Skip to main content

Pv 1997 ca nl Het geluk van het schilderen [m fi 624]

Page 1

1

Het geluk van het schilderen Le sommeil de la raison (nom de dieu!) 1997 (?) Genoteerd van origineel / klad

De laatste jaren ben ik me meer bewust geworden van het thema. Ik schilder veeleer thema’s dan motieven. Niet alleen het ‘hoe’ is nog van belang. Het ‘wat’ veeleer. Tenslotte schilder ik meer mijn (of ‘de’) ‘condition humaine’ en haar symbolen, haar fundamentele symbolen. Schoonheid boeit me, maar prikkelt me minder dan geladenheid. Een naakt zal me erotisch treffen om het als motief voor een schilderij te gebruiken en erotisch geladen wordt het een thema. De thema’s, symbolen en motieven die ik gebruik, liggen op de bodem van mijn ziel en dringen zich aan mij op. Vraag me niet iets anders te schilderen. Ik kan geen opdrachten aan, hetzij misschien het portret; ik hoop te eindigen als portretschilder. Misschien is dat het enige thema dat de schilder kortstondig uit zijn eenzaamheid kan halen? Ik denk dat het portret de subliemste dialoog is dat de schilder kan voeren met zijn model. Schildert de schilder zichzelf? Schildert de schilder altijd een zelfportret, zelfs al is het thema een kruisiging. De schilder ís zijn thema. En elk motief is een symbool. Je schildert geen zwaard om een hoek van het schilderij in evenwicht te brengen. Je schildert een rood zwaard om een moord te plegen of om iemands (je eigen?) hand af te hakken. Je schildert het omdat je niet anders kan. Op dat moment ga je geen drie appelen schilderen. Je hakt die hand af! Schilderen om te schilderen is zinloos. Mijn schilderij is slechts een support, een tafel, een strijdperk, soms een scène. Wat zal die support dragen: Verf? Mijn ziel? Mijn ziel in de verf? Mijn ziel in de verf. Mijn ziel in de verf. Ik hou van de compactheid van het beeld als uitdrukkingsmiddel. Ik hou van de eenvoud van het beeld als uitdrukkingsmiddel. De snelheid waarmee je het beeld kunt opnemen en uitdragen; en het enorme krachtige mysterie van het onzegbare dat getoond wordt. Het mysterie vervult me; een mens kan niet leven zonder mysterie. Een mens vreest god, als mysterie. En hoe meer hij weet, hoe technisch en wetenschappelijk begaafder, des te meer blijft het mysterie een wonderlijke kracht uitoefenen op hem. Een schilder zonder mysterie is geen schilder. Een schilderij zonder mysterie is een prent, een versiering. Schilderen is het poneren van het mysterie. Als je naar het schilderij kijkt, kijk je erdoor, erachter, waar het mysterie is. Eigenlijk kijk je dan naar jezelf want jij staat in het schilderij, achter het schilderij. Eigenlijk zie je het schilderij zonder te kijken naar het doek en de verf, zoals je bij Mozart ook niet naar violen zit te luisteren. De materie mag niet opvallen, het ‘hoe’ moet evident zijn. Hoe de verf tot leven wekken, die stompzinnige, gekleurde brei? Hoe kan ik haar mijn ziel laten vertalen? Wanneer gebeurt het? Wanneer wordt de modder licht? Het licht en de modder. De ziel en het hart van de schilder.


