de stof beter om zijn hoofd te schikken maakte de jongen overdreven gebaren en snoof van ergernis, alsof hij het hemd daarmee kon uitrekken of de oude man midden in het niets plotseling een beukenbos zou vinden. Hij bereikte er alleen mee dat de herder bleef staan, maar niet om op hem te wachten, maar om net te doen alsof hij water uit een lege mandfles schonk. Toen de jongen in de verte zag hoe de man het drinkblikje naar zijn mond bracht, hield hij op met het in orde brengen van de stof om zijn hoofd en versnelde hij zijn pas om hem in te halen voordat alle vloeistof op was. Eenmaal bij hem aangekomen, met het hemd dat aan alle kanten over zijn hoofd viel, deed de oude man net de kurk weer op de fles. Hij floot en ze vervolgden hun weg. Ten slotte, toen de zon al onverdraaglijk was, hielden ze halt. Twee uitgeputte elzen zwaaiden hun verwelkte blaadjes op een paar meter van een rietveld, aan de oever van wat een meertje moest zijn geweest. Aan de ene kant liep een rij bleekgroen loof dat langs een geul was gegroeid als een wilde loot op de vlakte weg van het groepje riet. Aan de andere kant tekenden zich op de droge, ongelijke bodem van de lagune lijnen als isobaren af, gevormd door vegetatieresten. Stille getuigen van het laatste gereutel van de poel. Uitgedroogde sporen van vuil die de golven op een rij hadden gedreven en die door verdamping ten slotte op de bodem waren beland. In de warme bries van het middaguur wreven de rietstengels langs elkaar en verspreidden echo’s van fragiele houten belletjes over de omgeving. Ruige manen die heen en weer wiegden als gebedsvlaggen, maar zonder vurige paarden, sieraden of mantra’s. Tot de hemel gerichte smeekbeden die, in plaats van zegeningen uit te strooien, de zon leken aan te roepen om zich op te offeren met behulp van een stuk glas of een bliksemflits.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

8

JESÚS CARRASCO

9


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

de bosjes lisdodden, ailanthussen en groepjes riet die erlangs groeiden. Hij bekeek de staat van dat bleke bosje alsof het een fossiel was en daarna stond hij op en liep langs het rietveld om de omtrekken ervan te inspecteren. De hond bleef liggen in de geringe schaduw van de elzen. Lopend over het laagje teruggetrokken water, kreeg hij de aanvechting zijn broekspijpen op te trekken om te voorkomen dat de zoom nat werd. Een verlangen naar fris, helder water waar hij zich niet volledig van bewust was maar zijn cellen wél, want die reageerden op een andere manier op de werkelijkheid. Hij vond resten van vochtigheid aan de voet van een tamarisk. Een groot aantal kleine stroompjes, als een miniatuurdelta, die naar het afwezige meertje liepen. Een wedren tot voorbij de schaduw van het riet, rigoureus afgebroken door de zon en de dorstige aarde. Een zinloze poging, vastgelegd in de zachte zandafzetting. Tegen de tijd dat hij terug was in het kamp had de herder het vee al bij elkaar gedreven op het tussen het riet gebaande pad. Daar bleven de dicht opeengepakte geiten even staan met hun kop naar de grond en toen de oude man vond dat ze genoeg hadden, joeg hij ze weg met een klap op hun rug. Alsof ze een school vissen vormden, werd de plaats die de weggejaagde dieren openlieten onmiddellijk ingenomen door andere. Toen de herder de jongen aan zag komen, wees hij naar de els waar de ezel aan het grazen was. Naast de stam stonden de twee waterflessen. De jongen liep ernaartoe en schudde ze. Daarna ontkurkte hij er een, vulde het blikje en dronk. Het water smaakte modderig. Hij proefde bezinksel en zijn tanden knarsten, maar het kon hem niet schelen. Ze aten met hun rug tegen de elzen, omringd door de geiten, de ezel en de hond, die zich onder de bomen verdrongen alsof er buiten de schaduw een afgrond gaapte. Toen ze klaar waren, stond de oude man op en verwijderde zich een paar meter om met zijn rug naar het kamp te plassen. Vervolgens liep hij nog een eindje

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

10

De herder leidde de ezel naar de elzen en begon hem daar af te laden. De jongen keek afwezig toe, alsof het hem niet aanging, verdwaasd door de dorst of omdat ze plotseling waren gestopt terwijl hij daar niet meer op had gerekend. De etterbulten op zijn gezicht waren rood geworden. De oude man wendde zich tot hem, zijn handen ontspannen op zijn heupen. De jongen, onder het stof, bleef als versteend staan. ‘Jongen.’ De stem van de herder haalde hem uit de diepe put waarin hij was weggezonken en onbewust draaide hij zijn hoofd in zijn richting. Daar stuitte hij op de oude man die zijn bezigheden had onderbroken en hem nu voor het eerst aankeek. Hij had diepliggende ogen, beschermd tegen het licht door twee benige bogen die zijn melkwitte hoornvlies overschaduwden. De blik van de oude man was doordringend en op dat ogenblik nam hun relatie weer de vorm aan die deze tot dan toe had gehad, zoals een chirurg resoluut en accuraat een botbreuk zet. ‘Jongen.’ Bij de tweede oproep kwam de jongen in beweging en schoot hem te hulp. Hij pakte de spullen aan die de oude man hem aangaf en legde ze onder de bomen. Toen ze klaar waren met het afladen van de ezel, pakte de man een van de mandflessen en baande zich met zijn handen een weg door het rietveld. De jongen zag hem verdwijnen tussen de rietstengels en de lisdodden, en hij zag ook hoe de geiten naar het pad liepen dat de herder had geopend. Hij haalde de kurk van de mandfles die nog in het draagstel zat en hield hem schuin boven het drinkblikje, maar er kwam geen druppel uit. De jongen keek naar de plek waar de geitenhoeder was verdwenen en terwijl hij in het blikje kneep, vervloekte hij hem. Hij ging tegen de stam van een van de bomen zitten en nam de omgeving in zich op. Hij dacht aan de ‘geul’, de beek waarin het dorp zijn afvalwater loosde. Hij herinnerde zich de stank en ook

11


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

was een karweitje dat hij wel kon omdat hij altijd degene was geweest die het onkruid rond het huis moest wieden. Toen de middag ten einde liep, vond de jongen dat hij genoeg had gedaan. Hij maakte schoven van alles wat hij gemaaid had en begon ze naar de schaduw te dragen. Hij legde de eerste bundel bij de herder neer en ging daarna de rest halen. De man, die een witte geit zat te melken, hield zijn handen even stil om de spenen, maar ging toen meteen weer verder. Geen enkele dankbaarheid of beloning. De wet van de vlakte. Het avondeten bestond uit melk met brood en daarna zat de jongen een poosje aloë op zijn gezicht te smeren. Hij viel in slaap terwijl hij toekeek hoe de geitenhoeder het gras dat hij ’s middags had gemaaid tot touwen vlocht. Hij had geen tijd meer om het geluid van paardenhoeven te horen, dat in de verte over de donkere vlakte klonk. Hij zag ook niet hoe de hand van de herder trilde, geschrokken van het plotselinge gedreun dat de dorre vlakte met een rotsig zwaard doorsneed. Het enige wat hij op een gegeven moment merkte was de laars van de oude man die tegen zijn zij duwde en zijn stem die hem beval op te staan. Hij ging rechtop zitten, in de overtuiging dat het elk moment licht kon worden en dat de geitenhoeder zijn ontbijt wel klaar zou hebben. Hij keek om zich heen, op zoek naar de kom, maar het enige wat er nog op de grond lag was de deken waarop hij had geslapen. De rest van de spullen, inclusief de bundels espartogras, was al op de ezel geladen. ‘Pak de deken. We gaan.’

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

12

verder en zag de jongen vanuit de schaduw hoe hij zich bukte en iets op de grond aan het doen was. Hij dacht dat hij zijn veter vastmaakte. De oude man kwam terug naar de bomen met een aloëblad in zijn hand. Hij ging zitten op de plek waar hij gegeten had en schilde met een mes zonder heft het breedste deel van het blad en gaf het aan de jongen om daarmee zijn verbrande gezicht in te smeren. Ze brachten de siësta door onder de boomkruinen. De jongen smeerde regelmatig zijn gezicht in met de doorzichtige pulp en de herder sneed uit een stuk hout een haak voor het uiteinde van een buikriem voor de ezel. Later, toen de zon wat aan kracht inboette, pakte de oude man een sikkel en vroeg de jongen hem te volgen naar een veld met espartogras dat aan de andere kant van het meertje lag. Voordat ze om het bosje met riet heen waren gelopen, kreeg de jongen een voorgevoel en bleef staan. Toen de oude man bij de planten aankwam, draaide hij zich om in de verwachting daar de jongen aan te treffen. Met de hand waarin hij de sikkel hield gebaarde hij dat hij naar hem toe moest komen. Van een afstand schudde de jongen zijn hoofd. Toen riep de man naar hem: ‘Kijk.’ De oude man bukte bij een bosje gras en maaide met een paar halen een bundel vezels. Hij hield het in de lucht zodat de jongen het kon zien en daarna legde hij het samen met de sikkel aan zijn voeten. De herder liep terug naar het kamp en toen hij de jongen passeerde, zei hij dat hij acht of tien bundels naar de elzen moest brengen. De jongen keek de oude man na tot hij achter de lisdodden verdwenen was. Hij liep naar de plek waar de sikkel lag en keek enige tijd naar het veld dat zich voor hem uitstrekte. De als eilandjes gegroepeerde planten en de paadjes met kiezelstenen daar tussendoor. Hij liep langs de bosjes op zoek naar de hoogste grashalmen en toen hij gevonden had wat hij zocht, begon hij te maaien. Hij had niets tegen de geitenhoeder gezegd toen deze hem had voorgedaan hoe hij het gras moest afsnijden, maar dit

13


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

In De vlucht volgen we een jongen die wegloopt uit het afgelegen Spaanse dorp waar hij is opgegroeid. Vanaf de allereerste pagina voel je dat de verbetenheid en roekeloosheid waarmee hij deze radicale stap zet alleen maar kunnen voortkomen uit een enorme angst. Hoewel Carrasco pas aan het einde van de roman onthult wat de jongen precies is overkomen, is wel meteen duidelijk dat hij zich probeert te ontworstelen aan een leven vol vernedering, onderdrukking en geweld. Zo jong en onervaren als hij is, beseft hij onbewust dat hij recht heeft op de vrijheid en waardigheid die hem tot dan toe zijn ontzegd. Hij heeft echter nog nooit eerder zijn dorp verlaten en is volkomen onvoorbereid op de beproevingen die hem wachten. Hij heeft zich niet afgevraagd waar hij van moet leven, of hoe hij zijn weg zal vinden op de onherbergzame, stoffige, bloedhete hoogvlakte. Hitte, honger, dorst en uitputting eisen al snel hun tol. Wanneer hij een oude herder tegenkomt, staat hij voor een belangrijke keuze: alleen blijven, of zijn leven in handen van deze stuurse, zwijgzame man leggen. Vanaf het moment dat de herder en de jongen samen optrekken, vergezeld door de kudde geiten, de hond en de alomtegenwoordige, meedogenloze elementen, wisselen hoop en vertwijfeling elkaar in hoog tempo af. Is de oude man te vertrouwen, of zal hij de jongen verraden aan de mannen uit het dorp die naar hem op zoek zijn? En wat draagt de jongen in zich mee van het geweld waarmee hij in zijn jonge leven geconfronteerd is geweest?

Oog in oog met de wreedheid van zowel de mens als de natuur, verliest de jongen zijn jeugdige naĂŻviteit en onschuld. Hij ontdekt dat overlevingsdrang een mens tot het uiterste kan drijven, dat het onderscheid tussen goed en kwaad niet altijd eenvoudig te maken is, en dat hij over oneindig veel meer veerkracht beschikt dan hij ooit had kunnen vermoeden.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

14

THEMATIEK JĂŠsus Carrasco De vlucht

15


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

1 De auteur heeft ervoor gekozen om noch de jongen, noch

de herder een naam te geven. Waarom zou dat zijn?

2 In welke tijd speelt het verhaal zich af? Waar blijkt dat uit? 3 De herder toont de jongen geen enkele affectie en ge-

draagt zich kil en ongeïnteresseerd. Waarom vertrouwt de jongen hem toch? Heeft hij een keuze?

4 In de tekst op het boek staat dat het zich afspeelt in

‘een gesloten wereld, waar de moraal net als het water is weggespoeld’. Ben je het daarmee eens?

16

5 De natuur en de elementen spelen een zeer centrale rol in het verhaal. Welke functie vervullen die? 6 Op welk moment vermoedde je voor het eerst waarvoor

de jongen op de vlucht is? Klopte je eerste idee met wat er later aan het licht komt?

7 Waar komt de intense woede en wraakzucht van de

achtervolgers van de jongen uit voort?

8 Meerdere malen ziet de jongen de dood in de ogen. Valt

de dood te verkiezen boven het leven waaraan de jongen is ontsnapt?

9 Voelde je voldoening bij de afrekening aan het einde

van het verhaal? Kan iemand zo slecht zijn dat hij de dood verdient?

10 De herder, die als een kluizenaar leeft, lijkt de enige

goede, zuivere en onbaatzuchtige volwassene te zijn. De jongen ontsnapt uiteindelijk aan zijn lot door diens manier van leven over te nemen. Is de wereld waarin hij opgroeide zo ziek dat dit zijn enige kans is? Of zou hij er ook kunnen terugkeren?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

G ES PR E K S V R AGE N Jésus Carrasco De vlucht

17


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Tilt Max, een dertigjarige pokerprofessional, leeft en werkt volgens een strak geordend schema. Met zijn ‘tien dagen op en tien dagen af-systeem’, waarin hij zich op de been houdt met veel drank en drugs, hoopt hij aan de pokertafel zo snel mogelijk miljonair te worden. Maar zijn plan wordt in de war geschopt als hij wordt geveld door acuut leverfalen. Hij belandt machteloos in het ziekenhuis, waar al snel duidelijk wordt dat hij door zijn exorbitante levensstijl geen recht heeft op de noodzakelijke transplantatie. Max dreigt de controle over zijn leven te verliezen en probeert zichzelf te redden op de enige manier die hij kent: poker, maar dan met de mensen in zijn directe omgeving als speelkaarten. Er ontstaat een intrigerend machtsspel, met het leven van Max als inzet… Michiel Stroink (1981) studeerde Literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht en werkt als communicatietrainer. Hij debuteerde in 2012 met de roman Of ik gek ben, gebaseerd op zijn ervaringen als docent in een tbs-kliniek. Over Of ik gek ben: ‘Een mooi debuut. Stroink levert de ingrediënten voor een Nederlandse variant op One Flew Over the Cuckoo’s Nest.’ de vol k sk r a n t ‘Een origineel, bij vlagen aangrijpend debuut.’

h p / de t i j d

‘Een schrijnend verhaal dat lang blijft nadeinen in je hoofd.’ v i va PAPERBACK | 208 BLZ. | PRIJS €15,- | ISBN 978-90-290-8891-6 ISBN E-BOEK 978-94-6023-584-9

