Page 1


tekst

text

ELZE BRUYNINX, WILFRIED VAN DAMME vormgeving

lay out

ANNICK BLOMMAERT druk & fotogravure

printing & lithography

SNOECK-DUCAJU & ZOON foto-opnamen

photographs

GUSTAAF TOCH (Universiteit Gent kaarten

University of Ghent)

maps

PIET VAUTERIN Engelse vertaling

English translation

ALGER D. BUAT, WILFRIED VAN DAMME

Gent, 1997 D/1997/0012/6 ISBN 90-5349-240-2

© Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toelating van de uitgever. Elke reproduktie door middel van fotokopie, microfilm, magneetband, plaat, of op enige andere manier staat gelijk met namaak en is wettelijk strafbaar.

No part of the text or illustrations may be reproduced without written permission of the publisher. Any reproduction by any means including photocopy, photography, microfilming, taping, recording or otherwise is an offence liable to be punished by law.


DE ETNOGRAFISCHE VERZAMELINGEN VAN DE UNIVERSITEIT GENT

OCEANIË OCEANIA THE ETHNOGRAPHIC COLLECTIONS OF THE UNIVERSITY OF GHENT

ELZE BRUTNINX WlLFRIED VAN DAMME

SNOECK-DUCAJU


INHOUDSOPGAVE Contents Woord vooraf Preface

8

Inleiding Introduction

10

Melanesië Melanesia

17

Micronesië Micronesia

98

Polynesië Polynesia

106

Literatuurverwijzingen References

109


Woord vooraf

Preface

De Etnografische Verzamelingen van de Universi-

The Ethnographic Collections of the University of

teit Gent omvatten zo’n vierduizend voorwerpen

Ghent comprise some four thousand objects from

uit niet-westerse culturen, die vanaf 1825 tot op

non-Western cultures, assembled between 1825 and

heden werden samengebracht. De meest omvang-

the present day. The most extensive collections consist

rijke collecties bestaan uit objecten die afkomstig

of objects originating from Africa, Oceania, and the

zijn uit Afrika, Oceanië en Amerika. Het ligt in

Americas. Our aim is to make these three collections

de bedoeling deze drie verzamelingen via afzon-

more widely-known, by way of separate publications,

derlijke publicaties onder de aandacht te brengen

to members of the international scholarly community

van de internationale wetenschappelijke gemeen-

as well as to the broader general public.

schap en het grote publiek.

The present catalogue marks the beginning of this

Deze catalogus maakt hiermee een begin door een

effort, presenting a selection from the group of

selectie voor te stellen uit de ongeveer vierhonderd

around four hundred objects that go to form the

voorwerpen die de verzameling Oceanië vormen.

Oceania collection. The scholarly study of this collec-

De wetenschappelijke bestudering van deze ver-

tion was made possible in part thanks to support

zameling werd deels mogelijk gemaakt door de

from the Special Research Fund of Ghent University,

ondersteuning van het Bijzonder Onderzoeks-

which in the 1991-92 academic year underwrote a

fonds van de Universiteit Gent, dat voor het aca-

research project of the Section of Ethnic Art, whose

demiejaar 1991-92 een onderzoeksproject toe-

province includes the Ethnographic Collections.

kende aan de afdeling Etnische kunst, waaronder

The publication of this catalogue, which also signals

de Etnografische Verzamelingen ressorteren.

the 50th anniversary of the training specialty in Eth-

De publicatie van de voorliggende catalogus, een

nic Art at Ghent University, would not have been

uitgave waarmee de opleiding Etnische kunst her-

possible without the generous financial support of the

denkt dat zij 50 jaar geleden officieel aan de

Department of Art Studies, the Faculty of Letters

Gentse universiteit werd opgericht, zou niet

and Philosophy and the Rectoraat of Ghent Univer-

mogelijk zijn geweest zonder de welwillende

sity, as well as the efforts of Snoeck-Ducaju & Zoon

financiële bijdragen van de Vakgroep Kunst-,

Publishers, Ghent. Our sincere thanks to all those

Muziek- en Theaterwetenschappen, de Faculteit

concerned.

Letteren en Wijsbegeerte en het Rectoraat van de

We also acknowledge a considerable debt of gratitude

Universiteit Gent, alsook de inspanningen van

to Dirk Smidt, curator of the Oceania department of

uitgeverij Snoeck-Ducaju & Zoon te Gent. Een

the Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden,

woord van dank komt alle betrokkenen toe.

who during a visit to our University in November

Tevens betuigen wij onze oprechte erkentelijkheid

1992 gave us the benefit of his great knowledge of

aan Dirk Smidt, conservator van de afdeling

Melanesian art with regard to the identification and

Oceanië in het Rijksmuseum voor Volkenkunde

interpretation of a number of the objects presented

te Leiden, die in november 1992 enkele dagen te

here. Our thanks also go to Dr Anton Ervynck

gast was aan de Universiteit Gent en zijn ruime

(lnstituut voor het Archeologisch Patrimonium,

8


kennis van de Melanesische kunst aanwendde om de nodige raadgevingen te verstrekken bij de identificatie en interpretatie van een aantal van de hier besproken voorwerpen. Onze dank gaat tevens uit naar dr Anton Ervynck (Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, Brussel) en dr An Lentacker en dr Wim Van Neer (beiden verbonden aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren) die instonden voor de determinatie van enkele voorwerpen in tand en been uit de Etnografische Verzamelingen, alsook

Brussels), and to Dr An Lentacker and Dr Wim Van Neer (both attached to the Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren), who were responsible for the determination of several objects in tooth and bone from the Ethnographic Collections, as well as to Piet Vauterin for the cartography reproduced in this publication. A special word of thanks goes to Gustaaf Toch, photographer of the Faculty of Letters and Philosophy, for his considerable care and craft in the making of the photographs of the objects illustrated here

naar Piet Vauterin die de geografische kaarten verzorgde. Een bijzonder woord van dank komt toe aan Gustaaf Toch, fotograaf van de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, voor het vakmanschap waarmee hij de opnames van de hier afgebeelde voorwerpen verzorgde.

9


Inleiding

Introduction

Het merendeel van de voorwerpen die zich heden

The majority of objects now forming the Oceania

ten dage in de collectie Oceanië van de Etno-

Collection of Ghent University’s Ethnographic Col-

grafische Verzamelingen van de Universiteit Gent

lections were acquired in 1905 by Prof. Dr C. De

bevinden, werd in 1905 door Prof. Dr C. De

Bruyne for the then Institut de Biogéographie of

Bruyne verworven voor het toenmalige Institut de

Ghent University. Together with a series of naturalia,

Biogéographie van de Gentse universiteit. Samen

he purchased these objects, which were “doubles",

met een reeks naturalia, kocht hij de objecten als

from the Museum für Völkerkunde in Berlin. Most

„dubbels” van het Museum für Völkerkunde te Ber-

of these had formed part of the Fr. Hernsheim

lijn. De meeste voorwerpen maakten daar deel uit

Sammlung, named after the German merchant

van de Fr. Hernsheim Sammlung, genoemd naar

Franz Hernsheim (1845-1909), who resided on the

de Duitse handelaar Franz Hernsheim (1845-

Marshall Islands in Micronesia between 1875 and

1909) die tussen 1875 en 1880 op de Marshall-

1880. During that period, Hernsheim functioned as

eilanden in Micronesië verbleef. Hernsheim fun-

German Consul for the Marshall Islands and two

geerde tevens als eerste Duitse consul voor de

other Micronesian archipelagoes, namely the Caroli-

Marshall-eilanden en twee andere Micronesische

nes and the Kingsmill Islands (later the Gilbert

archipels, te weten de Carolinen en de Kingsmill-

Islands, now named Kiribati). Other pieces originate

eilanden (de latere Gilbert-eilanden, thans Kiri-

from collections built up between 1885 and 1903 by

bati genaamd). Andere stukken bevonden zich in

the Neu Guinea Compagnie, a German trading

de verzamelingen die tussen 1885 en 1903 werden

firm that was active in “Kaiser-Wilhelmsland”, the

aangelegd door de Neu Guinea Compagnie, een

former German New Guinea that encompassed the

Duitse handelsfirma die werkzaam was in „Kaiser-

northeast of the island.

Wilhelmsland”, het voormalige Duits Nieuw-

Oceania is traditionally subdivided into four areas:

Guinea, dat het noordoosten van het eiland

Australia, Melanesia, Micronesia, and Polynesia

omvatte.

(map 1, p. 6-7). Melanesia is located in the south-

Oceanië wordt traditioneel onderverdeeld in vier

west of the Pacific Ocean, and consists largely of

gebieden: Australië, Melanesië, Micronesië en

mountainous islands with tropical climates. Both the

Polynesië (kaart 1, p. 6-7). Melanesië is te situeren

deep-green vegetation of the islands and the dark

in het zuidwesten van de Stille Oceaan en bestaat

skin colour of the inhabitants would have con-

grotendeels uit bergachtige eilanden, die worden

tributed to the appellation Melanesia: the realm of

gekenmerkt door een tropisch klimaat. Zowel de

“the black islands”. In the west, the area contains the

diepgroene vegetatie van de eilanden als de don-

sizeable island New Guinea, in the ,north the Bis-

kere huidskleur van de bewoners zouden aanlei-

marck Archipelago, in the east the Solomon and

ding hebben gegeven tot de naam Melanesië: het

Santa Cruz Islands, and in the southeast Vanuatu

rijk van de „zwarte eilanden”. In het westen omvat

(formerly New Hebrides) and New Caledonia

het gebied het omvangrijke eiland Nieuw-Guinea,

(map 2, p. 14-15).

in het noorden de Bismarck-archipel, in het oos-

The more easterly situated Fiji Islands, their popula-

10


ten de Salomons- en Santa Cruz-eilanden, en in

tion and culture, are usually regarded as a transition

het zuidoosten Vanuatu (de voormalige Nieuwe

zone between Melanesia and Polynesia. By the name

Hebriden) en Nieuw-Caledonië (kaart 2, p. 14-

Polynesia, one refers to the islands and archipelagoes

15).

that are found within the imaginary triangle formed

De meer oostelijk gelegen Fiji-eilanden en hun

by Hawaii to the north, New Zealand to the south-

bevolking en cultuur worden doorgaans

west, and Easter Island to the southeast (map 4,

beschouwd als een overgangszone tussen Melane-

p. 104-105). The approximately thousand islands in

sië en Polynesië. Met de benaming Polynesië ver-

this area - the “many islands” that gave Polynesia its

wijst men naar de eilanden en archipels die ruw-

name - are mostly of volcanic origin.

weg gelegen zijn tussen de denkbeeldige driehoek

Finally, the thousands of "small islands” of Microne-

die wordt gevormd door Hawaï in het noorden,

sia are situated in the northwest Pacific Ocean

Nieuw-Zeeland in het zuidwesten en Paaseiland

(map 3, p. 98-99). These are mainly atolls, popula-

in het zuidoosten (kaart 4, p. 104-105). De onge-

ted by groups who show more similarities to Polyne-

veer duizend eilanden in dit gebied - de „vele

sia than to Melanesia.

eilanden” die Polynesië haar naam gaven - zijn

The objects illustrated in this catalogue testify to the

meestal vulkanisch van oorsprong.

great diversity of plant and animal material that is

De duizenden „kleine eilanden” van Micronesië,

incorporated in the material culture of the various

ten slotte, zijn te situeren in het noordwesten van

Oceanic areas: wood, coconut, fibre, fruits, shell, fea-

de Stille Oceaan (kaart 3, p. 98-99). Het betreft

thers, horn and bone. With the exception of the

hier in hoofdzaak atollen, bewoond door bevol-

northwest of New Guinea, metal was unknown in

kingsgroepen die eerder verwantschap vertonen

the traditional cultures of Oceania. This implies that

met Polynesië dan met Melanesië.

prior to European presence, native populations did

De voorwerpen die in deze catalogus zijn afge-

not have the use of bronze or iron tools. The masks,

beeld tonen de grote verscheidenheid aan plant-

statues and various forms of decorative art were

aardige en dierlijke materialen die in de diverse

fabricated using stone tools or implements made of

gebieden van Oceanië in de materiële cultuur

shell, animal tooth or other organic materials. The

worden verwerkt, zoals hout, kokosnoot, vezels,

ever-growing contacts with the West meant that from

vruchten, schelp, veren, hoorn en been. Met uit-

the middle of the 19th century, tools of iron began to

zondering van het noordwesten van Nieuw-Gui-

make their entry into the cultures of Oceania via

nea, was metaal in de traditionele culturen van

trade, as means of payment or as gifts.

Oceanië onbekend. Dit houdt in dat de bevolking

The motifs that are applied to the objects are in

voor de komst van Europeanen geen gebruik kon

openwork, or grooved or carved in relief, and may be

maken van bronzen of ijzeren gereedschap. De

of geometric or figurative design. In the latter case,

maskers, beelden en diverse vormen van sierkunst

these may be anthropomorphic or zoomorphic, or a

werden dan ook vervaardigd met behulp van ste-

combination of the two. The objects may be monoch-

nen werktuigen of gereedschap gemaakt van

romatic or painted in polychromy, in which case the

schelp, dierentanden of andere organische mate-

pallet is generally limited to three colours: black,

rialen. De steeds veelvuldiger contacten met het

white and brown-red. The pigments employed are for

11


Westen hebben er vanaf het midden van de

the most part preparations of mineral and plant ori-

negentiende eeuw voor gezorgd dat ijzeren gereed-

gin.

schap via ruil, als betaalmiddel of als geschenk zijn

Concerning the use, function and meaning of the

intrede heeft gedaan in de culturen van Oceanië.

objects within the culture of origin, there is often but

De op de voorwerpen aangebrachte motieven zijn

little information available. In the case of some

ajour uitgewerkt, ingegroefd of in reliëf gesneden,

objects we know next to nothing, for the simple rea-

en kunnen eerder geometrisch of veeleer figuratief

son that the relevant data were never noted down,

zijn opgevat. In het laatste geval gaat het om

and that in the meantime the local material culture

zowel antropomorfe als zoömorfe voorstellingen

has undergone an extensive change of character or

of om een combinatie van beide. De voorwerpen

even disappeared.

vertonen een monochrome beschildering of zijn

In any case, relationships with the ancestors appear

polychroom uitgewerkt, waarbij het schilderspallet

to have served as an important source of inspiration

meestal beperkt is tot een drietal kleuren: zwart,

in the making of objects. In this way, some sculptures

wit en bruinrood. De aangewende verfsoorten zijn

symbolized contact with the deceased, so that these

voor het merendeel bereid op basis van minerale

ancestors might lend their support and protection to

en plantaardige grondstoffen.

their descendants (see, for example, cat. 1, 40). In

Over het gebruik, de functie en de betekenis van

other ways as well, the desire for prosperity and the

de voorwerpen binnen de cultuur van oorsprong

warding off of calamity led to objects’ creation (for

zijn vaak weinig gegevens voorhanden. In som-

example, cat. 8, 13, 33).

mige gevallen is hierover zelfs zo goed als niets

The support of the ancestors was called upon, for

bekend, om de eenvoudige reden dat de vereiste

example, in times of war and conflict (cat. 67). War-

gegevens destijds nooit werden genoteerd en de

waging also lay at the basis of the manufacture of

plaatselijke materiële cultuur ondertussen sterk

objects such as shields, clubs, swords and other wea-

van karakter is veranderd of zelfs verdwenen.

pons illustrated here. Peaceful contacts between popu-

De relatie met de voorouders blijkt in ieder geval

lation groups, on the other hand, are borne witness to

een belangrijke inspiratiebron te zijn geweest voor

in objects exemplary of the great importance attached

het vervaardigen van voorwerpen. Zo symboliseer-

to commerce and other forms of exchange, as concerns

den sommige sculpturen het contact met de over-

both raw materials (cat. 2, 53) and finished goods

ledenen, die hun nazaten steun en bescherming

(for example, cat. 29, 30, 67).

verleenden (zie bijv. cat. 1, 40). Het verlangen

A number of quite varied forms of material culture

naar voorspoed en het afweren van onheil leidde

served to ornament the human body. In many cases,

ook anderszins tot het creëren van objecten (bijv.

however, this is not purely a matter of decoration,

cat. 8, 13, 33).

seeing that objects may, for example, also serve to

De steun van de voorouders werd onder meer

indicate the social status of the wearer (cat. 22-24,

aangewend ten tijde van oorlog en strijd (cat. 67).

53), or fulfill a role during important events in the

De oorlogsvoering vormde ook de voedingsbodem

cycle of life, such as marriage (cat. 4, 29).

voor de vervaardiging van hier afgebeelde voor-

Objects of practical use, too, often display decoration

werpen als schilden, knotsen, zwaarden en andere

of a figurative or geometric nature, perhaps so provi-

wapens. Van vreedzame contacten tussen bevol-

ding a supplementary meaning. Included among the

kingsgroepen getuigen objecten die wijzen op het

decorated objects are several items that were used in

grote belang van handel en andere vormen van

relation to the widespread Melanesian practice of

uitwisseling, zowel wat grondstoffen (cat. 2, 53)

betel-chewing (cat. 30, 39, 71).

12


als wat afgewerkte producten betreft (bijv. cat. 29,

Although the available information leaves much to

30, 67).

be desired, we have attempted in the present catalo-

Een groot aantal uiteenlopende vormen van mate-

gue to comment upon some eighty objects drawn

riële cultuur deed dienst als versiering van het

from the Ghent Ethnographic Collections, based on

menselijke lichaam. In veel gevallen gaat het ech-

information from the existing ethnographic litera-

ter niet om louter decoratie, aangezien de voor-

ture. In this way we have endeavoured not only to

werpen bijvoorbeeld tevens de sociale status van

sketch a picture of the variation of materials, forms

de drager konden aangeven (cat. 22-24, 53) of een

and styles found in the material culture of Oceania,

rol vervulden tijdens belangrijke momenten uit de

but also to offer an impression of the diverse contexts

levenscyclus, zoals het huwelijk (cat. 4, 29).

wherein such objects served, and which both drew on

Ook gebruiksvoorwerpen vertonen vaak een figu-

these objects ’ meaning and conferred meaning to

ratieve of geometrische decoratie, al dan niet voor-

them.

zien van een bijkomende betekenis. Tot de versierde gebruiksvoorwerpen behoren onder meer objecten die dienst deden bij het in Melanesië wijdverspreide gebruik van het betelkauwen (cat. 30, 39,71). Hoewel de beschikbare informatie vaak te wensen overlaat, wordt in de voorliggende catalogus een poging ondernomen om een tachtigtal voorwerpen uit de Gentse Etnografische Verzamelingen toe te lichten aan de hand van de bestaande etnografische literatuur. Op deze wijze wordt niet alleen getracht een beeld te schetsen van de variatie aan grondstoffen, vormen en stijlen in de materiële cultuur van Oceanië, maar wordt ook een poging ondernomen om een indruk te geven van de uiteenlopende contexten waarin de voorwerpen dienst deden en waaraan zij hun betekenis verleenden en ontleenden.*

* Voor meer informatie over de uiteenlopende kunstvormen in Oceanië,

* For more information on Oceania's diversity of art forms, as well as their

alsmede hun gevarieerde gebruik, functie en betekenis, wordt de lezer ver-

varied me, function and meaning, the reader is referred to recent survey works

wezen naar recente overzichtswerken als A.L. Kaeppler, Ch. Kaufmann & D.

such as the following: A.L. Kaeppler, Ch. Kaufmann &D. Newton, L’art

Newton. L'art Océanie (Paris: Citadcllcs & Maze nod, 1993). A.C.

Océanien (Paris: Citadelles &Mazenod, 1993), A.C. Moore, Arts in the

Moore, Arts in the Regions of the Pacific (London. New York: Pinter. 1995)

Religions of the Pacific (London, New York: Pinter, 1995) and N. Thomas,

en N. Thomas, Oceanic Art (London; Thames and Hudson. 1995).

Oceanic Art (London: Thames and Hudson, 1995).

