Issuu on Google+

Rijtechnische Richtlijnen Ambulancezorg Vierde herziene druk, 2010

Dit handboek is gerealiseerd in opdracht van het sectorfonds SOVAM door het toenmalig Nederlands Ambulance Instituut (NAI). De vierde herziene druk is geschreven in opdracht van Ambulancezorg Nederland met medewerking van: J.B. van den Berg; A.F. Schaaphok; G.J. Lammers; J.L. Huizing; C. Toirkens; M. Hoogmoet.

Instemming met de herziene versie is gegeven door V & VN AZ, Verkeerscentrum Nederland en de Politieacademie.

Bij voorgaande drukken waren betrokken: J.A.J. Besseling, N.J. Timmerman, H.L.H. Liebens, R.J. Bonke, C. van Ravenhorst, S. Wilde, A.F. Schaaphok, G.J. Lammers, J.B. van den Berg, J.A.P. Daenen en A.H. Schipper

Dit handboek is door Ambulancezorg Nederland geaccrediteerd als studiemateriaal voor het vervoerstechnisch deel van de initiĂŤle beroepsopleiding ambulancechauffeur. 1


Vormgeving Vormix, Maarssen Druk Thieme MediaCenter Zwolle Disclaimer Hoewel bij het ontwikkelen de grootst mogelijke zorg is betracht, bestaat altijd de mogelijkheid dat de inhoud van dit boekje na verloop van tijd verouderd of niet meer juist is. Aan deze uitgave kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Š Ambulancezorg Nederland, Zwolle

2


Voorwoord/Inleiding Hierbij bieden wij u het op instigatie van SOVAM ontwikkelde handboek rijtechnische richtlijnen ambulancezorg aan. Gezien de hoeveelheid nieuwe ontwikkelingen van de afgelopen jaren is besloten tot een nieuwe versie. Deze vierde herziene versie is geen protocollenboek, de verkeerswetgeving op zichzelf is bepalend en dit handboek kan de betreffende regelgeving niet vervangen. Zodoende kunnen aan deze richtlijnen dan ook geen rechten worden ontleend. Het is een naslagwerk voor u als bestuurder van een hulpverleningsvoertuig binnen de ambulancezorg, gebaseerd op de kennis en vaardigheden die u heeft vergaard en moet onderhouden. Tijdens de uitoefening van uw taak zult u moeten rijden onder verschillende omstandigheden en condities en zeer bewust dienen om te gaan met de opvallende status hieraan verbonden en daarmee het verhoogde risico. De opzet is dit risico zo laag mogelijk te willen houden, de praktijk wijst echter uit dat regelmatig voertuigen binnen de ambulancezorg worden geconfronteerd met incidenten. Daarbij dient opgemerkt te worden dat u bij uw taakuitoefening, onder welke condities dan ook, ten allen tijde straf- en civielrechtelijk verantwoordelijk blijft. Een goede taakuitoefening rechtvaardigt niet het in gevaar brengen van het overige verkeer. Indien u toch betrokken raakt bij een verkeersongeval, zal mogelijk een (strafrechtelijk) onderzoek naar de toedracht plaatsvinden. Het openbaar ministerie zal in dergelijke gevallen rekening houden met het feit dat u de maatschappij als hulpverlener ten dienste was, al dan niet onder druk van grote spoed. Desalniettemin zal vervolging dienen plaats te vinden wanneer uit het oogpunt van verkeersveiligheid sprake was van een ernstige overtreding, waarbij een ontoelaatbare mate van gevaar voor het overige verkeer is ontstaan. Vervolgens is het aan de rechterlijke macht om over de eventuele strafmaat te oordelen. Voor meer informatie over de inhoud van dit handboek verwijzen we u naar de geraadpleegde bronnen en de initiĂŤle leerstof. 3


Voor vragen of andere onduidelijkheden kunt u altijd contact opnemen met de Academie voor Ambulancezorg. Ambulancezorg Nederland Academie voor Ambulancezorg

4


Inhoudsopgave

Voorwoord/Inleiding 1. Verkeerskennis 7

1.1 1.2 1.3

Snelheid, stopafstand en inhalen Wegenverkeerswet Persoonlijke- en voertuigdocumenten

9 12 14

2. Beroepsspecifieke verkeerskennis

15

2.1 Voertuigen binnen de Ambulancezorg onderscheiden 2.2 Urgentie indeling 2.3 Wettelijke bepalingen en ontheffingen/vrijstellingen 2.4 Risico en het gebruik van ontheffingen en vrijstellingen 2.4.1 Risico (in het verkeer) 2.4.2 Rijden met OGS 2.4.3 Rijden zonder OGS

17 18 19 26 26 27 29

3. Brancherichtlijn Optische en Geluidsignalen Spoedeisende medische hulpverlening 3.1 Inleiding 3.2 Toepassingsbereik 3.3 Omschrijving ‘dringende taak’ 3.4 Prioriteitstelling meldingen 3.4.1 Zorgindicatie en urgentiebepaling 3.4.2 Urgentiebepaling en het voeren van Optische en Geluidssignalen 3.5 Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuigen 3.5.1 Algemeen 3.5.2 Het rijden door rood licht 3.5.3 Maximumsnelheden 3.5.4 Tegen het verkeer inrijden

31 33 34 35 36 36 37 38 38 39 39 40 5


3.5.5 Plaats op de weg bij files 3.5.6 De duur van het gebruik van optische en geluidssignalen 3.5.7 Het gebruik van de optische en geluidssignalen door voertuigen voor de spoedeisende medische hulpverlening 3.5.8 Buitenland 3.6 Opleiding en bevoegdheid 3.7 Inwerkingtreding en evaluatie

40

4. Bewust autorijden

45

40 41 42 42 43

4.1 Verkeersinzicht 47 4.2 Voertuigkennis 49 4.2.1 Voertuigcontrole en algemene richtlijnen bij een rit 49 4.2.2 Voertuigdynamica 51 4.2.3 Voertuigveiligheidssystemen 52 4.3 Duurzaam veilig, mobiliteit en milieu 53

5. Veiligheid

57

5.1 5.2

59 62 62 65 69

Incidentmanagement Overige specifieke veiligheidsrisico’s 5.2.1 Veiligheidsrisico’s airbag 5.2.2 Gevaarlijke stoffen 5.2.3 Schema gordelplicht

6. Bijlagen

6.1 6.2 6.3 6.4

6

71

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) 1990 73 Verkeersborden en aanwijzingen 119 6.2.1 Verkeersborden 119 6.2.2 Aanwijzingen 132 Regeling Optische- en Geluidssignalen 1-3-2009 133 Geraadpleegde bronnen en verklarende woordenlijst 140 Aantekeningen 141


1. Verkeerskennis

7


8


1.

Verkeerskennis

U wordt geacht als professionele hulpverlener altijd de reguliere verkeerskennis voorhanden te hebben. Het bijgevoegde RVV is de meest actuele versie bij uitgave , maar indien noodzakelijk is de nieuwste versie altijd te vinden op bijvoorbeeld www.wetten.overheid.nl. U bent zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van uw kennis en wij adviseren u dan ook dit zeker met enige regelmaat te doen. Achterin dit boekwerk is om deze reden voldoende ruimte gelaten om uw eigen aantekeningen te maken.

1.1

Snelheid, stopafstand en inhalen

De relatie van uw snelheid en de daarbij behorende stopafstand zijn essentieel voor iedere weggebruiker. Zeker wanneer er sprake is van onderlinge snelheidsverschillen en eventueel een inhaal manoeuvre. De formules en definities zijn terug te vinden in het leerboek, voor uw dagelijkse praktijk vatten we hieronder de belangrijkste zaken samen. Daarbij geven we u tevens een versimpelde formule van uw stopafstand:

Stopafstand: reactietijd + remweg; Deze is afhankelijk van: • uw snelheid; • hoe snel u reageert in uw waarnemingscyclus (reactietijd) en • welke remvertraging u kunt opbouwen (welk wegdek, weersomstandigheden, voertuig). In uw dagelijkse praktijk kunt u tijdens het rijden niet de ingewikkelde formules toepassen, welke u heeft geleerd. Om toch snel uit het hoofd een inschatting te maken van uw stopafstand, geven we u een tweetal handvatten. Voor de eerste, de reactieweg (m/s), deelt u de gereden snelheid in km/uur door 10 en dat getal vermenigvuldigt u met 3. Voor de remweg deelt u eveneens uw gereden snelheid in km/uur door 10 en dat getal vermenigvuldigd u met zichzelf (kwadraat), waarna u het deelt door 2. Tel deze twee uitkomsten bij elkaar op en u heeft een benadering van uw stopafstand. 9


Bijvoorbeeld, u rijdt 50 km/uur: De afgelegde reactieweg

: (50 / 10) x 3

(50 / 10) x (50 / 10) De remweg _________________ 2 De stopafstand

= 15 meter

= 12,5 meter ___________ + = 27,5 meter

Dit kunt u simpel toepassen voor iedere gereden snelheid in km/uur tijdens het rijden, waarbij we wel nog even vermelden dat de remvertraging die hierbij hoort, de meest gunstige is. Dit geldt tevens voor de precieze getallen in de onderstaande tabel, berekent met de exacte formules uit uw leerboek. Hierbij zijn de vetgedrukte getallen de snelheden uit de praktijk en de andere getallen zijn de makkelijkste bij het omrekenen van km/uur naar m/s. Indien bijvoorbeeld de weerstand van het wegdek minder wordt en/of de weersomstandigheden slecht zijn, moge het duidelijk zijn dat de remweg alleen maar langer wordt, los van de toestand van uw voertuig (remmen, banden etc.).

nelheid S km per uur 30 36 50 60 72 80 100 108 120 144 160 10

Snelheid meter per seconde 8,5 10 14 16,5 20 22 27,5 30 33,5 40 44,5

Remweg Stopafstand (remvertr. 8 m/ in meter sec.2) (ideale situatie) 4,5 6,25 12,25 17 25 30,25 47,25 56,25 70 100 123,75

13 16,25 26,25 33,5 45 52,25 74,75 86,25 103,5 140 168,25


Wanneer u wilt inhalen, moet u ook razendsnel een inschatting maken of het al dan niet veilig en verantwoord kan. Hieronder nog even een reminder voor wat betreft de minimaal noodzakelijke inhaal afstand.

Inhalen : eerst als momentopname; Bijv. 25 + 10 + 25 = 60 meter, zie hieronder

A

A

B

Snelheid (km/uur) x afstand (meter)

90 km/u x 60 m.

Inhaalafstand : ______________________________ , ______________ = 540 m.

Snelheidsverschil (km/uur)

90 km/u - 80 km/u

11


Voor een overzicht hebben we de verschillende onderlinge snelheden in km/uur van voertuig A en B tegen elkaar uitgezet in onderstaande tabel, waarbij eenvoudig valt af te lezen wat de inhaalafstand is in meters. Voor bovenstaand voorbeeld zoekt u eerst naar de snelheid van voertuig A in de verticale kolom en vervolgens zoekt u horizontaal naar de snelheid van voertuig B en bijbehorende inhaalafstand, we hebben dit ter verduidelijking grijs gearceerd;

B

1.2

50 60

70

80 90 100 110 120 130 140

Wegenverkeerswet

Als professional kunt u, afhankelijk van uw taakuitoefening, gebruik maken van vrijstellingen en ontheffingen. U heeft echter nooit ontheffing van de wegenverkeerswet. De belangrijkste artikelen hiervan zijn artikel 5 ( het kapstokartikel) omdat deze geldt voor iedereen, ook voor iemand die zelf niet aan het verkeer deelneemt, en artikel 6 omdat die geldt voor een ieder die aan het verkeer deelneemt;

12


• Artikel 5 Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. • Artikel 6 Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Ook dient u kennis te hebben van uw strafrechtelijke en civiel rechtelijke aansprakelijkheid in het geval van een incident / ongeval. Een overtreding die voor u als ambulancechauffeur van groot belang is, is die met betrekking tot aansprakelijkheid. U verricht uw werkzaamheden - in de meeste gevallen - met een ambulance die niet uw eigendom is. Indien u schade veroorzaakt, zal niet alleen de schade van het motorrijtuig van de tegenpartij vergoed moeten worden, maar ook die aan de ambulance. Deze aansprakelijkheid geldt in eerste aanleg voor de eigenaar of houder van het motorrijtuig, ook is hij aansprakelijk voor de gedragingen van degene door wie hij dat motorrijtuig doet of laat rijden, u als ambulance chauffeur dus. De bron hiervan is te vinden in artikel 185 van de WVW. Dit houdt echter niet in dat u als persoon nooit aansprakelijk gesteld zou kunnen worden, de bron hiervan is terug te vinden in het Burgerlijk Wetboek, artikel 162. Dit heeft te maken met de zogenaamde onrechtmatige daad, welke aan een dader zou kunnen worden toegerekend, indien deze te wijten is: • aan zijn schuld; • aan een overtreding van een wettelijk voorschrift; • aan overtreding van de in het normale maatschappelijke verkeer geldende opvatting. In theorie is dus goed mogelijk dat u zich bij een ongeval voor de rechter zult moeten verantwoorden, op grond van al het bovenstaande, ondanks dat de verantwoordelijkheid voor de schade aan de motorrijtuigen gedekt is door de verzekeringen van de eigenaar of houders hiervan. 13


1.3

Persoonlijke- en voertuigdocumenten

Tijdens de uitoefening van uw taak bent u verplicht de juiste documenten bij u te hebben. Persoonlijk: rijbewijs Voertuig: kentekenbewijs deel 1 A & B APK keuringsbewijs (indien ambulance voertuig ouder is dan 1 jaar)

14


2. Beroepsspecifieke verkeerskennis

15


16


2.

Beroepsspecifieke verkeerskennis

Als ambulancechauffeur (of bestuurder van een ander voertuig binnen de ambulancezorg) dienen uw kennis en vaardigheden verder te reiken dan die van de gemiddelde weggebruiker. Dat geldt des te meer wanneer u gaat rijden onder speciale condities en/of met een specifieke taak. Uit de praktijk blijkt dat er bij regelmaat onduidelijkheid bestaat over de diversiteit aan voertuigen binnen de ambulancezorg en wat wel en niet kan. Daarom wordt hierna een eenvoudig onderscheid gemaakt.

2.1

Voertuigen binnen de Ambulancezorg onderscheiden

Er zijn een tweetal soorten voertuigen in de ambulancezorg te herkennen, welke kunnen rijden onder een aantal condities; • De Ambulance, volgens het RVV 1990, artikel 1 sub a1; een motorvoertuig ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als bedoeld in de wet Ambulancevervoer. Volgens die Wet Ambulancezorg, artikel 1c; een in het bijzonder voor het vervoer van zieken of gewonden ingericht motorvoertuig Deze ambulance kan rijden onder een drietal condities, te weten: 1. Als gewone weggebruiker; 2. In opdracht aanrijdend dan wel patiÍnt vervoerend, zonder optische- en geluidssignalen, eventueel met gebruikmaking van een aantal ontheffingen binnen het RVV ten behoeve van een goede taak uitoefening; 3. Als voorrangsvoertuig met een dringende taak.

