Page 1

ARTIST IN RESIDENCE PROGRAMMA AMSTERDAMSE HOGESCHOOL VOOR DE KUNSTEN

NL

Maart 2014

R I N O A

LL SKI

SO

HE T F

MARTIJN ENGELBREGT FRANZ RODENKIRCHEN MICHIEL SCHWARZ AUTHENTIC BOYS UGO DEHAES

T 21S

C

RY U T EN


ON AIR – SKILLS ON AIR OF THE 21ST CENTURY

Inhoud INTRODUCTIE SKILLS OF THE 21ST CENTURY Marijke Hoogenboom 3

TITEL ARTIKEL ARTIST IN RESIDENCE PROGRAMMA AMSTERDAMSE HOGESCHOOL VOOR DE KUNSTEN

NL

R I N O A

SEAS OF STORIES Suzanne Wallinga 22 (HER)ONTWERPEN IN DE CULTUUR VAN HET SUSTAINISME Michiel Schwarz 30 HET ANDERE BINNENSLUITEN Maria Hagen in gesprek met Joël Bons en Barbara Van Lindt 41 SPELEN MET CONVENTIES Jappe Groenendijk 52

E H T F Y O R S U L T L I EN SK C T S 1 2

TWEE GEMEENSCHAPPEN ONTMOETEN ELKAAR Hester van Hasselt 62 EÉN GROTE AGENDA VOOR DE HELE AHK Hester van Hasselt 69 BEELDEN I–XV

MARTIJN ENGELBREGT FRANZ RODENKIRCHEN MICHIEL SCHWARZ AUTHENTIC BOYS UGO DEHAES

Maart 2014

DE PROCES­KUNSTENAAR Hester van Hasselt in gesprek met Martijn Engelbregt 10


Werkplaats Cornelis Hoogenboom

AIR Artist in Residence programma

Skills of the 21st century Marijke Hoogenboom

Marijke Hoogenboom

Het Artist in Residence programma (AIR) is een programma van het lectoraat Kunstpraktijk en artistieke ontwikkeling in samenwerking met de verschillende in­ stituten van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Het stimuleert innovatie van het kunstonderwijs door confrontatie met actuele artistieke ontwikkelingen en biedt de opleidingen ruimte om uitzonderlijke praktijken in huis te halen die het onderwijs en het artistiek beleid aan de hogeschool kunnen bezielen. Voorwaardelijk is de kwaliteit van de gastkunstenaar, de gedeelde belangstel­ ling voor een urgente vraag of thematiek en de wisselwerking met de internati­ onale state of the art. Met iedere AIR wordt het verfrissende spanningsveld opgezocht tussen de inbreng van een onafhankelijke kracht van buiten en de bereidheid en het vermogen binnen de hogeschool om in te spelen op de dyna­ miek van de kunstpraktijk.

Marijke Hoogenboom leidt het faculteits­ overstijgende Artist in Residence (AIR) programma als lector Kunstpraktijk en artistieke ontwikkeling van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Sinds 2012 is ze tevens als lector verbonden aan de Theaterschool, waar zij invulling geeft aan het lectoraat Podiumkunsten in transitie. Voordien was Hoogenboom samen met Ritsaert ten Cate betrokken bij de oprichting van DasArts en maakte tot 2001 deel uit van de artistieke leiding van deze internatio­ nale master voor theatermakers. Behalve als lector werkt zij ook als freelance dramaturg, curator en adviseur op het gebied van kunst en onderwijs in binnen en buitenland.

uit: interview ‘Samenwerken is een ambacht’

AIR

In Nederland stijgt de werkeloosheid en de schaarste aan vakkrachten neemt toe. Onlangs wees de Sociaal Economische Raad op een alarmerend oplopend tekort aan vakmensen.1 Dat komt mede, zegt hoogleraar culturele economie Arjo Klamer, doordat Nederland ‘het handwerk schromelijk verwaarloosd heeft’. Voor Klamer moet de ontwikkeling van een creatieve ambachtscultuur dan ook een urgent punt op de politieke agenda worden.2 Hernieuwde aandacht voor het ambacht en herwaardering voor het werken met ‘hand en hoofd’ (Richard Sennett), dat is goed nieuws voor de kunstensector die zijn beroepsopleidingen graag als hedendaagse ambachtsscholen profileert waar sociale interactie, het leren in de praktijk en een actieve gemeenschap van stakeholders de spil van het onderwijs vormen. Richard Sennett: ‘We zullen toe moeten naar een opleidingsmodel waarbij mensen deze am­ bachtelijkheid kunnen verwerven. Ik zie dus liever dat er in de toekomst minder mensen op universiteiten rondlopen en meer op techni­ sche colleges.’

Voor socioloog Pascal Gielen schuilt juist in deze kenmerken een bijzondere kwaliteit. De kunsthogescholen zijn voor hem een van de weinige plaatsen waar nog ‘een exceptioneel onderwijsmodel’ wordt gehanteerd dat tijd en ruimte biedt om een ambachtelijke ethiek te koesteren.3 Deze ethiek heeft niets met nostalgie te 2

3


Henk Oosterling: ‘In de toekomst zullen we naar een andere economie toe moeten. En die economie zal veel concreter moeten zijn en veel materiëler moeten zijn. En die economie zal ook veel meer op ecologische principes gebaseerd moeten zijn. Het effect dat we veel meer moeten doen met wat we hebben en daar binnen dingen moeten ontwikkelen. Ik denk dat in die hele context het vakmanschap mis­ schien wel eens een hele belangrijke positie in zou kunnen gaan nemen.’

bij de les te houden, en verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst - hetzij als kunstenaar, leraar of burger. uit: Lezing bij CBK Amsterdam

Pascal Gielen: ‘De onherkenbaarheid van de beeldende kunst, gekoppeld aan het wegval­ len van het vakmanschap, vormt de keerzijde van de grenzeloze vrijheid van de kunstenaar bij het definiëren van zijn of haar werk.’

uit: De hybride kunstenaar

maken, of met een verlangen naar een premoderne wereld. Volgens arbeidssocioloog Richard Sennett houdt ambachtelijkheid en de werkplaats als sociaal instituut waarin ‘ongelijken nauw met elkaar verbonden zijn’ een duurzame, basale menselijke drijfveer in stand ‘om werk goed uit te voeren omwille van het werk zelf.’4 Inderdaad wordt de intrinsieke behoefte om naar kwaliteit te streven ook binnen de kunsten andermaal uitgedragen. Het fysieke materiaal, de tastbaarheid van het productieproces en de geperfectioneerde kennis worden in de 21ste eeuw niet meer als een rem op autonomie en innovatie beschouwd. 5 Integendeel, ‘kunstenaars zien weer helemaal de kracht van het elementaire maakwerk en hun wapenkast met technieken is voller dan ooit.’6

INTRODUCTIE

uit: Platform Ambachtseconomie

ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

Cornel Bierens: ‘Ambachtelijkheid is niet syno­ niem met alles van A tot Z zelf doen. Waar het om gaat is dat wij, wat we ook doen, en welke middelen of media we ook gebruiken, weer ge­ voel krijgen voor de elementaire dingen zelf, waar wij zolang op neer gekeken hebben.’

Maar ook op andere plekken in de samenleving is er behoefte aan kundige makers en terugkeer van vakgerichte specialisaties. Toen filosoof Henk Oosterling in 2007 zijn programma Rotterdam Vakmanstad/Skillcity voor het onderwijs introduceerde, pleitte hij ervoor vakmanschap parallel te ontwikkelen met de noodzakelijke ingrijpende maatschappelijke en economische veranderingen. Volgens Oosterling opent het idee van ‘skills’ de mogelijkheid om binnen een dergelijke transitie een breed spectrum van vaardigheden te agenderen, vakmatige, sociale, culturele en mentale: ‘Wij moeten leren om kwalitatief samen te leven in plaats van speculatief te overleven’.7 ‘Skills’ zijn voor Oosterling geen eeuwige, onwrikbare categorieën. Zij belichamen onmisbare, steeds geactualiseerde waarden om ons ‘in deze flitswereld’ (Bierens)

De ON AIR publicatie Skills of the 21st century vertrekt vanuit de actuele herwaardering van vakmanschap en ambachtelijke ethiek en vraagt wat dit betekent voor de afzonderlijke kunst- en ontwerpdisciplines. Op welke manier reageert het kunstvakonderwijs op impulsen uit de samenleving en het (internationale) werkveld? Welke (nieuwe) vaardigheden zijn nodig voor beroepen die fundamenteel in omwenteling zijn? Hoe kijken kunstenaars en ontwerpers aan tegen de toekomst van hun vak? En tegen de rol van kunst en cultuur in een geglobaliseerde wereld? Is er inderdaad sprake van de flexibele, hybride kunstenaar die als culturele ondernemer zijn weg weet te vinden op ‘duizend podia’?8 Zijn wij aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten al bezig met de zoektocht naar de verbreding van de kunsten en de verbinding met andere sectoren?

4

5


ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

INTRODUCTIE

Veelvuldig is er de notie dat veranderingen in kunst en cultuur een reactie zijn op veranderingen in de samenleving. Suzanne Wallinga schetst de affiniteit van AIR Franz Rodenkirchen met ‘slow cinema’ als een verzet tegen onze cultuur van snelheid en een passie voor een minimalistische manier van vertellen. Maar hoe kan de contemplatieve beleving van het publiek zijn neerslag vinden in een professioneel filmscenario? Het ‘hanteren van een standaard’ voor het vak van de scenarist is volgens Wallinga dan ook niet meer van deze tijd. Is het toeval dat studenten en docenten van de Theaterschool die in een samenwerkingsproject met Ugo Dehaes in aanraking zijn gekomen met een andere discipline nu

e k l e W uwe) n e e i d (n ig­he g d i r d a o a n v ijn z voor e i d l n e e p e e t ­ o n r be da­me en­ fun om­w ijn? in ng z i l te

6

7

Juist de jaarlijkse Artists in Residence vormen voor de instituten van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten een confrontatie met omslagen in onze cultuur, met hoe we naar de wereld kijken en hoe de relatie met onze leefomgeving verandert. We hebben er dan ook voor gekozen om in deze editie geen portretten van de afzonderlijke AIR’s te presenteren, maar verhalen die in het teken staan van een nieuwe tijd. Een nieuwe tijd die zichtbaar wordt in de kunsten, het onderwijs en de samenleving. Een van de meest opvallende uitspraken in de verschillende verhalen is het belang van dynamiek en interactie en de afkeer van hokjesgeest. Zo eist proceskunstenaar Martijn Engelbregt de vrijheid op om zijn metier op een ‘eigen wijze vorm te geven’ en om nieuwe verbanden te leggen met sectoren buiten de kunst. Ook internationalisering is in het kunstonderwijs van vandaag onmisbaar. Voor Joël Bons (Atlas Academy) en Barbara Van Lindt (DasArts) is de ontmoeting met andere culturen een noodzakelijke confrontatie om de horizon van studenten te verbreden, hen te laten reflecteren over overeenkomsten en verschillen en een eigen weg te kiezen.


ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

meer uitwisseling, onafhankelijkheid en vernieuwing wensen? Ten slotte is er het meest uitgesproken standpunt dat kunst en cultuur een veel actievere - en autonomere rol moeten innemen om aan maatschappelijke processen bij te dragen en zelfs verandering af te dwingen. In de optiek van Jappe Groenendijk is kunsteducatie, zoals bijvoorbeeld de interdisciplinaire praktijk van kunstenaarscollectief Authentic Boys, de sleutel voor vaardigheden van burgers en scholieren van de 21ste eeuw. Met name Michiel Schwarz streeft naar een ‘ware cultuuromslag’ om nieuwe kwaliteiten als delen, verbondenheid, duurzaamheid en menselijke maat centraal staan. Volgens hem vraagt ‘deze eeuw van transities’ namelijk nadrukkelijk om een nieuwe professionele ethiek van ontwerpers en erfgoeddeskundigen die onze leefomgeving mede vormgeven.

INTRODUCTIE

1 Ontwerpadvies SER (2013). Handmade in Holland: vakmanschap en ondernemerschap in de ambachtseconomie. Den Haag. 2 Klamer, R. (2013). Creatief vakmanschap in internationaal perspectief, en Herwaardering ambachtscultuur hoofdzaak. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam, Stichting Economie en Cultuur. 3 Gielen, P. (2012). Artistieke praxis en de neoliberalisering van de on-derwijsruimte. Denken in kunst (p.97), Leiden: Leiden University Press. 4 Sennett, R. (2008) De ambachtsman. (p. 63 en 167) Amsterdam: Meulenhoff. 5 Vanhaesebrouck, K. (2011). Ambacht en traagheid. In: Rekto: verso (nr 47). Gent. 6 Bierens, C. (2010) Liederlijk geklodder. In: De Groene Amsterdammer (7 april). Amsterdam. Zie ook: Bierens, C. (2013) Handgezaagde ziel. Amsterdam: Mondriaan Fonds. 7 Velsen, van, V. (2013) Rotterdam Vakmanstad. (p.82) In: Metropolis M. (No.1, feb-maart). Utrecht. Zie ook: Oosterling, H. (2009) Woorden als daden. Rotterdam: Japsam Books. 8 Advies commissie-Dijkgraaf. (2010). Onderscheiden, verbinden, vernieuwen, voor een sectorplan kunstonderwijs, in opdracht van de HBO-raad. (p. 4) Den Haag.