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

18

MIC H IEL S TRO INK

19


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Tilt Eigenlijk is het maar een smerige bende, dit casino. Gele muren die vast ooit wit waren met her en der posters van pokerlegendes. Stuk voor stuk karikaturen die er alles aan doen om op te vallen. Ze lijken te zeggen: ‘Fold nou maar gewoon, van mij kun je niet winnen.’ Chris ‘Jesus’ Ferguson met zijn perfecte baard en zijn cowboyhoed. Johnny Chan, winnaar van tien World Series armbanden, in zijn slonzige trainingspakje. Allemaal hebben ze hier ooit gezeten, aan deze tafels. Op deze viezige gele vloerbedekking, die stinkt naar rattengif en gemorst bier. Het leeuwendeel van de bezoekers is gedeeltelijk of helemaal werkeloos. Ze hopen op een laatste klapper waarbij ze teren op de succesverhalen die het casino ongetwijfeld zelf de wereld in stuurt. Kleine, grauwe mensen, die een beetje kromlopen van de problemen die ze met zich meedragen. Pissebedden krioelen in paniek door elkaar zodra je de steen optilt waaronder ze zich verschuilen. Tussen deze mensen is Max een opvallende verschijning. Hij loopt recht, dat in de eerste plaats, en op die manier lijkt hij bijna twee keer zo lang als zijn omgeving. Hij beweegt rustig, bijna zuinig. Zijn helblauwe ogen staan altijd wijd open en vallen door het contrast met zijn zwarte krullenbos extra op. De acnelittekens in zijn gezicht zijn helemaal weggetrokken en hij is één brok zelfvertrouwen. De meisjes van de vloer kennen hem goed. In het begin cirkelden ze om hem heen, maar inmiddels weten ze beter: hij is hier, net als zij, alleen maar om te werken. In de winter van 2011 stapte Max met dertigduizend euro uit de trein. Hij huurde een appartement in de buurt van het strand en was vastbesloten om van zijn stake in vijf jaar een miljoen te maken. Dat was zijn doel en het was haalbaar. Hij had een spartaans schema opgesteld. Hij speelde in sessies van honderd uur. Tien dagen onafgebroken en altijd tien uur per dag. Op die manier

kon hij met mathematische zekerheid zeggen dat het niet kon mislukken. Iedere honderd-uren-sessie verdiende Max gemiddeld bijna negenduizend euro. Het schema klopte, dat was alles wat telde. Na elke sessie had Max een herstelperiode nodig. Zijn lichaam en vooral zijn geest moesten ontwennen. Meestal had hij de eerste twee dagen koortsaanvallen, die hij te lijf ging met pijnstillers. Slapen lukte pas de derde nacht. De nachten ervoor spookten alle spelpatronen en mogelijke kaartcombinaties nog door zijn ijlende hoofd. Op dag vier kwam de honger. Op de muur naast de bank in zijn appartement had hij een gigantische collage van foldertjes van fastfoodrestaurants gemaakt. Postmodernistische kunst, maar voor Max bittere noodzaak. Na een overdadig vreetfestijn was hij klaar: afgekickt en clean. De dag erna zou hij weer doorbrengen in het casino. Max woonde in een van de mooiste steden van Europa, maar hij sloeg er geen acht op. Hij woonde voor zichzelf vooral in een rekensom. Vandaag speelt Max als een bezetene. Het is dag negen en hij heeft al veertienduizend euro verdiend. Alles lukt en hij heeft het spel, de tafel en zijn omgeving volledig in de hand. De enige bedreiging lijkt van zijn buurman te komen, een jongen van amper twintig. Hij speelt met een zonnebril, draagt een rode Yankees-pet en heeft een gigantische Samsung-koptelefoon op. Ze hebben ongeveer evenveel fiches, maar Max ziet aan alles dat deze jongen gewoon maar wat doet. Als je Texas Hold’em speelt, gaat het er vooral om dat je je tegenstander kunt laten geloven dat je geen bedreiging voor hem bent. Je speelt terughoudend als je goede kaarten krijgt en je speelt agressief als je denkt dat je tegenstander de kaart krijgt waarop hij wacht. Spelen met je tegenstanders door ze te laten denken dat ze met jou spelen. Een simpel machtsspelletje, en Max beheerst deze manipulatietruc als geen ander. Nu houdt hij een

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

20

M IC HIE L S TROINK

21


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

cepersoneel binnenkomt. Pas in het ziekenhuis komt hij weer bij. Hij ligt op de gang van de Spoedeisende Hulp op een bed met wieltjes. Links en rechts kreunen mensen van de pijn. Een man is met lange uithalen aan het huilen. Bij een computer staat een verpleegster rustig en onverstoorbaar te flirten met een arts. Overal klinken piepjes. Het overhemd van Max is vervangen door een papieren schort. Het is doorweekt van zweet. Een verpleger begint tegen hem te praten. ‘Het is ontzettend druk. We hebben geen plek hier en we weten niet wat er met u aan de hand is. Hebt u pijn?’ Max knikt en wijst naar zijn zij. ‘Wilt u iets tegen de pijn?’ ‘Ja graag,’ krijgt hij er met moeite uit. ‘We gaan verschillende tests doen. We gaan een foto maken en we gaan uw bloed testen. Wacht, dit kan even pijn doen…’ Tien uur later komt Max bij op de intensive care. De lage winterzon schijnt door het raam en door zijn hele kamer ziet hij kleine stofdeeltjes dwarrelen. In allebei zijn polsen zit een infuus. Max ziet het knopje waarmee hij de verpleging kan roepen, maar durft het niet aan te raken. De omgeving vervaagt en wordt onscherp, maar hij blijft strak naar de rode knop staren. Als hij, na een paar minuten, toch zijn ogen weer dicht moet doen, gloeit de rode gloed van het knopje nog een beetje na achter zijn oogleden.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

22

ruiten twee en een schoppen zeven in zijn handen; uitgesproken waardeloze kaarten. Hij ziet de jongen met de koptelefoon hoog inzetten. Die heeft ongetwijfeld een aas en een heer of een hoge pair. De dealer draait een twee, een aas en een zeven om; dat zijn de gemeenschappelijke kaarten, en ook al volgen er nog twee, Max weet nu al bijna zeker dat hij gaat winnen. Alleen van twee azen zou hij nog bang worden. Hij laat het initiatief aan de koptelefoon en gaat na de volgende kaart all-in. De jongen moet wel meegaan. Er ligt zesduizend euro op tafel en ze zijn voor Max, die zijn full house achteloos op tafel gooit. ‘Even pauze?’ Max kijkt naar de dealer en wijst naar de wc. Hij geeft de koptelefoon een hand. ‘Just bad luck,’ zegt Max tegen beter weten in. De wc is uitgestorven. Het is ook al laat. Max twijfelt of hij het laatste restje coke nog moet nemen. De tien uur zitten er voor vandaag bijna op, en wat heeft hij aan overtollige energie? Toch maakt hij het envelopje leeg, en terwijl het poeder door zijn neusgat zijn bloedbaan in gaat, voelt hij een gigantische steek in zijn zij. Hij klapt voorover van de pijn, maar die reflex werkt averechts, en een tweede, heftige steek zorgt ervoor dat hij geen adem meer krijgt. Hij probeert te slikken en te roepen, maar het lukt niet. De derde steek trekt hem onderuit, en net als een paar uur geleden belandt hij in de halfopgedroogde urine. Met een uiterste krachtsinspanning reikt hij naar het slot van de wc-deur, en in de opening ziet hij de jongen met de Samsung-koptelefoon staan. ‘Just bad luck?’ Een paar minuten later wordt Max weggedragen door het casinopersoneel. The show must go on. Ziek worden doe je maar ergens anders en in je eigen tijd, lijken ze te denken. Max kan niet tegenstribbelen en ze tillen hem naar de spoelkeuken, waar hij in een oude bank in de rokershoek wordt gezet. De steken worden steeds heftiger. Max is niet meer bij bewustzijn als het ambulan-

23


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Voor Max is controle het grootste goed. Hij leeft en werkt als pokerprofessional volgens een strak geordend schema. Met zijn ‘tien dagen op en tien dagen af-systeem’ hoopt hij aan de pokertafel zo snel mogelijk miljonair te worden, om daarna volledig onafhankelijk te zijn van alles en iedereen. Maar zijn extreme levensstijl eist te veel van zijn lichaam en hij wordt geveld door acuut leverfalen. In het ziekenhuis lijkt Max ten dode opgeschreven te zijn. Hij probeert zichzelf te redden op de enige manier die hij kent: het manipuleren van de mensen in zijn omgeving, net zoals hij dat bij het pokeren gewend is. Er ontstaat een intrigerend machtsspel met het leven van Max als inzet. De andere personen aan ‘de pokertafel’ spelen hierin de hoofdrol: een hypersensitieve verpleegster die zich in haar onzekere leven pas mens voelt als ze zich kan laten gebruiken; de plaatselijke jurist die zich door zijn midlifecrisis heeft laten afdrijven naar een plek waarin zijn eigen identiteit niet meer bestaat; een voyeuristische radiologe die haar eigen bestaan heeft weggecijferd en uitsluitend vervulling vindt in het begluren van andere levens; en een narcistische hoofdchirurg die zich almachtig waant en op geen enkele manier concurrentie of tegenspraak duldt.

De personages die Stroink opvoert zijn allesbehalve normaal. Scherpe karikaturen bewegen zich door het doolhof dat het academisch ziekenhuis is en beïnvloeden elkaar, of dat nu de bedoeling is of niet. Ieder probeert op zijn eigen manier controle over zijn leven te krijgen of te houden – maar of dat überhaupt mogelijk is zal de grote vraag blijken te zijn… In Tilt schrijft Stroink over macht en angst, manipulatie en identiteit en het speelveld tussen die extremen dat het toneel vormt voor het dagelijks leven.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

24

TH E M ATIE K Michiel Stroink Tilt

25


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

1 Max is een professioneel pokerspeler. Welke rol is voor

hem weggelegd en waarom is daar in dit verhaal voor gekozen?

7 Welke rol speelt Vier in dit verhaal? 8 Wie van de personages heeft de meeste en wie de min-

ste controle over zijn levensloop?

2 Het is moeilijk om je als lezer te vereenzelvigen met

een van de personages. Wat is het resultaat hiervan?

9 Kun je de rol van Dolores verklaren?

3 Met welk personage had je als lezer de meeste affini-

10 Er is een tegenstelling tussen ‘in het ziekenhuis’ en

4 Het ziekenhuis speelt een hoofdrol in het boek. Hoe

11 Hoe staat de epiloog in verband met de thematiek van

teit? En waarom?

wordt het neergezet en waarom?

26

‘buiten het ziekenhuis’. Kun je deze uitleggen?

het verhaal?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

G ES PR E K S V R AGE N Michiel Stroink Tilt

27

5 De personages verhouden zich op een bepaalde manier tot elkaar. Hoe, en wat was het effect daarvan op jouw lezing? 6 Omschrijf de structuur van het boek. Waarom is hier-

voor gekozen door de schrijver?


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De bleke koning De werknemers van een belastingkantoor in Peoria, Illinois, komen in eerste instantie redelijk normaal over op David Wallace. Als tijdelijke kracht maakt hij zijn entree op een moment dat de directie hun ook het laatste greintje menselijke waardigheid dat het werk te bieden heeft wil afnemen. Wanneer hij zich met de moed der wanhoop onderdompelt in de geestdodende routine ontdekt hij met welke uitzonderlijke persoonlijkheden hij op kantoor zit. De bleke koning was nog niet voltooid toen David Foster Wallace overleed. Het is een originele, hilarische en onverschrokken roman, die belangrijke vragen aansnijdt door middel van krachtige personages. De bleke koning dwingt in alle opzichten grote bewondering af. David Foster Wallace (1962-2008) geldt als een van de meest getalenteerde en opwindende auteurs van zijn generatie. Zijn oeuvre omvat naast verhalen en essays de kapitale, meesterlijke roman Infinite Jest (1996). ‘Betere boeken zullen dit jaar niet uit het graf herrijzen.’ K N AC K F O C U S

‘Briljante literatuur.’ D E

G RO E N E A M S T E R DA M M E R

‘Een intrigerende lofzang op de verveling.’ D E

VO L K S K R A N T

‘Een geniale satire op de Amerikaanse cultuur.’ 8 W E E K LY. N L GEBONDEN MET STOFOMSL AG | 608 BLZ. | PR IJS €39,95 ISBN E-BOEK 978-94 - 6023-395 -1 ISBN 978-90 -290 -8764 -3

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

28

DAV ID FO S TER WAL L AC E

29


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De bleke koning Het is zo’n jongen die de feloranje bandelier omdoet en de kinderen uit de lagere klassen veilig over het zebrapad naar school loodst, maar niet voordat hij in de binnenstad zijn tafeltje-dekje-ontbijtronde heeft afgewerkt bij een liefdadigheidsinstelling voor bejaarden, waar de directrice opspringt om haar deur op slot te doen zodra ze de wieltjes van zijn trolley in de gang hoort. Uit eigen zak heeft hij het metalen fluitje betaald en de witte handschoenen die hij in de richting van de auto’s de lucht in steekt, handpalm vooruit, terwijl kinderen die zich niet zelf hebben aangekleed achter hem oversteken; een paar proberen er te hollen, ondanks het rustig oversteken!! op het sandwichbord met de smiley dat hij ook zelf heeft gemaakt. Hij zwaait naar de auto’s waarvan hij de bestuurders kent, roept af en toe een bemoedigend woord en glimlacht nog breder als het zebrapad weer vrijkomt en de auto’s optrekken, doorjakkeren en soms voor de grap opeens uitwijken en hem op een haar missen, waar hij dan om lacht, opzij springt en gezichten van geveinsde doodsangst trekt naar de flanken en achterbumpers. (De keer dat die stationwagen hem niet miste was écht een ongeluk, en hij heeft die mevrouw verschillende briefjes gestuurd om er absoluut zeker van te zijn dat zij wist dat hij dat wel begreep, en een heleboel mensen met wie hij helaas nog geen vrienden had kunnen worden vroeg hij hun handtekening op zijn gips te zetten, en hij besteedde veel zorg aan de versiering van zijn krukken, met gekleurde linten, slingers en plakglitter, en nog voordat de periode van minstens zes weken die de onverbiddelijke dokter hem had voorgeschreven verstreken was, schonk hij de krukken aan de afdeling Pediatrie van het Calvin Memorial Hospital om zo het herstel van een ander, minder fortuinlijk en gelukkig kind wat kleur te geven, en uiteindelijk inspireerde het hem tot het schrijven van een heel

lang opstel voor de jaarlijkse Opstelwedstrijd voor Maatschappijleer, over hoe zelfs een pijnlijke en slepende blessure als gevolg van een stom ongeluk nieuwe mogelijkheden biedt vrienden te maken en iets voor een ander te betekenen, en dat zijn opstel niet won en zelfs geen eervolle vermelding kreeg, dat kon hem eerlijk gezegd niets schelen, omdat hij het schrijven van het opstel op zich al als een beloning had beschouwd en enorm veel had geleerd van de negen versies die hij had gemaakt, en hij was oprecht blij voor de kinderen die met hun opstel in de prijzen vielen, en hij zei hun dat hij er meer dan honderd procent zeker van was dat ze het verdienden, en dat hij, als ze hun winnende opstel wilden bewaren of misschien zelfs inlijsten voor hun ouders, best bereid was het uit te typen en te lamineren en er zelfs eventuele spelfouten uit te halen als ze dat graag wilden, en thuis legt zijn vader een hand op de schouder van de kleine Leonard en zegt dat hij trots is dat zijn zoon zo’n goeie jongen is, en stelt hem als beloning een softijsje in de Dairy Queen voor, waarop Leonard zijn vader bedankt en zegt dat het gebaar heel veel voor hem betekent, maar tevens te kennen geeft dat hij het eerlijk gezegd nog meer zou waarderen als ze het geld dat zijn vader anders aan de ijsjes zou besteden aan Voor het Gehandicapte Kind konden doneren, of beter nog, aan Unicef, om de door hongersnood getroffen kinderen in Biafra te steunen, van wie hij heel zeker weet dat ze nog nooit van softijs gehoord hebben, en zegt dat hij durft te wedden dat dat hun uiteindelijk een nog beter gevoel zal geven dan een bezoekje aan de DQ. En als de vader de munten in de gleuf van de speciale feloranje kartonnen Unicef-spaarpompoen stopt, neemt Leonard de gelegenheid te baat zijn zorgen te uiten over zijn vaders gelaatstic en hem plagerig te wijzen op zijn koppige weigering bij hun huisarts langs te gaan, en hij merkt nog maar eens een keertje op dat vader volgens de tabel die aan de binnenkant van zijn slaapkamerdeur hangt drie maanden te laat is voor zijn jaarlijkse check-up en bijna acht maanden voor zijn

