Issuu on Google+

SCHETS UIT DE GEHEIME LEER

Door H. d. N.

Uitgave van het Tijdschrift “Licht en Waarheid” -1915

Heruitgegeven: TVN- Centrum Assen-2009

Voor-historische Tijden


VOOR-HISTORISCHE TIJDEN EEN SCHETS UIT DE GEHEIME LEER door H.d.N. (Hermance de Neufville) ≈ Uitgave van het Tijdschrift “LICHT EN WAARHEID”- 1915 “Overeenkomst is de bestuderende wet in de natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons door de ingewikkelde paden van haar gebied naar haar eerste en laatste geheimen kan brengen.” (Geheime Leer.)

Voor - historisch zijn die tijden uit het oogpunt van onze moderne Wetenschap: uit dat van de Geheime Leer historische tijden. Elke bewering, elke bijzonderheid in deze vluchtige schets is ontleend aan het Grote Werk door H.P.Blavatsky en Haar Meesters geschreven, en ik heb ook, waar mogelijk was, dezelfde woorden gebruikt. In dat wonderbare boek bevinden zich schatten van kennis en wetenschap, hier en daar uitgestrooid en verspreid om de leerling in het oefeningen zijner intuïtie te ontwikkelen; aan hem is dus de taak, iedere onderwerp afzonderlijk op te sporen, de bijzonderheden er van te verzamelen en daaruit een geheel op te bouwen. Maar de geschiedenis der voor-historische tijden is ook de geschiedenis van onze evolutie en dus bestaat deze enkel uit de brede algemene trekken, die tot grondslag kunnen dienen voor een diepere studie van zulk een uitgebreid en ingewikkeld onderwerp. Betreffende de evolutie der Mensheid stelt de Geheime Leer drie nieuwe leringen voor, die rechtstreeks in strijd zijn met de hedendaagse wetenschap, evenzeer als met de aangenomen godsdienstige dogma’s; zij onderwijst (a) de gelijktijdige evolutie van zeven menselijke groepen op zeven verschillende gedeelten van onze aarde; (b) de geboorte van het astrale(¹) lichaam vóór die van het fysieke lichaam; terwijl het eerste het model is waarnaar het laatste gevormd wordt: en (c) de verschijning van de mens hier op aarde (in deze Rondte) ²)vóór alle andere zoogdieren, de antropoïden incluis. ¹) het woord: Astrale werd door HPB gebruikt voor het Etherische of het gezondheidslichaam. Dit kan voor verwarring zorgen maar hiermee wordt het etherische doorschijnend lichaam bedoeld. Het woord Etherisch wordt ook gebruikt, in de zin van het etherische. Het heeft dus meer betekenissen. Voor HPB bestond het Astrale (zoals wij die kennen) niet, iets wat doorschijnend was, was voor haar etherisch. ²) Volgens de Occulte Wetenschap is onze aarde een zevenvoudige Entiteit (Wezenheid). De Fysieke Aarde, die ons bekend is, correspondeert op ons Fysieke Lichaam, en dus evenals wij zes andere onzichtbare beginselen hebben, die zich op andere terreinen bevinden, heeft ook de Aarde zes mede-aarden, die zich op andere terreinen bewegen en voor onze stoffelijke (fysieke) ogen. Dit zevenvoudige samenstel, dat de aarde-keten genoemd wordt, heeft niets te maken met Venus, Mars en de andere planeten van ons zonnestelsel; want ieder van die planeten is op haar beurt het zichtbaar stoffelijk lichaam van een dergelijke zevenvoudige keten. Nu wordt er steeds gesproken van de zes mede-aarden van onze Aarde als van zes Globen; en dat zijn zij ook in zoverre dat voor het bewustzijn van een mens, die zich een van die aarden bevinden zou, daar een werkelijke Globe of bol voor hem zijn zou en hij de zes andere niet zou kunnen zien. Maar feitelijk maken de zeven tezamen een grote bol of Globe uit, waarvan de zeven verschillende bestanddelen, ofschoon afzonderlijk blijvende, elkaar doordringen, evenals de mens, ook een zevenvoudige entiteit, toch een geheel is. Onze aardbol, die zich op het laagste en stoffelijkste gebied bevindt, is de vierde, d.w.z. het middelpunt in de reeks, en de evolutie voor ons, heeft plaats op de zevenbollen of terreinen. De eerste drie worden voor ons allengs stoffelijker totdat de voor ons zichtbare aarde bereikt wordt; de laatste drie worden allengs etherischer, naarmate zij daarvan afwijken (d.w.z. afwijken om een zinnebeeldige uitdrukking te gebruiken; want daar kan eigenlijk geen sprake zijn van afwijking of toenadering – het zijn terreinen van bewustzijn). Daar ieder van deze Globen door de Wet van Evolutie tot ontwikkeling bestemd is of liever een Centrum van ontwikkeling uitmaakt), worden zij ook beurtelings de woonplaats der mensheid; de gehele serie van 1 tot 7 is wat genoemd wordt een Rondte en het tijdperk, dat tussen 1 en 7 verloopt, is een Manvantara. De Evolutie bestaat voor de mensheid uit zeven zulke Rondten en dan is het toppunt bereikt van de ontwikkeling die op deze aard-keten verkregen kan worden. Onze aard-keten, die reeds een reïncarnatie is van een vroegere keten, sterft dan uit en reïncarneert zich in een nieuwe keten, waarop de mensheid en de andere natuurrijken, die hier geleefd hebben, tot hogere evolutie overgaan. – Wij zijn nu in de vierde Rondte,

Voor-historische Tijden

2


dus het middelpunt van onze evolutie op deze keten. Deze schets heeft alleen betrekking op onze aardbol in de huidige Rondte.

Verder onderwijst de Geheime Leer dat deze zeven groepen, die gelijktijdig op zeven gedeelten der aarde verschijnen, een Ras vormen, hetwelk Wortel-Ras genoemd wordt, en dat de evolutie der mensheid geleidelijk door zeven zulke Wortelrassen plaats heeft, terwijl ieder Ras in betrekking staat met een Vasteland. Ieder Ras ontwikkelt onderrassen en takken, die alle, in navolging van het Moeder-Ras, hun kindsheid, hun bloei en hun ouderdom hebben. Wij vormen het Vijfde Wortel-Ras. Dus bestaat voor ons de Geschiedenis van het verleden uit de Geschiedenis van vier Wortel-Rassen en vier grote Vastelanden, die beurtelings tevoorschijn kwamen, en het ene na het andere of geheel of gedeeltelijk ondergingen. Daar de archaïsche benamingen van deze vastelanden niet tot het gebied de exoterische leringen behoren, hebben onze leermeesters ons voorgesteld ze door de volgende namen te onderscheiden: I “Het heilige onvernielbaar Land”: waarvan gezegd wordt dat het nooit hetzelfde lot heeft gedeeld als de andere Vastelanden, want het is het enige, dat steeds van het begin tot het einde van de Manvantara, in iedere Rondte, zal blijven bestaan. Het is de wieg van de eerste mens en de woonplaats van de laatste goddelijke sterveling, uitgekozen als Sishta ¹) voor de toekomende kiem der mensheid. Weinig kan gezegd worden van dit geheimzinnige en heilige land, behalve, om de poëtische uitdrukking van een der commentaren te gebruiken, “dat de poolster haar waakzaam oog er op houdt van de dageraad tot aan de avondschemering van de dag van Brahma (een dag der grote Ademhaling).” Iedere Noord-Poolreiziger veronderstelt dat er een vasteland of droog eiland bestaat voorbij de lijn van eeuwig ijs. “In het eerste begin van het menselijk leven”, zegt een commentaar, “was het enige droge land op het rechte aspunt der sfeer, daar waar de aardbol bewegenloos is. “

¹) Sishta, de “Zonen van het licht”, die overblijven om de kiem te worden voor een nieuwe mensheid.

Voor-historische Tijden

3


Noord- en Zuidpool worden het rechter- en linkereinde van onze aardbol of wel het Hoofd en de Voeten der aarde genoemd. Iedere weldadige (zowel astrale als kosmische) werking komt uit het Noorden; elke dodelijk (noodlottige) invloed van de Zuid-Pool. Zij staan ook in nauwe betrekking met wat genoemd wordt de “Magie van de Rechter- of Linkerhand”, d.w.z. de Witte of Zwarte Magie. Hoe dichter men bij de polen komt, des te minder wordt de rotatie gevoeld; bij de polen zelf heeft de dagelijkse omwenteling der aarde haar neutraalpunt. Daarom wordt die sfeer bewegenloos genoemd. “De gehele aarde was toen een onmetelijke waterwoestijn, en de wateren waren lauw. Daar werd de mens geboren in de zeven streken van het onsterfelijk, onvernietigbaar land van ons Manvantara (het land of eiland dat de Noordpool als hoofddeksel kroont). Daar heerste in de duisternis een eeuwige Lente. Maar hetgeen duisternis betekent voor de hedendaagse mens, was licht voor de mens der morgenschemering. Daar was de rustplaats der Goden; daar heerst Fohat ²) zonder ophouden. Tussen het tweede en derde Ras werd het eeuwig centraal land door het water van het leven verdeeld. (Dit “water” is het bloed of levenstroom der aarde, die hier met een levend lichaam vergelijken wordt)….. De grote moeder zwoegde onder de golven en een nieuw land werd bij dat eerste land gevoegd, dat onze Wijzen het hoofddeksel noemen. Zij zwoegde nog harder voor het derde Ras en toen verscheen die gordel, het heilig Himâvat, waardoor de ganse wereld omvat wordt. (Volgens het occultisme is het Himâlaya gebergte die “gordel”, die boven of onder water, zich rondom de aardbol uitspreidt.) Droge landen bedekten de vlakten der stille wateren aan de vier zijden der wereld. Al deze landen vergingen elk op zijn beurt. Toen verscheen de woonplaats der Bozen (Atlantis). Het eeuwige land was niet meer te zien, want de wateren waren bevroren…” Dit duidt aan dat Noordelijk Azië even oud is als het Tweede Ras. Men zou zelfs kunnen zeggen dat Azië een tijdgenoot van de mens is, omdat zijn oorspronkelijk Vasteland sinds het eerste begin van het menselijk leven bestaan heeft, en dat gedeelte der wereld, dat ons nu als Azië bekend is, slechts later afgesneden en afgezonderd werd door de ijswateren. Daar blijft dus tot heden toe het eerste vasteland, dat als een ongebroken korst de Noordpool dekt, verder dan die binnenzee, die als een luchtspiegeling verscheen aan de weinige reizigers, die er iets van bespeurd hebben. II. Tijdens het tweede Ras kwam meer land tevoorschijn van onder de wateren. Het was het tweede vaste-land, het Hyperboreïsche, het land dat van de Noordpool zuidwaarts en westwaarts zijn voorgebergten uitstrekte om het tweede Ras te ontvangen en alles bevatte dat nu als Noord-Azië bekend is. Deze naam werd door de Grieken aan de geheimzinnige en verre gewesten gegeven, waar volgens de overlevering Apollo “de Hyperboreïsche” elk jaar heenreisde. Astronomisch is Apollo natuurlijk de Zon, die de Hellenische tempels en heiligdommen verlatend, gaarne jaarlijks zijn verre land bezocht, waar men zei dat de zon gedurende een helft van het jaar nooit onderging.

Voor-historische Tijden

4


²)

Een Tibetaanse uitdrukking voor het oorspronkelijke Licht (Sanskriet Daiviprakriti). Het is de essence van kosmische elektriciteit in het geopenbaarde Heelal, de alomtegenwoordige elektrische werkzaamheid en de onophoudelijke vormende en vernielende kracht, is ook Fohat, in esoterische zin de Universele voortstuwende Vitale Kracht, tegelijkertijd voortstuwer en eindsom – de synthese der zeven krachten in de natuur of der Zeven Stralen van de Logos.

Maar historisch, of beter nog etnologisch en geologisch, was het een werkelijk vaste-land, dat in die vroegere tijden geen winter kende, en zelfs hebben zijn treurige overblijfsels nu nog maar één nacht en één dag in ’t jaar. “Het wordt door de nachtelijke schaduwen overvallen”, zeiden de Grieken, want het is het land der goden, het lievelingsoord van Apollo, de God van het Licht, en de bewoners daarvan zijn zijne geliefkoosde priesters en dienaren”. Dit moge nu als dichterlijke fabelleer beschouwd worden, het was toen dichterlijke waarheid. Alle natuurkundigen stemmen overeen dat gedurende het miocene tijdperk (de middelste der drie tertiaire formaties), Groenland (en zelfs ook Spitsbergen) een bijna tropisch klimaat had en daarbij een overvloed van bomen en tropische planten, die nu (in noordelijke streken) onbekend zijn; … Alles schijnt aan te wijzen, dat het land der korte nachten en lange dagen Noorwegen of Scandinavië was en dat verderop, steeds noordelijker, het gezegende land van eeuwige licht en eeuwige zomer zich bevond. Zelfs in onze dagen veronderstelt de wetenschap dat voorbij de Poolzeeën, bij de cirkel zelf der Noordpool, een zee bestaan moet, die nooit bevriest en een vasteland dat eeuwige groen blijft, - nu, dit wordt door de archaïsche leringen bevestigd. III. Het derde vasteland kan “Lemuria”genoemd worden. Deze naam is een idee van de Heer Sclater die tussen 1850 en 1860, op zoölogische grond beweerde dat er in voorhistorische tijden zeker een vasteland bestaan had, dat volgens zijn betoog zich van Madagaskar tot aan Ceylon en Sumatra uitstrekte. Het bevatte ook enige delen van hetgeen nu Afrika is: maar het reusachtige vasteland, dat de gehele vlakte van de Indische Oceaan tot aan Australië bedekte, is nu geheel en al onder de golven van de stille Oceaan verdwenen, terwijl alleen hier en daar zijn hoogste bergtoppen eilanden vormen. Dit land heeft werkelijk bestaan en was natuurlijk pre-tertiair, want het was reeds ondergegaan voordat Atlantis volkomen ontwikkeld was; dit laatste nu zonk en zijn voornaamste delen waren verdwenen vóór het einde van het Miocene Tijdperk. IV. Atlantis is het Vierde vasteland. Het zou het eerste historische land moeten zijn, werd er meer acht geslagen op de overleveringen der Ouden dan tot nu toe het geval is geweest. Het beroemde eiland van Plato was maar een fragment van dat grote vasteland. In de schitterende dagen der Atlantiden, de ‘Zonen der Reuzen uit het Oosten”, kon een pelgrim zijn tocht aanvangen uit de gewesten, die ons onder de naam van Sahara bekend zijn tot aan de landen, die thans in een slaap zonder dromen rusten onder de baren van de Golf van Mexico en van de Caraïbische Zee. De naam Atlantis werd gegeven aan dat deel van het overstroomde vasteland van het Vierde Ras, dat zich ‘voorbij de zuilen van Hercules” ¹) uitstrekte en dat ná de grote cataclysme nog lang boven water bleef. Het laatste overblijfsel daarvan, ook Poseidonis genoemd, (feitelijke de vertaling van de ware naam, zo wordt ons gezegd) bestond nog of liever verdween ongeveer 11.000 jaar geleden. Zo zijn deze twee reusachtige vastelanden Lemuria ²) en Atlantis aan een periodieke wegzinken en verschijnen onderhevig. Toch zou het een misverstand zijn daaruit te veronderstellen dat de oude landen, die overstroomd zijn geworden, weder tevoorschijn zullen komen. Want als dezelfde landen, waaruit Atlantis bestond, weder opkwamen, zouden zij nog eeuwenlang onvruchtbaar blijven. In de Purânas en enige andere oude werken (in de Sûrya Siddhanta, het oudste sterrenkundige werk in de gehele wereld, en ook in de werken van Asuramâya, de Atlantische sterrenkundige) wordt melding gemaakt van de meeste namen van deze verschillende landen Voor-historische Tijden

5


en eilanden. Maar daar die benamingen symbolisch zijn, hebben zij ook betrekking op verscheiden onderwerpen en sferen en worden dikwijls in esoterische betekenis gebruikt. ¹) Nu de straat van Gibraltar. ²) Lemurië. EEN WOORD OVER DE RASSEN De zeven oorspronkelijk groepen vormden een etherisch of astraal Ras, dat niet spreken kon, omdat het geen intellect bezat, dat op dit gebied werkzaam kon zijn; het verdween als Ras om in zijn eigen nakomelingschap, het Tweede Ras opgenomen te worden. Dit laatste ook etherische, had een ‘klankspraak’, die vergeleken mag worden met gezongen vocalen. Het Derde Ras ontwikkelde een soort spraak, die wat hoger stond dan de verschillende natuurgeluiden, dan het gonzen van reusachtige insecten en de kreten van de eerste dieren, die toen langzamerhand verschenen. Eerst nadat de tweeslachtige wezens in mannen en vrouwen evolueerden, incarneerden de goden, wier Karmische roeping het was ons tot denkers te maken, zich in de verstandeloze mensen. Dit was aan het einde van het derde Ras: want het eerste Ras was geslachtsloos; het tweede Ras tweeslachtig, maar alleen in potentialiteit (in latent vermogen); het jonge derde Ras ontwikkelde de twee afzonderlijke geslachten. En toen kwam ook de spraak, ofschoon het nog een zeer oorspronkelijke taal was, die dezelfde was voor het ganse mensdom. Vóór die tijd hadden zij omgang met elkander door middel van een soort ‘gedachten overbrenging”; maar met uitzondering van degenen waarin de ‘zonen der Wijsheid” incarneerden – degene die als leider en opvoeders de pasgeboren mensheid fungeerden, hadden zij toen alleen zeer eenvoudige en weinig ontwikkelde gedachten. Over die “Leermeesters” der mensheid, die in een gedeelte van het derde Ras incarneerden, zullen wij later nog spreken. Zij waren nog wezens die uit een vroeger Manvantara de hoogste verdiensten en ontwikkeling en het beste Karma hadden meegebracht. Verder lezen wij nog in de geheime Leer dat het eerste Ras in alle streken maankleurig was, dit is geelachtig wit; het tweede goudgeel; het derde rood; het vierde bruin, dat ‘zwart van boosheid’ werd. De zeven oorspronkelijke groepen, die het eerste Ras uitmaakten, hadden allen een en dezelfde tint; de volgende begonnen hun kleuren te vermengen. Strikt genomen, kan men eerst van de tijd der Atlantische bruine en gele reusachtige Rassen af, werkelijk van de mens gespreken; want het was feitelijk het vierde Ras, dat eerst volkomen menselijk werd, ofschoon veel groter van gestalte dan wij nu zijn. Als opheldering voeg ik nog hierbij deze veelbetekenende clausule van de commentaar (door latere adepten gemaakt ter uitlegging en toelichting van de oorspronkelijke overleveringen) namelijk dat de woningen (of lichamen) die voor de monaden waren gereed gemaakt, zich onder zeven verschillende Karmische voorwaarden bevonden, hetgeen ter verklaring kan dienen voor de gemakkelijke verspreiding van het kwaad, toen de menselijke gedaanten werkelijk mensen geworden waren. Van al de zoogdieren was de mens de eerste; hij was de indirecte voorvader der apen en een soort Cycloop in die dagen van oudsher…. De mens was om zo te zeggen het magazijn van alle levenskiemen voor deze Rondte, zowel van planten als van dieren. Gelijk het Ene Leven, dat in zichzelf al de talloze vormen bevat, is de mens op aarde de microkosmos van de macrokosmos… Toen de mens verscheen was alles voltooid….want alles is in de mens begrepen en verenigt alle vormen in zich. Hij verscheen bij het begin; en als het hoofd van het bewust denkende leven werd hij de levende dierlijke Eenheid, waarvan de ‘afgedankte kleren ‘de vorm beslissen van elk leven en elk dier in deze Voor-historische Tijden

6


Rondte. Dus ‘schiep’ de mens eeuwen lang, zonder er zelf bewust van te zijn, insecten, kruipende dieren, vogels en andere dieren (zoogdieren) van zijn eigen overblijfsels uit de derde en de vierde Rondte. DE LEMURO-ATLANTIDEN. Het eerste en tweede Ras had geen geschiedenis. Daar verlopen enige miljoenen jaren tussen het eerste ‘verstandeloze’ Ras en de latere hoogst intellectuele Lemuriërs; hetzelfde heeft plaats tussen de vroegste beschaving der Atlantiden en het historische tijdperk. Als getuigen van het bestaan der Lemuriërs vindt men slechts de weinige en zwijgende overblijfselen van enige gebroken kolossen en oude cyclopische ruïnen, terwijl het Atlantis van Plato, zijn ’gevleugelde’ en Hermaphrodieten-Rassen, en zijn Gouden aera door de meeste mannen der Wetenschap als dromen beschouwd worden. Toch rees het Sweta-Dwipa ¹) van de Purânas als een reusachtige bergtop uit de zee, in de eerste dagen van Lemuria: terwijl de ruimte tussen Atlas en Madagaskar door water bedekt was ten tijde van het oorspronkelijke Atlantis (ná het verdwijnen van Lemuria), toen Afrika uit de oceaan tevoorschijn kwam en Atlas half verzonken was. Lemuria werd niet overstroomd, zoals Atlantis, maar zonk onder de golven ten gevolge van aardbevingen en onderaards vuur, zoals het eenmaal met Groot-Brittannië en Europa geschieden zal. De Hindoes, de Egyptenaren en de Phoeniciërs kwamen na de Atlantiden: want deze behoorden tot het Vierde Ras, terwijl de Syriërs en hun Semitische Tak tot het Vijfde Ras behoren. ²) Het Derde Ras werd het Vahan (het voertuig) van de Zonen der Wijsheid; het schiep Zonen van Wil en Yoga door Kryasákti, de geheimzinnige kracht der gedachte; want de Ouden beweerden, dat iedere gedachten zich uiterlijk kan manifesteren, objectief kan worden als de Wil en de aandacht diep genoeg daarop geconcentreerd worden. Zo geschieden nu nog de zogenaamde wonderen der Yogi’s door Wilskracht en gedachtekracht (Itchasákti en Kryasákti). Zo werden de geestelijke voorvaders van al de opvolgende Arhats en Mahatma’s op een werkelijk onbevlekte wijze geschapen. Dus was het Derde Ras de stralende weerkaatsing der Goden, die volgens de overlevering op Aarde verbannen werden ná de zinnebeeldige strijd in de Hemel. Op Aarde werd het zinnebeeld nog meer verwezenlijkt, daar het doelde op de strijd tussen geest en stof. Deze strijd zal duren totdat het de innerlijke goddelijke mens gelukt zijn aardse Zelf aan zijn eigen geestelijke natuur te onderwerpen. Tot dat ogenblik zullen de donkere woeste hartstochten der lagere natuur in eeuwige vijandschap blijven met haar Meester, de Goddelijke Mens. Maar het dier zal eenmaal getemd zijn; want zijn natuur zal veranderd worden en Harmonie zal weder heersen tussen die twee (zoals de ‘Val’, toen ieder mens geschapen werd door de Elementen en niet geboren werd).

¹) Het witte Eiland of vasteland, een van de Sapta dwipa of zeven oorspronkelijke Landen. ²)

Donnely, in zijn voortreffelijk boek “Atlantis, the Antediluvian World’ sprekende over de Arische kolonies, die uit Atlantis afkomstig waren met de kunsten en wetenschappen die wij als erfgoed van het Vierde Ras hebben overgenomen, heeft de moed te verkondigen, dat ‘de oorsprong van onze hedendaagse inrichtingen haar wortel heeft in het miocene

Voor-historische Tijden

7


Tijperk’. Dit is reeds een wonderlijke erkenning (allowance) voor een hedendaags geleerde; maar de beschaving is veel ouder dan de miocene Atlantiden. De mens van het Secondaire Tijperk zal teruggevonden worden en met hem zijn lang vervlogen beschaving (S.D. II 266)

Welke was nu de godsdienst van het Derde en Vierde Ras? In de gewone betekenis van het woord hadden zij er geen; want zij kenden geen dogma en behoefden niet op g e l o o f aan te nemen. Zodra het mentaal oog voor begrip geopend werd, voelde het Derde Ras zich een met het Alomtegenwoordig immer Onbekende en immer Onzichtbare Al, de Ene Universele Godheid. Met goddelijke vermogens begaafd, de innerlijke God steeds in zich gevoelende, verwezenlijkte ieder mens het bewustzijn dat hij tegelijkertijd een God-Mens was van oorsprong en een dier in zijn fysieke Zelf. De strijd tussen die twee begon op de dag dat de mens de vrucht proefde van de boom der Wijsheid; ‘een strijd voor het leven’ tussen het geestelijke en het psychische, het lagere psychische en het stoffelijke. Degenen, die de lagere beginselen overwonnen, doordat zij meester van het lichaam werden, sloten zich aan bij de “Zonen van het Licht’. Degenen, die slachtoffers werden van hun lagere natuur, werden ook de slaven van de stof. Eerst “Zonen van het Licht en van de Wijsheid”, eindigden zij als “Zonen der Duisternis”. Zij waren gevallen in de strijd van het sterfelijke leven met het onsterfelijke leven en allen die zo vielen, werden de kiem der toekomende geslachten van Atlantiden. (Deze naam wordt hier gebruikt in de betekenis en als synoniem van “Tovenaars”.) Daar waren vele Atlantische Rassen en hun evolutie duurde miljoenen jaren; zij waren niet alle slechts; zij werden het alleen tegen het einde, zoals wij, het Vijfde Ras, nu ook worden. Dus had de mens van het Derde Ras bij de eerste schemering van zijn bewustheid geen geloof, dat godsdienst genoemd kon worden, dat is geen systeem van geloof of van uiterlijke vorm. Maar als godsdienst of liever religie de band betekent, waardoor de menigte in een diep gevoel van verering voor wat hoger staat dan zij zelf, verenigd en gebonden wordt, iets zoals wat een kind voor zijn ouders voelt, dan hadden zeker de allereerste Lemuriërs een godsdienst, een zeer schone godsdienst, direct bij het begin van hun intellectueel leven. Hadden zij niet de schitterende goden der Elementen in hun midden en, wat meer is, in zichzelf? (De ‘Goden der Elementen’ zijn geen Elementalen – verre van daar; de Elementalen worden alleen door hen gebruikt als voertuigen en als materialen om zich er in te hullen). Werd niet hun kindsheid doorgebracht met degenen die hun het leven hadden gegeven, die hen tot een verstandig bewust leven hadden geroepen en nu voor hen zorgden en waakten? Die oude tijd was de Gulden Aera, de Aera toen de “goden vrij met de stervelingen op aarde wandelden”. Sedert zijn de goden heengegaan (d.w.z. onzichtbaar geworden) en de latere geslachten van mensen eindigden met hun Rijken, dat is de Elementen, te aanbieden. Dus de eerste Atlantische Rassen, in Lemurië geboren, onderscheidden zich van hun oudste en latere stammen in rechtvaardigen en onrechtvaardigen; degene, die de Ene onzichtbare Geest der natuur vereerden, de straal die ieder mens in zichzelf voelt, en degenen die op fanatieke wijze de Geesten der Aarde aanbaden, de donkere Kosmische Antropomorfische machten, met wie zij een verbintenis gesloten hadden. De Lemuriërs werden naar de Noordpool getrokken, waar de Hemel van hun voorvaderen was (het Hyperboreïsche Vasteland), de Atlantiden naar de Voor-historische Tijden

8


Zuidpool, waar de vurige hartstochten in orkanen woeden, die in beweging gebracht worden door Kosmische Elementalen, die hun woonplaats daar hebben. De Noord- en de Zuidpool werden door de Ouden Draken en Slangen genoemd. (In alle talen der oudheid betekende het woord Draak, wat het nu nog in het Chinees betekent; ‘een wezen dat buitengewoon verstandig is”, en in het Grieks; “Degene de ziet en die de wacht houdt.) Dus waren er goede en slechte Draken en Slangen; en de namen werden ook gegeven aan de “Zonen van Geest en Stof” de goede en boze Tovenaars. De esoterische betekenis van de legenden der “Gevallen Engelen” is een sleutel tot de moeilijke vraag naar de oorsprong van het Kwaad en wijst aan hoe de mens zelf Het Ene in talrijke tegengestelde aspecten verdeeld heeft. De zogenaamde “Gevallen Engelen” zijn de mensheid zelf. En vindt de Kabbalistische leus: “Demon est Deus inversus”, haar metafysische en theoretische bevestiging in de tweevoudige manifestatie der Natuur, - haar praktische toepassing is alleen in het mensdom te vinden. De Goddelijke mens woont in het dier; daarom, toen de fysiologische afscheiding volgens de natuurlijke loop der Evolutie plaatsgreep, viel dat Ras, niet omdat het de vrucht der Kennis had gegeten en goed en kwaad kende, maar juist omdat het niet beter wist. Het Derde Ras viel, en schiep niet meer; het bracht voort (S.D. II 267) “Toen werd het Derde en Vierde Ras hoog van Trotsheid. ‘Wij zijn de koningen, wij zijn de goden’, zeiden zij…” Dit was dus de eerste karaktertrek der eerste werkelijke fysieke mens, namelijk hoogmoed! Van dit Derde Ras en de reusachtige Atlantiden is de herinnering van geslacht tot geslacht overgegaan en in de dagen van Mozes bijv. werden zij verpersoonlijkt door de Antediluviaanse Reuzen en de schrikwekkende Tovenaars, waarvan zulke levendige en tegelijkertijd verwarde legenden tot ons zijn gekomen. Wie de archaïsche leringen bestudeerd heeft, herkent zonder moeite in enige Atlantiden de prototypen van Nimrod, de Bouwers van de toren van Babel, de Hamieten en anderen. “Zij namen vrouwen die schoon waren om aan te zien”, zegt de Geheime Leer, “vrouwen uit verstandelozen”, die enge hoofden hadden, en brachten voort monsters en boze wezens, van beide geslachten…”. Op de Atlanto-Lemuriërs rust de schuld, vrouwen uit een lager Ras te hebben genomen, vrouwen uit een Ras dat nog “verstandeloos” was. De legende vindt men meer of min verward in de schriften van al de oude volken terug. Zij, die tot nu toe half-goddelijke wezens waren geweest, geboeid, of gevangen in lichamen, die alleen menselijk in schijn waren, werden fysiologisch veranderd. Zij namen vrouwen, die alleen uiterlijk menselijk en schoon waren, maar waarin lagere en stoffelijker, ofschoon siderische wezen, zich geïncarneerd hadden (zie de legende van Lilith in de Joodse overleveringen – S.D. II 235). In alle schriften wordt gezegd dat zij “in de lucht zweefde en dat zij zeer vriendelijk waren voor stervelingen, maar dat zij geen verstand bezaten en alleen met dierlijk instinct begaafd waren”. Die wezens werden dieren genoemd, en de stam, die zij met de Atlantiden voortbrachten, was een werkelijke pithecoïde stam, nu uitgestorven. Als men de Commentaar zorgvuldig doorziet, wordt het duidelijk dat die wezens niet dieren genoemd werden, omdat zij niet menselijk waren, maar omdat zij fysiek en intellectueel zo zeer verschilden van de hogere rassen, die zich reeds in vroegere tijden fysiologisch ontwikkeld hadden. De eerste oorlog, die op aarde plaats had, het eerste mensenbloed, dat vergoten werd, was het gevolg van ’s mensen ontwaken tot het fysieke leven; zijn ogen waren geopend en hij zag dat de dochters en ook de vrouwen van zijn broeder schoon waren, schoner dan de zijnen. Voor-historische Tijden

9


Vrouwen werden geroofd vóór de tijd der Sabijnschen, en Menelaossen verloren hun Helena’s, voordat het Vijfde Ras geboren werd. De Titanen of Reuzen waren de sterksten; hun tegenstanders de wijsten. Want “daar waren de Reuzen in die dagen van oudsher” en wij vinden in de evolutie der dierenwereld een kenteken van de wijze, waarop de mensenrassen zich ontwikkeld hebben. Lager nog in de orde der schepping vinden wij getuigen van dezelfde wijze van evolutie in de flora, die parallel met de fauna in gedaante ontwikkelt. De mooie varens, die wij tussen de bladen van onze geliefkoosde boeken laten drogen, zijn de nakomelingen der reusachtige varens, die gedurende het steenkool-tijdperk groeiden. Alle geschriften, fragmenten van filosofische wetenschappelijke werken, in een woord bijna alle soort van verhalen en herinneringen, die ons uit de oudheid zijn overgebracht, maken melding van het bestaan van Reuzen (S.D. II 297). De Lemuro-Atlantiden waren reuzen in gestalte; maar zij waren ook reuzen in kennis en wetenschap, ofschoon zij deze veel gemakkelijker verwierven dan de hedendaagse mensen het kunnen. Hun wetenschap was hun ingeboren. Zij hoefden niet eerst te ontdekken en dan in hun geheugen te prenten hetgeen hun onderrichtend beginsel bij het ogenblik der incarnatie reeds wist. De tijd alleen en de steeds vermeerderende logheid der stof, waarin de princiepen zich gehuld hadden, vermochten het de herinnering te verzwakken van de kennis, die zij vóór hun geboorte bezaten en de vonk van het geestelijke en het goddelijke, die in hen gloorde, te verduisteren of zelfs uit te doven. Daarom vielen zij spoedig ten prooi aan hun dierlijke natuur en brachten zij ‘monsters’ voort, d.w.z. mensen, die geheel en al van hen verschilden. De ‘huidenkleren’ (Rokken van vellen) waren zwaarder en stoffelijker geworden, de omgang tussen de etherische goddelijke mens en de fysieke mens hield op. De sluier van stof tussen de twee terreinen werd te dicht, de innerlijke mens kon zich niet meer doen horen. De mysteriën betreffende Hemel en Aarde, die aan het Derde Ras door zijn Hemelse Leermeesters, in de dagen van zijn reinheid, bekend werden gemaakt, vormden een krachtig centrum van licht; maar de stralen daarvan verzwakten natuurlijk, toen zij verspreid werden om een gebied te verlichten, dat ongelijkslachtig was wijl het te stoffelijk was; bij de menigte ontaardde zij in tovenarij en namen later de vorm aan van exoterische godsdiensten of afgoderij, vol bijgeloof, of verering van mensen en helden. Alleen een handvol oorspronkelijke mensen in wie de sprank der goddelijke Wijsheid helder bleef branden en sterker gloorde, naarmate zij al doffer en doffer scheen bij degenen die haar voor slechte doeleinden misbruikten, werden de uitverkoren Bewaarders der mysteriën, die door de goddelijke Leermeesters aan het mensdom geopenbaard waren. Het was het Ras, door Kryasákti geschapen en dat volgens de overlevering, bevestigd door de archaïstische leerlingen, de kiem werd van een Heerschappij die sinds die tijd nooit is gestorven….” Alleen van tijd tot tijd van lichaam verwisselde”, zegt de commentaar “is die innerlijke mens steeds dezelfde; hij kent noch rust noch Nirvana, weigert Devachan en blijft onophoudelijk op aarde om de mensheid te redden…” Toen de laatste en laagste rassen van het Derde Ras met het grote Lemurische Vasteland vergingen, was het “Onsterfelijk Ras “ reeds het voertuig geworden van incarnatie der hoogste Dyanis (op intellectueel geestelijk gebied) en zij die genoemd worden “de kiem der Drieëenheid van Wijsheid” hadden het geheim verworven der Onsterfelijkheid op aarde, die gave waardoor dezelfde personaliteit ad libitum van een versleten lichaam in een ander nieuw lichaam kan overgaan…”Wanneer wij het Heelal onderzocht, en geleerd hebben wat er in is, zullen wij ons Ras vermenigvuldigen”, zeiden zij… hetgeen betekent dat in het zevende Wortel-Ras de grote Adepten en Ingewijden weer door gedachtekracht een onbevlekt Ras zullen scheppen. Voor-historische Tijden

10


“Zij bouwden tempels voor het menselijk lichaam. “Zij aanbaden mannen en vrouwen….”. “Toen werkte het derde oog niet meer…” De Titanen der oudheid waren wezens met een ontzaglijke, bovenmenselijke kracht begaafd, die hem in staat stelde om zich tegen de reusachtige monsters van het mozozoïsche en vroege Cenozoïsche tijdperk te verdedigen en hen in bedwang te houden; en zij waren werkelijke Cyclopen, met drie ogen. Scherpzinnige schrijvers hebben wel eens de aanmerking gemaakt dat “men de oorsprong van bijna alle volksmythen en legenden in een werkelijk natuurfeit terug kan vinden.” Nu zie hier, wat de Geheime Leer zegt: “In de eerste tijden bestonden er menselijke wezens met één hoofd, maar drie ogen. Zij zagen voor en achter zich. “Het derde oog was in het achterhoofd geplaatst. (Op de Acropolis van Argos stond een beeld dat ruw uit hout gesneden was, een werk dat aan Dedalos toegeschreven wordt; het stelde voor een kolos met drie ogen en was aan Zeus Triopas gewijde, dit is aan Jupiter met de drie ogen. Het hoofd van de ‘God’ had twee ogen op de gewone plaats en een in het voorhoofd. Dit beeld wordt als het meest archaïsche van alle oude beelden beschouwd.)” “Een Kalpa later (na de afscheiding der geslachten) toen de mensen in de stof waren gezonken, werd het geestelijk gezicht dof en het derde oog begon zijn kracht te verliezen. Toen het Vierde Ras een rijpe leeftijd bereikte, moest het geestelijk gezicht opgeroepen en verkregen worden door kunstmatige prikkels, wier werking aan de oude Wijzen bekend was…. (Het innerlijke gezicht kon voortaan slechts door oefening en inwijding verkregen worden, met uitzondering van “natuurlijke en geboren zieners en magiërs”, sensitieven zoals zij nu genoemd worden). Het derde oog versteende langzamerhand en verdween spoedig… (Deze uitdrukking ‘versteende‘ in plaats van verbeend” is merkwaardig. Het oog van het achterhoofd, dat nu de pijnappelklier (glans pinealis) genoemd wordt, een kliertje van grijze zenuwstof, dat achter aan de derde hersenholte vastgehecht is, wordt door de wetenschap gezegd bijna niets anders dan minerale verdikkingen en zand te bevatten). Het dubbele gelaat werd het eenvoudige gezicht; en het oog school diep in het hoofd en is nu onder het haar verborgen… Wanneer de innerlijke mens werkzaam wordt (in ogenblikken van geestverrukking en geestelijke visioenen), zet het oog zich uit en ontwikkelt zich. De Arhat ziet het en voelt het en regelt zijn handeling daarnaar…” De reine Lanoe (Leerling, chela) behoeft geen gevaar te vrezen… maar degene, die niet rein leeft, kan geen hulp van het deva-oog (het goddelijk oog) verkrijgen.” Ongelukkig bestaat het deva-oog niet meer voor de grote menigte der mensen; het is niet meer actief, maar het heeft een getuige nagelaten, - de hersenklier, die als pineale klier (pijnappelklier) bekend is. De ontwikkeling van het menselijk oog steunt veel eerder de occulte antropologie, dan de theorieën der materialistische fysiologen. “De ogen in het menselijk embryo ontwikkelen van binnen naar buiten”uit de hersenen, in plaats van een deel der huid uit te maken, zoals met insecten en de inktvis. Prof. Lankaster, die de hersenen een vreemdsoortige plaats acht voor het oog en toch pogingen doet om dit verschijnsel door de theorieën van Darwin te verklaren, vooronderstelt dat onze eerste gewervelde voorvader een doorschijnend wezen moet geweest zijn en dat het er dus niet op aankwam, waar het oog zich bevond!

Voor-historische Tijden

11


Nu, de professor heeft gelijk: de mens was eens een doorschijnend wezen! In het begin waren alle soorten van wezens hermafrodieten en, objectief, met een enkel oog begiftigd. In het dier, dat even etherische of astraal gevormd was als de mens, vóór dat beide, mens en dier, hun huisbekleding ontwikkeld hadden, d.w.z. van binnen naar buiten hun dichter omhulsel van fysische stof met zijn inwendige fysiologisch mechanisme ontwikkeld hadden – was ook het derde oog, zoals in de mens het enige gezichtsorgaan. De twee andere ogen ontwikkelden later in dier en mens, bij wie het zintuig van het psychische gezicht in het begin van het Derde Ras op dezelfde wijze geplaatst was als bij enige blinde werveldieren van onze tegenwoordige tijd, dat is onder een ondoorschijnend vel. Alleen de fasen van het oorspronkelijk enig oog zijn nu bij mens en dier omgekeerd; want de mens heeft de dierlijk niet-rationele fase reeds in de Derde Rondte doorlopen en is de dierenwereld een geheel gebied van bewustheid vooruit. Terwijl dus het “Cyclopische “oog in de mens het orgaan van het geestelijk gezicht was en nog is, was het in het dier dat van het objectief gezicht. (De twee ogen zien voor zich uit zonder verleden of toekomst te bespeuren, maar het “derde oog omvat de Eeuwigheid”.) Toen dit ook zijn werk voltooid had, werd het in de loop der fysische evolutie, die van het eenvoudige tot het ingewikkelde overgaat, door twee ogen vervangen en door de natuur weggeborgen om in toekomende Aeonen weer in gebruik te komen. Dit verklaart waarom de pineale klier haar hoogste ontwikkeling bereikt tegelijkertijd met de laagste fysische evolutie, en ook waarom het enige oog een eenvoudige klier werd ná de fysiek val van degene, die wij de “Lemuriërs” noemen. Dit is dan het orgaan dat in zoveel legenden en overleveringen vermeld wordt, o.a. in die van de mens met een hoofd en twee aangezichten, terwijl het ‘derde oog’ voor exoterische doeleinden in het voorhoofd voorgesteld werd. Maar wat de beoefenaars van het occultisme moeten weten is, dat het derde oog onverbreekbaar met Karma verbonden is. Deze geheimzinnige lering is weinig mensen bekend. Het “oog van Siva” werd niet geheel krachteloos vóór het einde van het Vierde Ras (Atlantiden), toen geestelijkheid en al de goddelijke vermogens en eigenschappen van de deva-mens van het Derde Ras slaven waren geworden van de pas ontwaakte fysiologische en psychische hartstochten van de fysieke mens; maar zo was de Wet der Evolutie, en dus was het, strikt genomen, maar in het misbruiken der nieuw-ontwikkelde vermogens; door de tempel, die voor een God bestemd was, tot een woning te maken van geestelijke misdaden. Als wij “zonde” zeggen, is het alleen om beter begrepen te worden; het juiste woord hier is Karma, en Karma is een woord van verschillende betekenissen; het heeft een bijzondere betekenis voor iedere van zijn afzonderlijke aspecten. In de zin van Zonde betekent Karma een daad, die tot doel heeft aan een zelfzuchtig verlangen te voldoen, dus iets te doen waardoor een ander schade moet lijden. Het lichaam is heel eenvoudig een niet verantwoordelijk orgaan, het instrument van de psychische, zo niet van de geestelijke mens. In het geval der Atlantiden was het juist het geestelijke wezen dat zondigde; want het geestelijk element was toen nog het “Meester”-Principe in de mens. Dus werd in die dagen het zwaarste Karma van het Vijfde Ras door onze nomaden voortgebracht. Daarom wordt ons

Voor-historische Tijden

12


gezegd dat wij nu de gevolgen uitwerken van de slechte Karmische oorzaken, door ons in onze Atlantische lichamen teweeggebracht. “De Lemuriërs bouwden grote steden; zij bouwden ze uit kostbare aardsoorten en metalen, uit lava door de vulkanen opgeworpen. En zij beitelden hun beeltenissen uit het marmer der bergen, uit de zwarte steen der onderaardse vuren. Die beelden maakten zij even groot als zij waren, en aanbaden hen.” Deze oorspronkelijke beschaving volgde niet onmiddellijk op hun fysiologische transformatie. Tussen de finale evolutie en de eerst gebouwde stad waren vele honderdduizenden jaren verlopen. Toch vinden wij het derde onderras der Lemuriërs reeds bezig om steden uit rotssteen en lava te bouwen; een van die grote oorspronkelijke steden bestond geheel uit lava en lag op dertig mijlen ten westen van Teapy (Easter Island of Paaseiland); zijn werd door een reeks vulkanische uitbarstingen geheel vernietigd. Maar de grootste steden verschenen op dat deel van het vaste land, dat nu als Madagaskar bekend is. Daar waren beschaafde en wilde volken in die dagen, zoals nu. De evolutie voltooide bij de eerste haar werk van volmaking, terwijl Karma zijn vernietigings werk op de andere volbracht. De Australiërs en huns gelijken zijn de nakomelingen van degenen die in plaats van de vonk, welke de “vlammen” in hun aangestoken hadden, levend te maken, die uitblusten door lange eeuwen van dierlijkheid. Bij de komst der Goddelijke Dynastieën ving de eerste beschaving aan. En terwijl in enige gewesten der aarde een deel der mensheid de voorkeur gaf aan een nomadische aartsvaderlijk leven, of in andere streken de wilden nauwelijks wisten vuur te ontsteken en zich tegen de elementen te beschutten, bouwden hun Broeders, die een beter Karma hadden en die geholpen werden door het goddelijk intellect dat hen onderrichtte, steden en beoefenden kunsten en wetenschappen. En toch, niettegenstaande hun beschaving, terwijl hun herderlijke broeders als erfrecht wonderlijke vermogens bezaten, vermochten de bouwers van steden diezelfde eigenschappen slechts geleidelijk te ontwikkelen – en dan nog maakten zij er van gebruik om macht over de natuur uit te oefenen voor zelfzuchtige en onheilige doeleinden. De beschaving heeft altijd ten koste van het psychische en het geestelijke. Vóór de verschijning van het Atlantische of Vierde Ras was reeds de mensheid grotendeels slecht geworden, met uitzondering van de Heerschappij van de Zonen der Wijsheid, naderhand de “Zonen van de Vuurnevel” genaamd, benevens hun discipelen. Toen kwamen de Atlantiden, die reuzen wier fysieke schoonheid en kracht volgens de wet der evolutie hun toppunt bereikte in het middentijdperk van hun vierde onderras. Maar zo als de commentaar zegt: “De laatste bewoners van het Witte Eiland waren eeuwen geleden vergaan. De Heiligen onder hen hadden een schuilplaats gevonden op het Heilige eiland (nu Shamballa, in de woestijn van Gobi), terwijl enige der boze rassen zich van de menigte afzonderden en nu leefden in de jungles en spelonken (zij waren holbewoners, troglodieten), toen het goudgele ras op zijn beurt zwart van zonde werd. Van pool tot pool was de aarde voor de derdemaal van uiterlijk veranderd… de halfgoden van het Derde Ras waren de halve duivels van het vierde geworden.

Voor-historische Tijden

13


Het “Witte Eiland” omsluierde zijn aangezicht. Zijn kinderen leefden nu in het Zwarte Land waar zij de plaats vervingen van de Saddhoes (heilige mannen) en asceten van het Derde Ras, die uit hogere gewesten nedergedaald waren. Het “Witte Eiland”, in deze zin, was het jonge Atlantis, Sâka-Dwipa, het zondeloze, toen het nog zijn zeven heilige rivieren en zijn zeven districten bezat, waar geen twist, geen afwijking van de deugd bestond; want het was door de kaste der Magas bewoond, en daar was de wieg van de eerste Zarathustra. Die Magas waren priesters van de zon; de Magi uit Chaldea zowel als hun godsdienst waren afkomstig van Atlantis. “De mensen verminderden zeer van gestalte; ook de lengte van hun leven verminderde…., velen hadden goddelijke kennis verworven, maar de meeste verkregen onwettige kennis en volgden vrijwillig het Linker Pad. Zij bouwden grote beelden, negen yatis hoog (dat is 27 voet), van de hoogte van hun lichamen. Maanvuren hadden het land van hun vaderen vernietigd. Zij werden door het water bedreigd.” Het is wel waard op te merken, dat de meeste reusachtige beelden, die men op Teapy (Paaseiland; dat zeker een deel is van een overstroomd land), en ook in een streek, die voor onnoemelijke tijden onder water is geweest, t.w. op de grenzen van Gobi, gevonden heeft, allen tussen 20 en 30 voet ¹) hoog zijn. De beelden door Cook gevonden waren bijna 27 voet hoog en acht voet breed over de schouders. Enige waren veel groter en zo reusachtig, dat dertig personen door zijn schaduw voor de hitte der zon beschermd werden. De platformen, waarop deze kolossen staan, zijn uit gebeitelde steen gebouwd, in Cyclopische stijl, zeer gelijkende op de ruïnen van Tia Huanuco in Peru (muren van de tempel van Pachacamac.) Het beste van die beelden is nu in het British Museum. Hun type verschilt; ofschoon zij alle lange hoofden hebben, kan men zien dat zij portretten voorstellen, want neus, mond en kin zijn zeer verschillend van vorm. Het hoofd is daarbij met een soort platte kap bedekt, waaraan een verlengstuk hangt om het achterhoofd te dekken – en dit bewijst dat het geen wilden zijn van de steentijd.Maar wie heeft de veel grotere kolossen uit Bamian gebeeldhouwd, de hoogste en reusachtigste in de gehele wereld? Burnes en verschillende geleerde Jezuïeten, die het land bezochten, spreken van een berg, die op een bijenkorf gelijkt met reusachtige cellen, en twee ontzaglijke Reuzen, in dezelfde rots gebeiteld. Bamian is een klein armoedig, half vervallen stadje in Centraal-Azië, aan de voet van de Hindoe-Koesh. De gehele vallei is omgeven door kolossale rotsen, die vol zijn met half natuurlijk en half kunstmatige spelonken en grotten. Bij de ingang van enige van die spelonken heeft men vijf reusachtige beelden gevonden of liever in deze eeuw ²) hervonden; want de beroemde Chinese reiziger Hiouen-Tsang spreekt er van en zag ze, toen hij Bamian bezocht in de VIIde eeuw van deze jaartelling.

¹) 15 voet of feet is ongeveer 46 meter. Voor-historische Tijden

14


²)

de reuzenbeelden in Bamian zijn inmiddels verwoest met dynamiet door de Taliban, de rotsholten zijn er nog en de beelden zijn nog wel te zien op archiefbeelden.

De Beelden van Bamain. Het grootste beeld is 173 voet hoog (70 voet hoger dan het “Beeld der Vrijheid”, te NewYork) terwijl de wereldberoemde Colossus van Rhodes zelfs, tussen welk voeten de grootste schepen van die tijd doorvoeren, maar 120 á 130 voet hoog was; de tweede reus van Bamain is 120 voet hoog, de derde maar 60 voet, en de twee laatsten nog minder groot, terwijl de laatste en laagste alleen maar 25 voet hoger is dan de gewone gestalte van onze tegenwoordige tijd. Welnu, deze vijf beelden zijn het werk van het Vierde Ras, dat de vlucht nam tussen de bergtoppen en schuilplaatsen der Centraal-Aziatische gebergen, en wat meeris, deze vijf beelden zijn onvernietigbare gedenkteken¹) voor de esoterische lering der geleidelijke evolutie der rassen. ¹) 20e eeuw- 1915Het grootste stelt voor het eerste ras, waaraan het etherische / astraal lichaam in harde, eeuwigdurende steen gebeeldhouwd werd, tot onderricht der toekomstige geslachten, want anders zou de herinnering ervan nooit de Atlantische Zondvloed overleefd hebben. Het tweede – 120 voet hoog – is het tweede Ras; het derde – 60 voet hoog – vereeuwigt het derde Ras, dat viel, en herdenkt tevens het eerste fysieke Ras uit vader en moeder geboren, waarvan de laatste nakomelingen door de beelden van Easter Land (Teapy Rapanui / Paaseiland, 2000 mijlen van Zuid-Amerika) voorgesteld worden; zij waren niet hoger dan 20 of 25 voet, toen Lemuria overstroomd werd, ná door vulkanische vuren bijna geheel vernield te zijn. Het vierde Ras was nog wat kleiner. Er zou veel te zeggen vallen over de “schommelende en bewegende stenen “, de wouden van rotsen van Carnac, Cornwall is en andere plaatsen, stenen, die verondersteld worden overblijfselen te zijn van Druïdische tempels – maar die meest alle door reuzenhanden en reuzenkracht daar geplaatst werden. De Dracontia, aan de maan en de slang gewijd, waren een der oudste vormen van de “Rotsen van het noodlot”(Rocks of Destiny) der oude volken, en de beweging of het ‘schommelen’ van zulke stenen was een volmaakt duidelijke methode, waardoor de ingewijde priesters, die alleen de sleutel daarvan bezaten, wisten te lezen wat zij verlangden te weten. Lemuria, Atlantis en hun Reuzen, evenals de jongste onderrassen van ons Vijfde Ras, hebben alle het hunne tot die betyles, lithoi en magische stenen bijgedragen. De zogenaamde bekermerken (cupmarks) en holten, die zich op de vlakten der rotsen en monumenten bevinden, zijn heel eenvoudig geschreven geschiedenisregisters der oudste rassen. De beschaving van die Atlantiden was iets merkwaardigs en hun kennis van de geheime krachten en de middelen der natuur was wonderbaar. Onze hoogste en nieuwste, zogenaamde ontdekkingen zijn alleen teruggevonden fragmenten van hetgeen zij reeds geweten hebben. Zij wisten luchtvaartuigen te beheersen door de hulp van een subtiele kracht. Het is de verbazende sidérische Kracht, die aan de Atlantiden bekend was en door hen MashMak genoemd werd. De Arische Rishis spreken ervan in hun Ashtar-Vydia, het oudste Hindoesche werk over Magie. Het is, wat Bulwer Lytton vril noemt in zijn werk “The coming 15 Voor-historische Tijden


Race” en het bestaan van deze kracht, die aan de toekomstige rassen der mensheid behoren zal, is ook welbekend in Indië, daar alle geheimen werken er melding van maken. Deze vibratiekracht (zegt de Ashtar-Vidya), op een leger gericht, uit een vuurvoertuig (Agniratha) dat op een vliegend vaartuig of soort van ballon vastgemaakt was, kon 100.000 mannen en olifanten tot as verbranden. Keeley in Amerika is op het spoor om iets van die kracht te gebruiken en te beheersen. Hun huizen, zoals die der oude Peruvianen, hadden gouden vloeren. Zij wisten goud te maken in de letterlijke zin van het woord; want het proces van de vorming der metalen in het hart der aarde was hun bekend. Hun wapens overtroffen alles, wat wij ons van dien aard kunnen voorstellen. De commentaren spreken van vuurwapens, op magische wijze vervaardigt en gebruikt. Die wapens waren het werk der water- en vuurelementalen, die onder de beheersing waren van de Atlantische tovenaars. Van top tot teen in brons gekleed, vochten zij hun hele leven lang. Zij bezaten ook wonderbare, kunstmatige dieren, welke met spraak begaafd waren en hun meesters voor ieder naderend gevaar waarschuwden. De Meester was een “Zwarte Tovenaar”, en men zegt dat het mechanische dier door de djin of elementaal bezield was. Alleen door het bloed van een goed, rein mens kon het vernietigd worden. Herodotos spreekt van de Atlanten, een volk in West-Afrika, die vegetariërs waren, wier slaap nooit door dromen gestoord werd en die elke dag de zon vervloekten. De bewering berust op morele en fysieke feiten en niet op psychologische stoornis. Als de Atlantiden nooit droomden, was het omdat hier van de jonge Atlantische rassen sprake is, wier fysiek lichaam en fysieke hersenen nog te weinig stoffelijk waren, dan dat de zenuw-centra gedurende de slaap werkzaam konden zijn. – Wat betreft de bewering, dat zij de zon dagelijks vervloekten, deze heeft niets met de hitte te maken, maar wel met de morele verdorvenheid der Atlantiden van latere tijdperken. “Zij maakten zelfs incantaties tegen de zon”, zeggen de commentaren, en daar zij er niet in slaagden, vervloekten zij de zon. Dit was echte zwarte Kunst. “De eerste grote wateren verschenen. Zij verslonden de zeven grote eilanden. Alle heiligen werden gered; de onheiligen werden vernietigd – en met hen het grootste gedeelte der grote dieren (die uit het zweet, de emanatie der aarde werden voortgebracht). “ De zeven grote Dwipas of eilanden behoorden tot het vasteland van Atlantis. De archaïstische leringen wijzen aan dat de “Zondvloed” het vierde Reuzen-Ras overviel, niet om zijn verdorvenheid, noch omdat het ‘zwart van boosheid’ was geworden, maar eenvoudig omdat dat het lot is geweest van ieder vasteland dat – zoals alles wat onder de zon geboren is – wordt geboren, leeft, oud wordt en sterft.* Dus de Reuzen, de Tovenaars vergingen. Dat de Heiligen gered werden, hadden zij te danken aan hun vooruitzien, doordat zij het derde oog niet verloren hadden en dus een inzicht hadden in Karma en in de wet der Evolutie.

*Niet geheel juist…het werd in werking gezet –juist vanwege de verdorvenheid- opdat de zielen konden worden gered. De Atlantische cycli werd voortijdig beëindigd door de interventie van de Planeetlogos zelf. Het Lemurische Tijdperk werd wel op natuurlijke wijze beëindigd.

Voor-historische Tijden

16


Zie ook boeken van Alice A. Bailey.(TVN-CA)

“De Koningen van het Licht zijn in toorn weggegaan. De zonden der mensen zijn zo zwart geworden dat de aarde in haar angst trilt. … De azuren Tronen blijven ledig. Wie, uit de Bruine, Rode of Zwarte Rassen kan de plaatsen der Gezegenden innemen, de zetels van Kennis en Barmhartigheid? Wie kan de bloem der Macht vasthouden, de plant met de gulden stam en de azuren bloesem?” “Koningen van het Licht” is de naam, die in alle oude leringen aan de Vorsten der Goddelijke Dynastieën gegeven wordt. De “Azuren Zetels”wordt door “Hemels Tronen” vertaald in enige documenten. De “Bloem der Macht” is nu de Lotus; wie kan zeggen wat zij in die tijd is geweest? – De “Azura” Hemelse Koningen en zij, die de “Deva-tint” hadden, d.w.z. de maankleurige tint, en zij “die een stralende gouden tint” hadden, gingen naar “het Gezegende Land, het land van metaal en vuur”, of om zinnebeeld uit te leggen, naar de landen, die naar het Noorden en het Oosten liggen, vanwaar “de grote wateren verdreven, door de aarde ingezogen en uit de lucht opgenomen en verspreid zijn. ”De Wijzen bespeurden “de Zwarte Storm-Draken” die door de Draken der Wijsheid waren opgeroepen, en “zij vluchten, geleid door de schitterende Beschermers van het uitnemende Land”. Deze beschermers waren de grote adepten van die tijd. Verder luidt een Commentaar: “En de grote Koning met het schitterende gelaat, het Hoofd van al de Gele Gezichten, werd treurig, want hij zag de zonden van de Zwarte Gezichten. Hij zond zijn luchtvaartuigen (Viwân) aan al zijn Broeders, Hoofden en andere volkeren en stammen”, met heilige mannen erin om hun te zeggen; “Maakt u gereed. Vergadert u, gij mensen van de goede Wet, en steekt het land over, terwijl het nog droog is. De Stormvorsten komen eraan. Hun wagens zijn het land nabij. De vorsten met donkere gezichten (de Tovenaars) zullen nog een nacht en twee dagen op dit geduldig land vertoeven. Dit land is veroordeeld en zij moeten daarmee wegzinken. De Vuur-Vorsten uit de lagere gewesten (de Gnomen en Vuur-Elementen) maken hun magische Agni-yâstra gereed (vuurwapens die door magie bewerkt werden). Maar de Vorsten van het kwade oog (Malus Oculus) zijn sterker dan zij (de elementen), en deze zijn de slaven der machtigen. Zij zijn geleerd in Ashtar Vidya (de hoogste magische Kennis), om die der Tovenaars tegen te werken. Laat iedere vorst met Schitterend Gezicht (Adept der Witte Magie) zorgen dat de Viwâns (luchtvaartuigen) der Donkere Gezichten in zijn bezit komen, opdat de Tovenaars niet aan de wateren mogen ontvluchten, gespaard worden voor de gesel der Vier Karmische Goden en hun boze aanhangers redden. Dat ieder geel gezicht slaap van zich uitzende aan ieder zwart gezicht. Mogen zelfs zij, de Tovenaars, voor pijn en angst gespaard worden. Laat ieder mens, die getrouw is aan de zonnegoden, ieder mens, die aan de Maangoden behoort, bewusteloos maken, opdat deze noch lijden moge, noch zich aan zijn lot moge ontrekken. En laat ieder geel gezicht van zijn eigen bloed offeren aan het sprekende dier van ieder zwart gezicht, opdat het zijn meester niet moge wakker roepen. Het uur heeft geslagen; de zwarte nacht is gereed… Laat hun lot volbracht worden. Wij zijn de dienaars der Vier Maharadja’s. Mogen de ‘Koningen van het Licht’ terugkomen! De grote Koning wierp zich op zijn schitterend gezicht neder en weende…!”

Voor-historische Tijden

17


“Toen de Koningen zich verzamelden, waren de wateren reeds stromende; maar de volken waren nu naar de droge Landen overgegaan. Zij waren buiten bereik van het water. Hun Koningen volgden hen spoedig in hun Viwâns en leidden hen naar de landen van Vuur en Metaal (het Oosten en Noorden)… Sterren (meteoorstenen) regenden op de landen van de zwarte gezichten, maar zij sliepen. De Vorsten der lagere gewesten (Elementalen) wachtten op orders, maar daar kwamen geen, want hun meesters sliepen. De sprekende dieren (Magische wachters) bleven stil. De wateren rezen en bedekten de valleien van het ene einde der aarde tot het andere. Hooglanden bleven bestaan; het land der antipoden bleef droog. Daar woonden zij die ontvluchten, de mensen met het geel gezicht en het eerlijke oog…. Toen de vorsten met het Donkere Gelaat wakker werden en aan hun Viwâns dachten om aan het rijzende water te ontvluchten, vonden zij die niet meer. De krachtigste onder de Tovenaars, die wat vroeger ontwaakten, vervolgden ‘degenen der vluchtelingen die de achterhoede vormden; want de volken, die weggevoerd werden, waren talrijk als de sterren in de Melkweg…’ Als een draakslang, die langzaam zijn lichaam uitspreidt, openden de zonen der mensen, door de ‘zonen der wijsheid’ geleid hun rangen en spreiden zich uit als een ruisende stroom van zoet water… verscheidene, die kleinmoedig waren onder hen, vergingen onder weg. Maar de meesten werden gered. De vervolgers toch, “wier hoofden en borsten hoog boven water rezen”, verjaagden hen ‘gedurende drie maan-tijden’, totdat eindelijk de steeds rijzende golven hen ook (de vervolgers) bereikten en zij tot de laatste man vergingen, terwijl de bodem onder hun voeten wegzonk en de aarde degenen verslond die haar ontheiligd hadden. Weinig mensen bleven over. Enige gelen, bruinen en zwarten, ook enige roden, bleven over. De maankleurige van de oorspronkelijke stam waren voor altijd heengegaan. Het Vijfde Ras, dat uit de heilige stam was voortgebracht, bleef en werd geregeerd door zijn Eerste Goddelijke Koningen… De Slangen (der Wijsheid) daalden opnieuw neer; zij stichten vrede met het Vijfde Ras en werden zijn Leermeesters en Leiders… De Grote Draak (een algemene naam voor Zondvloed, de Draak wiens staart geheel natiën in een oogwenk wegsleept) heeft alleen eerbied voor de “Slangen der Wijsheid” wier holen zich onder de Driehoekige stenen bevinden, de Piramiden aan de vier einden der ‘Wereld’. De Adepten en “Wijze Mannen” van het Derde, Vierde en Vijfde Ras leefde in onderaardse woonplaatsen, over het algemeen soorten van Piramiden, zo niet in werkelijke Piramiden; want het land der Farao’s heeft niet het monopolie der Piramiden gehad, wat algemeen gedacht werd, totdat men zulke Piramiden in alle delen der twee Amerika’s verspreid heeft gevonden, op de aarde, onder de aarde, onder de bossen en zelfs in het midden van ongerepte wouden, in het vlakke land en in de valleien, en verder piramidale gebouwen zoals de menhirs in Morbian, de Deense tumuli en de “Reuzengraven” van Sardinië met hun nuraghi, die alle ook grovere en latere nabootsingen der oorspronkelijke Piramiden zijn.

Voor-historische Tijden

18


Maar de “Slangen der Wijsheid” hebben hun geschiedregister goed bewaard, en de geschiedenis der mensheid is even goed in de Hemel geschreven als op onderaardse muren gebeiteld. De mensheid en de sterren zijn op onbreekbare wijze aan elkaar gebonden door de Wezens, die de sterren regeren. Van dit Vierde Ras verkregen de jonge Arische volken van het Vijfde hun kennis van “de bundel der wonderbare dingen”, waarvan het Mahabhârata melding maakt. Van hen leerden zij de luchtvaart, Viwân-Vidya, en de Kunsten der meteorografie en meteorologie en van de wetenschap der krachten, die in edelgesteente en andere stenen verscholen zijn; van hen de Chemie of liever Alchemie, mineralogie, geologie, fysica, eindelijk de sterrenkunde en de Symbolenleer, waaronder een diepe kennis van de betekenis van de Dierenriem begrepen is. De dierenriem der oudste Egyptenaars, evenals van de hedendaagse Hindoe, was afkomstig van de Atlantide Azur-mâya of mâyasura. Ieder der manuscripten, waarop de commentaren geschreven staan, die hierin aangehaald zijn, bestaat uit palm-bladen en wordt zeer geheim gehouden. Het laatste, waarin het ondergaan der Atlantiden verhaald wordt, bestond, zegt men, uit stenen tafelen, welke aan een Boeddha van het begin van het Vijfde Ras behoorden, die zelf ook getuige was geweest van de Zondvloed en het grootste gedeelte van Atlantis had zien wegzinken. De dag, waarop veel van wat nu uit de archaïsche leringen is uitgegeven, zo niet alles, waar zal bevonden, is niet verre en dan zullen de hedendaagse symbologisten de zekerheid verkrijgen dat zelfs Odin of God Wodan, de hoogste God der Germaanse en Scandinavische mythologie, een van de vijf en dertig Boeddha’s, Rishis, is – de naam is dezelfde (door de noordelijke Boeddhisten ‘Buddhas of Confession’ genoemd) of Historische Wijzen die deze occulte geschiedregister hebben bewaard. En Odin is een der oudste, daar het vaste land, waartoe hij en zijn Ras behoorden, een der oudste vaste landen was. Gebeurtenissen, die nooit buiten het menselijke geheugen geschreven werden, maar die eerbiedig overhandig werden van geslacht tot geslacht en van Ras tot Ras, kunnen door onophoudelijke overbrenging in het boek der hersenen, door talloze aeonen heen, met meer waarheid en nauwkeurigheid bewaard zijn, dan in enig geschreven document. Dat wat een deel van onze ziel uitmaakt is eeuwig, zegt een Engelse schrijver. En wat kan inniger met onze zielen verbonden zijn dan hetgeen in de morgenschemering van onze levens geschiedt? Die levens zijn ontelbaar, maar de geest, die ons bezielt door al die ontelbare levens heen is dezelfde. Ofschoon uit het boek der fysieke hersenen de gebeurtenissen uitgewist kunnen worden, die door de grenzen van een aards leven ingesloten zijn, het geheel der collectieve herinneringen kan nooit de goddelijke ziel, die in ons is, verlaten. Haar fluisteringen mogen te zacht zijn en het geluid van haar woorden moge te ver zijn van het gebied, dat zich in het bereik van onze fysieke zintuigen bevindt, toch is de schaduw der gebeurtenissen die eenmaal zullen zijn, in het vermogen van waarneming en steeds tegenwoordig voor het oog van de Denker in ons. En het is deze stem der Ziel, die zeggen kan aan degenen, die eerder in overleveringen geloven dan in geschreven geschiedenis, dat dit alles Waarheid is.

۩

Voor-historische Tijden

19


Voor-historische Tijden

20


THEOSOFIE- Voor-Historsiche_Tijden-uit 1915_Schets uit de Geheime Leer_