Page 1

Roodvonk Verder van huis

Sybold Deen

TIEN HOOFDN STUKKE GRATIS!

Thriller ° Lycka till Förlag


Roodvonk


Sybold Deen

Roodvonk Verder van huis

Lycka till Fรถrlag Veenendaal


Indien u tijdens het lezen graag naar muziek luistert, dan beveelt de auteur van harte de volgende nummers aan: - Amused to Death (Amused to Death), Roger Waters - Man on the Moon (Automatic for the People), R.E.M. - The Bravery of Being Out of Range (Amused to Death), Roger Waters - Comfortably Numb (The Wall), Pink Floyd - Fantastic Light (Walking into Mirrors), Johnny Warman - The First Cut (Touch), Eurythmics - The Great Gig in the Sky (The Dark Side of the Moon), Pink Floyd - Martian Summer (Walking into Mirrors), Johnny Warman - Not Now John (The Final Cut), Pink Floyd - Set the Controls for the Heart of the Sun (A Saucerful of Secrets), Pink Floyd - Three Minutes (Walking into Mirrors), Johnny Warman - Three Wishes (Amused to Death), Roger Waters - Too Much Rope (Amused to Death), Roger Waters - Two Suns in the Sunset (The Final Cut), Pink Floyd - Under the Milky Way (Starfish), The Church

Deze roman bestaat in zijn volledige vorm uitsluitend in gedrukte vorm. Ter promotie zijn slechts de eerste tien hoofdstukken ook digitaal verspreid. Indien u Roodvonk toch volledig als ebook leest, is er derhalve sprake van een illegale kopie en dupeert u zowel de auteur als de uitgever. Illegaal downloaden is diefstal. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt, door middel van fotokopie, microfilm, of in enige digitale, elektronische, optische of andere vorm, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Eerste druk 2016, tweede druk 2017 © 2016 Sybold Deen/Lycka till Förlag Redactie: Bianca Nederlof Omslagontwerp: Lycka till Productions Omslagfoto: JD Hancock Illustratie omslag en titelblad: Daniëlle Futselaar Typografie, tabellen en overige afbeeldingen : Lycka till Productions Tekening auteur: zelfportret ISBN 978 94 92040 17 6 www.lyckatill.nl www.sybolddeen.nl


Een droom over roodvonk voorspelt dat u gevaar loopt ziek te worden of dat u onder het bewind van een tegenstander komt te staan. Diverse dromenduiders


Proloog

Op zaterdag 18 juli 2037 werd vanaf de Russische lanceerbasis Vostotsjni de allereerste bemande missie naar Mars gelanceerd. Aan boord waren: Helmut Proksch (commandant) Matthew G. Davidson Ross Samuel Fitzgerald Boris Petrovitsj Ivanov Eric Lund Sergej Aleksandrovitsj Zjoeganov Na een reis van 260 dagen bereikte de missie de planeet Mars, koppelde de Marslander, genaamd Dignity, af van het ruimteschip Liberty en landde geheel volgens planning op zondag 4 april 2038 vlak bij de al op Mars aanwezige habitat met de naam Charity.

8


1 Boris Ivanov

Ruim acht maanden zijn we nu onderweg. Over twee weken landen we op Mars. Dan komt er eindelijk een einde aan onze lange reis en ook een einde aan een periode waarin we ons vaak verveelden. Natuurlijk hebben Sergej en ik meerdere uitvoerige simulatieprogramma’s gevolgd. Bij Roscosmos hebben we aantoonbaar meer ervaring met langdurig verblijf in de ruimte dan bij ESA of NASA. Ik denk dat wij dan ook beter opgewassen zijn tegen verveling dan de Amerikanen en Proksch en Lund. Ik wrijf door mijn baard en denk terug aan het laatste simulatieprogramma dat wij moesten ondergaan. Sergej en ik waren al lang voorbestemd voor een grote, langdurige ruimtereis, maar we zaten in een groep van acht man. We wisten allemaal dat niet elk van ons geselecteerd zou worden. En we wisten ook dat we dag in dag uit gevolgd zouden worden. Alles wat we deden, elke beweging, elk woord dat we zeiden, alles zou worden vastgelegd, bekeken en geanalyseerd. Ik leerde Sergej in 2018 kennen en hoewel we zes jaar in leeftijd schelen, klikte het meteen goed en raakten we 9


al snel bevriend. Binnen ons opleidingsprogramma had ik verder geen vrienden. Gaandeweg kreeg ik door dat Sergej ook een doorzetter was en dus hoopte ik dat we samen zo ver mogelijk zouden komen. Letterlijk en figuurlijk. Toen we te horen kregen dat we een simulatie zouden moeten ondergaan die net zo lang zou gaan duren als een volledige Marsreis, begreep ik dat het menens werd. We zouden voor enkele jaren opgesloten worden in een oud fabriekspand in het Krasnoselsky District van Sint-Petersburg. In die oude fabriek had men verschillende vertrekken omgebouwd zodat deze dienst konden doen als ons ruimteschip en lander, onze verblijfplaats op Mars en als Marslandschap. Ik wist dat geen woord dat we zouden zeggen tijdens de simulatie nog onder ons kon blijven, dus had ik een week voordat Sergej en ik naar Sint-Petersburg gingen met hem afgesproken in het Gorky Park in Moskou. Ik wilde hem beslist spreken voordat werkelijk elk woord dat we zouden wisselen kon worden afgeluisterd. Sergej en ik liepen langs de oever van de Moskva en kwamen langs de Boeran, het testmodel van onze eigen ruimteshuttle die helaas nooit gelanceerd werd, en nu in het park tentoongesteld werd. ‘Weet je heel zeker dat je naar Mars wilt?’ vroeg ik hem, toen we even stilhielden bij de Boeran. ‘Weet je honderd procent zeker dat je er klaar voor bent?’ ‘Natuurlijk!’ antwoordde Sergej. ‘Wat een vraag! Ik ben hier toch al jaren mee bezig? Waarom vraag je me dit?’ wilde hij weten. ‘Is dit een test? Heeft Roscosmos jou gestuurd om mij uit te vragen? Had je echt gedacht dat ik twijfel zou laten merken?’

10


‘Nee,’ antwoordde ik. We wandelden weer verder. ‘Nee, kameraad. Ik heb je gevraagd om hier met mij te gaan wandelen zodat we ongestoord zouden kunnen praten. Ik wil naar Mars en ik wil heel graag samen met jou naar Mars. Daarom wil ik dat jij ook door het simulatieprogramma komt. Mijn vader is politicus en dankzij zijn contacten weet ik dat de regering meer geld in de ruimtevaartindustrie wil gaan pompen. Roscosmos en Energia zullen veel grotere budgetten krijgen.’ ‘Maar wat heeft dat met ons simulatieprogramma te maken?’ wilde Sergej weten. ‘Alles, kameraad. Alles. De regering wil haar blazoen oppoetsen. De laatste jaren staat ons land internationaal niet meer zo best op de kaart. Onder ons gezegd is dat te danken aan een zwalkend beleid. Maar goed, Moskou heeft besloten om internationaal respect af te dwingen door een nieuw ruimtevaartprogramma.’ Sergej luisterde aandachtig. Ik vervolgde: ‘De simulatie die wij zullen ondergaan wordt vrijwel zeker de laatste grote test om een bemanning te selecteren voor een echte ruimtereis naar Mars. Er komt een einde aan tientallenjaren droogzwemmen en af en toe een paar maanden naar het internationale ruimtestation.’ ‘Gaat het echt gebeuren, Boris? Eindelijk?’ Sergej keek mij hoopvol aan. ‘Ja, het lijkt erop dat het echt gaat gebeuren en dan zouden jij en ik geschiedenis kunnen gaan schrijven. Roscosmos wil ervoor zorgen dat Rusland als eerste op Mars landt, en wil met twee mensen op de planeet landen, eigenlijk net als ooit bij het Amerikaanse Apolloprogramma op de maan.’

11


‘Dat is geweldig. Maar waarom wilde je me dat hier in Moskou vertellen? Waarom speciaal hier, in het park?’ vroeg Sergej. ‘Omdat ik vermoed dat de komende simulatie anders zal zijn dan alle voorgaande. Vind je het niet opvallend dat we ineens naar Sint-Petersburg gaan, terwijl alle voorgaande simulatieprogramma’s ergens hier in de omgeving plaatsvonden?’ vroeg ik. ‘Daar had ik nog niet bij stilgestaan,’ antwoordde Sergej. ‘Nu je het zegt, dat is eigenlijk wel bijzonder.’ ‘Inderdaad. En daarom denk ik dat we bij onze komende simulatie uit en te na getest gaan worden. Ik denk dat ze ons een bijzonder zwaar programma gaan voorschotelen. Ik weet niet wat ze daar in Sint-Petersburg precies in elkaar hebben gezet, maar reken erop dat we het zwaar gaan krijgen,’ zei ik. ‘Juist. Nou, het is goed dat je het zegt, Boris. Bedankt.’ ‘Nee, dat is niet genoeg,’ zei ik tegen Sergej. Ik hield stil, keek over de Moskva en zei tegen hem: ‘Ik wil dat je geen krimp geeft, wat er ook gebeurt en hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt dat het bij de simulatie hoort, begrijp je?’ Sergej keek mij enigszins verbaasd aan. ‘Weet jij soms meer? Heeft er iemand gelekt? Weet jij wat ons te wachten staat?’ ‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Ik hou veel van schaken, zoals je weet. En bij schaken moet je altijd vooruitdenken. En van vooruitdenken heb ik mijn tweede natuur gemaakt. Zozeer dat ik nu dus bedacht heb wat men bij Roscosmos bedacht kan hebben om ons uit te proberen. Ze willen daar ongetwijfeld de allerbeste mensen selecteren. En daarvoor gaan ze ver, heel ver.’

12


Sergej keek mij aan en knikte. ‘Ik geloof dat ik het begin te begrijpen. Het wordt een afvalrace, een keiharde afvalrace en jij hebt bedacht dat je met zijn tweeën meer kans hebt dan als individu alleen.’ ‘Inderdaad,’ zei ik. ‘Ik mocht jou altijd al graag en samen hebben we meer kans. Als we samenwerken is er een goede kans dat wij geselecteerd zullen worden. Dan staan wij ooit samen op Mars.’ Sergej omhelsde mij en zei: ‘Kameraad, je bent als een broer voor mij en ik beloof je mijn trouw. Wij gaan samen naar Mars. Ik zal geen krimp geven tijdens de simulatie. Wat er ook gebeurt.’ Destijds had ik niet kunnen vermoeden dat na de aanvankelijke enorme geldbedragen en de grootse plannen van onze regering en van Roscosmos er opnieuw een periode van forse teruggang zou komen. Er kwam een machtswisseling en de nieuwe regering startte een bezuinigingsronde waardoor ons Marsprogramma voor onbepaalde tijd werd uitgesteld. Zonder de Amerikanen en ESA zou ik nu niet daadwerkelijk samen met Sergej onderweg naar Mars zijn. Maar voor al die politieke veranderingen gingen Sergej en ik naar Sint-Petersburg. En daar legden wij de basis voor onze uitverkiezing. We werden met een auto naar het Krasnoselsky District gebracht. De wegen werden steeds slechter en uiteindelijk belandden we ergens aan de rand van een vervallen industrieterrein. We reden op een weg met aan de ene kant braakliggend land en in de verte bossen en aan de andere kant een hoge betonnen muur met prikkeldraad erop. 13


De auto hield stil bij een poort waar een paar soldaten met machinegeweren stonden. Ik zag dat Sergej het maar niks vond en daarom nam ik mijn trouwring tussen mijn vingers en draaide er even aan. Dat leek een gewoontegebaar, maar het was het teken dat ik met Sergej had afgesproken. Het teken dat betekende: “Ik weet wat je denkt, maar geef geen krimp.� Trouwringen en andere persoonlijke sieraden mogen niet gedragen worden als je een ruimtepak draagt, maar wel gedurende de rest van de reis, dus dit teken zou ik vaak, maar niet altijd kunnen geven. We reden door de poort, stapten uit de auto en werden het gebouw binnengeleid, waar nog meer militairen rondliepen. Via een donkere gang en een metalen trap kwamen we in een kleine vergaderruimte, waar we werden ontvangen door Anatoly Popovitsch, de leider van het simulatieprogramma. Popovitsch was een kleine, gedrongen man met zware, donkere wenkbrauwen. Ik kende hem alleen maar van een ruimtevaartcongres dat ik ooit had bijgewoond. Popovitsch had iets geniepigs, wat prima paste bij het afwijkende simulatieprogramma dat ik verwachtte. De eerste negen maanden van het programma zaten we in een ruimte die ons ruimteschip moest voorstellen. We waren geblinddoekt naar binnen gebracht omdat we kennelijk niets van de techniek buiten onze verblijfsruimtes mochten zien. Ik vermoedde dat we op de eerste verdieping zouden zitten, of in een grote hal. Hoe dan ook verwachtte ik dat men een installatie gebouwd zou hebben die bewegingen aan ons verblijf door zou kunnen geven. 14


Gewichtloosheid kon natuurlijk onmogelijk gesimuleerd worden, maar desondanks had ik een reisschaakspel meegenomen met een metalen speelbord en magnetische schaakstukken. Om de tijd te doden speelde ik vaak een potje met Sergej. Af en toe ook met een van de andere aspirant-Marsgangers, maar toch vooral met mijn kameraad. De eerst negen maanden verliepen zonder noemenswaardige incidenten. We kregen een keer een stroomstoring voorgeschoteld, maar die wisten we vrij vlot te verhelpen. Een paar weken later had men een koelprobleem voor ons bedacht. Ook dat wisten we te pareren. De anderen, in feite onze concurrenten, kende ik vooraf niet persoonlijk, maar sommigen had ik al wel eerder ontmoet. Het waren stuk voor stuk geen kleine jongens. Ik vroeg me dus af op basis waarvan er uiteindelijk een schifting plaats zou vinden. Vlak voordat de gesimuleerde landing zou plaatsvinden, moesten we via een luik overstappen naar een aangrenzende ruimte die onze Marslander voorstelde. Bij de landing deden we alles goed. Naar bleek had het team van Popovitsch onze verblijfsruimte op een soort hydraulisch systeem gemonteerd. De boel schudde heftig en uiteindelijk kwamen we na een spannend kwartiertje tot stilstand. Popovitsch en zijn team hadden kennelijk kosten noch moeite gespaard. Het was tamelijk indrukwekkend. Maar goed, we waren dus geland. Vervolgens moesten we weer door een luik en stapten we in een nagebouwd Marslandschap. Dit landschap bevond zich ongetwijfeld in de grootste hal van het fabriekscomplex. Alle wanden waren zwart en gingen naadloos over in een rond koe-

15


peldak. Op dat koepeldak werden sterren geprojecteerd. Het deed me denken aan een planetarium. Op de vloer van de hal lag rood zand. Ik vroeg me af of men dat ergens uit een woestijn had gehaald of dat het gewoon bouwzand was dat men geverfd had. In de hal stond een nagebouwde habitat. Daar zouden we de komende maanden in moeten verblijven. Nog altijd vroeg ik me af wat Popovitsch voor ons in petto had. Zou hij vanaf het plafond van de hal een steen op onze habitat laten vallen, bij wijze van simulatie van een meteorietinslag? Ik begon bijna te hopen dat er zoiets zou gaan gebeuren. Hij zou toch niet zo fantasieloos zijn dat hij ons alleen maar aan verveling wilde onderwerpen? Sergej hield zich goed. Er waren soms kleine conflicten tussen de teamleden, maar ook de anderen leken zich er maar al te zeer van bewust dat ze moesten voorkomen hun eigen glazen in te gooien. Er was dus zelden een moment dat ik naar mijn ring hoefde te grijpen om zo Sergej tot kalmte te manen. Ik begon te vermoeden dat Popovitsch een spelletje met ons speelde. Misschien probeerde hij onze waakzaamheid te verzwakken door steeds alles maar goed te laten gaan? Maar wat stond ons te wachten? Dagenlang peinsde ik erover. Ik wilde Popovitsch voor zijn. Ik wilde niet verrast worden, maar ik kon maar niet bedenken wat zijn volgende zet zou zijn. De maanden verstreken en we deden niet veel meer dan af en toe “buiten” rondlopen door het bouwzand, daarvan monsters nemen en weer naar binnen gaan in onze habitat. Verder was er natuurlijk de communicatie met “Moskou”, die Popovitsch doorgaans zelf voor zijn rekening nam.

16


En dan hadden we nog de simulatie van de kas, want ook Roscosmos ging er al van uit dat we bij een eerste reis naar Mars zouden proberen onze eigen gewassen te verbouwen. Dus stonden we af en toe te ploeteren in de nagebootste kas. We werden geacht om de gewassen te bemesten met onze eigen uitwerpselen. De werkzaamheden in de kas waren dan ook beslist de minst populaire taak. Maar geen van ons klaagde, we wisten allemaal dat openlijk klagen niet bepaald gunstig voor je kansen zou zijn. Dus deden we zwijgend ons werk in de kas. Ik probeerde zelfs mijn gezicht niet te vertrekken als het weer eens mijn beurt voor het strontklusje was. Langzaam viel het me op dat de luchtkwaliteit in onze habitat steeds slechter werd. Ik vermoedde dat men heel subtiel veranderingen aanbracht aan de ventilatie. Eerst viel het nog wel mee, maar de lucht werd steeds muffer. Ik merkte dat de irritaties begonnen toe te nemen. De vlam sloeg voor het eerst in de pan toen er op een dag een flink deel van onze voedselvoorraden verdwenen bleek te zijn. De beschuldigingen tussen enkele van de teamleden vlogen over en weer. ‘Heb jij alles opgevreten, dikzak!’ zei iemand tegen een ander teamlid. Volkomen irrationeel natuurlijk. Maar het besef dat we op rantsoen zouden moeten, deed de sfeer alleen nog maar verder verslechteren. Sergej en ik gaven geen kick. We keken elkaar alleen veelzeggend aan. We wisten dat de collega die kwaad was geworden nu feitelijk al kansloos was. Natuurlijk was er niet ineens een groot deel van het voedsel opgegeten. Dit was vast een test. Popovitsch en zijn mensen hadden ongetwijfeld ergens stiekem een luik in onze habitat gebouwd waardoor ze naar binnen konden om bij ons dingen weg te halen. 17


Twee weken lang ging het vervolgens redelijk goed. Totdat een van onze collega’s op een ochtend bij het aanschouwen van zijn voedselrantsoen door het lint ging, naar de communicatie-apparatuur vloog en door de microfoon schreeuwde: ‘Dit is niet eerlijk, Popovitsch! Op Mars kan er in werkelijkheid niet zomaar iets verdwijnen, dus ook geen voedsel. Ik eis dat je het teruglegt!’ Weer een concurrent minder. Sergej lachte fijntjes naar mij. Popovitsch, noch iemand van zijn team, legde het voedsel terug en dus moesten wij het met de beperkte voorraad en met de opbrengsten uit de kas doen. Toen ik op een dag een van de anderen weer eens mistroostig naar zijn karige portie zag kijken, bedacht ik een snood plan en zei: ‘En dan te bedenken dat er in ons ruimteschip een heleboel voedsel voor de terugreis ligt.’ In werkelijkheid zou je het ruimteschip natuurlijk nooit kunnen bereiken als je op Mars zit. Dat draait dan immers zijn rondjes om de planeet. Maar in deze simulatie bevond ons ruimteschip zich gewoon direct achter de lander, verderop in de hal. De volgende dag bleek dat ik met die opmerking succes had gehad. Een van de anderen had de verleiding niet kunnen weerstaan en had ’s nachts onze habitat verlaten. Hij was naar het ruimteschip gegaan, had de deur geforceerd en zich zo toegang verschaft tot de daar aanwezige voedselvoorraad. Uiteraard was er onmiddellijk een alarm afgegaan en werd de valsspeler ingerekend door Popovitsch’ team en vervolgens verwijderd. Popovitsch meldde ons kort daarna in een communicatiebericht dat Andrei, zo heette de zondaar, uit het simulatieprogramma was verwijderd en dat wij dat maar