In mijn optiek is het kunstonderwijs bij uitstek de plek waar de veranderende eisen aan de beroepspraktijk en de betekenis van een nieuw cultuurbesef onderhandeld moeten worden. In die zin heeft het AIR-programma haast een seismografische functie en biedt het de opleidingen van de AHK de gelegenheid hun artistieke agenda te actualiseren, nieuwe samenwerkingen op te zetten en om ontwikkelingen aan de orde te stellen die de toekomst van de jonge professional zullen bepalen. Skills of the 21st century? Volgens mij ligt hier de sleutel voor de innovatieve krachten die de wereld blijven bevragen en die samen bouwen aan een duurzame samenleving.

8

9


BEELDEN zie p. I–III

AIR – MARTIJN ENGELBREGT de Theaterschool 2013 – 2014

De proces­ kunstenaar

Over het project

Martijn Engelbregt

Kunstenaar en verzamelaar Martijn Engelbregt onderzocht samen met studenten van de Opleiding Productie Podiumkunsten (OPP) van de Theater­ school het thema gezondheid in relatie tot het eigen lichaam. Uitkomsten hier­ van werden verwerkt in de workshops kostuum, decor, video en geluid en resul­ teerden in individuele theatrale installa­ ties en een gezamenlijke eindpresentatie. De OPP studenten worden opgeleid als productieleiders, voorstellingsleiders en creative produ­cers. De opleiding onderzoekt met het AIR programma hoe je je in de beroeps­praktijk verhoudt tot bevlogen kunste­naars. Met beeldend kunstenaar Martijn Engelbregt rondt de opleiding een vierjarig traject af naar het werken met kunstenaars in verschillende disciplines. Daarmee heeft de OPP een onderwijsprogramma ontwikkeld waarin studenten leren vanuit hun eigen kracht, visie en positie in het veld met en naast kunstenaars te werken.

Martijn Engelbregt is onderzoeker, proce­ durekunstenaar, verzamelaar, statisticus en oprichtend managing director van Circus Engelbregt. Hij legt met relatief eenvoudige middelen complexe bureau­ cratische structuren bloot. Engelbregt brengt een positieve boodschap waarbij toeschou­wers in deelnemers veranderen en men­sen zich uitgenodigd voelen om met een creatieve, andere blik naar zoge­ naamde vanzelfsprekendheden te kijken. Hij ont­werpt installaties, instituten, orga­ nisaties en bedrijven met eigen formulie­ ren, enquêtes, rapporten en procedures die zijn geïnspireerd op bestaande struc­ turen en situaties. Engelbregts werken zijn regelmatig punt van discussie door de onduidelijke scheidslijn van realiteit en fictie. Vanaf 2014 leidt Engelbregt het nieuwe programma Cure Master aan het Sandberg Instituut

10

Werp één blik op de website van Martijn Engelbregt en je begrijpt dat je met een kunstenaar van doen hebt die zijn metier op geheel eigen wijze vormgeeft. Circus Engelbregt, dat is de naam waaronder Engelbregt de meest uiteenlopende projecten de wereld in stuurt. Van stand-up meditatie, tot wandel-eendaagse, tot uitburgeringscursus tot 70 vierkante meter groot reclamebord met ‘Niet storen’ erop. Lees: ‘Circus Engelbregt is een creatieve projectorganisatie met het doel de sociale duurzaamheid in de wereld te vergroten. (…) We schromen niet te schuren en zoeken vaak bewust de confrontatie op omdat we niet geloven in de vastgeroeste wegen van onze hokjesmaatschappij.’ Tijd voor een gesprek.

NIET STOREN in het Utrechtse Kromme Rijngebied

Foto: Coco Duivenvoorde

Hester van Hasselt in gesprek met Martijn Engelbregt

11


AIR – MARTIJN ENGELBREGT

DE PROCES­KUNSTENAAR

Hester van Hasselt: Een creatieve projectorganisatie. Hoezo? Martijn Engelbregt: Tot voor kort was Circus Engelbregt EGBG. Eigenlijk richt ik ook voor de afzonderlijke projecten voortdurend nieuwe organisaties en instituten op. De Burenwinkel, een mobiele winkel met cadeautjes voor (boze) buren, het Restaurant Rest. (het rustige restjesrestaurant waar je maaltijden van restjes en onkruid kunt eten) de Skippyballenbak en de Medicijnfabriek: ze hebben eigen logo’s, een eigen huisstijl en totaal verschillende websites. Als kunstproject voor de Tweede Kamer richtte ik de Dienst op. Met de Dienst onderzocht ik hoe kunst en democratie te combineren valt. Bij de Dienst konden mensen via internet doorgeven met welke kunst ze hun volksvertegenwoordigers wilden confronteren. Vanwaar al die verschillende entiteiten?

12

logo’s verschillende projecten Circus Engelbregt

Het is een toneelspel, het creëren van een façade. Maar het helpt ook om iets neer te zetten alsof het echt is. Ik heb gemerkt dat ik daarmee de kans groter maak dat het echt wórdt. De vorm is bepalend voor hoe mensen dingen ontvangen. Voor het project BETER, mijn onderzoek naar de invloed van kunst op de gezondheid, richtte ik het Beter Consortium op. BETER was een samenwerking met de TU Delft en Ziekenhuis De Haaglanden. Om stevig verankerd te raken in al die velden moet je zelf ook stevig verankerd staan. Vorm en taal helpen dan.

13


s i s e c k o j r i l p e t k ­ e k H ­dru eel d ­ a r n nde werk o het e n e a v m r a a d e d n e ook van e t t m i ru et nien h ete w 14

DE PROCES­KUNSTENAAR

Je wilde weten of kunst invloed heeft op onze gezondheid? Ik wilde vooral de vraag stellen. ‘Wat is dat nou gezondheid, wat is kunst?’ Ik wilde mensen daar echt op een andere manier naar laten kijken. In mijn werk worden toeschouwers altijd deelnemers. In dit geval konden ze in de gangen van het ziekenhuis beoordelen welke werken in hun ogen ‘kunst’ waren en wanneer zij te maken dachten hebben met een placebo voor kunst. In ons BETER -laboratorium, op de vide boven het ziekenhuis-restaurant, werden ze vervolgens in een rolstoel langs kunst en placebokunst gereden,

Onderzoek in het BETER laboratorium in Medisch Centrum Haaglanden

AIR – MARTIJN ENGELBREGT

15


AIR – MARTIJN ENGELBREGT

met aan hun lichaam allerlei sensoren om de reactie in de hersenen en het hart te meten. Placebo’s voor kunst? Voor de wetenschappelijke waarde van het onderzoek hadden we naast echte kunstwerken ook placebo’s nodig. Daartoe richtte ik het Behring Institute for Medical Research op. Vanuit dit instituut werd een internationale oproep aan kunstenaars gedaan: ‘Gezocht: Placebo’s voor Kunst’. De oproep leverde 201 placebo’s op, uit 24 landen. Aan de hand van de ingezonden werken en de discussies die daaruit voortkwamen ontstond een definitie van de placebo voor kunst: iets dat zich voordoet als kunst maar het niet is.

DE PROCES­KUNSTENAAR

gevecht daarmee, maar me bezighield met mijn gezondheid, ontspande ik. Ik geloof dat ontspanning nodig is als het om gezondheid gaat en ik geloof dat kunst daaraan kan bijdragen. In het leven gaat het vaak om einddoelen, we vergeten te kijken naar waar we daadwerkelijk zijn. Ik noem mezelf ‘onderzoeker’ of ‘proceskunstenaar’. Het proces is nadrukkelijk onderdeel van het werk en daarmee ook de ruimte van het niet-weten, van het onderzoek, van het voorbarig conclusies trekken. Ik vind het belangrijk om een stap te nemen in het ongewisse, en nodig het publiek uit daarin mee te gaan.

De Medicijnfabriek in Amstelpark Amsterdam

En, wat zijn de uitkomsten, is kunst heilzaam voor de mens? De uitkomsten zijn te vinden in de publicatie ‘Om in te nemen’. Dat is het eindpunt van het project. Toen het boek af was heb ik het voorwoord geschreven, gek genoeg kwam ik er op dat moment pas achter wat ik precies aan het doen was. Ik had er drie jaar aan gewerkt. Wat was dat dan? In onze gezondheidszorg lijkt alles gericht op zo snel mogelijk weer de oude worden. Er is nauwelijks ruimte om na te denken wat de ziekte met je leven doet of hoe het je uitnodigt of dwingt naar je eigen patronen te kijken. Een deel van de malaise lijkt bewust niet te worden geleefd, de transformatiekracht wordt over het hoofd gezien. Ik heb geworsteld met de ziekte van Lyme. Pas toen ik me niet langer richtte op de ziekte en het 16

Mijn nieuwste project is de Medicijnfabriek. Daarin maken mensen onder leiding van een plantendeskundige hun eigen medicijn. Het werk stond deze zomer in het Amstelpark in Amsterdam en gaat binnenkort naar Arnhem. Voedselfabrikanten en farmaceutische bedrijven claimen steeds vaker de term ‘gezond’. In de Medicijnfabriek worden mensen uitgenodigd om van planten die ze vinden in het park een eigen 17


AIR – MARTIJN ENGELBREGT

medicijn maken. We nodigen ze letterlijk uit om van de gebaande paden te gaan.

DE PROCES­KUNSTENAAR

of beschermd is, kun je ‘m plukken en gebruiken. In het Laboratorium draai je je eigen pillen of zalfjes in elkaar.

Receptuur uit de Medicijnfabriek

En, wat zijn de bevindingen? We krijgen positieve reacties, mensen zeggen werkelijk baat te hebben bij hun intuïtief gekozen en zelf vervaardigde medicijn. Het is grappig dat je iets dat makkelijk als ’uiterst vaag’ en ‘alternatief’ bestempeld kan worden toch aan de man weet te brengen. Wellicht komt dat doordat de instructiekaart zo schematisch is, en lijkt op een publicatie van de overheid. Die wekt op een vreemde manier vertrouwen.

Hoe moet ik me die Medicijnfabriek voorstellen? De Medicijnfabriek bestaat uit drie delen. Het eerste deel lijkt op een groepsbijeenkomst van Anonieme Alcoholisten, je zit in een kring en je vertelt welke problemen je met je gezondheid hebt. Normaal gesproken deel je die informatie alleen met je huisarts. Het schijnt dat in het geval van vage klachten 50% van de genezing ligt bij het luisterend oor van de huisarts of de verpleegkundige. Je zorgen delen brengt kennelijk ontspanning teweeg. Het maakt dat we aanwezig kunnen blijven bij wat er is, in plaats van weggaan van de pijn en naarstig op zoek gaan naar een oplossing. In het tweede deel van de Medicijnfabriek gaan mensen onder leiding van een plantenexpert het park in en maken zij kennis met de intuïtieve plantbenaderingsmethode. Je kijkt tot welke plant je je voelt aangetrokken. Als deze niet giftig 18

Ja, alsof je in het vliegtuig de veiligheidsinstructies leest. Ik ga altijd op zoek naar een vorm, naar taal waarin mensen zich kunnen vinden, waarmee eenieder zich uitgenodigd voelt om deel te nemen. Humor is een goede ingang om tot communicatie te komen. Als mensen gaan giechelen, dan ontspant er iets. Ontspanning is belangrijk om te kunnen communiceren. Humor doet iets met de vastgesleten patronen in ons hoofd, zodat er even kortsluiting ontstaat. Volgens mij moet er vaak in kleine beetjes kortsluiting in ons hoofd ontstaan om dat op grotere schaal, in de maatschappij tot stand te brengen. Kortsluiting en beweging. Buiten de hokjes denken dus. Daar is alles in mijn werk op gericht. Nieuwe verbanden leggen, de ogen openen voor de samenhang. Ik werk graag samen met verschillende partijen. Het mooiste moment in mijn eigen werk 19


AIR – MARTIJN ENGELBREGT

s i r e o m d u e H go n g e n e ga in t o t e i t ­ om ni­ ca u n m ­ e m o c e kom t 20

DE PROCES­KUNSTENAAR

vond ik toen ik in onze onderzoeksruimte in het Ziekenhuis de Haaglanden een kijkje ging nemen. Plotseling realiseerde ik me dat die plek helemaal was geworden wat ik drie jaar eerder voor ogen had, én meer. Er waren patiënten die elke dag kwamen en hun bezoek meenamen. Anderen kwamen speciaal voor dit project naar het ziekenhuis toe. Ook dokters en verplegers namen deel. Er was een plek ontstaan die geen museum was, geen ziekenhuis, die niet openbaar was maar ook niet privé. Een ambivalente, bijzondere ruimte, waar regels weg leken te vallen, waar mensen het prettig vonden om te komen, een plek die ontspanning bood. Ik realiseerde me dat ik voor het eerst ook zelf helemaal in mijn eigen kunstwerk kon ontspannen. Zonder bezig te zijn met wat beter kon. Daardoor kon ik helemaal in mijn werk aanwezig zijn. Dat was een magisch moment.

Hester van Hasselt is performer en tekstschrijver.

