Issuu on Google+

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed

M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.)


Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed

M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.)


Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed Onder redactie van M.C. Kuipers & W.J. Quist Uitgave Delftdigitalpress ISBN: 978-90-5269-415-3 info@delftdigitalpress.com © 2013 deze uitgave: Delftdigitalpress © 2013 tekst en afbeeldingen: auteurs Ontwerp en opmaak Studio Lampro, karen@lampro.nl Foto voorzijde:

Het Zonnebootmuseum bij de piramides van Gizeh. Dit bootvormige museum is omstreeks 1985 gebouwd als omhulling voor de optimale conservering van de ter plekke gevonden eeuwenoude Zonneboot. De situatie toont in een oogopslag de dilemma’s rond Culturele Draagkracht van deze Werelderfgoedsite. Foto: Marieke Kuipers.

Foto achterzijde: ROC van Twente in de voormalige ijzergieterij op het storkterrein in Hengelo, naar ontwerp van iAA Architecten en architectenbureau Fritz. Foto: Wido Quist.


Inhoud Wat is culturele draagkracht?

5

Marieke Kuipers en Wido Quist

Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?

11

Charlotte van Emstede

Tolerance for change in the built environment: What are the limits?

17

Ana Pereira Roders and Loes Veldpaus

Kernbegrippen in de restauratie

23

Wido Quist

Een architectuurtheoretisch denkkader

31

Lara Schrijver

Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed 35 Mieke van Bers

Draagkracht of incasseringsvermogen?

41

Johan de Haan

Culturele draagkracht: uitgaan van weerstand of van kracht?

47

Gustaaf Boissevain

De grens van het mogelijke

53

Maarten Fritz

Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse?

59

Tom J. Haartsen

Spaziergangswissenschaft in Berlijn

65

Job Roos

iii


iv


Wat is culturele draagkracht? Marieke Kuipers en Wido Quist

Vraag tien collega’s of zij het begrip ‘culturele draagkracht’ kennen en wat zij eronder verstaan, dan krijg je tien totaal verschillende antwoorden. Maar er is ook minstens één gemene deler: interesse en serieuze reflectie op de mogelijke betekenis en bruikbaarheid van dit begrip voor verschillende disciplines. Hun werkterrein varieert van praktiserend architect, vastgoedbeheerder, academisch onderzoeker tot klimaatadviseur en erfgoedconsulent. De reden waarom dit begrip nu wordt geagendeerd is de groeiende behoefte om te onderzoeken of de gangbare denkkaders voor architecten, opdrachtgevers en erfgoedprofessionals wel geschikt zijn om een constructieve dialoog te voeren over de grote architectonische opgave die ‘interventie’ wordt genoemd, het aanpassen van bestaande gebouwen en gebieden aan nieuwe gebruikseisen.1

Verschillen tussen roerend en gebouwd erfgoed Niet alleen de enorme leegstand en de economische

zaamheid, dan op het behoud van de authenticiteit en

recessie nopen tot een heroverweging van de normen

cultuurhistorische waarden.

en waarden in de bouwwereld, ook in de monumenten-

In de restauratiewereld van de roerende erfgoed­

zorg is een herbezinning op de uitgangspunten op haar

objecten is daarentegen een steeds grotere verfijning

plaats. Dit vooral omdat het recente beleid van de Bel-

gekomen in de benoeming van de ‘do’s and don’ts’ om

vederenota en de Modernisering Monumentenzorg door

de materiële authenticiteit en de bedoelingen van de

stimulering van herbestemming het traditionele begin-

kunstenaar zoveel mogelijk te respecteren bij de nood-

sel ‘behoud gaat voor vernieuwing’ bij restauraties gro-

zakelijke ingrepen voor het voortbestaan van de kunst-

tendeels heeft laten overvleugelen door de leuze ‘be-

werken in kwestie.3 Opvallend genoeg is eenzelfde

houd door ontwikkeling’.2 De geest is uit de fles. De

soort genuanceerde benadering hoofdzakelijk te vin-

herbestemmingsopgave heeft in de meeste gevallen

den bij de restauratie - en gedeeltelijke modernisering

geleid tot een nieuwe benadering in de omgang met

of herbestemming - van twintigste-eeuwse meester-

het gebouwde erfgoed, die meer is gericht op eigen-

werken van architectuur, zoals sanatorium Zonnestraal

tijdse vormgeving en ontwikkeling, en daarmee op ac-

van Jan Duiker of het Raadhuis van Willem Marinus

tuele prestatienormen en energiebesparende duur-

Dudok, beide te Hilversum, of huis-Sonneveld van Jan

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

5


Brinkman en Leen van der Vlugt te Rotterdam, het

langdurig, gebruik in de naaste toekomst. De eisen van

Bauhaus en zijn Meesterhuizen van Walter Gropius te

vandaag vergen aanpassingen in de bouwwerken van

Dessau, of de interieur-‘ombeelding’ door Theo van

gisteren of van eeuwen terug. Die interventies kosten

Doesburg, Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp bij de Au-

geld, maar soms ook verlies van oorspronkelijke monu-

bette in Straatsburg. Zij zijn deels gereconstrueerd

mentwaarden. Vandaar dat twee concepten zijn geïn-

naar de oude vormen, materialen en kleurafwerkingen,

troduceerd om de materiële authenticiteit van monu-

in het streven om weer zo dicht mogelijk bij de uit

menten zoveel mogelijk intact te laten bij de invoeging

foto-, film- en archiefmateriaal bekende oorspronkelij-

of toevoeging van nieuwe interventies en de keuze van

ke toestand te komen. Latere lagen zijn hiertoe ver-

materialen: reversibiliteit (omkeerbaarheid) en jaren

wijderd, maar de reconstructies zijn wel op basis van

later ook compatibiliteit (passendheid). In het eerste

uitvoerig bouw- en kleurhistorisch onderzoek uitge-

geval wordt van de interventie verlangd dat die weer

voerd. Daardoor is deze aanpak toch in lijn met het be-

ongedaan gemaakt kan worden zonder schade aan te

kende Charter van Venetië (1964) dat als internationale

richten in het daarvoor bestaande materiaal. In het

code voor het restaureren van monumenten is opge-

tweede geval wordt van de nieuwe materialen ge-

steld en dat beoogt om geschiedvervalsing te voorko-

vraagd dat zij zich naar kleur, textuur en fysische ge-

men door grootschalige vervanging van historisch ma-

dragingen harmonisch voegen naar het reeds aanwezi-

teriaal of toevoeging van nieuwe onderdelen in

ge materiaal. Uit oogpunt van duurzaamheid, en ook

dezelfde historische vormentaal.

4

gezien de eeuwenlange traditie van geleidelijke veran-

Al deze monumenten zijn feitelijk behandeld als

dering, is het echter een discutabele gedachtengang

kunstwerken uit het interbellum en niet als historische

om de interventies op voorhand een tijdelijk karakter

gebouwen met verschillende tijdlagen en sociale bete-

te geven door die ingrepen ‘omkeerbaar’ te maken,

kenissen, zoals het merendeel van de monumenten van

opdat de oudere toestand nog nader te onderzoeken

oudere bouwkunst. Probleem voor de overgrote meer-

en terug te brengen blijft. Eerder is het de moeite

derheid van de monumenten is nu juist dat zij vanwege

waard om te onderzoeken in hoeverre de toepassing

de dagelijkse, vaak wisselende, gebruikswaarde niet

van het begrip ‘passendheid’ beperkt moet blijven tot

als kunstwerken zijn te conserveren, of verborgen kun-

alleen de materiaalkeuzen.5

nen blijven in het bodemarchief in afwachting van nader archeologisch onderzoek.

Feitelijk was die benadering al geformuleerd in de roemruchte Grondbeginselen die de Nederlandsche Oudheidkundige Bond in 1917 had uitgebracht, samen met voorschriften voor zowel het restaureren als het

Behoefte aan nieuw begrippenkader

uitbreiden van monumenten.6 Maar juist door de na-

In restauraties of renovaties wordt pas geïnvesteerd als

druk te leggen op het eigentijdse karakter van de nieu-

er redelijk zicht is op een duurzaam, in de zin van

we interventie, om die van de oude toestand te kunnen

6

Wat is culturele draagkracht?


Afbeelding 1 De culturele draagkracht van Venetië wordt steeds meer op de proef gesteld door de druk van het cultuurtoerisme.Foto: Marieke Kuipers.

Afbeelding 2 Panoramlift in de Eusebiuskerk te Arnhem, waarvoor gewelven zijn doorgebroken en het carillon is verplaatst. Foto: Marieke Kuipers.

onderscheiden, is in de loop der tijd een steeds opval-

het blijft naar verhouding een defensieve waardebepa-

lender contrast ontstaan tussen het oude en het

ling. Inderdaad, een verlengstuk van het beschermen

nieuwe.

tegen ongewenste ontwikkelingen. Voor opdrachtge-

Architectuur is altijd een gebonden kunst geweest,

vers en ontwerpers is echter de hoofdvraag welke ver-

dienend aan de gebruiker en daarom – binnen zekere

anderingen wel toelaatbaar zijn. Zij zoeken letterlijk

constructieve en esthetische kaders – veranderbaar in

en figuurlijk de ruimte voor verandering in het ge-

de loop der tijd. Ook bij monumenten is de gebruiks-

bouwde erfgoed, maar missen vaak het instrumen­

waarde en de veranderbaarheid voortdurend aan de

tarium en het vocabulaire om de zoektocht te

orde. Het architectonisch denken over de relatie tus-

beginnen.

sen vorm en gebruikswaarde wordt nog steeds in hoge

In de afgelopen decennia is het accent meer en

mate bepaald door de slogan form follows function van

meer verschoven van het traditionele restaureren naar

het Nieuwe Bouwen en een sterke gerichtheid op de

het vormgeven van het nieuwe, al dan niet als ‘Re-Ar-

toekomst, kortom ontwikkeling. Dat geeft wrijving met

chitecture’, waarbij soms de vraag opkomt hoeveel er

het ‘oudheidkundig’ denken van de erfgoedzorg, dat

nog van het oorspronkelijke monument over is geble-

gefocust is op het zoveel mogelijk conserveren van de

ven in fysieke of immateriële zin.7

overgeleverde toestand in situ, het behoud van vorm

In de praktijk blijkt er veel onduidelijkheid te heer-

en Substanz als materiële getuigen van geschiedenis en

sen over de ruimte die er is voor verandering. De

(bouw)kunst.

meeste partijen hebben er wel begrip voor dat oude

Het nieuwe appèl op het immateriële ‘verhaal’ van

gebouwen, meestal wettelijk beschermde monumen-

de cultuurhistorische waarden lijkt meer ruimte te bie-

ten, niet zomaar gesloopt mogen worden en ook wel

den voor een herinterpretatie van de monumentwaar-

voor het feit dat speciale vergunningen nodig zijn bij

den met het oog op een meer dynamisch behoud maar

verbouwingen. Het probleem is veeleer dat potentiële

Wat is culturele draagkracht?

7


een aanknopingspunt biedt voor een gesprek over de kracht en kwetsbaarheid van een monument en zijn directe omgeving. In haar essay wijst Charlotte van Emstede ons op de oude en brede basis die het begrip ‘draagkracht’ al heeft in de scheepvaart en de ecologie. Zij ziet als nieuwe onderzoeksopgave een verdere architectuur­ theoretische verkenning van de kennisvergaring en –toepassing door ontwerpers en een praktijkgericht onderzoek naar de dynamiek in de besluitvorming bij de instandhoudingsprocesen van historiche gebouwen. De bijdrage van Ana Pereira Roders en Loes Veldpaus plaatst deze dynamiek in de context van internationale kaders voor de erfgoedzorg en diepen dit uit in een vergelijking tussen de grondslagen en aanbevelingen van het Charter van Venetië uit 1964 en die van de Unesco leidraad voor Historic Urban Landscapes uit 2011. Zij signaleren enerzijds een toenemende subjectiviteit bij de bepaling van de tolerantie voor verandeAfbeelding 3 Keukenshowroom in de Nieuwkerk te Dordrecht, met oorspronkelijke zerken. Foto: Marieke Kuipers.

ring en anderzijds een grote noodzaak om tot een meer systematische kijk op de gebouwde omgeving en

opdrachtgevers en architecten van tevoren niet weten

zijn instandhoudingspatronen te komen.

waar zij aan toe zijn. Zij willen nog voordat de verbou-

Van Wido Quist is een samenvatting toegevoegd

wingsplannen helemaal zijn uitgewerkt en min of meer

waarin hij de internationaal aanvaarde kernbegrippen

‘rijp’ zijn om de vergunningsprocedure in te gaan, in-

in de restauratie in haar historische context plaatst.

zicht hebben in de tolerantie voor de verandering van een monument, of een beeldbepalend pand.

In haar polemisch getinte essay stelt Lara Schrijver de vraag of culturele draagkracht eigenlijk geen overbodig begrip is. Dit naar aanleiding van Rem Koolhaas’ roep om een selectiever monumentenbehoud bij de

Kracht en kwetsbaarheid

door OMA ingerichte tentoonstelling Cronocaos bij de

Het aantrekkelijke van het begrip ‘culturele draag-

Biënnale van Venetië in 2010 en de opvattingen van Os-

kracht’ is dat het door de combinatie van drie associa-

wald Mathias Ungers over de Grossform. Toch ziet zij

tievelden – cultuur, maatschappij, natuurkunde – altijd

ook een grote uitdaging voor nader onderzoek naar de

8

Wat is culturele draagkracht?


‘logica van de robuustheid’ bij de vereiste zorgvuldig-

huis Sint Hubertus op de Hoge Veluwe, gaat hij op zoek

heid in die selectie en bij de afweging van materie en

naar de grens van het mogelijke om het netwerk van

idee bij de verandering van monumenten.

relaties rondom dit Gesamtkunstwerk niet te versto-

Langs een heel andere weg komt Mieke van Bers tot

ren. Dat vereist een integrale ontwerpkracht, waarbij

eenzelfde conclusie in haar pleidooi voor het vertalen

restauratie één van de middelen is en niet een doel op

van de monumentwaarden in een Cultuurhistorisch

zichzelf.

Programma van Eisen als nieuwe opgave voor de erf-

Op prikkelende wijze confronteert Tom Haartsen

goedzorg. Alleen door interdisciplinaire samenwerking

ons met de technisch-mechanische grenzen van cultu-

en tijdige, gedifferentieerde waardebepalingen kan de

rele draagkracht, in het bijzonder met de vraag of erf-

best passende tussenweg gevonden worden tussen mi-

goed wel ingrepen voor energiebesparing kan verdra-

nimale en maximale interventie.

gen. Zijn koppeling aan de term ‘bezwijklast’ gaat

Ook Johan de Haan onderstreept het belang van dif-

samen met een kritische vragenlijst voor nader onder-

ferentiatie bij de toekenning van waarden aan monu-

zoek voor gevelisolatie en energielabeling in relatie tot

menten. Hij interpreteert het begrip ‘culturele draag-

de bestaande karakteristieken van monumenten,

kracht’ als het culturele incasseringsvermogen en

Job Roos sluit de reeks af met een persoonlijke

beveelt de methode van het ontwerpend onderzoek

weerslag van een Spaziergang langs recente transfor-

aan als analysemodel. Hierbij moet geen onderscheid

maties in Berlijn. Deze bruisende stad wil niet aan de

worden gemaakt tussen groot of klein, noch tussen roe-

last van de geschiedenis bezwijken maar ook het verle-

rend en onroerend erfgoed, zoals hij toont aan de hand

den niet miskennen. Juist daardoor inspireren de hui­

van het Paleis Soestdijk en zijn inventaris en omgeving.

dige transformatie- en interventie-opgaven tot een bij-

Voor de weging van de culturele draagkracht reikt Gustaaf Boissevain een model aan waarin het erfgoed-

zondere balans tussen oud en nieuw. De zoektocht naar de tolerantie voor verandering

belang en de kracht van het object naast elkaar wor-

bij gebouwd erfgoed is al lang begonnen, maar behoeft

den geëxpliciteerd en afgezet tegen de argumenten

een theoretische verdieping en een nadere omschrij-

van de behoefte aan behoud en die van transformatie.

ving van het begrip ‘culturele draagkracht’, al dan niet

Hij acht een wetenschappelijk discours over de argu-

in relatie tot weerstand en bezwijklast.

mentatie van de deskundigen van wezenlijk belang om meer helderheid te krijgen in de strategie om meer draagvlak te verkrijgen voor een zorgvuldige aanpak van het transformatieproces. Op zijn beurt ziet Maarten Fritz het begrip ‘culturele draagkracht’ als een netwerk van belangen. Bij de interventies in belangrijke gebouwen, zoals het jacht-

Wat is culturele draagkracht?

9


Marieke Kuipers is Hoogleraar Cultureel Erfgoed bij RMIT, Faculteit Bouwkunde, TU Delft en daarnaast senior-specialist Jongere Bouwkunst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort. Zij houdt zich onder andere bezig met interventie-ethiek en onderzoek naar waardering, selectie en instand­ houding van het twintigste-eeuwse architectonisch erfgoed. Wido Quist is Univeristair Docent bij RMIT, Faculteit Bouwkunde, TU Delft; zijn onderzoek richt zich op materiaalkennis en -keuzes bij interventies en restauraties, wat onder andere blijkt uit zijn proefschrift over de vervanging van natuursteen bij restauratie (2011).

Noten 1 2

3

4

5

6

7

10

Coenen, J., De kunst van de versmelting, Delft 2007. Ministeries van OCW, LNV, VROM, Ven W, Nota Belvedere. Beleidsnota over de cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting, Den Haag 1999; Ministerie van OCW, Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg. Naar een nieuw monumentenbeleid, Den Haag 2009. Zie bijvoorbeeld Appelbaum, B., Conservation Treatment Methodology, Amsterdam/Oxford 2007; Brandi, C., Theory of Conservation. Florence, 2005; Caple, C., Conservation Skills, Judgment, Method and Decision Making, Londen/New York 2000; Ex, N., Zo goed als oud. De achterkant van het restaureren. Amsterdam, 1993; Muñoz Viñas, S, Contemporary Theory of Conservation. Oxford 2005. Petzet, M., Principles of Preservation. An Introduction to the International Charters for Conservation and Restoration 40 Years after the Venice Charter, 2004, www. international.icomos.org/venicecharter2004/petzet.pdf. Heinemann, H.A., Historic Concrete. From concrete repair to concrete conservation, Delft 2013; Quist, W.J., Vervanging van witte Belgische steen: Materiaalkeuze bij restauratie, Delft 2011. NOB/Kalf, J., Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Leiden 1917. Cantecazino, S., Re-Architecture. Old Buildings, New Uses. Londen 1989; Crimson, Re-Arch: Nieuwe Ontwerpen Voor Oude Gebouwen, Rotterdam 1995; Kuipers, M.C., ‘Saxa loquuntur? Spankracht en draagkracht van eenuwenoude stadskerken’, in Bulletin KNOB 110 (2011) 5, p. 174-182.

Wat is culturele draagkracht?


Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie? Charlotte van Emstede

In dit essay wordt het idee van ‘culturele draagkracht’ vergeleken met carrying capacity, een concept dat is ontleend aan de ecologie en in aangepaste vorm wordt gebruikt in het eco-, erfgoed- en cultuurtoerisme. Uitgaande van de recente veranderingen in de monumentenzorg wordt ingegaan op de verschillende dimensies van historische gebouwen en de dynamiek van het instandhoudingsproces. Op basis daarvan worden enkele gevolgtrekkingen gemaakt voor ‘culturele draagkracht’ als kader voor de instandhouding van monumenten.1

Carrying capacity Het concept carrying capacity stamt uit 1840 en komt

tural capacity.4 Dit begrippenpaar wordt met name ge-

oorspronkelijk uit de scheepvaart. In de twintigste

bruikt in debatten over de impact van de mens op zijn

eeuw werd het bekend door zijn toepassing in de biolo-

omgeving, en wel om het verbruik van voedselbronnen

2

gie en ecologie. In die vakgebieden wordt het gebruikt

te kwantificeren die worden gebruikt voor de produc-

om de ‘draagkracht’ van een gebied of populatie mee aan te geven. Het kan duiden op het maximale aantal verschillende soorten dat in een gebied kan leven zonder dat zij elkaars bestaan bedreigen. Ook wordt het gebruikt om de grootte van één populatie aan te geven die in een gebied kan leven zonder dat de natuurlijke bronnen uitgeput raken.3 Als een populatie de carrying capacity overschrijdt, dan zal het gebied of de biotoop degraderen en zullen de bronnen uitgeput raken (afbeelding 1). Carrying capacity wordt onderscheiden van cultural carrying capacity, kortweg ook wel aangeduid als culCulturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

Afbeelding 1 Carrying capacity wordt doorgaans weergegeven in de vorm van een grafiek, waarin duidelijk is aangegeven waar haar omslagpunt of limiet ligt.

