Page 1

1

Over het schilderen 1991 (?) Genoteerd van origineel / klad

Eigenlijk is schilderen een manier om zijn oorspronkelijke volledigheid terug te vinden. Een goed schilderij – wat het motief ook zij, hoe eenzijdig en anekdotisch, dus beperkt het onderwerp ook zij – drukt de schilder in zijn totaliteit, zijn volledigheid uit. *** Ik ben een gezegend man. Ik ben een man van demonen. Met mijn schilderijen tracht ik die te bezweren, te beteugelen, vast te ketenen. Ik schilder dus de weerzin; de weerzin van het schilderen. Het delirante gevecht. *** Ik hou van porno. Van het extatische ervan en (dus) het subversieve ervan. Porno is de demon van de erotiek, het extremisme ervan boeit mij, windt me op, net zoals extremisme in de politiek me boeit, mateloos meer dan de centrum politiek. Porno is frontaal, ongecompliceerd, eenvoudig, agressief, plastisch enorm geladen en bruikbaar. (Ulrike Meinhof heeft trouwens nog in pornofilms gedraaid.) *** Ik wil de kijker, de toeschouwer, de bezoeker niet helpen. Ik denk nooit aan hem. Hij bestaat niet in mijn creatief proces. Ik wil niet communiceren met hem. Hij mag sterven. Het laat me koud. Hij zoekt iets in mijn schilderij. Als hij sterk is of disponibel of bereid tot offers, kan hij er zichzelf in zoeken. Dat is zijn trip. Daarom geef ik geen titels aan de werken, geen poortjes op een kier, geen wenk. Ik geef het schilderij. Aan wie? Aan niemand. Ik maak het en ik laat het achter. Ik geef genoeg, geen extra’s, geen uitleg, geen bisnummers. Wat ze ervan maken, dringt niet tot mij door. *** Kunst om de kunst, of nog erger kunst over de kunst, kunst als kritiek op de kunst, wat zielig. Wat een verveling, wat een impotentie, wat een hersenspinsels. Kunst, voor zover zo’n woord iets dekt of bedoelt, kan alleen een uiting zijn van een reactie op het leven. Dat kan helpen (verder te leven). Al de rest is inteelt, incapaciteit tot leven, incapaciteit tot reageren erop. Kortom lafheid. ***


2 Een schilderij is een plastische vertaling van het vaak onzegbare. Als je een wonde schildert, of een wonde maakt op je schilderij door een gekartelde kras te trekken in de materie, of een scherpe snee te maken tot in het doek, dan ís dat de wonde, het symbool van de wonde, de pijn. Het gaat niet om welke wonde, welke pijn? Het gaat om alle wondes, alle pijnen. (Zelfs al worden ze geschilderd of gekerfd op een Christusmotief.) Dat boeit mij: direkte uitdrukking, het ... (?) en toch fundamentele, het allesomvattende. De wonden van het Christusmotief zijn al onze wonden. *** Kunst gaat over kwetsbaarheid. *** Ik, de schilder, heb niet veel tijd. Al mijn tijd heb ik nodig, zelfs al schilder ik effectief slechts 2-3 uur per dag. Geen tijd meer om stil te staan, omwegen te gebruiken, camouflages te leggen. *** Tout ceci n’a pas plus de sens, que le bruit d’un train qui passe. *** Gisteren, 14 december bij Veranneman, de vrouw van een collectioneur: Wij kopen alleen daar kunst, waar we onze wagen makkelijk kunnen parkeren. Denkt u niet, meneer Vandenberg, dat het goed is voor een galerie een ruime parking te hebben? Denkt u niet dat dat scheelt? *** Het is vreemd: je zoekt iets, waarvan je niet weet wat het is, maar waar je toch vaag naar streeft en toch mak je iets dat totaal anders is dan hetgeen naarwaar je streefde zonder het te kennen. En toch drukt het resultaat datgene uit waarnaar je streefde. Het onbekende is fascinerend en toch verzet je er je instinctmatig tegen. Dierlijke reflex? Behoud van de veiligheid dat het gekende inboezemt? Lafheid kortom. De sprong in het onbekende is een sprong zonder valnet. *** La peinture est un moyen pour atteindre le mystere; mais le mystere est aussi un moyen pour atteindre la peinture. ***