21


BEELDEN zie p. IV–VI

AIR – FRANZ RODENKIRCHEN Nederlandse Filmacademie 2013 – 2014

Seas of Stories

Foto: Thomas Lenden

Hedendaagse experimenten in scenarioschrijven Suzanne Wallinga

Over het project

Franz Rodenkirchen

De Nederlandse Filmacademie nodigde script consultant Franz Rodenkirchen uit als Artist in Residence om recente uitdagingen voor het vak van de scenarist te onderzoeken. De manier waarop filmprojecten worden geëvalueerd en gefinancierd is nog geba­ seerd op een traditioneel idee van sce­ narioschrijven, terwijl steeds meer film­ makers het idee van narrativiteit willen verruimen. Franz Rodenkirchen vormde een onder­zoeksgroep met een selecte groep studenten, begeleidde masterstu­ denten die werken aan de ontwikkeling van alternatieve vormen van filmische vertelling en realiseerde als resultaat van zijn eigen onderzoek de installatie Lasting Moments in het EYE. In Lasting Moments ontwierpen twaalf filmmakers en scenaristen uit verschillende landen een scenario voor de eindscène van de film Vive L’Amour.

Franz Rodenkirchen is schrijver en onafhankelijk scriptadviseur, werkzaam voor o.a. het Binger Filmlab en ver­ schillende festivals. Hij was als hoofd dramaturgie verbonden aan het Script House in Berlijn. Rodenkirchen is verant­ woordelijk voor het selectieprogramma van het TorinoFilmLab en begeleider bij Script&Pitch en Berlinale Talent Campus. Daarnaast is hij scriptadviseur van CineLink, de co-productiemarkt van Sarajevo Film Festival en maakt hij deel uit van de selectiecommissie van Script Station. Veel van zijn projecten werden niet alleen vertoond op grote filmfesti­ vals wereldwijd (Cannes, Berlin, Toronto, Sundance) maar werden ook genomi­ neerd en met prijzen onderscheiden: Best Intentions (Adrian Sitaru, 2011), Code Blue (Urszula Antoniak, 2011), Leones (Jazmín Lopez, 2012), en Salvo (Antonio Piazza & Fabio Grassadonia, 2013).

22

Op een bankje in het park zit een vrouw te huilen. Ze probeert zich te beheersen – heeft misschien de eenzaamheid van het uitgestrekte park opgezocht om zich aan de blikken van de wereld te onttrekken – en wisselt haar ingehouden adem af met ontredderende uithalen. Een paar bankjes verder zit een man de krant te lezen, maar hij lijkt haar niet op te merken. Na een minuut of vijf steekt de vrouw een witte filtersigaret op. We zien haar de sigaret oproken, terwijl ze voor zich uitstaart. Vanuit zijn achtergrond als script consultant voor internationale arthouse films onderzoekt Franz Rodenkirchen de manier waarop filmscripts worden geschreven en geëvalueerd. In de commerciële filmindustrie is het gebruikelijk dat er voorafgaand aan het maken van een film een inschatting wordt gedaan over hoe onderhoudend deze zal zijn, en in welke mate de potentiële bezoeker zich kan identificeren met de personages en zich geraakt zal voelen door het verhaal. Voor deze beoordeling en als handvat voor de betrokken makers, wordt gewerkt met een tekstuele weergave van hoe het verhaal van de film zich zal ontvouwen: het scenario.

De aanleiding voor het onderzoek van Rodenkirchen is de manier waarop filmprojecten worden geschreven, gewaardeerd en gefinancierd. Deze is volgens hem teveel gebaseerd op een traditioneel idee van scenarioschrijven, terwijl steeds meer filmmakers zich niet kunnen vinden in dit proces. Doorgaans beoordeelt men een script aan de hand van de gebeurtenissen en de interactie tussen de verschillende personages. Het is een bekend gegeven dat voor het schrijven van een script doorgaans een standaard wordt gehanteerd van een pagina tekst per minuut film. Maar hoe schrijf je een tien pagina’s lange tekst over een situatie waarin schijnbaar weinig lijkt te gebeuren?

23


SEAS OF STORIES

Eindscene Vive l’amour. Tsai Ming-Liang, 1994

AIR – FRANZ RODENKIRCHEN

Wat als er weinig of geen dialoog aanwezig is in de film? Om deze vragen te kunnen beantwoorden onderzoekt Rodenkirchen de constructie en ervaring van de narratieve structuur van een film in relatie tot de individuele beleving van tijd. Met het onderzoek beoogt hij een vernieuwing van de filmindustrie en van de werking van de markt. Neem de alinea aan het begin van het artikel. Het is mijn weergave van de eindscène van de film Vive l’amour van de Taiwanese regisseur Tsai Ming-Liang. De scène duurt tien minuten en is een schoolvoorbeeld van een manier van filmmaken die de afgelopen vijftien jaar sterk is opgekomen en bekend staat als ‘slow cinema’ of ‘contemplatieve cinema’. Hoewel de intenties van de makers uiteenlopend zijn, worden de films gekenmerkt door een overeenkomstige formele benadering. Deze bestaat uit een strenge, minimalistische stijl, waarin meer aandacht is voor eenvoudige, alledaagse situaties en veel minder dan gebruikelijk belang wordt gehecht aan de actie. Door het gebruik van extreem lange shots, weinig camerawisselingen

24

en een eenvoudige montage, ligt de nadruk op het creëren van sfeer en een geïntensiveerd gevoel van tijd. Tsai Ming-Liang, maar ook Carlos Reygadas (Mexico), Béla Tarr (Hongarije), Pedro Costa (Portugal), Lisandro Alonso (Argentinië), Apichatpong Weerasethakul (Thailand) en de in Nederland wonende en werkende Urszula Antoniak worden met deze manier van filmmaken in verband gebracht.

van hoe zij de film persoonlijk waarnemen ook hun ervaring van tijd, atmosfeer en beleving van de inhoudelijke sequentie van het verhaal te verwerken. Vervolgens kon het publiek via een aantal schermen de scène bekijken en tegelijkertijd via koptelefoons deze teksten beluisteren, zodat de eigen waarneming realtime te vergelijken viel met die van anderen en een gelaagde zee van verhaallijnen ontstond.

In een onderzoeksgroep aan de Nederlandse Filmacademie begeleidde Rodenkirchen in 2013 als AIR een selecte groep masterstudenten die alternatieve vormen van filmische vertelling ontwikkelen. Hij liet hen een tekst schrijven over de eindscène van Vive l’amour, om vervolgens de verschillende stijlen van schrijven en interpreteren te bespreken en te vergelijken. Een van de studenten schreef inderdaad die tien pagina’s. Voor de installatie Lasting Moments in EYE liet hij een groep filmmakers en scriptschrijvers met verschillende achtergronden en leeftijden een script schrijven aan de hand van dezelfde scène. Hij vroeg hen in deze teksten naast een algemene beschrijving

Rodenkirchen bevindt zich met zijn practice-based onderzoek binnen ontwikkelingen van film waarbij er uitdrukking wordt gegeven aan nieuwe categorieën van ervaring. Met zijn ideeën en trainingen probeert hij samenwerkingen tussen makers met verschillende achtergronden te bevorderen en producenten uit te dagen om op nieuwe manieren mee te denken met de filmmaker. Rodenkirchen maakt hiervoor gebruik van het onderscheid tussen twee concepten van ervaring, zoals deze door Walter Benjamin zijn beschreven in zijn essay “Der Erzähler” (1936), waarin hij het werk van de Russische schrijver Nikolai Leskow bespreekt. In de context van de maatschappelijke

consequenties van een opkomende industriële samenleving en tegen het licht van de Eerste Wereldoorlog vraagt Benjamin zich in deze tekst af wat de waarde van ons culturele kapitaal is wanneer het wordt gescheiden van de ervaring. Ervaring strekt zich volgens Benjamin uit van de individuele beleving naar een collectief besef. De manieren waarop het individu zich verhoudt tot een gedeelde ervaring zijn hierbij van wezenlijk belang. Erfahrung (dat van fahren afstamt en een beweging inhoudt) verwijst volgens Benjamin naar een langdurende ervaring waarbij traditie en repetitie een rol spelen. Erlebnis, daarentegen, verwijst naar geleefde momenten die snel voorbij gaan. Deze twee concepten van ervaring worden in toenemende mate gebruikt voor het interpreteren van film binnen recente filmtheorie, bijvoorbeeld door Thomas Elsaesser en Matthew Flanagan. De lichamelijke sensatie van film staat hierbij in een hernieuwde belangstelling. Thomas Elsaesser beschrijft een groeiende interesse voor het bestuderen van emotie en affect in relatie tot de waardering van cinema.1 Somatische

25


AIR – FRANZ RODENKIRCHEN

reacties bij het ervaren van bewegend beeld worden bestudeerd vanuit experimentele theorieën rondom het lichaam, tijd en agency. Er wordt hierbij minder gebruik gemaakt van de gangbare, psychoanalytische benadering waarbij processen van identificatie centraal staan, en meer gedacht vanuit het begrip van de werking van lichamelijke perceptie (fenomenologisch) of theorieën over hoe ons brein informatie verwerkt (cognitivistisch). Met zijn ideeën over moderniteit en ervaring heeft Walter Benjamin in het debat over hedendaagse cinema een belangrijke plek verworven. Plaats, narratief en perceptie leiden in zijn denken gezamenlijk tot een ervaring (Erlebnis) die vergelijkbaar is met traumatische ervaring, en verwordt tegenwoordig, zo legt Elsaesser uit, tot de definitie van de beleving van hedendaagse media.

uit een cultuur waarin snelheid alomtegenwoordig is en onze verwachtingen van film beïnvloedt. Bij films waarin een minimalistische manier van vertellen gehanteerd wordt kunnen we onze ogen ontspannen over het scherm laten glijden en aan elk detail aandacht schenken. In deze manier van storytelling verdwijnt de klassieke hegemonie van het drama en worden inhoud, actie en ritme even belangrijk. Een hernieuwde interesse in realisme, materialiteit en temporaliteit ontstaat op ​​ het moment dat de directe relatie tussen film en de fysieke werkelijkheid lijkt te worden uitgewist door nieuwe digitale mogelijkheden. Daarnaast zou de voorliefde voor reductie ook voort kunnen komen uit een weerstand tegen een door informatie en stimuli verzadigd tijdperk.2 Maar fenomenologie en cognitivisme alleen kunnen niet voldoende de dynamiek en diepgang van de interactie tussen het bewustzijn en de verbeelde narratieve ruimte van film beschrijven. Er is meer aandacht nodig voor de wetenschappelijke bestudering van de narratieve verbeelding, iets dat door het werk van Rodenkirchen wordt onderstreept. De narratieve verbeelding is lang en onterecht afgedaan als het terrein van fictie en entertainment en als een artefact dat voortkomt uit de het ijdele bewustzijn van de mens. Maar juist door een narratieve structurering van de werkelijkheid geven wij uitdrukking aan ons

Franz Rodenkirchen zoekt naar mogelijkheden om een staat die zich ergens tussen Erfahrung en Erlebnis bevindt onder woorden te brengen. Tijdens een lezing op het Nederlands Film Festival haalde hij de Oostenrijkse filmregisseur Michael Haneke aan, bekend om zijn langzame, intens geladen films: “Een shot van een minuut verschilt radicaal van het veel kortere, meer gebruikelijke shot van een paar seconden. Er ontstaat een filmervaring die voorbij informatie gaat.” Matthew Flanagan denkt dat de opkomst van ‘slow cinema’ logischerwijs voortkomt

26

SEAS OF STORIES

e o h r n a e a M jf je e a’s i r n i h sc pag kst n e e t i t nge la n e e n i r r e a v a o ew r i a t a a b u e t t n i j s chi ijkt s ig l ? n n ure i e w ebe g 27


AIR – FRANZ RODENKIRCHEN

SEAS OF STORIES

Installatie Lasting Moments in EYE, foto: Thomas Lenden

bestaan en onze ervaring van tijd. De meest prominente denkers op het gebied van de constructie, uitdrukking en werking van de narratieve verbeelding zijn Paul Ricoeur, Alasdair MacIntyre en Mikhail Bakhtin. Zij beschrijven het narratieve als cultureel artefact en het narratief als fundamentele modus van het menselijk bewustzijn. Daarnaast trachten zij de relatie tussen het narratieve als product en het narratief als modus van het bewustzijn onder woorden te brengen. Dit laatste is naar mijn idee het meest interessant voor het begrip van het onderzoek van Rodenkirchen. Het betreft de studie naar de relatie tussen auteur (in dit geval de filmmaker) en individuele toeschouwers. Uiteindelijk betreft het ook het begrip van het verband tussen verschillende werken en de belevingen van verschillende publieksgroepen. Ricoeur stelt: “Narrative is not completed in the text but in the reader … [or] more precisely; the sense or the significance of a narrative stems from the intersection of the world of the text and the world of the reader.”3 De vrouw op het bankje blaast wat rook uit en probeert nog eens diep adem te halen.

1 Elsaesser, T. (2009). Between Erlebnis and Erfahrung: cinema experience with Benjamin (p. 292-312). In: Paragraph (vol. 32). 2 Flanagan, M. (2008) Towards an Aesthetic of Slow in Contemporary Cinema. In: 16:9 (6e jaargang, nr 29). 3 Rankin, J. (2002) What is narrative? Ricoeur, Bakhtin, and process ap­ proaches (p 1-12). In: Concresence: The Australasian Journal of Process Thought (Vol. 3).

Suzanne Wallinga is curator en onderzoeker en als gast­docent verbonden aan de Master of Film van de Nederlandse Filmacademie.