2 Het licht moet mij verblinden, door de modder moet ik kruipen. Hoe lang duurt het dat ik dat kan vertalen? Hoe oud moet ik worden? En zal ik de tijd hebben, zal ik lang genoeg leven, en gezond en lucide blijven? God, ik schiet altijd tekort. Elk schilderij gaat net niet ver genoeg; alzo moet ik het steeds hernemen. De bevrediging is zó kortstondig. Ik moet verder, verder, verder. Het geluk is van geen tel. De hel is nooit te ver. Er is meer moed nodig dan talent en een schilder zonder mysterie is geen schilder. Er zijn zoveel schilderijen gepasseerd op één doek; verdwenen visies, overschilderde beelden. Waren ze groots? Was ik blind en vernietigde ik ze? Of waren ze inderdaad slechts goed genoeg om een brei te vormen waaruit het licht moet ontstaan? Wie zal mijn twijfels ooit zeggen? Geen levend wezen kan of mag me ooit leiden. Wie kan de idiotie en de eenzaamheid van de schilder vóór zijn doek ooit verlichten? De woede van Prometheus tegen de goden. En toch hoort het zo. God ook stond alleen in het scheppingsverhaal en hij was er slechts een woord(?). Ik ben een man, een mens, een dier, een landschap, het licht, de modder. *** Donnez nous, seigneur, la lumière. (Thérèse van Avila) *** Ik schilder omdat ik op die manier – voor mij de enige – mijn wereld tot stilstand kan brengen. Er is natuurlijk een therapeutische kant. Een meditatieve kant en ook een activiteit van ‘het zich verplaatsen in zich’. Dat zoek ik op díe manier, door te schilderen. Lang heb ik gedacht dat je dit evengoed kon bereiken met te tuinieren of te biljarten, maar er komt bij het schilderen toch een aspect bij: dat van een totaal individueel en intiem terrein te verkennen en van daaruit iets – dat nooit bestaan heeft – als ’t ware te kristalliseren. Iets toevoegen aan. Iets dat onvoorspelbaar was, nutteloos en toch ergens onontbeerlijk – eens dat het er is -. Er bestaat toch een verschil tussen een prachtige tros rapen en een prachtig schilderij; ook bestaat er een verschil tussen een uniek biljarter en een grandioos schilder. Al is het maar om de impact van het eindproduct, van hun creatie, op het leven en van hen die ervoor disponibel zijn. Laat ons het zo stellen dat tuinieren of biljarten mij altijd deugd gedaan heeft, maar dat schilderen me beter, vollediger gemaakt heeft. Daarom kan ik het ook niet missen. *** Schilderen is mijn enige mogelijkheid om soms enige greep te hebben op de tijd die voorbij raast en mij als zand door de handen loopt, zonder niets na te laten dan wat onrustige herinneringen die ook verdwijnen tenslotte. Met de tijd verdwijnt alles. Uitgenomen misschien het nagelaten teken, het schilderij. Dat schilderij zal zich ook losmaken uit de tijd, als het goed is tenminste; maar toch besef je dat, op een bepaald moment, je greep hebt gehad om het te maken, dat je iets geraakt hebt dat fundamenteel is en dus niet onderworpen aan de vergankelijkheid van het dagelijkse leven. Een moment eeuwigheid. Zo raast mijn leven door van het ene schilderij naar het volgende en bij elk werk staat mijn wereld even stil en dat vage, maar toch overrompelend gevoel dat je plots na veel ploeteren tegen de tijd en de wetten in, iets raakt dat buiten die tijd en wetten


