Issuu on Google+

een bedrijf of ondernemer worden . Als werknemer bij een bedrijf krijg je een vast salaris . Alle arbeidsvoorwaarden zoals salaris, vakantiedagen en werktijden zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Vaak wordt een arbeidsovereenkomst voor een groep bedrijven gemaakt: dit is een Collectiev~.. Arbeidsovereenkomst (CAO). Een werknemer is verzekerd voor ziekte: als je ziek wordt, krijg je toch salaris [loon] doorbetaald. Als ondernemer ben je eigenaar van een bedrijf. Je bent eigen baas. Als het goed gaat, verdien je veel. Als het niet goed gaat, verdien je weinig of niets. Je bent ook niet automatisch verzekerd bij ziekte, dat moet je zelf regelen . Een ondernemer bepaalt veel dingen zelf: bijvoorbeeld hoeveel en wanneer hij of zij werkt.

Mensen kunnen verschillende redenen hebben om te gaan werken. Dit noemen we de arbeidsmotieven. De meeste mensen gaan werken om economische motieven: om een inkomen te ontvangen. Het inkomen bij een werknemer heet salaris [of: loon]. bij een ondernemer heet het winst. Behalve inkomen zijn er nog meer redenen om te gaan werken: bijvoorbeeld sociale motieven . Je vindt het gezellig om met andere mensen te werken en vaak betekent je werk ook wat voor andere mensen. Ook persoonlijke ontwikkeling is een belangrijke reden om te gaan werken. Je. leert steeds wat bij als je werkt, je wordt beter in je vak. Na je schooltijd zijn er twee manieren van werken: werknemer worden bij

~

·II"

:···································· I!

r.

'

'

economische motieven: Inkomen

-

~ edenen

om te werken

sociale motleven

persoonliJke ontwikkelins

w\nst

1

BEGRIPPEN Trek een lijn tussen de begrippen en hun betekenis. economische motieven

beter worden in je vak

sociale motieven

gezelligheid, sociale contacten

persoonlijke ontwikkeling

salaris


r=·;;;· !\

.

u~="'=,~=

ARBEI DSM OTI EVEN Om welk arbeidsmotief gaat het? Economisch, sociaal of persoonlijke ontwikkeling? Anja werkt als bakker, ze vindt het een uitdaging om steeds nieuwe broodjes te bedenken. arbeidsmotief: ............................ ....... Dirk wil graag bedrijfsleider worden bij een winkel, omdat hij dan meer gaat verdienen. arbeidsmotief: ...... .

"

Jurgen werkt als vrijwilliger bij het voetbalteam. Hij traint een F-team omdat hij graag met jonge jongens aan de slag gaat.

c

arbeids motief:

3

(

REDENEN OM TE GAAN WERKEN

I economische motieven

1·· I sociale motieven

I m~er da~ 5 punte~ }

I persoonlijke ontwikkeling

-I

nee: je gaat niet werken

~

ja: je gaat werken

einde test bij een bedrijf: als werknemer

zelf een bedrijf starten: 1 als ondernemer I

I · · ·1

voor een baas werken

eigen baas

[_~· ·.1

vast salaris

winst of verlies

r······l

veel randvoorwaarden geregeld

'"'" c·_·:.-J vaste werktijden

r··-·--1 totaaLscore

I

1

alles zelf regelen 1

[J

geen vaste werktijden !vaak meer werkenl totaalscore

a

Bekijk de arbeidsmotieven boven in het schema. Vul bij elk arbeidsmotief in hoe belangrijk jij dat vindt. Geef per motief 1 (niet belangrijk) tot 5 (heel belangrijk) punten.

b

Tel alle scores bij de arbeidsmotieven op: . ··--·-····-·· . Scoor je Lager dan 5 punten dan wil je waarschijnlijk niet werken. Vraag voor jou: hoe wil je Later alles betalen?

c d

Scoor je hoger dan 5 punten dan gaat de test verder bij c. Je kunt werknemer of werkgever worden. Geef bij elk kenmerk van werknemer en ondernemer aan of je het belangrijk vindt of niet. Je mag 1 tot 5 punten geven . Tel jouw punten voor werknemer en ondernemer op. Welke heeft de meeste punten? ··-·

.................... ......................................... --·-· ...... ··--·---········.. ··· --··-

Dan past dat beste bij jou.

.... ....

·- ····· .................. - -······-·" ·-·-············- ...................... ········ ···-········----···-·-····-"··


4

CAO Wat is een CAO? een verzekering voor als je ziek wordt [_j een arbeidsovereenkomst voor een groep mensen L"J een uitkering als je oud bent L·.J een ziektekostenuitkering

CJ

5

ARBEIDSOVEREENKOMST Noem drie voorbeelden van zaken die geregeld zijn in een arbeidsovereenkomst. 1 . ......

~ .......... ······

....•...................

2 . ........................ ..................................

3 ..... ........................... ...... ..................-···-············· .................................................. ....

6

BEREKEN JE LOON In de CAO voor het kappersvak staat dat je als haarstylist een startsalaris krijgt van € 1.530 per maand.

a

Hoeveel geld krijg je per jaar als haarstylist? Schrijf je berekening op.

b

Je krijgt ook eenmalig 8% vakantiegeld over je gehele jaarloon. Hoeveel geld is dat per jaar?

c

Hoeveel heb je dit jaar in totaal ontvangen?

d

Volgend jaar krijg je 1,5% loonsverhoging. Hoeveel verdien je volgend jaar? Denk ook aan je vakantiegeld. Schrijf je berekening op.


i

--:··----···--

WELK TYPE ONDERNEMER BEN JIJ? ledereen heeft een ondernemerstype in zich. Welke type ben jij? De ontwikkelaar, de leider of de verkoper?

STAP 1 Geef pe-r stelling a,an hoeveel punten jij jezelf hiervoor geeft. Wees eerlijk! ledereen kan bepaalde dingen wel en bepaalde dingen niet zo goed.

i

I

I

I

I

I

l

----- ·-·--··--------- ----------,----------·-·--.

I

Stelling

I

I

Ik geef mijzelf dit cijfer bij deze stelling.

1 2 3 j4

I

past past past past

helemaal niet bij mij een beetje bij mij redelijk bij mij heel goed bij mij

I 1

j1.·1n~-;;-ie uw·;~~~ep ~;;;k~~kke li Ïk-c-~~~-ct m ;;--~--;;-;;-e re·~~-------r C! 1----;--(::~3-i::J:j

l;:::~~~~~~i~~~~~~~~~~{~~~~~z=~~:J~~: -~'t=_=;=='iJI 4. Ik vind het leuk om dingen te onderzoeken. Ik maak bijvoorbeeld ! :· '1 : :2 : :3 graag een werkstuk. J (T-I~rt-;; p ie~-;;;;af te ~~~-~-;~--~-~-i;t-~- ~~--;~·~;;;; -- - - ------- --------·r-~- ~-;· ------.---·2-·--·· ... ~- ..

1

_ _.

: !4

--·-,--·;·4---

r~-~;~ ~~-;~-~~~~-~-~~~~~-~~~-~~-~~;~_:-~::::.:·~--·:.--.~~~ ~::·-~=~:~=·:.~::::-~:~~~- c~~ -~-~::_, ~- ~ ~- ~- - :_3___ ·_ -~~~-,:~~=~

~--~~~~:-~l~:j~i:f::c;~~:n~t h;th~is~-~-k·-;;·Ïk--;e~ schriften. ----~---

- - --- ----·---------------·-······-··-----

-netjes in

--- -- ··- -

mÎÏ~-----

·--:-.-;----,-:

_-;-----~ ~+-- . . . ~~ --] •

· -~---·------------------··----·----------------------- ·

-~ -~-~-~~~~-~~~--~e ~~~~-~~~~-~~:. _______ --·-· -----· ·-·----- -------·-- L_'~-~---~--;_2__......'. .3.____ '--~--·

I

10.1kwilgraagdebestezijn.

!.!1

ii2

ii3

!!4

~~~-~~~~-~-~~e ~~~ en.--~=~----=~-::.:~~~~~~~-=~=~~-:~~~~~~--~~=-~-:::~~~~~--! 1-:·==~~~~~-.-:~=~-~-~~--;·_~J

I

d n j12. Ik vind het leuk om te verkopen. Ik handel nu ook al op Marktplaats.! !.. ! 1

: .: 2

:· ! 3

! i4

jnÏk~l;dh-;;[~~k~~~i~~;~·d; nge ·~~-b;d;~k-:;~~---·-- -- -------~~::~;-~------·;~ ..,·;-----;-~!;·--~-i~---

-,-i3---·---;·4· -

ri4·.-0~~:-~~~id:~~ nf~~:::~~~~kh~-d-;~~-K~·;h·~~i-e·;·;~?·-----------~ :-:--;·-· -·,-·;~

1

~k kan ~ij~j-~~:~~_!_~~~i~~-~en ~da~~~~~d ik :;~~k~~~~~]~J~T; -~~:~~=-~~~~~:~. -~-~: ~] STAP 2 Geef in vakje A, 8 en C aan wat jouw score is bij die vragen.

- -·--·------------------- ----------,----------------------------·---------- ----------- -Tel jouw scores van deze vragen bij elkaar op [----- IVragen ·---------------·--·... .

I

I

IA L__ __ ,

-~--------·---·----------·-----

_______________I,__________________ ---------4,7,10,13,14

I ,__ --- -B

I 2, 6, 8,

11' 15

I

.

..... .

.... .

j-c-·----~-;~--3.5.9.i2-·-----------~--------------------------------·------·--·----~-------------·------------

------------------------------ ----··

STAP 3 Benieuwd welk type ondernemer jij bent? Kijk dan achterin het boek voor de uitslag.

J


l --------------~

INTERVIEW Houd een interview met iemand die het werk doet wat jij ook wel zou willen doen. Het liefst met degene die jouw droombaan heeft! Het maakt niet uit of het een werknemer is of een ondernemer.

1. Maak een afspraak met degene die jouw droombaan heeft. 2. Bedenk welke vragen je wilt stellen. Bedenk er minimaal vijf. Probeer achter de voor- en nadelen van het werken te komen. Wat zijn de belangrijkste redenen voor deze persoon om te werken? 3. Neem het interview af. Zorg ervoor dat je pen en papier bij je hebt. Misschien mag je ook wel een foto maken . Doe dit dan. 4. Lees elkaars interviews . Welke conclusies kun je trekken? 5. Welk type werk past het best bij jou?

~

9 a b

c d

SOLLICITATIEGESPREK Deze opdracht doe je in tweetallen . Voordat je bij een bedrijf gaat werken heb je meestal eerst een sollicitatiegesprek . In deze opdracht voer je een sollicitatiegesprek. Zoek een personeelsadvertentie [vacature) in de krant of op internet waar je graag op zou solliciteren. Verdeel de rollen. De een is de ondernemer, de ander de sollicitant. Bereid je rol voor. Werkgever: wat wil je weten van iemand voordat je hem/haar aanneemt? Werknemer: wat wil je weten van het bedrijf voordat je er gaat werken? Welke vragen kun je verwachten? Voer het gesprek. Bespreek het gesprek na: wat zou je de volgende keer anders doen?

SCHOONMAAK Lees het krantenbericht.

kers staken

t , Schoonma

d voor een de maar A.\ weken staken scwerk wordt steeds 'l.wa.~\en ~iet alleen betere CAO· Hu~den bH)ven ge\\)\ ze.~;ostenvergoed~ arbe\~ij;t:g van 3~ maar o;afli~\e soe. minde~uUJl~~een lo ~n

' '· in het helereler \an U 1•t de kran hoonma~-'ers

a b

Onderstreep in het bericht wat de schoonmakers graag willen. Welke eis vind jij het belangrijkst? Waarom?


3.

11

MINIMUM rUurloon - horeca

I Leeftijd ~

21

€ 8,65

18

€ 4,76

L2_5

€ 2,70

-

J

-

I

Tlm werkt·In een r t Hij is 15 Jaar · es aurant . Vo or hem geldt d en werkt Hoeveel geld kr' ' .. 8 uur pe r week e CAO van de hore

a

. . é2,

ra --'J~hlj.peru~~?

Hoeveel D fgel d ontvangt hij per b

.....

~ 0 ·~··-~4. - v

?.c ...

_

_

< ...

. _._ .............................. ....-.

week? Laat 1·eb _

Qf)f}J _

ca

.................................. .......... ..

e~-kening

zien

.......... ·-·····-·

12

K~ ~DERARBEID Ik wil graag In de k een restaurant meehelpen. euken van

Wedt dat kinderen mogen doen van \3 en \4 1aat Wetkzaamneden die kindeten van 13 en 14jaat mogen vettienten zijn: - op sencoldagen en op vrije dagen klusjes rond net nuis en in de 'l)uurt doen l'bijvoot'oeeld oppassen 'Di) familie oi kennissen, auto's wassen\ - '" vtl!• dagen billicht nlet-lndusttleel welk - meewerken aan een uitvoering \'oijvoor'oeeld een modeshOW lopen. toneelspelen ot in een reclame-

MI•••

Manuel (131

Mag dit? Ja I Nee • want

spot)e 14 spelen\ - vanat jaat mogen jongeren onder voetwaarden stage lopen

wer~~aamneden die kinderen vanaf 16 jaar mogen

vanat \B iaat

verrichten ~i)n:en reclametoldeiB rond'orengen ~ avondktant • \\cnte werkzaamMelen in de llOreca

·~ · -··~~···········

Lara t1

5'ï.

Mag dit? Ja IN ee, want


.,,_,.

II .. {··

"'-. ..•.·)':·

~

·.• ·~;.

:}.

'

Een eigen bedrijf starten begint met een goed idee. Bijvoorbeeld het idee voor een nieuwe winkel of een nieuw product of dienst. Het bedrijfsidee werkt de ondernemer uit in een Qlîi.!er!lemil1gsplan. Hierin staat beschreven hoe de ondernemer denkt zijn bedrijf te gaan uitvoeren. Een ondernemingsplan bestaat uit een marketingdeel en een financieel deel. In het marketingdeel geeft hij antwoord

-

op vragen over de vier P's: t:~nnl~H:t-, en ~rori1 ~•ti0beleid van het bedrijf. De vier P's noemt men ook wel marketir~~;r~"'ii~. Soms wordt er een vijfde Paan toegevoegd: deP van personeel. Het marketingdeel moet aangeven wat het unieke verkoopidee is. In het finandëli?. deel. laat hij zien hoe hij het bedrijf gaat fina ncieren en hoeveel geld hij denkt te gaan verdienen .

f:'~G~ats~ , r~rijsM,

................................. ondernemersplan ............................... .

marketing

financiën

Product: • Wat ga ik verkopen? • Wat doe ik met mijn product? (bijv. meerdere kleuren)

·..

~

• • • •

Hoeveel geld heb ik nodig? Hoe ga ik dit betalen? Wat zijn mijn kosten? Wat zijn mijn opbrengsten?

·-. Prijs: Welke prijs ga ik vragen?

Plaats: • Via welke winkels ga ik mijn product verkopen? • Waar zet ik mijn product in de winkel?

Promotie: • Hoe zorg ik ervoor dat klanten mijn product kopen?

1

BEDRIJFSIDEE Als je een bedrijf gaat starten moet je een bedrijfsidee hebben. Hoe heet het document waarin je je bedrijfsidee uitwerkt? ~~··..) bedrijfsbalans ~....! begroting !.... ondernemingsplan [.· ·. ·~

marketingplan


2 a b c

3

ONDERNEMINGSPLAN Een financieel plan is onderdeel van het ondernemingsplan. Juist I Onjuist In het promotieplan staat welke producten een bedrijf gaat verkopen . Juist I Onjuist Het plaatsbeleid geeft aan waar je de producten gaat verkopen. Juist I Onjuist

VIER P'S Trek een lijn tussen het begrip en het goede voorbeeld .

4

productbeleid

Hoe ga ik ervoor zorgen dat klanten mijn product kopen?

prijsbeleid

Wat ga ik verkopen?

plaatsbeleid

Welke prijs ga ik voor mijn product vragen?

promotiebeleid

In welke winkels ga ik mijn product verkopen?

MARKETING

---------- - - - - - - - - - - _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ __=t________ -----------·

Is dit een voorbeeld van productbeleid, plaatsbeleid, promotiebeleid of prijsbeleid? het is uitverkoop : je krijgt 20% korting

-- ------------------------------------------ -- ------------ - je ziet een rek met kauwgom bij de kassa

------------------------------------------ - - - - - - - -- ------------------ -f --------in een tv-spotje wordt reclame gemaakt voor afwasmiddel

- - --- ---------------····--------------·-------·-·-·----

-- ~

---·-· ·-- ------ --~-

de smaak van een pakje tomatensoep is verbeterd

- - -- --··-- ··-·-···----------·----------···--····- -- ····-·-·--------------- ---···------------ - - -

actie: twee voor de prijs van één

------------------------------------------------ -------··· _________ een wasmiddel is verkrijgbaar in drie nieuwe geuren

]_______________-

--

!______________________ ----------------------------------------------- ----- - ----- --------- -------- ------ - bij een supermarkt krijg je kleine poppetjes bij € 15 boodschappen j L I .,,:n duur kleding~;-;kl~leen -;-;;-~~boetiek-in Ams~erda-~-;;k-oo~-r·- -·-----------------------------~-- -----~------

5

.

-·-··-- - - ---- ----------------.----········

PRODUCT EN PRIJS

a

Het Rijncollege heeft een nieuwe schoolkantine waar broodjes kaas worden verkocht voor € 0,80 per stuk. Vlak bij de school zit een warme bakker die ook broodjes kaas verkoopt. Een belegd broodje kost bij de bakker € 2,30. De bakker heeft het minder druk nu de schoolkantine ook broodjes verkoopt. Bedenk een nieuw product voor de bakker.

b

De bakker wil zijn verkoopprijs voor de broodjes niet aanpassen. Hij wil een spaarkaart invoeren . Als je vijf broodjes hebt gekocht krijg je het volgende broodje gratis. Dit is een voorbeeld van: productbeleid

I

prijsbeleid

I

plaatsbeleid

I

promotiebeleid

-

........ _

\


'

'T PAKJE

8i>oofiLAAN

~

HOOGSTRAAT

BERGWEG

' a

b

c

Cadeauwinkel 't Pakje heeft op de folder een plattegrond staan zodat mensen de winkel beter kunnen vinden. De folder is een voorbeeld van: [ '.'J plaatsbeleid !.'.~~] promotiebeleid i ..] productbeleid I~.J prijsbeleid De plattegrond is een voorbeeld van: LJ plaatsbeleid t :-:~ promotiebeleid 1· i productbeleid I I ! !i prijsbeleid

1

De cadeauwinkel heeft ook een webwinkel geopend. Dit is een voorbeeld van: plaatsbeleid f ... l promotiebeleid

\' .!

c

!.' .! productbeleid I. I

prijsbeleid

EIGEN BEDRIJFSIDEE a

Waar ben jij graag mee bezig? ............................... . · - · ·

b

••+•• · ••

-·· ................ , ___ •••• -

·······---

............... -·····-··

••••• · · · - - - · ......... _

---·····

..........

.......... ·· - - - -

--····- ............... .

Waar ben jij goed in?

-

-.

-

... ············ .................................- ............ ~ ............ .............. ....................-............................ ·---- ···········-·--··········---·····-·--·····---.............. ······

c

Waar zou jij wel een bedrijf in willen beginnen? Bedenk een bedrijfsidee. ••·~••••••OO•o-•o,.·•••••••••••• •

•OOoo ••

"""

d

,,.,,,,,.,..

ou,,._.,,., ••••••••• o

'"'""''"'''""'"'"'

•~•

0 •••

••••••••••• 0

•·•·•··••••••·

,,.,~,.

"·'

<Looo

•oo

•••O••••••O••••-<• ''"'"''"''''''"',_.,,_ ' ' ' " ' ' ' ' ' " " "

'"'""''''

"''

'"

0

'""'''

'''

"''""""

'''""''"'"

"'

""'''''

"•••••,_ .... ,,.,, .. ,,, .. ,,,.

•-

"'"

'""

"''

0

"

00000

.....

•••<••••'"'""''""''' .,,

Omschrijf waarom jouw bedrijf zo goed is. Wat maakt jouw bedrijf beter dan andere bedrijven?

_

........................ ............................................................ .............. ...... ~

e

····-~----··"·

~

.. .....................................

..

_

......................................... .........................,_ ..._,, ................................................ ---................. . . . ~

...... .... •· ......................... ..

Bedenk een naam voor je bedrijf . ....

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ._ _ . . . . . . . . . . . . . . . . . - · · · - · · - · · " ' " ' . . . ' '

.........

............................... ...

0

.......

.................

• •••-

. . . . . . . . . . ., _ , _ , . . . . . . . . . .

• ...................................................

..


8 a b

c

9 a

ADVERTENTIE Veel bedrijven adverteren in kranten en tijdschriften. Zoek een productadvertentie. Plak deze op een A4'tje. Omschrijf per advertentie: -Wie is de adverteerder? -In welk blad stond de advertentie? - Gebruikt de advertentie vooral tekst of beeld? -Welke echte informatie haal je uit de advertentie? -Wat wil de advertentie nog meer bereiken bij de klant? -Op welke groep mensen richt de advertentie zich? -Vind je de advertentie goed gelukt? Stel, jouw bedrijfsidee wordt omgezet tot een echt bedrijf. Hoe en waar zou jij adverteren? Leg uit waarom.

PROMOTIEBELEID Kapper Jansen in Amersfoort wil graag meer klanten. Een van de manieren om promotie te maken is via reclame. De kapper wil een poster maken en deze ophangen in billboards in de stad. Vind jij dit slim? Ja I Nee,

Bedenk een goede slogan voor de kapper.

c d

Maak een schets van de poster. Bedenk voor de kapper een andere manier om meer klanten te krijgen.

PLAATSBELEID

a

Drogisterij Verzorgd is bezig met een deel van haar plaatsbeleid. De bedrijfsleider vraagt zich af: waar zet ik alles in de winkel neer? Wat zou jij bij de kassa plaatsen?

b

Waarom juist die producten? ···~···

I

.. ................... -...-.. .................... -........ .......-......... . -............ _...-.......

b

1Q

I.

want ·····-·······~ .....................

.................. ~· · ············· .. ···············································-·-···········-·········-··

·······-·---·············· ........ , ..................•.~·····

. ·····-···················

·················· ·· ·--~·--··········-····-~--


111-

De bedrijfsleider moet de flessen shampoo slim neerzetten in de winkel. Hij heeft drie merken en drie schappen (planken). Hij heeft drie shampoos : Verzorgd (eigen merk]. Glansrijk (een topmerk met tv-reclame]. Dallas (een goedkoop merk).

'~

1

Shampoo

Verkoopprijs

Inkoopprijs

Verzorgd

€ 2,60

€ 1,10

Glansrijk

€ 3,40

€ 1,40

Dallas

€ 1,80

€ 0,80

Winst

~

'

•···- ~ c d

Het winkelrek heeft drie schappen: eentje is vrij laag, eentje is op ooghoogte en eentje is iets boven ooghoogte. Hoeveel winst wordt er per flesje shampoo gemaakt? Vul de tabel in. Plaats de shampoos op de schappen . Leg uit waarom je de schappen zo hebt ingedeeld.

I

'

11

EEN WINKEL AAN HUIS, OP INTERNET

. k 1 an huis op internet Een Wl~ e. a blïven al: paddenstoelen uit Online k.ledmgwmke~s J derliJ'k want consu. t Ntet verwon ' h d ld uit op internet: in de gron se te en. menten geven steeds me:r ~~iddeld 737 euro per 2011 gaven Nederlander ~ k ls Dit bedrag groeit persoon uit aan internetwm e . elk jaar met 20%.

a

Wat is een voordeel van een webwinkel voor de ondernemer?

b

Wat is een voordeel van winkelen via het web voor de consument?

c

Hoeveel euro gaven Nederlanders in 2010 uit aan online winkelen?


d

Hoeveel zullen de Nederlanders in 2011 u itgeven aan online w inkelen?

Nederland telt inmiddels 20.000 online shops en ieder jaar komen er 2.500 bij . Jaar

Aantal webwinkels

2009 12010

17.500

2011

20.000

2012 2013

ij '1

f

1. Teken een horizontale as en een verticale as. Kijk naar het grootste getal en maak een handige verdeling [maak de as niet te langl. 2. Zet bij elke as waar het over gaat. 3. Teken de staven los van elkaar. 4. Geef de grafiek een titel.

Maak een staafdiagram van de gegevens over het aantal webwinkels in het artikel. Plaats op de horizontale as de jaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2013. Geef de staaf van 2012 en 2013 een andere kleur, omdat dit een 'verwacht' aantal is.

30.000

---~-

25.000

-~rD路-~

I

I

路-~~--+-t _I

路--

I

20.000

I

-H I

15.000 10.000 5.000

I

I

I

I

i

2009

2010

2011

2012

2013


Om geld te kunnen verdienen met een bedrijf moet je eerst geld uitgeven. Een bedrijf maakt bedrijfskosten. Bijvoorbeeld het huren van een pand, loon voor personeel en inkoop van producten. Kosten kun je indelen in twee soorten: vaste kosten en variabele kosten. Vaste kosten zijn kosten die niet veranderen als een bedrijf meer of minder gaat verkopen. Voorbeelden: huurkosten en personeelskosten. Variabele kosten veranderen wel als een bedrijf meer of minder producten gaat verkopen. Voorbeeld: inkoop van de voorraad. Een bedrijf heeft vaak ook producten in bezit die lange tijd meegaan. de investeringen. Een kassa, een toonbank,

~

Jt.(J~~·~w

een auto en een computer behoren tot de investeringen van een winkel. Door het gebruik van deze producten en door het ouder worden, worden deze producten steeds minder geld waard. Dat is de afschrijving. Voor een bedrijf zijn afschrijvingen kosten, want als de producten straks niets meer waard zijn, moeten ze wel worden vervangen. Restwaarde wordt ook wel inruilwaarde genoemd. Je kunt berekenen hoe groot de afschrijving moet zijn. Je neemt de aanschafwaarde en daar trek je de restwaarde van af. De uitkomst deel je door het aantal jaren dat je het product gebruikt. .. .

a fSC h riJVIng

=

aanschafwaarde- restwaarde . gebru1ksduur

~

~ .................... u~~~~~::::::~ ~

.

.

vaste kosten

va riabele kosten

Deze kosten veranderen als het aantal verkochte pannenkoeken verandert

.. • I

boter

Deze kosten veranderen niet als het aantal verkochte pannenkoeken toe- of afneemt

l

verzekering

eieren melk appels gas

huur

Na

Jlt ~

.J

I

personeel meubels t---ke_u_k_e_n_g_e_r_e_i-;

Dez e oven kost € 1.500 en is over 7 jaar nog € 100 waard. De afschrijvingskasten zijn € 200 per jaar.

~· ~

~.


1

VAST OF VARIABEL Gaat het om vas t e of variabele kosten? de ze kosten nemen toe als er meer geproduceerd wordt deze kosten blijven geli jk als e r meer geproduceerd wordt inkoop van grondstoffen is een voorbeeld van deze kostensoort huur en salaris zijn voorbeelden van deze kostensoort

Afschrijvingen geven de waardevermindering aan van productiemiddelen die langer dan één productieproces meegaan. .. . a f SC h riJVIng

=

aanschafwaarde- restwaarde gebruiksduur

MEER OEFENEN! ga naar www.200procent-ontine.nl

Danny koopt een auto voor € 7.600. De aanschafwaarde is dus € 7.600. Danny denkt dat de gebruiksduur 6 jaar is en dat de restwaarde dan € 1.000 is . Wat is de afschrijving per jaar? 1. aanschafwaarde- restwaarde= € 7.600- € 1.000 = € 6.600 2. € 6.600 : gebruiksduur = € 6.600 : 6 = € 1.100

Of

€ 7.600-6 € 1.000 = € 1.100

PRINT IT a

Het bedrijf Print it koopt een printer voor € 1.600. Het bedrijf verwacht hier 4 jaar mee te kunnen printen en de printer dan te verkopen voor € 200. Wat zijn de afschrijvingskasten per jaar van deze printer? Schrijf je berekening op. afschrijving = _ ..._ ...._... _ ...._ ....______ ····_····_···_ ····_···_ ····_···_ ···_····_·· -

b

Bij een printer heb je ook inkt en papier nodig. Dit zijn vaste

I

variabele kosten .


·---"",;

I!

1;

!

I! l:

~ .J,

~~~ . 1

----ll':-

\:~i ei r-à rl·-·:: "t:'lr'' I ,........:: I i~ c;-;;~~ r::L r·'j r~ [;,) ,:r:--·-. \~ ':/ //. ,: ••~\ .•, . ' ~. -· ï .; \ ·l ·l •--~~ ~-" (:·i ~:' ~- - _. --~ :cJ u;•• "-- '·--· ·-~

'F j L:- ' t!i._. "' .::,;;., _;>?,.• ~-· f.t! .. ·'

;<l)

,,__ ,

.. ,,

• ·'

__:.-·--~.i-. . . . .. .-. . . .-------···--------·-.. · ·----... -----··--------··-··-·-·--···_..... _.. _,. _______ . _________~--····-····-. ----------------

3

·'

-~-

AFSCHRIJVINGEN BEREKENEN Vul de ontbrekende getallen in. Aanschafwaarde

€ 12.000

*4

..,.

l .

€ €

1.600 640 1.600

i

IRestwaarde € 4.000 € 200 1€ 1€

Afschrijving per jaar

Gebruiksduur

€ €

8 jaar 4 jaar

0

14 jaar

800

6 jaar

1€ 1€

EIGEN BEDRIJFSIDEE

a

In 3.2 heb je bij opdracht 7 een bedrijfsidee bedacht. In deze opdracht ga je hiermee verder. Wat moet je allemaal kopen voor jouw bedrijf?

b

Wa t zijn de vast e kosten van jouw bedri jf?

c

Wat zijn de variabele kosten van jouw bedrijf?

5

PETTEN TE KOOP Bart en Miranda zijn samen een winkel in petjes begonnen. Zij verkopen alle petjes voor dezelfde prijs. Over dit jaar heeft Bart deze cijfers verzameld:

Ipersoneelskosten Ihuur winkelpand [elektriciteitskosten

Iverkoopkosten

l a b

c

inkoopbedrag petjes

--------

1€ 40.000 1€ 12.800 J€ 2.500 I€ 4.100 ! !I € 165.330 I

Oe verkoopprijs per petje is € 9,90. Kleur alle vaste kosten rood. Kleur alle variabele kosten blauw. Wat zijn de totale kosten? :.....: € 19.400 € 59.400 ····::·.:·.·-~ € 224.730 ;'"": € 356.400

_ _-I I I

I

iI

I

II I

--~

1


6

PANNENKOEKEN BAKKEN

b

Op Koninginnedag willen jullie pannenkoeken gaan verkopen. Voor 16 pannenkoeken heb je nodig: 500 gram bloem, 5 eieren, 1 liter melk, 1 pakje boter. Jullie denken 160 pannenkoeken te verkopen. Vul het boodschappenlijstje hiernaast in. Wat zijn de totale kosten voor de pannenkoeken?

c

Wat kost 1 pannenkoek?

a

bNtl5ciuffl n 'i)l\Kt:ln Hc·óY) (c;cc•y 'a~) 'tt .f.. L\' ~~~... 1\,.i{k_ ~\i:..C.! _e.lt\r- 1 "1(dct-Sj~':v"' IC ) ~tl.l':i tl%:j{l) koter.

ba-ef4.r:,L·t ~~r

t\-€. 1: " <t .:f:: ~.

- -----------··--·"..-· d

7

Jullie willen ook wat verdienen op de pannenkoek. Welke prijs ga je voor de pannenkoek vragen?

BEDRIJFSAUTO Je wilt een bedrijf starten en je hebt hiervoor een bestelwagen nodig. Je verwacht per jaar 25.000 km te rijden. Je vindt twee bestelauto's geschikt. ~--._

,.

~

'

.-

'

~~

_l::':l ~' ~-

<I'

lfl r"l

,,,_,.

Kosten

Citroën

Peugeot

verbruik !liter per 100 km)

4,1

4,3

aanschafwaarde

€ 11.000

€ 9.500

verkoopwaarde na 7 jaar

€ 2.000

3.000

a

In dit schema staan niet alle kosten die je hebt als je een auto bezit. Welke kosten heb je ook nog als je een bedrijfsauto aanschaft?

b

Wat zijn de afschrijvingskasten per auto per jaar? Laat je berekening zien.

Citroën afschrijving= ......................... ............... .

Peugeot afschrijving = ...................... _.. ................. ::

-· ·~·· ··· · ·· ··· ·· ··········· ······ ···· ···· ·


Als je een bedrijf hebt is het belangrijk dat je weet hoeveel kosten je hebt en hoeveel geld je verdient. Als je het aantal verkochte producten telt, heb je de afzet van je bedrijf. Oe omzet is de waarde van de afzet. Je berekent de omzet door het aantal verkochte producten te vermenigvuldigen met de verkoopprijs .

........ ~ .......

Maar ... de omzet is niet het bedrag dat je hebt verdiend . Want je maakt ook allerlei kosten. Je moet producten inkopen om je eigen producten te kunnen maken, en je moet bijvoorbeeld salarissen en huur betalen. Als je van de omzet je kosten afhaalt, houd je de winst over.

gedurende de maand worden er producten verkocht

.... ~·····

afzet = aantal verkochte producten

=omzet • kosten

omzet = afzet x verkoopprijs

........ ~.. •. ..... • kosten worden betaald: huur water, elektriciteit etc. ~-

-':"--

1

aan het einde van de maand is er een bedrag in de kassa

"1-,E.:..hS.

!l

BEGRIPPEN Trek lijntjes tussen de begrippen en de omschrijvingen die bij elkaar horen.

2

afzet

het aantal verkochte producten keer de verkoopprijs

omzet

het aantal verkochte producten

kosten

omzet min alle kosten

winst

het aantal verkochte producten keer de inkoopprijs

KRANTENKOPPEN Deze zinnen stonden in de krant. Gaat het om afzet of omzet? --

_., ___ -----

- . -- -·--

.

. -- -·

. ----·--------------·--- . ·-- - .. -·-- _ . , een fietsenwinkel verkoopt op een dag vier bakfietsen

---·--------------- -

- .- --

................................ .. '! __ -

___ ......... --.,IAfzet

......................... - .

-~-

---,-------- ..... \ Omzet

J --

-----·---·-·--.. - ............................................... - - ---- ---·--·-·--·----·---------------·----·---1--·---------- --· ---· de schoolkantine heeft aan het eind van de pauze € 130 in de kassa \

. . ______________ --··-· .----------------------------·----·- ------------·--··--·-·-·'----------------·------·------------·------ I \dit jaar is voor € 318 miljoen verkocht bij de grootste online winkel J I

'-·---·--------------- -. ..................._ ...............- ......... ----- - ----·- ..... -..................... -·----·-·-·----------------------·----·--- ..... ,

·d·~-~~-~~-~-~tie 2 hal~~-~--~-~-l~-~ -~~~~--~-~--~~~~-:.~er po~~~g-~-~~~rk~~~-~L .............__________ J. . ---------·-·--___ . . ..

1.


I r; I ~

3 a

NOOTJESWINKEL Een nootjeswinkel verkoopt op een dag 100 zakjes pelpinda 's tegen een prijs van € 2. De kosten per dag zijn voor de winkel € 50. Vul de woorden in: afzet- omzet- winst

100 zakjes

= .... ..... ... ........... ......................

X verkoopprijs

= .............................................. kosten

b

Vul de bedragen in .

100 x € ...................................-..... = ..............................................

c

Wat is de afzet?

d

Wat is de omzet?

e

Wat is de winst?

4

REKENWERK Vul de tabel verder in.

,


-; ..

J 5 a

SPIJKERBROEKEN EN TRUIEN Maria heeft een marktkraam met kleding. Op een dag verkoopt ze 10 spijkerbroeken voor € 60 per stuk. Ook verkoopt ze 20 truien voor € 25 per stuk . De truien had ze gekocht voor € 10 per stuk . De overige kosten waren die dag € 200 . Wat is de afzet? spijkerbroeken : ..................._.......... ..... -·-·~-............. . . .......... .. .................... ........ _____ ..................................................................... .. truien: ............... .............

b

Wat is omzet? Laat je berekening zien . spijkerbroeken : ........ ..........- .................... ..... .. ... ..................... ......................................_ .._ ...................................................-....... . truien: ...................- ......... .............. ·--·...............................................-................................................................. _ ....._.. .. .....................

c

6 a

totaal : ................. ......................... .............. ....... _........~-.. ................................ ................. ........ .. Wat is de winst?

SCHOOLACTIEDAG Er is een schoolactie voor een goed doel. Bedenk met een groepje een actie waar je veel geld mee ophaalt voor een goed doel. Welke actie gaan jullie uitvoeren?

b

Hoeveel geld verwachten jullie te verdienen voor het goede doel? Gebruik in je berekeningen de begrippen: afzet, kosten, omzet, winst.

c

Presenteer je plan in een korte presentatie met Powerpoint of Prezi of op een groot vel papier.

7

COCA-COLA

g de omzet en

winst stijgen f .elo en jaar

Coca-Co1aCoca-Co za 1a bli)'ft toenemen. eide A g pk. ster m

De omzet van et met 17%. De omzet gr? ls China, India groeide de om~ grote economische gro:~: De voorzitter landen met ee werd minder in Amenk .. dat AmeriB "lië maar 'W mer en en razl Cola Company zegt: e ondheid letten en van Cocameer op hun gez kaanse consume~ten , . minder frisdrank kopen. Bron: ANP

a

De totale omzet van Coca-Cola is gestegen. Waardoor is de omzet gestegen?

b

De omzet in Amerika nam afgelopen jaar af. Waarom is de omzet in Amerika gedaald?

-


· 00 D 1' K J.

c

8

B AS

[

Wat zou jij Coca-Cola adviseren? Denk bij het antwoord aan de vier P's van het marketing plan.

APP'S Nederlandse app-ontwikkelaars verdienen vaak weinig geld met de verkoop van app's. Zij verdienen vooral geld met het bedenken van een goede app voor een bedrijf. Zo'n bedrijfbetaalt veel geld voor het maken van een app en een goed advies waardoor ze makkelijk te vinden zijn op mobiel internet.

a

Wat kun je volgens het kantenartikel het beste doen als je geld wilt verdienen aan app's: app's bouwen of app's verkopen?

b

Het Finse bedrijf Rovio bedacht het spelletje Angry Birds. Een koper betaalt € 0,79 per spel. Hiermee verdiende het bedrijf in 1 jaar tijd 15 miljoen euro. Hoeveel spelletjes heeft Rovio in dat jaar verkocht? Laat de berekening zien.

c

Is dit de afzet of de omzet?

9

KIMS SIERADEN

a

Kim maakt zelf sieraden. Zij verkoopt die via internet . Haar omzet was vorig jaar € 260. Dit jaar is haar omzet gestegen met 8%. Hoeveel is haar omzet dit jaar gestegen in euro's? Schrijf je berekening op.

b

Vorig jaar waren de kosten € 45. Dit jaar waren de kosten 20% hoger. Hoeveel euro zijn de kosten dit jaar hoger? Schrijf je berekening op . ................ ············-·---~-

c

.... ............................ ~

...............

········--··· _____ " .......................

_,,_,,_

·-· ..............

.............

---~---

·-· ...

_.

................•... •····

~

...

.. ······· --·· __...,,,.......... ..

Wat is de winst dit jaar?

····· · ····-········-··-··········-·-·······~···-···

.............

--

--~-····"''''''''

..

... ···-···· ... ·-······-··-··· ··· -···············-·

----···············"''''"'''''''''''

.... -····

................................... _ .


1"1

~-]

··.t· !~-~

'

+' --·-·------·-·--·--------.:....----

1Q

IKEA Omzet van lkea in miljarden euro's 1999

7,6

2005

4,8

2006

17,3

2007

19,8

2008 2009 2010

23,1

a

Met welk bedrag is de omzet sinds 1999 toegenomen?

b

De toename van 2007 naar 2008 was 1,4 miljard. De toename van 2008 naar 2009 was 0,3 miljard. Vul de tabel verder in .

11

KOPJES KOFFIE VERKOPEN

a

Een koffiekraam verkoopt op donderdag 200 kopjes koffie ter waarde van € 1,75. De inkoopkosten zijn per kopje € 0, 15. De kosten van de kraam zijn € 250 per dag. Wat is de afzet?

b

Wat is de omzet?

c

Bereken de totale winst op donderdag.

d

Op maandag verkoopt de koffiekraam 1 DO kopjes koffie. Wat is de winst op maandag? Laat je berekening zien.


I

r· CèJ@~l2l~'ff'lg)~JK ~., R~G6n!:iJU:J !!:3.%m;~~

II I

I

f::;;~~":":::~-:-_:;:-:

ij

%l'u

li,_~,_=.:",."=

---.. ..--------··---·----·---------·--·-------·-4-·-·---------·--··---··-·-·---·--·-·----··-!.·-···----·--

Een bedrijf starten begint met een goed plan. In deze Uitdaging stel je een ondernemingsplan op.

STAP 1

BEDRIJFSIDEE GOED UITLEGGEN Wat was het bedrijfsidee dat je in opdr9cht 7 van 3.2 hebt bedacht?

Voor deze opdracht is het belangrijk dat je het idee simpel houdt. Laat je bedrijfsidee aan je docent zien.

STAP 2

MARKETINGPLAN Omschrijf de vier P's van het marketingplan. Gebruik de antwoorden van opdracht 7 van 3.2 en opdracht 5 van 3.3. Product: Wat is het product dat je gaat leveren? Plaats: Waar ga je je product verkopen? Promotie: Hoe ga je je bedrijf promoten? Prijs: Welke prijs vrapg je voor je product?

STAP 3

MAAK EEN POSTER Maak een poster van je bedrijfsidee. Deel je poster in vier vakken. Niet elk vak hoeft even groot te zijn. In elk vak beschrijf je een van de vier P's. Maak je poster ook aantrekkelijk! Dus plak er passende plaatjes bij.

Checklist voor je poster

i l Is het duidelijk wat je gaat verkopen (productbeleid]?

i !

Is het duidelijk voor welke prijs je het gaat verkopen (prijsbeleid]?

[ ~i Is het duidelijk waar je het gaat verkopen (plaatsbeleid]? 1

i Is het duidelijk hoe je je bedrijf gaat promoten (promotiebeleid]?


BEGRIPPENLIJST 3.1 JIJ BENT DE BAAS!

arbeidsmotieven

Redenen om te werken. 1. economische motieven [inkomen of winst! 2. sociale motieven 3. persoonlijke ontwikkeling

éJrbeidsovereenkonesï

Arbeidscontract.

arbeidsvoorwaan:!en

Afspraken tussen werkgever en werknemer over werk.

CAO

Collectieve Arbeidsavereen komst. Arbeidsvoorwaarden die voor een groep mensen van eenzelfde soort bedrijf van toepassing zijn.

onderner;ner

Eigenaar van een bedrijf.

3.2 BEDRIJFSIDEE

·financieel deel

Onderdeel van een ondernemingsplan waarin staat hoe een bedrijf gefinancierd wordt. Alle activiteiten die een bedrijf doet om zijn verkoop te bevorderen. Onderdeel van een ondernemingsplan waarin staat wat er zo speciaal is aan het product. De vier P's : product, prijs, plaats en promotie. Hierin omschrijft een ondernemer hoe hij zijn bedrijf wil opzetten . Het bestaat uit een marketingdeel en een financieel deel.

•J'.


IN DIT HOOFDSTUK HEB JE GELEERD

0

wat een arbeidsovereenkomst is

0 wat de belangrijkste verschillen zijn tussen ondernemer en werknemer

0 hoe je afzet, omzet en winst berekent

0 0 0 0

hoe je afschrijvingskasten berekent wat de vier P's van het marketingplan zijn rekenen met btw het verschil in vaste en variabele kosten

3.3 WAT KOST HET? afschrijving

Het minder waard worden van een duurzaam productiemiddel.

bedrijfskosten

Kosten die een bedrijf maakt. Bijvoorbeeld loon en huur.

investeringen

Bezittingen van een bedrijf die langere tijd meegaan.

variabele kosten

Kosten die veranderen als de productieomvang verandert.

vaste kosten

Kosten die niet veranderen als de productieomvang verandert.

3.4 WAT LEVERT HET OP? afzet

Het aantal verkochte producten.

kosten

De waarde van ingekochte producten. Bijvoorbeeld: huurkosten, verzekeringskosten, personeelskosten.

omzet

De opbrengst van het aantal verkochte producten: afzet keer de verkoopprijs.

winst

Omzet min alle kosten .

WWW.200PROCENT-ONLINE.NL Vul het woordweb over dit hoofdstuk in op www.200procent-online.nl

KEN JE ALLE BEGRIPPEN!

ga naar www.200procent-onUne.nl en doe de begrippentrainer


AANTEICENINGENf


AANTEICENINGEN


AANIEICENINGEN- -


AANIERENINGEN

t


• t

J

\

\

)

.'


Les eigen bedrijf Handel - Economie