3 Mijn schilderijen gaan niet om het schilderen op zichzelf. Ik geloof niet meer in de peinture peinture sans plus. Het is een vrij zinloos concept, maar met mooie resultaten. Dat is al. Beeldt u Goya in als peintre, schilder, zeker, maar hij is nog veel meer. Een schilderij dat alleen maar om verf gaat, puilt uit van saaiheid. Een schilderij is daarenboven een getuigenis van een mens in zijn totaliteit en een zoektocht naar de magie, de macht van de magie (hier door het beeld) en een zoektocht naar het mysterie, het onzegbare en het onzichtbare, maar dat we allen in ons dragen. Vandaar dat we ‘echte’ schilderijen altijd herkennen. We herkennen er onze eigen mysteries in. Daarom vinden we een werk sterk, of geslaagd, of mooi of wat dan nog, maar deze beoordelingen uiten de graad van intensiteit van onze herkenning in het schilderij. Zo hangt dit natuurlijk af van de kwaliteit van het schilderij, maar ook van de disponibiliteit van de kijker. *** Ik weet heel goed waarmee ik bezig ben en toch weet ik helemaal niets. Ik weet helemaal niet waar ik naartoe ga of moet gaan. Het gebeurt. Het gebeurt op een catastrofale manier. Het is een catastrofe. Ik ben een schilder van de catastrofe. Trouwens, “het schilderen dat ik kan” (het ...?) interesseert me niet; alleen het schilderen (of de zoektocht) die ik net niet aankon, zuigt me op. Het ploeteren in het moeras. Het baggeren. De weerzin en de overwinning op de weerzin. De schat op de bodem van het meer. De duik in het onbekende (meer of moeras). *** Ou finit l’imagination, la folie peut commencer. Mais quelle folie? *** De eenzaamheid, de extreme eenzaamheid kan de schilder helpen. Daar is de schilder een held. Het heroïsche ten gevolge van de eenzaamheid. Prometheus vastgeketend op zijn rots. Instinctief verwerp je die eenzaamheid, of treur je erom. Maar als je ze tot bontgenoot kunt maken, zal ze je helpen, je zuiveren, je helder maken, maar ook heel, heel kwetsbaar. Wie is kwetsbaarder dan de eenzame schilderen wie is sterker dan de eenzame schilder? Het is niet de eenzaamheid vóór het witte doek, of de eenzame stilte van het atelier, maar de fundamentele eenzaamheid van de levensvisie, de levenshouding, die de schilder ‘maken’. Vroeger dacht ik dat ik schilder was geworden uit revolte, uit vrijheidsdrang – de romantiek van de ‘hors la loi’ – maar het is de ‘geboren eenzame mens’ die schilder geworden is. De eenzaamheid leidt de man naar het schilderen, voedt zijn schilderen, is zijn schilderen. De man kan niet bestaan zonder die eenzaamheid. Ze is zijn ziel. ***


4 En dan zijn er de vergissingen, de ijdelheden, de ‘fausse-routes’, de leugens en dus de vulgariteiten. Hoe moeilijk is het al die ‘pièges’ te beseffen. Er zijn zoveel zielen in mij, zoveel dromen, zoveel ‘persoontjes’ die allen iets bieden, iets vragen en bevredigd willen worden. Ik kan ze niet allen in vrede doen samenleven in mij en het is een chaos, een catastrofe, een oorlog in mij. En ergens wringen ze zich ook allen door mijn penseel op het doek, waar het weer een oorlog wordt, een veldslag in een moeras. En toch, misschien is er niets anders dan al dat getormenteerd en molesterend geweld en hunkering in mij. Ik ben dat allemaal. Maar de helderheid is soms zo moeilijk te vinden. De hemels van mijn ziel zijn overvol wriemelend zwart en rood. Een slagm een oorlog, doorlopend. Le rouge et le noir, de hemels van Ensor, de hemels van Bosch, de hemels van mijn ziel. Soms, soms is de hemel ook heel wit, schitterend verblindend wit, maar in de verte voel je de andere kant, je hoort een echo van het verre geraas, die plots kan losbarsten. De donkere kant, mijn donkere kant, de nachtzijde van mijn ziel. Kan ik vrij zijn? Ben ik vrij? Vrij om een schilder te zijn? *** In hoeverre heeft de schilder de communicatie nodig. Als jonge schilder was mijn communicatiebehoefte via mijn werk heel gericht en expliciet. Ik zou de mensen met hun snuit in het schilderij gedraaid hebben. Nu verdwijnt dat. Ik weet zelfs niet meer of communiceren mijn doel is, wellicht niet. Ik maak die dingen en laat ze gewoon achter. Zoals een bron water spuit zonder de bedoeling dat ervan gedronken wordt. Zij die dorst hebben zullen ervan drinken. *** De steeds grotere aanwezigheid van de dood – door het ouder worden – de onontkoombaarheid ervan en het steeds sneller vervliegen van de tijd, laten de schilder steeds minder keuze, minder tijd; alle koketterie valt weg, alle omwegen, alle kunstigheden. Kortom, hij doet het dan niet meer om de kunst, om de boodschap, om de liefde, of ik weet niet wat. Hij begrijpt plots de absurditeit van zijn eigen bestaan, zijn eigen heroïek (al is die evident). De punt van het mes drukt eindelijk op de keel. Er is geen tijd meer om te verliezen. Nu staat alles zuiver. Hard, eenvoudig, fundamenteel. De dood is een goede dwang. De goede dood. Haar aanblik doet de meester geboren worden. (Trouwens ook het leven wordt intenser door de onontkoombaarheid van de dood, zo ook het werk.) *** Pour que le genie aprilse, il faut cesser de plaire. De schilder heeft maar 1 gevecht. Het gevecht met zichzelf. Het publiek is er niet in betrokken. Het bestaat niet op dat niveau. ***


5 Waar is het goddelijke in mij? Aanvaard ik het goddelijke in mij? Zou die aanvaarding mij beter, gelukkiger maken? Wat een knoeiboel is het tot hiertoe geweest. (...?) Mijn ‘dag & nachtelijke’ kant, licht en schaduw, waarbij de criteria van de nacht, de schaduw niet die van de dag, het licht zijn. Ik ben mij bewust van die enorme gespletenheid in mij. Toch lijkt het me dat de nacht, de zwarte kant, hoe pijnlijk ook, veel vrijer, veel waarachtiger, veel intenser is, en ook veel intiemer, meer gesloten, geheimzinnig, ook voor mij. Mocht ik een en al donker, een en al schaduw worden, een en al nacht, zou ik in leven blijven? Ik graaf dieper in de nacht, in de schaduwzijde,; maar het is niet te dragen, alhoewel het me helpt, me sterker maakt; maar ook uitput. *** Ce n’est pas le doute qui rend fou, c’est la certitude (Nietsche) *** Het catastrofale in het schilderen is een uiting van het catastrofale van het leven. Tenslotte gaan we tekeer tegen de dood. Het schilderen tegen de dood (de dood van het licht); maar je schildert natuurlijk altijd over de dood, de dood als verlossing, de dood als onrecht, de dood als absurditeit, de dood als evidentie, de goede dood of de slechte dood. Ik denk dat datgene mijn grote drijfkracht is om het te doen, die tenslotte tevergeefs, moeilijke, soms ecoeurante bezigheid van het schilderen. Un stupide bras de fer avec la mort, la fin. Je zou kunnen schrijven: ‘Je peins, donc je suis.’ Het heroïsche van het schilderen en de generositeit ervan – tenslotte zijn helden absurd – ligt in haar strijd tegen de domheid. De domheid als oorspriong van het kwaad in al haar vormen. Een goed schilderij verplettert de domheid zoals de aartsengel de draak. Schilderen is dus altijd een daad van verzet tegen de condition humaine, waarmee we - sinds de nacht waaruit we geboren werden en waarin we, ondanks al onze tevergeefs pogingen, altijd terug in verdwijnen - worstelen als idiote helden. Het verzet tegen de fysieke en psychische dood. ***


6 Ik weet niet wat me sterker maakt: het zich verzetten tegen of het aanvaarden. Het is een twijfel waar ik niet uit geraak. Soms put het verzet me uit, verslijt me, doodt me langzaam; soms geeft het me een enorme energie, een vuur, een lust. Het aanvaarden kan me tot een rust brengen, die me ook krachtig maakt, de kracht van het stilstaan, zoals een boom, een berg, een strakgespannen hemellucht. Het aanvaarden kan me ook loom maken, lui en soms laf (de lafheid kan het aanvaarden in de hand werken), zodat ik dan weer wat sterf, als een laffe, smerige hond. Zo is elk schilderij, elke tekening die ik maak een beeld van mijn leven en een beeld van mijn houding t.o. ‘het’ leven. Zo zal ik ook de heldhaftige en laffe werken maken; verzets- en aanvaarding schilderijen; lucide en domme werken. Werken van het licht en werken van de duisternis. Werken van grootsheid en werken van verslagen kwetsbaarheid. Werken waarin je weet dat je vooruitgang boekt, bressen in de ons omringende en verstillende muur brengt met zware slagen en werken die je terug achteruit duwen in de halve duisternis waaruit je tracht te geraken, tot aan je middel in het moeras. Het slechte moeras. Tenslotte is schilderen het zich wringen uit het slechte moeras, het zich slepen naar het goede moeras om erin te verdwijnen, maar de meesten blijven op het veilige stevige no-man’s-land staan tussen de twee moerassen, waar de dood zachter is; de domme dood, de zielige dood, de laffe dood. De schilder die het goed moeras bereikt en erin verzuipt, is de meester. De goede modder dat het schilderij wordt. Het ultieme, het grootste tot wat een schilder in staat is. De weg is lang en de schaamte lacht mij met haar rotte stinkende mond toe, alhoewel ze mij helpt. De schaamte over mijn lafheden, mijn zwaktes, mijn verraden, mijn ijdelheden, kortom mijn domheid, die ik als een ribambelle van kletterende en rammelende aaneen gebonden potten en pannen aan mijn rug (of is het mijn staart) vastgebonden, achter mij aansleep. Hop! Op avontuur, hop altijd verder! Soms jankend als een hond, soms ijdel als een idiote ridder, soms brandend als een vloekende en tierende Prometheus, rond mij schoppend en hakkend als een waanzinnige, eenzame Spartacus, ingesloten als de legers van Rome. *** Lossen, lossen, laat de dingen los. Het vreselijke van het schildersproces is dat naarmate je principes vernietigt (wat je moet doen vrij verder te geraken), je nieuw principes opbouwt zodat je schijnbaar meer vrij(?) schildert. Altijd poneer je iets dat je dan in een volgend stadium tot last wordt en je weer (soms met het tegenovergestelde principe) moet vernietigen. Je herrijst continu uit je eigen as. De phenix. De schilder is een phenix. De weg die je vandaag haat, zal je morgen helpen, op een andere weg te brengen. Maar net zoals het leven, is het schilderen een lijnstuk gesneden uit een oneindige rechte. Het gemaakte schilderij blijft (leven?), maar de schilder sterft en zijn evolutie, zijn zoektocht stopt. Het werk wordt onbeweeglijk, als plots vast gevroren op een bepaalde hoogte in een onmetelijk diep en wijds meer. Het werk blijft onaf, en toch beëindigd en toch soms oneindig. Maar wat betekenen voor ons principes als oneindigheid, een fantasie, een hunkering, wat science fiction. Wij zijn honden en met de staart om onze aars gespannen, tot diep tussen onze poten tonen wij met gekromde, geslagen rug onze tanden; onze tanden soms vlijmscherp en flitsend in het licht; soms rottend en zwart, amper te ontwaren in de diep stinkende holte van onze muilen. ***


7 Hoe vrij is de schilder, gekneld tussen de last van zijn verleden (zelfs het schilderij dat ik gisteren maakte is al mijn verleden) en de dreigende, dwingende lokroep van zijn toekomst, van zijn weg. Hoe vrij is hij en toch heeft hij alle vrijheid nodig om verder te kunnen gaan, al is het kruipend en vallend in diepe kuilen, achteruit rollend, want de weg vooruit is altijd bergopwaarts. Een berg waarvan de top, als er één is, altijd verscholen is in de wolken. Ik weet dus nooit waarheen ik ga. In het beste geval weet ik dat ik in beweging ben (maar dan nog, welke beweging?), naar iets dat me onweerstaanbaar naar zich toe zuigt. Hoeveel schilderijen bereiken het? Zullen het bereiken? *** Bij het stoppen van schilderen, zuigt de domheid me weer naar haar toe; een schilder die niet schildert is een hulpeloze idioot. IJdel en op een stupide manier scharrelen naar iets dat die enorme leegte, die plots weer hapend voor hem zijn muil opentrekt, op afstand moet houden; of alleen maar minder aanwezig, minder zichtbaar moet maken. En daarvoor zijn alle middelen goed. Dan is de angst zó groot, de pijn zo bedreigend dat alle sublimatie, alle heldhaftigheid, alle luciditeit verdwijnt. Ik ben weer een dier en zolang ik mij dan als dier gedraag, ben ik levend, blijf ik levend, tot ik weer kan schilderen en het licht angstig binnentreden.

1991 ca nl over het schilderen [m fi 628]  

Over het schilderen. (1991) Philippe Vandenberg keywords: "artist's writings"

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you