11


tie van menselijke luxeartikelen.5 Op een globale

risme gebruikt om de grootte van de bezoekersstroom

schaal wordt het ook wel gebruikt om de maximale

te bepalen die een site zou kunnen verdragen.

grootte van de gehele menselijke populatie mee aan te

Met name in het kader van het beheer van wereld-

geven die op de aarde kan leven zonder dat deze uitge-

erfgoed sites is op deze benadering kritiek gekomen,

put raakt.6

omdat het ten onrechte een gunstig beeld van de staat

Kritiek op de (cultural) carrying capacity benade-

van bescherming van een site zou schetsen.8 Het mo-

ring richt zich erop dat het poogt een statische toe-

del zou geen rekening houden met per seizoen wisse-

stand te kwantificeren die bovendien theoretisch is.

lende bezoekersaantallen en de verschillen in effecten

Als een numeriek model dat een geïsoleerde even-

die bezoeken teweeg brengen. Voor een realistischer

wichtssituatie in één gebied weergeeft, zou het ten

en betrouwbaarder beeld zouden die effecten en daar-

onrechte de schijn van objectiviteit wekken. Daarnaast

uit voortvloeiende restricties wel moeten worden inge-

zou er geen rekening kunnen worden gehouden met de

calculeerd, omdat dit de informatie zou geven die no-

invloed van interne dynamische processen en wissel-

dig is om keuzes op het vlak van het beheer en de

7

werkingen met externe factoren.

ontwikkeling van die sites te kunnen maken.9 Die roep om een minder ad hoc aanpak voor het behoud en de ontwikkeling van erfgoed is gepaard gegaan met het

Carrying capacity en erfgoed

herdefiniëren van bestaande benaderingen en princi-

Via de debatten over de impact van de mens op zijn

pes en het verkennen van nieuwe.10

omgeving en het verbruik van natuurlijke energiebron-

Inmiddels worden in de erfgoedsector zogenaamde

nen kwam het concept van carrying capacity in de

Management by Objectives of by Results benaderingen

sfeer van het natuurbehoud en milieubeleid. Vervol-

steeds vaker ingezet als alternatief voor of aanvulling

gens werd het concept ook toegepast op vraagstukken

op carrying capacity.11 Daarbij wordt dan gebruik ge-

die samenhangen met die beleidsterreinen, zoals ruim-

maakt van instrumenten als Limits of Acceptable Chan-

telijke inrichting en de zorg om natuurlijk en cultureel

ge en Heritage Impact Assessment, die hun evenknie

erfgoed.

kennen in Nederlandse varianten zoals de Cultuurhisto-

Vergelijkbaar met zijn toepassing in de biologie, is carrying capacity in het eco-, erfgoed- en cultuurtoe-

rische Verkenning en de Cultuurhistorische Effectrapportage.12 Deze kennen elk een vergelijkbare opzet

Afbeelding 2 De diverse protocollen, die voor de planning en het beheer van erfgoedsites zijn ontwikkeld, stellen alle een vergelijkbare, lineaire opzet voor het besluitvormingsproces voor.

12

Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?


waarbij eerst het object of gebied wordt beschreven,

wordt die aard vanuit een kunst-, architectuur- en/of

dan bedreigingen en kansen worden bepaald en de

cultuurhistorische invalshoek verwoord in termen van

doelstelling van de instandhouding wordt geformuleerd

heritage values, ofwel monumentwaarden. Voor de in-

en ten slotte de bijbehorende koers voor acties, be-

standhouding van een monument als een kunsthisto-

sluitvorming en evaluatie wordt uitgezet

risch vraagstuk is dit zeker een goed uitgangspunt.

(afbeelding 2).

Echter, monumentenzorg is door de toenemende herbestemming van monumenten en de groeiende roep om hun verduurzaming in gelijke mate een architecto-

Dimensies

nisch en bouwtechnologisch vraagstuk geworden. Daar-

Met het concept van carrying capacity, ontleend aan

naast is monumentenzorg geëvolueerd tot erfgoedzorg

de biologie en toepasbaar gemaakt voor het beheer

door de nadruk op de betekenis van historische gebou-

van natuurlijke en culturele erfgoed sites, wordt een

wen in een sociaal-maatschappelijke context en hun

kader geboden voor de evaluatie van de staat van be-

belang voor aangelegenheden als menselijk welzijn,

scherming en beheer. Het is erop gericht om doelstel-

gevoelens van verbondenheid en identiteit.

lingen en daaraan gekoppelde acties expliciet te ma-

Een historisch gebouw kent dan ook drie dimensies:

ken en de besluitvorming te stroomlijnen en minder ad

bouwwerk – monument – erfgoed. Naast de analyse en

hoc te laten verlopen. Daarnaast streeft het een lange-

waardering van de aard van het gebouw als monument,

termijnvisie op de instandhouding van een gebouw of

komen daarbij dan ook twee andere contexten van

gebied na, met bovendien als integraal onderdeel daar-

analyse en waardering, en wel die van de architectoni-

van de rol van het object of de site in het lokale soci-

sche en sociaal-maatschappelijke analyse met een

aal-maatschappelijke weefsel en economische verkeer.

waardering in termen van respectievelijk attributes,

Bovenstaande invulling van carrying capacity biedt,

ofwel kenmerken, en significance, ofwel betekenis.13

met name op procesmatig vlak, interessante aanknopingspunten voor de vormgeving van het concept ‘culturele draagkracht’. Het kan echter niet zonder meer

Dynamiek

worden overgezet naar een besliskader voor de in-

De verschillende dimensies van een historisch gebouw

standhouding van individuele monumenten. Dat heeft

en de interactie tussen fysieke kenmerken, monu-

te maken met wat de ‘dimensies’ van een bouwwerk

mentwaarden en sociaal-maatschappelijke betekenis,

zouden kunnen worden genoemd en met de ‘dynamica’

kunnen worden beschouwd als de interne factoren die

van het instandhoudingsproces.

in de eerste plaats de ‘culturele draagkracht’ van een

Methodieken voor het bepalen van de ‘limieten van

gebouw bepalen. In de tweede plaats wordt de ‘cultu-

aanvaardbare verandering’ van een monument gaan

rele draagkracht’ mede bepaald door externe invloe-

bijna allemaal uit van de aard van het bouwwerk. Vaak

den. Hierbij valt te denken aan factoren die onderdeel

Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?

13


zijn van de planontwikkeling en -toetsing. In die processen wordt de ‘culturele draagkracht’ op de proef gesteld en moet wellicht worden bijgesteld. Zo kan ‘culturele draagkracht’ worden gebruikt om op voorhand de grenzen aan te geven waarbinnen een ontwerp- of technisch vraagstuk kan worden opgepakt. Anderzijds kan zij op haar beurt tijdens de planontwikkeling ter discussie worden gesteld door bijvoorbeeld voortschrijdend inzicht in de effecten van bepaalde ingrepen of door onverwachte creatieve en inventieve oplossingen. Ook kan ‘culturele draagkracht’ richting geven aan de keuze van welke kernbegrippen, zoals ‘authenticiteit’ en ‘schoonheid’, leidend zijn en welke van de principes, zoals ‘behouden voor vernieuwen’ of ‘behoud door ontwikkeling’, van toepassing worden geacht op de instandhoudingsopgave in kwestie. Daarentegen brengen bouwkundige normen, technische eisen en beschikbare middelen ook praktische beperkingen met zich mee en kunnen zij de grenzen van de ‘culturele draagkracht’ betwisten. Samenvattend kan worden gezegd dat de ‘culturele draagkracht’ voortvloeit uit de huidige toestand van

Afbeelding 3 Het proces van object naar instandhoudingsstrategie heeft weliswaar een lineair karakter, maar heeft tevens een interne dynamiek met iteratieve onderdelen.

het monument en dat zij richting geeft aan ideeën derworpen ziet aan wat realistisch en haalbaar is.14 Te-

Een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?

zamen bepalen de interne factoren van de ‘culturele

Wat is - met het oog op de recente veranderingen in de

draagkracht’ en de interactie met externe invloeden

monumentenzorg, de diverse dimensies van een histo-

de dynamiek van het instandhoudingsproces. Binnen

risch gebouw en de dynamica van het instandhoudings-

die dynamiek wordt bepaald wat de instandhoudings-

proces - van belang bij het verder uitwerken van het

strategie is die wordt gevolgd (afbeelding 3).

idee van ‘culturele draagkracht’? Vanuit wetenschap-

over de ideale aanpak, maar dat zij zich evengoed on-

pelijk oogpunt is mijn inziens nader onderzoek nodig naar en een theoretische onderbouwing van de dimen-

14

Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?


sies van een bouwwerk en de bijdrage die de daarbij behorende kennisdomeinen kunnen leveren. Daarbij valt te denken aan architectuurtheoretisch onderzoek naar de kennisvergaring en –toepassing door ontwerpers of naar de dynamiek van besluitvormingsprocessen.15 Om ‘culturele draagkracht’ in de context van het geheel en vanuit verschillende disciplines te zien, is bovendien de combinatie met praktijkgericht onderzoek raadzaam. Participatief onderzoek naar een of meerdere startende herbestemmingsopgaven is niet al-

Charlotte van Emstede behaalde in 2002 haar ingenieursdiploma aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en in 2009 haar bachelorsdiploma Wijsbegeerte aan de Universiteit van Utrecht. Zij werkte onder andere bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Adviesbureau Groen en het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam. Thans is zij verbonden aan de afdeling RMIT. Haar promotieonderzoek is getiteld Bouwwerk – Monument – Erfgoed: Waardestelling in de Nederlandse monumentenzorg, 1982-2009. Hierin behandelt Van Emstede waardestelling vanuit een historische, inhoudelijke en procesmatige invalshoek en doet zij aanbevelingen voor een inhoudelijke en procedurele aanpassing van dit instrument.

leen waardevol om inzicht te krijgen in processen en relaties, maar vooral ook om de theorie direct te kunnen toetsen aan de praktijk. Dan zal ‘culturele draagkracht’ niet snel in dezelfde valkuil trappen als carrying capacity in de biologie: een statisch en theoretisch model.

Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?

15


Noten 1

2

3 4

5 6 7 8

9

10

16

De term ‘instandhouding’ wordt in dit essay gebruikt als een verzamelbegrip voor de diverse onderhouds-, herstel- en bouwwerkzaamheden die kunnen worden ondernomen om een gebouw – beschermd monument of niet – te behoeden voor veroudering en verval. Zie ter vergelijking: Burra Charter: The Australia ICOMOS charter for the conservation of places of cultural significance 1999, art. 1.4-1.9. Sayre, N.F., ‘The Genesis, History, and Limits of Carrying Capacity’. In: Annals of the Association of American Geographers, 98 (2008) 1, pp. 120-134. Ibid., p. 123-127. Hardin, G., Cultural Carrying Capacity, 1986, http:// www.garretthardinsociety.org/articles/art_cultural_carrying_capacity.html (last accessed 16 July 2007); Hardin, G., ‘Carrying Capacity and Quality of Life’. In: The Social Contract 1 (1991) 4, pp. 195-196, aldaar p. 195. Ibid. Ibid. Sayre 2008, p. 131-132. Pedersen, A., Managing Tourism at World Heritage Sites: a Practical Manual for World Heritage Site Managers, Paris 2002 (World Heritage Manuals 1). Coccossis, H. et al., Defining, measuring and evaluating carrying capacity in European tourism destinations: Final report, Athens December 2001, p. 20; Coccossis, H. et al., Defining, measuring and evaluating carrying capacity in European tourism destinations: Material for a Document, Athens 2002, p. 45. Zie bijvoorbeeld: UNESCO, Preliminary report on the draft Recommendation on the Historic Urban Landscape, Paris 2010; UNESCO Recommendation on the Historic Urban Landscape (HUL): Recommendation on the Historic Urban Landscape, including a glossary of definitions, UNESCO, Paris, 10 November 2011; UNESCO, New life for historic cities: The historic urban landscape approach explained, Paris 2013.

11

12

13

14 15

Deze aanpak wordt gekenmerkt door het vooraf en door alle betrokken partijen gezamenlijk vaststellen van te behalen doelen of resultaten. Zie ook: Drucker, P.F., The Practice of Management, New York 1954. Zie: ICOMOS, Guidance on Heritage Impact Assessments for Cultural World Heritage Properties, Paris 2011; UNESCO Recommendation on the Historic Urban Landscape (HUL): Recommendation on the Historic Urban Landscape, including a glossary of definitions, UNESCO, Paris, 10 November 2011. De termen attributes en significance zijn ontleend aan respectievelijk: ICOMOS, Guidance on Heritage Impact Assessments for Cultural World Heritage Properties, Paris 2011; Burra Charter 1999, art. 1.2. Zie ook: Appelbaum, B., Conservation Treatment Methodology, Oxford 2007, Section II. Zie bijvoorbeeld: Lawson, B., How designers think: The design process demystified, London 1990; Lawson, B., What Designers Know, Oxford 2004; Kirkeby, I.M., ‘Architects and Aristotle - context dependent knowledge’, paper presented at the Conference Architectural Inquiries, Göteborg 2008; Kirkeby, I.M., ‘Knowledge in the making’, Architectural Research Quarterly 13 (2009) 3/4, 307-313; Volker, L., Deciding about Design Quality: Value judgements and decision making in the selection of architects by public clients under European tendering regulations, Leiden 2010 (dissertatie Technische Universiteit Delft).

Culturele draagkracht: een antwoord op monumenten(zorg) in transitie?


Tolerance for change in the built environment: What are the limits? Ana Pereira Roders and Loes Veldpaus

Over the last decades the protection of the built environment, primarily focused on areas designated as cultural heritage, has been the subject of a major revolution in principles and approaches.1 The tolerance to change is believed to be among the main driving forces behind this revolution.2 From an approach where change was at all costs to be avoided, the protection of the built environment has evolved into an approach where change is to be managed. Preferably, while simultaneously playing a role in the sustainable development of the involved communities. Rather than being opposites, protection is transformation; a special form of transformation with the aim to maintain and restore cultural significance, even when the built environment is changing.3

Comparative analysis

The pros and cons

The question explored in this paper is, what triggered

The approach to heritage where change was at all

this revolution, particularly concerning the tolerance

costs to be avoided is labeled as Eurocentric and

to change. To answer this question, a literature review

restrictive, as well as ineffective.6 Eurocentric given

is used to feed into the discussion on the pros and cons

the tradition of European experts routinely endorsing

of both approaches. Then, two key doctrinal docu-

this approach in other socio-historic contexts outside

ments are compared: the ICOMOS 1964 Venice Charter

Europe.7 Restrictive for focusing primarily on the con-

(hereinafter Venice Charter) and the UNESCO 2011 Rec-

servation of the material fabric, imposing standards of

ommendation on the Historic Urban Landscape (herein-

authenticity and integrity no matter the cultural herit-

after HUL recommendation).4 The comparative analysis

age property and its significance.8 And, ineffective

reapplies an existing theoretical framework. Lastly,

given the rapidly developing global economy and inabil-

some conclusive remarks are derived from this compar-

ity to handle emergent threats such as aggressive

ative analysis, together with recommendations to

development.9

5

shape the research agendas of those interested to

Glaeser argues this approach hampers the neces-

explore theories, policies and practices, concerning

sary development of cities, to keep high standard serv-

the tolerance of change and subsequently the limits of

ices and affordable housing are provided for all.10 He

acceptable change.

recognizes some benefits, but proposes such approach

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) Š 2013 Delftdigitalpress en auteurs

17


to be restricted to few architectural masterpieces, not

for creating jobs by attracting tourists and invest-

to all cultural heritage. This approach is also known to

ments, and providing leisure, recreation and educa-

prioritize more traditional and expert-based values,

tional facilities.16 Moreover, both construction and

such as the historic and aesthetical values.11 Adepts

service industries seem to be benefiting from its indi-

may argue that such approach has insured tangible and

rect spin-off, even adding new values to the protected

intangible cultural heritage known today to survive

area. Cultural heritage is understood as part of the

throughout centuries, or even revived lost intangible

larger sphere of socio-cultural processes.17 Managed in

heritage through the study of the tangible dimensions

such a way as to “be able to generate real economic

of heritage. They consider the inverse as less probable

and social benefits for their local host communities”.18

given that lost tangible heritage can only be revived by

Increasingly the role of cultural heritage in the regen-

intangible heritage, through its reconstruction would

eration and sustainable development of cities and

no longer be authentic.

regions is being explored by leading development insti-

12

The more recent approach, where change is to be

tutions, among which the World Bank. Thus, managing

managed, is labeled as non-Western, but is also consid-

change implies that change can happen, only its impact

ered restrictive and ineffective by its peers. Non-West-

needs to be controlled and prevented whenever

ern given the efforts of Non-European experts rou-

assessed as negative.19 The protection paradigm,

tinely endorsing this approach in other socio-historic

focused on the conservation of tangible heritage, in its

contexts outside and inside Europe. Particular refer-

turn, is losing ground, at least in theory.

ence is made to Australian papers and the doctrinal document known as the ICOMOS Australia 1999 Burra Charter.13 Petzet questions the reliability of articles on

The doctrinal documents

change in the Burra Charter, which consider change

In half a century, much has changed when it comes to

undesirable where it is reducing cultural significance;

cultural heritage and its protection. Such can be de­

and to be managed when reversible changes are con-

tected rather clearly when comparing two internation-

sidered temporary. Accordingly, non-reversible change

al key doctrinal documents: the Venice Charter and the

should only be used as a last resort and should not pre-

HUL recommendation. They both aim to provide gener-

vent future conservation actions. Restrictive for focus-

al guiding principles on how to protect heritage, to be

ing mainly on intangible heritage and values, assuming

adapted to local contexts for implementation. Howev-

14

15

“all heritage is intangible”. And, ineffective for risk-

er, what is being considered heritage in terms of defi-

ing to destroy tangible heritage and intangible heritage

nition, how this heritage should be managed (general

waiting for proper study.

principles), why it is needed to manage it (threats) and

The adepts of this more recent approach highlight heritage for boosting the local and national economy,

18

in what way (tools), has clearly shifted; and in general, the cultural heritage concept has widened (see Table 1).

Tolerance for change in the built environment: What are the limits?


Venice Charter

HUL Recommendation

Definitions Cultural heritage is defined as the historic monuments that are the tangible living witnesses of the past. It can be a single, great or modest, architectural work or an urban or rural setting in which the evidence of a particular civilization, a significant development, or a historic event is found.

The Historic Urban Landscape is understood as an urban area that is the result of an historic layering of cultural and natural values and attributes, including tangible and intangible components, and to include the broader urban context and its geographical setting. It also includes social and cultural practices and values, economic processes and the intangible dimensions of heritage as related to diversity and identity.

General principles

Safeguarding heritage and pass on its authenticity is a common responsibility. Historic monuments are to be safeguarded as works of art and as historic evidence. Aesthetic and historic values should be revealed and preserved, and they are inseparable from their history and the setting in which they occur. When new construction, demolition or transformation is in order, one should be aware: although a (new) use is desirable, change in composition, typology, decoration, and color, or its relation with its surroundings must not be allowed.

Heritage is a key resource in enhancing the livability of urban areas and fosters economic development and social cohesion. The effective planning and management of resources is crucial, conservation is a strategy to achieve a balance between urban growth and quality of life on a sustainable basis.

Identified threats

Both the lack of maintenance on a permanent basis and the falsification of the artistic or historic evidence are considered problematic.

The main threats are rapid and uncontrolled urbanization, social and spatial fragmentation and drastic deterioration of the quality of the (urban) environment, e.g. due to excessive building density, standardized and monotonous buildings, loss of public space and amenities, inadequate infrastructure, debilitating poverty, social isolation, and an increasing risk of climate-related disasters.

Though, in general, problems facing heritage protection are complex and varied, and there is a lack of knowledge on how to deal with heritage, which therefore is laid out in this charter. Proposed policy and recommended strategies

The charter recommends national authorities to implement the guiding principles within the framework of their own culture and traditions. One should be producing precise documentation on heritage in the form of analytical and critical reports (1); Such should lead to evaluation of the importance of the elements involved (2). This cannot be an individual decision (3). Sites of monuments must be the object of special care in order to safeguard their integrity (4).

National and local authorities are stimulated to (re) develop instruments and tools sensitive to local values and needs, related to regulatory systems and measures(1); heritage and impact assessment (2); participation processes and capacity building (3) and sustainable socio-economic development (4).

Table 1 Comparative analysis between Venice Charter and HUL recommendation.

Tolerance for change in the built environment: What are the limits?

