Page 1

Vilan van de Loo

Van Tim naar Bertje

Van Tim naarBert je Kleine autobiografie van rouwen en liefhebben

Kleine autobiografie van rouwen en liefhebben


Vilan van de Loo

Van Tim naarBert je Kleine autobiografie van rouwen en liefhebben


Van Tim naar Bertje Een kleine autobiografie van rouwen en liefhebben

Pet Publishers Imprint van LM Publishers Parallelweg 37 1131 DM Volendam 085-8772397 info@lmpublishers.nl www.lmpublishers.nl

Š Maart 2017 – Vilan van de Loo

redactie Monieke Boonstoppel grafische vormgeving Ad van Helmond, Amsterdam Produktie Hightrade bv, Zwolle

isbn 978-94-6022-435-5


Inhoud

1

Pakje poes

7

2

In de auto

12

3

Een ander huis

4

Terug en toch weg

5

Ik wil een ander

6

Rekenschap

7

In gesprek

8

Adelbert Cornelis

9

Een leven samen

10

Troost

11

Andere katten

12

Overal en nergens

13

Een nieuwe vraag

61

14

Naar het medium

66

15

Schuld en spijt

16

Het spirituele evenement

17

De telefoonverbinding

18

Op zolder

19

Zijn glanzende vacht

20

Het andere leven

16 21 25 30 35 40 45

49 53 57

70 75 80

84 88 92


1 Pakje poes

Zelfs in onze laatste maand waren we gelukkig. Tim en ik woonden in de huiskamer, want na een ongelukkige val liep hij te wankel om de trap op te kunnen. Beneden liet ik hem niet alleen slapen. Twee jaar eerder was hij van zijn eerste TIA genezen dankzij extra aaien en aandacht, de dierenarts had het zelf gezegd, en na de tweede TIA moest hetzelfde gebeuren. In de kamer stond alles wat hij nodig had. Tegen de deur naar boven de bak. Voor de archiefkastjes zijn schaaltjes met water en de brokjes. Onder de vensterbank stond zijn slaapdoos, naast het tapijtkussen. Voor de liefde was ik vrijwel voortdurend beschikbaar, werkend aan de computer, of lezend terwijl ik met hem op de bank lag. De bezigheden buitenshuis hield ik kort. Voor bezoek was hij te ziek. We hadden genoeg aan elkaar, hij en ik. Het fijnste was de late avond, na dat ene. Dat was de medicijnsnack. Tegen half tien stond ik in de keuken. In de vijzel verpulverde ik twee pillen voor zijn gewrichten, een wit­te pil tegen de pijn en een pil voor de nieren. Het poeder spatelde ik met lauw water door de Gourmet

7


Gold Mousse met kipsmaak, en het resultaat spreidde ik op een voorverwarmd schoteltje. Daarin druppelde ik kalmeringsspul en tot slot strooide ik er een eetlust­ opwekkend poeder over. In de huiskamer juichte ik: ‘Heerlijk, het avondhapje en het is met kip!’ Tim at het met moeite op. Twee, drie hapjes achter elkaar, meer lukte niet. Ik aaide en prees hem. Weer lukten een paar hapjes. Ik bleef naast hem zitten: ‘Kijk eens, we hebben nog iets.’ Een rustige opgewekte stem hielp hem. Dan probeerde hij verder te eten. Hij wist dat ik dat graag wilde. In de koelkast lag een bus slagroom en verse tonijn­ snippers. Die medicijnen moesten naar binnen. Als hij negentig procent opat, had ik een goede avond: ‘Wat ben je toch een grote eter, Tim, geweldig.’ Na de snack hoefde er niks meer. Uit de slaapkamer haalde ik een laken, een hoofdkussen en een dekbed en maakte een bed op de bank. Die was breed genoeg, we hadden zo’n oud geval van donkerbruin ribfluweel. Tim wachtte op zijn tapijtje. ‘Ik lig!’ Dat was het sein voor Tim. Hij wandelde over het kussen dat als loopplank tegen de bank stond opgesteld en belandde op het dekbed. Net zoals hij het gewend was in de slaapkamer, wilde hij ook beneden erover lopen, ondanks het scheve van zijn achterpoten. Zo’n stoere kater. Maar voor zijn veiligheid vouwde ik mijn handen om hem heen en na een paar keer heen en weer

