Page 1

LeasePocket 2012-2013

It’s easier to leaseplan

LeasePlan Nederland N.V. Postadres: Postbus 3001, 1300 EB Almere Bezoekadres: P.J. Oudweg 4, Almere Noordelijk Halfrond 10, Gouda Tel: (036) 527 27 00 Fax: (036) 527 27 10 E-mail: info@leaseplan.nl Internet: www.leaseplan.nl

LeasePocket 2012-2013


LeasePocket 2012-2013


voorwoord

Voorwoord Het zijn roerige tijden in de economie en ook de leasebranche is volop in beweging. Ondanks dat de omvang van de Nederlandse autoleasemarkt nagenoeg gelijk is gebleven, vinden er serieuze veranderingen plaats. Gedreven door kostenbesparingen zien wij een aantal trends. Door de recordhoge brandstofprijzen zien we dat veel organisaties vanuit MVO- én kostenoverwegingen actief hun medewerkers stimu­ leren om zuiniger te rijden en goedkoper te tanken. Daarnaast kiezen steeds meer leaserijders voor auto’s met een lage bijtellingscategorie. De op Prinsjesdag 2011 aangekondigde aanscherping van de CO2-bijtellingsgrenzen leidde begin 2012 tot een ware run op auto’s die 1 juli 2012 van bijtelling wijzigen. De roep om betalen naar gebruik in plaats van het bezit van de leaseauto wordt sterker. Dit zou, zeker in combinatie met mobiliteitsbudgetten bijdragen aan de besparing van kosten voor de werkgever, maar ook aan het gemak en de bewustwording van de leaserijder. Een andere waarneembare trend die doorzet is de behoefte aan een oplossing waarbij de lease­ maatschappij alle zorgen, lasten en risico’s met betrekking tot het managen van het wagenpark van de klant overneemt tegen een vaste gegarandeerde prijs. Daarnaast zien we een toenemende populariteit van leasing in het MKB. De ondernemer vindt daarbij vooral zijn weg naar online lease oplossingen. Toch zal 2011 vooral de geschiedenis in gaan als het jaar waarin de grote automerken volledig elektrische auto’s introduceerden. We zien dat de aanschafwaarde vaak nog aanzienlijk is en de vraag ondanks de 0% bijtelling nog beperkt is. De eerste ervaringen van gebruikers zijn positief, maar door de beperkte infrastructuur blijft het nog pionieren.

Deze uitgave is een initiatief van LeasePlan Nederland N.V.

In deze LeasePocket besteden we wederom aandacht aan alle facetten van autoleasing. Naast actuele ontwikkelingen, vindt u ook definities, achtergronden, rekenvoorbeelden en praktische tips. Kortom een naslagwerk dat antwoord geeft op al uw vragen over zakelijke mobiliteit.

Hoewel aan de samenstelling van deze uitgave de grootst mogelijke zorg is besteed, kan LeasePlan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele fouten en kunnen aan de inhoud geen rechten worden ontleend. De gehele inhoud van deze LeasePocket is eigendom van LeasePlan Nederland N.V. Niets uit deze uitgave

Heeft u na het lezen nog vragen? Neem dan gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder op weg. Voor actuele informatie kunt u ook terecht op www.leasepocket.nl. Namens alle LeasePlanners wens ik u veel lees- en leaseplezier!

mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van LeasePlan Nederland N.V.

Berno J.P. Kleinherenbrink

Alle genoemde met name fiscale maatregelen zijn actueel t/m maart 2012 en zijn mogelijk door

Directievoorzitter LeasePlan Nederland N.V. Almere, mei 2012

overheidsregels in de loop van 2012-2013 aan veranderingen onderhevig.


voorwoord

Voorwoord Het zijn roerige tijden in de economie en ook de leasebranche is volop in beweging. Ondanks dat de omvang van de Nederlandse autoleasemarkt nagenoeg gelijk is gebleven, vinden er serieuze veranderingen plaats. Gedreven door kostenbesparingen zien wij een aantal trends. Door de recordhoge brandstofprijzen zien we dat veel organisaties vanuit MVO- én kostenoverwegingen actief hun medewerkers stimu­ leren om zuiniger te rijden en goedkoper te tanken. Daarnaast kiezen steeds meer leaserijders voor auto’s met een lage bijtellingscategorie. De op Prinsjesdag 2011 aangekondigde aanscherping van de CO2-bijtellingsgrenzen leidde begin 2012 tot een ware run op auto’s die 1 juli 2012 van bijtelling wijzigen. De roep om betalen naar gebruik in plaats van het bezit van de leaseauto wordt sterker. Dit zou, zeker in combinatie met mobiliteitsbudgetten bijdragen aan de besparing van kosten voor de werkgever, maar ook aan het gemak en de bewustwording van de leaserijder. Een andere waarneembare trend die doorzet is de behoefte aan een oplossing waarbij de lease­ maatschappij alle zorgen, lasten en risico’s met betrekking tot het managen van het wagenpark van de klant overneemt tegen een vaste gegarandeerde prijs. Daarnaast zien we een toenemende populariteit van leasing in het MKB. De ondernemer vindt daarbij vooral zijn weg naar online lease oplossingen. Toch zal 2011 vooral de geschiedenis in gaan als het jaar waarin de grote automerken volledig elektrische auto’s introduceerden. We zien dat de aanschafwaarde vaak nog aanzienlijk is en de vraag ondanks de 0% bijtelling nog beperkt is. De eerste ervaringen van gebruikers zijn positief, maar door de beperkte infrastructuur blijft het nog pionieren.

Deze uitgave is een initiatief van LeasePlan Nederland N.V.

In deze LeasePocket besteden we wederom aandacht aan alle facetten van autoleasing. Naast actuele ontwikkelingen, vindt u ook definities, achtergronden, rekenvoorbeelden en praktische tips. Kortom een naslagwerk dat antwoord geeft op al uw vragen over zakelijke mobiliteit.

Hoewel aan de samenstelling van deze uitgave de grootst mogelijke zorg is besteed, kan LeasePlan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele fouten en kunnen aan de inhoud geen rechten worden ontleend. De gehele inhoud van deze LeasePocket is eigendom van LeasePlan Nederland N.V. Niets uit deze uitgave

Heeft u na het lezen nog vragen? Neem dan gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder op weg. Voor actuele informatie kunt u ook terecht op www.leasepocket.nl. Namens alle LeasePlanners wens ik u veel lees- en leaseplezier!

mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van LeasePlan Nederland N.V.

Berno J.P. Kleinherenbrink

Alle genoemde met name fiscale maatregelen zijn actueel t/m maart 2012 en zijn mogelijk door

Directievoorzitter LeasePlan Nederland N.V. Almere, mei 2012

overheidsregels in de loop van 2012-2013 aan veranderingen onderhevig.


hoofdstuk 7

Belastingen

58 | LEASEPOCKET 2012-2013


hoofdstuk 7

Belastingen

58 | LEASEPOCKET 2012-2013


7. Belastingen

7.1 VERVOER EN DE FISCUS Een werkgever die enige vorm van vervoer ter beschikking stelt aan zijn werknemers, krijgt onherroepelijk te maken met allerlei fiscale aspecten. De fiscale aspecten zijn onder andere afhankelijk van de vorm en de aard van het vervoer, bijvoorbeeld: woon-werkverkeer, zakelijk- en privéverkeer. In dit hoofdstuk worden deze zaken uitgewerkt, telkens vanuit het perspectief van de werkgever. Daarbij wordt tevens duidelijk welke consequenties de fiscale aspecten voor werknemers hebben.

7.2 AUTO VAN DE ZAAK Wanneer een werkgever een auto ter beschikking stelt aan een werknemer, en de werk­ nemer die auto gebruikt voor privédoeleinden, dan geniet de werknemer een zeker voordeel. De fiscus beschouwt dit voordeel als niet in geld genoten loon, oftewel: loon in natura. De werkgever is verplicht over dit voordeel loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) in te houden.

Let op! E  en werknemer bouwt geen pensioen op over de fiscale bijtelling van de auto van de zaak. Dit is uitdrukkelijk in de fiscale pensioenbepalingen opgenomen. Het maakt voor de fiscale behandeling van de auto van de zaak voor de werknemer niet uit of de auto door de werkgever is gehuurd, geleaset of gekocht. Gemakshalve spreken we hierna van een leaseauto. 7.2.1 WOON-WERKVERKEER Voor de inkomstenbelasting en de loonbelasting wordt woon-werkverkeer beschouwd als zakelijk verkeer. Bij een leaseauto telt woon-werkverkeer dus niet als privégebruik. 7.2.2 PRIVÉGEBRUIK De wet gaat ervan uit dat een leaseauto in beginsel ook voor privédoeleinden ter beschikking staat, tenzij de berijder kan aantonen dat er op kalenderjaarbasis maximaal 500 kilometer privé wordt gereden. Zoals in de vorige paragraaf werd aangegeven wordt woon-werkverkeer in deze situatie niet beschouwd als privégebruik. 7.2.3 BIJTELLING Een werknemer die een door zijn werkgever ter beschikking gestelde leaseauto gebruikt voor privédoeleinden is belasting verschuldigd over het privégebruik. De waarde van het privégebruik wordt op kalenderjaarbasis gesteld op een forfaitair percentage van de catalogusprijs van de auto. De werkgever moet iedere maand een twaalfde deel van de waarde van het privégebruik bij het loon van de werknemer tellen. Vervolgens dient de werkgever hierover loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst. 60 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

Voor personenauto’s die niet ouder zijn dan 15 jaar is het forfaitaire percentage gesteld op ten minste 25% van de catalogusprijs van de auto. De catalogusprijs is de prijs van de auto en de fabrieksopties, inclusief btw en bpm. Afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto kan een korting van 25%, 11% of 5% van de catalogusprijs van toepassing zijn op het percentage van 25%, hierdoor kan het percentage uitkomen op respectievelijk 0%, 14% of 20%. Voor auto’s ouder dan 15 jaar geldt de waarde in het economische verkeer als catalogusprijs (let wel, de bijtelling is voor deze auto’s ten minste 35%). Aankomende wetswijzigingen De CO2-uitstootgrenzen worden op 1 juli 2012 aangescherpt, hierna gebeurt dit jaarlijks op 1 januari. Onderstaand wordt de ontwikkeling van de CO2-uitstootgrenzen in een schematisch overzicht weergegeven voor de jaren 2012 tot en met 2015. Ontwikkeling CO2-uitstootgrenzen in gram per kilometer Benzine 0% bijtelling 7% bijtelling 14% bijtelling 20% bijtelling 25% bijtelling

1e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-110 111-140 >140

2e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-102 103-132 >132

2013 0-50 n.v.t. 51-95 96-124 >124

2014 n.v.t. 0-50 51-88 89-117 >117

2015 n.v.t. 0-50 51-82 83-110 >110

Diesel 0% bijtelling 7% bijtelling 14% bijtelling 20% bijtelling 25% bijtelling

1e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-95 96-116 >116

2e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-91 92-114 >114

2013 0-50 n.v.t. 51-88 89-112 >112

2014 n.v.t. 0-50 51-85 86-111 >111

2015 n.v.t. 0-50 51-82 83-110 >110

Vanaf 1 januari 2012 komen auto’s met een CO2-uitstoot van hoger dan 0 maar niet hoger dan 50 gram per kilometer in aanmerking voor een bijtellingstarief van 0%. Vanaf 1 januari 2014 zal de bijtelling voor deze groep auto’s 7% bedragen. Let wel, bij excessief privégebruik kan de Belastingdienst de werkelijke waarde van het privégebruik belasten. Vandaar dat de bijtelling ‘ten minste’ 25% bedraagt, maar het kan dus ook meer dan 25% zijn. De CO2-uitstoot van een auto staat (bij personenauto’s van na 19 januari 2001) op het milieulabel vermeld en staat daarnaast vaak in de officiële prijslijst of brochure van de auto. Daarnaast kunt u de CO2-uitstootgegevens uit het brandstofverbruiksboekje, dat de LEASEPOCKET 2012-2013 | 61


7. Belastingen

7.1 VERVOER EN DE FISCUS Een werkgever die enige vorm van vervoer ter beschikking stelt aan zijn werknemers, krijgt onherroepelijk te maken met allerlei fiscale aspecten. De fiscale aspecten zijn onder andere afhankelijk van de vorm en de aard van het vervoer, bijvoorbeeld: woon-werkverkeer, zakelijk- en privéverkeer. In dit hoofdstuk worden deze zaken uitgewerkt, telkens vanuit het perspectief van de werkgever. Daarbij wordt tevens duidelijk welke consequenties de fiscale aspecten voor werknemers hebben.

7.2 AUTO VAN DE ZAAK Wanneer een werkgever een auto ter beschikking stelt aan een werknemer, en de werk­ nemer die auto gebruikt voor privédoeleinden, dan geniet de werknemer een zeker voordeel. De fiscus beschouwt dit voordeel als niet in geld genoten loon, oftewel: loon in natura. De werkgever is verplicht over dit voordeel loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) in te houden.

Let op! E  en werknemer bouwt geen pensioen op over de fiscale bijtelling van de auto van de zaak. Dit is uitdrukkelijk in de fiscale pensioenbepalingen opgenomen. Het maakt voor de fiscale behandeling van de auto van de zaak voor de werknemer niet uit of de auto door de werkgever is gehuurd, geleaset of gekocht. Gemakshalve spreken we hierna van een leaseauto. 7.2.1 WOON-WERKVERKEER Voor de inkomstenbelasting en de loonbelasting wordt woon-werkverkeer beschouwd als zakelijk verkeer. Bij een leaseauto telt woon-werkverkeer dus niet als privégebruik. 7.2.2 PRIVÉGEBRUIK De wet gaat ervan uit dat een leaseauto in beginsel ook voor privédoeleinden ter beschikking staat, tenzij de berijder kan aantonen dat er op kalenderjaarbasis maximaal 500 kilometer privé wordt gereden. Zoals in de vorige paragraaf werd aangegeven wordt woon-werkverkeer in deze situatie niet beschouwd als privégebruik. 7.2.3 BIJTELLING Een werknemer die een door zijn werkgever ter beschikking gestelde leaseauto gebruikt voor privédoeleinden is belasting verschuldigd over het privégebruik. De waarde van het privégebruik wordt op kalenderjaarbasis gesteld op een forfaitair percentage van de catalogusprijs van de auto. De werkgever moet iedere maand een twaalfde deel van de waarde van het privégebruik bij het loon van de werknemer tellen. Vervolgens dient de werkgever hierover loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst. 60 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

Voor personenauto’s die niet ouder zijn dan 15 jaar is het forfaitaire percentage gesteld op ten minste 25% van de catalogusprijs van de auto. De catalogusprijs is de prijs van de auto en de fabrieksopties, inclusief btw en bpm. Afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto kan een korting van 25%, 11% of 5% van de catalogusprijs van toepassing zijn op het percentage van 25%, hierdoor kan het percentage uitkomen op respectievelijk 0%, 14% of 20%. Voor auto’s ouder dan 15 jaar geldt de waarde in het economische verkeer als catalogusprijs (let wel, de bijtelling is voor deze auto’s ten minste 35%). Aankomende wetswijzigingen De CO2-uitstootgrenzen worden op 1 juli 2012 aangescherpt, hierna gebeurt dit jaarlijks op 1 januari. Onderstaand wordt de ontwikkeling van de CO2-uitstootgrenzen in een schematisch overzicht weergegeven voor de jaren 2012 tot en met 2015. Ontwikkeling CO2-uitstootgrenzen in gram per kilometer Benzine 0% bijtelling 7% bijtelling 14% bijtelling 20% bijtelling 25% bijtelling

1e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-110 111-140 >140

2e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-102 103-132 >132

2013 0-50 n.v.t. 51-95 96-124 >124

2014 n.v.t. 0-50 51-88 89-117 >117

2015 n.v.t. 0-50 51-82 83-110 >110

Diesel 0% bijtelling 7% bijtelling 14% bijtelling 20% bijtelling 25% bijtelling

1e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-95 96-116 >116

2e helft 2012 0-50 n.v.t. 51-91 92-114 >114

2013 0-50 n.v.t. 51-88 89-112 >112

2014 n.v.t. 0-50 51-85 86-111 >111

2015 n.v.t. 0-50 51-82 83-110 >110

Vanaf 1 januari 2012 komen auto’s met een CO2-uitstoot van hoger dan 0 maar niet hoger dan 50 gram per kilometer in aanmerking voor een bijtellingstarief van 0%. Vanaf 1 januari 2014 zal de bijtelling voor deze groep auto’s 7% bedragen. Let wel, bij excessief privégebruik kan de Belastingdienst de werkelijke waarde van het privégebruik belasten. Vandaar dat de bijtelling ‘ten minste’ 25% bedraagt, maar het kan dus ook meer dan 25% zijn. De CO2-uitstoot van een auto staat (bij personenauto’s van na 19 januari 2001) op het milieulabel vermeld en staat daarnaast vaak in de officiële prijslijst of brochure van de auto. Daarnaast kunt u de CO2-uitstootgegevens uit het brandstofverbruiksboekje, dat de LEASEPOCKET 2012-2013 | 61


7. Belastingen

Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) elk jaar uitgeeft, raadplegen. Voor auto’s die op of na 1 januari 2010 voor het eerst op naam zijn gesteld, kunt u de catalogusprijs opvragen via de online database van de RDW, zie hiervoor www.rdw.nl. 7.2.4 GELDIGHEIDSDUUR VAN DE BIJTELLING PER 1 JULI 2012 Met ingang van 1 juli 2012 veranderen de CO2-uitstootgrenzen voor de bepaling van het bijtellingstarief van een auto. Daarnaast wijzigt ook de geldigheidsduur van het bijtellings­ tarief. Het bijtellingstarief wordt vastgesteld op het moment waarop een auto voor het eerst op naam wordt gesteld. Tot 1 juli 2012 is de regel (met uitzondering van auto’s met een bijtellingstarief van 0%) dat de bijtelling na vaststelling van het tarief voor onbepaalde tijd geldig is. Op 1 juli 2012 wijzigt deze regel. Voor auto’s die op of ná 1 juli 2012 voor het eerst op naam worden gesteld, is het bijtellingstarief na vaststelling geldig voor een periode van 60 maanden. De fiscus houdt bij de invoering van deze wijziging rekening met een aantal specifieke situaties, hieronder wordt verder op deze situaties ingegaan. CO2-uitstoot hoger dan 50 gram per kilometer Voor het eerst op naam gesteld vóór 1 juli 2012 Indien een auto vóór 1 juli 2012 voor het eerst op naam van de eigenaar is gesteld, en vóór of ná 1 juli 2012 aan een werknemer ter beschikking is gesteld, dan is de bijtelling in principe geldig voor onbepaalde tijd. Het bijtellingstarief wordt bepaald aan de hand van de CO2-uitstootgrenzen zoals die vóór 1 juli 2012 geldig waren. Voor het eerst op naam gesteld vóór 1 juli 2012, op naam gesteld op of ná 1 juli 2012 Indien een auto vóór 1 juli 2012 voor het eerst op naam is gesteld maar ná 1 juli 2012 op naam van de (nieuwe) eigenaar is gesteld, dan is het bijtellingstarief geldig voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf 1 juli 2012. Het bijtellingstarief wordt bepaald aan de hand van de CO2-uitstootgrenzen zoals die vóór 1 juli 2012 geldig waren. Uitzondering op deze hoofdregel is als de auto zowel vóór als ná de overgang van het eigendom aan dezelfde werknemer ter beschikking blijft staan. In dat geval blijft de bijtelling zoals geldig vóór 1 juli 2012 voor onbepaalde tijd van toepassing. Denk hier bijvoorbeeld aan de situatie bij sale & lease back (paragraaf 5.4). Voor het eerst op naam gesteld op of ná 1 juli 2012 Voor auto’s die op of ná 1 juli 2012 voor het eerst op naam zijn gesteld, is het bijtellingstarief geldig voor een periode van 60 maanden. De periode van 60 maanden vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. Het bijtellingstarief wordt bepaald aan de hand van de op dat moment geldende CO2-uitstootgrenzen. Na afloop van de periode van 60 maanden wordt het bijtellingstarief opnieuw bepaald aan de hand van de op dat moment geldende CO2-uitstootgrenzen. 62 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

CO2-uitstoot niet hoger dan 50 gram per kilometer Voor het eerst op naam gesteld vóór 1 januari 2012 Auto’s die vóór 1 januari 2012 op naam zijn gesteld en een CO2-uitstoot hebben van 50 gram per kilometer of lager, komen vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2017 in aanmerking voor een bijtellingstarief van 0%. Na afloop van deze periode wordt het bijtellingstarief voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 0 gram per kilometer verlaagd met het op dat moment hoogste kortingspercentage. Voor auto’s met een CO2-uitstoot hoger dan 0, maar niet hoger dan 50 gram per kilometer wordt de bijtelling na afloop van deze periode opnieuw vastgesteld aan de hand van de op dat moment geldende CO2-uitstootgrenzen. Dit bijtellingstarief is geldig voor een periode van 60 maanden. Voor het eerst op naam gesteld op of ná 1 januari 2012 Auto’s die ná 1 januari 2012 op naam zijn gesteld en een CO2-uitstoot hebben van 50 gram per kilometer of lager, komen voor een periode van 60 maanden in aanmerking voor een bijtellingstarief van 0%. De periode van 60 maanden vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. In bijlage 5 treft u een stroomschema aan waarmee de geldigheidsduur van de bijtelling eenvoudig kan worden vastgesteld. 7.2.5 FISCALE BIJTELLING BEPERKEN Er zijn vier manieren om de fiscale bijtelling te beperken. Dit kan door: 1. aantoonbaar de privékilometers tot 500 kilometer te beperken; 2. een auto te kiezen waarvoor een lager bijtellingstarief geldt (0%, 14% of 20%); 3. een eigen bijdrage voor privégebruik; 4. beperkte beschikbaarheid van de leaseauto. 1. AANTOONBAAR MINDER PRIVÉKILOMETERS RIJDEN In eerste instantie is de opzet dat, indien werkgever en werknemer kunnen aantonen dat de leaseauto op jaarbasis (kalenderjaar) maximaal 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, het privévoordeel in de salarisadministratie op nihil wordt gesteld. In de praktijk betekent dit dat een ‘verklaring geen privégebruik’ moet worden overlegd aan de werkgever door de werknemer. Hoe gaat dit in zijn werk? Een werknemer die geen bijtelling wil, omdat hij maximaal 500 kilometer per kalenderjaar privé rijdt, moet aan zijn werkgever een verklaring van de Belastingdienst overleggen. De verklaring werkt als een vrijwaring voor de werkgever. De Belastingdienst geeft de verklaring kort na de aanvraag af en neemt daarom geen genoegen met een kopie van de aanvraag. LEASEPOCKET 2012-2013 | 63


7. Belastingen

Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) elk jaar uitgeeft, raadplegen. Voor auto’s die op of na 1 januari 2010 voor het eerst op naam zijn gesteld, kunt u de catalogusprijs opvragen via de online database van de RDW, zie hiervoor www.rdw.nl. 7.2.4 GELDIGHEIDSDUUR VAN DE BIJTELLING PER 1 JULI 2012 Met ingang van 1 juli 2012 veranderen de CO2-uitstootgrenzen voor de bepaling van het bijtellingstarief van een auto. Daarnaast wijzigt ook de geldigheidsduur van het bijtellings­ tarief. Het bijtellingstarief wordt vastgesteld op het moment waarop een auto voor het eerst op naam wordt gesteld. Tot 1 juli 2012 is de regel (met uitzondering van auto’s met een bijtellingstarief van 0%) dat de bijtelling na vaststelling van het tarief voor onbepaalde tijd geldig is. Op 1 juli 2012 wijzigt deze regel. Voor auto’s die op of ná 1 juli 2012 voor het eerst op naam worden gesteld, is het bijtellingstarief na vaststelling geldig voor een periode van 60 maanden. De fiscus houdt bij de invoering van deze wijziging rekening met een aantal specifieke situaties, hieronder wordt verder op deze situaties ingegaan. CO2-uitstoot hoger dan 50 gram per kilometer Voor het eerst op naam gesteld vóór 1 juli 2012 Indien een auto vóór 1 juli 2012 voor het eerst op naam van de eigenaar is gesteld, en vóór of ná 1 juli 2012 aan een werknemer ter beschikking is gesteld, dan is de bijtelling in principe geldig voor onbepaalde tijd. Het bijtellingstarief wordt bepaald aan de hand van de CO2-uitstootgrenzen zoals die vóór 1 juli 2012 geldig waren. Voor het eerst op naam gesteld vóór 1 juli 2012, op naam gesteld op of ná 1 juli 2012 Indien een auto vóór 1 juli 2012 voor het eerst op naam is gesteld maar ná 1 juli 2012 op naam van de (nieuwe) eigenaar is gesteld, dan is het bijtellingstarief geldig voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf 1 juli 2012. Het bijtellingstarief wordt bepaald aan de hand van de CO2-uitstootgrenzen zoals die vóór 1 juli 2012 geldig waren. Uitzondering op deze hoofdregel is als de auto zowel vóór als ná de overgang van het eigendom aan dezelfde werknemer ter beschikking blijft staan. In dat geval blijft de bijtelling zoals geldig vóór 1 juli 2012 voor onbepaalde tijd van toepassing. Denk hier bijvoorbeeld aan de situatie bij sale & lease back (paragraaf 5.4). Voor het eerst op naam gesteld op of ná 1 juli 2012 Voor auto’s die op of ná 1 juli 2012 voor het eerst op naam zijn gesteld, is het bijtellingstarief geldig voor een periode van 60 maanden. De periode van 60 maanden vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. Het bijtellingstarief wordt bepaald aan de hand van de op dat moment geldende CO2-uitstootgrenzen. Na afloop van de periode van 60 maanden wordt het bijtellingstarief opnieuw bepaald aan de hand van de op dat moment geldende CO2-uitstootgrenzen. 62 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

CO2-uitstoot niet hoger dan 50 gram per kilometer Voor het eerst op naam gesteld vóór 1 januari 2012 Auto’s die vóór 1 januari 2012 op naam zijn gesteld en een CO2-uitstoot hebben van 50 gram per kilometer of lager, komen vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2017 in aanmerking voor een bijtellingstarief van 0%. Na afloop van deze periode wordt het bijtellingstarief voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet hoger dan 0 gram per kilometer verlaagd met het op dat moment hoogste kortingspercentage. Voor auto’s met een CO2-uitstoot hoger dan 0, maar niet hoger dan 50 gram per kilometer wordt de bijtelling na afloop van deze periode opnieuw vastgesteld aan de hand van de op dat moment geldende CO2-uitstootgrenzen. Dit bijtellingstarief is geldig voor een periode van 60 maanden. Voor het eerst op naam gesteld op of ná 1 januari 2012 Auto’s die ná 1 januari 2012 op naam zijn gesteld en een CO2-uitstoot hebben van 50 gram per kilometer of lager, komen voor een periode van 60 maanden in aanmerking voor een bijtellingstarief van 0%. De periode van 60 maanden vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. In bijlage 5 treft u een stroomschema aan waarmee de geldigheidsduur van de bijtelling eenvoudig kan worden vastgesteld. 7.2.5 FISCALE BIJTELLING BEPERKEN Er zijn vier manieren om de fiscale bijtelling te beperken. Dit kan door: 1. aantoonbaar de privékilometers tot 500 kilometer te beperken; 2. een auto te kiezen waarvoor een lager bijtellingstarief geldt (0%, 14% of 20%); 3. een eigen bijdrage voor privégebruik; 4. beperkte beschikbaarheid van de leaseauto. 1. AANTOONBAAR MINDER PRIVÉKILOMETERS RIJDEN In eerste instantie is de opzet dat, indien werkgever en werknemer kunnen aantonen dat de leaseauto op jaarbasis (kalenderjaar) maximaal 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, het privévoordeel in de salarisadministratie op nihil wordt gesteld. In de praktijk betekent dit dat een ‘verklaring geen privégebruik’ moet worden overlegd aan de werkgever door de werknemer. Hoe gaat dit in zijn werk? Een werknemer die geen bijtelling wil, omdat hij maximaal 500 kilometer per kalenderjaar privé rijdt, moet aan zijn werkgever een verklaring van de Belastingdienst overleggen. De verklaring werkt als een vrijwaring voor de werkgever. De Belastingdienst geeft de verklaring kort na de aanvraag af en neemt daarom geen genoegen met een kopie van de aanvraag. LEASEPOCKET 2012-2013 | 63


7. Belastingen

De werkgever dient dus te beschikken over een kopie van de door de Belastingdienst afgegeven verklaring. Indien de omstandigheden van de werknemer wijzigen waardoor de verklaring niet meer geldig is, dan moet de werknemer dat aan de Belastingdienst melden. Blijkt na controle dat de verklaring ten onrechte aan de werknemer is afgegeven, dan trekt de Belastingdienst deze in. In beide gevallen krijgt de werknemer vervolgens een naheffing van de Belastingdienst over de verstreken periode. De Belastingdienst informeert de werkgever over de intrekking. De werkgever moet dan vanaf dát moment de privébijtelling toepassen (dus niet met terugwerkende kracht, dat loopt via de werknemer). Bij een naheffing aan de werknemer neemt de Belastingdienst naast de loonbelasting en premie volksverzekeringen ook de te betalen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw mee. De werkgever is niet verplicht om deze achteraf alsnog te vergoeden. De Belastingdienst heft na bij de werknemer, tenzij de werkgever weet dat het verzoek van de werknemer niet juist is. In dat geval krijgt de werkgever de naheffing. Wat voor bewijs vraagt de Belastingdienst aan de werknemer? Als een werknemer kan aantonen dat zijn leaseauto niet meer dan 500 kilometer per kalenderjaar voor privédoeleinden is gebruikt, dan is in de salarisadministratie de bijtelling voor het privévoordeel nihil. In de praktijk betekent het begrip ‘aantonen’ dat de werknemer een sluitende rittenregistratie moet hebben. Voor een sluitende rittenregistratie dient de werknemer in de kilometeradministratie het volgende te vermelden: • het merk van de auto; • het type van de auto; • het kenteken van de auto; • de periode waarin de auto tot zijn beschikking staat; • de ritgegevens. Een rit is een enkele reisafstand tussen twee adressen. Er is sprake van een rit met een gemengd karakter als uw werknemer tijdens de rit zowel zakelijke kilometers als privé­ kilometers rijdt. Per rit moet de werknemer de volgende gegevens noteren: • de datum; • de begin- en eindstand van de kilometerteller; • het adres van vertrek en aankomst. Als de werknemer vanaf zijn werkadres naar een afspraak rijdt en daarna weer terug, schrijft hij de aankomst- en vertrekadressen op van zowel de heen- als de terugreis; • de route die hij heeft gereden, als dit niet de meest gebruikelijke route was; 64 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

• of het een privérit is of een zakelijke rit; • de privé-omrijkilometers als hij tijdens dezelfde rit zakelijke kilometers en privé­ kilometers rijdt. Een voorbeeld van een rittenstaat kunt u downloaden op www.leaseplan.nl onder ‘uw leaseauto ›› belastingen ›› kilometerregistratie’. Overigens is de rittenstaat niet de enige vorm van bewijs. Hier geldt namelijk de vrije bewijsleer. De werknemer kan bijvoorbeeld een combinatie van een zogenoemde ‘black box’ (een elektronisch ritten registratiemiddel dat in de auto wordt geplaatst) en werkagenda’s gebruiken. Verder leert de jurisprudentie dat onder meer als bewijs is aanvaard: • De combinatie van een eigen auto en gescheurde en met vet besmeurde bekleding van de stoelen in de leaseauto. • De combinatie van een eigen auto en een leaseauto die buiten de door de werkgever gecontroleerde dienstreizen niet verzekerd is. Een arbeidscontract waarin is opgenomen dat de werknemer de ter beschikking gestelde leaseauto niet voor privédoeleinden mag gebruiken, kan daarbij als extra bewijs gelden. Van groot belang is dan wel dat de werkgever aan deze contractuele bepaling aantoonbaar de hand houdt. Met een ‘verklaring geen privégebruik’ van de Belastingdienst mag de werkgever de bijtelling achterwege laten. Daarnaast is het mogelijk om speciale afspraken te maken met de inspecteur over de leaseauto’s van een afdeling of zelfs van het hele bedrijf. In individuele situaties is echter de ‘verklaring geen privégebruik’ van de Belastingdienst aan te raden, omdat deze het risico voor u als werkgever beperkt. 2. EEN AUTO TE KIEZEN WAARVOOR LAGER BIJTELLINGSTARIEF GELDT De bijtelling is van toepassing als de berijder de leaseauto ook voor privédoeleinden gebruikt. In beginsel geldt er een bijtelling van ten minste 25% van de catalogusprijs. Voor bepaalde auto’s is een korting op de bijtelling van toepassing, dit is afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. In paragraaf 7.2.3 staat een overzicht van de CO2-uitstootgrenzen en de bijbehorende kortingen. 3. EEN EIGEN BIJDRAGE VOOR PRIVÉGEBRUIK Wanneer een werknemer aan zijn werkgever een bijdrage voor zijn leaseauto betaalt, dan kan deze bijdrage onder bepaalde voorwaarden in mindering worden gebracht op de bijtelling. De werkgever moet dan wel met de werknemer hebben afgesproken dat deze wordt betaald voor het privégebruik van de leaseauto. De eigen bijdrage moet worden ingehouden op het nettoloon. Als werkgever mag u deze eigen bijdrage in mindering brengen op de maandelijkse bijtelling, maximaal tot nihil. Het in mindering brengen van de LEASEPOCKET 2012-2013 | 65


7. Belastingen

De werkgever dient dus te beschikken over een kopie van de door de Belastingdienst afgegeven verklaring. Indien de omstandigheden van de werknemer wijzigen waardoor de verklaring niet meer geldig is, dan moet de werknemer dat aan de Belastingdienst melden. Blijkt na controle dat de verklaring ten onrechte aan de werknemer is afgegeven, dan trekt de Belastingdienst deze in. In beide gevallen krijgt de werknemer vervolgens een naheffing van de Belastingdienst over de verstreken periode. De Belastingdienst informeert de werkgever over de intrekking. De werkgever moet dan vanaf dát moment de privébijtelling toepassen (dus niet met terugwerkende kracht, dat loopt via de werknemer). Bij een naheffing aan de werknemer neemt de Belastingdienst naast de loonbelasting en premie volksverzekeringen ook de te betalen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw mee. De werkgever is niet verplicht om deze achteraf alsnog te vergoeden. De Belastingdienst heft na bij de werknemer, tenzij de werkgever weet dat het verzoek van de werknemer niet juist is. In dat geval krijgt de werkgever de naheffing. Wat voor bewijs vraagt de Belastingdienst aan de werknemer? Als een werknemer kan aantonen dat zijn leaseauto niet meer dan 500 kilometer per kalenderjaar voor privédoeleinden is gebruikt, dan is in de salarisadministratie de bijtelling voor het privévoordeel nihil. In de praktijk betekent het begrip ‘aantonen’ dat de werknemer een sluitende rittenregistratie moet hebben. Voor een sluitende rittenregistratie dient de werknemer in de kilometeradministratie het volgende te vermelden: • het merk van de auto; • het type van de auto; • het kenteken van de auto; • de periode waarin de auto tot zijn beschikking staat; • de ritgegevens. Een rit is een enkele reisafstand tussen twee adressen. Er is sprake van een rit met een gemengd karakter als uw werknemer tijdens de rit zowel zakelijke kilometers als privé­ kilometers rijdt. Per rit moet de werknemer de volgende gegevens noteren: • de datum; • de begin- en eindstand van de kilometerteller; • het adres van vertrek en aankomst. Als de werknemer vanaf zijn werkadres naar een afspraak rijdt en daarna weer terug, schrijft hij de aankomst- en vertrekadressen op van zowel de heen- als de terugreis; • de route die hij heeft gereden, als dit niet de meest gebruikelijke route was; 64 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

• of het een privérit is of een zakelijke rit; • de privé-omrijkilometers als hij tijdens dezelfde rit zakelijke kilometers en privé­ kilometers rijdt. Een voorbeeld van een rittenstaat kunt u downloaden op www.leaseplan.nl onder ‘uw leaseauto ›› belastingen ›› kilometerregistratie’. Overigens is de rittenstaat niet de enige vorm van bewijs. Hier geldt namelijk de vrije bewijsleer. De werknemer kan bijvoorbeeld een combinatie van een zogenoemde ‘black box’ (een elektronisch ritten registratiemiddel dat in de auto wordt geplaatst) en werkagenda’s gebruiken. Verder leert de jurisprudentie dat onder meer als bewijs is aanvaard: • De combinatie van een eigen auto en gescheurde en met vet besmeurde bekleding van de stoelen in de leaseauto. • De combinatie van een eigen auto en een leaseauto die buiten de door de werkgever gecontroleerde dienstreizen niet verzekerd is. Een arbeidscontract waarin is opgenomen dat de werknemer de ter beschikking gestelde leaseauto niet voor privédoeleinden mag gebruiken, kan daarbij als extra bewijs gelden. Van groot belang is dan wel dat de werkgever aan deze contractuele bepaling aantoonbaar de hand houdt. Met een ‘verklaring geen privégebruik’ van de Belastingdienst mag de werkgever de bijtelling achterwege laten. Daarnaast is het mogelijk om speciale afspraken te maken met de inspecteur over de leaseauto’s van een afdeling of zelfs van het hele bedrijf. In individuele situaties is echter de ‘verklaring geen privégebruik’ van de Belastingdienst aan te raden, omdat deze het risico voor u als werkgever beperkt. 2. EEN AUTO TE KIEZEN WAARVOOR LAGER BIJTELLINGSTARIEF GELDT De bijtelling is van toepassing als de berijder de leaseauto ook voor privédoeleinden gebruikt. In beginsel geldt er een bijtelling van ten minste 25% van de catalogusprijs. Voor bepaalde auto’s is een korting op de bijtelling van toepassing, dit is afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. In paragraaf 7.2.3 staat een overzicht van de CO2-uitstootgrenzen en de bijbehorende kortingen. 3. EEN EIGEN BIJDRAGE VOOR PRIVÉGEBRUIK Wanneer een werknemer aan zijn werkgever een bijdrage voor zijn leaseauto betaalt, dan kan deze bijdrage onder bepaalde voorwaarden in mindering worden gebracht op de bijtelling. De werkgever moet dan wel met de werknemer hebben afgesproken dat deze wordt betaald voor het privégebruik van de leaseauto. De eigen bijdrage moet worden ingehouden op het nettoloon. Als werkgever mag u deze eigen bijdrage in mindering brengen op de maandelijkse bijtelling, maximaal tot nihil. Het in mindering brengen van de LEASEPOCKET 2012-2013 | 65


7. Belastingen

eigen bijdrage kan dus niet leiden tot een fiscale aftrekpost. De eigen bijdrage kan in één maand hoger worden dan de bijtelling in die maand, bijvoorbeeld door een nacalculatie van extra privékilometers aan het eind van het jaar. Daarom heeft de Belastingdienst goedgekeurd dat een ‘negatieve’ bijtelling in die maand kan voorkomen. Op jaarbasis mag de bijtelling echter niet negatief worden. Is dit toch het geval, dan moet u dit aan het einde van het jaar corrigeren. Als een werknemer een bijdrage betaalt voor woon-werkverkeer, dan mag u deze niet in mindering brengen op de bijtelling. Immers, dit is geen eigen bijdrage voor privégebruik. Wanneer de werknemer een bijdrage betaalt voor een duurdere auto, hangt het van de omschrijving in de leaseregeling af of de bijdrage in mindering kan worden gebracht op de bijtelling. Zoals eerder gemeld, verlaagt een eigen bijdrage voor het privégebruik de fiscale bijtelling. 4. BEPERKTE BESCHIKBAARHEID VAN DE LEASEAUTO De werkgever kan de fiscale bijtelling ook beperken, als hij kan aantonen dat de leaseauto slechts een deel van het jaar voor privégebruik ter beschikking heeft gestaan. De werk­ nemer komt alleen voor deze vorm van beperking van de bijtelling in aanmerking, als de leaseauto daadwerkelijk en aantoonbaar niet privé ter beschikking stond. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de werknemer de leaseauto, compleet met sleutels en papieren, bij de werkgever inlevert na deze onder werktijd ten behoeve van het bedrijf te hebben gebruikt. Het is raadzaam om contact op te nemen met de Belastingdienst zodat in overleg kan worden besloten aan welke administratieve en/of vereisten moet worden voldaan. Dit kan onnodige controles en discussies achteraf voorkomen.

7.3 BESTELAUTO De fiscus maakt bij de fiscale behandeling geen verschil tussen personenauto’s en bestelauto’s. Een bestelauto is een auto die voldoet aan de inrichtingseisen voor bestelauto’s (zie bijlage 4). Als het gaat om de bijtelling voor het ter beschikking hebben van bestelauto’s, gelden dezelfde regels als voor personenauto’s. Desondanks zien we dat de Belastingdienst bij voorbaat al een aantal specifieke uitzonderingen maakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestelauto’s die door aard en inrichting toch niet - of minder - geschikt zijn voor privégebruik of dat door de aard van de werkzaamheden een vereenvoudigde rittenadministratie mag worden gebruikt. In een aantal situaties hoeft de werknemer geen rittenadministratie te overleggen, omdat hij op andere wijze aantoont dat de bestelauto niet voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het is echter wel raadzaam om over dergelijke situaties vooraf een afspraak te maken met de 66 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

inspecteur loonbelasting. De werkgever moet vervolgens alle gegevens van de betrokken werknemers overleggen. Bovendien moeten de werknemers een verklaring tekenen, waarin zij de gevolgen van de afspraak tussen de werkgever en de Belastingdienst accepteren. Het gaat om de volgende situaties: Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik Op 1 januari 2012 is de ‘verklaring uitsluitend zakelijk gebruik’ geïntroduceerd. Hiermee kan een medewerker, door tussenkomst van zijn werkgever, deze verklaring afgeven, mits hij de bestelauto uitsluitend zakelijk gaat gebruiken. Na goedkeuring van de Belastingdienst is een rittenadministratie dan niet meer vereist. Wanneer de bestelauto door meerdere berijders gebruikt wordt, moeten zij allemaal deze verklaring af geven. Bestelauto’s die (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor vervoer van goederen De bijtelling voor privégebruik geldt niet voor bestelauto’s die door aard en inrichting ongeschikt zijn voor privégebruik en dus (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor vervoer van goederen. Deze bestelauto’s hebben bijvoorbeeld slechts één zitplaats. Is er toch privégebruik, dan moet het werkelijke privévoordeel worden belast. Het privévoordeel is gelijk aan het aantal gereden privékilometers welke wordt vermenigvuldigd met de prijs per kilometer van de betreffende bestelauto. Achterlaten van de bestelauto op de werkplek Een rittenstaat is niet nodig als er een verbod op privégebruik geldt en de werknemers verplicht zijn de bestelauto ‘s avonds op het bedrijfsterrein achter te laten en de auto­ sleutels bij de werkgever in te leveren. Uiteraard moet controleerbaar zijn dat het privé­ gebruik niet mogelijk is. Verbod op privégebruik Het is ook mogelijk om met werknemers af te spreken én schriftelijk vast te leggen dat ze de bestelauto niet privé mogen gebruiken. De Belastingdienst eist dan dat deze schriftelijke afspraak wordt gewaarborgd met reële sancties. Bovendien verwacht de Belastingdienst dat de werkgever een goede controle uitvoert op de naleving van de afspraak. Voorbeelden van sancties zijn: het betalen van een boete, het verhalen van de loonbelasting op de werknemer, het beperken van de verzekering van de bestelauto tot de zakelijke ritten of zelfs ontslag bij overtreding. De controle op naleving kan blijken uit het controleren van de kilometerstanden, het brandstofverbruik, de boetes en verkeersovertredingen. In de volgende situaties kan de privébijtelling achterwege blijven als: • het verbod schriftelijk is vastgelegd en bij de administratie wordt bewaard; • de werkgever voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod; • de werkgever een passende sanctie oplegt bij overtreding van het verbod. LEASEPOCKET 2012-2013 | 67


7. Belastingen

eigen bijdrage kan dus niet leiden tot een fiscale aftrekpost. De eigen bijdrage kan in één maand hoger worden dan de bijtelling in die maand, bijvoorbeeld door een nacalculatie van extra privékilometers aan het eind van het jaar. Daarom heeft de Belastingdienst goedgekeurd dat een ‘negatieve’ bijtelling in die maand kan voorkomen. Op jaarbasis mag de bijtelling echter niet negatief worden. Is dit toch het geval, dan moet u dit aan het einde van het jaar corrigeren. Als een werknemer een bijdrage betaalt voor woon-werkverkeer, dan mag u deze niet in mindering brengen op de bijtelling. Immers, dit is geen eigen bijdrage voor privégebruik. Wanneer de werknemer een bijdrage betaalt voor een duurdere auto, hangt het van de omschrijving in de leaseregeling af of de bijdrage in mindering kan worden gebracht op de bijtelling. Zoals eerder gemeld, verlaagt een eigen bijdrage voor het privégebruik de fiscale bijtelling. 4. BEPERKTE BESCHIKBAARHEID VAN DE LEASEAUTO De werkgever kan de fiscale bijtelling ook beperken, als hij kan aantonen dat de leaseauto slechts een deel van het jaar voor privégebruik ter beschikking heeft gestaan. De werk­ nemer komt alleen voor deze vorm van beperking van de bijtelling in aanmerking, als de leaseauto daadwerkelijk en aantoonbaar niet privé ter beschikking stond. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de werknemer de leaseauto, compleet met sleutels en papieren, bij de werkgever inlevert na deze onder werktijd ten behoeve van het bedrijf te hebben gebruikt. Het is raadzaam om contact op te nemen met de Belastingdienst zodat in overleg kan worden besloten aan welke administratieve en/of vereisten moet worden voldaan. Dit kan onnodige controles en discussies achteraf voorkomen.

7.3 BESTELAUTO De fiscus maakt bij de fiscale behandeling geen verschil tussen personenauto’s en bestelauto’s. Een bestelauto is een auto die voldoet aan de inrichtingseisen voor bestelauto’s (zie bijlage 4). Als het gaat om de bijtelling voor het ter beschikking hebben van bestelauto’s, gelden dezelfde regels als voor personenauto’s. Desondanks zien we dat de Belastingdienst bij voorbaat al een aantal specifieke uitzonderingen maakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestelauto’s die door aard en inrichting toch niet - of minder - geschikt zijn voor privégebruik of dat door de aard van de werkzaamheden een vereenvoudigde rittenadministratie mag worden gebruikt. In een aantal situaties hoeft de werknemer geen rittenadministratie te overleggen, omdat hij op andere wijze aantoont dat de bestelauto niet voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het is echter wel raadzaam om over dergelijke situaties vooraf een afspraak te maken met de 66 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

inspecteur loonbelasting. De werkgever moet vervolgens alle gegevens van de betrokken werknemers overleggen. Bovendien moeten de werknemers een verklaring tekenen, waarin zij de gevolgen van de afspraak tussen de werkgever en de Belastingdienst accepteren. Het gaat om de volgende situaties: Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik Op 1 januari 2012 is de ‘verklaring uitsluitend zakelijk gebruik’ geïntroduceerd. Hiermee kan een medewerker, door tussenkomst van zijn werkgever, deze verklaring afgeven, mits hij de bestelauto uitsluitend zakelijk gaat gebruiken. Na goedkeuring van de Belastingdienst is een rittenadministratie dan niet meer vereist. Wanneer de bestelauto door meerdere berijders gebruikt wordt, moeten zij allemaal deze verklaring af geven. Bestelauto’s die (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor vervoer van goederen De bijtelling voor privégebruik geldt niet voor bestelauto’s die door aard en inrichting ongeschikt zijn voor privégebruik en dus (nagenoeg) uitsluitend geschikt zijn voor vervoer van goederen. Deze bestelauto’s hebben bijvoorbeeld slechts één zitplaats. Is er toch privégebruik, dan moet het werkelijke privévoordeel worden belast. Het privévoordeel is gelijk aan het aantal gereden privékilometers welke wordt vermenigvuldigd met de prijs per kilometer van de betreffende bestelauto. Achterlaten van de bestelauto op de werkplek Een rittenstaat is niet nodig als er een verbod op privégebruik geldt en de werknemers verplicht zijn de bestelauto ‘s avonds op het bedrijfsterrein achter te laten en de auto­ sleutels bij de werkgever in te leveren. Uiteraard moet controleerbaar zijn dat het privé­ gebruik niet mogelijk is. Verbod op privégebruik Het is ook mogelijk om met werknemers af te spreken én schriftelijk vast te leggen dat ze de bestelauto niet privé mogen gebruiken. De Belastingdienst eist dan dat deze schriftelijke afspraak wordt gewaarborgd met reële sancties. Bovendien verwacht de Belastingdienst dat de werkgever een goede controle uitvoert op de naleving van de afspraak. Voorbeelden van sancties zijn: het betalen van een boete, het verhalen van de loonbelasting op de werknemer, het beperken van de verzekering van de bestelauto tot de zakelijke ritten of zelfs ontslag bij overtreding. De controle op naleving kan blijken uit het controleren van de kilometerstanden, het brandstofverbruik, de boetes en verkeersovertredingen. In de volgende situaties kan de privébijtelling achterwege blijven als: • het verbod schriftelijk is vastgelegd en bij de administratie wordt bewaard; • de werkgever voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod; • de werkgever een passende sanctie oplegt bij overtreding van het verbod. LEASEPOCKET 2012-2013 | 67


7. Belastingen

Gebruik tijdens wachtdienst Werknemers met wachtdiensten moeten oproepbaar zijn. Zij nemen dus bijvoorbeeld de bestelauto op zaterdag mee naar de voetbalclub of de winkel. Alleen op die manier kunnen ze immers na een oproep meteen uitrukken. Gebruikt men de bestelauto voor wachtdiensten en/of oproepdiensten, dan worden de tijdens wachtdiensten gereden privékilometers - onder voorwaarden - als zakelijke kilometers aangemerkt. Deze voorwaarden zijn: • de werknemer heeft geen invloed op de keuze van de auto; • de werknemer beschikt privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak/bestelauto; • de werknemer is tijdens wachtdiensten verplicht binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven; • de werknemer noteert het aantal privékilometers dat hij tijdens de wachtdienst rijdt, evenals de hoeveelheid werkzaamheden en de locaties waar hij moet werken. Doorlopend afwisselend gebruikte bestelauto’s Voor bestelauto’s die door verschillende werknemers worden gebruikt, geldt het volgende: volgt uit de aard van het werk dat een bestelauto doorlopend afwisselend wordt gebruikt door twee of meer werknemers? En is het daardoor nauwelijks vast te stellen of en door wie de bestelauto voor privédoeleinden wordt gebruikt? Dan kan de werkgever het privégebruik afkopen via de eindheffing. De werknemer hoeft dan geen rittenadministratie bij te houden. De door de werkgever te betalen eindheffing bedraagt € 300 per bestelauto per kalenderjaar. Is de bestelauto gedurende het jaar gekocht, dan wordt de eindheffing naar rato berekend. De bestelauto moet ‘doorlopend afwisselend’ worden gebruikt. De auto die in kwartaal één door werknemer A en kwartaal twee door werknemer B wordt gebruikt, valt niet onder deze uitzondering. Vereenvoudigde rittenadministratie bestelauto’s Als de werknemer door de aard van de werkzaamheden (vaak) veel ritten op een dag heeft, kan het bijhouden van een rittenregistratie een grote (administratieve/financiële) last zijn voor de werkgever en werknemer, omdat de zakelijke ritten tijdens werktijd worden bijgehouden. In dat geval kan om praktische redenen het bewijs met een vereenvoudigde rittenregistratie worden geleverd. Hierbij geldt als voorwaarde dat de werkgever en werknemer schriftelijk hebben afgesproken dat: • de werknemer een vereenvoudigde rittenadministratie heeft; • privégebruik tijdens werk- en lunchtijd niet is toegestaan; • de werkgever in de administratie informatie heeft over de zakelijke bestemmingen.

7. Belastingen

7.4 PRIVÉAUTO Bij gebruik van de eigen auto voor woon-werkverkeer kan de werkgever de kosten van de werknemer onbelast vergoeden tot maximaal € 0,19 per kilometer. Er geldt geen fiscaal verschil tussen woon-werkverkeer en zakelijk verkeer. De onbelaste kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer is voor alle kosten van de auto, bijvoorbeeld brandstof, onderhoud, afschrijving of parkeer-, veer- en tolgelden (PVT-gelden). Is de vergoeding meer dan € 0,19 per kilometer, dan is het meerdere loon. Wanneer de werkgever over het meerdere geen eindheffing toepast, moet de werkgever loonheffing inhouden en betalen.

7.5 CARPOOLING Het kan zijn dat een werknemer een of meer collega’s in de auto meeneemt naar de arbeidsplaats, het zogenoemde carpoolen. Voor de vraag welke onbelaste reiskosten­ vergoedingen de werkgever kan verstrekken, onderscheiden we de volgende situaties: • de werknemer reist met een eigen auto; • de werknemer reist met een auto van de zaak. De werknemer reist met een eigen auto De werkgever mag aan de werknemer de onbelaste maximale vergoeding van € 0,19 per kilometer betalen. Wanneer de werkgever het carpoolen organiseert en tevens regelt dat de werknemer een of meer collega’s ophaalt, moet de werknemer wellicht omrijden. Dan mag aan de werknemer ook voor de omrijdkilometers een onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer worden betaald. Voor de collega’s die meerijden, is er sprake van vervoer vanwege de werkgever. Aan hen mag geen onbelaste vergoeding worden betaald. Wanneer de werknemer zélf besluit om een of meer collega’s mee te nemen, mag ook aan die collega(’s) een onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer worden betaald. De werknemer die rijdt mag geen onbelaste vergoeding ontvangen voor de eventuele omrijdkilometers, omdat deze kilometers een privékarakter hebben. De werknemer reist met een auto van de zaak Wanneer de werknemer met een auto van de zaak reist, is voor hem sprake van vervoer vanwege de werkgever. Aan de werknemer mag geen onbelaste reiskostenvergoeding worden betaald. Indien de werkgever organiseert dat de werknemer in de auto van de zaak een of meer collega’s meeneemt, is er ook voor die collega(’s) sprake van vervoer vanwege de werkgever. Ook in deze situatie mag aan hen geen onbelaste reiskostenvergoeding worden betaald.

U kunt een voorbeeldafspraak van het verbod op privégebruik downloaden via: www.belastingdienst.nl of bestellen bij de Belastingtelefoon: 0800 – 0543. 68 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 69


7. Belastingen

Gebruik tijdens wachtdienst Werknemers met wachtdiensten moeten oproepbaar zijn. Zij nemen dus bijvoorbeeld de bestelauto op zaterdag mee naar de voetbalclub of de winkel. Alleen op die manier kunnen ze immers na een oproep meteen uitrukken. Gebruikt men de bestelauto voor wachtdiensten en/of oproepdiensten, dan worden de tijdens wachtdiensten gereden privékilometers - onder voorwaarden - als zakelijke kilometers aangemerkt. Deze voorwaarden zijn: • de werknemer heeft geen invloed op de keuze van de auto; • de werknemer beschikt privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak/bestelauto; • de werknemer is tijdens wachtdiensten verplicht binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven; • de werknemer noteert het aantal privékilometers dat hij tijdens de wachtdienst rijdt, evenals de hoeveelheid werkzaamheden en de locaties waar hij moet werken. Doorlopend afwisselend gebruikte bestelauto’s Voor bestelauto’s die door verschillende werknemers worden gebruikt, geldt het volgende: volgt uit de aard van het werk dat een bestelauto doorlopend afwisselend wordt gebruikt door twee of meer werknemers? En is het daardoor nauwelijks vast te stellen of en door wie de bestelauto voor privédoeleinden wordt gebruikt? Dan kan de werkgever het privégebruik afkopen via de eindheffing. De werknemer hoeft dan geen rittenadministratie bij te houden. De door de werkgever te betalen eindheffing bedraagt € 300 per bestelauto per kalenderjaar. Is de bestelauto gedurende het jaar gekocht, dan wordt de eindheffing naar rato berekend. De bestelauto moet ‘doorlopend afwisselend’ worden gebruikt. De auto die in kwartaal één door werknemer A en kwartaal twee door werknemer B wordt gebruikt, valt niet onder deze uitzondering. Vereenvoudigde rittenadministratie bestelauto’s Als de werknemer door de aard van de werkzaamheden (vaak) veel ritten op een dag heeft, kan het bijhouden van een rittenregistratie een grote (administratieve/financiële) last zijn voor de werkgever en werknemer, omdat de zakelijke ritten tijdens werktijd worden bijgehouden. In dat geval kan om praktische redenen het bewijs met een vereenvoudigde rittenregistratie worden geleverd. Hierbij geldt als voorwaarde dat de werkgever en werknemer schriftelijk hebben afgesproken dat: • de werknemer een vereenvoudigde rittenadministratie heeft; • privégebruik tijdens werk- en lunchtijd niet is toegestaan; • de werkgever in de administratie informatie heeft over de zakelijke bestemmingen.

7. Belastingen

7.4 PRIVÉAUTO Bij gebruik van de eigen auto voor woon-werkverkeer kan de werkgever de kosten van de werknemer onbelast vergoeden tot maximaal € 0,19 per kilometer. Er geldt geen fiscaal verschil tussen woon-werkverkeer en zakelijk verkeer. De onbelaste kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer is voor alle kosten van de auto, bijvoorbeeld brandstof, onderhoud, afschrijving of parkeer-, veer- en tolgelden (PVT-gelden). Is de vergoeding meer dan € 0,19 per kilometer, dan is het meerdere loon. Wanneer de werkgever over het meerdere geen eindheffing toepast, moet de werkgever loonheffing inhouden en betalen.

7.5 CARPOOLING Het kan zijn dat een werknemer een of meer collega’s in de auto meeneemt naar de arbeidsplaats, het zogenoemde carpoolen. Voor de vraag welke onbelaste reiskosten­ vergoedingen de werkgever kan verstrekken, onderscheiden we de volgende situaties: • de werknemer reist met een eigen auto; • de werknemer reist met een auto van de zaak. De werknemer reist met een eigen auto De werkgever mag aan de werknemer de onbelaste maximale vergoeding van € 0,19 per kilometer betalen. Wanneer de werkgever het carpoolen organiseert en tevens regelt dat de werknemer een of meer collega’s ophaalt, moet de werknemer wellicht omrijden. Dan mag aan de werknemer ook voor de omrijdkilometers een onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer worden betaald. Voor de collega’s die meerijden, is er sprake van vervoer vanwege de werkgever. Aan hen mag geen onbelaste vergoeding worden betaald. Wanneer de werknemer zélf besluit om een of meer collega’s mee te nemen, mag ook aan die collega(’s) een onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer worden betaald. De werknemer die rijdt mag geen onbelaste vergoeding ontvangen voor de eventuele omrijdkilometers, omdat deze kilometers een privékarakter hebben. De werknemer reist met een auto van de zaak Wanneer de werknemer met een auto van de zaak reist, is voor hem sprake van vervoer vanwege de werkgever. Aan de werknemer mag geen onbelaste reiskostenvergoeding worden betaald. Indien de werkgever organiseert dat de werknemer in de auto van de zaak een of meer collega’s meeneemt, is er ook voor die collega(’s) sprake van vervoer vanwege de werkgever. Ook in deze situatie mag aan hen geen onbelaste reiskostenvergoeding worden betaald.

U kunt een voorbeeldafspraak van het verbod op privégebruik downloaden via: www.belastingdienst.nl of bestellen bij de Belastingtelefoon: 0800 – 0543. 68 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 69


7. Belastingen

Wanneer de werknemer zélf besluit een of meer collega’s mee te nemen in de auto van de zaak, mag de werkgever wel aan die collega(’s) een onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer betalen.

Let op! H  et luistert dus nauw. Wie wil voorkomen dat de carpoolregeling fiscaal minder gunstig is, mag zich absoluut niet met het carpoolen bemoeien. De Belastingdienst geeft hier een toelichting op. Zo is het toegestaan om een ‘belangstellingsregistratie’ in de kantine op te hangen of om een ‘carpoollijstje’ te publiceren op intranet. Zolang er maar geen verplichtingen tegenover de werkgever ontstaan. Zulke verplichtingen zijn bijvoorbeeld niet aan de orde wanneer de werkgever uitsluitend aanwijst welke werknemers op een bepaalde plek moeten werken. Als de werk­ gever zich echter gaat mengen in het carpoolen door een chauffeur aan te wijzen, dan is wel sprake van verplichtingen en wordt de carpoolregeling fiscaal minder aantrekkelijk voor passagiers en/of bestuurder.

7.6 MOTORFIETS EN SCOOTER Wanneer u als werkgever een motorfiets of scooter ter beschikking stelt aan uw werknemer geldt een andere fiscale regeling dan de forfaitaire regeling bij leaseauto’s. Het werkelijke privégebruik moet de werkgever als loon in de salarisadministratie belasten, tegen de werkelijke kilometerprijs van de motorfiets of scooter. Wanneer een werknemer gebruik maakt van zijn eigen motorfiets of scooter voor woon-werkverkeer en zakelijke ritten, dan mag de werkgever een onbelaste kilometervergoeding geven van € 0,19.

7.7 PARKEERGELEGENHEID Om misverstanden te voorkomen heeft de Belastingdienst vastgelegd dat het verstrekken van parkeergelegenheid bij de werkplek onbelast is, tenzij het parkeergelegenheid in of bij de woning van de werknemer betreft. Als de werkgever voor zijn werknemers parkeerruimte bij het bedrijf huurt, is ook sprake van een onbelaste verstrekking van parkeergelegenheid. Dit geldt niet alleen voor de vaste werkplek bij het bedrijf, maar ook voor bijvoorbeeld het parkeren bij cliënten. Het verstrekken van parkeergelegenheid sluit het vergoeden van parkeren uit. Dat onderdeel is namelijk al in de kilometervergoeding opgenomen. De werkgever kan wel een parkeerkaart geven. Een creditcard of een chipknip valt daar niet onder.

7.8 OMZETBELASTING Het ter beschikking stellen van een leaseauto aan een werknemer heeft gevolgen voor de btw. Dit geldt ook voor de bijdrage die een werknemer betaalt aan zijn werkgever in verband met de ter beschikking gestelde auto. Hierna gaan we verder in op de btw over de eigen bijdrage en de (correctie) vooraftrek.

70 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

7.8.1 BTW OVER EIGEN BIJDRAGE Wanneer een werknemer periodiek een eigen bijdrage betaalt, is de werkgever hierover 19% btw verschuldigd, die is inbegrepen in de eigen bijdrage (dus 19/119 x eigen bijdrage). De werkgever moet dit bedrag aan btw, over de periode waarin de werknemer het bedrag is verschuldigd, afdragen aan de Belastingdienst. Voorbeeld Eigen bijdrage: € 113 per maand inclusief btw. De eigen bijdrage is per maand: € 95 + € 18 btw (19/119 x € 113). De werkgever moet elke maand € 18 btw aan de Belastingdienst afdragen. 7.8.2 CORRECTIE VOORAFTREK BTW Indien de bijdrage die een werknemer voor het privégebruik van een leaseauto betaalt niet kostendekkend is, dan moet de werkgever rekening houden met een btw-correctie. De btw-correctie voor het privégebruik van de auto is in principe gebaseerd op werkelijk gereden privékilometers. Woon-werkverkeer wordt voor de btw-correctie, anders dan voor de loon- en inkomstenbelasting, aangemerkt als privégebruik. Dit betekent dat de btw-correctie ook van toepassing is voor leaseauto’s van werknemers die de auto niet voor privédoeleinden gebruiken. Onder woon-werkverkeer wordt verstaan de reizen van de woon- of verblijfplaats naar de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen vaste werkplaats waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht. Als er geen vaste werkplaats is overeengekomen kwalificeren alle reizen tussen de woon- of verblijfplaats en het adres van de werkgever als woon-werkverkeer. Reizen vanaf de woon- of verblijfplaats naar andere plaatsen dan die hiervoor bedoelde vaste werkplaats worden niet aangemerkt als woon-werkverkeer. Denk hier bijvoorbeeld aan een vertegenwoordiger die direct vanuit zijn woonplaats naar een klant reist zonder eerst langs zijn vaste werkplaats te reizen. Indien het privégebruik van de auto alleen uit woon-werkverkeer bestaat, is het niet direct noodzakelijk een kilometeradministratie bij te houden. In deze situatie zou volstaan kunnen worden met het bepalen van de afstand tussen de woon- of verblijfplaats en de vaste werkplaats en hoeft alleen bijgehouden te worden hoe vaak deze reizen plaatsvinden. In plaats van het bijhouden van het aantal dagen dat deze reizen plaatsvinden, mag ook worden uitgegaan van een vast aantal werkdagen van 214 werkdagen per kalenderjaar. Het aantal werkdagen kan naar evenredigheid worden aangepast indien: • de werknemer minder dan 5 dagen per week werkt; • de dienstbetrekking begint of eindigt gedurende het kalenderjaar. LEASEPOCKET 2012-2013 | 71


7. Belastingen

Wanneer de werknemer zélf besluit een of meer collega’s mee te nemen in de auto van de zaak, mag de werkgever wel aan die collega(’s) een onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer betalen.

Let op! H  et luistert dus nauw. Wie wil voorkomen dat de carpoolregeling fiscaal minder gunstig is, mag zich absoluut niet met het carpoolen bemoeien. De Belastingdienst geeft hier een toelichting op. Zo is het toegestaan om een ‘belangstellingsregistratie’ in de kantine op te hangen of om een ‘carpoollijstje’ te publiceren op intranet. Zolang er maar geen verplichtingen tegenover de werkgever ontstaan. Zulke verplichtingen zijn bijvoorbeeld niet aan de orde wanneer de werkgever uitsluitend aanwijst welke werknemers op een bepaalde plek moeten werken. Als de werk­ gever zich echter gaat mengen in het carpoolen door een chauffeur aan te wijzen, dan is wel sprake van verplichtingen en wordt de carpoolregeling fiscaal minder aantrekkelijk voor passagiers en/of bestuurder.

7.6 MOTORFIETS EN SCOOTER Wanneer u als werkgever een motorfiets of scooter ter beschikking stelt aan uw werknemer geldt een andere fiscale regeling dan de forfaitaire regeling bij leaseauto’s. Het werkelijke privégebruik moet de werkgever als loon in de salarisadministratie belasten, tegen de werkelijke kilometerprijs van de motorfiets of scooter. Wanneer een werknemer gebruik maakt van zijn eigen motorfiets of scooter voor woon-werkverkeer en zakelijke ritten, dan mag de werkgever een onbelaste kilometervergoeding geven van € 0,19.

7.7 PARKEERGELEGENHEID Om misverstanden te voorkomen heeft de Belastingdienst vastgelegd dat het verstrekken van parkeergelegenheid bij de werkplek onbelast is, tenzij het parkeergelegenheid in of bij de woning van de werknemer betreft. Als de werkgever voor zijn werknemers parkeerruimte bij het bedrijf huurt, is ook sprake van een onbelaste verstrekking van parkeergelegenheid. Dit geldt niet alleen voor de vaste werkplek bij het bedrijf, maar ook voor bijvoorbeeld het parkeren bij cliënten. Het verstrekken van parkeergelegenheid sluit het vergoeden van parkeren uit. Dat onderdeel is namelijk al in de kilometervergoeding opgenomen. De werkgever kan wel een parkeerkaart geven. Een creditcard of een chipknip valt daar niet onder.

7.8 OMZETBELASTING Het ter beschikking stellen van een leaseauto aan een werknemer heeft gevolgen voor de btw. Dit geldt ook voor de bijdrage die een werknemer betaalt aan zijn werkgever in verband met de ter beschikking gestelde auto. Hierna gaan we verder in op de btw over de eigen bijdrage en de (correctie) vooraftrek.

70 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

7.8.1 BTW OVER EIGEN BIJDRAGE Wanneer een werknemer periodiek een eigen bijdrage betaalt, is de werkgever hierover 19% btw verschuldigd, die is inbegrepen in de eigen bijdrage (dus 19/119 x eigen bijdrage). De werkgever moet dit bedrag aan btw, over de periode waarin de werknemer het bedrag is verschuldigd, afdragen aan de Belastingdienst. Voorbeeld Eigen bijdrage: € 113 per maand inclusief btw. De eigen bijdrage is per maand: € 95 + € 18 btw (19/119 x € 113). De werkgever moet elke maand € 18 btw aan de Belastingdienst afdragen. 7.8.2 CORRECTIE VOORAFTREK BTW Indien de bijdrage die een werknemer voor het privégebruik van een leaseauto betaalt niet kostendekkend is, dan moet de werkgever rekening houden met een btw-correctie. De btw-correctie voor het privégebruik van de auto is in principe gebaseerd op werkelijk gereden privékilometers. Woon-werkverkeer wordt voor de btw-correctie, anders dan voor de loon- en inkomstenbelasting, aangemerkt als privégebruik. Dit betekent dat de btw-correctie ook van toepassing is voor leaseauto’s van werknemers die de auto niet voor privédoeleinden gebruiken. Onder woon-werkverkeer wordt verstaan de reizen van de woon- of verblijfplaats naar de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen vaste werkplaats waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht. Als er geen vaste werkplaats is overeengekomen kwalificeren alle reizen tussen de woon- of verblijfplaats en het adres van de werkgever als woon-werkverkeer. Reizen vanaf de woon- of verblijfplaats naar andere plaatsen dan die hiervoor bedoelde vaste werkplaats worden niet aangemerkt als woon-werkverkeer. Denk hier bijvoorbeeld aan een vertegenwoordiger die direct vanuit zijn woonplaats naar een klant reist zonder eerst langs zijn vaste werkplaats te reizen. Indien het privégebruik van de auto alleen uit woon-werkverkeer bestaat, is het niet direct noodzakelijk een kilometeradministratie bij te houden. In deze situatie zou volstaan kunnen worden met het bepalen van de afstand tussen de woon- of verblijfplaats en de vaste werkplaats en hoeft alleen bijgehouden te worden hoe vaak deze reizen plaatsvinden. In plaats van het bijhouden van het aantal dagen dat deze reizen plaatsvinden, mag ook worden uitgegaan van een vast aantal werkdagen van 214 werkdagen per kalenderjaar. Het aantal werkdagen kan naar evenredigheid worden aangepast indien: • de werknemer minder dan 5 dagen per week werkt; • de dienstbetrekking begint of eindigt gedurende het kalenderjaar. LEASEPOCKET 2012-2013 | 71


7. Belastingen

Echter, in de praktijk is een sluitende kilometeradministratie vaak niet aanwezig. Daarom heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat de btw-correctie wordt berekend aan de hand van een btw-forfait voor het privégebruik van de auto. 7.8.3 BTW-FORFAIT WEGENS PRIVÉGEBRUIK Indien er geen sluitende rittenregistratie aanwezig is bedraagt de btw-correctie voor het privégebruik 2,7% van de catalogusprijs. De catalogusprijs is de prijs van de auto en de fabrieksopties, inclusief btw en bpm. Bij de berekening van de btw-correctie is het niet van belang of een vrijstelling of teruggaaf van bpm voor de auto van toepassing is. Voorbeeld Catalogusprijs: € 20.000 Forfaitair percentage: 2,7% Berekening btw-correctie: 2,7% x € 20.000 = € 540 De berekende btw uit de eigen bijdrage uit het voorbeeld in paragraaf 7.8.1 kan op dit bedrag in mindering worden gebracht. Al afgedragen btw uit eigen bijdrage: € 18 x 12 maanden = € 216 Per saldo bedraagt de correctie dus: € 324 (= € 540 - € 216) Alsnog af te dragen aan de Belastingdienst: € 324

Let op! B  ovenstaande berekeningen kunnen niet leiden tot een negatieve correctie of een te vorderen btw-bedrag.

7. Belastingen

7.9 BELASTING VAN PERSONENAUTO’S EN MOTORRIJWIELEN (BPM) Onder de naam bpm heft de overheid belasting op personen-, bestelauto’s en motorrijwielen. Autobussen, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen exclusief de berijder, en bestelauto’s met een maximum massa hoger dan 3.500 kg, vallen buiten deze wet. 7.9.1 BELASTBARE FEITEN Voor de bpm gelden de volgende belastbare feiten: • De registratie van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto in Nederland. • De registratie van een niet-geregistreerde dan wel vrijgestelde auto die is omgebouwd tot een niet-vrijgestelde auto of, als er geen nieuw kenteken is afgegeven, de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van die omgebouwde auto. Bijvoorbeeld als een vrijgestelde personenauto met elektromotor is omgebouwd tot een auto met benzinemotor of als een bestelauto wordt omgebouwd tot een personenauto. • De aanvang van het gebruik van de Nederlandse openbare weg, als een niet-geregistreerde personenauto, of een niet-geregistreerd motorrijwiel (bijvoorbeeld een personenauto met een buitenlands kenteken), feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam (bijvoorbeeld B.V. of N.V.). Vaak registreert de importeur een nieuwe personenauto of een nieuw motorrijwiel en loopt de feitelijke heffing van de bpm via de importeur. 7.9.2 BPM-TARIEF Het bpm-bedrag wordt voor personenauto’s bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot en de netto catalogusprijs (prijs van de auto en de fabrieksopties exclusief btw en bpm). Daarnaast kunnen er afhankelijk van de brandstof ook additionele kortingen of toeslagen van toepassing zijn. In 2013 zal de bpm-heffing voor personenauto’s volledig op basis van CO2-uitstoot plaatsvinden. Net zoals in voorgaande jaren stelt de overheid in 2012 het milieu centraal in haar beleid. Om in de aankomende jaren de keuze voor de meest zuinige auto’s te blijven stimuleren worden de CO2-uitstootgrenzen voor de vrijstelling van bpm op 1 juli 2012 aangescherpt, vervolgens zal de grens jaarlijks op 1 januari worden aangescherpt. Onderstaand wordt de ontwikkeling van de CO2-uitstootgrenzen in een schematisch overzicht weergegeven voor de jaren 2012 tot en met 2015.

72 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 73


7. Belastingen

Echter, in de praktijk is een sluitende kilometeradministratie vaak niet aanwezig. Daarom heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat de btw-correctie wordt berekend aan de hand van een btw-forfait voor het privégebruik van de auto. 7.8.3 BTW-FORFAIT WEGENS PRIVÉGEBRUIK Indien er geen sluitende rittenregistratie aanwezig is bedraagt de btw-correctie voor het privégebruik 2,7% van de catalogusprijs. De catalogusprijs is de prijs van de auto en de fabrieksopties, inclusief btw en bpm. Bij de berekening van de btw-correctie is het niet van belang of een vrijstelling of teruggaaf van bpm voor de auto van toepassing is. Voorbeeld Catalogusprijs: € 20.000 Forfaitair percentage: 2,7% Berekening btw-correctie: 2,7% x € 20.000 = € 540 De berekende btw uit de eigen bijdrage uit het voorbeeld in paragraaf 7.8.1 kan op dit bedrag in mindering worden gebracht. Al afgedragen btw uit eigen bijdrage: € 18 x 12 maanden = € 216 Per saldo bedraagt de correctie dus: € 324 (= € 540 - € 216) Alsnog af te dragen aan de Belastingdienst: € 324

Let op! B  ovenstaande berekeningen kunnen niet leiden tot een negatieve correctie of een te vorderen btw-bedrag.

7. Belastingen

7.9 BELASTING VAN PERSONENAUTO’S EN MOTORRIJWIELEN (BPM) Onder de naam bpm heft de overheid belasting op personen-, bestelauto’s en motorrijwielen. Autobussen, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen exclusief de berijder, en bestelauto’s met een maximum massa hoger dan 3.500 kg, vallen buiten deze wet. 7.9.1 BELASTBARE FEITEN Voor de bpm gelden de volgende belastbare feiten: • De registratie van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto in Nederland. • De registratie van een niet-geregistreerde dan wel vrijgestelde auto die is omgebouwd tot een niet-vrijgestelde auto of, als er geen nieuw kenteken is afgegeven, de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van die omgebouwde auto. Bijvoorbeeld als een vrijgestelde personenauto met elektromotor is omgebouwd tot een auto met benzinemotor of als een bestelauto wordt omgebouwd tot een personenauto. • De aanvang van het gebruik van de Nederlandse openbare weg, als een niet-geregistreerde personenauto, of een niet-geregistreerd motorrijwiel (bijvoorbeeld een personenauto met een buitenlands kenteken), feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam (bijvoorbeeld B.V. of N.V.). Vaak registreert de importeur een nieuwe personenauto of een nieuw motorrijwiel en loopt de feitelijke heffing van de bpm via de importeur. 7.9.2 BPM-TARIEF Het bpm-bedrag wordt voor personenauto’s bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot en de netto catalogusprijs (prijs van de auto en de fabrieksopties exclusief btw en bpm). Daarnaast kunnen er afhankelijk van de brandstof ook additionele kortingen of toeslagen van toepassing zijn. In 2013 zal de bpm-heffing voor personenauto’s volledig op basis van CO2-uitstoot plaatsvinden. Net zoals in voorgaande jaren stelt de overheid in 2012 het milieu centraal in haar beleid. Om in de aankomende jaren de keuze voor de meest zuinige auto’s te blijven stimuleren worden de CO2-uitstootgrenzen voor de vrijstelling van bpm op 1 juli 2012 aangescherpt, vervolgens zal de grens jaarlijks op 1 januari worden aangescherpt. Onderstaand wordt de ontwikkeling van de CO2-uitstootgrenzen in een schematisch overzicht weergegeven voor de jaren 2012 tot en met 2015.

72 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 73


7. Belastingen

Tarieven, toeslagen en kortingen Basispercentage bpm Benzinekorting Aardgaskorting Dieseltoeslag Dieseltoeslag per gram CO2 boven 70 gr/km Diesel Euro-6 korting Zuinige benzine, (CO2 110-120 gr/km) Zuinige diesel, (CO2 95-120 gr/km)

7. Belastingen

1e helft 2012

2e helft 2012

2013

2014

2015

11,1% € 450 € 950 € 1.900

11,1% € 450 € 450 € 0

0% € 0 € 0 € 0

0% € 0 € 0 € 0

0% €0 €0 €0

n.v.t. € 1000

€ 40,68 € 1.000

€ 54,92 € 500

€ 70,17 € 0

€ 81,36 €0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€0

<89 89-124 125-182 183-203 >203

<83 83-110 111-160 161-180 >180

Ontwikkeling CO2-uitstootgrenzen in gram per kilometer Vrijgesteld 1e schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf

<111 111-180 181-270 >270 nvt

<103 103-159 160-237 238-242 >242

<96 96-140 141-208 209-229 >229

Ontwikkeling CO2-uitstootgrenzen in gram per kilometer diesel Vrijgesteld 1e schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf

<96 96-155 156-232 >232 nvt

<92 92-143 144-211 212-225 >225

<89 89-131 132-192 193-215 >215

<86 86-120 121-175 176-197 >197

<83 83-110 111-160 161-180 >180

0 122 145 270 539

0 101 121 228 456

0 88 106 205 411

Tariefstelling bpm in € per gram CO2 per schijf Vrijgesteld 1e schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf

0 94 280 654 nvt

0 101 121 223 559

Auto’s met een LPG-installatie worden voor de bpm-berekening behandeld als benzineauto en auto’s met een affabriek aardgasinstallatie als dieselauto’s. Vanaf 1 juli 2012 worden aardgasauto’s ook behandeld worden als benzineauto. De CO2-uitstootgrenzen voor benzine- en dieselauto’s groeien in de komende jaren naar elkaar toe, uiteindelijk zullen de CO2-uitstootgrenzen in 2015 gelijk zijn. Voor bestelauto’s en motoren blijft de catalogusprijs als grondslag gelden. Voor bestelauto’s is het bpm-tarief 37,7% van de netto catalogusprijs verminderd met € 1.283 indien de bestelauto wordt aangedreven door een benzinemotor, en vermeerderd met € 273 als de auto wordt aangedreven door een dieselmotor. Voor motorrijwielen (waaronder ook quads) zijn er twee bpm-tarieven die afhankelijk zijn van de hoogte van de netto catalogusprijs: • voor motorrijwielen met een netto catalogusprijs van niet meer dan € 2.133 bedraagt het bpm-tarief 9,6% van de netto catalogusprijs; • voor motorrijwielen met een netto catalogusprijs van meer dan € 2.133 bedraagt het bpm-tarief 19,4% van de netto catalogusprijs, verminderd met een vast bedrag van € 210. 7.9.3 VRIJSTELLINGEN Onder bepaalde voorwaarden kan een vrijstelling van bpm van toepassing zijn. In deze paragraaf worden de volgende vrijstellingen behandeld: • kortstondig gebruik van een in het buitenland geregistreerde auto in Nederland; • ondernemer-/werknemersregeling; • bestelauto. Kortstondig gebruik Zo is met ingang van 1 februari 2007 het kortstondig gebruik (gebruik gedurende twee weken) van de Nederlandse openbare weg door een Nederlandse inwoner met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig voor de bpm vrijgesteld. Voorwaarde is wel dat de vrijstelling aangevraagd moet worden vóórdat het gebruik van de Nederlandse weg aanvangt. De vrijstelling kan elektronisch bij de Belastingdienst/Douane worden aangevraagd door degene die op dat moment het voertuig tot zijn of haar beschikking heeft (houder van het voertuig). Het aanvragen van de vrijstelling is van groot belang wanneer, bijvoorbeeld in geval van pech in het buitenland, de reis naar Nederland vervolgd moet worden met een buitenlandse huurauto. Om heffing van bpm bij aankomst in Nederland te voorkomen moet onderweg, uiterlijk voor de Nederlandse grens, om vrijstelling worden gevraagd door middel van een elektronische aangifte.

74 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 75


7. Belastingen

Tarieven, toeslagen en kortingen Basispercentage bpm Benzinekorting Aardgaskorting Dieseltoeslag Dieseltoeslag per gram CO2 boven 70 gr/km Diesel Euro-6 korting Zuinige benzine, (CO2 110-120 gr/km) Zuinige diesel, (CO2 95-120 gr/km)

7. Belastingen

1e helft 2012

2e helft 2012

2013

2014

2015

11,1% € 450 € 950 € 1.900

11,1% € 450 € 450 € 0

0% € 0 € 0 € 0

0% € 0 € 0 € 0

0% €0 €0 €0

n.v.t. € 1000

€ 40,68 € 1.000

€ 54,92 € 500

€ 70,17 € 0

€ 81,36 €0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€0

<89 89-124 125-182 183-203 >203

<83 83-110 111-160 161-180 >180

Ontwikkeling CO2-uitstootgrenzen in gram per kilometer Vrijgesteld 1e schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf

<111 111-180 181-270 >270 nvt

<103 103-159 160-237 238-242 >242

<96 96-140 141-208 209-229 >229

Ontwikkeling CO2-uitstootgrenzen in gram per kilometer diesel Vrijgesteld 1e schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf

<96 96-155 156-232 >232 nvt

<92 92-143 144-211 212-225 >225

<89 89-131 132-192 193-215 >215

<86 86-120 121-175 176-197 >197

<83 83-110 111-160 161-180 >180

0 122 145 270 539

0 101 121 228 456

0 88 106 205 411

Tariefstelling bpm in € per gram CO2 per schijf Vrijgesteld 1e schijf 2e schijf 3e schijf 4e schijf

0 94 280 654 nvt

0 101 121 223 559

Auto’s met een LPG-installatie worden voor de bpm-berekening behandeld als benzineauto en auto’s met een affabriek aardgasinstallatie als dieselauto’s. Vanaf 1 juli 2012 worden aardgasauto’s ook behandeld worden als benzineauto. De CO2-uitstootgrenzen voor benzine- en dieselauto’s groeien in de komende jaren naar elkaar toe, uiteindelijk zullen de CO2-uitstootgrenzen in 2015 gelijk zijn. Voor bestelauto’s en motoren blijft de catalogusprijs als grondslag gelden. Voor bestelauto’s is het bpm-tarief 37,7% van de netto catalogusprijs verminderd met € 1.283 indien de bestelauto wordt aangedreven door een benzinemotor, en vermeerderd met € 273 als de auto wordt aangedreven door een dieselmotor. Voor motorrijwielen (waaronder ook quads) zijn er twee bpm-tarieven die afhankelijk zijn van de hoogte van de netto catalogusprijs: • voor motorrijwielen met een netto catalogusprijs van niet meer dan € 2.133 bedraagt het bpm-tarief 9,6% van de netto catalogusprijs; • voor motorrijwielen met een netto catalogusprijs van meer dan € 2.133 bedraagt het bpm-tarief 19,4% van de netto catalogusprijs, verminderd met een vast bedrag van € 210. 7.9.3 VRIJSTELLINGEN Onder bepaalde voorwaarden kan een vrijstelling van bpm van toepassing zijn. In deze paragraaf worden de volgende vrijstellingen behandeld: • kortstondig gebruik van een in het buitenland geregistreerde auto in Nederland; • ondernemer-/werknemersregeling; • bestelauto. Kortstondig gebruik Zo is met ingang van 1 februari 2007 het kortstondig gebruik (gebruik gedurende twee weken) van de Nederlandse openbare weg door een Nederlandse inwoner met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig voor de bpm vrijgesteld. Voorwaarde is wel dat de vrijstelling aangevraagd moet worden vóórdat het gebruik van de Nederlandse weg aanvangt. De vrijstelling kan elektronisch bij de Belastingdienst/Douane worden aangevraagd door degene die op dat moment het voertuig tot zijn of haar beschikking heeft (houder van het voertuig). Het aanvragen van de vrijstelling is van groot belang wanneer, bijvoorbeeld in geval van pech in het buitenland, de reis naar Nederland vervolgd moet worden met een buitenlandse huurauto. Om heffing van bpm bij aankomst in Nederland te voorkomen moet onderweg, uiterlijk voor de Nederlandse grens, om vrijstelling worden gevraagd door middel van een elektronische aangifte.

74 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 75


7. Belastingen

Als gevolg van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie heeft de Staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat er voor de aanvang van het weggebruik in Nederland met een voor een bepaalde periode in een ander land gehuurd of geleaset motorrijtuig bij de aangifte bpm direct een verzoek om teruggaaf bij export kan worden ingediend. Concreet betekent dit dat voor auto’s met een buitenlands kenteken die buiten Nederland worden geleaset of gehuurd de Staatssecretaris onder voorwaarden goedkeurt dat het verzoek om teruggaaf wegens export gelijktijdig wordt gedaan met de aangifte van de verschuldigde bpm. De Staatssecretaris stelt hiervoor de volgende voorwaarden: • Aan de hand van huur- of lease overeenkomst wordt aangetoond dat er sprake is van zakelijk overeengekomen gebruik tussen het verhuurbedrijf of leasemaatschappij en een ondernemer of particulier; • De in de huur- of leaseovereenkomst genoemde huur- of lease periode wordt geacht de gebruiksperiode in Nederland te zijn. Deze periode beslaat maximaal 3 jaar. • Een verlenging van de duur van de huur- of leaseovereenkomst wordt ten minste twee weken voor de ingangsdatum schriftelijk gemeld aan de inspecteur. In dat geval wordt de bpm over de verlengde periode nageheven zonder boete; • Het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de EU of een staat die partij is van de Europese Economische Ruimte. Ondernemer-/werknemersregeling Verder kent de wet op de bpm een aantal specifieke vrijstellingen, onder andere in het kader van het douanerecht. De zogenoemde werknemers- en ondernemersvrijstellingen worden het meest verleend in verband met een dienstbetrekking of functie bij een onderneming in het buitenland. Om in aanmerking te komen voor een vrijstelling kunt u een verzoek bij de Belastingdienst/Douane indienen. Bestelauto Ondernemers kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van betaling van bpm. Om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moet men in ieder geval: • ondernemer zijn zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968; • geen ondernemer zijn zoals bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968; • de bestelauto voor meer dan 10% van de gereden kilometers per jaar voor zijn onder­ neming gebruiken; • de bestelauto hebben ingericht als bestelauto (zie bijlage 4) en deze dus niet voor het vervoer van personen gebruiken.

76 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

Indien de ondernemer de bestelauto heeft geleaset moet de ondernemer ook een onder­ nemersverklaring tekenen. Een onjuiste of onvolledige ondernemersverklaring heeft tot gevolg dat de vrijstelling van bpm voor de bestelauto komt te vervallen en dat boetes oplopend tot 100% van het na te heffen bpm-bedrag kunnen worden opgelegd. Overigens is het niet van belang of de ondernemer geheel of gedeeltelijk voor de btw vrijgestelde prestaties verricht. Dit betekent dat ook verenigingen, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling van bpm voor bestelauto’s, indien zij voor de omzetbelasting als ondernemer zijn aangemerkt. Wanneer geen vrijstelling voor de bpm van toepassing is, dient de verschuldigde bpm te worden betaald binnen een maand nadat het kenteken te naam is gesteld. Als er binnen vijf jaar na de registratie van de bestelauto niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling, dan moet er rest-bpm worden afgedragen. Dit geldt ook wanneer de auto binnen de hiervoor genoemde periode door de ondernemer wordt verkocht aan een particulier. Vanaf vijf jaar na eerste registratie kan de bestelauto zonder bpm worden doorverkocht aan een particulier. Tot slot, wanneer door een wijziging na kentekenregistratie, bijvoorbeeld door chiptuning, meer CO2 wordt uitgestoten, dan moet de kentekenhouder binnen drie jaar na kenteken­ registratie overgaan tot herberekening van de bpm. De kentekenhouder dient enkel over het verschil tussen de oude en de hogere CO2 alsnog bpm bij te betalen. 7.9.4 AFSCHRIJVING BPM Bij gebruikte personenauto’s en motorrijwielen heft de Belastingdienst niet de volledige bpm, maar wordt in plaats daarvan een vermindering toegepast. Bij gebruikte vervoermiddelen wordt bpm geheven naar de werkelijke afschrijving, uitgedrukt als percentage van de catalogusprijs inclusief bpm. Om deze afschrijving te berekenen wordt de catalogusprijs van de auto in nieuwe staat afgezet tegen de feitelijke catalogusprijs bij verkoop aan particulieren. Aangezien een feitelijke waarde wordt genomen, komt de tegenbewijsregeling te vervallen. Het is tevens mogelijk de vermindering te berekenen op basis van een forfaitair afschrijvingspercentage. Om de verschuldigde bpm te bepalen, wordt uitgegaan van de Nederlandse netto catalogusprijs, exclusief btw en verminderd met het toepasselijke afschrijvingspercentage.

LEASEPOCKET 2012-2013 | 77


7. Belastingen

Als gevolg van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie heeft de Staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat er voor de aanvang van het weggebruik in Nederland met een voor een bepaalde periode in een ander land gehuurd of geleaset motorrijtuig bij de aangifte bpm direct een verzoek om teruggaaf bij export kan worden ingediend. Concreet betekent dit dat voor auto’s met een buitenlands kenteken die buiten Nederland worden geleaset of gehuurd de Staatssecretaris onder voorwaarden goedkeurt dat het verzoek om teruggaaf wegens export gelijktijdig wordt gedaan met de aangifte van de verschuldigde bpm. De Staatssecretaris stelt hiervoor de volgende voorwaarden: • Aan de hand van huur- of lease overeenkomst wordt aangetoond dat er sprake is van zakelijk overeengekomen gebruik tussen het verhuurbedrijf of leasemaatschappij en een ondernemer of particulier; • De in de huur- of leaseovereenkomst genoemde huur- of lease periode wordt geacht de gebruiksperiode in Nederland te zijn. Deze periode beslaat maximaal 3 jaar. • Een verlenging van de duur van de huur- of leaseovereenkomst wordt ten minste twee weken voor de ingangsdatum schriftelijk gemeld aan de inspecteur. In dat geval wordt de bpm over de verlengde periode nageheven zonder boete; • Het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de EU of een staat die partij is van de Europese Economische Ruimte. Ondernemer-/werknemersregeling Verder kent de wet op de bpm een aantal specifieke vrijstellingen, onder andere in het kader van het douanerecht. De zogenoemde werknemers- en ondernemersvrijstellingen worden het meest verleend in verband met een dienstbetrekking of functie bij een onderneming in het buitenland. Om in aanmerking te komen voor een vrijstelling kunt u een verzoek bij de Belastingdienst/Douane indienen. Bestelauto Ondernemers kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van betaling van bpm. Om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling moet men in ieder geval: • ondernemer zijn zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968; • geen ondernemer zijn zoals bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968; • de bestelauto voor meer dan 10% van de gereden kilometers per jaar voor zijn onder­ neming gebruiken; • de bestelauto hebben ingericht als bestelauto (zie bijlage 4) en deze dus niet voor het vervoer van personen gebruiken.

76 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

Indien de ondernemer de bestelauto heeft geleaset moet de ondernemer ook een onder­ nemersverklaring tekenen. Een onjuiste of onvolledige ondernemersverklaring heeft tot gevolg dat de vrijstelling van bpm voor de bestelauto komt te vervallen en dat boetes oplopend tot 100% van het na te heffen bpm-bedrag kunnen worden opgelegd. Overigens is het niet van belang of de ondernemer geheel of gedeeltelijk voor de btw vrijgestelde prestaties verricht. Dit betekent dat ook verenigingen, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling van bpm voor bestelauto’s, indien zij voor de omzetbelasting als ondernemer zijn aangemerkt. Wanneer geen vrijstelling voor de bpm van toepassing is, dient de verschuldigde bpm te worden betaald binnen een maand nadat het kenteken te naam is gesteld. Als er binnen vijf jaar na de registratie van de bestelauto niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling, dan moet er rest-bpm worden afgedragen. Dit geldt ook wanneer de auto binnen de hiervoor genoemde periode door de ondernemer wordt verkocht aan een particulier. Vanaf vijf jaar na eerste registratie kan de bestelauto zonder bpm worden doorverkocht aan een particulier. Tot slot, wanneer door een wijziging na kentekenregistratie, bijvoorbeeld door chiptuning, meer CO2 wordt uitgestoten, dan moet de kentekenhouder binnen drie jaar na kenteken­ registratie overgaan tot herberekening van de bpm. De kentekenhouder dient enkel over het verschil tussen de oude en de hogere CO2 alsnog bpm bij te betalen. 7.9.4 AFSCHRIJVING BPM Bij gebruikte personenauto’s en motorrijwielen heft de Belastingdienst niet de volledige bpm, maar wordt in plaats daarvan een vermindering toegepast. Bij gebruikte vervoermiddelen wordt bpm geheven naar de werkelijke afschrijving, uitgedrukt als percentage van de catalogusprijs inclusief bpm. Om deze afschrijving te berekenen wordt de catalogusprijs van de auto in nieuwe staat afgezet tegen de feitelijke catalogusprijs bij verkoop aan particulieren. Aangezien een feitelijke waarde wordt genomen, komt de tegenbewijsregeling te vervallen. Het is tevens mogelijk de vermindering te berekenen op basis van een forfaitair afschrijvingspercentage. Om de verschuldigde bpm te bepalen, wordt uitgegaan van de Nederlandse netto catalogusprijs, exclusief btw en verminderd met het toepasselijke afschrijvingspercentage.

LEASEPOCKET 2012-2013 | 77


7. Belastingen

7. Belastingen

De forfaitaire afschrijvingstabel voor de bpm van gebruikte motorvoertuigen is per 1 januari 2008 omgezet van jaarstappen naar maandstappen. De tabel ziet er als volgt uit:

Indien sinds het tijdstip Maar minder dan waarop het mototvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen, een periode is verstreken van ten minste 0 dagen 1 maand 1 maand 3 maanden 5 maanden 3 maanden 9 maanden 5 maanden 9 maanden 1 jaar en 6 maanden 1 jaar en 6 maanden 2 jaar en 6 maanden 2 jaar en 6 maanden 3 jaar en 6 maanden 4 jaar en 6 maanden 3 jaar en 6 maanden 4 jaar en 6 maanden 5 jaar en 6 maanden 5 jaar en 6 maanden 6 jaar en 6 maanden 6 jaar en 6 maanden 7 jaar en 6 maanden 8 jaar en 6 maanden 7 jaar en 6 maanden 8 jaar en 6 maanden 9 jaar en 6 maanden 9 jaar en 6 maanden

Is het percen- tage 0 5 11 16 25 38 49 59 68 74 79 84 88 92

En voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde periode vermeerderd met 5 3 2,5 2,25 1,444 0,917 0,833 0,75 0,5 0,416 0,416 0,333 0,333 0,083

Let op! V  oor een bestelauto geldt een afwijkende regeling. Voor deze voertuigen is het afschrijvingspercentage na 5 jaar 100%. Het aantal maanden dat geheel of gedeeltelijk is verstreken nadat de periode uit de eerste kolom is verstreken, vermenigvuldigt u met het percentage in kolom vier. De uitkomst van deze berekening telt u op bij het bijbehorende percentage in de derde kolom. Het zo gevonden afschrijvingspercentage wordt toegepast op het oorspronkelijke bpm-bedrag. Bovenstaande vermindering van bpm is van belang voor het vaststellen van de verschuldigde bpm bij de verkoop van personenauto’s of motorrijwielen door ondernemers. 7.9.5 TERUGGAVE BPM Voor sommige personenauto’s en motorrijwielen kan de bpm worden teruggevraagd. Daartoe moet een verzoek worden ingediend bij de belastinginspecteur. Onder bepaalde 78 | LEASEPOCKET 2012-2013

voorwaarden is teruggave van bpm onder meer mogelijk voor de volgende motorrijtuigen: • taxi’s • (dieren)ambulances, brandweerauto’s, politieauto’s • geldtransportauto’s • auto’s bestemd voor gevangenenvervoer • invalidenvoertuigen met elektromotor • autobussen ingericht voor rolstoelgebruikers • lijkwagens Ook voor de bpm op bestelbussen die zijn ingericht voor het vervoer van gehandicapte personen, kan onder voorwaarden een teruggaaf worden verleend. De bpm wordt verrekend in plaats van terugbetaald. Voorwaarde is wel dat u eerst een bpm-aangifte indient. De bpm die op aangifte moet worden voldaan, wordt vervolgens verrekend met het bedrag van de teruggaaf indien daar in de aangifte om wordt verzocht. Per 1 februari 2007 is een belangrijke wetswijziging van kracht, die betrekking heeft op de teruggaaf bij export. De volledige heffing van bpm bij de registratie van een motorvoertuig of bij aanvang van het gebruik hiervan in Nederland door een Nederlandse ingezetene blijft gelden als voorheen. Als gevolg van de wetswijziging wordt voortaan een teruggaaf van bpm verleend, indien het motorrijtuig wordt uitgevoerd (registratie buiten Nederland, maar binnen de EER). Deze teruggaaf geldt voor zowel in Nederland als in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen. Voor de teruggaaf kan ofwel een forfaitaire tabel ofwel de werkelijke afschrijving als uitgangspunt worden genomen. De regeling geldt voor auto’s en motoren waarvoor bpm verschuldigd is na 15 oktober 2006 en die naar een ander land zijn overgebracht na 31 januari 2007. 7.9.6 BPM IN LEASETERMIJNEN Een leasemaatschappij mag de bpm in de maandelijkse leasetermijnen van auto’s beschouwen als een doorlopende post voor de btw, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan: • de leaseovereenkomst heeft een looptijd van minimaal een jaar; • de leasemaatschappij heeft de bpm feitelijk afgedragen; • het kenteken van de personenauto is op naam van de lessee gesteld; • de leasemaatschappij vermeldt de doorberekende bpm apart op de factuur. De leasemaatschappij hoeft in dit geval geen btw in rekening te brengen over het bpm-deel van een leasetermijn, indien dit bedrag apart op de factuur staat. Dit is van belang voor ondernemers die niet btw-plichtig zijn. Het gaat dan om de bpm in de afschrijvingscomponent van de leasetermijnen. De leasemaatschappij berekent dit bedrag door het verschil te nemen tussen het bpm-bedrag aan het begin en het einde van de looptijd van de overeenLEASEPOCKET 2012-2013 | 79


7. Belastingen

7. Belastingen

De forfaitaire afschrijvingstabel voor de bpm van gebruikte motorvoertuigen is per 1 januari 2008 omgezet van jaarstappen naar maandstappen. De tabel ziet er als volgt uit:

Indien sinds het tijdstip Maar minder dan waarop het mototvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen, een periode is verstreken van ten minste 0 dagen 1 maand 1 maand 3 maanden 5 maanden 3 maanden 9 maanden 5 maanden 9 maanden 1 jaar en 6 maanden 1 jaar en 6 maanden 2 jaar en 6 maanden 2 jaar en 6 maanden 3 jaar en 6 maanden 4 jaar en 6 maanden 3 jaar en 6 maanden 4 jaar en 6 maanden 5 jaar en 6 maanden 5 jaar en 6 maanden 6 jaar en 6 maanden 6 jaar en 6 maanden 7 jaar en 6 maanden 8 jaar en 6 maanden 7 jaar en 6 maanden 8 jaar en 6 maanden 9 jaar en 6 maanden 9 jaar en 6 maanden

Is het percen- tage 0 5 11 16 25 38 49 59 68 74 79 84 88 92

En voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde periode vermeerderd met 5 3 2,5 2,25 1,444 0,917 0,833 0,75 0,5 0,416 0,416 0,333 0,333 0,083

Let op! V  oor een bestelauto geldt een afwijkende regeling. Voor deze voertuigen is het afschrijvingspercentage na 5 jaar 100%. Het aantal maanden dat geheel of gedeeltelijk is verstreken nadat de periode uit de eerste kolom is verstreken, vermenigvuldigt u met het percentage in kolom vier. De uitkomst van deze berekening telt u op bij het bijbehorende percentage in de derde kolom. Het zo gevonden afschrijvingspercentage wordt toegepast op het oorspronkelijke bpm-bedrag. Bovenstaande vermindering van bpm is van belang voor het vaststellen van de verschuldigde bpm bij de verkoop van personenauto’s of motorrijwielen door ondernemers. 7.9.5 TERUGGAVE BPM Voor sommige personenauto’s en motorrijwielen kan de bpm worden teruggevraagd. Daartoe moet een verzoek worden ingediend bij de belastinginspecteur. Onder bepaalde 78 | LEASEPOCKET 2012-2013

voorwaarden is teruggave van bpm onder meer mogelijk voor de volgende motorrijtuigen: • taxi’s • (dieren)ambulances, brandweerauto’s, politieauto’s • geldtransportauto’s • auto’s bestemd voor gevangenenvervoer • invalidenvoertuigen met elektromotor • autobussen ingericht voor rolstoelgebruikers • lijkwagens Ook voor de bpm op bestelbussen die zijn ingericht voor het vervoer van gehandicapte personen, kan onder voorwaarden een teruggaaf worden verleend. De bpm wordt verrekend in plaats van terugbetaald. Voorwaarde is wel dat u eerst een bpm-aangifte indient. De bpm die op aangifte moet worden voldaan, wordt vervolgens verrekend met het bedrag van de teruggaaf indien daar in de aangifte om wordt verzocht. Per 1 februari 2007 is een belangrijke wetswijziging van kracht, die betrekking heeft op de teruggaaf bij export. De volledige heffing van bpm bij de registratie van een motorvoertuig of bij aanvang van het gebruik hiervan in Nederland door een Nederlandse ingezetene blijft gelden als voorheen. Als gevolg van de wetswijziging wordt voortaan een teruggaaf van bpm verleend, indien het motorrijtuig wordt uitgevoerd (registratie buiten Nederland, maar binnen de EER). Deze teruggaaf geldt voor zowel in Nederland als in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen. Voor de teruggaaf kan ofwel een forfaitaire tabel ofwel de werkelijke afschrijving als uitgangspunt worden genomen. De regeling geldt voor auto’s en motoren waarvoor bpm verschuldigd is na 15 oktober 2006 en die naar een ander land zijn overgebracht na 31 januari 2007. 7.9.6 BPM IN LEASETERMIJNEN Een leasemaatschappij mag de bpm in de maandelijkse leasetermijnen van auto’s beschouwen als een doorlopende post voor de btw, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan: • de leaseovereenkomst heeft een looptijd van minimaal een jaar; • de leasemaatschappij heeft de bpm feitelijk afgedragen; • het kenteken van de personenauto is op naam van de lessee gesteld; • de leasemaatschappij vermeldt de doorberekende bpm apart op de factuur. De leasemaatschappij hoeft in dit geval geen btw in rekening te brengen over het bpm-deel van een leasetermijn, indien dit bedrag apart op de factuur staat. Dit is van belang voor ondernemers die niet btw-plichtig zijn. Het gaat dan om de bpm in de afschrijvingscomponent van de leasetermijnen. De leasemaatschappij berekent dit bedrag door het verschil te nemen tussen het bpm-bedrag aan het begin en het einde van de looptijd van de overeenLEASEPOCKET 2012-2013 | 79


7. Belastingen

komst. Dit verschil wordt vervolgens gedeeld door de looptijd van de overeenkomst. Daarbij gaat de leasemaatschappij uit van de afschrijvingspercentages genoemd in de afschrijvingstabel bpm. Eventuele verschillen met de werkelijke looptijd corrigeert de leasemaatschappij in de laatste leasetermijn.