19


Where the Venice Charter defines cultural heritage

aim. In the HUL recommendation strategies proposed

as the tangible witness of the past, the object of pro-

to mitigate the impact of threats to cultural signifi-

tection in the HUL recommendation is the historic lay-

cance have been translated in a set of civic engage-

ering of attributes and values, to be considered in their

ment, urban management, and financial tools, which

wider context. In particular, intangible heritage is now

are to be integrated into a wider framework of urban

integrated as an attribute in itself, opposed to being

development. Such tools are absent in the Venice Char-

only represented by tangible attributes. Also, natural,

ter, where the threats and thus strategies are much

social and economic values are explicitly referenced in

more concrete and focused on tangible levels. Moreo-

the HUL recommendation, in addition to the age, his-

ver, the Venice Charter knows a binary approach

toric, aesthetic and scientific values defined in the

(must/must not), while HUL aims for a more tailor-

Venice Charter. Thus, expanding the nature of values

made solution based on the defined cultural signifi-

to be considered in heritage protection.

cance and a balance of socio-economic benefits and

In the Venice Charter, protection was already to be facilitated by “making use of them [heritage assets] for

their expected impacts. One issue is not being questioned by the chosen

some socially useful purpose�. The HUL recommenda-

framework: the question of who defines and manages

tion goes a step further and pleas for heritage as a

heritage. The Venice Charter mentions only experts in

resource, for enhancing the livability of urban areas

both cases. HUL however, explicitly speaks of consen-

and fostering socio-economic development. Change

sus among all stakeholders when it comes to defining

should be beneficial to both society and the protection

heritage, and also wants local communities to be

of the cultural significance. Though, a detailed set of

involved in managing their heritage while (re)using it as

limitations, as provided by the Venice Charter in case

a resource for their sustainable development.

of contemporary intervention, is replaced in the HUL recommendation by a more general article stating that such changes are to be harmoniously integrated with the historic setting. The mentioned threats to cultural heritage have

Conclusive remarks and recommendations Much has changed since the Venice Charter. Methods

increased significantly when comparing the two docu-

have been developed further, embracing broader defi-

ments. In the HUL recommendation, the juxtaposition

nitions of heritage, adding concepts such as cultural

of protection and development is presented on a global

diversity, local knowledge and participation, but also

scale. Threats are global and heritage management a

embracing heritage (impact) assessment as a crucial

means for mitigating them. While in the Venice Char-

tool.

ter, threats are mainly mentioned on the level of the cultural heritage property and protection the main

20

But, as the definition of the cultural heritage is being stretched till its limits, the tolerance to change

Tolerance for change in the built environment: What are the limits?


and respective limits of acceptable change are becoming more subjective. One can easily differ in opinion on what ‘harmonious integration’ may mean, as is the case with the controversial definition of ‘sustainable urban development’. Threats have increased and probably so did their impact, making the lack of defined limits of acceptable change a serious concern. More detailed heritage assessments and the addition of impact assessments, could allow for a more nuanced approach, integrating both extremes, tailored to the diversity of cultural heritage and the adopted tolerance to change. Though, it could also allow for much

Ana Pereira Roders is Assistant Professor at Eindhoven University of Technology (TU/e). She is interested on historic urban landscapes and the role of cultural heritage in their sustainable transformation, including heritage (impact) assessment and related decisionmaking. She is co-editor of the Journal Cultural Heritage Management and Sustainable Development, Emerald. Loes Veldpaus is a PhD researcher at TU/e. Her research bridges theory and practice, by framing the UNESCO 2011 Recommendation on the Historic Urban Landscape in conservation theory and deriving an assessment framework to explore its implementation on historic urban landscapes, taking Edinburgh and Amsterdam as case studies.

more strict or careless approaches. As such, it is still unclear if the broadening of cultural heritage and raise of subjectivity in determining its tolerance to change are going to help on heritage protection. Instead, it could be providing with the opportunity to change the built environment even more thoughtlessly, and deeming tangible heritage no longer relevant. The reversing of a trend long considered inadequate, moving from an extreme focus on tangible heritage at the costs of intangible heritage, to an extreme focus on intangible heritage at the costs of tangible heritage. Therefore, a close and systematic watch at the built environment and its patterns of conservation, following scientific methods, have become more crucial than ever for solid heritage management, as well as, to the growth of knowledge on theories and their impact in practice.

Tolerance for change in the built environment: What are the limits?

21


Notes 1

2

3

4 5

6

7

8 9 10

22

Jokilehto, J. ‘International Trends in Historic Preservation: From Ancient Monuments to Living Cultures’, In: APT Bulletin, 29 (1998) 3/4, pp. 17–19; Veldpaus, L., Pereira Roders, A. and Colenbrander, B. ‘Urban Heritage: Putting the Past into the Future’, In: The Historic Environment, 4 (2013) 1, pp. 18-33. Teutonico, M.T. and Matero ‘ Managing Change: Sustainable Approaches to the Conservation of the Built Environment (2003), Los Angeles, Getty Trust Publications; Pereira Roders, A. and Van Oers, R. ‘Editorial: Bridging cultural heritage and sustainable development’. In: Journal of Cultural Heritage Management and Sustainable Development, 1 (2013), 1, pp.5-14. Pereira Roders, A. ‘Lessons from Island of Mozambique on limits of acceptable change’. In: Van Oers, R. (ed.) Swahili Historic Urban Landscapes (2013), Paris, UNESCO, pp. 41-50. ICOMOS, International Charter for the conservation and restoration of monuments and sites. (The Venice Charter 1964), Paris, ICOMOS, [online] URL: http://www.icomos.org/charters/venice_e.pdf; UNESCO, (2011) UNESCO, Recommendation on the Historic Urban Landscape (2011), Paris: UNESCO, [online] URL: http:// whc.unesco.org/en/activities/638. Van Oers, R. ‘Towards new international guidelines for the conservation of historic urban landscapes (HUL)s’, In: City & Time 3 (3):3, 2007, pp. 43-51, [online] URL: http://www.ceci-br.org/novo/revista/docs2008/CT-2008113.pdf. Araoz, G. ‘Preserving heritage places under a new paradigm’. In: Journal of Cultural Heritage Management and Sustainable Development, 1 (2011), 1, pp. 55-60. Smith, L. The Uses Of Heritage. London: Routledge, 2006. Araoz, G (2011). International Council on Monuments and Sites (ICOMOS), Threats to World Heritage Sites 1994–2004: An Analysis, Paris, 2005 [online] URL: http://www.icomos.org/world_ heritage/Analysis%20of%20Threats%201994-2004%20final. pdf.

11 12

13 14

15

16 17 18

19

Glaeser, E. Triumph of the City, London: Macmillan, 2011. Mason, R. Assessing Values in Conservation Planning: Methodological Issues and Choices. In: M. de la Torre (ed.) Assessing the Values of Cultural Heritage Research Report, 2002, Los Angeles: The Getty Conservation Institute, pp. 5–30; Labadi, S. “Representations of the nation and cultural diversity in discourses on World Heritage”, Journal of Social Archaeology, 7.2 (2007) pp.147–170; Pereira Roders, A. Re-architecture: Lifespan rehabilitation of Built Heritage. (2007) Eindhoven: Eindhoven University of Technology. Petzet, Michael. International Principles of Preservation. Berlin: Bäßler, 2009. ICOMOS Australia. “The Burra Charter: the Australia ICOMOS charter for the conservation of places of cultural significance.” Australia ICOMOS Incorporated (1999). Tweed, C. and Sutherland, M. (2007), ‘Built cultural heritage and sustainable urban development’, In: Landscape and Urban Planning, 83 (2007) 1, pp. 62-9.; Nijkamp, P. and Riganti, P. ‘Assessing cultural heritage benefits for urban sustainable development’, In: International Journal of Services Technology and Management, 10 (2008) 1, pp. 29-38. Smith (2006). ICOMOS Australia (1999). Avrami, E., de la Torre, M. and Mason, R., (Eds), The Values and Heritage Conservation: Research Report (2000), Los Angeles: Getty Conservation Institute, [online] URL: www.getty.edu/conservation/publications/pdf_publications/valuesrpt.pdf. Hampton, M.P. ‘Heritage, Local Communities and Economic Development’, Annals of Tourism Research, 32 (2005), pp. 735–59; Pereira Roders, A. and Van Oers, R., ”Guidance on heritage impact assessments: Learning from its application on World Heritage site management”, in: Journal of Cultural Heritage Management and Sustainable Development, 2.2 (2012) pp.104 - 114

Tolerance for change in the built environment: What are the limits?


Kernbegrippen in de restauratie Wido Quist

In zijn proefschrift uit 1986 en later in de hierop gebaseerde handelseditie, schetst Jukka Jokilehto de ontwikkeling van de Europese monumentenzorg.1 Specifiek voor de Nederlandse situatie werd deze ontwikkeling beschreven door J.A.C. Tillema in 1975 en door Wim Denslagen in 1987.2 Alle drie de auteurs beschrijven de ontstaans­geschiedenis van de zorg voor monumenten in architectonische en restauratiefilosofische zin. De nadruk ligt hierbij op de belangrijkste personen, traktaten, charters en objecten uit de geschiedenis van de monumentenzorg en het belang van monumenten als materiële getuigen van geschiedenis en kunst. Omdat restaureren en architectonisch interveniëren in elkaars verlengde liggen en omdat diverse auteurs in deze bundel naar de kernbegrippen uit de restauratiefilosofie verwijzen, worden ze in deze bijdrage nader toegelicht.

Behouden gaat voor vernieuwen Vanaf haar oprichting in 1899 heeft de Nederlandschen

zoals verder uitgewerkt in artikel XVII: behouden gaat

Oudheidkundigen Bond (NOB) geijverd voor de invoe-

voor vernieuwen: “Als grondregel gelde: behoud gaat

ring van een wet ter bescherming van de monumenten.

vóór vernieuwing. Vernieuwing is alleen geoorloofd,

Volgens Frederiks werd er vanaf 1910 structureel ge-

waar zij, terwille van het voortbestaan van het bouw-

werkt gewerkt aan de ontwikkeling van een monumen-

werk, onvermijdelijk is, bij sierende deelen alleen

tenwet.3 In 1917 publiceerde de Bond de Grondbeginse-

daar, waar het niet mogelijk is door beschermende

len en Voorschriften voor het behoud, de herstelling en

maatregelen verder verval te voorkomen en uitstel van

de uitbreiding van oude bouwwerken (Grondbeginse-

ingrijpen de mogelijkheid van vernieuwing in denzelf-

len). Bij gebrek aan wet- en regelgeving betreffende de

den vorm zou wegnemen”. Het adagium behouden gaat

zorg voor monumenten zijn deze Grondbeginselen en

voor vernieuwen werd en wordt door velen in de Ne-

de door J. Kalf geschreven inleiding jarenlang de richt-

derlandse monumentenzorg aangehaald. In hoeverre

lijn voor restaureren geweest.4 De inleiding van Kalf is

hieraan door de jaren heen in architectonische zin ge-

een beschouwing op het bouwen en restaureren van de

volg is gegeven werd door Tillema en Denslagen uitvoe-

voorbije eeuwen. Hij uit hier stevige kritiek op het in

rig besproken: ondanks het uitgangspunt blijken er in

“den geest der romantiek” opgekomen denkbeeld om

Nederland zeer veel monumenten of onderdelen daar-

monumenten “in den ouden stijl te restaureren”. De

van constructief vernieuwd te zijn.5

inleiding eindigt met de grondgedachte van het stelsel, Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

23


Authenticiteit Het Charter van Venetië is wereldwijd het meest gere-

Tijdens de ICOMOS 9th International General As-

fereerde document met betrekking tot de zorg voor

sembly and International Symposium in 1990 te

monumenten.6 Het is opgesteld in de lijn van het Char-

Lausanne was aan de orde in hoeverre het Charter van

ter van Athene uit 1931 (Carta del Restauro) en werd in

Venetië na een kwart eeuw nog kon worden aanvaard

1964 aangenomen op het 2nd International Congress of

als fundamenteel uitgangspunt voor de monumenten-

Architects and Technicians of Historic Monuments. Het

zorg.8 In Lausanne en een aantal conferenties in aan-

Charter van Venetië is, behalve een document over de

loop naar een bijeenkomst in Nara (Japan) is gediscus-

principes van de zorg voor monumenten ook de aanlei-

sieerd over de beperkte toepasbaarheid van een aantal

ding tot de oprichting van de International Council on

principes uit het Westers georiënteerde Charter van

Monuments and Sites (ICOMOS).

Venetië in de Oosterse monumentenzorg.

De breedte en de geest van het Charter van Venetië

Deze discussie heeft uiteindelijk geleid tot het Nara

worden uitvoerig beschreven door M. Petzet, van 1999

Document on Authenticity, waar uitvoerige aandacht

tot 2008 president van ICOMOS, in zijn introductie bij

aan het begrip authenticiteit wordt geschonken. Met

de Charters, 40 jaar na het uitkomen van het Charter

name aan die aspecten die vooral van belang worden

van Venetië in 2004. Het belangrijkste wapenfeit van

geacht in de niet-westerse monumentenzorg zoals tra-

het Charter is dat het in internationale zin een aantal

dities, het geestelijke en intuïtie. Het één en ander

uitgangspunten formuleerde en diverse definities gaf.

staat verwoord in artikel zestien: “Depending on the

Het zijn echter geen concrete richtlijnen waarop indi-

nature of the cultural heritage, its cultural context,

viduele restauraties kunnen worden gebaseerd. In de

and its evolution through time, authenticity judgments

eerste alinea van het charter wordt het veel gebruikte

may be linked to the worth of a great variety of sour-

woord authenticiteit geïntroduceerd, echter zonder dat

ces of information. Aspects of the sources may include

het wordt gedefinieerd: “Imbued with a message from

form and design, materials and substance, use and

the past, the historic monuments of generations of

function, traditions and techniques, location and set-

people remain to the present day as living witnesses of

ting, spirit and feeling, and other internal and external

their age-old traditions. People are becoming more and

factors. The use of these sources permits elaboration

more conscious of the unity of human values and re-

of the specific artistic, historic, social, and scientific

gard ancient monuments as a common heritage. The

dimensions of the cultural heritage being examined”.

common responsibility to safeguard them for future ge-

Doordat het document zich vooral richt op authentici-

nerations is recognized. It is our duty to hand them on

teit is het meer een aanvulling, dan een vervanging

in the full richness of their authenticity”.

voor het Charter van Venetië geworden.

7

24

Kernbegrippen in de restauratie


Reversibiliteit

verlee een grote invloed gehad op de tekst van het

Het gebruik van de term reversibiliteit (omkeerbaar-

Charter.10

heid) stamt uit de jaren vijftig en zestig van de twin-

De eerste keer dat de term reversibiliteit voorkomt

tigste eeuw. In deze tijd kwam een groot aantal nieu-

in een internationaal Charter is in 1983. In het Apple-

we synthetische polymeren beschikbaar die gebruikt

ton Charter for the Protection and Enhancement of the

werden bij het restaureren van schilderijen. In het

Built Environment, gepubliceerd door ICOMOS Canada

door de American Institute for Conservation of Historic

werd over reversibility geschreven als: “The use of re-

and Artistic Works samengestelde AIC Code of Ethics

versible processes is always to be preferred to allow

uit 1961 is het principe van reversibiliteit opgenomen:

the widest options for future development or the cor-

“The conservator is guided by and endeavors to apply

rection of unforeseen problems, or where the integrity

the ‘principle of reversibility’ in his treatments. He

of the resource could be affected”.11

should avoid the use of materials which may become so intractable that their future removal could endanger the physical safety of the object. He also should avoid

Minimale interventie

the use of techniques the results of which cannot be

Zoals C. Caple stelt, refererend aan Jedrzejewska,

undone if that should become desirable”.

bleek gedurende de jaren zeventig duidelijk dat elke

9

Met het beschikbaar komen van de eerste hydrofo-

ingreep die een conservator doet eigenlijk nooit volle-

beermiddelen en steenverstevigers op basis van syn-

dig omkeerbaar is.12 Hiervoor in de plaats kwam in de

thetische polymeren aan het begin van de jaren 1960

jaren tachtig meer en meer de term ‘minimale inter-

kwam de discussie over reversibiliteit ook het vak van

ventie’. De term ‘minimale interventie’ werd ooit geïn-

de monumentenzorg binnen. Doordat in 1964 ook het

troduceerd door Cesare Brandi in 1963 in zijn boek

Charter van Venetië werd opgesteld wordt de term re-

Teoria del restauro in de context van de behandeling

versibiliteit vaak met dit charter in verband gebracht,

van lacunes in schilderijen. Feitelijk bepleitte William

ondanks het feit dat het er niet in is opgenomen. Door

Morris in 1877 met de oprichting van zijn Society for

R.M. Lemaire (1921-1997), één van de samenstellers

the Protection of Ancient Buidlings reeds hetzelfde.

van het Charter van Venetië en medeoprichter van

Ondanks de veronderstelde afname van het gebruik van

ICOMOS in 1965, werd de term reversibiliteit wel ge-

de term reversibiliteit komt de term nog steeds voor in

bruikt, maar dan in de context van architectonische in-

de huidige versie van de AIC Code of Ethics uit 1994:

grepen die ongedaan gemaakt zouden moeten kunnen

“Any intervention to compensate for loss should be do-

worden. Volgens Lemaire hebben zijn restauratieopvat-

cumented in treatment records and reports and should

tingen zoals hij die heeft uitgewerkt bij de restauratie

be detectable by common examination methods. Such

van de Lambertuskapel op de Arenbergcampus in He-

compensation should be reversible and should not fal-

Kernbegrippen in de restauratie

25


sely modify the known aesthetic, conceptual, and phy-

pretatie in de dagelijkse monumentenzorgpraktijk wel

sical characteristics of the cultural property, especially

meer en meer de overhand kreeg.

by removing or obscuring original material”.

13

Ook in de Professional Guidelines die in 2002 werden vastgesteld door de European Confederation of

Compatibiliteit

Conservator-Restorers’ Organisations (E.C.C.O) en wer-

De term compatibiliteit in relatie tot het behandelen

den geadopteerd door de vereniging voor conservering

van historisch materiaal, door middel van oppervlakte-

en restauratie in Nederland, Restauratoren Nederland,

behandelingen zoals hydrofobeermiddelen en steenver-

is de term reversibiliteit opgenomen: “The Conserva-

stevigers werd in 1997 gedefinieerd door J.M. Teutoni-

tor-Restorer shall strive to use only products, materials

co et al.: “A treated material should have mechanical,

and procedures which, according to the current level

physical and chemical compatibility with the untreated

of knowledge, will not harm the cultural heritage, the

historic materials under consideration. Simply stated,

environment or people. The action itself and the mate-

compatibility means that introduced treatment materi-

rials used should not interfere, if at all possible, with

als will not have negative consequences”.17 Veel argu-

any future examination, treatment or analysis. They

menten, al dan niet als zodanig benoemd, die worden

should also be compatible with the materials of the

gebruikt bij het kiezen van materialen en technieken

cultural heritage and be as easily and completely re-

betreffen aspecten van de term compatibiliteit. Teuto-

versible as possible”.

nico et al. beperken zich hierbij tot de technische as-

14

Pas in het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw werd de term reversibiliteit/omkeerbaar-

pecten van compatibiliteit.18 K. van Balen et al. gaan een stapje verder dan

heid in de theorievorming over de Nederlandse monu-

(oppervlakte)-behandelingen en definiëren compatibili-

mentenzorg gebruikt in de tekst De Algemene

teit als: “De mate waarin een materiaal, techniek of

Uitgangspunten voor het Restaureren van Gebouwen.

bewerking passend is voor de situatie waarin deze

Onder het onderdeel “bestemming” wordt de term re-

wordt gebruikt, met name in de zin dat deze toepas-

versibiliteit gebruikt: “Bij een functiewijziging is het

sing niet leidt tot schade of de kans op schade ver-

aanbrengen van veranderingen zeker geoorloofd. Een

groot”.19 Compatibel wordt vervolgens van toepassing

voorwaarde hierbij is wel dat de veranderingen met pi-

verklaard in zowel technische als esthetische zin. R. v

ëteit en respect voor het monument worden aange-

an Hees introduceert compatibiliteit als een concept,

bracht en zo mogelijk nog omkeerbaar zijn, dat wil

c.q. conceptuele eis, waarbinnen functionele en tech-

zeggen dat ze herkenbaar zijn en eventueel ongedaan

nische eisen kunnen worden gedefinieerd.20

15

gemaakt kunnen worden”. Deze toelichting is zeer

In zijn proefschrift “Vervanging van witte steen –

sterk in de geest van Lemaire en veel minder in de

Materiaalkeuze bij restauratie” verbindt Quist een his-

geest van de restauratoren, terwijl die laatste inter-

torische en esthetische component aan het begrip

16

26

Kernbegrippen in de restauratie


compatibiliteit, waardoor daar de volgende definitie

en met het oog hierop wordt veel aandacht geschonken

van compatibiliteit werd gehanteerd: Compatibiliteit

aan onderzoek en documentatie.21 Met het oog op het

wil zeggen dat behandelingen of geïntroduceerde ma-

behandelen van historisch materiaal aan gebouwen

terialen geen negatieve invloed mogen hebben op het

werd herbehandelbaarheid gedefinieerd door Teutoni-

bestaande historische materiaal, noch in technische,

co et al. gedefinieerd als: “retreatability can be de-

noch in esthetische noch in historische zin. De pas-

fined as the possibility of applying a new treatment

sendheid van nieuw te introduceren materialen in his-

without negative results. Simply stated, a retreatable

torische zin (historische compatibiliteit) kan op twee

material (or its aging) would not preclude further tre-

manieren worden uitgelegd en toegepast. Beide met

atment”.22 Van Balen et al. vertalen en passen de defi-

continuïteit als leidraad. Het ultieme voorbeeld hierbij

nitie aan tot “De mogelijkheid om een behandeling te

is het streven naar toepassing van dezelfde materialen

herhalen, op dezelfde wijze of in een aangepaste

en vormen als het origineel. In een iets andere invul-

vorm. Het resultaat van een ingreep (reparatie, restau-

ling van continuïteit wordt niet alleen gerefereerd aan

ratie, behandeling) heeft in principe slechts een tijde-

het origineel, maar ook aan de vervangende materia-

lijk karakter en de kans bestaat dat een eerste behan-

len en vormen. Deze dienen, wanneer historische com-

deling onvoldoende resultaat geeft. Het moet daarom

patibiliteit het doel is, te worden gerespecteerd en op

mogelijk zijn een behandeling te herhalen of na een

waarde te worden geschat. Het streven naar histori-

behandeling een andere behandeling toe te passen”.23

sche compatibiliteit zou dus kunnen leiden tot continu-

Bij het streven naar herbehandelbaarheid worden

ering van het gebruik van eerder toegepaste restaura-

de betrokkenen bij het restauratieproces gedwongen

tiematerialen en vormentaal. Dit wil overigens niet bij

om vooruit te kijken naar de toekomst. Een voorgestel-

voorbaat zeggen dat historische compatibiliteit zoals

de interventie wordt geanalyseerd op eventuele ge-

hiervoor beschreven een doel moet zijn. Met name

wenste toekomstige interventies die door de voorge-

Brandi, maar ook anderen betogen juist dat een subtiel

stelde methode wellicht in meer of mindere mate

contrast nodig is om onderscheid tussen oud en nieuw

worden uitgesloten. Het streven naar herbehandelbaar-

aan te geven.

heid, dat wil zeggen de mogelijkheid van toekomstige interventies openhouden, vereist een gedegen documentatie van de toegepaste methoden en technieken,

Herbehandelbaarheid

zodat hier in de toekomst op teruggegrepen kan wor-

Net als het ontstaan van het concept compatibiliteit is

den wanneer een nieuwe restauratieve methode of

het denken over herbehandelbaarheid voortgekomen

techniek nodig geacht wordt. Op dat moment zal de

uit het vaak onhaalbare streven naar volledige reversi-

compatibiliteit van de nieuwe methode met de be-

biliteit bij restauraties. Bij de restauratie van kunst-

staande situatie, inclusief de oude interventie, moeten

werken speelt herbehandelbaarheid een belangrijke rol

worden beoordeeld.