3 staat. Iets onuitsprekelijks, maar toch fundamenteel waarachtig en vrij, brengt mij een kleine overwinning over die goden die ons absurd lot bepaald en bezegeld hebben. Is een goed werk een geschenk van de goden of een overwinning op de goden? Verder interesseert het eeuwig leven mij geen bal. Ook niet voor mijn werk. Maar nu, terwijl ik leef, even de eeuwigheid raken, en daarna het schilderij loslaten. Verder: VIVA LA MUERTA. *** Considérez que nous ne nous connaissons pas nous-mêmes, que nous ne savons pas ce que nous dérirons, que nous ne soupçonnons pas ce que nous demandons. Donnez nous, seigneur, la lumière; considérez qu’elle nous est plus nécessaire qu’à l’aveuglené qui désirait voir clair et ne le pouvait pas. (Thérèse van Avila) *** De incapaciteit tot schilderen en de weerzin van het schilderen kunnen mijn motor worden om bijna blind van twijfel en wanhoop me in het werk te storten. Het mij onderdompelen in het schilderij, alhoewel het mij uitspuwt en vernedert en me tart met niet te willen tot leven komen, tot licht komen, de wanhoop is dan zo groot dat de schilder wanhoopsdaden stelt op zijn doek, losgeslagen, geen rekening houdend met iets, weg, tot alles bereid om het licht in het doek te kunnen wringen; dan gebeurt soms iets, iets vreemds op het doek, iets wat de schilder tot stilstand dwingt tot hij beseft dat hij weer iets raakt, een klein stapje vooruit is geraakt; omdat door zijn weerzin, zijn frustratie, zijn woede, zijn verdriet het niet te ‘kunnen’, de wereld rondom hem weggevallen is en hij geschilderd heeft vanuit een absolute blinde leegte, dat zijn hart dan geworden is. Als het hart leeg is, kan het schilderij komen. Er is geen muur meer rondom het hart. Er is geen willen meer, geen kunnen meer, alleen nog maar het doen. Schilderen is sublimeren van mijn weerzin, mijn incapaciteit, het verloren gevecht tegen mezelf. Ik ven zelf de engel geworden. De eenzaamheid is totaal geworden. De weerzin een verschrikkelijke motor. *** De weerzin buiten het atelier dwingt mij soms naar de weerzin in het atelier. Ik heb nooit geschilderd voor het plezier van het schilderen. Ik ben altijd gedwongen geweest het te doen om mijn onverwacht, mijn beklemming, mijn getroebleerdheid t.o. de wereld buiten het atelier te verwerken. Het is me helemaal niet om de schoonheid te doen, alhoewel die automatisch zich ermee komt moeien en altijd aanwezig is als het schilderij af is. Maar de schoonheid heeft zovele gezichten. Ze is een prachtige hoer, voor wie haar bemint. En tenslotte blijkt dat ze, gelukkig, een hersenspinsel is. Ze is hoogstens een attribuut, een adjectief en plooit zich open voor wie haar wil berijden. ***


4 De schoonheid, de weerzin van de schoonheid. De zoektocht naar een andere schoonheid. *** Schilderen om het ‘bedwingen van de demonen’ en het ‘aanvaarden van de ellende’. (Het begrijpen van de ellende en het ‘verwerken’ van de ellende.) Ik ben een man van demonen. Mijn bezigheid en opdracht is die demonen in mij te temmen, in te tomen en toch te bevredigen. Mijn techniek daarvoor is het schilderen. Het schilderen geeft me de moed, de grondigheid, de kracht om het aan te kunnen. Het schilderen legt heel wat zaken in mij bloot die ik wellicht liever niet zou zien, de leugens, de ijdelheid, de lafheid, de slechte wreedheid, de luiheid, weekheid. Het schilderen kerft die kwallen van mijn ziel open, het voedsel voor mijn demonen. Door mijn zwakheid te zien, mijn lafheid te ervaren, te beseffen dat ik leugens zoek, dat ik poog te ontsnappen, trekt me, via mijn gevecht met het doek, de ogen open. Schilderen maakt me meer mens, niet beter maar dieper mens. De demonen vluchten ervoor. Ook zij die ’s nachts op mijn hart zitten, op mijn lijf drukken en het doen zweten van walging en angst, mij verlammen, terwijl de wereld hallucineert van wreedheid, geweld en verdriet, en wellust ondanks dat alles, voor mijn opengesperde ogen voorbijflitst. Die demonen, als ik schilder, verdwijnen niet, maar verbergen zich diep in me, wachtend op een volgend moment van domheid, om terug aan te vallen. *** De bedwelming van alcohol, van seks heeft me zoveel gegeven en evenveel vermassacreerd. Waar seks het schilderen compleet vervangt als uiting, als bevrediging, als overwinning op tijd en ruimte, als vervollediging, als voltooiing van het onvolledige man zijn, laat het mij geen plaats meer over voor het schilderen. Seks en schilderen zijn evenwaardige krachtbronnen; seks consumeert zichzelf op het moment zelf en net als bij het schilderen is de bevrediging intens, maar hier voortduring. Terwijl een schilderssessie een doek oplevert dat een schakel kan zijn in een vooruitgang op artistiek vlak, is seks een moment zonder gevolg, een stillen van een honger. En toch hebben seks en schilderen zoveel gemeen. *** Wat alcohol me gegeven heeft aan flitsende luciditeit, avontuurlijke risico’s, blinde en soms waanzinnige moed, aan het helpen openscheuren van vliezen gespannen over emoties, aan het bevrijden van goede en slechte demonen uit de kooien van mijn ziel, heeft ze me geholpen roekeloos over grenzen te trekken, grenzen die ik niet zag. Alcohol verhoogt mijn wanhoop, maakt mijn crisissen scherper, pijnlijker en heft me over een pijngrens heen. Dat heeft me in sommige werken geholpen. Anderzijds neemt de alcohol krachten uit me en verdraait op lange duur mijn wereldbeeld, zodat mijn luciditeit – opgebracht door alcohol – toegepast wordt op een – door de alcohol – fake wereldbeeld, wat me terug in de klauwen van de demonen duwt.