17


• De overige “daartoe uitgeruste voertuigen” in de ambulancezorg ressorterende onder een RAV en onder een Meld Kamer Ambulancezorg (MKA) artikel 1 sub l1; diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: de ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer, alsmede daartoe uitgeruste voertuigen van andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een centrale post als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambulancevervoer bezighouden met het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening;

Deze kunnen zich door het verkeer bewegen onder een tweetal condities, te weten: 1. Als gewone weggebruiker; 2. Als voorrangsvoertuig met een dringende taak.

2.2

Urgentie indeling

Binnen de ambulancezorg worden een drietal urgenties gehanteerd, namelijk A1, A2 en B. De A1 en A2 urgenties worden gerekend tot dringende taak. De A1 urgentie wordt altijd uitgevoerd als voorrangsvoertuig. In opdracht van de MKA is deze urgentie voorbehouden aan: • De ambulance; • De overige “daartoe uitgeruste voertuigen” binnen de ambulancezorg. Bij de A2 urgentie kan gebruik worden gemaakt van optische- en geluidssignalen, met of zonder patiënt. Het ambulancevoertuig heeft dan impliciet toestemming om zich als voorrangsvoertuig door het verkeer te begeven. Het voeren van optische en geluidssignalen bij A2-urgentie wordt gemeld aan de MKA en wordt door de MKA geregistreerd en is dus voorbehouden aan:

18


• De ambulance; • De overige “daartoe uitgeruste voertuigen” binnen de ambulancezorg. De A2 en B urgentie die wordt gereden zonder optische- en geluidssignalen, met of zonder patiënt, waarbij de mogelijkheid bestaat voor ontheffing van een aantal artikelen in het RVV. In opdracht van de MKA is deze urgentie voorbehouden aan: • De ambulance. Dit houdt in dat de overige “daartoe uitgeruste voertuigen” binnen de ambulancezorg bij het rijden zonder optische- en geluidssignalen geen enkele ontheffing hebben. De bron hiervan is te vinden in de beschikking 90019 van 27 december 1978.

2.3

Wettelijke bepalingen en ontheffingen/ vrijstellingen

U hebt als bestuurder van een voorrangsvoertuig te maken met wettelijke bepalingen in de zin van het gebruik van optische en geluidssignalen. De regels en voorwaarden zijn allemaal terug te vinden in de bijlagen en de vermelde bronnen. Ook zonder gebruik van optische en geluidssignalen kunt u voor een goede taakuitoefening gebruik maken van een aantal ontheffingen. Voor dit handboek hebben we een schematische voorstelling gemaakt voor wat betreft alle wettelijke condities (zie pagina 20 t/m 25). Tot slot is de lijst van ontheffingen in het schema, bij het rijden van de ambulance zonder OGS, in bepaalde regio’s niet altijd sluitend voor alle behoeften. Artikel 87 geeft mogelijkheden tot een bredere invulling, overleg dit met uw dienstleiding.

19


20

WAT:

WIE:

Wanneer er sprake is van een dringende taak A1 of A2 Bron art 29 RVV en art.2 regeling Optische en geluidssignalen 2009

WANNEER

De Ambulance Overige daartoe uitgeruste voertuigen

In dienst van een RAV

Politie, Brandweer, Ambulance en andere aangewezen diensten Bron art 29 RVV

BEVOEGDHEDEN:

Als bestuurder van de Ambulance heeft u voor een goede taakuitoefening ontheffingen van de volgende artikelen uit het RVV: Artikel 3; Artikel 4; Artikel 5; Artikel 6; Artikel 10; Artikel 11; Artikel 12; Artikel 14;

WANNEER: A2 of B urgentie

In dienst van een RAV De Ambulance

GEEN Voorrangsvoertuig

Voorrangsvoertuig

Motorvoertuig met optische en geluidssignalen (OGS) Bron art 1 RVV

ZONDER OGS

MET OGS

VOERTUIG MEDISCHE HULPVERLENING


21

Houden zich te allen tijde aan de verplichtingen volgend uit de artikelen van de WVW

U bent als bestuurder aangewezen en heeft speciale instructie gehad Bron art. 4 regeling Optische- en geluidsignalen 2009

VOORWAARDEN

BESTUURDER VOORRANGSVOERTUIG

GEWONE VERKEERSDEELNEMERS

BESTUURDER AMBULANCE zonder OGS

BESTUURDER VOORRANGSVOERTUIG

PLICHTEN

Eisen aan de bestuurder Bron art. 3.3, sub c, d, e en f regeling Optische- en geluidsignalen 2009

SPECIFIEKE VOORWAARDEN:

Bron art 91 RVV

BEVOEGDHEDEN U mag afwijken van de voorschriften uit het RVV

Bron art. 50 RVV

Moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan

Bron art. 6, sub 1a regeling Optischeen geluidsignalen 2009, dan wel art. 30 RVV, overgangsregeling tot 2014 2009

Moeten bij een incident herkenbaar zijn middels obstakelverlichting

Artikel 23; Artikel 24.1; Artikel 25; Artikel 43 uitgezonderd 3e lid; Artikel 45; Artikel 46; Artikel 52; Artikel 62; Artikel 73.b; Artikel 76; Artikel 78. En van de volgende borden: C-1; C-2; C-4; C-6; C-12; D-2; D-4; D-5; D-6; D-7; E-1; E-2; E-5; E-6; E-7; E-10; F-1; F-5; F-7. Bron Beschikking d.d. 27 dec. 1978, Nr. RVT 90019


Ontheffingen van artikelen RVV (zie schema vorige pagina) artikel 3 Rechts houden. Denkt u hierbij echter eens aan glijdend vervoer over slecht wegdek. artikel 4, 5, 6 Gebruik van het voetpad/trottoir en fietspad. Bedenk dat de ander niet altijd begrijpt dat u er rijdt en waarom u daar rijdt. Is het nodig dat u daar rijdt? artikel 10 De plaats voor andere bestuurders dan genoemd in artikel 4 tot en met 9. U heeft hier ontheffing van. U mag dus met een ambulance over een fietspad, een trottoir en door de berm rijden. artikel 11 Inhalen. Ook al hebt u van dit artikel in principe ontheffing, gevaar of hinder bij het inhalen is zeer snel aanwezig. Artikel 5 WVW blijft altijd van toepassing. artikel 12 Inhaalverbod vlak voor of op een VOP (Voetgangers Oversteek Plaats). Gebruik maken van deze ontheffing is een bedenkelijke zaak. Al snel doet ook hier artikel 5 van de WVW zich gelden. artikel 14 Blokkeren kruispunt. Dit is buiten de bebouwde kom nauwelijks aan te raden. Denk aan de gereden snelheid van de ander. Kan deze nog tijdig handelen? Begrijpt de ander wat u doet? artikel 23,24 en 25 De stilstaan- en parkeerverboden. Er zijn uitzonderingen. Zo mag u uw voertuig niet laten stilstaan op de rijbaan langs een busstrook.

22


artikel 43 m.u.v. Gedragingen op auto(snel)wegen. Bedenk dat 3e lid bij het gebruikmaken van uw ontheffing op een auto(snel)weg de gereden snelheid door u en/ of de andere weggebruikers het meeste gevaar oplevert! artikel 45 Snelheid op erven. U mag gebruikmaken van de ontheffing om sneller te rijden dan stapvoets, maar weten de kinderen en overige weggebruikers dat u sneller rijdt ten behoeve van een goede taakuitoefening? De maximum snelheid is 15 km/h. artikel 46

Parkeren op erven.

artikel 52 In/uitstappen van passagiers uit tram/autobus. Kunnen zij zien wat u aan het doen bent en wat u wilt? Bedenk dat zij niet altijd kunnen zien, met name bij het uitstappen, dat er een ambulance nadert. artikel 73 Rijstrooksignalering. Als u gebruik wilt maken van deze ontheffing, stelt u zich dan altijd de vraag: waarom is de rijstrook afgesloten? artikel 76 Doorgetrokken streep. Vraag u af waarom de streep is aangebracht. Kunt u veilig en verantwoord de streep overschrijden? artikel 78 Voorsorteervakken. De ander is zich niet bewust dat u met gebruik van ontheffingen rijdt. Dus met wie moet u rekening houden?

23


Verder is er ontheffing van de volgende borden:

C-1  Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-, trekdieren of vee.

C-2

Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-, trekdieren of vee.

C-4

EĂŠnrichtingsweg.

C-6 Gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen.

C-12

Gesloten voor alle motorvoertuigen.

D-2

 ebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan G aan de zijde die de pijl aangeeft.

D-4

Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven.

D-5

 ebod tot het volgen van de rijrichting die op het G bord is aangegeven.

D-6

 ebod tot het volgen van een van de rijrichtingen die G op het bord zijn aangegeven.

24


D-7 

 ebod tot het volgen van een van de rijrichtingen die G op het bord zijn aangegeven.

E-1

Parkeerverbod.

E-2

Verbod stil te staan.

E-5  Taxistandplaats; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen.

E-6

Gehandicaptenvoertuig.

E-7  Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen.

E-10

Parkeerschijfzone.

F-1 

 erbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in V te halen.

F-5

 erbod voor bestuurders door te gaan bij nadering V van verkeer uit tegengestelde richting.

F-7

Keerverbod.

25


2.4 Risico en het gebruik van ontheffingen en vrijstellingen 2.4.1

Risico (in het verkeer)

Dit is te definiëren als de kans dat een (ongewild) gevolg werkelijk wordt in combinatie met de ‘kosten’ van dat gevolg. Er zijn twee vormen van risico, namelijk subjectief en objectief. Objectief risico is vast te stellen aan de hand van bijvoorbeeld ongevalstatistieken. Subjectief risico is het risico zoals dat door de mens wordt waargenomen en ervaren en is afhankelijk van een aantal componenten; • • • • •

de mate van vrijwilligheid in het lopen van het risico; de vermijdbaarheid; de beheersbaarheid; de bekendheid van het risico; het ‘nut’ van het risico.

Deze componenten maken dat een ieder van ons een eigen kijk op en beoordeling van risico’s heeft, waarbij het individuele gevoel, de achtergrond en opleiding een rol spelen.

RISICO OBJECTIEF RISICO

SUBJECTIEF RISICO RISICO HERKENNEN

RISICO MINIMALISEREN DOOR:

AANPASSEN VAN DE POSITIE

AANPASSEN VAN DE SNELHEID

VEILIG VERKEERSGEDRAG 26


2.4.2

Rijden met OGS

Afwijken van de ‘normale’ verkeersdeelname, bij het rijden met optische- en geluidssignalen verhoogt het risico. Daarbij is het belangrijk dat deze risico’s, die het rijden met een hogere snelheid dan het overig verkeer met zich meebrengen, worden herkend. We zullen deze middels een aantal aandachtspunten op een rij zetten: • de weg- en weersomstandigheden; • de reacties van de andere weggebruikers; • omstandigheden die er voor zorgen dat de signalen niet of te laat worden gezien of gehoord; • hebben andere weggebruikers mogelijkheden om aan hun verplichtingen van voor laten gaan kunnen voldoen. Wilt u deze risico’s minimaliseren dan moet u dus uw rijstijl aanpassen aan de weg en het weer; maar zeker ook, in tegenstelling tot wat veelal gedacht wordt, aan de gedragingen van de overige weggebruikers. Ver vooruit kij­ken is dus een must, omdat u dan in staat bent eerder op het risico te reageren. Dit kan slechts op twee manieren; namelijk door het aanpassen van de eigen positie en/of door het aanpassen van de snelheid, zie het stroomdiagram in het vorige hoofdstuk. Dit betekent tijdens het rijden met een voorrangsvoertuig een continue afweging, waarbij in het bijzonder aandacht besteed moet worden aan: • hoort de ander mij; • ziet de ander mij; • kan de ander voor mij iets doen; • kan ik nog tot stilstand komen; • ben ik duidelijk waarneembaar, oftewel hoe stel ik mij op in het verkeer; • houd ik rekening met onverwachte situaties, door anderen veroorzaakt. Daarnaast spelen een aantal menselijke factoren bij u als bestuurder van het voorrangsvoer­tuig een rol. Denk bijvoorbeeld aan: ervaring, routebekendheid, vaardigheid, stressbestendigheid, risicobewustheid, karakter, het zich opgejaagd voelen door het geluidssignaal en betrok27


kenheid bij de melding. Factoren die voor ieder mens verschillend zijn en dus ook tot verschillende gedragingen kunnen leiden. Als de bestuurder ook door bovengenoemde zaken wordt afgeleid, is de risico verhoging alleen maar groter. Als emotie meespeelt, spreekt men ook wel eens over “emotion kills” in plaats van “speed kills”. U dient zicht te realiseren dat dit proces van emotie zich ook bij u kan voordoen. Probeer rustig te blijven en aandacht te houden voor het overige verkeer. Zoals ieder mens verantwoordelijk is voor haar of zijn gedrag, bent ook u als bestuurder van een voorrangsvoertuig verantwoordelijk voor uw rijgedrag en in het verlengde daarvan de veiligheid van het verkeer. Het rijden met een voorrangsvoertuig brengt een grote verantwoor­ delijkheid met zich mee voor u als bestuurder. U kunt zich hierbij niet verschuilen achter regelgeving en/of richtlijnen. Hoe fijnmazig deze ook zijn, u zult altijd moeten kiezen voor de meest veilige oplossing op dat moment. En bedenk daarbij wel: de dringende taak kan slechts worden vervuld als u aankomt op de plaats waar uw hulp wordt verwacht. Naar aanleiding van het voorgaande dient u zich bewust te zijn van gevaren van het rijden met een hogere snelheid dan het overig verkeer. Daarmee wordt vooral uw stopafstand weer erg belangrijk; • Artikel 19 RVV; De bestuurder moet in staat zijn, zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Km/uur

Reactietijd 1 seconde Remvertraging 8 m/s2

Reactietijd Remweg

Botssnelheid 41 km/uur

meter

28


Voorgaande grafiek geeft aan wat 10 km/uur snelheidsverhoging kan veroorzaken bij een mogelijke botsing en bevestigt hiermee het belang van het aanpassen van uw snelheid in risicovolle situaties. Het feit dat er nog steeds teveel misgaat met voorrangsvoertuigen, is voor de wetgever en werkgevers aanleiding geweest om de vrijstelling van artikel 91 RVV toch enigszins in te perken. Dit heeft zich vertaald in de brancherichtlijn met inmiddels een wettelijk status, zie hoofdstuk 3.