8


wankelen vond ik het welletjes: ‘We gaan slapen.’ We lagen op het hoofdkussen, hij tegenover mijn gezicht en spinnend van tevredenheid. ‘Wij tweetjes, hè?’ Tim wriemelde zich dichter tegen me aan, en wrikte millimeters vooruit, tot hij onder mijn kin lag, als een klein pakje poes. Hij paste er precies. Zo bleven we liggen in die donkere huiskamer, waarin vaag het licht van een lantaarnpaal viel. Ik wachtte tot hij er genoeg van had en in zijn doos ging slapen. ‘Welterusten hoor, Tim’, zei ik. ‘Tot morgen.’ ’s Nachts werd ik wakker van zijn geluiden in de bak. Erna wilde hij erbij op het kussen. Er waren nachten dat hij twee, drie keer over het dekbed liep. En ik dacht: dat gaat goed zo, hij wil beter worden, hij zit vol levenslust, het is een kwestie van tijd en dan hebben we ons leven terug. ’s Morgens bracht ik het beddengoed terug naar de slaapkamer. De deuren bleven dicht. Ik maakte ontbijt voor twee. Eerst at hij, nierdieet op een voorverwarmd schoteltje. Daarna rustte hij uit op de bank. Na hem at ik, zittend aan mijn werktafel. Halverwege de ochtend presenteerde ik een tweede ontbijt, natuurlijk met een andere smaak. Hij was mager. Elk hapje telde. Elke dag leek op de vorige en elke avond lagen we opgelucht en gelukkig bij elkaar op het hoofdkussen. Spinnen, praten, aaien. Oogjeknijpen naar elkaar. In wat de laatste maand van ons samenzijn zou blijken te zijn, telefoneerde ik vaker dan ooit tevoren met dierenartsen en besteedde ik dagelijks uren aan het

9


doorspitten van websites. De artsen hadden Tim niet beter kunnen maken, dus moest ik het doen. Aaien kon deze keer tekortschieten. Aan mij mocht het niet liggen. Ik zocht naar symptomen en herstel, naar medicaties en geneeswijzen, naar bewezen oplossingen. Online vond ik een omvangrijke gemeenschap kattenmensen, die hun ervaringen wilden delen. Ik maakte aantekeningen. Ik leerde de Latijnse namen van medicijnen van buiten. Ik stelde medische hypotheses op en werkte die in verschillende scenario’s uit. De homeopate die op een van de sites geprezen werd, boekte ik voor een afspraak, al declareerde ze meer dan honderd euro aan reiskosten. Het medicijn dat elders van harte aanbevolen werd, besprak ik met de dierenarts en toen hij geen bezwaar had, vertrouwde ik het niet meer, en tussen alles door hield ik nauwkeurig een logboek bij van hetgeen Tim deed, at en dronk en de resultaten in de bak. Feiten vormden de basis voor zijn genezing. Elke kans die ik zag voor herstel greep ik met beide handen aan. Via Facebook kwam ik in contact met een gebedsgenezer. Hij werkte via foto’s en met dieren had hij uitstekende ervaringen. Dat hij uit Friesland kwam schonk me vertrouwen; daar wonen goede mensen. Dus maakte ik geld over en mailde hem een foto van Tim, zodat hij aan de slag kon. Na de eerste sessie keek ik naar Tim, die er inderdaad rustiger uitzag. Op deze wijze verliep de maand april 2015, met in het vooruitzicht een mooie verjaardag. Op 5 mei zou

10


Tim 20 jaar worden. De afgelopen jaren hadden we zijn verjaardag op onze manier gevierd. Hij ontving felicitatiekaarten en cadeautjes, ik plaatste een foto van hem op Facebook en las de reacties aan hem voor. ’s Avonds vertelde ik hem vervolgens uitgebreid hoe blij ik met hem was, dat we goed bij elkaar pasten en dat er katten leefden die wel 25 jaar waren, dus waarom hij niet. Tim genoot ervan, hij bleef spinnen en rollen. Ziek of niet, zijn verjaardag moesten we zeker vieren. We waren toe aan iets feestelijks. Twintig jaar was een leeftijd om trots op te zijn.

11


8 Adelbert Cornelis

De foto sprak boekdelen. Bastiaan lag op het zand en keek argwanend de lens in. Zeven jaar. Drie maanden in het asiel. ‘Moet beslist een rustig huis’, stond erbij. Zijn verleden als straatkat had sporen achtergelaten. Hij heette onzeker te zijn. Een kater van tien pond met psychische problemen en roodwit van vacht? Ik wilde kennismaken. De afspraak stond op donderdagmiddag 3 juni. Die ochtend legde ik de wierook boven op de keuken­ kastjes. Ik stofzuigde in de huiskamer extra goed in alle hoeken van de huiskamer. De nieuwe kattenbak vulde ik met grind, een schaaltje met brokjes zette ik naast een leeg schaaltje, dat kon ik straks vullen met vers water. Met een groot model reiskorfje ging ik de deur uit, en met de eerste stappen op straat keerden de herinneringen terug aan de laatste keer dat ik met een korfje in mijn armen had gelopen. ‘Geef die poes een kans’, zei ik tegen mezelf en slikte een paar keer. ‘Tim vindt het vast goed.’ Een uur of wat later reed een taxi tussen de twee stenen van de poort door het asielterrein op.