5 Het zijn vreselijke ups en downs die me tenslotte altijd als een gevloerde bokser achterlaten. Alcohol houdt de werken niet tegen. Soms helpt ze op een gewelddadige manier, maar op lange duur vernietigt ze door uit te putten, door te verdoven, door me te verslijten. *** Tenslotte komen de werken die er moeten zijn er toch. Niets houdt ze tegen buiten zware ziekte of dood. In slechte en trieste levensomstandigheden heb ik soms betere werken gemaakt dan in periodes waar het geluk met opengesperde benen in het gras lag. De demon van de wanhoop kan een engel van de wanhoop worden. En die helpt me de wanhoop te gebruiken. Dat vergt een grote innerlijke kracht, mijn laatste kracht. Na die kracht ligt de nacht, de laatste nacht, de zwarte nacht. Tot hiertoe heb ik het altijd gehaald. Het schilderij is er altijd gekomen, zelfs uit de zwartste wanhoop. Maar dikwijls is het nipt. De dag dat ik er niet meer in slaag van de wanhoop mijn motor van mijn schilderen te maken, zal ik sterven, en terecht. Er bestaat geen andere oplossing voor me, geen eerbare oplossing. *** De demon van de wanhoop De engel van de wanhoop De demon van de twijfel De engel van de twijfel De demon van de tijd De engel van de tijd De demon van de luciditeit De engel van de luciditeit De demon van het leven De engel van de dood *** Schilderen is omgaan met je engelen en je demonen. *** De eenzaamheid als bron van veiligheid is een leugen. De onveiligheid brengt eenzaamheid. Een eenzaam schilder schildert in onveiligheid. Eenzaamheid heeft een mobiliteit, een onverschrokkenheid, een roekeloosheid van hem (de schilder) die alleen voor zichzelf verantwoordelijk is. Ik geloof niet in kunst in groep of iets dergelijks. De schilder is een eenzame wolf en hij trekt alleen de wouden in. Hij hoeft tegen niemand verantwoording af te leggen, wรกรกr en waarom dรกรกr hij het gaat zoeken.


6 Intuïtie, instinct, kortom zoektochten via gevoelsmatigheid, zijn elementen van eenzaamheid. Een eenzaamheid die vanzelf komt als de wolf het woud binnengedrongen is. De onherkenbare stilte, het onontwaarbare licht, de onzichtbare weg, het onbekende doel, de nooit aangeleerde manier, kan alleen in eenzaamheid. De eenzaamheid is de pijn en het geluk van de schilder. Het is zijn wapen, zijn prijs, zijn geschenk van en voor de goden. Hoe zou ik het schilderen zonder eenzaamheid, hoe kan ik in die onlogische waanzin iemand betrekken, die me toch maar tot last zou zijn? Hoe kan iemand in mijn weg een weg herkennen? Het is waanzin die tot een flits van gebalde luciditeit leidt. *** Schilderen of het ontsnappen aan de wetten of het beseffen van het niet bestaan van de wetten. *** Schilderen heeft niets te maken met geluk of ongeluk, waarheid of schoonheid, zelfs niet met creativiteit of scheppingsdrang. Schilderen heeft te maken met overlevingsdrang, met blijven leven. Verder nog met het vermeerderen van het leven, door de wetten onbestaand te maken. Wetten zijn voorbodes van de dood. De vaandels van de oprukkende dood., hetzij door hun logica, hetzij door hun nut, hetzij door hun evidentie; toch vernietigen ze altijd een deel van onze waarde als mens. Een kunst die gebukt gaat onder of beantwoordt aan wetten is een onvolwaardige kunst, een laffe kunst die veiligheid zoekt. Ik hou meer van een mislukt schilderij die van moed getuigt in zijn mislukking, dan van een perfect product, beantwoordend aan de eisen van een of andere stijl of school. Ik hou van de moedige mislukking. Een moedig schilder is grootser dan een geslaagd talent. De generositeit ligt in de moed, niet in het talent. We hebben veel meer moed nodig dan talent. Talent (in de zin van ‘aanleg’) is het hulpje in de keuken. Als het hulpje niet komt opdagen, wordt er harder gewerkt en aan het resultaat merkt men zijn afwezigheid niet. *** Doctrines zijn een pest. *** Van Gogh, c’est le malheur de peindre Renoir c’est le bonheur de peindre (A. Malraux) ***


7 Schilderen uit waardigheid, menswaardig bestaan. *** De goden waren zo cynisch van ons de woede te geven., om ons alzo af te reageren van het verdriet over onze absurditeit en onvolmaaktheid. Wij kunnen slechts schelden en tieren en onze vuisten opsteken naar boven. De goden schateren het uit van ons zo tekeer te zien gaan. Is er een wreedaardiger lot dan een definitief lot? Mijn woede is oneindig omdat mijn absurd bestaan definitief is. Daarom willen mijn schilderijen ook beledigend zijn, wraaklustig en hatelijk. Ze zijn de scheldtirade van Prometheus op zijn rots geklonken. Geketend, gevild, geradbraakt, maar ongebroken. Het enige waar ik meester over ben is mijn vuur. Dat kan ik niet laten doven. Het is het goddelijke in me, het is mijn kracht en mijn wil. Zolang het brandt ben ik levend en een doorn in het oog van de goden. De woede kan me niet ontnomen worden. Ze is inherent aan mijn lot, mijn menselijk lot. *** Statistisch gezien ben ik ruim voorbij de helft van mijn leven. De dood zie en voel ik elke dag wat minder onbekend, wat minder ver. Maar het fascinerende aan haar is dat ze onontkoombaar écht is: t.o. een leven meestal gevuld (uit angst voor het beeld van de dood, uit camouflage ervoor) met onze ijdelheden, tourmenten (?), frivoliteiten, grote en kleine catastrofen allerhande, kortom dé chaos. Daar waar de dood de orde bij uitstek is. Het niets, de leegte, het afwezig zijn van alle bestaan. En wat is schilderen anders dan een daad van symbolische orde scheppen in de chaos. Lang heb ik in mijn puberale branie ‘geloofd’ dat schilderen dé remedie tegen de dood was, tegen het verdwijnen, nu besef ik dat ze mijn leidraad is, mijn gids naar de dood. Dat is een grote openbaring voor me. Laten we dus het schilderij leven, het schilderij maken, het schilderij vergeten. *** Zonder verwachting, valt de schaamte niet te dragen. *** De subversiviteit van de schilder of de kunstenaar in het algemeen ligt in het feit dat hij continu systemen verlegt. Systemen afbreekt en opbouwt. Systemen weigert en systemen oplegt. Maatschappelijk is dat onduldbaar. Ontsnappen is altijd de droom, dwangidee of de natuurlijke behoefte. *** De grote afbraak ***


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Pv 1997 ca nl Het geluk van het schilderen [m fi 624] by LIGHTMACHINE agency - Issuu