2.4.3

Rijden zonder OGS

In navolging op de voorgaande hoofdstukken is het duidelijk dat de vrijstellingen en ontheffingen uit het RVV bij het rijden zonder optische- en geluidssignalen slechts voorbehouden zijn aan de ambulance. Het merendeel van de taken, opgedragen aan de ambulancediensten, wordt uitgevoerd zonder die optische en geluidssignalen. In voorkomende gevallen kan het tijdens die taken noodzakelijk zijn om af te wijken van de bepalingen van het RVV 1990. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de stilstaan verboden, voorsorteervakken, niet rechts rijden, parkeren etc. Met name deze overweging heeft er toe geleid dat de minister van Verkeer en Waterstaat in de Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, d.d. 27 december 1978, nummer RVT 90019, ziekenauto’s vrijstelling heeft verleend voor bepaalde bepalingen van het RVV 1990. Aan deze vrijstellingen verbond de minister de volgende voorschriften: • de veiligheid van het verkeer dient zoveel mogelijk te worden gewaarborgd; • van de vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de goede uitvoering van de opgedragen taken noodzakelijk is. Bij het rijden onder deze conditie zult u zich bewust moeten zijn van het feit dat het overig verkeer waarschijnlijk niet op de hoogte is van deze ontheffingen. 29


U voert geen bijzondere signalen dus verwacht de gemiddelde weggebruiker ook niet dat u afwijkt van de reguliere regelgeving. Als gevolg hiervan heeft u een grote verantwoordelijkheid als bestuurder van een de ambulance, wanneer u rijdt onder deze condities. Als bestuurder dient u zich te realiseren dat ondanks de strafrechtelijke afdekking door een ontheffing men toch aansprakelijk kan worden gesteld voor de gevolgen van het afwijkend handelen in het verkeer. Het gebruik van een ontheffing wil niet zeggen dat u geen straf- en/ of civiel rechtelijke vervolging kunt verwachten, indien er sprake is van een incident met ander verkeer. Hierbij wordt gelet op de redelijkheid van het middel, de evenredigheid van het genomen risico tot het beoogde doel en de betrokken algemene belangen. Het Openbaar Ministerie zal eveneens rekening houden met het feit dat u als betrokken chauffeur de maatschappij als hulpverlener ten dienste was. Vanzelfsprekend zal tot vervolging worden overgegaan wanneer de chauffeur gezien de gegeven situatie een ontoelaatbare mate van gevaar heeft doen ontstaan.

30


3. Brancherichtlijn Optische en Geluidssignalen Spoedeisende medische hulpverlening

31


32


3

Brancherichtlijn Optische en Geluidsignalen Spoedeisende medische hulpverlening

3.1

Inleiding

Het gebruik van optische en geluidssignalen is gebaseerd op artikel 29 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) uit 1990. Dit artikel bepaalt dat bestuurders van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer, diensten voor spoedeisende medische hulpverlening en motorvoertuigen van andere door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten, optische en geluidssignalen mogen voeren om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. Als gevolg van artikel 91 van het RVV 1990 mogen bestuurders van deze ‘voorrangsvoertuigen’ afwijken van de voorschriften van dit RVV, voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. In de Regeling optische en geluidssignalen 2009 (hierna te noemen de Regeling) is het overzicht van aangewezen hulpverleningsdiensten geactualiseerd en zijn de regels met betrekking tot het gebruik van optische en geluidssignalen nader uitgewerkt. De Brancherichtlijn Optische en Geluidssignalen Spoedeisende medische hulpverlening is gebaseerd op artikel 3 van de Regeling en biedt werkgevers een handreiking bij het op verantwoorde wijze toepassen van de actuele regelgeving inzake het gebruik van de optische en geluidssignalen. De Brancherichtlijn is richtinggevend voor bestuurders van voorrangsvoertuigen die worden ingezet ten behoeve van de spoedeisende medische hulpverlening. Dit houdt in dat in overeenstemming met deze Brancherichtlijn dient te worden gehandeld. Bij het gebruik van optische en geluidssignalen blijft de bestuurder van een voorrangsvoertuig steeds strafrechtelijk verantwoordelijk. Het gebruik van optische en geluidssignalen rechtvaardigt niet dat het overige verkeer in gevaar wordt of kan worden gebracht (artikel 5 33


Wegenverkeerswet, 1994). Dit houdt in dat wanneer een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een motorvoertuig is betrokken dat optische en geluidssignalen voerde, een (strafrechtelijk) onderzoek zal plaatsvinden naar de toedracht van het ongeval. De in de Brancherichtlijn neergelegde uitgangspunten zullen in dit onderzoek worden meegewogen. Het Openbaar Ministerie zal in dergelijke gevallen eveneens rekening houden met het feit dat de betrokken chauffeur de maatschappij – onder druk van grote spoed – als hulpverlener ten dienste was. Vanzelfsprekend zal tot strafrechtelijke vervolging worden overgegaan wanneer de chauffeur gezien de gegeven situatie een ontoelaatbare mate van gevaar heeft doen ontstaan en er sprake is van een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving.

3.2

Toepassingsbereik

De Brancherichtlijn is van toepassing op voorrangsvoertuigen voor het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening. Een voorrangsvoertuig is een motorvoertuig dat aan de volgende cumulatieve wettelijke eisen dient te voldoen: • ter zake van het gebruik moet een vergunning en/of voorschrift zijn afgegeven aan de houder daarvan voor het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening krachtens de Wet Ambulancevervoer *); • het motorvoertuig dient te zijn voorzien van de binnen de branche voorgeschreven striping en het symbool als opgenomen in de Regeling optische en geluidssignalen (‘star of life’); • in het motorvoertuig dient een vaste verbinding met de in de vergunning aangewezen MeldKamer Ambulancezorg (MKA) aanwezig te zijn; • het motorvoertuig dient voorzien te zijn van optische en geluidssignalen en tot het voeren daarvan op grond van de Regeling toestemming te hebben. *) Deze wet zal worden ingetrokken op het moment dat de Wet op de

34

Ambulancezorg in werking treedt.


De Brancherichtlijn is van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen binnen de spoedeisende medische hulpverlening die zowel optische als geluidssignalen voeren. Motorvoertuigen die geen of slechts een van beide signalen voeren, zijn geen voorrangsvoertuigen en hebben dus ook niet de daarbij behorende bevoegdheden. Met deze omschrijving van het toepassingsbereik van de richtlijn wordt aangeduid welke bestuurders van motorvoertuigen ten dienste van de Regionale Ambulance Voorziening (RAV) bevoegd zijn om de optische en geluidssignalen te gebruiken, dan wel van andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van de MKA, als bedoeld in de Wet Ambulancevervoer, met het verlenen van eerstelijns spoedeisende medische hulpverlening, voor zover deze voldoen aan de wettelijk vereiste kenmerken van een voorrangsvoertuig. Hiermee is de Brancherichtlijn naast de voertuigen van de RAV ook van toepassing op die van de GHOR, huisartsen, etc.

3.3

Omschrijving ‘dringende taak’

De algemene beschrijving van ‘dringende taak’ in de Regeling luidt als volgt: • Een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van hulpverleningsdiensten vergt. • Het voorkomen van een voor de mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat. • Een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is. Deze algemene omschrijving van het begrip ‘dringende taak’ is voor de spoedeisende medische hulpverlening nader uitgewerkt. • De toestand van de patiënt is levensbedreigend, ABC instabiel. • Er is een ernstig vermoeden van een levensbedreigende toestand van de patiënt, ABC instabiel. • Er moet worden voorkomen dat de patiënt terechtkomt in een levensbedreigende toestand, ABC instabiel. • Ter voorkomen van (ernstige) invaliditeit of ernstige gezondheidsschade. 35


• Ter voorkoming van een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid. Het patiëntenbelang staat bij de toepassing van optische en geluidssignalen centraal en niet het logistieke proces dat vanuit de MKA wordt gecoördineerd. De toepassing van optische en geluidssignalen is niet bedoeld voor het oplossen van logistieke problemen van de MKA.

3.4

Prioriteitstelling meldingen

3.4.1

Zorgindicatie en urgentiebepaling

Binnen de ambulancezorg wordt op basis van indicatiestelling door de MKA, met behulp van de Landelijke Standaard Meldkamer Ambulancezorg (LSMA), bepaald of en met welke urgentie spoedeisende medische hulpverlening nodig is. Hierbij geldt de volgende urgentieindeling, conform de definities uit het Uniform Begrippenkader Ambulancezorg. • A1-urgentie (A1-rit) Een spoedeisende rit in opdracht van de centralist in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dat dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten. De rit wordt zo snel mogelijk uitgegeven en het ambulanceteam dient zo snel mogelijk ter plaatse te zijn. De ambulance maakt altijd gebruik van optische en geluidssignalen. • A2-urgentie (A2-rit) Een rit in opdracht van de centralist naar aanleiding van een zorgvraag waaruit blijkt dat er geen sprake is van direct levensgevaar, maar waarbij er wel sprake kan zijn van (ernstige) gezondheidsschade en de ambulance wel zo snel mogelijk ter plaatse dient te zijn. • A2-rit met gebruik van optische en geluidssignalen Een A2-rit waarbij gebruik wordt gemaakt van optische en geluidssignalen en waarbij de status vertrek is gegeven door het ambulance36


team. Dit gebruik van de optische en geluidssignalen is gemeld aan de centralist en wordt door hem/haar geregistreerd. • B-urgentie (B-rit) Een rit in opdracht van de centralist van de MKA naar aanleiding van een zorgvraag zonder A1- of A2-urgentie, waarbij een tijdstip of tijdsinterval is afgesproken voor het halen of brengen. De A1- en A2-zorgindicaties worden gerekend tot ‘dringende taak’.

3.4.2 Urgentiebepaling en het voeren van Optische en Geluidssignalen Motorvoertuigen mogen alleen optische en geluidssignalen voeren indien er sprake is van een dringende taak. Op basis van bovenstaande urgentie-indeling voor de spoedeisende medische hulpverlening, betekent dit voor ambulancevoertuigen het volgende:

A1 Indien er sprake is van een A1-urgentie begeeft het ambulancevoertuig zich per definitie als voorrangsvoertuig door het verkeer.

A2 Indien er sprake is van een A2-urgentie, heeft het ambulancevoertuig impliciet toestemming om zich als voorrangsvoertuig door het verkeer te begeven.

B-vervoer Indien er sprake is van B-vervoer heeft het ambulancevoertuig geen toestemming om zich als voorrangsvoertuig door het verkeer te begeven. Voor het gebruik van optische en geluidssignalen is toestemming van de MKA noodzakelijk. De autorisatie door de MKA vindt op verschillende momenten plaats: • Bij de binnenkomst van een melding bepaalt de MKA-centralist, met welke urgentie de inzet van een ambulancevoertuig noodzakelijk is. Indien er sprake is van een A1-urgentie zal het voertuig altijd optische en geluidssignalen voeren. Indien er sprake is van een A2-urgentie krijgt het ambulancevoertuig altijd toestemming van 37


de MKA om met optische en geluidssignalen te rijden als daarom wordt verzocht. De MKA registreert dit in het bedrijfsprocessysteem. • Wanneer het ambulancevoertuig ter plaatse is, bepaalt de ambulanceverpleegkundige de toestand van de patiënt, evt. in combinatie met verkeerscongestie, of vervoer met optische en geluidssignalen noodzakelijk is. De ambulancebemanning meldt dit aan de MKA voor akkoord. De MKA registreert dit in het bedrijfsprocessysteem. • Ook tijdens het vervoer kan door de ambulanceverpleegkundige om het voeren van optische en geluidssignalen worden verzocht aan de MKA. De verleende toestemming wordt door de MKA in het bedrijfsprocessensysteem geregistreerd. Alleen ambulancevoertuigen die toestemming hebben om met optische en geluidssignalen te rijden, mogen zich als voorrangsvoertuig door het verkeer begeven. Tevens hebben zij vrijstelling van alle bepalingen uit het RVV 1990. Vanzelfsprekend dient de veiligheid van het verkeer daarbij zoveel mogelijk te worden gewaarborgd. In de ‘Rijtechnische Richtlijnen Ambulancezorg’ is beschreven welke vrijstellingen gelden bij A2-urgentie zonder optische en geluidssignalen en bij B-vervoer.

3.5 Gedragscode bestuurder van voorrangs voertuigen 3.5.1

Algemeen

Het voeren van optische en geluidssignalen en het afwijken van de gangbare verkeersregels verstoren het normale verkeersbeeld. Dit levert per definitie potentieel gevaarlijke situaties op. Het overtreden van verkeersregels gebeurt terughoudend en alleen indien daartoe voldoende noodzaak bestaat. Het voertuig dient feitelijk steeds tot stilstand te kunnen worden gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij is en te overzien. Het algehele rijgedrag is beheerst en dwingt respect af. Bij het passeren van een kruising van wegen wordt extra alertheid betracht en de snelheid aangepast. 38


De bestuurder dient zich bewust te zijn van de mogelijkheid dat andere weggebruikers de signalen niet zien of horen, dan wel niet goed kunnen bepalen waar het betreffende voorrangsvoertuig vandaan komt. Ook dient rekening gehouden te worden met onvoorziene of onberekenbare reacties van andere weggebruikers. In de wijze van verkeersdeelname dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig het belang waarvoor de optische en geluidssignalen worden gebruikt, af te wegen tegen de risico’s, die daarmee gemoeid zijn voor eigen en andermans veiligheid en gezondheid.

3.5.2

Het rijden door rood licht

• Bij het negeren van rood licht wordt extra alertheid betracht en gebeurt dit met een snelheid van maximaal 20 km per uur en zodanig, dat het voertuig tot stilstand kan worden gebracht binnen de afstand die vrij is en te overzien. Bestuurders van voorrangsvoertuigen moeten voorrang vragen, niet nemen! • Bij spoorwegovergangen en bruggen mag niet door rood licht gereden worden.

3.5.3

Maximumsnelheden

Op grond van artikel 91 van het RVV 1990 mogen voorrangsvoertuigen afwijken van de voorschriften van het RVV 1990, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de dringende taak. Ten aanzien van de maximum snelheid van voorrangsvoertuigen is in de Regeling het volgende bepaald: • De rijbaan wordt bereden met een snelheid van maximaal 40 km per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid; dit geldt voor lokale, provinciale en auto(snel)wegen. • Op woonerven wordt stapvoets gereden. Met stapvoets wordt conform de jurisprudentie maximaal 15 km per uur bedoeld. • Een vluchtstrook wordt bereden met een snelheid van maximaal 20 km/uur boven de snelheid van het verkeer op de rijbaan, met een snelheid van maximaal 80 km/uur. • Wanneer de snelheid van het andere verkeer lager is dan 30 km/uur, mag op de vluchtstrook maximaal 50 km/uur worden gereden. 39


3.5.4

Tegen het verkeer inrijden

• Bij niet-gescheiden rijbanen is tegen het verkeer inrijden toegestaan, mits kortstondig en over een afstand die vrij is en te overzien. In overige gevallen is tegen het verkeer inrijden alleen onder politiebegeleiding toegestaan. • Bij gescheiden rijbanen is tegen het verkeer inrijden slechts toegestaan na toestemming van de MKA, waarbij zeker is gesteld dat het tegemoetkomende verkeer is stilgelegd; in alle overige gevallen alleen onder politiebegeleiding. • Bij éénrichtingverkeer straten is tegen het verkeer inrijden toegestaan wanneer de aangegeven rijrichting is geblokkeerd of wanneer sprake is van een significante tijdswinst.