18


moesten beschouwen als een helaas ziek geworden en overleden bemanningslid. Het resulaat was natuurlijk dat wij, de overgebleven bemanningsleden, allemaal iets grotere porties kregen. Ik moest heimelijk lachen omdat mijn plannetje gelukt was. Op het moment dat er voedsel verdwenen was, wist ik al dat ze ons natuurlijk nooit echt van de honger om zouden laten komen. Je gaat immers geen miljoenen investeren in een astronautenprogramma om vervolgens je eigen astronauten over de kling te jagen. Die Andrei heb ik overigens nadien nooit meer gezien. Waarschijnlijk direct ontslagen door Roscosmos. Er verstreken weer een paar maanden zonder dat er veel gebeurde. Het leven in de habitat werd een sleur. De muffe lucht werd steeds erger en de zogenaamde wetenschappelijke opdrachten waren saai. Juist toen ik me afvroeg of Popovitsch al zijn kaarten al gespeeld had, werden we plotseling opgeschrikt. Igor, een van de collega’s die zich tot nu toe absoluut niet opvallend had gedragen en mij beslist een van de stressbestendigsten leek, slaakte een kreet, greep naar zijn hart en viel op de vloer. Nu wilde het geval dat uitgerekend Andrei, die onvrijwillig het simulatieprogramma had moeten verlaten, degene met de meeste medische kennis was. Maar ik liet me niet kennen en knielde bij Igor neer. En juist toen ik zijn kleding losmaakte en Sergej met de hartdefibrillator aan kwam zetten begon het alarm te janken en vulde de hele ruimte zich met zwarte rook. Ik was bang dat er ergens brand was ontstaan. Ik wilde opstaan om me uit de voeten te maken, maar voelde toen ineens een zuurstofmasker voor mijn gezicht. En ik voelde een hand die 19


mijn ring draaide. Het was Sergej, die mij gauw een zuurstofmasker had aangereikt en die nu op zijn beurt mij maande kalm te blijven. Hij had gelijk, ook dit hoorde natuurlijk bij de simulatie. Toen de rook was opgetrokken en we de zuurstofmaskers afdeden, waren we plotseling nog maar met vier man over. Tot op de dag van vandaag weet ik niet wat er met Igor is gebeurd. Was hij een ingehuurde acteur, die al die tijd tussen echte aspirant-Marsgangers zijn spel speelde, of was hij echt een astronaut in opleiding en kreeg hij daadwerkelijk een hartaanval? ‘U kunt de verdwenen bemanningsleden als overleden beschouwen,’ knetterde het uit de luidsprekers. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ik Popovitsch’ valse lachje hoorde vlak voordat hij de microfoon uitzette. Sergej en ik rondden het programma met de andere twee kandidaten af. Uiteindelijk gingen we terug naar ons ruimteschip, waar we nog eens negen maanden in verbleven en nadat het hydraulisch systeem voor de tweede keer een landing had mogen simuleren, stapten we uiteindelijk de kantoorruimte van Popovitsch binnen. Daar werden we ontvangen met kaviaar en wodka. Het was duidelijk dat wij geslaagd waren. Alleen wisten we op dat moment nog niet wie er echt naar Mars zouden gaan en wie er reserve zou worden gehouden. Bewijzen kan ik het niet, maar ik denk dat Popovitsch mijn opzetje wel heeft kunnen waarderen. Hij had natuurlijk mijn opmerking over de voedselvoorraad in het ruimteschip gehoord. Ik heb bewust een van mijn concurrenten erin geluisd. En daarmee heb ik zijn zwakte aangetoond. Popovitsch wilde de sterkste kandidaten se20


lecteren en feitelijk heb ik hem een handje geholpen. Mars is niet voor zwakkelingen. Mars is ook niet voor jongens. Mars is voor echte kerels. Nog twee weken, dan landen we eindelijk op Mars. Dat wordt het gevaarlijkste moment van onze reis. Als ik dat overleef, dan overleef ik alles. Dan loop ik straks daadwerkelijk op Mars rond in plaats van door bouwzand in een oude fabriekshal. Wat kan mij dan nog gebeuren? Sergej en ik spelen weer een potje schaak om de tijd te doden. Ik denk na over mijn volgende zet, verzet vervolgens mijn loper en zeg: ‘Schaakmat, kameraad.’ Sergej lacht. Hij weet dat het mij om het spel gaat en om het spel alleen. Wij hebben het samen gered. Wij lopen straks op Mars, al is het dan samen met vier buitenlanders. Die neem ik op de koop toe.

21


2 Eric Lund

Mijn vader had als kind de maanwandelingen eigenlijk als iets vanzelfsprekends beschouwd en er maar kortstondig aandacht aan besteed. Hij was precies oud genoeg om het zich later allemaal te kunnen herinneren, maar te jong om echt te beseffen hoe bijzonder het was wat er op 380.000 kilometer afstand van hem gebeurde. De tragiek van zijn geboortejaar. Dat was dan iets wat we gemeen hadden. En in mijn geval was het nog erger, want mijn hele leven lang kreeg ik steeds dezelfde reacties wanneer ik als geboortedatum 11 september 2001 opgaf. Met Armstrongs small step had mijn vader dan ook voornamelijk zijn rechten om naar kinderprogramma’s op televisie te mogen kijken met voeten getreden zien worden. Opa en – in veel mindere mate – oma waren uren, nee dagenlang niet van de televisie te slaan geweest. Mijn voorliefde voor astronomie had ik dan ook beslist meer te danken aan mijn grootvader, die ik nooit persoonlijk gekend had, dan aan mijn vader. Opa had een imposante verzameling boeken en films over ruimtevaart nagelaten. De Amerikaanse en de Chinese economie verhielden 22


zich na afloop van de Culturele Revolutie als een soort dubbelster, waarbij de ene ster steeds meer materie uitstootte en de andere deze opnam. Noch de Aziatische valutacrisis op het eind van de twintigste eeuw, noch de kredietcrisis een goeie tien jaar later, hadden de Chinese economie erg veel schade toegebracht en allengs werd het de Amerikanen steeds duidelijker dat het voor een ruimtevaartprogramma voordelen bood als je een minder democratisch staatsbestel had. In Amerika was immers niet zo gek veel animo voor nieuwe maanreizen. In China des te meer. En China had, vooral door het gebrek aan spaarzin in Amerika en de schijnbaar eeuwige honger naar goedkope producten aldaar, steeds meer te besteden. Amerika liet zich dan uiteindelijk ook verrassen. Want hoewel het in het tweede decennium van deze eeuw steeds duidelijker werd waar de Chinese ambities lagen, en de Amerikanen hadden kunnen weten dat de Chinezen in staat waren enorm veel kapitaal en menskracht vrij te maken, had men er tot 2018 niet echt rekening mee gehouden dat China al naar de maan ging. Amerika volgde laat in 2019 en moest vervolgens in de loop van de jaren twintig toezien hoe China doorzette en zowaar als eerste een permanent bemande basis op de maan vestigde. Zoals de grootste van de twee in een dubbelsterconfiguratie niet van de ene op de andere dag zijn kracht aan zijn kleinere metgezel verliest, zo rechtte ook Amerika zijn rug. Uiteindelijk waren het nog altijd de Amerikanen geweest die vijftig jaar eerder als eerste in onze astronomische achtertuin waren gestapt en dus, was de heersende opvatting, zou men nu laten zien wie het meest geschikt was voor de volgende stap. Maar het reeds in gang gezette programma voor een eigen maan23


basis putte de budgetten uit en in 2025 werd besloten dat Amerika niet alleen naar Mars kon gaan. Europa deed maar wat graag mee en ook de Russen gingen overstag. Ruslands kennis van langdurige ruimtereizen was van onschatbare waarde, iets wat de Russen maar al te goed wisten en ook uitbuitten bij de onderhandelingen. Dat het uiteindelijk toch tot een overeenkomst kwam, had vermoedelijk veel te maken met het feit dat Moskou met lede ogen had moeten toekijken hoe de Chinezen op basis van oorspronkelijk Russische technologie de maan hadden bereikt. Iets wat de Russen zélf nota bene nimmer hadden gepresteerd. Bovendien speelde mee dat men in Rusland flink had bezuinigd op ruimtevaart en het eigen Marsprogramma was uitgesteld. Dit was dus een uitgelezen kans om toch Russen op Mars te krijgen. Natuurlijk ontstond er strijd tussen Amerika en Rusland over de nationaliteit van de mens die als eerste voet op Mars zou zetten. De samenstelling van de bemanning was toch al een moeizaam proces. Amerika eiste dat mannen en vrouwen gelijke kansen zouden hebben. De Russen hielden echter voet bij stuk. Dat was vanwege een incident in 1999, tijdens een gesimuleerde Marsreis op aarde, in Rusland. Tijdens dat experiment leefden een aantal aspirant-astronauten lange tijd in afzondering in een kleine ruimte. Judith Lapierre, een Canadese vrouw, verklaarde na afloop van de simulatie dat zij was aangerand door haar Russische collega’s. De Russen snapten niets van alle ophef. Volgens hen ging het om niet meer dan een kus ter gelegenheid van Nieuwjaar. Enfin, aan het begin van deze eeuw werd de toon gezet. En de Russen waren onverbiddelijk. Dus alleen mannen naar Mars en zelfs het officiële commandoschap 24


kwam niet in Amerikaanse handen. Maar ook niet in Russische! De ESA kreeg door de twee voormalige kemphanen van de Eerste Ruimterace zomaar een fraai cadeautje in de schoot geworpen, en besloot in al haar wijsheid dat ik niet geschikt was als commandant. Waarin men gelijk had. Zo kwam het dat nota bene een Oostenrijker als eerste mens voet op Mars zou zetten. Ik had weleens gedacht dat we eigenlijk met z’n zessen tegelijk bij het luik zouden moeten gaan staan en dan naar beneden zouden moeten springen. Zoals een gezamenlijke duik in het zwembad. Hand in hand, kameraden! Terwijl de meeste van mijn leeftijdsgenoten in de winter voor ijshockey kozen en zo de Zweedse traditie voortzetten, koos ik voor wedstrijdschaatsen. Ooit had ik eens op internet gelezen dat bij een soort schaatswedstrijd over 200 kilometer op natuurijs in Nederland een kopgroepje dat de finish zag naderen het op een akkoordje had gegooid en hand in hand over de meet was gekomen. Ze werden prompt gediskwalificeerd. Natuurlijk was de officiële reden voor de keuze voor één man die als eerste voet op Mars zou zetten dat het beslist onhaalbaar was om een breder luik te maken in Dignity, onze Marslander, maar ergens geloofde ik dat gewoon niet. De wereld wil een winnaar. Iemand moet als eerste over de streep komen, zelfs als dat door de politiek bepaald is. En bij deze wedstrijd stond bij de start al vast wie dat zou zijn. Ik begreep maar al te goed waarom Buzz Aldrin er alles aan gedaan had om zo min mogelijk foto’s van zijn commandant, Neil Armstrong te maken. Ik vroeg me af wie er als eerste voet op Mars zou mogen zetten als Helmut Proksch iets overkwam. NASA 25


en ESA hadden bij het ontwerp van de Liberty niet alleen rekening gehouden met een zieke astronaut aan boord. Behalve de ziekenboeg was er namelijk ook een mortuarium. Met plaats voor vier lijken. Waarom juist dat aantal, dat had ik nooit begrepen. Dode astronauten namen immers niet meer ruimte in dan levende. Of was het omdat ons ruimtevaartuig moeilijk door minder dan twee astronauten bestuurd zou kunnen worden? Enfin, zolang we niet dood waren werd het mortuarium, heel efficiënt, gebruikt als opslagplaats voor ingevroren voedsel. Zou er aan het begin van onze reis sprake zijn geweest van meerdere tragische ongevallen, dan had de rest van de bemanning doodleuk maandenlang zijn werk moeten doen tussen pakken gevriesdroogd voedsel. Tot op heden was mijn werkruimte echter relatief overzichtelijk gebleven – ondanks Boris’ gewoonte om telkens vlak voor mij langs te bewegen – en mocht Helmut dus in gedachten blijven oefenen om zijn fameuze woorden met zo min mogelijk accent de geschiedenis in te sturen. “Wat ga je nou eigenlijk zeggen als je daar straks staat?” hadden we hem gedurende de reis meermaals gevraagd. Het was overduidelijk dat hij zijn woorden niet zelf had mogen kiezen. Die woorden, die Neil Armstrong zouden moeten doen verbleken, waren natuurlijk uitgedacht door een of andere PR-figuur, ergens in Wenen. Arme Helmut, wereldberoemd, maar alleen maar omdat hij de ideale compromiskandidaat was en ook al niet vanwege zijn originaliteit. Maar humor had hij wel, want toen hij gedurende de reis voor de zoveelste keer op de proef werd gesteld – we verveelden ons en wat was er leuker dan de uitverkorene zijn geheimpje te ontfutselen? – antwoordde hij op de vraag wat hij nou zou zeggen zodra hij in het rode 26


stof zou staan, met zwaar Salzburgs accent: “I thought I saw a pussycat!” We barstten met z’n allen in een bijna niet meer te stoppen lachen uit. De gedachte alleen al dat iemand als eerste voet zou zetten op een andere planeet en zozeer zou afwijken van zijn plechtige taak historische woorden te spreken, was werkelijk hilarisch. Vanaf dat moment ging Helmut door het leven als Tweety Proksch. Houston begreep niets van deze plotselinge bijnaam en Capcom gaf na enkele pogingen de reden te achterhalen toch maar op. Tweety’s vrouw hield het in haar dagelijkse tekstberichten langer vol, maar haalde bakzeil toen Helmut antwoordde dat het een inside joke was en dat het leuker was als dat zo bleef en ze het wel zou horen als hij weer terug op aarde was. Eskimo’s schijnen in hun taal tientallen woorden te gebruiken voor verschillende soorten sneeuw. Wat logisch is, aangezien sneeuw zo’n belangrijke rol speelt in hun leven. Als Mars ooit intelligent leven had voortgebracht en als dat nu nog had bestaan, dan hadden de Marswezens ongetwijfeld tientallen woorden gekend voor wind en stof. Voor onze missie was het absoluut een groot geluk dat er geen noemenswaardige storm heerste tijdens onze landing. Maar hier zaten we nu. Veilig geland, maar uitgerekend op de tweede dag had dan toch een storm de kop opgestoken. Nog een geluk dat we al kortstondig buiten waren geweest en Tweety zijn beroemde woorden had kunnen uitspreken. De Amerikaanse, de Russische en de Europese vlag stonden nog wel, maar het leek een kwestie van tijd totdat ze aan flarden gingen of – erger nog – zouden omvallen of wegwaaien. 27


Uit verveling en frustratie maakten we een pooltje. Welke vlag zou het langst standhouden? Bij gebrek aan geld was de inleg fruit. Gevriesdroogd fruit uiteraard, maar toch. Sergej en Boris zetten als ware patriotten in op hun eigen vlag. Matthew en Ross deden natuurlijk hetzelfde en Tweety koos braaf voor onze blauwe banier. Hij keek verbaasd op toen ik de voorspelbaarheid doorbrak en inzette op de Russische driekleur. Prompt mompelde Sergej dat die zet van mij hun winst kleiner zou maken. Tweety veerde op toen hij zich realiseerde dat hij dankzij mij nu een kans van een op drie had alles te winnen. Geheel ten onrechte. Drie dagen lang werd de storm alleen maar erger en pas tijdens onze zesde dag op de rode planeet luwde de storm enigszins en kregen we weer zicht op de plek waar onze vlaggen hadden moeten staan. Alle drie weg. Welke woorden moet je bedenken om verveling te beschrijven? De afgelopen maanden, op weg naar Mars, hadden we ons al vaak genoeg verveeld. Maar we wisten dat de reis lang zou duren en hadden ons op periodes van verveling ingesteld. Natuurlijk konden we films kijken en was er geregeld contact met aarde, maar na bijna negen maanden in een ruimteschip wilden we maar ĂŠĂŠn ding en dat was naar buiten. Daar waren we tot nu toe slechts een uurtje geweest en nu waren we opnieuw ingeblikt. Niet meer in Liberty of Dignity, maar in Charity, onze vooruitgestuurde thuisbasis op Mars. Buiten wachtte werk. Een hele wereld wachtte op ons. Wachtte buiten leven op ons? Als het er al was of was geweest, dan, zo was de algemeen aanvaarde wetenschappelijke stelling, was het hooguit van bacteriologische aard. 28