Kernbegrippen in de restauratie

27


Op vergelijkbare wijze als het beoordelen van tech-

needs”.27 In het Nederlands wordt ook dit met duur-

nische interventies op hun herbehandelbaarheid zou-

zaamheid of duurzame ontwikkeling vertaald. Dit leidt

den ook architectonische ingrepen kunnen worden be-

tot een veel bredere inzet van het begrip duurzaam-

oordeeld: kan een gebouw nogmaals een vergelijkbare

heid dan daarvoor en het gaat niet altijd meer om het

interventie ondergaan?

vermogen om lang mee te gaan. In het Handboek Duurzame Monumentenzorg wordt bijvoorbeeld de inhoud van het begrip ‘sustainability’ aan de term duurzaam-

Duurzaamheid

heid gegeven.28 De afgelopen jaren duikt het begrip

Aan het eind van de zestiende eeuw doet Simon Stevin,

‘duurzaamheid’ in vele hoedanigheden op. Met het oog

in zijn onvoltooid gebleven De Huysbou, reeds een uit-

op monumentenzorg zijn culturele duurzaamheid en

spraak over de duurzaamheid van natuursteensoor-

sociale duurzaamheid veel gebruikte termen. Zonder

ten. Het begrip duurzaamheid, het vermogen om lang

dat hier eensluidende definities van te geven zijn,

mee te gaan, komt ook in de negentiende-eeuwse lite-

heeft de intentie over het algemeen met toekomstge-

ratuur regelmatig voor in de context van bouwmateria-

richtheid, menselijkheid en respect te maken.

24

len. Opvallend genoeg gaat het hierbij vaak over methoden en technieken om de levensduur van materialen te verlengen zoals het verduurzamen van hout.25 Er was dus een besef van verschil in (relatieve) duurzaamheid van het ene materiaal ten opzichte van het andere. Vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw ont-

Wido Quist is Univeristair Docent bij RMIT, Faculteit Bouwkunde, TU Delft; zijn onderzoek richt zich op materiaalkennis en -keuzes bij interventies en restauraties, wat onder andere blijkt uit zijn proefschrift over de vervanging van natuursteen bij restauratie (2011).

staat een alternatief gebruik van de term duurzaamheid, onder andere door de opkomst van het life cycle design in diverse branches, zo ook in de civiele techniek en bouwkunde. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de duurzaamheid van de individuele materialen, maar vooral naar de constructie als geheel. Aan de hand van prestatie-eisen worden integrale ontwerpen gemaakt die moeten voldoen aan de gestelde eisen, zodat er sprake is van een ontwerplevensduur.26 In 1987, definieert het Brundtland Report de term sustainable development als “development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own

28

Kernbegrippen in de restauratie


Noten 1

2

3

4

5 6

7

8 9

10

Jokilehto, J., A history of architectural conservation; the contribution of English, French, German and Italian thought towards an international approach to the conservation of cultural property Vol. 1, 2 & 3, New York 1986; Jokilehto, J., A history of Architectural Conservation, Oxford 1999. Zie Tillema, J.A.C., Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland, 1975 en Denslagen, W.F., Omstreden herstel; kritiek op het restaureren van monumenten; een thema uit de architectuurgeschiedenis van Engeland, Frankrijk, Duitsland en Nederland (1779-1953), 1987. Zie bijvoorbeeld Wettelijke monumenten-bescherming – adviezen en voorstellen dat door de NOB in 1910 aan de minister van Binnenlandse Zaken is aangeboden. Zie ook het proefschrift van Frederiks, J.W., getiteld Monumentenrecht, waarin hij in 1912 een overzicht geeft van de diverse wetten en bepalingen die er op het gebied van monumentenzorg zijn in de landen van Europa. De tekst van de Grondbeginselen werd inclusief het voorwoord herdrukt in het Bouwkundig Weekblad nr. 9 van 1940 waarmee het nogmaals onder de aandacht werd gebracht. Kalf, J., (1873-1954) was vanaf 1903 secretaris van de ‘Rijkscommissie tot het opmaken en uitgeven van een Inventaris en eene beschrijving van de Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst’. Kalf was één van de belangrijkste auteurs van de Grondbeginselen. Vanaf de oprichting in 1918 tot 1939 was Kalf directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg, vanaf 1924 in combinatie met het secretariaat van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Tillema, J.A.C. 1975 en Denslagen, W.F. 1996. Zie bijvoorbeeld de bibliografie over het Charter van Venetië, samengesteld door ICOMOS (http://www.international.icomos.org/venicecharter2004/venicecharter-bibliography.pdf, bezocht mei 2010). Petzet, L. ‘Principles of Preservation’, in: International Charters for Conservation and Restoration - 2nd Edition, Monuments and Sites: I, p. 7-29. Denslagen, W.F., ‘Oosterse restauratiefilosofie?’, in: Jaarboek Monumentenzorg 1993, 1994, p. 8-14. Anonymous, Studies in Conservation, 1964(9) no. 3, p. 116-121. Zie ook B. Appelbaum, Conservation Treatment Methodology, p. 353-359. Naar eigen zeggen heeft Lemaire de opzet voor het Charter van Venetië in een dag en een nacht geschreven met medewerking van P. Philippot en J. Sonnier. De snelheid en ongecompliceerdheid van samenstelling

Kernbegrippen in de restauratie

11 12 13

14 15

16 17

18 19

20 21 22 23 24

droeg volgens Lemaire voor een groot deel bij aan de bruikbaarheid van de tekst en snelle acceptatie hiervan. Zie Anonymous, ‘The World of conservation : an interview with Raymond Lemaire’, in: Monumentum, 1983(26) no. 2. p. 83-100. ICOMOS Canada, Appleton Charter for the Protection and Enhancement of the Built Environment, 1983. Caple, C., Conservation Skills – Judgement method and decision making, 2003. Zie http://www.conservation-us.org/ index.cfm?fuseaction=page.viewPage&PageID=858&d:\ CFusionMX7\verity\Data\dummy.txt (bezocht 13 januari 2010). Zie http://www.ecco-eu.org/about-e.c.c.o./professionalguidelines-3.html (bezocht 13 januari 2010). Rijksdienst voor de Monumentenzorg, ‘Het restaureren van gebouwen: algemene uitgangspunten’, in: Restauratievademecum, 1991/24, p. 38-48. In haar voorganger, de Restauratienota 1982, komt de term reversibiliteit nog niet voor. Zie S. van Tuinen, F.J.L. van Dulm, C.J.A.C. Peeters, L.C. Röling, W.F. Denslagen, ‘Restauratienota 1982’, in: Jaarboek Monumentenraad 1984, 1984, p. 87-134. Rijksdienst voor de Monumentenzorg 1991. Teutonico, J.M., Charola, A.E., de Witte, E., Grasegger, G., Koestler, R.J., Laurenzi Tabasso, M., Sasse, H.R. and Snethlage, R., ‘Group Report How Can We Ensure the Responsible and Effective Use of Treatments (Cleaning, Consolidation, Protection)?’, in: Baer, N.S., and Snethlage, R., (eds.), Dahlem Workshop on Saving Our Architectural Heritage: Conservation of Historic Stone Structures, 1997, p. 294. Teutonico et al. 1997, p. 295. Van Balen, K., Van Bommel, A.J., Van Hees, R.P.J., Van Hunen, M., Rhijn, J., Van Rooden, M., Kalkboek; het gebruik van kalk als bindmiddel voor metsel- en voegmortels in verleden en heden, 2003, p. 277. Van Hees, R.P.J., De restauratie voorbij – intreerede TU Delft, Delft 2004. Appelbaum 2007, p. 384-417. Teutonico et al. 1997, p. 295. Van Balen et al. 2003, p. 281. Van den Heuvel, Ch., ‘De Huysbou – a reconstruction of an unfinished treatise on architecture, town planning and civil engineering by Simon Stevin’, in: K. van Berkel et al. (eds.), History of Science and Scholarship in the Netherlands, volume 7, 2005, p. 396.

29


25

26

30

Zie bijvoorbeeld Terneden, J.L., Over het vermeerderen der duurzaamheid van hout voor spoorweg- en waterbouw, telegrafie, scheeps- en burgerlijke bouwkunde, 1872. Zie bijvoorbeeld Siemens, T., ‘Durability of buildings: a reliability analysis’, in: Heron, 1985(30) no. 3, p. 2-48.

27

28

United Nations World Commission on Environment and Development 1987 (http://www.un-documents.net/ wced-ocf.htm, bezocht mei 2010). Nusselder, E.J., et al., Handboek duurzame monumentenzorg, 2008.

Kernbegrippen in de restauratie


Een architectuurtheoretisch denkkader Lara Schrijver

Hoewel het begrip ‘culturele draagkracht’ in de architectuurtheorie niet centraal staat als een helder gedefinieerd fenomeen, is het goed te plaatsen binnen een spectrum van vergelijkbare begrippen. ‘Culturele draagkracht’ is direct te herkennen als een appel aan de waarden van architectuur die het tijdelijke en het particuliere ontstijgen. Daarmee ontsnapt de culturele draagkracht ook aan de logica van economische efficiëntie en zuivere gebruikscriteria. De notie van draagkracht impliceert de mogelijkheid van het object om drager te zijn van een bredere culturele betekenis. Daarmee kunnen we het plaatsten naast bijvoorbeeld de impliciete kennis die in een object zit. Dat omvat de traditionele kennis die vanuit het ambacht komt (in geval van bijvoorbeeld restauratie), maar ook de waarden die vanuit het gebruiksobject aangereikt worden – de ‘acties’ waartoe een object aanzet.

Onnodig begrip? Vanuit de architectuurtheorie als denkkader zou je

van kwaliteiten die voorbij het kwantificeerbare rei-

misschien zelfs ‘culturele draagkracht’ een onnodig be-

ken, zoals de culturele geschiedenis, het collectieve

grip kunnen noemen; want de basis van elk architecto-

geheugen, en de esthetische waarden van verschillen-

nisch project ligt in de langere duur, en een breder be-

de tijdperken. Monumenten vormen daarmee een tast-

lang. We hoeven maar kort terug in de geschiedenis,

baar object voor een bredere begripsbepaling van wel-

tot de negentiende eeuw, om traktaten te vinden die

ke impliciete waarden robuust blijken in

fundamenteel bouwen op de blijvende waarde van erf-

architectonische, technische en culturele zin. Sinds de

goed in een bredere zin.

moderniteit is dit vraagstuk steeds complexer geble-

Toch is een begrip zoals ‘culturele draagkracht’ van

ken, vooral in het licht van de ambivalentie in de mo-

belang in de architectuur, juist omdat het attendeert

derne architectuur zelf. Deze is namelijk gefundeerd

op de waarden die niet alleen kwantificeerbaar zijn.

op voortdurende verandering en vernieuwing, waar-

Onze toenemende verwetenschappelijking heeft im-

mee het idee van erfgoed al ondergraven wordt. Tege-

mers geleid tot een veel betere kennis, maar kan zich

lijk beroept de moderne architectuur zich op de uni-

niet altijd verenigen met de impliciete waarden en

versele kwaliteiten van het ontwerp, waarin een

kennis die zich manifesteren in het architectonisch ob-

bewustzijn van culturele draagkracht besloten ligt.

ject. Monumenten en erfgoed zijn evidente dragers Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

31


Afbeelding 1 Eén van de grafieken uit de tentoonstelling Cronocaos door OMA. Bron: MONU #14.

Afbeelding 2 Pagina 92 uit Stadt in der Stadt van Ungers.

Overstijging van het tijdelijke Vanuit Europees perspectief in het bijzonder is het

culturele geschiedenis als op de gebouwde werkelijk-

vraagstuk van cultureel erfgoed dringend. In 2010 was

heid. Dit perspectief op culturele draagkracht veron-

tijdens de Biënnale van Venetië de tentoonstelling Cro-

derstelt dan in ieder geval een erkenning van waarde

nocaos te zien, waarin door OMA de grote dichtheid

die het tijdelijke overstijgt, en die ook de programma-

van erfgoed in Europa geagendeerd werd. Deze agen-

tische invulling van het bestaande monument over-

dering was een polemische, maar hier met een belang-

stijgt. Bij Ungers heet dit de Grossform, als iets meer

rijke kern van waarheid: Koolhaas vroeg zich af hoe we

dan de som der delen (en als iets dat open staat voor

selectiever zouden kunnen zijn in behoud.1 Onderhuids

de onverwachte invulling).3 Dit wordt echter evenzeer

werkte hierin zijn vroegere samenwerking met Oswald

in tekeningen en projecten en foto’s gevat, als in woor-

Mathias Ungers door, dat gericht was op een architec-

den. Wat doet dan een begrip als culturele draag-

tonisch robuust ‘kader’ dat ruimte schept voor maat-

kracht, en hoe kunnen we dat definiëren? Wat zorgt er-

schappelijke en culturele veranderingen. Dit werd

voor dat sommige gebouwen langer geliefd blijven dan

vooral gezocht in de formele, morfologische en materi-

anderen? Al zo lang de architectuurtheorie bestaat,

ële kwaliteiten van de stad.2

zoekt ze naar een logica van robuustheid. Iets dat

Zowel Ungers als Koolhaas, en diverse andere illus-

helpt te begrijpen of definiëren waarom het ene ge-

tere voorgangers zien een culturele draagkracht in de

bouw langere tijd ‘werkt’ dan de ander, en dus blijven-

architectuur zelf. Dit is gebaseerd zowel op de bredere

der is.

32

Een architectuurtheoretisch denkkader


Wat zijn dan de mogelijke invalshoeken – als de criteria niet meteen voor de hand liggen? Bij tijd en wijle is dit gezien als een kwestie van stijl of vorm – de esthetische kwaliteit als teken van robuustheid. Zo waren zowel Pugin als Ruskin overtuigd dat de Gotiek een spirituele betekenis had die ook in de negentiende eeuw nog actueel was. Soms zijn de robuuste kwaliteiten gezocht in karakteristieken van gebouwen, zoals monumentaliteit, openheid of aanpasbaarheid. Toch is de vraag misschien een andere – namelijk: wat bewerkstelligt een gevoel van binding met een gebouw, en is dat ‘in de stenen’ te herkennen? Dit is lang niet altijd tot direct identificeerbare kwaliteiten te herleiden. Maar het vereist wel een aandachtig kijken en een toetsen van de ingrepen aan het onderliggende idee. En misschien ligt daarin dan de crux: het bestaansrecht

Afbeelding 3 Plaat 10 uit The Seven Lamps of Architecture: “Traceries and Mouldings from Rouen en Salisbury”.

van architectuur als discipline is namelijk gebouwd op de tastbaarheid van ideeën die voorbij het praktisch

misschien ook een nauwkeuriger selectie te maken van

nut reiken, en ons daarmee deel maken van een groter

cultureel ‘rendabele’ projecten.

geheel van culturele, esthetische, morele en intellec-

Juist door de duiding van de kwalitatieve aspecten van dit erfgoed, wordt een essentiële laag toegevoegd

tuele waarden. De architectuur voegt zich naar de randvoorwaar-

aan de economische en technologische logica van effi-

den, van economische noodzaak, van stedenbouwkun-

ciëntie en utiliteit. Dit geeft een andersoortig duur-

dige regelgeving, van materiële en technische moge-

zaam perspectief, dat toekomstige veranderingen van-

lijkheden, maar daarin appelleert het aan een

zelfsprekend in zich opneemt. Daarmee komen we dan

overkoepelende culturele logica. In dat appel overstijgt

ook dichtbij de gedachte van John Ruskin, als hij zegt:

het de tijdelijkheid en de particuliere condities van het

“Take proper care of your monuments and you will not

individuele project om deel uit te maken van het col-

need to restore them.” 4

lectieve culturele weefsel. Is dit volgens een formule te volbrengen? Onwaarschijnlijk. We kunnen wel elementen identificeren die eraan bijdragen. Dit leidt niet

De uitdaging

tot ontwerpformules maar misschien wel tot nauwkeu-

Om deze ‘proper care’ echter goed te kunnen volbren-

riger waardering van materiële kwaliteiten. Hiermee is

gen moeten we - overigens net als Ruskin zelf - ook kij-

Een architectuurtheoretisch denkkader

33


ken naar de ‘eigen’ middelen van het vak. De tekenin-

abstract is, maar ook gebaseerd op perceptie en con-

gen, de maquettes, de prototypes. Want daarin – in het

text. Een socioloog als Karl Mannheim bijvoorbeeld,

maken van deze weergaves van de gebouwen – schuilen

richt zich op de werkelijkheid als voedingsbodem voor

precies die vragen die niet vanuit de theorie beant-

theoretische inzichten en ziet de materiële wereld als

woord kunnen worden. De theorie kan kaders scheppen

wezenlijk onderdeel van de theoretische kennis.5 Daar-

voor de ideeën en de begrippen, maar het is in de con-

naast kunnen we denken aan de fenomenologie, alsook

frontatie met de materiële werkelijkheid dat ze ge-

het werk van Michael Polanyi, die een filosofische be-

toetst worden, en wellicht ook ontwikkelen of wijzi-

schouwing maakte van de impliciete kennis.6 Vanuit

gen. In het materiële zit een esthetisch oordeel

deze externe kaders is dan ruimte te scheppen voor de

besloten, evenals een ruimtelijk voorstellingsvermogen

architectuur zelf, zoals bijvoorbeeld in de handboeken

dat de verschillende aspecten van de gebouwde omge-

van de negentiende eeuw. Deze bieden een stevige on-

ving samenbrengt, van het socioculturele tot het es-

dergrond voor het bestuderen van de architectuur van-

thetische en morele, alsook de functionaliteit. Uit­

uit zowel de abstracte theorie als vanuit de materiële

eindelijk ligt hier dan ook de uitdaging. Want het

en ambachtelijke kennis. De uitdaging voor de toe-

vereist een zorgvuldige afweging van idee en materie.

komst is dan om even zorgvuldig te kijken als in de ne-

Het kan niet gereduceerd worden tot een enkelvoudig

gentiende eeuw, met een vertaalslag naar de middelen

principe: wel behoud, maar met technische middelen.

en mogelijkheden van onze tijd.

Of: de visuele integriteit gaat boven de constructieve principes. Het moet per geval, per kwestie, opnieuw overwogen worden, maar misschien wel met de coherentie van idee, materie en tijd in gedachten.

Lara Schrijver is Universitair Docent aan de Faculteit Bouwkunde, TU Delft.

Met het oog op zowel de lange duur van het begrip ‘culturele draagkracht’, als ook de flexibiliteit van het

Noten

object in de waarde toekenning, lijkt het mij zinvol om

1 2

heel nauwkeurig te kijken naar een aantal monumenten die al veranderingen hebben ondergaan – en in hoeverre (op esthetisch en technologisch vlak) de ver-

3

anderingen tegemoet komen aan de ideeën die in het

4

gebouw zitten. Voor een dergelijke beschouwing is ook een theoretisch kader nodig, die te vinden is zowel binnen als buiten de architectuur. We kunnen teruggrijpen op theo-

5

6

OMA, ‘Cronocaos’. MONU 14, 2010. Ungers, O.M., et al., Die Stadt in der Stadt. Berlin das grüne Stadtarchipel. Köln: Studio Verlag Architektur, 1977. Ungers, O.M., ‘Grossformen im Wohnungsbau’, in: Veröffentlichungen zur Architektur, 1966. Ruskin, J., The Seven Lamps of Architecture, 1849, chapter VI, par 19. Mannheim, K., Essays on the Sociology of Knowledge. Kecsemeti, P., ed. London: Routledge & Kegan Paul, 1952. Polanyi, M., The Tacit Dimension, Chicago: University of Chicago Press, 1966.

retische funderingen voor kennis die niet alleen

34

Een architectuurtheoretisch denkkader


Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed Mieke van Bers

Historische gebouwen en tuinen getuigen van een veelzijdig verleden. De vormentaal en de toegepaste materialen leren ons over het gebruik van het monument door de tijd heen. Het immateriële verhaal geeft ons de context waarin dit materiële erfgoed tot stand is gekomen. Daardoor zijn verbanden te leggen met de directe omgeving onder en boven de grond, vergelijkbare ontwerpen, materialen en functies, in en buiten ons land. Het begrip ‘culturele draagkracht’ wordt bepaald door wat we weten van deze verbanden en door de waarden die we daaraan toekennen. Daarmee is het begrip Culturele Draagkracht te positioneren als het Cultuurhistorisch Programma van Eisen (CPvE) voor erfgoed, naast het architectonisch-functionele Programma van Eisen dat aan het erfgoed wordt opgelegd om het op een eigentijdse wijze te kunnen gebruiken.