40


De chauffeur bleef wachten. Binnen rook het naar schoonmaak­middel en naar dieren. Ik zag de deur naar de kattenkamer en wist dat het er nu op aan kwam. Nee durven zeggen. Ja kunnen zeggen. Moed verzamelen voor de keuze. Niet aan Tim denken. De kattenvrouw opende de deur van de kamer. Meteen zag ik de rijen kooitjes, de tralies en de katten. Zwarte. Witte. Schildpad. Sommige katten herkende ik van de website. Eentje miauwde indringend naar me, alsof hij me persoonlijk uitgekozen had en beslist met me mee wilde omdat ik zijn mens moest zijn, maar ik wist: zonder tuin word jij ongelukkig en ik heb niet eens een balkon. ‘Sorry,’ zei ik, ‘het gaat echt niet’, en ik liep door. Achteraan zat Bastiaan. ‘Hij laat alles met zich doen’, zei de vrouw terwijl ze het kooitje opende. Ze aaide hem. Bastiaan duwde zijn kop tegen haar hand, mij keek hij niet aan. Hij was groter dan ik had gedacht. Uit zijn ene oor miste een stukje, daardoor had hij net als Tim een raar oortje. Met een vinger aaide ik zijn vacht. Die was dik en zacht. Ik friemelde achter zijn oor. Hij keek weg. Ik stopte. De vrouw aaide verder en ik keek hoe dat moest, en besefte dat ik het probeerde te onthouden. ‘Ik wil hem heel graag’, zei ik tegen de vrouw. Buiten de kattenkamer betaalde ik bij het pinapparaat. Aan de informatiebalie lachten ze: had Bastiaan weer iemand om zijn pootje gewonden, net als hij dat met ieder van hen had gedaan. Ik lachte mee en voelde de

41


tranen in mijn ogen springen. Ik had een ander. Tim leek extra dood en ver weg, en nu kwam het echt niet meer goed. ‘U moet het zeker weten’, zeiden ze streng. ‘Ik noem hem Adelbert Cornelis,’ zei ik, ‘want mijn grootvader heette Cornelis.’ Ze gaven me een glas water. De chauffeur bracht Bertje en mij thuis. In de huiskamer zette ik het korfje neer bij zijn verstopdoos met het flanellen dekentje en ik opende het deurtje. Bertje sprong eruit. Hij sprintte de trap op naar de slaapkamer. Uit het zicht. Vanaf de houten slaapkamervloer hoorde ik het taptaptap van lopende pootjes. De stilte erna vertelde me dat hij onder of op het bed zat. Ik besloot te doen wat ik bij Tim had gedaan: demonstreren dat wat mij betreft alles in orde was. Aan mijn werktafel zette ik de computer aan. De telefoon ging een paar keer en ik voerde hetzelfde gesprek. ‘Een uur ongeveer.’ ‘Nee, boven.’ ‘Ik wacht af, hij is natuurlijk geschrokken van het nieuwe.’ Later op de avond klonken de pootjes. Even kwam Bertje de kamer in kijken om snel weer terug te rennen. Pauze. Herhaling van het pootjesgeluid. Deze keer bleef hij langer staan, met net genoeg moed om de situatie te bestuderen. Ik begroette hem en tikte door. Hij keek naar mij en liep aarzelend een stukje verder, om snel terug naar boven te rennen. Toen hij even later beneden kwam, was ik op het tapijt gaan liggen, op mijn zij, met

42


de ogen half dicht. Bertje kwam er nieuwsgierig bij staan. ‘Hèhè,’ zei ik zacht, ‘nou, nou. Daar heb je Bertje, fijn is dat hoor, kom hier lekker liggen, alles is in orde.’ Hij deed het. We lagen tegenover elkaar en bekeken de ander. Af en toe knepen we onze ogen dicht. Ik probeerde niet te staren. Zou ik hem mogen aaien? Ik stak een vinger uit en raakte zijn vacht aan. ‘Bertje’, zoemde ik. Hij liet het toe. Twee vingers mocht ook. Toen keek hij afwerend, even met zijn kop naar achteren bewegend en ik hield op. We lagen te liggen, alsof we elke dag zo lagen. Ik probeerde te rekenen: hoeveel avonden zouden we hebben, hij is zeven, Tim was ruim twee jaar toen hij kwam, en hoe oud zal ik zijn als Bertjes einde komt. ‘We gaan naar bed, Bertje’, zei ik toen het laat werd. Ik bewoog in slow motion, zodat hij niet zou wegschrikken. Tandenpoetsen. Licht uit, naar boven en doen alsof het normaal was dat hij achter me aan de trap op liep. Dan het bed in. ‘Kom gerust mee,’ zei ik tegen de aarzelende kater voor het bed, ‘er is plaats genoeg voor twee.’ Met een flinke sprong was hij er. Ik klopte op het hoofdkussen naast het mijne: ‘Hier kun je liggen.’ Hij keek me aan, twijfelde en liep er toch heen om op de beklopte plek neer te ploffen. Het was een onbekend huis waar hij zo zijn bedenkingen bij had, maar in het asiel had hij geleerd dat er lieve vrouwen waren. Daarom durfde hij.

43


In bed lagen we naar elkaar te kijken en met onze ogen te knijpen. Hij moest zachtjes spinnen. We waren vreemd voor elkaar en verlangden naar iets van samen, een begin dat een thuis zou moeten zijn. ‘Welterusten Bertje’, zei ik zacht. Het licht deed ik uit. De volgende ochtend werden we zo wakker. Ons leven was begonnen.

44

Van Tim naar Bertje (voorpublicatie)  

Een kleine autobiografie van rouwen en liefhebben.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you