Ik vroeg mij af of er in de wereldgeschiedenis voorbeelden waren van uit verveling gepleegde misdaden. Zouden er zelfs moorden zijn begaan uit pure verveling? Muiterij uit verveling, daar kon ik me wel iets bij voorstellen. Stom, ik had me op aarde beter moeten voorbereiden. Ongetwijfeld hadden de psychologen in dienst van onze missie dat wel gedaan. Ik moest denken aan Gustav, een vriend van mijn vader. Gustav had altijd volgehouden dat de mens niet verder zou komen dan de maan. Onze soort was domweg niet geschikt voor ruimtereizen, vond hij. En hoewel mijn vijf collega’s en ik juist het tegendeel hadden bewezen, knaagde het gevoel aan me dat Gustav gelijk had gehad. Voet op Mars zetten was toch niet gelijk aan bewijzen dat we als soort hiervoor geschikt zijn. Niet dat we hier niks te zoeken hadden, dat hadden we juist wel, maar waren we wel opgewassen tegen een storm op een andere wereld die niet na hooguit twee dagen weer ging liggen? Of, om het wat concreter te maken, was ík wel opgewassen tegen storm, storm en nog eens storm? Plotseling drong het tot me door dat het weken, zo niet maanden zou kunnen blijven stormen. Nu niet gaan hyperventileren! Hoe was het in vredesnaam mogelijk dat ik door alle psychologische tests was gekomen? Of staken deze gevoelens de kop op doordat ik me zwak voelde tegenover die twee oerdegelijke Russen in mijn aanwezigheid? Ik had respect voor hun toewijding, hun onverstoorbare werklust. Zelfs respect voor Boris, hoewel ik het eigenlijk een klootzak vond. Maar dat had ik op aarde mooi verborgen weten te houden. Om mezelf te kalmeren luisterde ik veel naar muziek. De invloed van mijn vader had voornamelijk in de mu29


zikale sfeer gelegen. Hij was fan geweest van vele bandjes uit de jaren tachtig. En hoewel dat allemaal muziek van ver voor mijn tijd was, had het me altijd aangesproken. Het testprogramma van NASA had mijn vader nog meegekregen, hoewel hij toen al ziek was. Pas de laatste jaren was ik hem als oud gaan beschouwen. Vergeleken met mijn vriendjes in mijn jeugd had ik een oude vader, al was hij nog net geen veertig geweest toen ik geboren werd. Als enig kind van zijn tweede leg. Niet dat hij zonodig een jongere vrouw moest toen hij zijn midlifecrisis naderde, nee, daar was hij de man niet naar. Hij had zijn eerste vrouw verloren bij een auto-ongeluk in de omgeving van Kristinehamn. Mijn halfbroer en halfzus waren destijds net het huis uit. Zouden Sven en Annika trots op me zijn, nu ik hier zit? Sven had ik nog weleens opgezocht de laatste jaren. Ongetwijfeld zat hij ook deze zomer weer op zijn eilandje, ergens in Bohuslän. Net met vroegpensioen had hij nu vast alle tijd om mijn reis op televisie te volgen. Wat zouden ze nu op aarde laten zien? Beelden van verveelde astronauten? De zoveelste herhaling van het planten van de drie vlaggen? Of nog eens lachen om die kleine taalfout van Tweety? Of weer een documentaire over het gebruik van de Marsrover, het duurste vierwielige voertuig in het zonnestelsel, dat voorlopig niet gebruikt kon worden? Waar meteorologen op aarde gegevens krijgen van vele satellieten, moest de Climate Orbiter III het nog altijd in zijn eentje zien te rooien. Achteraf gezien een kardinale fout. Bijna net zo stom als destijds de verwisseling van Engelse en metrische maten bij het programmeren van een onbemande Marslander die naar de noordpool van deze planeet moest vliegen. How on earth could 30


someone be so stupid, bedacht ik met ironie in het Engels, om het weer op Mars met slechts één satelliet te volgen! Jammer dat mijn eigen taal zo beknopt was. Ik moest terugdenken aan mijn moeder. Ze was docente Engels geweest en had mij de voorliefde voor die taal bijgebracht. Ze had me er vaak op gewezen dat het EngelsZweedse woordenboek véél en véél dikker was dan het Zweeds-Engelse. Wat zou zij er nu van vinden dat ik hier ben? En vooral van wat ik hier nog zou gaan doen? Zelf was ze van ná de Apollo-landingen. Ze neuriede vaak “Man on the moon” tijdens mijn kinderjaren aan het begin van de eeuw. Matthew is de meest fanatieke sportliefhebber van ons allen. Hij was dan ook degene die voorstelde dat we Houston zouden vragen om nieuwe uitzendingen naar ons te uploaden. Formeel moest Tweety als commandant daar natuurlijk over beslissen, maar het werd al gauw duidelijk dat hij maar wat graag de vrede wilde bewaren en zou instemmen. Nu de storm voortduurde en we niet toekwamen aan ons onderzoekswerk, was er wat ons betreft veel minder dataverkeer nodig, dus was er capaciteit over, was onze redenering. Natuurlijk hadden we nog lang niet alle beschikbare films bekeken, maar, zo vonden wij, we wilden ook een rantsoen overhouden voor onze terugreis en bovendien wilde vooral Matthew graag actuele wedstrijden zien. Eigenlijk was het een soort testcase van ons om te zien of we onze zin zouden krijgen. Zes mannen, ogenschijnlijk opgewassen tegen hun taak, maar nu ondanks een succesvolle landing, het planten van hun vlaggen en het houden van een historisch praatje, vast in de storm en veroordeeld tot verveling. Het opwaaiende zand vertroebelde het zicht door onze ramen nu zozeer dat we buiten geen hand voor 31


ogen hadden kunnen zien. Laat staan een pussycat. We kregen onze sportwedstrijden. De vluchtleiding had ongetwijfeld overleg gevoerd met de psychologen. Voorlopig was het dus 1-0 voor ons. Data was het enige waarover we konden onderhandelen. Maar de data die we het hardste nodig hadden, kregen we niet. Weliswaar konden we het weer volgen op ons eigen systeem, maar dat had slechts een beperkt bereik. De gegevens van de Climate Orbiter III werden rechtstreeks naar aarde gestuurd. Niet naar ons. Na tien dagen storm willen we nu weleens weten waar we aan toe zijn. Proksch blijft daarom aandringen, maar Houston kan natuurlijk niets aan het weer veranderen en onder deze omstandigheden naar buiten gaan is volstrekt zinloos.

32


3 Boris Ivanov

De Amerikanen kijken naar een voor hen belangrijke basketbalwedstrijd. Proksch en Lund kijken mee. Zelfs mijn kameraad houdt het met een half oog in de gaten. Ik niet. Kennelijk ben ik de enige die zich druk maakt om de verdwenen vlaggen. Niet vanwege die stomme weddenschap, die eigenlijk toch al min of meer verpest was door Lund toen hij voor onze vlag koos, maar omdat die vlaggen eigenlijk helemaal niet weg zouden kunnen zijn. Het waait wel en we zien niet veel daarbuiten, maar we hadden de vlaggen toch echt goed verankerd bij de plaquette met Proksch’ historische tekst. En hoe waarschijnlijk was het eigenlijk dat alle drie de vlaggen tegelijk met paal en al weg zouden waaien? Natuurlijk heb ik weleens filmpjes gezien van dust devils op Mars en uiteraard wisten we dat stofstormen mogelijk zouden zijn, maar dit? Proksch is eigenlijk wel een aardige kerel. Hij is eind jaren tien bij ons in Moskou in training geweest en reisde diverse keren met een Sojoez mee naar het eerste International Space Station in de jaren dat de Amerikanen geen eigen ruimteschepen meer hadden om daar te komen. Onbegrijpelijk eigenlijk dat de Yankees het zover hadden laten komen. Wat dat betreft hadden wij het uit33


eindelijk toch veel beter voor elkaar. Toegegeven, wij zijn nooit met mensen op de maan geweest, maar zonder ons was dat de Chinezen ook nooit gelukt. Proksch is wat mij betreft wel terecht aangewezen als commandant. Hij is immers de oudste van allen. Maar anciënniteit lijkt bij die Europeanen minder belangrijk dan bij ons. Daar over gesproken: ik snap niet dat ze zo’n jonkie als die Lund mee hebben gestuurd. Natuurlijk heb ik daar niks van laten blijken tijdens ons trainingsprogramma. Die hele selectieprocedure was toch al zo’n gedoe. Dat gedram van de Yankees dat er vrouwen mee moesten, onbegrijpelijk! Leuk dat er af en toe een dame naar het ISS-2 gaat, maar feitelijk zijn dat toch maar “rondjes om de kerk”. Dit is het echte werk. Wij zijn de echte pioniers. Mars is voor mannen. Niet voor jongens. En die Lund is eigenlijk nog een jongen. Officieel mogen we van Houston nu ontspannen en hoef ik de instrumenten niet echt in de gaten te houden, maar die wedstrijd interesseert me geen zier en eigenlijk wil ik me voorbereiden voor als we opnieuw naar buiten kunnen. Ik ga precies uitzoeken waar alle vlaggen zijn gebleven. Vooral onze vlag. Idioot eigenlijk dat we geen reservevlaggen hebben. Hier heeft nooit iemand rekening mee gehouden. Maar stel je voor dat we de vlaggen gehavend of helemaal niet meer terugvinden? Laten ze dan op aarde de rest van de missie geen beelden meer zien van de plek waar de vlaggen stonden? Die vlaggen hadden trots gedurende de hele missie in beeld moeten zijn. Dat die Lund en Proksch zich niet zo druk maken om hun Europese vlag, snap ik nog wel. Dat hele Europa is toch maar een verzinsel. Hoe kun je nou met zoveel talen en verschillende culturen doen alsof je één land bent? Bovendien heeft die blauwe vlag met die sterren 34


nauwelijks historie. Onze vlag wel. Ik herinner me als de dag van gisteren dat we onder Poetin orde op zaken stelden op de Krim. Onze mannen werden daar met veel enthousiasme onthaald en overal zag je onze vlag. Een vlag om echt trots op te zijn! Doorgaans zijn de Yankees ook wel trots op hun vlag. Ach, misschien is het wel schijn dat Matthew en Ross zich nu niet echt druk lijken te maken om het verlies van hun vlag. Nu de rest naar de wedstrijd kijkt, voel ik me buitengesloten. Zou het Sergej echt boeien? Of doet hij maar alsof? Ik wrijf door mijn baard en probeer te bedenken welke kant onze vlaggen opgewaaid zouden zijn. Maar eigenlijk lijkt de wind steeds van alle kanten te komen. Hé, een tekstboodschap van Houston: ‘CHECK DATALOG LUCHTSLUIS. ONZE SYSTEMEN HEBBEN GEBRUIK GEREGISTREERD +12 UUR.’ Gebruik van de luchtsluis? Twaalf uur geleden? Dat kan helemaal niet, we sliepen toen allemaal. Bovendien stormt het. Niemand van ons zou in deze omstandigheden op het idee komen om in het donker naar buiten te gaan. Dit moet een datafout zijn. Ik tik wel een boodschap terug dat we het zullen controleren, dan kunnen we later vandaag nog audiocontact hebben, al blijft dat lastig vanwege de tijdsvertraging. Eens even kijken in de computer van de luchtsluis. Mooi stukje werk van onze mensen in Moskou. Wat dat betreft was de samenwerking goed gegaan tussen ons, NASA en ESA. Ze wisten in Amerika dat wij al tamelijk ver waren met ontwerpen voor leefeenheden voor de maan en Mars. Charity is dan ook een ontwerp van onze bodem. Net als deze computer. Alleen jammer dat alles in het Engels moest. 35


Krijg nou wat! ‘LUCHTSLUIS GEBRUIKT +12:10.’ Volstrekt belachelijk! Hoe kan het dat de computer dit zegt? En dat Houston deze foutieve data ook heeft? Wacht even, de camera in de sluis moet beelden hebben gemaakt als er beweging is geweest. Die moeten terug te vinden zijn. Eens even zoeken. Mmm, geen beelden van de afgelopen uren. Logisch, er is daar niemand geweest. Verder terug. ‘DATA GEWIST. DATA RECOVERY ONMOGELIJK.’ Wel verdomme! Wat is dit? Hoe kan een van onze computers nou zulke kuren vertonen? En wat zeg ik nu tegen de rest? Ik loop naar de anderen en zeg: ‘Mannen, luister, we hebben een probleem, de computer van de luchtsluis geeft data door die niet kunnen kloppen.’ ‘Kan dat niet even wachten, Boris?’ zegt Ross. ‘We zitten in de laatste paar minuten van de wedstrijd en de Chicago Bulls staan nota bene nipt achter. Het is echt razend spannend!’ ‘Ik denk dat het niet kan wachten.’ ‘Vast wel, als we naar ijshockey zouden kijken, zou jij ook willen dat wij nu onze mond zouden houden, of niet soms?’ bijt Matthew mij toe. Proksch staat op en lijkt te twijfelen of hij moet ingrijpen. Maar ik wacht niet langer en roep: ‘Time out! Zet de boel op pauze! Er is verdomme iemand naar buiten geweest!’ Eric drukt op een toets en de beelden bevriezen en het geluid verstomt. Het lijkt alsof de Amerikaanse basketballers abrupt stil zijn gaan staan doordat de absurditeit van wat ik zeg plotsklaps tot hen doordingt. ‘Wat bazel je nou man!’ begint Matthew. ‘Waarom val je ons lastig met een volstrekt onmogelijke melding van die computer? Waar was dat ding ook alweer gemaakt? 36


O wacht, ik weet het weer. Bij Energia natuurlijk. Made in Russia. Of niet soms, kameraad?’ Matthews sarcasme bevalt me allerminst. Proksch komt onmiddellijk tussen hem en mij in staan. Een goede keus van ESA, die Proksch. Op de momenten dat het erop aan komt toont hij leiderschap. ‘Iedereen houdt nu zijn mond!’ begint hij. ‘Ik beslis hier! Matthew, wat jij net hebt gedaan kan niet! We zijn hier op een internationale missie en hebben elkaar te respecteren. Dat weet jij heel goed. Je hebt je zojuist buitengewoon onprofessioneel gedragen. Maar daar hebben we het later over. Boris, vertel ons wat je ontdekt hebt.’ ‘We ontvingen een tekstboodschap van Houston met het verzoek om de data van de luchtsluis te controleren, omdat ze op aarde hadden doorgekregen dat de sluis ruim twaalf uur geleden gebruikt zou zijn. Dat leek me een datafout, maar ik heb het uiteraard meteen gecontroleerd. En onze computer zegt precies hetzelfde.’ ‘Mijn excuses voor wat ik zojuist gezegd heb,’ zegt Matthew. ‘Zou het niet kunnen dat het toch een datafout is? We sliepen vannacht toch allemaal? En bovendien was het donker. Wie gaat er nou in het donker, tijdens een storm, op een andere planeet naar buiten?’ ‘Dat was precies mijn gedachte. Maar ik heb meteen ook de camera gecontroleerd. Er is data gewist. En die data kan niet hersteld worden.’ ‘Wat is er hier verdomme aan de hand? Is die storm nog niet erg genoeg?’ vraagt Ross. ‘Beheers je!’ zegt Proksch. ‘We weten dat er niemand naar buiten is gegaan. Niemand van ons zou dat doen. Dus kan de sluis niet gebruikt zijn.’ ‘Tenzij er niet iemand naar buiten is gegaan, maar juist iemand naar binnen is gekomen,’ zegt Eric. Tot nu 37


toe had hij nog niets gezegd. Maar wat hij zegt maakt indruk. Een halve minuut lang kijken we elkaar aan. En daarna kijken we allemaal naar Eric. ‘Jij hebt in je jeugd vast te vaak naar Alien-films gekeken,’ zegt Sergej. ‘Er is daarbuiten niets. Mars is waarschijnlijk zo dood als een pier. Heel misschien vinden we extremofiele bacteriën of iets wat daarop lijkt, meer niet. Buiten ons zessen is er niemand hier. Dat weet jij net zo goed als ik.’ Sergej heeft natuurlijk volkomen gelijk, zoals zo vaak. Maar Eric lijkt niet van zijn stuk gebracht. ‘Ja,’ zegt hij, ‘maar ik redeneer gewoon logisch. Als de sluis gebruikt is en er is niemand naar buiten gegaan, dan moet er iemand naar binnen zijn gekomen. Toch?’ ‘Nou volgens mij keek ET zojuist niet gezellig mee naar de wedstrijd, dus zijn we hier nog altijd gewoon met zijn zessen,’ zegt Proksch. Ik schiet in de lach en mijn lach lijkt bevrijdend te werken. De sfeer raakt iets minder gespannen. ‘De relay van onze data gaat via Liberty in zijn parkeerbaan om Mars,’ zegt Sergej. ‘Zou daar wellicht een storing kunnen zijn ontstaan, kameraad?’ ‘Dat zou kunnen,’ zeg ik, ‘maar dan nog blijft het een feit dat onze computer hier exact hetzelfde meldt en bovendien kan de data van de camera hier nooit gewist zijn door een fout aan boord van Liberty.’ En ik bedenk dat het misschien toch niet zo’n goed idee was om ons ruimteschip onbemand in een parkeerbaan zijn rondjes te laten draaien. Destijds kozen de Amerikanen ervoor om één astronaut achter te laten in hun ruimtevaartuig dat om de maan bleef cirkelen. Natuurlijk heeft men sindsdien enorm vooruitgang geboekt op het gebied van besturing. Al heel lang zijn vliegtuigen op aarde in staat om 38


volstrekt zelfstandig te vliegen en desnoods perfecte landingen uit te voeren zonder dat een piloot bijstuurt. Dus Liberty kan volkomen veilig onbemand zijn baantjes om Mars afleggen. Maar nu had ik daarboven toch wel graag iemand gehad. Al zou een astronaut daar ons nooit fysiek te hulp kunnen schieten als we hier echt in de problemen zouden komen. ‘Goed,’ zegt Proksch. ‘Ik ga met een van jullie de sluis inspecteren. Boris, zorg jij voor contact met Houston. Meld hen dat we hier op onze computers dezelfde data hebben aangetroffen en meld ook dat de data van de camera in de luchtsluis gewist zijn. Ross, jij gaat met mij mee de sluis in. Matthew en Eric, jullie gaan, voor het geval dat wij hulp nodig hebben, mee naar de sluis, maar blijven wel in Charity zelf. Sergej, jij checkt de weerradar en zorgt ervoor dat we nieuwe data van de Climate Orbiter III krijgen. Als we de oorzaak hier binnen niet kunnen vinden, dan wil ik naar buiten zodra het kan.’ Terwijl iedereen in actie komt, loopt Proksch naar mij toe en zegt zachtjes: ‘Als mij iets overkomt, dan neem jij volgens het protocol het commando over.’ ‘GEBRUIK LUCHTSLUIS BEVESTIGD. GEBRUIKER ONBEKEND. DATA CAMERA GEWIST. DATA NIET HERSTELBAAR,’ voer ik in, terwijl Proksch en Ross de sluis binnen gaan. Wat zouden ze straks op aarde denken als mijn boodschap daar aankomt? ‘Matthew, kun jij de camerabeelden van de sluis doorzetten? Dan kan ik meekijken,’ roep ik. Ik krijg bijna meteen beeld door. Proksch en Ross inspecteren alles. Ik zie en hoor niets bijzonders. Als die camera-data niet gewist waren, dan zou ik het houden op een nogal merkwaardige computerfout en zou ik verwachten dat Proksch en 39


Ross helemaal niets vinden. ‘Niets bijzonders te zien,’ meldt Ross. ‘Alles lijkt volkomen normaal,’ zegt Proksch. En hij vervolgt: ‘Matthew, kun jij een system check doen op de computer van de luchtsluis?’ ‘Doe ik,’ hoor ik hem antwoorden. Twee minuten later meldt hij zich weer. ‘Alle systemen functioneren normaal. Alles ziet er goed uit.’ ‘Oké,’ antwoordt Proksch, ‘dan komen wij terug.’ ‘Wacht!’ roept Eric ineens. ‘Hebben jullie de ruimtepakken gecheckt?’ ‘Nee, nog niet. We gaan meteen kijken. Als er toch iemand naar buiten zou zijn geweest dan zouden we dat vrijwel zeker kunnen zien doordat er zand en stofresten op het pak zitten. Heel alert van je, Eric!’ Het blijft even stil terwijl Proksch en Ross de kasten aan de wand een voor een open maken. Dan schreeuwt Ross ineens: ‘Wel verdomme! Er is er een weg! Wat is er hier in vredesnaam aan de hand?’

40


4 Bill Rutherford

Het was een goed idee van Mary om in Galveston te gaan wonen. De omgeving is hier schitterend en de rit naar het Johnson Space Center is met 33 mijl niet echt ver. Echt druk is het op de Gulf Freeway meestal niet. Straks een uurtje samen met Dick en de andere collega’s voor overleg en daarna waarschijnlijk een tamelijk rustige dag. Jammer dat de storm op Mars ons programma vertraagt, maar na alle drukte rondom de landing is het eigenlijk wel lekker dat het nu even iets rustiger is. Ik betrap mezelf op de onprofessionele gedachte dat het van mij eigenlijk nog wel even slecht weer mag blijven daarboven. Bij binnenkomst heb ik meteen koffie gehaald. Ik begroet Dick, zet een beker voor hem neer, ga zitten en kijk naar mijn scherm, waarop juist een nieuwe boodschap binnenkomt. ‘GEBRUIK LUCHTSLUIS BEVESTIGD. GEBRUIKER ONBEKEND. DATA CAMERA GEWIST. DATA NIET HERSTELBAAR,’ lees ik. En het volgende bericht luidt: ‘LUCHTSLUIS GECHECKT. ALLE SYSTEMEN FUNCTIONEREN NORMAAL. EEN RUIMTEPAK ONTBREEKT.’ 41


Een ruimtepak ontbreekt? Nu gaan ze te ver! Die grappen rondom “Tweety Proksch” waren nog wel aardig. En die weddenschap om de vlaggen, ach dat tekende de goede sfeer, maar als dit een geintje is, dan wordt er volgend jaar hier op aarde beslist intern met hen afgerekend. Ik ben verdorie geen Flight Director geworden om me een beetje te laten dollen door een stel internationale cabaretiers op Mars! ‘OVEREENKOMST DATA BEVESTIGD. ONTVANGST MELDING VERMIST RUIMTEPAK BEVESTIGD. AUDIO/VIDEO-CONTACT -0:30,’ voer ik in. Dat geeft me even de tijd voor overleg. Dick heeft alles meegelezen. Ik draai mijn stoel naar hem toe en kijk in zijn wijd opengesperde ogen. En ik zie schrik. Kennelijk denkt Dick niet aan een rotgeintje. En eigenlijk heeft hij gelijk, want Proksch is professioneel genoeg om te weten dat hij een zware disciplinaire straf tegemoet zou kunnen zien. Zelfs de eerste mens die voet heeft gezet op een andere planeet zou niet wegkomen met zo’n misplaatste grap. ‘Verdomme Bill, wat is dit?’ zegt hij. ‘Ik weet het niet. We moeten Security inlichten. En de collega’s in Moskou en Darmstadt.’ ‘Oké, ik zal zorgen dat Communicatie direct contact met hen opneemt. En de president?’ vraagt Dick. ‘Ja, uiteindelijk ook de president. Maar eerst gaan we kijken wat audio/video-contact oplevert. Ik wil Proksch horen en zien. Het is verdraaid lastig dat we niet rechtstreeks kunnen communiceren, maar ik wil nu vooral zien wat er daar gebeurt. Zorg voor relay van de beelden naar onze psychologen. We zullen ze harder nodig hebben dan ooit tevoren! Ik ga Jessica bellen. Hou jij ondertussen de boel op de schermen in de gaten.’ 42


Ik loop bewust even weg zodat Dick mij niet kan horen. ‘Hi sweety, met mij.’ ‘Hé Bill, wat bel jij vroeg. Je dienst is toch nog maar net begonnen? Is Mary niet thuis? Heb je zin om straks bij mij langs te komen? Je bent welkom hoor. Ik mis je.’ ‘Nu niet, sweety. We hebben een probleem. Een groot probleem.’ Hoe is het toch mogelijk dat het hoofd Psychologie in haar werk zo professioneel is, maar telkens meteen smelt als ik haar bel. Heb ik dan zoveel aantrekkingskracht? ‘Luister, er is daarboven iets aan de hand. We hebben een melding gekregen dat er een ruimtepak ontbreekt in een van de kasten bij de luchtsluis.’ ‘Maar dat kan toch helemaal niet?’ ‘Natuurlijk kan dat niet. Dus ofwel één van de astronauten saboteert de boel of…’ ‘Of?’ ‘Of er is daar iets!’ ‘Schei uit, Bill. Hoe kan er daar nou iets zijn?’ ‘Ik weet dat het niet direct jouw vakgebied is, Jessica, maar heb je dan echt nooit van het Phobos II-incident gehoord?’ ‘Ik heb geen flauw idee waar je het over hebt. Vertel!’ ‘In het kort dan. De Russen deden in de vorige eeuw, voordat de Sovjet-Unie uiteenviel, al het nodige ruimtevaartonderzoek bij Mars. Zo stuurden ze verkenners naar het maantje Phobos. De eerste verkenner ging verloren door een technische fout, maar bij de tweede gebeurde er iets heel vreemds. Iets dat officieel ook aan technische fouten is toegeschreven. Maar onofficieel weten we dat de Russen geen logische verklaring hebben kunnen vinden voor het verlies van hun tweede missie naar het Marsmaantje. De reis van de sonde verliep in 43


eerste instantie voortvarend en in januari 1989 arriveerde het bij Mars, waar het in een omloopbaan werd gebracht. Alles ging perfect totdat Phobos II naar het maantje, waar het naar vernoemd was, werd gemanoeuvreerd. Vlak voordat het contact voorgoed verloren ging, detecteerde Phobos II een object dat in haar richting bewoog. Eerst verklaarden de Russen dat slechts het contact was verbroken, maar een dag later verklaarden ze dat Phobos II zélf verloren was gegaan. Seconden voordat Phobos II verdween, zond het een foto en op die foto was een zeer langgerekt elliptisch object te zien.’ ‘Jeetje Bill, jij gelooft toch niet in buitenaards leven?’ ‘Nee. Maar ik ben bloedserieus nu! Ik heb altijd aangenomen dat het object op die foto werd veroorzaakt door fouten in de transmissie. De Russen hadden immers geen geweldige reputatie op dat gebied. Veel van hun missies gingen verloren. De enige reden dat ik dit incident heb onthouden is omdat we uit informele contacten met de Russen weten dat er foto’s werden gemaakt met twee verschillende camera’s en dat die exact dezelfde beelden hebben doorgegeven. Hoe groot is de kans, denk je, dat twee verschillende camera’s precies dezelfde anomalie zouden doorzenden?’ ‘Geen idee. Jij bent meer technisch, ik zou hooguit iets kunnen zeggen over het effect van die beelden op de Russen die dat destijds hebben gezien.’ ‘Dat is precies waarom ik jouw hulp nu nodig heb, Jessica. Hoe pak ik dit aan? Wat zeggen we tegen hen? Hoe kunnen we deze situatie beheersbaar krijgen? We hebben waarschijnlijk twee opties: het is door een van de astronauten gedaan, als saboteur of als misplaatste grap of we hebben te maken met een buitenaardse levensvorm. Beide opties zijn feitelijk bedreigend voor on44


ze mensen, behalve als het toch om een grap zou blijken te gaan.’ ‘Ja, en in het ene geval moet je vijf mensen beschermen en de zesde proberen te neutraliseren en in het andere geval moet je er zes proberen te beschermen tegen God mag weten wat. Ik hoop maar dat een van hen lollig dacht te zijn, al kan ik niet bedenken wie.’ ‘Aardige analyse. Je beseft toch wel dat mijn carrière voorbij is als deze missie mislukt?’ ‘Ja Bill, en besef jij dat voor mij de ET-optie nog het meest gunstig is? Als er daarboven eentje doorgedraaid blijkt, dan is mijn carrière over, want ik heb ze alle zes grondig getest. Natuurlijk zijn de Russen voorgedragen door Roscosmos en Lund en Proksch door ESA, maar ik heb ze jarenlang meegemaakt en uiteindelijk heb ik bij de selectie voor hen het licht op groen gezet.’ ‘Nou, dan hebben we een gemeenschappelijk belang, sweety.’ ‘Ja. Zeg, als je carrière straks toch voorbij blijkt te zijn, ga je dan eindelijk weg bij Mary?’ ‘Niet grappig. Dat heb ik je nooit beloofd en je wist verdomd goed waar je aan begon.’ Het egoïstische kreng! Het is dat ze zo goed is in haar werk en in bed zelfs nog beter. Mijn koffie is op. Ik loop naar de automaat en regel een nieuwe beker koffie voor mijzelf. ‘Maar hoe zit het eigenlijk met het aantal ruimtepakken, Bill? Zijn er reserve-exemplaren?’ ‘Ja, die zijn destijds vooruitgestuurd met Charity.’ ‘En wat staat er op de camerabeelden? Als het een van de bemanningsleden was, dan moet dat toch vastgelegd zijn? Ik zou die beelden weleens willen zien.’ ‘De camerabeelden van de luchtsluis zijn gewist en kunnen niet hersteld worden. In de slaapruimte zijn om 45


privacy-redenen geen camera’s en de rest van de camera’s werkt alleen als het licht is. Charity is tenslotte geen gevangenis.’ ‘Nee, dat weet ik. En we zijn bewust terughoudend geweest met het installeren van camera’s. Mijn team heeft dat destijds bij de ontwerpfase geadviseerd. Bovendien wil NASA te boek staan als een wetenschappelijke organisatie en dus wilde de leiding dat wij er alles aan deden om de schijn van reality-tv te vermijden.’ ‘En terecht,’ zeg ik. ‘Ik was destijds heel blij dat wij ons distantieerden van die idioten in Europa die van een missie naar Mars één grote tv-show wilden maken. Maar nu waren meer camera’s en vooral infrarood-camera’s toch wel verdomd handig geweest!’ ‘Die zijn er dus niet en we zullen moeten roeien met de riemen die we hebben. Zorg dat jullie in je contact met Mars zo neutraal mogelijk blijven. Laat dus absoluut niet merken dat je geschrokken bent. En toon je vooral ook niet boos omdat je vermoedt dat je in de maling wordt genomen. Ik kijk straks mee, bespreek het hier intern en meld me weer na de transmissie.’ Ik loop terug naar Dick, die juist een telefoongesprek beeindigt. ‘Darmstadt en Moskou zijn inmiddels ook op de hoogte,’ zegt hij. ‘Goed, ik heb zojuist advies van Jessica gehad. We moeten dadelijk zo neutraal mogelijk blijven. Ze mogen op Mars straks absoluut niet merken dat wij ons zorgen maken. Ook mogen we niet laten merken dat we denken aan de mogelijkheid dat het om een grap gaat.’ Dick knikt, denkt even na en zet dan alles in gang voor de videoboodschap. ‘Charity, dit is Mission Control. We hebben jullie be46


richten ontvangen. We bevestigen dat jullie gemeld hebben dat de luchtsluis afgelopen nacht volgens jullie computer gebruikt is en de data van de camera gewist zijn. Tevens bevestigen we dat jullie gemeld hebben dat een van de ruimtepakken ontbreekt. Volgens de data die wij van Climate Orbiter III hebben ontvangen zal de storm gaan luwen. Naar verwachting neemt het zicht morgen weer toe. Ons voorstel is dat jullie zodra het kan buiten een visuele inspectie gaan doen. Stuur ons na ontvangst bevestiging van deze opdracht.’ En nu maar weer wachten. Altijd maar dat wachten. Het duurt steeds tientallen minuten voordat we reactie krijgen. Gek toch, bij tekstberichten hindert dat eigenlijk veel minder. Waarschijnlijk omdat we bij e-mail ook niet direct antwoord verwachten. ‘Wat denk jij, Bill? Als het geen grap is, kan het dan een actie van de Russen zijn? Ondanks dat de betrekkingen met hen de laatste tien jaar toch redelijk goed zijn. De Tweede Koude Oorlog is toch uiteindelijk beslecht toen Washington en Moskou een overeenkomst sloten om samen te gaan werken bij de verdere ontwikkeling van kernfusietechniek? De Russen zagen ook bijtijds in dat niet alleen de olie op gaat raken, maar dat ook hun gasvoorraad niet oneindig zou zijn. En bovendien, wat heeft het nou voor zin om elkaar tegen te gaan werken bij zo’n internationale ruimtereis? Wat willen ze nou? Muiten? Alsof ze daarvandaan ergens anders naartoe kunnen. Dit is volslagen krankzinnig. Zelfs als het een grap van een van de astronauten zou zijn – wat ik me eerlijk gezegd nauwelijks kan voorstellen – dan zou degene die het gedaan heeft zijn eigen positie toch volkomen onmogelijk maken?’ 47


Dick is altijd meer in de geo-politieke verhoudingen geïnteresseerd geweest dan ik. Maar hij heeft wel een punt. Geen zinnig mens zou gaan muiten of de boel saboteren. Geen zinnig mens. Maar wie of wat dan wel? ‘Daar zeg je zowaar iets,’ zeg ik. ‘Wat zouden ze moeten doen? Stel dat je toch zeker zou weten dat een van de Russen dit gedaan heeft: wat dan? Ze hebben wel een mortuarium, maar geen cel. En bovendien zit dat mortuarium in Liberty, dat hoog boven hun hoofden zijn baantjes draait. In Charity kunnen ze sowieso niemand afzonderen. De ziekenboeg kan wel worden afgesloten, maar er zit normaal glas in de ramen en deuren, dat sla je met gemak stuk. Hooguit zouden ze iemand kunnen isoleren in de sluis. Maar dan kunnen ze zelf niet meer naar buiten en dus ook niet naar Dignity. De enige andere oplossing zou zijn om een muiter juist in Dignity vast te zetten. Maar dat zou een enorm veiligheidsrisico inhouden, want met Dignity moeten ze uiteindelijk weer naar Liberty toe. Als ze werkelijk met een saboteur te maken hebben, dan wil je die niet in Dignity zetten.’ ‘Dus wat zouden ze dan moeten doen volgens jou?’ ‘Er zou maar één oplossing zijn als ze zeker zouden weten dat er een saboteur of muiter onder hen is: hem onmiddellijk verwijderen uit Charity.’ ‘Maar dan loopt hij naar Dignity en saboteert hij die toch? Daarmee los je het probleem niet op.’ ‘Ik zei toch niet dat je een saboteur of muiter mét een ruimtepak aan uit Charity zou moeten zetten?’ ‘Verdomme Bill, dan sterft hij daarbuiten meteen!’ ‘Ja en?’

48


5 Ross Fitzgerald

‘VIDEO-BOODSCHAP ONDERWEG. -0:05,’ lees ik. Helmut was wonderbaarlijk kalm toen ik samen met hem de luchtsluis inspecteerde. Op het moment dat ik de kast opentrok die leeg bleek te zijn, schrok ik zelf echt enorm. Ik geloof niet dat ik ooit eerder gedurende mijn carrière zozeer mijn zelfbeheersing verloor als een uur geleden. ‘Er komt dadelijk een video binnen van Capcom. Ik zet hem op het hoofdscherm,’ zeg ik tegen de anderen. We kijken met zijn allen naar Dick Thompson, die vanuit Houston bevestigt dat de data aangeven dat de luchtsluis is gebruikt. Mission Control wil dat we buiten een visuele inspectie houden. Ja, dat hadden we zelf ook kunnen bedenken. Ze lijken zich daar in Houston niet erg druk te maken om het verdwenen ruimtepak, al noemde Dick het wel. Mijn voornaamste zorg is nu vooral Dignity. Wie of wat er dan ook in onze luchtsluis was, kan tenslotte ook in Dignity zijn geweest. En Dignity is uiteindelijk het meest kostbare dat we hier hebben op Mars: ons ticket naar huis. Tijdens onze opleiding hebben Matthew en ik werkelijk de meest uiteenlopende noodsituaties in de 49


simulator voor onze kiezen gekregen, maar nooit is er een situatie ter sprake gekomen waarbij er spullen zouden verdwijnen uit onze habitat. Sommige dingen kun je vooraf niet bedenken. ‘Ik stel voor dat als de storm geluwd is we morgen naar buiten gaan,’ zegt Proksch. ‘Ik wil dan met vier man naar buiten. Twee van ons gaan de rover checken en kijken of Charity aan de buitenzijde overal intact is en de andere twee gaan voor inspectie naar Dignity.’ ‘Ik wil graag de inspectie van Dignity doen,’ zeg ik. ‘Dat is prima,’ zegt Proksch. ‘Dan doen jij en Boris dat samen en inspecteren Matthew en ik de buitenkant van Charity en de rover. Sergej en Eric blijven hier voor contact met Houston en met ons.’ De volgende ochtend is de sfeer bij het ontbijt gespannen. We praten niet veel. Ieder van ons weet dat we buiten moeten gaan kijken of er sporen zichtbaar zijn van een eventuele indringer, hoe onwaarschijnlijk dat eigenlijk ook lijkt. En ik denk dat de anderen zich net als ik zorgen maken over Dignity. Als daarmee iets mis is, dan zitten we vast op Mars. Natuurlijk zou een van de zusterschepen die op aarde in aanbouw zijn, gestuurd kunnen worden zodra het volgende lanceervenster opengaat, maar toch. We zitten dan voor jaren vast op deze planeet. We zouden een probleem met onze voedselvoorraad krijgen als de proeven in de kas niet slagen. Eén mislukte oogst tijdens een langer dan gepland verblijf zou al betekenen dat we op rantsoen moeten. Bovendien zouden we al die tijd in angst leven, want als er iets mis is met Dignity, dan kan er hier nog veel meer misgaan. ‘Oké,’ zegt Proksch. ‘Dadelijk gaan we naar buiten. We weten niet wat we aan kunnen treffen. Sergej en Eric, we 50


houden de radiokanalen naar jullie continu open, zodat jullie voortdurend weten wat er buiten gebeurt. Zorg er steeds voor dat Houston hoe dan ook op de hoogte blijft. In het geval dat…’ Proksch aarzelt even. ‘In het geval dat er daarbuiten iets is, zullen wij dat meteen melden. Zorg dat je dat dan direct doorgeeft aan Houston. En mochten wij niet meer terugkomen, blijf dan absoluut in Charity.’ ‘Denk je echt dat er daarbuiten iets is?’ vraagt Eric. ‘Ik niet. We zullen op onze post blijven en alles direct aan Houston melden, maar ik verwacht jullie straks gewoon terug.’ ‘Dank je, Eric. Laten we er maar van uitgaan dat we buiten niets vinden. Kom, we gaan naar de luchtsluis. O ja, Matthew, Ross en Boris, we kijken buiten ook of we de vlaggen kunnen vinden, maar dat heeft absoluut geen prioriteit. Het gaat nu vooral om een veiligheidscheck.’ Bij het aantrekken van mijn ruimtepak kijk ik naar de kast die leeg bleek te zijn. Wie of wat heeft er aan die kast gezeten? En waarom? We zouden nu eigenlijk naar buiten moeten gaan voor onze eerste wetenschappelijke onderzoeken. We zouden buiten instrumenten moeten installeren in plaats van kijken of alles nog in orde is. De anderen trekken zwijgend hun ruimtepakken aan. Er hangt een beklemmende sfeer. Niemand van ons zal toegeven dat hij bang is, dat past niet in onze astronautencultuur. Maar ik ben overvallen door een unheimisch gevoel. Een gevoel dat me zegt dat er iets helemaal mis zal gaan. Een gevoel dat me zegt dat er gevaar loert. Een gevoel waar ik een bloedhekel aan heb! Tijdens mijn opleiding had ik één keer eerder zo’n voorgevoel en toen stortte kort daarna een collega neer bij een proefvlucht met een straaljager. 51


Buiten valt op dat er nog flink wat stof in de ijle atmosfeer hangt, maar het zicht is redelijk. Vervolgens kijk ik naar de grond. ‘Geen voetafdrukken van een ruimtepak,’ zeg ik met enige opluchting. ‘Nee,’ zegt Boris. ‘Maar had je dat verwacht dan? Als daar iemand gelopen heeft, dan zie je daar na de storm vrijwel zeker niets meer van. De bodem is hier zo te zien behoorlijk droog, dus de wind heeft vrij spel.’ ‘Oké,’ zegt Proksch. ‘Niets te zien aan de buitenkant van de luchtsluis. Geen beschadigingen of iets dat er ook maar op wijst dat hier iemand geweest is. Eric en Sergej, geven jullie dit door aan Houston?’ ‘We hebben jullie gehoord,’ zegt Sergej. ‘En Eric heeft al een tekstbericht naar Houston gestuurd.’ ‘Goed, dan splitsen we ons nu op. Wij gaan naar de rover en jullie naar Dignity. Meld alles wat je opvalt direct aan Charity en aan mij.’ ‘Begrepen,’ zeg ik. Boris en ik wandelen met kleine, sprongachtige stappen naar Dignity. Het blijft vreemd om je voort te bewegen met zo weinig zwaartekracht. Zouden we daar de komende maanden langzaam aan wennen? Lang geleden waren er astronauten op de maan. Maar die bleven daar slechts een paar dagen. Zij kregen eenvoudigweg nooit de kans om te wennen aan de zwaartekracht daar. Ik kijk goed om me heen, maar zie niets bijzonders. Ook Boris kijkt voortdurend naar links en rechts, alsof hij de horizon scant. Boris lijkt geen angst te kennen. De Russen hebben de naam onverschrokken te zijn, maar totdat ik Boris en Sergej leerde kennen, dacht ik dat die onverschrokkenheid een soort mythe was. 52


Aangekomen bij Dignity zien we niets bijzonders. Ik hoor Boris zijn melding doen: ‘Boris aan Charity. We staan onder aan Dignity. Alles normaal. We gaan dadelijk de ladder op en naar binnen.’