7.10 MOTORRIJTUIGENBELASTING De houder van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel of een vrachtauto is belastingplichtig voor de motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb). Voor de mrb maakt het niet uit of de houder daadwerkelijk gebruik maakt van de openbare weg. Uitzondering hierop is de autobus. Als een autobus geen gebruik maakt van de openbare weg, dan wordt er geen mrb geheven. Iemand is houder als hij aan één van de volgende criteria voldoet: • het kenteken staat op zijn naam in het kentekenregister; • hij heeft een motorrijtuig feitelijk ter beschikking, waarvoor geen kenteken is opgegeven; • hij heeft een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland ter beschikking. Bij een zakenauto staat het kenteken veelal op naam van de werkgever, een leasemaatschappij of een verhuurbedrijf. Een werkgever kan de Belastingdienst vragen de daadwerkelijke gebruiker van de zakenauto (de werknemer) aan te merken als houder. Voorwaarde is wel dat de zakenauto feitelijk en voor langere tijd ter beschikking wordt gesteld aan de werknemer. Het mrb-tarief is per 1 januari 2012 met 1,7% verhoogd. De hoogte van de mrb is afhankelijk van het soort auto, het gewicht, soort brandstof, etc. Dieselauto’s met een maximale CO2-uitstoot van 95 gram per kilometer, en benzine- of aardgasauto’s met een maximale CO2-uitstoot van 110 gram per kilometer, zijn tot 1 januari 2014 vrijgesteld voor de mrb. Tevens geldt voor hybride voertuigen een forfaitaire korting van 125 kilogram op het gewicht van deze voertuigen. Dit ter compensatie van de zwaarte van de accu. Dit overigens alleen voor voertuigen die niet onder vrijstelling van de mrb vallen. 7.10.1 MRB EN BESTELAUTO Voor de mrb wordt de bestelauto op dezelfde wijze belast als de personenauto. Ondernemers en gehandicapten, die rijden in een daarop afgestemde bestelauto, kunnen echter in aanmerking komen voor een lager tarief. Daartoe moeten gehandicapten een verzoek indienen bij de belastinginspecteur. Het lagere tarief wordt automatisch toegepast voor ondernemers die zijn geregistreerd bij de Belastingdienst. De voorwaarden voor het lagere tarief voor ondernemers sluiten aan bij de voorwaarden voor de vrijstelling van bpm (zie paragraaf 7.9.3).

80 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

7.10.2 MRB IN LEASETERMIJNEN De mrb is een belasting die wordt geheven aan de houder van een motorrijtuig, ofwel degene op wiens naam het motorrijtuig staat geregistreerd. Als het motorrijtuig staat geregistreerd op naam van de lessee, maar de lessor voldoet de verschuldigde belasting, is de mrb aan te merken als doorlopende post voor de btw. Deze situatie doet zich voor wanneer gebruik gemaakt wordt van de regeling met betrekking tot de kentekenregistratie voor leasemaatschappijen, waarmee u gebruik maakt van een zogenaamd hulpregister. Voor de facturering betekent dit dat de mrb, mits sprake is van een doorlopende of een quasi doorlopende post, niet tot de vergoeding wordt gerekend. De mrb wordt afzonderlijk op de factuur vermeld en is niet hoger dan het aan de Belastingdienst te betalen bedrag. Indien de leasemaatschappij de mrb gelijkelijk wenst te verdelen over de leasetermijnen, is het geen bezwaar dat het bovenstaande van toepassing is, onder de voorwaarden dat verschillen tussen verschuldigde belasting en doorberekende belasting met de lessee worden verrekend en achteraf controle aan de hand van boeken en bescheiden per kenteken mogelijk is.

7.11 OPENBAAR VERVOER De Belastingdienst verstaat onder openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer, volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont, of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig. Vervoer over water, zoals de overzetveren naar de Waddeneilanden en bepaalde veerverbindingen tussen IJmuiden - Amsterdam en Dordrecht - Rotterdam, valt ook onder het openbaar vervoer. In deze paragraaf behandelen we de volgende onderwerpen: • vergoeden van de kosten; • verstrekken van vervoerbewijzen; • vrij reizen met openbaar vervoer; • vervoer van en naar een station of halte; • reisaftrek voor de inkomstenbelasting. 7.11.1 VERGOEDEN VAN DE KOSTEN Als werkgever mag u aan de werknemer die met het openbaar vervoer reist maximaal € 0,19 per kilometer onbelast vergoeden. Overigens is ook mogelijk om de werkelijke reiskosten te vergoeden. Ook dat mag onbelast. Daarbij dient geen rekening te worden gehouden met een vertragingsvergoeding die de vervoerder eventueel geeft. Als de werknemer de afstand gedeeltelijk met eigen vervoer reist en gedeeltelijk per openbaar vervoer, mag ook voor de volledige reisafstand een onbelaste vergoeding worden gegeven van € 0,19 per kilometer. Overigens is ook de keuze mogelijk dat de werkelijke kosten van het openbaar vervoer onbelast worden vergoed, vermeerderd met maximaal € 0,19 per kilometer voor eigen vervoer.

LEASEPOCKET 2012-2013 | 81


7. Belastingen

komst. Dit verschil wordt vervolgens gedeeld door de looptijd van de overeenkomst. Daarbij gaat de leasemaatschappij uit van de afschrijvingspercentages genoemd in de afschrijvingstabel bpm. Eventuele verschillen met de werkelijke looptijd corrigeert de leasemaatschappij in de laatste leasetermijn.

7.10 MOTORRIJTUIGENBELASTING De houder van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel of een vrachtauto is belastingplichtig voor de motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb). Voor de mrb maakt het niet uit of de houder daadwerkelijk gebruik maakt van de openbare weg. Uitzondering hierop is de autobus. Als een autobus geen gebruik maakt van de openbare weg, dan wordt er geen mrb geheven. Iemand is houder als hij aan één van de volgende criteria voldoet: • het kenteken staat op zijn naam in het kentekenregister; • hij heeft een motorrijtuig feitelijk ter beschikking, waarvoor geen kenteken is opgegeven; • hij heeft een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland ter beschikking. Bij een zakenauto staat het kenteken veelal op naam van de werkgever, een leasemaatschappij of een verhuurbedrijf. Een werkgever kan de Belastingdienst vragen de daadwerkelijke gebruiker van de zakenauto (de werknemer) aan te merken als houder. Voorwaarde is wel dat de zakenauto feitelijk en voor langere tijd ter beschikking wordt gesteld aan de werknemer. Het mrb-tarief is per 1 januari 2012 met 1,7% verhoogd. De hoogte van de mrb is afhankelijk van het soort auto, het gewicht, soort brandstof, etc. Dieselauto’s met een maximale CO2-uitstoot van 95 gram per kilometer, en benzine- of aardgasauto’s met een maximale CO2-uitstoot van 110 gram per kilometer, zijn tot 1 januari 2014 vrijgesteld voor de mrb. Tevens geldt voor hybride voertuigen een forfaitaire korting van 125 kilogram op het gewicht van deze voertuigen. Dit ter compensatie van de zwaarte van de accu. Dit overigens alleen voor voertuigen die niet onder vrijstelling van de mrb vallen. 7.10.1 MRB EN BESTELAUTO Voor de mrb wordt de bestelauto op dezelfde wijze belast als de personenauto. Ondernemers en gehandicapten, die rijden in een daarop afgestemde bestelauto, kunnen echter in aanmerking komen voor een lager tarief. Daartoe moeten gehandicapten een verzoek indienen bij de belastinginspecteur. Het lagere tarief wordt automatisch toegepast voor ondernemers die zijn geregistreerd bij de Belastingdienst. De voorwaarden voor het lagere tarief voor ondernemers sluiten aan bij de voorwaarden voor de vrijstelling van bpm (zie paragraaf 7.9.3).

80 | LEASEPOCKET 2012-2013

7. Belastingen

7.10.2 MRB IN LEASETERMIJNEN De mrb is een belasting die wordt geheven aan de houder van een motorrijtuig, ofwel degene op wiens naam het motorrijtuig staat geregistreerd. Als het motorrijtuig staat geregistreerd op naam van de lessee, maar de lessor voldoet de verschuldigde belasting, is de mrb aan te merken als doorlopende post voor de btw. Deze situatie doet zich voor wanneer gebruik gemaakt wordt van de regeling met betrekking tot de kentekenregistratie voor leasemaatschappijen, waarmee u gebruik maakt van een zogenaamd hulpregister. Voor de facturering betekent dit dat de mrb, mits sprake is van een doorlopende of een quasi doorlopende post, niet tot de vergoeding wordt gerekend. De mrb wordt afzonderlijk op de factuur vermeld en is niet hoger dan het aan de Belastingdienst te betalen bedrag. Indien de leasemaatschappij de mrb gelijkelijk wenst te verdelen over de leasetermijnen, is het geen bezwaar dat het bovenstaande van toepassing is, onder de voorwaarden dat verschillen tussen verschuldigde belasting en doorberekende belasting met de lessee worden verrekend en achteraf controle aan de hand van boeken en bescheiden per kenteken mogelijk is.

7.11 OPENBAAR VERVOER De Belastingdienst verstaat onder openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer, volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont, of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig. Vervoer over water, zoals de overzetveren naar de Waddeneilanden en bepaalde veerverbindingen tussen IJmuiden - Amsterdam en Dordrecht - Rotterdam, valt ook onder het openbaar vervoer. In deze paragraaf behandelen we de volgende onderwerpen: • vergoeden van de kosten; • verstrekken van vervoerbewijzen; • vrij reizen met openbaar vervoer; • vervoer van en naar een station of halte; • reisaftrek voor de inkomstenbelasting. 7.11.1 VERGOEDEN VAN DE KOSTEN Als werkgever mag u aan de werknemer die met het openbaar vervoer reist maximaal € 0,19 per kilometer onbelast vergoeden. Overigens is ook mogelijk om de werkelijke reiskosten te vergoeden. Ook dat mag onbelast. Daarbij dient geen rekening te worden gehouden met een vertragingsvergoeding die de vervoerder eventueel geeft. Als de werknemer de afstand gedeeltelijk met eigen vervoer reist en gedeeltelijk per openbaar vervoer, mag ook voor de volledige reisafstand een onbelaste vergoeding worden gegeven van € 0,19 per kilometer. Overigens is ook de keuze mogelijk dat de werkelijke kosten van het openbaar vervoer onbelast worden vergoed, vermeerderd met maximaal € 0,19 per kilometer voor eigen vervoer.

LEASEPOCKET 2012-2013 | 81


7. Belastingen

7. Belastingen

Wanneer de werkelijke openbaarvervoerkosten onbelast worden vergoed, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: • de werknemer overhandigt aan de werkgever de vervoerbewijzen zodra ze niet meer geldig zijn; • in de administratie is een directe en eenduidige relatie te leggen tussen de vergoeding en de ingeleverde vervoerbewijzen; • de werkgever bewaart de vervoerbewijzen bij de administratie (dat hoeft niet de loon­ administratie te zijn). Indien gebruik wordt gemaakt van de ov-chipkaart, worden de overzichten bewaard waarin de transacties (reisbewegingen) met de ov-chipkaart staan beschreven.

voor het werk gebruikt. Let wel, de onbelaste vergoeding is dan maximaal het bedrag dat op het vervoerbewijs (bijvoorbeeld trein- of buskaartje) staat.

Als de werknemer tijdens een reis vertraging heeft opgelopen, kan hij bij de vervoerder een vertragingsvergoeding aanvragen. Bij de aanvraag moet hij het originele vervoerbewijs inleveren. In dat geval moet de werkgever een kopie van het vervoerbewijs en de brief of het e-mailbericht van de vervoerder met de toekenning of afwijzing van de vertragingsvergoeding bewaren in de administratie.

7.11.4 VERVOER VAN EN NAAR EEN STATION OF HALTE Voor reizen van de werknemer van zijn huis of arbeidsplaats naar bijvoorbeeld een station of bus- of tramhalte mag maximaal € 0,19 per kilometer onbelast door de werkgever worden vergoed. Bij gebruik van een taxi mogen de werkelijke taxikosten onbelast worden vergoed.

7.11.2 VERSTREKKEN VAN VERVOERBEWIJZEN De werknemer kan voor zijn werk per openbaar vervoer reizen met vervoerbewijzen die door de werkgever zijn gekocht. Dan is sprake van vervoer vanwege de werkgever. Deze plaats­ bewijzen mogen onbelast aan de werknemer worden verstrekt. De werknemer heeft dan geen reiskosten, zodat ook geen onbelaste reiskostenvergoeding meer mag worden verstrekt. Wel kan nog een onbelaste vergoeding worden betaald van maximaal € 0,19 per kilometer voor de reizen van en naar bijvoorbeeld een station of bus- of tramhalte. 7.11.3 VRIJ REIZEN MET OPENBAAR VERVOER In deze paragraaf leest u waarmee u rekening moet houden, wanneer de werknemer vrij reist per openbaar vervoer. De werknemer kan de kaart die wordt vergoed of verstrekt door de werkgever over ook gebruiken voor privéreizen. Vergoeden of verstrekken van een ov-kaart Wordt aan de werknemer een ov-kaart voor vrij reizen met het Nederlandse openbaar vervoer vergoed of verstrekt, dan hoeft niets bij het loon opgeteld te worden wanneer de werknemer de ov-kaart regelmatig gebruikt voor reizen voor het werk. Als hij de ov-kaart niet gebruikt voor reizen voor het werk, is de vergoeding loon. Wanneer deze kaart is verstrekt, is het loon de waarde in het economische verkeer.

Beperkt recht op (gedeeltelijk) vrij reizen Wordt aan de werknemer een beperkt recht op (gedeeltelijk) vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer vergoedt of verstrekt, dan moet dit tot het loon worden gerekend. Bijvoorbeeld een beperkt recht op vrij reizen voor gepensioneerde werknemers. Een beperkt recht op vrij reizen betekent dat de (ex-)werknemer niet kan reizen op werkdagen tussen 7.00 en 9.00 uur of tussen 16.30 en 18.00 uur, met uitzondering van de maanden juli en augustus. Voor het voordeel van vrij reizen mag de werkgever de eindheffing toepassen.

7.11.5 REISAFTREK VOOR DE INKOMSTENBELASTING Als de werknemer voor zijn werk met het openbaar vervoer reist, kan hij voor de inkomstenbelasting recht hebben op de reisaftrek. Dat kan onder de volgende voorwaarden: • de werkgever verstrekt aan de werknemer geen vervoerbewijzen, omdat er dan sprake is van vervoer vanwege de werkgever; • de werknemer reist minimaal één keer per week of 40 keer per kalenderjaar met het openbaar vervoer naar zijn werk. De werknemer vermindert het bedrag van de reisaftrek met de reiskostenvergoeding die wordt betaald door de werkgever. Tevens moet de werknemer voor de reisaftrek een verklaring overleggen. In de meeste gevallen is dat een openbaarvervoerverklaring die het openbaarvervoerbedrijf aan de werknemer is afgegeven. Indien de werknemer niet met abonnementen reist, omdat hij bijvoorbeeld in deeltijd werkt, kan hij toch voor de reisaftrek in aanmerking komen. Daarvoor moet hij een reisverklaring van de werkgever kunnen overleggen en de vervoerbewijzen. In de door werkgever onder­ tekende reisverklaring moet in ieder geval het volgende worden vermeld: • naam en adres werkgever; • naam en het adres werknemer; • het aantal dagen per week waarop de werknemer meestal per openbaar vervoer naar zijn werkplek(ken) reist.

Voordeelurenkaart voor Nederlands openbaar vervoer Wordt aan de werknemer een voordeelurenkaart vergoedt of verstrekt, dan hoeft niets bij het loon opgeteld te worden. Voorwaarde is dat de werknemer deze kaart (ook) voor reizen 82 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 83


7. Belastingen

7. Belastingen

Wanneer de werkelijke openbaarvervoerkosten onbelast worden vergoed, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: • de werknemer overhandigt aan de werkgever de vervoerbewijzen zodra ze niet meer geldig zijn; • in de administratie is een directe en eenduidige relatie te leggen tussen de vergoeding en de ingeleverde vervoerbewijzen; • de werkgever bewaart de vervoerbewijzen bij de administratie (dat hoeft niet de loon­ administratie te zijn). Indien gebruik wordt gemaakt van de ov-chipkaart, worden de overzichten bewaard waarin de transacties (reisbewegingen) met de ov-chipkaart staan beschreven.

voor het werk gebruikt. Let wel, de onbelaste vergoeding is dan maximaal het bedrag dat op het vervoerbewijs (bijvoorbeeld trein- of buskaartje) staat.

Als de werknemer tijdens een reis vertraging heeft opgelopen, kan hij bij de vervoerder een vertragingsvergoeding aanvragen. Bij de aanvraag moet hij het originele vervoerbewijs inleveren. In dat geval moet de werkgever een kopie van het vervoerbewijs en de brief of het e-mailbericht van de vervoerder met de toekenning of afwijzing van de vertragingsvergoeding bewaren in de administratie.

7.11.4 VERVOER VAN EN NAAR EEN STATION OF HALTE Voor reizen van de werknemer van zijn huis of arbeidsplaats naar bijvoorbeeld een station of bus- of tramhalte mag maximaal € 0,19 per kilometer onbelast door de werkgever worden vergoed. Bij gebruik van een taxi mogen de werkelijke taxikosten onbelast worden vergoed.

7.11.2 VERSTREKKEN VAN VERVOERBEWIJZEN De werknemer kan voor zijn werk per openbaar vervoer reizen met vervoerbewijzen die door de werkgever zijn gekocht. Dan is sprake van vervoer vanwege de werkgever. Deze plaats­ bewijzen mogen onbelast aan de werknemer worden verstrekt. De werknemer heeft dan geen reiskosten, zodat ook geen onbelaste reiskostenvergoeding meer mag worden verstrekt. Wel kan nog een onbelaste vergoeding worden betaald van maximaal € 0,19 per kilometer voor de reizen van en naar bijvoorbeeld een station of bus- of tramhalte. 7.11.3 VRIJ REIZEN MET OPENBAAR VERVOER In deze paragraaf leest u waarmee u rekening moet houden, wanneer de werknemer vrij reist per openbaar vervoer. De werknemer kan de kaart die wordt vergoed of verstrekt door de werkgever over ook gebruiken voor privéreizen. Vergoeden of verstrekken van een ov-kaart Wordt aan de werknemer een ov-kaart voor vrij reizen met het Nederlandse openbaar vervoer vergoed of verstrekt, dan hoeft niets bij het loon opgeteld te worden wanneer de werknemer de ov-kaart regelmatig gebruikt voor reizen voor het werk. Als hij de ov-kaart niet gebruikt voor reizen voor het werk, is de vergoeding loon. Wanneer deze kaart is verstrekt, is het loon de waarde in het economische verkeer.

Beperkt recht op (gedeeltelijk) vrij reizen Wordt aan de werknemer een beperkt recht op (gedeeltelijk) vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer vergoedt of verstrekt, dan moet dit tot het loon worden gerekend. Bijvoorbeeld een beperkt recht op vrij reizen voor gepensioneerde werknemers. Een beperkt recht op vrij reizen betekent dat de (ex-)werknemer niet kan reizen op werkdagen tussen 7.00 en 9.00 uur of tussen 16.30 en 18.00 uur, met uitzondering van de maanden juli en augustus. Voor het voordeel van vrij reizen mag de werkgever de eindheffing toepassen.

7.11.5 REISAFTREK VOOR DE INKOMSTENBELASTING Als de werknemer voor zijn werk met het openbaar vervoer reist, kan hij voor de inkomstenbelasting recht hebben op de reisaftrek. Dat kan onder de volgende voorwaarden: • de werkgever verstrekt aan de werknemer geen vervoerbewijzen, omdat er dan sprake is van vervoer vanwege de werkgever; • de werknemer reist minimaal één keer per week of 40 keer per kalenderjaar met het openbaar vervoer naar zijn werk. De werknemer vermindert het bedrag van de reisaftrek met de reiskostenvergoeding die wordt betaald door de werkgever. Tevens moet de werknemer voor de reisaftrek een verklaring overleggen. In de meeste gevallen is dat een openbaarvervoerverklaring die het openbaarvervoerbedrijf aan de werknemer is afgegeven. Indien de werknemer niet met abonnementen reist, omdat hij bijvoorbeeld in deeltijd werkt, kan hij toch voor de reisaftrek in aanmerking komen. Daarvoor moet hij een reisverklaring van de werkgever kunnen overleggen en de vervoerbewijzen. In de door werkgever onder­ tekende reisverklaring moet in ieder geval het volgende worden vermeld: • naam en adres werkgever; • naam en het adres werknemer; • het aantal dagen per week waarop de werknemer meestal per openbaar vervoer naar zijn werkplek(ken) reist.

Voordeelurenkaart voor Nederlands openbaar vervoer Wordt aan de werknemer een voordeelurenkaart vergoedt of verstrekt, dan hoeft niets bij het loon opgeteld te worden. Voorwaarde is dat de werknemer deze kaart (ook) voor reizen 82 | LEASEPOCKET 2012-2013

LEASEPOCKET 2012-2013 | 83


7. Belastingen

7. Belastingen

7.12 FIETSREGELING11

7.13 FIETSACCESSOIRES

Er gelden bijzondere regels wanneer de werkgever een fiets aan de werknemer vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt. De werknemer dient de fiets wel te gebruiken op meer dan de helft van de dagen dat hij naar het werk reist. De fietsregeling is ook van toepassing voor fietsen met een elektronische trapondersteuning. Naast de bijzondere regelingen mag de werkgever een onbelaste (vaste)vergoeding betalen voor zakelijke reizen waarbij de werknemer de fiets gebruikt.

Naast de fiets mag de werkgever onbelast een fietsverzekering (voor drie jaar) verstrekken, plus een bedrag van € 82 per jaar voor met de fiets samenhangende zaken (zie 7.13.1 t/m 7.13.3). De fietsaccessoires moeten ‘redelijkerwijs dienstbaar’ zijn aan het gebruik van de fiets voor het woon-werkverkeer. Voorwaarde voor deze regeling is dat de werknemer de fiets gebruikt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij voor woon-werkverkeer reist. Dit is een forfaitaire regeling en daarom worden de kosten geacht te zijn gemaakt door de werknemer. De werkgever kan dit bedrag dan ook zonder nader bewijs vergoeden. Deze regeling geldt vanaf 1 januari 2007.

7.12.1 VERGOEDEN VAN DE FIETS Wanneer de werknemer zelf een fiets heeft aangeschaft voor woon-werkverkeer, mag de werkgever de aanschafprijs onbelast vergoeden. Indien de fiets duurder is dan € 749 wordt het meerdere niet meer onbelast vergoed aan de werknemer.

Let op! O  m voor de onbelaste vergoeding in aanmerking te komen, mag in het kalender­ jaar van aanschaf en de twee voorafgaande kalenderjaren de fiets niet zijn vergoed, verstrekt of ter beschikking zijn gesteld door de werkgever. Wanneer de fiets in delen wordt vergoed, vangt de termijn van de drie kalenderjaren aan bij de eerste deelvergoeding. 7.12.2 VERSTREKKEN VAN EEN FIETS Indien aan de werknemer voor woon-werkverkeer een fiets door de werkgever wordt verstrekt en de werknemer wordt tevens eigenaar van de fiets, wordt deze verstrekking niet belast voor de loonbelasting.

Let op! D  e verstrekking/waarde van de fiets mag niet hoger zijn dan € 749. Het meerdere mag dan niet meer onbelast worden verstrekt. Tevens geldt dat in het kalenderjaar van aanschaf en de twee voorafgaande kalenderjaren door de werkgever de fiets niet is vergoed, verstrekt of ter beschikking is gesteld. 7.12.3 TER BESCHIKKING STELLEN VAN DE FIETS Stelt de werkgever een fiets ter beschikking voor zakelijk verkeer aan de werknemer en de werkgever blijft eigenaar van de fiets, dan wordt deze ter beschikkingstelling niet in de loonheffing meegenomen.

Let op! D  e ter beschikkingstelling/waarde van de fiets mag niet meer zijn dan € 749. Het meerdere wordt dan in de loonheffing opgenomen. Tevens geldt dat in het kalenderjaar van aanschaf en de twee voorafgaande kalenderjaren door de werkgever de fiets niet is vergoed, verstrekt of ter beschikking is gesteld. 1 Indien u gebruik maakt van de werkkostenregeling per 1 januari 2011 zie paragraaf 7.14

84 | LEASEPOCKET 2012-2013

7.13.1 WEL MET DE FIETS SAMENHANGENDE ZAKEN Direct met een fiets samenhangende zaken zijn: een extra slot, een onderhoudsbeurt, een reparatie, een fietstas, een steun voor de aktetas, een fietsverzekering, de fietsenstalling bij het station en kleding die praktisch alleen op de fiets wordt gebruikt, zoals een regenpak (regenjas/regenbroek), een poncho en overschoenen. 7.13.2 SOMS MET DE FIETS SAMENHANGENDE ZAKEN Hieronder vallen: een wielrenshirt, een koersbroek, fietsschoenen, fietshandschoenen en een fietshelm. Hiervoor geldt een zwaardere bewijslast. Bijvoorbeeld: • De werkgever kan aan de hand van zijn administratie aannemelijk maken dat de des­ betreffende werknemers op jaarbasis substantieel naar hun werk fietsen. • De werkgever stemt de reiskostenvergoeding af op de mate waarin de werknemers de fiets gebruiken voor het woon-werkverkeer. • De werkgever kan de aanwezigheid van een rijwielstalling en andere speciale voorzieningen aantonen, zoals een omkleedgelegenheid of een douche. 7.13.3 NIET MET DE FIETS SAMENHANGENDE ZAKEN Hieronder vallen: een kinderzitje, een kaartstandaard, een strippenkaart, een sweater, een trui, een t-shirt, een spijkerbroek, een nylon jack en (sport)schoenen. De Belastingdienst stelt steeds strengere eisen aan fietsbonnen. De Belastingdienst wil niet dat de werknemer met een fietsbon een kinderfiets koopt in plaats van het laten uitvoeren van fietsonderhoud. Daarom eist de Belastingdienst dat de werkgever de onderhoudsnota’s overlegt, die met de fietsbonnen zijn betaald. Om deze extra administratie te voorkomen, kan de werkgever bijvoorbeeld vastleggen dat de accessoires uitsluitend gekocht kunnen worden bij de eerste aanschaf van de fiets.

7.14 WERKKOSTENREGELING Vanaf 1 januari 2011 wordt de werkkostenregeling ingevoerd. Dit is een nieuwe regeling waarbij u maximaal 1,4% van uw totale fiscale loon (de vrije ruimte) kunt besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekking voor uw werknemers. Daarnaast kunt u bepaalde LEASEPOCKET 2012-2013 | 85


7. Belastingen

7. Belastingen

7.12 FIETSREGELING11

7.13 FIETSACCESSOIRES

Er gelden bijzondere regels wanneer de werkgever een fiets aan de werknemer vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt. De werknemer dient de fiets wel te gebruiken op meer dan de helft van de dagen dat hij naar het werk reist. De fietsregeling is ook van toepassing voor fietsen met een elektronische trapondersteuning. Naast de bijzondere regelingen mag de werkgever een onbelaste (vaste)vergoeding betalen voor zakelijke reizen waarbij de werknemer de fiets gebruikt.

Naast de fiets mag de werkgever onbelast een fietsverzekering (voor drie jaar) verstrekken, plus een bedrag van € 82 per jaar voor met de fiets samenhangende zaken (zie 7.13.1 t/m 7.13.3). De fietsaccessoires moeten ‘redelijkerwijs dienstbaar’ zijn aan het gebruik van de fiets voor het woon-werkverkeer. Voorwaarde voor deze regeling is dat de werknemer de fiets gebruikt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij voor woon-werkverkeer reist. Dit is een forfaitaire regeling en daarom worden de kosten geacht te zijn gemaakt door de werknemer. De werkgever kan dit bedrag dan ook zonder nader bewijs vergoeden. Deze regeling geldt vanaf 1 januari 2007.

7.12.1 VERGOEDEN VAN DE FIETS Wanneer de werknemer zelf een fiets heeft aangeschaft voor woon-werkverkeer, mag de werkgever de aanschafprijs onbelast vergoeden. Indien de fiets duurder is dan € 749 wordt het meerdere niet meer onbelast vergoed aan de werknemer.

Let op! O  m voor de onbelaste vergoeding in aanmerking te komen, mag in het kalender­ jaar van aanschaf en de twee voorafgaande kalenderjaren de fiets niet zijn vergoed, verstrekt of ter beschikking zijn gesteld door de werkgever. Wanneer de fiets in delen wordt vergoed, vangt de termijn van de drie kalenderjaren aan bij de eerste deelvergoeding. 7.12.2 VERSTREKKEN VAN EEN FIETS Indien aan de werknemer voor woon-werkverkeer een fiets door de werkgever wordt verstrekt en de werknemer wordt tevens eigenaar van de fiets, wordt deze verstrekking niet belast voor de loonbelasting.

Let op! D  e verstrekking/waarde van de fiets mag niet hoger zijn dan € 749. Het meerdere mag dan niet meer onbelast worden verstrekt. Tevens geldt dat in het kalenderjaar van aanschaf en de twee voorafgaande kalenderjaren door de werkgever de fiets niet is vergoed, verstrekt of ter beschikking is gesteld. 7.12.3 TER BESCHIKKING STELLEN VAN DE FIETS Stelt de werkgever een fiets ter beschikking voor zakelijk verkeer aan de werknemer en de werkgever blijft eigenaar van de fiets, dan wordt deze ter beschikkingstelling niet in de loonheffing meegenomen.

Let op! D  e ter beschikkingstelling/waarde van de fiets mag niet meer zijn dan € 749. Het meerdere wordt dan in de loonheffing opgenomen. Tevens geldt dat in het kalenderjaar van aanschaf en de twee voorafgaande kalenderjaren door de werkgever de fiets niet is vergoed, verstrekt of ter beschikking is gesteld. 1 Indien u gebruik maakt van de werkkostenregeling per 1 januari 2011 zie paragraaf 7.14

84 | LEASEPOCKET 2012-2013

7.13.1 WEL MET DE FIETS SAMENHANGENDE ZAKEN Direct met een fiets samenhangende zaken zijn: een extra slot, een onderhoudsbeurt, een reparatie, een fietstas, een steun voor de aktetas, een fietsverzekering, de fietsenstalling bij het station en kleding die praktisch alleen op de fiets wordt gebruikt, zoals een regenpak (regenjas/regenbroek), een poncho en overschoenen. 7.13.2 SOMS MET DE FIETS SAMENHANGENDE ZAKEN Hieronder vallen: een wielrenshirt, een koersbroek, fietsschoenen, fietshandschoenen en een fietshelm. Hiervoor geldt een zwaardere bewijslast. Bijvoorbeeld: • De werkgever kan aan de hand van zijn administratie aannemelijk maken dat de des­ betreffende werknemers op jaarbasis substantieel naar hun werk fietsen. • De werkgever stemt de reiskostenvergoeding af op de mate waarin de werknemers de fiets gebruiken voor het woon-werkverkeer. • De werkgever kan de aanwezigheid van een rijwielstalling en andere speciale voorzieningen aantonen, zoals een omkleedgelegenheid of een douche. 7.13.3 NIET MET DE FIETS SAMENHANGENDE ZAKEN Hieronder vallen: een kinderzitje, een kaartstandaard, een strippenkaart, een sweater, een trui, een t-shirt, een spijkerbroek, een nylon jack en (sport)schoenen. De Belastingdienst stelt steeds strengere eisen aan fietsbonnen. De Belastingdienst wil niet dat de werknemer met een fietsbon een kinderfiets koopt in plaats van het laten uitvoeren van fietsonderhoud. Daarom eist de Belastingdienst dat de werkgever de onderhoudsnota’s overlegt, die met de fietsbonnen zijn betaald. Om deze extra administratie te voorkomen, kan de werkgever bijvoorbeeld vastleggen dat de accessoires uitsluitend gekocht kunnen worden bij de eerste aanschaf van de fiets.

7.14 WERKKOSTENREGELING Vanaf 1 januari 2011 wordt de werkkostenregeling ingevoerd. Dit is een nieuwe regeling waarbij u maximaal 1,4% van uw totale fiscale loon (de vrije ruimte) kunt besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekking voor uw werknemers. Daarnaast kunt u bepaalde LEASEPOCKET 2012-2013 | 85


7. Belastingen

zaken onbelast blijven vergoeden of verstrekken door gebruik te maken van de gerichte vrijstellingen. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u loonbelasting in de vorm van een eind­ heffing van 80%. U bent nog niet verplicht gebruik te maken van de werkkostenregeling. Tot en met 2013 mag u ieder jaar opnieuw kiezen voor de werkkostenregeling of voor de bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Na 2013 geldt de werkkostenregeling voor alle werkgevers. Door de werkkostenregeling waarbij maximaal 1,4% van uw totale fiscale loon besteed kan worden aan onbelaste vergoedingen en verstrekking voor uw werknemer, gelden er geen normeringen en beperkingen meer. Dit betekent dat veel bestaande regels voor vergoedingen en verstrekkingen vervallen. Wanneer bijvoorbeeld een fiets wordt verstrekt of vergoed geldt de grens van â&#x201A;Ź 749 niet meer. Onder de gerichte vrijstelling valt onder andere de reiskosten vergoeding van â&#x201A;Ź 0,19 per kilometer. Andere voorbeelden van de gerichte vrijstelling zijn: cursussen, zakelijke maaltijden, verhuiskosten, studiekosten en extraterritoriale kosten.

86 | LEASEPOCKET 2012-2013

hoofdstuk 8

Verzekeringen


LeasePocket 2012-2013

Itâ&#x20AC;&#x2122;s easier to leaseplan

LeasePlan Nederland N.V. Postadres: Postbus 3001, 1300 EB Almere Bezoekadres: P.J. Oudweg 4, Almere Noordelijk Halfrond 10, Gouda Tel: (036) 527 27 00 Fax: (036) 527 27 10 E-mail: info@leaseplan.nl Internet: www.leaseplan.nl

LeasePocket 2012-2013

Leasepocket 2012-2013  

In deze LeasePocket besteden we wederom aandacht aan alle facetten van autoleasing. Naast actuele ontwikkelingen, vindt u ook definities, a...