Issuu on Google+

's Rijks Schip Zeeuw


Met 's Rijks schip Zeeuw naar Oost-Indië, reisverslag Justus Klinkhamer

Den 10de November 1826 op Zijner Majesteit Wachtschip Zeeland van de vermoeijenissen der zomer en de aangenaame en zoete ogenblikken eener negenmaandelijksche nonactiviteit uitrustende, ontfing ik eene plaatsing van het Ministerie om mij ten spoedigste naar Zijner Majesteits in Vlissingen liggend Schip Zeeuw onder de orders van den kapitein ter zee G.A. Pool te stellen; hoewel die plaatsing eenigsints onverwacht opkwam, deed dezelve mij echter genoegen. Verlangd had ik reeds een geruime tijd, om naar onze overzeesche kolonien te stevenen en de plaatsing onder mijne vorige kommandant bragt er ook veel aantoe om deze plaatsing voor mij te vervrolijken; dan met een zekere schrik en een groote tempering van genoegen vernam ik tevens dat dit schip bestemd was voor troepen naar de Oost-Indiën te transporteeren. Met de meest mogelijke spoed afscheid van Z.M. amusant confinement1 Schip Zeeland en dezelfs bewoneren genomen hebbende, snelde ik per nagtsnip van het Nieuwediep en van Alkmaar per diligence naar Amsterdam waar ik geheel onverwacht aankwam. Mijne bestemming naar Vlissingen zijnde, wilde ik wel gaarne eerst van eenige dagen verlof aan ’s ouders huis jonisseeren, en deeze werden mij op de verscheining van kapitein Poot ten onzens, dadelijk tot den 1ste December verleend. In [. . . .] eenige toebereidselen te maken,

2


was natuurlijk mijn eerste werk, en de laatste mij overschietenste dagen zonder verzuim, ter smaak onthouding aan mijne familie te weiden, mijn plan, hetwelk ik ook ten volle naar kwam. Zondag den 26 November nam ik voor een Oost Indische reize afscheid van mijne waarde familie, deeze dag en derzelver afwisselende onaangenaamheden te beschrijven, is voor hem overbodig die zulks ondervond, en hem die hier van geen begrip heeft, is het mij ondoendlijk aan zijn verstand te brengen. Genoeg deeze dag worstelde ik door en wierp mij in een weemoedige stemming op de Haagsche diligence, des avonds echter in ’s Gravenhage had ik nog het genoege bij mijne dan woonachtige betrekkingen mijn intrek te neemen, dan ook den 28ste in de Rotterdamsche postwagen stappende, was ik voor God weet hoelang van mijne famillie en bekenden gescheiden, slechts het vooruitzicht op de bodem mijner bestemming een mij gansch niet vreemde kommandant te vinden, was het eenige dat mij nog opbeurde. Den volgenden ochtend na des nachts te Rotterdam geslapen te hebben, vertrok ik des ochtends om 6u met de Middelburgsche Stoomboot de Princes Marianne, die voor het laatst van het jaar naar derwaards vertrok. Ik had aldaar het genoegen verscheidene mijner aanstaande tochtgenooten aan te treffen, die mede op de Zeeuw geplaatst waren en derwaards . De overtogt met de Stoomboot was dus vrij aangenaam maar niet zeer voorspoedig, daar wij eerst des avonds om 5u in Middelburg aankwamen, ik reeds terstond naar Vlissingen waar ik mij nog dien zelfden avond aan mijnen eerste officier de eerste Luitenant van Voss, dezelfde onderwien ik mijne voorige reize gedaan had, presenteerde. Ik vernam toen tot mijn groote spijt dat kapitein Pool zwaar ziek lag en waarschijnlijk het kommandement niet op zich zoude kunnen neemen. De Zeeuw inmiddels nog niet ver genoeg gereed zijnde om betrokken te kunnen worden, en de rol echter geformeerd wordende, werden wij zoolang op Z.M. Fregat Diana gelogeerd, die