Cultuurhistorisch onderzoek: toch (laten) doen! Vrijwel elke architectonische interventie in een ge-

nu nog terug? Uit welke tijd dateren de verschillende

bouw gaat vergezeld van een bouwkundig Programma

onderdelen en in welke (kunst-, architectuur- en tuin-)

van Eisen voor het nieuwe gebruik, als ontwerpkader

historische traditie kunnen we het plaatsen?

voor de architect. Erfgoed vraagt ook aandacht voor de

Voor de gebouwen die zijn aangewezen als be-

kaders van de culturele draagkracht, de essentie en de

schermd monument zijn bovengenoemde vragen al een

tolerantie voor verandering. Deze kaders blijven in de

keer doorlopen. Aan de hand van de criteria ‘schoon-

dagelijkse praktijk, ook bij kleinschalige herbestem-

heid’, ‘betekenis voor de wetenschap’ en ‘cultuurhisto-

mingen, veelal te impliciet. Het duiden van de culture-

rische waarde’ is inzicht gegeven waarom dit gebouw

le draagkracht begint met het delen van kennis over

in aanmerking komt voor bescherming. Voor het Monu-

erfgoed met alle betrokken partijen, voordat het den-

menten Selectie Project voor de selectie van monu-

ken in concrete oplossingen begint. Wat weten we van

menten van Jongere Bouwkunst (1850-1940) zijn deze

het gebouw en de relatie met de omgeving, zowel bo-

criteria verfijnd en verbreed tot de architectuurhistori-

ven als onder de grond? Hoe zag het oorspronkelijk

sche, cultuurhistorische -, stedenbouwkundige - en en-

ontwerp eruit, op welke wijze is het door de tijd heen

semblewaarde, gaafheid en zeldzaamheid.1 Hierbij

aangepast, door wie en waarom? Wat zien we daarvan

wordt gelet op de kwaliteiten van een ontwerp, ge-

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

35


op de gebruiksgeschiedenis en de samenhang die te

Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen (CPvE)

zien is tussen object, ondergrond en omgeving. Deze

Vanuit de resultaten van een cultuurhistorisch onder-

waarderingen zijn voldoende om de wettelijke be-

zoek kan worden toegewerkt naar een concretisering

scherming te rechtvaardigen, maar zij bieden vaak on-

van de culturele draagkracht in de vorm van een CPvE.

voldoende houvast bij de afweging van de cultuurhisto-

Hoe kijken de betrokken partijen aan tegen de uitkom-

rische waarden en de (toekomstige) gebruikswaarden

sten van het cultuurhistorisch onderzoek? Zijn de waar-

van een monument in geval van nieuwe ingrepen. Voor

den voldoende expliciet om te gebruiken bij de afwe-

de oudere bouwkunst van v贸贸r 1850 ontbreken boven-

gingen in relatie tot het bouwkundig Programma van

dien dergelijke gedifferentieerde waardebepalingen.

Eisen als ontwerpkader voor de architect? Is het effec-

Vaak kennen deze gebouwen een grote historische ge-

tief om een Cultuurhistorisch Programma van Eisen

laagdheid wat de noodzaak voor onderzoek en waarde-

(CPvE) op te (laten) stellen om de culturele draag-

stelling vergroot.

kracht van een historisch gebouw in een vroeg stadium

bruikte materialen, detaillering en constructie, als ook

Een actuele waardestelling, gericht op een actuele vraag, is dan ook sterk aan te bevelen om de cultuurhistorische waarden meer expliciet te maken. Hiervoor

van planvorming te verhelderen, met de marges voor verandering? Enerzijds zou een dergelijk CPvE ook inzicht moe-

zijn verschillende richtlijnen voor onderzoek opge-

ten bieden in die karakteristieken die g茅茅n veranderin-

steld, vooralsnog per erfgoedveld.2 Een dergelijk on-

gen toelaten. Dit geldt met name voor die onderdelen

derzoek richt zich allereerst op de inventarisatie van

met een hoge gaafheid of zeldzaamheid vanuit zowel

informatie uit verschillende bronnen. Deze bronnen be-

de architectuur- en bouwhistorische, cultuurhistorische

treffen niet alleen het gebouw zelf, maar ook archief-

als de stedenbouwkundige en ensemblewaarde. Daar-

materiaal, historische kaarten, afbeeldingen en verha-

naast kan een CPvE voor erfgoed expliciet aangeven

len van (voormalige) gebruikers en bouwers. Het

welke onderdelen wel verandering verdragen. Hierbij

gebouw geeft weliswaar tastbare en zintuigelijke infor-

gaat het niet zozeer om de omvang van het verlies van

matie over het ontwerp, de gebruikte materialen, de

historisch materiaal, maar meer over de wijze waarop

constructie en de ruimtelijke ervaring, maar geeft veel

de verandering kan worden vormgegeven en de invloed

minder informatie over de bewoners, eigenaren en ge-

die het daarmee heeft op het verhaal en de betekenis

bruikers en de wijze waarop zij hier geleefd of gewerkt

van het gebouw. Het CPvE voor erfgoed wil bevorderen

hebben. Deze schriftelijke en mondelinge bronnen le-

dat bij de integrale benadering van de ontwerpopgave

veren een belangrijke bijdrage aan het bepalen van de

voldoende aandacht wordt besteed aan de opdracht

culturele draagkracht.

om het cultuurhistorische verhaal, ook na de ingreep, herkenbaar te houden.

36

Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed


Behouden of vernieuwen? De oproep rond 1900 om ons culturele erfgoed te be-

waarden. De belevingswaarde is nu, naast authentici-

schermen was in eerste instantie een impuls om sloop

teit, een belangrijk element geworden in de waarde-

tegen te gaan, maar had ook de bedoeling om deskun-

ring van erfgoed.

dige restauraties te bevorderen. De toenmalige Nederlandsche Oudheidkundige Bond (NOB) gaf al in 1917 richtlijnen uit hoe om te gaan met het instandhouden

Authenticiteit en reversibiliteit

en uitbreiden van oude gebouwen.3 De daarbij gehan-

In de kleinschalige praktijk van alledag wordt door be-

teerde stellingname ‘behoud gaat voor vernieuwing’ is

trokken partijen op verschillende manieren invulling

ook na de invoering van de Monumentenwet in 1961

gegeven aan het begrip authenticiteit. Dit begrip, dat

van kracht gebleven voor de uitvoering van restaura-

vooral wordt geassocieerd met de oorspronkelijke

ties. Voor het aanbrengen van aanpassingen aan nieu-

bouwsubstantie, staat niet in de Monumentenwet,

we eisen werd aanbevolen om deze op bescheiden wij-

maar speelt in de laatste jaren wel een belangrijke rol

ze en als herkenbaar eigentijds, uit te voeren. Deze

in de discussies rondom restauratie van gebouwd erf-

benadering gaat uit van het toevoegen van een nieuwe

goed. Behoud van de oorspronkelijke materie is echter

historische laag met eigen kwaliteit, maar staat onvol-

niet altijd de eerste prioriteit voor een opdrachtgever,

doende stil bij de invloed die dit kan hebben op het

die een monument wil gebruiken. Veel gebouwen zijn

historische verhaal van de oudere lagen. De beleving

door de tijd heen aangepast aan de wensen van een

van een groot aantal monumenten is hierdoor ingrij-

(nieuwe) gebruiker. Vaak is dit gepaard gegaan met

pend gewijzigd, omdat wel rekening is gehouden met

verandering van functie, maar ook met vervanging van

het behoud van de oudheidkundige waarden van het

materiaal of vormentaal. Daarom is het de vraag hoe

historische materiaal, maar naar verhouding minder

‘hard’ het behoud van (welke) materiële authenticiteit

met de cultuurhistorische waarden van het ‘verhaal’.

moet worden ingezet bij de opstelling van een CPvE bij

4

Ondanks de positieve aandacht voor ontwikkeling en vernieuwing van erfgoed mogen we niet uit het oog

nieuwe interventies. Hetzelfde geldt voor het begrip reversibiliteit. Een

verliezen dat als gevolg van nieuwe ingrepen de zeld-

interventie die nieuwe ingrepen omkeerbaar (reversi-

zaamheid van het historisch materiaal toeneemt en de

bel) maakt, bij wijze van tijdelijke aanpassing van een

gaafheid van het overgeleverde monument afneemt.

monument, zou geen vrijbrief mogen zijn om de dia-

De besluitvorming tot verandering vraagt om een goe-

loog over de kwaliteit van de vormgeving en de cul-

de argumentatie. Een CPvE moet bevorderen dat ge-

tuurhistorische betekenis van het monument niet te

streefd wordt naar een passend ontwerp waarbij het

voeren. Het maakt het wel mogelijk deze uit te stellen.

visuele effect van de vernieuwing op het bestaande

In die situaties gaan een CPvE en een bouwkundig PvE

bijdraagt aan een integrale beleving van de erfgoed-

moeizaam samen. Vaak heeft dit te maken met de

Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed

37


Afbeelding 1 Het voormalige BACO-gebouw te Roermond na de interventie. Het exterieur van de fabriek is wel hersteld maar niet veranderd als gevolg van het nieuwe gebruik. De uitgebouwde, glazen entree is duidelijk een nieuwe toevoeging met nieuwe kwaliteit die de waarde van de historische kwaliteit respecteert. Foto: SATIJNplus Architecten/O. Mingels.

Afbeelding 2 Het heringerichte interieur van het vroegere BACO-gebouw, nu als kantoor in gebruik. Hoewel de oude en de nieuwe lagen fysiek van elkaar zijn gescheiden is het historische karakter van de historische buitenschil goed voelbaar in de binnenschil. Foto: SATIJNplus Architecten/O. Mingels.

kwetsbaarheid van een historisch interieur, de ver-

den achtergelaten. Het gebouw is, blijkens de

strengeling van belangen en de voorschriften die aan

cultuurhistorische analyse van zijn situering, functies

nieuwe functies verbonden zijn. In die gevallen kan het

en hoofdvorm, van belang voor de regionale bedrijfsge-

een oplossing zijn om de bijzondere monumentwaar-

schiedenis van Roermond. De huidige verschijnings-

den tijdelijk veilig te stellen achter een nieuwe vloer,

vorm dateert grotendeels uit het interbellum, sommige

wand of plafond, die later weer zonder schade kan

onderdelen verwijzen naar de oudere historische la-

worden weggehaald.

gen. Inwendig heeft het gebouw een open structuur

Het invoegen van een nieuwe binnenschil bij het

die slechts verdeeld is door een centrale as met daarin

voormalige BACO-gebouw in Roermond (oorspronkelijk

de dienstruimten als opslag, lift en trappenhuis. Vanuit

in 1875 gebouwd als stoommeelmolenfabriek door de

die waarden heeft het ingeschakelde bureau SATIJN-

firma Tyssen-Linssen) laat de buitenschil volledig intact

plus Architecten gekozen voor een nieuwe binnenschil

(afbeeldingen 1 en 2). Het gebouw is sinds 2 april 2013

waarmee de buitenschil ongewijzigd gehandhaafd kon

in gebruik als kantoor voor Wonen Limburg. Deze wo-

blijven en tevens het gewenste klimaat gerealiseerd

ningcorporatie stond voor de opgave om een duurzame

kon worden. De transparantie van de binnenschil zorgt

en flexibele kantoorfunctie te realiseren met inachtne-

voor een zintuigelijke beleving van de authenticiteit

ming van de cultuurhistorische waarden van het ge-

van de functionele binnenafwerking.

bouw, waarin voorgaande gebruikers hun sporen had-

38

Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed


Afbeelding 3 De kasteelruïne te Kessel in de huidige staat. Foto: DMV architecten.

Minimale versus maximale interventie Een goede balans tussen oud en nieuw hangt niet zo zeer af van de grootte van de interventie. Een CPvE

Afbeelding 4 Kessel, plan tot herbouw van het kasteel door DMV architecten. De hoofdvorm van de kasteelruïne blijft grotendeels ongewijzigd om de herinnering aan de verwoesting en de naoorlogse consolidatiewerkzaamheden van prof. Dr. J. Renaud herkenbaar te houden. De nieuwe toevoeging krijgt een paalfundering, een staalconstructie, glazen wanden en een leien dak. De nieuwe vorm is geïnspireerd op het verleden. Bron: DMV architecten.

neren blijkt op te leveren voor het monument. De kasteelruïne van Kessel behoort tot de categorie

geeft in zekere zin de maximaal toelaatbare interven-

die vroeger als ‘dode’ monumenten werd bestempeld,

tie aan, niet alleen vanuit het fysieke materiaal, maar

omdat zij geen dagelijks gebruik meer kenden: de ruï-

ook vanuit de visuele beleving. Maximale interventie

nes. Zij zijn, na een natuurlijke of menselijke ramp al

die de duurzaamheid van het gebouw vergroot en de

decennia lang bewaard gebleven omdat zij door hun

cultuurhistorische waarde respecteert heeft de voor-

plaats en herkenbare ouderdom verwijzen naar een ge-

keur boven een minimale interventie die het nieuwe

denkwaardig verleden. Ruïnes zijn bij uitstek verbon-

gebruik belemmert. Ook deze keuze vraagt om vol-

den met de oudheidkundige en geschiedkundige herin-

doende kennis en informatie over het gebouw en het

neringswaarden. Tegenwoordig worden diverse

daaruit af te leiden CPvE. Bij de maximale interventie

initiatieven genomen om de bouwwerken weer exploi-

wordt gelet op voldoende architectonische kwaliteit

tabel te maken door een nieuwe gebruikswaarde toe te

opdat de nieuw aan te brengen tijdlaag het monument

voegen. De vraag is dan hoe de historische waarden bij

voor een langere termijn laat meegaan. Daartegenover

zo een, opnieuw tot leven wekkende, interventie ge-

staat onvermijdelijk het inleveren van bestaande waar-

respecteerd kunnen worden. Het eeuwenoude motte-

den. Het risico van een minimale interventie kan juist

kasteel van de Keverberg aan de Maas te Kessel had de

zijn dat een te geringe kwaliteit of een te veeleisende

Tweede Wereldoorlog slechts als ruïne overleefd. Na

aanpassing voor de gebruiker geen duurzaam functio-

ruim zestig jaar is een stichting opgericht die het kas-

Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed

39


teel wil herbouwen en een nieuwe bestemming geven

pen kunnen worden aangevuld met de culturele draag-

als multifunctionele – vooral feestelijke, sportieve, cul-

kracht of een CPvE voor erfgoed. Belangrijker dan de

turele en bedrijfsgeoriënteerde – ontmoetingsplek. De

naam is de eenduidigheid van de benadering en de

nieuwe toevoeging, met onder andere een glazen over-

vorm die voor iedereen helder en bruikbaar moet zijn.

kapping, is qua hoofdvorm geïnspireerd op het vroegere kasteel maar toont door het gebruik van nieuwe materialen en constructies duidelijk het karakter van een eenentwintigste-eeuwse tijdlaag. Enerzijds brengt deze benadering niets nieuws onder de zon wat betreft de restauratiefilosofie, maar anderzijds is het wel opmerkelijk dat gebroken wordt met de traditie om oude ruïnes ongemoeid te laten.

Mieke van Bers studeerde kunst- en architectuur­ geschiedenis aan de Universiteit Utrecht (UU), restauratie­kunde aan de TU Delft en in Leuven. Sinds 1999 werkt zij als consulent architectuurhistorie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en als programma­leider van het Programma ‘Wat is erfgoed?’. Zij leverde een bijdrage aan het RCErapport ‘Cultureel Erfgoed Eenheid in verscheiden­ heid: een zoektocht naar de integrale cultuur­ historische waarde van erfgoed’, Amersfoort 2013.

De opgave

Noten

Het stimuleren van integraal onderzoek naar de cul-

1

tuurhistorische waarden en het vertalen hiervan in een CPvE is de nieuwe opgave voor de erfgoedzorg om bij te dragen aan het verantwoord vernieuwen en veranderen van ons gebouwde erfgoed. Dit vraagt enerzijds om een goede samenwerking tussen de verschillende disciplines en om afstemming van onderzoekagenda’s, onderzoeksmethoden en methodieken van waarderen. Anderzijds vraagt dit om een goede samenwerking tussen historici, ontwerpers, eigenaren en gebruikers om de cultuurhistorische waarde aansluiting te laten vinden bij actuele opgaven van interventie. Verschillende partijen zijn al op zoek naar nieuwe producten die meer concreet inzicht bieden in de veranderruimte.

2

Vanuit het Bureau Monumentenzorg Amsterdam, dat van de gemeente Leiden en het Gelders Genootschap komen de eerste ideeën voor het benoemen van kern-

3

RDMZ, Handleiding voor de selectie en registratie van jongere bouwkunst en stedebouw (1850-1940 Monumenten Selectie Project (MSP). Utrecht/Zeist 1991. RDMZ, Handleiding MSP (zie noot 1); Atelier Rijksbouwmeester, Rijksgebouwendienst, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting Bouwhistorie Nederland en Vereniging Nederlandse Gemeenten, Richtlijnen Bouwhistorisch onderzoek, Den Haag 2009; Atelier Rijksbouwmeester, Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Rijksgebouwendienst en Vereniging Nederlandse Gemeenten, Richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek, 2012; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Op de Museale Weegschaal, Amersfoort 2013; SIKB, Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), Gouda 2005; Baas, H.G. & Ligtendag, W.A., Project 33 NBP Top down, Een methode van selectie en waardering van historisch-geografische elementen en patronen in het landschap op basis van de landsch apsgenese, Hoorn 1994; Witteveen & Bos, Handreiking Cultuurhistorie in m.e.r. en MKBA, Deventer 2008. NOB/Kalf, J. Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Leiden 1917. RDMZ. Het restaureren van gebouwen: algemene uitgangspunten. In: Restauratievademecum 01-1 (pp. 2438). Zeist 1991.

waarden en dynamische waardestelling. Deze begrip-

40

Concreet en creatief. Een Cultuurhistorisch Programma van Eisen voor erfgoed


Draagkracht of incasseringsvermogen? Johan de Haan

‘Waar het woord kracht valt, kan zwakte nooit ver zijn’, stelt Aleid Truijens in een lezenswaardige column in de Volkskrant van 4 november 2013.1 Truijens brengt daarmee kernachtig onder woorden wat termen als ‘culturele draagkracht’ op kunnen roepen. Natuurlijk staat draagkracht óók voor de ambitie om erfgoed méér te laten zijn dan een verzameling hulpbehoevende objecten die het zonder het pantser van de monumentenstatus niet zouden redden. Maar toch: de associatie met de in Tillema’s Schetsen van de Monumentenzorg afgebeelde spotprent ‘de grooten en de kleinen’ van Albert Hahn dringt zich op.2 Het fijnkorrelige historische stadsbeeld wordt in de prent van Hahn letterlijk verpletterd door de grove nieuwbouw van een warenhuis met de veelzeggende naam ‘Grand Bazar de la Bourse’ (afbeelding 1). Bedoelen we met draagkracht niet eigenlijk ‘incasseringsvermogen’, het vermogen om klappen op te vangen? De prent maakt duidelijk wie de groten en wie de kleinen zijn en wie van deze categorieën bescherming verdient. In die zin zijn de waardestellingstekeningen waarvan elke gedegen bouw-, tuin- of landschapshistorisch rapport vergezeld gaat, niet anders dan geformaliseerde parafrasen van Hahn’s spotprent op de zucht naar economisch gewin en intensief verbruik die andere ‘waarden’ vernietigt.3

Afbeelding 1 ‘De grooten en de kleinen’, prent van Albert Hahn in Het Volk, 29 november 1903 Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

41


Afbeelding 2 Voorgevel Paleis Soestdijk, Baarn, 2010. Foto: Johan de Haan.

Afbeelding 3 Jachslot Pohansko, Silezië. Bron: http://www.penzionhlohovec.eu

Cultuur

Schuivende panelen

Met het woord draagkracht is in deze context uiteraard

In de praktijk van de Rijksgebouwendienst, een van de

best te werken. Het adjectief ‘cultureel’ vraagt om

Rijksdiensten die rijksvastgoed – waaronder vele rijks-

meer duiding. Cultuur is immers meer dan wat we visu-

monumenten – ‘effectief en efficiënt managen’ (vol-

eel en ruimtelijk –in de vorm van erfgoed - ervaren,

gens de terminologie in de wervingsadvertentie van

het is ook het dynamische geheel van gedachten en

een nieuwe directeur-generaal van het Rijksvastgoed-

handelingen binnen een meer of minder grote sociale

bedrijf i.o.4), is uiteraard de vraag naar wat culturele

groep of samenlevingsvorm. Deze gedachten komen tot

draagkracht is, belangrijk.5 Of het nu gaat om beheers-

uitdrukking in de opvattingen over wat, onder meer,

maatregelen, het realiseren van doelstellingen op het

erfgoed is, en wat het al dan niet in staat is aan hande-

gebied van representatie en identiteit, duurzaamheid

len te (ver)dragen en te incasseren. De ontmoeting tus-

en comfort, vervreemding en mogelijke functiewijzi-

sen het mentale en het fysieke domein is wat de dis-

gingen, het gesprek over wat er binnen en buiten de

cussie over interventies in gebouwen en gebieden vaak

bouwkundige schil wenselijk en mogelijk is, vraagt en

zo moeilijk maar tegelijkertijd ook zo interessant

krijgt altijd im- of expliciet aandacht.6

maakt. Het gesprek over wat we onder culturele draag-

Een goed voorbeeld van een traject waarin veel

kracht verstaan, kan niet aan het thema van deze ont-

vraagstukken rondom de toekomst van ons erfgoed sa-

moeting tussen ‘gedachten’ en ‘dingen’ voorbijgaan.

menkomen, draait om Soestdijk, voormalige Koninklijke residentie in Baarn. Soestdijk is eigendom van de Rijksgebouwendienst/het Rijksvastgoedbedrijf i.o. en in de afgelopen jaren zijn de fysieke randvoorwaarden waar-

42

Draagkracht of incasseringsvermogen?


binnen een nieuwe bestemming van dit complex te realiseren is, in kaart gebracht (afbeelding 2). Die verken-

College van Rijksadviseurs

ning gaat volgens een iteratief proces, waarin de betekenis van het complex en de samenstellende onderdelen en de impact van mogelijke wijzigingen voortdurend met elkaar in verband worden gebracht. Hoe het continue proces van betekenisgeving en -verandering doorwerkt in het Baarnse traject, is voer voor een promotieonderzoek. De mentale beelden van

De techniek van het verbinden

agenda 2012-2016 - werkprogramma 2013

het complex zijn in de afgelopen decennia in elk geval letterlijk van kleur verschoten. Van ‘sprookjespaleis in het groen’ werd het tot een ´groot maar sleets woonhuis´ dat de last van de roeping ´paleis´ te zijn nauwelijks kon dragen.7 Toch is - gelukkig - ook dat beeld aan erosie onderhevig en wordt Soestdijk weer langzaam gezien als wat het in architectonische zin óók en misschien wel méér is: een goed bewaard gebleven villa

De techniek van het verbinden | 1 Den Haag, december 2012

van Palladiaanse allure, sterk verbonden met andere Europese voorbeelden van architecture de volupté, zoals het jachtslot Pohansko in Zuid-Moravië

Afbeelding 4 Voorpagina De Techniek van het verbinden. Agenda 20122016. Jaarprogramma 2013, College van Rijksadviseurs, Den Haag.

€ 50.000,- op als we weten dat ze ooit door de tragi-

(afbeelding 3).8

sche Franse koningin Marie-Antoinette zijn gedragen.9 Betekenis en waarde van erfgoed zijn afhankelijk

Betekenistoekenning en toegevoegde waarde

van het perspectief van de persoon of groep die het

Een ander verhaal voegt een andere waarde toe. Wat

kenis ‘van bovenaf’ toegekend door een elite - in de

Soestdijk laat zien is dat betekenisgeving en - verande-

beste zin van het woord- die de tijd en de middelen

ring een cruciaal gegeven is voor onze omgang met erf-

had om zich met de hogere doelen van het leven bezig

goed: de verhalen die we over erfgoed vertellen en de

te houden en verder geïnstitutionaliseerd in monumen-

betekenis die we daarmee toekennen zijn bepalend

tenzorg en onderwijs, waar het ‘grote verhaal’ van Ne-

voor de culturele draagkracht. In de veilingwereld weet

derland werd verteld, vaak geïllustreerd door monu-

men hoe dat werkt. Achttiende-eeuwse zijden muiltjes

menten in rijksbezit (Slot Loevestein, het Muiderslot,

zijn kostbaar, maar ze brengen echt pas meer dan

het Gotische koopmanshuis in Kampen, etc.). Ook het

Draagkracht of incasseringsvermogen?

verhaal over erfgoed vertelt. Heel lang werd die bete-

43


wat hij ‘the invisible something’ noemt, zoals vorige eigenaren en andere tijden.11 Deze onzichtbare werkelijkheid krijgt vorm door wat met een inmiddels wat sleetse term ‘story telling’ wordt genoemd: het vertellen van verhalen over dat erfgoed. Er zijn echter meer mensen die een verhaal over erfgoed hebben. Dat verhaal gaat vaak niet alleen over vroeger en vandaag, maar ook over de noodzaak om het te kunnen (blijven) gebruiken als woon- of werkplek, over de waarde die Afbeelding 5 Interieur Waterloozaal Paleis Soestdijk, Baarn, 2006. Foto: Kris Roderburg, Paul van Galen, C.S. Booms, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

een gebouw of plek als ontmoetingsruimte voor een gemeenschap kan hebben, over de noodzaak erfgoed financieel te laten renderen. Vanuit dat perspectief is

formuleren van interventiebeginselen past in deze con-

erfgoed ook en nog altijd te beschouwen als een verza-

text: het legt vast wat wel en niet kan, vanuit een vaak

meling gebruiksvoorwerpen.

impliciete overtuiging dat bepaalde zaken (materiële

Voor elke interventie komt het neer op het vinden

authenticiteit) belangrijker zijn dan andere (rende-

van een bevredigend antwoord op de vraag hoe hoog

ment, betekenisvol gebruik). De geschiedenis laat ech-

het incasseringsvermogen is van de elementen die een

ter zien dat ook dergelijke beginselen altijd - en onver-

gebouw of gebied tot erfgoed maken, daar waar het

mijdelijk - het stempel van hun tijd dragen en hun

museale en het functionele aspect elkaar raken, vanuit

effectiviteit dus wisselend is.

de vraag hoe de fysieke verschijningsvorm van erfgoed

10

toegekende en nog toe te kennen waarden kan blijven belichamen.

Story telling De geïnstitutionaliseerde omgang met erfgoed wordt vaak nog bepaald door de museale benadering die de

Differentiatie

bron is van de klassieke monumentenzorg, een benade-

Generieke uitspraken doen over wat wel en niet kan

ring waarbij het object (in de breedste zin van het

waar het om fysiek ingrijpen gaat is nog altijd verleide-

woord) geen gebruiksvoorwerp meer is, maar spreek-

lijk maar ook gevaarlijk. Erfgoedzorg vraagt namelijk

woordelijk voorzichtig wordt opgeborgen in een vitrine

om differentiatie: bij het gesprek over wat cultureel in-

of achter een touwtje wordt geplaatst. Krysztof Pomi-

casseringsvermogen is, kan in het ene geval het histo-

an, Pools cultuurfilosoof, noemt dergelijke objecten

risch-esthetische aspect de doorslag geven, terwijl in

‘sémiophores’, die na het verlies van hun functie een

het andere de functionaliteit of rentabiliteit centraal

andere betekenis hebben gekregen en verwijzen naar

staan. De methode van ontwerpend onderzoek kan hier

44

Draagkracht of incasseringsvermogen?


als analysemodel model dienen, als instrument om de verschillende beschouwingsniveaus met elkaar in contact te brengen, in de woorden van het College van Rijksadviseurs (afbeelding 4).12 Laten we ons bij het invullen van culturele draagkracht evenmin veel aantrekken van het onderscheid tussen klein en groot en de formalistische lijnen van de Nederlandse Monumentenwet, die alleen onroerende zaken beschermt. Ook en juist in kleinere en roerende

Johan de Haan is werkzaam als senior adviseur monumentenbeleid bij het Atelier Rijksbouwmeester, onderdeel van de Rijksgebouwendienst, in Den Haag. Daarnaast is hij bijzonder hoogleraar toegepaste kunst en kunstnijverheid vanwege de Ottema-Kingma Stichting aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij is betrokken bij een aantal grote restauratieprojecten van de Rijksgebouwendienst, werkt voor het Rijksvastgoedbedrijf i.o. aan de formulering van uitvoeringsbeleid voor monumenten en doet onderzoek naar met name interieurs uit de vroegmoderne periode.

onderdelen kan een grote toegevoegde waarde besloten liggen. Zo kan een als comfortabel buitenhuis gedacht gebouw als Paleis Soestdijk het verhaal over aangenaam verpozen niet vertellen zonder de meubels en kunstvoorwerpen die er staan. Bovendien vormt de militaire symboliek op de rugleuningen van de stoelen in de Waterloozaal een stevig narratief geheel met wat er aan schilderijen, verlichtingsarmaturen en stucdecoraties in deze zaal te zien is (afbeelding 5) en slaat ze een brug naar de herinneringsnaald aan de overzijde van de Amsterdamsestraatweg. Op dergelijke stoelen mag wat mij betreft best gezeten worden. Hun culturele incasseringsvermogen is sterker dan de fysieke werkelijkheid van (de al vaak vervangen) zijden bekleding, eikenhout en mahoniefineer doet veronderstellen.

Draagkracht of incasseringsvermogen?

45


Noten 1

2

3

4 5

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/6263/Aleid-Truijens/article/detail/3538867/2013/11/04/Voorzetsels-onthullenveel-over-onze-relaties.dhtml. Tillema, J.A.C., Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland, Den Haag 1975, afb. 27. De prent werd oorspronkelijk afgebeeld in Het Volk van 29 november 1903. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed e.a., Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek. Lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, Den Haag 2009. Zoals gepubliceerd op www.algemenebestuursdienst.nl, geraadpleegd 6 november 2013. De Rijksgebouwendienst bezit nog altijd veel (rijks-)monumenten. Een deel ervan is aangekocht toen er nog geen Monumentenwet bestond en alleen eigendom de gebouwen van een onzekere toekomst kon redden. De meeste monumenten in deze groep behoorden tot de categorie die tot 2011 te boek stond als ‘Monumenten met Erfgoedfunctie’. Een ander deel van de monumenten in bezit van de Rijksgebouwendienst behoort tot de eigen bouwproductie. De meeste van deze gebouwen hebben na 1961 een monumentenstatus gekregen en hoorden thuis in de categorie ‘Monumenten met (primair) een Huisvestingsfunctie’.

6

7

8 9

10

11 12

46

Een monument dat niet langer gebruikt wordt door het Rijk, wordt bij voorkeur afgestoten of in elk geval worden de mogelijkheden voor herbestemming verkend, conform de in de beleidsbrief ‘Monumenten in Rijksbezit’ door minister van Binnenlandse Zaken geformuleerde uitgangspunten, november 2011. In dergelijke trajecten is de vraag naar wat wenselijk (opbrengstverhogend: ons belastinggeld moet uiteraard wel renderen) en mogelijk (zonder wezenlijke aantasting van cultuurwaarden) is altijd heel manifest. Zie ook het rijkgevulde e-book over de herbestemming van Soestdijk, te benaderen via: www.herbestemmingsoestijk.nl. Zie over dit jachtslot: Kräftner, J., Neoclassicism and Biedermeier, München 2004, pp. 29, 35-36. de Haan, J., ‘Zicht op waardevolle Friese interieurs. Een inventarisatietraject’, in: Onbeheersbaar erfgoed. Zonder kennis geen keuze, Nijmegen 2013, pp 111-112. Het restaureren van gebouwen: algemene uitgangspunten, Zeist 1991, toont een mooi overzicht van alle richtlijnen en grondbeginselen die sinds 1917 in Nederland zijn gehanteerd, p. 48. Pomian, K., Collectioneurs, amateurs et curieux. ParisVenise: XVIe-XVIIIe siècle, Parijs 1987, pp. 12-20. Werkagenda College van Rijksadviseurs 2012-2016, Den Haag 2012.

Draagkracht of incasseringsvermogen?


Culturele draagkracht: uitgaan van weerstand of van kracht? Gustaaf Boissevain

Gebouwd erfgoed is gewoon vastgoed, alleen wel vastgoed met een bijzonder kenmerk. Juist dat bijzondere kenmerk vraagt extra aandacht, naast de gewone aandacht die ook voor ander vastgoed nodig is. Vastgoed dat niet gebruikt wordt verloederd snel en valt eerder in onmin. Dat geldt ook voor erfgoed. Hier geldt ook het Belvedère credo: behoud door ontwikkeling. Het actueel en bruikbaar houden van vastgoed is dan ook een continu en dynamisch proces dat steeds aandacht vergt. Ander gebruik, hergebruik en herbestemming vragen, naast veroudering en degradatie continu om transformaties om het vastgoed bruikbaar te houden, om het in stand te houden en om het vastgoed mee te laten doen in deze tijd.

Passief of actief? Culturele draagkracht kan op verschillende manieren

ven. Erfgoed krijgt pas waarde als het als waardevol

benaderd worden. De meest voor de hand liggende is

gezien wordt en als het overgedragen wordt. De argu-

een passieve benadering. Deze benadering gaat uit van

menten hiervoor zijn divers maar komen voort uit een

de draagkracht van het object zelf, dat wil zeggen de

belang en een behoefte deze waarden over te dragen

erfgoedwaarden van het object en de mogelijkheden

aan volgende generaties. Dit raakt het wezen van erf-

die deze bieden om transformaties te weerstaan. In

goed: het overdragen naar volgende generaties.

deze benadering staat het object centraal. Transforma-

Deze laatste benadering is bij uitstek toepasbaar bij

ties of veranderingen worden als een aanslag gezien en

gebouwd erfgoed. Continu zijn allerlei krachten bezig

moeten worden weerstaan. Bij deze benadering past

dit aan te tasten. Omgaan met de dynamiek van onder

een behoudende strategie. Echter, vervlogen tijden ke-

andere herbestemming, hergebruik en degradatie vergt

ren niet weerom. Het verleden ligt achter ons. Continu

naast een passieve benadering dan ook vooral een ac-

verandert de wereld of wij willen of niet. Een andere

tieve benadering. Om alles goed te laten verlopen,

benadering is ook denkbaar. Het is een meer actieve

vergt deze dynamiek een zorgvuldig afwegings- en be-

benadering waarbij het belang van het erfgoed cen-

oordelingsproces tussen het wel of niet accepteren van

traal staat. In deze benadering komt de draagkracht

veranderingen aan het vastgoed. Hier komen die twee

voort uit het belang dat aan het erfgoed wordt gege-

eerder aangegeven benaderingen samen: enerzijds

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) Š 2013 Delftdigitalpress en auteurs

47


gaat het om aspecten gerelateerd aan het vastgoed zelf, aan het object zoals de essentie van het object, de cultuurhistorische waarden, duurzaamheid, gebruiks­potentie, enzovoort. Anderzijds gaat het om aspecten die te maken hebben met het creëren van waarden voor gebruikers, toeschouwers, bezoekers nu en in toekomstige tijden. Daarbij gaat het om meer dan alleen onderwerpen als gebruiksbehoeften en flexibiliteit, het gaat vooral om de vraag of er nieuwe waarden ontstaan door de beoogde transformaties. Pas

Afbeelding 1 De erfgoedbalans.

als deze transformaties ook voor de volgende generaties iets opleveren heeft het zin deze te accepteren.

Het oordeel wint aan kracht door niet alleen transpa-

De acceptatie van die transformaties ligt dan ook in de

rant te zijn maar ook door de afweging bespreekbaar

mate waarin de nieuw gecreëerde waarden als waarde-

te maken en te houden en door te communiceren over

vol gezien worden nu en later.

de belangen die in de afweging een rol spelen.

Om iets als waardevol te kunnen accepteren moet

De vier genoemde aspecten roepen een aantal vragen

er ook begrip of draagvlak zijn. De kracht van de waar-

op, dit zijn onder andere:

dering is afhankelijk van de mate waarop deze waarde-

ƒƒ Erfgoedbelang ‚‚ Wat maakt dat dit erfgoed is? Wat betekent het erfgoed voor de maatschappij, voor de gebruiker en voor anderen? Wat voegt het erfgoed zijn toe aan het huidige bestaan? Welke elementen bieden ankerpunten voor volgende generaties en waarom is dat zo? Waarom zijn bepaalde erfgoedelementen waardevol? Is er wel behoefte aan nieuwe elementen? Is het verhaal sterk genoeg? Is er draagvlak voor?

ring bekend is en onderkend wordt als waardevol. Erfgoed blijft oude meuk als het geen aandacht krijgt en niemand er om geeft.

Balans Samenvattend gaat het om de afweging tussen de belangen bij het erfgoed enerzijds versus de kracht van het object anderzijds. De dynamiek van alledag vereist het vinden van de juiste balans tussen behoefte aan behoud en transformatie. Door deze vier aspecten duidelijk te benoemen en transparant te zijn over waarop de argumenten zijn gebaseerd ligt het oordeel daarover niet bij één van de afzonderlijke aspecten maar in de balans tussen de vier genoemde aspecten.

48

ƒƒ Kracht van het object ‚‚ Welke elementen van het object hebben waarde? Wat is de essentie van het object en op basis waarvan? Hoe waardevol is het en wat is het referentiekader? ƒƒ Transformatiebehoefte ‚‚ Hoe bruikbaar is het? Welk gebruik is mogelijk? Past het beoogd gebruik wel bij het object in kwestie? Zijn er beperkingen in het gebruik? Vereist het feitelijke gebruik extra zorg? Voegen nieuwe elementen voldoende waarde toe?

Culturele draagkracht: uitgaan van weerstand of van kracht?


ƒƒ Behoefte aan behoud ‚‚ Op basis van welke argumenten is behoud te rechtvaardigen? Wat zijn de cultuurhistorische waarden die daaraan ten grondslag liggen? Welke cultuurhistorische waarden zijn kenmerkend voor het object, welke maken deel uit van de “essentie”? Welke waarden zijn er verder? Wat zijn de referenties voor die waarden? In hoeverre zijn waarden vervangbaar of optioneel?

lang om de rest van het terrein ingevuld te krijgen wa-

Een definitie van culturele draagkracht zou, op basis

het gebruik in de toekomst een wezenlijke rol. Bij de

van het voorgaande als volgt kunnen luiden: Culturele

beoordeling van deze transformatie is gebruik gemaakt

draagkracht is de continue afweging tussen de kracht

van ervaringen bij succesvolle transformaties van

van het object om weerstand aan transformaties te

soortgelijke objecten. Hiervoor is overleg gevoerd met

bieden, en het erfgoedbelang waarin transformaties

diverse deskundigen waaronder de restauratiearchi-

aantoonbaar haar erfgoedwaarde versterken.

tect. Door de kwaliteit van het restauratieontwerp en

ren geen specifieke gebruikseisen door de opdrachtgever gegeven. Voor het consortium was een extra ingang wezenlijk om daarmee haar gebruiks- en exploitatiemogelijkheden te vergroten. In de discussies of deze extra ingang wel of niet acceptabel was speelde zowel het belang van het erfgoed als de meerwaarde voor

van de onderliggende onderzoeken was het, als opdrachtgever, mogelijk te sturen op waarden en waarde-

Praktijkvoorbeeld

creatie. Door de transformatie werden deze weer

Een goed voorbeeld uit de dagelijkse praktijk is de

waardevol.

Kromhoutkazerne in Utrecht. Deze kazerne maakt deel uit van de gunning aan een consortium van een groot contract voor 25 jaar onderhoud en het operationeel

Zoektocht

houden van de kazerne. Binnen dat contract bevindt

De zoektocht naar de grenzen van de culturele draag-

zich ook de restauratie van een bomvrije wachtruimte

kracht begint bij het definiëren van de waarden van

uit 1840 die deel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse

het object zelf. Hierin hoort geen oordeel zitten over

Waterlinie. De eisen voor de restauratie konden alleen

toekomstige transformaties. Juist het zo objectief mo-

in de vorm van prestaties worden geformuleerd. In dat

gelijk vaststellen van deze cultuurhistorische waarden,

contract is gesteld dat het object zoveel mogelijk in

voorzien van hun referenties vormt de basis voor latere

stand gehouden moet worden. Daarvoor waren een uit-

keuzes. Zij vertegenwoordigen de kracht van het ob-

gebreid cultuurhistorisch en een bouwtechnisch onder-

ject. Ook onderdeel daarvan is het onderzoek naar de

zoek uitgevoerd. In deze onderzoeken waren de cul-

potenties van een object: wat kan het hebben, wat kan

tuurhistorische waarden gedefinieerd. In de

het aan, wat is ermee mogelijk? Een verdere stap is het

onderzoeken was aangegeven welke waarden wezenlijk

bekijken van de mate waarin het belang van het erf-

waren voor het object en welke afhankelijk waren van

goed aanwezig is. Vragen die hierbij opkomen zijn on-

de plannen voor eventueel gebruik. Vanwege het be-

der andere: Welke belangen willen wat ermee? En is dit

Culturele draagkracht: uitgaan van weerstand of van kracht?

49


Afbeelding 2 De bomvrije wachtruimte op het terrein van de Kromhoutkazerne na transformatie. Foto: Wikipedia, Jannes Linders.

toekomstbestendig? Ook vragen die te maken hebben

Het klassieke behoud gaat vóór vernieuwing kan dan

met de waardering voor de erfgoedwaarden. Wat

vervangen worden door focus op erfgoedbelang gaat

maakt dat het erfgoed is, waarom hecht men daar be-

voor behoud alleen. Of met andere woorden: de ont-

lang aan? Tenslotte zal ook gekeken moeten worden

wikkeling van erfgoedbelang gaat vóór het behoud van

naar succesvolle scenario’s. Door onderzoek te doen

alleen cultuurhistorische waarden. Nieuwe cultuurhis-

naar de voorwaarden die elders hebben geleid tot suc-

torische waarden moeten wel iets toevoegen aan de

cesvolle transformatie of tot succesvol erfgoed (erf-

bestaande waarden. Dit vereist wel een duidelijke en

goed met gebruik).

objectiveerbare verantwoording, onderbouwing en argumentatie; maar ook verkoop van het erfgoed verhaal (story telling/story selling).