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

30

DAV I D F OS TE R WAL L ACE

31


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

mer van het gasbedrijf te bellen (dat hij uit het hoofd kent), zodat ze voordat een ander familielid wordt blootgesteld aan het risico van een huis-tuin-en-keukenongeluk kunnen komen kijken naar wat best eens een kapotte klep of schakeling in de oven zou kunnen zijn, en ook (in het grootste geheim) te werken aan een grandioos vertoon van vlaggetjes en vaantjes en borden met welkom thuis en de liefste mama van de hele wereld die hij met behulp van de uitschuifbare ladder uit de garage (welteverstaan onder toezicht van een volwassene uit de buurt die ook de ladder vasthoudt) heel voorzichtig met wateroplosbare lijm aan de gevel van het huis wil bevestigen om zijn moeder feestelijk te verwelkomen als ze is ontslagen uit de intensive care en volkomen genezen verklaard. Via de munttelefoon op de ic-afdeling belt Leonard herhaaldelijk met zijn vader om hem ervan te verzekeren dat hij er niet aan twijfelt dat ze volledig zal herstellen; precies om elk heel uur belt hij hem op, totdat er in de munttelefoon een mechanisch defect optreedt en hij alleen nog maar een hoge pieptoon hoort als hij het nummer belt, wat hij plichtsgetrouw doorgeeft aan het speciale storingsnummer van de telefoonmaatschappij, inclusief de specifieke achtcijferige productlocatiecode van de munttelefoon (die hij heeft opgeschreven; je weet immers maar nooit), zoals in de kleine lettertjes met technische info over het storingsnummer helemaal achterin het telefoonboek wordt aangeraden voor een snelle en efficiënte service. Hij beheerst verschillende varianten kalligrafisch schrift, is (twee keer) op origamikamp geweest, maakt uit de losse pols indrukwekkende schetsen van de lokale flora, fluit de zes Nouveaux Quatuors van Telemann uit het hoofd en kan praktisch elk vogelgezang imiteren, zelfs van exemplaren uit Audubons stoutste dromen. Af en toe schrijft hij educatieve uitgeverijen aan over mogelijke categoriefouten en/of syntactische onzorgvuldigheden in hun schoolboeken. En dan hebben we het nog niet eens over zijn prestaties bij spellingwedstrijden. Van gewoon kran-

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

32

aanbevolen tetanusherhalingsvaccinatie.) Tijdens het eerste en tweede uur is hij gangsurveillant (qua credits ligt hij een halfjaar voor op de anderen), maar hij deelt veel vaker officiële waarschuwingen uit dan daadwerkelijke berispingen – hij is er om te helpen, vindt hij, niet om anderen te kleineren. Bij een waarschuwing glimlacht hij meestal dat je in je leven maar één keer jong bent en er dus maar beter van kunt genieten – en nu wegwezen, en maak er wat van als het even kan. Hij collecteert voor Unicef en voor Voor het Gehandicapte Kind en start in drie opeenvolgende klassen een recyclingproject op. Hij blaakt van gezondheid en zorgt ervoor dat hij altijd netjes voor de dag komt, omdat hij vindt dat hij zo beleefdheid en respect toont voor de gemeenschap waar hij deel van uitmaakt. In de klas steekt hij keurig bij iedere vraag zijn vinger op, op voorwaarde dat hij niet alleen zeker is van het antwoord, maar ook van de manier waarop de juf hoopt dat het antwoord geformuleerd wordt, zodat de uitwerking van het centrale thema die dag optimaal kan verlopen, en vaak blijft hij na lestijd nog even na om bij de juf te informeren of zijn inschatting van de achterliggende leerdoelen correct was en haar te vragen of zijn antwoorden in de les op bepaalde punten beter of nuttiger hadden kunnen zijn. De moeder van de jongen raakt levensgevaarlijk gewond bij het schoonmaken van de oven en wordt in allerijl naar het ziekenhuis overgebracht, en hoewel hij waanzinnig bezorgd is en blijft bidden dat haar toestand zal stabiliseren en ze spoedig zal herstellen, biedt hij aan thuis te blijven en de telefoon ter hand te nemen om een alfabetisch opgestelde lijst van kennissen en bezorgde vrienden van de familie op de hoogte te houden, de post en de krant tijdig uit de brievenbus te halen, de lichten in huis ’s nachts in willekeurige volgorde aan en uit te doen (een wijze raad die agent Chuck heeft gegeven in het kader van een educatief misdaadpreventieprogramma van de staat Michigan voor het geval de ouders plotseling worden weggeroepen), het storingsnum-

33


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

TH EMATIEK David Foster Wallace De bleke koning Een roman over belastingen, heroïek en getekende levens De bleke koning speelt zich af in het verpauperde stadje Peoria, gelegen in het Amerikaanse Midden-Westen. Daar bevindt zich een Regionaal Controlecentrum van de Amerikaanse belastingdienst, de IRS. Wat voor mensen werken daar? In ieder geval het soort dat een grote mate van eentonigheid verdraagt, en er niet voor terugschrikt ondankbaar werk te doen. Ze hebben namen als Lane A. Dean jr., Leonard Stecyk, Tony Ware en Meredith Rand. In de afzonderlijke hoofdstukken lees je over hun pijnlijke, hilarische, al te menselijke verhalen. Zo moest Lane Dean al op zeer jonge leeftijd een gezin stichten met een meisje dat hij hogelijk waardeerde, maar op wie hij niet verliefd was. En Tony Ware leidde als kinds een nomadisch bestaan met een moeder die nauwelijks voor zichzelf kon zorgen, laat staan voor haar dochter. Al die levens komen samen in Peoria, samen met de auteur van de roman, David Wallace, die genoodzaakt is een jaar bij de belastingdienst te werken. Hem wordt al snel duidelijk hoe complex het werk is, en welke onbetekenende rol hij daarin te vervullen heeft, terwijl op de achtergrond een strijd woedt die het functioneren van de belastingdienst fundamenteel zal veranderen. David Foster Wallace stapte uit het leven voordat hij deze grootse roman kon voltooien. Zijn vaste redacteur Michael Pietsch was verantwoordelijk voor de samenstelling van het boek. Hoewel alle hoofdstukken een voltooide indruk maken, bevat de roman geen ontknoping. Nu was dat evenmin

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

34

tenpapier kan hij meer dan twintig verschillende soorten admiraals-, cowboy-, priester- en multi-etnische hoeden fabriceren, en hij biedt aan bij de kleuterklassen langs te gaan om het ook aan de kleintjes te leren, een voorstel dat de directeur van de lagere school Carl P. Robinson zegt op prijs te stellen, maar waar hij uiteindelijk na ampel beraad toch niet op in kan gaan. De directeur heeft een bloedhekel aan het joch, maar kan niet precies zeggen waarom. Hij ziet hem in zijn slaap, aan de schimmige randen van zijn nachtmerries – dat gesteven ruitjeshemd, die strakke scheiding in zijn haar, die sproeten en die ijverige, gulle glimlach: alles wil hij voor je doen. De directeur stelt zich voor hoe hij in Leonard Stecyks kiene gezichtje een vleeshaak ramt en de jongen op zijn buik achter zijn Volkswagen Kever meesleept over de ruwe, pas geasfalteerde wegen van de buitenwijken van Grand Rapids. De fantasieën komen telkens uit het niets opzetten en vervullen de directeur, een devoot mennoniet, met afschuw. Iedereen haat het joch. Het is een complexe haat, een haat die er vaak voor zorgt dat de haatdragenden zich gemeen en schuldig voelen, een haat waardoor ze zichzelf gaan haten omdat ze zulke gevoelens koesteren voor zo’n talentvolle jongen, die het bovendien zo goed bedoelt, en omdat hij een dergelijke zelfhaat opwekt, gaan ze de jongen ongewild nog meer haten. Het is allemaal ontzettend naar en verwarrend. Er wordt flink wat aspirine geslikt als hij in de buurt is. Zijn enige echte vrienden zijn de kwetsbaren, de gehandicapten, de dikzakken, de muurbloempjes, de non-grata – hij weet ze te vinden.

35


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

GESPREKSVRAGEN David Foster Wallace De bleke koning 1 De meeste personages in De bleke koning die bij de Ameri-

kaanse belastingdienst (de IRS) gaan werken hebben een moeilijke jeugd gehad. In welke zin zou dat van belang kunnen zijn? Waarom worden juist zij aangetrokken door de IRS en het specifieke werk dat daarbij komt kijken?

2 Op een zeker moment in de roman worden de belastin-

gambtenaren van de IRS als helden omschreven (p. 149): ‘Het soort dat alleen maar aan heroïek leek te winnen omdat niemand applaudisseerde of zelfs maar aan hen dacht, en deden ze dat wel, dan meestal op een vijandige manier ... Het stille type, snap je, het type dat opruimt en het vuile werk opknapt.’ Ben je ook van mening dat het werk dat de IRS-werknemers verrichten heroïsch is?

3 ‘Voor hetzelfde geld was [mijn vader] zo’n type dat, zoals

veel van zijn generatiegenoten, gewoon doorgaat op de automatische piloot. Bepaalde zaken moeten nu eenmaal

gebeuren, vond hij, die moest je gewoon doen – zoals iedere dag naar je werk gaan bijvoorbeeld.’ (p. 217) Wat is het verband tussen deze passage in §22 en de beslissing van Chris Fogle om accountant te willen worden? Denk je dat voorgaande generaties een andere houding ten opzichte van hun werk en een ander verantwoordelijkheidsbesef hadden dan vandaag de dag het geval is? 4 De bleke koning werd geschreven vóór de financiële crisis

van 2008 en speelt zich af in de jaren tachtig van de vorige eeuw. In welke zin raakt de roman toch hedendaagse kwesties aan? Welk thema heeft je het meest aangegrepen?

5 De persoonlijke verhalen van individuele werknemers

vormen het hart van De bleke koning. Door hen leren we de bureaucratische machinerie van de IRS kennen. Waarom heeft de auteur er volgens jou voor gekozen om meerdere personages te volgen in plaats van één bepaalde werknemer? Wat zijn hun verschillende reacties op de eentonigheid van het werk? Heb je zelf ooit het gevoel gehad een klein radertje te zijn binnen een groter instituut of grotere organisatie? Zo ja, wat deed je om toch je individualiteit te behouden? Hoe reageren de personages in de roman?

6 Bespreek de geesten die rondspoken in het filiaal van de

IRS in Peoria en de bovennatuurlijke gaven waarover sommige personages beschikken; denk aan levitatie (Shane Drinion), het aangeboren vermogen willekeurige feiten te zien (Claude Sylvanshine) en bovenmenselijke concentratie (de ‘immersionisten’). Waarom zien de verschillende

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

36

het geval in Wallace’ vorige roman, het meer dan duizend pagina’s tellende Infinite Jest. Lezers moeten in beide romans zelf de verhaallijn reconstrueren. David Foster Wallace heeft gezegd dat de hoofdstukken van De bleke koning als een wervelwind op de lezer zouden afkomen – het soort tornado’s dat jaarlijks het Midden-Westen teistert. Deze werveling van woorden laat je op de laatste bladzijde met één vraag achter, namelijk: ‘Wat was dit?’ Een betere aansporing om het boek nóg een keer te lezen is er niet.

37


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

7 In het boek wordt vaak de rol van individuele keuzes en

van regulering en regels ter sprake gebracht. Dat gebeurt met name in §19, een hoofdstuk over burgerschap, het bedrijfsleven en de overheid. Wat zou volgens jou de rol van de overheid moeten zijn? In welke zin verschilt de verantwoordelijkheid van een individu van dat van een bedrijf? Vind je dat ieder individu een zekere mate van verantwoordelijkheid draagt ten opzichte van de groep?

11 In de lezing Dit is water schreef David Foster Wallace dat

de enige manier om je eigen zelfgerichte gedachten te doorbreken en een vorm van geluk te vinden bestaat in het vermogen om te gaan met de dagelijkse eentonigheid en de saaie momenten van het leven. Op welke manier wordt dit thema in De bleke koning verwerkt? Zijn er personages die hierin slagen? Ervaart bijvoorbeeld Shane Drinion een dergelijk geluk terwijl hij naar Meredith Rand luistert? Zo ja: waarom?

8 David Foster Wallace heeft bij het schrijven van De ble-

ke koning veel research gedaan naar accountancy en de Amerikaanse belastingwetgeving. Zijn je ideeën over het betalen van (inkomsten)belasting veranderd nadat je de roman had gelezen? Is je mening over belastingambtenaren en het werk dat ze doen nog dezelfde als vroeger? Zo ja, voel je je nu sterker verbonden met die onzichtbare krachten die je aangifte helpen verwerken?

9 ‘Als je één ding leert bij Routine, dan is het wel hoe on-

georganiseerd en onoplettend de meeste mensen zijn en hoe weinig aandacht ze schenken aan wat er buiten hun eigen kleine luchtbel gebeurt.’ (p. 182) Wat zegt deze uitspraak van Chris Fogle in §22 over de menselijke natuur? Ben je het met hem eens?

10 Er komen veel voorbeelden van verveling, eentonigheid

en monotone herhaling in de roman voor – denk aan de passages waar een auto vastzit in het verkeer of waar col-

12

In §22 vergelijkt Chris Fogle zijn ontdekking van de accountancy met de religieuze ervaring die een gelovige vriendin van zijn flatgenoot heeft. Hij zegt hierover: ‘Ik denk dat het gewoon onmogelijk is om een enorme, plotselinge, ingrijpende en onverwachte ervaring die je leven helemaal op zijn kop zet in woorden te vatten of aan iemand anders uit te leggen.’ (p. 241) Heb je zelf ooit geprobeerd een dergelijke ingrijpende ervaring te beschrijven aan iemand anders? Denk je dat het mogelijk is zo’n ervaring uit te leggen? Slaagt ‘Irrelevante Chris’ er volgens jou in zijn bekering toe te lichten?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

38

lega’s opgesloten zitten in een kapotte lift. In §44 wordt beweerd: ‘[Het vermogen onverveelbaar te zijn] is de sleutel tot het moderne leven. Ben je immuun voor verveling, dan is er werkelijk niets wat je niet kunt bereiken.’ (p. 487) Wat wordt hiermee bedoeld? Is verveling noodzakelijk een deel van het leven? Is je omgang met verveling bepalend voor de liefde, vreugde, zingeving en succes? En, ten slotte: waarom is De bleke koning, dat onder meer over verveling gaat, zelf allesbehalve een vervelend boek?

controleurs verschillende soorten schimmen? Waarom zou David Foster Wallace over dergelijke fenomenen schrijven in een voor de rest behoorlijk realistische roman?