28

29


BEELDEN zie p. VII–X

Foto: Stefan Wieland (Etsy)

AIR – MICHIEL SCHWARZ Reinwardt Academie en de Academie van Bouwkunst 2013 – 2014

(Her)ontwerpen in de cultuur van het sustainisme Michiel Schwarz

Over het project

Michiel Schwarz

Met de komst van Michiel Schwarz als Artist in Residence werden studenten en docenten van de Reinwardt Academie en de Academie van Bouw­kunst uitgedaagd om complexe maatschappelijke opgaven op het gebied van erfgoed en ruimte om te zetten in voorstellen die niet alleen ecologisch maar ook sociaal duurzaam zijn. Onderzocht werd hoe het perspec­ tief van het ‘sustainisme’ nieuwe inzich­ ten kan opleveren voor de wereld van het cultureel erfgoed en het ontwerpdomein. De residency van Michiel Schwarz is een eerste resultaat van een samen­ werking tussen de twee faculteiten van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten die in het Amsterdam Creative Indus­tries Centre of Expertise samen met Hogeschool van Amsterdam en Inholland de krachten bundelt op het gebied van de creatieve industrie.

Michiel Schwarz is cultuursocio­loog en toekomstdenker. Met Joost Elf­fers introduceerde hij het begrip ‘sustainisme’, waarmee zij een naam gaven aan het huidige cultuurtijdperk. Michiel Schwarz studeerde sociologie van wetenschap en techniek aan Sussex University en promoveerde aan de Uni­versity of London. In 2011 publiceerde hij (samen met grafisch vormgever Joost Elf­fers) het manifest Sustainism is the New Modernism. A Cultural Manifesto for the Sustainist Era (DAP, New York) en (met Diana Krabbendam) Sustai­nist Design Guide: How sharing, localism, connectedness and proportionality are creating a new agenda for social design (BIS, Amsterdam). Hij was kroonlid van de Raad voor Cultuur en werkte onder an­ dere met en voor verschillende culturele en onderwijsinstellingen.

30

1. Welkom in de nieuwe tijd Er heerst een nieuwe tijdgeest. Kijk alleen al naar de manier waarop we tegenwoordig onze leefomgeving ‘vormgeven’. Wereldwijd zien we in stadswijken een golf aan bottom-upinitiatieven: stadsboerderijen, deel­ initiatieven, gemeenschapstuinen, reparatiecafés en creatieve coöperaties. Zelfbouw is in opkomst, evenals burgerinitiatieven om vervallen gebouwen te hergebruiken of lege panden ‘tijdelijk’ als pop-up over te nemen. Tegelijkertijd revitaliseert een jonge generatie architecten de stad door te experimenteren met nieuwe benaderingen: opensourcebouwen, geupcyclede ontwerpstrategieën en gecrowdfunde architectuur. Nieuwe vormen van ‘city making’ stellen de gevestigde ontwerppraktijk ter discussie. Kortom, we zien de opkomst van nieuwe manieren van ontwerpen. Maar wat er in onze steden plaatsvindt, reikt veel verder dan het ontwerp- of architectuurdomein. Het is een teken van een veel bredere omslag naar een duurzamere manier van leven die in de hele samenleving en wereldwijd zichtbaar wordt. Kijk alleen al naar de opkomst van de ‘food movement’ en de toename van boerenmarkten, of het groeiende aantal lokale 31


AIR – MICHIEL SCHWARZ

(HER)ONTWERPEN IN DE CULTUUR VAN HET SUSTAINISME

energie-initiatieven. Evenzo zien we op vele plekken in de wereld een enorme groei aan lokaal sociaal ondernemerschap en een herwaardering van handgemaakte en lokale producten. Tegelijkertijd verspreidt zich een opensourcementaliteit van delen en co-creëren, komen er steeds meer nieuwe sociale mediaplatforms en wordt er gesproken over ‘smart cities’ en ‘smart citizens’. Waar de termen ‘groen’ en ‘hightech’ ooit tegenovergestelde visies vertegenwoordigden, komen ze vandaag de dag samen in een nieuwe sociale en ecologische beweging.

van leven. De Amerikaanse milieuactivist en ondernemer Paul Hawken omschrijft het als ‘de grootste beweging uit de geschiedenis’.

Sustainisme: een nieuw cultuurtijdperk De transformatie die we doormaken is een ware cultuuromslag: een verandering in onze collectieve percepties en de waarden die onze levensstijl bepalen. Na het modernisme van de vorige eeuw is een nieuw cultuurtijdperk aangebroken, dat Joost Elffers en ik de naam ‘sustainisme’ hebben gegeven. Door de nieuwe cultuur te benoemen, maken we expliciet dat niet alleen de wereld aan het veranderen is maar ook hoe we naar die wereld kijken. Sustainisme verandert wat we zien en wat we doen. Sustainisme is het nieuwe modernisme, zoals de titel van ons manifest uit 2010 luidt. Waar het leven in de twintigste eeuw voor een groot deel werd gevormd door modernistische ideeën en waarden, wordt deze eeuw gekenmerkt door een andere mindset, een nieuw ethos. Sustainisme staat voor een collectieve cultuur die meer verbonden is, lokaler en ecologisch én sociaal duurzamer. Het tijdperk van het sustainisme is al aangebroken, we hoeven alleen maar om ons heen te kijken. Ze is bijvoorbeeld zichtbaar in de wereldwijde beweging van meer dan een miljoen maatschappelijke organisaties, vaak op lokaal niveau. Gezamenlijk zijn zeker zo’n tweehonderd miljoen mensen actief betrokken bij duurzame, maatschappelijke programma’s gericht op een gezondere, sociaal eerlijke en ecologische manier 32

Sustainistische cultuur Sustainisme omvat kwaliteiten als duurzaamheid, netwerken, samenwerking en de menselijke maat. Het verandert hoe we ons verhouden tot onze leefomgeving en hoe we plaats en ruimte ervaren. En het biedt ons een culturele kaart van waar we staan en waar we naar toe zouden willen. Mijn activiteiten als Artist in Residence bij de Academie van Bouwkunst Amsterdam en de Reinwardt Academie zijn ingegeven door de gedachte dat sustainisme ons een nieuw kader biedt en als lens fungeert om oude vraagstukken anders te bezien en nieuwe vragen over het veranderende landschap van vormgeving en cultureel erfgoed zichtbaar te maken. Ontwerpen door een sustainistische bril Sustainistische cultuur is nog volop in de maak, maar we kunnen de contouren ervan al zien en een begin maken om de kenmerken van dit nieuwe culturele landschap in kaart te brengen. De kernwaarden van het sustainisme zullen de manier waarop we onze relaties met de natuurlijke en de gebouwde omgeving vormgeven veranderen. In een poging om de cultuurmaatschappelijk verschuiving te duiden, schetsen Diane Krabbendam en ik in de recent gepubliceerde Sustainist Design Guide vier kernkwaliteiten van een sustainistische cultuur: verbondenheid, lokaliteit, delen en proportionaliteit. We benoemen een aantal fundamentele kwaliteiten en maken ze tot ontwerpcriteria voor de nieuwe tijd. – In een wereld van sociale en technologische netwerken wordt ‘verbonden zijn’ een waarde op zichzelf. Relaties zijn de belangrijkste elementen bij het ontwerpen voor verbondenheid, waarbij de 33


AIR – MICHIEL SCHWARZ

(HER)ONTWERPEN IN DE CULTUUR VAN HET SUSTAINISME

Sustainisme symbolen, Michiel Schwarz en Joost Elffers

focus ligt op het maken van verbindingen tussen gemeenschappen, met onze leefomgeving, met de natuur en met het maakproces. Alles en iedereen is verbonden en onderling afhankelijk, maar zoals ontwerppioniers Ray en Charles Eames stelden: ‘de kwaliteit van onze verbindingen is de sleutel tot kwaliteit.’ –  Lokaliteit is een waarde die betekenis geeft aan lokale relaties, verbindingen en verankering. In onze genetwerkte, gemondialiseerde wereld ontdekken we nieuwe vormen van lokale connecties en zoeken we naar nieuwe betekenissen van de plek, wat de Engelsen ‘sense of place’ noemen. Het centrale idee van ontwerpen voor lokaliteit is dat ‘lokaal’ niet zozeer verwijst naar een geografische plaats, maar een kwaliteit op zichzelf wordt. – Shareability wordt steeds meer gezien als iets dat maatschappelijke waarde creëert en gemeenschapszin: we zijn wat we delen. Ontwerpen met het oog op delen gaat ervan uit dat we het niet alleen waarderen vanwege de economische opbrengst en de milieuvoordelen, maar ook om wat het ons in sociaal opzicht en als samenleving oplevert. Het sluit aan bij een mentaliteit van samenwerking en opensource. – Ontwerpen vanuit de menselijke maat stelt het modernistische idee ter discussie dat groot en snel altijd beter is dan klein en langzaam. De verschuiving van schaal naar proportionaliteit zet vraagtekens bij de sneller-is-betermentaliteit en het eindeloze upscalen van alles wat we ontwerpen. Deze vier kwaliteiten zijn weliswaar niet allesomvattend, maar ze geven ons een aantal zichtlijnen om te onderzoeken wat design zou kunnen zijn in de nieuwe culturele context. Wat zou het bijvoorbeeld betekenen wanneer we in het ontwerpproces kwaliteiten als verbondenheid, lokaliteit, delen en proportionaliteit onderdeel maken van onze programma’s van eisen? 34

35


AIR – MICHIEL SCHWARZ

2. In het nieuwe landschap: design en erfgoed herzien Inzet van mijn artist in residency is om het sustainismeperspectief te introduceren binnen de Academie van Bouwkunst Amsterdam en de Reinwardt Academie. De eerste stap was om vormgeving en erfgoed in de nieuwe culturele context te plaatsen en te duiden; de issues vanuit een sustainistisch perspectief te herzien en een nieuwe kaart te schetsen. De tweede stap was om de vraag te stellen hoe de opkomende culturele kwaliteiten zich laten vertalen naar een nieuwe agenda voor ontwerp- en erfgoedpraktijken en waar de uitdagingen liggen voor het onderwijs. Hieronder volgen een aantal eerste gedachten. Placemaking en engagement Één van de kernconcepten dat een nieuwe betekenis krijgt en centraler komt te staan, is het idee van ‘placemaking’. Zowel bij erfgoed- als bij stedenbouw en architectuur zien we een verschuiving van top-downplanning naar lokaal engagement, en van het functionele (her) gebruik van plaatsen en gebouwen naar (her)programmering. Tegelijkertijd verschuift ons blikveld van afzonderlijke objecten en fysieke omgevingen naar lokale verhalen en een ‘sense of place’ (een punt dat nog eens werd benadrukt in verschillende ‘Sustainist (Re) Design’-lezingen voor Capita Selecta, o.a. door Frank Strolenberg, hoofd van het programma Herbestemming bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en door transformatiearchitect Paul Meurs). Het idee dat we kijken naar de ‘plek’ in plaats van de ‘ruimte’ weerspiegelt ook de sustainistische voorkeur om ons minder te richten op functionaliteit en meer op betekenisgeving. Het betekent ook een perspectiefverschuiving van ‘openbare ruimte’ naar ‘gemeenschappelijke plekken’. Of zoals de Indiase ontwerper en AIR-workshopleider Jogi Panghaal het verwoordt: van ‘huis’ naar ‘thuis’. 36

(HER)ONTWERPEN IN DE CULTUUR VAN HET SUSTAINISME

r o o v ­ t e a t ­ h W b c a s ­ i am ­heid g k i j i d l o n ­ s r e n su e sche e om ni­ s­ti st i a t ekomte to rm vo ven? ge 37


AIR – MICHIEL SCHWARZ

(HER)ONTWERPEN IN DE CULTUUR VAN HET SUSTAINISME

Onze kijk op erfgoed is aan het verschuiven, van behoud naar herbestemming en van historische waarde naar sociale waarden. Erfgoedvraagstukken worden hierdoor steeds meer herontwerp- en herprogrammeringsopgaven. In sustainistische termen betekent dit zowel cultuur maken als cultuur behouden. Ontwerpen en herontwerpen worden zo collectieve uitdagingen, die ontstaan in een open dialoog met hun maatschappelijke context. In het sustainistische tijdperk wordt maatschappelijk engagement een speerpunt in het ontwerp- en erfgoeddomein. Burgers en community’s worden co-ontwerpers van hun leefomgeving, terwijl professionele ontwerpers worden uitgedaagd om een expliciete rol als maatschappelijk ontwerpers aan te nemen, zelfs ‘ontwerpactivisten’ te worden, om Alastair Fuad-Lukes’ term te gebruiken. Sustainistische ontwerpers krijgen een andere plaats in de ‘civic economy’. Ze moeten zich gaan bezighouden met burgerplatforms die werkelijk open en coöperatief zijn en global tools als Wiki House delen en toepassen in de lokale context, zoals Joost Beunderman van het Londense architectenbureau 00:/ bepleit.

movement het bijvoeglijk naamwoord slow gebruiken, begrijpen we dat ze het niet letterlijk over ‘langzaam eten’ hebben: slow staat voor een bepaalde mindset, een manier van kijken en doen die sociaal en ecologisch bewust is. Evenzo, wat zou het kunnen betekenen om slow heritage (‘langzaam erfgoed’) of slow environments (‘langzame omgevingen’) te ontwerpen? Dergelijke vragen dagen ons uit om de cultuurmaatschappelijke rol en betekenis van ons werk als ontwerpers en herontwerpers grondig te herzien.