3


met de laatste November van zijn vorig commando (als zijnde kortsgeleeden uit de Middelandsche Zee thuis gevaren ontslagen werd). De Zeeuw het grootste schip der Nederlandsche Marine in Augustus van het jaar 1825 alhier van stapel geloopen, was (hoewel tot het charter der Vier-en tachtigers behoorende) gebouwd voor en bestemd om Zes en negentig stukken geschut te voeren, als Vierendertig Zesendertigponders, Tweeendertig dertigponders, Vierentwintig twaalfponders en Zes Carronnades2. Geheel volgens nieuw model, alles diagonaal naar Seppings3 en rond van achter gebouwd, was het een schip dat vooral wegens de constructie als defensie, een der doelmatigste genaamd mag worden die Nederlandsch constructie-werven ooit geleverd hebben. Jammer maar dat deszelfs eerste bestemming, slecht aan derzelver versiering en vertooning in volle waarde konde bijdragen. De Koning eene algemeene zending van militairen naar Java nodig oordeelende werd er natuurlijk naar alle middelen omgezien om dezelven spoedig naar derwaards te vervoeren. Vier duizend man meest vrijwilligers welk tot deeze expeditie bestemd waren, vorderden nogal eenig hout om hen naar hunne destinatie te vervoeren, drie Linie Schepen worden er dus in de grootste haast klaar gemaakt, zullende de rest met transport vaartuigen vertrekken. Deeze Linie Schepen waren behalve de Zeeuw, de Waterloo en Wassenaar beide van vier-enzeventig stukken, gekommandeerd door de kapiteins ter Zee van Dalen en Spengler welken aan den Helder in gereedheid gebragt werden.

'De Koning eene algemeene zending van militairen naar Java nodig oordeelende' 4


Inmiddels bleven de tijdingen van onzer kommandants gezondheid verontrustend, daardoor zijn tot het kommandement niet kunnende aanvaarden, hetzelve aan den kapitein ter Zee E. Lukas moest afstaan die daarop den 12ste December zich aan ons hoofd plaatst. Intusschen werd met de meest mogelijken spoed voortgang aan de Zeeuw gemaakt, en met nacht en dag door te werken kregen wij het zoo verre dat wij den 15de December met springtij uit het dok op de reede kwamen. Men maakte de grootste voortgang met het inneemen van behoeftens daar onze geheele batterij bestond in achtien dertigponders in de kuil zes dertig ponds carronnades op het halfdek en twee twaalfponds jagers op de bak. Het tusschendek dat vooral op dit schip zeer ruim was, werd benevens de koebrug geheel tot het logement van de soldaten bestemd, en bleef daarom geheel ledig. Den 22ste December geschiede het embarquemente der troupes die van Breskens met stijger schuiten en beurtschepen, naar het groote schip het ligchaam bestemd tot hunne overtogt afzakten, wezenlijk [. . . . . . . . . .] , was de aan boordkomst dezer soldaten die door het handgeld en de voorbedoegtelijk gegeeven vrijheid, gevoegd bij de positie waarin zij waren, gedeeltelijk dronken, zich op eens in een (naar hun aantal) zeer eng en besloten verblijf bevinden, waar het weinige lucht, de lage verdieping en de weinige toegangen, voor hen alles behalven vervrolijkend waren. Daarbij pakten zij zich door de ongewoonte letterlijk verdwalend als haring op elkander, en wĂŠĂŠ doen hem die bij het arangeeren der bakken, zich in het gedrang bevond, reeds toen schreeuwden zij over hunne toekomste elende, en slechts de ruim genoten dronk moedigde hen aan. De verwarring die over het algemeen dezen dag aan boord heerschte was bove alle beschreiving, zoo zelf dat

5


niettegenstaande de allergrootste [horust] er geen hand aan het werk geslagen werd. Het aantal die der geëmbarqueerden, onder den kollonel Commandant der expeditie Vermersch bestond dan benevens de Luitenant kollonel Lehdel en 8 kapiteins 7 eerste Luitenants, 11 Tweede Luitenants en 790 onderofficieren en soldaten formeerende het flankeur battallion en staf. Voeg hierbij driehonderd personen die onze rol sterk was en men zal zich een iedée kunnen maken van de chaos van verwarring, die deeze eerste dagen aan boord heerschte. De Zeeuw was, dagelijks met een aantal kleine vaartuigen omringd en alle geschutspoorten dienden tegelijk om te laden, reeds was door de ongewoonte en het vreemde van hun verblijf, het gebrek onder de soldaten zoo groot, dat zij tot een gulden voor vijf stuivers brood en tien stuivers voor een kruik bier betaalden. De allergrootste moeite hadden wij deeze afzetterij door alle die kleine vaartuigen aangebracht te beletten. Na nog gestadig dag en nacht gewerkt te hebben moesten wij den 30ste December (de Weste wind aannemende) de Schelde op, hetgeen wij met zeer veel moeite bewerkstelligden, en onder de hoek van Borselen ankerden. Wij maakten hier onze laatste zoeken zoo snel mogelijk, onder het faveur van een jagtsneeuw in order, en den 5de january 1827 de wind Oostelijk wordende, lieten wij ons weder met den dag tot voor Vlissingen afzakken, waar wij in de meeste haast onze papieren abandeerden, afscheid namen van het Vaderland en om 1ure het anker ligtende de Deurloo uit naar Zee zeilden. De wind bleef Oostelijk doch flaauw, zoo dat wij den uiterton gepasseerd zijnde koers boven den Abank stelden waar wij ’s nachts om 10½uur over heen stootte, hebbende des onze koers wat laag genomen. Nu waren zelf de laatste vuren van het door ons verlaten geliefde Vaderland, verdweenen, en onze hoop, (nu toch van hetzelve verwijderd) was

6


slechts zoo spoedig mogelijk weg te komen. Doch dit scheen in het boek des noodlots anders opgeteekend te staan, want reeds dien zelfden nacht kregen wij de wind uit het Zuid Westen verzeld van een aanhoudende mist. Wij werkten den volgende dag in de Noordzee op, namen echter uithoofde van het mistige weder een Engelsche loods aan boord en kregen een peiling van het vuurschip van den Gallooper (een bank op de Engelsche kust, benoorde de Theems). De wind echter tegen blijvende, raakten wij den volgende morgen zijnde Zondag den 7de des morgens om 11u in de wending aan de grond, zoodanig dat hoewel de koelte flaauw en het weder slecht was, het schip echter zich stoottende vastwerkte.

' Doch dit scheen in het boek des noodlots anders opgeteekend te staan ' De verslagenheid was zeer algemeen op de meeste aangezichten te leezen, en reeds zag men er hier en daar eenigen hunne beste spulletjes bij elkander zoeken en inpakken. Het gekakel van de soldaten was algemeen en wezenlijk vreemd was het, hen en de matrozen te zien dringen, als wilde zij hun aanstaande lot uit hunne meer of min beangste gelaatstrekken opmaken. Wezenlijk verontrustend was echter dit toeval, dan het bleek ras afgaand tij te zijn en wij hadden des het vooruitzicht (wind en zee niet toenemende) met eenige uren geduld’s oeffening van deezen zotte scene afteraken. Door de matrozen die zulks niet wisten, gaven de soldaten niets dan verontrustend verslag van hunne gevoelens, het een en ander maakte dus de verwarring (zoo mogelijk) nog grooter dan bij het embarquement. Intusschen wilden wij (de mist zeer zwaar zijnde) door het roeren der trom

7


het steken der trompetten en het doen van noodschoten, van onze vastzitting aan de hoorders kennisgeeven. Weldra ook kwamen er eenige Engelsche loodsboten, die ons (daar onze loods dit niet scheen te weten) berigtten dat wij kennis met de Kentisch Knock (een bank in de monding van de Theems) gemaakt hadden. Het tij intusschen afnemende loodden wij uit de rusten achttien voet water, hoewel het schip tusschen de vijf- en zesentwintig voeten diep ging. Met het wassende water echter, geholpen door de werking der wind op de zeilen, en de beweging der bodem, door de machinale, gekommandeerde heen en weer gang van een duizend zielen (echter nog door ligchaamlijke zelfstandigheid omhuld) geholpen, begon tot aller blijdschap de bodem weder vlot te raken, en weldra had de kiel zijne zandbedding verlaten. Wij verloren er dus weinig bij, en wonnen hetgeen ons vierentwintig uur ontbroken had, namenlijk een verkenning, die echter zoo secuur niet was of wij vonden ons verplicht bij aanhouding van tegenwind en mist kort hierop te ankeren. Des avonds eerst om 11u bij het opklaren der mist zagen wij het vuur van Noordvoorland en den volgende morgen het anker weder ligtend zeilden wij naar de reede van Duins, om een betere gelegenheid aftewachten. Wij salueerden het daar liggend Wachtschip RamilliĂŤs met 9 schoten en werden met een gelijk getal bedankt. De reede lag zeer vol schepen die allen op eene geleegenheid om het kanaal door te komen, wachtende waren, wij lagen hier tot den 12de , namen nog eenig water in en gingen toen met een Noordelijk briesje dadelijk onderzeil. De wind steeds stralende bragt ons niet verder dan tot op de hoogte van Portsmouth, waar zij hand over hand aannam en ons weldra voor een volslagene storm uit den Westen, met

8


zeer hooge en moeilijke zeën bij deed liggen. Het schip dat door deszelfs groote onder, en geringe boven last, allergeweldigst slingerde, leed (te meer als hebbende geheel nieuw tuig dat sterk rekte) zeer veel. Dan wie beschreift in deeze omstandigheden het toneel der algemeene verwarring en akeligheid, het tusschendeks van het schip waar die achthonderd zeeziek door elkander in water en slijk rollende militairen logeerde naast zeer veel van den fartarus gehad hebben, hoewel hier de particuliere duivels door den algemeenen duivel de woedende zee, werd vervangen; de ziekeboeg was weldra vol van gekwelde, die ginds en derwaards geslingerd zich jammerlijk bezeerden. Het ongeluk wilde dat wij Portsmouth niet konden beleggen, wij hielden dus weder af en ankerden den 15de op de reede van Dungenes, achter de landpunt waar de schoone vuurtoren van de Cingels op staat en zeilden den volgende dag naar de reede van Duins terug. Nu echter de wind weder omloopende naar ’t Noorden maakten wij weder klarigheid en zeilden den 17den nu zoo veel water als mogelijk was medegenomen te hebben, weder het Kanaal in. Op de reede van Duins hadden wij nog Z.M. brik de Zwaluw ontmoet, van de West Indieën komende en naar Helvoetsluis bestemd. Het scheen dat de fortuin die ons deezer dagen als een grijnzend spookzel had toegelagchen, en reeds zwaarmoedigheid onder de geëmbarqueerden had nagelaten, thans wat handelbaarder begon te worden. Met een aanmerkelijke vaart stevende wij langs de heerlijke romaneske Engelsche kusten, die als het ware door haar zacht wit en groen de zee aan den hemel scheen te verbinden en den 19de verlieten wij het Kanaal en stevende de Oceaan in.

9


'als een grijnzend spookzel had toegelagchen, . . . . ., thans wat handelbaarder begon te worden.' In de beginne ontmoette wij nog verscheidene scheepen, dan dit werd hoelanger zoo zeldzamer, over het algemeen ging nu de reize vrij voorspoedig, en niets bijzonders brak deszelfs eentonigheid af, tot wij den 29 january het Eiland Madera ontdekten. Daar wij het echter des morgens vroeg met een mistige lucht passeerden leverde het aan het zoekend oog weinig schoons in verkennens op, zeer hoog en steil aan de Westkant, verraadde het echter in de valeiĂŤn en kloven der rotsen, derzelve weelderige vruchtbaarheid, en gaf, hoewel wij ons slechts korte tijd aan derzelver beschouwing konden verzaden (=verzadigen) echter nog aan de eentonigheid der reize eenige afwisseling. Vrij voorspoedig ook vervolgde wij onze reize, hoewel met geringe koelling tot wij den 31st ons onder de Canarische eilanden bevonden. Wij zeilden met een flaauwe koelte tusschen de eilanden Tenerif en Canarij door, dan de mistige lucht belette ons in het eerst de Piek die mededinger der hoogste bergspitsen der oude waerelt te onderscheiden. Doch allengskens na dat de zon haren middagstand bereikt had en zich statig naar de Wester horison begon te neigen, begonnen ook de dikke wolken, die in eene dubbele laag de Piek bedekten, op te trekken om als het ware ons alle schoone gedeeltens van deezen trotschen bergspits trapsgewijze in derzelver volle glans te doen aanschouwen, slechts eene ligte laag achterlaatende, om daardoor deszelfs grootsch aanzien te vermeerderen. Weldra ook vertoonde zich het eiland Tenerif en deszelfs Piek aan de Zuidzijde in deszelfs geheele schoonheid, eene aaneenschakeling van prachtig groene heuvelen, door de schoonste

10


valeiën verdeeld en door de gloed der zon verlevendigd maakte deszelfs Oostelijkst gedeelte uit waarover zich eene hooge wolkdragende bergrug statig vertoonde. Op deszelfs Westelijke hoek verhief de majesteuse Piek zijne trotsche hemeltergende kruin in een zeer spitse gedaante boven een laag van door de dampen bevochtigde en door de ondergaande zon veelkleurig bescheene wolken; vertoonende zich in een Romaneske en nederige schildering. De arme vergeetene Stad St Cruz door weinig verlichte maar weinig behoevende Portugeezen bewoond aan deszelfs voet. Het eiland Canarij dat mede zeer hoog is, voldeed door de mistige en daardoor onvoordelige plaatsing waarin wij het zagen slechts weinig. Het geene het aanmerking waardige van den laatsten January nog vermeerderden was de ontmoeting van den Nederlandsche brik Clara Henriëtta4, die tegelijkertijd met ons, uit Texel gezeild zijnde, mede met expetitionaire Husaren bevolkt was. De ontmoeting deezer voor het Vaderland gerevoueerde militairen, in de Atlantische Oceaan was inderdaad bijzonder, en van weerszijde deelden zij hunne Zèle5 door muciseeren en herhaalde houra’ce6 mede, den volgende dag echter verloren wij deeze medereisgenoot uit ’t zicht. Steeds onze koers ZuidZuidWestwaards vervolgende bevonden wij ons den 5de February onder de Kaap-Verdische Eilanden het eerst van welke wij voor het kleine eilandje Sal verkenden. Hetzelve is lang en zandig, den volgende dag passeerden wij Bonavista en St. Majo die wel veel grooter maar echter mede zeer zandig en dor scheenen, nu ook namen wij voor geruime tijd afscheid van land en stevende met de NoordOost passaatwind die wij bij Tenerif gekregen hadden rustig naar de Linie.

11


Het enigst aanmerkingswaarde dat ons thans in zee ontmoette waren behalven een enkeld schip, een menigte vliegende vissen. Deeze waren ter grootte van een haring, doch stomper van kop grauwer op de rug en zilverachtig wit onder de buik, met vliegvinnen ieder ter lengte van hun ligchaam, met geheele schoolen verheffen zij zich, hoewel zelden boven de achttien voet boven water, zich echter niet boven kunnende houden wanneer hunne vinnen opdroogen. Van tijd tot tjd ook zagen wij de zoogenaamde Portugeesche oorlogschepen, zijnde een soort van zeeschulp, welks inwooner door het uitsteken van een roodachtig vlies zich voor de wind op de oppervlakte van het water laat voortgleiden. Den 16de February passeerden wij reeds met de ZuidOostpassaat de Linie waarbij de gebruikelijke plegtigheden in volle glorie plaats hadden. De optogt van Neptunis was met deszelfs decoratiĂŤn vrij interessant, zittende zijne Exellentie de Godheid in een wagen met Amphitrele voorzien van een drietand met gezouten haring (bij gebrek aan versche vis), met een zwarte koetsier en lijfknecht, en getrokken en voorafgegaan door een aantal met alle mogelijke attributen voorziene halfnaakte zeeduivels geschilderd en beklad op een ijsselijke wijze. Het inzeepen met teer het kapen (?) en dopen ging algemeen, dan (door het aantal te dopene) slechts in geringe mate zijnen gang, dan het meest kwam het echter op de drijfveer van alle menschelijke daden, namenlijk het afschuiven van de nodige pecunieĂŤle specie aan, en met het voldoen hiervan, nam ook de festiviteit een einde.

' . . . halfnaakte zeeduivels geschilderd en beklad op een ijsselijke wijze.'

12


De ZuidOost passat bragt ons hier gevoegd bij de sterke de golf van Mexico, intrekkende NoordWestelijke stroom spoedig naar de Zuid Amerikaansche kusten. Dan van tijd tot tijd wat bijruimende bleven wij op een honderd mijl van dezelve verwijderd, en stevende weldra op het in de kaarten als twijfelachtige opgegeeven eiland Saxenburg, van hetwelk wij echter niets ontdekten, hoewel wij hetzelve volgens onze observatien zeer digt hadden moeten passeeren. Op de breedte van de Kaapsche Goede Hoop gekomen zijnde, kregen wij weldra eerst Noordelijke en vervolgens Westelijke winden, die ons door elkander omstreeks vijftig mijlen per etmaal deden afzeilen. Wij zagen nu reeds de albatros hebbende zes tot tien voet vlugt, grijs op de rug en vleugelen met zwarte slagpennen en rozenroode hals en buik. Dezelven scheenen de gevaarlijke hoedanigheden van het buskruit niet te kennen, verscheidene werden er door jagtgeweeren gekwetst, en echter scheenen de anderen over hunne gevelde medemakker onder bereik van ’t schot om wraak te scheeuwen. Om 1u op den 20ste Maart zagen wij het eerste land (waar reeds lang ongeduldig naar was uitgekeken), en verkende al spoedig de bekende Tafelberg en de daarvoor gelegene Leeuwenberg. Nu eerst bezochten ons de Kaapsche duiven, deeze zijn veel op de duiven gelijkend, dan hebben zwaarder bek en met zwemvliezen voorziene pooten. Zij zijn meest zeer regelmatig en fraai zwart en wit geteekend. De wind die nu weer uit de ZuidOosten woei, belette ons baai Fals7 in te loopen, maar deed ons den 22ste met veel moeite de Tafelbaai bereiken; onder het doen van een salut kwamen wij tegen drie uur voor de Kaapstad ten anker. Van de andere schepen onzer expeditie zoo wel vóór als na ons gezeild

13


vernamen wij hier niets, en ons oogmerk slechts zijnde om het tuig naar te zien, en water in te nemen, werd hier in aller ijl een aanvang mede genomen. De Tafelbaai meest door de in zee uitstekende Leeuwenberg gevormd, is vrij onveilig daar zij voor de Westen tot Noorden winden geheel open is, slechts het robbeneiland (een dor en onbewoond eiland, ontleenend zijne naam van de menigvuldige bezoeken der zeerobben) dekt de reede eenigsinds, hoewel hetzelve er omtrent drie mijlen van verwijderd ligt. De NoordWeste winden zijn hier zeer te vreezen, veroorzakende zulk eene hooge zee dat er weinig ankers en touwen tegen deze beproeving bestand zijn, waarom ook tegen de kwade mousson, op den Leeuwenberg een vlag ten teeken van waarschuwing waait, om de aankomende schepen van het gevaar te verwittigen, waarom alsdan ook geen schip buiten de hoogste noodzakelijkheid deeze baai bezoekt. De ZuidOosten winden waaien hier ‘t grootst gedeelte van het jaar en gaan met zovele valwinden gepaard speciaal alsdan heeft men niets van de zee te vreezen; het wateren gaat hier voor de schepen zeer gemakkelijk vullende men aan kranen aan een uitgebouwd poelenhoofd aan de Oost zijde der stad.

Kaapstad Het gezigt op de stad is schoon en trotsch, aan de voet van de hooge en zonderlinge Tafelberg geleegen, word de kaapstad aan de Westzijde door de Leeuwenberg gedekt op de laage afloopende punt de Leeuwenbil genaamd staat een schone vuurtoren, en van deezen hoek tot de stad toe is de kust met batterijen gedekt. De stad zelve heeft weinig