3.5.5

Plaats op de weg bij files

Zolang er nog geen landelijk beleid is met betrekking tot het ‘middendoor rijden’, worden -tenzij ter plaatste andere voorschriften geldende onderstaande uitgangspunten gehanteerd. • Op een rijbaan (met twee of meer rijstroken) met een vluchtstrook, wordt bij file gebruik gemaakt van deze vluchtstrook. • Op een rijbaan (met twee of meer rijstroken) zonder vluchtstrook, wordt gereden tussen de eerste en tweede rijstrook.

3.5.6 De duur van het gebruik van optische en geluidssignalen

• Wanneer besloten wordt om optische en geluidssignalen te voeren, worden deze signalen vanaf dat moment in principe de gehele rit gevoerd. • Wanneer een ambulancevoertuig tijdens de deelname aan het verkeer gebruik gaat maken van de optische en geluidssignalen, gebeurt het inschakelen op een zodanige wijze dat dit geen schrikreacties oproept bij de bestuurders van voertuigen die zich in de nabijheid van het ambulancevoertuig bevinden. • Bij het naderen van kruisingen of splitsingen van wegen gebeurt het inschakelen ruim voor de kruising of splitsing. 40


• Indien een ambulancevoertuig tijdens deelname aan het verkeer wil stoppen met het voeren van de bovengenoemde signalen, dient dit op een zodanige wijze te gebeuren dat hierdoor geen onduidelijkheid voor het overige verkeer wordt geschapen (dus niet vlak voor of na een kruising bijvoorbeeld).

3.5.7 Het gebruik van de optische en geluidssignalen door voertuigen voor de spoedeisende medische hulpverlening In artikel 5 van de Regeling is nader uitgewerkt waaraan de signaalverlichting en de hoorn dienen te voldoen. De hoofdlijnen zijn: • Een voertuig dat zich als voorrangsvoertuig door het verkeer mag begeven dient te zijn voorzien van gecertificeerde blauwe signaalverlichting. • De verplichte gele signaalverlichting, wordt gebruikt als obstakelverlichting tijdens hulpverlening langs de weg. • Het voertuig mag worden uitgerust met één groen licht. Dit licht mag alleen in stilstand worden gevoerd, om het voertuig van de hoogst leidinggevende binnen de witte kolom aan te geven, op het ongevals- of rampterrein. • Er wordt een hoorn gebruikt die achtereenvolgens twee tonen aangeeft. De geluidssterkte is maximaal 125 dB(A) en minimaal 100 dB(A) bij nacht en 110 dB(A) overdag. Artikel 5 van de Regeling is tot 1 maart 2014 niet van toepassing op motorvoertuigen, die op het moment van inwerkingtreding van deze Regeling (1 maart 2009) zijn voorzien van optische en geluidssignalen conform de voorgaande Regeling van 19 mei 2000. Voertuigen met een kenteken na 1 maart 2009 moeten per direct voldoen aan de eisen van de Regeling.

41


3.5.8

Buitenland

Wanneer Nederlandse ambulancevoertuigen in het buitenland optische en geluidssignalen voeren, dienen zij zich volgens de wetgeving in het betreffende land te gedragen. Deze wetgeving kan op essentiële punten afwijken van de Nederlandse wetgeving. Kennis van deze wetgeving is dan ook noodzakelijk. Voor het rijden met optische en geluidssignalen in de buurlanden België en Duitsland zijn, op basis van geldende wet- en regelgeving1, landelijk de volgende afspraken gemaakt: Duitsland • Nederlandse voorrangsvoertuigen die optische en geluidssignalen voeren dienen zich in Duitsland te houden aan de Nederlandse Brancherichtlijn. • Uitzondering is dat bij file ‘middendoor’ gereden dient te worden en niet over de vluchtstrook. België • Nederlandse voertuigen die optische en geluidssignalen voeren dienen zich in België te houden aan de Nederlandse Brancherichtlijn, met als uitzonderingen: • Bij A2-ritten dient blauw licht gehanteerd worden. • Voordat men door rood licht rijdt, wat alleen bij een A1-urgentie mag, moet eerst gestopt worden.

3.6

Opleiding en bevoegdheid

Bestuurders van ambulancevoertuigen en overige hulpverleners met chauffeurstaken beschikken -ongeacht de urgentie van de inzet- over de noodzakelijk vaardigheden en kennis om deze taken uit te kunnen voeren. Een door de branche erkende initiële opleiding en bij- en nascholing vormen in dit verband een samenhangend pakket. Het is van groot belang een nieuwe chauffeur eerst de kennis van de theorie en de praktijk bij te brengen alvorens hij de eerste spoedrit zal rijden. Dit dient onderdeel te zijn van het inwerkprogramma.

42


3.7

Inwerkingtreding en evaluatie

Met de bestuurlijke vaststelling door brancheorganisatie Ambulancezorg Nederland en de Beroepsvereniging Ambulancezorg kan worden gesteld dat de Brancherichtlijn Optische en Geluidssignalen Spoedeisende medische hulpverlening algemeen geldend is voor de ambulancesector en andere motorvoertuigen die door de MKA worden ingezet voor spoedeisende medische hulpverlening. Landelijke borging van de richtlijn vindt plaats door opname in de nota ‘Verantwoorde Zorg’, het HKZ-schema voor de ambulancezorg en de initiële opleidingen en bij- en nascholingen voor ambulancehulpverleners. De Brancherichtlijn Optische en Geluidssignalen is op 1 september 2009 in werking getreden. De richtlijn wordt twee jaar na het inwerkingtreden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Bijstelling van de richtlijn zal eerder plaatsvinden indien wet- en regelgeving die van toepassing is op de richtlijn binnen een termijn van twee jaar wijzigt, of indien gewijzigde of nieuwe sectorale afspraken hiertoe noodzaken.

De regelgeving m.b.t. het voeren van optische en geluidssignalen in Duitsland en België zijn op initiatief van grenspartners in resp. de regio Twente en Zuid-Limburg uitgezocht en vastgelegd in de volgende documenten: 1. Optische en geluidssignalen in Duitsland. Versie: spoedeisende medische hulpverlening. Versie 1.0. Hulpverleningsregio Twente/Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland, Kreis Borken en Landkreis Grafschaft Bentheim, oktober 2006. 2. Optische en akoestische signalen in België. Versie: spoedeisende medische hulpverlening. Versie 1.0. EMRIC/GGD Zuid-Limburg, november 2006. Ambulancezorg Nederland en V&VN Ambulancezorg hebben in juni 2007 vastgesteld de beide documenten als uitgangspunt te nemen voor landelijke afspraken met betrekking tot het voeren van optische en geluidssignalen door Nederlandse voorrangsvoertuigen in de Spoedeisende medische hulpverlening in Duitsland en België.

43


44


4. Bewust autorijden

45


46


4. Bewust autorijden

Bewust autorijden heeft te maken met verkeersinzicht en daarnaar handelen, kennis van het voertuig, voertuigdynamica en bewustzijn betreffende veiligheid, mobiliteit en milieu. Verkeer is alleen mogelijk als de drie factoren of pilaren waarop verkeer is gebaseerd aanwezig zijn. Dit zijn: • mens; • weg; • voertuig. Weersomstandigheden spelen een grote rol en natuurlijk is het beschikken over een goede verkeersregelkennis onontbeerlijk. Ook een dosis gezond verstand is noodzakelijk want er zijn namelijk veel situaties denkbaar waar met inzicht gehandeld moet worden.

4.1

Verkeersinzicht

Verkeersinzicht wordt vaak vertaald naar anticiperen, echter verkeersinzicht gaat verder dan anticiperen, want indien u in het verkeer goed wilt anticiperen, moet u wel weten waarop. Hierbij dient u dus kennis te hebben van de factoren die het verkeer beïnvloeden, mens, weg en voertuig; Verkeersinzicht

Anticiperen

: Het tijdig onderkennen van de invloed die verschillende factoren op een bepaald moment op het verkeersgebeuren kunnen hebben en daarnaar handelen. : ‘Handelen’, volgens het Van Dale woordenboek ‘het vooruitgrijpen op een situatie die er nog niet is’.

47


VERKEERSINZICHTELIJK GOED FUNCTIONEREN

KENNIS VAN DE FACTOREN OF PILAREN DIE HET VERKEER BE誰nVLOEDEN

MENS

Goede zit- en stuurhouding goede afstelling van de veiligheidsmiddelen

WEG

Krachten van buitenaf en be誰nvloeding door weersomstandigheden

VOERTUIG

Krachten in het voertuig, voertuigkennis en veiligheidssystemen

Kennis van; Regelgeving Duurzaam veilig Mobiliteit Milieu

VAARDIGHEDEN

TOEPASSEN

BEWUST AUTORIJDEN

48


Om verkeersinzichtelijk goed te functioneren, spelen dus veel zaken een rol. In voorgaand overzicht staan de belangrijke zaken op een rij, waarbij een aantal onderwerpen in de volgende paragrafen worden toegelicht. Uiteindelijk past het geheel dan in elkaar in het streven naar bewust autorijden, de titel van dit hoofdstuk.

4.2

Voertuigkennis

Het goed functioneren van en omgaan met ‘het voertuig’ is voor u belangrijk. Er is een onderverdeling in: voertuigcontrole met de bijbehorende praktische herkenning van storingen en kennis van alle krachten in en om uw (rijdend) voertuig (4.2.1), voertuigdynamica (4.2.2) en de voertuigveiligheidssystemen (4.2.3). Alle zijn essentieel om goed verkeersinzichtelijk te kunnen functioneren.

4.2.1

Voertuigcontrole en algemene richtlijnen bij een rit

Algemene en globale handvatten voor ieder soort rit, ongeacht de urgentie. • Bij de aanvang dienst doet u uiteraard een voertuigcontrole en afstelling conform de checklist van uw dienst en meld u zich vervolgens in bij de MKA van uw regio als zijnde paraat en inzetbaar. Hierbij checkt u automatisch de goede werking van de verbindingsmiddelen. - Voertuigcontrole conform de richtlijnen van uw dienst, bestaat globaal uit: 0  Buitenkant auto; verlichting, schoon, eventuele schade en lekkages om en onder de auto; 0  Banden; profiel, beschadiging en voldoende spanning; 0  Onder de motorkap; het peil van olie, remvloeistof, ruitenwisservloeistof, stuurbekrachtigingvloeistof en de accu (evt. versnellingsbakolie); 0  Binnenkant auto; storingscontrole lampjes dashboard (eerste contactsleutel stand), voldoende brandstof, afstelling stoel, spiegels en stuur en overige apparatuur, sleutels etc. 49


- In het geval van storingen en/of andere onvolkomenheden meld u dit bij uw dienst via de aanwezige kanalen en -indien niet inzetbaar- aan de MKA. • Bij een oproep draagt u zorg voor een goede bereikbaarheid via uw verbindingsmiddelen, meldt u zich, indien noodzakelijk, correct en luistert/leest de opdracht geconcentreerd uit, waarna u de oproep bevestigd. • Indien noodzakelijk (bij afwezigheid van elektronische melding via bijvoorbeeld city gis) noteert u de relevante gegevens en verzoekt eventueel om aanvullende informatie. • Tijdens de hulpverlening zorgt u voor een duidelijke communicatie met de MKA. • Vervolgens bepaalt u de locatie en een goede aanrij route, waarbij u rekening dient te houden met de actuele verkeerssituatie (bruggen, spoorwegen, wegafzettingen etc.) • Tijdens de verkeersdeelname adviseren we u, ongeacht de urgentie, altijd dimlicht te voeren. Daarnaast zorgt u er als professional voor zo min mogelijk afhankelijk te worden van overige weggebruikers. • Als u ter plaatse komt dient u natuurlijk altijd de eigen veiligheid te waarborgen. Indien het een incident op of naast de weg betreft, handelt u volgens de richtlijnen van incident management en voert u -indien de plaatsing van het voertuig gevaar oplevert en u niet als eerste aanwezig bent- , het gele zwaai- of knipperlicht ( dit mag in de overgangsperiode tot 1 maart 2014 ook blauw zijn). • Wanneer het een grootschalig incident betreft hanteert u dit protocol, geeft een SITRAP volgens het principe METHANE en volgt het ‘eerste ambulance’ protocol. • U bepaalt als ambulance chauffeur de juiste route in samenspraak met de verpleegkundige en eventueel onder welke urgentie. • Vervolgens zorgt u na de inzet dat uw voertuig weer gereed is en meldt u zich vrij bij de MKA.

50


4.2.2

Voertuigdynamica

De krachten die intern werken op een rijdend voertuig en welke u grotendeels zelf kunt beïnvloeden zijn: • versnellende; • vertragende; • centrifugale. en de krachten die van buitenaf een positieve of negatieve invloed uitoefenen op het voertuig: • zijwind; • wegverkanting; • drempels; • spoorvorming. Met deze laatste krachten, mits op tijd herkent, kunt u op de juiste wijze omgaan middels de voorgaande interne krachten, gas, rem en stuur. Let wel, al deze krachten worden overgebracht en/of doorgegeven via de banden. Hiermee wordt het belang van een goede staat van de banden benadrukt. Met het op de juiste wijze omgaan van dit krachtenspel, is ook van belang waar ze aangrijpen, namelijk in het zwaartepunt. Dit zegt iets over het te verwachten stuurkarakter van het voertuig: • onderstuurd; In de bocht zal de auto naar buiten afwijken van de ingezette stuurstand, het zwaartepunt ligt voorin; • overstuurd; In de bocht zal de auto naar binnen afwijken van de ingezette stuurstand, het zwaartepunt ligt achterin. Het stuurgedrag kunt u beïnvloeden door: • gas geven/minderen; • het (al dan niet bewust) verplaatsen van het zwaartepunt; • subtiel sturen en goed kijken, daar waar u naar toe wilt. 51


Indien uw voertuig in een slip raakt, een overschrijding van het gehele krachtenspel, zal dit in dezelfde context een onderstuurde- of overstuurde slip zijn. Indien de overschrijding niet te groot is en u nog tijd en ruimte hebt voor een oplossing, kunt u als volgt handelen: • bij een onderstuurde slip, het voertuig glijdt over de gestuurde voorwielen rechtdoor: - gas los; - en kijk daar waar u naar toe wilt; - ga niet remmen; - en verminder de stuurstand tot u weer grip krijgt en stuur vervolgens op subtiele wijze opnieuw en/of ga remmen. • Bij een overstuurde slip:  - gas los; - en kijk daar waar u naar toe wilt; - en stuur die kant op waar het voertuig naar toe moet, oftewel geef tegenstuur; - en ga niet remmen totdat uw voertuig weer onder controle is. Als laatste nog even het volgende: ieder voertuig kan in beide situaties zoals hierboven beschreven terecht komen, onafhankelijk van het stuurkarakter en -gedrag. De belangrijkste oorzaak zal een relatie tot uw snelheid hebben, in combinatie met andere factoren.