39


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De mooiste kleur die niet bestaat Hoe vrij is een leven waarvoor je de beslissende keuzes maakt op een leeftijd waarop je nog nauwelijks weet wie je bent, op een doordeweekse dag… maar wel een dag waarop je grootste illusie aan diggelen sloeg? Dat zijn de vragen waarmee de jonge Oost-Berlijnse Julia wordt geconfronteerd als ze eind jaren zeventig naar het Westen vlucht en haar oude leven achter zich probeert te laten. De mooiste kleur die niet bestaat is een indringende roman over vrijheid en keuzes, over oude liefde en moederliefde, over waarheid versus illusies tegen de achtergrond van de Berlijnse Muur. Maartje Laterveer (1976) studeerde Franse Taal- en Letterkunde in Nijmegen en Parijs. Ze werkt als freelancejournalist in Amsterdam. De mooiste kleur die niet bestaat is haar debuutroman. Kijk ook op www.maartjelaterveer.nl. ‘Goed geschreven en goed gedocumenteerd.’ N RC H A N D E L S B L A D

‘Een ademend, levend verhaal bevolkt door radeloze mensen. Iedereen die een weekend of weekje Berlijn op de agenda heeft staan, moet dit mooie boek lezen.’ L I B E L L E

PA PER BACK MET FL A PPEN |224 BLZ. | PR IJS €18,95 ISBN E-BOEK 978-94 - 6023-391-3 ISBN 978-90 -290 -8860 -2

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

40

MA ARTJE L ATERVEER

41


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De mooiste kleur die niet bestaat Oost-Berlijn, oktober 1990, Mulackstraße Julia strekt haar arm uit naar links. Ze rolt zich op en trekt het laken over zich heen. Haar neus vangt haar eigen warmte zonder iets te ruiken, want er is niemand wiens geur zich met de hare vermengt. Het bed is leeg. Zo leeg als drieëntwintig jaar geleden, toen Gudrun niet op haar vertrouwde plek lag, tegen Julia’s rug, niet in de kamer stond of zat of liep – dat wist Julia al zonder wakker te worden en haar hoofd boven de dekens te steken – niet in de gang, niet in de badkamer, niet in huis. Gudrun was niet in huis; die zekerheid rolde zich met elke seconde die Julia wakkerder werd steviger om haar keel, om daar nooit meer helemaal weg te gaan. Daglicht dringt door het dunne laken. Ze sluit haar ogen. Nog niet wakker worden. Nog even niet. Ze hoort Frida stommelen aan de andere kant van de muur. Julia ziet voor zich hoe haar moeder van haar bed naar de wastafel naar de kast loopt, haar dunne benen in sloffen. Ze was een oude vrouw in de deuropening gisteren, bleek en teer, alsof ze elk moment in lucht kon oplossen. Haar blik was leeg, alsof ze werkelijk geen gedachte kon plakken op het feit dat haar jongste dochter na al die jaren voor de deur stond. Julia herkende de blik, de herinnering was vers als een open schram. Het was dezelfde blik waarmee haar moeder haar aankeek toen ze elkaar voor het eerst weer zagen, zeven jaar geleden. Frida was oud geworden, oud genoeg om naar West te mogen reizen, oud genoeg om Julia met een schok te doen beseffen dat een heel mensenleven hen scheidde. Een heel nieuw leven dat zij had opgebouwd in het Westen, een leven waar haar moeder niets van wist behalve de feiten: Julia woont in Amsterdam, ze is getrouwd

met Ysbrand, heeft een zoon die Olivier heet, werkt als journalist bij een groot Nederlands dagblad. Punt. En na de punt niets. Een klik in de hoorn, gaten in brieven geknipt, ansichtkaarten die nooit aankwamen. Gevaar, ongrijpbaar als lucht, maar aanwezig in elk woord dat niet werd gezegd. Vanaf het moment dat de trein uit Berlijn door de statige stenen bogen het station van Amsterdam binnenrolde, een vaalgroene kolos die piepend tot stilstand kwam, zocht Julia naar woorden. De laatste keer dat ze Duits had gesproken, was toen Olivier nog een baby was. Sinds zijn eerste woordje sprak Julia Nederlands met hem, dat leek Ysbrand beter. Julia ook, nog steeds. Maar ze weet nog hoe ze daar stond op dat perron en zocht, koortsachtig, naar klanken, zinnen, de juiste toon, het juiste woord. Haar moedertaal. En hoe de treindeuren zich onverbiddelijk openden, hoe Frida daar stond, bewegingloos, met een koffer in de hand, mensen die links en rechts langs haar schuurden, de wenkbrauwen gefronst omdat de oude dame niet in beweging kwam, niet uitstapte, alleen maar daar stond en naar haar dochter staarde, niet eens naar haar kleinzoon van drie jaar oud die al dagen op oma Berlijn wachtte en nu wegkroop achter Julia’s hand. Kom, mama, stap maar uit, zet een voet voor de andere en stap over de afstap, die muurhoge afstap, laat los die Duitse grond onder je voeten, laat hem achter je wegrijden, gauw, kom maar, je bent in West. Julia wilde het wel zeggen, of iets in elk geval, iets wat die vaalgroene kolos sneller zou doen verdwijnen, terug naar het voltooide verleden, maar ze verstomde tegenover die blik. Frida keek alleen maar, en gaf nog geen teken van herkenning, alsof ze met onmiddellijke inrekening gestraft zou worden als ze zou glimlachen naar de dochter die ze vier jaar niet had gezien, de kleinzoon die ze nog nooit had gezien. Frida zag er toen al grijs uit. Grijzer dan de mensen om haar heen, grijzer dan de lucht, die somber was voor een septembermorgen. Het zat hem niet eens in haar haar, dat was nog blond, en het zat

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

42

MA ARTJE L ATERVEER

43


Dus wat had ze verwacht? Toch trof de matheid in Frida’s blik Julia gisteren net zo hard als de Berlijnse kou. Ze was hem niet vergeten, die kou, maar kennelijk was ze wel vergeten hoe die voelde, telkens weer scherper dan je verwacht, harder dan je aankunt. Net zo hard boorde de blik van Frida alle verwachtingen die Julia misschien had over dit nieuwe weerzien de grond in, ze voelde bijna hoe de glimlach van haar gezicht gleed en wegvloeide, door haar voeten over de mozaïektegels van het trappenhuis die net deden of het vooroorlogse achterhuis heel chic was. ‘Ik ben er,’ had Julia nogal overbodig uitgebracht.

| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Ze had in Frida’s ogen een antwoord gezocht, maar het enige wat ze las was dat het herfst was. Een harde stilte was sinds die ene dag in oktober 1967 altijd Frida’s reactie op de herfst die kwam en weer zou gaan. ‘Dit wordt de eerste herfst zonder Gudrun, mam,’ had Julia aanvankelijk nog geprobeerd. Haar moeder had gezwegen. ‘De eerste lente.’ Een blik, maar verder geen woord. ‘Mama, het is een jaar geleden.’ Nu nog minder dan vroeger begrijpt Julia waarom haar moeder haar toen een klap gaf. Het was het begin van hun eigen koude oorlog. Of misschien was voor Frida de oorlog wel al eerder begonnen. Zes jaar eerder, op die bewolkte zondag in augustus waarop hun vader zijn werktas volpropte met boeken en zei dat hij naar de universiteit ging. Maar de universiteit is dicht, zei Gudrun nog. Dat weet ik, zei hun vader. En hij gaf haar een zoen op het haar. Dat weet Julia nog, omdat ze het raar vond. Normaal gaf hij hun nooit een zoen op het haar als hij naar zijn werk ging. Maar nu gaf hij haar ook een zoen en hij zei tot gauw en toen hij bij de deur stond, keek hij om naar hun moeder. Een tel lang. Toen draaide hij zich om en hij sloot behoedzaam de deur achter zich, alsof hij er geen enkel geluid mee wilde maken. Alsof hij net wilde doen of hij niet ging, dacht Julia, maar ze zou niet weten voor wie hij dat dan had willen doen. Er was in de kamer niemand die hij voor de gek kon houden. Julia durft nog steeds niet met zekerheid te zeggen dat Frida haar dochters niet verantwoordelijk heeft gehouden voor het vertrek van hun vader. Het was hun schuld dat zij in Oost moest blijven. Dat zij niet met hem mee kon om in West zomaar een nieuw leven te beginnen. Of waarschijnlijk liever nog, als het aan hun

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

44

hem evenmin in haar gestalte, die fier rechtop stond en zelfs dikker was dan Julia zich herinnerde. Het was haar gelaat, waarvan de trekken zo flets waren dat ze in elkaar over leken te lopen. En het waren haar kleren, haar mantel van een ondefinieerbare kleur als een zak om haar al even vale jurk, haar stappers met spekzolen, de kuiten als twee stoelpoten onder de rok van haar jurk. Onwillekeurig kromp Julia van schaamte, alsof ze een tiener was op een feestje waar haar moeder ongevraagd kwam aanzetten om haar dochter op te halen en en passant voorgoed de sluier over dier imago te lichten. Pas later zou Julia beseffen dat het niet haar kleren waren, niet haar gelaat. Het was de omgeving die haar grijs maakte, de stad Amsterdam die haar paste als een twee maten te grote jas in een kleur die te fel was. Frida zou er vaker komen, best regelmatig zelfs; ze zou geen verjaardag van Olivier overslaan en Julia zou nog verbaasd staan om de lach die haar zoon bij haar moeder wist los te peuteren. Maar ondanks die lach, en ondanks alle twinsets en rokken in lila en perzikoranje die Julia voor haar moeder kocht in dure winkels in de Van Baerlestraat, zou Frida er in de straten van Julia’s nieuwe thuisstad altijd bij lopen als een verweesde schim.

45


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Julia slaat het laken van zich af en pakt haar sigaretten van het nachtkastje. De nicotine trekt haar gehemelte droog. Smerig vindt ze het, zeker ’s ochtends wanneer haar smaakpapillen nog niets te verduren hebben gehad. Een strook licht, flets als van een dag die geen zin heeft te beginnen, valt op de stoel voor het bureau, bruin hout met een metalen draaipoot. De stoel staat schuin gedraaid, alsof er net iemand van is opgestaan en er zo weer op zal plaatsnemen. Recht ertegenover aan de andere muur stond vroeger Julia’s bureau. Het was het enige wat ze bij de straat hadden gezet, diezelfde oktoberdag nog, met de catalogus en haar potloden in de laatjes. ‘Weet je het zeker?’ had Alexander gevraagd. Ze had geknikt, en hem later, jaren later, kwalijk genomen dat hij niet beter had geweten. ‘Hoe kon ik weten dat die catalogus zo belangrijk voor je was,’ had hij rustig als altijd geantwoord, ‘ik wist niet eens van het bestaan ervan.’ Het klopt. Hij wist toen nog niets van haar. Het was instinct dat haar naar hem had gestuurd. Op school zat hij een bank achter haar, en zijn ogen over haar schouder waren de enige die ze als geruststellend ervaarde, waarom wist ze zelf ook niet. Het enige wat ze wist, al op het moment dat Frau Müller de klas binnenkwam om haar eruit te pikken, was dat ze niet mee wilde, naar boven de stenen trappen op, de kille gangen door, na twee keer kloppen van Frau Müller de deur door van de directeur. Ze wilde blijven zitten waar ze was, in dezelfde ruimte als Alexander, die rustig inademde, uitademde, zijn potlood in zijn rechterhand hield om aantekeningen te maken, zoals hij had gedaan voor Frau Müller binnenkwam en zoals hij zou doen wanneer ze weer weg was. Ze

wilde niet mee, niet mee met de twee agenten, het schoolgebouw uit, de auto in, naar hun achterhuis, waar hun moeder aan de keukentafel zat met twee andere agenten. Zodra ze konden, joegen haar benen haar weg, de keuken uit, het huis uit, de trappen af, de deur uit, de straat over, de Alte Schönhauser, de Prenzlauer Allee, helemaal naar Alexanders huis, waar natuurlijk niemand thuis was en ze met kloppende kuiten op het stoepje zakte. Julia scheurt een hoekje van haar sigarettenpakje en tikt de as erop. Ze trekt het laatje van het nachtkastje open en wurmt de foto los die nog steeds onder het bovenblad zit geplakt. Twee cognacbruine ogen kijken haar aan. Alexander draagt de gestreepte trui die zij op een lege zondag voor hem had gebreid. Voor een buitenstaander, iemand die hem niet kent en niet weet waar bij hem de twinkeling in zijn ogen zit, in de vlekjes die oplichten, verraadt niets in zijn blik wat hij haar even tevoren heeft ingefluisterd. Ze keert de foto om en ziet de onzichtbare woorden die hij er niet op had durven schrijven. Als ze wil, voelt ze ze nog kietelen langs haar oorschelp. Toen Alexander de straat in kwam fietsen, wist hij het al. Ze zag het aan zijn ogen, en aan de manier waarop hij zijn fiets neergooide voor zijn voeten de grond raakten. Frau Müller was het vast in de klas komen vertellen, met een plechtig gezicht. Ze wilde hem zeggen nee, niet geloven wat ze zegt, het was geen ongeluk, Gudrun is niet van haar fiets gereden, ze was vannacht al weg ze is vanochtend niet op haar fiets gestapt ze is gaan zwemmen ze hebben haar doodgeschoten ik weet het zeker ze hebben gevuurd in de nacht en het water spatte op het zwarte water kleurde rood ze hebben nog een keer gevuurd misschien in haar hoofd in haar hart misschien haar schouder haar huid doorboord haar zachte warme huid ik weet het zeker ze hebben geschoten ze kon zo goed zwemmen, Gudrun– Hij aaide over haar haren.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

46

moeder lag, hun oude leven voort te zetten, met luide avonden en Edith Piaf en haar piano. Met alles wat langzaam maar zeker verdween.

47


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Maartje Laterveer De mooiste kleur die niet bestaat Vrijheid is een wezenlijk verlangen van de mens, iets waar we al van jongs af aan naar zoeken. Het is datgene wat ons het dichtst bij onszelf brengt. Hoe minder mensen of factoren je dicteren wat je moet doen en wie je moet zijn, hoe beter je jezelf leert kennen. Dan kun je beter de keuzes maken die jou gelukkig maken, maar ook de onvermijdelijke eenzaamheid en lichtheid van het bestaan beter verdragen.

Naast een wezenlijk verlangen van de mens, kan vrijheid ook eng zijn, en voor sommige mensen is het prettiger en makkelijker om geen keuze te hebben. Als er iets of iemand is die voor je beslist, dan ben je ontslagen van de eigen verantwoordelijkheid. Je hoeft niet na te denken over wie je bent en wat je wilt, en je hoeft je niet schuldig te voelen over de loop van je leven. En als je niet droomt, hoef je ook niet bang te zijn om wakker te worden en te beseffen dat je hebt gedroomd.

Maar wat is vrijheid? Waar vind je absolute vrijheid? Bestaat die überhaupt wel? Mensen kunnen in vrijheid keuzes maken die uitmonden in een leven dat op z’n minst onvrij voelt; zo heeft Julia een keuze gemaakt die haar heeft gevangen in een web van leugens waar ze niet meer uit kan breken. Of ze kunnen zich voor een keuze gesteld zien die eigenlijk geen keuze is, of een keuze die ze moeten maken voor een ander. De mate van vrijheid die je bereikt in je leven, hangt af van factoren buiten je macht (zoals het politieke systeem waarin je leeft), maar ook van factoren die ogenschijnlijk binnen je macht liggen, zoals de keuzes die je zelf maakt. Volgens Sartre waren deze laatste factoren de belangrijkste als het gaat om vrijheid: zelfs binnen een totalitair regime heb je de keuze om nee te zeggen (of te denken) tegen je bezetter. Maar zijn deze laatste factoren niet ook onderhevig aan invloeden waarover je geen controle hebt, of waarover je controle verliest naarmate je keuzes maakt? En is het dus wel mogelijk om absoluut vrij te zijn?

De recensent van de literaire website De Contrabas verwoordt het zo: ‘De mooiste kleur die niet bestaat gaat over de relativiteit van keuzes maken en in vrijheid leven. Alle personages in het boek zitten op een bepaalde manier gevangen. De vader van Julia in de wereld van de literatuur en zijn tweede huwelijk. De stiefmoeder in haar rol. Haar moeder in het verleden. Haar zus in haar voornemen. Haar schoonmoeder in haar status. Alexander in zijn zachtmoedigheid. Julia in haar teleurstelling. Campbell, de jongen die de foto’s bij het artikel van Julia moet maken, in zijn gedrevenheid. De confrontaties die dat oplevert, werpen licht op de invloed van het beeld van de werkelijkheid waarmee je opgroeit. Een beeld dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid overeenkomt. In die veelstemmigheid – en de sobere wijze van vertellen, bijna op het registerende af – ligt de kracht van het debuut van Maartje Laterveer.’

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

48

THEMATIEK

49


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Maartje Laterveer De mooiste kleur die niet bestaat 1 Vrijheid is het belangrijkste thema in De mooiste kleur

die niet bestaat. Wat is vrijheid voor jou? Denk je dat echte vrijheid kan bestaan in de gecompliceerde moderne maatschappij? 2 Ogenschijnlijk heeft Julia na haar vlucht naar het Wes-

ten een perfect leven opgebouwd. Toch voelt ze zich minder vrij dan ze had gehoopt en verwacht. Hoe komt dat? 3 Wanneer Alexander Julia de waarheid vertelt over het

verleden, is er een moment dat ook zij hem de waarheid zou kunnen zeggen. Ze zou zelfs opnieuw voor hem kunnen kiezen. Hoopte je dat ze dat zou doen, of is ze beter af door zich te verzoenen met de keuzes die ze heeft gemaakt? 4 Tegenwoordig geven we uit vrije wil inzage in tal van

details over ons persoonlijk leven – actief op bijvoorbeeld sociale media, en passief door te accepteren dat allerlei instanties digitale gegevens aan elkaar koppelen. Daardoor zijn onze gangen eenvoudig na te gaan, meer dan ooit in de ddr het geval is geweest. Vind je dat de gevaren daarvan worden onderschat, of zal het zo’n vaart niet lopen? 5 De onvrijheid waar de hoofdpersonen mee worstelen,

lijkt ook samen te hangen met de geheimen en leugens die ze met zich meedragen, die in de ddr-tijd vaak een

noodzakelijk kwaad waren om te kunnen overleven. Belemmeren geheimen je om echt vrij te zijn? Is de waarheid altijd te verkiezen boven een leugen, of boven een illusie? 6 In communistische landen zoals de voormalige

ddr, hebben mensen weinig te kiezen, zowel in materiële zin als wanneer het gaat om de invulling van hun leven; in kapitalistische landen lijden mensen in toenemende mate aan keuzestress. Welke van de twee is te verkiezen? Zou er ook een middenweg mogelijk zijn?