13


1. Korwar-amulet Nieuw-Guinea, Teluk Cenderawasih (Geelvinkbaai) H. 19,5 cm (geheel); 8,8 cm (figuur) B. 2,7 cm Hout Inv. nr GE 80.514.1

De figuratieve bekroning van deze amulet is gesculpteerd in de stijl van de korwar-figuren uit Teluk Cenderawasih (Geelvinkbaai) in het noordwesten van NieuwGuinea. Evenals deze figuren, verwezen dergelijke amuletten naar de voorouders. De voorwerpen, die rond de hals of in de nek werden gedragen, hielden verband met het geloof in de macht en de bereidheid van de overledenen om hun nakomelingen op aarde bij te staan en te beschermen. De amuletten werden meer bepaald gedragen om zich verzekerd te weten van nanek, de krachtige zegen van de voorouders. De antropomorfe voorstelling bekroont een onderaan gepunt en cilindervormig gedeelte, dat wel werd geĂŻnterpreteerd als een verbinding tussen hemel en aarde (een zogenoemde axis mundi) en dat de voorouders mogelijk in het middelpunt van het universum situeert. Zoals bij vele korwar-figuren, zien we een zittende figuur met opgetrokken benen, waarbij de handen van de geknikte armen min of meer op de knieĂŤn rusten. Kenmerkend voor de korwar-stijl is verder de proportioneel grote nadruk op het hoofd, dat hier een hoofddeksel draagt en waarvan vooral het aangezicht rechthoekig is uitgewerkt. De ogen zijn weergegeven door middel van een driehoekige inkeping, waarboven en waaronder een incisie werd aangebracht. De scherpe en rechte neus is aan de onderzijde pijlvormig uitgewerkt, waarbij de neusvleugels zich links en rechts voortzetten in een gekartelde rand. Ook de bovenzijde van het gelaat wordt afgeboord door een dergelijke rand, die enigszins boogvormig doorloopt aan de zijkanten van het hoofd en daarbij aan beide zijden wordt onderbroken door een halfcirkelvormig weergegeven oor. De punt van de neus valt over een horizontale band waarin aan de hand van fijne groeven de mond is aangeduid, die opgetrokken mondhoeken vertoont. WVD

The anthropomorphic figure that crowns this object is carved in the style of the korwar figures from Teluk Cenderawasih in northwest New Guinea. Objects such as this were worn around the neck in order to be assured of nanek, the powerful blessing of the ancestors. [wood]

Lit. Van Baaren 1968:24, 27; 1992:3*, 43

17


2. Schortje Nieuw-Guinea, Teluk Cenderawasih (Geelvinkbaai) H. 28,5 cm B. 28,5 cm Kralen, vezels Inv. nr GE 55.1.3 Gift 1955 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:23, fig.8

Het driehoekige schortje is vervaardigd uit rode, gele, witte, blauwe en groene glaskralen, die aan vezeltouwtjes werden geregen. De kralen zijn van eenzelfde formaat, met uitzondering van de exemplaren aan de bovenzijde van het object. Het geometrisch versierde schortje is afgeboord met franjes, die gevormd zijn uit de vezeldraden waaraan de kralen werden bevestigd. Aangezien glaskralen een importproduct waren, en daardoor relatief zeldzaam en waardevol, werd het bezit ervan als prestigeverhogend beschouwd. Zoals ook in de streek van de Humboldtbaai en het Sentanimeer, maakten kralen deel uit van de bruidsprijs. Daar men aan kralen bovendien bepaalde krachten toeschreef, werden ze tevens gebruikt ter versiering van ceremoniĂŤle objecten. Schortjes van kraalwerk werden dan ook gedragen tijdens rituele plechtigheden, en dit door zowel mannen als vrouwen. In Teluk Cenderawasih, formerly called Geelvinkbaai, skirts made of beads were worn by both men and women at ritual occasions. Beads were import products and -therefore-relatively rare and valuable. They were also often part of the bride-price. [beads, fibre]

18

EB Lit. Jaylor & Aragon 1991:276-7


3. Schortje Nieuw-Guinea, Teluk Cenderawasih (Geelvinkbaai) H. 55 cm B. 45,5 cm Glaskralen, vezels, katoen Inv. nr GE 55.1.1 Gift 1955

Het schortje is pentagonaal van vorm en vervaardigd uit kleurige glaskralen. De opbouw gebeurde van boven naar onder, vertrekkend van een dun en lang vezelsnoer, dat tevens dienst deed om het kledingstuk rond de lenden te binden. Het versieringspatroon kan ruwweg dambordvormig worden genoemd. Asymmetrische motiefjes brengen hierin afwisseling. De versiering is opgebouwd uit naar schatting meer dan 15.000 kraaltjes. Hierbij werden zes kleuren gebruikt. Witte en honingkleurige kralen dienen hoofdzakelijk voor de afbakening van de motieven. Roze en blauwe kralen - gaande van licht tot diep donkerblauw - vullen de kleine driehoekige velden. Groene exemplaren zijn in de minderheid en komen voornamelijk aan de bovenkant voor. In de rechter bovenhoek van het schortje werden zwarte, groene, koraalrode en enkele witte en blauwe kralen op een minder verzorgde wijze samengebracht, wat erop zou kunnen wijzen dat het

hier om een herstelling gaat. Onderaan is de schort afgewerkt met franjes van katoen. EB

The skirt is made of more than 15,000 beads in six different colours. At the bottom the object is finished with a cotton fringe. [beads, fibre, cotton]

19


4. Hoofdband Nieuw-Guinea, Teluk Cenderawasih (Geelvinkbaai) L. 62 cm B. 4,5 cm Glaskralen, vezels Inv. nr GE 55.1.4 Gift 1955 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:25, fig. 9

In Teluk Cenderawasih is het gebruikelijk dat het huwbare meisje gedurende één tot vier maanden in een daartoe ingerichte ruimte in de woning van de ouders wordt afgezonderd, Na verloop van tijd mag de toekomstige echtgenoot het meisje daar bezoeken. Wanneer deze periode van afzondering, die men insos noemt, is beëindigd, wordt het huwelijk als gesloten beschouwd. Bij het buitenkomen uit de woning draagt de bruid op haar hoofd een geweven band die versierd is met glaskralen. Het is niet uitgesloten dat het hier afgebeelde object deze functie vervulde. Het voorwerp bestaat uit geïmporteerde rode, witte, groene, blauwe, gele en zwarte glaskralen, die aan vezeltouwtjes werden geregen. De geometrische versiering is opgebouwd uit ruitvormige elementen. Waar de uiteinden van de band

20

werden samengevoegd, hangen 22 lange vezeltouwtjes met kralen, die alle eenzelfde kleurpatroon vertonen. EB Lit. Taylor & Aragon 1991:264-65

Before marrying, girls in Teluk Cenderawasih spend one to four months in seclusion in a special room in their parents' house. At the end of this period, the girl leaves the house wearing a woven band decorated with beads. [beads, fibre]


5. Halssieraad Nieuw-Guinea L. 19,9 cm B. 5,5 cm Vezels, varkenstanden Inv. nr GE 1440 Ruil Museum voor het Onderwijs, 's-Gravenhage, 1938

Dit halssieraad werd in 1938 verworven via een ruil met het voormalige „Museum voor het Onderwijs” te ’s-Gravenhage (Den Haag). Als herkomstgegeven wordt slechts „Nieuw-Guinea” vermeld. Het betreft hier waarschijnlijk het voormalige Nederlands NieuwGuinea, het westelijke deel van het eiland dat thans als Irian Jaya een onderdeel van Indonesië vormt. De derlig tanden, die op halfcirkelvormige wijze door middel van vezeltouw aan elkaar werden bevestigd, zijn snijtanden van een varken. Het varken of zwijn neemt in de culturen van Nieuw-Guinea en de rest van Melanesië een belangrijke plaats in, en zijn tanden gaan door voor symbolen van kracht. Het dier vervult onder meer een belangrijke rol bij verschillende openbare plechtigheden, waarbij her geslacht en door de aanwezigen genuttigd wordt. Het vormt voor de eigenaar doorgaans een kostbaar en prestigeverhogend bezit.

This necklace made of pig's teeth probably originates from former Dutch New Guinea, the western part of the island which today is called Irian Jaya. In New Guinea and the rest of Melanesia, pigs are slaughtered at important

WVD Lit. Chowning 1977:26-27; Heerman & Menter 1990:29

public occasions and the teeth of these valuable animals are considered symbols of strength. [pig's teeth, fibre]

21


6. Borstplaat, kabara Nieuw-Guinea, noordkust, Sissanu H. 25,5 cm B. 21,5 cm Zwijnentanden, abrus pecatorius-zaden, nassarius schelpen, hars, rotan, vezels Inv. nr GE 267 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:29, fig. 11

Het object werd verzameld in het voormalige district Berlinhafen, aan de noordwestkust van het huidige Papoea Nieuw-Guinea. Hier, in de omgeving van Aitape, wonen de Sissanu. Dergelijke voorwerpen werden door mannen op de borst gedragen, en dit zowel tijdens feestelijkheden als in de strijd. In dit laatste geval konden de objecten, wellicht in aansluiting op een amuletfunctie, als een daadwerkelijke bescherming tegen vijandelijke pijlen dienst doen. Het hartvormige voorwerp (kabara) is opgebouwd uit twee rijen boven elkaar gerangschikte zwijnentanden, die in de lengte gespleten zijn. De tanden vertonen aan iedere korte zijde een doorboring en zijn door middel van rotanspanen bevestigd aan een frame dat bestaat uit houten staafjes en vlechtwerk van rotan. Op dit frame is een harshoudende substantie aangebracht, die ter plaatse oalbi wordt genoemd. Hierin werden rode tot donkerrode abrus pecatorius-zaadjes gedrukt. Vele zijn in de loop der tijd verdwenen, maar op sommige plaatsen hebben zich waarschijnlijk nooit dergelijke zaadjes bevonden. Het betreft hier onder meer een zwartgekleurde driehoek in het midden van het object. Langs de met zaadjes ingevulde delen loopt een dubbele rij nassarius-schelpen. Aan de buitenrand van het voorwerp zijn vezeltouwtjes aangebracht, die het object als een franje omgeven. WVD Lit. Birรณ 1899:22; Neuhauss 1911:302, 306; Heermann & Menter 1990:19,43,138

Among the Sissanu, living in the vicinity of Aitape along the central north coast of New Guinea, such objects were worn on the chest by men, both during festivities and in battle. In the latter case, they served as protection against arrows. [boar's tusks, abrus pecatorius seeds, nassarius shells, resin, rattan, fibre]

22


7. Masker Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Sepik, dorp Singrin H. 38,1 cm B. 8,7 cm Hout, vezels Inv. nr GE 180 Aankoop Mus. f. Volk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:206-07, fig. 10 & 11; Lupu & Revelard 1985:69, fig. 67

Dergelijke maskers met een lange, spitse snavelneus zijn afkomstig uit het noorden van Nieuw-Guinea, meer bepaald uit het mondingsgebied van de rivieren Sepik en Ramu, de aangrenzende kuststrook en de voor de kust gelegen eilanden. Het hier besproken exemplaar is donker gekleurd, met in de oogholten sporen van rode kleurstof. Op het hoge voorhoofd bevindt zich een niet nader te identificeren zoömorfe voorstelling. De snavel van het masker is in het midden aan weerszijden doorboord en door de openingen zijn vezelkwastjes aangebracht. Het oorspronkelijke etiket uit het Berlijnse Museum für Völkerkunde vermeldt aan de ene zijde VII b... (onleesbaar), terwijl de andere zijde het opschrift Singryn N. Guin. Comp. 00 draagt. Singryn verwijst ongetwijfeld naar het dorp „Singrin”, dat op ongeveer 15km in vogelvlucht van de Sepik-monding is gelegen en op sommige kaarten ook terug te vinden is als „Singarin” of „Tsingarin”. De vermelding N. Guin. Comp. 00 duidt er naar alle waarschijnlijkheid op dat de sculptuur in 1900 werd verzameld in opdracht van de Duitse handelsfirma de Neu Guinea Compagnie. Wat de interpretatie van het jaartal betreft, kan erop worden gewezen dat Kelm een soortgelijk masker uit de Berlijnse collectie publiceert en vermeldt dat het in 1900 in het dorp „Tsingarin” werd verzameld. Het hier afgebeelde voorwerp werd wellicht gerecolteerd door Lan A Goan, een Chinese handelaar die in 1899 en 1900, en vooral in het gebied van de Sepik-monding, etnografica verzamelde voor de Neu Guinea Compagnie. (Voor aanvullende informatie over dergelijke snavelmaskers, zie cat. nrs 8 en 9.) WVD Lit. Kelm 1966: kaart (bijvoegsel); Kelm 1968:6, fig. 188; Lupu Revelard 1985:69; Olbrechts 1935:203-08; Schmitz 1969:65 (kaart); Wardwell 1971: frontispice (kaart)

Such mask-like objects exhibiting a so-called beak nose originate from the north of New Guinea, more specifically from the region where the rivers Sepik and Ramu flow into the sea, including several off-shore islands. The object was collected in 1900 in the village of Singrin (or Singarin, Tsingarin), situated some 15 km from the estuary of the Sepik river. [wood, fibre]

23


8. Masker Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Sepik, dorp Singrin L. 28,8 cm B. 10,2 cm Hout, rotan, vezels, coix-zaden Inv. nr GE 181 Aankoop Mus, f, Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:205, fig. 9; Lupu & Revelard 1985:69, fig. 65; Bruyninx & Van Damme 1993:37, fig. 15

Mask-like objects with a beak nose from the central north coast of New Guinea were not actually worn before the face, but rather attached to shields, flutes, slit drums,

Hoewel van soortgelijke, zij het grotere voorwerpen wel wordt gemeld dat zij voor het aangezicht werden gedragen, neemt men algemeen aan dat dergelijke ovaalvormige sculpturen met een zogenaamde snavelneus niet als eigenlijke maskers fungeerden. De voorwerpen zouden veeleer bevestigd zijn, geweest aan schilden, spleettrommels, fluiten en draagtassen, terwijl zij ook om de hals, over de schouder en door mannen zelfs in de baard werden gedragen. Aan de sculpturen werd een onheilafwerende en gelukbrengende functie toegeschreven. Ook wordt bericht dat zij dienst deden als herinneringen aan overledenen. Deze twee functies sluiten elkaar uiteraard niet uit. Op het voorhoofd van het polychroom (zwart, rood, wit en geel) beschilderde object bevindt zich de voorstelling van een vogel, met ogen in reliëf, enigszins van het lichaam gehouden vleugels, en een brede, platte staart. Het vogellijf is sterk gebogen en doorboord. Door de opening is een kwastje van vezels bevestigd. Het gepunte voorhoofd van het masker zet zich voort in de scherpe snavelneus, waarvan de bovenste helft is voorzien van een aan beide zijden gekartelde rand. De diepgelegen ogen zijn niet doorboord en worden weergegeven door een wit omrande uitholling op een rode fond. De ovaalvormige rand die de ogen omlijst en onderaan eindigt in de punt van de snavelneus, is ter hoogte van het midden van de snavel aan beide zijden doorboord. Door de openingen zijn kwastjes aangebracht. Links bevinden zich bovendien zes halve coixzaden (coix lacrymae Jobi of Job’s tranen). Rechts werden twee gehalveerde zaden bevestigd, samen met een vlak stukje hout waarvan het middendeel de vorm heeft van een Sint-Andreas-achtig kruis met twee diagonale inkervingen. De buitenrand van het masker is op regelmatige plaatsen doorboord en door de openingen is door middel van rotanspanen een band van vlechtwerk bevestigd. De achterzijde van de sculptuur is lichtjes uitgehold. Op het bewaard gebleven etiket van het Berlijnse Museum für Völkerkunde staat enerzijds het archiefnummer III b 454, en anderzijds de vermelding Singryn N. Guin. Comp. 00. Zoals werd toegelicht bij cat. nr 7, houdt dit naar alle waarschijnlijkheid in dat het object in 1900 in opdracht van de Neu Guinea Compagnie werd verzameld in het dorp Singrin aan de benedenloop van de Sepik.

bags, and parts of the human body, including beards. They were said to have protective functions and bring good fortune. The object illustrated here was collected in the village of Singrin along the Lower Sepik in 1900. [wood, rattan, fibre, coix seeds]

24

WVD Lit. Olbrechts 1935:203-08; Kelm 1968:6, fig. 369; Bühler 1969:72; Lupu & Reyelard 1985:69


9. Masker Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Sepik, dorp Singrin L. 28,8 cm B. 8,5 cm Hout, rotan, vezels, coix-zaden Inv. nr GE 182 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:204, fig. 8; Bruyninx & Van Damme 1993:39, fig. 16

Het polychroom beschilderde voorwerp vertoont op het voorhoofd een reptielachtig figuratief motief dat wellicht een hagedis voorstelt. De voorpoten gaan schuil achter bruine kwastjes waaraan lichter gekleurde strengen vezels zijn bevestigd. Ook door de geperforeerde hals van het dier, dat niet is voorzien van een kop, is een kwastje bevestigd. Op maskervormige sculpturen uit het Neder-Sepik-gebied treft men vaak een zoömorfe of ook antropomorfe voorstelling aan. Zo publiceert Heermann een soortgelijk object - uit de verzameling van het Linden Museum te Stuttgart - dat op het voorhoofd de kop van een krokodil vertoont. Het bedoelde voorwerp is afkomstig uit het dorp „Tsingarin” („Tsingali”), waar ook de twee vergelijkbare objecten uit de Gentse collecties werden verzameld (zie ook cat. nr 8; het oorspronkelijke etiket van het hier afgebeelde stuk vermeldt VII b 453/ Singryn N. Guinea C. 00). De sculptuur in het Linden Museum zou als een sacraal en geheim voorwerp in het mannen- of cultushuis bewaard zijn geweest. Heermann vermeldt dat dergelijke objecten gelden als voorstellingen van bepaalde geesten. De voorwerpen dragen dan de naam van de geest naar wie zij verwijzen. In het geval van de sculptuur uit Stuttgart is dat unur. Sigel van haar kant beeldt een soortgelijk voorwerp af, waarbij als inheemse benaming mei wordt gegeven. Het bedoelde exemplaar vertoont op het voorhoofd een figuratief motief dat wordt geïnterpreteerd als de voorstelling van een visarend. Het motief zou hebben gegolden als een embleem van de vechtkracht van een bepaalde afstammingsgroep.

Mask-like sculptures from the Lower Sepik region often have an anthropomorphic or zoomorphic representation on the forehead. Here we see a reptile-like depiction that may be the representation of a lizard. The animals that

WVD

appear on these masks - one also finds, for example, depictions that are interpreted as crocodiles or sea eagles -

Lit. Heermann 1982: fig. B 78; Sigel 1971:31

may have served as totemic symbols. [wood, rattan, fibre, coix seeds]

25


10. Kanosteven (?) Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Sepik H. 30 cm B. 10,3 cm Hout Inv. nr GE 58.55

Op het achterhoofd van de antropomorfe voorstelling, tot voorbij de kruin, bevindt zich een kam die op drie plaatsen is geperforeerd. De spitse haargrens loopt parallel aan het gepunte voorhoofd, waaronder twee schuinstaande ogen zijn weergegeven. Het septum van de beschadigde neus is doorboord. Het rechteroor is aangeduid, het linker afgebroken. De viervingerige handen houden een cilindervormige, verticale extensie vast, die wellicht een baard of een blaasinstrument voorstelt. Tussen de bovenbenen ligt een vlak en horizontaal element dat kan worden geïnterpreteerd als de penis. Op de mg is een driehoekige vorm in reliëf weergeven waarvan de onderste punt de onderzijde van de rug raakt en waarvan de bovenste punten als het ware over de schouders vallen. De halffiguur bekroont twee concaaf uitgewerkte ruimten of sleuven, gescheiden door een tussenschot. Kelm beeldt een zoömorf uitgewerkt object af dat is voorzien van een soortgelijke onderzijde met tussenschot. Hij vermeldt dat het voorwerp, volgens degene die het stuk in 1912/13 te Watam in het mondingsgebied van de Sepik verzamelde, dienst deed als bootsteven. Dit zou dan ook kunnen gelden voor de hier afgebeelde sculptuur. Höltker spreekt eveneens van een kanosteven, wanneer hij een voorwerp publiceert met een stilistisch vergelijkbaar antropomorf bovendeel. De onderzijde van het object is echter eerder plankvormig, met daarop een opstaande rand, die is voorzien van een perforatie. Höltker vermeldt dat het voorwerp wellicht afkomstig is van de Murik, die ten westen van de Sepik-monding leven. Hij voegt hieraan toe dat het object blijkbaar zodanig aan de voorzijde van de kano werd bevestigd dat de figuur het gezicht naar boven of naar de boot wendde, en niet naar het water, zoals het geval is met westerse boegbeelden. On the basis of information provided on analogous pieces collected near the estuary of the Sepik river, one may conjecture that this sculpture served as a figurehead on a canoe prow. [wood]

26

WVD Lit. Kelm 1968: fig. 262; Höltker 1967:297-99, 310, fig. 107


11. Antropomorfe figuur Nieuw-Guinea, Sepik-gebied H. 11,5 cm L. 16,7 cm Hout Inv. nr GE 58.53

Deze roodbruin geschilderde sculptuur toont een vooroverhellende antropomorfe figuur met een ovaalvormig gelaat dat is voorzien van een hoog gcwelfd voorhoofd waarover een rand loopt. Ogen en neus zijn aangeduid door middel van inkervingen. Het linkeroor - het rechter is verdwenen - en de neus zijn doorboord. De mond is aangegeven door middel van een horizontale groef. De tweeledige bekroning op het hoofd stelt wellicht een knoet haar voor die door een haarkorfje is getrokken (zie ook cat. nr 22). De rechterarm wordt langs de torso gehouden en buigt ter hoogte van de heup naar het lichaam terug. De viervingerige linkerhand omklemt een extensie die zich tussen de kin en de onderbuik bevindt. We hebben hier wellicht te maken met een gecombineerd baard-fallus motief. Langwerpige voorwerpen of lichaamsdelen - zoals de neus (vergelijk ook de hier besproken sculpturen met snavel- of slurfneuzen) en de uitgestoken tong - blijken in het Sepik-gebied vaak te worden geassocieerd met de fallus. De fallus op zich wordt in verband gebracht met mannelijke agressiviteit, die zich niet alleen richt op vijandige buren, maar ook op de als gevaarlijk beschouwde vrouwelijke seksualiteit. Hoewel niet erg aerodynamisch van vormgeving, fungeerde de sculptuur wellicht als onderdeel van een speerwerper. Speerwerpers uit het Sepik-gebied zijn vaak voorzien van een dergelijk, enigszins diagonaal uitgewerkt figuratief object dat er voor zorgt dat de speer niet zijdelings van de werper glijdt. WVD Lit. Cranstone 1961:66, fig.20; Bodrogi 8z Tiesler 1982:96, fig.36; Aumann 1986:176, fig. 435; Anderson 1990:87-90

The extension between the chin and the abdomen could be interpreted as a combined phallus-beard motif. In the Sepik river region the phallus and other elongated objects or shapes would signify male aggression. The piece illustrated here may have been attached to a spear thrower in order to prevent the spear from gliding off. [wood]

27


12. Verfschaaltje Nicuw-Guinea, Midden-Scpik (latmul?) L.25,9 cm B. 6,9 cm Hout, kalk Inv. nr GE 58.54

gebied. Ook het geschubde rechter uiteinde in de vorm van een staart wijst in de richting van een reptiel. De zijkanten van het schaaltje zijn versierd met geometrische motieven, die gedeeltelijk zijn opgebouwd uit schuinliggende V-vormige elementen. De dieper gelegen gedeelten vertonen sporen van kalk. De aangebrachte kalk is vooral goed bewaard gebleven op de onderzijde van het voorwerp, die is voorzien van minder geprononceerde V-vormen, cirkels, ovalen en curvilineaire patronen. Hierin valt wellicht de sterk gestileerde weergave van een dier te herkennen, met een kop, lijf, staart en gekromde poten, waarbij het uiteinde van de achterpoten doorloopt in de aanzet van de voorpoten. In dergelijke schaaltjes werden de verschillende grondstoffen bewaard die men aanwendde voor het bereiden van verf Door de opening in het rechter uiteinde bevond zich waarschijnlijk een koordje, waaraan het voorwerp werd opgehangen of meegedragen. Aan de linkerzijde is het schaaltje voorzien van een dierenkop, die oren en ogen vertoont, alsook slagtanden en een langgerekte, naar boven krullende snuit. Het betreft hier wellicht de kop van een wild zwijn. Evenals bij soortgelijke dierenkoppen die op dezelfde wijze worden geĂŻnterpreteerd als verwijzingen naar een zwijn, wekt de kop echter tevens associaties op met de krokodil, een ander veel voorkomend diermotief in het Sepik-

28

WVD Lit. Kelm 1966:20, fig. 395-409

This small dish from the Middle Sepik region was used to contain materials for making paint. The animal head on the one end of the object would seem to be that of a boar, but it also has crocodile-like characteristics. The scaled tail on the other end is similarly reminiscent of a reptile. [wood, lime]


13. Antropomorfe figuur Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Ramu H. 21,4 cm B. 4,6 cm Inv. nr GE 176 Aankoop Mus. f. VĂślk., Berlijn, 190 Gepubliceerd Olbrechts 1935:212-13, fig. 13-14; Olbrechts 1943:178, fig. 7

De bruin geschilderde figuur draagt een kegelvormige hoofdbekroning die is voorzien van een discoĂŻde knop, waaronder zich een dikkere schijf bevindt. We hebben hier waarschijnlijk te maken met de weergave van een zogenaamde haarkorf waardoor her hoofdhaar werd getrokken (zie cat. nr 22). De sculptuur wordt gekenmerkt door een gebogen snavel- of slurfneus, waarvan het septum is geperforeerd. Dergelijke relatief kleine antropomorfe figuren met een snavel- of slurfneus zijn afkomstig uit het gebied van de Sepik- en Ramumonding, de aangrenzende kuststrook en de voor de kust gelegen eilanden. Als belangrijk oorsprongsgebied van deze sculpturen is wel het eiland Tarawai genoemd, van waaruit zij over andere eilanden en het kustgebied verspreid zouden zijn geraakt. Zoals ook de maskers met een snavelneus, zouden dergelijke figuren gebruikt zijn geweest als gelukbrengende of onheilafwerende amuletten. Evenals de bedoelde maskers werden zij rond de hals gedragen of bevestigd aan draagtassen en ook de baard. Het oorspronkelijke etiket vermeldt aan de ene zijde VIIB 326, terwijl op de andere zijde N. Guin. C 99 staat, hetgeen waarschijnlijk impliceert dat de figuur in 1899 werd verzameld. WVD Lit. Olbrechts 1935:208-13; Kussmaul 1969:61; Lupu & Revelard 1985:67

Anthropomorphic figures from the region of the Sepik and Ramu estuaries and the off-shore islands in central north New Guinea that show a so-called beak or trunk nose would have been used to ward off misfortune and bring good luck. Like the beak nose masks from this area, serving similar purposes, they were attached to such objects as flutes and bags, as well as to the human body. [wood]

29


14. Antropomorfe figuur Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Ramu H. 16 cm B. 3,8 cm Hout Inv. nr GE 177 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:209, fig. 12, rechts

Sommige figuren uit het Sepik- en Rarnu-mondingsgebied dragen een kapsel of hoofddeksel dat is voorzien van een gestileerde weergave van een viervoeter. Ook op deze sculptuur treffen we een dergelijke zoömorfe bekroning aan. Het betreft hier wellicht een koeskoes (Phalanger muculatus). De lichtjes ingesnoerde armen van deze figuur (bij cat. nr 13 is dit duidelijker waarneembaar) duiden er waarschijnlijk op dat hier oorspronkelijk een versiering in de vorm van een armband was aangebracht. Ook in andere opzichten kunnen dergelijke figuren overeenkomsten vertonen met in werkelijkheid gedragen lichaamstooi. Zo blijken sommige sculpturen in westerse collecties nog voorzien te zijn van schelpen en andere ornamenten die bijvoorbeeld, evenals dit bij mensen het geval was, door het geperforeerde septum of de doorboorde oorlijst werden aangebracht. De bruinrode kleur van vele antropomorfe voorstellingen uit dit gebied zou bovendien verwijzen naar de gewoonte om bij feestelijke gelegenheden het lichaam in te smeren met rode aarde, vermengd met kokosolie. Ook voor dit beeldje, dat in 1899 werd verzameld (het oude etiket vertoont naast het nummer VIIB 325 het opschrift Neu Guin. C* 99), geldt dat het vermoedelijk heeft dienstgedaan als amulet (zie cat. nr 13). Firth heeft een soortgelijke figuur gepubliceerd, verzameld in het mondingsgebied van de Sepik, en meldt dat „It is said to have been found ‘buried on a chief's body’ ”, Dit zou erop kunnen wijzen dat dergelijke sculpturen golden als een persoonlijke amulet die de eigenaar zelfs na het overlijden vergezelde.

As are other anthropomorphic sculptures from the lower reaches of the Sepik and Ramu, this figure is crowned by a depiction of a quadruped animal, perhaps representing a cuscus. The red colour of the figure, which was collected in 1899, may refer to the fact that during festivities people rubbed their bodies with red earth mixed with coconut oil. [wood]

30

WVD Lit. Olbrechts 1935:208-13; Firth 1936:114; Schmitz 1969: PI.23; Wardwell 1971:9; Smidt 1990:234


15. Antropomorfe figuur Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Ramu H. 14.8 cm B. 3 cm Hout, vezels Inv. nr CE 178 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

Antropomorfe figuren uit het mondingsgebied van Sepik en Ramu die geen snavel- of slurfneus bezitten, maar een in vergelijking hiermee eerder realistisch aangezicht vertonen, zouden dienst hebben gedaan als voorouderfiguren of als verwijzingen naar cultuurhelden. Bij verschillende bevolkingsgroepen uit het genoemde gebied worden dergelijke voorstellingen aangeduid met kandimbong of soortgelijke benamingen. Er is wel gesuggereerd dat, samen met de genoemde functie, deze aanduiding zou gelden voor alle figuren zonder slurf- of snavelneus, met inbegrip dus van de relatief kleine sculpturen waarvan het hier bespoken exemplaar een voorbeeld vormt. Het dient echter te worden opgemerkt dat een dergelijke benaming bijvoorbeeld bij de Murik, die ten westen van de Sepikmonding leven, alleen lijkt te worden gebruikt voor betrekkelijk grote voorstellingen, meer bepaald voor beelden tussen de 90 en 120 cm. Chauvet heeft een figuur gepubliceerd die wat de hoogte betreft (18 cm) vergelijkbaar is met de hier besproken voorstelling. Hij situeert de sculptuur op de ten westen van de Sepikmonding gelegen eilanden Tarawai en Seleo en vermeldt als inheemse benaming djimur. WVD De roodbruin geschilderde figuur draagt een kegelvormig hoofddeksel of kapsel. In de doorboorde oorlijst aan de linkerzijde - de rechter oorlijst is verdwenen - bevinden zich enkele roodbruine bastvezels. Ook door het geperforeerde septum van de gewelfde neus zijn bastvezels aangebracht. De neus buigt boven de rudimentair aangegeven mond naar het gelaat terug. Op de rug, ter hoogte van de schouderbladen, is zowel links als rechts een cirkelvormige rand aangebracht. De antropomorfe figuur staat op een schijfvormige sokkel die random een halfverheven zigzag- of golfbandmotief vertoont. In de jaren zeventig van deze eeuw noteerde men dat een dergelijk geometrisch motief bij de Murik arendang wordt genoemd. Het zou verwijzen naar de stromingen van een rivier, zoals die bij eb in zee uitmondt. Op het bewaard gebleven Berlijnse etiket staat enerzijds VIIB 322 en anderzijds Neu Guin. C* 99.

Lit. Chauvet 1930:93, 345; Olbrechts 1935:208-13; Kelm 1968:14; Beier & Aris 1975:17, 23

Anthropomorphic figures from the Sepik-Ramu region and off-shore islands that do not have a beak nose are said to have served as ancestor figures and as references to culture heroes. Among the Murik, living to the west of the Sepik estuary, the meandered design that can be seen on the socle of this figure is called arendang and refers to the current of a river as it flows into the sea at low tide. [wood, fibre]

31


16. Antropomorfe figuur Nieuw-Guinea, Sepik-Ramu-mondingsgebied H . 18,5 cm B. 3,9 cm Hout Inv. nr GE 58.60

The figure is crowned by what may be the representation

Zoals werd opgemerkt bij cat. nr 15, zouden antropomorfe voorstellingen uit het Sepik-Ramu-mondingsgebied zonder slurf- of snavelneus niet als amulet hebben gefungeerd, maar als verwijzingen naar voorouders of cultuurhelden. De figuur is bovenaan voorzien van een vierlobbige bekroning, mogelijk de voorstelling van een vogel met kop, twee vleugels en een brede staart. Hieronder bevindt zich een patroon waarin men wellicht de gestileerde weergave kan herkennen van een reptiel, zonder kop en met een staart, die doorloopt in de rand die de neuswortel van de figuur aangeeft. Zo zou de indruk kunnen ontstaan dat de antropomorfe voorstelling wordt bekroond door een vogelfiguur die de kop van een reptiel in de bek houdt. De sculptuur vertoont op de dijen spiraalvormige motieven, die zouden verwijzen naar littekentatoeages welke bij zowel mannen als vrouwen werden aangebracht naar aanleiding van belangrijke gebeurtenissen in het leven. Daarnaast laat de sculptuur op de rug een figuratief motief zien. Dit motief kan worden geĂŻnterpreteerd als een hoofd of een kop, met schuinstaande ogen, een neus en een mond, die zijn weergegeven binnen een spits toelopende omlijsting. Smidt publiceerde een 122 cm hoge kandimbong figuur uit het dorp Watam in het Sepik-mondingsgebied die op de rug, naast spiraalvormige motieven, eveneens een figuratieve voorstelling vertoont. Het betreft in dit geval een schildpad, die mogelijk geldt als het totemdier van een bepaalde afstammingsgroep. De voorstelling op de rug van de hier besproken figuur lijkt eerder antropomorf. Door de spitse uitwerking van het gelaat wordt echter tevens de gedachte opgeroepen aan een vogelkop, zodat we wellicht te maken hebben met een antropozoĂśmorf motief. Een dergelijke combinatie van vogel en mens is niet ongebruikelijk in de iconografie van het mondingsgebied van de Sepik en Ramu.

of a bird. On its thighs, the figure shows spiral designs that probably refer to scarifications that were applied on the human body at important moments in the cycle of life. The design on the back of the figure would seem to have both anthropomorphic and zoomorphic facial characteristics. It may combine references to a human being and a bird, a theme not uncommon in the iconography of the Sepik-Ramu region. [wood]

32

WVD Lit. Smidt 1990:234-37


17. Nekstut Nieuw-Guinea, Sepik- Ramu-mondingsgebied Hout, bamboe, rotan L. 41,5 cm H. 16,5 cm Inv. nr GE 191 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

In het Sepik-stijlgebied treft men twee soorten nekstutten aan: monoxiele (zie ook cat. nr 18) en samengestelde exemplaren die bestaan uit een draagvlak met twee poten van bamboe. Beide typen blijken naast elkaar voor te komen. Het hier afgebeelde object bezit een in bovenaanzicht enigszins ovaal uitgewerkt middendeel, dat aan de zijkanten is voorzien van geometrische patronen. De beide uiteinden zijn figuratief uitgewerkt in de vorm van een min of meer antropomorf hoofd en een zoömorfe kop. Aan de van curvilineaire patronen voorziene onderzijde van het draagvlak loopt een geperforeerde reliëfband. Bodrogi beeldt een soortgelijk exemplaar af en vermeldt dat het afkomstig is van het eiland Tarawai, ten westen van de Sepikmonding. Zoals duidelijker is te zien op de door Guiart gepubliceerde foto van hetzelfde stuk, zijn zowel door een van de openingen in de rand aan de onderzijde als door gaatjes in de antropomorfe koppen,

bastvezels aangebracht. Ook door het geperforeerde septum werden, naar gebruikelijk is in het Sepikstijlgebied, vezels geregen. Een koordje door een van de openingen van de rand aan de onderzijde diende wellicht om het stuk mee te dragen. Mannen hadden een dergelijke stut bij zich en schoven hem onder de nek wanneer men zich te ruste wilde leggen. WVD Lit. Bodrogi 1960: fig. 16; Guiart 1963: fig, 200; Greub 1985:160; Stöhr 1987:63

In the region of the Sepik estuary one finds both monoxylic and composite headrests, such as this one, which shows a wooden support with sculpted heads at both ends, and bamboo legs. The objects were carried by men, who placed them under the neck when they wanted to lay down and have a rest. [wood, bamboo, rattan]

33


18. Antropomorfe kariatide Nieuw-Guinea, mondingsgebied van de Ramu H. 15,8 cm B. 12,4 cm Hout Inv. nr GE 189 Aankoop Mus. f. Völk,, Berlijn, 1905

De vrouwelijke figuur doet dienst als kariatide voor een - aan de linkerzijde beschadigd - horizontaal bovendeel, dat rust op het hoofd en de antropomorf versierde rechter onderarm. Deze figuratief uitgewerkte arm vertoont vooral in vooraanzicht grote stilistische overeenkomsten met het hiervoor besproken type van antropomorfe figuren zonder slurf- of snavelneus: een langgerekt, enigszins spits toelopend gelaat met een geprononceerde neus en hoofdbekroning, en een gedrongen houding met de armen langs de torso en de handen tegen de in zijaanzicht breed weergegeven benen. Wat de voorstelling in haar geheel betreft, wijzen we erop dat Stöhr een figuur heeft gepubliceerd die dermate veel overeenkomsten vertoont met de hier

34

afgebeelde sculptuur, dat de gedachte aan een en dezelfde houtsnijder zich onvermijdelijk opdringt. Stöhr vermoedt dat de door hem besproken figuur die onbeschadigd is en wier linker arm eveneens antropomorf is uitgewerkt - een voorstelling vormt van de mythische, met de aarde en de vruchtbaarheid geassocieerde oermoeder. Zij wordt afgebeeld samen met de mannelijke tweeling - de antropomorf uitgewerkte armen - die ontsproot aan de bloeddruppels die uit haar vingers kwamen toen zij zich per ongeluk sneed. Stöhr vermeldt verder dat de sculptuur als nekstut fungeerde. De hier behandelde voorstelling vertoont echter ook overeenkomsten met een door Smidt gepubliceerde antropomorfe betelvijzel uit hetzelfde gebied. De vijzel bestaat uit een vrouwelijke figuur die een bakje waarin de betel wordt gestampt op het hoofd draagt. Dit laatste verwijst naar het feit dat bij ceremoniële gelegenheden het voedsel door vrouwen in schalen op het hoofd wordt aangevoerd. Bij de hier besproken figuur is het schaalvormige bovendeel echter niet uitgehold, zodat het niet als vijzel kan hebben gediend. We moeten echter rekening houden met de mogelijkheid dat het hier om een onafgewerkt stuk gaat. In deze richting wijzen zowel het feit dat de figuur niet is beschilderd, alsook de omstandigheid dat de gaatjes in de oorlijsten niet volledig geperforeerd zijn (beide kenmerken lijken overigens ook op te gaan voor de door Stöhr gepubliceerde sculptuur). Ook wanneer het afgebeelde object wel degelijk als nekstut was bedoeld, kan de vormgeving geïnspireerd zijn geweest op het thema van de vrouw die voedsel in een schaal op het hoofd draagt. WVD Lit. Stöhr 1971:61. 80, fig. 119; Smidt 1990:240-41 This caryatide could be carved as a headrest, but might also be interpreted as an unfinished betel mortar. The composition of the object may have been inspired by the theme of a woman carrying a container of food on her head at ceremonial occasions. [wood]


19. Draagtas Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) H. 61 cm B. 42 cm Vezels, nassarius-schelpen, rotan Inv. nr GE 290 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

Op de voorzijde van de gevlochten tas met draagband werden nassarius-schelpen genaaid. Van de bovenrand hangen drie gevlochten en met nassarius-schelpen bezette panden naar beneden. Hieraan bevindt zich steeds een verticaal, van rotan gevlochten cilindervormige extensie waaraan een min of meer horizontaal en met schelpen bezet element werd vastgemaakt. De middelste pand is opgebouwd uit drie kleinere, die door middel van rotan aan elkaar zijn bevestigd. De rand aan de onderzijde van de tas is op drie plaatsen voorzien van kleine gevlochten uitstulpingen waarop schelpen werden aangebracht en waaraan men gerafelde vezels heeft geknoopt. De tas werd verzameld langs de noordkust van het voormalige Duitse „KaiserWilhelmsland” in het noordoosten van Nieuw-Guinea. De plaats van herkomst is wellicht meer bepaald het Sepik-Ramu-mondingsgebied, met inbegrip van de voor de kust gelegen eilanden. De tas lijkt in ieder geval te behoren tot het type waaraan in dit gebied antropomorfe figuren of snavelmaskers werden bevestigd als amuletten (zie cat. nrs 8 en 13). WVD Lit. Chauvet 1930:92, fig. 353, 344

Having been collected along the north coast of eastern New Guinea, this object may more specifically originate from the Sepik-Ramu region, resembling as it does the bags to which anthropomorphic figures and beak nose masks from this area were attached. [fibre, nassarius shells, rattan]

35


20. Draagtas Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) L. 47,5 B. 23 cm Vezels, coix-zaden, paarlemoerschelpen Inv. nr GE 333 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

This plaited bag, to which are attached vertical rows of coix seeds, as well as mother-of-pearl shells, shows alternately red and green-blue bands, and was collected along the north coast of the eastern part of New Guinea. [fibre, coix seeds, mother-of-pearl shells]

De draagtas is vervaardigd van gevlochten vezels en laat afwisselend rood en groen-blauw gekleurde banden zien. Aan de voorzijde werden verticale rijen coixzaadjes aangebracht, alsmede vijf paarlemoerschelpen (nucula nucleus). WVD

36


21. Arm- of beensieraad Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) L. 12 cm Vezels, coix-zaden, cypraea- en conus-schelpen INV. nr GE 266 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

Aan een bandje van geknoopte vezels bevinden zich touwtjes waaraan steeds een tiental coix-zaden werd aangebracht en waaraan schelpen zijn bevestigd. Het voorwerp werd waarschijnlijk rond de bovenarm, pols of enkel gedragen

This object from the north coast of eastern New Guinea was probably worn around the upper arm, wrist or ankle. [fibre, coix seeds, cypraea and conus shells]

WVD

37


22. Haarkorfje Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) H.11,5 cm Diam. 9,5 cm (bovenaan) en 10,8 cm (onderaan) Bamboe, rotan, nassarius-schelpen Inv. nr GE 313 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1943:182, fig. 15

Such conic baskets were carried more or less diagonally on the head and were used to pull the hair through, ending in a knot. The objects, which are regularly rendered on anthropomorphic figures from the Sepik-Ramu area, were considered status symbols of initiated men. [bamboo, rattan, nassarius shells]

Rond de bovenzijde van het tussen bamboestaafjes gevlochten korfje loopt een vlakke rand die is voorzien van twee rijen nassarius-schelpen. Onderaan bevindt zich een uitstulpende rand die met rotan aan de rest van het korfje is vastgenaaid. In het noordelijke kustgebied van het huidige Papoea Nieuw-Guinea stak de mannelijke bevolking het haar door dergelijke korfjes, die schuinstaand op het achterhoofd werden gedragen. Samen met de knoet haar, die boven het gevlochten korfje uitsteekt, lijkt deze vorm van lichaamstooi verantwoordelijk voor een typisch kenmerk van sommige antropomorfe sculpturale voorstellingen uit dit gebied, namelijk de kegelvormige hoofdbekroning (zie cat. nrs 11, 13, 15)- Haarkorfjes golden als statussymbool van geïnitieerde mannen en werden - vooral door de jongeren onder hen - gedragen tijdens ceremoniële gelegenheden. WVD Lift Heermann & Menter 1990:34, fig. 27, 63, fig. 12, 139

38


23. Armband Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) L. 11,5 cm B. 4 cm Vezels, nassarlus-schelpen Inv. nr GE 234 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

De armband werd verzameld aan de noordkust van het oosten van Nieuw-Guinea. Het voorwerp vertoont vlechtwerk in rood, geel en bruin gekleurde vezels en is afgeboord met nassarius-schelpen. De armband werd vermoedelijk rond de bovenarm gedragen, een gewoonte die in grote delen van Melanesië voorkomt. Tussen de bovenarm en de armband bevestigde men soms andere sieraden (zoals een ring van schelp) of ook een benen dolk. Houten beelden uit het Sepik-Ramumondingsgebied werden vaak eveneens voorzien van dergelijke armbanden en andere sieraden. Het dragen van arm- en polsbanden was in dit gebied voorbehouden aan geïnitieerde mannen. WVD Lit. Heermann & Menter 1990:19-20; Smidt 1990:234-35 This plaited armlet was probably carried around the upper arm, as can also be seen on anthropomorphic figures from the Sepik-Ramu region, where such armbands could only be worn by initiated men. [fibre, nassarius shells]

39


24. Armband met ring Nieuw Guinea, noordkust (oostelijke he]ft) Diam. armband 9 cm Diam. ring 8 cm Vezels, nassarius-schelpen, trochus-schelp Inv. nr GE 214 Aankoop Mus. f. Volk., Berlijn, 1905

De armband is gevlochten uit vezels die aan de buitenzijde rood werden gekleurd, en is aan de boven- en onderzijde afgeboord met nassarius-schelpen. Alvorens de gevlochten armband werd gesloten, werd hij door een ring van trochus-schelp gestoken. GeĂŻnitieerde mannen droegen dergelijke armbanden rond de bovenarm (zie ook cat. nr 23). WVD

Such armlets with a circular piece of shell were carried around the upper arm by initiated men. [fibre, nassarius shells, trochus shell]

40


25. Baardsieraad Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) H. 23 cm B. 10.5 cm Mensenhaar. zwijnentanden, rotan, vezels Inv. nr GE 212 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:31, fig. 12

Het voorwerp werd verzameld aan de noordkust van het oostelijke deel van Nieuw-Guinea, waar het waarschijnlijk dienst deed als baardsieraad. Het object bestaat uit een verticale cilinder van mensenhaar, waarrond roodgekleurde rotanspanen werden gevlochten. Aan dit centrale gedeelte zijn zwijnentanden bevestigd. In het noorden van Nieuw-Guinea, zoals elders in Melanesië, heeft het zwijn een belangrijke ceremoniële en symbolische betekenis. Het dier verwijst onder meer

naar de voorouders en zijn tanden gelden als symbolen van kracht. WVD Lit. Heermann & Menter 1990:29 The object, which was probably carried in the beard, consists of a vertical cylinder made of human hair, to which are attached swine's teeth that are considered symbols of strength. [human hair, swine's teeth, rattan, fibre]

41


26. Oorsieraad Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) Schildpadschaal Diam. 8,9 cm B. 3,5 cm Inv. nr GE 203 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

oorsieraad werd vervaardigd uit een stuk schildpadschaal dat door middel van hete waterdamp zacht werd gemaakt en in de gewenste vorm gebogen. De gepunte uiteinden dienden om het voorwerp door de geperforeerde oorlellen aan te brengen. Dergelijke sieraden kwamen voor in grote delen van NoordoostNieuw-Guinea, waar zij meestal damala werden genoemd. Vaak zijn de objecten voorzien van eenvoudige gegraveerde en met kalk ingewreven geometrische versieringen. Aan de sieraden konden ook nog andere voorwerpen worden gehecht, zoals ringen van trochus-schelp en zaden. Such ear ornaments made of turtle-shell were found in large parts of northeast New Guinea. Sometimes additional objects were attached, such as rings of trochus shell or seeds. [turtle-shell]

42

WVD Lit. Birรณ 1899:36; Finsck 1914:149; Tischner 1981:13233


27. Armband Nieuw-Guinea, noordkust (oostelijke helft) Schildpadschaal, vezels Diam. 9,9 cm H. 3,6 cm Inv. nr GE 314 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

Het object bestaat uit tien op elkaar gestapelde ringen van schildpadschaal, die op drie plaatsen worden samengehouden door vlechtwerk van plantenvezels. Finsch heeft een - niet-geïllustreerde - beschrijving gegeven van wat het hier afgebeelde type sieraad lijkt te zijn. Hij vermeldt dat dergelijke rond de bovenarm gedragen voorwerpen van ringen schildpadschaal op uiteenlopende plaatsen op Nieuw-Brittannië voorkomen, maar daarbuiten niet worden aangetroffen. Het hier besproken voorwerp werd echter verzameld aan de noordkust van het oosten van Nieuw-Guinea, waar het wellicht terechtgekomen is dank zij de intensieve handel tussen het westen van Nieuw-Brittannië en het noordoosten van Nieuw-Guinea. Overigens treft men in de omgeving van de Astrolabebaai en de Huon Golf soortgelijke armbanden aan, die echter zijn samengesteld uit gegraveerde, op elkaar gestapelde en samengebonden ringen van trochus-schelp. Turtle-shell ornaments such as this were carried around the upper arm, and are said to be typical of New Britain,

WVD Lit. Finsch 1914:96-97,151;Tischner 1981:130

from where this object may have been traded to the north coast of eastern New Guinea, where it was collected . [turtle-shell, fibre]

43


28. Schild Nieuw-Guinea, Astrolabebaai Diam. 67,5 cm Hout Inv. nr GE 1121 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

Het schild is afkomstig uit de omgeving van de Astrolabebaai in het noordoosten van Nieuw-Guinea, het enige gebied in Melanesië waar ronde schilden voorkwamen. De schilden, die gemiddeld 70 tot 90 cm in doorsnede zijn, werden vervaardigd uit de plankvormige luchtwortels van de mangroveboom. De voorwerpen vertonen meestal een X- of stervormig motief en laten vaak vlakken met contrasterende kleuren zien, De onbeschilderde achterzijde van het hier besproken schild is voorzien van twee brugvormige „grepen” waartussen vezels werden bevestigd, Om het schild te dragen, schoof de krijger de linker onderarm onder deze band van vezels door. Hierdoor werden de linkerarm en -schouder beschermd, terwijl de krijger toch beide handen vrijhield om pijl en boog te hanteren, De schilden zijn relatief zwaar, en om die reden wordt aangenomen dat zij alleen dienst deden voor de verdediging van het eigen terrein. Wanneer men zelf op krijgstocht ging, zou eerder gebruik gemaakt zijn van kleinere ronde of ook hartvormige schilden, die onversierd bleven WVD Lit. Chauvet 1930:76; Bodrogi 1959:68-71; Stöhr 1971:119, fig.244; 1987:66,85

In Melanesia circular shields were only found in the Astrolabe Bay region in northeast New Guinea. It is assumed that these relatively heavy objects were not used during military expeditions, but were only employed while protecting one's own territory. [wood]

44


29. Schaal, djul Tami-eilanden L. 91,5 cm B. 42 cm H. 21 cm Hout, kalk Inv. nr GE 1544 Aankoop M. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Van Damme 1990/1:254, 265, 269, 271, fig. 1, 3-8

De Tami-eilanden zijn gelegen voor de kust van het Huonschiereiland in het noordoosten van NieuwGuinea, Op deze kleine koraaleilanden ontbrak het de bevolking aan voldoende mogelijkheden om in de eigen voedselproductie te voorzien. De Tami dienden dan ook ruilhandel te drijven om levensmiddelen te verkrijgen. Het belangrijkste ruilmiddel voor deze zeevarende handelaars vormden houten schalen van het hier afgebeelde type. Tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw werden de schalen uitsluitend op de Tamieilanden vervaardigd - de inwoners hadden een monopolie op de productie - om vervolgens te worden verhandeld langs de kusten van Noordoost-Nieuw-Guinea en West-Nieuw-Brittannië. De schalen werden zowel hier als op de Tami-eilanden zelf onder meer gebruikt om voedsel te bereiden tijdens plechtigheden, zoals de feestelijkheden die het einde van de rouwperiode markeerden. De uit hard ijzerhout (Afzelia biyuga) gesculpteerde voorwerpen vormden ook een belangrijk onderdeel van de bruidsprijs.

en is voorzien van uitgestrekte armen. Deze armen lopen uit in een karakteristiek motief dat yabo wordt genoemd. Het verwijst naar de gekrulde slagtanden van een zwijn, die doorgingen voor waardevolle sieraden. Links en rechts op de schaal bevindt zich een in reliëf weergegeven motief, dat wederom op beide lange zijden van het object voorkomt. Het bestaat uit een slang waarvan de kop verbonden is met de achterzijde van een reptiel, dat meestal als een hagedis en soms als een krokodil wordt geïnterpreteerd. Aan de onderzijde van de schaal bevindt zich bovendien een cirkelvormige incisering die als een handelsmerk geldt. WVD Lit. Van Damme 1990/1

Wooden bowls of this type were the most important item of barter trade for the seafaring merchants of the Tami

Op de boorvormige schaal is - aan weerszijden - in het midden van de lange zijde een motief aangebracht dat kan worden geïnterpreteerd als de voorstelling van een antropomorfe figuur. De figuur vertoont een gestileerd en in reliëf weergegeven hoofd, draagt een borstsieraad

Islands. The bowls were traded along the coasts of Northeast New Guinea and West New Britain, where they served to prepare food for ceremonial occasions. They were also considered an important part of the brideprice. [wood, lime]

45


30. Kalkspatel

31. Kalkspatel

Nieuw-Guinea, Massim-gebied

Nieuw-Guinea, Massim-gebied

L. 29 cm B. 2,8 cm

L. 32,7 cm B. 3,8 cm

Hout, kalk

Hout

Inv. nr GE 58.57

Inv. nr 58.56

Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993.51, fig. 22

Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:53, fig. 23

Dergelijke kalkspatels zijn afkomstig uit wat men gewoonlijk aanduidt als het Massim-district in het zuidoosten van Nieuw-Guinea. Dit gebied omvat zowel de zuidoostelijke punt van het vasteland als de verschillende voor de kust gelegen eilandengroepen. Hieronder zijn de Trobriand-eilanden verreweg het bekendst. Op deze en andere eilanden vervaardigde men kalkspatels, die via de handel werden verspreid over het hele Massim-gebied, waar de voorwerpen bekend staan onder verschillende gelijksoortige benamingen als genai en kena. Kalkspatels worden gebruikt tijdens het betelkauwen. Hierbij wordt een stukje pit van een noot van de arekapalm gewikkeld in een met kalkpoeder bestrooid blad van de betelplant. Het aldus onstane balletje wordt in de mond genomen en gekauwd, hetgeen een licht bedwelmende uitwerking heeft. Tijdens het kauwen voegt men regelmatig een beetje kalk toe om de smaak te versterken. De kalk, die meestal in een recipiënt van kokosnoot of bamboe wordt bewaard, brengt men dan naar de mond door middel van een spatel als deze. De greep van dergelijke spatels is vaak versierd door middel van met kalk ingestreken curvilineaire motieven. Het hier afgebeelde voorbeeld heeft een opengewerkte, antropomorf uitgevoerde greep, waarbij de nadruk van de voorstelling op het profiel ligt.

WVD Lit. Finsch 1914:308-12; Chauvet 1930:60, fig. 219 bis; Phelps 1976:221; Stöhr 1987:95

The lime spatulae carved on the Trobriand and neighbouring islands were spread to the whole of the Massim district in the southeast of New Guinea, where they were used in betel chewing. The spatulae served to add lime to the betel being chewed, thus enhancing the flavour. [wood, lime]

46

De greep van de spatel rechts op de foto is bovenaan versierd met een antropomorf hoofdje, dat is voorzien van een lage, lichtgewelfde bekroning. Hieronder bevinden zich twee smalle, horizontale banden die aan beide zijden ter hoogte van de slapen eindigen in een krul. De ogen zijn aangeduid door middel van een cirkelvormige groef waaronder zich, op beide wangen, een driepuntige inkeping bevindt. De mond is weergegeven met opgetrokken mondhoeken. De greep van de spatel is tot aan de onderzijde van het antropomorfe hoofd uitgehold. Hij is echter niet volledig gespleten, zodat we niet te maken hebben met wat men een „kleppergreep” noemt. Deze zorgt ervoor dat een klepperend geluid onstaat wanneer het voorwerp in de ene hand wordt gehouden en men met de gespleten greep op de andere hand, de arm of op de dijbenen slaat. Dit klepperen gebeurt zowel tijdens het betelkauwen als tijdens het opvoeren van dansen. Het geluid zou als aangenaam worden ervaren, en om die reden waardeert men spatels met een gespleten greep hoger dan andere exemplaren. De ingesneden motieven van het hier besproken voorwerp zijn niet ingelegd met kalk. Evenals de spatel links op de foto, vertoont het voorwerp bovendien geen sporen van gebruik. Dit geldt ook voor kalkspatels die met zekerheid reeds rond de eeuwwisseling werden verzameld. Men vermoedt dan ook dat dergelijke voorwerpen reeds vroeg werden vervaardigd voor de directe verkoop aan westerlingen. WVD Lit. Finsch 1914:308-11; Chauvet 1930:59, fig. 219,165, 282; Stöhr 1987:98

Like the preceding object, this lime spatula does not show any traces of use. It is assumed that already around the turn of the twentieth century such objects were produced for sale to Westerners. [wood]


47


32. Paneel, kohe Nieuw-Guinea, Papoeagolf, Purari-delta, Namau H. 118 cm B. 28,5 cm Hout Inv. nr GE 1120

Dergelijke haast spitsovaalvormige borden komen in heel de Papoeagolf voor en dragen naargelang het gebied of volk een andere benaming. In de literatuur treft men vaak de termen kwoi en gope aan. Kleine exemplaren zouden tijdens cultusfeesten bij bepaalde dansen in de hand worden gehouden. Bij de KustNamau uit het Purari-gebied - de streek waaruit, naar we op grond van de vormgeving vermoeden, dit object afkomstig is - worden de borden volgens sommige auteurs kobe of koba genoemd. Volgens Newton dragen de panelen bij de Namau de benaming kwoi en worden ze, zoals trouwens ook elders gebruikelijk is, bewaard in het ceremoniële mannenhuis (ravi), nabij de schedels van verslagen vijanden. Aan deze schedels voegt men soms nog dierenschedels toe, bijvoorbeeld van wilde varkens. Het bord vertoont aan de bovenzijde een doorboord uitsteeksel waarmee het object kon worden bevestigd aan de wand of de steunpijlers van het mannenhuis. Het hoofdmotief op dergelijke panelen is steeds een antropomorf gelaat, Indien een volledige figuur wordt weergegeven, hetgeen in andere gebieden van de Papoeagolf soms voorkomt, dan is het gelaat zeer groot uitgewerkt en zijn de overige delen van het lichaam uitermate sterk gestileerd. Het centrale motief, alsook de decoratie er omheen, is in vlakreliëf gesneden. Bij sommige gezichten staat de neus meer in reliëf en is het septum doorboord. In het Purari-gebied, maar bijvoorbeeld ook bij de Urama van het Wapo-deltagebied, vertonen de borden onderaan een uitsteeksel dat eventueel als handvat dienst kan doen. Bij de Namau zijn deze eerder kort en nog bijkomend versierd. EB Lit. Bühler 1969:170-72; Koch 1969:43; Newton 1961:21-24, 80-87

Such pointed oval panels are found all along the Gulf of Papua, having different names according to the region or people concerned. On the basis of its design, this example probably comes from the Namau, where the panels are placed in ceremonial men's houses, near the skulls of defeated enemies. [wood]

48


33. Paneel, kohe Nieuw-Guinea, Papoeagolf, Purari-deka, Namau H. 92 cm B. 20 cm Hout Inv. nr GE 1119

Het gezicht dat op dergelijke panelen centraal staat, zou de mythische stichters van verschillende verwantschapsgroepen kunnen voorstellen of verwijst wellicht naar de voorouders. Vandaar dat men dergelijke objecten in de literatuur aantreft onder de benaming voorouderpanelen of herdenkingsborden. Sommige exemplaren zouden echter bos- of zeegeesten belichamen. De voorwerpen, die in het mannen- of cultushuis worden bewaard, hebben elk een eigen naam. Ze zijn sacraal en zo belangrijk dat ze van vader op zoon worden overgeĂŤrfd. Bij het schedelschrijn geplaatst, zouden ze wegens hun magische kracht een beschermende functie vervullen, en wel door het neutraliseren van de op wraak beluste geesten van gesnelde vijanden. Ook de geometrische decoratie die rondom het centrale motief is aangebracht heeft een betekenis. De versieringselementen zijn meer bepaald als clansymbolen te interpreteren. De panelen zijn lichtgebogen omdat ze oorspronkelijk, en met stenen werktuigen, uit de zijwanden van oude prauwen werden vervaardigd. De gebruikte kleuren voor de beschildering zijn zwart, rood en wit. EB Lit. Chauvet 1930:22; Beier 1983:46; Firth 1936:26; Bodrogi 1960:20; Newton 1961:21-24, 80-87; BĂźhler 1969:170-72; Koch 1969:43; Melanesien 1977:104, 107

Such oval objects from the Gulf of Papua are often called ancestor or commemoration panels, since the faces on these objects would refer to the mythological founders of the lineages or to the ancestors. Some examples, however, are said to embody spirits from the forest or the sea. The objects have protective functions, and are handed down from father to son. [wood]

49


34. Schild naua, dawa, rewa Nieuw-Guinea, Papoeagolf H. 106 cm B.42 cm Hout Inv. nr GE 58.109

Schilden van dit type, naua, dawa of ook rewa genaamd, werden gebruikt door boogschutters, en komen volgens Stöhr voor in het oostelijke deel van de Papoeagolf, bijvoorbeeld bij de Elema, Typisch aan de vormgeving is de rechthoekige uitsparing bovenaan, waardoor de schutter de linkerarm met zijn boog steekt. De uitsnijding past juist onder de oksel. Dergelijke objecten zijn bovenaan meestal ongelijk: vanuit het object bekeken is de rechterkant lager, zodat de boogschieter er nog juist over kan kijken. Het schild, dat tot aan de knieën reikt, vertoont onder de uitsnijding twee doorboringen, die bestemd zijn om de draagband te bevestigen welke over de schouder van de krijger loopt, Het voorwerp wordt aan de linkerzijde van het lichaam gedragen zodat de hartstreek beschermd is. De versiering is in vlakreliëf gesneden en toont als centraal motief een groot gestileerd antropomorf gelaat op een witgeschilderde ondergrond, met daaromheen een oorspronkelijk zwart gekleurde decoratie van tandlijsten. De velden rond de cirkelvormige ogen zijn bedekt met een roodbruine kleurstof. Dat dergelijke schilden belangrijk bezit zijn, bewijst het feit dat elk exemplaar een eigen naam heeft. EB Lit. Haddon 1894:93; Stöhr 1987:101

Such shields, which each bearing its own name, are found among the Elema and other peoples in the eastern Gulf of Papua. They were used by archers who put their left arm, holding the bow, through the cut-away part at the top. [wood]

50


51


35. Masker Salomonseilanden, eiland Bougainville H. 47,2 cm B. 45 cm Hout, parinarium-pasta Inv. nr GE 1231 Aankoop Mus. f. Volk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:214, fig.15

Het masker is afkomstig uit het noorden van het eiland Bougainville, dat gelegen is in het noordwesten van de Salomonseilanden. Tot nu toe werden slechts twee andere gelijksoortige maskers gepubliceerd (cf. Stöhr 1987:236), en wel door Parkinson (1907:658, fig. 124; cf. Waite 1983:24) en Koch (1969:90). Het masker bestaat uit vier plankjes van een lichte houtsoort, die door middel van rotanspanen aan elkaar werden bevestigd. De twee middelste panelen hebben onderaan een extensie, die wellicht diende als handvat waaraan bet masker tijdens optredens werd vastgehouden. Het paneel rechts en het afgebroken plankje links zijn onbeschilderd en werden scharnierend bevestigd aan de twee centrale panelen. De ’neus’ is gemodelleerd in parinarium-pasta, waarop witte zigzaglijnen zijn aangebracht. Ook de horizontale boog die met de neus een geheel vormt en boven de wit omrande openingen loopt, is in parinarium. Olbrechts meent in het masker een dubbel aangezicht te herkennen. De cirkelvormige en wit omrande openingen in het masker zouden in deze optiek door kunnen gaan voor zowel de ogen van het ene gezicht als de neusgaten van het andere. De ogen van dit laatste gelaat worden dan gevormd door de twee in de witte beschildering uitgespaarde ovaalvormen, waarboven wenkbrauwbogen lopen. Het gebruik van parinarium-pasta - een kit van gestampte vruchten (zie ook cat. nr 64) - treffen we tevens aan op de van boombaststof vervaardigde maskers die afkomstig zijn van het eiland Nissan, dat een vijftigtal kilometers noordelijker is gelegen. De pasta wordt hier gebruikt voor het modelleren van het gelaat. De maskers van Nissan vertonen ook in zoverre overeenkomsten met het hier behandelde exemplaar uit Noord-Bougainville - en meer nog met het door Parkinson afgebeelde masker - dat voor het weergeven van de oren (kleinere) plankjes aan de linker- en rechterzijde van het masker werden bevestigd. De maskers afkomstig uit Nissan, Noord-Bougainville, alsook het door een smalle zee-engte van Bougainville gescheiden

52

eiland Buka, zouden verwijzen naar de geest kokorra. Dit wezen, waarover weinig bekend is, wordt op andere voorwerpen uit het noordwesten van de Salomonseilanden vaak afgebeeld als een hurkende figuur, bij wie de dunne gebogen benen worden gespiegeld in de eveneens gebogen en opgeheven armen. Op Nissan en Buka zouden de maskers binnen geheime mannengenootschappen dienst hebben gedaan om vrouwen en andere niet-geïnitieerden af te schrikken. Of de maskers uit Noord-Bougainville een zelfde functie vervulden, blijft onzeker. WVD Lit. Parkinson 1907:685, fig. 124; Olbrechts 1935:21315, 221-22; Koch 1969:90; Waite 1983:24-25, fig. 1; Stöhr 1987:236-37

The rare wooden masks from northern Bougainville are held to refer to kokorra, a spirit being that on several objects from the Solomon Islands is represented as a squatting figure whose fluently bent legs are mirrored by its arms. Like the masks from the more northern islands of Nissan and Buka (made of barkcloth and parinarium, with small wooden planks representing the ears), the Bougainville masks may have been used in secret societies to scare off women and other non-initiated people. [wood, parinarium paste]


53


36. Knots, stipe Salomonseilanden, eiland Malaita L. 76,5 cm Hout, vezeltouw Inv. nr GE 1313 Aankoop M. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

Naar vorm en functie kunnen de knotsen van de Salomonseilanden in verscheidene typen worden onderverdeeld. Vele deden dienst tijdens de oorlogsvoering, terwijl andere werden gebruikt in rituele gevechtsdansen. Naar de vorm onderscheidt men een achttal typen, die van gebied tot gebied nog verder kunnen worden onderverdeeld. In het zuidoosten van de Salomonseilanden zou men overigens niet alleen houten knotsen hebben gebruikt, maar ook uit walvisbeen vervaardigde exemplaren. Het hier afgebeelde type met ruitvormige basisvorm wordt supe of ook subi of supi genoemd. De vrij smal uitgewerkte voorwerpen vertonen meestal een lange greep. De exemplaren waarbij de ruitvorm breed is uitgewerkt zijn meestal voorzien van een korter handvat. De greep eindigt in een knobbelvormig uitsteeksel of is met meer zorg gesneden. De hoeken van de ruitvorm worden aan beide zijden door middel van een ribbel verbonden. EB Lit. Ivens 1930:178-81; Mead 1973:44; Waite 1983:82; 1987:39

Many types of Solomon Islands clubs were used in warfare, whereas others served in ritual combat dances. Formally, they can be classified into eight basic types, which can be further subdivided according to region. [wood, fibre]

54


37. Knots, supe Salomonseilanden, eiland Malaita L. 75,5 cm Hout, vezeltouw Inv. nr GE 1314 Aankoop M. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

De supe genoemde knotsen, vervaardigd uit hard, donker roodbruin hout (velo-velo), werden bij de afwerking sterk gepolijst en vertonen daardoor een glanzend oppervlak. Nadien werd de greep omwonden met een gevlochten touw van pandanus- en kokosnootvezels. Bepaalde gegevens wijzen erop dat deze objecten meer specifiek dienden om de verslagen vijand de genadeslag toe te brengen. De supe werden gebruikt samen met een onbeschilderd, ovaalvormig en uit tenen gevlochten schild. EB Lit. Ivens 1930:178-81; Mead 1973:44; Waite 1983:82; 1987:39

The handles of this type of diamond-shaped club were wound with strings of pandanus and coconut fibres. Some evidence indicates that these weapons were used to give enemies the coup de grace. [wood, fibre]

55


38. Knots Salomonseilanden, eiland Guadalcanal L. 109 cm Hout, vezels Inv. nr GE 1225 Aankoop M. f. Volk., Berlijn, 1905

Dit type wapen kan in verscheidene subtypen worden onderverdeeld. In horizontale doorsnede is de onderzijde cirkel- of ovaalvormig. Naar boven toe wordt het object breder en vlakker om bovenaan driehoekvormig te eindigen. Sommige exemplaren zijn aan de bovenzijde vrij breed uitgewerkt, bij andere is het bovendeel smal gehouden. Sporadisch werden dergelijke knotsen voorzien van inlegwerk met stukjes schelp. Vanaf de afgeronde top, en aan beide zijden van het object, loopt in het midden van het bovenste deel een fijne ribbel in reliĂŤf. Dit type wapen werd in 1769 voor het eerst opgemerkt aan de noordkust van Santa Isabel. Exemplaren uit museumverzamelingen dragen, naast Santa Isabel, als herkomstgegeven de eilanden Guadalcanal en Florida. In de vorige eeuw noteerde men dat dit wapen, vervaardigd uit een donkere, roodachtige of roodbruine houtsoort, op het eiland Florida werd omwikkeld met een nauwaansluitende huls. Deze huls bestond uit fijn,.geelgekleurd vlechtwerk waarin horizontale banden voorkwamen die een geometrisch patroon vertoonden uit rood en/of zwart geverfde vezels. Ook op het eiland Guadalcanal werden dergelijke exemplaren verzameld, zoals het geval is met de hier afgebeelde knots.

EB Lit. Mead 1973:45; Waite 1983:141-42; 1987:37

This type of club was first observed in 1769 on the north coast of Santa Isabel. In the 19th century it was noted that clubs from Florida were wound by a yellow coloured plaiting showing horizontal bands with a geometric pattern formed by red and/or black coloured fibres. Such decorated clubs were also collected on Guadalcanal, as is the case with the present example. [wood, fibre]

56


39. Beteltasje, mbenianunou/mbeli nuesa Santa Cruz-eilanden L. 34,5 cm B. 17,5 cm Bastvezels, pandanus-bladrepen Inv. nr GE 367 Aankoop Mus. f. Volk,, Berlijn, 1905

Het tasje is afkomstig van de Santa Cruz-eilanden, die gelegen zijn ten zuidoosten van de Salomonseilanden, waarvan zij heden ten dage staatkundig deel uitmaken. In cultureel en artistiek opzicht echter, vertoont de eilandengroep - die bestaat uit Ndeni of Ndende (Santa Cruz) en enkele kleinere omringende eilanden (waaronder Fenualoa) - een eigen gelaat. Kenmerkend voor de materiële cultuur van de Santa Cruz-eilanden zijn onder meer dergelijke beteltasjes, die werden geweven uit bastvezels van de bananenplant. In Melanesië was de weefkunst slechts bekend op de Santa Cruzeilanden en op de Sint-Matthias-groep (Bismarckarchipel). Er wordt algemeen aangenomen dat de aanwezigheid van deze techniek wijst op Micronesische invloed. De zwarte vezels die men gebruikte voor het creëren van de geometrische patronen op het centrale gedeelte van de tasjes werden overigens niet ingeweven, maat met behulp van een houten naald in het lichtbruine weefsel aangebracht. De voorwerpen zijn verder versierd door middel van uitgerafelde bastvezels en pandanus-bladrepen. De tasjes werden gebruikt om de benodigdheden voor het betelkauwen (op Fenualoa kiango genoemd) te bewaren en mee te dragen, te weten noten van de arekapalm, bladeren en kalk (zie ook cat. nr 30). Op Ndeni (waar men de tasjes mbenianunou noemt) en op de ten noordoosten daarvan gelegen rifeilanden (waar zij op Fenualoa bekend staan als mbeli nuesa) werden de beteltasjes ten minste nog in de jaren zestig vervaardigd, en vertegenwoordigden zij een aanzienlijke handelswaarde. Op de noordoostelijke eilanden zouden de tasjes door zowel mannen als vrouwen zijn gedragen, terwijl zij op Ndeni slechts een attribuut van de mannen vormden. De objecten werden door hen ook tijdens dansfeesten rond de hals en op de rug gedragen als een vorm van versiering.

Bags of this type, used to contain the ingredients for betel chewing, are woven from banana plant bast fibres. In Melanesia weaving was traditionally known only on Santa Cruz and on Saint Matthias (Bismarck Archipelago), and is

WVD

generally thought to point to Micronesian influence.

Lit. Koch 1971:84, 88, 91; Stöhr 1987:248

[banana plant bast fibres, pandanus leaf strips]

57


40. Boomvarensculptuur, nenna Vanuatu (voorheen Nieuwe Hebriden), eiland Ambrym H. 180 cm B. 46,5 cm Boomvaren, klei Inv. nr GE69 Gift 1936 Gepubliceerd: Demoor-Van den Bossche 1983:167, fig. 1; Dewolf 1992:20

van het midden van het voorhoofdsbeen (glabella). Deze stijl is te situeren in het oosten van het eiland Ambrym, en maakt op zich weer deel uit van het Ambrym-stijlgebied (dat naast Ambrym ook het zuidoosten van Malekula omvat). Naast de sterk overkragende glabella en wenkbrauwbogen, worden de boomvarensculpturen uit het oosten van Ambrym vooral gekenmerkt door de afwezigheid van sculpturaal weergegeven ogen. Oorspronkelijk werden de borstelige sculpturen bedekt met een grondlaag van klei en plantaardige materialen, waarop men vervolgens een polychrome beschildering aanbracht. Bij de hier afgebeelde figuur zijn van deze deklaag nog enkele sporen terug te vinden, in het bijzonder ter hoogte van de linker oogholte. Met het oog op het sculpteren van dergelijke beelden, snoerde men de stam van de boomvaren op manshoogte in, waardoor het onderste gedeelte zich verdikte. Na het kappen van de boomvaren werd de stam omgedraaid, zodat het dikkere gedeelte als uitgangspunt kon dienen voor het meer omvangrijke bovendeel van de sculptuur. Volgens Speiser laat boomvaren althans in verse toestand - zich relatief gemakkelijk sculpteren. Guiart daarentegen is van mening dat de stekelige materie dermate moeilijk te bewerken is dat het te betwijfelen valt of men hier ooit aan toe is gekomen in de periode voordat ijzeren gereedschap van Europese oorsprong de inheemse werktuigen - vervaardigd uit schelp en vulkanisch gesteente - ging aanvullen. Volgens Guiart kwam het algemeen gebruik van ijzeren werktuigen op Vanuatu in zwang in het midden van de negentiende eeuw, zodat deze periode eventueel zou kunnen gelden als een vrij ruime datering post quem voor de - monumentale - boomvarensculpturen. Wat de hier besproken figuur betreft, kan als datering ante quern in ieder geval 1936 worden genoemd, het jaar waarin de sculptuur aan de Gentse verzamelingen werd geschonken.

Deze volplastische boomvarensculptuur dient te worden gesitueerd binnen de gradengenootschappen zoals die op Vanuatu onder verschillende benamingen voorkwamen. De sculpturen behoorden toe aan leden die een bepaalde graad binnen een dergelijk genootschap bezaten, en verwezen naar voorouders die dezelfde graad hadden bereikt. De sculptuur bracht de bezitter ervan in gemeenschap met deze voorouders, waardoor de eigenaar en zijn omgeving zich van hun bescherming verzekerd wisten. Op basis van een stilistische analyse van de boomvarensculpturen van Vanuatu onderscheidt DemoorVan den Bossche onder meer de zogenaamde Glabellastijl, die wordt gekenmerkt door de gepunte weergave

58

WVD Lit. Speiser 1923:392-93; Guiart 1965:18, 44-47; Demoor-Van den Bossche 1983

Such sculptures carved of fern belonged to men who had attained a certain rank within a graded society. They referred to ancestors who had attained the same rank, and who provided protection for the owner and his family. The style of this example would point to an origin on the eastern part of the island of Ambrym. [fern, clay]


59


41. Knots Vanuatu, eiland Epi L. 100 cm Hout Inv. nr GE 58.64

Felix Speiser deelt de knotsen van Vanuatu in twee grote groepen in, namelijk in lange en in korte exemplaren, die elk in verschillende typen en subtypen worden onderverdeeld. De hier afgebeelde knots behoort binnen de tweede groep tot het meest eenvoudige type. Het object bestaat uit een rechte stok met een cirkelvormige dwarse doorsnede, lichtjes verbredend in de richting van de slagkant. Dit type is afkomstig uit het zuidelijke deel van Malekula en werd verspreid naar het kleinere en zuidoostelijk gelegen eiland Epi. Kenmerkend voor de exemplaren van Epi is de eivormige begrenzing onderaan, die door een ringvormige insnoering in twee ongelijke delen is verdeeld. Naar de vorm te oordelen, mag men daarom aannemen dat het hier afgebeelde object, dat bovenaan random is versierd met V-vormige groefjes, van Epi afkomstig is. EB Lit. Speiser 1923:228

This type of club originates from southern Malekula and was spread to the island of Epi, situated to the southeast. Typical for Epi clubs is the egg-like shaped finial at the bottom which is divided into two unequal parts by a ringshaped constriction. [wood]

60


42. Knots Vanuatu L. 80 cm Hout Inv. nr GE 58.68

Dit type knots werd vermoedelijk vanuit Ambrym in Malekula ingevoerd en vervolgens over heel her eiland verspreid. Daar het hier afgebeelde voorbeeld minder dan ecu meter meet, moet het tot de kortere exemplaren worden gerekend. Kenmerkend is de rechte schacht met cirkelvormige horizontale doorsnede, die bovenaan verbreedt en een gewelfd bovenvlak vertoont. Hieronder liggen vier bolvormige uitsteeksels. De onderkant van de knots, die uit een harde houtsoort is vervaardigd, vertoont eveneens een bolle uitstulping. Een dergelijk object werd oorspronkelijk voorzien van een draagband, zodat het over de schouder kon worden gehangen. De band was gemaakt van twee touwen die met vezels werden omwonden. De uiteinden ervan werden dusdanig geknoopt en uitgerafeld dat er dikke vezelkwasten ontstonden, die een bijkomende versiering vormden. EB Lit. Speiser 1923:218

This type of club was probably imported to Malekula from Abrym. It was originally carried over the shoulder by means of a strap made of two ropes wound with fibres. [wood]

61


43. Paneel, jovo, tale Nieuw-Caledonië H. 150 cm B. 52 cm Hout, polychromie Inv. nr GE 58.72

Het mannen- of feesthuis (moaro) op Nieuw-Caledonië is van vormgeving uniek binnen het geheel van de Melanesische architectuur. Een moaro, die wordt gebouwd ter gelegenheid van herdenkingsplechtigheden (pilou) voor de matrilineaire voorouders, vertoont een cirkelvormig grondplan met een maximale doorsnede van 15 m. Het hoge en spitse kegelvormige dak is bekroond met een indrukwekkende geschematiseerde antropomorfe sculptuur. Van belang is ook de versiering aan de buitenzijde, meer bepaald rond de deuropening. Op de drempel (katara, aboada), het linteel (boedu, pweretu) en de panelen (jovo, tale) links en rechts van de deuropening worden reliëfs aangebracht. De „deurpanelen” zouden voorouders voorstellen, Hun aanwezigheid oefent een beschermende functie uit. Wanneer men in de nabijheid van het mannenhuis offers brengt, zou men tegen de jovo praten.

De versierde panelen zijn meestal in duurzaam hout (houp) gemaakt. Hun hoogte varieert van ca 1 m tot meer dan 2 m, en ze zijn ongeveer 30 cm tot 1 m breed. Tot welke stijl een exemplaar ook behoort, de basisstructuur is steeds dezelfde. De voorzijde is meestal lichtjes gebogen. Bovenaan en over de hele breedte treft men een in reliëf uitgewerkt antropomorf gelaat aan, dat zowat 1/5 tot 1/3 van de totale lengte van het paneel in beslag neemt. De horizontale strook die het hoofd bovenaan aflijnt, duidt op de in werkelijkheid door mannen gedragen voorhoofdsband. Kenmerkend is de breed uitgewerkte neus, die herinnert aan een gebruik dat over het gehele eiland was verspreid en dat erin bestond de neus bij de geboorte plat te drukken. Het resterende en grootste deel van het paneel draagt een geometrische versiering in vlakreliëf, die volgens sommigen teruggaat op een sterk gestileerde weergave van ledematen en ribben. De panelen bevatten geen verstarde, stereotiepe uitbeeldingen. De stilistische verscheidenheid valt het meest op in de uitwerking van het gelaat en verder in de geometrische patronen. Het hier afgebeelde paneel vertoont wat de

62

ornamentiek betreft sterke gelijkenissen met een exemplaar dat zich in het museum te Basel bevindt en waarvan Sarasin het versieringspatroon als afwijkend beschouwt. De jovo of tale vertoont meestal een vegetale polychromie. De gebruikte kleuren zijn zwart en rood. Voor zwart wordt fijngemalen kool gebruikt, die wordt verkregen door het verbranden van de noten van een oliehoudende boom (aleurites) en die wordt vermengd met een siccatief. Sarasin beschrijft hoe men stukjes kokosnootschaal verkoolt. De hete brokjes worden met twee stokjes in het koude water gegooid en vervolgens tot een brij gekneed. Hiermee wrijft men de oppervlakken in. Groeven worden rechtstreeks met een stukje natte kool ingesmeerd. Rood zou worden gemaakt uit het gelatine-achtige bestanddeel dat zich rond abrus pecatorius-zaden bevindt. De steenrode kleur die men op oude panelen aantreft,-zou daarentegen afkomstig zijn van het aftreksel van een vlecht die uit de bast van een bepaalde plant werd gevlochten en waartussen toefjes haren van de kalong of grote vleermuis (Pteropus vampyrus) zijn gestoken. Volgens Sarasin wordt rood verkregen uit oker. Later gebruikte men soms ook de zaden van de Bixa orellana waaruit een helle rode kleurstof werd gewonnen. EB Lit. Sarasin 1929:140-46; Linton & Wingert 1946:78; Guiart 1953:14-34; 1963:252; Barbier 1977:98-100; Masques 1986:190-91; Stöhr 1987:284-87; Rodrigues 1990:24

Such panels were placed on both sides of the entrance of a men's or festive house. The panels would represent the ancestors and have a protective function. The horizontal strip across the head represents a headband that was actually worn by men, whereas the broad, flat nose refers to the practice of squeezing the nose at birth. [wood]


63


44. Masker, téin pidjopatch,gomawé, kaveureu Nieuw-Caledonië H. 28,5 cm B. 22 cm Hout Inv. nr GE 58.58

De traditionele kunst uit Nieuw-Caledonië omvat ook maskers die men tegenwoordig nog slechts in museumcollecties aantreft. Oorspronkelijk vond men hen enkel in het noordelijke deel van het grote eiland, meer bepaald ten noorden van de ingebeelde lijn die de plaatsen Poérihouen en Koné verbindt. In dit gebied werden ze téin pidjopatch, gomawé en kaveureu genoemd. Ze worden vereenzelvigd met watergeesten of geesten van belangrijke voorouders, alsook met vruchtbaarheid. In hun verscheidenheid van voorstelling zijn ze uiteindelijk te beschouwen als de incarnatie van eenzelfde mythisch wezen, namelijk Gomawe, en worden ze gezien als de bewakers van de moaro (zie ook cat. nr 43). Het masker is geen cultusobject en de drager wordt nooit als een belangrijke persoon beschouwd die men met buitengewoon respect bejegent. Drie personen spelen echter een belangrijke rol rond het masker. Naast de sculpteur is er degene die verantwoordelijk is voor het masker. Hij leeft geïsoleerd en moet bepaalde verbodsbepalingen in acht nemen. Hij is de man die in staat is de kracht van de geest (duée in de streek van Touho) te beheersen die met het masker is verbonden. Zoals de sculpteur, behoort ook hij tot een van de lineages die destijds het eiland innamen. Beide staan ze het masker af aan een leider die tot een later geïmmigreerde afstammingsgroep behoort. Het masker verkrijgt aldus een politieke dimensie. Wanneer de leider sterft, gaat het masker terug naar de verantwoordelijke en wordt het verbonden met de dodenrituelen. Wanneer ook deze persoon sterft, komt er een einde aan de functie van het masker. De optredens van de maskers zijn half-ritueel, halftheatermatig en luiden het einde van de pilou in (zie ook cat. nr 43). Het masker verschijnt op het einde van de dodenrituelen, meer bepaald op het ogenblik dat de voedselvoorraad bijna op is. Zijn taak bestaat erin de genodigden hierop attent te maken. Deze zijn de afstammelingen in moederlijke lijn die het voorrecht bezitten de fruitbomen om te hakken van de

64

afgestorvene die wordt herdacht, en om de sculpturen van de moaro te beschadigen of mee te nemen. De gemaskerde danser maakt zigzaggende bewegingen en is gewapend met een assegaai welke dient om al degenen die hij op zijn weg vindt aan te raken of zelfs licht te verwonden, en zodoende de verwanten aan te manen de pilou te beëindigen. Naar de vormgeving onderscheidt men twee grote ., typen, namelijk exemplaren die een zeer monumentale gekromde neus vertonen en objecten waarbij - zoals hier het geval is - het gelaatsdeel minder indrukwekkend is uitgewerkt. Beide zijn stilistisch verder onder te verdelen. De maskers zijn min of meer concaaf van vorm en doorgaans gesneden in een zachte houtsoort (doi). Kenmerkend is het benadrukken van de wenkbrauwboog. Meestal worden de stukken bedekt met een soort zwarte vernis van plantaardige oorsprong en nu en dan wordt rood en wit gebruikt om respectievelijk de mond en de tanden te kleuren. Het houten gelaatsdeel vertoonde oorspronkelijk een bolle bovenstructuur, vervaardigd uit menselijk haar dat werd vermengd met plantaardige vezels. Onder de kin werd een lange baard van vlechten vastgemaakt. Aan het masker werd eertijds een cilindrisch onderstel in vlechtwerk (tidi) gehecht dat op de schouders rustte. Het geheel werd zodanig over het hoofd geplaatst dat de danser door de mondopening moest kijken. De maskerdrager was verder gehuld in een mantel die ongeveer tot aan de knieën reikte. Deze bestond uit een groot gevlochten net met openingen voor de armen. In elke knoop van het net werden twee tot drie toefjes roodbruine veren van de notou-woudduif (Phaenorhina goliath Gray) vastgehecht door middel van snoeren uit bastvezels. Soms werden hieraan nog hanenveren toegevoegd. EB Lit. Sarasin 1929:236-38; Guiart 1953:21; 1963:253; Schmitz 1969:254-55; Barbier 1977:97-100; Rognon 1985:50

New Caledonian masks can ultimately be regarded as incarnations of a mythical being, Gomawe, and are considered to be the guardians of the men’s house. The mask appears when the death rituals draw to a dose, in order to notify the guests that the food is running out. Originally, the mask had a bulging superstructure made of human hair, and was worn by a dancer dressed in a netted costume. [wood]


65


45. Vogelkopknots Nieuw-CaledoniĂŤ L. 75 cm Hout Inv. nr GE 58.66

Speren, speerwerpers en knotsen zijn uit hard, roodbruin hout (meestal ijzerhout) vervaardigde wapens die men in heel Nieuw-CaledoniĂŤ aantrof. De objecten zijn steeds met zorg afgewerkt. Om het hout een glad oppervlak te geven, werd oorspronkelijk gebruik gemaakt van schelpen en kwartssplinters. Het polijsten gebeurde met gedroogde bladeren die een ruw oppervlak vertonen en afkomstig zijn van de arendsvaren. Dit was het geval met de vogelkopexemplaren, genoemd naar hun specifieke vormgeving. Dat het hier om de voorstelling van een vogelkop gaat, zou men merken aan de weergave van de ogen en van de kuif die boven over de knots loopt. EB Lit. Luquet 1926:20; Sarasin 1929:185; Phelps 1976:22728; Barbier 1977:100

Weapons of this type, made of hard wood and carefully polished, are referred to as 'bird-head clubs' because of the presence of what looks like a head with a crest. [wood]

66


46. Knots Nieuw-CaledoniĂŤ L.79 cm Hout Inv. nr GE 80.466.1

Sommige wapens uit Nieuw-CaledoniĂŤ, die ook op de Loyalty-eilanden worden aangetroffen, zijn bovenaan sferisch uitgewerkt. Kenmerkend is steeds de lichte tot sterke uitkraging onder de bolle vorm, waardoor het geheel een fallus-achtig voorkomen vertoont. De kleine verdikking van ca 10 cm lengte, onderaan de steel, is een typisch stijlkenmerk. Deze greep werd vaak omwikkeld met bast of stof, die door middel van kokosvezelsnoeren werd vastgehouden. Snoeren gemaakt van haren van de vliegende hond werden hieraan als versiering toegevoegd. Het bolvormige bovendeel van dit exemplaar kraagt naar onder toe sterk uit. Op de onderzijde ervan, en deels op de steel, is een ingegroefde versiering aangebracht. Ze is gevormd uit evenwijdige rijen van kleine incisies, waardoor de idee van een vlecht wordt opgeroepen. Het object, dat een bruine patina vertoont, is aan de kraag hier en daar beschadigd. EB Lit. Luquet 1926:20; Sarasin 1929:185; Phelps 1976:22728; Barbier 1977:100

This club has a bulging head and a circular protruding edge, giving the object a phallus-like appearance. The sight swelling at the bottom of the handle is typical of New Caledonian clubs. [wood]

67


47. Knots Nieuw-CaledoniĂŤ L. 75 cm Hout Inv. nr GE 58.69

Kenmerkend voor Nieuw-CaledoniĂŤ, alsook de Loyalty-eilanden, is dit type slagwapen dat bovenaan fallusvormig is uitgewerkt en een lichtgebogen greep vertoont die onderaan enigszins verbreedt. Bij de vetvaardiging van dergelijke knotsen werd veel zorg besteed aan de afwerking. Zo werd het hout geschraapt met mosselschelpen en kwartssplinters, vervolgens geschuurd met nat zand en ten slotte opgewreven met een bepaald soort kruid. EB Lit. Sarasin 1929:185

Found on both New Caledonia and the Loyalty Islands, this type of club shows a phallus-like top and a slightly bent handle. The clubs were very carefully finished, being scraped with shells, polished with sand, and rubbed with herbs. [wood]

68


48. Knots, vunikau Fiji-eilanden L. 107 cm Hout Inv. nr GE 58.63

De bovenzijde van deze knots - vunikau, soms ook dromu genoemd - is vervaardigd uit de hoofdwortel van een jonge boom. Hiervan werden de zijwortels weggesneden, zodat enkele stompen overbleven die de knots tot een geducht slagwapen maakten. De vervaardiging van knotsen was het werk van specialisten (matai ni malumu) die een grote vakkennis bezaten en hoog aanzien genoten. Het maken van een knots, dat met rituelen was omgeven, vormde een langdurig proces dat een aanvang nam met het creatieproces in de geest, en waarbij een vrij grote artistieke vrijheid aan de specialist werd toegekend. Vervolgens selecteerde men een geschikte boom. Aan de wortels daarvan werd soms jaren gewerkt vooraleer men de boom ontwortelde. Het gereedschap was eenvoudig en omvatte onder meer een hamer (ai tuki), gemaakt van het zeer harde nokonoko-hout (Casuarina equisetifolio). Om te snijden, te schrapen en te effenen, gebruikte men diverse schelpen. Sommige werktuigen waren voorzien van vissen- of rattentanden of ook de stekels van een zee-egel. Ais rasp gebruikte men het vel van de vleet (een vissoort). Het versieringspatroon dat de steel deels of geheel bedekt, is vrij uniform en bestaat uit ingesneden zigzaglijnen (tavatava), die door middel van verticale groeven van elkaar worden gescheiden. Door het contact met het Westen verdwenen de traditionele wapens. Dit proces verliep geleidelijk, daar de knots geen gewoon wapen was. Het voorwerp werd, naast zijn gebruik in de oorlogsvoering, beschouwd als een echt kunstwerk. Het was tevens een belangrijk rangteken, een symbool van manhaftigheid en een object geladen met mana of levenskracht. EB Lit. Clunie 1977:57; Ewins 1982:32

Clubs of this type were made out of the main root of a young tree whose side roots were cut off, leaving stubs on top of the weapon. Clubs were used in warfare, but Were also considered insignia of rank, symbols of manliness, and items charged with mana or life force. [wood]

69


49. Knots, totokia Fiji-eilanden L. 89 cm Hout Inv. nr GE 58.65

De totokia is een geducht slagwapen dat, wat zijn vorm betreft, geïnspireerd zou zijn op de vrucht van de pandanus- boom. Deze snavel-vechthamer vertoont een cilindervormige bekroning waaruit een scherpe, lange kegelvorm steekt, die in zeldzame gevallen van walvistand is gemaakt. Het wapen werd vervaardigd uit een jonge boom die men omboog en parallel met de bodem liet groeien. Het object dat hieruit ontstond, en waarvan het pinvormige uitsteeksel uit de hoofdwortel werd gesneden, was - door de kromming van het hout - uiterst resistent. Dergelijke knotsen werden gebruikt in twee soorten oorlogsvoering. De ene soort betrof de strijd tussen twee leiders, die gepaard ging met grootschalige campagnes en pas beëindigd werd wanneer één van beiden was gesneuveld. Daarnaast waren er de kleinschalige schermutselingen, die onder meer tot doel hadden het individuele prestige van de krijger te verhogen. Afhankelijk van het aantal gedode vijanden, kreeg de krijger en de knots die hij gebruikte een specifieke titel. Hoe meer individuen hij velde, hoe roemrijker de krijger werd. Dit impliceerde dat hij op het militaire vlak bedreven moest zijn, doeltreffende wapens diende te bezitten en over veel mana of levenskracht moest beschikken, die hij via talrijke rituelen kon verwerven. EB Lit. Force & Force 1971:161; Tippett 1968:45-76; Clunie 1977:55; Ewins 1982:37

The shape of this type of club is said to be inspired by the fruit of a pandanus tree. The weapons were produced from young trees that were made to grow horizontally, with the pointed head being carved out of the main root. The clubs were used both in battles between two leaders and in skirmishes which were to heighten the warrior's prestige. [wood]

70


50. Knots, i ula tavatava Fiji-eilanden L. 41,2 cm B. 11,2 cm Hout Inv. nr GE 58.70

De oorlogsvoering op Fiji was inherent verbonden met de politieke en sociale organisatie, en niet in het minst met de religieuze opvattingen. Kenmerkend voor deze eilandengroep is de grote verscheidenheid aan wapens, die niet alleen werden aangewend tijdens gevechten, maar waarvan sommige typen ook dienst deden tijdens bepaalde rituelen of ceremoniële dansen, Een karakteristiek wapen, dat tussen lichaam en gordel werd gedragen, was de i ula tavatava. Het werd hoofdzakelijk als werpwapen gebruikt, maar indien nodig evenzeer als knuppel. Het object werd vervaardigd uit de stam en de hoofdwortel van een jonge boom en Vermont, naast een korte greep, een bolvormige bekroning. De knotsen komen in museumverzamelingen in verschillende typen voor, waarbij het verschil gelegen is in de uitwerking van de bekroning. Het eenvoudigste type is dat met een onversierd bol bovenstuk (i ula drisia). De i ula tavatava daarentegen is bovenaan cilindervormig en voorzien van een lobvormige versiering in reliëf, waarbij het aantal lobben kan variëren. Centraal steekt de bolle kop uit, die aan zijn basis omgeven is door een fijne band in reliëf met daaromheen soms nog een ingesneden zigzagmotief. EB Lit. Tippet 1968:36; Clunie 1977:63; Ewins 1982:25-28

Weapons of this type were mainly used as throwing weapons, but also as clubs. Warfare in Fiji was linked not only to political and social organisation, but also to religious views. [wood]

71


51. Knots Nieuw-Brittannië, zuidkust L. 54 cm B. 6cm Hout Inv. nr GE285 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

De zwart gekleurde knots met driehoekig slaggedeelte vertoont onderaan een rond, spits toelopend dement dat als handvat dienst deed. Aan beide zijden van het voorwerp bevindt zich in liet centrale deel een ovaalvormig element in reliëf. De knots werd verzameld aan de zuidkust van Nieuw-Brittannië en is wellicht meer bepaald afkomstig uit het zuidoostelijke kustgebied van het eiland. Daar worden door Parkinson gelijksoortige exemplaren gesitueerd die evenals de hier besproken knots een ovaalvormig reliëf vertonen en voor het overige onversierd zijn. Hoewel dergelijke wapens soms „werpknotsen” worden genoemd (waarschijnlijk op grond van de overeenkomst met de Australische boemerang), lijkt Parkinson te suggereren dat het hier handwapens betreft. Hij voegt eraan toe dat daar waar de kleinere exemplaren met één hand kunnen worden gebruikt (zoals hier het geval lijkt), men voor de grotere types beide handen nodig heeft. This dub was collected along the south coast of New Britain, perhaps in the southeastern region, where Parkinson locates this type of hand weapon, having an oval-shaped element in the central part of the otherwise unadorned

WD Lit. Parkinson 1907:230-31; Buschan 1923: Tafel III, fig.7

object. [wood]

72


52. Hoofddeksel Nieuw-Brittannië, zuidkust H. 28 cm Diam. 20 cm Veren, vezels, coix-zaden Inv. nr GE 273 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx &Van Damme 1993:33, fig.13

Rond het gevlochten kegelvormige hoofddeksel werd aan de buitenzijde spiraalsgewijs een dunne vlecht van vezels aangebracht. Hieraan zijn, op min of meer gelijke afstand, in hoofdzaak roodkleurige veren vastgemaakt, waarvan de pennen ieder gevat zitten in twee coix-zaadjes. Aan de onderkant van het object is een zeer fijn getorst snoertje bevestigd. Het hoofddeksel werd verzameld aan de zuidkust van Nieuw-Brittannië, een gebied waarover relatief weinig etnografische gegevens beschikbaar zijn. Aan de zuidoostkust wonen onder meer de Sulka. Uit de gegevens die Parkinson verstrekt, blijkt dat de Sulka bij verschillende ceremoniële gelegenheden, zoals besnijdenis en huwelijk, het lichaam tooiden met allerlei sieraden, waaronder armbanden en halssieraden. Van het gebruik van hoofddeksels wordt echter geen melding gemaakt.

WVD Lit. Parkinson 1907:175-201; Stöhr 1987:136

This plaited head gear, covered with feathers inserted in coix seeds, was collected along the south coast of New Britain, a region not very well documented ethnographically. Like other objects such as armbands and necklaces the head gear may have been worn to adorn the body at ceremonial occasions, including circumcision and marriage. [feathers, fibre, coix seeds]

73


53. Halskraag, middi Nieuw-Brittannië, Gazelle-schiereiland, Tolai Diam. 41 cm Nassa camelus-schelpen, kraaltjes, rotan, vezels Inv. nr GE 583 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:27, fig.4

De kraag bestaat uit drieëntwintig ringvormig gebogen rotanspanen waaraan nassa camelus-schelpen werden bevestigd. De spanen met schelpen zijn bovenaan samengebonden door vezeltouw. Aan de achterzijde van de kraag werden drie blauwe kraaltjes aangebracht. Het voorwerp is afkomstig van de Tolai, die het Gazelle-Schiereiland in het noordoosten van NieuwBrittannië bewonen. Traditioneel wordt de Tolaimaatschappij in grote mate beheerst door de zucht naar geld in de vorm van geschuurde en gebleekte schelpen van de nassa camelus (meer bepaald de afgeslagen onderzijde van de schelp, die een natuurlijke perforatie vertoont). De schelpen werden van grote afstanden aangevoerd en vertegenwoordigden aldus een aanzienlijke waarde. De kragen waarin men de schelpen verwerkte, werden om de hals gedragen, waarbij het voorwerp min of meer horizontaal op de schouders rustte. Daar het merendeel van de bekende kragen slechts uit twee of drie rijen schelpen bestaat, mag worden aangenomen dat aanmerkelijk grotere exemplaren, zoals het hier besproken voorbeeld, het eigendom waren van rijke en - daardoor - vooraanstaande lieden onder de Tolai. WVD Lit. Stöhr 1987:143-44; Heermann & Menter 1990:21-22, 105,145

The Tolai, living in the northeastern part of New Britain (Gazelle Peninsula), attach great value to nassa camelus shells, which are brought in from great distances. Collars made of nassa shells, like this relatively large example (which has three blue beads at the back), are worn around the neck, resting on the shoulders in a more or less horizontal fashion. [nassa camelus shells, beads. rattan cane. [fibre]

74


75


54. Antropomorf helmmasker, tatanua Nieuw-Ierland H. 29 cm L.40 cm B. 23,5 cm Hout, deksel van een turbo-slak, vezels, rotan, boombast Inv. nr GE 1307 Aankoop Mus. f. Volk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:200-02, fig. 5-7; Burssens, Bruyninx & Van Damme 1992:27

Tatanua-maskers worden door mannen gedragen tijdens dodenfeesten en malagan-ceremonïën. Deze malagan-ceremoniën zijn langdurige herdenkingsplechtigheden die gehouden worden ter ere van de fysieke en mythische voorouders, en waaraan steeds de jongensinitiatie is verbonden. De malagan heeft niet alleen een religieuze, maar ook een sociale en economische functie. De benaming tatanua houdt verband met het levensprincipe dat bij het overlijden het lichaam verlaat. De helmmaskers refereren aan de voorouderlijke geesten en zouden zelfs individuele afgestorvenen voorstellen. Het masker-kapsel (a mulai) is geïnspireerd op de hoofdtooi van mannen die tijdens de rouwperiode het haar laten groeien en het verven om het vervolgens, juist voor het dodenfeest plaatsgrijpt, boven de oren weg te scheren. Volgens Parkinson zou in het masker het mannelijke schoonheidsideaal tot uitdrukking komen. De schoonheidscriteria omvatten, naast de kamvormige haartooi, een brede, vooruitspringende en grote neus, langgerekte oren met doorboorde oorlellen, met kalk ingestreken en soms samengebonden bakkebaarden, en een grote mond met een goedgevormd gebit. De aangewende kleuren, namelijk zwart, wit, roodbruin en geel, worden geassocieerd met mannelijke kracht en macht en zijn aldus ook verbonden met krijgsverrichtingen, magie en hekserij. Typisch is het gebruik van het deksel (operculum) van een bepaalde zeeslak (Turbo petholatus) voor de weergave van de ogen. De tatanua zijn dansmaskers, die door de dragers over het hoofd worden gestulpt. De kledij van de gemaskerde bestaat verder hoofdzakelijk uit boombast en bladeren. Over de aard van de dansen die worden uitgevoerd is weinig bekend. Er zouden drie soorten bestaan, namelijk speer-, vis- en erotische dansen. De optredens worden begeleid door gezang van de toeschouwers en door een houten trom en/of stukken bamboe waarop men met een stokje slaat. Of de tatanua al dan niet in het geheim worden vervaardigd, blijft in de literatuur een open vraag, maar

zeker is dat iedereen de maskers bij hun optreden mag bewonderen. Nadien, en in tegenstelling tot sommige andere houtsculpturen, worden ze in „maskerhuizen” bewaard tot ze bij een volgende gelegenheid weer worden opgefrist en herbruikt. EB Lit. Parkinson 1907:658; Olbrechts 1935:199-203; Helfrich 1973:20-26; Bodrogi 1987:25,30; Clay 1987:6667; Stöhr 1987:164-65

Tatanua masks of northern New Ireland are performed during funerary festivities and on the occasion of the malagan, a series of commemorative ceremonies for the deceased with religious as well as social and economic dimensions. The word tatanua refers to a vital principle which leaves the body at death, and masks bearing this name are said to refer to the deceased. The hairdo of the masks is inspired by the coiffure of men who have their hair grown during the period of mourning, and shave it above the ears, just before the beginning of the ceremonies. The eyes of the masks are rendered by the cap (operculum) of a certain sea snail (Turbo petholatus). After their public performance, the masks are kept in special houses to be re-used at some future occasion. [wood, turbo snail cap, fibre, rattan cane, bark]

76


77


55. Houten helmmasker, dudul Nieuw-Ierland H. 49 cm L. 29 cm B. 19,5 cm Hout, rotan, katoenweefsel, biesmerg, vezels, turboslakdeksel, parinarium -pasta Inv. nr GE 1291 Aankoop Mus. f. Völk, Berlijn, 1905

In het noorden van Nieuw-Ierland zijn heel wat typen maskers te onderscheiden (zie ook cat. nr 54). De exemplaren worden uit zacht hout gesneden, voornamelijk uit de Alstonia villosa en de Alstonia scholaris, een boomsoort gelijkend op de Europese linde. Men maakte oorspronkelijk gebruik van stenen bijlen en van gereedschap dat vermoedelijk voorzien was van een stuk schelp en/of haaientanden. De afwerking gebeurde met stukken grove huid van roggen of haaien. Vanaf ca 1850 wordt het traditionele gereedschap onder Europese invloed vervangen door geïmporteerde ijzeren werktuigen. Een bepaald type masker in Nieuw-Ierland heet dudul. Het betreft de voorstelling van een uil. De grote, in reliëf gesculpteerde oogstreek en de snavel wijzen hierop. Het gedroogde merg van biezen dat het masker bedekt, bootst de veren van de vogel na. Of de uil een zogeheten totemdier is, kan uit de literatuur niet worden opgemaakt. Wei is zeker dat het hier om een dansmasker gaat dat tijdens de initiatie optreedt en waarbij de danser gedeeltelijk in bladeren is gehuld. De dans wordt door twee rijen maskerdragers uitgevoerd. Sommige dansfiguren worden onder monotoon gezang opgevoerd, waarbij men met de armen trage, op- en neerwaartse bewegingen maakt die de zware vleugelslag van de uil moeten nabootsen.

Een sterk gelijkend uilmasker bevindt zich in het Museum für Völkerkunde te Berlijn. Het werd door Scharf en Kayser verzameld op de noordwestkust van Nieuw-Ierland (dit is het gebied waar dit type het meest voorkwam) en in 1904 onder het nummer VI 23 435 in de inventaris ingeschreven. Volgens Helfrich behoort het exemplaar tot het type 12 A.e. van de classificatie die hij voor de maskers opstelde. Het masker uit de Gentse verzamelingen is zowel wat vormgeving als wat materiaalgebruik betreft dusdanig verwant met het Berlijnse exemplaar dat men kan stellen dat het uit hetzelfde atelier afkomstig is, en misschien wel van de hand van dezelfde sculpteur is. EB Lit. Helfrich 1973:35-36, 128, fig. 112; Bodrogi 1987:25

One type of mask performing during initiation ceremonies in northern New Ireland is called dudul and represents an owl. When dancing, the maskers include slow movements that imitate the heavy wingbeat of the animal. The Berlin Museum für Völkerkunde has a mask, collected in or before 1904 on the northwest coast of New Ireland, that strongly resembles this one, and which may be from the same workshop or even the same carver. [wood, rattan cane, cotton fabric, rush pith, fibre, turbo snail cap, parinarium paste]

78


79


56. Borstsieraad, kapkap Nieuw-Ierland Diam. 6,9 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal Inv. nr GE 159 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:192, fig., 1, nr 3; Bruyninx & Van Damme 1993:9, fig. 1

De Nieuwierlandse kapkap’s, evenals die van Lavongai, behoorden door hun technisch verfijnde uitwerking tot de mooiste die men in Melanesië aantrof. Een kapkap is gemaakt uit twee delen, namelijk een ronde schijf van geslepen en gepolijste tridacna-schelp (Tridacna gigas) met een doorsnede variërend van 3 tot 15 cm, en een iets kleiner, dun en zeer fijn cirkelvormig ornament van schildpadschaal. Beide delen zijn in het midden doorboord en samengehecht door middel van een dun touwtje dat voor het ornament is geknoopt. De belangrijkste productiecentra trof men aan in het noorden van Nieuw-Ierland. De ateliers waren in hoofdzaak te vinden op de eilanden Tanga en Feni, en vermoedelijk ook op Simberi en Tabar. Het verspreidingsgebied van de hier vervaardigde producten strekte zich uit tot in bepaalde delen van Zuid-Nieuw-Ierland en verder over Nissan tot op de Salomonseilanden. EB Lit. Finsch 1914:86; Reichard 1933:88-106

Together with those of Lavongai, the technically refined examples of New Ireland are among the most beautiful kapkap in Melanesia. A kapkap, worn on the chest, is made of a round and polished piece of Tridacna gigas shell to which is attached a smaller and very thin ornament made of turtle-shell. The objects were mainly made in the northern part of New Ireland (especially the islands of Tanga en Feni) and were spread to the southern part of the island, and even beyond, to the Solomon Islands. [Tridacna shell, turtle-shell]

80


57. Borstsieraad, kapkap Nieuw-Ierland Diam. 6,4 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal Inv. nr GE 162 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:192, fig. 1, nr 1; Bruyninx & Van Damme 1993:11, fig. 2

Over de vervaardigers van kapkap-sieraden en over de techniek van het aanmaken is vrijwel niets bekend. Men vermoedt dat het schildpadornament en de tridacna-schijf niet door dezelfde ambachtslui werden gemaakt. Het vervaardigingsproces zou door onderzoekers echter nooit zijn waargenomen. De kapkap’s werden in de periode rond 1890 - toen westerlingen melding begonnen te maken van deze voorwerpen nog maar zelden gemaakt en het traditionele gereedschap was toen reeds door geïmporteerd ijzeren alaam vervangen. In het algemeen, en niet specifiek voor de bewerking van tridacna, vermeldt de literatuur het gebruik van slijpstenen, stukken koraal die dienst deden als vijlen, boren uit bamboe en verder ook draai-, pomp- en drilboren voorzien van een punt van kiezelsteen of een haaientand. Het hier afgebeelde object bestaat uit een cirkelvormige, gepolijste tridacna-schijf en een ajour-uitgewerkt schildpadornament met getande buitenrand. Een bandversiering met geguillocheerd patroon omvat het centrale motief, dat is opgebouwd uit een cirkelvormig element en vier kruisvormig geplaatste spitsovalen, die elk een dwarse versiering vertonen. EB Lit. Finsch 1914:151-52

Hardly anything is known about the producers of the kapkap and the working methods they employed. It is assumed that the tridacna shell and the ornament of turtle-shell were made by different types of craftsmen, using such traditional tools as grindstones and several types of braces with a point made of pebble stone or shark teeth. [Tridacna shell, turtle-shell]

81


58. Borstsieraad, kapkap Nieuw-Ierland Diam. 11,4 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal, vezeltouw Inv. nr GE 157 Aankoop Mus. f. Völk , Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:192, fig. 1, nr 6; Bruyninx & Van Damme 1993:13, fig.3

Wat de bewerking van de schildpadschaal betreft, weet men inzake Nieuw-Ierland alleen dat gebruik werd gemaakt van een dierentand, vermoedelijk de tand van een haai. Zoals in het noorden van Nieuw-Brittannië, wijst alles erop dat de zeer bedreven Nieuwierlandse ambachtslui voor de vervaardiging van het ornament de voorkeur gaven aan de karetschildpad (Caretta imbricata). Het meest geschikt is het rugpantser dat in tegenstelling tot de andere, dunnere of smallere hoorngele pantserdelen - een mooie gemarmerde bruine kleur heeft. Door middel van een warmtebron (heet water of vuur) zou het stuk schildpadschaal week zijn gemaakt, om nadien in een vorm geperst en vervolgens afgekoeld te worden. Pas dan kon men de opengewerkte versiering aanbrengen. Het ornament in schildpadschaal ligt op een witte, ronde, geslepen en gepolijste schijf uit tridacna-schelp, die in het centrum is doorboord. Beide delen van het sieraad zijn met elkaar verbonden door middel van een dun touwtje dat aan de voorzijde is geknoopt. Het ornament is radiaalsymmetrisch en heeft een getande omtrek. Het is opgebouwd uit drie bandmotieven, waarvan de twee buitenste een zigzagpatroon vertonen. Het derde is versierd met een reeks ellipsen en dwarsgeplaatste elementen die, in de richting van het centrum van de schijf, verbonden zijn met een cirkelvormige band. Het centrale motief is gevormd uit een cirkelelement en vier kruisvormig geplaatste ellipsen. EB Lit. Finsch 1914:139-42; Stöhr 1987:172-74

In producing turtle-shell ornaments, New Ireland craftsmen appear to have preferred the back shell of a certain type of turtle (Caretta imbricata) which was softened by means of heat (fire or hot water) and then pressed into a form. After cooling down, the turtle-shell was worked upon with finely pointed tools. [Tridacna shell, turtleshell, fibre]

82


59. Borstsieraad, kapkap Nieuw-Ierland Diam. 13 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal Inv. nr GE 158 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:192, fig. 1, nr 5; Bruyninx & Van Damme 1993:15, fig.4

Kapkap’s vervulden een belangrijke functie als ruilobject en werden tevens als waardevol familiebezit beschouwd. We hebben hier te maken met mannensieraden, zij het dat kleine exemplaren ook wel door vrouwen werden gedragen. In de recente literatuur wordt naar de kapkap verwezen als een insigne dat werd verleend aan een maimai of redenaar-heraut. Over de eigenlijke betekenis van deze borstsieraden tast men echter nog in het duister. De hier besproken kapkap is op de zelfde wijze samengesteld als die van cat. nr 58. Het schildpadornament vertoont zigzagbandmotieven, van elkaar gescheiden door een ring, Vier dwarsliggende elementen, die op ongeveer gelijke afstand van elkaar zijn geplaatst, vormen de verbinding, Het centrale motief is opgebouwd uit een rond schijfje dat met vier kruisvormig gerichte ellipsen, voorzien van een dwarselement, aan het zigzagbandmotief is gehecht. EB Lit, Stöhr 1987:172-74

Kapkap ornaments, mainly worn by men, served as objects of exchange and were considered valuable family property. In the more recent literature, the kapkap are thought of as insignia that were accorded to a maimai, or orator-herald, but their ultimate meaning remains unclear. [Tridacna shell, turtle-shell]

83


60. Borstsieraad, kapkap Lavongai Diam. 5,3 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal, polydonta-slak Inv. nr GE 166 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:193, fig.2, nr 12

Vijf kapkap's uit de Etnografische Verzamelingen van de Universiteit Gent vertonen in vergelijking met de andere exemplaren een afwijkend versieringspatroon. Het hier afgebeelde voorwerp is afkomstig van het eiland Lavongai (het voormalige Duitse Neu Hannover), dat te situeren is ten noorden van NieuwIerland. De gepolijste tridacna-schijf en het ornament uit schildpadschaal zijn in het midden doorboord. Een donkerbruine knoop gemaakt van het deksel van een polydonta-slak houdt beide delen samen. Het ornament is opgebouwd uit een cirkelvormige kern en een kruisvormig motief dat ajour is uitgewerkt.

EB Lit. Reichard 1933:88-106

On the basis of its decorative pattern and the use of a button made of a polydonta snail cap to hold the two parts of the object together, this kapkap is considered to originate from the island of Lavongai, situated to the north of New Ireland. [Tridacna shell, turtle-shell, polydonta snail cap]

84


61. Borstsieraad, kapkap Lavongai Diam. 6 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal, polydonta-slak Inv. nr GE 161 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:193, fig. 2, nr 14; Bruyninx & Van Damme 1993:17, fig. 5

Op de grote gepolijste tridacna-schijf ligt een ajouruitgewerkt schildpadornament met een vrij ongelijk getande buitenrand. Het ornament is verder opgebouwd uit twee concentrische bandjes, die met elkaar verbonden zijn door zestien dwarsgeplaatste elementen. Centraal treft men een kruisvormig motief aan, gevormd uit vier gelijkbenige driehoeken die elkaar aan de top raken. Op grond van de technische afwerking en de gebruikte motieven is het object vermoedelijk afkomstig van Lavongai. Ook het gebruik van een knop gemaakt van het deksel van een polydonta-slak in het centrum van het object zou typisch zijn voor dit eiland. In tegenstelling tot de Nieuwierlandse exemplaren, worden de kapkap's van Lavongai gekenmerkt door een ruwere afwerking van het schildpadornament en een minder zorgvuldig gepolijste tridacna-schijf. EB Lit. Reichard 1933:88-106

In addition to the decorative pattern and the use of a polydonta snail cap, the relatively crude finish of the turtle-shell ornament and the less carefully polished tridacna shell disc, point to a Lavongai origin. [Tridacna shell, turtle-shell, polydonta snail cap]

85


62. Borstsieraad, kapkap Lavongai Diam. 3,7 cm Tridacna-schelp, schildpadschaal Inv. nr GE 170 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Olbrechts 1935:193, fig. 2, fig. 8

Het schildpadornament op de tridacna-schijf is opgebouwd uit drie concentrisch geplaatste banden waarvan de buitenste is getand. Ze zijn op regelmatige afstand vijfmaal met elkaar verbonden. Het centrale deel is relatief groot en vertoont een ruitvorm met naar binnen gebogen zijden, die zijn opgebouwd uit twee evenwijdige bandjes. Het midden van elke zijde is met de omliggende cirkelvormige band verbonden door twee evenwijdig lopende fijne elementen van schildpadschaal. Midden in het ruitvormig motief ligt een doorboorde rechthoek waardoor een dun touwtje loopt dat de tridacna-schelp en het schildpadornament samenhoudt. Het touw is voor het schildpadornament geknoopt. Hoewel het ruitmotief ook op Nieuwierlandse exemplaren voorkomt, moet de herkomst van deze kapkap op Lavongai worden gesitueerd. Argumenten hiervoor zijn niet alleen de vrij ruwe uitwerking, maar vooral ook de combinatie van de ruit met de overige versieringselementen. Op Nieuw-Ierland is het ruitmotief immers door andere decoratie-elementen omgeven, bijvoorbeeld door een zigzagbandmotief en een reeks ajour-uitgewerkte ellipsen. EB Lit. Olbrechts 1935:197

In New Ireland kapkap, the diamond-shape is normally surrounded by other decorative elements than can be seen here. Together with the more crude finish, this suggests that the object originates from Lavongai. [Tridacna shell, turtle-shell]

86


63. Sierkam, zili Sint-Matthias-eilanden, eiland Mussau H. 48 cm B. 18,5 cm Hout, vezels, kalk Inv. nr GE 210 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:35, fig.14

De kam werd verzameld op Mussau (Sint-Matthias), een van de twee grootste eilanden - met Emira - van de Sint-Matthias-groep. Deze eilanden zijn te situeren op een honderdtal kilometer ten noorden van Lavongai en behoren tot de uitgestrekte Bismarck-archipel. Sierkammen werden op de Sint-Matthias-eilanden door mannen gedragen tijdens dansfeesten. De kammen werden schuinstaand in het haar gestoken, in de lengte van het hoofd en achter de oren. Kammen met een vormgeving als deze komen uitsluitend voor op de Sint-Matthias-groep. WVD Lit. Parkinson 1907:322-24; Stรถhr 1987:194; Heerman & Menter 1990:108, fig. 54, 146

The style of this ornamental comb, worn diagonally on the head by men during dances, is found only on the St. Matthias Islands, situated some 100 km north of Lavongai in the Bismarck Archipelago. [wood, fibre, lime]

87


64. Waterfles Admiraliteitseilanden, eiland Manus H. 27 cm B. 12,1 cm Kokosnootschaal, bamboe, vezels, parinarium-pasta, kalk Inv. nr GE 304 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx en Van Damme 1993:45, fig.19

Deze waterfles werd verzameld op „Taui”, een van de verschillende benamingen - naar Thilenius vermeldt gaat het om de autochtone benaming - die vroeger werden gehanteerd om te verwijzen naar Manus, het hoofdeiland van de Admiraliteitseilanden. Manus is tevens de naam van een van de drie etnieën die de eilanden bevolken. De twee andere bevolkingsgroepen zijn de Usiai (of Ussiai) en de Matankol (of Matankor). Men neemt aan dat het niet zozeer de Manus, als wel de Usiai en vooral de Matankol zijn geweest die de materiële cultuur van de Admiraliteitseilanden hebben voortgebracht. De waterfles is vervaardigd uit twee roodbruin beschilderde kokosnootschalen die aan elkaar werden bevestigd door middel van parinarium-pasta. Deze pasta of kit, ter plaatse aangeduid met arit of gelijksoortige benamingen, wordt bereid uit de gestampte vruchten van de Parinarium laurinum en is hier aangebracht in de vorm van een reliëfband met daarop geometrische motieven. Deze bestaan uit zwartgekleurde vlakken en uitgesneden delen die met kalk zijn opgevuld. Ook aan de voet van de hals - die is vervaardigd uit een stuk bamboe, omwikkeld met touw - bevinden zich geometrische motieven in zwart en wit op verdikkingen van parinarium. De pasta, vaak door middel van betelspeeksel rood gekleurd, werd in zachte toestand op het object aangebracht. Alvorens de massa zich verhardde, sneed men de geometrische motieven in.

This water bottle, collected on „Taui" or Manus, the largest of the Admiralty Islands, is made of two halves of

WVD Lit. Thilenius 1903:110; Finsch 1914:319; Nevermann 1934:225; Bodrogi & Ticsler 1982:149-51; Stöhr 1987:191-92

a coconut in which a hollow bamboo stick is inserted. The coconut halves as well as the bamboo stick are fixed by means of parinarium paste, made from berries of the Parinarium laurinum. Geometric designs, filled with lime, were ingraved into the paste before hardening. [coconut, bamboo, fibre, parinarium paste, lime]

88


65. Kom Admiraliteitseilanden, eiland Manus H.19,5 cm B. 62 cm Hout Inv. nr GE 1489 Aankoop Mus. f. VĂślk., Berlijn, 1905

Wat kommen of schalen betreft, staan de Admiraliteitseilanden vooral bekend vanwege de exemplaren met figuratief uitgewerkte handvatten. Zowel deze laatste als meer eenvoudige voorbeelden dienden voor het bewaren, bereiden en opdienen van etenswaren. Houten schalen golden daarbij als prestigeuzer dan gevlochten vaatwerk. De voorwerpen werden dan ook bij allerlei feestelijke en plechtige gelegenheden aangewend als inhoudsvaten, niet alleen voor vast en vloeibaar voedsel, maar bijvoorbeeld ook om betelnoten of een schedel van een voorouder te bevatten. Rondom de hier afgebeelde halfbolvormige kom, die rust op vier cilindrische pootjes, loopt aan de bovenzijde een band in laagreliĂŤf. Deze bestaat uit twee parallel lopende randen en wordt op zeven plaatsen onderbroken door een ingesneden motief. De motieven vallen uiteen in twee groepen. De eerste groep wordt gevormd door vier motieven waarin men, in het uitgespaarde gedeelte, een gestileerde vogel zou kunnen herkennen, met een kop, uitgespreide vleugels en een waaiervormige staart (vgl. de motieven links en rechts

op de nrs 31 en 32 van Reichards Plate IX). De tweede groep bestaat uit drie motieven - waarvan een niet is afgewerkt - met in het centrum een uitgespaarde, enigszins ovale ruitvorm. Ze vertonen overeenkomsten met de door Reichard op Plate VI afgebeelde motieven nrs 13-17, met name nr 16. Het motief wordt door Reichard met enig voorbehoud geĂŻnterpreteerd als een gestileerde antropomorfe voorstelling. WVD Lit. Thilenius 1903:143; Parkinson 1907:359; Reichard 1932: PI.VI, IX; Ohnemus 1996:205

Wooden bowls from the Admiralty Islands were employed to preserve, prepare, and serve food, and were used especially during festivities and at ceremonial occasions. In addition to food, they might contain such items as betel nuts or ancestor skulls. Around the rim of the bowl illustrated here, there is a band in low relief showing seven incised geometric designs, some of which could be interpreted as representing a stylized bird. [wood]

89


66. Lepel Admiraliteitseilanden, eiland Manus H. 20 cm B.11 cm Hout, kokosnootschaal, parinarium-pasta Inv. nr GE 286 Aankoop Mus. f. VĂślk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:47, fig. 20

Dit op Manus verzamelde gebruiksvoorwerp deed dienst als lepel of (water)schep. Het lepelblad van dergelijke objecten is vervaardigd uit kokosnootschaal. Hieraan is door middel van parinarium-pasta een aan de onderzijde gepunte steel of greep bevestigd, die op uiteenlopende manieren kan worden versierd. Vaak zien we, zoals hier, een brede, platte steel die ajour is uitgewerkt en bestaat uit verschillende geometrische motieven. De steel kan daarentegen ook volplastisch antropomorf zijn. Sommige abstract aandoende grepen worden tegen deze achtergrond wel geĂŻnterpreteerd als stileringen van - soms in profiel weergegeven - menselijke figuren. Bij de geometrisch versierde grepen zijn de liggende maansikkel en de ruitvorm regelmatig terugkerende elementen, die we hier aantreffen aan de bovenzijde van de steel. WVD Lit. Thilenius 1903:136-37, 299-300; Nevermann 1934:183; Guiart 1963:321, fig.320; Kaufmann 1980: fig. 189-194

The handle of this spoon or water shovel from Manus is fixed to the coconut bowl by means of parinarium paste. The handles of Admiralty Island spoons may show a variety of geometric designs, in addition to anthropomorphic ones, regularly comprising, as in this case, a crescent moon shape and a lozenge. [wood, coconut, parinarium paste]

90


67. Antropomorfe amulet Admiraliteitseilanden, eiland Manus L. 47 cm B. 4,2 cm Hout, fregatvogelveren, koeskoestanden, kraaltjes, vezels, parinarium-pasta Inv. nr GE 211 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

Dergelijke objecten werden door mannen in de nek gedragen, vooral gedurende krijgstochten, alsook tijdens (oorlogs)dansen. Ze zouden hebben gefungeerd als amuletten die de krijger dienden te beschermen tegen aanvallen in de rug. De voorwerpen werden tevens in verband gebracht met overleden nauwe verwanten, die werden verondersteld hun nazaten moed en kracht te schenken in de strijd. Het belang dat aan de oorlogsamuletten werd gehecht, blijkt onder meer uit het feit dat zij vaak worden afgebeeld op vrijstaande mannelijke voorouderbeelden van de Admiraliteitseilanden. De vervaardiging van de amuletten wordt regelmatig toegeschreven aan de Matankol. Via de handel kwamen vervolgens ook de andere bevolkingsgroepen van de archipel in het bezit van dergelijke voorwerpen. Het gesculpteerde hoofd vertoont omrande ogen, een lange, tamelijk scherpe neus met een doorboord septum, en een relatief grote, openstaande mond. De oren zijn groot weergegeven, waarbij de nadruk ligt op de uitgerekte oorlellen, die niet volledig zijn geperforeerd maar slechts uitgehold. De bovenzijde van de schedel is doorboord en door de opening is een touwtje aangebracht. Aan de onderzijde van het hoofd bevindt zich een extensie waaraan door middel van parinariumpasta een reeks fregatvogelveren is bevestigd. Over de pennen van de veren is een band aangebracht, die bestaat uit strengen van hoofdzakelijk blauwe, daarnaast ook witte en rode kraaltjes, waartussen koeskoestanden zijn bevestigd. WVD Lit.: Fortune 1965:103; Barbier 1977:76; Bodrogi & Tiesler 1982:151; Stรถhr 1987:190,369 Objects like this, consisting of a carved human head to which are attached frigate bird feathers, were worn by Admiralty Islands men during fights or in (war) dances. The objects were related to the ancestors and served as a kind of amulet intended to protect the warrior from attacks from behind, and would give him courage in battle. [wood, frigate bird feathers, fibre, beads, cuscus teeth, parinarium paste]

91


68. Dolk Admiraliteitseilanden, eiland Manus L. 39,5 cm B. 4,5 Hout, obsidiaan, kraaltjes, vezels, parinarium-pasta Inv. nr GE 188 Aankoop Mus. f, Völk,, Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:43, fig. 18

Op de overgang tussen het lemmet van obsidiaan en het houten gevest werd parinarium-pasta aangebracht. Door gebruik te maken van roodbruine en zwarte kleurstof, en verder kraaltjes en vezels die in de nog natte pasta werden gedrukt, werd tussen lemmet en handvat een geometrisch patroon gecreëerd. Het houten gevest zelf, dat een verdikking laat zien, vertoont eveneens geometrische motieven. Er is wel gesuggereerd dat dergelijke versieringen teruggaan op zoömorfe voorstellingen, zoals de fregatvogel en de hagedis, die niet meer als zodanig te herkennen zijn. Op sommige dolken van de Admiraliteitseilanden valt een gestileerd gezicht te herkennen, soms in de vorm van een driehoek. Het gevest kan ook uitgewerkt zijn als een volplastische antropomorfe figuur. De typische roodbruine kleur die veel objecten van de Admiraliteitseilanden kenmerkt, werd verkregen op basis van roodijzersteen (hematiet). Pyrolusiet (mangaandioxide) fungeerde als grondstof voor zwart, terwijl men voor het aanmaken van wit koraalkalk gebruikte. WVD Lit. Thilenius 1903:110,137; Linton & Wingert 1946:173; Force & Force 1971:282-83; Bodrogi & Tiesler 1982:151, fig. 145; Stöhr 1971:175, fig.412; 1987:191

Between the obsidian blade and the wooden hilt, a decorative pattern has been created by pressing beads and fibres into the fresh and soft parinarium paste which subsequently hardens and serves as a very effective adhesive. The typical red colour characterizing many objects from the Admiralty Islands is made on the basis of haematite. [wood, obsidian, beads, fibre, parinarium paste]

92


69. Speer Admiraliteitseilanden, eiland Manus L. 164 cm B. 4,5 cm Hout, obsidiaan, coix-zaden, vezels, parinarium-pasta Inv. nr GE 1146 Aankoop M. f. VĂślk., Berlijn, 1905

Evenals volledig houten exemplaren, werden dergelijke speren tijdens de oorlogsvoering aangewend als werpwapens. De houten speren zouden voor grotere afstanden zijn gebruikt, terwijl de exemplaren met een obsidiaanspits kortere afstanden overbrugden of eerder als steekwapen fungeerden. Met zorg uitgewerkte en vetsierde speren dienden wellicht ook als attributen van mannelijke dansers. Obsidiaan of vulkanisch glas is een grondstof die op de Admiraliteitseilanden zelf wordt aangetroffen. Het materiaal werd met name gewonnen op het ten zuidoosten van Manus gelegen eiland Lou, waar men ook vandaag nog sporen van mijnschachten aantreft. Ten tijde van het onderzoek van de Zwitser Alfred BĂźhler in 1932, werd obsidiaan niet langer gewonnen en was men niet meer op de hoogte van de wijze waarop het materiaal dient te worden bewerkt. WVD Lit. Ohnemus 1996:353, 358, 366

Spears with an obsidian point served as javelins and perhaps also as thrust weapons during battle, while carefully crafted and decorated examples may have been used as the attributes of male dancers. In the Admiralty Islands obsidian was mined mainly on the island of Lou, to the southeast of Manus. [wood, obsidian, coix seeds, fibre, parinarium paste]

93


70. Gordel Admiraliteitseilanden, eiland Manus L. 83 cm B. 8 cm Vezels, hout, kraaltje Inv. nr GE 276 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905

Such plaited belts were made by women, and were worn especially by men around the hips to uphold a barkcloth

Deze van donkerbruin- en geelkleurige vezels gevlochten gordel is onderverdeeld in vier secties, voorzien van geometrische motieven die in elk paneel een verschillend patroon vormen. De gele vezels zijn zo gevlochten dat zij aan de binnenzijde niet zichtbaar zijn. Dergelijke bruingele gordels, met aan beide smalle zijden een houten staafje, werden vooral door de mannen over een schort van boombaststof om de heup gedragen. Soms droeg men de voorwerpen ook ter hoogte van de onderzijde van de borst. Bandvormige gordels kwamen tevens voor op de Kaniet- en Hermiet-eilanden. Het gebruik van gele vezels voor de motieven zou echter typisch zijn voor de Admiraliteitseilanden. Op de andere genoemde eilanden werd voor de ornamentiek eerder gebruik gemaakt van rode vruchten. Op de Admiraliteitseilanden werden gele en donkerbruine vezels - respectievelijk van een orchidee en een liaan - ook gebruikt voor armbanden met gelijksoortige geometrische motieven. Het vlechten van gordels en armbanden, en verder ook schorten en tassen, was het werk van de vrouwen.

skirt. Similar belts are also found on neighbouring islands, but the use of yellow liane fibres to create the decorative patterns is considered typical of the Admiralty Islands. [fibre, wood, bead]

WVD Lit. Thilenius 1903:134, 279; Finsch 1914:414, Taf. XXIII, nrs 497-98; Nevermann 1934:143

94


71. Kalkspatel Westelijke Eilanden, Hermiet-eilanden, eiland Luf H. 36,3 cm B. 6,5 cm Hout Inv nr GE 201 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:49, fig.21

De spatel werd verzameld op de Hermiet- of Lufeilanden, te situeren in het zuidoosten van de zogeheten Westelijke Eilanden van de Bismarck-archipel. Deze Westelijke Eilanden, waartoe onder meer ook de Ninigo-groep (cat. nr 72) en het atol Wuvulu behoren (cat. nr 73), zijn gelegen ten westen van de Admiraliteitseilanden en bevinden zich op een kruispunt van Melanesische, Micronesische en wellicht zelfs Aziatische invloeden. Deze inwerkingen hebben op de eilanden hun weerslag gevonden op zowel cultureel als somatisch vlak. Thilenius opperde na onderzoek ter plaatse in 1899 dat de voor het eiland Luf typerende stijl van vlakke kalkspatelgrepen met spiraalmotieven in ajour (met de platte onderzijde van de steel werd tijdens het betelkauwen kalk naar de mond gebracht) het werk zou zijn geweest van een enkele houtsnijder, wiens individuele stijl geen navolging heeft gekend. Thilenius vermeldt dat de desbetreffende man enige jaren voordien was gestorven en dat ten tijde van zijn bezoek aan het eiland geen kalkspatels in de genoemde stijl meer voorkwamen.

WVD Lit. Thilenius 1903:172; Stรถhr 1987:195-97

This lime spatula was collected on the Hermit or Luf Islands, situated in the southeast of the so-called Western Islands group of the Bismarck Archipelago. According to Thilenius, lime spatulae with spirals in openwork exhibit the individual style of a wood carver who had died a few years before Thilenius' visit to the island of Luf in 1899. At that time, this type of object could no longer be found locally. [wood]

95


72. Halssieraad Westelijke Eilanden, Ninigo L. 29 cm Tridacna-schelp, rugwervels van een haai, vezeltouw Inv. nr GE 220 Aankoop Mus. f. Vรถlk., Berlijn, 1905 Gepubliceerd: Bruyninx & Van Damme 1993:18, fig.6

Het halssieraad is afkomstig van de Ninigo-groep, die behoort tot de Westelijke Eilanden van de Bismarckarchipel. De bevolking en cultuur van Ninigo vertonen naast Melanesische ook Micronesische invloeden. Het hier afgebeelde sieraad bestaat uit aan elkaar geregen rugwervels van een kleine haaiensoort, waartussen geslepen staafjes uit tridacna-schelp zijn aangebracht. De gepunte en deels licht roodbruin gekleurde staafjes zijn waarschijnlijk meer bepaald vervaardigd uit de zogenoemde tanden van de tridacna, dat wil zeggen uit het oneffen gedeelte van de schelp waar de twee schalen op elkaar sluiten. Tot de sieraden die op Ninigo voorkwamen, behoren verder onder meer haarkammen en gevlochten armbanden, alsook ringen in schildpadschaal. WVD Lit. Parkinson 1907:436, 448; Buschan 1923:57, Taf. II, fig.15

This necklace originates from Ninigo, which belongs to the Western Islands of the Bismarck Archipelago. The object consists of a threaded series of vertebrae from a small type of shark, interrupted by pointed, rod shaped pieces of tridacna shell. [Tridacna shell, vertebrae of a shark, fibre]

96


73. Wapen, paiwa Westelijke Eilanden, eiland Wuvulu L. 22 cm B. 2,7 cm Hout, haaientanden, vezels, kalk Inv. nr GE 197 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

Het object werd destijds ingeschreven als een artefact uit of van „Bobolo”. Het betreft hier ongetwijfeld „Popolo”, een vroeger gehanteerde benaming voor Wuvulu, dat eertijds ook bekend stond als Matt(h)yeiland. Het atol Wuvulu (of Wuwulu) is samen met Aua (dat in de oudere literatuur Durour wordt genoemd) gelegen ten noorden van Nieuw-Guinea, in het uiterste westen van de Bismarck-archipel. Meer nog dan op de andere Westelijke Eilanden (Ninigo-groep, Kaniet- en Hermiet-eilanden) worden bevolking en cultuur van Wuvulu en Aua gekenmerkt door nietMelanesische, met name Micronesische invloeden. Dit geldt zeker voor de sterk aan Micronesië, alsook Polynesië herinnerende wapens met ingezette haaientanden (zie ook cat. nrs 75-77). Dergelijke wapens werden ter plaatse paiwa genoemd. Aan het hier afgebeelde object werden oorspronkelijk tien haaientanden bevestigd. De tanden zijn gevat in gleuven die aan de zijkanten van het hout werden voorzien. Door de geperforeerde tanden zijn tweemaal twee touwtjes van getorste vezels aangebracht. Deze lopen via speciaal daarvoor uitgesneden groeven naar het midden van het voorwerp, waar zij door een gaatje werden getrokken. Aangezien deze techniek aan beide laterale zijden van het voorwerp werd aangewend, onstond op het object een ruitvormig of kruisvormig patroon. Zowel in de gaatjes als op en naast de touwtjes werd kalk aangebracht, hetgeen kenmerkend lijkt voor wapens van Wuvulu. WVD Lit. Parkinson 1907:423; Force & Force 1967:281, 29091; Stöhr 1987:195, 197-98

Even more than the other islands of the Western Islands of the Bismarck Archipelago, the culture and population of Wuvulu display non-Melanesian, especially Micronesian influences. This can be seen, for instance, in the weapons of this atol, which by employing shark's teeth, among other things, are reminiscent of Micronesian as well as Polynesian examples. [wood, shark's teeth, fibres, lime]

97


97


97


74. Oorsieraad, sök Truk-eilanden L. 41 cm B. 2,2 cm Kokosnootschaal, schelp Inv. nr GE 237 Aankoop Mus. f. Völk., Berlijn, 1905

Het sieraad is afkomstig van de Truk-eilanden, die deel uitmaken van de Carolinen, een grote eilandengroep gelegen in Centraal-Micronesië. Het voorwerp bestaat uit een schelpen ring en vierenveertig ringen van kokosnootschaal. Een aantal hiervan vertoont eenvoudige ingekerfde patronen, waaronder visgraatmotieven, zigzaglijnen en arceringen. Dergelijke sieraden, ter plaatse sök genoemd, werden door zowel mannen als vrouwen in het oor gedragen. Het voorwerp werd aan de geperforeerde en vaak uitgerekte oorlellen bevestigd door middel van de relatief grote kokosnootring, die op de plaats waar deze een opening vertoont gepunt is. De ring van schelp hing dan aan de onderzijde van het sieraad, dat wil zeggen over de schouder of voor de borst.

WVD Lit. Bollig 1927:172; Heermann & Menter 1990:50-51

Such ear ornaments from the Truk Islands in the Central Carolines were worn by both men and women, with the shell ring hanging over the shoulder or on the chest. One of the coconut rings, with an opening and pointed endings, was used to attach the ornament to the perforated and often elongated earlobes. [coconut, shell]

100


75. Zwaard Kiribati (voorheen Gilbert-eilanden) L. 63,5 cm B. 4 cm Kokoshout, haaientanden, palmbladnerven, vezels, mensenhaar Inv. nr GE 58.77

Het zwaard, dat bovenaan spits toeloopt en aan de onderzijde wordt afgesloten door een kegelvorm, is vervaardigd uit een stuk kokoshout waaraan 65 haaientanden zijn bevestigd (oorspronkelijk 72). Deze tanden zitten aan beide zijden van het centrale houten gedeelte ingeklemd tussen twee spanen, vervaardigd uit de middelste nerf van een kokosblad. Deze palmbladnerven en de daartussen geplaatste geperforeerde tanden zijn aan het zwaard bevestigd door middel van touwtjes, bestaande uit kokosvezels (roodbruin) en mensenhaar (zwart). Zwaarden (rere, betia) werden op Kiribati in het zuidooosten van MicronesiĂŤ onder meer gebruikt in de strijd tussen verschillende verwantengroepen. Op deze voormalige Gilbert-eilanden zouden relatief geringe conflicten reeds aanleiding hebben gegeven tot vetes die generaties lang konden blijven bestaan. Ook tussen de eilanden onderling werd strijd geleverd. Tevens trok men op oorlogstocht naar het naburige Polynesische Tuvalu (voorheen de Elliceeilanden).

WVD Lit. Koch 1965:193-94

The shark's teeth of this sword from Kiribati are attached by means of coconut fibres and human hair. Weapons such as this were used in conflicts between local lineages and between islands, as well as in wars waged against the Polynesians of Tuvalu. [coconut wood, shark's teeth, palm midribs, fibre, human hair]

101


76. Deel van een samengesteld zwaard Kiribati (voorheen Gilbert-eilanden) L. 47 cm B. 8 cm Hout, haaientanden, vezels Inv. nr GE 58.76

We hebben hier te maken met een deel van een samengesteld wapen, meer bepaald met een zijwaartse extensie van een zwaard. Op Kiribati voegde men aan zwaarden soms twee of drie, enigszins diagonaal geplaatste zijstukken toe, die net boven de handgreep aan het centrale deel van het wapen werden bevestigd. Het zijstuk, dat in het midden een verdikking vertoont, is bezet met grote haaientanden. De wijze van bevestiging is echter anders dan bij het hiervoor besproken zwaard. In de randen van het lichtjes sikkelvormige stuk hout zijn op regelmatige plaatsen uithollingen aangebracht waarin 13 (oorspronkelijk 16) haaientanden zijn geplaatst. Deze werden aan het zijstuk bevestigd door middel van strengen vezels die door perforaties in de tanden en door gaatjes in het hout lopen. De doorboring in de spits toelopende onderzijde diende om het zijstuk aan het zwaard te bevestigen. Wapens met haaientanden uit Kiribati zouden vooral op het eiland Tabiteuea zijn vervaardigd. WVD Lit. Buschan 1923:214-15, fig. 142; Powell & Friedman 1957: fig.10

Swords on Kiribati sometimes had two or three lateral extensions which were attached more or less diagonally to the central part of the weapon. Weapons from Kiribati employing shark's teeth are said to have been produced mainly on the island of Tabiteuea. [wood, shark's teeth, fibre]

102


77. Wapen Kiribati (voorheen Gilbert-eilanden) L. 29,5 cm B. 4 cm Hout, rotan, haaientanden Inv. nr GE 58.80

De overgang tussen handvat en „lemmet� van dit wapen (een klein zwaard of dolk) wordt gemarkeerd door een band van rotan. In tegenstelling tot het grotere, hierboven besproken zwaard, zijn de tanden niet gevat tussen twee spanen van palmbladnerf, maar werden zij, evenals bij het daarna behandelde zijstuk van een zwaard, geplaatst in een gleuf die aan de zijkant van het voorwerp werd aangebracht. De geperforeerde tanden zijn aan het houten gedeelte bevestigd door middel van vezels die door gaatjes in het hout lopen. Kleine, gemakkelijk te verbergen handwapens werden in de huizen gereedgehouden om defensieve maar ook offensieve redenen. Tot de handwapens op Kiribati behoorden tevens de als dolk gebruikte roggensteekels (wete), die soms voorzien waren van een houten handvat. Small hand weapons that are easy to hide, such as this

WVD Lit. Koch 1965:193, 196-97

one, were held ready in the house, both for defensive and for offensive purposes. [wood, rattan, shark's teeth]

103


78. Voetsteun van een stelt, tapuva’e Marquesas-eilanden H. 34,5 cm B. 6cm Hout Inv. nr GE 58.82

This footrest of a stilt shows an anthropomorphic figure that is carved in so-called tiki style. Tiki figures, showing big, round eyes, a flat nose with large nostrils, and a broad mouth, signify the ancestors and death. On the

Een dergelijke antropomorf uitgewerkte voetsteun (tapuva'e) werd bevestigd aan de staak (toko) van een stelt. Op de Marquesas-eilanden in het oosten van Polynesië kon het steltlopen zowel een ontspannend, een competitief als een ceremonieel karakter dragen. Het steltlopen werd beoefend door kinderen, maar ook volwassenen, die zich hierdoor een reputatie konden verwerven. Tijdens wedstrijden, die onder meer werden gehouden tijdens belangrijke herdenkingsfestivals, probeerden de tegenstanders elkaar door middel van de stelten onderuit te halen. Behendige steltlopers amuseerden het publiek ook door salto’s te maken of andere acrobatische toeren te verrichten. Tijdens officiële wedstrijden, waarop weddenschappen konden worden ingezet, kwamen de kampioenen van de verschillende bevolkingsgroepen van de archipel tegen elkaar uit. De hier afgebeelde klamp vertoont sporen van gebruik op de plaats waar de voet van de steltloper rustte, maar laat nog duidelijk verschillende streepjespatronen zien, met horizontale, verticale en diagonale strepen en elkaar insluitende ruitvormen. Ook op de onderzijde van de voetsteun en op het lichaam van de antropomorfe voorstelling zijn, met uitzondering van het gezicht, streepjespatronen aangebracht. De figuratieve voorstelling is gesculpteerd in de zogenaamde tiki-stijl. Tiki-voorstellingen gelden als verwijzingen naar de gestorvenen, of meer algemeen, als symbolen van de dood. Het gelaat van de figuur vertoont twee grote, cirkelvormige ogen, een platte neus met grote, vlak weergegeven neusvleugels en een brede, door twee horizontale groeven aangeduide mond. Het hoofd, verder voorzien van twee oren en een streepjesband rond het voorhoofd, gaat onmiddellijk over in de torso. De korte, gebogen armen worden tegen het lichaam gehouden, en de handen rusten op het middenrif. Rond de navel is een patroon van steeds grotere ruiten aangebracht. De korte, massieve benen zijn niet voorzien van voeten, maar rusten op een uitstekende rand.

Marquesas Islands in eastern Polynesia, stilt-walking could have recreational, competitive, as well as ceremonial dimensions, with stilt-walkers from different parts of the island competing during religious festivities and amusing the public with their acrobatics. [wood]

106

WVD Lit. Steinen 1928:60; Edler 1990:66; Stingl 1990:57


79. Voetsteun van een stelt, tapuva’e Marquesas-eilanden H. 32,5 cm B. 6 cm Hout Inv. nr GE 58.81

Dergelijke voetsteunen werden op een hoogte van ongeveer 60 cm door middel van rode of zwarte kokosnootvezels bevestigd aan een staak waarvan de lengte circa 1.90 m bedroeg. Rond de staak, die soms werd versierd met eenvoudige geometrische motieven, werd eerst boombaststof gewikkeld om te voorkomen dat de voetsteun naar beneden zou glijden. De antropomorf uitgewerkte klampen werden uit hard hout vervaardigd door gespecialiseerde houtsnijders die tahuna vaeake werden genoemd. De binnenzijde van de klamp is door gebruik geheel afgesleten. In tegenstelling tot de buitenzijde, vertoont zij geen sporen meer van de streepjespatronen die oorspronkelijk werden aangebracht. Het gelaat van de antropomorfe voorstelling is voorzien van grote, ronde ogen, een platte neus met brede neusvleugels en een brede mond. De oren zijn niet aangeduid. De korte, gebogen armen worden tegen het lichaam gehouden en de handen, beide voorzien van vijf vingers, rusten op de buik. De benen vertonen geen voeten, maar lopen door in een platformof sokkelachtig uitsteeksel.

WVD Lit. Linton 1923:386-87; Foment 1982:175; Edler 1990:66

The striped patterns of the inside of this footrest have worn off through use. Such footrests, cawed by specialists from hardwood, were attached to a stilt around which barkcloth was wrapped in order to prevent the object from gliding down. [wood]

107


Geciteerde literatuur

References cited

ANDERSON, R.L. 1990 Calliope's Sisters. A Comparative Study of Philosophies of Art. Englewood Cliffs, NJ: Prentice-Hall. AUMANN, G. 1988 Kunst und Kunsthandwerk aus Neuguinea. Coburg: Natur-Museum Coburg. (Sonderband Nr 4 der Schriftenreihe). BARBIER, J.P. 1977 Indonésie et Mélanésie. Art tribal et cultures archaïques des Mers du Sud. Genève: Collection Barbier-Müller, BEIER, U. 1983 Der Künstler und sein Publikum. Trickster 11: 42-62. BEIER, U. & ARIS.P. 1975 Sigia: Artistic Design in Murik Lakes. Gigibori 2 (2): 17-36. BIRÓ, L. 1899 Beschreibender Catalog der ethnographischen Sammlung Ludig Biró’s aus Deutsch-Neu Guinea (Berlinhafen). Budapest: Kaiserl. und Königliche Hofbuchdruckerei Victor Hornyanszky. BODROGI, T. 1959 New Guinea Style Provinces: The Style Province ’Astrolabe Bay’. In: Bodrogi, T. & Boglar, L. (eds), Opuscula Ethnologica Memoriae Ludovici Biró Sacra.Budapest: Hungarian Academy of Sciences, 39-99. 1960 Die Kunst Ozeaniens. Würzburg, Wien: Verlag Andreas Zettner. 1987 New Ireland Art in Cultural Context. In: Lincoln, L. (ed.), Assemblage of Spirits, 17-32. BODROGI, T. & TIESLER, F. 1982 Ozeanien. In: Bodrogi, T. (Hrsg.), Stammeskunst I: Australien, Ozeanien, Afrika. Budapest: Corvina, 77-193. BOLLIG, P. L. 1927 Die Bewohner der Truk-Inseln. Religion, Leben und kurze Grammatik eines Micronesiervolkes. Münster: Aschendorffsche Verlagsbuchhandlung.

BRUYNINX, E. & VAN DAMME, W. 1993 Sierkunst uit Melanesië. Voorwerpend uit de verzamelingen van de Universiteit Gent. Gent: Universiteit Gent. BÜHLER, A. 1969 Kunst der Südsee. Beschreibender Katalog von Alfred Bühler. Art of Oceania. A Descriptive Catalogue by Alfred Bühler. Zürich: Atlantis Verlag. BURSSENS, H„ BRUYNINX, E. & VAN DAMME, W. 1992 Catalogus Etnografische Verzamelingen. In: Mussche, H. et al., Tussen Kunst en Kennis. Een keuze uit de Gentse universitaire verzamelingen. Gent: Universiteit Gent, 28-37. (Uit het verleden van de RUG Nr 31). BUSCHAN, G. VON (Hrsg.) 1923 Illustrierte Völkerkunde II. Erster Teil. Australien und Ozeanien, Asien. Stuttgart: Strecker und Schroder. CHAUVET, S. 1930 Les arts indigenes en Nouvelle-Guinée. Paris: Société d’Editions Géographiques, Maritimes et Coloniales. CHOWNING, A. 1977 An Introduction to the Peoples and Cultures of Melanesia. Menlo Park, Cal. etc.: Cummings Publication Company. CLAY, B. 1987 A Line of Tatanua. In: Lincoln, L. (ed.), Assemblage of Spirits, 63-73. CLUNIE, F. 1977 Fijian Weapons and Warfare. Suva: Fiji Museum. (Bulletin of the Fiji Museum No. 2). CRANSTONE, B.A.L. 1961 Melanesia. A Short Ethnography. London: British Museum. DEMOOR-VAN DEN BOSSCHE, P. 1983 Stijlaspecten en context van een boomvarenbeeld uit de collectie van het Seminarie voor Etnische Kunst aan de R.U.G. In: Burssens, H., Bruyninx, E. & Haeseryn, R. (red.), Liber Memorialis Prof. Dr. P.J. Vandenboute. Gent: Rijksuniversiteit Gent, 165-75. (Uit het Seminarie voor Volkskunde van de Rijksuniversiteit Gent, Nieuwe Reeks Nr 1).

109


DEWOLF, PH. 1992 Marcel Lecomte: le regard des choses. Bruxelles: Editions Labor. EDLER, J.C. 1990 Art of Polynesia. Selections from the Hemmeter Collection of Polynesian Art. Honolulu: Hemmeter Publishing Cooperation. EWINS, R. 1982 Fijian Artefacts. The Tasmanian Museum and Art Gallery Collection. Hobart: Tasmanian Museum and Art Gallery. FINSCH, 0. 1914 Südsee Arbeiten. Gewerbe- und Kunstfleiß, Tauschmittel und „Geld” der Eingeborenen auf Grundlage der Rohstoffe und der geographischen Verbreitung. Hamburg: L. Friederischsen. FIRTH, R. 1936 Art and Life in New Guinea. London: The Studio. (Reprint New York: AMS Press, 1979). FORCE, R.W. & FORCE, M. 1971 The Fuller Collection of Pacific Artefacts. London: Lund Humphries. FORMENT, F.A.M. 1982 De vele en de kleine eilanden. Paaseiland. Brussel: Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. (French edition Le Pacifique aux ties innombrables. Ile de Pâques. Bruxelles: Musées Royaux d’Art et d’Histoire). FORTUNE, R.F. 1965 Manus Religion. An Ethnographical Study of the Manus Natives of the Admiralty Islands. Lincoln: University of Nebraska Press, (orig. 1935). GREUB, S. (ed.) 1985 Art of the Sepik River, Papua New Guinea. Authority and Ornament. Basel: Tribal Art Centre/Edition Greub. GUIARXJ. 1953 L’art autochtone de Nouvelle Calédonie. Noumea: Editions des Etudes Mélanésiennes, 1963 Océanie. Paris: Gallimard. 1965 Nouvelles Hebrides. Auvers-sur-Oise: Archée Editeur. (Mondes et Cultures). HADDON, A. C. 1984 The Decorative Art of British New Guinea. A Study in Papuan Ethnography. Dublin: The Academy House. (Reprint New York: AMS Press, 1977).

110

HEERMANN, I. 1982 Ozeanien. In: Kussmaul, F. (Hrsg.), Feme Volker. Frühe Zeiten. Band I: Afrika, Ozeanien, Amerika. Kunstwerke aus dem LindenMuseum Stuttgart. Recklinghausen: Verlag Aurel Bongers, 131-222. HEERMANN, I. & MENTER, U. 1990 Schmuck der Südsee. Ornament und Symbol. München: Prestel Verlag. HELFRICH, K. 1973 Malaggan I. Bildwerke von Neuirland. Berlin: Museum für Völkerkunde. (Veröffentlichungen des Museums für Völkerkunde, Berlin, Neue Folge 25, Abteilung Südsee X). HÖLTKER, G. 1975 Menschen und Kulturen in Nordost-Guinea. Gesammelte Aufsatze. St. Augustin bei Bonn: Verlag des Anthropos-Instituts. (Studia Instituti Anthropos 29). IVENS, W. G. 1930 Island Builders of the Pacific. London: Seeley Service. KAUFMANN, CHR. 1980 Ozeanische Kunst. Meisterwerke aus dem Museum für Völkerkunde Basel. Basel: Stiftung zur Förderung des Museums für Völkerkunde und des schweizerischen Museums für Völkskunde. KELM, H. 1966 Kunst vom Sepik. Band I. Berlin: Museum für Völkerkunde. (Veröffendichungen des Museums fur Völkerkunde, Berlin, Neue Folge 10, Abteilung Südsee V). 1968 Kunst vom Sepik. Band III. Berlin: Museum für Völkerkunde. (Veröffentlichungen des Museums ftir Völkerkunde, Berlin, Neue Folge 15, Abteilung Südsee VII). KOCH, G. 1965 Materielle Kultur der Gilbert-Inseln. Nonouti, Tabiteuea, Onotoa. Berlin: Museum für Völkerkunde. (Veröffentlichungen des Museums für Völkerkunde, Berlin, Neue Folge 6, Abteilung Südsee III). 1968 Südsee. Führer durch die Austellung der Abteilung Südsee. Berlin: Museum für Völkerkunde. 1971 Materielle Kultur der Santa Cruz-Inseln. Berlin: Museum für Völkerkunde. (Veröffentlichungen des Museums für Völkerkunde, Berlin, Neue Folge 21, Abteilung Südsee IX).


KUSSMAUL, F. 1969 Kunst der Südsee. Sepik und Neu-Irland aus den Sammlungen des Linden-Museums fur Völkerkunde in Stuttgart. Karlsruhe: Badisches Landesmuseum, LINCOLN, L. (ed.) 1987 Assemblage of Spirits. Idea and Image in New Ireland. New York: George Braziller, in association with The Minneapolis Institute of Arts. LINTON, R. 1923 The Material Culture of the Marquesas Islands. Honolulu: Bishop Museum Press. (Memoirs Bernice Pauahi Bishop Museum, Vol. VIII, nr 5). LINTON, R„ & WINGERT, P. S. (in collaboration with R. d’Harnoncourt) 1946 Art of the South Seas. New York: The Museum of Modern Art. LUPU, F. & REVELARD, M. 1985 Masques d’Océanie. Binche: Musée International du Carnaval et du Masque. LUQUET, G.H. 1926 L’art Néo-Calédonien. Paris: Institut d’Ethnologie. (Travaux et Mémoires de l’lnstitut d’Ethnologie II). MASQUES 1986 Masques et sculptures d’Afrique et d'Océanie. Collection Girardin. Paris: Editions ParisMusées. MEAD, S.M. 1973 Material Culture and Art in the Star Harbour Region, Eastern Solomon Islands. Toronto: The Royal Ontario Museum, (Ethnography, Monograph 1). MELANESIEN 1977 Melanesien. Mensch und Natur - Mythos und Kunst. Ausstellung des Linden-Museums im Württembergischen Kunstverein Stuttgart. Stuttgart: Württembergischer Kunstverein. NEUHAUSS, R. 191 Deutsch-Neu-Guinea. Band I. Berlin: Dietrich Reimer. NEVERMANN, H. 1934 Admiralitätsinseln. Hamburg: Friederischsen, De Ruyter. NEWTON, D. 1961 Art Styles of the Papua Gulf. New York: Museum of Primitive Art.

OHNEMUS, S. 1996 Zur Kultur der Admiralitäts-Insulaner in Melanesien. Die Sammlung Alfred Bühler im Museum für Völkerkunde Basel. Basel: Museum für Völkerkunde und Schweizerisches Museum für Völkerkunde Basel. OLBRECHTS, F.M. 1935 Enkele Ethnographica uit Melanezië in de Verzamelingen der Rijksuniversiteit Gent (with a Synopsis in English). Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis II: 191-224. 1943 De integratie der kunst in de cultuur bij primitieven. Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis IX: 169-209. PARKINSON, R. 1907 Dreißig Jahre in der Südsee. Land und Leute, Sitten und Gebrauche im Bismarckarchipel und auf den deutschen Salomoinseln. Stuttgart: Strecker und Schroder. PHELPS, S. 1976 Art and Artefacts of the Pacific, Africa, and the Americas. The James Hooper Collection. London: Hutchinson. POWELL, J.P. & FRIEDMANN, M.L. 1957 Primitive Art of the Pacific Islands. Brooklyn, New York: The Brooklyn Museum Press. REICHARD, G.A. 1933 Melanesian Design. A Study of Style in Wood and Tortoiseshell Carving. 2 vols. New York: Columbia University Press. RODRIGUES, G. 1990 Les arts kanaks à la Porte Dorée. Primitifs 1: 23-30. ROGNON, F. 1985 Le masque sans le mythe. Une analyse des différentes approches dun objet melanesien de Nouvelle-Calédonie. Res 10: 47-70. SARASIN, F. 1929 Ethnologie der Neu-Caledonier und Loyalty Insulaner. 2 Bde. München: C.W. Kreidel. SCHMITZ, C.A. 1969 Oceanic Art. Myth, Man, and Image in the South Seas. New York: Abrams. SIGEL, L. 1971 Catalogue notes. In: Wardwell, A., The Art of the Sepik River. Chicago: The Art Institute of Chicago.

111


SPEISER, F. 1923 Ethnographische Materialen aus den Neuen Hebriden und den Banks-Inseln. Berlin: C.W. Kreidel’s Verlag. (Reprint Nendeln, Liechtenstein: Kraus, 1979). SM1DT, D. 1990 Oceanië/Oceania. In: Van Kooten, T. & Van den Heuvel, G. (red./eds), Sculptuur uit Afrika en Oceanië. Een keuze uit de collecties van leden van de Vereniging Vrienden van Ethnografica. Sculpture from Africa and Oceania. A Choice from the Collections of Members of the Association of Friends of Ethnographica. Otterlo: Rijksmuseum KröllerMüller, 218-371. STEINEN, K. VON DEN 1928 Die Marquesaner und ihre Kunst. Band II: Plastik. Berlin: Dietrich Reimer. STINGL, M. 1990 Kunst der Polynesischen Inselwelt. Leipzig: VEB E.A. Seemann Verlag. (Seemann Beiträge zur Kunstwissenschaft). STÖHR, W. 1971 Melanesien. Schwarze Inseln der Südsee. Köln: Kunsthalle. 1987 Kunst und Kultur aus der Südsee. Sammlung Clausmeyer Melanesien. Köln: RautenstrauchJoest-Museum für Völkerkunde. TAYLOR, P.M. & ARAGON, L.V. 1990 Beyond the Java Sea. Art of Indonesia’s Outer Islands. Washington, New York: The National Museum of Natural History/Harry N. Abrams. THILENIUS, G. 1903 Ethnographische Ergebnisse aus Melanesien. Halle: Ehrhardt Karras. (Nova Acta Academiae Caesareae LeopoldinoCarolinae Germanicae Naturae Curiosorum. Tomus LXXX. Abhandlungen der Kaiserlichen Leopoldinisch-Carolinischen Deutschen Akademie der Naturforscher. 80. Band). TIPPET, A.R. 1968 Fijian Material Culture. A Study of Cultural Context, Function, and Change. Honolulu: Bishop Museum Press. (Bernice P. Bishop Museum Bulletin 232). TISCHNER, H. 1981 Dokumente verschollener Südsee-Kulturen. Nürnberg: Naturhistorische Gesellschaft Nürnberg. (Abhandlungen Band 38).

112

VAN BAAREN, TH. P. 1968 Korwars and Korwar Style. The Hague, Paris: Mouton. 1985 Art of Geelvink Bay. In: Greub, S. (ed.), Art of Northwest New Guinea. New York: Rizolli, 1755. VAN DAMME, W. 1990/1 On a Wooden Bowl from the Tami Islands, Huon Gulf, Papua New Guinea. Gentse Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde XXTX.-. 253-79. WAITE, D. 1983 Art des Iles Salomon dans les collections du Musée Barbier-Müller. Genève: Musée BarbierMüller. 1987 Artefacts from the Solomon Islands in the Julius L. Brenchley Collection. London: British Museum Publications. WARD WELL, A. 1971 The Art of the Sepik River. Chicago: The Art Institute of Chicago. WASSING, R. 1987 Oceanië. In: Faber, P, Van der Linden, L. & Wassing, R. (red.), Schatten van het Museum voor Volkenkunde Rotterdam. Rotterdam, Amsterdam: Museum voor Volkenkunde, Meulenhoff/ Landshoff, 68-91


ELZE BRUYNINX is als hoofddocent verbonden aan de Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen van dc Universiteit Gent en verantwoordelijk voor de afdeling Etnische kunst, waaronder de Etnografische Verzamelingen van de Universiteit ressorteren. Zij publiceerde onder meer L’art du laiton chez les Dan et les Guéré-Wobé de la région du Haut-Cavally (Cote d’Ivoire-Libéria) (Gent, 1986).

ELZE BRUYNINX is Associate Professor in the Department of Art Studies, University of Ghent, and responsible for the Section of Ethnic Art, whose province includes the University’s Ethnographic Collections. Among her publications is L’art du laiton chez les Dan et les Guéré-Wobé de la région du Haut-Cavally (Cote d’Ivoire-Libéria) (Gent, 1986).

WILFRIED VAN DAMME is werkzaam als Postdoctoraal Onderzoeker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen en verbonden aan de afdeling Etnische kunst van de Universiteit Gent. Hij is de auteur van onder meer Beauty in Context: Towards an Anthropological Approach to Aesthetics (Leiden, 1996).

WILFRIED VAN DAMME is Postdoctoral Fellow of the Fund for Scientific Research Flanders and a member of the Section of Ethnic Art, University of Ghent. His publications include Beauty in Context: Towards an Anthropological Approach to Aesthetics (Leiden, 1996).

Oceania. The Ethnographic Collections of the University of Ghent  

The Ethnographic Collections of the University of Ghent comprise some four thousand objects from non-Western cultures, assembled between 182...

Oceania. The Ethnographic Collections of the University of Ghent  

The Ethnographic Collections of the University of Ghent comprise some four thousand objects from non-Western cultures, assembled between 182...

Advertisement