Issuu on Google+

DANS TUSSEN HONDEN EN WOLVEN EDDY ADRIAENS


Copyright 2011 Uitgegeven door

: Edgard Adriaens : Edgard Adriaens

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een electronisch gegevensbestand of openbaar gemaakt, noch geheel, noch gedeeltelijk, in enige vorm of op enige wijze, hetzij electronisch, mechanisch, door fotokopieĂŤn, opnamen of op enige andere manier zonder de voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de auteur / uitgever.

2


DANS TUSSEN HONDEN EN WOLVEN

EDDY ADRIAENS 3


4


HET IS VERDOMD NIET WAAR! Dat de mens geboren wordt Beladen met de schuld van zonden Door oude joden uitgevonden; Dat het eten van de vrucht der kennis, Het streven naar inzicht in goed en kwaad Een verkeerde manier van leven is; Dat geloven in het onvatbare belangrijker is Dan proberen te verstaan wat vatbaar is En open te laten wat je inzicht te boven gaat; Dat het zoeken naar persoonlijk geluk ego誰sme heet En afzien voor het genot van anderen De juiste weg, een heilige zaak; Het is onnatuurlijk, gewoonweg onwaar! Dat je in alles zorg moet dragen Te doen en te zijn zoals anderen vragen; Dat je trouw niet jezelf toebehoort Maar de gemeenschap, de kerk, de staat; Dat het naakte mensenlichaam vies is En seksueel genot pervers; Dat materie en geest niet complementair Maar gescheiden elementen zijn Met tegenstrijdige behoeften; Geloof het niet, want het is niet waar!

En dit moet ik je nog zeggen: Dat, als het leven een steile helling is, Al deze zaken een koets zijn op vier wielen En jij het paard dat ermee de helling af moet. Je kunt dat lopend doen, En je laten voortdrijven door het gewicht van de koets, Of je kunt het langzaam doen, En zelf de last onder controle houden. Belangrijk is in deze zaken niet, Hoe vlug we ter bestemming geraken; Maar wel, waar we geraken En vooral: hoe jij je daar bij voelt!

5


ALS EEN KIND

Als alles nog vers is: De lucht en het land; Als mensen, dieren en dingen Nog baden in een vreemd licht, Nieuwe geuren verspreiden En verrassen door hun humor, Hun aard, hun kleur en omvang; Dàn zuigen onze longen Nieuw bewustzijn op Met volle teugen Bij iedere blik, Met ieder woord, Met ieder contact, Op elk moment. Als achter elke bocht En in elk gezicht Nog het onbekende lonkt; Als de verschillen in taal, In bodem, in klimaat en cultuur Ons nog tegemoet springen Uit 1001 kleine hoeken; Dàn observeren wij, Analyseren en absorberen wij Met een zuiverheid en intensiteit Die bovenmenselijk lijken, Voortdurend aan.

6

Als wàt we voelen ons de adem Doet stokken in de keel, Wàt wij zien ons de schellen Van de ogen doet vallen, Wij meer leren in een uur Dan anders in een jaar; Dàn worden beelden gekrast In onze nog weke schors. Beelden die verdiepen Naarmate wij groeien, Beelden die wij uitstralen Tot zij tenslotte Onszelf overleven. Ach, zo te kunnen leven elke dag, Zo bewogen te kunnen worden, Verbaasd en nieuwsgierig Om de rijm die deze morgen Op de velden lag, Om een glimlach of een traan; Wat een rijkdom zouden wij dan Behoeden voor het verloren gaan!


CHAOS WELLICHT

Op de zacht verende, Op de vruchtbare, De donkere en vochtige grond Heb ik, in kleermakerszit, Me neergezet, Verwonderd over hoe groen Hoe geurig en mals het gras is, Hoe heilzaam de herfstzon, Hoe mooi toch de natuur. Neergezeten ben ik Op deze lieflijke herfstnamiddag Bij mezelf te rade gegaan Met het vaste voornemen Mijn positie te bepalen op de oceanen Van huwelijks- en gezinsrelaties, Werk- en verenigingsleven, Hobby en vrijetijdsbesteding, Politiek en welzijnszorg, Economische en filosofische principes, En de manier waarop alles wordt toegepast;

Maar daar gezeten heb ik me vooral verwonderd Over hoe groen ons gras wel is, Hoe geurig, hoe mals de grond En hoe deugddoend de herfstzon, Hoe mooi toch de natuur. Wat droevig ben ik dan opgestaan En onder het wieden van het laatste onkruid Bedacht ik hoe primitief ik wel ben Dat ik een poolster nodig heb Om mijn instrumenten te kunnen richten Maar dan, Stel dat het zo niet was, Wat had ik dan vandaag Aan dat malse gras gehad?

7


DE MUZE "De muze is weg", zei vader Toen hij met dichten stopte. Drieduizend keer had hij Een blad vol gerijmd. Drieduizend keer blij geweest, Dankbaar, trots, verliefd, Vol bewondering voor anderen. Drieduizend keer had hij Elk negatief gevoel geweerd, Elke pijn, elke ontgoocheling. Hij had enkel opgeschreven Wat prettig was of mooi. Drieduizend keer En niet ĂŠĂŠn keer meer. "De muze is weg", zei vader Toen hij met pensioen ging En het was alsof zijn leven stopte, Of alle energie was aangewend. Pas toen heb ik beseft - En dan nog maar een heel klein beetje Hoeveel het hem al die tijd wel had gekost Vader te zijn van zeven kinderen, Bediende in een grote bank, Bestuurslid van de K.W.B., Topverkoper bij elke actie Voor "ons" project in Chili, En hoe weinig vreugde en kracht Hij uit zijn successen had geput. "De muze is weg", zei vader En plots was hij dezelfde niet meer. De blijheid, de dankbaarheid, de trots, Alles was opgebruikt. Wat bleef - en hij niet langer verdringen kon Waren angst en onzekerheid, Bitterheid, nachten zonder slaap En lege dagen overwoekerd door zwartgalligheid.

8


DE ZEE

De hypnotiserende kracht van die watermassa Waarin ik mij verloren staar En die met een stem van miljoenen kruinen Zacht ruisend verhalen fluistert Die uitdeinen op de golven van de oerknal. De zee die brandt in rood en goud en in oranje En met haar hete adem mijn wangen streelt Als ze zacht de zon ontvangt: De Zee. De wenkende horizonten, Met schepen die de richting aanwijzen Naar vreemde landen en verre avonturen, Ons herinneren aan de mogelijkheid Van andere manieren van leven, Andere routes en levensbestemmingen Dan deze waarheen wij drijven: De Zee. Met bulderend stormgeraas En het beuken van huizenhoge golven Eist zij alle aandacht op, Daagt zij uit tot de strijd, Striemt en geselt zij de onverlaat Die zich in haar nabijheid waagt, Duwt hem uit zijn evenwicht Of zuigt hem naar zich toe: De Zee.

Als een duistere diamant Vol glinsterende fosforkoppen Rijst zij de maan tegemoet. Zij zwelt en groeit, Trekt terug en rijst opnieuw In zwart en groen en zilver. Speels of onstuimig, Loom, verleidelijk zacht, Lokkend of dreigend, Kabbelend, klaterend, strelend Of beukend, striemend en slaand, Altijd verrassend is zij bij nacht: De Zee. Honderd meter zwemmen Verder was het niet tot aan de boei, Maar toen ik er eindelijk kwam, Schrok ik van de afstand tot het strand. Tegen het getij in putte ik me nodeloos uit. Gelukkig hielpen de golven mij Toen ik terugcrawlde Naar de mensen op het strand. Hoe heerlijk dan het snijdend zand, Hoe heerlijk te leven op het land!

9


GELUKWENSEN VOOR HET JONGE PAAR "Doe jullie werk goed vannacht" Zal men jullie toewensen En op de kaartjes die jullie krijgen Zullen welgemeende wensen staan Die verwijzen naar zinnelijk genot, Huiselijk geluk en kindervreugde En het leven voorstellen als één groot feest, Een boottochtje onder een stralende zon Met hoogstens een heel klein wolkje aan de horizon. Maar zo is het leven niet en zo is ook de liefde niet. Zelfs voor de ander leven, Zoals je nu wellicht wel wil, Dat kun je niet. Leven, het klinkt afgezaagd, het is geven, maar ook nemen, Het is een labiel evenwicht tussen een heleboel factoren. De eisen, dromen en mogelijkheden van jou en je partner Maar ook van jullie families, werkkringen, vrienden En de ganse wereld daarom heen, vallen nooit volledig samen, Botsen voortdurend op veelal onvoorspelbare wijze En veranderen soms totaal onverwacht bovendien. Ze dwingen jullie steeds weer in posities Die jullie vaak veel liever vermeden hadden. Julie ruzies zullen bewijzen Dat elk van jullie een eigen persoonlijkheid heeft; De oplossingen die jullie voor jullie problemen vinden Zullen jullie zelf, en allen die jullie kennen, Beetje bij beetje tonen of het wel waar is van dat beminnen En of jullie de kracht en soepelheid kunnen opbrengen Om van elkaar te blijven houden na de paringsdans. Want elke dag verandert de wereld, Elke dag verandert elke mens een heel klein beetje En slechts als jullie samen in dezelfde richting denken Zullen jullie ook samen in dezelfde richting evolueren. Soms kan dat niet. Je voelt: het gaat niet meer En wat je het meest vreesde, zie je gebeuren: De mot komt in je leven, Sleur en verveling waaien je tegen En uit die dwangbuis geraak je zomaar niet. Uiteindelijk mis je zelfs de moed het te proberen. Moest het jullie zo vergaan, Verpest dan elkanders leven niet. Bij een scheiding stuurt niemand kaartjes En toch: de stap is minstens even groot En vergt veel meer moed Dan deze die je vandaag, naïef nog, doet.

10


HUWELIJKSLEVEN In de branding wil ik leven: Daar waar het water botst en de stroming bruisend In schuim en fluorkleur de zee doet leven. Kijken wil ik, - en luisteren, tasten, voelen, ruiken, roepen Tegen wind en golfgeraas, Proestend onderduiken, spreken met de wolken en de golven En tegen de meeuwen schreeuwen. Gewoon het leven mee beleven. Kom Shiva, dans met mij de dans van vuur en brand Vol leven en vernietiging Laat mij 's mensen waarheid, zijn zwijgen en zijn leugens, Zijn kracht en macht en zwakheid in alle mogelijke schakeringen Van Liefde, Haat en Onverschilligheid jaar na jaar op deze aarde In gemeenschap mee beleven. Ik wil leven, leven in het water dat de dood tot leven bracht. Ik wil proeven, snoepen van de pracht Die uit duizend hoeken mij tegenlacht En bewonderen al wat werd voortgebracht. Kom, Vrouw, ik zal je zachte dijen strelen, Ik zal groeien in je schoot, voelen hoe jij golvend mij omvat, Hoe je vingers met mijn haren spelen. Kom, Vrouwtje, ik zal huiselijk zijn en trouw, Ik zal buigen voor je liefdeskracht, slapen aan je borsten, Mijn drift met de jouwe weer verweven Tot wij het genot van onze liefde in eenzaamheid samen herbeleven. Kom, Vrouwtje, wandel met me mee, zie hoe mooi de wereld is, Keer je blik af nu van mij en van jezelf: Niemand hoeft ons wat dan ook te geven. Laten wij zelf heel kleine dingen doen, Samen uit deze ongesloten kerker treden, Gaan luisteren naar wie wat te zeggen heeft, Kijken naar wat zoal te zien is; Vieren al wat uitdrukking geeft aan het leven. Komaan, laat ons samen in gemeenschap leven Om onszelf te verrijken en zo aan de wereld en ons samenzijn Diepere inhoud te geven en meer vreugde te beleven.

11


IK HOU VAN JE Je weet het wel, Maar ik kan het je gewoon niet genoeg zeggen: Ik hou van je. Ik hou van je verassende spontaniteit, Van je gekke invallen en dwaze uitvluchten, Van je stralende levenslust, Van je temperament en je buien, Van het ongeduld waarmee je me opwacht, Van de droefheid in je stem als ik vertrek. Ik hou van je observatievermogen, Van je geheugen voor gezichten, Van je inzicht en organisatietalent, Van je sociale vaardigheden, Van je koppigheid, je ongekunsteldheid, Van je zin voor initiatief, van je humor. Ik hou van je lichaam, Van de kleur van je haar en huid en ogen, Van je geur, je eeuwige frisheid, Van de vorm van je mond en van je neus, Van het geboortevlekje op je kin, van je rug, Van je borsten en de onbeschaamdheid van je tepels, Van je hals, je heupen, dijen en benen, Van de zachte warmte van je schoot. Ik hou van je stem, Van de speelsheid waarmee je me aanraakt, Van de nieuwsgierigheid waarmee je me omgeeft, Van je onuitputtelijke bron van plagerijen, Van de tederheid van elke laatste kus. Ik hou van de genegenheid die je voor je familieleden voelt, Van de vriendschap waarmee je vrienden bedeelt, Van de idee dat ik je gelukkig maak En van de wetenschap dat ik gelukkig ben door jou. Ik hou van je jaloerse buien, Van de interesse en het geduld waarmee je naar me luistert, Van de ernst en de rust op je gezicht wanneer je je schminkt. Heel kort: ik hou van je. Ik hou van je en ik weet dat je het weet, Maar ik kan het je gewoon niet genoeg zeggen: Ik hou van je.

12


LIEFDESKREET

Als een stralende zon Troon jij aan mijn hemel Zon in Zenit Wolkenloze lucht Blauw is het firmament, Rood de liefde Een ballon in die lucht Zeepbellengeluk? Een slag in het water? Golven sterven, Water blijft Een kaars flikkert in de wind, Maar dooft niet Als kaarsen verkleinen Vergroot soms nog de vlam.

Eeuwige vlammenzee, Mijn geluk Het nieuwe wordt oud Revoluties geclicheerde tradities Bewegingen leer je soms voorzien Maar een hart is nooit te peilen. Lieben heisst k채mpfen: De strijd voor het geluk Moeder, --- waarheen varen wij? Ik brand Jouw geluk en het mijne Cupido en amor, Nooit verzadigd, Steeds bemind Een tweeling. Voor hoelang? Ik wil je langer!

13


LITANIE VAN ZEVEN VRIJDAGEN Slapeloze Nacht, Sneeuwtapijt, Dood Seizoen, Bevroren Grond, Bloedstoller, Rode Lamp, Verbodsteken, Rempedaal, Hondenketting, Lorelei, Sirenenzang, Regenbuien doven het vuur van enthousiasme met tranen Als je geliefde verdrinkt in zichzelf En enkel liefde en aandacht, Meer liefde, meer aandacht vraagt. Zwanenzang, Mummie, Wijfjesspin, Woestenij, Zandbank, Draaikolk, Zure Regen, Cyaankali Pil, Losgeslagen Ra,

In een bodemloos vat desintegreren langzaam alle dromen Doordrenkt met bier , verwijten en zelfbeklag

14


MIEKE MUS

Ik zag door mijn venster twee musjes in hun nest. EĂŠntje ging er vliegen Het ander had aan vliegen de pest. Want de boom was een iep En het nest heel erg hoog, De aarde was zo diep De risico's zo groot! Ik keek door mijn venster Naar een kat in het gras. Die zag een musje vliegen Maar was toch in haar sas. Want boven in de iep Klonk het stemmetje zo hoog En het benauwde gepiep Van het vogeltje dat nog niet vloog. Zo bleef het musje leven Dat de dood had getart En leefde maar even Het kleine jong Dat zijn angst voor de dood Met angst om te leven had verward

15


MIJN WEG En nu, herboren, sta ik hier en blik terug Op wat het voorbije jaar mij heeft gegeven. Vrienden, het is met plezier dat ik verslag breng Over dit keerpunt in mijn leven: Het was een jaar, een jaar zo vol, Dat vele en grote veranderingen bracht Maar ook, en belangrijker nog is dat, Een jaar waarin ik koos voor de weg Die ik voor mezelf de beste heb gedacht. Twijfels heb ik gekend en spijt Maar niet genoeg om hier te vernoemen: Ik deed wat ik het beste vond En sloeg er mij doorheen, Zonder mij daar op te beroemen. Ik overwoog al wat ik deed, Iedere nieuwe stap in het leven Maar ook, en belangrijker nog is dat, Timmerde ik consequent verder aan de weg Doe ik voor mezelf de beste heb gedacht. Ja, er waren dagen, Jullie weten het wel, Waarop ik meer hooi op mijn vork nam Dan ik kon dragen; Maar in zijn geheel genomen Dronk ik gulzig elk moment dat mij werd gegeven. Als wijn keerde en draaide ik het in mijn mond En als het smaakte naar ego誰sme of chagrijn Spuwde ik het gewoon weer uit.

16

Maar proeven, proeven deed ik het allemaal: Geluk zowel als venijn En het is met plezier dat ik vertel Dat zelfs de diepste pijn Mij verder bracht op de weg Die ik voor mezelf de beste heb gedacht. Ik heb bemind, ik heb gelachen en geweend, De beker is ook aan mij niet voorbij gevlogen. Maar nu, terwijl de laatste tranen drogen, Denk ik met plezier Aan wat ik het voorbije jaar heb betracht En waarvan niets verloren ging. Nee, niets, helemaal niets: Maak jullie geen zorgen, laat mij maar begaan: Van alles maak ik een stukje van de weg Die ik voor mezelf de beste heb gedacht. Want wat is een man, Wat heeft hij aan het leven Als hij niet van zijn rust en zekerheid kan geven Aan wie hij bemint En als hij niet kan verwerken wat hem raakt? Luister daarom naar de woorden van een man Die als een nederig ridder knielt En die elke slag die hij incasseert Ootmoedig toevoegt aan de weg Die hij voor zichzelf de beste heeft gedacht. Een man die stil maar moedig Verder gaat op de weg Die hij voor zichzelf de beste heeft gedacht.


MISLUKTE CLOWN Je voelt je down, Stuk mislukte clown. Je denkt: "de wereld is rot, Hij maakt ons allen kapot". En eenzaam kruip je in je bed Wat niets verschaft je nog pret. Je haat die brave luitjes Die alleen maar denken aan hun lieve kluitjes, En ondertussen preken over goed fatsoen En de massa's dingen die je niet mag doen. Je hebt lak aan hun egoïstische natuur, Hun publieke weldadigheid en pseudocultuur. Je vecht tegen hun onpersoonlijke systemen In de hoop zo voor jezelf wat vrijheid te kunnen nemen, Een vuurtje te ontsteken in je eenzame hart, Wat geluk te proeven in plaats van smart, Als méns te kunnen leven tussen ménsen, Voor wie genegenheid méér is dan enkel dode wensen. Je hoopt een band te kunnen smeden met de anderen Die uiteindelijk de wereld zal veranderen. Maar diep binnenin ween je nu al weet Dat al die mooie dromen Net als bomen in de herfst Na de zomer hun bladeren verliezen, Wanneer je dan, moe gedacht over hoe het zou moeten zijn, Dieper onder de lakens kruipt om nog wat te lezen Over mensen die elkaar niet in de kou laten staan, Besef je dan dat in de kamer onder jou Je zus stilletjes onder de dekens ligt te wenen? Ze voelt zich down, een stuk mislukte clown En denkt: "de wereld is rot, maakt ons allen kapot". "De wereld is rot, maakt ons allen kapot". De wereld is rot, maakt ons allen kapot Tenzij we elkaar de hand blijven geven.

17


MODERNE TIJD Pan per pan en steen per steen Brak men destijds oude huizen af. Elke nieuwe fase in de afbraak Gaf stof tot overleg en nadenken Over hoe vernuftig men vroeger bouwde, Over oorsprong en betekenis van details Als een jaartal en initialen gekerfd In de eiken- of olmenhouten dakgebinten. Afbreken was toen nog binnendringen In de privacy van de verdwenen bewoners, Voet zetten in een vreemd koninkrijk, Proeven van hun levensstijl en -standaard, Een eind terugkeren in de geschiedenis En stilletjes hopen op een onverwachte schat Terwijl men elke pan en elke steen keurde Op mogelijk hergebruik of verkoop. N첫 kruipen mannen eenzaam in stalen cabines En zwijgen, midden het geraas van motoren. Een kraan beukt de verroeste betonnen wanden in En schept het puin op de wachtende vrachtwagen Die het dan snel gaat dumpen op een stort. Niemand maakt nog zijn handen vuil aan een krot: Van de ene dag op de andere doet men het verdwijnen Onpersoonlijk, zonder respect voor wat eens was. Net als ons geld, onze huizen en bezittingen Lijden ook onze levens aan inflatie. Steeds vlugger wordt alles vernieuwd, Steeds minder tijd rest er om te mijmeren, Om te leren of te dromen. Tussendoor jagen wij ook nog gauw Onze kinderen het leven in. Een leven zonder tijd voor hen. Zonder erbij stil te staan trouwens Dat er zonder tijd ook geen leven is!

18


NOVEEN VAN NEGEN FLITSEN EN EEN INSLAG 1 Midden een woestijn van eenzaamheid: De oase van onze verstrengelde blikken. 2 Midden de kakofonie van de stadscultuur: Het timbre van je tedere stem. 3 Dwars door het autisme van de individualist: Je subtiele hartenklop tegen mijn huid. 4 En hoog verheven boven alle materialisme: De bloem, die ontluikt om niets. 5 Midden de ambitie, verterend vuur: De zon die eeuwig met de nevel flirt. 6 Midden de zelfzucht die ons verblindt: Het kind dat met grote ogen in mij binnendringt. 7 Midden de strijd om zekerheid: Een wereld die sterft van honger en gebrek. 8 Midden de kankers van verdrukking, geweld, racisme: De riethalm van onze waardigheid. 9 Midden de berusting, de apathie en het nihilisme, Midden de zelfgenoegzaamheid en de middelmatigheid, Midden de vuren van oorlog, honger en ellende: DE ZWERVER, DE VLUCHTELING, DE VERSLAAFDE, DE BEDELAAR, DE HOER, DE EENZAME ZIEKE OUDERLING, DE DIEF, DE VERWILDERDE KNAAP MET HET MES, DE MOORDENAAR... ELKE VERDRUKTE OOK DIE IN ONS.

19


DE WITTE RAAF En spreekt men van ijver en creativiteit, Van efficiĂŤntie en standvastigheid, Al wat ik zie is een witte raaf. EĂŠn: Midden het complexe raderwerk van samenleven Een mens met visie, die afstand doet, Die weigert te geloven In de ondergeschiktheid van zijn idealen.

20

Hoe groot ook de uitdaging, Hoe zichtbaar de tekenen, Hoe zwaar toch de kettingen Hoe klein ik, mens, En hoe warm en kwetsbaar mijn haard.


O VADER! (I)

Ik zie wel, O vader, Je zit met de handen in het haar: Mijn bed bleef onbeslapen, Er komen steeds meer afwezigheidkaarten En het zijn geen schoolboeken die ik lees, Maar Nietzsche, Marx en Che. Jij noemt mij een egoïst, Een anarchist, een nihilist, De vleesgeworden antichrist. Je kookt wanneer je denkt Aan moeders hete tranen En beeft bij de gedachte Aan hoe het mij zal vergaan. Lang geleden, O vader, Werd een zoon je geboren Vandaag, zo denk je, Is die lang al verloren: Hij gaat zijn eigen gangetjes En spot met alles wat jij van waarde acht. Je klaagt dat hij niet van je houdt,

Maakt bittere zelfverwijten, Bidt God tijdens slapeloze nachten En gaat bij intellectuelen om raad. Maar al wat je krijgt is een maagzweer En steeds meer rimpels in je gelaat. Ik besef wel, O vader, Dat er meer is in het leven Dan vrienden, pubs en plezier Maar toch wil ik nog wat anders beleven Dan wat jullie voor mij in petto hebben hier: De School, De Kerk, De Militieplicht, Een gezin en Werk. Ik voel al de druk van het systeem Ze willen mijn zweet, ze willen mijn brein En ze zullen het wel krijgen, Want wat in mij werd geïnvesteerd Moét er met rente weer uit. Maar eerst wil ik onbezorgd Nog een nacht lang feesten, drinken, zingen En zo de vergankelijk van mijn jeugd beleven.

21


O VADER! (II) Ik dank U, O vader, Voor uw liefde en raad Maar begrijp toch dat wie jong is En houdt van de natuur en de mensen Genoeg ziet om over na te denken Als hij de krant leest en rondkijkt op straat. Mijn God komt niet uit jouw boeken En "omdat de wet het zegt" Is mij als reden lang niet genoeg. Ik geloof dat zelfs pausen zich vergissen En dat de wet al te vaak de belangen beschermt Van de Grote Meneren die op onze rechten pissen. Toe geef mij, O vader, De kans om nog even Gewoon te proberen mijzelf te zijn. Laat mij nog wat genieten van het leven Want veel te lang Zal ik andermans zot moeten zijn. Ik bemin U, mijn vader, Maar ik geloof dat de tijd voorbij is Dat arme stumpers tegen elkaar moeten vechten Voor de belangen van smeerlappen met geld Die toch iedere sociale vooruitgang bevechten. Ach, lach maar met mijn dwaze woorden Maar probeer niet mij te bekeren: Laat ons liever aanvaarden Wat wij van elkaar niet verstaan. Het ware te jammer moesten wij ons leven ontwaarden En ondertussen betreuren Dat er geen idealen meer bestaan.

22


ONRECHT

Mijn grootvader was een simpele man, Een man van emoties en idealen, Daensist tot in de kist, Gelovig, temperamentvol, sociaal Huisvader en Vlaming, dat boven al. Hij was vierentwintig toen de Grote Oorlog kwam En bleef zijn ganse leven vervuld van wrok Tegen de grote heren die Vlaamse soldaten In het Frans kwamen commanderen. Hij was vijftig toen zijn zoon Als soldaat in het Belgisch leger In Frankrijk om het leven kwam. Vijfentwintig jaar duurde het Voor de Belgische Staat erkende Dat de jongen als militair En niet voor zijn eigen plezier In Frankrijk zat. Op een 11-juli, lang geleden, Stond ik, bedremmeld ventje, naast hem Toen hij, kaarsrecht, de vuist wit-gebald, Verbeten en met tranen in de ogen Uit volle borst "De Vlaamse Leeuw" meezong.

Verwonderd heb ik toegekeken, Overweldigd, diep onder de indruk, Maar niets heb ik er toen van begrepen. Vijfentwintig jaar later woonde ik, Zuiver uit nieuwsgierigheid, Een politieke meeting bij in Chili. De aanwezigen waren eenvoudige mensen, De soort die nog idealen heeft: Gelovig, temperamentvol, sociaal en Chileens. Vijfentwintig jaar na datum In de ogen van kleine mensen Die met gebalde vuisten zongen Over miserie en onrecht, Hun waarheid als een vloek Gekerfd in hun gezicht, Heb ik diezelfde haat zien branden Tegen de straffeloze oppermachtigen. Sinds vraag ik mij af: Als ik nu gewoon werken ga, Gewoon voor mijn gezinnetje zorg, Me ver houd van alles wat te maken heeft Met politiek en sociale verhoudingen. Aan wiens zijde sta ik dan?

23


PACHA MAMA Telkens de gevoelens mij overstegen, Mijn stem ze niet meer kon verwoorden, Mijn hart ze niet meer kon dragen, Zocht ik rust bij de natuur, Liet ik mij door haar overweldigen En begeleiden in mijn dromen. Als kind al schepte ik er behagen in Te liggen turen naar de figuren Die de wolken in de hemel tekenden, Naar de kleuren in de lucht, Naar de maan en naar de sterren. Als knaap, met mijn hond in de velden, Stelde ik mij de wereld voor van weleer: Stroomde hier ooit een gletsjer door? Hoe kort geleden was alles hier nog bos? Tachtig generaties slechts scheiden mij Van de tijd van de Romeinen. Dit besef maakte mij tot broeder Van "De wilden" uit de "prehistorie". Op mijn schaarse reizen vergaapte ik mij Aan de kracht die uitstraalt van bergen Van waarop je de wereld schijnt te beheersen; Aan de bekoorlijkheid van heuvellanden Met onmogelijk weidse panorama's; Aan onmetelijke vlakten met kleine dorpjes Die je terugvoeren in de tijd; Aan kloosters en kastelen op een heuvelrug Die stoer en onvergankelijk alles domineren; Aan de dorheid van de Spaanse Sierras, Waar de tijd echt was blijven stilstaan. Ik stond tussen duizend jaar oude ruines, Zag High Force en de Saltos del Laga, Reed uren door de woestijn van Atacama, Bewonderde de kastanjelaar aan Steppe's Hof En de grote Linde in "Ter Bert", Maar gegeven een moment van eenzaamheid Of een avond getekend door zwaarmoedigheid, Keert mijn hart zich meest toch naar de zee. Omdat ook moeder zoveel van haar houdt, Omdat zij mij als Vlaming dichter is, Een lieve oude bekende, Die altijd al synoniem van vakantie was En met wie ik mooie herinneringen deel. Vooral ook omdat zij meer leeft, Steeds andere gevoelens wakker roept En door haar grilligheid een betere spiegel is Voor de wisselende stemmingen van mijn gemoed.

24


SLOW MOTION Ik droom je wagen na Tot groen me tot de orde roept En ik glimlachend het gaspedaal indruk. Zoals je traag je hoofd omwendde En me vrank aanstaren bleef, Pretlichtjes in je ogen, glimlach om je mond Zo wenste ik je duizend keren al Zo zocht ik je langs alle wegen.

Af en toe droomde ik zelfs dat ik je vond Telkens ging mijn hart dan sneller slaan. Maar nauwelijks beroerden je mijn lippen, Gleed mijn hand over je zachte huid Of het bleek dat de naakte werkelijkheid Elke droom toch eindeloos overstijgt. Nog glimlach ik als ik mijn ogen sluit En je act in slow motion herbekijk Bedankt nog voor je lieve lach, Het was het mooiste dat ik zag vandaag!

25


VADER Lange tijd heeft het ernaar uitgezien Dat wij op verschillende planeten geboren werden: Noemde jij iets mooi, voor mij was het shit, Zei jij "zwart", ik repliceerde: "wit!" Ik was jong toen en moest wel provoceren, Weigeren klakkeloos te accepteren Wat jij mij "voor mijn eigen goed" wou leren, Opgedrongen grenzen en zinloze bevelen negeren. Ik was jong toen en voelde mij gevangen In een wereld waar anderen beslisten hoe ik mij moest gedragen: Wat ik wel of niet mocht lezen, Wanneer, met wie, waar en hoe ik mij mocht ontspannen, Wat ik moest geloven en hoe ik mij moest kleden, Wanneer ik naar de kapper moest en wanneer studeren. Jij had net de oorlog achter je. Je haatte chaos en stelde je vertrouwen In de structuren van onze jonge welvaartstaat; Je vocht verwoed voor een plaatsje in die wereld voor jou en je gezin. Terwijl ik naar evenwichten zocht Binnen mijn eigen onstuimige gedachtewereld, Zocht jij je innerlijke rust In een nauwe band met God En in de stipte navolging van de geboden Van Kerk en Staat en Werk. Dus liep ik op het gras En wees jij mij de bordjes "verboden" aan. Dus probeerde jij vruchteloos Mij thuis te houden, De illusie op te bouwen Van een huiselijk gezinnetje Terwijl ik regenpijpen opklom En deuren forceerde Op zoek naar onbestaand avonturen, Naar zin en inhoud voor mijn lege, luie leven: "De Vrijheid" en "De Liefde" tegemoet.

26

Och, zeker, soms hielden wij er Over een of ander Vrijwel dezelfde mening op na. Maar dan vond ik jouw verwoording te vaag, Te voorzichtig en te traag En jij vond mij te hard, Te onbesuisd en te extreem. Jaren zijn voorbij gevlogen, vader. Lang geleden al ontdekte ik hoe ingrijpend Verantwoordelijkheid een mens verandert, Een wig drijft tussen realiteit en dromen. Het is verwonderlijk hoe gelijklopend Onze meningen nu vaak zijn, Hoezeer ik in jou mezelf herken, Hoe vaak ik voor de oplossing van mijn problemen Terug grijp naar de methodes ik van jou leerde En hoe diep ik ervaar dat mijn mogelijkheden In aanzienlijke mate bepaald worden Door de weg die jij voor jezelf door het leven lei.


VERJAARDAGSPSALM VOOR PAPA(1)

Vandaag ben ik 57 geworden, Heer Ik heb het geluk dicht bij jou te mogen leven. Midden een stukje van je unieke natuur ben ik opgegroeid En met mij de heggen en bomen rondom mij. Zoals zij, ken ook ik mijn lentes, Mijn zomers en mijn winters. Jong en dartel als een kalf in de voorjaarswei Voel ik mij bij tijden, Sterk en onverwoestbaar als een eik. Maar soms ook teer en breekbaar als een sneeuwklokje. Telkenjare bereid ik je grond voor, Heer, Waarin ik dan later je vruchten zaai. Ieder jaar opnieuw omring ik je ontluikende plantjes Met zorgen, liefde en aandacht. Wanneer de oogst goed is, ben ik gelukkig En dan weet ik dat ook jij dat bent. Maar soms slaat het noodlot toe, hard en onverwacht En dan ween ik met jou om wat verloren ging. Niet zelden zijn het de beste dieren,

27


De mooiste planten die vernietigd worden En zoals het met dieren en planten gaat, Zo vergaat het ook ons, mensen. Maar dat heeft nooit belet dat ik op zwoele zomeravonden Je adem hoor ruisen door de boomkruinen, Of dat ik af en toe in de kille morgen uren Diep bewogen stil blijf staan luisteren naar je stem Zoals die uit vele vogelbekken met me spreekt, Of dat ik met ontzag je kracht bewonder Wanneer alles kreunt en buigt onder het stormgeweld. In de natuur heb ik je geboden gelezen, Heer En altijd heb ik ze naar beste kunnen gevolgd. Me dunkt dan ook dat ik mijn vrouw méér bemin Dan voor een stadsmens mogelijk is, Want samen vormen wij een ossenspan Dat de wagen van ons bedrijf in beweging houdt. Alleen zou geen van ons dat kunnen, Heer. En omdat wij elkaar méér nodig hebben, Houden wij ook méér van elkaar. Zeker weten! Ik denk ook dat ik betere buren en vrienden heb Dan een stadsmens hebben kan. Want omdat wij allen samen in jouw natuur werken, Staan wij dichter bij U en dichter bij elkaar En omdat geen van ons de dag van morgen kent En wij in ziekte en tegenspoed op elkaar moeten kunnen rekenen, Daarom verdragen wij ook meer van elkaar.

28


VERJAARDAGSPSALM VOOR PAPA (2)

Misschien klinkt het verwaand, Maar ik geloof dat ik jou beter ken, Heer, Dan een stadsmens ooit kan doen; Want niet alleen leef ik dichter bij jou, Te midden van en samen met je natuur, Maar daarnaast ben ik bedrijfsvoerder: Ik informeer mij, overleg, vergader, Wik en weeg de beslissingen Die het succes van mijn onderneming zullen bepalen. Ook ben ik een beetje boekhouder, En zo leer ik in min of meerdere mate Van elk van die beroepen de zorgen en vreugden kennen En leer ik voortdurend begrip opbrengen Voor die vele, uiteenlopende standpunten Die op je wereld leven en hem draaiend houden. Vandaag ben ik 57 geworden, Heer, En op dagen als deze denk ik altijd weer Hoe spijtig het is, dat straks geen van mijn kinderen Hun handen in mijn moede handen zullen leggen Om samen met mij voort te bouwen Aan wat het werk van mijn leven, Mijn levenswerk is geworden.

29


Maar ik weet dat het door ons werk is Dat wij onszelf realiseren en een plaats scheppen Voor het geluk en de voldoening in ons leven En dat geen inspanning ooit helemaal verloren is Wanneer zij aan jou wordt opgedragen En daarom werk ik voort, Heer, Vol dankbaarheid voor je aanwezigheid in mijn leven, En voor het geluk dat ik heb. Als morgen weer de koeien Zullen bokken en buitelen op de weiden, Dan zal het ook voor mij weer ĂŠcht lente zijn. En of ik vandaag nu 57 werd, of 17, Zolang mijn vrouw en ik gezond blijven En van zware rampen gespaard blijven, Zolang, Heer, zal dĂ t gevoel niet overgaan. 17/4/83

30


VOORUIT! Elke verjaardag weer Strijkt hij heel even bij mij neer: De witte vogel van de rust, Die zacht mijn handen kust En niet weg fladdert vooraleer Hij mij heeft toegefluisterd: Vooruit, er komt nog meer! Vooruit! Vooruit! Het is zijn stem die in me lacht En mij vult met titanenkracht Sinds ik als kind de eerste voren heb geteld Die ik had omgeploegd in vruchtbaar veld. Werken was altijd al mijn leven; Ik heb er mij steeds geheel aan gegeven En zelfs op de zwaarste dagen hier Keken de anderen naar mij voor wat plezier. Ook dit jaar is hij weer daar En fluistert zacht, net als weleer: Vooruit! Er komt nog meer! Doch vliegt dan niet direct weer voort, Zoals hij vroeger deed Alsof al die haast nu plots niet langer hoort En met mijn vinger aaiend over een veer Maan ik mezelf dan maar met stille drang: Vooruit! Vooruit! Er komt nog meer! Als de avond komt en rondom het geluid verstomt Denk ik soms terug aan wat ik heb opgebouwd, Hoe al dat labeur mij nooit heeft berouwd. Maar hoe verschrikkelijk zonde toch Dat ze enkel leven in mijn gedacht Met en voor wie ik dit alles heb betracht! En in de pijn van menig eenzaam uur Zoeken mijn ogen dan de klok, daar tegen de muur. Maar soms, toevallig, valt mijn blik Op iets dat weer van toekomst spreekt: Een hoekje papier in witte enveloppe: Het eerste loonbriefje van mijn zoon En plots is het dan of ik buiten aan de deur Een zachte, witte glans bespeur En in mij zijn stem weer hoor, Even helder en dwingend als te voren: Vooruit! Vooruit! Er komt nog meer! Voor mama's verjaardag - 11.07.87

31


VREUGDE EN PIJN

Uit een bedding gesproten Van eenvoudige mensen Geniet ik van het leven: Van elke dag aan mij gegeven.

Van elke regendruppel hou ik, Van de wind en van elke zonnestraal Want mijn leven is vluchtig en broos Als dat van een vrucht aan een tak.

Voor het dak boven mijn hoofd En omdat ik nooit honger had, Voor de liefde die ik ondervind En de geborgenheid In de schoot van mijn clan.

Maar als grond leef ik eindeloos. Water, lucht en licht Doen leven opborrelen uit mij.

Grond ben ik geworden, Bodem voor wat groeit Door mij, met mij, op en na mij.

32

Toch ken ik ook nachten Waarin ik het hoofd laat hangen en schrei Om het tikken van de klok En al het leven dat verloren gaat; Of waarin ik mij als een slaaf voel, Verstrikt in webben Die ik om mezelf geweven heb.


WAT IK HET LIEFSTE WIL

Soms is wat ik liefste wil Gewoon een goed gesprek, Een hart waarbij ik thuiskom, Een blik die mij vertelt Dat ook ik thuis ben Voor een ander. Soms droom ik van Een tweede hand aan het roer, Hunker ik naar de ontdekking Van gelijkgerichtheid, Verstandhouding en harmonie In denken en doelen, In spreken en voelen.

Soms is er de kans Op het smeden van een band Maar kraam ik slechts slogans En leuter ik over vage waarden. Of ik schreeuw van de daken Wat ik ervoer, denk of weet, Alsof ik een ander Daar zo nodig van overtuigen moet. Alsof een ander mij daarin bevestigen kan. Zo zelden lukt het met dat al Om door te dringen in een ander, Hém te bevragen over wat hém beroert. Zo zelden, dat gewoon een goed gesprek Blijft wat ik meest verlang: Zo’n gesprek dat niemand me kan geven Zolang ik het zelf niet maken kan!

33


WEET JE NOG? Weet je nog die avond, liefste, Toen we de wagen het veld inreden Om ons daar te herkleden? Of toen we op klaarlichte dag Naakt vrijden in de weide? Weet je nog hoe verschrikt je moeder keek Toen ze ons verraste in de living? Het leek destijds of we voor de passie kozen En eigenlijk was dat ook wel zo Alleen was jij een bloem en ik een vlinder Die te laat je wortels ontdekte onder het gras En te laat ontdekte jij dat hij een vlinder was. Weet je nog die tijd, liefste, Dat jij wenend naast mij lag Omdat ik je niet genoeg beminde, En je niet gelukkig kon maken. Ikzelf zag toen ook niet goed meer in Hoe dat met ons verder moest. Want toen de grootste passie luwde Lagen daar in hetzelfde bed Een bloem, hunkerend naar zon en licht en water En een vlinder, dromend van weidse horizonten Allebei verlangend naar meer Dan wat de ander bieden kon. Weet je, mijn liefste, Ondertussen neigen we toch maar naar de veertig En deelden wij ons halve leven met elkaar. We leerden al een beetje Wanneer te spreken en vooral Wanneer zwijgen beter is In kameraadschap zoeken onze handen naar elkaar En ook in onze ogen glanst nu die blik Die we vroeger enkel bij volwassenen zagen Hoewel ... Maar laat ik hier maar zwijgen Maar laat ik hier maar zwijgen Maar laat ik hier maar ...

34


WELKOM THUIS Welkom thuis, vrouwtje. Welkom in jouw huis. Welkom in het huis Waarvan jouw aanwezigheid Voor mij een thuis maakt. Welkom in onze living, Die een lege kamer was zonder jou. Welkom in onze keuken, Die koud en geurloos was zonder jou. Welkom in onze slaapkamer, Die vreemd en steriel was zonder jou. Welkom in ons bed, Dat koud en vijandig was zonder jou. Welkom hier, in al die plaatsen Waar ik een vreemde was, Een indringer Zonder jou.

35


WINTERZON Als de grond bevroren ligt, Mijn hoop niet langer over dit dode seizoen heen reikt, Dan denk ik aan de woorden die jij bemoedigend tot me zei: ZIT JE IN DE PUT, IK ZAL JE EEN TRAP VAN MOPPEN MAKEN. GERAAK JE NIET VOORUIT, IK ZAL JE DRAGEN ALS HET MOET. IK ZAL V0OR JOU DE MOOISTE DROMEN BOUWEN ALS DE WERKELIJKHEID NIET MEER VOLDOET EN SAMEN ZULLEN WE WENEN EN VLOEKEN OM WAT JE MACHTELOOS MAAKT TOT HET VUUR VAN HET ENTHOUSIASME WEER OPLAAIT EN JE WEER KAN LACHEN EN SPELEN, WERKEN, ZINGEN, LEVEN, ZWEREN DAT JE NOOIT ZULT KAPITULEREN, DAT WIJ SAMEN HET GETIJ VAN DE RAMPSPOED ZULLEN KEREN EN UITZIEN OVER HET BELOOFDE LAND. En dan zie ik in de duisternis Je stralende ogen lachen, Hoor ik weer hoe je gewoon "Broj" zegt tegen mij En zie: ik vat weer moed, Want in die "Broj" klinkt telkens weer Die echo door: "Kop op, we slaan er ons wel door!" Daarvoor wou ik je vandaag bedanken, broer, Daarvoor en voor al die keren Dat ik onverwacht je snuit aan onze venster zag verschijnen: Dank je, broer! 29/04/87

36


ZEDEPREEK

Voor Walters verjaardag - 29.4.81

Als de verveling Tot je schaduw werd En het de eenzaamheid is Met wie je de lakens deelt, Bedenk dan dat de wereld Niet op dromers is gesteld, Maar door hen die handelen Onder elkaar wordt verdeeld. Ons ganse leven passen wij ons Knarsetandend aan situaties aan Die net daarvoor nog schitterden Van het geluk dat ze beloofden.

Voortdurend botsen wij tegen leemtes aan Die wij niet verwachtten, Niet konden voorzien, noch voorkomen. Toch houdt de toekomst beloftes in Voor wie leert gelukkig te leven Met wat hij heeft En tussendoor zijn tijd gebruikt Om vandaag al te bouwen Aan de mooiere morgen, die zal komen.

37


ZEG NIET: "IK HOU VAN JOU" ZEG NIET, ZWEER NIET IK HOU VAN JOU, IK BEN VAN JOU MAAR HOU VAN ME EN BLIJF BIJ ME ZOALS IK VAN JOU HOU EN JIJ VAN MIJ.

ZEG NIET, ZWEER NIET WEES ME TROUW WANT IK HOU VAN JOU MAAR LAAT ME VRIJ OMDAT JE ME BEMINT EN VAN ME HOUDT NET IK VAN JOU

WANT JE WEET HET: OOK JIJ BENT VRIJ EN JE WEET TOCH DAT JE NET VRIJ BENT OMDAT IK VAN JE HOU OMDAT IK VAN JE HOU OMDAT IK VAN JE HOU OMDAT IK ZOVEEL HOU VAN JOU

38


ZOON, ZIE DAAR JE MOEDER Van het kruis op Golgotha zei Jezus tot Johannes en Maria: “Zoon, zie daar je moeder. Moeder, zie daar je zoon." Hoe goed bedoeld ook, toch ergeren mij zijn woorden Want van land, huis en werk, zelfs van vrouw, taal en kerk Kan je veranderen als je wil, maar een moeder: Zo is er voor elk van ons maar één! We leven dan misschien wel in een tijd van onthaalmoeders, Vervangmoeders, adoptie-, stief-, pleeg- en draagmoeders. Maar hoe mooi al die namen, hoe edel vaak wat ze beduiden, Het leven gaf ons toch ons enige eigen echte moeder En al met haar moedermelk haar dromen en idealen. Vanaf onze eerste kreetjes tot op ons eigen Golgotha Is het toch slechts die éne moeder die ons vergezelt! Vandaag brengen wij bloemen, want het is Moederdag. Maar hoe vaak vergeten wij onze moeder als alles goed gaat En het is alsof de wereld aan onze voeten ligt? Hoe vaak dragen we over haar drempel onze zorgen, Onze wanhoop en ellende en vragen ten einde raad Aan moeder of zij geen oplossing voor ons ziet? Hoe vaak verwijten wij haar haar eigen en onze fouten, Als kleine kinderen die van moeder de perfectie eisen? En hoe zelden vertellen wij haar hoe zeer wij haar bewonderen Voor haar inzet, voor de rijkdom die zij ons heeft bijgebracht, Voor haar diepe liefde, haar opoffering, Voor de warmte waarmee zij ons telkens weer opwacht, Voor het voorbeeld dat zij voor ons is En voor haar ongelooflijke moed en eeuwig tedere lach.

39


ALS IK DAN HELEMAAL DOOD ZAL ZIJN Dan ben je dood. Begraven. Je neef vertelt zijn eerste mop die dag. Er wordt gelachen op je uitvaart, gedronken. Maar jij bent dood. Het huis waar je twintig jaar voor afbetaalde, Dat stukje grond aan de beek, De job die je veroverde ten koste van een vriend, Het spaarboekje bij de kas: wat heb je er aan? Jij bent dood! Je rot weg, Je wordt vergeten. Er wonen vreemden in jouw huis, De kinderen spreken niet meer met elkaar Omwille van dat stukje grond. Niemand vernoemt je nog: Je vrouw is nu met Jan. Ze leeft van twee pensioentjes zo. Jij komt toch niet meer weer. En eigenlijk is ze best tevreden: Ze is eindelijk weer vrij nu Jij bent immers dood.

40


AVONDWEEK ****** MAANDAG ****** Warmte, gezelligheid. Met het weekend nog in de benen Soezen in een luie zetel, Dicht bijeen Nippen aan de koffie, Je strelen, Met een boek op schoot Of loomweg dromen Met één oog op T.V.: Da's pas knus! ****** DINSDAG ****** Nee, ik hou niet van T.V.: Zijn lawaai overstemt mijn gedachten, Het flikkerend beeld maakt mij onrustig. Hoe kan iemand zich concentreren zo? Nee, ik lees geen roman: Zuiver tijdverlies. En die brief? Die kan nog wachten. God, ik wenste dat ik iets positiefs kon doen. Och, wat ben ik lastig! En waarom nog altijd moe? ****** WOENSDAG ******* Alles moet rap nu: Eten, vlug de afwas samen, Dan verkleden voor visite, De poes de keuken in en weg: Tateren met Peter, Lief zijn voor Mieke, Ja, ook Walter wordt stilaan man. Vrouwtje luistert naar moeder Terwijl vader et stil bij zit, Een beetje verloren in eigen huis, Tot hij kaarten kan. Tegen twaalven weer naar huis. Slapen dan. ****** DONDERDAG ****** Vrouwtje lief, wat ben ik blij Dat wij vanavond nergens heen gaan. Kom, kruip wat dichterbij Er staat toch niks in de krant. Ik lees dus verder in een boek Of schrijf wat En straks is er Panorama op T.V.

****** VRIJDAG ******* Vandaag blijven we plakken Aan de keukentafel, Kaarten de voorbije werkweek na. Er is een nieuw weekend in zicht, Dat stemt tot rust. Na de afwas de vuile kleren aan Voor een bezoekje aan de boerderij: Stoeien met kleine Kris. Zelfs de hond weet het al: We spelen weer met de bal, Papa helpen de melk vergieten En luisteren naar mama's nieuwste mop. Maar ook hier bestaat T.V. Ik race dus door een stapel kranten heen. Op weg naar huis doen we al eens een kapelletje aan. Een paar pintjes maar ... En wie we daar hebben! Hopelijk geraken we niet al te laat En nuchter nog ons bedje in!

****** ZATERDAG ****** Met gebroken rug en droge keel Goed uitgeslapen, dat wel! Met het middagmaal amper in de maag De badkuip in. Muziek maestro, muziek vandaag! Er bestaat geen werk meer nu! Op drie uur wordt ons vrouwtje madame geschminkmetamorfoseerd En tegen valavond word ik Mijnheer met das Of salonhippie tweede klas Want rond achten komt er bezoek Of trekken wij er op uit, Gewoon es op café. Hoe dan ook: een stuk na middernacht Vind je ons steevast in de stad. Ook Peter loopt daar dan wel ergens rond. Als je dus, zo rond een uur of zes, Nog wakker bent en je houdt Van een cocktail en een wagenpotpourri, Dan mag je mee naar ons appartement!

41


****** ZONDAG ****** Met een kater kruipen wij In de late namiddag ziek uit bed. Wat zie je er bleekjes uit, mijn schat! Ja, ik weet dat mijn handen beven. Kom, bak ons gauw een kotelet, Laat ons op ons gemak Gisteren nog eens herbeleven En draai dan maar de televisie aan Voor wat anders deugen wij nu toch niet En morgen ...

AVONDWEEK - RESUME Het is ons leven dat langzaam door de loper glijdt: Het geluk een zucht lang Mens te zijn de bruisende stroom Die over ons lichaam spoelt. Nee, droog je nu niet af! Huiver, Aanschouw de naakte nattigheid, Richt je op en bemin mij. Bemin mij in je eenzaamheid. Voel het ontwakend dier, Streel het, streel het nu Diep in mij. Verlies je pretentie, Vergeet het werk, Ontspan je, ontspan je nu En omhels het even teder Dit besef uiterst onvolmaakt En toch zo gelukkig te zijn. God, schenk je regen Aan deze hunkerende woestenij, Jaag je stormen door dit dal En zie dan hoe in het water De zon zichzelf herkent.

42


BRUG VAN ZON EN REGEN Onwaarneembaar is de energie Die, onzichtbaar, deeltjes smeedt Tot wat ik ervaar als materie en indedl volgens verschillen die ik zie, ken of meet. Tot een bruisende energiestroom plots mijn wereld in beweging brengt, Stil water wild aan het koken gaat en ik, bevreemd, beangstigd, maar al snel tevreden, Mij uit die chaos een tas koffie schenk. Hoe vaak voelde ik ook mijn bloed koken, hoorde ik mijn ziel tegen mijn hersenen kolken En mijn hart mij in de oren schreeuwen: Vooruit, Eruit: een nieuwe chaos wordt vandaag geboren! Maar hoe hard de scheppingsdrang nog aan mij sleurde, hoe pijnlijk soms de weeën, niemand was er Die de kunst verstond om uit mijn chaos ook maar de simpelste koffie te serveren. Ja, ik wist - en ik weet het nog altijd wel: Een marionettenleven wordt mijn hel: Al te velen zag ik echter nodeloos op het slagveld van hun deugden sneven! Ach, hoe lang toch duurde de loutering tot wanneer ik tussen de zwijnen en de spijkers In het ebbende water, op een lange, duistere nacht, de witte zwaan van mijn levensdroom aantrof: Zwaar verminkt en nauwelijks nog levend tussen bergen met drek besmeurde parels! Zie, hier sta ik dan, met schatten in mijn handen, één voet al in de zee, één nog op het natte strand. Wat valt er in godsnaam mee te beginnen? Draag ik ze over de brug van zon en regen of sleuren ze mij in hun val mee naar beneden? Nog staan de sterren aan het firmament, nog waait over de regenboog de geur van verre zeeën. Is het de hoop van de wanhoop die mij de brug opdrijft? Vlucht ik van mezelf, of schud ik uit mijn sandalen het stof van een dode wereld daar beneden? Wil ik willens geenzaam, eenzaam, tweezaam, met de diepe pijn van het zelf zijn De pijn van ànderen helen? Kan ik de wonden van de eigen beperktheid aan, In mijn ziel gereten door kogels afgeschoten uit bruine slavenogen? Of leef ik reeds in Transandino dromen? Is de wazige gedaante die mij uit de nevelen tegemoet treedt en reikend mij de hand toesteekt Ikzelf? Aanklager, advocaat en rechter van mijn denken, doen en laten? Dichter, ridder, goeroe van mijn leven, vader en zoon, vriend en vijand van mijn gedachten? Honderdvoudig naakt weerkaatst in de spiegel wat ik zeg en denk en doe: "BEN IK HET?" En kan ik de eigen naaktheid zonder schroom aanschouwen? Durf ik dan ook mezelf van mijn gewaad ontdoen en nederig mijn blote zijn hem en ieder ander Als offer en als eis aanbieden? En als het zo is, laat dan mijn wil mij groter maken, mijn stem toornig, luid of zacht, Met woorden overvloeiend uit mijn hart de geur van mijn ziel aan de anderen laten smaken. Laat mij me dan herinneren dat ook ik een gouden wereldstukje ben En mezelf niet mag vergeten! Maar is de gedaante op de regenboog het spook der dromen van een ander, Die mijn chaos tot sneeuw en ijs verkilt, hoe goed bedoeld, hoe heilig ook zijn streven, Hoe kan ik dan aan hem mijn zwaan en parels overgeven?

43


DE SIRENE (I) Ik zag je voor het eerst na een veel te lang feest Toen ik, halfdronken, in bed Meedeinde op de golven van de ochtendnevel En in het schemerdonker plots aan het voeteneinde Jouw silhouet ontwaarde dat zacht mee wiegde Als zaten we samen in een bootje op zee. In de duisternis zag ik lange haren stromen Over een zwart golvend sluierkleed. Beloftevol was de waas vol dromen Die, als een verre ster, smeulde in je donkere ogen Toen je opstond van mijn bed, Je geeuwend rekte en de golven Met sloom gebaar aan je voeten liet bedaren Waarna je droge, warme lichaam naast mij gleed. Ik zag je voor het eerst na een veel te lang feest En besefte plots dat er zonder jou nooit feest was geweest. Besefte plots dat ik zonder jou nooit man was geweest. Koud en leeg was mijn kamer bij het ontwaken, Kaal en vijandig de wereld en het leven Tot ik je veertien dagen later onverwacht weervond In een duistere tent Waar ik mijn eenzaamheid kwam vergeten En waar wij de ganse nacht praatten, Dansten, vrijden, dronken, zongen En ons eindeloos vermaakten. Waar wij samen de ganse wereld vergaten, Groeiden tot hoog boven de daken En neervielen in wolken van laken Tot wij de weelde niet meer konden dragen En ik afgemat en killer dan ooit tevoren Mijn kater de weg naar huis moest vragen. Naar mijn koude, vreemde, lege, steriele kamer Waar ik je rillend van koorts Bezwoer opnieuw te verschijnen; God en de Duivel mijn hart en ziel aanbood Om je nog ĂŠĂŠn keer weer te krijgen, Maar waar ik bevend in een onrustige slaap viel Toen ook zij bleven zwijgen.

44


DE SIRENE (II) Ik zag je voor het eerst na een veel te lang feest En jaren nadien twijfelde ik nog steeds Of het misschien toch juist was geweest Dat er geen grenzen, geen wetten, geen conventies, Geen verplichtingen, geen goed en geen kwaad bestaan, Niets anders op de wereld is dan liefde en lust, Wil en verlangen en de kracht van de verbeelding. Ik vraag me af of ik je nog herkennen zou Moest ik je toevallig ontmoeten op straat Nu de orgieĂŤn zijn afgeschreven, En de speurtocht naar het genot-om-het-genot Is gebannen uit mijn leven; Nu ik jouw wereld zolang al heb opgegeven? Geproefd heb ik je, hap voor hap en slok voor slok, Gewikt, gewogen, deel voor deel en maat voor maat En het is waar: eindeloos heb ik daarvan genoten Buitenmaats. Soms heb ik je bemind en nog vaker heb ik mezelf gehaat Maar een stuk van je koester ik voor altijd in mijn hart. Zelfs nu, nu ik jou heb ingeruild Voor een moeilijker, complexer, Maar ook dieper leven, Met sleur en zorgen en heel andere onzekerheden, Maar met een warmte ook, die jij mij niet kan geven: De warmte van een thuis, van een ruimte die van mij is, Van een doel dat staalt, dat mij buigen laat zonder te breken. De warmte van een leven dat reikhalst naar oneindigheid En gloeit in grote kinderogen. De warmte van wortels die zon en water, lucht en aarde Omvormen tot levenssap. Ach hel, wat maak ik mezelf toch wijs: Ik zal je missen, je missen: ik weet het wel. In een flits in een uitstalraam zal jij blijven leven, In het hoofd en de schouders achter het stuur Van een wagen die voorbijraast, In een droom driewerf overstemd Door het kraaien van een haan, In een film en in een boek, In mijn lenden en in mijn kruis Wanneer de maan weer hoog en vol aan de hemel staat. God, wat zal ik je missen bij momenten! Maar in mijn leven missen, Lieve Schat, dat niet!

45


DE WEG NAAR HET GELUK (I) Je vertelt verhaaltjes over ratten die spreken, Zetorki's die kolmaneken op planeten die slapen op palen. Je hebt aandacht voor de probleempjes van iedereen En voor elk vind je het juiste woord. Je geniet van polyester-muziek, Kuist de vloer en wast de schotels. Je probeert halsstarrig lief te wezen En negeert de kwetsende woorden Die anderen je al eens toewerpen, Domweg, tegen beter weten in. Maar dan valt de nacht. Het Bed dat boven wacht is zo kil en koud en leeg En buiten stroomt het leven. Daar zoekt wellicht iemand om heel even te genieten Van vrij en onbezorgd in vriendschap of in liefde Met een ander saam te zijn. Dolend stoot je op misère, wraakzucht en bitterheid. Liefde wordt niet zomaar gegeven: Ze wordt gekocht, geruild of afgebedeld: Toe luister, Peter, luister toch Naar mij, mij, mij, mij, ... Vertel me hoe knap ik wel ben, hoe sterk en dapper, Vertel het mij! .. En vertel het ook de anderen Want het hen tonen, kan ik niet. Op de duur kruipt het in je kleren, Dringt het door de dikste jekker heen. Onweerstaanbaar bederft het alles Zelfs de pret, die er toch al niet écht meer was En dan trekt iedereen maar weg, Afgemat en onbevredigd, Eenzaam naar een eenzaam bed. Mijmerend over een laatste glaasje In een veel te stil en onnatuurlijk leeg café Droom je van het frisse grietje Dat je door een waas van melancholie zat aan te staren. In een flits denk je aan huwen, werken, Neuken, drinken en ontspannen samen zijn. Dat is wanneer je plots beseft Dat je, om je eigen leven te bepalen Een doel zult moeten kiezen, Want anders drijf je mee met de stroom En die voert je mee naar waar je niet wil leven Echt niet wil leven, al fluistert ze nog zo zacht "hallo"

46


EEN KWESTIE VAN HORMONEN Geschrokken stuwt de bij het gif haar angel door En laat in de huid van het gevaar Met de weerhaak van haar wapen Haar leven als offer voor haar soort, haar ideaal. Was ik een bij nu, dan was ik blij Nu ik mijn venijn spuit in de aders van het gevaar bij U Wekt dit gif je uit je dromen? Reageert je afweer eindelijk Of kom je morgen weer expliceren waarom je verder meestapt in de rij? Met een kus wekt de sprookjesprins zijn droomprinses Maar sprookjes moet je in dit leven in spiegels lezen Die anderen argeloos op hun leven kleven! Denk nu niet: mij vergaat het zo niet, Ik wil alleen liefde geven, Omdat alleen wie echte liefde krijgt, Liefde kan leren geven, Want dan vergeet je wat ook ik vergat: Dat liefde groeien moet uit de liefde voor jezelf, Hier en nu - en niet in toekomstdromen. En je vergeet, net als ik vergat, Dat jouw "beminnen" je uitholt van binnen, Je tot slaaf maakt van je zinnen, Het uithangbord is van je afhankelijkheid. Bedrog is ze tegenover jezelf en tegenover haar Die je zegt te beminnen, maar voor wie je verbergt Hoe je werkelijk denkt en voelt en bent vanbinnen! Zo wek je verlangens die je niet bevredigen kan, Verwachtingen die je niet inlossen kan, Hoop, die je vroeg of laat moet smoren in de realiteit. You say you're looking for someone Who's never weak, but always strong, Someone to protect you and defend you Whether you are right or wrong, Someone to open each and every door But it ain’t me, babe, no no: it ain’t me, babe It ain’t me you're looking for, babe!

Was ik een bij nu, dan was ik blij Nu ik mijn venijn spuit in die verstopte aders van mij.

47


EEN ZACHT TEGENOFFENSIEF

Zie, de steenrots wankelt, De erosie doet haar werk. Schuchter smeult het vuur Dat "vrijheid" heet En zijn tanende gloed Verwarmt amper nog de kilte Van de zerk der eenzaamheid. Nog werd geen compromis gesloten. Geen extra lasten verzwaren de druk Waarmee de eigen dromen het geheel doen kreunen. Maar binnenin werd de steen tot peperkoek En in kleine gaatjes opgesloten Wacht het water van de twijfel Op de eerste kou om de steen te breken. De wind schildert in de lucht Vluchtige ideeĂŤn over een nieuw leven. De aarde ademt zacht en fluistert iets Dat de steen vertaalt als "alternatieven". Hij lacht en voelt zich opgelucht Want met ieder teugje lucht weet hij Zijn horizont verwijden. Maar de wandelaar die door de bergen kuiert Bukt zich en plukt in bewondering EĂŠn klaproos uit de honderdduizend. De steenrots echter ziet hij niet, Vindt hij hoogstens geschikt om op te plassen Want de alternativiteit waarop de steen zich beroept Herkent de wandelaar al te licht Als zelfzuchtige, immobiele passiviteit. Geen verantwoordelijkheid rust op de schouders Van die onbeweeglijk in zichzelf berust. Geen andere activiteit gaat van hem uit Dan het lijdzaam ondergaan van de ravage Die de tijd en de krachten van de natuur aanrichten. En in plaats van een alternatief Is er slechts het water van de besluitloosheid Dat bij de eerste kou de steen zal breken.

48


GEENZAAMHEID Sinds ik een woestijn geleden mezelf verloor En geenzaam zoeken ging naar wat ik eens was Benijd ik het relatieve geluk der eenzamen Wetend dat zij tenminste nog iemand zijn Terwijl ik niet eens mezelf meer ken. Ik heb staan rondvliegen met walvissen, Zitten zwerven met ijle hobbelpaarden, Hangen zwemmen met vergeten droomkastelen En allen heb ik gesmeekt me te zeggen waar Ik was Maar niemand kende Ik en Niemand vond Ik niet. Ik heb rond gespeurd in brandende zeeĂŤn, Ben doorgedrongen tot in de altijd groene kosmos, Maar Niemand vond Ik niet, tot Ik plots besefte Dat Ik Niemand was. 1969

49


HOMO HOMINI LUPUS message to the World ik vertel wat je weet opdat je zou weten dat iedereen weet wat je wilt vergeten en iedereen wil vergeten wat je weet omgord je hart met een gouden hArnAs sluit je gevoelens op in een enge keRkeR leer LACHEN wanneer je WENEN wiL grappEn wanneEr je klagen wilt sEE the WorlD join the Army have your own JET and COFFIN wees van deze wereld: word wolf en huil mee een MENS is eenzaam , quoi-qu'il en soit de K U N ST van het L EV E N = de KUnsT van de EenZaamhEid bestaat erin te WETEN dat je alleen bent ------------------------------ a l l e e n ------------- = oooOOO !!?! maar te

je het doen

niet alsof

weet

¡¡ hide your feelings, BE your own coffin!! WEES zoals men van je verwacht dat je BENT eCCe hOmO -*- ii ee dd ee rr mens heeft zorgen praat niet over de jouwe: de mensen willen lachen haha HAHAHAHA HOE HA HA HAHA hA hA hA hA ha vErBeRg je zoRGen , spEEl clOwN hahaha enz enz enz enz ... 50


LA VIE EN ROSE Niets moois is er aan aftakeling, Niets verhevens: Zelfs als je haar draagt met waardigheid, Is dat gewoon omdat dit vermogen je nog gelaten werd. Niets goeds valt er te vertellen over aftakeling, Behalve dat er geen beter alternatief is, Geen beter alternatief kan zijn: Wij willen niet sterven midden de film van ons leven, Wij willen kleinkinderen zien, geliefden ten grave dragen, De cirkel van het leven zachtjes sluiten achter ons Zoals de deur van ons huisje wanneer we wandelen gaan ... En dan pas zelf de laan uitgaan. Als een regendruppel is ons leven op deze aarde: Heel even mogen wij de wereld en elkaar beroeren, Proeven van oneindig grote dromen. Maar nog terwijl wij groeien Verkleinen ons al onze beperkingen.

Al graveren wij in ons geheugen In gouden letters de herinneringen aan mensen Van wie wij enige liefde ondervonden: Gouden namen gekerfd in het diepst van ons zijn. Gouden namen die soms hen overleven die ze droegen Zijn slechts namen in het zand Niet anders dan die op ander stranden, Die de eerste vloed zal wissen.

51


MACBED Uit de spiegel van je dromen is woord gekomen Dat zowel goden als mensen dolen want geen grens scheidt goed van kwaad, Geen edel doel bestaat waarnaar je streven kan: Er is slechts wat je wĂŠl en wat je niet nemen kan. De kloof tussen het enge pad en de onbegrensdheid van je hongerige verlangen Hield je trotse geest in zelfbeklag gevangen, Tot je midden in de nacht rillend en bezweet ontwaakte En met schitterende ogen in volslagen duisternis dE enige waarheid van je leven ontwaarde: FAIR IS FOUL AND FOUL IS FAIR. Maar kwaad, mijn vriend, blijf kwaad, Wat ook de mensen zeggen en hoezeer je ook argumenteert Dat grenzen hersenschimmen van zwakke mensen zijn Of raaskalt over de diepere zin en eenheid van alle leven. Jouw wereld lijkt mij een paardenmolen, een "hop" en "nu" en "snel", een wild en stiekem spel Full of sound and fury maar zonder hoop of doel: A TALE TOLD BY AN IDIOT.

Thou marvell'st at my words, but hold thee still: Things bad begun make strong themselves by ill! Je bent trouw, zeg je, aan je dromen en dus endosseer je het kwaad dat je droomt met je wil! Maar vergeet niet, maatje: COME WHAT COME MAY, TIME AND THE HOUR RUN THROUGH THE ROUGHEST DAY! Oh, well do I know that my tears can drown the wind AND THINGS WITHOUT ALL REMEDY SHOULD BE WITHOUT REGARD, BUT WHAT IS DONE IS DONE and can never be undone again. So may you remember until the last of days How I welcomed you in triple trust: As my brother, friend and guest, How you beared love in your eye, your hand and tongue, How you looked like the innocent flower, but acted as the serpent under it! Yet you had no spur to prick the sides of your intent But only vaulting ambition which overleaps itself ... And falls on the other. Oh, I know that my tears can drown the wind as the wind of time will dry my tears, But you became your deed’s creation. Time and tide and you wait for no man So please, do not turn to me for salvation For my soul is too much charged with salvations of thine already!

52


MENSEN LEVEN NIET IN BOMEN

Het vergt bezieling, lef en kunde Om te klimmen tot waar ik zit. Eens aangekomen heers je van hier Over een oceaan van velden en bomen. Je geniet van een nieuwe vrijheid, Ontsnapt aan de druk van een opjagende tijd, Van geld, machtswellust en kleingeestigheid. De wind ontlokt de kruinen Hun eeuwig zacht, eentonig lied. Ik sluit mijn ogen, Laat hem spelen in mijn haren, Luister ontroerd naar het trillen Van gratis bespeelde vogelsnaren En naar het weemoedig loeien Van een verre koe. Zie, de horizon rijst blauw, In goud en bloed omhoog. Rijst en rijst, Klimt moeiteloos naar boven Op zijn dagelijkse tocht De tanende zon weer tegemoet.

Het is goed als mens soms in zijn bomen Je met god weer god te voelen, Je te laten wiegen op onvoltooide dromen, Afstand te nemen van wat je denkt, Van wat je kent, van wat je denkt dat je bent. Maar plots zie je hoog in het zwerk Een metalen kruis van menselijk vernuft Dat krijtstrepen trekt door je zuiverheid. Of diep onder jou hoor je het aanzwellend gebrom van een tractor of een trein. Het doet je vloeken binnensmonds En geĂŤrgerd bedenk je dat je tegen achten bij Wim moest zijn. Even nog stel je de terugkeer uit. Je bekijkt je broek, die je scheurde op de weg hierheen, Ziet de zwart-groene vlekken op je hemd. Maar reeds omknnellen vuile, geschaafde handen Vastberaden stam en tak en laat je je zakken, Je eigen wereld tegemoet.

53


MYTHES I: PRELUDE We hebben ze niet nodig, De leren jekkers, ijzeren kettingen, De Easy-Rider of Don-Juan symbolen. We hebben lak aan modes, Professioneel geserveerde -ismen, Voorverpakte consumentendromen. Neen, de warmte van de kudde Kan ons niet bekoren En minder nog haar eendags-idolen. We weigeren ons te verschuilen Achter primitieve massa-clichés, Achter illusies van inspraak, Spookbeelden van succes, kracht, viriliteit, ... We weigeren de realiteit te ontvluchten  Door het aanvaarden van het juk van koning voetbal Of anders gezegd: "speel jij voor mij",  Door de knieval voor T.V.: "droom jij voor mij",  Door de afstompende onderwerping aan partij of kerk: Denk jij, Oordeel jij, Kies jij, Leef jij voor mij ..."

We willen gewoon onszelf zijn: De dingen zien zoals ze écht zijn, Onze eigen dromen dromen, Denken, zeggen en doen wat we willen En daar zelf voor verantwoordelijk zijn.

54


MYTHES II: BESCHOUWING Moeder is zus, zus is zo en broer weer anders Zo bouwen we onze eigen mythes, net als alle andere Gebouwd deels op zand, deels op vaste grond. Evenzo leiden zij ons tot vooroordelen, veralgemeningen, Gaan zij mettertijd een eigen leven leiden, Verarmen zij de voedingsbodem waaruit zij ontspruiten En vervormen zij de werkelijkheid die hen vormde. Want zoals alle geestesvergiften Putten zij hun kracht uit hun vaste grond: Het stukje waarheid dat hun in evenwicht houdt En van waaruit het venijn van de onzekerheid Als een giftige adder in onze houding sluipt En langzaam aan gewoontes kweekt: Gewoontes die zich nestelen in elke cel En onopgemerkt parasiteren op onze twijfel Tot wij plots, onthutst, ontdekken In welke mate deze gewoontes ons beheersen, In welke mate wij mythe werden in plaats van mens En hoe hard en tijdrovend de kuur is Die dit proces kan keren.

55


PETER Peter trekt je aan, want hij kent geen vooroordelen, Hij ziet de schoonheid op de vaalt even klaar als vuurwerk in de nacht; Hij weet goed en kwaad in hun diepste zin opgeheven En heeft een zesde zintuig dat waarschuwt voor zelfzucht, Voor valsheid en oneerlijkheid. Hij is de vleesgeworden loyaliteit: Je weet wel, het soort man die weet hoever iemand gaan kan, Een rots die stand houdt in de branding En aanvaardt dat hij de klappen krijgt waarom hij daardoor vraagt. Hij geeft, wel wetend dat hij nooit zal krijgen, Revolteert, bewust dat niemand ooit zal volgen - Zelfs niet eens hijzelf. Maar aard, opvoeding en jaren, zij dwingen hem tot reactie, tot revolutie, eenzaamheid. Zij duwen hem de nacht in, over gladde glazen bruggetjes En ontlokken hem wilde kreten in machteloos protest tegen wat hij ziet en weet, Tegen de dreiging die hij aanvoelt maar waarvan hij de juiste gevaren nog niet kent. Laat in de nacht, als geen nuchter man meer te bespeuren valt, Als er niemand meer is om mee te waken in deze grote tuin van Portiuncula Dan trekt hij naar het kerkhof en mediteert er onder de treurwilg Geniet er van het kloppen in zijn borst midden duizenden die hem zijn voorgegaan En nu rusten; rotten;, vergeten zijn en vredig rusten onder triljoenen sterren. Thuis; opgenomen in de donkere schoot waaruit zij ontstonden. Als de wind kreunt in de kruinen dan heft hij trots het hoofd, Schudt de geur van drank en sigaretten uit zijn lange haren en huilt naar de volle maan. Huilt als de wolven, maar huilt niet met de wolven mee. Want in het bos onderkent hij bomen en hij weet de tijd gekomen. Weet zo zeker dat de tijd is gekomen, maar weet nog niet waarvoor. Maar aard, opvoeding en jaren, zij dwingen hem tot reactie, tot revolutie, eenzaamheid. Zij duwen hem de nacht in over gladde glazen bruggetjes, Ontlokken hem wilde kreten in machteloos protest Tegen wat hij ziet en weet, tegen de dreiging die hij aanvoelt Maar waarvan hij de juiste gevaren nog niet kent. Geen breidel zal hem weerhouden, geen juk reikt tot aan zijn schouder En als hij al wat minacht, dan de lafheid van die buigen, De zwakheid van die vluchten voor hun problemen, voor de wereld, voor het leven. De zwakheid van die vluchten wanneer vluchten toch niet helpt; Die het opgaven trouw te zijn aan zichzelf en de kracht missen hun wensen waar te maken; Die plooien voor leiders en voor wetten, voor straffen, druk of chantage Zonder naar het eigen geweten nog te luisteren, zonder nog hun geweten te kunnen horen spreken; Die zwijgen, uit angst of voor het geld, Die zich juist wanen omdat ze de gedachten overnamen die heersen bij de meerderheid; Die zich sterk voelen midden die grote kudde die door angst bijeengedreven werd En in angst haar bestaanszin vindt.

56


Maar aard, opvoeding en jaren, zij dwingen hem tot reactie, tot revolutie, eenzaamheid; Zij duwen hem de nacht in over gladde glazen bruggetjes, Ontlokken hem wilde kreten in machteloos protest tegen wat hij ziet en weet, Tegen de dreiging die hij aanvoelt maar waarvan hij de juiste gevaren nog niet kent. En staande tussen de graven nu voelt hij hoe met het onbegrip Ook de bitterheid weer gaat smelten. In zijn vraag en antwoord hoe echt mens te zijn Voelt hij weer hoe zinloos te strijden tegen golven -(want elke poging doet toch weer een nieuwe golf ontstaan)En heel even, maar diep, heel diep, weet hij. Hij weet en zwijgt en laat begaan. Maar in zijn zwijgen sluimert de nood om van iemand begrip te krijgen En zelf voor iemand oor te zijn, Want net zo min als al de anderen is hij altijd enkel wat hij schijnt. Maar aard, opvoeding en jaren, zij dwingen hem tot reactie, tot revolutie, eenzaamheid; Zij duwen hem de nacht in over gladde, glazen bruggetjes, Ontlokken hem wilde kreten in machteloos protest tegen wat hij ziet en weet, Tegen de dreiging die hij aanvoelt maar waarvan hij de juiste gevaren nog niet kent. Als na een tijdje de eenzaamheid hem gaat vervelen, De machtige mildheid van de sterrennacht begint te tanen, Kuiert hij langzaam weer naar de lichten van de stad Vol nog van het verkwikkend water dat diep persoonlijk bewust-zijn is. En nagenietend, opgesloten in gevoelens die geen ander dan nog kent, Duikt hij onder in het geroezemoes van velen. Drijft hij mee. Ongevoelig voor wat anders dan het eentonige ruisen van de zee. Drijft hij mee: Ogenschijnlijk leeg, maar vol, zo vol van Peter. Bewust van wat hij doet, gissend soms naar het waarom, Houdt hij zijn droomgeld klaar in de open hand. Hij drinkt het bier der vrijheid, het vocht van pret en nooit-alleen; Kent geen verveling, geen gedachten, geen spijt, geen woede, Geen verleden of geen toekomst meer, maar leeft. Leeft seconde na seconde, ongevoelig voor wat anders Dan het eentonige ruisen van de zee. Maar aard, opvoeding en jaren, zij dwingen hem tot reactie, tot revolutie, eenzaamheid, Zij duwen hem de nacht in over gladde, glazen bruggetjes En ontlokken hem wilde kreten in machteloos protest Tegen wat hij ziet en weet, tegen de dreiging die hij aanvoelt Maar waarvan hij de juiste gevaren nog niet kent. En op de foto's wordt het donker zwarter, het licht wordt wit en de lucht wordt klaar: De nieuwe dag is daar.

57


TAKE IT EASY

Romantiek Is van voor onze dagen. Nu geen illusies meer: De nieuwe generatie Ziet alles ĂŠcht!

Play it cool, ga niet zweven: De wereld is corrupt, Het leven een genadeloos spel Voor macht en knikkers, En je moet er nog zo lang in leven!

Geen blind vertrouwen meer in leiders, Geen dromen over grootse einders, Geen verhalen over goden en mirakels: Alles is zo relatief!

En toch, wij die nooit meer dromen, Die lachen om de onschuld van een kind, Verbitterd grijnzen naar wie achterblijven, Hoe vaak, na het liefdesspel, Vragen wij ons niet ontgoocheld af: Waar bleven onze idealen?

58


TE QUIERO Als de zon geurt naar Bordeaux En wegzakkend achter de belforttoren Nog even talmen blijft op de terrasjes, Dan mis ik jou. Als de maan vol aan de hemel troont En de wind speelt in de boomkruinen Terwijl wolken schaduwen schetsen Over het land, dan mis ik jou. Als mijn schaakcomputer meewarig biept Omdat ik aan mijn zevenentwintigste koffie sip In afwachting dat de T.V. verstomt En ik mag slapen gaan, dan mis ik jou. Als ik na het werk met de collega's Snel een pintje drink Of 's avonds met mijn vrouwtje de cafĂŠs afdweil En voel hoe in de onmacht de verveling groeit, Dan mis ik jou. Als ik naar "Por las mĂ­as" kijk, Of denk aan hoe hard het leven ginds kan zijn, Waar de dood je zegezeker tegen grijnst, Dan mis ik jou. Ik mis je als ik iemand zoek om mee te praten Ik mis je als ik zingen wil Ik mis je als ik met iemand Om ter snelst wil rennen Ik mis je als ik 's morgens mijn ogen open En 's avonds weer, wanneer ik ze sluit.

Ik mis je als de lente bloesems tovert Op de bomen Ik mis je als wij lui genieten Van de schaarse zomerzon Ik mis je als het kleinvee In okerbruin en -rood rond stoeit Ik mis je als de sneeuw zacht de grond bedekt En als de noordenwind alles stijf bevriest. Soms hoor ik onverwacht Johnny Cash, En dan mis ik je Soms kucht een klant, nerveus als jij, En dan mis ik je Soms lacht iemand honderduit, En dan mis ik je Soms stoot iemand gewoon zijn glas om, En dan mis ik je Maar meer nog mis ik je Als de angst mijn hart omsnoert, Als de bezorgdheid mij het lijf opkruipt, En ik verbeten vecht Tegen honderd zware twijfels. Nooit voorheen echter geloofde ik zo sterk Dat jij je weg, je doel gevonden hebt; Nooit voorheen was ik zo overtuigd: Zo is het goed. Maar het ergste is, dat als ik daaraan denk, Ik je mis Ik je het meest nog mis van al.

59


TOET TOET

HET LEVEN IS EEN TREINTJE GELEID OVER METALEN STAVEN LANGS RANGEERSTATIONS, GROTE STATIONS EN KLEINE

JE EINDBESTEMMING ONTVLUCHTEN KAN JE NIET

ER BESTAAN MONORAILS, ZIJSPOREN HIER EN DAAR MAAR WELKE RICHTING JE OOK KIEST

ZELFS NIET ALS JE ONTSPOORT WANT, BOEMELTREINTJE OF EXPRESS, DAN GA JE RECHT DE HELLING AF EN KOMT TOT STILSTAND IN DE GOOT, JE ZELF GEKOZEN GRAF

BEST RIJ JE DUS MAAR RUSTIG DOOR OP DIE MOOIE, DIDACTISCHE RAILS TOT JE STRAM GEZETEN JE BESTEMMING BENT VERGETEN ... TOET TOET: ARRIVE!

60


WAAROM? WAAROM BEN IK WAT IK BEN ALS HET MIJ SPIJT WAT IK BEN OMDAT IK PIJN DOE AAN DE VROUW VAN WIE IK HOUD EN OOK AAN MEZELF? Waarom ben ik zo leeg, Zo wrevelig en verveeld? Geen boek in huis dat mij kan boeien, Inspiratie om te schrijven heb ik niet En om te leren of te schilderen of wat dan ook: Geen lust, geen zin, geen energie.

Ach, vrouwtje, wat voor man heb jij aan mij? Slechts vermoeidheid houdt mij voldaan Naast jou in de zetel voor de T.V., Maar niet zo gauw voel ik mij vief Of ik loop de muren op en grom en brom Tot wij slapen gaan.

Neen, geen koffie Neen, ik wil niet stoeien met de kat Ik kan me niet concentreren hier En oh, wat haat ik die T.V.: Kinderfeuilletons, spelprogramma's En inhoudloze films bij de vleet.

Ik zit altijd, zeg ik, vol ideeĂŤn Maar weet in feite nooit wat gedaan Zodat ik in de praktijk enkel Ons beider avonden verstoor Door mijn ongedurigheid En ik - ergst van al nog Dit alles soms aan jou verwijt!

61


ZIJN: een onvolledige vervoeging

HET IS: Het bonst en gonst, Tintelt in mijn bloed: Ik leef! ik bemin, Eet, werk, rust, denk, Kijk, voel, smaak, hoor, Ik doe en laat ook doen,

HIJ IS En steeds weer voel ik mij beklemd Bij de gedachte aan wat ik zou kunnen, Zou moeten zijn, voor mezelf En voor de anderen

IK BEN Alsmaar door ben ik drug bezig te zijn: Mijzelf te zijn, tevreden te zijn Gewoon omdat ik ben. Hoewel ik niet ben zoals ik wel eens denk: Niet zo snugger, noch zo goed of mooi of sociaal, Niet zo lief, noch zozeer gewoon mezelf.

Voor wie ik niets ben, nu, Niets doe, nu, Aan wie ik niet denk, nu. Zo voer ik deze - en nog andere - frustraties Mee langs de snelweg van het Gelukkig Zijn. Opgewekt en blij, want mijn rijvak kies ik zelf. Soms toch.

62


ZWERFHOUT Ik ben zwerfhout, schreef je me, Geen bootje met een vaste koers op zee. Een bootje luistert naar zijn stuurman, Maar ik drijf met de golven mee, Met de stroming en de wind. Ik ben zwerfhout, schreef je me. Zwerfhout zijn, mijn vriend, Is het voorrecht van een kind. Ach, ik weet: even als zwerfhout zwalpen over zee, In een bruisende orgie van schuim en licht Tollen en tuimelen wijl de stormwind loeit, Of ĂŠĂŠn lange, serene sterrennacht Genieten van het sirenenlied Wijl de muze kabbelend met je lichaam stoeit En de maan mysterieus je tegenlacht: Welke zeeman droomt van deze luxe niet? Maar vertel me, voor je ondergaat: Welke vreugde kent het doordrenkte zwerfhout nog, Dat dag aan dag, zonder doel in het water ligt? Welke zon verwarmt het zwerfhout nog, Dat altijd enkel water en nooit een haven ziet? Welk geluk brachten de sirenen toch Aan wie zich niet bevrijden kon van de extase van hun lied? Zwerfhout? Zie je dan niet dat op zee het zoute water heerst? Het water, grijs en koud? En wat de zee met haar magnetisme overheerst Voert ze dra als vissenvoedsel met zich mee. Ik bent zwerfhout, schreef je me. In het zwerfhout leeft een mens, mijn vriend, Slechts tot het water hem ontbindt. Maar kijk, liegen mijn ogen of zie ik goed? Is dat een peddel die het hout zich keren doet? Daagt daar een arm de zee uit tot de strijd? Ontwaakt een wil uit dodende passiviteit? Is het dan toch waar dat boven de oceaan De zon is opgegaan? Kiest de boom zijn eigen weg, Neemt hij initiatief? Hou vol dan, geef niet op! Hier is mijn hand, mijn arm Samen bouwen wij een vlot ... Want ik heb je lief.

63


ZWOELE NACHT Zwoele, zwoele nacht, Schud de regen uit je vacht, Richt je blik naar de horizon Al tranen je ogen door de zon; Geniet van het vergezicht: Onweerswolken noch gebroken bomen Kunnen je verhinderen te blijven dromen Van een betere dageraad Als je er zelf mee aan bouwt. Soms denk ik dat ik weet Wat je gesloten lippen de wereld vragen En hoe zwaar het antwoord is om dragen Zodat je, alsof je nooit de waarheid zag, De vlucht verkiest in de donkere nacht Boven banden van nemen en van geven Als basis voor een constructief leven. Zwoele, zwoele nacht, Schitterende schaduwen die vlug vervagen, Zinloze dromen die onwetenden najagen Zie ik weerspiegeld in je dromerige blik. Ze vullen je met afkeer en met schrik, Maar meer nog doet die helle vlek je pijn, Dat vlammende punt die de zon moet zijn Want die confronteert je met een realiteit Waar je nog lang niet rijp voor bent. Soms denk ik dat ik weet Wat je gesloten lippen stom aanklagen En hoe zwaar het verdict wel is om dragen Zodat je, alsof je nooit de waarheid zag, Opnieuw jezelf verliest in de natte nacht En met jezelf al je dromen van een leven Waarin niemand nog voor macht of geld moet beven.

64

Zwoele, zwoele nacht, Don Quichote op zijn ros, Robin Hood in het Sherman Bos, Net als Che of Romero Zochten zij hun eigen weg: Dwarsdrijvers op weg naar pech, Onozel' Kloten zoals j'er zoveel al zag Of mensen die, als jij, Huiverden voor structuren Waarin de rijke bepaalt Wat de arme leren, denken, doen of zeggen mag Wie uiteindelijk wel en wie niet leven mag. Soms denk ik dat ik weet Wat je gesloten lippen stom aanklagen En hoe zwaar je vonnis is om dragen Zodat je, alsof je nooit de waarheid zag, De vlucht verkiest in de donkere nacht: Leeg geluk boven de pijn van consequent leven, Leeg geluk, want zie: je handen beven. Zwoele, zwoele nacht, Omdat je de wereld niet kan beminnen Ondanks dat je overstroomt van liefde daar vanbinnen Maar je buigt voor de macht van je eigen onmacht En op elke zwoele, zwoele nacht Offer je jezelf weer op aan de werkelijkheid Zoals realisten wel meer doen .. Want om te leven Hebben ook zij een droom van doen!


AHAM ALFOM ASMI Het is niet omdat de een uit de ander ontstond Dat de druppel gelijk is aan de zee, Noch omdat in hem de stemmen Van evolutie en oneindigheid Bewuster weerklinken Staat de mens Boven de natuur; Doch zoals elke druppel De onmetelijke zee weerspiegelt, Zo ook openbaart zich in ons diepste zelf De ware aard van Alfom.

65


ALFOM I Alfom is de totale energie in evolutie, Die vele verschijningsvormen aanneemt. Zij is de actieve kracht in al wat leeft; De sluimerende energie in de materie, die Glijdend langs de paden der verandering Op weg is naar altijd volmaakter beleving van zichzelf. Zij is de scheppende kracht in de natuur Die in de mens voor het eerst bewust werd Van zichzelf in de mens en van wat daarbuiten is: Haar zelf buiten de mens. Door de mens groeit zij op aarde naar bewustzijn Van haar geschiedenis: Van al wat was, is, en ooit zal zijn En naar de beheersing van alle elementen en krachten Die immers behoren tot het "AL" dat zij omvat. Want dit is onze kracht en onze reden van bestaan: Dat wij de bewustwording leiden, haar zintuigen zijn In de eeuwige speurtocht naar begrip en bewustzijn En dat onze geest de hare is.

66


ALFOM II Energie in beweging Dat volstaat als verklaring Voor alles. Hoe zou de bestemming van het heelal Anders kunnen zijn Als die van ons allen Als wij allen samen heelal toch zijn? But, so what? Elke avond sterft een bloem Elke morgen wordt ze nieuw geboren

67


ALLES OF NIETS

Bij het sterven van ons lichaam Verdwijnt onze levensgeest in het Alles. Zoals de regendruppels in de oceaan Keert hij terug naar zijn oorsprong, Waar geen druppel nog weet van de wolk Waar hij voorheen deel van was. Zo is het, dat wanneer de zon Onze druppels met het water van de zee Weer over de aarde verspreidt, Alleen de natuur van de zee in hen bewaard werd. Want zee waren zij geworden En uit de zee nieuw geboren. Daarom ook blijft het voor ons gelijk Of wij geloven, op het einde van ons bestaan Te zullen opgaan in Alles, dan wel in Niets, Want voor de individuele persoonlijkheid Bestaat daartussen niet het geringste onderscheid.

68


COGITO ERGO SUM Ik ben mens" weet ik, zeg ik, Maar eigenlijk wil ik meer zijn: Meer dan een lading, doordrenkt Van het residu van een evolutie Waarin alle aandacht en waardering Sedert het begin uitgaan naar ĂŠĂŠn: De uitblinker, de beste, de winnaar.

Ik ben beter toch dan jij!

Zie hoe, net als bij de dieren, De spanning stijgt bij elke stap Door een mens gezet op vreemd terrein; Hoe elk van ons zich koning voelt, Heer en meester tussen de staven Van zijn eigen kooi, Maar nerveus wordt, onzeker en alert Eens buiten het vertrouwde hok. Merk toch hoe, tussen onze hokken in, Een dure wagen, een chique kostuum, Een laagje schmink, misbruik van gezag, Waaghalzerij, leugens en gesnoef, Holle slogans, verbale vaardigheid, Verkwisting en krachtpatserij Enkel de waan ophouden moeten:

Neen, wij mensen leven niet voor elkaar: Iedere verdiende frank wordt tweemaal nageteld En naarstig opgepot voor onze dwaze droom: Zekerheid verwerven in dit leven, De beste zijn, het meeste hebben ... Dus leven wij voor een eigen huisje, een wagen, Een eiland van vrede en rust rond de buis Kom, zeg nu zelf, wat betekent daarnaast Een mensenleven? Ik denk, dus ik ben. Zolang al denk ik, ben ik mens, Dat ik me schaam als ik in mezelf blik Of uitkijk over mijn eigen berg van egocentrisme. Dan realiseer ik mij immers hoe laf ik werd, Zodat ik niet eens mijn eigen leven leven durf En, in plaats van daaraan iets te veranderen, Me troost met de gedachte ... Dat ik er tenminste nog over denk!

69


CREDO Ik geloof in het heelal Waar niets evolueert Volgens vooraf ontworpen plannen Maar alles breekt en bouwt, Krioelt en bruist, hotst en botst ... Tot de metamorfose àf is wellicht, Tot de ultieme synthese werd bereikt En alles, altijd anders, Opnieuw beginnen kan? Ik geloof in de natuur Die meest tastbare openbaring Van wat kosmos is: Niet in rust, noch geordend En toch zo vol rust en orde; Niet materie, noch geest En toch materie, toch geest; Niet gedomineerd door leven of dood En door niets anders toch zo beheerst. Ik geloof in de mens Die de groeiende bewustwording vertegenwoordigt En de geïndividualiseerde logica, Die even rusteloos is als de wereld Waarin hij wortelt, tolt en draait IJverend naar bezit, macht, vrijheid, gelijkheid, Liefde, rechtvaardigheid, vrede, solidariteit, Naar kennis en bewustzijn, ... Maar als enig wezen op onze aarde Eenzaam weent en kreunt onder het besef Van zijn fouten, beperktheid en verdeeldheid En desondanks in zijn dromen en in zijn werken Blijft aanschoppen tegen de grenzen die hij ontwaart. Ik geloof in god, die niet bestaat, Maar het begin en het einde symboliseert, Het gezicht is van onze angst voor de dood, Maar ook van de hoop die wij in ons vaandel voeren, Onze dromen van al wat goed is, wijs en perfect; Die de moed is, de troost, de liefde, de toevlucht Die wij nodig hebben en waarom wij hem creëerden. Ik geloof in het heelal dat natuur is, mens en god Ik geloof in de natuur die mens is, god en heelal Ik geloof in de mens die god is, heelal en natuur Ik geloof in god die heelal is, natuur en mens

70


DE DOOD Ze kan van buitenaf komen Abrupt, snel en onverwacht Als een dief in de nacht .... Dat kan

Ze kan op haar tijd komen Wanneer je gebogen, gerimpeld en zonder kracht Al jaren weet dat ze ongeduldig op je wacht .... Dat kan

Je kan ze onderwerpen aan je bevelen Met een overdosis of de gaskraan, wel doordacht Ze foltert dan ĂŠĂŠn moment en sluit daarna je ogen zacht .... Dat kan Maar meestal is het ongewild dat we haar telen Op een bed van pijn, ontgoocheling en onmacht En telkens we ons ongelukkig voelen, weten we dat ze lacht, Dat ze weer een stuk hoop en energie heeft opgevreten En we betreuren dat ons leven te snel afglijdt naar de dood Die voor geen mens ooit leven bracht: Een finale zoals die door een dood leven wordt voortgebracht

71


DE KEUZE

Ascese, onthouding, uiterste soberheid Tot wanneer de twee-eenheid uiteen barst In unaniem protest van geest en materie, God in visioenen spreekt En de Boeddha zijn nirwana vindt. Is de mens die denkt een groter wonder dan, Dan de rups die vlinder wordt? Put ook niet de rede haar bestaansrecht Uit de levensstrijd van wat voor haar was? Er staan geen goden boven de natuur, Geen geesten buiten de materie, Want al wat was of is, of zijn zal, Sluimert sinds eeuwigheid In het universum van energie, Van wisselende, draaiende werkelijkheid, Dat voort veranderen zal tot in eeuwigheid. Of - zoals Bilderdijk al zei -: In het verleden ligt het heden, In het nu wat worden zal.

72


DE MASSAMENS

Zie die palingen in een plas Die zich wentelen in onverschilligheid En slechts uiteenwriemelen Zodra zich voordeel meldt. Zie ze kronkelen en kruipen voor elke macht Die vleiend gratis schouderklopjes schenkt Maar inmiddels met de dwaasheid der alen lacht. O, zie toch hoe in eeuwige bekrompenheid Tussen het werk en de voetbal door Omdat het nog te vroeg is voor tv. Die mensen gauw mekaar verslinden! Geef ze eten, sex en spelen, Laaf ze met het bier van valse extase, Beschimp elke vorm van originaliteit, Stel de hel tegenover ongehoorzaamheid En zie rustig toe hoe ze binnen de kudde Elk voor zich en tegen een hun kracht verspelen.

(ik las eens dat vissers op een mand met kreeften geen deksel zetten: kruipt er ĂŠĂŠn omhoog, trekken de andere hem wel weer beneden ...)

73


DOEM Katalysatoren zijn we voor elkaar We stimuleren - of remmen af Geven vrijheid - of beperken ze Kiezen voor het leven - of de dood En wat wij individueel doen Gebeurt op groter schaal met groepen Met rassen, maatschappijen, Met de ganse wereld Gelukkig is het universum Ontelbare werelden groot!

74


EGOISTEN Nooit willen egoïsten Nooit de zon laten schijnen Waar ze zelf ooit komen Maar haar ooit laten schijnen Waar ze toch nooit komen Willen die dwazen nooit Ten ware dat de glans ooit Hun eigen beeltenis tooit. Zo de mens zijn broeder kooit Hem zijn warmte en licht afschooit En het wil laten schijnen Dat hij zich voor hem berooit Hoewel zelfs nooit in dromen Hij zich voor een ander plooit Of voor hem zijn hart ontdooit, Maar, integendeel, hij zich vaak Met de vruchten van andermans arbeid tooit. Formidabel hé!

75


Europa Is het een wonder Dat ik geen woorden vind Voor de spijt die mij beroert Wanneer ik, spijts de gemeenschappelijke cultuur Die weerklinkt uit mijn taal en haar verwantschap Met de andere Europese talen, De droom van de eenheid van Europa Overschaduwd weet door de krachten Die dit kleine schiereiland zolang al Verdeeld hielden in een puzzel van staatjes En het, als evenveel kolonies van groter staten Laten verzuren in zijn eigen ijdelheid? Al te veel hebben wij door onze verdeeldheid verloren, Al te duur betalen wij de grootheidswaanzin onzer leiders Dan dat deze toestand eindeloos mag blijven voortduren!

76


GOD God is een idee Onttrokken aan stof en stenen En in groeiende bewustwording meegevoerd. God is een projectie Geboren uit vrees en onwetendheid In de schemering van de dageraad. God is de ultieme droom De boodschap van de geest aan de materie Die met iedere nieuwe dag Met ons meegroeien mag. Als het waar is dat in het universum Uit materie rede en gevoel ontstond En geleidelijk aan het zwaartepunt Van het een naar het ander schuift, Dan zitten wij in rots gebeiteld nog En god met ons in aarde vast

77


HARTAANGELEGENHEDEN

Ach mijn hart, jij bange specht, Ik jaag je angstig voort Want Herakles wil ik overtreffen, Maar uit duizend spiegelscherven Grijns ik wreed mezelf toe Omdat ik keer op keer Mijn geluk vermoord. Samenwerking, solidariteit! Ik roep het vanuit de eigen kerkers Van eenzaamheid: Samenwerking, solidariteit! Zolang ik zelf de beste, de mooiste, En de liefste mag zijn. En juist omdat ik vruchteloos wil bewijzen Dat ik de beste ben Houd ik de weg naar het hart van anderen Krampachtig gesloten voor mezelf. Ik, die de sleutel van mijn hart Ergens tussen wat aftandse idealen En de naakte werkelijkheid verloor; Ik, die buig en zwijg omwille van het geld En, behoudens in mijn dromen, Nooit zelf een alternatiefje vond. Ach mijn hart, jij bange specht, Jij roffelt nog ontwetend voort. Net als ik, zal jij nooit beseffen Waarom tussen gebroken spiegels Slechts monumenten van mislukking staan Hoewel toch alle bronnen van geluk Werden aangeboord.

78


HOMO SAPIENS VERSLAGEN De wereld? Lap ik aan mijn botten! (hik) Want wat deed de wereld ooit voor mij? Elk voor zich, man, Oog om oog en tand om tand! Geef ze genoeg stempelgeld En niemand werkt nog, man, Sloof jij je misschien graag uit? Of word jij zo graag gecommandeerd? Eh?

Haaa, daar had ge moeten bij zijn! De teef!

De wereld (hik)? Ik weet hoe je die klein krijgt! Zal ik je vertellen hoe je aan morfine komt? Waar je goedkoop een mooi negerinnetje ... Je (hik) luistert niet, Maar wat kan het mij bommen?

Twee pintjes, baas! Jajaja, ge drinkt er nog een voor mij, Want gij zijt ne goeie ... En ik kan het me permitteren, hé! Duizend euro heb ik op zak! Ge gelooft het niet, hé? Hier kijk zelf maar: Ha, (hik), ge dacht dat het niet waar was! Ik ben geen armoezaaier, zulle! Rijk man, ik ben rijk! Godverdomme! Is het niet wreed, jong? Zo een schoon kindje!

Kijk, een foto van mijn vrouw. Zie je dat kleintje? Dat (hik) is mijn dochtertje! Schoon kindje, hé?! Godverdomme!! Maar ik heb ze getoond wie baas is!

... Toch een schoon kindje, hé. Mijn dochter! Nu wil ze me weer, hé! Maar (hik) ik, ik ga niet meer Ha, neen hé! Ik heb mijn (hik) eer, hé! Je dacht toch niet dat ik een sukkelaar ben Nee jong, ik heb het klaargespeeld!

79


HOMO SAPIENS: MENS IN WORDING

Zweef dan, alfom, Hoog boven de aardse pieken En bestrooi dit hunkerend land Met de geur van oneindigheid, Duizendvoudig weerkaatst in de stem Die opklinkt uit onze ziel En spreekt van vrijheid, eeuwigheid en liefde. Leer ons luisteren en inzien Dat het een misdaad is rijk te zijn Zolang mensen sterven van gebrek; Te rivaliseren en te overheersen Zonder oog voor samenwerking; De wereld te richten naar het waanbeeld Van immer groeiende rijkdom en macht. Richt onze ogen op de miljoenen sterren, Elektronen gelijk in hun baan rond de kern, Glijdend in chaos langs schijnbaar perfecte paden GeĂŤffend door de druk van krachten Die streven naar evenwicht

En laten wij hierin ons doel herkennen: Dat elk en alles een weg moet kunnen maken, Die met een minimum aan wrijving Maximale autonomie oplevert En geplaveid kan worden met tegels Van rechtvaardigheid en solidariteit.

80


IK GELOOF Ik geloof in het leven Ik geloof in de dialectiek Ik geloof oppositief Ik geloof in de scheppende kracht der tegenstellingen Ik geloof in de contra's, de poly's, multi's en anti's Die beweging brengen, Die breken aan dode dogma's en axioma's, Die vaste structuren en evenwichten ontwrichten En zo nieuwe perspectieven bieden, Die streven naar zelfopheffing Ik droom van een toekomst Die ons meevoert naar het punt aan de horizon Waar vertrek en einde samen zullen smelten, Eén ogenblik lang liefde en haat elkaar zullen compenseren, Oorlog zal vrede zijn, materie geest wellicht En alles één tel lang harmonie, Zwanger van geabsorbeerde, geneutraliseerde, Gesynthetiseerde en gesublimeerde tegenstellingen: God, heelal, natuur en mens rustend in zichzelf, Eén in de barens-, scheppensklare dood.

81


Ikke nie Zo'k mijn leven kon herbeginnen, Wetende wat ik nu weet, 'K en zou nie trouwen, voor wat anders leren 'K en zou nie bouwen, nie werken dat ik zweet 'K zou wel wat beters weten te verzinnen! Ach, wat zijn mijn vrienden slim! Ik niet. Zo'k mijn leven kon herbeginnen, Als kind zou'k kind weer willen zijn: Na誰ef, kwiek en schelms als toen. Als puber op mijn benen willen beven Wanneer ik, dansend, voor het eerst een meisjeslichaam voel. Ik zou weer spieken in de klas, Spijbelen voor een glas ... Trouwens, met dertig zijn we toch haast kinderen nog? We staan amper aan het begin van ons volwassen leven, Beseffen nauwelijks wat het is: Met onszelf en anderen in vrede te leven, Fouten te vergeven ... En loopt er toch echt eens iets scheef: Wat belet ons eigenlijk te herbeginnen?

82


Illusies

Waar ben je, alo誰s? Waar is je vader? Waar je vaders vader? En waar zal ik morgen dan wel zijn? Vanuit het verleden Werd ik gewekt ten leven En naar waar het verleden ging Richt ook ik mijn schreden Enkel tussendoor, Op de momenten dat het leven Mild is en bruist in overvloed Bouwen we abstracties, Kunnen we een tijdlang Beminnen, leven geven, In liefde voor een ander leven Maar ach, Onze grootheid is als een huis Dat slechts op papier bestaat. Wat wordt sneller afgebroken? En waar vuriger naar verlangd?

83


Introspectie 1981

Ik verloor met mijn puberjaren De herinnering aan een frĂŞle genot, Vergat hoe zoet de pijn van pijn kon zijn, Hoe zuiver de ervaring van mijn eenzaamheid En omdat het vuur was uitgeblust, Vervangen door het besef bemind te zijn, Diende als voedsel voor de laatste vlam De pook van mijn zelfkwelling. Ik stond boven op Mount Everest Te reikhalzen naar nog meer; Aan de einder liep een spoorlijn samen Waar het zwart en wit van jonge jaren Versmolten in het grijs dat ik had gezocht. Ik zag een huisje aan die horizon, Plicht, sleur en verantwoordelijkheid Maar naast mij op de berg stond jij. Ik verloor met mijn puberjaren Het vermogen diep ongelukkig te zijn: Mijn kinderdromen waren opgeborgen, Vervangen door een betere werkelijkheid. Volmaakt geluk kon ik je niet bieden, Volmaakt geluk verwachtte ik evenmin van jou. Alleen al samen met je te kunnen leven Vulde mij met geluk en maakte mij blij. Maar ik ben een schreeuw nu. De aarde rommelt diep in mij. Ik wist niet dat water branden kon Met pijn die lonkt naar razernij Maar deze morgen toen ik werken reed Zag ik hoe zwart en wit de einder openbrak En hoe grijs het was mijn leven voor jou. Zwarte kraaien pikten wild in mij.

84

Mijn liefde, mijn vertrouwen heb ik weg gegeven; De ruggengraat die mijn leven droeg. Heb je gekraakt voor een enkele zilverling. En ik lach en ik drink en ik eet en ik dans Maar gebroken ben ik van binnen en vernederd Om al wat ik van ons leven had verwacht De kus die ik op je lippen druk spreekt weer Van wanhoop, verbittering en eenzaamheid. De kus die ik op je lippen druk, Wordt nooit meer als weleer Wat gebleven is, is een kreet van zeer.


Karikoetuur

Als een kalf in de wei, Onwetend van melkveehouderij, Dacht ik enkel aan stoeien: Ik kende geen slachthuizen voor koeien. Wat was ik toen blij Zo vrij, zo vrij!

Laatst heeft een veekoopman mij gekocht. De beste wei heeft hij voor me uitgezocht En om mij voor mijn prestaties te belonen Krijg ik nu geregeld een spuitje met hormonen. Maar wat maal ik om wat artsenij: Ik ben weer vrij, zo vrij!

Langzaam verkauwde ik de tijd Maar in mij groeide de spijt Omdat ik mijn dagen vulde met grazen En zinloos langs houten paaltjes razen. Toen zweefden mijn gedachten buiten de wei Zo vrij, zo vrij!

Het is gedaan nu met gezeur over melk vol dee dee tee Of cee oo op de grassprietjes voor het vee. Er komt een tijd vol ontspanning en plezier: Morgen mag ik zelfs mee naar de jaarmarkt hier. Ja, een gans nieuw leven openbaart zich voor mij Zo vrij, zo vrij!

Dra kwam de liefde mij bekoren. Toen was ik pas goed verloren, Want mijn kinderen behield ik nooit lang: Voor de boer immers was slechts mijn melk van belang. Door de draad zag ik nieuwe kalveren lopen in mijn wei Zo vrij, zo vrij!

Beuh!!

Dank zij voorbeeldig kalven en veel melk geven Verbeterde uiteindelijk toch mijn leven Want ik werd opgemerkt door de boer En kreeg steeds meer en beter voer. Alle andere koeien benijdden mij Wat was ik toen blij, zo blij!

85


Keizer Ego de Grote Langs mijn voeten stroomt het leven voort Zomer, winter, kermis of werkloosheid: Enkel woorden op mijn levensblad. Oorlog, ziekte, huwelijk en dronkenschap: Vage beelden uit een wisselende werkelijkheid Die ik onbewogen aan mij voorbij laat gaan. Want ik ben keizer Ego de Grote, Heerser sinds eeuwigheid. Ik prijk op een sokkel midden elke stad En aanschouw spottend, maar met gelatenheid, Hoe jaar in, jaar uit, in armoe of in weelde, De mens zich slechts bekommert Om zijn eigen nietigheid. Er waren tijden dat ik bij regen en ontij Stiekem weende uit pure machteloosheid Bij de gedachte aan zoveel moeders Met verschrompelde borsten, Aan zoveel kinderen die sterven van ontbering, Aan al die mensen die nooit een dokter zagen

86

En als ratten leven in lekkende afvalplatenhokjes. Maar was de regenbui weer over, Trok ik mijn bronzen mond weer in de oude plooi En keek spottend, maar berustend Neer op de mensjes die hun parapluutjes streken En alles ging terug zijn van alouds vertrouwde gang. Sinds heb ik veel bijgeleerd Want, omdat meelij en tranen toch niet baten, Heb ik het denken aan ellende maar gelaten. Bij storm, in donkere nacht, Als geen mens zich buiten waagt, Kaart ik nu een boompje met Van Artevelde, Albert I en Godfried van Bouillon. En de wereld? Die lap ik vierkant aan mijn laarzen! Want ik ben keizer Ego de Grote, ...


Liefde Wij noemen liefde Wat we voelen Voor al wat leidt Naar ons geluk. De rest wekt vrees of haat En noemen we kwaad. Hoe goed het voor de wereld Ook mag zijn. Trouwens, hoe vaak Verwarren wij ’t een met ’t ander niet?

87


Megalomania Als de mantel van de nacht, Het tomeloze geweld van de wind Hun charmes verloren; De broze pracht van vlinder en bloem Je niet langer bekoren; Blijf dan even staan, Blik terug op je leven, Besef dat je een pas te ver bent gegaan.

88

Als in de lucht geen wolven De beer meer bevechten; In de Dender zich geen haai meer Onder de olie verschuilt; In het bos geen draken En prinsessen meer leven; Dan wordt het tijd Dat het verdwijnt: Dat gevoel volwassen te zijn.


Ode

Ik heb jouw initialen en de mijne Tot een nieuwe letter verweven, Het symbool van onze liefde In mijn vlees gekerfd, in bomen Op banken en in boeken. En in dromen heb ik mezelf verteld Dat dit ware liefde is. Ik heb ruzie gemaakt met m'n oudjes Om toch bij jou te kunnen komen De afspraak die ik had met Piet en Luc Vergat ik terwijl ik naar je foto zat te staren. Je stem klonk zo zacht in de telefoon En onmiskenbaar heb ik gevoeld Dat dit ware liefde is. Ik heb met jou gedanst, Je hoofd tussen mijn handen genomen, Met die handen je lichaam gestreeld En je lippen met mijn mond. Samen zijn wij op stap gegaan En in cafĂŠs waar we anders nooit komen Hebben wij elkaar duizend keer verteld Dat dit ware liefde is. Je naam is al lang uit mijn vlees gegroeid Ik ben getrouwd en best gelukkig zo. Ook jij huwde lang geleden; Dat was zowat het laatste dat ik van je hoorde. Maar wanneer collega's spottend vertellen Over jeugdsentiment en dwaze kalverliefdes, Dan denk ik telkens weer hoe mooi Hoe vrolijk, zacht en goed je was En hoe wij onszelf vruchteloos overtuigden Dat dĂ t ware liefde was.

89


Onderweg

Door de mist kom ik gewandeld, Van Terjoden heel de weg tot hier. Ik heb zes miljard redenen om te dubben; Mijn gedachten zijn zo zwart, Mijn toekomst is verward Maar de ganse wereld lijkt wel op zwier, Ja de hele wereld zwemt in het bier. Ik ben het leven ingetrokken, Tot op de bodem van het vertier. In stilte wordt daar menig glas gedronken. In stilte, want iedereen drinkt toch alleen En slechts de eigen zorgen kent elkeen. Ja, de ganse wereld lijkt soms rot En zoveel mensen gaan daaraan kapot. Slechts door meditatie kan je je bevrijden, Met de boom der kennis je verrijken. Maar eigenlijk is het allemaal net masturbatie: Je mist de dialoog met de werkelijkheid, Vlucht in jezelf, in boeken, films of drugs En de muziek overstemt je onrustigste gedachten. Ja, door de muziek laat je je verkrachten. Door de mist ben ik gewandeld. Ik heb jou ontmoet op weg hierheen En samen zijn wij voortgegaan. Onze harten hebben we aan mekaar verwarmd En bij elke stap werd de toekomst Een heel klein beetje minder verward. Mijn ganse wereld kan jij niet zijn, Jouw ganse wereld ben ik niet Maar vanaf de kast lacht je foto En ik zou durven zweren Dat je me gaarne ziet.

90


Onmacht Midden een oceaan van verveling en leegheid, Van afstomping en passiviteit, Waar "initiatief" het courante eufemisme is Voor rivaliteit en uitbuiting, Waar geldzucht hoogtij viert En de waarden werden omgekeerd; Midden een wereld waar liefde niet ook, Maar àlléén sex en aandacht is, Waar elke vorm van inzet voor een ander Liefdeloosheid en egoïsme heet En tot een bewijs van plichtsverzuim verwerd; Midden deze hel sluit ik mijn moede ogen En denk aan jou, Hermana. En zie: langzaam lost de nevel op, De onmacht die me zo-even nog beving, Bestaat niet meer Want plots ervaar ik heel diep Dat machteloosheid, lafheid, middelmatigheid ... Slechts abstracties zijn die wij zelf creëren Als excuses voor de eigen vadsigheid. Het ergste is dat, als we maar genoeg herhalen Hoe meedogenloos onze navelstrengen Onze laatste seconde tijd verslinden En elke kans op actie bij voorbaat worgen, Wij zozeer doordrenkt worden Van onze eigen woorden Dat zij ons verlammen En vervolgens verpletteren onder de druk Van het besef van schuld en medeplichtigheid; Of, erger nog: Dat wij ons met onze beperktheid verzoenen En toetreden tot het leger van marionetten Die enkel leven voor drank en eten, luxe en vermaak En hun leven spiegelen Aan de films en feuilletons Die ze eindeloos bekijken op tv.

91


Ontevredenheid Ontevredenheid, Je bent me ingeboren, Doet me revolteren, Bepaalt de veranderingen In mijn leven, Schopt onophoudelijk Tegen mijn beperkingen aan. O, trouwe metgezel, Ik dank u veel van het goede En net zoveel van het kwade Dat ik deed, heb, ben! Altijd zocht je het beste voor mij En toch vervloek ik je Want je bleef bij mij, Plakte aan mijn lijf, Vervulde mij met afkeer Voor alle onderdanigheid, Voor al wat leek op sleur.

92

Beter wilde je, altijd beter Maar zo projecteerde je precies In griezelige, altijd blijvende Duidelijkheid, De bewijzen van mijn nietigheid Ontevredenheid, De grootste stad is klein Als je weet waar je wezen moet. Het kortste steegje maakte jij Tot een waar labyrint voor mij Want geen weg was ooit goed genoeg. Maar nu sta ik hier En ik weet niet meer Wat ik waar dan ook zoeken moet.


Ontwaken in tweedracht In hondenogen lees je het nog: Trouw noch liefde hebben woorden nodig En in de vraag die elke actie is, Schuilt logisch het juiste antwoord als gevolg. Zwakke mensen zagen lang geleden Hoe het onjuiste, onvoorziene, Hen redding bracht En overstegen zo de junglewet Hun lot, zo dachten zij, in eigen hand.

Ontstelt vlucht hij in dromen, Op zoek naar de verloren bronnen van weleer. Maar, hoe gaaf ook daar behouden, In verbeelding leven kan niet meer. Vertwijfeld zoekt hij rust en vrede, Maar steeds keren dezelfde vragen weer Over oorsprong, zien en doel: het oud verhaal Waarop geen antwoord ooit kan behagen.

Wie zelf denkt en onlogisch handelt, Heeft heel wat te verklaren. Dra dus schreven vlijtige mensenhanden Hun naam in staal en glas en in beton. Toch bleef diep in het eigen wezen De herinnering aan een ver verleden, Ondanks zijn hardheid, een tijd van recht, Want zonder bezit of slavernij Was niets ĂŠcht slecht. Waarom dan nu de wreedheid, het sadisme, Het nutteloos bloedvergieten, de broederhaat? De ogen sluitend ervaart de mens met afschuw Hoe in hem de ambitie woekert god te zijn.

Al vlucht hij weg uit zijn gouden structuren, Gegrondvest immers op onderdrukking, ellende en moord, Al ontloopt hij de anderen en hun idealen Van macht en praal en eeuwig individueel voortbestaan. Doelloos blijft hij, doelloos doolt hij rond Heen en weer geslingerd tussen geest en stof, Gekweld door vragen zonder antwoord En vol zelfverwijten om de vragen die hij eerder vond. Tot wanneer, de dood nabij, hopelijk het leven overwint En gelouterd door millennia van strijd de nieuwe mens Berustend glimlacht naar het verleden En, liefdevol, zijn kinderen de toekomst wijst.

93


Rêverieën

De taal is locomotief en spiegel van cultuur: Denken, logisch-gestructureerd redeneren, Dat is een geschenk Van onze woorden-schat en spraak-kunst. Doorheen de woorden die wij gebruiken Daagt het beeld van wat onze voorouders - en wijzelf Doormaakten, deden, dachten, droomden. De graad van fijnzinnigheid, Het niveau dat wij bereiken Doordringt dit beeld door en door. Doorlopend zoeken wij doel en richting Voor onze daden, Doen we de dingen die we vooraf droomden, Denken wij over wat vervolgens moet gebeuren; Dan weer proberen wij De nieuwe dingen uit die we bedachten. De dialoog tussen denken en doen, Zo voorgesteld, Duidt het doen als expressie van ons denken, Duwt het in een ondergeschikte rol; Doet ons haast vergeten Dat de cyclus ooit met "doen" begon. Dwingt niet het denken tot inspanning, Daar waar heel automatisch en onbewust Dag aan dag wat en hoe wij denken Door wat wij eerst deden, wanneer niet bepaald,

94

Dan toch in belangrijke mate beïnvloed wordt?


Salve pares inter pares

Als ik zo 's nachts, goed beladen, Mijn fiets, die trouwe gezel Wankelend huiswaarts leid, Spreek ik tot mezelf in vreemde talen En vind ik eindelijk de tijd Om me te verwonderen over de pracht Van de overvliegende wolken, Het wonder van de spiegel-maan En de kracht van de stoeiende wind. Dan zie ik weer hoe mooi de wereld is, Vertel ik mezelf hoe nietig ik wel ben Maar hoe gelukkig ook hier te mogen slenteren Tussen rechtstaand sluimerende paarden, Rustende koeien en onder het alziend oog Van een eenzaam jagende uil. Dan weet ik plots zo onomstootbaar zeker Dat geen andere god bestaat Dan deze waar dit alles deel van is; Dat de geest geen dromen kent Die niet uit materie werden geboren. Dan herken ik in de verhalen over hemel, Hel en vagevuur de angst van kleine mensen En in hun bestendiging de machtswellust Van perfide breinen, Die ze tot hun eigen meerder eer en glorie Met dogmasaus hebben overgoten. Dan lach ik met sprookjes over Adam en Eva En aanvaard dat, noch voor mij, Noch voor die neergebliksemde populier, Een leven bestaat na de dood Tenzij als voedsel voor wat na ons groeit, En voor wat op ons groeit. En bevrijd van de dwangbuis Van een opgedrongen religie Roep ik opgelucht Moeder aarde, broeder boom en zuster koe Ik, stof van uw stof, net als gij Tijdelijke zoon van de eeuwige god, Ik, god, ik groet u!

95


Schizofrenie Laat je gedachten de gezellen zijn Van zee, zon en wind, Van de wentelende aarde En van de oneindigheid Waarin je je bevindt. Wees in je dromen Een wolkje in de voorjaarswind, Een snuifje onbekommerdheid, Weggeblazen omdat je besliste In de werkelijkheid een rijker, Beter mens te zijn.

96

Gedenk vooral steeds dat - als al wie leeft Ook jij geboren werd Uit een fusie van lichaam en ziel; Wortelend daarom Tussen chips en beton, Maar gewikkeld In een eindeloos variërend duel Tussen de materie die - veranderend, welzeker Toch slechts domweg is En de geest die - bewust Immer méér wil zijn En hunkert naar volkomenheid.


Subterfugios Je dacht dat je idealen een verkrachting waren Van de werkelijkheid, want elke dag beter zag je Onder al die mooie dromen hetzelfde geraamte weer: Een onnozele kinderwens. Want buiten krijsen gieren boven paddenstoelen van haat Woekeren materialisme, machtswellust en consumptie-ego誰sme. Zo kwam de dag Waarop je nors een bloem vertrapte En luidop zwoer: ik droom niet meer! Met je beide voeten op de grond zag je plots Dat alle woorden die je sprak Vallen in het niets Je vloekte: het is al praat voor de vaak, Niemand heeft er een boodschap aan. Woorden zijn slechts spel. Luisteren doen we enkel naar onszelf. En op een goeie dag sloot je voor goed je bek. Je las toen dat de steun die je gaf voor ontwikkelingslanden Verdwijnt in de zakken van hoge heren, sabelslijpers, uitgeslapen fabrikanten Die lachen om je goedgelovigheid En verbitterd zette je de knip op je portefeuille. Toen evalueerde je de dingen die je nog deed: Zandkorrels in de woestijn, Waterdruppels in de zee Die slechts het gevoel van nietigheid versterken Dat je toch al belaagt En die geen weerwerk bieden Aan de herinnering aan pijnlijke mislukkingen. Sinds doe je eenvoudig aan niks meer mee. De oneindigheid is langzaam je geest binnengeslopen. Je denkt niet meer aan wat je bindt met lijden, Je eigen ik werd ongenaakbaar want onbepaald. Maar de wereld gaat zijn gang: Hij drinkt gulzig de energie van verre stralen, Leeft, bruist, beukt dag na dag tegen oude grenzen aan. Alleen, voor jou hoeft het al niet meer: Voor de wereld verkoos je dood te worden. Je vluchtte in je geest Precies zoals anderen vluchten in ledigheid of genot. Als symbool der moderne tijden overtreft je enkel De robot. Robot robot robot robot

97


Symbiose Ik weet wel dat er mensen wonen Aan de andere kant van mijn voordeur Maar ik hou zo van mijn vrouwtje, Van mezelf en van de lieve rust Bovendien: ons leven is zo vol! Een bezoekje aan de familie, Een avond met een boek of voor tv‌., Wij hebben echt niks nodig, Dus stop toch met dat gezeur! Ik weet wel dat mensen verhongeren Aan de andere kant van mijn voordeur: Ik lees erover in de krant, Ik ken hen van tv. Maar er is ook niemand die mij zegt: "kom, pak mee, hier is een miljoen voor jou" Dus val mij niet lastig, ik doe niet langer mee: Wij zijn net zelf volop aan het sparen Voor een huisje, een auto, nieuwe meubeltjes, Eens een vakantie aan een blauwe zee! Ik weet wel dat velen verloren lopen Aan de andere kant van mijn voordeur Wat overigens bewijst dat hij gelijk heeft, Die man van de tee vee: De maatschappij ontvlucht haar plichten! Ik werk elke week getrouw mijn veertig uren, Leef zuinig en betaal vlot mijn taksen Maar kijk: wat doen z' er mee?

98


Terug Zie, je bent terug Maar, wat heet terug? Is de stroom niet gelijktijdig Aanwezig bij de bron en bij de monding? Je was nooit weg, Al dacht je dat soms wel, Al dachten we dat soms. Zie, je bent terug Maar blijf je niet voor altijd daar? Wat betekenen nu vijftien duizend kilometer? Wat baat het dat je de ogen sluit? In je hart en in je huis stroomt toch de stroom, De stroom waarin je jezelf herkende En die voor elke nieuwe stroom de norm zal zijn.

Zie, je bent terug Dingen die je altijd al in je droeg zijn opengebloeid, Dingen die hun tijd gehad hebben, heb je afgeschud. ''Peter is veranderd '' zullen wij vinden, Omdat wij van sommige van die dingen niet weten En om die reden zal ook jij soms verwonderd zijn over ons. Zie, je bent terug Bevoorrecht omdat je de kans greep Te ontsnappen aan de beperkingen van je omgeving. In de weergalm van het klinken der kettingen Waarin mensen geboeid gaan, ver over zee Heb je het geluid herkend van de kettingen Die wij hier dragen. En eeuwig ruist de zee.

99


Vrede Vrede zuchtte de Keltische Toen haar man tegen zijn broer optrok. Vrede schreide zij hysterisch Toen hij terugkeerde met in zijn armen Het bloedbesmeurde lijk van haar zoon. Maar reeds was Caesar onderweg. En nog herinneren wij ons de holocaust. Nog herinneren wij ons de overschreden grenzen, De verscheurde families, de verdwenen kinderen En al wat wij verloren.

(*)

Hierover moeten wij zingen voor onze kinderen. Vrede vroeg de Gallische Na de invasie van de Hunnen Maar ontwortelde Franken en andere Germanen Stroomden binnen , Plunderden, brandden en verwoestten Dit onverdedigde land En verdeelden onzer zich de rijke buit. Y aun nos acordamos del holocausto, Aun recordamos las fronteras cruzadas, Las familias laceradas, los niĂąos desaparecidos Y todo lo que perdĂ­mos.

Es de esto que cantaremos para nuestros hijos. Vrede bad zij in angst Voor de Noormannen op de kust Maar de lokale ridders Dachten slechts aan het uitbreiden van hun macht En offerden gevoelloos duizenden levens Voor een vierkante kilometer land And we still remember the holocaust, We still remember the borders crossed, The families torn, the children gone And all we lost

And we'll sing of it now for our children. Vrede weende zij Wanneer Urbanus ter kruisvaart riep. Vrede jubelde zij Geknield voor een spaander van het kruis, Maar haar man vond na de weidse horizonten Zijn leengoed veel te klein Voor vrede was er altijd nog tijd genoeg.

100


Et nous nous rappelons l'holocauste, Nous nous rappelons les frontières franchies, Les familles déchirées, les enfants disparus Et tout ce que nous avons perdu.

Voilà ce que nous devons chanter pour nos enfants. Vrede beloofde de koning Die in de strijd zijn vazal versloeg Vrede kermde die ook zelf vanuit zijn koude cel Maar niet zo gauw arriveerde het losgeld Of een nieuwe strijd drong zich op Want weer een andere koning Zag een kans op uitbreiding van zijn macht. Und noch erinnern wir uns an den Holocaust, Noch erinnern wir uns an die überschrittenen Grenzen, Die zerrissenen Familien, die verschwundenen Kinder Und an alles, was wir verloren.

Hiervon is es, dass wir singen werden für unsere Kinder. Vrede hoopte stil de edele vrouwe Toen bij 's konings dood Een vreemde vorst de kroon ontving. Met drie zonen en het voorvaderlijke slot Betaalde zij de nieuwe vrede En haar gebroken man, waanzinnig door het verlies Maakte dat zij tot het einde van haar leven Dagelijks opnieuw om vrede vroeg. En nog herinneren wij ons de holocaust. Nog herinneren wij ons de overschreden grenzen, De verscheurde families, de verdwenen kinderen En al wat wij verloren.

Hierover moeten wij zingen voor onze kinderen. Vrede heerst eindelijk in ons landje Maar met de rijkdom die hier in vrede wordt verdiend Onderwerpen door ons betaalde legers vreemde volkeren, En wordt de verdrukking van onze broeders betaald. Vrede jammeren dagelijks nog miljoenen mensen Geterroriseerd door de eigen leiders Of door vreemde machten opgeofferd . En nog beleven wij de holocaust Nog worden dagelijks grenzen overspoeld, Families verscheurd, kinderen vermoord En worden betere morgens in bloed gesmoord.

101


Hierover moeten wij zingen voor onze kinderen. Vrede bidden ganse volkeren, Maar zoals steeds bouwen ook nu nog Nieuwe keizers hun imperium uit. Vrede leren wij onze kinderen, Voor vrede ijveren wij Maar overzee zowel als tussen ons Werken machtige heren ongestoord Aan nieuwere, wredere wapens, Die morgen in de strijd zullen bewijzen Dat er enkel zonder mensen kan vrede zijn. En wij wachten op de nieuwe holocaust, Ya apostamos qué sera la última frontera cruzada, And all the families will be torn, all the children gone Et tout ce que nous avons sera perdu Und für unsere Kinder werden wir nie wieder singen können.

(*) Refrein naar refrein van "For Sasha" van Joan Baez

102


Waarom? Daarom!

Wanneer iemand je berispt Om een fout die je hebt begaan. Blijf dan staan, luister En probeer te achterhalen Waar je hebt gefaald. Maakt evenwel iemand je verwijten Over de lengte van je haren, Omdat je je baard laat groeien, Omdat je jeans of laarzen draagt, ... Draai je dan om En laat hem voor wat hij waard is. Want dit is het soort mens Dat morgen anderen misbruikt,

Neerknuppelt, martelt of vermoordt Omdat hij gewoon een hekel heeft Aan wat die anderen zijn of denken, Omdat het hem opgedragen werd, Omdat zij Vlaams spreken Of wellicht niet kunnen rekenen, Omdat het mode is Of om gelijk welke andere reden Die niets ter zake doet.

103


104


Weekend

Zaterdag. Ik heb de tafel vol gelegd Maar vergat wat ik wou doen En besluit dan maar gewoon Een poosje te mediteren Over hoe inhoud te geven Aan mijn zaterdag. Zaterdag. Het valt weer niet mee me te bezinnen Want slechts dit ene weten leeft er In mijn gekwelde, gefrustreerde brein: Vandaag moet ik niet buigen Voor de macht van het geld. Vandaag mag ik even genieten

Van de illusie dat ik het roer van mijn leven In eigen handen houd. Vandaag is het niet nodig dat ik me haast: De storm die werkweek heet, is uitgeraasd. Zaterdag. Ik heb de tijd van de klok geschrapt, Heb troost gezocht in de schoot van mijn vrouw Samen hebben wij de zon gestopt En de spanning neer geklopt. Welgemoed zitten wij te keuvelen, Smeden ijdele plannen, Lezen, drinken, dansen, zingen En vergeten voor ĂŠĂŠn dag Dat wij slaven zijn.

105


Werkloosheid

Ik zit hier op den hoek van de straat En zie hoe jullie uit werken gaat. Ik nip even aan mijn flesje bier, Want ik heb geen deel aan dat plezier: Al maanden sta ik op den dop, Steeds weer hoor ik hetzelfde liedje: "de er is nu geen werk voor jou, " "maar geef je naam maar aan mevrouw " "en binnenkort bellen we naar jou... " "enfin, misschien, je hoort wel nog van ons." Het werk zoeken ben ik ondertussen al lang beu En voor het doppen rijd ik nu met een dame mee: Ja, madame van den doktoor, die laadt mij op, Want met de crisis, staat die sloor nu ook op den dop. Het is wel ferm gemakkelijk zo: 'K en moet ik niet meer door de regen op mijne velo. En als ik aan den dop uit diene chieke jaguar stap, Dan is het precies of ik dop ik maar voor de grap! 'S noens eet ik nu weer bij ons mama

106

En daarna trek ik terug op straat Want, zeg nu zelf, wat zit ne gezonde mens Zo ne godgansen achternoen daarbinnen toch te doen! Uw eigen kot verven, da's verboden: Gaat 's lands economie aan kapot. Ja, zelfs om uw voetpad af te vagen Zoudt g'als dopper ne stielman moeten vragen! Als jullie dan 's avonds naar huis weerkomt, Zit ik daar natuurlijk weer op mijn kont. Met een verse pint in de hand op de hoek van die straat Waar stillekes aan gans mijn jong leven verloren gaat Dank zij de winstbejag van rijke luizen Die zeggen te werken voor het belang van het land, Die, zolang ze de er ne frank achter verdienen, Ons zouden doen zwoegen, tien uren lang; Maar ondertussen vierkant hun voeten vegen Aan de miserie van ne gewone mens. Die, als we bij hun werken, Eisen dat we voor h첫n zaak zouden leven Maar voor de rest om ons geen kloten geven!


Zij Naar het einde van de wereld Zou ze gaan met jou Omdat ze zoveel van je hield. Veel meer dan jij van haar, Maar dat begreep je niet. Slechts jij bestond voor haar En later zou ze trouwen met jou Want jij was zo origineel, Zo goed en lief en knap, Zo sterk, zo zacht. Ze zou je voorstellen thuis, Je haar kamer laten zien, Met niemand anders ooit nog dansen En in juli mocht je mee naar zee Jij en zij, alleen met jullie twee. Wellicht was er na de vakantie Ook werk in de zaak van haar papa. Later werd jij daar dan directeur En zij moeder van je kinderen ...

Maar nu sta je toch maar weer aan de toog met Dirk. Wat beschaamd nog over al wat je dacht en zei. Je drinkt je pilsje en kijkt naar de dansvloer. Het doet pijn haar z贸 te zien met Marc En dan te bedenken wat ze zei en deed En hoe ze nog lachte vorige week Toen jullie samen huiswaarts reden. En wat doe je nu in juli met al die cong茅?

107


Zwanger van god Je wereldbeeld is dynamisch, zeg je: Het evolueert van simpel naar complex En groeit in bewustzijn bij elke stap. Ver achter je ligt de Oernevel, Toen alles minuscuul en gelijk was En verspreiding de norm, Toen er weinig was om bewust van te zijn En de tijd traag vloeide door de eeuwigheid. Ver voor je vermoed je het tegendeel, Wanneer alles uitermate complex, Boven het voorspelbare geconcentreerd En perfect bewust zal zijn ... Eén enkele tik van de klok? Eén enkele tik, Want dan verandert alles weer ... " e i n d e "? "her - begin"? Of "nieuw begin"? Eén enkele tik, Die we dan maar Brahma dopen: God die zichzelf realiseert. Eén enkele tik, Die zin zou moeten geven Aan de eeuwigheid ervoor en aan deze die Wellicht op een nieuwe oerknal volgt? Eén enkele tik, Die heel misschien wel oneindig duurt: Hemel of hel? Leven of dood? Leven nà de dood? Of overwint het leven ook hier ín de dood En ontstaat iets totaal nieuws daarna? Eén enkele tik Zwaar beladen met de hoop Dat hij zin zal geven Aan ons streven Omdat wij, mensen, Met wat er is Toch nooit genoegen nemen.

108


Abschied vom Meer

Afscheid van gierende winden, De stormen die striemen En de fosfor die bulderend bokken rijdt Op golven als huizen zo hoog. Afscheid van eindeloze waters Die eeuwigheid ademen: in en uit Steeds eender, steeds anders Oneindig doods en toch vol leven. Afscheid van lage, grijze wolken Die in ononderbroken gevecht communiceren, Paren met water, strand, dijken en duinen En dan de zon laten schijnen. Afscheid van de bries, eeuwige metgezel, Grillig en onberekenbaar: flirtend nu, Straks weer beukend Ach, wat stemt mij droevig, Dit nakend afscheid van zee! Van de spiegel van de jeugd, Spiegel van de zelfvoldanen,

Spiegel van de dromers, Spiegel van de gelukkigen, Spiegel van de wanhopigen, Spiegel van de weerbaren, Spiegel van de teneergeslagenen, Spiegel van de gezonden, Spiegel van zieken en gebrekkigen, Spiegel van de machtigen, Spiegel van de hongerenden, Van de meeuwen die schreeuwen Van liefdes en avonturen Van troosteloze vakanties Van ozonrijke luchtlagen Van kuuroorden, paardenrennen en casino's Van veel te korte nachten Van misbruikte jobstudenten Van gitaarmuziek in donkere duinen Van gratis genieten midden dure prijzen Van dieven, oplichters, dronkenlappen, Van mensen die relaxen Van vredige dorpjes Van vreemde talen en dialecten die klateren Midden torenhoge mensenkooien Van het land, nog vlakker dan het land van Aalst

Ach, wat stemt mij droevig Dit nakend afscheid van zee!

109


Actief Een ganse dag loop ik van hier naar daar Ik bel en praat en typ en werk God, jongens toch, wat ben ik actief! 'S middags neem ik nauwelijks de tijd Om een boterhammetje te eten En 's avonds ben ik altijd over tijd Wat ben ik toch actief! Thuis help ik gauw nog bij het voederen, Doe de afwas, wied het kruid En komt het weekend, veeg ik de ganse hof, Kuis ik het varkenshok, Ik verf een kamer tussendoor, Leer wat Spaans, schrijf gauw een brief Wat ben ik toch actief!

Maar wat deed ik tegen de boycot Die Reagan instelde tegen Nicaragua? Wat deed ik voor de vluchteling die sterven moet Omdat er geen plaats voor hem is binnen onze structuren? Wat deed ik voor de onderdrukte campesinos? Voor die dissident in China of Myanmar, Zonder proces veroordeeld tot levenslang? Voor de eenzamen, de zwakken, de zieken en ouden, De armen rondom mij? Ach, wat ben ik toch actief bezig met mezelf Straks eet ik gewoon mezelf nog op En niemand die het zal merken: Voor een ander heb ik nooit bestaan. Straks eet ik gewoon mezelf nog op Dan is er geen reden meer voor huiselijke vree En maakt de vrouw voor wie ik thuis bleef In de grote wereld haar entrĂŠe.

110


Aphrodite (i)

In de nacht van Aphrodite Weegt de hemel dubbel zwaar Gloeit de zon nog na Achter duistere horizon. De wereld lijkt een sprookje In de nacht van Aprhodite En terwijl wij ons ontkleden Weerklinkt heel zacht Het ruisend lied van onze harten. Koningsblauw glanst je zijden huid Strak en hard en droog Tot wij neerzinken in het gras En je bij de passie van een kus Plots speels wegvlucht voor mijn hand. Snel en lenig glip je onderuit Een ode aan de slang In de nacht van Aphrodite. In de nacht van Aphrodite Zie je soms de puriteinse zielen branden, Zie je nimfen baden aan ongerepte stranden Voodoo-danseressen zweten in de gloed En klappertanden.

Strand en water, bergen, mond en handen De maan komt op en zakt weer weg In de nacht van Aphrodite Handen betasten verwonderd de wolken, Graaien gretig in overvolle manden Zoeken in de nevel het mana dat doet watertanden In de nacht van Aphrodite In de nacht van Aphrodite Barst het vuurwerk open in ongekende kleurenpracht En vergeten wij in ongeremd genot Hoe intens de dood de nacht wel kleurt Van onze broers en zusters Ook in deze nacht van Aphrodite. Want of zij nu in honger en ellende nader sluipt Of plots toeslaat in van angst bescheten broeken Verminkte lijken uit het leven maait Of met opgeheven hoofd wordt ondergaan: Met elke houw van de machete Zegeviert het kapitaal: Het onrecht van de sterkste Dat verdeelt en heerst en feest Ook in deze nacht van Aphrodite

111


Apologie (Caius anus est) Goed, ik beken: de zekerheid rond mij Is gestoffeerd met valse rust, valse plichten, Vaste prioriteiten en overbodige onderdanigheid. En ja, mijn sociale idealen co誰ncideren Met een realiteit waar de focus van spoorstaven Niet langer aan de einder ligt. Het zijn irre谷le sciencefiction-beelden, Spielereien van de geest zonder enig logisch gevolg: Er is geen persoonlijk engagement als expressie Van enig geloof aan wat ik nog slechts heel vaag denk. Vrijheid, rechtvaardigheid, solidariteit, Gelijkheid, verantwoordelijkheid, waardigheid, Hartstocht, pijn en vreugde ... Ik heb het lang geleden proper synthetisch ingepakt En die plastic-cocon vervolgens als gewetens-susser Boven mijn bed en in mijn brieven vastgeplakt! Goed, ik beken: Ik heb de putten van mijn gemoed gevuld Met het gruis van de gesloopte pieken mijner idealen. Ik heb afgezien van een one-man-versus-systeem-gevecht En ben geleidelijk aan tot huisdier gedegradeerd. Juist, attent mij erop te wijzen: Ondanks dat alles voel ik mij steeds vaker acteur. Veel van wat ik doe ervaar en evalueer ik Als functie van een rol die ik toegemeten kreeg En na誰efweg op mij nam, zonder de gevolgen te beseffen. Geen wonder dat hij mij niet zo goed ligt Als ik ooit te hopen durfde: Ik kom niet uit een geslacht van werkbijen, Ken de blinde trouw niet die hoort bij mijn hondenrol; Ik ben geen schaap, geen paard, geen mier Zelfs met het beeld van mezelf als mannetjes-spin Kan ik me maar moeilijk verzoenen. Maar ga je niet te ver wanneer je stelt Dat ik verburgerlijkt ben, verzwakt, ver-engd? Je vleit me al te zeer als je denkt Dat ik ooit beter was, ooit sterker of gestructureerder. Vrijer, ja, maar wat bracht die vrijheid voort? Nonchalanter, vermeteler, eisender, brutaler, ego誰stischer Ja, ja en ja Maar destijds was ik dan ook enkel een rund Dat rondsprong in de lentewei En daar alleen maar moe van werd.

112


Ballerina

Kleine, lieve ballerina Kom, rijk mij je hand Dan dans ik met je mee, Laaf mij aan je bron, Verwarm mij aan je zon.

Kleine, lieve ballerina Kom, laten wij lief zijn Gewoon lief voor elkaar Want zo dadelijk Rinkelt de wekker weer En vallen harmonie en romantiek In scherven van illusie Op de werkelijkheid weer uiteen

Kleine, lieve ballerina Kom, kom nu Want dadelijk rinkelt de wekker En lopen onze wegen weer uiteen

113


Datums Naast elke foto in mijn jeugdalbum, Onder ieder gedicht, ieder stukje proza Op iedere tekening, ieder schilderijtje Schreef ik ooit trots een datum neer. Op ieder speelplaatje dat ik kocht, Op elk geschenkje dat ik kreeg, In iedere boek Datums waren blijkbaar belangrijk toen. Het leven leek een wervelstorm Die vernielde wat juist daarvoor ontstond; Vaak wat ik gisteren nog het liefste mocht. En tussen twee stormen, Tussen twee brandstapels in Rezen telkens weer dezelfde vragen: Wat was wanneer? Hoe was dat? Wie was ik? Hoe kan ik dat onthouden? Wanneer schreef ik dit neer? Zo werden datums heiligennamen voor mijn relikwieĂŤn, Planken in mijn denkraam, togen in mijn uitstalraam, Onderwerp van wiskundige studies, Basis voor toekomstvoorspellingen zelfs. Tot wanneer stilaan eerst de dagen, dra de maanden Uiteindelijk zelfs de jaartallen verdwenen En ik mij deze evolutie pas veel later realiseerde. Was de wervelstorm uitgeraasd dan? Was herinneren plots niet langer nodig? Ruimden toen de dromen baan voor de werkelijkheid? Waren rond die tijd de grenzen getrokken? Betekende dit het begin van de volwassenheid? Van de berusting, van de angst voor ouderdom, Grijze saaiheid, bekrompenheid en dood? Bij Jo Hier schrijf ik weer een datum neer!

114


De kleine wereld Het is een kleine wereld Het wereldje van kleine mensen: Vol van kleine wensen, Kleine gebeurtenissen, Kleine woorden, Kleine dit en datjes.

Die met koppige vastberadenheid Zijn eigen kleine grenzen kleeft; Al wie aan passiviteit genot beleeft, Met zijn kleine wereld genoegen neemt, Geloof me wanneer ik zeg dat hij niet leeft! Dat hij slechts zichzelf verkleint En allen waarmee hij zich omgeeft Tot zijn ganse wereld, maximaal geconcentreerd, Een kleine kist wordt Waarin hij verder vegeteert; Tot zijn kleine ikje de ruimte helemaal vult En hij er eenzaam in crepeert.

Het is een kleine wereld Met nauwelijks plaats Voor andere kleine mensen, Dat wereldje van kleine mensen Met hun kleine nederlagen, Kleine overwinningen, Kleine muizenissen, Kleine moorden, Kleine wat-is-me-datjes. En al wie staat of hangt, Al wie ligt of zweeft Of gewoon vast geprogrammeerd In zijn kleine wereld Steeds dezelfde webjes weeft; Al wie leeft, maar niet beweegt Buiten de kleine cirkels van gemak,

Het is voorwaar een kleine wereld De wereld van kleine mensjes Die slechts dromen van comfort, Leven om te sterven, Bouwen aan valse gewichtigheid, Eindeloos piekeren en plannen, Zich steeds weer misbruikt voelen, Miskend, tekort gedaan, gestoord, Dei tegen hun zin in tot handelen worden gedwongen.

Het is een kleine wereld En ik weet niet goed Hoe er mij best weer uitgewrongen.

115


De lange vakantie Drie weken in de zon , 3 Vijfentwintig meter liggen er , 25 Tussen het zwembad en onze kamer met balkon Twintig meter is de bar verwijderd, 20 Zowel van onze kamer als van de zwemkom. Drie maal zeven maal vijfentwintig, 3 x 7 x 25 Acht keer, elke dag, x 8 Plus drie maal zeven maal twintig, + 3 x 7 x 20 Dagelijks wel een keer of zes, x 6 Driehonderdvijfenzestig dagen heb ik mij verblijd, 365 En tweeduizend vijfhonderd kilometer gevlogen, 2.500 Voor deze enige vakantie, 1 Van amper zeven kilometer lang, 7.

116


De leergierige en de onleerbare leer Lees maar door Dag aan dag Opgesloten In je kleine wereldje. Drink maar gretig Alles wat ze vertelden, Die groten Lao Tse, Confucius ... Hoor ze spreken Herakleitos, Aristoteles ... Kant, Marcuse, Sartre ... Lees maar door Maar wie zei weeral wat? En wat zei dié ook weer? Heb ik dit al niet gelezen? En wat weet ik er nog van? Lees maar door! En als weer een boek verslonden is, Descartes de plaats ruimde voor Freud, Göthe voor Veblen en Keynes voor Che, Nietsche voor Einstein, Planx of Tinbergen, … Wat weet je dan wel meer? Wat kan je dan gaan doen? Welk inzicht wilde je verwerven? En waarvoor was dat weer vandoen? Sluit je ogen, Pierrot, en slaap, slaap, slaap, Rust op de golven van je middelmaat Want terwijl je water pompt in een emmer zonder bodem Zit je vrouw voor tee vee uit te drogen, Zijn er anderen die vergeefs op je rekenen, Vergeet je te communiceren met de mensen om je heen.

117


De muren van Jericho Zwijg stil, Ik lust geen woorden meer. Laat mij voelen, zien, luisteren, ruiken, Laat mij dromen, eventjes alleen gewoonweg zijn Met in mijn hart de woorden die een moeder zegt Wanneer zij in doffe pijn nieuw leven wekt, De woorden die op de tong van ouders liggen Die hun kinderen zien het nest uitvliegen, De woorden waarmee je van een geliefde scheidt Wanneer de kist traag de kuil in glijdt. Zwijg stil, Ik heb geen woorden meer. Laat mij in de kolkende wereld onderduiken, Tot mijzelf komen, mijzelf tot begin en einde zijn, Sprakeloos wegens de schoonheid van het leven, Wegens al het goede, al duurde het maar heel even, Maar verstomd ook door de angst en het lijden Die zovelen voortdurend door het vlees heen snijden, Door ellende, honger, haat en nijd, Door 's mensen ego誰sme en zijn beperktheid. Zwijg stil, Luister liever met me mee Naar de universele taal der daden, Smetteloze kostuums en top-secret-laden, Naar monden vol bloed en zweet en tranen Die zich hand in hand een weg door het leven banen, Naar de rozenkrans van vloeken, Gevallen uit verkrampte jezus-handen. Luister, oordeel, en schrijdt dan met ons mee: Drie keer wandelen wij rond de muren van Jericho.

118


De underdog

Ik ben moe, bekaf Lusteloos, afgemat, moe Ik ben het beu! Het werk is nog het ergste niet: Acht uur per dag plat op mijn gat Op nog geen vijf kilometer van huis … Ik zou niet mogen klagen Maar feit is: ik ben het zat.

Maar waar ga ik heen? Het is overal the same: Deze fabriek gaat failliet, Een ander wil mij niet Of halveert mijn loon. Zo blijf ik altijd de boon Want sleur en bazen zijn er overal En een automaat word je in elke zaak.

Misschien is het de dwang, Het gebrek aan promotiekansen, Gewoon de sleur of het zinloze geklets Van mijn incompetente directeur. Eén zaak is zeker en ik het weet het lang: Het helpt niet dat ik zeur: “Gaat het je niet langer af, Wees consequent jongen en trap het af!”

Ik ben moe, bekaf En eigenlijk is ’t zo eenvoudig: Ik moet gewoon mijn plaats kennen, Erin berusten dat ik geen diploma heb En dus enkel meetel voor de schijn. Beter dan te verzuren als ontevreden slaaf Neem ik er gewoon het mijne van : Nine to Five op ralenti En de rest van mijn leven: Fiesta Time!

119


De wortels van mijn ziel

Je beweert dat ik mijn eigen verhaal verraden heb, Dat ik werd wat ik verachtte. Nochtans, als ik omkijk naar de tijd waarin mijn levensweg Vorm en richting kreeg, Zie ik dat van een uitverkoop van waarden geen sprake is. Integendeel: mijn heldendaden in woelige kinderjaren werden overdreven Doordat ik lang enige jongen was tussen meisjes. Mijn rebellie manifesteerde zich vooral als exponent van mijn onbegrip: Waarom mocht ik nooit een slaapkamer delen met de anderen? Wat voor monsterachtig kwaad school er achter genegenheid tussen kinderen? Waarom moest alleen ik op internaat? Waarom mocht ik niet veranderen van school, zoals beloofd was, Toen ik onverwacht slaagde hoewel ik een schooljaar had overgeslagen? Waarom mocht ik niet zelf mijn school en studierichting kiezen? De opstandigheid van mijn jeugd voedde zich aan vele bronnen. Toen niets anders hielp, was het mijn enige manier van wenen Zeker toen ik in de toekomst voor mij geen toekomst meer zag. Wat doe je tegen verplichte misviering en biecht Eens je de holle dogma's van een verstard geloof bent ontgroeid? Wat doe je wanneer de edelste gevoelens die je kent

120


“Slecht” genoemd worden en “vuil”? Wanneer midden een film de tv uitgaat? Een vlucht was mijn protest, Een aanklacht tegen onrechtvaardigheid en domheid, Tegen de leiband rond mijn nek. De idealen die ik had, kan je amper idealen noemen: De vrijheid die ik zocht, was een vrijheid voor mij alleen: Anarchistisch, chaotisch, ongebreideld, irreëel. Rechtvaardigheid was een mooi begrip omdat ik mezelf zag Als gevangene van de verstikkende structuren Waarbinnen ik opgroeide. Ik aanvaardde geen verantwoordelijkheid En dacht enkel aan vragen, eisen, protesteren. Ik was een koekoek in ons familienest Die spartelen zag als subliem tijdverdrijf. Nooit groeide mijn protest tot een positieve houding, Nooit zette ik me in om het beste te maken van de shit Waar ik nu eenmaal in zat. Individualistisch en egocentrisch als ik was, Ongeorganiseerd en ongericht Was ik enkel iedereen tot last. Eens weg van het straatgeweld Zoals dat in Aalst destijds welig op katholieke scholen tierde, Werd vredelievendheid wellicht nog mijn hoogste ideaal. Ik voerde actieve geweldloosheid hoog in mijn vaandel. En zoals in die dagen de mode was, dweepte ik Met Ghandi en Luther King, maar evenzeer met Che. Maar ach, de waarheid is nooit wit of zwart: Ik had een sterk besef van wereldburgerschap, Menselijke waardigheid en natuurlijke gelijkheid, Maar eens ik het vechten was ontgroeid, Ging ik geweld al gauw vrezen En vredelievendheid gebruikte ik gewoon Als dekmantel voor mijn angst In het schemerig verleden zie ik mezelf nog vaag: Oprecht, brutaal, naïef, ongeschikt als politieker: Hoe meer ik probeerde te zwijgen en braaf te zijn, Hoe meer kans dat ik bij het eerste woord Al meteen voor deining zorgde. Het spel van geven en nemen was aan mij niet besteed: Ik gaf al wat ik had of nam wat ik kon krijgen. Wie mij in de ene rol leerde kennen, Vermoedde veelal de andere niet. Toch was hier geen spoor van schizofrenie: De sleutel des onderscheids heette gewoonweg: liefde.

121


Ik was open, leefde zonder schild of dekking En kreeg van het leven zodoende mijn lessen Vroeger dan menigeen. Loyaliteit was nooit echt aan mij besteed: Liever hielp ik een wildvreemde Die mij van zijn gelijk kon overtuigen Dan mijn bedrijf, vrienden of familie Gewoon omwille van het woordje "mijn". Van daar is het maar een stap naar eerlijkheid. Sommigen zegden dat ik overdreven eerlijk was. Mezelf een ietsje beter kennende, Wantrouwde ik die mensen nog meest van al. … En dan is er nog zoiets als “adolescentie”. Vanaf mijn twaalfde werd mijn leven gedomineerd door meisjes Of beter gezegd: door de Zoektocht naar Echte Liefde. Als ik flirtte met meisjes, was het uit eenzaamheid En uit wanhoop omdat ik “De Ware” niet vond. Zonder Liefde was ik meestal slechts een schaduw van mezelf: Half, zwaarmoedig en oncompleet. Een paar keer slechts heb ik echt bemind. Te vroeg en angstaanjagend ernstig. Maar zo was ik nu eenmaal. Heel bewust stapte ik uit mijn rollen van aanklager en clown Ook de last mezelf te dragen werd me te zwaar Ik werd attenter, vriendelijker, gevoeliger en meer empatisch: Ik glimlachte naar de wereld voor het gemak En plukte de vruchten die van de bomen vielen. Binnenin bleef ik echter wie ik altijd al was: Narcist misschien, maar alleszins te introvert en te individualistisch, Te zeer abstract gericht en te weinig kuddedier Opdat anderen zich echt goed zouden kunnen voelen bij mij. Idealen verloochend? Bij God, Ik had er maar één !

122


De zwaluw Ik volg in nog frisse voorjaarslucht Een zwaluw in haar sierlijke vlucht. Ze leeft en kwettert en bruist in mij, Bevestigt het bestaan van een beter jaargetij. Neen, nooit zal de winter overwinnen: Altijd weer brengt een zwaluw de lente binnen! Kleine zwaluw, je vertelt van verre landen, Nodigt onvermoeibaar: "steek uit je handen! Achter elke horizon ligt toch weer een ander land, Er komt geen einde aan de broederband!" Geen dak, geen nest, geen navelstreng mag blijvend binden, Geen valse weelde of zekerheid ons verblinden! Zwaluw, voorbeeld voor hen die dolen, Zwerven sinds ze hun doel verloren; Je toont hoe het is om samen op weg te gaan, Samen te breken en te bouwen aan de levensbaan, Zich te verrijken met de lucht van andere culturen, Niet te verstrakken binnen drukkende structuren. Sommigen denken: "als zwaluw ben je nergens thuis" Maar wij weten: de ganse wereld is je huis. Men fluistert dat een zwaluw niet echt beminnen kan Alsof liefde enkel bestaat tussen één vrouw, één man! Vlieg zwaluw, vlieg over de grenzen der bekrompenheid, Ik kijk je na en droom van zon en zomertijd.

123


Deja vu Nooit eerder betrad ik de kathedraal van Tarragona, Of kuierde ik door Hildesheims lieftallige winkelstraatjes. Nooit eerder wandelde ik hier hand in hand met jou, Praatte ik onder Durham castle's statige muren Over politiek, werk en idealen met onbekende vrienden. Nooit eerder was ik in deze kroeg, Danste ik rond een laaiend kampvuur met jou. Nooit. Maar in de droom die zomeravond heet Blazen het geluk en de rust van het ogenblik Heden, toekomst en verleden door mekaar En creĂŤren in mijn hoofd het waanbeeld van de herinnering. Ik herken schilderijen die ik nooit eerder zag, Fluit onbekende liedjes mee, Vind zonder twijfelen mijn weg terug In steden die ik nog nooit bezocht, Weet vooraf wat je zeggen zal En alles is harmonie en symmetrie. Desondanks zetten de zoute smaak die je huid Op mijn tong achterlaat, De oranje gloed die tussen de duinen ondergaat, Zovele vertrouwde dingen mij, Nu ik ze voor het eerst ervaar, Mij aan tot wenen en tot zingen. 1. Tot wenen voor het afscheid dat onvermijdelijk volgen gaat. 2. Tot zingen om de schoonheid van het herbeleven. Hoe vreemd toch dit gevoel dat nooit vergaat, Deze bedrogen herinneringen Die mij dieper peilen, intenser leven laten En alvorens in het duister op te lossen Beelden in mijn ziel uitkerven die ooit, In een nieuwe droom die zomeravond heet, Het geluk van een andere belevenis Zullen toevoegen aan wat ik nu ervaar.

124


Erotica De lucht is muziek die golft en deint in wit en blauw. Boven het oker-groene heuvelspel Dansen de meeuwen hun eeuwig ballet Voor een exotische prima donna, Een donkere orchidee in wit en geel En ver in de lucht, meester van het toneel, Klimt hoger nog de zon. Ik zie je haren branden in de warme wind Die de nevel uit het dal verjaagt, Flirt met de kruinen van de cana-bomen, Verzwindt en keert en jou ten dans weer noodt. Over de bloemen vlij je nu je kleed Om je ranke lichaam te baden in de zon Geen mooier tafereel bestaat Dan te zien hoe je ligt en zit, Hoe je je draait en koestert in de zon, Hoe je danst in het gras En je afkoelt met het water van de beek. De wereld is ludiek, ik de prins Die je verleidt met een lenteboeket. Zie, zelfs de vlinders brengen je een ode. Dans nu met mij mee in die lucht Die golft en deint in wit en blauw, Laat ons branden in dit gele zomergras Dan duurt deze middag een leven lang!

125


Gipsy eyes Je danste met een gratie Die me verklapte hoezeer je genoot Van al die mannenogen Die je aanstaarden door het rookgordijn Van hun wildste fantasieĂŤn. Donkere haren, donkere nylons En je rokje: heel mini. Gipsy eyes, hey, gipsy eyes, Je kon krijgen wie je wilde Maar toch koos je mij. Je spotte met mijn twijfel en gepieker: "of we morgen van elkaar nog houden, Dat zien we dan morgen wel, Daar verandert al je denken niets aan" Zei je zacht met die omfloerste, Sexy stem van jou En toen je mij kuste Waren je ogen groot en bruin. Je had een kop vol streken, Als je sprak, sprong je van de hak op de tak, Er brandden constant pretlichtjes in je ogen En als je walste, ging je zweven. Gipsy eyes, hey, gipsy eyes, Je leerde mij genieten van het leven En toen liet je mij alleen. Ik werd gek van eenzaamheid. Nachten lang lag ik te woelen. Mijn hoofd en lichaam hunkerden naar jou. Ik wilde het land uit, Weg van die leegte in een wereld Waar alles mij herinnerde aan jou. De geur van je haren, De druk van je lichaam tegen mij En al die mooie ogenblikken Als ijsblokjes in mijn mond, Als een zonsondergang in goud en geel ... Gipsy eyes, hey, gipsy eyes, Zelfs als ik een ander kuste Weende ik: ik wil haar weer! Bestaat toeval? Wat als ik niet thuis geweest was toen je belde? Wat als je me niet gekust had Toen ik afscheid nam voor altijd? Ik wou vandaag alleen maar dat je weet Dat ik nooit vergeten ben Hoeveel geluk je me toen bracht

126


Gratis kater Als elke morgen kijkt de kat mij Ook nu weer aan van op het venstertablet. Haar lichaam streelt het glas, Haar antenne staat op mooi weer En in haar ogen blinkt geen verwijt: Ik ben immers precies op tijd. Vreemd, maar zo'n kat weet gewoon: Rond deze tijd staat hij op En dan deel ik van zijn bord. Daarom stemt zij elke morgen Een van haar negen kattenlevens Op mijn ontwaken af. Maar deze morgen loens ik naar de kat Door een waas van duizend sterren heen, Met twee slaapdronken ogen En een pracht van een kater in mijn hoofd En vraag ik me af: Waarom voel ik mij schuldig Omdat die kat hier zit zoals altijd? Waarom voel ik mij zo schuldig Omdat die kat mij zo menselijk aankijkt En ik met mijn kater eerder een beest gelijk? Ach, god, wat zit ik toch te malen Om een kater van één dag? Hoogstens maak ik wat fouten Of ben ik eens kort-af Maar als prijs voor vergetelheid Gedurende een ganse nacht … Ach god, ach god, Wat kost zo'n kater weinig Als prijs voor de vergetelheid Al was het maar van één enkel uur!

127


Herfstmijmering (1)

De storm ebt weg in okergeel en bruin, in rood en goud. Ik wis met automatisch, sloom gebaar Het zweet en water van mijn voorhoofd weg En merk hoe reeds de zon het vocht stoomt Uit het zompig bladerpad en hoe de nevel, zo bevrijd, Met witte wolkenhand mijn voeten omsluit En langzaam langs mijn benen opwaarts kruipt. Klam en zwaar reikt zij hoger en hoger steeds Zij torst de oergeur van de moederaarde, Draagt herinneringen en hoop op zonnige dagen In haar koude, natte huid die rillingen jaagt Over mijn brede rug die eendrachtig mee wiegt met het riet In deze sprookjesachtig mooie sauna van de natuur. Donker is het als ik de ogen sluit En zolang ik niet beweeg, is alles rust. Al sijpelen waterdruppels uit mijn haren, Al voel ik door de nevel de eerste zonnestralen, Al zingen weer vogels in de bomen: Donker is het zolang ik mijn ogen sluit En doods is alles zolang ik niet bewust beweeg: Zolang het spinraggen zijn waarin ik me kleed, Zolang ik klein en zwak ben en berust, Zolang ik zwijg en slik en het al verteer. En al drukt de nevel nog zo zwaar, Al wurgt zij mij met haar witte klauw, Al stijg ik op als zonnedamp En word ik wolk, of ijler nog Wat maakt het? Wat baat het Als ik niet eerst bewoog, Als ik geen antwoord zocht Op wat ik zag en rook en voelde Of bitterzoet naar binnen spoelde?

128


Herfstmijmering (2) Wanneer, aarzelend nog, Als de vlam van een net ontstoken kaars De eerste zonnestralen dansend door de nevel priemen Dan sluipt de vrede van de nacht op zachte ochtendmelodieĂŤn Mijn hoofd en bed en leven uit En rijzen vraagtekens aan de wand Die geen licht kan doen verdwijnen. Dan verlaten mij mijn zoete metgezellinnen: Nostalgie, Melancholie en Megalomanie En jaagt de activiteit mij mijn visioenen uit De dag in, het leven in, de wereld in Waar een nieuwe werkdag moet beginnen. Edoch: waartoe? Waarom? Ik werd eenentwintig maar (t) En deed de klok toen stille staan Nu mis ik moed en kracht en kunde Om de wijzers een enkel seizoen vooruit te draaien. Nochtans: het is middag in mijn leven Ik kan in het bos niet blijven wachten: Zonder zomer kan ik geen winter meer doorstaan!

129


Homo sum Ik ben zacht en ik ben hard, Ik ben lief en ik ben kwaad, Ik ben goed, maar o zo slecht, Ik ben terrorist, recidivist, masochist, marxist, Ik ben potentaat, democraat, psychopaat, kameraad! Ik ben pacifist, humorist, fascist, baptist, Ik ben pyromaan en kleptomaan. Maar ik ben jij en jij bent hem Ik ben ik en hij is ik, wij zijn wij, maar ook zij: Gluurders allemaal, snobs, sukkelaars, Maar geniaal: net als jij. Zoals zij de wereld zijn, Zo zijn ook wij de wereld, Wij zijn de wereld. Wat zij doen, dat doen ook wij. Wij zijn de mensen. Wat zij beweren, Beamen ook wij. Maar toch blijf ik Altijd ik: Vrij te denken wat ik wil, Totaal verschillend, Ook van jou. Je mag dus wel proberen Mij te begrijpen, Maar je houdt je pootjes thuis Want bij mij, ben ik de baas. Je mag mij ronduit zeggen Wat je van mij denkt, Maar wat ik daarmee doe, Dat bepaal alleen ik zelf toch wel. Wie dit niet begrijpt Die verstaat zichzelf niet.

130


Hongersnood in afrika

De BBC heeft het ontdekt En nu is het ook hier uitgelekt: Er heerst hongersnood in de Sahel. Een catastrofe, een nooit geziene ramp. En net zoals weleer de tee vee In multicolor toonde hoe in Vietnam de napalm brandt, Wedijveren opnieuw journalisten allerhande Om de mooiste reportages over de dood Die mensen maait in EthiopiĂŤ en Soedan. Doodsreutels bij het souper Jammer genoeg voorlopig zonder lijkengeur En zonder de verzengende hitte van het zand.

131


Na het nieuws is er "Overleven" Met een veiling van echte Afrikaanse kunst. Op de derde rij ontwaren de camera's onze premier Zoals dat al past in een verkiezingsjaar En schuin achter hem tonen twee tenoren uit de showbizz Dat ook zij geven om het lijden in Afrika. Tussen twee gratis Afrika-liedjes in Beklemtoont de minister van buitenlandse zaken Diep ontroerd en duidelijk aangeslagen Dat directe hulp nu onontbeerlijk is, Waarna een linkse rakker uit de oppositie Zwaar uithaalt naar de leiders van de wereldpolitiek. Ik sluit mijn ogen en denk weer aan Bangladesh, Aan de schokkende beelden van weleer uit Biafra, Cambodja, Burkina Faso, Haiti, Peru en Mozambique. 27.000 frank voor meneer - wie biedt meer? Ik heb een bod van 27.000 frank van die meneer Midden in de zaal. 29.000 daar, 31.000, 35.000 Vijfendertigduizend - niemand meer? 35.000 één maal, 35.000 twee maal, ... En achter de schermen pijnigen intelligente mensen Hun verbeeldingskracht, want de volgende ramp is nabij De volgende oorlog wordt al voorbereid En tegen dan is voor het veiling-spel alweer de tijd voorbij. In Holland, je gelooft het nooit, Kende een quiz een overweldigend succes En ook de sterrenparade op het Duitse net viel aardig mee Maar die extra-lottotrekking, da’s pas goed. Beter nog wanneer ook de koning meedoet!

132


Kwashiorkor en Marasme, zo leert nu iedereen Worden veroozaakt doordat de Harmattan Het laatste blaadje groen wegblaast DĂ t is waarom wij de negertjes moeten helpen! Zie toch eens hoe wij ons inzetten, Zie toch hoe goed wij wel zijn Wat zouden zij toch zonder ons, Al die uitgemergelde mensjes, Al de kleine negertjes die daar zitten Met vliegen in hun grote vraagteken-ogen. Wat zouden zij toch zonder ons?

133


Hoop In dit jaar van ontluistering Waarin Bacchus de verkiezingen En de weerwolf zijn troon verloren, In dit jaar waarin ons een broer werd herboren En de drachtige hinde in het sompige woud De oerwens doopte met heidennaam, In dit jaar van onderdompeling in werkelijkheid, Van vluchten uit dromen, schijnheiligheid en passiviteit; Nu de boeien van het leven die des doods verbraken En onze vingertoppen weer de frĂŞle kern van het leven raken, De brug van menswording die onze optie symboliseert Voor al wat stom is en klein en te leven begeert, Nu de volle maan zegenend in het zenit staat En Venus sloom het vierde huis doorwaadt, Nu, bij de onbekenden van Stonehenge, ons verleden, Bij de Che's en de Romero's, ons heilig heden, Nu zelfs in Moskou Glasnost bloeit, Aan de flanken van de Aconcagua een dwerg tot reus uitgroeit, Nu kus ik stiekem alle mensen die ik ontmoet Want - ondanks alles - is het vreemd Hoe hoop ons leven doet.

134


Illusies Kom, durf je zeggen dat j'er nooit van droomde Op te staan tegen je vader, je leraar, je baas En hem toe te schreeuwen: "klets maar raak, Ik hoorde het allemaal al veel te vaak, Maar vind in jullie argumenten niks voor mij. Vanaf nu ga ik lekker mijn eigen gang Want jullie bekrompen woorden maken mij bang, Bang dat ik morgen ook meerijd op die trein, De eindeloze weg op naar totale geborgenheid, Naar teveel werk en zekerheid en te weinig menselijk zijn." Geef toe dat je in je eenzaamheid al wel duizend keer Ontgoocheld weende om dat vat vol bitterheid, Die strijd zonder overwinning, dat eindeloze compromis Dat leven heet, Dat je vloekte om je mediocriteit, je gebrek aan wilskracht, Aan intelligentie, charisma, lef en kennis, Aan fantasie, kracht, inzicht en spraakvaardigheid, Om alles wat je gekerkerd houdt binnen de muren Van dit afstompend consumptieparadijs. En toch! Hoe lang al heb je uitgemaakt Dat je leven enkel vandaag geleefd wordt, Dat al die zorg voor morgen weinig helpen zal Wanneer je oud en seniel je zetel voor het w.c. aanziet, Of bibberend in je lege bed ligt te dromen Van al die kansen die je liggen liet Omdat zij een gevaar betekenden voor je plaatsje op de trein, Voor je eilandje van rust en vrede Midden al die anderen die ziende blind verkiezen te zijn, Horende doof, levende dood. Beken dan dat je steevast gewoon de moed mist Om uit te breken uit dit labyrint van vals geluk Omdat je de eenzaamheid vreest van de lompenfilosoof En daarom gemakzuchtig, doelloos en ietwat verbitterd Al lang je plaatsje hebt ingenomen Op de trein van de schijnheiligheid.

135


Catharsis Ik heb mijn vrijheid gevonden, In vrijheid mij een doel gevonden En de zin van mijn leven Heb ik mijn vrijheid gegeven. Ik heb naakt bij jou gelegen, Geen droom heb ik jou verzwegen Toch heb jij mij je hand gegeven En in je ogen zag ik toen onze wegen. De wegen die mij altijd verschijnen Als kettingen verdwijnen, Als elke dag opnieuw gaat tellen En zon en regen weer vertellen Van het doel van mijn leven. Waarvan jij mij een deel hebt gegeven Dat ik met de rest in mijn vrijheid vind In de vrijheid ook die ons bindt. Het rad is gekeerd, de roes lang geleden Weg de vrees te breken, al is de strijd nooit gestreden, Maar met open handen trad ik bij jou binnen En met hart en geest ben ik je gaan beminnen. Mijn tijden waren tektonische platen Die de werkelijkheid in dromen maten Tot toekomst en verleden in elkaar vergleden En plots inhoud vonden in het heden. Lava, bouw mij een berg als een toren Om het kind dat in mij nieuw werd geboren Dat van het leven alles weer verwacht En om mijn oude dag van gisteren lacht. Hoe mooi zweeft de uil tussen de bomen Nu de verlamming is verdwenen uit mijn dromen, Nu de betovering der sirenen is verbroken En het zwerfhout zichzelf heeft aangestoken! Te midden van bibberende geraamten ben ik opgestaan, Overwon de angst in mijn eigen schaduw te zullen ondergaan, Overwon zonder de holen te zijn ontvlucht Want zie: door de smog blaas ik weer frisse lucht. Mijn adem streelt het verminkte gelaat van de dood En onder mijn koesterende handen worden mensen groot De muren zijn gesloopt, de wolf is overwonnen Maar reik me toch maar je hand, de strijd is pas begonnen! Schouder aan schouder met onze vrienden Zullen wij wandelen waar nu geen paden zijn te vinden En omkijkend de weg zien die waardevol en liefde is, In tedere herinnering aan deze mooie bloem: catharsis.

136


Kippen Kippen wroeten, scharrelen, graven Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Toch moet de mens hen voeden Want hun eigen arbeid brengt geen baat. Kippen hebben een zeer enge horizon, Zijn de gevangenen van een onnozel lapje grond: Werk, voetbal, tv., wat neerhof-politiek Verder reikt hun interesse niet. Kippen doen graag heel stoer: Hoe nietiger zij zelf wel zijn, Hoe meer ze zwakker kippen pikken. Van het waarom snappen ze geen moer. Kippen zijn de slaven Van hun eigen gulzigheid: Zij hebben veel te grote magen En sterven voor hun tijd.

137


Lassie Schuw sloop je langs de gevels Telkens ik je, bevrijd van de ketting Mee uit wandelen nam. De staart tussen de poten, De oren plat in de nek, Het grote lijf haast schurend Over de stenen van de mensenstraat Tot we in de velden kwamen En je van de leiband mocht Toen pas werd je hond! Nadat je de angst had uitgeschud Draafde je als gek in het rond, Kwam je me speels uitnodigen Je te volgen (als ik kon). Wij liepen en stoeiden Tot ik hijgend neerviel in het gras En met volle teugen jouw vrijheid Ook in mijn longen zoog. Dat waren de momenten Waarop het heden in het verleden vloeide, Herinneringen zonder woorden, zonder beelden Van toekomst zowel als van verleden Samenvielen in mijn ziel en inzicht brachten. Wanneer ik jou uit wandelen nam, Lassie, Bevrijdde jij mij van de ketting En in verlaten zondagsvelden Werd jij meer hond En ik meer ik.

138


Leven Inhoudsloos is het, Ter dood veroordeeld. Het heeft niets, Het is alleen maar: Enkel kracht en potentieel Als het glijden van een gletsjer. Leven? Tijd vullen zal je bedoelen Want da’s ’t meeste dat we doen.

Inhoud moeten wij er zelf aan geven En dat vergt verbeelding en durf. Verdomd veel verbeelding, Verdomd veel durf En verdomd veel levensenergie Gericht door doelen en een vaste wil Tenzij je tevreden bent natuurlijk Met eten, slapen, beschutting en sex ... Maar dan las je dit niet.

139


Leven en dood

Je bent de zwarte panter Die zich koestert in de namiddagzon; Het paard dat in slow motion mijn zinnen streelt. Je bent het rijpe graan Dat danst in de zomerwind; Strauss en een tango con pasi贸n. Je bent de zon die opstijgt boven de bergen Of in goud en rood in de zee weer slapen gaat. Je bent de volle maan in een winternacht, Getooid in het ijl gewaad der schaarse wolken En bezongen door een roedel wolven.

En heupen die mijn verbeelding wiegen, Me wiegend naar de essentie leiden Van ons opperste doel op deze aarde: Leven; winnen van de dood, Zelfs stervend nog overwinnen. Jij bent het leven En alle leven zag ik weerspiegeld in jou. Daarom is het dat ik van je hou. Jij bent het leven Maar alle leven leidt naar de dood. Jij bent de dood.

Op exotische stranden, Midden het spel van licht en schaduw Ben je Venus, Ongrijpbare droom in mensenvorm; Carmen, met ogen waarin de passie brandt

140

Zeg me terwijl ik jou aanschouw: Leidt alle dood ook weer naar leven? Ben jij mijn eeuwige vrouw? Jij mij voor eeuwig trouw?


Luister niet, mijn kind Kijk eens in de poppetjes van papa's ogen En luister naar al die mooie verhaaltjes Over het succes waar je later zal kunnen op bogen Wanneer je nu maar je best doet op school Om veel punten te behalen. Met jouw intelligentie ontsnap je wel aan de sleur Misschien wordt je arts of advocaat, Zegevier je in de politiek Of wordt je nog voor je dertigste Benoemd tot directeur in een of andere mastodont-fabriek. Maar neen, luister niet naar mij, mijn kind, Want al die mensen, die steeds de besten willen zijn Weten niet wat ware liefde is. Zij werden nooit of nooit bemind En het enige wat hun kille harten kan beroeren Is geld, succes, het beetje macht dat ze verwierven En de vrees om elke avond weer alleen te zijn. Daarom: luister niet, mijn kind, Naar alles wat men je nog zal vertellen Het geluk is toch slechts te vinden Samen met de anderen. Verzet je tegen lieden die niet willen weten Dat ze voor hun beetje luxe De halve mensheid laten kwellen En probeer om samen met je vrienden Al was het maar een heel klein beetje De wereld rondom jou te veranderen!

141


Mijn schat

Een paard dat door de branding draaft, Zonsopgang in de Gran Canyon, Eeuwige sneeuw op de bergen En het groen van mijn vlakke land; De passie in de donkere ogen van Carmen, Haar gratie en verleidingskunst, Nieuw leven dat elke dag opnieuw begint, ... In jouw ogen zag ik het allemaal.. In de sierlijkheid waarmee je danste, In de golving van je lange, donkere haar. Met volle teugen dronk ik jouw warmte, Voelde me ridder op mijn paard, Koning van de wereld. Maar dan rinkelt de wekker weer: Er is het werk dat wacht. De wind en regenvlagen Vormen al lang geen uitdaging meer. Bij het buiten gaan kus ik je zacht En gelaten draag ik de droefheid mee Waarmee je zegt: "wees op tijd vanmiddag, hĂŠ, mijn schat."

142


Nacht De duisternis regeert over de velden Aan de andere kant van mijn venster. Als oranje sterren trotseren De straatlampen haar heerschappij. En heel af en toe schuift geluidloos Nog een auto door het beeld. De roep van een uil, Een hond die blaft, Een schaap dat schrikt en roept ... Of een koe. Van de ganse wereld buiten Dringt weinig tot ons door. Nacht. Vrouw en kind slapen. Morgen moet ik niet naar het werk Ik ben dus "vrij" vannacht Vrij om tv te kijken, Muziek te beluisteren, Te lezen of te schrijven. Maar dat alles doe ik al zoveel. Waar zijn de mensen? Een eenzame auto glijdt ons huis voorbij. Het is tijd dat ik slapen ga!

143


Ovidius "hoe genoeglijk," zie Ovidius "rolt het leven des gerusten landman heen." Ovidius, het is waar, en was geen boer. Wat hij kende en wat hij voelde, Toetste hij aan de uiterlijke schijn Van heel andere dingen. "hoe genoeglijk," zei de landman "rolt het leven des beroemden dichters heen." Maar de er was niemand die noteerde Wat ons boerke zei. En zo verliezen wij vaak De beste helft der dingen!

144


Peter 1996 De straten van mijn stad Zijn kil en kleurloos in de morgen, De lucht meestal nat en grauw Als ik tussen de vale baksteenhuisjes, Kuchend van de uitlaatgassen De richting van mijn werk uitrijd. Rijd ik mijn toekomst tegemoet, dan? Of komt zij op mij toegeraasd? Boem! Crash! Bang! EĂŠn moment kruisen onze wegen - (nu) En dan dendert zij verder, Mijn verleden in. Sweet jesus, hoe vaak reed ik ongeweten Zo mijn toekomst reeds voorbij? Maar 's avonds rijd mijn dochter Paardje op mijn knie En behaaglijk zucht mijn vrouw Bij de gezellig warme haard. Beelden die in het verleden Een verre toekomst leken Worden nu zorgvuldig opgeslagen En voor later gebruik bewaard. Een wereld heb ik hiervoor opgegeven, Een wereld en wel duizend kinderdromen. Ooit dreef ik doelloos rond op zee, Ooit brandde in mij de pijn van het leven, Ooit leefde ik enkel voor mezelf alleen, Ooit kon niets ter wereld mij nog raken, Ooit vervloekte ik het ongrijpbare onrecht, Ooit braakte ik walgend systemen uit, Ooit molenwiekte ik midden glazen vazen, Ooit wou ik de wereld zien, Ooit wou ik hem veranderen ... Maar vandaag rijd mijn dochter paardje op mijn knie, Vandaag vecht ik voor mijn eigen stek, Vandaag zweef ik niet in purperen wolken Ik weet hoe groot ik ben - en ook hoe klein, Ik weet wat ik wel en wat ik niet veranderen kan Maar, sweet jesus, zeg me: Hoe vaak nog kan de toekomst In een verleden veranderen?

145


Reflexie Er zijn in de wereld miljoenen ondervoede mensen, Gemarginaliseerden en verdrukten Die leven in krotten, verstoken van alle comfort, Maar dat weet je wel. Miljoenen arbeiders zonder rechten, Boeren zonder grond, kinderen zonder scholing, Zieken zonder verzorging, mensen zonder toekomst, Maar dat weet je wel. Miljoenen godvergeten slachtoffers van structuren, Speelballen van economische machten, Lastposten voor onpersoonlijke besturen, Dronkaards, ruziestokers, asocialen, profiteurs, Luiaards, werkweigeraars, imbecielen, Anarchisten en leeglopers allerhand, Maar dat weet je wel. Miljoenen mensen zonder stem, potentiÍle desaparacidos, Wiens mond wordt gesnoerd wanneer ze praten Zelfs al luistert veelal toch niemand naar hun gewauwel; Mensen die gevangen genomen worden, zonder proces, Gemarteld worden of gewoon overhoopgeschoten, Maar dat weet je wel. Er zijn in de wereld een minderheid mensen zoals jij en ik En daarnaast, - daarboven zeggen zij zelf -, Veel geringer in aantal nog: de rijken. En hoe rijker ze zijn, Hoe groter de kloof die hen scheidt van de armen, Maar dat weet je wel. En toch is de ontwikkelingshulp in handen van regeringen, In handen dus van de rijksten, Die hun welvaart danken aan de uitbuiting van anderen, Die steun geven aan wie hun – dus onze - economie steunen, Aan wie hun - ons - politiek model verstevigen, Niet zozeer aan wie het nodig hebben. Maar daaraan dacht je wellicht niet. Wij geven steun aan dictatoriale regimes Mits ze maar zorgen voor orde en vrede En bij ons de wapens kopen Waarmee ze hun volk onderdrukken Maar daaraan dacht je wellicht niet. Want zolang je je verantwoordelijkheid niet zelf opneemt, Zolang kan je rustig blijven tv kijken, Zolang komt ook jouw manier van leven niet in het gedrang, Zolang blijft alles, hoe geschikt toch, precies zoals het was En krijg je met Nieuwjaar misschien een paar centjes meer!

146


147


Reisfoto's Soms verjaagt het leven je Uit het warme nest. Weg gekunstelde veiligheid, Weg vertrouwde patronen, Weg plots alle geborgenheid. Naakt sta je dan onverwacht In het felle zonlicht, onbeschut Te midden van de markt van het leven Snakkend naar de reddende rede, Vechtend tegen overwelmende emoties. "Waar?" vraag je je radeloos af "Waar ga ik heen van hier?" Op de balans tussen paniek en euforie Slaag je er soms wel es in snel En stiekem het oude nest weer in te kruipen, Alsof je lang reeds ter bestemming kwam, Maar hoe je ook tracht de zon te vergeten Wie eens het licht zag, Blijft een leven lang erdoor gebeten. Vaak echter is er helemaal geen weg terug, Sta je op een kruispunt waarvan alle wegen Leiden naar het onbekende. Zie, plots geloof je dan aan het toeval wel Hoewel geen weg dĂŠ juiste is, Geen weg ook totaal verkeerd. Elk pad, leer je, is bestrooid met nesten, Met valkuilen evenzeer. Elke weg leidt toch naar Rome, Hoewel: geen weg leidt ergens heen. En ongeacht vanwaar wij vertrokken, Ongeacht ook waar wij belanden, Of hoe verschillend onze weg Uiteindelijk blijft de vraag toch slechts: Herken je jezelf in de foto's van onderweg?

148


Spreken is zilver Niets heb ik te zeggen. Niets. Want met spreken over wat het hart beroert Is het als met alle vaardigheden: Je leert het slechts al doende En al te veel heb ik gezwegen. Niets heb ik te zeggen. Niets. Ik ben een kijker, een luisteraar, een voeler, Een toerist in mijn eigen leven Die elke dag de zon ziet op en onder gaan, Die de dagen telt Die een na een verloren gaan, Maar toch de gevangene blijft van het strand Waar hij onvermoeibaar boeken leest Over wat er leeft in zijn vakantieland. Niets heb ik te zeggen. Niets. Want mijn spreken baart slechts pijn, Splijt kloven in je illusie Dat ik ooit alleen voor jou Man zal zijn

149


Tussen vos en vis

Men vertelt van vossen Dat ze zich soms een poot afbijten Om te ontsnappen uit een val.

Wanneer de keuze gaat Tussen het leven en de dood Mag er inderdaad geen twijfel zijn: Zelfverminking heet dan niet langer pijn, Want al leidt alle leven toch naar de dood Onze plicht is het, te vechten voor het leven Dood moeten wij later zo lang nog zijn!

Zie, ik hou van de vis die in beken en rivieren, In zeeĂŤn en oceanen zwemt; Maar noch uit liefde, noch door dromen Wil of kan ik ooit bekomen Dat ik als vis gelukkig onder water leef.

Stel dan dat zo'n beest Het egoĂŻstisch, wreed, dom, Liefdeloos en zelfvernietigend vindt Dat ik met hem niet onderduiken wil, Maar blijf leven op het land, Wat baten zijn illusies? Al teveel idealen zijn blauw en opgezwollen Gewoon in het slib gestrand Of totaal overbodig verzopen in de ruzies!

150


Verdriet Het raam dat kil en koud Mijn bonzend voorhoofd sust Ziet uit op het oosten Waar in geel en violet Oranje-rode koeien grazen. Ergens schijnt de zon Maar aan dit raam Is ze reeds voorbijgegaan En al wat ik er nog van merk Is een regenboog in elke traan Die tergend langzaam

Mijn moede ogen vult Voordat ze sporen trekt In mijn verbitterde gezicht. Het raam dat kil en koud Mijn lege voorhoofd blust Ziet uit op weideland Waar onwetend koeien stoeien Vervormd door mijn verdriet. Ach, hoe weinig koeien toch En hoe veel weidepalen!

151


Vlaanderen

Vlaanderen, landje van kathedralen, Belforten, burchten en kastelen Die lachen met de bulderende Noorderwind, In steen hebt gij uw trots vereeuwigd. Hooghartig en kil rijzen uw torens Boven de hutjes van wie ze bouwden. Hoe schril contrasteert uw pronkerige weelde Met de ellende van de middeleeuwse kleine man? Vlaanderen, landje van koninginnen, Vermetel hebt gij de groten der aarde uitgedaagd. Te sterk bleekt gij om Frans of Duits te worden, Te koppig voor zowel Hollander als Spanjaard. Gij verwierf het heilig bloed uit Jeruzalem. Waarlijk groot is de faam van uw roemruchte heren, Maar veel groter nog de misère Van hen die zij hiervoor naamloos lieten creperen. Vlaanderen, nijver landje bij de Noorderzee, Meer gelijkheid, rechtvaardigheid, inspraak en democratie bracht ook hier, ondanks twee wereldbranden, de laatste eeuw. Ongekende luxe, vrije tijd en vrijheid Ontrukten wij aan de klauwen van de olie-recessies. Reeds krijgt hier de derde industriÍle revolutie vorm, Kijkt de toekomst veelbelovend op ons neer.

152

Maar als ik door je velden kuier, Met je zware aarde klittend aan mijn zolen; Als ik langs de Dender oevers jog, Of in de laatste duinen mijn lichaam laat strelen Door de zonverwarmde vrijheidswind; Dan ervaar ik als verarming En groot gevaar voor onze toekomst De onverschilligheid, het individualisme, Het materialistisch egocentrisme dat hier hoogtij viert. Vlaanderen, mijn mooie slaapster, Ingebed tussen uw duinen en de Ardennen Werkt van acht tot vijf uw mierenleger plichtsbewust In Amerikaanse, Franse, Duitse, Japanse filialen; Vergeet het zijn geestelijke en sociale vorming, Laat het aan allerhande instellingen over Om in zijn plaats te denken, te vechten, te regeren, Zijn leven en zijn toekomst te modelleren. Ontwaak mijn Vlaanderen, ontwaak Vandaag eens geen voetbal, geen werk, geen tv., Werken wij toch allen samen Aan een menselijker toekomst mee!


Wandelen Sommigen trekken in hun vrije tijd Naar zee, naar het park, naar de zoo, Het zwarte woud in of gewoon bij mémé. Wij trokken maar zelden ergens heen: Wandelen deden wij des te meer Wij slenterden langs de straten, Zonder doel en zonder plan Tot de volwassen wereld ons benauwde En wij in velden en weiden Onze verbeelding de vrije teugels gaven. Wat begon als een vlucht voor de verveling, Weg uit de beslotenheid van ons kleine huis, Van gezag en huiskarweitjes Werd daar met toverstof bedekt. En steeds opnieuw herbeleefden wij het scheppingswonder Dat uit niets dan open lucht en kinderfantasie Mooie namiddagen kon doen open bloeien Waarin wij onze dromen realiseerden, Onze trauma's en frustraties neutraliseerden En onze liefde voor elkaar confirmeerden. Veel beter dan thuis ooit had gekund Smeedden wij hier eeuwige banden, Want in de open velden waren wij niet langer Enkel zoveel kinderen van eenzelfde ouderpaar, Maar één clan die de wereld trotseerde; Eén brok bruisende energie die naar eigen normen leefde En uit de chaos nieuwe levensvormen creëerde, De eigen dromen kennen leerde En de innerlijke verscheidenheid leerde respecteren.

153


Weide Weide was weleer De plek waar wij nu wonen, Een boomgaard tussen akkers En boerenhoven waar In een zelf getimmerd krot Een stadsmoede grijsaard Tussen de wortels van zijn wieg Bij het gekreun van zelfgeplante bomen Zijn jeugdvisioenen kwam herdromen. Rustig als weleer Glooit de aarde hier Onwetend in oude gletsjerkloven. Al zijn de paarden lang vervangen door tractoren En heerst de ma誰s nu over het koren. Sinds de fusie heet het hier trouwens "stad" Maar buiten in het veld Waait de wind nog net als duizend jaar tevoren.

154


DANS TUSSEN HONDEN EN WOLVEN

Deze bundel bevat de Nederlandstalige gedichten die ik schreef tijdens een periode van zowat twintig jaar. De oudste gedichten dateren van rond 1970. Zelf noem ik het mijn “proëzie” : noch proza, noch poëzie. Maar jij mag het noemen hoe je wil. Het zijn veelal zeer persoonlijke bedenkingen. Wegwijzers langs mijn levenspad. Ik kan alleen maar hopen dat jij er ook iets aan hebt. Eddy Adriaens

155


156


157


158


Dans tussen honden en wolven