7 Door de loop die haar leven heeft genomen, mede on-

der invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen, is Frida een verbitterde vrouw geworden. Kun je je voorstellen dat er ook mensen zijn die heimwee hebben naar de ddr? 8 Begrijp je de keuzes die Margot heeft gemaakt? In hoe-

verre zijn deze vergelijkbaar met de keuzes die Julia maakt en heeft gemaakt? 9 Wat vond je van Alexanders verhaal? Had hij een keu-

ze? Wat zou je zelf doen in die omstandigheden? 10 Met welk van de personages kon je je het gemakkelijkst

identificeren? Wie is het gelukkigst?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

50

G ES PR E K S V R AGE N

51


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De schimmen Buenos Aires, de laatste dag van het jaar. De toekomstige bewoners van een flat in aanbouw komen een kijkje nemen terwijl de bouwvakkers nog volop aan het werk zijn. In de conciërgewoning heeft de nachtwaker met zijn gezin al zijn intrek genomen. Het bouwstof heeft echter ook een aantal bijzondere bewoners van de wolkenkrabber zichtbaar gemaakt: grote, mysterieuze schimmen die door het gebouw zweven. Patri, de dochter van de nachtwaker, is gefascineerd door hen, en ze slaat de waarschuwingen van haar moeder in de wind. Het meesterlijke verteltalent van Aira voert je mee naar een andere wereld. Pas als je De schimmen uit hebt, valt alles op zijn plaats en krijgen alle bouwstenen, met terugwerkende kracht en op geheel eigen wijze, hun volle betekenis. César Aira (1949) is geboren in Coronel Pringles, Argentinië. Sinds 1967 woont hij in Buenos Aires. Hij wordt beschouwd als een van de origineelste schrijvers van Zuid-Amerika en heeft meer dan vijftig boeken op zijn naam staan. ‘César Aira verrast de lezer telkens weer met zijn zeldzame genialiteit.’ L A VA N G UA R D I A ‘Aira is een van de uitdagendste en eigenzinnigste Spaanstalige schrijvers van het moment en mag niet worden gemist.’ T H E N E W YO R K T I M E S PAPERBACK | 160 BLZ. | PRIJS €17,95 | ISBN 978-90 -290 -8804 - 6 ISBN E-BOEK 978-94 - 6023-578-8

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

52

C ÉSAR AIR A

53


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De schimmen Op 31 december brachten meneer en mevrouw Pagalday ’s morgens een bezoek aan de woning waarvan ze reeds eigenaar waren en die deel uitmaakte van het pand in aanbouw, Calle José Bonifacio 2161. Ze waren in het gezelschap van Bartolo Sacristán Olmedo, de tuinarchitect die ze in de arm hadden genomen om de twee brede balkons, aan de voor- en achterzijde, van planten te voorzien. Ze liepen over de trappen vol gruis omhoog tot halverwege het gebouw: het appartement dat zij hadden gekocht bevond zich op de derde verdieping. Elke woning besloeg een hele etage. Naast de Pagaldays waren er slechts zes andere eigenaars, die allemaal die ochtend, de laatste van het jaar, waren gekomen om te zien hoe het ermee stond. Bouwvakkers waren druk aan het werk. Rond elf uur liepen overal mensen. Eigenlijk was het de dag waarop contractueel de zeven appartementen moesten worden opgeleverd, maar zoals zo vaak gebeurt was er sprake van vertraging. Félix Tello, de architect van het bouwbedrijf, liep wel vijftig keer trap op trap af om antwoord te geven op alle vragen. De meeste eigenaars iemand hadden meegenomen: als het niet de tapijtlegger was om de maten op te nemen dan was het wel de timmerman, de tegelzetter of een binnenhuisarchitect. Sacristán Olmedo sprak over de dwergpalmen die in rijen op de balkons zouden komen te staan terwijl de kinderen Pagalday rondrenden door kamers waar vloeren, deuren en ramen nog ontbraken. Men was bezig de airconditioning te installeren, voordat de liften aan de beurt zouden zijn – na de feestdagen. Tot dan werden de liftschachten gebruikt om materiaal op te hijsen. Op hun zeer hoge hakken klommen de dames over de stoffige trappen vol brokken steen; aangezien ook de leuningen nog niet waren aangebracht was grote voorzichtigheid geboden. De eerste verdieping onder de grond was de garage, met een steil omhoog-

lopende uitrit die nog niet voorzien was van de speciale antisliplaag. De verdieping daaronder was bestemd voor opslag, met boxen of berghokken. Boven de zesde verdieping waren het verwarmde zwembad en de speelzaal, met een weids uitzicht over daken en straten. En de conciërgewoning, waar, ofschoon net zo onaf als de rest van het gebouw, sinds een paar maanden, met zijn gezin, de nachtwaker woonde, Raúl Viñas, een Chileense bouwvakker, die, hoewel een enorme drinkebroer, zeer betrouwbaar bleek. Het was buitengewoon warm. En van daar naar beneden kijken gevaarlijk. De glazen panelen die het terras zouden omgeven waren nog niet geplaatst. De bezoekers hielden de kinderen ver weg van de rand. Het is waar dat ruimtes in een huis in aanbouw kleiner lijken zolang de ramen, deuren en vloeren niet zijn aangebracht. Dat weet iedereen. En toch was het omgekeerde ook waar. Domingo Fresno, de architect die het interieur van de tweede verdieping zou verzorgen, liep onrustig door dat uitgestrekte labyrint, alsof hij in een zandwoestijn ronddwaalde. Tello had redelijk goed werk geleverd. Het gebouw stond in elk geval stevig op de fundering; het had ook kunnen inzakken als een ijsje in de zon. Van de eerste verdieping was niemand gekomen. Op vierhoog waren meneer en mevrouw Kahn, een ouder echtpaar met twee jonge dochters, in gezelschap van een binnenhuisarchitecte, de buitengewone Elida Gramajo, die hardop berekeningen maakte voor de gordijnen. Er moest rekening gehouden worden met de kleinste dingen. En elk detail vereiste dat niet alleen de plek zelf werd opgemeten, maar ook de ruimte eromheen. Dus werd die grote betonnen kooi in al zijn drie dimensies tot op de millimeter nauwkeurig gemeten. Een in het paars geklede dame beklom hijgend de trap tussen de vijfde en de zesde verdieping. Anderen hoefden niet zoveel moeite te doen: ze zweefden naar boven en naar beneden, zelfs dwars door de vloertegels heen. De eigenaars vonden het niet erg dat de bouw vertraging had opgelopen, deels omdat pas bij oplevering het restbe-

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

54

C ÉSA R A IR A

55


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

heid dat armen er recht op hadden gelukkig te zijn, en zelfs gelukkig konden zijn. De middelaar tussen grote en kleine sommen geld is het gebruik, en meer in het bijzonder het verschil tussen de gebruikers; daarbij is het bezit ervan net zo kortstondig als de samenkomst op de bouwplaats die ochtend. Fresno was van plan net zoveel planten binnen neer te zetten als Sacristán Olmedo buiten. In zekere zin waren ze allemaal tuinarchitecten. Want ja, voorlopig was alles nog buiten. Het gebouw zou pas klaar zijn als buiten binnen was geworden. Een intiem en geblindeerd universum. Félix Tello zou zijn verdwenen als een stofwolkje weggeblazen door het verstrijken der jaren. De kinderen zouden hier opgroeien, een tijdje althans. De familie López, eigenaar van de benedenverdieping, had kleine kinderen en bevond zich op het vierkante plaatsje aan de achterkant, waar al rode tegels lagen. Zij van tweehoog, die tegen de middag kwamen, waren de ouders van de dame in het paars die de zesde etage zou betrekken; ook zij waren gekomen met hun kinderen. Nog meer kinderen zou moeilijk voorstelbaar zijn geweest; ieder van hen zou zijn privélandschap hebben, allemaal boven elkaar. Mevrouw Gramajo was drie uur bezig geweest met het maken van notities en het opschrijven van getallen ontleend aan de ruimte. Mevrouw Itúrbide zei dat ze een vreselijk monster had gezien, zo dik als een sumoworstelaar. Hij was afkomstig uit Santiago del Estero. Door de liftschacht kwam een pallet met emmers erop naar boven, omhooggetrokken door een motortje. Tegen enen, toen de eigenaars weggingen, was er een geïmproviseerde samenkomst op de begane grond, waar het koeler was. Vanaf de bovenste etage was het plaatsje te zien van het politiebureau om de hoek, in de Calle Bonorino. Een al wat oudere heer, de timmerman van de López’, had van verschillende wanden de maten genomen in verband met boekenplanken en kasten. Aangezien reeds lang geleden tot de koop van het appartement was besloten, hadden de eigenaars er de voorkeur aan gegeven de kasten

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

56

drag moest worden voldaan, maar ook omdat ze het wel prettig vonden extra tijd te hebben voor het kiezen van meubilair en de inrichting. Zoals door het meten de ogenschijnlijk gekrompen ruimte groter was geworden, zo werd ook de tijd tot aan de verhuizing opgerekt. Bovendien zou het iets agressiefs hebben gehad als ze precies op de laatste dag van het jaar het huis hadden betrokken. Op de vijfde verdieping deden Dorotea en Josefina Itúrbide Sansó, twee meisjes van respectievelijk vijf en drie jaar oud, stof opdwarrelen met hun in sandalen gestoken voetjes terwijl hun ouders rustig met Félix Tello stonden te praten. Laatstgenoemde verontschuldigde zich om de in het paars geklede dame te begroeten en liep vervolgens met haar naar de verdieping erboven. Ze stelden zich voor aan het echtpaar Kahn, dat de gemeenschappelijke speelruimte had bekeken en op weg was naar beneden. Ondertussen stonden de Pagaldays vanaf hun balkon, tot waar de grote platanen reikten, de Calle Bonifacio in te kijken. Hoewel het beschermende hekwerk nog ontbrak, waren de balkons met hoge balustrades voorlopig de veiligste plek voor het kroost. Er heerste een grote kinddichtheid die ochtend. Alles behoorde het jonge grut toe. Bij de vergroting als gevolg van het meten en het gevoel van samentrekking dat eigen is aan gevaar, voegde zich nu ook nog de kinderwereld. Het werkelijke universum wordt gemeten in millimeters en is reusachtig. Waar kinderen zijn, is er altijd sprake van halvering van de dimensies. De binnenhuisarchitecten waren ambachtelijke miniaturisten. Daarbij hadden deze rijke mensen en dit lucratieve beroep het comfort van kinderen hoog in het vaandel; als zij er niet waren geweest, hadden hun ouders het liefst in een hotel gewoond. De bouwvakkers liepen smerig en halfnaakt tussen hen door. De grens tussen arm en rijk, tussen mens en beest, was een tijdslijn; waar nu de een was, zou over een tijd de ander zijn. Het getal eenendertig verwees, ondanks de symboliek ervan, even naakt als duidelijk naar die situatie. Even onbetwistbaar was de waar-

57


De elektriciens hielden klokslag één uur op met werken en gingen naar huis. Tello sprak kort met de ploegbaas, waarna ze ruim een kwartier lang de tekeningen bestudeerden. Het trekken van de kabels zou niet veel tijd vergen en het aanbrengen van de stopcontacten en de rest kon in één middag in orde worden gemaakt. De ouders van de dame in het paars gingen met de kinderen naar boven om te kijken naar de speelkamer en het zwembad, dat al bekleed was met kleine hemels blauwe tegeltjes. Een broodmagere, slecht geklede vrouw was bezig op wat het plaatsje van de conciërgewoning zou worden de was op te hangen. Het was Elisa Vicuña, de vrouw van de nachtwaker. De bezoekers keken

| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

op naar de vreemde, onregelmatige vorm van de watertank, die boven op het gebouw prijkte, samen met de grote schotelantenne die alle appartementen van televisiebeelden zou voorzien. Op de rand van de schotel, van scherp metaal waar geen vogel op zou durven neerstrijken, zaten drie mannen poedelnaakt met hun gezicht naar de middagzon; niemand zag hen uiteraard. Op de derde verdieping bladerden de Pagaldays een grote langwerpige map door, luisterend naar wat Sacristán Olmedo hun vertelde. De kinderen wilden ook hun mening geven. Maar wat kinderen vooral wilden was kijken vanaf een balkon: waar ze ook vandaan kwamen, verschil in hoogte vonden ze altijd even opwindend. Wat je vanuit de hoogte zag was anders. Kinderen hadden vreemde, soms onlogische ideeën over de plek waar ze zich bevonden. Ze begonnen weer te hollen door de kamers met een vloer van kaal beton. Licht drong door tot in de laatste hoek. Het was alsof ze rondliepen op in stukken verdeelde weilanden die tot een bepaalde hoogte waren opgetild. Félix Tello had gelijk toen hij zei tegen een gezin dat vertrok, na eerst gelukkig nieuwjaar te hebben gewenst, dat hij er het ‘volste vertrouwen’ in had dat ze gelukkig zouden worden in hun nieuwe huis.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

58

naar eigen smaak te laten maken. De bouwfirma had een timmermansbedrijf voorgesteld dat uiteindelijk vier verdiepingen onder handen zou nemen: de werkplaatsen zouden de opdrachten rechtstreeks van de binnenhuisarchitecten krijgen. Terwijl hun ouders stonden te praten, keken beneden op straat een paar kinderen toe hoe arbeiders een grote metalen afvalcontainer volstortten met puin; ze duwden de kruiwagens omhoog via een plank die dwars over de stoep lag; vrouwen die met hun boodschappenwagentjes volgeladen voor het feestelijke avondmaal bij de supermarkt op de hoek vandaan kwamen, moesten er tot hun ongenoegen over de weg omheen manoeuvreren. Domingo Fresno kletste met een jonge bebaarde architect, iemand die hij kende en die zeshoog zou inrichten. Het moment om aan de slag te gaan, kwam duizelingwekkend snel naderbij vonden ze; hoewel het gebouw er met al het puin en de open ruimtes nog erg onaf en fragiel uitzag, kon het een dezer dagen zomaar klaar zijn. Elida Gramajo, die al vertrokken was, dacht er net zo over. De eigenaars die er minder kijk op hadden, waren een andere mening toegedaan. Maar als iemand de bouwvakkers in de lucht had moeten zien verdwijnen zonder een spoor achter te laten, als zeepbellen die geluidloos uiteenspatten, dan waren zij het wel.

