Issuu on Google+

JAN VAN SCOREL

Paul Teng & Jan Paul Schutten

SEDE VACANTE 1523

1


6


7


8


9


10


11


Jan van Scorel (kopie) Portret van Paus Adrianus VI (1459-1523), 1625-1650. Paneel, 93 x 73,6 cm. Centraal Museum, Utrecht

Anthonie Mor Portret van Jan van Scorel, 1559. Paneel, diam. ca. 58 cm. The Society of Antiquaries of London, Londen

Jan van Scorel Twaalf leden van de Haarlemse Jeruzalembroeders (detail met zelfportret), 1528-1530. Paneel, 114 x 275,7 cm. Frans Hals Museum, Haarlem

12


Verantwoording

De periode waarin de zetel van de paus onbezet is, wordt Sede Vacante genoemd, oewel ‘lege stoel’. In 1523 was de Heilige Stoel in Vaticaanstad gedurende zes weken vacant. Adrianus VI, de enige Nederlandse paus tot nu toe, overleed op 14 september van dat jaar. Op 26 november benoemden de kardinalen de Florentijn Giulio de’ Medici, een neef van Adrianus’ voorganger Leo X, tot zijn opvolger. Adrianus’ ziekbed duurde slechts zes weken. Negen dagen voor zijn dood verscheen hij voor het laatst in het openbaar (p.34). Drie dagen later, toen zijn sterven onafwendbaar was, riep hij de kardinalen bij zich en stelde voor, zeer tegen de zin van de anderen in, om Willem van Enckenvoirt, een van zijn vertrouwelingen, tot kardinaal te benoemen (p.38). In zijn laatste wilsbeschikking legde hij vast dat Van Enckenvoirt zijn huis in zijn geboorteplaats Utrecht zou erven en dat zijn verdere bezittingen in de Nederlanden moesten worden verkocht voor vrome doeleinden. Voor zijn begrafenis trok hij slechts 25 dukaten uit. De plechtigheid was dan ook buitengewoon sober, volgens tijdgenoten een paus onwaardig. Het bevestigde het bestaande idee dat Adrianus een vrek was, tot later bleek dat de Vaticaanse schatkist niet alleen leeg was, maar ook dat Adrianus’ eigen kapitaal niet groter was dan 2000 dukaten. De begrafenis vond plaats op 22 september in de Sint-Andreaskapel in de Sint-Pieter (p. 45). Tien jaar later, op 11 augustus 1533, werd het gebeente overgebracht naar de Santa Maria dell’Anima, waar Van Enckenvoirt een grafmonument had laten oprichten naar ontwerp van Baldassare Peruzzi (p.72). Adrianus’ ponticaat had slechts 1 jaar en 248 dagen geduurd. De geruchten over een vergiiging ontstonden direct na zijn overlijden. Volgens bronnen was Adrianus’ lijk gezwollen en ging het snel over tot ontbinding. Jan van Scorel was er al die tijd bij. Hij was door de paus benoemd als toezichthouder op de kunstwerken van het Vaticaan en portretteerde hem tijdens zijn verblijf in Rome verschillende keren (p.25). Deze historische gebeurtenissen, rond de twee Utrechtse mannen samen in het roerige Rome van 1523, vormen het centrale thema van het verhaal dat hier wordt verteld.

De feiten Ter introductie van het thema begint de strip op de eerste pagina met de dood van paus Adrianus VI in 1523. We zien het panorama op de Tiber en Jan van Scorel in gebed, terwijl het ritueel rond het vaststellen van de dood van de paus plaatsvindt. Op p.3 bevinden we ons in Utrecht, de Domstad. Anthonie Mor, die bij Jan van Scorel in de leer was geweest, is op zoek naar diens zoon Victor. Het is augustus 1566, de periode van de grote godsdiensttwisten en de beeldenstorm. Mor vertelt in de pagina’s die volgen aan Victor over wat diens vader, Jan van Scorel, in Rome hee meegemaakt. En zo, in tijd en plaats afwisselend tussen het Rome van 1523 en de Domstad in 1566, ontvouwt zich het verhaal aan de lezer. Dat Mor Victor in dat jaar ontmoette is een verzinsel, evenals het bestaan van een contract. Dat Adrianus VI Scorel de opdracht gaf om te onderzoeken of er kunstschatten konden worden verkocht eveneens (p.15). Ook over een mogelijke vriendschap tussen Jan van Scorel en Remo de Blonay in Rome is niets bekend. Blonay en de mooie Gioia zijn beiden ontsproten uit de fantasie van Jan Paul Schutten. Ze worden opgevoerd als guranten, als bijguren die het scenario verfraaien en vervolmaken. De hoofdpersonen die het verhaal dragen, hebben wel echt bestaan. Hun beeltenissen zijn, waar mogelijk, gebaseerd op bestaande portretten.