53


6 Jessica McGraw

‘Samen met mijn team heb ik de videobeelden van ons laatste contact met Charity bestudeerd,’ zeg ik. Bill en Dick luisteren aandachtig. Bill heeft normaliter de neiging wat onderuit te zitten, maar zit nu recht overeind. We zitten in een vergaderkamer op een van de bovenste verdiepingen van het Johnson Space Center. ‘Tevens hebben we onze analyse-software erop losgelaten. Ik zal dat toelichten. Die software is oorsponkelijk ontwikkeld door dr. Dimitri Metaxas. Hij heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar gezichtsuitdrukkingen. Hij wilde weten waarom en hoe mensen bepaald gedrag uitdrukken. Hij ontdekte dat verschillende emoties bij mannen en vrouwen onderling, maar ook bij mensen van verschillende culturen anders worden uitgedrukt. Maar – en dat is voor ons het belangrijkste – hij ontdekte ook dat stress altijd hetzelfde wordt uitgedrukt. Dus ongeacht de sekse en de cultuur. Dat maakt het mogelijk om videobeelden met zijn software te analyseren. Het is zo bovendien mogelijk om vroegtijdig stress-situaties te registreren. En de software kan zelfs alarm slaan.’ ‘Draait die software continu?’ wil Dick weten.

54


‘Ja, we laten de software meekijken met alle beelden die we binnenkrijgen. Dat deden we uiteraard al toen de bemanning onderweg was met Liberty en dat doen we nu dus ook in Charity. Tot op heden heeft de software geen enkele keer alarm geslagen. Wel was er tijdens de landing van Dignity duidelijk sprake van stress, maar dat was logisch.’ ‘En nu?’ vraagt Bill. ‘Nu zien we duidelijk wel stress. Proksch doet beslist zijn best om het te verbergen, maar we registeren spanning. In iets mindere mate zien we stress bij Zjoeganov, Davidson en Fitzgerald. Ivanov en Lund lijken momenteel het koelbloedigst te zijn.’ ‘En wat denk jij, hebben we te maken met muiterij?’ vraagt Dick. Ik sta op en wandel op en neer door de kamer. ‘Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, helemaal uitsluiten kan ik dat niet. Ik laat eventuele inmenging van een intelligente buitenaardse levensvorm maar even buiten beschouwing. Mocht daar sprake van zijn, dan zijn de implicaties enorm. Wat dat zou doen met de bemanning is nauwelijks te voorspellen. Maar goed, muiterij dus. In de geschiedenis van de ruimtevaart is er sprake geweest van meerdere incidenten, variërend in mate van ernstigheid. Lang geleden, toen wij Skylab net operationeel hadden, werd er door de vluchtleiding zó veel van de bemanning gevraagd, dat die besloot over te gaan tot een staking. Ze konden de hoge werkdruk eenvoudigweg niet meer aan en lieten dat merken door uitsluitend nog het hoogstnoodzakelijke te doen.’ ‘En vervolgens werd hun werkschema aangepast?’ wil Bill weten.

55


Ik ga weer zitten. Bill kijkt mij aan. Jammer dat hij niet inging op mijn voorstel om weer eens bij mij langs te komen. ‘Ja. Je ziet wel vaker dat er een wij-versus-zij-situatie ontstaat. We hebben dat zelf in een zeer milde vorm kortgeleden ook gezien. De bemanning onderhandelde met ons over het uploaden van sportwedstrijden, omdat ze zich verveelden wegens de steeds maar aanhoudende storm. Natuurlijk was dat nog tamelijk onschuldig, maar toch.’ Dick haalt een hand door zijn haar en buigt zich naar me toe. ‘Meer concreet, waarom zou een van hen in hemelsnaam ’s nachts naar buiten gaan en een ruimtepak kwijt maken? Wat wil iemand daar mee bereiken?’ ‘Geen idee,’ antwoord ik. ‘Mensen doen soms heel irrationele dingen. Ook astronauten. Ik zal je een voorbeeld geven. Aan het begin van deze eeuw kampten we bij NASA met de kwestie Nowak. Kort nadat ze met een Space Shuttle in de ruimte was geweest deed astronaute Lisa Nowak een serieuze poging tot ontvoering van een rivale in de liefde. Nowaks leven stond in het teken van de ruimtevaart en ze leek lange tijd een toegewijde astronaute. Ze huwde een klasgenoot van de US Naval Academy, kreeg met hem drie kinderen en ging in de zomer van 2006 met een Space Shuttle de ruimte in voor een verblijf van bijna twee weken in ISS-1. Daarna kreeg ze een affaire met een andere astronaut. Die affaire kostte Nowak haar huwelijk. Ze werd echter vervolgens door die astronaut gedumpt en dat kon ze kennelijk niet verkroppen. Toen ze erachter kwam dat hij een nieuwe vriendin had, bedacht ze een plan om die vrouw te ontvoeren. Ze reed maar liefst veertienhonderd kilometer van Houston naar Orlando om haar rivale op de lucht-

56


haven op te wachten. De ontvoering mislukte en ze werd gearresteerd.’ ‘Wat een bizar verhaal,’ zegt Dick. ‘Ik snap soms niet wat mensen in hun hoofd halen.’ Natuurlijk snapt Dick dat niet. Dick is getrouwd met een meisje dat hij als zestienjarige op school ontmoette en heeft waarschijnlijk nooit een ander gehad. Een prima kerel, maar wel eentje met weinig psychologisch inzicht. ‘Ik vertel het om te illustreren dat zelfs goed getrainde astronauten, met een uitstekende staat van dienst, die voor alle tests geslaagd zijn en die dus geselecteerd werden voor een ruimtereis, toch tot zoiets in staat blijken te zijn. Menselijk gedrag is moeilijk te voorspellen.’ ‘Maar jij verdient er je brood mee,’ zegt Bill, terwijl hij mij uitdagend aankijkt. ‘Inderdaad. Het is de taak van mijn team en mij om zoveel mogelijk psychologische risico’s uit te sluiten. Bedenk dat er heel bewust is gekozen voor een bemande missie naar Mars. Veel van de taken van de astronauten zouden ook – en misschien zelfs wel beter – door robots kunnen worden uitgevoerd. We zijn echter van mening dat mensen nog altijd het verschil kunnen maken.’ Ik gooi mijn haar los en zie Bills goedkeurende blik. ‘Wat is er veranderd na die kwestie Nowak?’ vraagt Dick. ‘Jullie hebben daar toch wel van geleerd?’ ‘We hebben onze selectieprocedures uitvoerig tegen het licht gehouden. Er werd een onafhankelijk panel opgericht, het Health Care System Review Committee. Een van de conclusies was dat degenen die tijdens een vlucht belast zijn met de medische zorg extra training zouden krijgen in psychische evaluatie.’ ‘Mmm, Ivanov dus,’ zegt Dick. ‘Ik ben blij dat je zegt dat hij thans niet gestrest lijkt.’ 57


‘Ja,’ zeg ik. ‘De kwestie Nowak was trouwens nog niet eens het ergste wat we hebben meegemaakt met astronauten. Berucht is de verhouding tussen de astronauten Valentin Lebedev en Anatoly Berzovy. Die zaten 121 dagen samen in de ruimte en hadden zo’n hekel aan elkaar dat ze elkaar bij vlagen dagenlang doodzwegen. Maar de kroon spande Valery Ryumin, die tijdens zijn verblijf in het Mir-ruimtestation in zijn dagboek schreef dat eigenlijk alle voorwaarden voor een moord aanwezig zijn als je twee mannen maanden lang bij elkaar opsluit in een kleine ruimte.’ ‘Moord?’ zegt Dick. ‘Moord? Ze zijn toch niet gek?’ ‘Nee, ze zijn niet gek, maar uit informele contacten met Russische collega’s weet ik dat het één keer maar weinig heeft gescheeld of een Russische astronaut had zijn collega omgebracht.’

58


7 Eric Lund

‘Proksch, Charity, alles hierbinnen bij Dignity lijkt ons normaal,’ meldt Boris. ‘Wat is de situatie bij jullie, Proksch?’ vraagt Sergej. ‘We zijn bezig met ons rondje om Charity en tot nu toe ziet alles er normaal uit. Er is werkelijk niets te zien. We gaan straks naar de rover om te kijken of daar ook alles normaal is,’ meldt Helmut. ‘Oké. We geven het door aan Houston,’ zegt Sergej. En tegen mij zegt hij: ‘Er is dus niks aan de hand. Geen buitenaards wezen. Geen indringer. En dus moet dat verdwenen ruimtepak haast wel een rotgeintje van de Amerikanen zijn, Eric. Kennelijk vond een van hen het leuk om ons de stuipen op het lijf te jagen. Totaal geen discipline, dat volk.’ ‘Zou je denken? Zo’n grap zou toch eigenlijk wel heel erg ver gaan. Te ver,’ zeg ik. ‘Ze doen de gekste dingen, die Amerikanen! Wist je dat een Amerikaanse astronaut ooit een gorillapak mee heeft genomen naar het eerste internationale ruimtestation? Toen hij jarig was trok hij dat aan en maakte rare sprongen door het station. En natuurlijk werd dat gefilmd en hebben ze het filmpje op internet gezet.’ 59


‘Ja, weet ik,’ zeg ik. ‘Dat was begin 2016. Ik was toen pas veertien, maar ik volgde alles op ruimtevaartgebied. Scott Kelly was dat. Hij zat een jaar in dat ruimtestation. Ik vond het ook maar een flauwe grap. Hij maakte meer indruk op mij doordat hij als eerste een plant in de ruimte tot bloei wist te brengen.’ ‘Nou, dát was tenminste een serieuze prestatie,’ zegt Sergej. ‘Dat wist ik niet meer. Kun je nagaan: hij heeft zijn echte werk dus compleet ondergesneeuwd met zijn domme grap. Maar snap je mijn punt, Eric? Amerikanen zijn kennelijk in staat tot flauwe grappen. Ik zweer het je: ze wilden ons de stuipen op het lijf jagen! Maar ze zijn dus veel te ver gegaan. Want nu wordt er een nodeloze inspectietocht gemaakt én ze hebben een ruimtepak verstopt. Als alles straks uitkomt verwacht ik zware disciplinaire straffen. Ontslag lijkt me nog het minste.’ ‘Mmm, je zou gelijk kunnen hebben. NASA heeft ooit drie astronauten, die enveloppen met postzegels mee naar de maan hadden genomen om ze na afloop van hun reis op aarde voor veel geld te kunnen verkopen, gedegradeerd. Dit zou veel ernstiger zijn. Maar waar verstop je een ruimtepak? Zo makkelijk is dat toch niet?’ ‘Denk eens na. Waar zou jij het verstoppen? Het kan niet zomaar ergens in een van de kasten zijn, want dan zouden we het makkelijk aan kunnen treffen. Bovendien neemt het nogal wat ruimte in. Dus waar zou jij het laten? Doorgaans ben jij goed in logisch redeneren, Eric. Denk eens met mij mee.’ Sergej lijkt vastberaden. En ergens moet ik hem wel gelijk geven. Het ruimtepak moet hier in Charity zijn. ‘Ik zou het verstoppen in een ruimte waar we normaliter niet gauw komen. Een van de technische ruimtes ligt dan voor de hand.’ 60


‘Precies!’ zegt Sergej. ‘En dan liefst compleet uit het zicht. Dus waar komen we dan vanzelf terecht?’ ‘Tja, dan zou ik denken aan de ruimtes waarin de kabelgoten verwerkt zijn. Ergens achter de panelen.’ ‘Inderdaad. Jij snapt het dus ook, Eric! Kom, we gaan zoeken. Daarbuiten vinden ze toch niks.’ ‘Maar wij moeten toch op onze post blijven?’ werp ik tegen. ‘Denk eens na, Eric! Nu hebben wij samen de kans om te gaan zoeken. Als de Amerikanen straks terug zijn, zouden ze ons tegenhouden. Die grappenmakers willen immers niet dat ze ontmaskerd worden. Maar ik heb geen zin meer in deze flauwekul. Ik ga zoeken!’ ‘Het spijt me, maar ik blijf op mijn post,’ zeg ik. ‘Wat je wilt. Dan ga ik alleen zoeken.’ Tien minuten later keert Sergej terug op de commando- post. ‘Ik heb een van de panelen losgeschroefd, maar de ruimte erachter is zo krap dat ik mezelf niet kan bijlichten. Volgens mij ligt er daar wel iets. Wil jij me niet helpen?’ ‘Goed, ik loop wel even mee. Maar als je niks ziet, dan ga ik meteen weer terug,’ zeg ik. We moeten door de kas om bij de technische ruimte te komen. Hier komen we normaliter alleen maar voor onderhoud en controle. ‘Kijk,’ zegt Sergej. Hij wijst naar de wand achter in de technische ruimte, waarachter de kabelgoten lopen. ‘Deze heb ik opengeschroefd. Als ik er nu weer achter kruip, en jij houdt een zaklantaarn vlak langs me heen, dan moet ik kunnen zien of er daar iets ligt.’ ‘Kun je daar doorheen?’ vraag ik.

61


Serge kijkt naar binnen. ‘Het is krap, maar ik ga het nogmaals proberen. Wil je mij goed bijlichten, want ik heb beide handen nodig als ik langs de kabels kruip.’ ‘Dat is goed. Doe voorzichtig!’ Sergej wurmt zich door de open ruimte en ik schijn met een zaklamp zoveel mogelijk langs hem heen, zodat hij kan zien waar hij naartoe kruipt. ‘Zie je al wat?’ ‘Nee. Je moet echt meer langs me heen schijnen. Anders zie ik niet genoeg.’ ‘Zo beter?’ vraag ik. ‘Ik geloof dat ik verderop iets zie. Wacht, geef me de lamp anders zelf even, dat werkt denk ik toch beter.’ Sergej probeert zich te draaien, grijpt met zijn hand in een poging steun te vinden en schreeuwt vervolgens heel hard terwijl ik een knetterend geluid hoor. Daarna wordt het stil. Angstaanjagend stil. ‘Sergej, Sergej?’ Er komt geen antwoord. Ik schijn met de lamp en zie zijn levenloze en verkrampte lichaam liggen. Nadat ik heb gekeken of zijn lichaam nergens meer contact mee maakt, sleep ik hem aan zijn voeten terug. Het lukt me echter niet om hem in mijn eentje door de opening terug te trekken. Hij zit klem. Ik zucht diep, ga even zitten en voel me misselijk worden. Na een paar minuten gaat het weer en sta ik op. Ik moet de anderen gaan inlichten. Terug bij de commandopost meld ik me als eerste aan Proksch: ‘Helmut, Charity hier. We hebben hier een probleem.’ ‘Eric! Waar waren jullie? Het afgelopen kwartier bleef het stil als wij jullie opriepen. Wat is er gebeurd?’ ‘Helmut, het is verschrikkelijk… Sergej is dood.’ 62


‘Wat?! Wat zeg je?’ schreeuwt Boris, die alles natuurlijk gehoord heeft. ‘Sergej is dood, Boris. Het spijt me,’ zeg ik. ‘Wel verdomme nog aan toe! Hoe kan dat?’ schreeuwt Boris. ‘Wat is er gebeurd?’ ‘Is het veilig daarbinnen, Eric?’ wil Matthew weten. ‘Is er iets of iemand binnen in Charity? Zijn jullie aangevallen?’ ‘Nee, Matthew. Behalve ik is hier helemaal niemand. Het was een ongeluk. Sergej is geëlektrocuteerd.’ ‘Maar hoe kan dat nou?’ vraag Ross. ‘Staat er apparatuur op de commandopost onder stroom? Ben jij dan wel veilig?’ ‘Alles hier op de commandopost is veilig, Ross. Het is in de technische ruimte gebeurd. Sergej wilde per se op zoek naar het verdwenen ruimtepak en hij is achter panelen bij de kabelgoten gaan zoeken.’ ‘Blijf op je post, Eric,’ zegt Helmut. ‘Boris en Ross, als jullie klaar zijn in Dignity, kom dan terug naar Charity. Matthew en ik zijn nog niet bij de rover geweest, maar zo te zien was alles daar normaal, dus wij keren nu meteen terug.’ Tien minuten later zie ik op mijn monitor Helmut en Matthew in de luchtsluis staan, terwijl ze wachten op Boris en Ross. Als die ook binnen zijn zetten ze de luchtpomp in werking. Boris komt als eerste naar binnen. ‘Jij! Waarom heb je Sergej niet tegengehouden?’ wil hij weten. Hij kijkt me dreigend aan. ‘Ik wilde…’ begin ik, maar Helmut komt tussenbeide. ‘Rustig, Boris. Laat Eric gewoon zijn verhaal doen.’

63


Ik knik even naar Helmut. Een korte blikwisseling waarmee ik hem bedank. ‘Toen Sergej hoorde dat buiten alles normaal leek te zijn, wilde hij beslist op zoek naar het ruimtepak. Volgens hem kon het alleen maar hier in Charity zijn. Hij opperde dat het verstopt zou moeten zijn op een plek waar we niet dagelijks komen en suggereerde dat het ergens achter panelen in de technische ruimte zou moeten liggen. Ik wees hem erop dat we op onze post moesten blijven, maar hij wilde per se zoeken.’ ‘Dus jij hebt hem geholpen?’ vraagt Ross. ‘Aanvankelijk niet. Ik bleef op mijn post. Maar Sergej kwam terug en vroeg mij om hulp. Toen ben ik met hem meegegaan,’ zeg ik. ‘De ruimte achter de panelen en langs de kabelgoten is erg krap, maar hij ging er toch in. Ik lichtte hem bij met een zaklamp. Op een gegeven moment probeerde hij zich om te draaien en toen heeft hij kennelijk een spanningskabel geraakt. Misschien zocht hij steun en trok hij per ongeluk iets los.’ ‘Verschrikkelijk. Wat verschrikkelijk,’ zegt Matthew. ‘Wat een afschuwelijk einde!’ Helmut zucht diep. ‘We moeten hem daar weg halen en daarna moeten we Houston inlichten.’ ‘Houston? Moskou zul je bedoelen!’ zegt Boris geagiteerd. ‘Het gaat om mijn kameraad!’ ‘Natuurlijk,’ zegt Helmut. ‘Uiteraard lichten we Moskou ook in. Dit is een verschrikkelijk ongeluk. Een verlies voor Sergejs vrouw en familie, voor Roscosmos en ook voor ons. Boris, ik stel voor dat jij samen met mij en Eric het lichaam van Sergej gaat bergen.’ In de technische ruimte steekt Sergejs lichaam half tussen het geopende paneel door.

64


‘Ik heb geprobeerd hem er in mijn eentje uit te trekken, maar het lichaam zit klem,’ zeg ik. ‘Boris en ik trekken hem eruit,’ zegt Helmut. ‘Kijk jij daarna of je een losse kabel ziet.’ Sergejs hele lichaam is verkrampt. Zijn ogen staan wijd opengesperd en zijn gezicht vertoont een rare grimas. Boris gaat op zijn hurken zitten en sluit Sergejs oogleden. Ik kijk naar links en naar rechts, maar zie alleen maar een kabel die wat losser hangt dan de andere kabels. ‘Afgezien van een kabel die wat los lijkt te zitten, is er niets te zien,’ meld ik. ‘Dus ook geen ruimtepak.’ ‘Goed. Sluit dat paneel en kom daarna achter Boris en mij aan,’ zegt Helmut. Ik kijk nog een keer goed en sluit daarna het paneel en schroef het dicht. Helmut en Boris hebben Sergejs lichaam naar de ziekenboeg gebracht. Dat lijkt vreemd, maar waar hadden ze het anders naartoe moeten brengen? Ik heb destijds de protocollen goed bestudeerd. Wie omkomt tijdens de ruimtereis wordt in het mortuarium in Liberty bewaard, wie omkomt op Mars wordt hier begraven. Dat lijkt wat tegenstrijdig, maar als je erover nadenkt is het logisch. Onderweg in de ruimte zou het enige alternatief eigenlijk een soort zeemansgraf zijn. Maar het naar buiten zetten van een lichaam in de eindeloze ruimte gaat kennelijk toch te ver. We vinden dat astronauten het verdienen om begraven te worden. En dat kan ook hier op Mars. Het protocol is door NASA, ESA en Roscosmos gezamenlijk opgesteld. Het betekent dat we Sergejs lichaam straks in een bodybag zullen doen, die daarna in een plastic container gaat. Die container wordt hermetisch gesloten en 65


die brengen we dan naar buiten. Ik weet niet of Boris het protocol precies kent. Maar zo niet, dan is het Helmuts taak om hem te vertellen wat er gebeuren gaat. Niet de mijne. Een halfuur later komen Helmut en Boris terug in onze woonruimte. ‘Boris en ik gaan dadelijk een videoboodschap inspreken voor Mission Control en vragen hen om deze door te zenden naar Moskou. Boris zal zich daarna ook nog even zonder mij richten tot Sergejs vrouw. Eh, weduwe bedoel ik. Hij kent haar immers persoonlijk. Daarna gaan we Sergej begraven,’ zegt Helmut. Matthew, Ross en ik weten niet wat Helmut zal zeggen in zijn boodschap. Ik zou niet graag in zijn schoenen staan. En we weten ook niet wat Boris zal zeggen tegen Sergejs weduwe. Al versta ik wel wat Russisch, ik hoef het ook niet te weten. Zijn weduwe wist ongetwijfeld dat er een kans bestond dat ze haar man nooit meer levend zou zien. Hoe hard het ook klinkt, dit is het risico van ons vak. Ieder van ons loopt het risico deze reis niet te overleven. ‘Waar denk je aan?’ vraagt Ross. ‘O,’ zeg ik. ‘Ik bedacht juist dat we allemaal weten dat er een risico is dat we onze missie niet overleven. En dat we er allemaal voor gekozen hebben toch te gaan. Niemand hoeft zich dus schuldig te voelen.’ ‘Schuldig?’ vraagt Matthew. ‘Maar niemand heeft het toch over schuld?’ ‘Nee, dat niet. Maar ik heb spijt dat ik niet meer mijn best heb gedaan Sergej tegen te houden. Als ik geweigerd had hem te helpen dan was dit stomme ongeluk misschien niet gebeurd.’ 66


‘Je hoeft je niet schuldig te voelen, Eric. Het was uiteindelijk zijn eigen keuze om achter die panelen te kruipen,’ zegt Matthew. ‘Dank je,’ zeg ik. ‘Maak je geen zorgen. Ik red me wel.’ Helmut komt terug de woonruimte in en geeft meteen orders: ‘Boris spreekt nu Sergejs weduwe toe. Die hoort dit natuurlijk pas nadat de boodschap op aarde komt en wanneer Roscosmos besluit haar in te lichten. Ik wil graag dat jullie alvast naar buiten gaan om Sergejs graf te graven. Ik weet dat dit een afschuwelijke taak is, maar het moet toch gebeuren. We kunnen zijn lichaam hier binnen niet al te lang houden, dus laten we het dan maar meteen doen. Ik geef jullie straks een seintje als Boris en ik met de container… ik bedoel met de kist klaar staan in de luchtsluis. We dragen Sergej straks met zijn allen naar zijn graf.’ Het siert Helmut dat hij probeert Sergejs begrafenis zo waardig mogelijk te maken. Ondertussen weten we allemaal dat zijn lichaam in een plastic zak gaat die dicht wordt geritst en dat die zak in een plastic container gaat. Helmut en Boris zullen die container dadelijk dicht lijmen met sneldrogende lijm. En Sergej verdwijnt straks onder het rode stof. Mooier kunnen we het niet maken. Matthew, Ross en ik scheppen zwijgend in het rode zand. Echt zwaar werk is het niet, maar het gaat nu eenmaal onhandig met ruimtepakken aan. Feitelijk maakt het ook helemaal niet uit of we de container begraven of gewoon ergens neerzetten. Behalve wij is er hier helemaal niemand en straks is er hier echt niemand meer. Maar het ritueel is nu eenmaal erg belangrijk. En dus spitten wij zo goed als we kunnen in de Marsbodem. Sergej wordt 67


de eerste mens wiens stoffelijk overschot niet op aarde is begraven of verstrooid. In mijn kindertijd overleed Neil Armstrong. Er werd voor hem een herdenkingsdienst met militaire eer gehouden en enkele dagen later werd zijn as vanaf een vliegdekschip uitgestrooid over de Atlantische Oceaan. Ik was destijds nog net geen elf jaar en ik herinner me dat ik tegen mijn moeder zei dat ik het vreemd vond dat NASA zijn as niet bewaarde om deze later, bij een nieuwe maanreis, op de maan te verstrooien. Maar goed, zo is het niet gegaan. En dat betekent dat Sergej de eerste mens wordt die op een ander hemellichaam begraven wordt. ‘Het is zo wel diep genoeg,’ doorbreekt Ross ons zwijgen. ‘Laten we maar vast teruggaan naar de luchtsluis.’ Juist dan meldt Helmut zich: ‘Wij staan klaar. Komen jullie hier naartoe?’ ‘We komen eraan, Helmut,’ zeg ik. De container weegt door de geringe zwaartekracht niet veel. Het is meer onze onhandige tred op Mars die ons parten speelt. Krampachtig proberen we op een waardige wijze met de container te lopen. Wie zou deze eigenlijk ontworpen hebben? Wat een morbide opdracht moet dat zijn geweest: ontwerp een container voor dode astronauten op een andere planeet. We komen bij het graf aan en laten de container erin zakken. We kijken elkaar zwijgend aan. Totdat Helmut het woord neemt: ‘Sergej kwam samen met ons op deze planeet namens de hele mensheid. Sergej wilde net als wij ontdekken. Ontdekken hoe ons zonnestelsel eruitziet, hoe Mars eruitziet. Ontdekken of hier ooit leven was. Of wellicht nog is. Een noodlottig ongeluk heeft hem

68


vandaag van ons weggerukt. Sergej is gestorven voor de wetenschap. Moge zijn ziel rust hebben.’ Helmut pakt een van de scheppen en gooit een schep Marszand in het graf. Hij gebaart dat wij hetzelfde moeten doen. In een kwartier tijd is het graf dicht. ‘We gaan terug naar binnen,’ zegt Helmut. Boris blijft echter staan en bukt voorover en zet iets op het graf. Ik zie dat het een foto is van Sergej en zijn vrouw. Sergej oogt op de foto een stuk jonger. Boris maakt een gebaar dat lijkt op het slaan van een kruisje. ‘Boris heeft dat fotolijstje tussen de privéspullen van Sergej gevonden,’ zegt Helmut terwijl wij terug naar de luchtsluis wandelen. ‘Overleg met zijn weduwe was zo snel niet mogelijk, dus heeft Boris dit op eigen initiatief gedaan.’ Ik kijk om en zie Boris nog bij het graf staan. ‘Hebben jullie eigenlijk gemeld wat er precies gebeurd is?’ vraag ik. ‘Natuurlijk,’ zegt Helmut. ‘Ik moet dat sowieso in het logboek zetten, maar we hebben het ook in de videoboodschap gemeld. Het is aan Roscosmos wat ze precies aan Sergejs weduwe zullen laten weten. Ik vermoed dat er gemeld zal worden dat hij verongelukt is bij onderhoudswerkzaamheden. Ik ga er niet van uit dat buiten onze ruimtevaartorganisaties bekend is dat er een ruimtepak weg is. Dus kan er ook niet aan de pers worden gecommuniceerd dat Sergej daarnaar op zoek was. Om veiligheidsredenen zal de exacte toedracht dan vermoedelijk ook niet aan Sergejs weduwe worden gemeld.’ ‘Wist je dat op de maan een klein beeldje ligt, dat daar is neergelegd door de bemanning van Apollo 15?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt Helmut. ‘Wat voor beeldje is dat dan?

69


‘Het heet Fallen Astronaut en is daar geplaatst als gebaar voor alle omgekomen astronauten. Er is nooit veel ruchtbaarheid aan gegeven. Het beeldje werd ontworpen door een Belgische kunstenaar, die bevriend was met de commandant van de Apollo 15-missie.’ ‘Dat was dan een mooi gebaar van onze verre voorgangers,’ zegt Helmut. ‘Ja,’ zeg ik. ‘En ergens is dat beeldje er nu dus ook voor Sergej.’ ‘Dat heb je mooi gezegd, Eric. Wij zullen verder moeten met onze missie. Het is verschrikkelijk dat er juist tijdens onze eerste missie hier op Mars een ongeluk is gebeurd, maar laten we hopen dat het heel lang het enige ongeluk zal zijn. We moeten elk risico zien te vermijden en vooral geen onnodige dingen meer doen. Na ons zullen ongetwijfeld nog vele astronauten volgen. En uiteindelijk ook kolonisten. Mensen die een eenrichtingsreis naar deze planeet zullen maken om zich hier voorgoed te vestigen. Die hier zullen leven en werken. En uiteindelijk dus ook zullen sterven. Ooit wordt sterven op deze planeet dan normaal. Net zoals er ooit een tijd zal komen dat hier kinderen geboren zullen worden. Het is nu haast nog niet te geloven, Eric, maar wij zijn de pioniers die het mede mogelijk maken. Sergej is dus niet voor niets gestorven, hoe verschrikkelijk zijn dood ook is.’

70


8 Dick Thompson

De steeds weer de kop opstekende stormen op Mars baren ons zorgen. Onze bemanning verblijft nu bijna twee weken op Mars, is een van haar leden kwijtgeraakt door een ongeluk en heeft nog amper wetenschappelijk onderzoek kunnen doen. Maar hoe verschrikkelijk het verlies van Zjoeganov ook is, we moeten toch aan onze missie denken. Inmiddels lopen we flink achter op ons schema. Daarom hebben Bill en ik besloten in overleg te gaan met Richard Miller, onze klimaatdeskundige aangaande Mars. ‘Ik moet toegeven dat de aanhoudende stormen ons ook verrast hebben,’ zegt Richard. ‘Wat is de oorzaak? En vooral: wat is de verwachting voor de komende dagen en weken?’ vraagt Bill. ‘Aangezien Mars een nogal excentrieke baan heeft, gecombineerd met het gegeven dat een Mars-jaar maar liefst 687 aardse dagen duurt, duren de jaargetijden daar veel langer dan wij hier gewend zijn.’ ‘Dat is ons bekend,’ zeg ik. Ik ken Richard al jaren en weet dat hij de neiging heeft breedsprakig te zijn. ‘Mooi,’ reageert Richard. ‘Het punt is dat de seizoenen niet alleen langer zijn, maar ook onderling verschillen in 71


lengte en dat het nogal verschil maakt of je bijvoorbeeld een Martiaanse winter meemaakt op het noordelijke of zuidelijke halfrond.’ ‘Charity bevindt zich op het noordelijke halfrond,’ zegt Bill. ‘Een paar honderd kilometer van de evenaar.’ ‘Inderdaad,’ zegt Richard. ‘We lanceerden onze missie vorig jaar op 18 juli, kort voor het begin van de zomer op het zuidelijke halfrond van Mars, wanneer de planeet dicht bij de zon staat. Die zuidelijke zomers zijn dus warmer dan de noordelijke zomers. Ze zijn ook relatief kort. Maar het betekent ook dat de zuidelijke winters veel kouder zijn dan de noordelijke winters, omdat Mars dan juist ver van de zon verwijderd is.’ Bill kijkt enigszins verveeld. Het meeste van wat Richard vertelt is hem zo te zien wel bekend. Maar ik vind het wel nuttig dat hij het Martiaanse klimaat nog eens toelicht. Richard vervolgt: ‘Verder is er ook nog een behoorlijk verschil in het terrein van de twee halfronden. Het noordelijke halfrond bestaat voor het grootste deel uit de bodem van de voormalige oceaan op Mars, terwijl het terrein op het zuidelijke halfrond grotendeels aanzienlijk hoger ligt. Ik laat dan Valles Marineres en het Hellas Bassin gemakshalve even buiten beschouwing.’ Richard toont de ons zo vertrouwde kaart van Mars op zijn tablet. ‘We weten hoe Mars eruitziet,’ zegt Bill enigszins ongeduldig. ‘Kun je wat meer to the point zijn?’ Richard gaat echter onverstoorbaar verder: ‘Hoe dan ook, het resultaat van al deze eigenschappen van Mars is dat de ijskap op de noordpool zowel lager als minder koud is, vergeleken met de ijskap op de zuidpool. Ook duurt de winter op het noordelijke halfrond relatief kort. 72


Dat heeft als gevolg dat de ijskap op de noordpool niet zo bijster veel variatie in temperatuur kent. Desondanks krimpt die ijskap gedurende de zomer wel.’ Ik schenk Richard en Bill opnieuw koffie in. Richard gaat verder: ‘De ijskap op de zuidpool is gedurende de winter daar veel en veel kouder en er ligt een dikke laag droogijs op. Je zou denken dat het daar in de zomer warmer is, maar doordat die zuidpool tamelijk hoog ligt is het er zelfs ’s zomers behoorlijk koud. Het gevolg is dat het ijs niet smelt, maar dat het droogijs verdampt.’ ‘Goed, zou je nu dan toch kunnen ingaan op de stormen?’ vraagt Bill. ‘Het klimaat op Mars is grillig. Of laat ik zeggen: we beginnen eigenlijk nog maar net te begrijpen hoe het werkt. De grootste stormen, die de hele planeet kunnen omvatten, vinden één keer per Marsjaar plaats, dus ruwweg elke twee aardse jaren en kunnen maanden aanhouden. Deze stormen beginnen altijd tijdens de zuidelijke zomer. De landing van onze missie vond plaats halverwege de zuidelijke herfst. Aangezien Charity zich op het noordelijke halfrond bevindt, is dus op die plek de lente alweer aardig gevorderd. Met andere woorden: we hadden nu dus geen zware stormen meer verwacht. Die zouden al uitgewoed moeten zijn. Maar zoals ik al zei, we beginnen het klimaat nu pas goed te kennen. Uit meetgegevens blijkt dat de afgelopen zomer op het zuidelijk halfrond de warmste was die we ooit gemeten hebben. Er zat dus meer energie in de atmosfeer dan ooit tevoren. We vermoeden dat dit dan ook de oorzaak is voor de nog steeds voortwoedende stormen. Het goede nieuws is dat het op het zuidelijke halfrond met de dag kouder wordt en dat de stormen vrijwel zeker op tamelijk korte termijn gaan liggen.’ 73


‘Mooi. Daar hebben we wat aan,’ zegt Bill. ‘Kun je iets zeggen over het effect van de langdurige stormen op Charity en Dignity?’ ‘Daar hoef je je niet al te veel zorgen over te maken. Hoewel het vervelend is voor de astronauten, lopen ze feitelijk geen gevaar. De windsnelheden zijn vaak erg hoog, maar bedenk dat zo’n storm woedt in een atmosfeer die extreem dun is. De luchtdruk is er amper één procent van wat wij hier op aarde gewend zijn. De wind waait dus nagenoeg in een vacuüm. Je hoeft niet bang te zijn dat Dignity omwaait. Dat kan eenvoudigweg niet.’ ‘Zeg, Richard. Even puur hypothetisch: zou volgens jou een vlag eigenlijk kunnen wegwaaien tijdens zo’n erg zware storm?’ vraag ik. ‘Ha, leuke vraag,’ reageert Richard. ‘Wat denk je zelf?’ Juist als ik een antwoord wil formuleren gaat Bills telefoon. Normaliter klikt hij zo’n oproep meteen weg als we in overleg zijn, maar ik zie hem naar zijn scherm kijken en direct opnemen. Ik wacht even met een reactie op Richards vraag. Bill begint steeds ernstiger te kijken. Na een paar minuten legt hij zijn telefoon neer en zegt: ‘Dit was een nogal dringend telefoontje. Richard, hartelijk dank voor je komst en je toelichting. Ik moet nu echter dringend met Dick overleggen, dus als je ons wilt excuseren?’ Richard pakt zijn spullen, groet ons en verlaat de vergaderzaal. ‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik meteen. ‘Dat was Madelon Davidson. Valerie, hun jongste dochter, heeft een auto-ongeluk gehad in Frankrijk. Ze was daar voor een studiereis. Ze ligt nu in coma.’ ‘Vreselijk! Is er al iets bekend over de kans op herstel?’ 74


‘Nee, nog niet. Maar Madelon wil zo snel mogelijk naar Frankrijk afreizen om zich ter plekke op de hoogte te stellen. En natuurlijk wil ze bij haar dochter zijn.’ ‘Oké,’ zeg ik. ‘Wat doen wij? Gaan we dit melden aan Matthew?’ ‘Ik denk het niet,’ zegt Bill. ‘Ik zal nog overleggen met Jessica, maar in dit stadium lijkt het me niet verstandig om hem op de hoogte te stellen. Matthew weet dat hij in bepaalde situaties niet de waarheid te horen krijgt. Dat weet iedere astronaut. We zullen echter vanaf nu alle communicatie tussen Madelon en hem nog veel scherper moeten monitoren. Elk bericht dat zij richting Mars wil zenden zal moeten worden uitgeplozen om na te gaan of ze geen codewoorden gebruikt. Het zou niet de eerste keer zijn dat een astronaut en zijn vrouw elkaar op die manier toch op de hoogte proberen te houden van meer dan koetjes en kalfjes.’ Ik knik. ‘Jessica en haar team krijgen het nog druk.’ En mijn taak wordt er bepaald niet gemakkelijker op.

75


9 Matthew Davidson

De dag nadat we Sergej begroeven, stak de storm weer de kop op. Alsof we even in de luwte zaten en nu de rest van het stormfront overtrekt. Ondanks de lange duur van de storm, maak ik me er niet al te veel zorgen over. Wat me wel dwarszit is dat we onze vlaggen niet hebben kunnen vinden. Nu hebben we niet heel lang gezocht en ook nog niet echt erg ver vanaf onze basis, maar toch. Proksch zegt dat ze in zo’n storm makkelijk kilometers ver weg gewaaid kunnen zijn. Dan heeft verder zoeken niet zoveel zin. Het beroerde is dat we geen reservevlaggen hebben en dat betekent ook dat we zorgvuldig de plek waar de Stars and Stripes wapperde zullen moeten mijden met onze camera’s. Of ze moeten op aarde gewoon toegeven dat we de vlaggen kwijt zijn geraakt in de storm. Wat een blamage! Het ongeluk van Sergej is nu drie dagen geleden. Ik heb het te doen met Eric. Die heeft Sergej voor zijn ogen zien sterven. Hij houdt zich goed, moet ik zeggen, maar de stemming hier in Charity is bedrukt. Proksch is voortdurend druk met communicatie met Houston, dus zal ik checken of Eric het echt trekt of zich alleen maar groothoudt. Misschien kan ik hem ook wat afleiden. 76


Eric zit in de woonruimte en is druk bezig met een programma op zijn tablet. ‘Eric, ga je mee naar de fitnessruimte? Jij hebt de loopband al een paar keer gebruikt, misschien kun je me helpen met de instellingen?’ vraag ik. Eric knikt, zegt echter niets en loopt met me mee. Het blijft lastig met de lage zwaartekracht hier, maar met de speciale magnetische schoenen voor de loopband in de fitnessruimte moet het mogelijk zijn toch serieus te trainen. De heenreis heeft, ondanks de verplichte trainingen die we deden, natuurlijk al geleid tot afbraak van spierweefsel door al die maanden gewichtloosheid en ik wil beslist voorkomen dat het nu nog erger wordt. ‘Behalve de snelheid van de loopband kun je ook de weerstand instellen,’ zegt Eric. ‘Kijk, de weerstand wordt mede bepaald door de sterkte van de magneetschoenen. Die zijn ontwikkeld bij ESA in Noordwijk.’ ‘Noordwijk? Waar ligt dat ergens? Aan de naam te horen ergens in het noorden van Duitsland.’ ‘Niet in Duitsland, maar in Holland. ESA zit niet uitsluitend in Darmstadt. Er zitten kleine elektromagneten in de zolen. Na gebruik moet je de schoenen weer terugzetten op de oplader. Aan jouw voeten te zien, heb jij de grootste maat schoenen die hier staat.’ Eric kijkt naar mijn voeten en het lijkt alsof hij het ziet, maar hij zegt niets. Ik trek de schoenen aan, start de loopband en begin te lopen. Waggelend kom ik op gang. De lage zwaartekracht maakt het niet makkelijk. Ik stop de band weer en verhoog de magnetische kracht van de schoenen. ‘Dat gaat beter,’ zegt Eric, als ik mijn tweede poging gestart ben. ‘Mijn streven is zes kilometer hardlopen, voor deze 77


eerste keer,’ zeg ik. ‘Dat moet toch wel haalbaar zijn?’ ‘Dat is meer dan ik het de eerste keer volhield,’ zegt Eric. ‘Als je dat volhoudt is dat lang niet slecht.’ Het hardlopen blijft lastig onder deze omstandigheden, maar de magnetische schoenen zijn een aardige uitvinding. ‘Hadden we maar een ruimteschip gehad met kunstmatige zwaartekracht, Eric. Ik baal er wel van dat wij straks op aarde terugkomen met botten en spieren alsof we oude mannen zijn.’ Eric haalt zijn schouders op. ‘Dan had je over een jaar of vijf met de Chinezen mee moeten gaan.’ Ik lach. ‘Als het ze überhaupt gaat lukken een roterend ruimteschip in werking te krijgen.’ ‘En dan nog ontkom je beslist niet aan de lagere zwaartekracht hier op Mars.’ Daar moet ik Eric gelijk in geven. ‘Eric, zijn jou dingen opgevallen aan Sergejs gedrag vlak voordat hij verongelukte?’ vraag ik. ‘Hij was ervan overtuigd dat iemand van ons het ruimtepak had verstopt. Onze taak was het onderhouden van de communicatie met jullie buiten en met Mission Control in Houston. Toch wilde hij per se op zoek gaan.’ ‘Vind jij dat gek dan? We hebben buiten niets vreemds gezien, dus moet het hierbinnen zijn. Ik zou ook zijn gaan zoeken.’ ‘Dus jij zou ook de orders van onze commandant negeren? Helmut heeft duidelijk gezegd dat we eerst buiten een visuele inspectie zouden houden. Ik vind dat niet onlogisch. Stel dat er sabotage zou zijn gepleegd, dan zou mijn prioriteit ook absoluut Dignity zijn. Maar wie zou dat ruimtepak gebruikt hebben, denk jij?’ ‘Geen idee. Maar ik geloof niet in buitenaardsen die 78


ineens opduiken op Mars en ’s nachts onze basis binnendringen en een ruimtepak buitmaken, dus moet een van ons dat gedaan hebben en dan is dat ruimtepak nog altijd ergens hier. Het kan gewoon niet weg zijn.’ ‘Als jij en ik het niet zijn, dan blijven er nog maar drie mogelijkheden over. Of twee als jij je hand in het vuur durft te steken voor Ross,’ zegt Eric. ‘Ik ken Ross al heel erg lang en ik acht hem niet tot zoiets in staat. Aan de andere kant weet je nooit honderd procent zeker wat onze situatie met iemand doet.’ ‘Maar daar zijn we op getraind, Matthew! We hebben allemaal ervaring met maandenlang verblijf in ISS-2 en ik heb zelfs een halfjaar samen met Helmut in een ondergrondse bunker in Oostenrijk doorgebracht.’ ‘Dat is waar. Jij en Proksch hebben wat dat betreft zelfs een nog zwaarder programma gehad dan Ross en ik, maar al die tijd in die bunker wist je dat je gewoon op aarde was. En in ISS-2 kon je onze planeet zelfs voortdurend zien. Niemand van ons had vooraf echt ervaring met totaal ontheemd te zijn,’ zeg ik. Ik zet de loopband stil. Even moet ik weer wennen aan de lichtheid van ons Martiaanse bestaan. Eric ondersteunt me als ik de magnetische schoenen uitdoe. ‘Dank je. Het is te doen op die loopband, maar ideaal is het niet. Zes kilometer was toch wel wat ambitieus.’ ‘Nee, het gaat, maar ideaal is anders. Volgende keer beter,’ zegt Eric. Ik pak een handdoek uit een kast en fris mezelf op. ‘Was hardlopen jouw sport op aarde?’ wil Eric weten. ‘Nee, niet echt. In mijn jeugd was ik gek op zwemmen, later ben ik daar echter radicaal mee gestopt en ben ik gaan tennissen.’ ‘Waarom radicaal gestopt?’ vraagt Eric. 79


Die vraag was te verwachten en ik schaam me nog steeds niet voor mijn kleine afwijking dus besluit ik Eric gewoon te vertellen wat er in mijn jeugd gebeurde en waarom ik nog maar zelden zwem. ‘Ik ben polydactyl,’ zeg ik. Eric kijkt meteen naar mijn voeten. Hij weet dus wat het betekent. ‘Hoeveel tenen heb je dan?’ vraagt hij. ‘Twaalf. Netjes verdeeld over beide voeten. Mijn handen zijn volkomen normaal, zoals je ziet. Bij mij gaat het alleen om mijn voeten.’ ‘Maar waarom stopte je met zwemmen? Schaamde jij je voor je voeten? En waarom hebben je ouders je in je peutertijd niet laten opereren?’ ‘Mijn ouders zijn erg religieus. Met name mijn vader vond dat er niet ingegrepen mocht worden. Het was kennelijk Gods wil, mijn extra tenen.’ ‘En je moeder?’ ‘Die heeft later eens tegen mij gezegd dat zij wel voor een operatie was en dat artsen dat ook hadden aangeraden. Ze was bang dat ik gepest zou worden. Maar mijn vader hield voet bij stuk.’ We schieten allebei in de lach om mijn spontane woordspeling. ‘Maar je werd niet gepest?’ ‘Nee, dat viel wel mee. Ik ben nogal fors van postuur en klasgenootjes die iets waagden te zeggen, ontdekten al snel dat ik sterker was dan zij.’ Eric glimlacht. ‘Maar nu weet ik nog niet waarom je gestopt bent met zwemmen,’ zegt hij. ‘Wel, dat komt zo. Ik was erg goed in zwemmen. Ik was als kind al sterk, zoals ik net vertelde, en ik zwom erg goed. Als tiener ging ik wedstrijden zwemmen. Tot de dag dat er door tegenstanders geprotesteerd werd wegens mijn vermeende voordeel.’ 80


‘Dat meen je niet!’ zegt Eric verontwaardigd. ‘Jawel. Je weet hoe competitief wij Amerikanen ingesteld zijn. Welnu, het was de ouders van mijn concurrenten opgevallen dat ik zes tenen aan iedere voet heb. En dat is niet alles, tussen de grootste tenen zit aan allebei mijn voeten eigenlijk ook een soort vlies. Uiteindelijk werd “de kwestie Davidson” voorgelegd aan de nationale zwembond. En die besloot in al haar wijsheid dat ik wegens een ongeoorloofd competitievoordeel uit alle uitslagen moest worden geschrapt. Mijn moeder was vooral verdrietig, maar mijn vader was woest! Hij begon zelfs een rechtszaak en…’ ‘Zit dat vlies er nu nog?’ onderbreekt Eric mij ineens. ‘Ja. Wacht, ik zal het je laten zien,’ zeg ik en trek mijn sokken uit. Eric kijkt aandachtig, zoals vroeger sommige van mijn klasgenootjes. Het doet me niets. Ik heb me er nooit voor geschaamd. ‘Sorry, ik onderbrak je,’ zegt Eric. ‘Ja, ik vertelde dus van de rechtszaak. Uiteindelijk werd er geschikt en betaalde de zwembond mijn ouders tweehonderdduizend dollar. Voorwaarde was wel dat mijn ouders af zouden zien van verdere publiciteit. Het geld bestemden mijn ouders voor mijn studie. Ik ben ze nog steeds dankbaar, want zonder hen was ik geen geologie gaan studeren en was ik vrijwel zeker niet nu hier op Mars geweest.’ ‘Kinderen kunnen keihard zijn tegen elkaar,’ zegt Eric. ‘Maar de ouders van die andere zwemmers zouden zich echt moeten schamen!’ ‘Ik zit er niet meer mee,’ zeg ik. ‘Oké, gelukkig maar.’ Eric lijkt niet al te zeer van slag, na het ongeluk. Toch ga ik er nog even over verder. 81


‘Heeft Sergej nog dingen gezegd die jou zijn opgevallen?’ wil ik weten. ‘Ik vond hem erg fanatiek. Natuurlijk snap ik dat hij het ruimtepak wilde zoeken. Dat wilde ik ook wel, maar we hadden een andere taak. Bovendien vind ik dat je logisch moet redeneren. Als immers iemand van ons dat ruimtepak heeft verborgen – en dat kan haast niet anders – dan kan hij het nu niet meer verplaatsen zonder dat het opvalt. Ik weet niet of het jou is opgevallen, maar Helmut staat ’s nachts meermaals op en controleert of wij slapen. Ik was een keer wakker, maar hield me slapende. Hij checkt dus steeds of we in onze slaapruimtes liggen. Kortom: het ruimtepak kan niet meer verplaatst worden. En zelfs als dat nog wel zou kunnen, dan is het toch schier onmogelijk om het echt weg te maken.’ ‘Maar waarom was Sergej dan zo fanatiek, denk je?’ ‘Geen idee. Wie zegt dat hij niet zelf doorgedraaid was? Ik heb destijds trainingen meegemaakt in Moskou en ik moet zeggen dat hij altijd wat afstandelijk was.’ ‘Wil je nou beweren dat hij naar buiten is geweest, de data heeft gewist en het ruimtepak heeft verstopt, om er vervolgens zelf fanatiek naar op zoek te gaan?’ ‘Ja. Wie anders? Helmut, Ross? Dat geloof je toch ook niet? Trouwens, wie zegt dat iemand überhaupt werkelijk naar buiten is geweest? We hebben alleen maar de data die aangeven dat de luchtsluis gebruikt is. Als iemand een zieke grap heeft willen uithalen, dan heeft diegene misschien alleen maar de luchtsluis bediend, heeft vervolgens de cameradata gewist en het ruimtepak verstopt. Maar goed, als we ervan uitgaan dat hij het niet was, dan blijft alleen Boris nog over. Verdenk jij Boris?’ ‘Niet echt,’ zeg ik. Erics redenering dat Sergej sabotage pleegde of een zeer misplaatste grap uithaalde en om 82


dat te verdoezelen juist fanatiek op zoek ging, klinkt wel logisch, maar ik ben nog niet helemaal overtuigd. ‘Maar waarom zou Sergej het gedaan hebben?’ vraag ik. ‘Wat zou zijn motief zijn geweest?’ ‘Geen idee,’ zegt Eric. ‘Verveling wellicht? Een volkomen zinloze daad. En als het als grap bedoeld was, ook nog eens zeer ongedisciplineerd. Maar als hij het was, dan is het ongeluk dat hem overkwam nog wel enigszins rechtvaardig. Als je zó gestoord bent, dan verdien je het om slachtoffer te worden van je eigen geveinsde fanatieke gezoek.’ Eric brengt het erg stellig. Toch stel ik de vraag die ik van mijzelf moet stellen: ‘En jij Eric, zou jij onze missie in gevaar kunnen brengen?’ ‘Ik?’ Eric schiet in de lach. ‘Man, je moest eens weten hoe ongelooflijk blij ik ben met de kans dat ik straks hier op Mars leven kan aantonen! Jij en Ross staan ingepland voor de eerste rit met de rover en dus heeft Ross als mede-bioloog de eerste kans om monsters te gaan nemen op interessante locaties, maar de tweede rit is toch echt voor Helmut en mij. Ik kijk al jaren uit naar dat moment!’ Erics enthousiasme werkt aanstekelijk. Ik snap heel goed dat leven aantonen op Mars voor hem de heilige graal is. En ik gun het Ross en hem van harte. Voor mij is de geologie van deze planeet het belangrijkste. Op dat gebied hebben we dankzij alle missies voor de onze al heel wat ontdekt, maar ik hoop straks meer te kunnen zien van Mars. Niets is zo mooi als veldwerk. En veldwerk op een andere planeet is beslist de droom van veel van mijn collega’s op aarde. Hopelijk gaat de storm gauw liggen, dan kunnen we eindelijk echt aan het werk. ‘Wist je dat ik ooit voor mijn studie in Zweden ben ge83


weest? Op een eiland in de Botnische Golf.’ ‘Een Zweeds eiland in de Botnische Golf? Welk eiland bedoel je dan?’ ‘Åland,’ zeg ik. Heb je weleens van Lumparn gehoord?’ ‘Åland is niet Zweeds, je vergist je,’ zegt Eric. ‘Maar iedereen sprak er Zweeds,’ werp ik tegen. ‘Dat weet ik heel zeker!’ ‘Ja, maar Åland hoort toch echt bij Finland en niet bij mijn geboorteland.’ ‘Ingewikkeld hoor, Europa. Je spreekt met zijn allen de taal van het ene land, maar toch hoor je bij het andere land. Ik zal Europa nooit echt begrijpen. Wel mooie vrouwen daar trouwens. Heb je veel vriendinnen gehad toen je nog in Zweden woonde?’ ‘Och,’ zegt Eric, ‘dat valt wel mee.’ ‘Nou, dat zal straks wel veranderen als we terug op aarde zijn. Dan zijn wij helden. Dan vallen je landgenotes als een blok voor jou.’ ‘Dat weet ik niet, hoor. Zeg, wat deed jij dan precies op Åland?’ ‘Voor mijn studie geologie deden we onderzoek bij Lumparn. Daar wilde ik je al over vertellen. Weet je hoe Lumparn ontstaan is?’ ‘Geen idee,’ zegt Eric. ‘Wel, het is een soort binnenzee op het eiland. Ongeveer 85 vierkante kilometer groot en slechts via een paar nauwe doorgangen verbonden met de Botnische Golf. Heel lang werd aangenomen dat het een rift was.’ ‘Een rift?’ onderbreekt Eric me. ‘Ja, een rift is een plek op aarde waar de aardkorst zich als het ware spreidt en waardoor een bekken ontstaat. Mars zit trouwens geologisch heel anders in elkaar vermoeden we. Maar goed, Lumparn bleek uiteindelijk 84


geen rift te zijn, maar een inslagkrater. Een miljard jaar geleden sloeg er een meteoriet in op het eiland en vervolgens stroomde de krater vol water. Uiteindelijk zal het een groot zoetwatermeer worden, want door bodemstijging zal het afgesloten raken van de Botnische Golf.’ ‘Als jij hier op Mars een volgelopen inslagkrater ontdekt, dan geef ik volgend jaar een rondje op aarde!’ zegt Eric. Ik lach. ‘Nou, stromend water aantreffen zou al heel wat zijn. We weten dat het er af en toe is, maar het zelf zien lijkt me geweldig.’ Eric lijkt gelukkig niet al te zeer aangeslagen te zijn door Sergejs ongeluk. Vanzelfsprekend zijn we allemaal getraind om met stressvolle situaties om te gaan, maar dit is een nogal onvoorziene gebeurtenis geweest. De komende maanden moeten we verder met zijn vijven en dan is het maar beter als we de kalmte weten te bewaren.

85


10 Ross Fitzgerald

Door de weer aangewakkerde storm hebben we opnieuw meer vrije tijd dan we zouden willen. De verwachting van Mission Control is dat we het ergste nu echter achter de rug hebben en binnenkort opnieuw naar buiten kunnen. Maar vandaag moeten we onze tijd nog binnen doorbrengen. Matthew en Eric zijn net terug uit de fitnessruimte en Boris heeft zijn taak in de kas erop zitten. Proksch heeft het logboek bijgewerkt op de computer en komt nu ook bij ons zitten. Proksch spreekt ineens heel gedecideerd: ‘Als een van jullie een grap heeft uitgehaald, dan is het nu echt tijd om te spreken. Sergej is dood, doordat hij op zoek ging naar het verdwenen ruimtepak. Ik kan nog begrip opbrengen voor een grap om de sleur en de verveling te doorbreken, maar de sluis ongeautoriseerd gebruiken en data wissen zijn zeer ernstige vergrijpen! Ik wil nu horen of een van jullie meer weet. Nu!’ We zwijgen allemaal. Matthew en ik kijken elkaar aan. Ik weet dat Matthew zoiets nooit zou doen. Eric kijkt mij ook aan. Lijkt me er ook het type niet voor. Proksch zelf? Uitgesloten! Helmut neemt zijn taak als commandant erg serieus. Onze blikken draaien langzaam naar Boris. Die 86


staart voor zich uit. Stel dat het inderdaad een grap van hem is geweest, hoe zou hij zich dan nu voelen als zijn grap indirect tot de dood van zijn landgenoot heeft geleid? Als Boris dit op zijn geweten heeft, dan zegt hij waarschijnlijk niets. Ook als we het ruimtepak nog zouden terugvinden, zal hij vermoedelijk blijven zwijgen. Net als alle anderen. Wat echter beslist in Boris’ voordeel spreekt is dat zo’n grap eigenlijk niet bij hem zou passen. Humor is niet bepaald zijn sterkste kant. Proksch zucht en zegt: ‘Heeft iemand van jullie dan nog een goede verklaring voor wat er gebeurd is?’ Hij kijkt vragend rond. Weer zwijgt iedereen en dus besluit ik dat ik de anderen ga vertellen over een volk waar ik me ooit in verdiept heb, de Sentinelezen. ‘Ik wil jullie graag vertellen over een volk dat al ontzettend lang leeft op een afgelegen eiland in de Golf van Bengalen,’ begin ik. Ik merk de verbaasde blikken op van de anderen. Behalve geoloog ben ik ook archeoloog en heb ik me ook beziggehouden met sociale antropologie. Dat is een terrein waar de anderen niet echt bekend mee zijn. ‘Jullie vragen je vast af wat de bewoners van een afgelegen eiland met ons probleem hier te maken hebben. Welnu, de Sentinelezen leven waarschijnlijk al zo’n zestigduizend jaar nagenoeg geïsoleerd van de rest van de wereld. Hun eiland is iets meer dan zeventig vierkante kilometer groot en hun volk telt vermoedelijk maar een paar honderd mensen. Hoeveel precies weten we niet eens, want waarnemingen zijn eigenlijk alleen van afstand mogelijk.’ ‘Hoezo?’ vraagt Proksch. ‘Nou, dat komt doordat ze iedereen die voet op hun eiland zet zeer agressief tegemoet treden. Ook spreken 87


ze een taal die in vrijwel niets lijkt op de talen van nabijgelegen eilanden. Het volk heeft zichzelf dus feitelijk succesvol weten te isoleren van de rest van de wereld.’ ‘Dus ze zijn onafhankelijk,’ zegt Boris. ‘Ja, daar komt het wel op neer. Officieel behoort hun eiland tot India, maar na diverse contactpogingen de afgelopen eeuwen is het Indiase beleid thans dat men de Sentinelezen met rust laat. En dat betekent dus dat dit volk geen weet heeft van wat er in de rest van de wereld gebeurt. Ze leven daar feitelijk in grote onwetendheid.’ ‘Misschien zijn ze wel heel gelukkig,’ mompelt Eric. ‘Ja, dat zou kunnen,’ zeg ik. ‘Feit is dat ze zich door hun langdurige isolatie nauwelijks ontwikkeld hebben. Afgezien van de stranden is het hele eiland begroeid met bomen. Er lijkt nergens sprake te zijn van landbouw, dus hebben we echt te maken met een jagers-verzamelaarsmaatschappij.’ ‘Ongelooflijk,’ zegt Proksch. ‘En dat in de eenentwintigste eeuw!’ ‘Ja, het is een unieke situatie. Het volk leeft van de jacht, visserij en van planten. Ze jagen met speren. En die gebruiken ze ook als ze via zee benaderd worden. Twee vissers van een ander eiland, die in de lagune bij hun eiland belandden en daar overnachtten, werden ’s nachts gedood door Sentinelese krijgers. Begin deze eeuw werd de wereld opgeschrikt door een grote tsunami, zoals er vermoedelijk ooit ook hier op Mars tsunami’s zijn geweest in de oceaan op het noordelijk halfrond. India stuurde een helikopter om te kijken of er hulp nodig was. Die helikopter werd direct aangevallen door een krijger die een speer wierp.’ ‘Ik zie het verband niet,’ merkt Boris op. ‘Dat komt wel,’ zeg ik. ‘Die vlucht van een helikopter 88


was zo ongeveer de laatste contactpoging. De oudste beschreven contactpoging vond plaats in 1880. India was toen een kolonie van Groot-Brittannië en een plaatselijke administrateur ging op expeditie naar het eiland met het doel enkele Sentinelezen gevangen te nemen. Of eigenlijk te ontvoeren. Het Britse beleid in die dagen was om leden van stammen zoals de Sentinelezen te ontvoeren, ze vervolgens goed te behandelen en cadeaus te geven en hen daarna weer terug te brengen naar hun eigen woonplek. Het idee daarachter was dat men zo hoopte te laten zien dat men goede bedoelingen had.’ ‘Ja, ja, dat kennen we,’ zegt Boris. Ik reageer er maar niet op. Alsof de Russen altijd zulke lieverdjes waren. ‘Enfin, de meeste stamleden vluchtten de jungle op het eiland in, maar uiteindelijk trof de expeditie een ouder echtpaar met vier kinderen en nam hen mee naar een stad op een van de grotere eilanden in de Golf van Bengalen. De twee ouderen werden al snel ziek en overleden.’ ‘Ja, vind je het gek,’ zegt Boris. ‘Die kwamen vast in contact met onbekende ziektekiemen. Dat werd hen natuurlijk fataal.’ ‘Precies! De kinderen overleefden het ontvoeringsavontuur overigens wel. Ze kregen cadeaus mee en werden teruggebracht naar hun eiland. Daar verdwenen ze meteen in de jungle.’ ‘Dit lijkt een beetje op die verhalen over UFO-ontvoeringen, die je weleens hoort. Doel je daar op?’ vraagt Matthew. ‘Min of meer. Ik zal vertellen wat er na 1880 verder gebeurde. In de jaren zestig van de vorige eeuw deed de Indiase overheid opnieuw enkele contactpogingen. De Sentinelezen vluchtten telkens de jungle in. Daarop liet 89


men dan giften, zoals kokosnoten, achter op het strand. Begin jaren zeventig ging een filmcrew van National Geographic naar het eiland. Hun boot werd onthaald op een golf van pijlen en een van de documentairemakers werd geraakt in zijn dij. Toch lukte het om enkele dingen op het strand achter te laten. Deze keer ging het niet alleen om kokosnoten, maar ook om potten en pannen, een pop en een plastic speelgoedauto. De Sentinelezen namen alleen de kookwaar en de kokosnoten mee. Daarna waren er nog enkele contact pogingen, maar eind vorige eeuw besloot de Indiase overheid dat het beter was de Sentinelezen met rust te laten. Ziektekiemen die wij bij ons dragen zouden hen immers fataal kunnen worden, Boris zei het net al. Maar waar het me om gaat is die plastic speelgoedauto. Die pop, daarvan zou je nog kunnen verwachten dat die wel waarde had kunnen hebben voor de kinderen van het volk, maar wat is de gedachte van de documentairemakers achter die plastic auto geweest? Ze wilden ongetwijfeld ook iets meebrengen voor de jongetjes op het eiland. Maar wat had een kind dat nog nooit een auto had gezien ermee aan moeten vatten?’ Proksch kijkt me aan en zegt: ‘Dat was inderdaad een tamelijk ondoordachte actie van die filmcrew. Het enige vervoermiddel dat ze daar kennen zijn waarschijnlijk boten.’ ‘Ja, en helikopters,’ zegt Matthew. ‘Al begrijpen ze vermoedelijk niet echt wat dat zijn.’ ‘Inderdaad,’ zeg ik. ‘En daar kom ik op mijn punt: Wat nu als wij eigenlijk de Sentinelezen van de Melkweg zijn? De Sentinelezen komen met hun bootjes niet verder dan de lagune bij hun eiland. Wij komen niet verder dan de lagune van ons zonnestelsel. Oké, we hebben dan net 90


voet op Mars gezet, maar dat is toch op de schaal van de Melkweg eigenlijk niet veel meer dan een beetje pootjebaden?’ ‘Dus je zet ons in zekere zin weg als een soort inboorlingen in het universum,’ zegt Boris. ‘De half-wilden van het heelal. Begrijp ik dat goed?’ ‘Ja, feitelijk wel. Zoals ik al eens eerder verteld heb, ga ik ervan uit dat het universum vol is van leven en dat er elders leven is dat veel verder ontwikkeld is.’ ‘Interessant,’ zegt Eric, ‘maar wat wil je daar dan precies mee zeggen?’ ‘Nou, als wij eigenlijk maar een soort inboorlingen zijn, dan zou het best zo kunnen zijn dat wij met rust worden gelaten terwijl we pootjebaden. Maar het kan ook zo zijn dat een andere beschaving ons in de gaten heeft gehouden en nu weer een contactpoging doet.’ ‘Weer?’ vraagt Matthew. ‘Ja, weer,’ zeg ik. ‘Er zijn talloze verhalen uit de oudheid bekend die duiden op mogelijk contact met buitenaardse beschavingen. In het Bijbelboek Ezechiël is zelfs sprake van een hemelwagen.’ Proksch zegt niets. Eric kijkt me geïnteresseerd aan. Van Matthew weet ik dat zijn ouders religieus zijn, dus hij kent dit Bijbelse verhaal vermoedelijk wel. Eric zegt op sarcastische toon: ‘Dit soort ideeën heb je zeker goed verborgen gehouden tijdens gesprekken met psychologen van NASA?’ Ik negeer hem en ga verder met mijn verhaal. ‘Mijn punt is dat het heel goed zou kunnen dat een buitenaardse beschaving die contact met ons zoekt soms irrationeel te werk gaat.’ ‘Ik ben benieuwd wat de tegenhanger van een plastic auto volgens jou dan is,’ zegt Eric. 91


‘Nee, je snapt mijn punt niet. Ik stel dat ze deze keer niet iets hebben achtergelaten, ik stel dat ze hier zijn en iets hebben meegenomen, namelijk een van onze ruimtepakken.’ ‘Je bent gek!’ zegt Boris. ‘Dat ruimtepak is gewoon nog ergens hier. Sergej begreep dat ook en ging op zoek. Jullie zijn in Amerika echt gek gemaakt met allerlei films en godsdienstwaanzin! Een van jullie belazert de kluit en heeft dat ruimtepak weggemaakt!’ Boris kijkt mij minachtend aan. Hij lijkt nu toch iets van zijn koelbloedigheid te verliezen. Al begrijp ik zijn boosheid wel. Het gemis van Sergej speelt hem natuurlijk parten. ‘Kalm aan,’ zegt Proksch. ‘Ik vroeg om een mogelijke verklaring en Ross geeft er een. Ik vind het ook tamelijk onwaarschijnlijk, maar toch. Boris, kun jij vertellen wat het standpunt binnen de gelederen van Roscosmos aangaande de mogelijkheid van buitenaardse intelligent leven is?’ ‘In Rusland doen we er al lang onderzoek naar. Net als bij hen in Amerika,’ zegt Boris, terwijl hij in mijn richting knikt. ‘Het SETI-onderzoek kreeg begin deze eeuw een forse financiële impuls dankzij een van mijn landgenoten. Hebben jullie nooit van Yuri Borisovich Milner gehoord? Die spendeerde miljoenen van zijn kapitaal in de hoop buitenaards leven te kunnen vinden. Dus ja, ook in Rusland en ook bij Roscosmos zijn er mensen die geloven dat ET bestaat.’ ‘Maar jij dus niet, Boris?’ vraagt Proksch. ‘Nou, helemaal honderd procent uitsluiten wil ik het niet. En ik moet misschien toch maar iets vertellen. Jullie weten van het Phobos II-incident?’ We knikken bevestigend. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Jullie raakten toen het contact met een sonde kwijt bij dat maantje hier 92


bij Mars. Dat was het toch?’ ‘Mmm, niet helemaal. We zijn altijd terughoudend naar het Westen geweest met de informatie. Ook werd er bij ons nog een tijd gedacht dat jullie het hadden gedaan.’ ‘Het hadden gedaan?’ herhaal ik. ‘Waar heb je het in vredesnaam over, Boris?’ ‘Geschoten,’ zegt hij. ‘Phobos II werd vernietigd. We raakten niet alleen maar het contact kwijt. Vlak voordat het contact werd verbroken, werd er een projectiel op afgevuurd. Daar hebben we beelden van. Destijds ging een deel van onze officieren ervan uit dat jullie bij Mars prototypes van ruimtewapens uitprobeerden.’ ‘Ruimtewapens?’ zeg ik. ‘Hoe kom je daar nou bij?’ ‘Vind je die gedachtegang zo gek? Destijds hadden jullie een oorlogsgeile president die maar wat graag een heel arsenaal aan ruimtewapens in de lucht wilde brengen.’ ‘Boris, let een beetje op je woorden!’ zegt Proksch. ‘Je hebt het over een oud-president van onze Amerikaanse vrienden. We werken nu allemaal samen. Het verleden moeten we laten rusten.’ ‘Ja, ja, al goed,’ zegt Boris. ‘Ik bedoel het niet persoonlijk. Ik wil alleen maar duidelijk maken wat er toen leefde. Overigens weten we dat jullie het niet waren.’ ‘Verklaar je nader,’ zeg ik. ‘Onze veiligheidsdienst bezwoer de leiding van Roscosmos dat Amerika destijds geen ruimtevaartuigen bij Mars had.’ ‘Maar wie schoot er dan?’ vraagt Eric. ‘Geen idee. Feit is dat onze sonde werd vernietigd. Als onze missie naar Phobos zou zijn gegaan in plaats van naar Mars, dan had ik mijn plaats vacant gesteld.’ ‘Wat?!’ zegt Matthew. 93


‘Ja, dat had me nagenoeg zeker mijn carrière gekost, maar naar Phobos krijg je mij met geen mogelijkheid.’ ‘Wat denk je dat daar is?’ vraagt Proksch. ‘Nou kijk,’ zegt Boris. ‘Ik geloof niet dat er hier momenteel een buitenaards wezen rondloopt en een ruimtepak steelt om ons de stuipen op het lijf te jagen, maar ik geloof wel dat het zo zou kunnen zijn dat Phobos gebruikt wordt als basis of zelfs feitelijk een ruimtevaartuig van een buitenaardse beschaving is.’ ‘Tjonge,’ zegt Eric. ‘Het wordt steeds gekker.’ ‘Ja,’ zegt Boris. ‘Vergeet niet dat er tal van aanwijzingen zijn dat Mars er vroeger totaal anders uitzag. Het is vrijwel zeker dat er een oceaan was. En de kansen op leven waren hier misschien nog wel beter dan op aarde. Daarbij komt dat het niet uitgesloten is dat Mars vroeger warmer was. Als onze eigen planeet in die tijd ook warmer was, dan waren de omstandigheden daar toen misschien nog wel niet gunstig genoeg, simpelweg omdat het té warm was. Maar hier was er wellicht al wel leven. En het zou best kunnen dat het dan bestudeerd werd vanaf Phobos.’ ‘Maar waarom zou er vanaf Phobos geschoten worden?’ vraagt Proksch. ‘Een automatisch verdedigingssysteem, vermoed ik,’ zegt Boris. ‘Stel dat Mars om wat voor reden dan ook erg interessant was voor een oude beschaving elders uit de Melkweg, dan wilden ze deze planeet misschien wel heel graag beschermen tegen indringers.’ ‘Indringers? Hoe bedoel je dat? Wij zijn hier toch op onze buurplaneet,’ zegt Mathhew. ‘Hij bedoelt dat die steenoude buitenaardse beschaving er al was toen onze verre voorouders hooguit eencelligen waren in de oceanen op aarde,’ zegt Eric. 94


‘Precies!’ zegt Boris. ‘Mars was kennelijk de moeite waard. En misschien nog wel. En zozeer, dat ze liever niet hadden dat er hier ooit een andere beschaving zou gaan rondkijken. En dus bouwden ze een wachtpost.’ ‘Maar we zijn hier nu toch,’ zegt Eric. ‘Je zegt dat je voor geen geld naar Phobos zou zijn gegaan, maar hier durf je wel rond te lopen. Is dat niet tegenstrijdig?’ ‘Nee,’ zegt Boris. ‘Phobos is naar mijn mening linke soep. Misschien heeft die beschaving daar wel monsters opgeslagen van materiaal dat ze hier op Mars hebben gevonden en wordt dat verdedigd omdat ze het ooit willen ophalen, maar hier op Mars zijn we veilig. Kijk maar naar de Vikings, Sojourner, Spirit, Opportunity, Curiosity en ook alle satellieten die jullie en wij hiernaartoe hebben gestuurd. Ze worden allemaal met rust gelaten. Kennelijk heeft die beschaving al wat men wilde hebben en is Mars nu niet meer interessant voor hen. En dus wordt nu alleen Phobos nog maar verdedigd. Er staat echt niet ergens achter de heuvels een buitenaardse basis waarvanuit ze ons beroven van ruimtepakken. Dat ruimtepak is weggemaakt door één van jullie en ik zal volgend jaar als we weer op aarde zijn aan Roscosmos rapporteren dat mijn kameraad is omgekomen bij het zoeken ernaar. En dan zal ik ook rapporteren dat er maar één logische verklaring is en dat is een volstrekt misplaatste grap.’ Boris brengt zijn verhaal met grote stelligheid, maar met die laatste opmerking gaat hij natuurlijk te ver. Veel te ver, want hij wijst ons indirect aan als schuldig aan de dood van Sergej. Ik kijk meteen naar Proksch om te zien hoe die reageert. ‘Er is voorlopig geen officiële verklaring Boris en dus rapporteren wij niets,’ zegt Proksch. ‘Je theorie aangaande Phobos is interessant, maar ook niet meer dan dat.’ 95


‘Het is al goed, Helmut,’ zegt Boris. Mijn kameraad is dood. En hoe komt dat? Nou, nou?’ We kijken elkaar aan. Het is begrijpelijk dat Sergejs dood Boris het meeste aangrijpt. Maar ik vrees dat we voorlopig niet zullen achterhalen wat er met het verdwenen ruimtepak is gebeurd.

96


Verder lezen?

De tweede druk van Roodvonk is in hardcover-uitvoering verschenen en kan bij elke boekhandel in Nederland besteld worden. ISBN 978 94 92040 17 6 Prijs: € 22,50 De eerste druk van Roodvonk verscheen als paperback en is nog rechtstreeks verkrijgbaar bij de uitgever voor € 17,95. Mail naar: lyckatillforlag@gmail.com Eerder verscheen: ‘Tijdloos – zoektocht naar de werkelijkheid.’ ‘Stel dat wij gelijk hebben en tijd een illusie is,’ zegt Yvonne. ‘Wat verbergt die illusie dan en waarom?’ ‘De werkelijkheid,’ zeg ik, ‘en ik heb geen flauw idee waarom.’ ‘En de werkelijkheid is dat tijd niet bestaat?’ vraagt ze. ‘Exact! Alles is allang gebeurd.’ ‘Alles is allang gebeurd,’ herhaalt ze. Ze proeft de woorden. Ze proeft de implicatie. Ze proeft de werkelijkheid. Tijdloos kan gecategoriseerd worden als filosofische roman, maar daarmee wordt het debuut van Deen eigenlijk tekortgedaan, gezien het genre-overschrijdende karakter van het boek. De lezer wordt meegenomen op een zoektocht naar de aard van de tijd en werkelijkheid, terwijl de hoofdpersoon en passant ook op zoek gaat naar de redenen voor zijn stukgelopen relatie. ISBN 978 94 92040 00 8

97

Lees gratis 10 hoofdstukken van Roodvonk  

SF-thriller met een filosofische onderlaag. ISBN 978 94 92040 17 6