14


verdediging hoewel een kasteel aan de Oostzijde de stad bestreikt, van de reede gezien heeft de Kaapstad weinig schoons, verliezende zij zich in de steilte der Tafelberg die hoewel een zonderlinge echter een dorre vertooning opleverd, wordende de waarlijk fraaije landsdouwe door de stad gemasqueerd. Tegen de Leeuwenberg liggen nog eenige Lusthoven en op de Leeuwenbill staat thans de Engelsche seinpost, hebbende de Hollandsche voorheen op de Leeuwenkop gestaan. Deze thans Engelsche kolonie is gansch niet meer in die bloeijende toestand waarin zij voorheen was. Alles wat tot de dagelijksche uitgave behoort, was tot een bijzondere duurte geklommen. De inwoners leven hier hoewel in een zekere zin vreedzaam, echter altoos door het Engelsch bestuur gequete en aan verscheidene etiquettes onderworpen, die behalve dat zij zeer lastig zijn, nog altoos den Hollander zijne verandering van toestand doen gevoelen. Wat de koophandel aangaat deeze neemt ook niet toe daar de correspondentie op Nederland langsamerhand verminderd en echter een groot aantal der inwoners nog Nederlanders zijn, de belastingen overal op gezet zijn dubbeld verzwaard, en benemen dus den binnenlander de lust zwaren arbeid te verrigten, die hun slechts zeer weinige winsten zouden kunnen opbrengen. De Hottentotten verlangen nog steeds weder naar ons Gouvernement en de algemeene zucht naar hetzelve domineerd in de Kaap Stad. De wijze waarop wij hier komende, door de Nederlandsche ingezetenen ontfangen werden, was (vooral voor menschen die reeds twee maanden achtereen in een altoos durende chaos op zee gezwalkt hebben) aller aangenaamst. De geestdrift was algemeen toen een zoo groot schip, met de altoos hier nog gerespecteerde vlag de Tafelbaaij naderde, en de alles overtreffende gastvrijheid die wij allen het genoegen hadden hier te mogen ondervinden, bewees nog genoegzaam de hartelijkheid waarmede zij aan ’t moederland

15


gehecht waren. De vragen naar de Koning en de toestand van Nederland waren algemeen, en de toasten op derzelver welvaart de ziel der bijeenkomsten, bals en uitnodigingen volgden elkander onafgebroken op in de weinige dagen die wij aan de Kaap vertoefden en zeker driequart der Nederlandsche ingezetenen vereerden

Blz. 23-126, met oa. aquarellen op blz. 28 Kaapsche Villa 42 Chineesche Wankong en praauw = Sapat 52 Praauw Majang 56 Europeesche woning van Sourabaya 60 Chineesche woning Sourabaija, 64 Vissers praauwen Sidaijoe, 74 Bataviasche bouworde, 80 Landstreek boven Batavia, 90 Javaansche man en vrouw en Maleisische slavin, 92 Javaansche Regent en 94 Chineesche handelaars met een Couli.

16


Blz. 127. "5e op de reede van Vlissingen ten anker. Hoewel het lang in het onzeker bleef of wij niet weder dadelijk een dito reize als de vorige zoude moeten ondernemen, en ieder daarvoor aan boord bleefden, kregen wij eindelijk order om het schip af te tuigen, haalden ten dien einde den 3de november in het vlak, en werden den 15de van die maand op nonactiviteit geplaatst. Wanneer elk zich naar zijne betrekkingen spoede, en ik het bijzonder geluk had hen allen even gezond en wel als ik hen verliet, terug te zien."

17


Originele tekst blz. 1

18


Endnotes. 1

amusant confinement: prettige opsluiting Carronade: een kort, gietijzeren kanon van groot kaliber. Het werd gebruikt als korte

2

afstandswapen bij de zeemacht en is een vorm van krombaangeschut, zoals een houwitser. het geschut wordt op de verschansing van een schip bevestigd, de terugslag wordt dus opgevangen door de verschansing 3 Seppings. Sir Robert Seppings (1767-1840): de grote man van de Britse admiraliteit aan het eind van de 18e eeuw. The system of diagonal timbering, for which the British navy is indebted to Sir Robert Seppings, one of the surveyors on the establishment, was first commenced in the year 1800, upon the Glenmore 32. In 1805 it was further applied, at Chatham, to the Kent 74, to give auxiliary strength to that ship after her return from the Mediterranean. 4 Clara Henriette. de brik Clara Henrëtta(e), 292 ton, afm. 29.4 x 82 x 5.2 m liep in 1826 te water op de werf van Haring Booy & Zn “De Vergulde Schol”, Realeneiland in Amsterdam voor de Nederlandse Scheepsreederij Amsterdam. Het werd verkocht in 1839, geen verdere gegevens bekend 5 Zèle: ijver, enthousiasme 6 houra’ce: hoera’s 7 baai Fals: False Bay of Valsbaai

19


Justus Zeeuw 1826