13


Paus Adrianus VI (1459 -1523) Adriaen Florisz Boeyens werd in 1459 in Utrecht geboren. Na het doorlopen van de Latijnse school studeerde hij in Leuven, waar hij werd benoemd tot hoogleraar in de theologie en waar hij priester werd. Keizer Maximiliaan koos hem tot opvoeder van zijn kleinzoon, de latere Karel V. Vanwege zijn uitstekende connecties aan het Habsburgse hof en zijn uitmuntende reputatie, werd hij in 1522, tegen zijn zin in, gekozen tot paus Adrianus VI (p.13). De Romeinse bevolking was het niet eens met de keuze voor deze strenge, sobere noorderling, die tal van bezuinigingen doorvoerde. Blas Ortiz, vicaris-generaal van het bisdom Calahorra, omschrij Adrianus als een goed gebouwde, slanke man met een aantrekkelijk voorkomen – zijn gezicht langwerpig, bleek en met een lichte blos op de wangen en zijn neus enigszins gebogen van vorm. Zijn hoofd neeg licht voorover. Zijn gang was rustig en zijn optreden zakelijk en bedachtzaam. Hij was geleerd, van hoogstaand zedelijk gedrag, eerlijk, levendig en welwillend in het gesprek, vriendelijk en zachtmoedig en rechtvaardig in zijn oordeel. Jan van Scorel portretteerde de paus in de lente van 1523 (p.23). De Venetiaanse historicus Marino Sanuto schrij in zijn reisdagboek dat hij op 24 of 25 mei zag hoe Scorel in de pauselijke vertrekken aan twee portretten van Adrianus werkte (p.25). Ze waren naar zijn mening zo goed gelijkend, dat het leek of men de paus zelf zag. Van een van deze portretten is een zeventiendeeeuwse kopie bewaard gebleven (a.), die als uitgangspunt hee gediend voor de strip (pp.7 en 32). De ijzeren bureaustoel op p.22 is gebaseerd op een bewaard gebleven tekening. Adrianus had deze in Leuven, waarschijnlijk naar zijn eigen ontwerp, laten maken en had hem naar Rome laten overbrengen.

Jan van Scorel (1495-1562) ‘En omdat hy wel den eersten was, die Italien besocht, en de Schilder-const hier hee comen verlichten, worde hy […] den Lanteeren-drager en Straet-maker onser Consten in den Nederlanden’ genoemd. De in 1604 door de kunstenaarsbiograaf Karel van Mander geciteerde louiting op Jan van Scorel is groot. De kunstenaar bracht licht in het wat de schilderkunst betre middeleeuwse, achtergestelde, donkere Noorden. Hij introduceerde de nieuwe vormentaal van de renaissance, die hij zich had eigen gemaakt door bestudering van de antieken en contemporaine Italiaanse meesters (p.69). De terugkeer van Scorel uit Italië wordt algemeen beschouwd als het keerpunt in de schilderkunst van de Noordelijke Nederlanden (p.78). Het is onzeker bij wie Scorel het schildersvak leerde. De Utrechtse humanist Arnoldus Buchelius schrij in zijn Res Pictoriae (1585-1590) dat Cornelis Buys uit Alkmaar Scorels eerste leermeester was. Volgens Karel van Mander ging Scorel, na de voltooiing van de Latijnse school, drie jaar in de leer bij de Haarlemse schilder Cornelis Willemsz. Daarna vertrok hij volgens de biograaf naar Amsterdam om te werken bij Jacob Cornelisz van Oostsanen. Van Mander schrij over Scorels liefde voor de mooie twaalarige dochter van zijn Amsterdamse leermeester (p.72). Scorel zou als gezel zijn opleiding hebben afgesloten bij de Zuid-Nederlandse schilder Jan Gossaert, die van 1517 tot 1524 in dienst was van Filips van Bourgondië. Waarschijnlijk kwamen zij met elkaar in contact in de maanden na mei 1517, toen Filips werd benoemd tot bisschop en Gossaert in diens gevolg in de Domstad verbleef. Gossaert zal Scorel hebben verteld over de Italiaanse reis die hij jaren eerder met Filips maakte. Toen hij in 1509 in Rome was, werkte Michelangelo aan het plafond van de Sixtijnse kapel en werden de Stanze in het Vaticaan door Rafaël en anderen beschilderd. Scorel ging zelf begin 1518 op reis, alleen en op eigen initiatief. Hij bereikte Italië, zijn uiteindelijke reisdoel, via een lange omweg door Duitsland en Oostenrijk. In Obervellach schilderde hij voor