Lokaal en langzaam De concepten van engagement en ‘sense of place’ onderstrepen beide de noodzaak voor een herziening en een herdefinitie van wat we bedoelen met lokale vormgeving en lokaal erfgoed. In een sustainistische context betekent een lokale benadering niet alleen het ontwerpen en herontwerpen van fysieke omgevingen maar ook van lokale verbintenissen. Dit betekent een fundamentele verschuiving in wat wij als ‘de ontwerpopgave’ zien. Alleen al door de vraag te stellen wat lokaliteit nu precies voor ons inhoudt, verandert onze ontwerpagenda. Verschilt lokaal erfgoed van werelderfgoed? Waarin schuilt het wezenlijke verschil tussen lokale en mondiale ontwerpen in onze geglobaliseerde wereld? Vergelijkbare vragen kunnen we stellen over schaal en snelheid. Wanneer de aanhangers van de slow food

De kunst van het verbinden, co-design en engagement Een wereld creëren die ecologisch en sociaal duurzamer is, vraagt om een verschuiving in denken en in doen. Het is dan ook geen toeval dat de aandacht voor vakmanschap – Richard Sennetts ‘verbinding tussen hoofd en hand’ – in deze tijd van sociale en economische transities weer herleeft. Kijken door een sustainistische bril daagt ons uit om na te denken hoe we vakmanschap (opnieuw) kunnen verbinden met maatschappelijke en culturele vernieuwing. Wat voor ambachtelijkheid is er nodig om een sustainistische toekomst vorm te geven? Ter afsluiting wil ik drie gedachtenlijnen schetsen met betrekking tot een ontwerpagenda voor het tijdperk van sustainisme. Het zijn niet zozeer conclusies als wel ingangen voor verdere reflectie. Ten eerste: in een genetwerkte wereld, waar het steeds meer draait om verbindingen en relaties, moeten we wellicht de ‘kunst van het verbinden’ tot ambacht maken. Hoe zouden we de focus bij onze creatieve processen kunnen verleggen naar het vormgeven van samenhang en dwarsverbanden? Welke nieuwe vaardigheden hebben we nodig om in de kern van onze ontwerpen weer de aansluiting te vinden met de gemeenschap en de omgeving? Ten tweede: als we daadwerkelijk de praktijken van designers en erfgoedprofessionals willen openen, zullen we ‘co-design’ tot vak moeten verheffen. In het huidige

38

39


AIR – MICHIEL SCHWARZ

tijdperk waarin gebruikers en burgers meer en meer co-ontwerpers worden, moeten we ‘tools’ en vaardigheden ontwikkelen om onze ontwerpprocessen echt open en collectief te maken. En ten derde moeten we nadenken over sociaal engagement als competentie: ontwerpen ín de samenleving in plaats van vóór de samenleving. Welke gereedschappen hebben we nodig om maatschappelijk betrokken professionals te worden die samenwerken met lokale community’s, als een essentieel onderdeel van onze erfgoed- en ontwerppraktijken? Het vermogen verwerven om je als ontwerper te engageren heeft ook een ethische dimensie: het vraagt om een verantwoordelijkheidsbesef van waar je staat ten opzichte van de sociale en ecologische vraagstukken van onze tijd. Onze cultuur is aan het veranderen. Het is tijd om het ontwerpvak — en het designonderwijs — te herontwerpen. REFERENTIES – Beunderman, J. (2013) Platform Futures: Reflections from Practice, Capita Selecta-lezing, Sustainist (Re)Design #4: Bottom up – New localism and sustainable change. Academie van Bouwkunst Amsterdam, 3 oktober. – Fuad-Luke, A. (2013) Design Activism: Social engagement and sustainable change or Co-futuring by open co-designing.... Capita Selecta-lezing, Sustainist (Re)Design #2: Design Activism. Academie van Bouwkunst Amsterdam, 19 september. – Hawken, P. (2007) Blessed Unrest: How the Largest Movement in the World Came into Being and Why No One Saw It Coming. New York: Penguin. – Meurs, P. (2013) Heritage and Place Making. Capita Selecta-lezing, Sustainist (Re)Design #3: Place making. Academie van Bouwkunst Amsterdam, 26 september. – Sennett, R. (2009) The Craftsman. Londen: Penguin. – Schwarz, M. en Elffers, J. (2010) Sustainism is the New Modernism: A Cultural Manifesto for the Sustainist Era. New York: DAP/ Distributed Art Publishers. – Schwarz, M. en Krabbendam, D. (2013) Sustainist Design Guide: How Sharing, Localism, Connectedness and Proportionality are cre­ ating a New Agenda for Social Design. Amsterdam: BIS Publishers. – Strolenberg, F. (2013) Redesigning Cultural Heritage. Capita Selectalezing, Sustainist (Re)Design #3: Place making. Academie van Bouwkunst Amsterdam, 26 september.

40

Het andere binnensluiten Talentont­wikkeling in een internationale context Maria Hagen in gesprek met Joël Bons en Barbara Van Lindt Racine, Brecht, Sweelinck, Verdi, Bausch, Balanchine, Mondriaan, Newman… Kunst is internationaal. Niemand kan eromheen dat kunst in een internationale context geproduceerd en gepresenteerd wordt. Ook het hoger kunstonderwijs is bij uitstek internationaal zoals de commissie Dijkgraaf terecht constateerde.1 Jet Bussemaker, minister van OCW, beklemtoont in haar brief aan de Tweede Kamer van zomer 20132 het belang van internationale competenties van artistiek talent. Zij merkt daarbij op dat talentontwikkeling ook in het kader van kunst- en cultuuruitingen van buiten de westerse enclave moet worden bezien. Wat is de status quo bij de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten? Waarom is internationalisering belangrijk en wat hebben onze studenten nodig om goed toegerust te zijn op een internationale beroepspraktijk? ON AIR sprak met Barbara Van Lindt, artistiek leider van DasArts, de Master of Theatre van de Theaterschool en Joël Bons, componist, artistiek leider van het Atlas Ensemble en docent compositie aan het Conservatorium van Amsterdam, over praktijk en noodzaak van internationale oriëntatie in het onderwijs. Twee praktijkvoorbeelden van een internationale aanpak binnen de AHK. 41


e es e d s na een a l C hi ese anse C hin bia C olom se C baan Cu rische Conservatorium CDeypense itse van Amsterdam EDu cu Estnadoraanse isc F Frinse he a G G eornse ri g ek is se che

Instroom naar nationaliteit 2013

e ds an el ze uw se e ie se N or ïen ans Noekraekista O b se Oezstenrijk Oo Poolse Portugese Roemeense Rus Se sische S rvisc S inga he S lov po Sp low een raanse a a se a ns akse e

se ar ga se on e H ers and I l e IJs dias sische In one Indanse Ira e Israëlisch Italiaanse Japanse Kr Le oatische L tse L itou M ux w N ex em se ed ic bu r a e rl an gse an se d se 42

Zo oud als de mensheid

HET ANDERE BINNENSLUITEN

Traditie is nooit statisch

e es he n a sc iw chi se a T sje kse ikaan T ur afr se T uid reaan o Z idk Zu eedse Zw erse Zwits Albanese Amerikaa nse Ar Ausgentijnse tra B Br elgis lische c B a Bu rit zilia he s lg e an se aa rs e

ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

‘Je ziet het bij alle grote kunstenaars, of het nou om Picasso gaat die in Afrikaanse maskers geïnteresseerd was of Mozart die zich in Turkse Janitsaren-muziek verdiepte’, vertelt Joël Bons. ‘Stockhausen, Ligeti, Bartók, Cage, Reich, alle grote componisten van de 20e eeuw, hadden een grote interesse in andere culturen. De wereld is veel groter dan de eigen westerse cultuur. Als kok kom je er ook niet als je alleen de Franse keuken bestudeert. Je bent pas een vakman en excellent als je je kunt verstaan met de wereld van vandaag. Al in de Gouden Eeuw zag je hier grote diversiteit; Amsterdam is altijd heel gastvrij geweest voor kunstenaars en denkers. Culturele uitwisseling is zo oud als de mensheid. Ons vakmanschap is gebaseerd op een westerse traditie die echter veel raakvlakken heeft met andere culturen. Je palet van ambacht kun je enorm uitbreiden als je de overeenkomsten en verschillen bestudeert van het ambacht in verschillende culturen.’ ‘Crossovers ontstaan vanzelf. De meeste jongeren hebben een totaal eclectische muzieksmaak, zij luisteren naar Bach, reggae, hiphop, Stockhausen. Als je authenticiteit en onderscheidingsvermogen hebt dan kies je uit een enorme bron. Dat kan allemaal naast elkaar bestaan. Natuurlijk is het goed dat je je op je vak concentreert en dat stevig onder de knie krijgt. Maar traditie is nooit statisch. Door open te staan voor allerlei verwante zaken verrijk je je werk en krijg je een dieper begrip. Het wordt interessanter. Bij de compositieafdeling van het Conservatorium beschouwen we de muziekgeschiedenis niet als lineair. We kijken bijvoorbeeld naar vragen als wat is geluid en waaruit bestaat het materiaal van muziek? Dan komen hedendaagse componisten of andere culturen al in een vroeg stadium aan bod.‘ 43


rs e

i

Bu

lg

Zu

aa

e or dk

Britse

se n aa

45

lis

ch

e

Instroom naar nationaliteit 2013

rv

se iaan

se

isc

he

Mentale mutatie

Se Isr Ital

44

Duitse

DasArts

Ne d e rlan dse

‘Het is een grote ontdekkingstocht. Eerst zie je verwondering en betovering, er ontstaat begrip en vervolgens assimilatie. Je ziet een proces waarbij het vreemde en de ander langzaamaan begrepen worden en op een goed moment geïnternaliseerd. Ton de Leeuw noemde dat zo mooi acculturatie, als je het goed doet dan vindt een mentale mutatie plaats. Het is geen oppervlakkig proces, je zet niet gewoon een paar leuke dingen naast elkaar, maar het ‘marineert’, er vindt een soort chemische reactie plaats waardoor je het werkelijk geassimileerd hebt. Dat gebeurt eigenlijk met al het leren in je leven. Dat proces kan heel stimulerend en vruchtbaar zijn, in welke opleiding dan ook. Eigenlijk is dat waar het over

rikaan

‘In 2014 vindt voor de vijfde keer de Atlas Academy plaats. Het is een internationale ontmoeting van componisten en musici die ik eens per twee jaar organiseer in het Conservatorium van Amsterdam’, vertelt Bons. ‘De Academy is als een explosie, twee weken met elkaar – in retraite – onderzoek doen, experimenteren, componeren, muziek maken, elkaar begrijpen, een echt team vormen. We planten een zaadje. Iedereen heeft zijn eigen inbreng, brengt zijn eigen expertise mee. Studenten moeten zelf zien wat ze ermee doen, het is een stimulans. We proberen zo integer mogelijk te werken en diepgaand de verschillen en overeenkomsten van elkaars muziek en muziekopvattingen te onderzoeken. De benadering van Atlas is een creatieve benadering. Het westerse concept van een strikte scheiding tussen componist en interpreet wordt hier opgeheven. Ook de interpreet neemt actief aan het creatieve proces deel, zoals dat in pop en jazz en veel andere culturen heel gewoon is. Bij ons is dat enigszins verloren gegaan.’

HET ANDERE BINNENSLUITEN

Zuidaf

Atlas Academy

ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY


ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

HET ANDERE BINNENSLUITEN

46

Globaal en lokaal

‘Het grote gevaar van globalisatie is eenheidsworst, wij streven juist naar differentiatie. We onderzoeken bij Atlas overeenkomsten en verschillen. Je moet het andere binnensluiten, niet buitensluiten. Als je de verschillen waardeert en koestert en naar het gemeenschappelijke zoekt, dan ben je in staat iets nieuws te creëren. Dan stuit je als kunstenaar op een goudmijn. Lokale tradities voeden de globale cultuur en dat kaatst weer terug naar het lokale. Verschillen blijven in stand en dat is van onschatbare waarde.’

Intercontinentale ontmoetingen

Atlas Academy, foto’s: Thomas Lenden

gaat bij alle creatieve opleidingen. Uiteindelijk maak je als kunstenaar een synthese uit al die dingen die je tegenkomt. Strawinsky nam Bach, Pergolesi en volksmuziek tot zich en verwerkte het zodanig dat wat eruit kwam altijd herkenbaar was als Strawinsky. Je hoort nog wel de sporen maar het is helemaal nieuw. Dit proces van ‘intoxicatie’ kan op allerlei manieren op gang komen: door in aanraking te komen met andere muziekuitingen zoals muziektheater, opera of met een ander medium zoals film. Strawinsky was ook geïnspireerd door de montagetechnieken van Eisenstein. Er is overal inspiratie, in de natuur, technologie, de kookkunst…’

‘Op het moment dat iedereen met hetzelfde vak bezig is, worden de verschillen heel duidelijk en worden vanzelfsprekendheden van de eigen cultuur op losse schroeven gezet.’ Volgens Barbara Van Lindt ontwikkelt een kunstenaar zijn eigen universum en zijn eigen taal, zowel een theatertaal als een taal om over zijn werk te spreken. ‘Hij creëert een identiteit door keuzes te maken. Met je zelfgebouwde universum kom je naar DasArts en daar kom je mensen tegen van allerlei pluimage en achtergronden. Je staat 47


ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

HET ANDERE BINNENSLUITEN

Barbara van Lindt: ‘Je komt hier met een vraagstelling die gerelateerd is aan jouw praktijk. Je wilt een patroon doorbreken, je werkmethode verdiepen of uitbreiden. Studenten hebben motivaties die gelinkt zijn aan hun werk tot dan toe en ze komen bij DasArts om een volgende stap te zetten. Je staat versteld wat een kandidaat uit Argentinië, Kenia of Iran meebrengt aan westerse canon. Brecht en Boal hebben bijvoorbeeld de wereld rondgereisd en invloed gehad, hun werk is globaal geworden. DasArts werkt niet volgens een bepaalde esthetische norm die bepaald wordt door de westerse canon van hedendaagse podiumkunst. Als je in staat bent om in het gesprek met ons, je artistieke en culturele context mee te nemen, dan ben je hier op je plek. Iemand uit een ver land heeft zich aangemeld, heeft de ambitie om zich te verhouden tot andere, hedendaagse en overzeese tradities. Dat is de basis.’