Traditionele monumentenzorg

Het bekende, traditionele begrippenkader bestaan-

De huidige monumentenzorgstrategieën zijn bekend.

de uit onder andere authenticiteit, reversibiliteit en

Vele zijn nog steeds bruikbaar. Aanvulling is echter ver-

minimale interventie is in veel gevallen nog prima

eist door een andere benadering te kiezen, niet meer

bruikbaar, maar ik zou daar graag de termen gebruik

vanuit het object zelf, maar vanuit het erfgoedbelang.

en proces aan willen toevoegen. Met betrekking tot ge-

50

Culturele draagkracht: uitgaan van weerstand of van kracht?


bruik zou ik willen stellen: passend gebruik gaat boven

om deze moeten worden behouden, wat een transfor-

behoud alleen. Vind een goede bestemming die aan-

matie aan waarden daaraan toevoegt en zodoende

sluit bij de kenmerken van het erfgoed. Daarmee wordt

waardevol maakt en welke erfgoedbelangen daarmee

ook het belang van het erfgoed groter, want er is een

gediend zijn.

gebruiker die de geschiedenis kan overdragen. Een deskundig en professioneel proces vergt traceerbare en verantwoordbare ingrepen en documentatie van keu-

Onderzoeksvragen

zes. Argumenten moeten worden vastgelegd voor vol-

Gebaseerd op ervaringen met onder andere de trans-

gende generaties en voor het doorvertellen van het

formatie van diverse kazernes zou nader onderzoek

verhaal. Daarnaast vergt dit ook een openbaar discours

zich kunnen richten op:

over de ingrepen en de argumenten.

1.

Functioneert de richtlijn bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Rijksgebouwendienst naar behoren? Wordt deze voldoende ingezet in de zoektocht naar argumenten voor cultuurhistorische waardering? Hoe worden bevindingen vastgelegd en voor anderen toegankelijk?

2.

Wat zijn de succesfactoren voor erfgoed? Wat vertegenwoordigt het belang van erfgoed? Wat rechtvaardigt dat erfgoed aandacht (en dus financiering) krijgt? En wat levert erfgoed op voor de maatschappij nu en in de toekomst? Wat is de economische en maatschappelijke betekenis van erfgoed?

3.

Wat zijn succesvolle voorbeelden van transformaties van erfgoed? Wat zijn de voorwaarden waarom deze succesvol zijn? Wat is datgene wat beslissend was voor de transformatie c.q. voor het behoud?

Professioneel discours Wanneer het voorgaande in ogenschouw wordt genomen, gaat de discussie over een transformatie niet meer over de passendheid maar over de waarde zelf en hoe deze ten opzichte van haar referenties zorgvuldig en deskundig is opgesteld. De discussie over de acceptatie van een transformatie wordt daarmee verlegd van een oordeel van deskundigen naar de argumenten die zij hanteren. De beoordeling ligt dan elders. Voor deskundigen betekent het dat zij nog meer op hun deskundigheid en argumentatie aangesproken worden. Daarom is een wetenschappelijk discours hierover van wezenlijk belang. Niet voor het vinden van het antwoord maar voor het helder krijgen van de strategieĂŤn om tot een geaccepteerde en zorgvuldige aanpak te komen. Daarvoor is draagvlak en begrip nodig over

Gustaaf Boissevain is als gedetacheerde vanuit Defensie, Dienst Vastgoed Defensie werkzaam als beleidsadviseur bij het Rijksvastgoedbedrijf, directie Rijksvastgoed. Hij is secretaris van de rijksbrede programmagroep cultureel erfgoed rijksoverheid. Binnen Defensie is hij verschillende malen betrokken geweest bij grote transformaties van kazernes.

de waarden die dat erfgoed zo belangrijk maken, waar-

Culturele draagkracht: uitgaan van weerstand of van kracht?

51


52


De grens van het mogelijke Maarten Fritz

Interveniëren in een belangrijk oud gebouw betekent hoe dan ook ingrijpen in het bestaande. Omdat het ingrijpen de bestaande configuratie verandert, wordt er altijd afscheid genomen van iets bestaands. Maar interventie hoeft niet tot gevolg te hebben dat de identiteit of het karakter van het bestaande verloren gaat. Het ontwerpspectrum voor interventie wordt gedefinieerd door de grenzen van het mogelijke. Deze “culturele draagkracht” van een belangrijk oud gebouw is te zien als een netwerk van belangen. Een uniek netwerk dat nimmer een gelijke kent. De belangen van het object zijn als het ware de informatiedragers van het netwerk, die zowel van materiële- als van immateriële aard kunnen zijn. Samen vormen zij, in het netwerk, de identiteit of het karakter en bepalen de grenzen van een mogelijke interventie. Worden de grenzen overschreden dan worden relaties in het netwerk verbroken. De grens van het moge­ lijke is bereikt, het onmogelijke wordt zichtbaar.

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

53


Materiële schade herstellen alleen schiet tekort Bij de restauratie van het jachthuis Sint Hubertus was

het oeuvre van Berlage. Nee, het restauratieontwerp

natuurlijk het aandeel van het materiële belang in het

moest antwoord geven op de vraag: wat wilde me-

netwerk groot. Het percentage schadeherstel was

vrouw Helene Kröller-Müller met dit gebouw? In één

hoog, herstel aan de historische substantie was nood-

van de vele brieven van Helene somt zij een waslijst

zakelijk. Het restaureren van dit bijzondere gebouw

van punten op wat er niet deugt aan het opgeleverde

kon echter niet volgens de geldende norm “ behouden

jachthuis. Het conflict met Berlage had reeds tot een

gaat voor vernieuwen” voltooid worden, het alleen her-

breuk geleid en Henry van de Velde had zijn intrede

stellen van schade aan materiaal was ontoereikend.

gedaan als de ‘nieuwe’ architect, ook voor het jacht-

Het ging om veel meer bij deze restauratie, naast ma-

huis. Na de stortvloed aan mankementen van het

teriële belangen speelden ook immateriële belangen

jachthuis eindigt Helene haar brief stellig: “…….maar

die de marges van de draagkracht van het jachthuis

een kunstwerk, dat is het”. Het is opvallend dat in het

bepaalde. In de loop der tijd hebben vele goedbedoel-

jachthuis de hand van Henry van de Velde niet te her-

de kleine en partiële restauraties het jachthuis doen

kennen is (op twee meubels na), zij wilde dus persé

afglijden van het ooit bedoelde Gesamtkunstwerk tot

dat het werk van Berlage in alle perfectie en detail

een verzameling van bouwkundige losse elementen.

volledig werd voltooid, ondanks de knallende ruzie. Zij

Belangrijke relaties binnen het netwerk waren verbro-

wilde hoe dan ook iets nalaten aan de samenleving:

ken. De ontwerpstrategie richtte zich niet direct op

een Gesamtkunstwerk. De bedoeling van Helene met

het object zelf als samenstel van historische verschil-

het huis hield dus meer in dan alleen het maken van

lende elementen of als een belangrijk bouwwerk uit

een jachthuis op het jachtterrein van haar echtgenoot,

54

De grens van het mogelijke


het maken van architectuur, het maken van interieur of

van massa of de dispositie van de samenstellende de-

het maken van de perfecte inrichting tot het sublieme

len was natuurlijk niets te herstellen, dat had Helene

theelepeltje toe. Zij wilde een kunstwerk nalaten, met

met Berlage al stevig verankerd. De vorm van de plas-

een bouwwerk nam zij geen genoegen. Een kunstwerk

tiek stond als een huis, een dominant gegeven. Het

als een plastisch omhulsel voor logies, beeldende

beeldend vermogen, dat ik bedoel, ontstaat door een

kunst, ontvangst, debat en veelal Duitse literatuur.

subtiele afstemming van materiaal, detail, oppervlak-

Restaureren van jachthuis Sint Hubertus betekende

ken, textuur, kleur, reflectie, en dergelijke. De para-

het restaureren van de uitdrukking van het beeldende

meters van dat beeldend vermogen moesten worden

vermogen van de plastiek van het jachthuis. Aan de

bepaald om de verbroken complexe relaties tussen de

overgeleverde architectonische middelen zoals bijvoor-

verschillende belangen te kunnen herstellen en het

beeld de verhouding tussen open en dicht, de opbouw

Gesamtkunstwerk terug te brengen op het bedoelde ni-

De grens van het mogelijke

55


56

De grens van het mogelijke


veau. Dat netwerk herstellen vroeg om interveniëren,

draagkracht’ worden de middelen erbij gezocht; res-

geen interventie om een verbinding te maken met het

tauratie kan onder andere één van de middelen zijn.

heden, maar om de bestendigheid van het object opnieuw te definiëren. Voor het jachthuis had dit bijvoorbeeld betrekking op de vele maat- en kleurverschillen

Onherstelbaar verbeterd

in het metselwerk en tegelwerk, Daarnaast moet reke-

Joost Zwagerman vertelde bij de opening van de over-

ning gehouden worden met het patina dat in de loop

zichtstentoonstelling van het werk van Jan Sluijters in

der tijd was ontstaan door vervuiling en slijtage.

het Singer Museum in 2012, dat Sluijters graag zijn oudere werk weer onder handen wilde nemen. Hij ging verder, want zelfs van een gouache die hij van Karel

Restauratie is een middel, geen doel

Appel voor zijn 70-ste verjaardag cadeau kreeg, vond

Idealiter heeft bij interveniëren in bestaande structu-

hij dat het wel beter kon. Van Picasso was ook bekend,

ren het onveranderlijke, het blijvende net zo’n grote

volgens Zwagerman, dat hij niet in een museum moest

aantrekkingskracht als het nieuwe. De versmolten ba-

worden loslaten waar zijn eigen werk hing. Hij was in

lans tussen oud en nieuw schept een hernieuwd be-

staat een penseel tevoorschijn te halen en allang aan-

staan. Dit precaire evenwicht, als resultaat van een in-

gekochte werken ’onherstelbaar te verbeteren’.

tegraal ontwerp- en bouwproces, bestaat omdat de

De term ‘onherstelbaar verbeterd’ roept euforie en

toleranties van het object zijn ontdekt, bestudeerd,

tegelijkertijd weerstand op, als het in verband ge-

erkend en benut, zonder de uitersten op te zoeken.

bracht wordt met het omgaan met belangrijke oude ar-

Die toleranties zijn bij het jachthuis bijvoorbeeld de

chitectuur. De enorme aantrekkingskracht van deze

verschillende kleuren en texturen binnen een vlak met-

contradictio in terminis wordt veroorzaakt door de

sel- of tegelwerk. Enigszins afwijkende tegels/bakste-

wens dat interveniëren in het bestaande leidt tot her-

nen kunnen worden toegepast mits achteloos verdeeld

nieuwd leven waarin oud en nieuw versmelten, terwijl

binnen het vlak en voorzien van de juiste patina. Op

‘het niet meer kunnen herstellen’ de grenzen van de

die wijze worden de nieuwe onderdelen opgenomen in

‘culturele draagkracht’ misschien wel doet overschrij-

het vlak en vallen niet op. Een ideaal hernieuwd ge-

den. In ieder geval illustreert het dat ‘reversibiliteit’

bouw toont zich niet als een resultaat van een goede

hierin niet bestaat, het begrip ‘authenticiteit’ in een

balans tussen oud en nieuw. Het verschil in de expres-

ander context komt te staan, en dat de wijsheid ‘be-

sie tussen oud en nieuw is opgeheven, binnen de gren-

houd gaat voor vernieuwen’ niet meer past. Het verbe-

zen van het telkens uitdijende netwerk van belangen.

teren van het bestaande moet het uitgangspunt zijn bij

Om een optimaal hernieuwd bestaan te bereiken is in-

transformaties, anders valt er niets te transformeren.

tegrale ontwerpkracht nodig. Afhankelijk van het ob-

Conserveren van het bestaande levert immers geen

ject, de context, het programma en de ‘culturele

verbetering op van het hernieuwde leven; alles blijft

De grens van het mogelijke

57


immers zoals het was. Restaureren levert slechts een verbeterde technische toestand op, geen verbeterde architectuur.

Integrale ontwerpkracht Bouwhistorisch onderzoek is van evident belang als kennisbron in de initiatieffase van een ontwerpproces. Het onderzoek zou eigenlijk een integraal onderdeel moeten zijn in een continue proces van ontwerp en re-

Maarten Fritz werkte bij Vereniging Hendrick de Keyser en studeerde aan de Academie van Bouwkunst Amsterdam. In 1988 richtte hij architectenbureau Fritz op. Naast werken die het bureau zelf opleverde (o.a. Academiegebouw Universiteit Utrecht, poppodium Luxor Arnhem, Huis Frankendael Amsterdam, Museum het Grachtenhuis Amsterdam, Jachthuis Sint Hubertus), heeft het bureau ook nauw samengewerkt met andere architecten (o.a. Stadsarchief de Bazel Amsterdam met Claus en Kaan Amsterdam, ROC Twente met IAA, Kromhout Kazerne Utrecht met MVSA/TeamV). Momenteel werkt architectenbureau Fritz aan de interieur restauratie en de herinrichting van het stadhuis Maastricht.

alisatie, het onderzoeksdossier zou nooit moeten sluiten. Volgens de huidige systematiek en gelaagdheid in niveaus, voldoet bouwhistorisch onderzoek niet meer als instrument voor waardestellende rapportages. Het fenomeen waardestelling als de meetlat voor planvorming is te beperkt. Verder onderzoek zou zich kunnen richten op het verfijnen van het instrumentarium, zodat het ook ingezet kan worden in de toenemende vraag naar maatwerk in een integraal ontwerpproces.

Eerste afbeelding uit collectie KrĂśller-MĂźller Museum, Otterlo, overige afbeeldingen architectenbureau Fritz.

58

De grens van het mogelijke


Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse? Tom J. Haartsen

De ‘culturele draagkracht’ van een monument is het vermogen om (breed geaccepteerde) interventies te accommoderen. Deze abstracte definitie geeft geen concrete handvatten voor de interventies die al dan niet door het monument kunnen worden gedragen. Waar we in de mechanica de draagkracht, met een voorspelde of geschatte kans van overschrijding, indien alle eigenschappen van de constructies binnen bepaalde toleranties bekend zijn, fysisch kunnen bepalen, is cultuur tijd-, plaats- en populatie- of zelfs persoonsgebonden. Een eenduidige bepaling van ‘culturele draagkracht’ is daarom uitgesloten. Ook indien een eenduidige maat voor ‘culturele draagkracht’ zou kunnen worden ontwikkeld, zal kennis in eerste instantie alleen kunnen worden ontwikkeld op basis van ervaring. Voor de constructieleer is de ervaring opgebouwd met vallen en opstaan: een aantal instortingen hebben ons geleerd hoe het niet moet. Met de hier behandelde voorbeelden wordt voor de betreffende monumenten verkend of er voldoende draagkracht is voor de interventies. Er wordt ook een voorbeeld gegeven waarin verschil van mening bestond over het bezwijken van een monument onder een voorgestelde ingreep.

Op zoek naar de grenzen van culturele draagkracht Mijn eerste verkenning naar de grenzen van culturele

venties zijn bijvoorbeeld de Van Nelle fabrieken te Rot-

draagkracht van gebouwd erfgoed vindt plaats door

terdam en van het gebouw van de bouwkundefaculteit

voorbeelden te geven die binnen de grens vallen, over

in Delft.

de grens gaan en op de grens liggen.

Over de grens Binnen de grens

Bij een restauratie en aanpassingsslag van het Concert-

Opereren binnen de grens van de draagkracht komt tot

gebouw in Amsterdam mocht ik als nieuwste medewer-

uiting in brede acceptatie van de interventies. Er zijn

ker van een adviesbureau energiebesparingsvoorstellen

veel interventies die niet leiden tot discussies tussen

doen. Het dak vormde een belangrijke verliespost voor

professionals onderling of tussen professionals en ande-

warmte en het plafond volgen was de kortste weg om

re groepen. Twee voorbeelden van deze groep inter-

met isolatie die verliespost te minimaliseren. Ik stelde

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

59


Afbeelding 1 Culturele draagkracht verbeeld: Fundatie Zwolle; uitbreiding: Bierman en Henket architecten.

Op de grens? voor minerale woldekens op het plafond te leggen om-

Interventies op de grens van de culturele draagkracht

dat ik meende dat het monument met die interventie

van een monument zijn herkenbaar aan discussies. Dis-

(visueel) niet werd aangetast. Bij een waardestelling

cussies tussen professionals, andere groepen of tussen

zou het element dat het dichtst bij de primaire functie

diverse groepen. Discussies zijn evenwel ook vaak het

van het gebouw lag, de ruimte-akoestiek, het zwaarst

gevolg van de mening van tegenstanders van een inter-

moeten wegen. Met het aanbrengen van minerale wol

ventie dat de grens wordt overschreden. Gezien

op het plafond veranderen de resonantie-eigenschap-

plaats-, tijd- en (culturele deel-)populatie of persoons-

pen en zou belangrijk cultuurgoed worden aangetast.

afhankelijkheid is de grens niet objectief vast te leg-

Dat kon dit monument niet dragen.

gen. Professionele monumentenzorgers vonden 25 jaar geleden dat bij de voorgestelde buitenisolatie van de Nirwana-flat van Duiker, die alleen bij hoekbalkons de

60

Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse?


Afbeelding 2 Woongebouw Nirwana Den Haag, Duiker. foto: M.M.Minderhoud (Wikipedia).

Afbeelding 3 Voorstel interventie Nirwana, DHV Raadgevende Ingenieurs, Amersfoort.

oorspronkelijke betonconstructie in het zicht liet, de

bouw had op de verdiepingen glazen gevels zonder bui-

destijds gehanteerde criteria voor de beoordeling van

tenzonwering. Indien zou worden uitgegaan van het ge-

interventies zou worden overschreden. In hun ogen had

bouw zoals zich dat vertoonde zou voor een gebruik als

dit bezwijken van het monument tot gevolg.

kantoorgebouw veel koelenergie nodig zijn geweest. Bij de renovatie door Wessel de Jonge architecten in opdracht van Provast, is de vraag gesteld: wat zou de

Vergroten tolerantie voor verandering van monumenten

oorspronkelijke architect hebben gedaan indien hij zich

Het hiervoor aangegeven grensgeval duidt op discussies

100% glas? Wat zou er nodig zijn geweest voor een aan

waarin de traditionele uitgangspunten voor monumen-

het klimaat aangepast ontwerp bij een dergelijke ge-

tenzorg, zoals minimale interventie en authenticiteit,

vel? Volgens het ontwerpteam zou hij toch tenminste

een rol spelen. Culturele draagkracht kan soms meer

buitenzonwering moeten hebben toegepast. Daarop

ruimte geven voor interventies.

toonde de restauratie-architect een tekening uit de ja-

Het Hufgebouw is ontworpen door Van den Broek en Bakema in ligt de binnenstad van Rotterdam. Het ge-

bewust was geweest van de nadelen van een gevel met

ren vijftig waarop buitenzonwering stond getekend. Die werd in 1953 uiteindelijk niet aangebracht, maar de

Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse?

61


pen, door bouwmeesters, en in meer recente perioden ook hun adviseurs, werd gehanteerd.

Een laag toevoegen Een deel van wat wij als erfgoed beschermen is gebaseerd op economie en techniek uit het verleden. Zo geven historische windmolens en boerderijen uitdrukking aan de economie en techniek in de tijd dat ze tot stand zijn gekomen. Ik hoef u niets te vertellen over de slimheid van stellingmolens, leilinden en luiken met een hartje. Gelaagdheid in monumenten kan het verhaal vertellen van verschillende perioden. Ons tijdgewricht, Afbeelding 4 Hufgebouw Rotterdam, Van den Broek & Bakema; restauratie: Wessel de Jonge architecten bna bv. Rotterdam.

met als belangrijk technisch en over een aantal jaren wellicht ook economisch kantelpunt de enorme toena-

slobgaten zaten al wel in de gevelstijlen. De zonwering

me van de wereldbevolking en de toename van het

was eruit bezuinigd. De analyse en het archiefonder-

energiegebruik, met als gevolg vroeg of laat schaarste,

zoek bood de draagkracht om bij de herbestemming

kan uitdrukking krijgen in interventies gericht op ener-

alsnog buitenzonwering aan te brengen.

giebesparing. Die uitdrukking krijgt in de architectuur in een aantal gevallen vorm met buitenisolatie en lui-

Cultuurhistorische kennis; meer dan alleen steenverbanden

ken. Alleen isolatie, inclusief isolerend glas en luiken,

Met scherpe analyses kan ‘culturele draagkracht’ wor-

aan een gebouw gebonden voorzieningen die noodza-

den vergroot. Voor vergroting van ‘culturele draag-

kelijk zijn om de energievraag te beperken. PV zou im-

kracht’ is verbreding van kennis van architectuurhisto-

mers even goed in een weiland of op een schuur elek-

rici of andere beschrijvers van de waardestelling nodig

triciteit kunnen opwekken.

en thermische zonnecollectoren zijn aan te merken als

tot veel meer dan de vooral visuele kwaliteit en of eigenschappen van architectuur. Bouwhistorici zouden dat is meer dan het herkennen en beschrijven van een

Interventies met zichtbare energiebesparingsmaatregelen

steenverband. Dat vergt kennis van mechanica, van

Zodra de praktische invulling van energiebesparing van

constructies, analyse van de wijze van verwarmen en

de bestaande voorraad aan bod komt loopt het veelal

ventileren zoals die in een geanalyseerd gebouw oor-

klem op financiering, maar ook op andere zaken. Zo

spronkelijk, of in de periode waarop wordt teruggegre-

was het eerste complex dat de grootste corporatie van

de kennis van een bouwmeester moeten beheersen:

62

Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse?