4.2.3

Voertuigveiligheidssystemen

Voor een eventuele overschrijding van het krachtenspel zijn er inmiddels een groot aantal veiligheidssystemen op een voertuig. Deze hebben bij alle merken auto’s nogal veel verschillende afkortingen. In dit handboek willen we ons beperken tot de bekendste systemen, van toepassing op de meeste ambulances. • ABS Anti Blokkeer Systeem Dit systeem reduceert de drukopbouw van het remvermogen op het moment dat het wiel blokkeert bij een noodstop. Hierdoor blijft het voertuig langer bestuurbaar in deze situatie. • BAS Brake Asist system Dit systeem assisteert het remsysteem met verbeterde technieken. 52


Hiermee wordt op een nog snellere wijze, langs elektronische weg, de maximale remvertraging verkregen en behouden. • ASR Anti Slip Regeling Dit systeem is bedoeld tegen het doorslippen van de aangedreven wielen bij versnellen tijdens het rijden en werkt op basis van dezelfde onafhankelijke wielsensoren als het ABS, i.s.m. het motormanagement. • ETS Electronic Traction Support Dit systeem is praktisch hetzelfde als ASR en is bedoeld tegen het doorslippen van de aangedreven wielen vanuit stilstand. Verschil is de manier waarop het motormanagement, met een iets andere vorm van beremming, ingrijpt. • ESP Elektronisch Stabiliteit Programma Dit systeem stabiliseert de auto in een kritische situatie van onderstuur dan wel overstuur in een bocht. Het corrigeert die slip middels het weghalen van de aandrijving en een ‘gerichte’ beremming op een van de wielen, afhankelijk van het soort slip.

4.3

Duurzaam veilig, mobiliteit en milieu

Duurzaam veilig is een visie van de wegbeheerders: de overheidsinstanties V&W, IPO, SkVV, VNG en UvW. Duurzaam veilig staat voor een structurele en preventieve aanpak van de verkeersveiligheid als onderdeel van ruimtelijke ordening, de vormgeving van infrastructuur en het gedrag van verkeersdeelnemers. Het doel is het omlaag brengen van verkeersgewonden en -doden. Momenteel staan in dit kader van duurzaam veilig vijf principes centraal: • Functionaliteit van wegen; • Homogeniteit van massa’s, snelheid en richting; • Herkenbaarheid v.d. vormgeving v.d. weg en voorspelbaarheid van het wegverloop en het gedrag van weggebruikers; • Vergevingsgezindheid van de omgeving(fysiek) en de weggebruikers onderling(sociaal); • Statusonderkenning door de verkeersdeelnemer.

53


De meest belangrijke voor u als professionele weggebruiker is de nieuwe herkenbaarheid. Dit betekent een nieuwe categorisering van het wegennet en een nieuwe indeling van de volledige weginfrastructuur in verkeersaders en verblijfsgebieden. Hieronder een schema van deze nieuwe wegindeling, waartoe alle wegbeheerders zichzelf toe hebben verplicht, met het streven dit landelijk af te ronden in 2015.

Ten behoeve van incidenten op auto(snel)wegen is er getracht een nieuwe oplossing te creĂŤren voor de doorstroming, de zogenaamde uitwijkroutes. Dit zijn vaste omleidingroutes, terug te vinden op www. omleidingsroutes.nl. Voor deze site moet u zich registreren en u dient in te loggen om deze applicatie te kunnen gebruiken. Ze worden genummerd van 10 t/m 99 en aangeduid door onderstaande borden:

54


Voorts nog aandacht voor een nieuw fenomeen ten behoeve van uw rijstijl. Wellicht iets minder van toepassing bij het rijden als voorrangsvoertuig, maar zeker nuttig bij het rijden onder alle andere condities, namelijk het ‘nieuwe rijden’. De speerpunten op een rij: • Rijstijl; - Tijdig schakelen, dit kunt u ook bij een automaat beïnvloeden; - Vlot gas geven, let hierbij op het gunstige toerental gebied en maximum koppel (instructieboek); - Gebruik rollend vermogen, bepaal uw snelheid met het gaspedaal en niet met de rem. • Bandenspanning, regelmatige controle; - Bespaart brandstof; - Verbetert veiligheid en comfort; - Vermindert slijtage. • Brandstofbesparende accessoires gebruiken; - Toerenteller; - Boordcomputer; - Cruise control; - In-car apparatuur, zoals bijv. navigatie (doelmatig/effectief gebruik). Met een nog bewustere deelname aan het verkeer en kleine aanpassingen aan uw rijstijl is het voordeel veelzijdig: • minder belasting van het milieu; • grotere veiligheid; • minder kosten in brede zin; • meer comfort.

55


56


5. Veiligheid

57


58


5.

Veiligheid

Als ambulancehulpverlener wordt u op diverse manieren geconfronteerd met het onderwerp veiligheid. Denk hierbij aan: • Uw taak als bestuurder van een voertuig. De verkeersdeelname dient onder alle omstandigheden veilig en verantwoord uitgevoerd te worden voor zowel de inzittenden van de ambulance, overige weggebruikers als uzelf; • Uw taak als hulpverlener wanneer u ter plaatse bent van een incident en optreedt als hulpverlener. In dit handboek vatten we dit samen in de onderwerpen Incidentmanagement en overige specifieke veiligheidsrisico’s: airbags, gevaarlijke stoffen en het veilig vervoeren van de inzittenden: de gordelplicht.

5.1

Incidentmanagement

Incidentmanagement is bedoeld voor alle hulpverleners: • Politie; • Brandweer; • Ambulance; • Wegbeheerders: Rijkswaterstaat, de Provincies, Gemeentes en Waterschappen; • Bergers; • Pechhulpverleners. en multidisciplinair ontwikkeld in opdracht van Rijkswaterstaat met als doel het creëren van: • veiligheid; • eenduidigheid (en herkenbaarheid). Dit wordt bereikt indien bovenstaande doelgroepen, als eerste aanwezig, dezelfde eerste maatregelen nemen en dezelfde termen hanteren. De taken van de hulpverleners zijn ingedeeld naar de vier fasen van het IM hulpverleningsproces. De actiefase is hierna schematisch weergegeven. 59


60

DE ZES V’s

VEILIGHEIDSRUIMTE 100 M.

INDIEN HULPVERLENING AMBULANCE OP DE VLUCHTSTROOK: BEVEILIGEN VIA RVC DOOR INSCHAKELEN WEGINSPECTEUR

AUTOWEG AUTOSNELWEG OVERIGE WEGEN MET FYSIEK GESCHEIDEN RIJBANEN

- MELDING

INDIEN SPRAKE VAN GEVAARLIJKE STOFFEN DE 4 A’S

BEHOUD LADING/VOERTUIG

DOORSTROMING VERKEER

SPORENONDERZOEK

SLACHTOFFERHULP

VERKEERSVEILIGHEID

EIGEN VEILIGHEID HULPVERLENERS

WERKEN MET DEZELFDE PRIORITEITEN:

- AANRIJDEN

VEILIGHEIDSRUIMTE = MAXIMUM GELDENDE SNELHEID TER PLAATSE

DE V’s EN DE 4 S’EN

ALLE WEGEN MET ONGESCHEIDEN RIJBANEN EN TWEEZIJDIG AANRIJDGEVAAR


61

VRIJHOUDEN AAN- EN AFVOERROUTE, PARKEREN IN LIJN

VERKEERSKEGELS

VEILIGHEIDSKLEDING

VOERTUIG ALS BUFFER RECHT WIELEN INGEDRAAID NAAR VERKEERSLUWE ZIJDE

TIJDENS DIT PROCES BIJ TWEEZIJDIG GEVAAR HANTEER DE 4 S’EN: - STOPPEN VEILIGE AFSTAND = MAX. SNELHEID IN M. - STILZETTEN VAN ALLE VERKEER VAN ALLE KANTEN - SCHOUWEN VOOR ALLE DISCIPLINES - SLUITEN BESLIS WEG DICHT JA/NEE

AFBLIJVEN - EIGEN VEILIGHEID !

AFWACHTEN DESKUNDIGEN

AFZETTEN 100 - 500 M.

AFSTAND HOUDEN; 100 M. BIJ WIND IN DE RUG 500 M. BIJ TEGENWIND

INDIEN DE EERSTE TWEE PRIORITEITEN, EIGEN VEILIGHEID EN VERKEERSVEILIGHEID ZIJN GEWAARBORGD, KUNT U ALS AMBULANCEHULPVERLENER AAN HET WERK MET UW DAADWERKELIJKE TAAK, DE SLACHTOFFERHULP.

VRIJHOUDEN AANEN AFVOERROUTE PARKEREN VOORBIJ EN IN LIJN

VERKEERSSIGNALERING

VERKEERSKEGELS

VEILIGHEIDSKLEDING

VOERTUIG ALS BUFFER FEND OFF WIELEN INGEDRAAID RICHTING INCIDENT


De taken van de hulpverleners zijn ingedeeld naar de vier fasen van het IM hulpverleningsproces. • Waarschuwingsfase Hierin krijgt u de melding van het incident met evt. aanvullende informatie; • Aanrij fase Het aanrijden naar het incident en voorbereiding op het eventueel als eerste hulpverlener arriveren, d.m.v. verzoeken om aanvullende informatie bij de MKA of de Regionale Verkeerscentrale (RVC)van Rijkswaterstaat; • Actie fase - Bij het ter plaatse komen als eerste hulpverlener de bijbehorende eerste veiligheidsmaatregelen nemen en vervolgens kennis hebben van welke acties kunnen volgen; - Niet als eerste ter plaatse en de situatie herkennen en weten waar u met uw voertuig moet gaan staan om tot actie over te gaan en eventueel te overleggen/samenwerken met andere hulpverleners; • Normalisatie fase Hierin wordt afgeschaald en de normale verkeerssituatie hersteld.

5.2 Overige specifieke veiligheidsrisico ’s Bij een incident dient u altijd goed voorbereid en bewust te werk te gaan. Denk altijd aan uw eigen veiligheid en verzoek om hulp van andere professionals.

5.2.1

Veiligheidsrisico’s airbags

Specifiek willen we u nog graag attenderen op een belangrijk gevaar bij incidenten met (moderne) voertuigen, de airbags. Oudere voertuigen hebben deze niet, maar de moderne auto heeft er een of meerdere.

62


Er zijn verschillende soorten airbags; 1. Stuur airbag 2. Bijrijders airbag 3. Knie airbag, mogelijk 2 stuks 4. Deur airbag, mogelijk 4 stuks 5. Stoel airbag (zijkant van de stoel) mogelijk 4 stuks 6. Stoel airbag (uit de stoelzitting) mogelijk 2 stuks 7. Gordijn airbag (links en rechts) 8. Gordijn airbag (voor het achterraam) U kunt als volgt aan het werk gaan volgens de airbagprocedure, vanaf de: Bestuurderszijde 1. Schouw de (vracht)-auto(‘s) die een ongeval hebben gehad 2. Open de deur en zoek het logo van de deurairbag 3. Bekijk zijkant stoelleuning op aanwezigheid stoel airbag logo en kijk naar de zijkant van de stoelzitting antiduik airbag logo 4. Zoek logo op stijl/hemel i.v.m. gordijn airbag (overzijde) en gordijn- airbag voor achterraam 5. Breng airbaghoes aan als stuur airbag niet geactiveerd is 6. Schuif bestuurdersstoel naar achteren om meer ruimte te creëren 7. Zet contact af (sleutel eruit of stopknop indrukken) i.v.m. deactiveringstijd 8. Geef patiënt verdere aandacht Bijrijderzijde 1. Schouw de vracht-(auto)(‘s) die een ongeval hebben gehad 2. Open de deur en zoek het logo van de deur airbag, zoek naar sticker bijrijders airbag 3. Bekijk zijkant stoelleuning op aanwezigheid stoel airbag logo en kijk naar de zijkant van de stoelzitting antiduik airbag logo 4. Zoek logo op stijl/hemel i.v.m. gordijn airbag (overzijde) en gordijn airbag voor achterraam 5. Kom nooit voor de niet geactiveerde bijrijders airbag! 6. Schuif eventueel bijrijders stoel (in overleg met uw collega) naar achteren (werkruimte)

63


7. Zet contact af (sleutel eruit of stopknop indrukken) i.v.m. deactiveringstijd 8. Geef patiënt verdere aandacht Achterdeuren 1. Schouw de (vracht)-auto(‘s) die een ongeval hebben gehad 2. Open de deur en zoek het logo van de deur airbag 3. Bekijk zijkant stoel of bankleuning op aanwezigheid stoel airbag 4. Zoek logo op stijl/hemel i.v.m. gordijn airbag (overzijde) en gordijn airbag voor achterraam 5. Zet contact af (sleutel eruit of stopknop indrukken) i.v.m. deactiveringstijd 6. Geef patiënt verdere aandacht

Altijd van toepassing Voorkom letsel; blijf uit de buurt van niet geactiveerde airbags. Denk aan uw eigen veiligheid en draag goede kleding, helm en veiligheidsbril. Als er geknipt wordt aan een voertuig door de brandweer, ga indien mogelijk buiten de 5 m cirkel staan. Dit i.v.m. mogelijk wegspringende materialen.

64


5.2.2

Gevaarlijke stoffen

65


66


67


68


5.2.3

Schema gordelplicht

We gaan in dit boekwerk uit van de ambulance, een voertuig met twee zitplaatsen voorin, voorzien van autogordels en een laadruimte. In sommige gevallen is er ook sprake van een achterbank voorzien van autogordels (First responder- en piket auto’s, Sigma ambulance, MMT bus etc.). Voor de zitplaatsen met gordel geldt altijd de gordelplicht. Uitzonderingen zijn:

Personen < 18 jaar en < 1,35 meter.

Aanwezigheid van goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem.

ja

nee

Op de zitplaats voorin en in een naar achteren gericht kinderzitje moet de voorairbag uitgeschakeld zijn.

Personen < 3 jaar mogen niet vervoerd worden.

Op de zitplaats op de achterbank geen extra eisen.

Personen ≥ 18 jaar en personen < 18 jaar maar > 1.35 meter mogen zo nodig een voorziening gebruiken om het diagonale deel van de gordel over de schouder te leiden.

Personen vervoer in de laadruimte achterin de ambulance.

Het in een dergelijke ruimte vervoeren van personen is verboden. Hierop bestaan uitzonderingen, één ervan is het vervoeren van personen in een ambulance.

≥ 3 jaar, ≤ 18 jaar en < 1,35 meter mogen alleen vervoerd worden op een andere zitplaats dan de voorste.

69


70


6. Bijlagen

71


72


6.

Bijlagen

6.1 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) 1990 Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanhangwagens: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers; a1. ambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als bedoeld in de Wet ambulancevervoer; b. autobus: motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; c. autosnelweg: weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit; d. autoweg: weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit; da. bedrijfsauto: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Voertuigreglement; db. bestelauto: motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;

73


e. bestemmingsverkeer: bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen; f.

bestuurder van een motorvoertuig: 1. hij die het motorvoertuig bestuurt of 2. voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs B, C, D of E is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet;

g. bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers; h. bevoegd gezag: gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet; ha. brombakfiets: bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen met een diameter van meer dan 0,60 m, uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier; i.

[vervallen;]

ia. brommobiel: bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie; j. busbaan: rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht; k. busstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht; 74


l.

dag: de periode tussen zonsopgang en zonsondergang;

l1. diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: de ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer, alsmede daartoe uitgeruste voertuigen van andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een centrale post als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambulancevervoer bezighouden met het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening; l2. dierenambulance: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren; m. doorgaande rijbaan: rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken; ma. driewielig motorvoertuig: driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Voertuigreglement; n. fietsstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; o. geslotenverklaring: verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken; p. haaientanden: voorrangsdriehoeken op het wegdek; q. [vervallen;] r. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is; s. invoegstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden; 75


t.

kruispunt: kruising of splitsing van wegen;

u.

[vervallen;]

v. lijnbus: motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000; w. [vervallen;] x. militaire kolonne: een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder ĂŠĂŠn commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren; y. motorfiets: motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspanof aanhangwagen; z. motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen; aa. nacht: de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; aab. overweg: kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van bijlage 1; ab. parkeerhaven of parkeerstrook: langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen; ac. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen; aca. personenauto: personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

76


acb. puntstuk: meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen; ad. rijbaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden; ae. rijstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken; af. snorfiets: bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister of het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km/h; afa. spitsstrook: de vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van bijlage 1; afb. T100-bus: autobus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur. Met een T100-bus als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur; ag. uitrijstrook: door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten; 77


ah. veiligheidscel: onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel; ai. verdrijvingsvlak: gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht; aj. verkeer: alle weggebruikers; aja. verkeersregelaar: persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer; aj1. verlicht transparant: verlicht transparant als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen; ak. vluchthaven of vluchtstrook: door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als spitsstrook; al. voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens; am. voorrang verlenen: het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen; an. voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29; ao. vrachtauto: motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg; ap. weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen; aq. wet: Wegenverkeerswet 1994; 78


ar. zitplaats: zitplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen. Artikel 1a Onder de vermelding in dit besluit van een EG-richtlijn of VN/ECEreglement wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.2 van de Regeling voertuigen, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken. 2. De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen. 3. De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde kolonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen. Artikel 2a De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald. Artikel 2b De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.

79


Hoofdstuk II. Verkeersregels Paragraaf 1. Plaats op de weg Artikel 3 1. Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden. 2. Fietsers mogen met zijn tweeĂŤn naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers. Artikel 4 1. Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad. 2. Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken. 3. Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 4. In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt. Artikel 5 1. Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. 2. Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/ bromfietspad ontbreekt. 3. Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Snorfietsers mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor. 4. Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken. Artikel 6 1. Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad. 2. Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3. Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken. 80


Artikel 7 Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan. Artikel 8 1. Ruiters gebruiken het ruiterpad. 2. Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt. Artikel 9 Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een kolonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen. Artikel 10 1. Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad. 2. Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

Paragraaf 2. Inhalen Artikel 11 1. Inhalen geschiedt links. 2. Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald. 3. Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen. 4. Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen. 5. Bestuurders mogen trams rechts inhalen.

81


Artikel 12 Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

Paragraaf 3. Files Artikel 13 1. Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd. 2. Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.

Paragraaf 4. Oprijden van kruispunten Artikel 14 Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.

Paragraaf 5. Verlenen van voorrang Artikel 15 1. Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders. 2. Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.

Paragraaf 5a. Gedrag bij overwegen Artikel 15a 1. Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken. 2. Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij. 82


Paragraaf 6. Doorsnijden militaire kolonnes Artikel 16 Weggebruikers mogen militaire kolonnes niet doorsnijden.

Paragraaf 7. Afslaan Artikel 17 1. Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door: a. indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden; b. indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in ĂŠĂŠn richting daarop zoveel mogelijk links te houden. 2. Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven. Artikel 18 1. Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan. 2. Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan. 3. Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.

Paragraaf 8. Maximumsnelheid Artikel 19 De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

83


Artikel 20 Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen 50 km per uur; b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 30 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur; c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, op het trottoir of het voetpad 6 km per uur. Artikel 21 Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 120 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur; b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 40 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur; c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, op het trottoir of het voetpad 6 km per uur. Artikel 22 1. Voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden: a. voor kampeerwagens als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen en waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtautoâ&#x20AC;&#x2122;s en autobussen, niet zijnde T100-bussen 80 km per uur; b. voor motorvoertuigen met aanhangwagen, 80 km per uur; c. voor landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen 25 km per uur; d. voor brommobielen 45 km per uur; e. voor snorfietsen 25 km per uur. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, geldt voor andere motorvoertuigen dan bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, die een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van niet 84


meer dan 3500 kg voortbewegen op autowegen en autosnelwegen een maximumsnelheid van 90 km per uur. Artikel 22a Voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, geldt voor T100-bussen een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

Paragraaf 9. Stilstaan Artikel 23 1. De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan: a. op een kruispunt of een overweg; b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook; c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan; d. in een tunnel; e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord; f. op de rijbaan langs een busstrook en g. langs een gele doorgetrokken streep. 2. Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

Paragraaf 10. Parkeren Artikel 24 1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan; b. voor een inrit of een uitrit; c. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;

85


d. op een parkeergelegenheid: 1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen; 2°. op een andere wijze dan op het bord of op het onderbord is aangegeven; 3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden; e. langs een gele onderbroken streep; f. op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend. 2. Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren. 3. De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren. 4. Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd. Artikel 25 1. Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep. 2. Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een achter de voorruit geplaatste, duidelijk zichtbare parkeerschijf. 3. Op de parkeerschijf staat het tijdstip aangegeven waarop met parkeren is begonnen. Dit tijdstip wordt uitsluitend handmatig ingesteld. Een parkeerschijf, voorzien van een mechanisme dat het tijdstip van aankomst automatisch instelt of verschuift, wordt niet gebruikt. 4. Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden 86


afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken. 5. Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren. Artikel 26 1. Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd: a. een gehandicaptenvoertuig; b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht of c. indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig. 2. Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep.

Paragraaf 11. Het plaatsen van fietsen en bromfietsen Artikel 27 Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.

Paragraaf 12. Signalen Artikel 28 Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. Artikel 29 1. Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw 87


zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. 2. De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren. 3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht en de knipperende koplampen. Artikel 30 1. Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren. 2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd. Artikel 30a 1. Bestuurders van de in artikel 29, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren. 2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden gebruikt. Artikel 30b De artikelen 29 tot en met 30a zijn niet van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor eerstelijns spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens artikel 29, eerste lid, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels. 88


Artikel 31 Signalen mogen niet worden gegeven in andere gevallen of op andere wijze dan de bij of krachtens de in deze paragraaf opgenomen artikelen vastgestelde regels is toegestaan.

Paragraaf 13. Gebruik van lichten tijdens het rijden Artikel 32 1. Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde lichten. 2. Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen: a. bij dag; b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig. 3. Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden. Artikel 33 Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren. Artikel 34 1. Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren. 89


2. B  ij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd. Artikel 35 1. Fietsers voeren tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid. 2. Een fiets op twee wielen en een fiets op drie wielen met ĂŠĂŠn voorwiel moeten zijn voorzien van een wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst. 3. Op een fiets op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden gevoerd. 4. Een fiets moet zijn voorzien van een rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug. 5. Er mogen niet meer lichten worden gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vierde lid genoemde lichten. Artikel 35a 1. De in artikel 35 bedoelde verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden. 2. De in artikel 35 bedoelde verlichting mag niet knipperen. 3. De in artikel 35 bedoelde verlichting moet: a. aan de voorzijde voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers; b. aan de achterzijde voortdurend zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers. Artikel 35b 1. Bestuurders van een wagen voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht dimlicht en achterlicht. 2. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets-/bromfietspad. 90


Artikel 36 Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen. Artikel 37 Door voetgangers gevormde kolonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren.

Paragraaf 14. Gebruik van lichten tijdens het stilstaan Artikel 38 Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren. Artikel 39 Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren. Artikel 40 Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.

91


Paragraaf 15. Bijzondere lichten Artikel 41 1. Onverminderd artikel 32, eerste lid, mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd. 2. Bestuurders van een motorvoertuig mogen tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bermlicht, richtlicht of markeringslichten voeren. Artikel 41a 1. Verlichte transparanten die informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig mogen worden gevoerd door: a. personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen: 1°. in gebruik bij de politie; 2°. in gebruik bij de brandweer; 3°. in gebruik bij pechhulpdiensten; 4°. in gebruik bij Rijkswaterstaat; 5°. die worden gebruikt door artsen; 6°. d  ie worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef; 7°. d  ie worden gebruikt door ambulancediensten waaraan krachtens de Wet ambulancevervoer een vergunning is verleend voor het verrichten van ambulancevervoer; 8°. v an hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van óf een centrale post als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambulancevervoer óf een centrale post voor het ambulancevervoer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, bezig houden met het verlenen van eerstelijns spoedeisende hulpverlening; b. autobussen van openbaar vervoerdiensten; c. bedrijfsauto’s van transportbegeleiders; d. personen- en bedrijfsauto’s ingericht als dierenambulance; e. taxi’s. 2. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een verlicht transparant die de 92


ingevolge het Reglement rijbewijzen voorgeschreven letter «L» weergeeft. 3. Onverminderd het eerste lid mogen: a. verlichte transparanten die worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen weergeven voor het overige wegverkeer, b. taxi’s zijn voorzien van verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven: 1°. tarieven; 2°. naam van het taxibedrijf; en 3°. telefoonnummer van het taxibedrijf. 4. Taxi’s die zijn voorzien van verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden. 5. Verlichte transparanten worden niet gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met vierde lid.

Paragraaf 16. Autosnelwegen en autowegen Artikel 42 1. Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden. 2. Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden. Artikel 43 1. Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden. 2. Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan. 3. Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm. 93


4. Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.

Paragraaf 17. Erven Artikel 44 Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken. Artikel 45 Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan stapvoets. Artikel 46 1. Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven. 2. Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijf-zone, is ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 van toepassing.

Paragraaf 18. Rotondes Artikel 47 Het is bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden. Artikel 48 Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen.

94


Paragraaf 19. Voetgangers Artikel 49 1. Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met ĂŠĂŠn of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan. 2. Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. 3. Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne. 4. Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van toepassing is.

Paragraaf 20. Voorrangsvoertuigen Artikel 50 Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

Paragraaf 21. Loslopend vee Artikel 51 1. Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen. 2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.

95


Paragraaf 22. In- en uitstappende passagiers Artikel 52 Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.

Paragraaf 23. Slepen Artikel 53 Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

Paragraaf 24. Bijzondere manoeuvres Artikel 54 Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan. Artikel 55 Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen. Artikel 56 1. Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van 96


een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt. 2. Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne.

Paragraaf 25. Onnodig geluid Artikel 57 Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.

Paragraaf 26. Gevarendriehoek Artikel 58 1. Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2. De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3. Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

Paragraaf 26a. Zitplaatsen Artikel 58a 1. Tijdens deelname aan het verkeer worden passagiers alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op zitplaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan, bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet in autobussen zonder staanplaatsen en bij het vervoer van personen als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d; b. het vervoer van kinderen, jonger dan 3 jaren, in autobussen; c. het vervoer van passagiers jonger dan 18 jaren en met een lengte 97


van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels; d. het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde lid; e. het vervoer van personen op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers. 3. Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

Paragraaf 27. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen Artikel 59 1. Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaren en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn. 2. Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel niet zijnde autobussen die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaren en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaren met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 3. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaren, worden niet in een naar achteren gericht kinderzitje op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld. 4. Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die 98


in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, tenzij gebruik gemaakt wordt van een door Onze Minister aangewezen constructie. 5. Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaren en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 6. Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, derde lid, van die wet, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen. 7. De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaren en ouder en personen onder de 18 jaren die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, mogen zonodig een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen. 8. Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaren en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. Artikel 59a 1. In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, gebruiken bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaren of ouder de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. 99


2. Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren: a. door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon; b. door audiovisuele middelen; c. door opschriften of het volgende pictogram: Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht. 3. In afwijking van artikel 59a, eerste lid, behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken. 4. Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. Artikel 59b 1. In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt. Artikel 59, zevende lid, is van toepassing. 2. In afwijking van artikel 59, eerste lid, tweede volzin, en achtste lid, mogen in incidentele gevallen en over korte afstand in personenauto’s en bestelauto’s op andere dan de voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar of houder is.

100


Paragraaf 28. Helmen Artikel 60 1. De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet. 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. de bestuurder en de passagiers van een snorfiets; b. de bestuurder en de achter hem zittende passagier van een brombakfiets; c. de bestuurder of de passagier van een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type bromfiets, niet zijnde een brommobiel, of motorfiets van wie de zitplaats beschermd wordt door een veiligheidscel en voorzien is van autogordels. Bij de aanwijzing kan onderscheid gemaakt worden tussen de bestuurder en de passagiers ten aanzien van de gelding van het eerste lid. Bij ministeriĂŤle regeling worden regels gesteld betreffende de eisen waaraan een type bromfiets of motorfiets moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Deze regels zien in elk geval op de eisen die gesteld worden aan de veiligheidscel en de autogordels; d. de bestuurder of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig, van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, zoals deze gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en van autogordels die voldoen aan het bepaalde in artikel 5.2.47, vijfde en zesde lid, van de Regeling voertuigen. 3. Het is bestuurders verboden passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

101


Paragraaf 29. Zitplaats kinderen op fietsen en bromfietsen Artikel 61 Fietsers en bromfietsers mogen slechts kinderen beneden acht jaren vervoeren indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige zitplaats met voldoende steun voor rug, handen en voeten.

Paragraaf 30. Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur Artikel 61a Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.

Paragraaf 31. Vervoer van personen in of op aanhangwagens en in laadruimten Artikel 61b 1. Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer. b. op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten; c. op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor 102


wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is; d. in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven.

Hoofdstuk III. Verkeerstekens Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 62 Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Artikel 63 Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. Artikel 63a Tijdelijke geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn. Artikel 63b 1. Wanneer verkeerstekens die een maximumsnelheid aanduiden een hogere snelheid aangeven dan : a. de in de artikelen 20, onderdeel b, 21, onderdeel b, en 22 vastgestelde maximumsnelheden, of b. de ingevolge een ministeriĂŤle regeling krachtens artikel 86a geldende maximumsnelheid, of c. de in artikel 45 aangegeven snelheid, geldt de laagste aangegeven snelheid. 2. Indien zowel door verkeerstekens op borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid. Artikel 64 Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen. 103


Paragraaf 2. Verkeersborden Artikel 64a Verkeersborden mogen op een elektronisch signaleringsbord worden weergegeven.

Artikel 65 1. Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken. 2. De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst. 3. Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten. Artikel 66 1. Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied. 2. Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst. Artikel 67 1. Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden: a. een nadere uitleg van het verkeersbord; b. ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag; c. ingeval op een onderbord het woord “uitgezonderd” in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag. 104


2. Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord. 3. Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen.

Paragraaf 3. Verkeerslichten Artikel 68 1. Bij driekleurige verkeerslichten betekent: a. groen licht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2. Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting. 3. Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. 4. Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden. 5. Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. 6. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan. 7. Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook.

105


Artikel 69 1. Bij tweekleurige verkeerslichten betekent: a. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; b. rood licht: stop. 2. Het tweede tot en met zevende lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 70 1. Bij tram/buslichten betekent: a. wit licht of wit knipperlicht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2. Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen. 3. De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft. 4. De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft. Artikel 71 Bij overweglichten betekent: a. wit knipperlicht: er nadert geen trein; b. rood knipperlicht: stop. Artikel 72 Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop. Artikel 73 Bij rijstrooklichten betekent: a. groene pijl of maximumsnelheid, aangeduid door bord A3 van bijlage I: de rijstrook mag worden gebruikt; b. rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt; c. witte pijl: voorwaarschuwing rood kruis; d. het woord ÂŤBUSÂť: de rijstrook mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus; 106


e. het woord «LIJNBUS»: de rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus. Artikel 74 1. Bij voetgangerslichten betekent: a. groen licht: voetgangers mogen oversteken; b. groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig; c. rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen. 2. Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan. Artikel 75 Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.

Paragraaf 4. Verkeerstekens op het wegdek Artikel 76 1. Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, heeft de volgende betekenis: a. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de streep niet naar links overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht; b. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, voor verkeer in één richting: bestuurders mogen de streep niet overschrijden, tenzij tussen de bestuurder en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht. 2. Indien de streep zich bevindt tussen de naast de spitsstrook gelegen rijstroken en spitsstroken: bestuurders mogen de doorgetrokken streep overschrijden.

107


Artikel 77 1. Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken. 2. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert. Artikel 78 1. Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook. 2. Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft. Artikel 79 Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht. Artikel 80 Haaietanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Artikel 81 Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram.

108


Hoofdstuk IV. Aanwijzingen Paragraaf 1. Verplichtingen weggebruikers Artikel 82 1. Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door: a. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren, b. de militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a bedoelde ambtenaren, c. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, en d. de personen die optreden tijdens de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven kleding. 2. Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven. 3. Bestuurders zijn tevens verplicht de in bijlage II, onderdeel 8, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers. 4. Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van bijlage 1, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond. Artikel 82a Weggebruikers zijn voorts verplicht de aanwijzingen op te volgen die worden gegeven door middel van de verlichte transparanten op personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 41a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 4°, genoemde diensten en op bedrijfsauto’s van transportbegeleiders. Artikel 83 Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode lamp dan wel uit een aan een voertuig van de politie of van weginspecteurs in dienst van 109


Rijkswaterstaat aangebracht verlicht transparant, waarin de woorden “stop” of “stop politie” in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht.

Paragraaf 2. Rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels Artikel 84 Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.

Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten Paragraaf 1. Uitzonderingen voor gehandicapten Artikel 85 1. Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing. 2. Op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing. 3. In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.

Paragraaf 2. Buiten Nederland afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten Artikel 86 Met een gehandicaptenparkeerkaart worden gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten 110


voor gehandicapten, voor zover deze bij ministeriĂŤle regeling zijn aangewezen.

Hoofdstuk VA. Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer Artikel 86a 1. In geval van een ernstige verstoring van de olieaanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van artikel 21, aanhef en onderdeel a, voor motorvoertuigen een maximumsnelheid geldt van 90 kilometer per uur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op vrachtautoâ&#x20AC;&#x2122;s, motorvoertuigen met aanhangwagen of autobussen, niet zijnde T100-bussen. 3. Onze Minister stelt de regeling, als bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken. 4. De regeling, als bedoeld in het eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding. Artikel 86b Het is de bestuurders van de in artikel 86a, eerste lid, bedoelde motorvoertuigen verboden de ingevolge artikel 86a bepaalde maximumsnelheid te overschrijden.

Hoofdstuk VB [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]. Milieuzones Artikel 86c [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip] 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. datum eerste toelating tot het verkeer: datum van de eerste toelating van een motorvoertuig tot het verkeer zoals vastgesteld ingevolge de Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen; b. dieselmotor: motor die werkt volgens het principe van ontsteking door compressie; 111


c. r oetfilter: roetfilter als bedoeld in de Regeling typegoedkeuring roetfilters; d. richtlijn 88/77/EEG: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEG 1988, L36), zoals deze gold tot 9 november 2006 en laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 januari 1996 (PbEG L 040); e. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking (PbEG 2005, L 275); f. Euronorm II: richtlijn 88/77/EEG (de grenswaarden in regel B van punt 6.2.1 dan wel punt 8.3.1.1 van bijlage I bij die richtlijn); g. Euronorm III: richtlijn 2005/55/EG (de grenswaarden in rij A van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij die richtlijn); h. Euronorm IV: richtlijn 2005/55/EG (de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij die richtlijn); 2. Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel e, genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van artikel 86d gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 86d [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip] 1. De geslotenverklaring krachtens bord C22a van bijlage I is niet van toepassing: a. tot 1 januari 2010 op vrachtautoâ&#x20AC;&#x2122;s, 1°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of 112


2°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs voldoet aan Euronorm II of III, en die blijkens de aantekening in het kentekenregister zijn uitgerust met een roetfilter, of 3°. die niet worden aangedreven door een dieselmotor. b. vanaf 1 januari 2010 tot 1 juli 2013 op vrachtauto’s, 1°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of 2°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs voldoet aan Euronorm III en, waarvoor geldt dat sedert de datum van eerste toelating tot het verkeer niet meer dan acht jaar zijn verstreken, en die voorts blijkens de aantekening in het kentekenregister zijn uitgerust met een roetfilter, of 3°. die niet worden aangedreven door een dieselmotor. c. vanaf 1 juli 2013 op vrachtauto’s, 1°. waarvan de dieselmotor blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs ten minste voldoet aan Euronorm IV, of 2°. die niet worden aangedreven door een dieselmotor. 2. Vrachtauto’s waarvan ten aanzien van de emissienorm geen aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs aanwezig is, worden voor de toepassing van het eerste lid geacht: a. te voldoen aan Euronorm II, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 1995, maar voor 1 oktober 2000 ligt; b. te voldoen aan Euronorm III, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2000, maar voor 1 oktober 2005 ligt; c. ten minste te voldoen aan Euronorm IV, wanneer blijkens de aantekening in het kentekenregister of op het kentekenbewijs de datum van de eerste toelating tot het verkeer na 30 september 2005 ligt.

113


Hoofdstuk VI. Ontheffingen en vrijstellingen Paragraaf 1. Algemeen Artikel 87 Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98.

Paragraaf 2. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen Artikel 88 1. Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd. 2. De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar. 3. Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton (PbEG L 373) aangebracht. 4. Een wijziging van de richtlijn nr 91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 5. De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht.

114


Paragraaf 3 Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1995]

Paragraaf 4 Artikel 90 [Vervallen per 01-01-1995]

Paragraaf 5. Voorrangsvoertuigen Artikel 91 Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

115


Hoofdstuk VII. Strafbepalingen Artikel 92 1. Overtreding van de artikelen 3 tot en met 12, 14 tot en met 27, 30, eerste lid, 31 tot en met 43, 45, 46, 49 tot en met 61b, 62, met uitzondering van verkeersbord C22 van bijlage 1, 68, zesde lid, 74, tweede lid, 82, 82a, 83 en 86b is een strafbaar feit. 2. Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

Hoofdstuk VIII. Overgangsbepalingen Artikel 93 [Vervallen per 01-01-1995] Artikel 94 [Vervallen per 01-01-1995] Artikel 95 [Vervallen per 01-05-2009] Artikel 96 1. De in de rechterkolom genoemde borden volgens het model van bijlage 2, behorende bij het met ingang van 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is toegekend aan de overeenkomstige in de linker kolom genoemde borden opgenomen in bijlage 1 van het RVV 1990. 2. In afwijking van het eerste lid behouden de in de rechter kolom genoemde borden 46 en 47 de betekenis die daaraan is toegekend in het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde reglement. Zij blijven van kracht tot 1 januari 2009. Artikel 97 Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1 november 1991, blijven van kracht totdat zij door in bijlage I vastgestelde borden zijn vervangen. 116


Artikel 98 [Vervallen per 01-05-2009] Artikel 99 [Vervallen per 01-01-1995]

Hoofdstuk IX. Wijziging van het wegenverkeersreglement Artikel 100 [Vervallen per 01-01-1995]

Hoofdstuk X. Wijziging van de bijlage, behorende bij het Wegenverkeersreglement Artikel 101 [Vervallen per 01-01-1995]

Hoofdstuk XI. Wijziging van andere Besluiten Artikel 102 t/m artikel 118[Vervallen per 01-01-1995]

Hoofdstuk XII. Intrekking RVV 1966 Artikel 119 [Vervallen per 01-01-1995]

Hoofdstuk XIII. Inwerkingtreding Artikel 120 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 117


Hoofdstuk XIV. Citeertitel Artikel 121 Dit besluit kan worden aangehaald als “Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” of als “RVV 1990”.

118


6.2

Verkeersborden en aanwijzingen

(Bijlagen 1 en 2 RVV 1990)

6.2.1

Verkeersborden

A. Snelheid

B. Voorrang

A1. Maximumsnelheid

B1. Voorrangsweg

A2. Einde maximumsnelheid

B2. Einde voorrangsweg

A3. Maximumsnelheid op een electronisch signalerigsbord

B3. Voorrangskruispunt

A4. Adviessnelheid

A5. Einde adviessnelheid

B4. Voorrangskruispunt Zijweg links

B5. Voorrangskruispunt Zijweg rechts

B6. Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

B7. Stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg

119


C. Geslotenverklaring C1. Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

C9. Gesloten voor ruiters, vee, wagens en motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h en brommobielen alsmede fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

C2. Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee

C10. Gesloten voor motorvoertuigen met aanhangwagen

C3. Eenrichtingsweg

120

C11. Gesloten voor motorfietsen

C4. Eenrichtingsweg

C12. Gesloten voor alle motorvoertuigen

C5. Inrijden toegestaan

C13. Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen met in werking zijnde motor

C6. Gesloten voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen

C14. Gesloten voor fietsen en voor gehandicaptenvoertuigen zonder motor

C7. Gesloten voor vrachtautoâ&#x20AC;&#x2122;s

C15. Gesloten voor fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen

C8. Gesloten voor motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h

C16. Gesloten voor voetgangers


D. Rijrichting

C17. Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan op het bord is aangegeven

C18. Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven

C19. Gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven

C20. Gesloten voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven

C21. Gesloten voor voertuigen en samenstellen van voertuigen, waarvan de totaalmassa hoger is dan op het bord is aangegeven

C23-02. Spitsstrook vrijmaken

C23-03. Einde spitsstrook

D1. Rotonde: verplichte rijrichting

D2. Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft

D3. Bord mag aan beide zijden worden voorbijgegaan

D4. Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven C22. Gesloten voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen

C22a. Gesloten voor vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d

C22b. Einde geslotenverklaring voor vrachtauto’s die niet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel 86d

C23-01. Spitsstrook open

D5. Gebod tot het volgen van de rijrichting die op het bord is aangegeven

D6. Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangeven

D7. Gebod tot het volgen van één van de rijrichtingen die op het bord zijn aangeven

121


E. Pakeren en stilstaan

E1. Parkeerverbod

E2. Verbod stil te staan

E3. Verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen

E4. Parkeergelegenheid

E5. Taxistandplaats

E6. Gehandicaptenparkeerplaats

E7. Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen

E8. Parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven

122

E9. Parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders

E10. Parkeerschijfzone met verplicht gebruik van parkeerschijf , tevens parkeerverbod indien er langer wordt geparkeerd dan de parkeerduur die op het bord is aangegeven E11. Einde parkeerschijfzone met verplicht gebruik van parkeerschijf

E12. Parkeergelegenheid ten behoeve van overstappers op het openbaar vervoer

E13. Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers


F. Overige geboden en verboden

F1. Verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

F9. Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden en adviezen op een electronisch signaleringsbord

F2. Einde verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen

F10. Stop. In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast

F3. Verbod voor vrachtautoâ&#x20AC;&#x2122;s om motorvoertuigen in het halen

F4. Einde verbod voor vrachtautoâ&#x20AC;&#x2122;s om motorvoertuigen in het halen

F5. Verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit tegengestelde richting F6. Bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan

F7. Keerverbod

F8. Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden

123


G. Verkeersregels

G1. Autosnelweg

G9. Ruiterpad

G2. Einde autosnelweg

G10. Einde ruiterpad

G3. Autoweg

G11. Verplicht fietspad

G4. Einde autoweg

G12. Einde verplicht fietspad

G5. Erf G12a. Fiets / bromfietspad

G6. Einde erf G12b. Einde fiets / bromfiets­pad

124

G7. Voetpad

G13. Onverplicht fietspad

G8. Einde voetpad

G14. Einde onverplicht fietspad


H. Bebouwde kom

H1. Bebouwde kom

H2. Einde bebouwde kom

J. Waarschuwing

J1. Slecht wegdek

J2. Bocht naar rechts

J3. Bocht naar links

J4. S-bocht(en), eerst naar rechts

J5. S-bocht(en), eerst naar links

J6. Steile helling

J7. Gevaarlijke daling

J8. Gevaarlijk kruispunt

125


J9. Rotonde

J17. Rijbaanversmalling

J10. Overweg met slagbomen

J18. Rijbaanvermalling rechts

J11. Overweg zonder slagbomen

J19. Rijbaanvermalling links

J12. Overweg met enkel spoor

J20. Slipgevaar

J13. Overweg met twee of meer sporen

J21. Kinderen

J14. Tram(kruising)

J22. Voetgangersoversteekplaats

J15. Beweegbare brug

J16. Werk in uitvoering

126

J23. Voetgangers

J24. Fietsers en bromfietsers


J25. Losliggende stenen

J33. File

J26. Kade of rivieroever

J34. Ongeval

J27. Groot wild

J35. Slecht zicht door sneeuw, regen of mist

J36. IJzel of sneeuw J28. Vee

J29. Tegenliggers

J37. Gevaar (de aard van het gevaar is aangegeven op het onderbord)

J30. Laagvliegende vliegtuigen

J38. Verkeersdrempel

J31. Zijwind

J32. Verkeerslichten

127


K. Bewegwijzering

K1. Lage beslissingswegwijzer langs autosnelweg voor de doorgaande richting, met interlokale doelen en routenummer autosnelweg

K2. Voorwegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting, met afstandaanduiding, interlokale doelen (bovenste doel = afritnaam), verwijzing naar vliegveld/luchthaven en routenummer niet-autosnelweg

K3. Beslissingswegwijzer langs autosnelweg voor de afgaande richting naar een verzorgingsplaats, met naam van de parkeerplaats en symbolen die de aard van de voorzieningen aangeven

K4. Hoge beslissingswegwijzer langs autosnelweg met rijstrookpaneel voor de doorgaande richting en aftakkingspaneel voor de afgaande richting, met interlokale doelen, routenummers autosnelwegen en Europese hoofdroutes

K5. Voorwegwijzer langs niet-autosnelweg, met interlokale doelen, routenummers, viaductsymbool en aanduiding industrieterrein

K6. Beslissingswegwijzer langs niet-autosnelweg met interlokale doelen en routenummer niet-autosnelweg

K7. Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (handwijzer), met lokaal doel, interlokaal doel, stedelijk fietsroutenummer (boven), en met interlokale doelen en interlokaal fietsroutenummer (onder)

K8. Wegwijzer voor fietsers en bromfietsers (stapelbord), met interlokale doelen en een via een alternatieve route te bereiken doel (cursief)

128


K9. Omleiding. Maatregel op voorwegwijzer langs niet-autosnelweg

K10. Voorwegwijzer binnen de bebouwde kom met interlokaal doel, lokaal doel, een dagrecreatiecentrum, objecten en stadsroutenummers

K11. Voorsorteren op niet-autosnelweg. Bord met interlokale doelen, routenummers en verwijzing naar autosnelweg

K12. Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknamen (in verkeersgebieden)

K13. Wijkwegwijzer binnen de bebouwde kom, met wijknummers (in verkeersgebieden)

K14. Route voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen

129


L. Informatie

L1. Hoogte onderdoorgang

L9. Vooraanduiding dood足lopende weg

L2. Voetgangersover足steek足plaats

L10. Vooraanduiding verkeersmaatregel voor de aangegeven richting

L3. Bushalte/tramhalte

L11. Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook/rijstroken

L4. Voorsorteren

L12. Verkeersbord geldt alleen voor de aangegeven rijstrook

L5. Einde rijstrook L13. Verkeerstunnel

L6. Splitsing L14. Vluchthaven

L7. Aantal doorgaande rijstroken

L15. Vluchthaven voorzien van een noodtelefoon en brandblusapparaat

L8. Doodlopende weg L16. Noodtelefoon

130


L17. Brandblusapparaat

L18. Noodtelefoon en brandblusapparaat

L19. Dichtstbijzijnde uitgang of twee dichtstbijzijnde uitgangen in de op het bord aangegeven richting en afstand

131


6.2.2

Aanwijzingen

1. Algemeen stopteken

2. Stopteken voor het verkeer, dat de verkeersregelaar van voren nadert

3. Stopteken voor het verkeer, dat de verkeersregelaar van achteren nadert

4. Stopteken zowel voor het verkeer dat de verkeersregelaar van voren, als voor het verkeer dat hem van achteren nadert

5. Stopteken voor het verkeer dat de verkeersregelaar van rechts nadert

6. Stopteken voor het verkeer in de vrije richtingen. Opletten voor het verkeer in de stopgezette richtingen. Kruispunt vrijmaken

7. Teken tot sneheid verminderen

8. Stopteken door verkeersbrigadier met toepassing van bord F10

132


6.3

Regeling Optische- en Geluidssignalen

Regeling houdende aanwijzing hulpverleningsdiensten, omschrijving werkzaamheden en omstandigheden, en vaststelling van optische en geluidssignalen (Regeling optische en geluidssignalen 2009).

De Minister van Verkeer en Waterstaat, Gelet op de artikelen 13, tweede lid, 22, 26 en 71 van de Wegenverkeerswet 1994; Besluit: Artikel 1 1. Als hulpverleningsdiensten worden aangewezen die diensten die, voor zover de aan hen opgedragen taak hierin voorziet, voor het vervullen van een dringende taak worden ingezet. 2. De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de volgende: a. de door de directie van het Rode Kruis aangewezen onderdelen van Noodhulp Nationaal; b. de Stichting Sanquin voor een spoedtransport van bloed of bloedproducten; c. Prorail voor de inzet van hulpverleningsvoertuigen ten behoeve van ongevallen op het spoor; d. de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Justitie, van Verkeer en Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen, onder zijn verantwoordelijkheid vallende diensten ten behoeve van crisisbeheersing of rampenbestrijding; e. de Stafafdeling Beveiliging, Bewaking & Vervoer van de Arrondissementale Stafdienst Amsterdam; f. de Milieudienst Zuid-Holland Zuid; g. de DCMR Milieudienst Rijnmond; h. de divisie Rotterdam Port Authority van Havenbedrijf Rotterdam N.V. ten behoeve van het gebruik van uitrukwagens; i. de door de minister van Justitie aangewezen functionarissen van de Landelijke Vervoersdienst Justitie of de Landelijke Bijzondere 133


Bijstandsverlening van de Dienst JustitiĂŤle Inrichtingen; j. h  et door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen orgaancentrum, bedoeld in artikel 24 van de Wet op de orgaandonatie, ten behoeve van het spoedeisende vervoer van transplantatieorganen en het spoedeisende vervoer van transplantatieteams; k. de door de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen aangewezen reddingsbrigades; l. het wapen der Koninklijke Marechaussee, alsmede andere door de Minister van Defensie aangewezen bijstandseenheden.

Artikel 2 Er is slechts sprake van een dringende taak als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en in artikel 1, eerste lid, in geval van: a. een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van de betrokken hulpverleningsdiensten vergt; b. het voorkomen van een voor de mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat; c. een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is. Artikel 3 1. De politie, de brandweer en de diensten voor spoedeisende medische hulpverlening stellen elk een richtlijn op met betrekking tot de werkzaamheden en de omstandigheden, waarin van de optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt. 2. De in of krachtens de in artikel 1, tweede lid, aangewezen hulpverleningsdiensten verklaren een van de in het eerste lid bedoelde richtlijnen van overeenkomstige toepassing of stellen een richtlijn op met betrekking tot de werkzaamheden en de omstandigheden, waarin van de optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde richtlijn bevat in ieder geval: a. de branchespecifieke criteria waaronder met de optische en geluidssignalen mag worden gereden, ter nadere invulling van de in artikel 2 genoemde criteria; 134


b. d  e prioritering van de meldingen en de rol die de meldkamer speelt bij het verlenen van toestemming om met de optische en geluidssignalen te mogen rijden; c. het branchespecifieke gedrag van de bestuurder; d. de vaardigheden van de bestuurder; e. de opleiding van de bestuurder; f. de manier waarop de vaardigheden van de bestuurder actueel en op peil worden gehouden. 4. Naast de in het derde lid genoemde eisen bevat de in het eerste en tweede lid bedoelde richtlijn ten aanzien van de bestuurder van het voorrangsvoertuig de volgende eisen: a. het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 km per uur; b. een vluchtstrook wordt bereden met een snelheid van maximaal 20 km per uur boven de snelheid van het verkeer op de rijbaan, met een snelheid van maximaal 80 km per uur. Wanneer de snelheid van het andere verkeer lager is dan 30 km per uur, mag op de vluchtstrook maximaal 50 km per uur worden gereden; c. de rijbaan wordt bereden met een snelheid van maximaal 40 km per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid. De politie mag hiervan in overleg met de meldkamer in uitzonderlijke gevallen afwijken. Artikel 4 1. De in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 genoemde diensten en de in artikel 1 aangewezen hulpverleningsdiensten wijzen personen of groepen van personen aan, die daartoe ingerichte motorvoertuigen met de inwerking zijnde optische en geluidsignalen mogen besturen. 2. De in het eerste lid bedoelde personen worden aangewezen, nadat zij een speciale instructie hebben gekregen, waarin gewezen wordt op onder andere de strafrechtelijke en civielrechtelijke consequenties van het direct of indirect veroorzaken van schade of letsel tijdens de rit, het gedrag en de reactie van weggebruikers op de optische en geluidssignalen en het gewenste rijgedrag van de betrokken bestuurder.

135


Artikel 5 De signalen zijn als volgt uitgevoerd: 1. blauw zwaai-, flits- of knipperlicht: licht, bestaande uit één set blauwe signaalverlichting; de set voldoet aan klasse 2 van ECE reglement 65 en is overeenkomstig dat reglement gecertificeerd. Het licht is zodanig gemonteerd dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek; ter ondersteuning van de set mag aan de voorzijde van het voertuig symmetrisch ten opzichte van de lengteas van het voertuig op een hoogte tussen 0,4 m en 1,2 m boven het wegdek een set secundaire blauwe signaalverlichting zijn aangebracht; ook deze set is gecertificeerd overeenkomstig ECE reglement 65; de secundaire set is alleen in werking wanneer de primaire signaalverlichting is ingeschakeld; de secundaire set signaalverlichting straalt naar voren, evenwijdig aan de lengteas van het voertuig; de secundaire set mag separaat uitschakelbaar zijn; een voertuig in gebruik bij politie, brandweer of diensten voor spoedeisende medische hulpverlening is slechts van deze signaalverlichting voorzien als het door middel van de in de artikelen 5.2.51a, 5.3.51a, 5.4.51a, 5.4.52a of 5.5.51a van de Regeling voertuigen bedoelde, door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens als zodanig herkenbaar is voor de overige weggebruikers. Een voertuig van de in artikel 1 aangewezen diensten dat gebruikt wordt voor het vervullen van een dringende taak, is van de blauwe signaalverlichting voorzien als het aan weerszijden door middel van een embleem of naam van de dienst herkenbaar is voor de overige weggebruikers. Een embleem of naam van de dienst heeft een oppervlak van ten minste 314 cm2. 2. geel zwaai-, flits- of knipperlicht: licht, bestaande uit één set gele signaalverlichting; de set voldoet aan ECE reglement 65 en is overeenkomstig dat reglement gecertificeerd; het licht is zodanig gemonteerd dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek. 3. groen zwaai-, flits- of knipperlicht: een rondom schijnend groen permanent licht, zwaai-, flits- of knipperlicht, waarmee een voertuig dat is uitgerust met de in het eerste en tweede lid bedoelde signaalverlichting eveneens mag worden uitgerust; het groene licht wordt 136


alleen gebruikt bij een stilstaand voertuig om daarmee het voertuig van de hoogste betrokken leidinggevende van de betrokken hulpverleningsdienst aan te geven. 4. knipperende koplampen: koplampen die tegelijkertijd aan en uit gaan. 5. tweetonige hoorn: hoorn die achtereenvolgens twee tonen aangeeft. De geluidssterkte van elke toon is bij dag ten minste 110 db(A) en ‘s nachts ten minste 100 dB(A). De minimale geluidssterkte wordt tussen 10 en 100 ms na het inschakelen bereikt. De geluidssterkte is maximaal 125 dB(A). De meting van de geluidssterkte van de hoorn vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk 11 van de Regeling toelatingseisen, zoals die regeling luidde voor 1 mei 2009, maar met een meetpositie op het wegdek. De on- en offset ligt tussen de 1 en 10 dB/ms. De wisselfrequentie van de tonen is eenparig en ligt tussen de 0,5 en 5 Hz. De wisselfrequentie mag middels een schakelaar zolang de bestuurder de hoorn bedient, worden verhoogd. Ook in dat geval is de wisselfrequentie maximaal 5 Hz. Deze verhoogde wisselfrequentie bedraagt een verdubbeling van de basisfrequentie. De toonhoogte van de lage toon is circa 375 Hz. De toonhoogte van de hoge toon is circa 500 Hz. De hoorn is alleen in werking wanneer de in het eerste lid bedoelde primaire blauwe signaalverlichting is ingeschakeld. 6. extra richtingaanwijzers: richtingaanwijzers als bedoeld in artikel 30a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Deze richtingaanwijzers worden alleen gevoerd in combinatie met het blauwe zwaai-, knipper- of flitslicht. Artikel 6 1. Bij de volgende werkzaamheden of omstandigheden voert een voertuig, indien de kans bestaat dat het voertuig niet tijdig door andere weggebruikers wordt opgemerkt, geel zwaai-, flits- of knipperlicht: a. werkzaamheden ten behoeve van de hulpverlening op of langs de weg met kennelijk daartoe ingerichte motorvoertuigen; b. werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidbestrijding of sneeuwruimen; c. werkzaamheden met kennelijk daartoe ingerichte motorvoertuigen voor de hulpverlening aan en het repareren of bergen en wegslepen van voertuigen; 137


d. vervoer van ondeelbare lading voor zover het voertuigen betreft waarvoor krachtens het Voertuigreglement ontheffing is verleend inzake de afmetingen van deze voertuigen of hun lading; e. het begeleiden van transporten waarvoor een ontheffing is verleend, voor zover die begeleiding uit de ontheffing voortvloeit en dit geschiedt met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen; f. het begeleiden van militaire colonnes; g. het rijden met landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, of daardoor voortbewogen aanhangwagens, die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan 2,60 meter.

2. Met ingang van 1 maart 2014 bestaat het geel zwaai-, flits- of knipperlicht uit een set gele signaalverlichting; deze voldoet aan ECE reglement 65 en is overeenkomstig dat reglement gecertificeerd. Artikel 7 1. Artikel 5 is tot 1 maart 2014 niet van toepassing op motorvoertuigen die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling zijn voorzien van blauw zwaai- of knipperlicht, geel zwaai- of knipperlicht of een twee- of drietonige hoorn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Regeling optische en geluidssignalen. 2. Artikel 5, eerste lid, is wat de eis betreft dat de set blauwe signaalverlichting en de secundaire set zijn gecertificeerd overeenkomstig ECE reglement 65 tot 1 september 2009 niet van toepassing op voertuigen, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die op de datum van inwerkingtreding van deze regeling niet zijn voorzien van een set blauwe signaalverlichting en een secundaire set die aan deze eis voldoet. Artikel 8 De Regeling optische en geluidssignalen en de regeling van 19 mei 2000, nr. DGP/VI/U000167, houdende erkenning van bepaalde Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten en vrijstelling van de Regeling optische en geluidssignalen, worden ingetrokken.

138


Artikel 9 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2009. Artikel 10 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling optische en geluidssignalen 2009.

139


6.4 Geraadpleegde bronnen en verklarende woordenlijst Bronnen: Koninklijke Vermande Zakboek Voorrangsvoertuigen, vrijstellingen en ontheffingen. 2002. www.wetten.overheid.nl www.Crow.nl www.Swov.nl www.Rijkswaterstaat.nl Leerboek Ambulancechauffeur Incident Management Voorlopige richtlijn bij tweezijdig aanrijdgevaar Het Nieuwe Rijden www.Airbagtraining.nl

Verklarende woordenlijst: V&W: Verkeer en Waterstaat IPO: Interprovinciaal Overleg SkVV: Samenwerking van de zeven stadsregioâ&#x20AC;&#x2122;s in het kader van verkeer en vervoer VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten UvW: Unie van Waterschappen SITRAP: Situatie Rapport METHANE: SitRap volgens werkwijze grootschalig incident, LPA protocol 5.3

140


Aantekeningen

141


Aantekeningen

142


Aantekeningen

143


Aantekeningen

144


Rijtechnische richtlijnen ambulancezorg (rra)