48

Workshop op de Dappermarkt met DasArts-studenten

Verhouden tot een overzeese traditie

tegenover een collega die dat op een heel andere manier aanpakt, dat kan provocerend zijn. Idealiter ga je jezelf bevragen zodat deze verstoring hoe dan ook iets teweegbrengt in je denken en praktijk. Die botsing (in ons jargon “significant collision”) is niet altijd het grootst als er een grote geografische afstand is tussen de studenten, het kan geen meetinstrument zijn voor de artistieke afstand.’ Het internationale van een opleiding mag volgens Van Lindt dan ook geen fetisj worden. ‘Er zijn ook fundamenteel andere opvattingen en stijlverschillen bij mensen met dezelfde achtergrond. Het is wel zo dat door een groep met mensen van verschillende continenten de kans groter is dat je je culturele horizon gaat verbreden.’

49


Vol met oordelen

HET ANDERE BINNENSLUITEN

‘Als de groep een opdracht krijgt om bijvoorbeeld een performance in een publieke ruimte te maken, kan dat voor sommige studenten enorm beladen zijn. De mogelijkheid om op straat te kunnen dansen is in bepaalde landen ongekend. Voor deze studenten heeft dat een heel andere betekenis. De collega’s zien dat en beseffen dat je hier in Nederland, een van de meest tolerante landen van de wereld, bijna geen grenzen hebt. Waar zit dan de kracht van op straat gaan dansen? Waar zit het artistieke gebaar van een groep fel gekleurde dansers die het verkeer platleggen als dat eigenlijk geen big deal is? Dit soort ervaringen versterkt de reflectie.’ ‘We halen de studenten uit hun comfortzone, confronteren ze met iets dat ze niet begrijpen. Onze studenten worden tijdens workshops blootgesteld aan andere levensomstandigheden, dat kan zelfs als een cultuurschok worden ervaren. Dankzij deze ervaring stappen ze op een andere manier in de wereld, ze zien wat er speelt buiten de cocon van het kunstenaarschap. Je moet het aandurven om je onder te dompelen in het onbekende en onverwachtse, open te zijn en niet de gebaande weg te nemen. Veel buitenlandse studenten hebben als ze in Amsterdam aankomen al een Lost in translation-ervaring. Ook de Nederlandse studenten maken dit mee omdat zij onderdeel zijn van deze multicontinentale groep.’ ‘Hoe open minded kunstenaars ook zijn ze zitten net als iedereen vol met oordelen over mensen die “anders” zijn, of in hun waarneming “aan de andere kant staan” bijvoorbeeld politie, zakenmensen, managers, ... Premisse van het afgelopen blokprogramma was het nadenken over de gewenste impact van het eigen werk. Vaak beginnen artistieke 50

Intercontintale opleiding

Lost in translationervaring

International classroom

ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

processen vanuit de vraag wat je wilt maken, wat er uit jezelf komt. Nu was de propositie: wat wil je bereiken, waar, voor wie, op welke schaal, met welk medium? In het kader daarvan werden verschillende opdrachten uitgevoerd. Bijvoorbeeld de Dappermarkt observeren, op zoek naar potentie voor theater. Onze studenten zijn gesprekken en relaties aangegaan met mensen buiten het theater, hebben projecten opgezet in de publieke ruimte. Dat was voor hen een eye opener. Een politieman kan best sympathiek zijn, met zakenmensen van de Zuidas kun je best een gesprek hebben of de man van de groentekaar op de Dappermarkt heeft een bijzonder levensverhaal. Dat was een doorbraak. De studenten moeten openstaan, dat is cruciaal, zich verhouden tot de ander, een andere cultuur, andere opvattingen, dat is de meerwaarde. En die “andere cultuur” moet hier breed geïnterpreteerd worden.’ ‘Ik noem DasArts intercontinentaal omdat internationaal of globaal dikwijls neerkomt op een echt gedeelde cultuur: Monty Python, H&M, Starbucks. Bij onze intercontinentale ontmoetingen moet je meer moeite doen om de overeenkomsten en verschillen te mappen. En letterlijk die horizon verbreden. Dat levert soms zo’n verrassing op, dat gaat verder dan je vak alleen.’ Maria Hagen is hoofd communicatie van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

1 Advies commissie-Dijkgraaf. (2010). Onderscheiden, verbinden, vernieuwen, voor een sectorplan kunstonderwijs, in opdracht van de HBO-raad. (p. 4) Den Haag. 2 Bussemaker, J. (2013). Cultuur beweegt, De betekenis van cultuur in een veranderende samenleving.

51


BEELDEN zie p. X–XIII

AIR – AUTHENTIC BOYS Master Kunsteducatie / AHK 2013–2014

Spelen met conventies

Foto: Thomas Lenden

Waarden en vaardigheden bij kunstenaarscollectief Authentic Boys Jappe Groenendijk

Over het project

Authentic Boys

De residency van het internationale kunstenaarscollectief Authentic Boys gaf studenten van de master Kunsteducatie de kans om kennis te maken met hun ver­nieuwende artistieke praktijk en inzicht te krijgen in interdisciplinaire maakpro­cessen. Authentic Boys ver­ enigen verschil­lende kunstdisciplines met elkaar en verkennen de grenzen tussen film, beeldende kunst en theater. Deze specifieke werkwijze vormde een inspiratiebron en stimuleerde studenten om op een geheel eigen manier hun educatieve programma’s te ontwikkelen. Het omgaan met diversiteit in de kunst­ educatie stond centraal in de samenwer­ king, daarnaast was er aandacht voor cultureel ondernemerschap. Met hun maatschappelijk relevante kunstprojecten sluiten Authentic Boys goed aan bij de altermoderne kunsteducatie, een actueel onderzoeksthema van het lec­toraat Kunst en cultuureducatie, waar de master Kunsteducatie aan verbonden is.

Authentic Boys is een internationaal artiestencollectief bestaande uit de performers Gregory Stauffer en Johannes Dullin (Genève/Berlijn) en de filmmakers Boris van Hoof en Aaike Stuart (Rotter­ dam/Berlijn). De groep werkt interdisci­ plinair en is steeds op zoek naar manie­ ren om intuïtief en reflectief de directe omgeving te benaderen. Humor is een belangrijk middel om het alledaagse in een ander perspectief te plaatsen en toe­ schouwers bewust op een ander spoor te zetten. Hun gevarieerde werk omvat o.a. performances (Natural Fiction Circus), video’s, een installatie (Tribal Man) en een fotoserie (Rehearsing Revolution) en is te zien in theaters, artcentra en filmfestivals.

52

Van september 2013 tot maart 2014 zijn Authentic Boys als Artists in Residence verbonden aan de master Kunsteducatie. In workshops, lezingen en masterclasses bieden zij studenten de gelegenheid kennis te maken met interdisciplinaire maakprocessen en een vernieuwende manier van werken. Maar welke vaardigheden zou kunstonderwijs in de 21e eeuw eigenlijk moeten bijbrengen? Dat is de achterliggende vraag die aan dit portret ten grondslag ligt.

Proloog: kunstonderwijs en democratisch burgerschap Nederlandse onderwijsinstellingen willen graag excelleren en worden in toenemende mate afgerekend op hun rendement. Ook het hoger kunstonderwijs ontloopt de nieuwe bedrijfscultuur niet. Menige hogeschool is bezig om naast het reguliere onderwijs excellentieprogramma’s op te zetten en profileert zich met de ambitie om onderscheidende kwaliteit te leveren. Paradoxaal genoeg heeft deze ranking-mentaliteit aan universiteiten juist niet geleid tot topprestaties, maar tot uitholling en eenvormigheid. Het streven naar excellentie staat bovendien op gespannen voet met het gelijkheidsideaal van toegankelijk onderwijs voor iedereen. ‘De waarde van goed academisch onderwijs’, waarschuwt cultuurfilosoof René Boomkens, ‘is niet te 53


AIR – AUTHENTIC BOYS

vatten in cijfers en grafieken’.1 De universiteit moet zich volgens hem minder laten disciplineren en weer vol in het maatschappelijke licht treden. Kwaliteit en inhoud moeten weer centraal komen te staan, in plaats van kwantiteit en imago. Filosofe Martha Nussbaum suggereert in haar betoog Not for Profit zelfs dat concurrentieslag en economisch denken in het onderwijs een gevaar voor de democratie vormen. Ze strijdt tegen de wereldwijde tendens om jongeren op te voeden tot ‘nuttige machines, in plaats van volwaardige burgers die in staat zijn om zelfstandig te denken’.2 Door een kortzichtige focus op winst en toepasbaarheid dreigen wij uit het oog te verliezen waar het in het onderwijs werkelijk om draait: het ontwikkelen van vaardigheden als verbeelding, inlevingsvermogen en kritisch denken. Kunst, cultuur en onderwijs spelen van oudsher een belangrijke rol bij de emancipatie tot mondige, compassievolle en democratische burgers. Bovendien groeit het besef dat kunstonderwijs een cruciale bijdrage kan leveren aan competenties voor de 21ste eeuw. De jongere generatie heeft immers naast lezen, schrijven en rekenen, ook vaardigheden nodig die haar in staat stelt op nieuwe manieren te communiceren, te experimenteren en problemen op te lossen. En juist kunstonderwijs heeft een belangrijke functie in het ontplooien van creativiteit, mediawijsheid, samenwerkings- en improvisatievermogen. Zijn kunstvakken daarmee ook de sleutel tot een maatschappij met mondige burgers die zich betrokken voelen? En kan het praktijkgerichte kunstonderwijs een alternatief vormen voor de grimmige ontwikkelingen in de onderwijswereld? Authentic Boys zijn in ieder geval een voorbeeld van hedendaagse kunstenaars die niet alleen de kracht van educatie hebben omarmd, maar ook de vernieuwing van leer- en maakprocessen. De ontmoeting met dit internationaal 54

SPELEN MET CONVENTIES

kunstenaarscollectief biedt de studenten van de master Kunsteducatie de bijzondere gelegenheid om hun eigen vaardigheden als docenten te ijken aan een interdisciplinaire praktijk. En om nieuwe kunsteducatieve strategieën te ontwikkelen aan de hand van een speelse omgang met skills voor de 21ste eeuw.

1: Authentic Boys Authentic Boys bestaat uit de performers Gregory Stauffer en Johannes Dullin (Genève/Berlijn) en de filmmakers Boris van Hoof en Aaike Stuart (Rotterdam/ Berlijn). Hun werk kent uiteenlopende vormen – van fotografie, film en videokunst, tot theater, performance en installaties – en is internationaal te zien in onder meer kunstcentra, theaters en op filmfestivals. De naam Authentic Boys ontstond in 2007, tijdens een verblijf in Siberië, uit een woordgrapje over wat het betekent om authentiek Russisch te zijn. Ze besloten daarop een filmpje over een authentieke Rus te maken, een speelse dialoog met de realiteit. Dit is sindsdien hun handelsmerk geworden. Een van de thema’s die in hun werk steeds terugkomt is: hoe verhoudt een individu zich tot zijn omgeving en hoe tot de groep waar hij deel van uitmaakt? In hun eerste expositie Hanging out in time and space werd de eigen groepsidentiteit onderzocht. De titel is treffend gekozen. Dat is immers wat jongens doen: rondhangen en lol trappen. Al spelend onderzoeken de Authentic Boys

hoe ze zich tot tijd en ruimte kunnen verhouden en zo nieuwe speelplaatsen en ervaringen creëren. Ter promotie van de expositie liet de groep zich fotograferen in verschillende IKEA-showrooms. Het resultaat is een speelse variant op boybandfotografie: een serie ansichtkaarten met vier ernstig kijkende jongemannen in klinische prefab-interieurs. Die beelden roepen de vraag op hoe een authentieke ervaring mogelijk is in een ruimte die in vergaande mate is voorgestructureerd. Hoe kan je jezelf zijn in een wereld waarin persoonlijke identiteit wordt voorgekauwd in marketingstrategieën? Verrassend genoeg lijken zij authenticiteit juist te zoeken op plaatsen waar wij dat niet verwachten; camping, midgetgolfbaan of bungalowpark. De frictie die kan ontstaan tussen het sturende karakter van dergelijke plekken en de basale menselijke behoefte aan vrijheid en zelfontplooiing vormt het startpunt voor veel van hun werk. Zo worden in de korte film Threesome onze vooronderstellingen over seksuele rolpatronen gefrustreerd en wordt tegelijk de

55


AIR – AUTHENTIC BOYS

SPELEN MET CONVENTIES

Korte film Threesome

wereld, die op dat moment nog vers in ieders geheugen ligt. Rehearsing Revolution wil echter niet aanzetten tot een politieke omwenteling, maar tot een persoonlijke transformatie door middel van een krachtige kunstervaring. In de workshop worden performance-opdrachten afgewisseld met gesprekken over toekomstdromen. De spelopdrachten maken de deelnemers bewust van het eigen lichaam en nodigen uit om nieuwe manieren

beeldtaal van de erotische cinema uitgebreid. En in Bad Luck City – geschoten in sfeervolle super8film – zet een urban cowboy een scala aan clichés over de blues naar zijn hand en transformeert zo hun betekenis. De wereld van

van bewegen te onderzoeken. Er wordt niet autoritair lesgegeven, niets wordt afgekeurd, waardoor het geïnternaliseerde onderscheid tussen goed en fout, gepast en ongepast gedrag langzaam oplost. Het vertrouwen dat zo ontstaat vormt de basis voor verrassend eerlijke gesprekken en mooie momenten vol persoonlijke creativiteit, waarin de leerlingen anders durven denken, hun gewoonten doorbreken, of rebelleren tegen hun eigen grenzen. Rehearsing Revolution

Authentic Boys wordt bevolkt door individuen en groepjes die zich al spelend verhouden tot de wereld om hen heen en zo voortdurend onverwachte situaties en bijzondere ervaringen creëren.