Afbeelding 5 Woonhuis Wezenlaan Nijmegen, Virtus architecten, Nijmegen.

Afbeelding 6 Detail woonhuis Wezenlaan Nijmegen, Virtus architecten, Nijmegen.

Amsterdam selecteerde om een energiebesparingspilot

cifieke gevelwanden in historische steden met aan de

uit te voeren een complex met metselwerk dat als ka-

achterkanten gevels en aanbouwsels die niet historisch

rakteristiek werd bestempeld. Buitenisolatie werd niet

zijn.

geaccepteerd. Weliswaar zijn monumenten in de Europese richtlijn vrijgesteld van de verplichtingen die voor energiebe-

Onderzoeksopgaven?

sparing in andere woningen en gebouwen gaan gelden,

Ruimte te over voor tal van discussies, die al dan niet

in een aantal plaatsen en landen is het aantal karakte-

moeten worden beslecht in nader onderzoek, of in dis-

ristieke gebouwen zodanig, dat een belangrijk bespa-

cussies in de ontwerppraktijk van alle dag. Voor ener-

ringspotentieel blijft liggen. Dat de vingers van voor

giebesparing relevante vragen zijn daarbij:

energiebesparing verantwoordelijke ambtenaren jeuken blijkt uit de regelgeving in BelgiĂŤ: alle niet vanaf de openbare weg zichtbare gevels van monumenten

Zijn er beschermde stadsgezichten en/of monumenten die buitenisolatie, of energiebesparingsmaatregel X, Y of Z, wel kunnen dragen?

die worden herbestemd of gerevitaliseerd moeten een Rc-waarde van minimaal 4 m2K/W krijgen: dat is in het

In welke gevallen gaat binnen-isolatie de draagkracht

algemeen minimaal ca. 120 mm isolatie. Daar is iets

van het monument te boven?

voor te zeggen op het moment dat je spreekt over spe-

Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse?

63


Zijn er monumenten die het kunnen dragen niet geïsoleerd te worden?

Toelichting: In alle gevallen dat het vervullen van de primaire functie van een monument leidt tot aantas-

Tom Haartsen is vennoot bij Climatic Design Consult. Hij gaf leiding aan het rapporteursteam dat de Nederlandse energieprestatienorm voor utiliteitsgebouwen ontwikkelde en is als bouwfysisch adviseur betrokken bij de herbestemming van een aantal met name jonge monumenten, waaronder de Van Nelle Ontwerpfa­briek.

ting van de constructies en/of niet met de primaire functie conforme situaties zou er geïsoleerd moeten worden of moeten worden overwogen een andere functie te huisvesten. Voor monumenten met een baksteen architectuur of detaillering die anderszins isolatie in de weg staat zou herbestemming of andere adaptatie moeten worden overwogen. Bij monumenten met een woonfunctie zijn er dan drie opties: ƒƒ Functiewijziging (bijvoorbeeld kantoor/opslag) ƒƒ Beperken kritische functies (badkamer/keuken) tot waar het kan (in België zou dat veelal de achterkant kunnen zijn) ƒƒ (gedeeltelijke) buitengevelisolatie indien de gevel dat kan dragen, denk aan jonge monumenten Hoe kan energielabeling, indien dat wordt toegepast bij monumenten, beter op het monument zelf worden afgestemd, met behoud van de objectiviteit die bij technische labeling wordt nagestreefd. Toelichting: Bij de ontwikkeling van de nieuwste energieprestatienorm die de methode voor nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen bij elkaar brengt heb ik gepleit voor een energieprestatie-indicator voor bestaande woningen en gebouwen die de consument goed begrijpt. Die indicator is bij uitstek ook geschikt voor bestaande karakteristieke gebouwen als monumenten, omdat deze het gebouw zelf als startpunt neemt.

64

Kan erfgoed energiebesparing dragen; bouwstenen voor een bezwijkanalyse?


Spaziergangswissenschaft in Berlijn Job Roos

In Berlijn is transformatie geen gevolg van een normale maatschappelijke groei. Al wandelend door de stad is er een constante observatie die de boventoon voert: hier wordt alles uitvergroot, met name de dilemma’s die voortkomen uit de steeds opnieuw geslagen wonden in de tweede helft van de twintigste eeuw. Er lijkt een direct verband met de aard van de aangetroffen transformaties in de stad die uitgesprokener lijken te zijn, existentiëler haast. Transformaties die vanuit hun politieke, sociale en culturele achtergrond vaak beladen zijn met de wens tot heelheid enerzijds en ‘niet (kunnen) vergeten’ anderzijds. Vanuit dit perspectief opent zich een zeer uiteenlopend en onorthodox scala van transformaties met bijbehorende achtergronden. Deze diepere achtergronden leiden in een aantal gevallen tot geheel eigen, authentieke (lees oorspronkelijke) oplossingen.

Een stad, voor decennia eigenlijk opgesplitst in twee

groeit. De menselijke schaal is met name nog herken-

steden met een eigen ontwikkeltempo, nu weer aan-

baar in het grillige verloop van het water van de Spree,

een gesmeed tot één met een geheel eigen dynamiek.

de oude brug- en spoorverbindingen en de grote hoe-

Een moment om te observeren en daar ook lessen uit

veelheid gebruiksgroen in de stad.

te trekken. Een zoektocht naar bronnen voor inspiratie juist ook voor de transformatie van onze Nederlandse steden. De bril is die van een architect met een gedre-

Streven naar perfectie

ven nieuwsgierigheid naar een reveil van zijn (mogelij-

De wandeling begint Unter den Linden vanaf de Bran-

ke) positie. Methode: Spaziergangswissenschaft, soms

denburger Tor in de richting van het Museumsinsel. Op

op de fiets. Wat bij de wandeling en fietstocht de bo-

de rand van het eiland bevindt zich het Museum der

ventoon voert is het kosmopoliete karakter van de stad

Geschichte, het ‘Zeughaus’, een voormalig wapenarse-

met een haast overdonderend geweld van newness en

naal gebouwd aan het einde van de zeventiende eeuw.

ook veel interessante plekken. De tocht voert voor een

Het oudste en zeer monumentale gebouw aan Unter

groot deel door de trauma-zone, voorheen bepaald

den Linden. De interventie door architect I.M. Pei uit

door de aanwezigheid van de Muur en de rivier de

2006 bestaat uit het overkappen van de voormalige

Spree, waar de stad nu langzaam weer aan elkaar

binnenplaats en het realiseren van een nieuwe vleugel

Culturele draagkracht Op zoek naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed M.C. Kuipers & W.J. Quist (red.) © 2013 Delftdigitalpress en auteurs

65


achter het gebouw. De nieuwe vleugel gaat nauwelijks

Wereldoorlog zwaar beschadigd en in DDR-tijd stevig

een dialoog aan met het bestaande gebouw; het is

verwaarloosd. Pas aan het einde van de jaren tachtig

nieuw naast oud zonder dat er sprake is van een we-

van de vorige eeuw komt het gebouw op de restaura-

zenlijke ‘betrokkenheid’ op het oude. De binnenplaats

tie-agenda van het Oost-Duitse regime. De val van de

van het voormalig arsenaal is glas-overkapt en omgeto-

Muur leverde een volledig nieuw perspectief op het

verd in een ‘interieur’. Alles volgens de contemporaine

voorbestaan van dit gebouw waarbij de Britse architect

esthetische internationale mode. Nieuw en oud in een

David Chipperfield werd uitgenodigd om de restaura-

verstandshuwelijk met een groot gevoel voor perfectie

tieplannen op te stellen. Dit gebeurde zeer grondig en

waarbij het ‘oude’ in ademnood lijkt te zijn geraakt.

multidisciplinair maar vooral ‘on-Duits’ in de zin dat

Het beeld van het perfecte en nieuwe overheerst. De

het imperfecte, de bijna twee eeuwen geschiedenis,

historische wortels van het gebouw lijken nauwelijks

de ruimte kreeg. Hier is niets weggepoetst waardoor

bij te dragen aan een toekomstig en vitaal bestaan in

met name het twintigste-eeuwse turbulente leven van

dit Museum der Geschichte.

het gebouw een factor van belang werd. Daartoe is veel (historisch) onderzoek gedaan naar materiaal en kleur dat ten dienste heeft gestaan van een, in feite,

Omgaan met imperfectie

nieuwe schepping door Chipperfield. Het is een combi-

Op een steenworp afstand ligt het Museumsinsel, ge-

natie van restauratie, interventie en nieuw geworden,

plaatst op de Unesco Werelderfgoedlijst. Hier treffen

een ‘authentieke’ schepping gericht op de toekomst

we het Neues Museum, een historisch museum, een

met gebruik van het verleden. Het deels verwoeste ge-

schepping uit het midden van de negentiende eeuw

bouw werd weer één vanuit eigen kracht (resilient).

door Friedrich August Stüler een leerling van Karl Frie-

Het kapotte werd weer heel gemaakt. Waarde, historie

drich Schinkel. In tegenstelling tot het arsenaal aan Un-

en interventie buitelen op haast onnavolgbare wijze,

ter den Linden werd het gebouw tijdens de Tweede

maar wel heel precies, om elkaar heen. Geen newness

66

Spaziergangswissenschaft in Berlijn


or novelty maar wezenlijk ‘nieuw’ met veel bewijslast

ventie van architect Norman Foster. Het gebouw raakte

aan de basis. Van een adembenemende schoonheid

tijdens de periode van de Koude Oorlog in onbruik (tij-

door de gemaakte keuzes van de ontwerper die zich

delijk was hier ook het Duits Historisch Instituut) en

een meester toont in het ‘verhaal’ met veel complexe

werd pas na de val van de Muur herontwikkeld. Anders

gelaagdheid. Hier is geen sprake van een brave restau-

dan het arsenaal zijn historie en toekomst in de inter-

ratie. De rake keuzes betoveren, maar verwarren tege-

ventie van het gebouw intens met elkaar verweven.

lijkertijd, zeer zeker ook de kritische architectuur- en

Anders ook dan het Neues Museum, waar de fijngevoe-

bouwhistorici. Maar de in ontwerp en uitvoering gehan-

lige aanpak werd aangewakkerd door het besef dat de

teerde precisie, de grote mate van betrokken vakman-

traumatische periode van de laatste decennia van de

schap en de politieke en culturele achtergronden leg-

twintigste eeuw in herinnering moesten blijven, is hier

gen hier zoveel gewicht in de schaal dat deze op zich

haast een blauwdruk over het bestaande gebouw ge-

interessante kritiek vooralsnog niet in de schijnwerpers

legd. Dit met uitzondering van de wat kunstmatig ach-

staat. Maar het ethisch debat erover is interessant. Een

ter plexiglas geconserveerde kogelgaten uit de Tweede

exemplarisch moreel dilemma als je je realiseert dat

Wereldoorlog en Russische graffiti uit de DDR-tijd. De

de discussies over waarde en erfgoed in ons eigen land

nieuwe transparante structuur van het plan, goed af-

vaak nog te veel vanuit het historisch perspectief wor-

leesbaar in de doorsnede, is zowel op de schaal van

den gevoerd.

het gebouw als op de schaal van de stad (de glazen koepel geeft zowel uitzicht in het parlement als op de stad) gelegitimeerd vanuit de nieuwe eenheid van de

Het symbool

Duitse Staat. Anders dan in het Neues Museum waar de

Vervolgens langs de Spree naar de Rijksdag, het icoon

in het verleden geslagen wonden materieel nog voel-

van de éénwording van Duitsland met de grote inter-

baar zijn, is hier de immateriële verbeelding van het

Spaziergangswissenschaft in Berlijn

67


herstel van de trots van de Duitse staat afleesbaar. Het

de Muur. Deze context wordt gedomineerd door rest-

energie-neutrale karakter van het gebouw sluit hier

ruimtes die vragen om een visie voor een goede trans-

‘voorbeeldig’ bij aan.

formatie van het gebied. Het is te hopen dat de lessen

Verder wandelend langs de Spree valt op hoezeer,

die uit deze gebouwen te trekken vallen (de enorme

in de nabijheid van de Rijksdag, de transformatie in

gebruiks-en belevingswaarde van deze vroegmoderne

het voormalige tussenland door de aanwezigheid van

gebouwen waarbij de mens centraal staat) als prikkel

de muur, wordt beheerst door grootschalige nieuw-

worden opgepakt in de verdere ontwikkeling van de di-

bouw die het verleden lijkt te overschreeuwen. Haupt-

recte omgeving.

bahnhof Berlin spant de kroon: een enorm knooppunt,

Aan de andere kant van de Muur in de voormalige

een iconisch stationsgebouw van een overigens buiten-

DDR de Karl Marx Allee; een monumentale Oost-Euro-

gewoon interessante grootstedelijke dynamiek, gericht

pese iconische as met een imponerende onmenselijke

op nieuwe verbinding tussen voormalig Oost en West.

schaal en grote anonieme woongebouwen. Ooit ontwikkeld door de DDR en gebouwd door en voor de arbeiders zo luidde het plan. Toen dit niet het geval bleek

Iconen ...

te zijn protesteerden duizenden arbeiders. De opstand

Langs de Muur van weleer de iconen van de Koude Oor-

werd in koelen bloede neergeslagen en dat was het be-

log van Hans Scharoun (de Berliner Philharmoniker) en

gin van de Muur en het IJzeren Gordijn. De huizen wer-

de Neue Nationalgalerie van Ludwig Mies van der Rohe.

den vervolgens bewoont door hoge politici. Na de val

Topstukken van twintigste-eeuwse Moderne architec-

van de muur is het nu dé ideale woonplek voor yuppen

tuur, niet onopzettelijk in de nabijheid van de schei-

zonder dat er sprake is van noemenswaardige transfor-

ding tussen Oost en West. Beide gebouwen zijn van

matie: adaptive (re)-use? Een mini-torso van Karl Marx

binnen ook weer van een adembenemende schoonheid

staat weggemoffeld in een plantsoen.

in een volstrekt verwaarloosde context na de val van

68

Spaziergangswissenschaft in Berlijn


Beladen monument

grote luxe woongebouwen waardoor de betekenis van

De Berlijnse Muur, eens het schrikbeeld van scheiding,

de Muur in de context van een grootstedelijke publieke

dreiging en geweld in een zone van honderden meters

ruimte verloren lijkt te gaan. De vergeten stukken nie-

breed langs de Spree. Op een aantal plekken in de stad

mandsland hebben een hoge potentie als culturele

totaal verdwenen, elders nog voelbaar in wezenloze

hotspots!

restruimte. Verdwenen in de omgeving van de Potsdammer Platz waar de grote schaal van de stad in kantoorkolossen en woongebouwen de overhand heeft ge-

Spiegeling in muziek

nomen. Elders langs de Spree tegenover de wijk

De lenigheid in omgang met historische authenticiteit

Kreuzberg nog waarneembaar in fysieke aanwezigheid

lijkt in geschreven teksten, schilderkunst en muziek

en een grote open ruimte, een groene strook/een Frei-

minder problematisch. Sterker nog: deze zijn vaak eer-

staat die voor veel evenementen in de stad nog steeds

der een pré en maken de muziek alleen maar wezenlij-

bruikbaar is.

ker, interessanter. Bach, Strawinsky en Sjostakovitch

De Muur zelf, over een lengte van meer dan een ki-

zijn daarbij voor de hand liggende namen. Het lijkt of

lometer nog intact, is inmiddels te boek gesteld als be-

de intensiteit van hun muziek, de beleving en de die-

schermd monument. Serieus wordt overwogen de Muur

pere betekenis ervan bij citatie en herinterpretatie al-

aan te wijzen als Unesco Werelderfgoed. Dit leidt tot

leen maar groeien. Mijn recente beleving van het bij-

discussie over de vraag hoe dan? Inclusief de ‘biotoop’?

wonen van de Mattheus Passion in de Berliner

Hoort er graffiti op de Muur? Mag er nog nieuwe graffiti

Philharmoniker van Scharoun bevestigde voor mij hoe

worden aangebracht? Of is de ‘grijze’ muur eerlijker

een eigentijdse bewerking van dit, van oorsprong Pro-

om de conserveren? Een curieuze discussie als je je re-

testantse passiestuk, een enorme verdieping kon bete-

aliseert dat de graffitikunst op de meer dan honderd

kenen voor de toeschouwer. In een bezetting van we-

kilometer lange Muur hier haar eigenlijke oorsprong

reldformaat werd dit stuk niet statisch gespeeld maar

heeft; aan de westkant dan wel te verstaan. Deze im-

als het ware opgevoerd. Door gebruik te maken van de

materiële authenticiteit, van de nog steeds bewerkte

hele ruimte van de zaal als toneel (het publiek zit in

muur die verleden, heden en toekomst lijkt te verbin-

deze immense zaal om het podium heen), theatrale be-

den mag mijns inziens niet lijden onder een klinische

weging van alle musici, bereikte dit stuk een intensiteit

en puriteinse visie die één fase uit de geschiedenis wil

zoals ik dat nooit eerder had ervaren. Historisch waar-

bevriezen. Juist niet hier. De authentieke muur is de

schijnlijk onjuist, werd de muziek als het ware opnieuw

nog steeds te bewerken muur als een analoog facebook

geladen en tot een waar hoogtepunt gebracht. Het ap-

in de publieke ruimte. Ook het beschermen van uitslui-

plaus bereikte een record van circa dertig minuten.

tend de fysieke materie van de Muur zonder de ‘bio-

Het was dus niet slechts mijn eigen observatie; een au-

toop’ geeft ruimte aan ongebreidelde ontwikkeling van

thentieke ervaring.

Spaziergangswissenschaft in Berlijn

69


Ten slotte: De laatste dag nog een bezoek aan het Hamburger Bahnhof, getransformeerd tot Museum. Je kunt hier de vroegere functie alleen voor de geest ha-

Job Roos is Universitair Hoofddocent bij RMIT, Faculteit Bouwkunde, TU Delft en mede-oprichter van Braaksma & Roos Architectenbureau.

len als je de historische foto’s bekijkt. Onderwerp: kunstverzameling The Marx Collection over de ontwikkelingen in de kunst aan het eind van de twintigste eeuw. Het kan geen toeval zijn als ik de titel in het vizier krijg: The Best is Yet to Come, over de innige relatie in de kunst tussen past, present en future. Vervolgens weer in de taxi onderweg naar SchÜnfeld rijden we langs Tempelhof, de enorme footprint van het voormalig vliegveld met de prachtige monumentale stedelijke wand. Het nog onaangeraakte gebouw en haar landingsbanen zinderen van tijdelijk gebruik; een handreiking voor betekenisvolle transformatie?

70

Spaziergangswissenschaft in Berlijn


Architectuur is altijd een gebonden kunst geweest, dienend aan de gebruiker. Daarom zijn eenmaal opgeleverde gebouwen - binnen zekere constructieve en esthetische kaders – veranderbaar in de loop der tijd. Ook bij monumenten zijn de gebruikswaarde en de veranderbaarheid voortdurend aan de orde. In restauraties of renovaties wordt pas geïnvesteerd als er redelijk zicht is op een duurzaam, in de zin van langdurig, gebruik in de naaste toekomst. De eisen van vandaag vergen aanpassingen in de bouwwerken van gisteren of van eeuwen terug. Die interventies kosten geld, maar soms ook verlies van oorspronkelijke monumentwaarden. In de afgelopen decennia is het accent meer en meer verschoven van het traditionele restaureren naar het vormgeven van het nieuwe, onder de noemer ‘Re-Architecture’. Daarbij komt wel eens de vraag op hoeveel er na de interventie nog van het oorspronkelijke monument over is gebleven. Soms kan een monument een architectonisch sterk contrasterende toevoeging nauwelijks verdragen. In andere gevallen blijken de marges voor modernisering veel ruimer te zijn. In de praktijk blijkt er veel onduidelijkheid te heersen over de ruimte die er is voor verandering. Voor opdrachtgevers en ontwerpers is de hoofdvraag welke veranderingen toelaatbaar zijn. Zij

zoeken letterlijk en figuurlijk de ruimte voor verandering in het gebouwde erfgoed, maar missen vaak het instrumentarium en het vocabulaire om de zoektocht te beginnen. Daarom is er behoefte aan een nieuw begrippenkader voor architectonische interventies, naast het al bestaande voor het restaureren van monumenten. Het begrip ‘culturele draagkracht’ lijkt door de combinatie van drie associatievelden – cultuur, maatschappij, natuurkunde – altijd een aanknopingspunt te bieden voor een gesprek over de kracht en kwetsbaarheid van een monument en zijn directe omgeving. Maar er bestaat nog geen eenduidige definitie van dit begrip. In een tiental bijdragen laten auteurs van verschillende disciplines hun inzichten en ervaringen spreken over de mogelijke betekenis en bruikbaarheid van ‘culturele draagkracht’ bij discussies over architectonische interventies. In het verlengde hiervan ligt ook een ruimere interpretatie van het begrip duurzaamheid dan alleen het energiezuinig maken van reeds bestaande gebouwen. Feitelijk is de zoektocht naar de tolerantie voor verandering bij gebouwd erfgoed al lang begonnen. Het begrip ‘culturele draagkracht’ behoeft hiervoor een theoretische verdieping en een nadere omschrijving, al dan niet in relatie tot weerstand en bezwijklast.

ISBN 978-90-5269-415-3

9 789052 694153

Delftdigitalpress


Culturele draagkracht