14


Jan van Scorel, Het Lokhorstdrieluik, ca.1526. Paneel, 95,7 x 160,5 cm (gesloten), Centraal Museum, Utrecht.

de parochiekerk het altaarstuk met De heilige Maagschap. Het is Scorels vroegst bekende schilderij, gesigneerd en gedateerd 1519, en het bevindt zich nog altijd in situ. Nadat Scorel vanuit Venetië op pelgrimage was geweest naar het beloofde land Palestina, vestigde hij zich in de zomer van 1522 in Rome. De kort daarvoor benoemde paus Adrianus VI benoemde zijn stadgenoot tot ‘conservator’ van de collecties van het Belvedère (p.9). In deze functie volgde Scorel Rafaël (1483-1520) op. In 1524, na de dood van de paus, keerde Scorel naar zijn vaderland terug. Hij kwam in Utrecht te wonen bij Herman van Lokhorst, deken van de Utrechtse Sint Salvatorkerk en kanunnik van de Dom. Voor hem schilderde hij het Drieluik met de intocht van Christus in Jeruzalem (a.), met een zicht op Jeruzalem op basis van tekeningen die hij ter plaatse had gemaakt. Het Lokhorstdrieluik, dat door zijn zoon Victor tijdens de beeldenstorm vanuit de Domkerk in veiligheid werd gebracht (p.5), staat aan het begin van de nieuwe ontwikkelingen in de Noord-Nederlandse schilderkunst. Om politieke troebelen in Utrecht te ontlopen, vertrok Scorel in april 1527 naar Haarlem waar hij zijn eerste werkplaats vestigde. Volgens Karel van Mander had de schilder zoveel aanloop, dat hij een huis huurde om aan de vele ‘Jongers’ (leerlingen) plaats te bieden. Maerten van Heemskerck en Anthonie Mor waren in Haarlem zijn bekendste leerlingen. Eind september 1530 keerde hij vanuit Haarlem terug naar Utrecht, waar hij zijn tweede werkplaats vestigde. In de jaren 1535 tot 1545, toen de productiviteit van de Utrechtse werkplaats het hoogtepunt bereikte, huurde de schilder extra ruimte buiten het immuniteitsgebied van de kerk. In deze periode ontstonden ten minste twaalf altaarstukken, waaronder het altaarstuk met de vinding van het Ware Kruis, dat nog altijd in de Grote Kerk van Breda wordt bewaard (p.12) en de twee grote retabels voor de abdij van Marchiennes (p.12), die worden bewaard in het Musée de la Chartreuse in Douai. Scorel was op 16 oktober 1528 geïnstalleerd als kanunnik bij het Utrechtse kapittel van Sint Marie. Als clericus was hij geen lid van het Zadelaarsgilde, het grote verzamelgilde in Utrecht waartoe ook de schilders behoorden. Net als in de andere steden gold het verplichte lidmaatschap alleen voor wereldlijke burgers. Het is opmerkelijk dat alleen het Utrechtse gilde in de nieuwe keur van 14 april

15


De Utrechtse schilder Jan van Scorel was een van de eerste kunstenaars die vanuit de Noordelijke Nederlanden naar Italië reisde. In 1522 werd hij op verzoek van de Nederlandse paus Adrianus VI conservator van de Vaticaanse kunstcollecties. Scorel liet zich in Rome inspireren door de kunst van zijn illustere collega’s Michelangelo en Rafaël. Tekenaar Paul Teng en schrijver Jan Paul Schutten maakten op basis van historische feiten een 80 pagina’s tellend stripboek. Een snufje fictie ontbreekt niet. Wanneer de paus in 1523 vrij plotseling sterft, plaatst Scorel vraagtekens bij zijn mysterieuze dood. Hij gaat op onderzoek uit om te ontdekken wie er achter de moord op zijn vriend Adrianus zit, wat de spannende plot in het verhaal vormt. De lezer krijgt een staartje van de beeldenstorm in Utrecht mee, een inkijkje in het Vaticaan in de zestiende eeuw, de nodige samenzweringen en intriges en zelfs een romance.

16


Jan van Scorel