In 2011 ontwikkelt Authentic Boys op verzoek van de Rotterdamse tentoonstellingsruimte TENT het project Rehearsing Revolution. Twee maanden lang werken ze met ruim zeshonderd middelbare scholieren tussen de 13 en 18 jaar oud met diverse achtergronden. Vanaf dat moment speelt

Workshop Rehearsing Revolution

2: Rehearsing Revolution kunsteducatie een belangrijke rol in hun werk. Direct vanaf binnenkomst zijn de jongeren de protagonisten in een theatrale ruimte. Hun revolutionair potentieel wordt getest in een theatraal parcours dat zijn beeldtaal ontleent aan de golf van revoluties in de Arabische

56

57


AIR – AUTHENTIC BOYS

58

resulteerde bovendien in autonoom werk van de vier makers: een tentoonstelling en publicatie

met portretfoto’s van de leerlingen met zelfgemaakte, revolutionaire maskers.

Uit de publicatie Rehearsing Revolution

­ g n ­ a l g i e d ­ b r De e vaa we t r s a k a k j i e w r id o z he ar op na zijn t r o o s n ­ e g e i l s n e i e o p v o e g een g , n d i i d e h hou

SPELEN MET CONVENTIES

3: Dialoog in vier begrippen Authenticiteit

vinden wij interessant. Dat is het speelveld waarbinnen we ons begeven.’

‘Onze openbare ruimte is in verregaande mate voorgestructureerd. Dat wil zeggen, van McDonald’s tot Center Parcs worden onze handelingen en praktijken gestuurd. Juist door met deze conventies te spelen kunnen er nieuwe zinvolle betekenissen ontstaan. Wat een samenleving als clichématig ervaart, kan authentiek zijn voor een individu. Door clichés serieus te nemen, kunnen ze alsnog ontroerend worden. Wij zijn geïnteresseerd in de individuele zoektocht naar basale menselijke expressievormen in een wereld die grotendeels bestaat uit voorgekookte ervaringen. Juist het snijvlak van die micro- en macrokosmos

Interdisciplinariteit

‘Wij leerden elkaar kennen, het klikte en we besloten samen te werken. Interdisciplinariteit was geen vooropgezet doel. Ons werk ontstaat vanuit een idee waar we een vorm bij zoeken. Soms maakt het een ontwikkeling door: dan zijn we van plan een tentoonstelling te maken en eindigen we met een film. Dat maakt het er overigens niet altijd makkelijker op. Al die disciplines hebben hun eigen infrastructuur en instituties die je moet leren kennen. Toch speelt het denken in

59


AIR – AUTHENTIC BOYS

Revolutie

disciplines in ons werk nauwelijks een rol. Interdisciplinariteit is voor ons eerder een houding, een openheid. We staan dan ook sceptisch tegenover verplicht interdisciplinair samenwerken, dan wordt de methode een nieuwe autoriteit, wordt het een nieuwe discipline. Wel geloven we dat het mogelijk is die openheid op anderen over te brengen. Dat proberen we ook te doen in onze workshops.’

‘In Rehearsing Revolution benaderen we het thema revolutie vanuit de beelden die we allemaal kennen: vlaggen, rook, chaos. Zoals in al ons werk, spelen we met deze collectieve beelden. We hergebruiken ze en zetten ze naar onze hand om een persoonlijke revolutie voor te bereiden: die van vrije geesten die durven dromen. Voor de leerlingen waarmee we werken proberen we de juiste omstandigheden te creëren om zich open te stellen. We gebruiken de strakke vorm van het trainingskamp, maar daarbinnen is er geen vooropgezet plan, geen hiërarchie, geen oordeel. Van begin tot eind spelen zij de hoofdrol. Alles mag, ze hoeven niets te doen waar ze zich oncomfortabel bij voelen. Er is louter spel en alles wordt aangemoedigd. Tieners hebben een bepaalde energie. Je kan proberen die te onderdrukken of om te buigen, maar je kan hen ook leren haar te gebruiken. Hen bewustmaken van hun kracht en gevoeligheid. Dat is onze strategie om tot een authentiek resultaat te komen. De pubertijd is een revolutionaire levensfase bij uitstek. Je lichaam verandert en je gaat op zoek naar wie je bent. Die specifieke houding en gesteldheid proberen we in onze foto’s te vangen.’

Vakmanschap

‘Onze achtergronden kun je in ons werk terugzien, van speeltechnieken tot videomontage. Toch zijn de rollen die we binnen het collectief innemen altijd in beweging, de groep zelf is een experiment. De belangrijkste vaardigheid waar we steeds naar op zoek zijn is een bepaald soort gevoeligheid, een open houding naar onszelf, naar elkaar en naar onze omgeving. Hoewel geen van ons muzikaal geschoold is, is muziek bij uitstek het medium om die openheid te bereiken. Door nachtenlang samen te jammen ontstaat een gemoedstoestand die je plaats en tijd doen vergeten en weer hervinden. Muziek kan zo op een heel instinctieve manier verbinden en is dan ook zeer bepalend voor ons werk.’

SPELEN MET CONVENTIES

1 Boomkens, R. (2009). Topkitsch en slowscience. Kritiek van de academische rede. Amsterdam: Van Gennep. 2 Nussbaum, M. (2012 [2010]) Niet voor de winst. Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft. [Vert. Not for profit. Why democracy needs the humanities]. Amsterdam: Ambo, p. 16; Zie ook Nussbaum, M. (1997) Cultivating humanity. A classical defense of reform in liberal education. Cambridge Massachusetts: Harvard University Press.

Jappe Groenendijk doceert kunstfilosofie aan de master Kunsteducatie. Daarnaast werkt hij als redacteur en schrijver.

60

61


BEELDEN zie p. XIV–XV

Foto: Jesse Vrielynck

AIR – UGO DEHAES de Theaterschool 2012 – 2013

Over het project

Ugo Dehaes

Choreograaf Ugo Dehaes werkte met studenten van de opleidingen Moderne Theaterdans (MTD) en Productie Podiumkunsten (OPP) van de Theaterschool aan een gezamenlijk locatie­project met het thema ’protest’. Gedurende vier maanden kregen de stu­denten de kans om te duiken in de imagi­naire wereld van de maker, zijn inspiratie­bronnen en de uitwerking daar­ van. Daarbij lag voor de OPP-studenten de focus op hun persoonlijke relatie tot het thema en stond voor de studenten van MTD de creatie van de choreografie centraal. Door workshops, lezingen, discussies en het volgen van elkaars processen ontwik­ kelden de studenten visie en wisselden ze ideeën uit. De openbare presentatie in de Floshal Amsterdam was zowel voor­ stelling als tentoonstelling.

Ugo Dehaes is een Vlaamse choreo­graaf die zijn sporen heeft verdiend als perfor­ mer binnen het werk van o.a. Meg Stuart en Arco Renz. Zijn werk kenmerkt zich door een sterke intensiteit en vol­ledige aanwezigheid van de performers, die tot uitersten gaan. Dehaes neemt rustig de tijd voor het creëren van een voorstel­ ling, een unicum in deze periode van overproductie en haast. Voor zijn eigen producties doet hij alles zelf: produc­ tie, techniek, publiciteit. Ugo Dehaes is daarnaast ook actief als danser voor diverse choreografen en als performer en acteur in tal van films, performances en theaterstukken.

Twee gemeen­ schappen ont­moeten el­kaar Hester van Hasselt De Theaterschool herbergt vijftien opleidingen. Hoewel zij samen hetzelfde gebouw delen is de afstand tussen de opleidingen soms groot, net als de behoefte om elkaar beter te leren kennen. In het Artist in Residenceproject van Ugo Dehaes werd aan die behoefte handen en voeten gegeven: een gezamenlijke voorstelling van studenten Moderne Theaterdans (MTD) en Productie Podiumkunsten (OPP). Eén AIR, twee opleidingen. Een ontmoeting tussen twee gemeenschappen die zelden tijd vinden om met elkaar in gesprek te gaan. Welke vragen heeft dit opgeroepen met betrekking tot ieders visie op onderwijs? Aan het woord zijn Judith Wendel (docent dramaturgie bij Productie Podiumkunsten) Bart Visser (stafdocent Scenografie) John Taylor (docent Moderne Theaterdans) en Marijke Hoogenboom als moderator. Judith: Bij de OPP stellen we nadrukkelijk de vraag: hoe sta je in de wereld? Als productieleider of producent ga je werken in het theater, het theater staat in de wereld en reflecteert daarop. Wat is die wereld, hoe kun je je ertoe verhouden en welke rol kan de kunst

62

63


AIR – UGO DEHAES

daarin spelen? Een producent kun je als puur uitvoerend beschouwen, maar dat is wat we bij OPP nadrukkelijk niet doen; de producent is volgens ons ook initiërend, bepalend en reflectief. Dat is een bewustzijn dat je bij de studenten probeert te creëren. Bij ons is het AIR-project geheel daarop gericht. John: In de MTD is de reflectie van de studenten vooral gericht op hun eigen fysieke proces. De studenten zijn zo bezig met hun lichamelijke ontwikkeling, dat al het andere ondergeschikt is. Je moet qua techniek op een heel hoog niveau dansen, anders krijg je geen werk. Daarnaast zien we dat de studenten de laatste jaren een sterke behoefte hebben aan intellectuele en sociale ontwikkeling. Zo’n AIR-project helpt om na te denken over hoe wij de opleiding open kunnen trekken. De workshops geluid, video, decor zouden ook voor onze studenten interessant kunnen zijn. Bart: Denk je dat daar bij de MTD ruimte voor is? John: Dit is precies waar wij tegenaan lopen. Ons rooster zit vol. Om iets toe te voegen, moet je iets weglaten. Maar wat? De eisen voor bekwame dansers zijn hoog, er is een grens aan wat je kunt opengooien om op niveau te blijven. Mijn vraag is dus: kun je het programma aanpassen zonder het nog zwaarder te maken? Dat zou misschien kunnen door thematisch te werken, of via het AIR-programma of door met andere opleidingen samen te werken. Ook de persoonlijke reflectie wordt steeds belangrijker, en het kunnen schrijven. Marijke: Waar komt dat vandaan? 64

TWEE GEMEENSCHAPPEN ONTMOETEN ELKAAR

John: De studenten hebben er behoefte aan en wij ook. We willen intelligente dansers afleveren, dansers die meer kunnen dan bewegen. Hun kennis en bewustzijn zijn onderdeel van hun creativiteit. Dat je weet hebt van de geschiedenis, dat je die kennis kunt toepassen en dat je het ook helder op papier kunt zetten. Onze dansers krijgen fysieke creatieve vaardigheden, maar hopelijk ook veel inzicht in hun vak. Daarmee kunnen ze zich onderscheiden. Marijke: Geldt dat voor alle studenten die afstuderen? Bart: Dat is een goede vraag: wat onderscheidt ons van andere kunstopleidingen? John: Het zou mooi zijn als onze hogeschool studenten aflevert die bewust in de wereld staan. Marijke: Wat ik interessant vind, is dat er alleen al op de Theaterschool zoveel verschillende lesmethodes naast elkaar bestaan. Bij de School voor Nieuwe Dans Ontwikkeling (SNDO), waar de studenten als makers worden opgeleid, hebben ze onlangs gewerkt met de Japanse choreografe Hisako Horikawa. Zij komt uit een cultuur waarin het idee dat je als kunstenaar in opleiding reflecteert op wat je doet überhaupt niet bestaat. Het gaat enkel om discipline en jarenlang doen, nadoen. Dat is zo’n schok voor onze studenten, het staat zo lijnrecht tegenover het westerse idee van de geëmancipeerde maker. In veel oosterse tradities volg je vele jaren een meester en pas als je 45 bent begrijp je waar het om gaat. Dat is een hele andere weg naar emancipatie. 65