59


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

César Aira De schimmen Het is oudejaarsdag in Buenos Aires en het is bloedheet. In de conciërgewoning op de zevende verdieping van een luxe flat in aanbouw, tussen het wapperende bouwplastic, het stof, het gruis, de stenen, net naast het lege zwembad, heeft het Chileense gezin Viñas alvast haar intrek genomen. Na een caleidoscopische introductie van bouwvakkers, stylisten en binnenhuisarchitecten zoomen we in op de lethargische tiener Patri, dochter van de nachtwaker. Raúl Viñas wordt onderbetaald, maar ondanks zijn drankprobleem wordt hij toch vertrouwd door zijn Argentijnse werkgever, want ‘het is een Chileen’ en die zijn ‘ordelijk en vlijtig’. Tegenstellingen tussen Chilenen en Argentijnen, en tussen arm en rijk, worden veelvuldig benadrukt. De voorbereidingen voor een feestelijke avond met eten, vuurwerk en vooral veel wijn zijn in volle gang: er moeten boodschappen worden gedaan, maar er moet eerst nog siësta worden gehouden. Conciërgedochter Patri moet haar lastige halfzusjes en broertjes bij elkaar zien te scharen, maar ze is meer geïnteresseerd in de ‘naakte geesten’, grote, mysterieuze schimmen die door het gebouw zweven . Deze schimmen lijken de bewoners te observeren en de bewoners lijken hier op hun beurt niet mee te zitten. Het is een kalme symbiose van een nieuwe wereld en overblijfselen uit vervlogen tijden. Het verhaal, dat zich met schijnbaar associatieve sprongen van karakter naar karakter begeeft, buigt met een curve

richting een slim opgezette allegorische uiteenzetting over constructie én dat wat (nog) niet geconstrueerd is. Een rode draad in het verhaal is het begrip gebouw. César Aira onderzoekt wat architectuur eigenlijk is, en wat het over ons zegt. We worden een filosofische achtbaan in gesleept langs bijvoorbeeld Lévi-Strauss’ culturele antropologie, maar dit relaas wordt zo nu en dan door het narratief op de rem gezet. Patri droomt tijdens haar middagdutje over het gebouw. Deze droom biedt de schrijver de kans om te laten zien dat een ‘droom’ een zichzelf construerende ruimte is. Dromen zijn volgens Aira – net als ruimtes – tijdloos. En hoewel de schimmen in het verhaal veelvuldig de tijd aanduiden (als wijzers van een zonneklok) zijn zij in essentie ook tijdloos. Tussen al die metafysische, naar zichzelf verwijzende vragen door wordt het ondertussen steeds later in de avond. Er wordt hard gewerkt aan de maaltijd, de gasten komen binnendruppelen. De schimmen vertonen atypisch gedrag, ze drommen samen in verdachte groepjes, en ondergaan een of andere transformatie. Patri vindt ze fascinerender dan ooit. Aira gebruikt de kunsten als metafoor voor zijn onderzoek naar constructie. Een speciale rol is daarin weggelegd voor de literatuur. Literatuur, zegt hij, is een kunst die zich makkelijk ontdoet van de beperkingen die realiteit oplegt. Je kunt het zelfs beschouwen als een vorm van niet-gebouwde architectuur. Twaalf uur nadert met rasse schreden, het feestgedruis is in volle gang. En de geesten? Die lokken de verwarde Patri steeds dichter richting een nog niet gebouwd muurtje.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

60

TH E M ATIE K

61


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

César Aira De schimmen 1 Zuid-Amerikaanse literatuur staat bekend om haar

magisch realisme. Let eens goed op de manier waarop de geesten worden geïntroduceerd door de schrijver. Kunnen we deze geesten ook als dusdanig beschouwen? Zo nee, onder welke literaire stroming valt dit werk dan? 2 De geesten zijn afschrikwekkende verschijningen, toch

is Patri helemaal niet bang van ze. Hoe komt dat? 3 De schrijver breekt als het ware met de literaire vierde

wand. Hij levert tegelijkertijd zelf commentaar op zijn tekst en op zijn karakters: “Het is dus niet toevallig dat Patri’s droom over architectuur gaat.” Kun je daar als lezer in meegaan?

7 Waarom grijpt Elisa Vicuña niet in als ze doorheeft wat

haar dochter overweegt? 8 Wat bedoelt Elisa Vicuña met haar grap dat ‘geesten flik-

kers zijn’? 9 Patri vertoont trekken van een typische puber: ze weet

niet wat ze wil, de liefde is voor haar iets abstracts, en ze voelt zich eenzaam. In hoeverre dragen deze factoren bij aan haar keuze? Of beschouw je Patri meer als een pion van de schrijver? 10 Wat ligt er verscholen achter de ‘raadselachtige glimlach’? 11 Architect Felix Tello staat precies op het grensgebied

4 Als lezer zijn we eraan gewend dat een droom een sym-

bolische functie heeft. Aira gebruikt de symboliek van de droom echter letterlijk. Leg uit wat de schrijver hiermee in gang wil zetten.

van arm en rijk en doorziet daardoor prima waar een ieder op uit is. ‘Het erge is dat ze liegen,’ zegt Felix, ‘zelfs wanneer ze de waarheid spreken.’ Wat constateert hij over de armen en de rijken?

5 Kun je verschillen ontdekken in de relatie tussen de

12 De Chilenen in De schimmen lijken last te hebben van een

schimmen en degenen die hen zien? In hoeverre denk je dat de schrijver de schimmen allegorisch heeft ingezet?

minderwaardigheidscomplex, zeker ten opzichte van de Argentijnen. Waar blijkt dat uit?

6 De geesten ondergaan tijdens het naderen van midder-

nacht nogal een verandering; van waanzinnige groteske trekpoppen worden het langzaam stralende etherische wezens. Waarin veranderen ze nog meer?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

62

GES PR E K S V R AGE N

63


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Het boek van leugenaars Het was een tijd van wrede overheersing. Jonge mannen en vrouwen gingen de straat op om te protesteren. Dictators sloegen de opstand met harde hand neer. Geruchten gingen van mond tot mond. ’s Werelds grootste rijk werd aangevallen door rebellen. En te midden van dit alles stierf een ogenschijnlijk onbeduidende prediker. Het boek van leugenaars neemt je mee naar het begin van onze jaartelling. Op magistrale wijze wekt Naomi Alderman bijbelse figuren tot leven. Het verhaal van Jezus is zelden zo spannend en beeldend verteld en plaatst een vertrouwd verhaal in een compleet nieuw daglicht. Naomi Alderman groeide op in de orthodox-joodse gemeenschap in het noordwesten van Londen. Haar eerste roman, Ongehoorzaamheid, werd gepubliceerd in tien talen en won de Orange Award en de Sunday Times Young Writer of the Year Prize. Het boek van leugenaars is haar derde roman. Ze schrijft voor o.a. The Guardian en woont in Londen.

64

€3, - KO RT IN G

OP BLZ 5

‘Een indringende hervertelling.’ H I L A RY

M A N T EL

‘Uitzonderlijk. Alderman is een extreem getalenteerd schrijfster.’ JOA N N E H A R R IS ‘Intelligent, grimmig, meeslepend.’ C H A R L O T T E

M EN DEL SON

PAPERBACK | 352 BLZ. | PRIJS €19,95 | ISBN 978-90-290-8885-5 ISBN E-BOEK 978-94-6023-579-5

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

NAOMI ALDERMAN

65


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Het boek van leugenaars ‘Gidon is mijn kleinzoon,’ zegt ze. De tollenaar kent haar, en al haar kinderen en kleinkinderen. Hij gelooft haar niet. Ze kan het ongeloof van zijn gezicht aflezen. Ze zal nog meer haar best moeten doen. ‘Hij is mijn kleinzoon, de zoon van mijn zoon Jehosjoea, die gestorven is. Hij heeft hem jaren geleden verwekt bij een hoer in Jaffo, ik wist daar niets van tot vorig jaar, toen hij hier kwam,’ – nu laat ze haar stem beven als een oude, treurende vrouw – ‘toen hij hier kwam en mij vond en mij bepaalde dingen vertelde en ik aan zijn gezicht zag dat hij dat kind moest zijn.’ De tollenaar lacht. Hij mompelt iets tegen de soldaten en zij gniffelen ook. De stemming is weer omgeslagen. Ze weet niet waarom ze lachen. Dat ze de zoon van een hoer in huis heeft genomen, die door iedere man verwekt zou kunnen zijn? Dat ze erover opschept? Dat ze misleid is door een onmiskenbare bedrieger op zoek naar goedkoop onderdak en eten? Misschien dat een extra leugen hun tussen dit alles niet zal opvallen. ‘Hij is vorig jaar gekomen, zegt u? Wanneer ongeveer?’ ‘In de zomer,’ zegt ze snel, ‘tussen het Wekenfeest en Nieuwjaar.’ Rondom het plein worden blikken gewisseld van de een naar de ander, van de ander naar een derde. Het is niet niks, wat ze van hen vraagt. Als niemand van hen haar tegenspreekt, zijn ze allemaal medeplichtig. Als Rome ontdekt dat ze hebben gelogen, gaat het hele dorp in vlammen op. De tollenaar kijkt hen wantrouwig aan, wacht om te zien of iemand doorslaat. Niemand zegt iets. ‘Goed dan,’ gniffelt hij, ‘als u een hoerenzoon in huis hebt, dan zullen we u verder niet ophouden! Misschien blijkt hij net zo bedreven als zijn moeder!’ Hij grinnikt in zichzelf, dan, duidelijk teleurgesteld door het uitblijven van gelach uit de menigte, ver-

taalt hij de grap voor de soldaten, die hem net zo amusant vinden als hijzelf. Niemand zegt iets tegen haar wanneer de soldaten vertrokken zijn. Rachav en Amala en Batchamsa, allemaal zijn ze er, maar ze omhelzen of troosten haar niet. Hun blikken zijn behoedzaam. Uiteindelijk zegt Rachav: ‘Je hebt ons in gevaar gebracht, Mirjam.’ Het is waar. Ze zal het goed moeten maken. Gidon komt na twee dagen van de berg naar beneden. Nog voordat hij haar ziet, heeft hij al gehoord wat ze heeft gedaan, ze kan het van zijn ernstige gezicht aflezen. Hij ziet er nu anders uit dan toen hij voor het eerst in Natsrat aankwam. Zijn huid is verweerd en gekleurd van het werken in de buitenlucht. Hij is niet meer zo dun, dankzij haar voedzame stoofschotels en brood. De plek waar zijn vingers verwijderd zijn is geheeld tot een dun zilverkleurig litteken dwars over zijn rechterhand. Als je ziet hoe hij ermee werkt, zou je denken dat hij zo geboren is. Hij zal het redden als hij weg moet, zegt ze tegen zichzelf. Ze geeft hem linzensoep met plat brood en hij eet het gretig. Een druppel van het glanzende vocht loopt over de vlassige baard langs zijn kin. Hij is klaar met eten, zij probeert de kom van hem aan te pakken om hem af te wassen, maar hij houdt hem stevig vast met zijn verminkte rechterhand, zijn drie vingers zijn sterker dan haar beide armen. Hij zegt: ‘Waarom hebt u ze niet verteld waar ik was?’ Ze laat de kom los. Ze gaat tegenover hem zitten. Hij zegt: ‘Ik ben hier niet gekomen om jullie in gevaar te brengen. Dat is niet wat ik wilde, ik wilde niet…’ Hij slaat met zijn goede hand op tafel. De aardewerken kom springt op. Op dat moment doet hij haar aan haar zoon denken. De herinnering maakt haar misselijk, en de misselijkheid maakt haar boos.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

66

NAOMI ALDERMAN

67


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

niet kan thuisbrengen, tot ze plotseling merkt dat ze lacht. Ze lacht alsof ze overgeeft, het komt vanuit haar buik, niet vanuit een blij hart. Hij is gekwetst door haar lach. Hij denkt dat ze de spot met hem drijft, al is dat niet wat er gebeurt. Hij zegt, gekrenkt: ‘Zo lachte onze stammoeder Sara ook, toen God haar vertelde dat ze op haar negentigste een kind zou baren, en toch geschiedde het zo.’ En ze stopt met lachen, al kan ze niet voorkomen dat zich een glimlach om haar lippen vormt, alsof ze vrolijk is. Ze zegt: ‘Je bent te oud, Gidon, om dit te geloven.’ Hij voelt hoe zijn wangen beginnen te gloeien. Hij zegt: ‘Ze kwamen bij het graf, moeder Mirjam, het graf waarin hij was gelegd, en het lichaam was weg. Hij was herrezen.’ En ze lacht nogmaals. ‘Ben je dan zo dwaas? Ben je dan zo dom? Gidon, ik heb mijn zonen erop uitgestuurd om zijn lichaam te halen zodra de sabbat voorbij was. Zodat hij niet in de koude kamer van een vreemde zou liggen terwijl hij begraven kon worden in de warme aarde, net als zijn stamvaders.’ Hij kijkt haar aan, verwonderd en gekwetst, en mompelt: ‘Toch is hij herrezen. Hij is gezien.’ Ze zegt: ‘Ben je daarvoor hier gekomen? Om een oude vrouw ervan te overtuigen dat haar dode zoon toch leeft?’ Hij zegt niets. Ze is boos nu. ‘Als hij leeft, als ze hem niet hebben gedood, als hij weer tot leven is gekomen in de grafkamer, als God hem naar mij heeft teruggestuurd, waarom is hij dan niet hier, Gidon? Zou zijn moeder niet de eerste zijn die hij zou bezoeken? Waarom zou hij zichzelf tonen aan Sjimon en aan Mirjam van Migdal en niet aan mij?’ En op het moment dat ze het zegt hoort ze in haar hoofd al de stem van Jehoeda van Keriot die zegt: ‘Wij zijn nu zijn familie, wij die zijn leer volgen.’

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

68

‘Waarom ben je dan gekomen? Met welk doel? Om het verdriet van een oude vrouw op te rakelen? Om me te kwellen met je liefde voor een dode man?’ Het lijkt of hij op het punt staat iets te zeggen, maar hij stopt. Ze zegt: ‘De enige reden is dat jij een plek wilde om je te verbergen en wist dat ik je door je verhalen in huis zou nemen.’ Hij staart omlaag naar zijn hand. Naar de plek waar de vingers zaten. Hij volgt de lijn van het litteken met zijn linker duimnagel. Hij zegt: ‘Ik ben gekomen om u goed nieuws te brengen.’ Zij zegt: ‘Er is geen goed nieuws. Mijn zoon is dood. Meer nieuws kan er niet zijn.’ Hij zegt, zo zachtjes dat ze de woorden nauwelijks kan horen: ‘Hij is herrezen.’ Ze weet niet wat ze moet zeggen, denkt dat ze het niet heeft begrepen, dus ze zegt niets. Hij kijkt haar aan om te zien of de kern van zijn woorden tot haar is doorgedrongen. Ze is van vurige hoop vervuld. Ze heeft er dromen over gehad. Dromen waarin de mannen naar haar toe kwamen en zeiden: ‘Het was een vergissing! Hij is niet gestorven, hij is gered. Hij leeft nog.’ En pijnlijkere, waarin ze weet dat ze één dag heeft, één uur om hem te spreken, dat hij is teruggekomen zodat ze zijn hoofd tegen haar lichaam kan wiegen en zijn geur kan opsnuiven en het geluid van zijn stem kan horen. Ze is het geluid van zijn stem kwijt. Gidon zegt: ‘Hij is gestorven en herrezen. Een wonder dat God heeft laten gebeuren. Hij heeft zich getoond aan Sjimon van Even en aan Mirjam van Migdal, en aan een paar andere vrienden. Hij leeft, moeder Mirjam.’ Zijn stem breekt, zijn ogen branden en tranen, zijn gezicht gloeit van een hartstochtelijke gedrevenheid en ze merkt dat er een gevoel in haar opwelt dat zo sterk is en zo acuut dat ze het eerst

69


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Naomi Alderman Het boek van leugenaars Het boek van leugenaars is een hervertelling van het verhaal van de beroemdste Jood die ooit heeft geleefd: Jezus. Of Jehosjoea, zoals hij in het evangelie van Naomi Alderman heet. Een jaar na zijn dood bekijken we zijn leven vanuit vier perspectieven. Perspectieven die – ook zonder Bijbelse voorkennis – verrassend inzichtelijk zullen zijn. Mirjam, Maria krijgt als eerste het woord. Ontdaan van haar religieuze rol blijkt zij zeker geen maagd maar een gewone vrouw te zijn, een moeder in de rouw, kwaad en hunkerend naar haar verloren kind. Al terugblikkend op haar eigen jeugd en die van haar zoon krijgen wij inzicht in zijn jonge jaren en de moeilijke relatie met zijn vader. Mirjam vraagt zich af waar het misging; waarom is hij niet net als zijn broers getrouwd? Haar pogingen tot toenadering zijn vruchteloos en Jehosjoea keert zich steeds verder van hen af. In hoeverre beschouwt haar zoon haar nog als familie? Het verdriet van Mirjam krijgt richting als ene Gidon bij haar komt wonen, die haar zoon heeft gekend. Ze realiseert zich dat ze Jehosjoea door te vertellen, in zekere zin, toch kan laten voortbestaan. Jehoeda was één van de eersterangs vertrouwelingen van Jehosjoea. Wij kennen deze Judas natuurlijk als grote verrader maar hoe gefundeerd was zijn twijfel? De miraculeuze genezingen, de uitdrijvingen, hoeveel Jehoeda ook van Jehosjoea houdt, hij is niet overtuigd. Calidorus, de rijke handelaar die zich – voornamelijk om geëntertaind te worden – heeft aangesloten bij het reizende gezelschap, laat Jehoeda zien hoe

straatprofeten kleine wonderen een handje helpen. De boodschap van liefde is mooi, maar mag je mensen voor de gek houden? Heiligt het doel de middelen, vraagt Jehoeda zich af. Zijn motieven om Jehosjoea aan te geven blijken eerzamer dan verwacht. Hoeveel levens is één man waard? Kajafas, de hogepriester van de Tempel van Jeruzalem, heeft de zware taak de balans te bewaren tussen de steeds verdergaande eisen van de onderdrukkers, de Romeinen, en de veiligheid van de Joodse inwoners van Jeruzalem. Als het levens kan redden, waarom dan niet af en toe een extra lammetje slachten? Hoewel het tegendeel hem, van beide zijden, in de schoenen geschoven wordt, heeft hij vrede als hoogste goed. Als Jehosjoea zijn pad kruist probeert hij deze een uitweg te bieden, maar voor Jehosjoea zit er maar één ding op. Van jongs af aan leert opruier Bar Avo, Barabbas, de Romeinen te sarren; hij is er zó goed in en zijn haat jegens de onderdrukker is zó diepgeworteld dat het zijn beroep wordt. Al snel is hij een heuse revolutionair met eigen volgelingen. Leiderschap of hoe een ‘goed’ leider te zijn is een telkens terugkomend vraagstuk. Hoe zorgt een leider voor loyaliteit? Door juist loyaliteit te bieden? Gek genoeg ligt zijn conclusie niet ver van die van Jehosjoea af: ieder mens wil het gevoel hebben dat een andere man hem terug kan leiden naar het licht. Ze ontmoeten elkaar in een donkere cel, Barabbas en Jehosjoea. Zo groot als de parallellen in hun levens zijn, zo groot is hun verschil in motivatie.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

70

TH E M ATIE K

71


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Naomi Alderman Het boek van leugenaars 1 Het lam verschijnt veelvuldig ten tonele als offer, maar

6 Wat maakt een leider volgens Jehosjoea, wat maakt een

2 Wie zijn de leugenaars uit de titel?

7 De door Pilatus geïnstigeerde dolk-en-mantel-techniek

ook als symbool. Waarom speelt het lam zo’n grote rol?

3 Jehoeda is getuige (en gewillige participant) van een

gewelddadige en seksuele scène in een Romeinse kerk. Wat zou de schrijfster hebben willen blootleggen met deze scène?

4 Heeft dit boek iets veranderd in de manier waarop je

het Bijbelverhaal beschouwde? In hoeverre heeft de historische context hiertoe bijgedragen?

leider volgens Bar Avo? En volgens Pilatus?

die Bar Avo en zijn mannen later zelf gaan gebruiken; noodzakelijk kwaad of zinloos geweld?

8 ‘Verhalenvertellers weten dat mensen houden van ver-

halen die hun de oorzaak van dingen uitleggen,’ zegt Alderman in de epiloog. Wat zegt dit over de volgelingen van Jehosjoea? En jou als lezer?

9 Alderman haalt in de bronnen een aantal ‘waargebeur-

de’ feiten aan. Waarom is dat eigenlijk een beetje gek?

5 Waarom wordt Bar Avo alleen in het openbaar Barabbas

genoemd?

10 Van welk (onderbelicht) Bijbelkarakter had je ook nog

wel een eigen hoofdstuk willen lezen?

5 Wat zijn de grootste overeenkomsten tussen Jehosjoea

en Barabbas? En de verschillen? Denk even terug aan de conversatie van Bar Avo en Jehosjoea in de gevangenis. Tot welke kant voel je je het meest aangetrokken, de contaminatie of de predestinatie? Zou jij je neerleggen bij je lot (omdat God toch alles bepaalt) of zou je juist strijden in naam van God?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

72

G ES PR E K S V R AGE N

73


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Een goede raad Wanneer Barry Fairbrother onverwacht sterft, zijn de bewoners van Pagford geschokt. Pagford lijkt een idyllisch Engels plattelandsdorp, met een charmant marktplein en een oude abdij, maar achter die fraaie façade gaan grote conflicten schuil. Rijk tegen arm, tieners tegen hun ouders, vrouwen tegen hun echtgenoten, leraren tegen hun leerlingen... In Pagford is niets wat het lijkt. De lege stoel die Barry achterlaat in de gemeenteraad is de aanleiding tot de grootste strijd die het dorp ooit heeft gekend. Wie zal zegevieren in deze verkiezingen vol opportunisme, valsheid en verbijsterende onthullingen?

74

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

J.K . ROWL ING

75

Een goede raad is de eerste roman voor volwassenen van J.K. Rowling. In dit bijzondere boek onderzoekt een van ’s werelds beste vertellers de grote vragen van onze tijd. ‘Even meeslepend als de Harry Potter-reeks, maar met meer humor. En met scherp getekende personages.’ T RO U W ‘Rowling weet je moeiteloos mee te slepen.’ * * * * M E T RO ‘Een vaardig verteller die spanning combineert met levendige beschrijvingen en humorvolle passages.’ E L S E V I E R PAPERBACK | 544 BLZ. | PRIJS €10,- | ISBN 978-90-225-6430-1 ISBN E-BOEK 978-94-6023-496-5


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Een goede raad Zondag Barry Fairbrother had geen zin in een etentje. Hij had al vrijwel het hele weekend barstende koppijn en worstelde met zijn deadline bij de plaatselijke krant. Zijn vrouw was echter tijdens de lunch nogal stug en zwijgzaam geweest, waaruit Barry had opgemaakt dat de kaart die hij haar voor hun trouwdag had gegeven niet voldoende was om de wandaad goed te maken die hij had gepleegd door zich de hele ochtend in zijn werkkamer op te sluiten. Wat ook niet hielp was dat hij daar had zitten schrijven over Krystal, aan wie Mary een hekel had, al wilde ze hem anders doen geloven. ‘Mary, ik wil je graag mee uit eten nemen,’ had hij gelogen, om de kille sfeer te verdrijven. ‘Negentien jaar, jongens, en jullie moeder ziet er beter uit dan ooit!’ Mary had al wat milder gereageerd en geglimlacht, dus belde Barry de golfclub, want die was dichtbij en daar zou zeker nog een tafeltje vrij zijn. Hij probeerde het zijn vrouw met kleine dingen naar de zin te maken, want na bijna twintig jaar samen was hij gaan inzien hoe vaak hij haar teleurstelde als het om grote dingen ging. Dat deed hij nooit opzettelijk. Ze hadden gewoon verschillende opvattingen over de vraag wat het belangrijkst was in het leven. De vier kinderen van Barry en Mary waren op een leeftijd dat ze geen oppas meer nodig hadden. Ze zaten televisie te kijken toen hij hen voor de laatste keer gedag zei, en alleen Declan, de jongste, draaide zich naar hem om en stak bij wijze van afscheid een hand op. Barry’s hoofdpijn bonkte nog altijd achter zijn oor toen hij achteruit de oprit af reed en koers zette naar het centrum van het

mooie dorp Pagford, waar ze al woonden zolang ze getrouwd waren. Ze reden door Church Row, de steile straat met de duurste huizen, schitterend in hun victoriaanse overdaad en robuustheid, de bocht om bij de zogenaamd gotische kerk, waar hij ooit zijn tweelingdochters had zien optreden in Joseph and the Amazing Technicolor Dreamcoat, en het plein over, waar ze goed zicht hadden op het duistere silhouet van de vervallen abdij die de horizon van het dorp beheerste, hoog op een heuvel; de contouren smolten samen met de paarsblauwe hemel. Het enige waaraan Barry kon denken terwijl hij achter het stuur zat en de vertrouwde afslagen nam, waren de fouten die hij ongetwijfeld had gemaakt in zijn haast om het artikel af te krijgen dat hij zojuist naar The Yarvil and District Gazette had gemaild. Hij was een innemende man en een vlotte prater, maar hij vond het moeilijk om zijn persoonlijkheid over te brengen op papier. De golfclub lag op slechts vier minuten rijden van het plein, even voorbij het punt waar het dorp eindigde met een paar oude huisjes. Barry parkeerde het busje achter het restaurant van de club, The Birdie, en wachtte even naast de wagen toen Mary haar lippenstift bijwerkte. De koele avondlucht voelde aangenaam op zijn gezicht. Terwijl hij daar stond te kijken hoe de golfbaan opging in de schemer, vroeg Barry zich af waarom hij zijn lidmaatschap eigenlijk nog aanhield. Hij was slecht in golfen, had een grillige swing en een hoge handicap. Bovendien waren er te veel andere zaken die zijn tijd opslokten. Zijn hoofdpijn was nog erger geworden. Mary stapte uit en gooide het portier aan de passagierskant dicht. Barry klikte op de automatische vergrendelaar aan zijn sleutelbos; de hoge hakken van zijn vrouw tikten op het asfalt, het afsluitsysteem van de auto piepte en Barry vroeg zich af of zijn misselijkheid zou zakken zodra hij iets had gegeten. Toen raasde er een ongekend hevige pijn door zijn hoofd, als een sloopkogel. Hij merkte amper dat hij op zijn knieën op het koude

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

76

J. K . ROW L ING

77


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

KRIJG TOT WEL

40% KORTING

OP DE TITELS UIT DEZE GIDS Ga naar www.ebook.nl/gids Deze actie is geldig t/m 9 augustus 2013.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

78

asfalt smakte. Zijn schedel vulde zich met vuur en bloed, en de gruwelijke pijn was onverdraaglijk, alleen moest hij die wel verdragen, want de vergetelheid liet nog een moment op zich wachten. Mary gilde – en bleef gillen. Er kwamen een paar mannen de bar uit gerend. Een van hen sprintte terug naar binnen om te kijken of de gepensioneerde arts die lid was van de club er nog zat. Kennissen van Barry en Mary, een echtpaar, hoorden de commotie vanuit het restaurant, lieten hun voorgerechten staan en snelden naar buiten om te kijken of ze konden helpen. De man belde met zijn mobiele telefoon het alarmnummer. De ambulance moest uit het nabijgelegen Yarvil komen en deed er vijfentwintig minuten over om hen te bereiken. Tegen de tijd dat het blauwe zwaailicht over het tafereel flitste, lag Barry roerloos op de grond in een plas van zijn eigen braaksel. Mary zat over hem heen gebogen, de knieÍn van haar panty kapot. Snikkend fluisterde ze zijn naam.

79


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

J.K. Rowling Een goede raad 1 Had je voor het lezen van Een goede raad bepaalde ver-

wachtingen, gebaseerd op de Harry Potter-boeken? Zo ja, kwamen deze verwachtingen uit?

2 In het boek komen meer dan dertig personages voor.

Hadden het er ook minder kunnen zijn, of heeft het verhaal alle personages nodig?

3 Sommige critici waren geschokt door het geweld, de

grove taal en de seks in Een goede raad. Wat vind je daarvan? Is het inderdaad te veel, of versterkt het juist de plot en de karakters?

80

4 Welke verhaallijn en welke personages zijn jouw favo-

riet? En welke wat minder?

5 Rowling noemt Een goede raad een tragikomedie. Wat

betekent dat? Vind je (elementen in) dit boek humoristisch?

6 Voor het succes van Harry Potter kende Rowling perio-

des van armoede. Denk je dat die ervaring haar heeft geholpen bij het geloofwaardig beschrijven van Krystal Weedons leven?

7 Rowling heeft in interviews gezegd dat ze dit boek

‘moest schrijven’ en dat het voor haar een heel persoonlijk verhaal is. Verschillende personages en ervaringen zijn in haar levensverhaal terug te vinden. Bijvoorbeeld, Howard Mollinson en Simon Price zijn de vader van wie ze vervreemd is; Gavin is haar eerste echtgenoot; Kay Bawden is een jonge, single J.K. Herken je iets van je eigen relaties in het boek? Ga je door het verhaal anders naar je eigen relaties kijken?

8 J.K. Rowling levert in dit boek stevige kritiek op de

Engelse maatschappij. Zouden toestanden zoals in dit boek beschreven zich ook in Nederland kunnen afspelen?

9 Wat vond je van het einde? Blijven er nog vragen onbe-

antwoord?

10 Wat zijn de belangrijkste thema’s van Een goede raad?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

G ES PR E K S V R AGE N

81


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Zusje Als Beatrice tijdens een zondagse lunch een paniekerig telefoontje krijgt over de vermissing van haar jongere zus Tess, stapt ze op het eerste vliegtuig naar Londen. Naarmate ze meer te weten komt over de verdwijning, neemt de verbijstering toe over hoe weinig ze feitelijk weet van het leven van haar zusje – en ze is niet voorbereid op de angstaanjagende waarheden die ze onder ogen moet zien. De politie, haar verloofde en zelfs haar moeder leggen zich erbij neer dat ze Tess hebben verloren, maar Beatrice kan dat niet. Naarmate ze dichter bij de schokkende waarheid komt, raakt ze steeds geïsoleerder van haar omgeving en wil niemand haar meer geloven. Rosamund Lupton was jarenlang scriptschrijver voor televisie en film. Voor haar thriller Zusje kreeg ze de Richard & Judy Award voor Beste Debuut. ‘Zusje bezorgt je een brok in je keel, een adrenalinerush en rillingen over je rug die je zelfs op de heetste zomermiddag laten bevriezen.’ T H E N E W YO R K T I M E S ‘Zusje is zo goed doordat de lezer op een heel natuurlijke, terloopse manier cruciale informatie wordt onthouden. En het geeft je ook nog eens een forse emotionele dreun.’ T H E G UA R D I A N PAPERBACK | 352 BLZ. | PRIJS €10,- | ISBN 978-90 -225- 6533-9 ISBN E-BOEK 978-94 - 6023- 035- 6

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

82

RO SAMUND L UP T O N

83


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Zusje Het was nog steeds donker toen we om half acht bij het politiebureau van Notting Hill aankwamen. De wegen zaten verstopt, maar de trottoirs, waar net zand over was gestrooid, waren zo goed als leeg. De enige keer dat ik op een politiebureau was geweest, was om het verlies van mijn mobieltje aan te geven, en dat was niet eens gestolen. Ik ben nooit verder gekomen dan de receptie. Ditmaal werd ik meegenomen achter de receptie, naar een vreemde wereld van verhoorkamers, cellen en agenten die riemen om hadden waar wapenstokken en handboeien aan hingen. Het had helemaal niets met jou te maken. ‘En toen hebt u brigadier Finborough van de recherche ontmoet?’ vraagt Wright. ‘Ja.’ ‘Wat vond u van hem?’ Ik koos mijn woorden met zorg. ‘Oplettend. Degelijk. Aardig.’ Dat verbaast Wright, maar hij verbergt het snel. ‘Kunt u zich nog iets van dat eerste gesprek herinneren?’ ‘Ja.’ In eerste instantie was ik verdoofd door jouw verdwijning, maar daarna leken mijn zintuigen te scherp. Ik zag te veel details en te veel kleuren, alsof de wereld een animatiefilm van Pixar was. Andere zintuigen verkeerden ook in verhoogde staat van paraatheid. Ik hoorde de wijzer van de klok verspringen en een stoelpoot over linoleum schrapen. Ik rook de sigarettengeur die kleefde aan een jas die aan de deur hing. Het was een geluidsstroom die werd opgeschroefd naar maximale geluidssterkte, alsof mijn hoofd zich niet langer kon afsluiten voor de onbelangrijke zaken. Alles was belangrijk.

Mam was meegenomen door een politieagente voor een kop thee, en ik was alleen met Finborough. Zijn houding was hoffelijk, op het ouderwetse af. Hij leek eerder een universitair docent op Oxford of Cambridge dan een politieman. Door het raam zag ik natte sneeuw vallen. ‘Kunt u een reden bedenken waarom uw zus is weggegaan?’ vroeg hij. ‘Nee. Geen enkele.’ ‘Zou ze u dat hebben verteld?’ ‘Ja.’ ‘U woont toch in Amerika?’ ‘We bellen en e-mailen elkaar heel veel.’ ‘Dus u hebt een goede band met haar?’ ‘Een heel goede.’ Natuurlijk hebben we een goede band. We zijn heel verschillend, dat wel, maar desalniettemin hebben we een goede band. Het leeftijdsverschil is nooit een probleem geweest. ‘Wanneer hebt u haar voor het laatst gesproken?’ vroeg hij. ‘Afgelopen maandag, geloof ik. Op woensdag zijn we een paar dagen naar de bergen gegaan. Ik heb haar een paar keer geprobeerd te bellen vanuit het restaurant, maar haar vaste lijn was steeds in gesprek. Ze kan urenlang met haar vrienden zitten kletsen.’ Ik probeerde me geërgerd te voelen, per slot van rekening betaal ik jouw telefoonrekening. Ik probeerde een oude, vertrouwde emotie boven te halen. ‘Hoe zit het dan met haar mobieltje?’ ‘Dat is ze ongeveer twee maanden geleden kwijtgeraakt, of het is gestolen. Ze is erg chaotisch wat dat soort dingen betreft.’ Opnieuw probeerde ik wrevel te voelen. Finborough zweeg even en probeerde te bedenken hoe hij het op de juiste manier moest verwoorden. Zijn houding was voorkomend.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

84

RO SAM UND L U PT O N

85


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

verbazing te lezen, maar misschien is dat wel een onderdeel van de politietraining. ‘Ik ben op de kunstacademie geweest...’ begon hij, maar ik onderbrak hem. De geur van de koffie in zijn plastic bekertje was misselijkmakend sterk geworden. ‘U maakt zich vast grote zorgen om haar.’ ‘Ik wil graag grondig zijn.’ ‘Ja, dat spreekt vanzelf.’ Ik wilde niet dat Finborough het idee kreeg dat ik hysterisch was maar juist redelijk en intelligent overkomen. Ik weet nog dat ik dacht dat het niet uit moest maken wat hij van me vond. Later zou ik erachter komen dat het heel veel uitmaakte. ‘Ik heb meneer Codi gesproken,’ zei Finborough. ‘Hij heeft niets over zijn relatie met Tess verteld, behalve dan dat ze een ex-studente van hem is.’ Zelfs toen je werd vermist, verloochende Emilio je. Het spijt me. Maar dat is wat zijn ‘discretie’ altijd is geweest: verloochening verpakt in een wat meer geaccepteerde term. ‘Hebt u enig idee waarom meneer Codi niet wil dat wij op de hoogte zijn van hun relatie?’ vroeg hij. Dat wist ik maar al te goed. ‘Voor docenten aan de kunstacademie is het verboden om een seksuele relatie met hun studenten te hebben. Bovendien is hij getrouwd. Hij liet Tess een “sabbatical” nemen toen haar buik zichtbaar werd.’ Finborough stond op en leek ineens een stuk alerter. Hij was nu meer politieman dan universitair docent. ‘Er is een programma op het regionale nieuws dat we soms gebruiken voor mensen die worden vermist. Ik wil een reconstructie uitzenden van haar laatst bekende activiteiten.’ Buiten het raam in zijn metalen kozijnen zong een vogel. Ik kon me je stem zo levendig herinneren dat het leek alsof je bij me in de kamer stond.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

86

‘Dus u denkt dat haar verdwijning niet vrijwillig is?’ vroeg hij. ‘Niet vrijwillig.’ Een eufemisme voor iets gewelddadigs. Tijdens dat eerste gesprek heeft niemand het woord ‘ontvoering’ of ‘moord’ in de mond genomen. Finborough en ik waren tot een stilzwijgende afspraak gekomen. Ik waardeerde zijn tact, het was nog te vroeg om het te benoemen. Ik perste mijn vraag eruit: ‘Mijn moeder heeft me verteld dat Tess telefonisch werd lastiggevallen?’ ‘Volgens haar huisbaas wel. Helaas heeft ze hem geen bijzonderheden gegeven. Heeft Tess u er iets over verteld?’ ‘Nee.’ ‘En ze heeft u nooit verteld dat ze zich bang voelde of werd bedreigd?’ vroeg hij. ‘Nee. Niets van dat alles. Ze was normaal, blij.’ Ik had zelf ook een vraag. ‘Hebben jullie al bij alle ziekenhuizen geïnformeerd?’ Op het moment dat ik het vroeg, hoorde ik de botheid en de impliciete kritiek. ‘Ik dacht gewoon dat de bevalling misschien te vroeg is begonnen.’ Finborough zette zijn koffie neer. Ik schrok van het geluid. ‘We wisten niet dat ze zwanger was.’ Ineens was er een reddingsboei en ik zwom ernaartoe. ‘Als de baby te vroeg is gekomen, ligt ze misschien in een ziekenhuis. Jullie hebben vast geen navraag gedaan bij de kraamafdelingen, of toch wel?’ ‘We vragen de ziekenhuizen om al hun interne patiënten te controleren en daar vallen ook degenen op de kraamafdeling onder,’ antwoordde hij, en de reddingsboei dreef weg. ‘Wanneer is ze uitgerekend?’ ‘Over een dag of twintig.’ ‘Weet u wie de vader is?’ ‘Ja. Emilio Codi. Hij is docent op haar kunstacademie.’ Ik aarzelde niet, nog geen seconde. De tijd om discreet te zijn was voorbij. Op het gezicht van Finborough stond geen enkele

87


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

Toentertijd deed ik jouw studentikoze intense emoties af als iets waar ik jaren geleden al overheen was gegroeid. Maar in die kamer op het politiebureau schoot me ons gesprek weer te binnen, want de gedachten aan vogelgezang, aan Todd, aan wat dan ook, waren een ontsnappingmechanisme voor de implicaties van wat er aan de hand was. Finborough voelde mijn angst. ‘Volgens mij kunnen we maar beter het zekere voor het onzekere nemen. Vooral nu ik weet dat ze zwanger is.’ Hij deelde bevelen uit aan jongere politieagenten. Er volgde een discussie over het camerateam en over wie jou moest spelen. Ik wilde niet dat een vreemde jou zou nadoen, dus heb ik aangeboden het te doen. Toen we de verhoorkamer uitliepen, vroeg Finborough aan mij: ‘Meneer Codi is toch een flink stuk ouder dan uw zus?’ Bijna twintig jaar ouder en je docent. Hij zou een vaderfiguur moeten zijn, geen minnaar. Ja, ik weet dat ik dat al ontelbare keren tegen je heb gezegd, en dat dat is aangezwollen tot een kritieke massa die jou ertoe dwong om me met zo veel woorden te vertellen dat ik me met mijn eigen zaken moest bemoeien, maar jij zou het beschaafde equivalent hebben gebruikt en me hebben verteld dat ik mijn neus niet in andermans zaken moest steken. Finborough wachtte nog steeds op mijn antwoord.

Finborough vertelde me meer over de reconstructie. ‘Een vrouw die op het postkantoor in Exhibition Road werkt weet nog dat ze een kaart en luchtpostzegels kocht, iets voor twee­en. Ze zei niet dat Tess zwanger was, maar dat heeft ze waarschijnlijk niet gezien door de balie tussen hen in.’ Ik zag mam door de gang op ons afkomen terwijl Finborough verderging. ‘Tess heeft de kaart voor kwart over twee op hetzelfde postkantoor gepost.’ Mams stem klonk bits door uitgeput geduld. ‘Het was een kaart voor mijn verjaardag. Ze is maandenlang niet bij me op bezoek geweest. Ze belt me ook amper. Maar ze stuurt me wel een kaart, alsof dat alles goedmaakt.’ Had ik je er een paar weken daarvoor niet aan herinnerd dat mam bijna jarig was? Omdat ik eerlijk wil zijn als ik dit verhaal vertel, moet ik, voor we verdergaan, toegeven dat je het wat Todd betreft bij het rechte eind had. Hij hoorde mijn lied niet meer. Omdat ik nooit voor hem heb gezongen. Of voor wie dan ook. Misschien ben ik wel een van die vogels die alleen autoalarmen kunnen imiteren. Wright staat op en sluit de jaloezieën tegen de felle lentezon. ‘En later die dag hebt u meegewerkt aan de reconstructie?’ vraagt hij. ‘Ja.’ Wright heeft de reconstructie op videoband en heeft geen behoefte aan bijkomstige details over mijn opmerkelijke verkleedpartij, maar ik weet dat jij die wel hebt. Jij zou dolgraag weten hoe ik jou heb neergezet. Eigenlijk heb ik het er niet eens zo slecht vanaf gebracht. Ik zal het je vertellen zonder de overduidelijke wijsheid achteraf.

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

88

‘In sommige steden kunnen de vogels elkaar niet meer horen vanwege al het lawaai. Na een poosje zijn ze dan de complexiteit en de schoonheid van elkaars lied vergeten.’ ‘Wat heeft dat in godsnaam met Todd en mij te maken?’ vroeg ik. ‘Sommige vogels zijn helemaal gestopt met het zingen van hun ­eigen lied en imiteren nu perfect het geluid van autoalarmen.’ Mijn stem werd geërgerd en ongeduldig. ‘Tess.’ ‘Kan Todd jouw lied nog horen?’

‘U vroeg of we een goede band hadden, niet of ik haar begreep.’ Nu denk ik dat ik je begrijp, maar toen niet.

89


Agente Vernon ritste een koffer open. Ze had elk haveloos, oud kledingstuk netjes opgevouwen en in vloeipapier verpakt. Ik was ontroerd door de zorg die ze eraan had besteed. Dat ben ik nog steeds. Ik heb de minst sjofele jurk uitgekozen. Die wijde paarse van Whistles, met het borduursel op de boord. ‘Deze heeft ze vijf jaar geleden in de uitverkoop gekocht,’ zei ik. ‘Een goed merk gaat lang mee, nietwaar?’ We hadden net zo goed in een paskamer van Selfridges kunnen staan.

| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

‘Ja, dat klopt.’ ‘Het is het altijd waard als je het je kunt permitteren.’ Ik was agente Vernon dankbaar voor haar vermogen om over ditjes en datjes te praten. Een verbale brug tussen twee mensen in een van de onwaarschijnlijkste situaties. ‘Laten we die dan maar nemen,’ zei ze, en ze draaide zich tactvol om terwijl ik mijn ongemakkelijk zittende maatkostuum uittrok. ‘Lijk je ook op Tess?’ vroeg ze. ‘Nu niet meer.’ ‘Vroeger wel dan?’ Opnieuw waardeerde ik haar luchtige gebabbel, maar ik vermoedde dat het zwaarder zou worden. ‘Oppervlakkig gezien wel.’ ‘O?’ ‘Mijn moeder probeerde ons altijd dezelfde kleren aan te doen.’ Ondanks het leeftijdsverschil droegen we dan naargelang het seizoen een kilt en Fair Isle-truien, of gestreepte katoenen jurken. Niets druks of met tierelantijnen eraan, weet je nog? En niets van nylon. ‘En we hadden hetzelfde kapsel.’ ‘Een fatsoenlijk model,’ gebood mam dan, waarna ons haar op de grond viel. ‘De mensen zeiden dat Tess precies op mij zou lijken als ze ouder was. Maar dat zeiden ze alleen om aardig te zijn.’ Ik schrok ervan dat ik dat hardop had gezegd. Dat pad had ik nog nooit met iemand bewandeld, al was het behoorlijk uitgesleten door mijn eigen voetstappen. Ik heb altijd al geweten dat jij als volwassene veel knapper zou zijn dan ik. Dat heb ik je toch nog nooit verteld? Of wel?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

90

Een politieagente van middelbare leeftijd, agente Vernon, nam me mee naar een kamer waar ik me kon verkleden. Ze had blozende wangen en blaakte van gezondheid, alsof ze net terugkwam van het koeien melken in plaats van het patrouilleren door de straten van Londen. Ik was me bewust van mijn bleekheid, de nachtvlucht begon zijn tol te eisen. ‘Denkt u dat dit iets uithaalt?’ vroeg ik. Ze glimlachte en gaf me een korte omhelzing, waarvan ik schrok, maar die ik wel fijn vond. ‘Ja, dat denk ik wel. Reconstructies zijn veel te veel gedoe als er geen gerede kans bestaat dat iemand iets te binnen schiet. En nu we weten dat Tess zwanger is, is het een stuk waarschijnlijker dat iemand haar heeft gezien. Goed, zullen we dan maar beginnen met het uitzoeken van de kleren?’ Later kwam ik erachter dat agente Vernon nog maar een paar maanden bij de politie zat, hoewel ze al veertig was. Haar politievaardigheden getuigden van de warme, bedreven moeder die in haar schuilging. ‘We hebben wat kleren uit haar appartement gehaald,’ ging ze verder. ‘Weet jij wat ze eventueel gedragen kan hebben?’ ‘Een jurk. Ze was al zover dat niets meer over haar buik heen paste en ze had geen geld voor positiekleding. Gelukkig zijn bijna al haar kleren slobberig en vormeloos.’ ‘Dat noem je comfortabel, Bee.’

91


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

1 In welke opzichten komen Beatrice en Tess met elkaar

7 Was je het ermee eens dat Beatrice koste wat kost de

2 Vind je dat Beatrice in de loop van het verhaal veran-

8 Het verhaal bevat veel beeldspraak, zoals de kleur geel,

overeen en in welke opzichten verschillen ze van elkaar?

dert, en zo ja, hoe dan?

3 Wat vind je van de structuur van Zusje en wat denk je

dat de verschillende tijdvormen en verteltechnieken toevoegen aan het totale effect van het verhaal?

4 Op welke manieren worden fundamentele menselijke

relaties ontleed in Zusje? Bijvoorbeeld de relatie tussen twee zussen, tussen moeder en dochter, tussen twee minnaars, tussen arts en patiĂŤnt, etc.

5 Wat is het hoofdthema van het boek en hoe kwam dat

op jou over?

6 Welk personage vond je het sympathiekst en welk het

minst sympathiek, en hoe realistisch kwamen alle personages op je over?

waarheid wilde ontdekken, zelfs al dreef dat een wig tussen haar en de mensen van wie ze hield?

de zee, etc. Kun je uitleggen waarom beeldspraak zo belangrijk is voor het verhaal en hoe effectief het is?

9 Er komt een aantal belangrijke mannelijke personages

in het boek voor. Op welke manier hielpen die Beatrice en hoe verdacht vond jij ze allemaal?

10 Het einde van het verhaal heeft een schokkende wen-

ding. Vond jij het einde geslaagd? Op welke manier had het boek volgens jou anders kunnen eindigen?

L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

92

GESPREKSVRAGEN

93


L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ |

Wilt u op de hoogte blijven van de nieuwste boeken van Meulenhoff Boekerij? Schrijf u dan nu in voor onze nieuwsbrief en maak kans op een boekenpakket

95

Deze literatuurgids is een uitgave van Meulenhoff Boekerij bv, Herengracht 507, 1017 BV Amsterdam, tel. 020-53 53 135, www.boekerij.nl en www.meulenhoff.nl vormgeving dps, design & prepress studio omslagfoto Judith Dekker / Hollandse Hoogte Voor verkoopinformatie: bestellingen@meulenhoffboekerij.nl Deze gids is met zorg samengesteld. Uitgeverij Meulenhoff Boekerij bv is echter niet aansprakelijk voor fouten of onjuistheden die per abuis in de tekst zijn opgenomen.

WWW.MEULENHOFFBOEKERIJ.NL/LITERATUURGIDS


| L I T ER AT U U RGIDS | MEU L EN HOF F BOEK ER IJ

De vlucht is een verpletterend debuut. Een roman even keihard en realistisch als poëtisch en zintuiglijk. Jésus Carrasco weet je vanaf de eerste pagina diep te raken en neemt je mee op een emotionele tour de force.

In Tilt is het ziekenhuis decor van een intrigerend machtsspel, met als inzet het leven van professioneel pokeraar Max.

In 2008 verloor de wereld een groot schrijver – dit is zijn allerlaatste roman. Hoewel De bleke koning nog niet af was toen David Foster Wallace overleed, is het een intens, hilarisch, origineel en onverschrokken boek.

De mooiste kleur die niet bestaat is een indringende roman over vrijheid en keuzes, over oude liefde en moederliefde, over waarheid versus illusies tegen de achtergrond van de Berlijnse Muur.

96

Het meesterlijke verteltalent van César Aira voert ons mee naar een andere wereld. Pas als de lezer De schimmen uit heeft valt alles op zijn plaats en krijgen alle bouwstenen hun volle betekenis.

Laat je door dit prachtig geschreven verhaal meevoeren naar 2000 jaar geleden, naar de bakermat van onze beschaving.

Een goede raad is J.K. Rowlings eerste literaire roman voor volwassenen. In dit bijzondere boek onderzoekt een van ’s werelds beste vertellers de grote vragen van onze tijd.

Beatrice gaat op zoek naar haar verdwenen zus. Naarmate ze dichter bij de schokkende waarheid komt, wil niemand haar meer geloven. Net als je denkt te weten hoe het zit… zet Lupton je compleet op het verkeerde been.


Literatuurgids Meulenhoff Boekerij 2013