AIR – UGO DEHAES

Bart: Ja, ook via het lichaam kun je antwoorden vinden. De productiestudenten wilden graag een dansles volgen bij Ugo Dehaes, dat is vervolgens één keer gebeurd. Het is jammer dat we in dit AIR-project de rollen niet voor een keer helemaal hebben omgedraaid. Ik had ze dat dansen best op een structureler niveau willen mee laten maken. Uit je eigen kaders stappen is immers het hoofddoel van dit AIR-project. Marijke: Misschien hadden ze ook de dagelijkse discipline kunnen overnemen. Met name dansstudenten beginnen iedere ochtend met zuivere training. Bart: Die discipline én het besef dat alleen maar doen ook tot reflectie kan leiden. Na hun AIR-project maken de OPP-studenten eigen installaties. Daarin zijn ze helemaal vrij in welke thema’s en disciplines ze kiezen. Er ontstaat altijd paniek. Eigenlijk is dat fantastisch. Ik probeer ze dan terug te brengen: stop met denken, ga doen, zoek het in je intuïtie. Judith: Wat ik mooi vind, is dat de studenten aan zichzelf worden overgelaten. Het is als onderwijzende instantie belangrijk om op zoek te gaan naar vormen die anders zijn dan alleen maar aanbieden. We moeten uitkijken voor ons eigen paternalisme: dit zijn de modellen, dit bieden we jullie aan en als je dat maar volgt krijg je straks je diploma. John: Dit is heel herkenbaar. Studenten komen vaak binnen met het idee: als ik alle vakken maar braaf volg, dan word ik vanzelf een 66

TWEE GEMEENSCHAPPEN ONTMOETEN ELKAAR

danser. Het bewustzijn dat ze het uiteindelijk zelf moeten doen en dat je als danser meer moet beheersen dan alleen de techniek, dat is soms moeilijk bij te brengen. Bart: Daarom is het installatieproject voor ons zo cruciaal. Er alleen voor staan leidt tot de wezenlijke vraag: wat doe ik hier? Elk jaar sneuvelt er wel iemand. Soms keert diegene later weer terug, soms niet. Ik vind meer en meer dat studenten eigenaar moeten worden van hun eigen studie. Niet alleen in de keuze van de projecten, maar ook in de houding waarmee ze erin staan. John: Ja, het is belangrijk om de studenten wakker te schudden: wat is jouw doel de komende periode? Communiceer dat met je docenten, vraag hun feedback, neem het heft in handen. Probeer zelf de lesstof te verbinden. Het is beter als je voor jezelf een klein stapje verder komt, dan dat je moet concluderen dat je veel hebt gedaan, maar niet precies weet wat je hebt geleerd. Zelf sturing geven binnen het aanbod dat op een bepaalde manier statisch is. Marijke: Kun en mag je studenten op dat vermogen selecteren? Judith: Als je het algemeen stelt: een student moet nieuwsgierig zijn en zich willen ontwikkelen. Volgzaamheid is het laatste wat we hier willen. John: Sommige studenten hebben twee jaar nodig om dat te leren.

67


AIR – UGO DEHAES

Marijke: Kun je ruimte maken binnen je onderwijs, waarin studenten hun eigen vragen kunnen onderzoeken? Niet geïndividualiseerd, zoals bij de masteropleiding, maar binnen de groep? Dit geldt natuurlijk ook voor docenten. Is er voor docenten binnen de opleiding ruimte om onderzoek te doen en dat onderzoek in het onderwijs in te zetten, zoals dat op de universiteit gebruikelijk is?

Eén grote agenda voor de hele AHK Hester van Hasselt

Bart: Ik heb die behoefte wel, maar die ruimte is er vooralsnog niet. John: Ik heb laatst een serie technieklessen omgegooid, omdat ik een nieuwe invalshoek wilde onderzoeken. Dat leidde tot verwarring. Ik had de studenten niet uitgelegd waar het mij om te doen was. Als ik ze bij mijn onderzoek had betrokken, had ik de studenten mee kunnen nemen in het proces. Uiteindelijk is dat ook belangrijk voor mijn ontwikkeling als docent. Na een gesprek van anderhalf uur moet iedereen weer aan het werk, het lesrooster roept. Maar ten einde is de uitwisseling zeker niet. Sterker nog: dit was slechts het begin.

Hester van Hasselt is performer en tekstschrijver.

68

Een gesprek tussen de studenten Moreno Perna, Lisa Marie Hennig Olsen (beide Moderne theaterdans), Dyan Jakupovic en Job Rietvelt (beide Productie podium­kunsten) over samenwerking binnen de AHK. ‘Er zitten hier zoveel mensen, zoveel opleidingen in een gebouw. Laatst leerde ik een meisje kennen dat ik nog nooit had gezien, terwijl zij in het tweede en ik in het derde jaar zit. Er gebeurt in dit gebouw van alles langs elkaar heen, er zijn opvoeringen, presentaties, lezingen waar ik niets van af weet. Laat staan dat ik weet wat er op het Conservatorium, de Academie van Bouwkunst of de Filmacademie leeft. Het enige dat we één keer per jaar met de hele AHK samen doen is het VERSfeest!’ aldus Lisa Marie Hennig Olsen van Moderne theaterdans. Op eigen initiatief blijken sommige studenten elkaar wel weten te vinden. Lisa Marie werkte al meerdere keren samen met mensen van het conservatorium. Via hen hoort ze wat daar gaande is. De studenten zijn het erover eens dat het interessant zou zijn als er meer uitwisseling zou zijn. Hoe dat te verwezenlijken is wel een probleem: iedereen is zo druk. Al pratend komen ze tot het idee van een open aanbod met cursussen en lezingen in de avonduren. Lisa Marie weet dat op het conservatorium een groot auditorium is dat zich 69


AIR – UGO DEHAES

n e p O aats l p in an n, v ide e h c s ge t is da chte e d t l e h rkve e w 70

EÉN GROTE AGENDA VOOR DE HELE AHK

hiervoor uitstekend zou lenen. ’s Avonds zou het beste moment hiervoor zijn’, zegt Moreno Perna: ‘we blijven meestal toch hangen. Het extra aanbod moet niet in het rooster worden gepropt. Het is fijn als je hierin je eigen keuzes kan maken’. Wat ook interessant zou zijn, is het openstellen van presentaties voor studenten van andere opleidingen. ‘Nu toon je je werk in een klein lokaal aan je eigen studiegenoten, ik zou benieuwd zijn naar feedback uit een andere hoek’, aldus Lisa Marie. Waarop Dyan oppert: Er zou een groot prikbord moeten zijn, een grote online agenda voor de hele AHK.’ Opnieuw met elkaar een AIR-project aangaan zien de studenten zeker zitten. Voor een volgende samenwerking hebben de ze allerlei ideeën: elkaars werkproces beter volgen, de rollen van danser en productieleider omdraaien, samen het toneel op, een (installatie)voorstelling die de kostuums, attributen en decors van de Productie podiumkunsten-studenten als uitgangspunt neemt in plaats van andersom. De dansstudenten vinden het jammer dat zij niet de kans hebben gekregen om buiten hun eigen discipline te kijken. Lisa Marie: ‘Ik denk dat het als danser ook belangrijk is om de andere facetten van het theater te leren kennen. Geluid, licht, video, het hoort er allemaal bij. Zeker nu er overal bezuinigd wordt.’ Job vult aan: ‘We zouden dat kunnen combineren. De lessen openen in plaats van alles gescheiden, dat is volgens mij het echte werkveld. Het gaat om de verandering van de cultuur binnen het gebouw. Deze AIR was daar een poging toe.’

71


ON AIR – SKILLS OF THE 21ST CENTURY

COLOFON ON AIR Uitgave maart 2014

Grafisch ontwerp Meeusontwerpt Druk Lecturis

Uitgever Lectoraat Kunstpraktijk en artistieke ontwikkeling Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten T +31 (0)20-5277707 E air@ahk.nl www.air.ahk.nl

© 2014 Lectoraat Kunstpraktijk en artistieke ontwikkeling All rights reserved. No part of this publication may be reproduced without the express permission of the copyright holder.

72

UGO DEHAES p. XIV–XV

Coördinatie Sanne Kersten

AUTHENTIC BOYS p. XI–XIII

AIR – BEELDEN

Vertaling en redactie Engels Steve Green

FRANZ RODENKIRCHEN p. IV–VI

Redactie Marijke Hoogenboom, Maria Hagen, Sanne Kersten

MARTIJN ENGELBREGT p. I–III

MICHIEL SCHWARZ p. VII–X

ON AIR publiceert regelmatig over de diverse samenwerkingen met gastkunstenaars en instituten en reflecteert op de rol van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten als host.


Foto / Photo: Coco Duivenvoorde

I

ENG p. 10–21

ENG – Presentation of the results of the set design workshop with OPP-students led by Martijn Engelbregt.

AIR – MARTIJN ENGELBREGT

NL – Presentatie resultaten decorworkshop OPP-studenten onder leiding van Martijn Engelbregt.

NL p. 10–21


Foto’s / Photos: Coco Duivenvoorde

NL p. 10–21

II

AIR – MARTIJN ENGELBREGT ENG p. 10–21


Foto’s / Photos: Coco Duivenvoorde

NL p. 10–21

III

AIR – MARTIJN ENGELBREGT ENG p. 10–21


Tekening/Drawing: Guyot Duquesnoy Foto/Photo: Thomas Lenden

IV

ENG p. 22–29

ENG – Photographer Thomas Lenden reflects on Rodenkirchen’s work as a script consultant. Which skills are used during the process?

1. LISTENING TO THE INITIAL STORY

AIR – FRANZ RODENKIRCHEN

NL – Fotograaf Thomas Lenden reflecteert op Rodenkirchen’s werk als scriptconsulent. Welke skills komen in het proces aan bod?

NL p. 22–29


Tekening/Drawing: Guyot Duquesnoy Foto/Photo: Thomas Lenden

NL p. 22–29

V

2. ESTABLISHING A DIALOGUE

AIR – FRANZ RODENKIRCHEN ENG p. 22–29


Tekening/Drawing: Guyot Duquesnoy Foto/Photo: Thomas Lenden

NL p. 22–29

VI

3. PROPOSING SOLUTIONS

AIR – FRANZ RODENKIRCHEN ENG p. 22–29


Foto/Photo: Thomas Lenden

ENG p. 30–40

VII

ENG – What happens if we look at the society and direct envi­ ronment through the lens of ‘sustainism’? How will it affect our view? And our profession?

ENTER THE SUSTAINIST ERA

AIR – MICHIEL SCHWARZ

NL – Wat gebeurt er als we de samenleving en de directe omge­ ving proberen te zien door de lens van het ‘sustainisme’? Hoe verandert onze blik? En hoe onze professie?

NL p. 30–40


Foto’s/Photos: Thomas Lenden

NL p. 30–40

VIII

A SHIFT IN CULTURAL PERSPECTIVE

AIR – MICHIEL SCHWARZ ENG p. 30–40


Foto’s/Photos: Thomas Lenden

NL p. 30–40

IX

FROM MODERNISM TO SUSTAINISM: From space to place, object to relationship, scale to proportionality, global to local, public domain to commons, time to experience.

AIR – MICHIEL SCHWARZ ENG p. 30–40


Foto’s/Photos: Thomas Lenden

NL p. 30–40

X

FROM HOUSE TO HOME

AIR – MICHIEL SCHWARZ ENG p. 30–40


Foto/Photo: Thomas Lenden

XI

ENG p. 52–61

ENG –From left: Gregory Stauffer, Johannes Dullin, Boris van Hoof and Aaike Stuart, photographed by Thomas Lenden in various public spaces in Amsterdam. How do you make contact and keep connected?

Portugese Synagoge Amsterdam

AIR – AUTHENTIC BOYS

NL – v.l.n.r. Gregory Stauffer, Johannes Dullin, Boris van Hoof en Aaike Stuart geportretteerd door Thomas Lenden op verschil­ lende plekken in de openbare ruimte van Amsterdam. Hoe maak je contact en blijf je verbonden met de wereld?

NL p. 52–61


Foto’s/Photos: Thomas Lenden

NL p. 52–61

XII

Rembrandtplein Amsterdam

Muntplein Amsterdam

AIR – AUTHENTIC BOYS ENG p. 52–61


Foto’s/Photos: Thomas Lenden

NL p. 52–61

Muntplein Amsterdam

Johan Daniël Meijerplein

XIII

AIR – AUTHENTIC BOYS

Hortus Botanicus Amsterdam

Hortus Botanicus Amsterdam

ENG p. 52–61


Foto / Photo: Coco Duivenvoorde

ENG p. 62–71

XIV

ENG – ‘Protest can take the form of thinking, knowing and looking at the world. But it can also take the form of moving, standing and taking a postion.’ Thirty-three dance students, eleven OPP students, one site-specific performance and eleven installations.

AIR – UGO DEHAES

NL – ‘Protest zit in denken, in weten, in naar de wereld kijken. Maar protest zit ook in bewegen, staan en een positie innemen.’ Drieëndertig dansstudenten, elf OPP studenten, één locatievoor­ stelling en elf installaties.

NL p. 62–71


Foto’s/Photos: Thomas Lenden

ENG p. 62–71

XV

ENG – Protest, a site-specific performance at the Floshal in Amsterdam.

AIR – UGO DEHAES

NL – Voorstelling Protest op locatie in de Floshal Amsterdam.

NL p. 62–71

Profile for Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

ON AIR Skills of the 21st Century  

ON AIR Skills of the 21st Century  

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded