Issuu on Google+

Jaargang 20 - nummer 3 - september 200 8

T ij d s c h

r

i

f

H istorische Vereniging Gemeente Beilen

Beiler kerktoren Hooghalen rond 1890 Veldwachters (11) Aold Beiler kerkvolk Dierentehuis

t


Kunstschilders in Midden-Drenthe (8)

Hoofdredacteur vakant

Jan van Ravenswaay (1789-1845) (2) Jan van Ravenswaay woonde vanaf 1838 tot 1847 achtereenvolgens in Zweeloo en Westerbork. Hij maakte voornamelijk schilderijen van landschappen en stalinterieurs, vaak gestoffeerd met vee.

Eindredacteur vakant Redactie-leden mw. R. Gerding, Lheebroek 29, 7991 PM Dwingeloo, tel. 0593-541844. J. Hoogeveen-Zuidberg, Westeinde 23, 9415 PG Hijken, tel. 0593-524615. B. Oosting, Klatering 36, 9411 XH Beilen, tel. 0593-525897. A. Visscher-Ovinge, De Snikke 13, 9411 ET Beilen, tel.0593-523098.

Zoas’t nou is ... Op de bladzijden 28 t/m 31 schrijft Bé Oosting over het Drents Dierentehuis, dat tot begin tachtiger jaren van de vorige eeuw op Smalbroek was gevestigd. Op de foto’s hieronder, die in augustus 2008 zijn gemaakt, is nog een deel van de oorspronkelijke hokken van het dierentehuis te zien. Op de onderste foto is het ‘kattenverblijf’te zien. Op de achtergrond staat een woning in de wijk Nagtegael. (Foto’s: T.L. Kroes)

Bestuur Vakant (voorzitter) W. Brinkman (secretaris) Pinksterbloem 42, 9411 CH Beilen, tel. 0593-541848. H.J. Vos (penningmeester), Oosteinde 12, 9415 PA Hijken, tel. 0593-523028. G. Drenth-Barkhof (ledenadministrateur), Dahliastraat 20, 9411 GP Beilen, tel. 0593-524440. E. Beuving, Pr. Bernhardstraat 1K, 9411 KH Beilen, tel. 0593-524382. F. Biemold, De Vonderkampen 136, 9411 RH Beilen, tel. 0593-524772. H.L.G. Schuur, Nieuwe Es 10, 9418 PS Wijster, tel. 0593-562412. J. Vrijs, Julianastraat 16, 9411 PL Beilen, tel. 0593-523802.

Jan van Ravenswaay, Gehucht met drie figuren, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Techniek: pen en penseel in bruin, omkaderd in bruin, 19,9x27,6. Uit: R. Sanders, Schilders van Zweeloo, Beilen 2007, p. 22. Foto’s omslag voorzijde: Op de grote foto: Schilderij,

‘Kerkuitgang te Westerbork’, van Reinhart Dozy uit 1920, toont het verlaten van de kerk na de zondagse eredienst in Westerbork. (Schilderij NH-kerk, Westerbork). Verder: kaartfragment van Smalbroek (1900) foto’s van de kruising DOMO-weg-Smalbroek met het voormalige dierentehuis (foto’s T.L. Kroes).

Inhoud: 1I Kunstschilders in Midden-Drenthe (8) W. Brinkman 1-7 Een kwestie over het klokluiden en eigendomsrecht van de Beiler toren H.M. Luning 8-13 Hooghalen rond 1890 - B. Plenter 14-23 Gemeenteveldwachters in Beilen (deel 11) - J. Maas 24-26 Aold Beiler kerkvolk - Roel Reijntjes (19232003) 27 Gebruiksvoorwerpen - S.H. Hoek-Beugeling 28-31 Het ontstaan en de ontwikkeling van het Provinciaal Drents Dierentehuis 1 B. Oosting 1II Zoas’t nou is ...

Bekijk ook: www.historischevereniginggemeentebeilen.nl II

Adressen auteurs: - W. Brinkman, Pinksterbloem 42, 9411 CH Beilen. - S.H. Hoek-Beugeling, Min. Kanstraat 13, 7811 GN Emmen. - H.M. Luning, Koekoekstraat 48, 9404 BL Assen. - J. Maas, Esdoornlaan 1, 9411 AT Beilen. - B. Oosting, Klatering 36, 9411 XH Beilen. - B. Plenter, A. van Ostadestraat 6, 7944 XW Meppel.

Prijs: € 4,50

Lidmaatschap Het lidmaatschap van de vereniging bedraagt € 16,50. Bankrekeningnummer: 3065.27.774 t.n.v. Hist. Ver. Gem. Beilen. Rekeningnummer Postbank: 3090700 t.n.v. Hist. Ver. Gem. Beilen. Opgave lidmaatschap en ledenadministratie: G. Drenth-Barkhof, Dahliastraat 20, 9411 GP Beilen, tel. 0593-524440. Het opzeggen van een lidmaatschap dient SCHRIFTELIJK te geschieden bij G. Drenth-Barkhof voor 1 november. Voor alle informatie betreffende het tijdschrift: G. Drenth-Barkhof, Dahliastraat 20, 9411 GP Beilen, tel. 0593-524440. Copyright Het overnemen van foto’s en/of artikelen of delen daarvan is slechts toegestaan na verkregen schriftelijke toestemming van de hoofdredacteur. Productie: Uitgeverij Drenthe ISSN-nummer: 1380-3301

Foto’s omslag achterzijde Linksonder: De kerktoren achter het geboomte anno 2008 (Foto T.L. Kroes) In het midden: Het Ned. Hervormde kerkgebouw in de eerste helft van de 20ste eeuw (Foto: archief Historische Vereniging Gemeente Beilen)

Bekijk ook: www.historischevereniginggemeentebeilen.nl III


Kerk

H.M. Luning

Een kwestie over het klokluiden en eigendomsrecht van de Beiler toren

In het Tijdschrift van de Historische Vereniging Gemeente Beilen verscheen in februari 1991 een artikel van R. Wessels met als titel ‘Als de grote klokke luidt’. Door nieuwe vondsten in het archief van de Gouverneur, later de Commissaris des Konings, gecombineerd met nader onderzoek is het mogelijk over de kwestie van het klokluiden en het eigendomsrecht van de Beiler toren een vollediger beeld te schetsen.

Vele generaties lang leefden de inwoners van

Noten 1 Gericht op het gevoelsleven van de mens; de bijbel staat boven de leefregels. Jezus is een volmaakt voorbeeld als zoon van God, niet gelijk aan God. 2 Archief N.H. kerk Beilen inv.no. 94 op 16 feb. en 13 sep. 1888.

1

Beilen onder de klokslag van hun aloude kerspelkerk. Tot in de eerste helft van de 19de eeuw was Beilen nog een overwegend Hervormde Gemeente.

Inleiding Het beroepen van een evangelisch predikant gaf de middenweg aan tussen orthodox en vrijzinnig.1 Als reactie op het modernisme binnen de gevestigde kerk ontstonden in Beilen en Hijken gemeenten van Afgescheidenen waarvan een aantal leden onder leiding van ds. A.C. van Raalte zelfs naar Amerika trok. Deze in 1835 ontstane scheuring binnen de gevestigde kerk maakte dat een klein deel van de bevolking, althans volgens de kerkvoogden, niet meer thuishoorde onder de aloude kerspelklok. Omdat ze zich nog steeds Beilers voelden, dachten de Afgescheidenen daarover geheel anders. Wie niet horen wil moet maar voelen, zullen kerkvoogden en notabelen van Beilen hebben gedacht. Op 16 februari 1888 namen ze het besluit dat de leden van de Christelijk Gereformeerde Gemeenten van Beilen en Hijken ingaande 1 mei 1889 per gezin voortaan respectievelijk f. 5,-- en f. 2,50 per jaar dienden te betalen voor het verluiden van hun doden.2 Deze maatregel was een gevolg van het laten omgieten van de torenklokken. Daarmee was een bedrag gemoeid van f. 800,-- dat de kerkvoogdij moest lenen tegen 4 % rente per jaar. Op zich was het niet onredelijk dat niet-leden van de kerk betaalden wanneer ze wensten dat de klok bij de begrafenis van een dode werd geluid. Maar hoe lag de situatie wanneer de toren en de klokken geen

Een kwestie over het klokluiden en eigendomsrecht van de Beiler toren


eigendom waren van de kerkelijke gemeente, maar van de burgerlijke? En dit nu was precies wat de Gereformeerden van Beilen en Hijken beweerden met zekerheid te weten. Vroeger was het verluiden geheel vrij en met welk recht hielden de kerkvoogden de toren voor hen gesloten? Het ongenoegen liep hoog op en ze kwamen zelfs op de gedachte dat hen burgerlijke rechten werden ontnomen. Ze tekenden ernstig bezwaar aan en wilden het recht, of liever het onrecht, onderzoeken. De kerkenraad van Beilen moet de schrik wel een beetje om het hart zijn geslagen, want op 13 september besloot ze unaniem dat de Christelijk Gereformeerden van Beilen en Hijken voor het gebruik van de luidklok voortaan f. 1,-- per geval aan de administrerend kerkvoogd dienden te betalen. De kerkvoogden deden enig water in de wijn, maar voor de Gereformeerden was het het principe dat telde. Ze lieten het er dan ook niet bij zitten.

Beroep op gemeentebestuur Namens de Gereformeerden richtten Fokke Strijker, Hendrik H. Tijmens en Hein Brink (later ook A. Eising) zich op 2 september 1888 tot de gemeenteraad van Beilen en verzochten de nodige maatregelen te treffen. Ze benoemden het probleem, waren van

Ned. Hervormde kerk met op de voorgrond de begraafplaats aan de Torenlaan.

De lijkkoets die in Beilen tot in het midden van de vorige eeuw werd gebruikt.

2


mening dat klokken en toren eigendom zijn van de burgerlijke gemeente en wensten door niemand verhinderd of belemmerd te worden in hun burgerlijke rechten.3 De gemeenteraad besloot na enig wikken en wegen: ‘dat de Raad zich niet bevoegd acht adressants vermeende recht te moeten handhaven, aangezien het de Raad niet bekend is, wie eigenaar is van de toren, doch wel dat de kerkvoogden voor korte jaren voor hun rekening de klokken hebben doen vervangen’.4 Daarop gingen Tijmens van Beilen en Eising van Hijken in hoogst eigen persoon naar burgemeester W.C. de Vidal de St.Germain, maar die reis hadden ze zich kunnen besparen.

Hein Brink

W.C. de Vidal de St.Germain

3 4 5

3

Archief Gouverneur dossier 6 juni 1889. Notulen Raad 12 october 1888 no. 487. Brief B. en W. aan Commissaris des Konings d.d. 17 mei 1889.

Beroep op de Commissaris des Konings Vervolgens richtten ze zich om recht te krijgen tot de Commissaris des Konings mr. P.J. van Swinderen. Deze voelde de burgemeester aan de tand en kreeg te horen dat er in Beilen geen verordening bestond op het luiden van de klokken. Vroeger was dit werkelijk vrij en het was de burgemeester niet bekend of de oude klokken aan de hervormde kerk toebehoorden.5 Met dit antwoord was de Commissaris niet tevreden en hij vroeg zich af of ze in Beilen nooit hadden gehoord van de staatsregeling van 1798. Daarom stelde hij nieuwe vragen: punt 1 - ‘of de toren niet op de staat van ’t geen naar ’t burgerlijk recht eigendom der gemeente is, voorkomt; punt 2 - of de toren niet ingevolge de laatste alinea van art. 6 additionele artikelen van de staatsregeling 1798 eigendom der gemeente is; punt 3 (voor de tweede keer) - of er in de gemeente een verordening op het luiden der klokken bestaat, en zo ja, die te willen bijvoegen; punt 4 - of werkelijk zoals adressanten beweren het gebruik der klokken vroeger vrij was, en zo ja, of de oude klokken dan niet aan de N.H. kerk behoren; punt 5 - wie toegang tot de toren verschaft, de burgerlijke autoriteit of de kerkvoogden’. De burgemeester ging op onderzoek uit en kwam tot de volgende conclusies: De kerkvoogden beweerden dat het beheer over toren en klokken steeds tot hun last was geweest en ze wisten zich te herinneren in het verleden kosten te hebben aangewend tot herstel van de toren. Voor zover in het archief van de burgerlijke gemeente was na te gaan hadden zij zich er nooit mee bemoeid. De Raad had ook nooit een besluit genomen over de kerkklokken. De oude klokken waren overgedaan aan de leverancier van de nieuwe zonder vergunning te vragen of te hebben gekregen. Het recht dat de kerkvoogden de toren gesloten hielden, ontleenden ze aan het eigendom van de toren, terwijl tegen dat afsluiten en de voorgenomen heffing van rechten de burgerlijke gemeente nooit was opgekomen. Wat betrof artikel 6 der

Een kwestie over het klokluiden en eigendomsrecht van de Beiler toren


additionele artikelen van de staatsregeling 1798 gaf de burgemeester toe dat de toren toen blijkbaar eigendom van de burgerlijke gemeente was geworden.6 Na dit antwoord werd de burgemeester uitgenodigd op audiĂŤntie te komen en dit resulteerde in een voor de Gereformeerde Gemeenten onbevredigend antwoord. De Commissaris was niet bij machte hun het ongestoord gebruik van de kerkklokken terug te geven. Zoals bleek, beschouwde het gemeentebestuur van Beilen de toren van de hervormde kerk niet als eigendom. De vraag of deze zienswijze juist was kon niet door hem worden beslist.7 Met ander woorden: juridisch gezien was de kwestie complex. De Gereformeerde Gemeenten stonden met dit antwoord praktisch voor het dilemma al dan niet een gerechtelijke procedure aan te spannen.

Beroep op minister van Binnenlandse Zaken Een gerechtelijke procedure was een kostbare zaak en daarin zagen de twee Afgescheiden Gemeenten mogelijk geen brood. Aangezien de gemeenteraad meende hen niet tot hun recht te kunnen helpen waagden ze een laatste poging door een beroep te doen op de minister van Binnenlandse Zaken. Alle grieven werden nog eens opgesomd en ze voegden er de wens aan toe dat alle inwoners van Beilen van het gemeentebestuur een gelijke behandeling zouden krijgen. De brief aan de minister ging voor advies naar Gedeputeerde Staten en vervolgens weer naar B. en W. van Beilen.8 De gemeenteraad constateerde dat adressanten beweerden dat toren en klokken ‘volgens de wet’ eigendom waren van de burgerlijke gemeente en mitsdien herstel vroegen van de onrechtmatige toepassing ervan. De Raad was van mening dat de door adressanten bedoelde wet niet bestond. Zij kon dan ook niet treden in de vraag of genoemde voorwerpen al dan niet eigendom waren van de burgerlijke gemeente. Het vermeende recht stond haaks op het zeer lang ongestoord bezit van toren en klokken van de zijde van de Hervormde Gemeente. G.S. zonden het antwoord naar de minister en onthielden zich van een beoordeling van de vraag of het adres wel was ingediend met inachtneming van art. 8 der grondwet. Zij waren van mening dat de beslissing over het probleem in Beilen bij de burgerlijke rechter lag. Na dit advies zond de minister een kort maar krachtig antwoord aan de Afgescheiden Gemeenten van Beilen en Hijken. Uit ingewonnen ambtsbrieven was niet gebleken dat de bewuste toren en klokken eigendom waren van de (burgerlijke) gemeente Beilen.

De kerkklok in de Beiler toren

6 7 8

Brief B. en W. aan Commissaris des Konings d.d. 6 juni 1889. Archief Gouverneur 5 juli 1889 no. 1811. Archief Gedeputeerde Staten, Verbalen 20 september 1889 no. 23.

4


De Beiler kerktoren met uitzichtpost

9

5

W.H. de Savornin Lohman, De kerkgebouwen van de gereformeerde (hervormde) kerken in Nederland, Amsterdam 1888.

Wie was nu eigenaar van de toren? In het verleden was er nogal eens onzekerheid over de eigendom van kerktorens. Die onzekerheid was in belangrijke mate het gevolg van twee gebeurtenissen: de Reformatie (1598) en de Revolutie (1798). Toen in 1598 de Reformatie in Drenthe werd ingevoerd werden de kloosters genaast en de goederen daarvan kwamen onder het beheer van de Landschap. De kerken behielden hun eigendommen, waaronder de torens, zij het dat de burgerlijke overheid wat het toezicht betrof de taak van de bisschop overnam. De overheid bemoeide zich echter nauwelijks met de kerkelijke goederen. Met de komst van de Fransen in 1795 en de daarmee gepaard gaande omwenteling maakte de erkenning van de rechten van de burger zijn entree. Ware vrijheid en broederschap konden slechts gebaseerd zijn op gelijkheid. Na langdurige beraadslagingen in de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek volgde op 5 augustus 1796 het decreet waarbij de bevoorrechting van één kerk werd afgeschaft. Godsdienstige plechtigheden dienden zich voortaan binnen de kerk te voltrekken en het dragen van een ambtsgewaad buiten de kerk werd verboden. Ook kwam er een verbod om de klokken te luiden voor de aanvang van de godsdienstoefening.9 De eigendom van kerktorens werd geregeld in de additionele artikelen bij de staatsregeling die op 17 maart 1798 werd aangenomen. Met name artikel 6 is daarbij van belang en luidt als volgt: ‘De torens, aan de Kerkgebouwen gehegt benevens de Klokken, met derselver huisingen, worden verklaard, eigendommen te zijn en te blijven der Burgerlijke Gemeenten, staande te allen tijde onder derzelver beheering en onderhoud’. De stelling ‘eigendommen te zijn’ is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het kan gelezen worden als een toestand die al jaren bestaat en nu bestendigd wordt of als een vaststelling dat vanaf nu daarvan wordt uitgegaan. Voor het laatste pleit dat het lijkt op wat in het zakenrecht een vaststellingsovereenkomst wordt genoemd. Dit houdt in dat er een situatie is ten aanzien van welker omvang en inhoud onzekerheid bestaat, maar zodanig wordt vastgesteld dat partijen zich ook dan gebonden achten, als later mocht blijken dat het vastgestelde niet met de werkelijkheid overeenstemt. Die onzekerheid was er alom, want de torens werden vooral ten dienste van het plaatselijk bestuur gebruikt. We hoeven maar te denken aan uitkijkpost wanneer de vijand in aantocht was, voor gevangenis en voor het alarmeren en het doen van aankondigingen aan de bevolking en door het luiden van de klokken. Toch was het zo dat de meeste torens tegelijk met de kerk werden gebouwd en ook steeds onderhouden door de kerkgemeenschap; het plaatselijk bestuur sprong soms zonodig bij. Met artikel 6

Een kwestie over het klokluiden en eigendomsrecht van de Beiler toren


heeft men eindeloze discussies willen voorkomen en gekozen voor een praktische oplossing. Maar ook een andere factor speelde een rol bij de eigendomsvaststelling. De overheid was gebaat bij een kaart met vaste referentiepunten, waarbij topografische gegevens ingepast konden worden. Daarvoor werd onder leiding van luitenant-generaal baron Krayenhof een driehoeksnet gemeten met als hoekpunten voornamelijk torens. Het was daarom voor de overheid van belang dat de torens in stand bleven en dit leek het best gewaarborgd door de eigendom ervan bij het burgerlijk bestuur te leggen.10 De ferme taal van de Staatsregeling van 1798 weerhield de gemeentebesturen er niet van dat ze de donatie van torens en klokken op grond van artikel 6 en het onderhoud nimmer hadden aanvaard. Dit blijkt uit het rapport van de Landdrost van het Departement Drenthe op 24 februari 1810 aan de minister van Binnenlandse Zaken. Hij zegt daarin: ‘dat het onderhoud der KerkTorens in de onderscheidene Plaatsen van het Departement gedragen wordt door de gezindheden welke in het bezit zijn van de kerk, waartoe de torens behoren, onverschillig of dezelve op de kerken geplaatst zijn of daarvan op een kleine afstand verwij-

Het Nederlands Hervormde kerkgebouw, gefotografeerd vanuit de weilanden De Vonderkampen. Geheel links is de molen van Spruytenburg aan de Brinkstraat te zien.

10 W. Houtman, De Rolder toren, in: Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1998, p. 63 e.v.

6


Het Nederlands Hervormde kerkgebouw gefotografeerd vanaf het dak van de DOMO. Links van de kerk is de Chr. LHNO De Vonderkampen nog zichtbaar. Op de achtergrond is de Brinkstraat te zien.

Kerkgebouw

Beilerstroom Kadasterschets 1832

derd staan’. Slechts voor Assen, Kloosterveen en Coevorden waren er uitzonderingen. Zo lijkt het alsof alle staatsregelingen en decreten aan Drenthe zijn voorbijgegaan. Maar in 1822 ontstond er een geschil waardoor de Staatsregeling van 1798 weer in het geding kwam. De gemeente Meppel gelastte de kerkvoogden van de Hervormde Gemeente om de kerktoren te herstellen. De kerkvoogden wierpen het bij Koninklijk Besluit goedgekeurde Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen, waarin geregeld is dat de kerkvoogden slechts uitgaven mogen doen voor het onderhoud der kerkgebouwen en kerkhoven, in de strijd. Met het Provinciaal College van Toezicht waren ze van mening dat torens niet als kerkgebouwen beschouwd konden worden. Daarom kon het onderhoud van de toren niet ten laste van de kerkgemeente komen. Maar Gedeputeerde Staten gooiden roet in het eten door mee te delen dat ze nader waren geïnformeerd over de interpretatie van het begrip kerkgebouw. Daaronder moest mede verstaan worden: ‘torens, voor zoo ver dezelven als annexen dier gebouwen, tot nog toe, door de Kerkelijke Gemeenten zijn onderhouden’. Het College van Toezicht verklaarde vervolgens dat overal in Drenthe, waar torens als hier bedoeld aanwezig waren en vóór 1820 onderhouden door de kerkelijke gemeente, dat onderhoud bij voortduring aan die gemeente zou blijven.

Tot slot Uit het voorgaande mag blijken dat in Beilen de toren van de hervormde kerk, in tegenstelling tot een aantal andere Drentse kerken, eigendom is van de kerkelijke gemeente. Dit wordt bevestigd door de kadastrale gegevens. Bij de instelling van het kadaster in 1832 is sectie D no.1 de kerk met het kerkhof in eigendom van de kerk van Beilen. Het tonen door de kerkvoogdij van een uittreksel uit het kadaster had mogelijk de hele polemiek kunnen voorkomen. Aardig is in dit verband een geval dat zich een jaar later afspeelde. Op 28 november 1890 deelde de burgemeester aan de Raad mee dat hij bericht had gekregen van het overlijden van koning Willem III. De Commissaris des Konings verzocht vanaf 24 november tot en met 1 december en verder op de dag voor de begrafenis de klok dagelijks drie keer een uur te laten luiden. De burgemeester deelde de Raad mee dat hij aan de kerkvoogden opdracht had gegeven op kosten van de (burgerlijke) gemeente daaraan te voldoen.

De foto’s die bij dit artikel zijn geplaatst komen uit het fotoarchief van de vereniging.

7

Een kwestie over het klokluiden en eigendomsrecht van de Beiler toren


Mijn dorp

Hooghalen rond 1890

B. Plenter

In 1889 woonden in Hoog- en Laaghalen 368 mensen, 191 mannen en 177 vrouwen. Er waren 159 hervormden, 46 gereformeerden en maar 4 rooms-katholieken. De overigen waren voornamelijk kinderen; een klein deel van de bevolking was niet bij een kerk aangesloten. In 1910 breidde het dorp al wat uit, al stonden er rond de kom van het dorp nog geen 30 huizen, meestal boerderijen. In het Middendorp woonde de scheper, Kornelis van der Velde. Willem Popping was de herdersjongen. Er was een smid (Lanting en later Wold), het logement van Kuiper en de kruidenierswinkel van Job Kuiper, Van den Hof, de timmerman en onderwijzer Feenstra en juffrouw Vos. Er was in oostelijke richting een kleine es tot wat nu Oosthalen heet met verderop heidevelden, naar het westen en het noorden lagen graslanden. Het gebied richting Amen, Zwiggelte, Beilen en Laaghalerveen bestond nog uit ruige velden.

Stengelin Alphonse Stengelin (geboren in 1852), ‘de Franse schilder’, kwam op zijn 27ste, dus in 1879, voor het eerst naar Hooghalen. Hij liet ons de afbeeldingen na van het Hooghalen van toen. Ieder jaar logeerde hij in het dorpslogement (nu restaurant Napoleon). Het werd beheerd door Geert Kuiper. Zijn vrouw en later dochter Aaltje, die trouwde met Willem Mulder die later het hotel midden in het dorp dreven, zorgden goed voor de schilder. Zijn schildersatelier bevond zich in de schuur achter de woning van Kuiper, die tegenover het logement was gebouwd (nu kapsalon Bazuin). In het

Hooghalen en Laaghalen omstreeks 1900

8


Deze schoolfoto is omstreeks 1904 genomen bij de 'oude school', hoek Hoofdstraat-Laaghalerstraat. Het onderwijsgevend personeel op de foto is meester Feenstra en juffrouw Vos. De kinderen hebben hun 'mooiste' kleren aan: dochters van boeren dragen veelal een (gouden) broche; dochters van arbeiders hebben een schort voor. Op de derde rij, zesde van links, staat Willemtje Braam.Wie kent nog meer personen? Gaarne contact zoeken met Willie Brinkman, tel. 0593-541848 of per email: williebrinkman@home.nl.

9

‘atelier’ werd voor hem een groot glazen raam geplaatst. In deze schuur kregen de Haler kinderen in latere jaren gymnastiekles. Ook werden hier kerkdiensten gehouden. Soms nam de schilder zijn familie mee. Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 begon, stopten zijn bezoeken. Particulieren en musea hebben nog werk van hem in bezit. Ook de schilders Louis Roessingh en Reinhart Dozy uit Elp schilderden vaak in Hooghalen. Stengelin noemde Hooghalen het mooiste dorp van Nederland. Dat is nu helaas niet meer zo, al is de groene omgeving mooi en vergoeden de bossen rondom veel wat er aan schilderachtigheid in het dorp zelf is verdwenen. De tijd en Tweede Wereldoorlog gingen hier niet ongemerkt voorbij.

Nostalgie Ooit moet het dorp er hebben uitgezien zoals we nu nog kunnen zien in Aalden en Orvelte. Er zijn mensen die een lief ding zouden willen geven om even rond te lopen in het Hooghalen van 1900 of eerder. De wegen en straten waren niet verhard. Er stonden meer bomen rond de huizen; ze zijn in de loop van de tijd verdwenen.

Hooghalen rond 1890


Er waren grote erven en moestuinen rond de huizen, plekken die later in de eeuw werden volgebouwd.

De school op de hoek Kinderen gingen aanvankelijk in Beilen naar school. In 1806 werd er al onderwijs gegeven in Hooghalen, maar alleen in de wintermaanden. In 1844 wendden de Halers zich tot de Gouverneur van Drenthe met de wens, dat er 48 weken zou worden lesgegeven. In 1890 waren er zeventien leerlingen op de school die stond op de hoek van de Hoofdstraat/Laaghalerstraat. Op 5 februari 1874 werd de toen nieuwe school op de hoek van de driesprong (Hoofdstraat/Laaghalerstraat) feestelijk geopend. Er waren 34 (!) jongens op paarden en de mensen gingen in optocht naar het stationnetje dat toen nog een halte was. Daar wachtte men op de genodigden, de burgemeester, de wethouders en de raadsleden die per trein vanuit Beilen kwamen. Daarna ging het naar het nieuwe schoolgebouw waar de mensen buiten moesten blijven staan wegens de grote belangstelling. De burgemeester beloofde leermiddelen. De kinderen kregen een voorstelling te zien met een toverlantaarn en een Chinees poppenspel. Een indrukwekkend moment was - schreef de Provinciale Drentsche en Asser Courant - toen de onderwijzer een gouden horloge aangeboden kreeg door een kind met de naam Eleveld. De feestcommissie bestond uit.: H. en W.J. Eleveld, L. Mulder, J.J. Vrijs en D. Wiering, betover- en grootvaders van mensen die nu nog in Hooghalen leven. Kennelijk werd onderwijs belangrijk gevonden. Een nieuw schoolgebouw kwam er in 1910. Dit gebouw noemen we nu de oude school. Als we tellen op een oude schoolfoto van 1911 komen we in dat jaar uit op 25 leerlingen. Klein dorp In de 19de eeuw moet het dorp klein zijn geweest. De bossen van nu waren toen heidevelden. Het was er dus minder groen. Nog tot in de twintiger jaren van de vorige eeuw liepen kinderen vanaf de Zwiggelterweg over de heide naar school. Tot aan Assen en Beilen was er een schaarse bebouwing. De zogenaamde Huttenstreek bij Beilen kende enkele kleine keuterijen. Ruimte en vergezichten waren dan ook alom. Hier en daar was een huis omzoomd door bomen. Er staan nu nog wat oude bomen in het dorp, zoals rond de school, de oude boom naast de benzinepomp, rond de oude boerderij Hoofdstraat 17, de lindeboom naast de verbouwde boerderij aan de Laaghalerstraat, in het Middendorp en aan het begin van de Stengelinstraat, vroeger de Scheid genoemd. Achter de vroegere melkfabriek is nog een deel van een oude boswal

Koe. Schilderij van Alphonse Stengelin.

Kinderen moesten voordat er een school kwam in Hooghalen lopend naar Hijken of Beilen. Hijken was aanvankelijk een groter dorp dan Hooghalen. Sommige kinderen kwamen uit arme gezinnen en hadden blote voeten in hun klompen. Ik hoorde eens een verhaal van een oude Haler die vertelde dat kinderen hun voetjes soms warmden in een warme koeienvlaai. Maar ze gingen naar school en dat is al heel wat in die toch wel barre negentiende eeuw.

Boom in het dorp omstreeks 1900

10


Boerenbedrijf in het Middendorp. Foto: DMA.

Oud-Drentse boerderij in Hooghalen met ramen met zes vakken. Detail van schilderij ‘Gezicht op de boerderij’ van Alphonse Stengelin.

11

te zien die ooit doorliep tot aan de Drift en verder naar Laaghalen. In de veertiger jaren was de Drift (’t driffie) nog een zandpad met een smal fietspaadje ernaast. Vermoedelijk is de ingang van het dorp met verderop het Middendorp het oudste deel, waar de weg van noord naar zuid langsliep. Daar stonden de oorspronkelijk Saksische boerderijen met rond het erf de typische hekken van drie of vier brede horizontale planken, die jammer genoeg nooit meer voorkomen bij oude (verbouwde) boerderijen, terwijl ze bij Drenthe hoort. Ook een paar huizen in Laaghalen zijn oud. Enkele bomen zijn bewaard. De Leek kent nog een klein stukje oude begroeiing. De meeste huizen werden gebouwd na 1900. Er waren maar een paar oude, echt Saksische boerderijen met eromheen wat keuterijen en oud-Drentse boerderijen. (Saksische boerderijen kenmerken zich onder andere door kleine vakruitverdelingen van de ramen en deze zijn witgeschilderd. Oud-Drentse boerderijen hebben ramen van meestal zes vakken). De ruilverkaveling in de tweede helft van de twintigste eeuw, waarbij de boeren aaneengesloten landerijen kregen, maakte dat er veel landschapsschoon en vooral zandpaden en boswallen verdwenen.

Hooghalen rond 1890


Het station van Hooghalen

Verkeer De spoorlijn maakte Hooghalen bereikbaar met de trein. Pas begin 1900 werd de Hoofdweg bestraat. Tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw ging het verkeer door de dorpsstraat. Het werk op het land maakte dat er wel boerenwagens en de zogenaamde wipkarren met een paard ervoor door de straten ratelden. De mensen liepen hele einden. Tot eind veertiger jaren van de 20ste eeuw had niet iedereen een fiets. Naar Assen en Beilen of Groningen en Meppel reed de Dabobus (Drentse Autobus Onderneming) met geüniformeerde conductrices. Omstreeks 1925 waren er maar drie auto’s in het dorp. Deze hadden een kentekennummer, dat begon met de letter D. Van Dusseldorp die het landgoed Dennenrode liet bouwen, had als kenteken D2876. Otte Eleveld kreeg in 1921 een motor met kenteken D1946. Willem Mulder, de hotelhouder, had kenteken D5564. Kinderen noteerden vaak de kentekens van voorbijrijdende auto’s. Zo had iedere provincie zijn letter: Groningen een A, Friesland een B en Drenthe kreeg een D toegewezen. Er kwamen in de jaren twintig van de vorige eeuw maar weinig auto’s voorbij. Men zag meer motoren met mannen gekleed in leren jassen met mutsen en stofbrillen op. Een vrouw op een motor was een zeldzaamheid; ze zat hoogstens achterop. In de vijftiger jaren van de 20ste eeuw verscheen de bromfiets en de Solex. Ook werden in deze tijd de fietsen vernieuwd en hadden sommigen een sportfiets met vijf versnellingen. De boeren kregen tractoren. En nog weer later reden jongeren op snelle brommers van Duitse en Italiaanse makelij. Pas in de zestiger jaren zette de welvaart door en kwamen er meer auto’s. Uiteindelijk kwam er ook waterleiding en riolering, maar tot ver na de oorlog moest men het nog doen met pomp, waterput en ton.

Middendorp, Lucas Zwiers (huisslachter) met het 'zwien op de ledder'. De naam van de vrouw is niet bekend.

12


Twee Haler boerinnen met oorijzer, vanaf links: Jantje Eleveld en Hendrikje Eleveld. Daarnaast zit Femmigje Comijn-Beugel. De naam van het kind is niet bekend.

Verantwoording foto’s De foto’s die bij dit artikel zijn geplaatst komen uit het fotoarchief van de vereniging.

13

Welvaart Hooghalen was een dorp waar niet iedereen in welvaart leefde. Echt arm waren maar een paar mensen. Het boerenbedrijf leverde zelf melk, boter, groenten uit de tuin en aardappelen en graan. De meeste boeren hadden een gemengd bedrijf, dus werd er vee gehouden en er werden tevens akkerbouwproducten verbouwd. Rijkere boerinnen hadden een gouden oorijzer, de armere een zilveren met wel gouden stiften. In de spiende (kast met glazen deuren) had men mooi serviesgoed en zilveren voorwerpen. Tijdens de oorlog karnden de vrouwen nog hun eigen boter (de prijs bedroeg soms wel 100 gulden voor een pond, of de boter werd tegen een gouden horloge geruild). Sommige mensen die de mogelijkheid hadden, hielden een varken om te slachten. Dat slachten gebeurde in november. Zo’n varken schreeuwde luid en dan zag je overal opengesneden varkens op ladders vastgebonden. Buren en kennissen deelden in de slachtproducten zoals worst, spek, hoofdkaas en bloedworst. Er woonden in Hoog- en Laaghalen eigenerfde boeren, maar ook een aantal landarbeiders. In de dertiger jaren van de vorige eeuw kwamen sommige mannen door de hevige werkloosheid in de werkverschaffing terecht met een loon van zeven gulden in de week. Er zal ook nood zijn geweest en af en toe moest de kerkenraad bijspringen. De kerk vervulde toen ook een sociale taak. De tuinen waren zanderig (gras moest je maaien met de zeis) met goudsbloemen, duizendschonen en een enkele hortensia of dahlia. De moestuin was belangrijker. Sommigen hadden een kleine boomgaard met appel-, pruimen- en perenbomen. ’s Zaterdags werden de tuin en het erf geharkt, zodat de harkstrepen in het zand zichtbaar bleven. Dan liet je zien, dat je je erf goed onderhield.

Hooghalen rond 1890


Gemeenteveldwachters

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 11 (laatste aflevering)

J. Maas

In de afleveringen 9 en 10 over de veldwachters ViĂŤtor, Kalteren, Brouwer en Biemold was te lezen dat het voor politiemensen, tijdens de bezetting van Nederland door de Duitsers gedurende 1940 tot 1945, heel moeilijk was hun werk te doen. Iedere politieman moest toen zelf beslissen hoe hij zijn functioneren met zijn geweten in overeenstemming kon brengen. In dit laatste deel komen van de zeven gemeenteveldwachters, die gedurende de bezettingstijd in Beilen hebben gediend, Kornelis Meijer, Jan Koopman en JurriĂŤn Kruit aan bod.

Kornelis Jan Meijer In het Groningse Zuidbroek klonken begin januari 1904 de eerste kreten van Kornelis Jan Meijer. Hij volgde de lagere school, zette zijn eerste schreden op het pad van zijn arbeidzaam leven en danste ongetwijfeld de charleston in zijn vrije tijd. Maar Kornelis had andere dromen. Een militair bestaan trok hem aan. Net twintig jaar oud trad hij als vrijwilliger in dienst bij het vierde halfregiment Huzaren in Deventer. Hij was korporaal bij deze Huzaren bij zijn overgang naar de Koninklijke Marechaussee begin april 1926. Bij dat Wapen diende hij zes jaar; zijn laatste standplaats was Heerenveen. Hij had trouwplannen en dat betekende onverbiddelijk dat hij de Marechaussee moest verlaten. Eind april 1932 trad Meijer in dienst van de Friese gemeente Haskerland als gemeenteveldwachter. Hij stapte twee maanden later in Hoogezand in het huwelijksbootje met Jantje Meiborg, die uit Kiel-Windeweer afkomstig was. Het echtpaar kreeg in Hasker-

Veldwachter Kornelis Jan Meijer

14


Overzicht Kornelis Jan Meijer kwam op 7 januari 1904 ter wereld in Zuidbroek als zoon van de arbeider Berend Meijer en Grietje Meiborg. Hij nam vrijwillig dienst bij de Huzaren op 29 januari 1924 en werd daar bevorderd tot korporaal. Van 1 april 1926 tot 30 april 1932 diende hij bij het Wapen der Koninklijke Marechaussee. Per 1 mei 1932 trad hij aan als gemeenteveldwachter in Haskerland. Hij huwde in Hoogezand op 23 juni 1932 met Jantje Meiborg (ook de moeder van Kornelis Meijer heette Meiborg), die op 1 augustus 1908 in Kiel-Windeweer geboren was. In 1933 kwam hun dochter Gepke ter wereld en een jaar later Grietje. Meijer werd in 1936 gemeenteveldwachter in Opsterland. Daar bleef hij vier jaar. Op 5 juni 1940 begon hij als gemeenteveldwachter in Beilen. Daar kwam in 1942 zijn derde kind, Roelf, ter wereld. Na de opheffing van de gemeentepolitie werd Kornelis Meijer opperwachtmeester van de staatspolitie. Als gevolg van een niet geheel correct geachte houding tijdens de bezetting werd hij op 22 oktober 1945, na een schorsing van enkele maanden, als zuiveringsmaatregel overgeplaatst naar Drouwenermond. Daar was hij opperwachtmeester der rijkspolitie. In die functie diende hij vervolgens drie jaar in Muntendam en daarna in Scheemda. Na zijn pensionering ging hij in Hoogezand-Sappemeer wonen. De echtgenote van de oud-politieman stierf op 26 maart 1983 in Groningen. Kornelis Jan Meijer zelf overleed, 86 jaar oud, op 8 januari 1990 in Hoogezand-Sappemeer.

Het gezin Meijer woonde op het adres Molenstraat 19. Tot mei 1941 was A236 het huisnummer. Molenstraat 19 is de derde woning van rechts.

15

land twee kinderen: Gepke en Grietje. Het beviel Jantje Meiborg niet erg in Friesland. In 1935 solliciteerde Meijer daarom naar de functie van gemeenteveldwachter in Zuidlaren. Hij noemde als reden van zijn sollicitatie: “Mijn vrouw komt uit de omgeving van Zuidlaren. Zij kan zich niet aanpassen aan de toestanden in Friesland. Ze zou zeer blij zijn weer in haar eigen omgeving te zijn�. Hoewel de burgemeester van Haskerland zijn veldwachter kwa-

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 11


lificeerde als een uitstekend politiedienaar werd Meijer niet aangesteld in Zuidlaren. Wel verliet hij Haskerland; hij werd in november 1936 gemeenteveldwachter in Opsterland, een andere Friese gemeente. Jaren later lukte het hem wel uit Friesland weg te komen. Twee dagen vóór de Duitse inval in Nederland werd Meijer in Beilen benoemd tot gemeenteveldwachter. Op 5 juni 1940 begon de 1.80 meter lange politieman zijn werk in de gemeente Beilen; hij was 36 jaar oud. Hij kreeg als standplaats het dorp Beilen en kwam te wonen aan de Molenstraat.

Sportief man Veldwachter Meijer was een sportief man. Bij zijn sollicitatie kon hij getuigschriften overleggen voor atletiek, gymnastiek, zelfverdediging, zwemmen en voor uithoudingsvermogen.

Geen chef veldwachter Op het moment van Meijers indiensttreding bestond de Beiler gemeenteveldwacht uit allemaal pasbenoemde dienders. Door de inval van de Duitsers was het aantal veldwachters plotseling van één veldwachter gegroeid naar vijf dienders. Nico Viëtor was één maand in functie en stond te Tiendeveen. En dan waren er drie tijdelijke gemeenteveldwachters, zonder ervaring, die nog korter in dienst waren: Hendrik Biemold te Wijster, Marinus Brouwer te Hooghalen en Bettes Kalteren in Hijken. Veldwachter Meijer gaf in de praktijk leiding aan de andere veldwachters, hoewel hij officieel niet als zodanig was aangesteld. De gemeentepolitie had zijn bureau in het gemeentehuis. Het zal bijzonder zuur geweest zijn voor Meijer dat -toen er een chef veldwachter moest komen- niet híj als oudste en met de meeste ervaring door burgemeester Wytema werd uitverkoren, maar de veel jongere Viëtor. Na de benoeming van de laatste, in december 1941, tot chef veldwachter hadden zowel Meijer als Viëtor het dorp Beilen als standplaats. Eind april 1942 werd Meijer voor de derde keer vader. Het gezin werd uitgebreid met een zoon, die ze Roelf noemden. Op 1 maart 1943 werd de gemeenteveldwacht door een maatregel van de Duitse bezetters opgeheven. In Beilen werden de manschappen van de gemeenteveldwacht en de rijkspolitie samengevoegd tot staatspolitie. Kornelis Meijer kreeg in de nieuwe organisatie de rang van opperwachtmeester. Hendrik Huizing werd de nieuwe chef van Meijer. Onderzoek liquidatie Huizing Deze chef werd op 11 maart 1944 geliquideerd door mensen van het verzet. Meijer moest met zijn collega Sevinga procesverbaal opmaken over het doodschieten van Hendrik Huizing. Het proces-verbaal gaf niet direct aanleiding om nadrukkelijk te zoeken in de richting van een daad door het verzet. Het procesverbaal kreeg de strekking van een familie-afrekening. De beide politiemannen durfden het zelfs aan om in het proces-verbaal te

16


Optreden Nederlandsche Schutzstaffel (SS) Meijer schreef een verslag ten behoeve van burgemeester Wytema over de aankomst van een trein met 800 Joden uit Amsterdam op 16 juli 1942 en 260 gestrafte Joden uit het concentratiekamp te Amersfoort op het station Hooghalen. ‘Zeven mensen waren gewond geraakt door het optreden van manschappen van de Nederlandsche SS, die bij het inladen in Amsterdam hadden geschopt en geslagen. Tijdens de reis naar Hooghalen was een van de gewonden overleden en een andere man was zo zwaar gewond dat hij zelf niet meer uit het rijtuig kon komen, een derde gewonde kwam uit zichzelf nog uit de wagon. De gewonden werden naar kamp Westerbork afgevoerd. Na registratie moesten de overige mensen in een andere trein overstappen. Hierbij werd door de begeleiders geschopt’, rapporteerde Meijer.

Bij de boerderij van Leffert Hofman aan de Hijkerweg vond de arrestatie van geallieerde bemanningsleden plaats.

17

vermelden, dat Huizing de laatste maanden in een ernstige geestelijke depressie verkeerde. Door de resultaten van dit politieonderzoek - en de inzet van de NSB-burgemeester Cool, die de ontslagen burgemeester Wytema was opgevolgd - had de liquidatie van Huizing geen ernstige represaillemaatregelen door de bezetters tot gevolg. Onafhankelijk van dit onderzoek - en buiten medeweten van de Beiler politie - hadden echter mannen van de Sicherheitsdienst in Assen hun eigen onderzoek in alle stilte voortgezet. Toen politieman Viëtor - die bij de aanslag betrokken was - hiervan vermoedens kreeg, besloot hij met zijn gezin onder te duiken.

Anonieme brief In een anonieme brief aan de waarnemend NSB-landwachtcommandant te Beilen, in februari 1945, werden namen genoemd van mensen die verzetswerk deden. Hoewel geen ondergronds werk verrichtend stond ook de naam van opperwachtmeester Meijer in de brief vermeld. In de nacht van 11 op 12 maart 1945 werd Meijer gearresteerd. Op 14 maart 1945 werd hij weer in vrijheid gesteld. De tenlastelegging werd hem niet meegedeeld. Uit het verhoor had hij kunnen opmaken, dat hij als onbetrouwbaar werd beschouwd. Hij zou contacten hebben met de ondergedoken politieman Viëtor. De datum en tijdstip, waarop dit contact zou zijn geweest, kon Meijer echter weerleggen, met het gevolg dat men hem vrij liet. Zuivering Direct na de bevrijding van Beilen werd politieman Meijer op 13 april 1945 geschorst. Hem werd ten laste gelegd dat hij op 6 maart 1945, terwijl hij geen dienst had, de Duitsers had geholpen in de omgeving van de Hijkerweg bij de arrestatie van geallieerde bemanningsleden van een vliegtuig dat een noodlanding had gemaakt. Meijer erkende dat het dom van hem was geweest om naar de Hijkerweg te fietsen. Maar daar aangekomen kon hij niets anders dan in opdracht van de Ortskommandant de vliegers arresteren. Maar ook zonder het optreden van Meijer zouden de Amerikanen gevangen zijn genomen, omdat het publiek, waaronder ‘verkeerden’ massaal naar de Hijkerweg waren gekomen. Desalniettemin werd de arrestatie Meijer zwaar aangerekend. Een andere tenlastelegging was dat hij -nadat een collega was ondergedoken- hij de verblijfplaats van diens verloofde had bekendgemaakt. Voor Meijer pleitte dat hij eind juni 1943 de Beiler artsen had laten waarschuwen over hun voorgenomen arrestatie, dat hij hulp had verleend bij het maken van valse persoonsbewijzen en dat hij informatie doorgaf over aanstaande huiszoekingen,

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 11


arrestaties en dergelijke, zodat de betrokken Beilers actie konden ondernemen. Al met al kon Meijer zich niet zuiveren van de schijn, dat hij in zijn politiegedrag niet geheel correct was geweest. Tot 9 oktober 1945 bleef Meijer geschorst. Op 22 oktober 1945 werd hij als zuiveringsstrafmaatregel overgeplaatst naar Drouwenermond. Daar diende hij vijf jaar bij de rijkspolitie. Vervolgens woonde en werkte hij drie jaar in Muntendam en daarna in Scheemda. Na zijn pensionering gingen Meijer en zijn vrouw in HoogezandSappemeer wonen. Kornelis Jan Meijer stierf één dag na zijn 86ste verjaardag in die plaats. Zijn vrouw was hem al ruim zes jaar eerder voorgegaan. Zij was eind maart 1983 overleden in de stad Groningen.

Jan Koopman Jan Koopman werd half februari 1886 in het Friese Zuidwolde op Oosterwold geboren. Na zijn lagere schoolperiode vond hij werk als boerenknecht. Om zich daarin te bekwamen volgde hij een landbouwcursus en haalde daarvoor ook zijn diploma. Hij hoefde niet in militaire dienst, omdat hij was vrijgeloot. Hij woonde en werkte in het dorp Fluitenberg in de gemeente Ruinen. Eind april 1910 trouwde hij in Ruinen met Aaltje Derks, die in Ruinerwold was geboren. Het echtpaar kreeg in Fluitenberg twee zonen; de oudste heette Tieme en de tweede zoon noemden ze Gerrit. Jan Koopman vond na zijn huwelijk een baan als particulier jachtopziener in Fluitenberg. Hij volgde een schriftelijke en mondelinge scholing voor het politievak. Zijn ervaring als particulier jachtopziener en zijn politiediploma leverden hem uiteindelijk in 1917 een benoeming op tot rijksveldwachter/opziener der jacht en visscherij. Zijn standplaats werd Assen. Hij woonde met zijn vrouw en twee kinderen eerst in de Gasfabriekstraat en later in de Boschstraat van de hoofdstad van Drenthe.

Jan Koopman als rijksveldwachter

Rijksveldwachter in Hijken Na vijf jaar hield hij het voor gezien in Assen. Jan Koopman werd op 16 juli 1922 ‘gewoon’ rijksveldwachter in de gemeente Beilen, met als standplaats het dorp Hijken. Koopman was toen zesendertig jaar oud. In tegenstelling tot zijn collega’s, die regelmatig werden overgeplaatst, was Koopman bijzonder honkvast. Hij en zijn gezin hadden zich in Hijken genesteld. Ze woonden in de ‘veldwachterswoning’ aan het Westeinde. Dit huis was in 1913 gezet toen er in het gehucht Oranje een aardappelmeelfabriek werd gesticht. Koopman had aan zijn huis een klein ‘boevenhok’ om arrestanten tijdelijk onder te brengen. ‘Koopman is onafscheidelijk verbonden met de geschiedenis van

18


Overzicht Jan Koopman kwam op 12 december 1886 in het Friese Zuidwolde ter wereld als zoon van Tieme Koopman en Tjirkien Piest. Na de lagere school werd hij boerenknecht in Fluitenberg (gemeente Ruinen). Voor de Nationale Militie werd hij vrijgeloot. Hij trouwde op 30 april 1910 in Ruinen met Aaltje Derks, die op 6 november 1883 in Ruinerwold was geboren. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Tieme in 1911 en Gerrit in 1912. Koopman kreeg een baan als particulier jachtopziener. Van 21 juli 1917 tot 16 juli 1922 was hij rijksveldwachter/ opziener jacht en visserij in Assen. Daarna was hij negentien jaar lang rijksveldwachter in Hijken. Door een reorganisatie van de politie werd Koopman op 1 augustus 1941 gemeenteveldwachter in Beilen met als standplaats Hijken. Dat bleef hij tot aan zijn pensionering in 1947, met dien verstande dat de gemeentepolitie in maart 1943 staatspolitie werd en dat na het einde van de Tweede Wereldoorlog de naam staatspolitie werd veranderd in rijkspolitie. Koopman had de rang van opperwachtmeester bereikt aan het einde van zijn loopbaan. Zijn echtgenote overleed -85 jaar oud- op 6 oktober 1968. De oud-politieman zelf bereikte de gezegende leeftijd van 91 jaar; hij stierf op 26 december 1977.

ons dorp’, staat er te lezen in het boek Een rondgang door Hijken. Ook staat er: ‘Een veldwachter was toen nog een man van gezag. Zijn enige wapen was een blanke sabel en dat werd maar zelden uit de schede gehaald’. Op politiegebied gebeurde er niet veel opwindends in het landelijke dorp. De aanwezigheid van een regelmatig door het dorp fietsende politieman had voldoende preventieve werking om de mensen -en met name de dorpsjeugd- in het gareel te houden. Het meest opmerkelijke voorval in het dorp deed zich voor in januari 1928. Koopman was toen al ruim vijf jaar als rijksveldwachter gestationeerd in Hijken. Plotseling was de directeur van de plaatselijke zuivelfabriek verdwenen. Na korte tijd bleek dat niet alleen de directeur was verdwenen, maar ook een bedrag van f. 37.000,-. Nadat de directeur ernstig verzwakt en ziek was teruggevonden in een veld ten noorden van De Draai over het Oranjekanaal bleef hij enkele dagen onder politiebewaking bij smid Koops. Daarna werd hij naar de politierechter in Assen vervoerd. Rijksveldwachter Koopman had het er druk mee. Behalve veldwachter was Koopman imker. Naast zijn huis had hij een boomgaard, waar zijn bijenvolken een goed leven hadden. Zijn vrouw was actief in het Hijker kerkelijke verenigingsleven. Rijksveldwachter Jan Koopman moest lang wachten op promotie bij de politie; kennelijk waren ze hem vergeten. Pas nadat de Duitsers in mei 1940 Nederland waren binnengevallen en het land hadden bezet werd Koopman bevorderd tot brigadier-titulair. Dat was op 1 januari 1941.

De ‘veldwachterswoning’ aan het Westeinde in Hijken

19

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 11


Rijksveldwacht opgeheven in Hijken De bezetting door de Duitsers bracht veel veranderingen op het gebied van de politie. De standplaats in Hijken van de rijkspolitie werd opgeheven en als gevolg daarvan werd Jan Koopman op 1 augustus 1941 gemeenteveldwachter in Beilen. Voor hem veranderde er niet veel, alleen de functienaam en het uniform. Zijn standplaats bleef Hijken. Hij hoefde niet te verhuizen. Toen Koopman gemeenteveldwachter werd, was hij al 55 jaar oud en een oude rot in het vak. Hij kwam onder chef veldwachter Nico Viëtor te staan. Viëtor had wel wat anders aan zijn hoofd dan zich met het politietoezicht in Hijken bezig te houden. Koopman kon zijn politiewerk op de oude vertrouwde voet voortzetten in ‘zijn’ dorp. Onopvallend Na de opheffing van de gemeenteveldwacht in maart 1943 werd Jan Koopman aangesteld als opperwachtmeester van de staatspolitie. Zijn standplaats bleef onveranderd Hijken. Hij kreeg een nieuwe chef: Hendrik Huizing en na diens liquidatie door het verzet werd de nationaal-socialist Johannes Wijnja zijn superieur. Onopvallend kwam Jan Koopman de bezetting door. Zijn antiDuitse gezindheid bracht hem niet in problemen. Door de vele wachtdiensten die de politie moest lopen in het distributiekantoor in Beilen ter voorkoming van overvallen had veldwachter Koopman maar weinig tijd over om orde en rust in Hijken te handhaven. Onoverkomelijk was dat niet, omdat het gedurende de bezetting relatief rustig was in het landelijke dorp. Er woonden weinig leden van de Nationaal Socialistische Beweging; er werd een gering aantal mensen gearresteerd en ook waren er niet veel mensen in het dorp ondergedoken. Enkele jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog ging Jan Koopman met pensioen. Hij kwam in 1947 in het dorp Beilen te wonen aan de Asserstraat. Hij had er dertig jaar politiedienst opzitten, waarvan vijfentwintig jaar in Hijken. Houtsnijder Koopman woonde niet lang in Beilen. In 1949 keerde hij terug naar Hijken en in 1954 kwam hij daar weer op zijn oude stek te wonen aan het Westeinde. Jan Koopman was een verdienstelijk houtsnijder. Hij maakte onder andere de avondmaaltafel, preekstoel en doopvont voor de hervormde kerk in Hijken. Hij schonk deze houtsnijwerken aan de kerk, waarvan de bouw in 1960 werd voltooid. In oktober 1968 overleed Koopmans echtgenote Aaltje Derks. Bijna een jaar later vestigde de oud-politieman zich in het Zorgcentrum

Gemeenteveldwachter Jan Koopman

Verplichte vakbond Toen alle vooroorlogse organisaties van het politiepersoneel in de zomer van 1941 werden opgeheven, kwam hiervoor de ‘Kameraadsbond der Nederlandsche Politie’ in de plaats. Deze stond onder leiding van leden van de Nationaal Socialistische Beweging. Alle politiefunctionarissen werden verplicht lid te worden.

20


Overzicht Jurriën Kruit kwam in Zuidbroek ter wereld op 20 juli 1910. Hij was de zoon van Jan Kruit en Trijntje Wildeboer. Kruit volgde lagere school en ULO. Hij werkte als administrateur bij Philips in Eindhoven van oktober 1928 tot september 1932, als verpleger bij de Stichting T.C.L. in Wagenborgen tot september 1933 en als chauffeur tot zijn aantreden als aspirant agent van politie in Den Haag op 16 juli 1934. Kruit hoefde niet in militaire dienst vanwege broederdienst. Per 1 mei 1935 werd hij aangesteld als agent van politie in ’s Gravenhage. Op 1 januari 1942 kreeg hij eervol ontslag als zodanig vanwege zijn benoeming tot gemeenteveldwachter in Beilen. Daar kreeg hij als standplaats Tiendeveen. Tijdens de bezetting steunde hij verzetsactiviteiten in zowel Beilen als Hoogeveen. Hij werd begin 1945 gearresteerd, maar kon uit kamp Ommen ontsnappen. Vervolgens dook hij met zijn gezin onder tot aan de bevrijding. Kruit bleef tot 1948 in Tiendeveen. Hij werd als opperwachtmeester overgeplaatst naar Schoonebeek. Daar stond hij zeven jaar. Vervolgens keerde hij terug naar Beilen, waar hij twee jaar bleef. In 1957 werd hij adjudant van politie in Waddinxveen, waar hij op 63-jarige leeftijd met pensioen ging. Jurriën Kruit overleed kort na zijn pensionering op 21 augustus 1973 in Waddinxveen.

De Westeres aan de Hofstraat in het dorp Beilen. Op tweede kerstdag van het jaar 1977 overleed de voormalige rijks- en gemeenteveldwachter Jan Koopman in de hoge ouderdom van 91 jaar.

Jurrien Kruit Na de bevordering van Viëtor tot chef veldwachter werd Jurriën Kruit de nieuwe veldwachter in Tiendeveen. Kruit was in 1910 geboren in het Groningse Zuidbroek. Na de lagere school doorliep hij met goed gevolg de ULO. Hij kon via een broer, die in Eindhoven woonde, een administratieve baan krijgen bij de Philips Gloeilampenfabriek in die Brabantse stad. Hij ging daar begin oktober 1928 aan de slag. Kruit hoefde niet in militaire dienst, omdat oudere broers al onder de wapenen waren geweest. Vrijstelling wegens broederdienst noemde men dat toentertijd. Bij Philips werkte Jurriën Kruit bijna vier jaar. Toen ging hij iets heel anders doen. Hij keerde terug naar de provincie Groningen en werd verpleger bij de stichting T.C.L. -een soort Beileroordin Wagenborgen. Dat deed hij precies één jaar. Daarna was hij korte tijd chauffeur, totdat hij half juli 1934, 24 jaar oud, zijn loopbaan bij de politie begon als aspirant-agent bij de gemeentepolitie van Den Haag. Nog gen jaar later werd hij bevorderd tot agent van politie in de residentie. Deze bevordering gaf voldoende zekerheid om aan trouwen te gaan denken, want hij had verkering gekregen met de uit Oost-Groningen afkomstige Johanna van der Zwaag, die bij een minister in de Hofstad in de huishouding werkte. Het paar gaf in augustus 1936 elkaar het ja-woord voor de ambtenaar van de burgerlijke stand in Zuidbroek. In Den Haag werden drie kinderen geboren, eerst twee dochters en toen een zoon. In september 1937 werd agent Kruit bij de motorbrigade ingedeeld. In datzelfde jaar haalde hij het gemeentelijke diploma Duits, want men had graag dat agenten in de stad één of meer vreemde talen spraken. Ook studeerde Kruit voor zijn politiediploma dat hij in 1939 in ontvangst kon nemen. Kort daarna brak de oorlog uit en werd Nederland na een vijfdaagse strijd door de Duitsers bezet. Bij hoge uitzondering toestemming om te solliciteren Agent Kruit wilde weg uit Den Haag, terug naar het noorden, maar dat was niet eenvoudig onder het nieuwe regiem. Uiteindelijk lukte het hem ‘bij hoge uitzondering’ toestemming te verkrijgen om te solliciteren in verband met ‘de minder goede gezondheidstoestand van zijn vrouw’. Op nieuwjaarsdag 1942 trad Jurriën Kruit als veldwachter in Tiendeveen aan. In het kleine ver van Beilen afgelegen dorp was

21

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 11


April-meistaking 1943 Als gevolg van de stakingen die vanaf eind april 1943 spontaan uitbraken, omdat leden van het voormalig Nederlandse leger opnieuw in krijgsgevangenschap zouden worden weggevoerd, veranderde de houding van de Nederlandse politie. De politie had tot aan die stakingen de orders van de Duitse bezetters gehoorzaam uitgevoerd; daarna begonnen steeds meer politiemannen Duitse maatregelen tegen te werken, te waarschuwen voor voorgenomen acties en steun te geven aan het verzet. Ook in de gemeente Beilen werd er gestaakt, onder andere in het afvalverwerkingsbedrijf VAM in Wijster. Veldwachter Kruit moest de bedrijfsleider de order brengen dat hij zo spoedig mogelijk een lijst moest inleveren van de arbeiders die niet aan het werk waren gegaan. Doordat de staking door de strenge maatregelen van de bezetter landelijk verliep, kwam er bij de VAM uiteindelijk geen lijst tot stand. Op papier was er geen staking geweest.

de bezetting door de Duitsers maar in geringe mate merkbaar. Vooral in het eerste jaar ging alles rustig zijn vertrouwde gang. Na de opheffing van de gemeenteveldwacht op 1 maart 1943 bleef Kruit als politieagent van de nieuw gevormde staatspolitie openbare rust, orde en veiligheid handhaven in Tiendeveen. In die tijd werd zijn gezin uitgebreid met een vierde kind. Kruit raakte langzaamaan betrokken bij het verzet tegen de Duitse overheersers in de gemeente Beilen en ook in de, op korte afstand van Tiendeveen gelegen, gemeente Hoogeveen. Hij maakte zich verdienstelijk als transporteur van distributiebonnen en geld ten behoeve van de Landelijke Onderduikerorganisatie. In Drijber, waar veel onderduikers zaten, onderhielden Kruit en zijn collega ViĂŤtor regelmatig contact met verzetsmensen over de bevoorrading en beveiliging van de ondergedokenen. In de gemeente Hoogeveen hielp hij onder andere, samen met de politie-agenten Karelse en Offeringa uit Hollandscheveld en Doorten uit Noordscheschut, het verzetsgezin Zijlstra.

Gearresteerd Als gevolg van deze illegale praktijken werd Kruit in het vroege voorjaar van 1945 midden in de nacht in zijn huis door medewerkers van de Sicherheitsdienst gearresteerd en weggevoerd. Hij werd gevangen gezet in kamp Ommen, om van daaruit -via kamp Amersfoort- te worden getransporteerd naar een concentratiekamp in Duitsland. Transport bleef echter uit, omdat veel spoorwegmaterieel onklaar raakte door onophoudelijke beschietingen door geallieerde jachtvliegtuigen. Met hulp van zijn vrouw lukte het Kruit uit kamp Ommen te ontsnappen. Hij dook met zijn echtgenote en zoon onder in Emmen. De drie andere kinderen kregen ergens anders heimelijk onderdak. Tot de bevrijding bleef Kruit met zijn gezin ondergedoken. Nadat de Duitsers half april 1945 verdreven waren, kwam agent Kruit terug naar Tiendeveen en bleef daar tot 1948. Al heel snel na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de benaming staatspolitie veranderd in rijkspolitie.

JurriĂŤn Kruit

22


VAM-terrein te Wijster

Naar Schoonebeek In 1948 werd Jurriën Kruit opperwachtmeester van de rijkspolitie te Schoonebeek. Het bureau van politie daar was gevestigd in de Marechausseekazerne; ook het gezin van de politieman woonde in die kazerne. Na zeven jaar in Schoonebeek te hebben gestaan keerde Kruit terug naar de rijkspolitie in Beilen. Hij woonde aan het begin van de Dingspelstraat. Twee jaar later, in 1957, werd hij benoemd tot adjudant van politie in het ZuidHollandse Waddinxveen. Dat bleef hij tot zijn vervroegde pensionering in 1965. Oud-politieman Kruit overleed heel kort nadat hij met pensioen was gegaan op 63-jarige leeftijd in Waddinxveen. Zijn echtgenote Johanna van der Zwaag stierf daar ook, 22 jaar later, in 1995.

Verantwoording foto’s De foto’s die bij dit artikel zijn geplaatst komen uit het fotoarchief van de vereniging. Dank De auteur dankt mevrouw T. de Weerd-Kruit te Beilen voor haar medewerking bij de totstandkoming van deze aflevering. Rectificatie In de vorige aflevering sprak de auteur zijn dank uit aan de heer A.H. Uilenberg te Klijndijk. Dat was onjuist. Er had moeten staan: de heer H.F. Uilenberg te Odoorn. Geraadpleegde bronnen: Archief gemeente Midden-Drenthe: PD’s gemeentearchief Beilen. Drents Archief, archief Kabinet Commissaris der Koningin, toegangsnummer 0048 nr. 122 en 150; Archief Commissaris der Koningin, toegangsnummer 0040, 10 juli 1940, nr. 1804; Archief Commissaris der Provincie toegangsnummer 0040 30 december 1941 nr. 3035. Gemeentearchief Den Haag: Archief gemeentepolitie 432/3200. Geraadpleegde literatuur: G.J. Dijkstra e.a., Gemeente Beilen 1940-1945 deel 1, p. 57, 58, 62-63, deel 2, p. 251, deel 3, p. 49, 93, 146-147, 237 en 348. J. Hoogeveen-Zuidberg ‘Mijn straat’, in: Tijdschrift Historische Vereniging Gemeente Beilen (THVGB), jaargang 17 nr. 1, maart 2005, blz. 25. G. Seubring ‘Het kerkgebouw van de hervormde gemeente te Hijken’, in THVGB, jaargang 17 nr. 3, september 2005, p. 3 en 6. Werkgroep geschiedschrijving Hijken, Een rondgang door Hijken, p. 122. G.M.E. Braker, Kroniek oorlogsjaren 1940-1945 in de gemeente Beilen, 17 december 1941. Gedenkboek Hoogeveen 1940-1945, p. 111.

23

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 11


Verhalen

Aold Beiler kerkvolk1

Roel Reijntjes (1923-2003)

En dan is het zundagmรถrgen vroo. Het dรถrp lig under een hemel van deurzichtig blauw. Rustig en vredig. De discobezukers van de leste nacht zint net hen bedde gaon. Alles um hoes is anhemmeld en daon, opruumd en schone harkt. Mooie fiene streepies hef de hark maakt en het is jao haost zunde um der overhen te lopen. Zรถlfs de haan kuiert er met bedachtzaome treden overhen, as een prins wel as de rooie loper betredt. Um negen uur komp er hoog oet de toren het geluud van de bronzen torenklok. Hie rรถp de mensen hen de kerk. In zundagse kleer of in sportieve spullen giet het volk op- en tot

1

Dit verhaal van Roel Reijntjes is eerder gepubliceerd in Maandblad Drenthe, jaargang 62, juli-augustus 1991.

Het Nederlands Hervormde kerkgebouw gefotografeerd vanuit de Torenlaan. De foto is in het midden van de vorige eeuw gemaakt.

24


De familie Wolting met paard en wagen op de Torenlaan. Op deze wijze ging men uit de omliggende buurtschappen in het zondagse pak naar Beilen voor het bijwonen van de kerkdienst (zie foto hieronder; foto van Drents Museum, Assen).

binnen de muren van de ieuwenolde dörpskerk. En wij lustert naor de woorden van aol’ domnee en zingt de plechtige psalms en gezangen. In brede golven rolt het geluud tegen de witte muren. “Als wij zingen” zo zeg aol domnee, “dan leven wij ten opzichte van wat wij zingen, geestelijk boven onze stand. Ons geloof en ons belijden zijn beduidend minder dan dat wij in onze zang naar voren brengen” - en geliek heffe. De woorden bint haost te edel veur oeze mensenmonden. De organist speult slim slepend. Paartie manluu, die muu zint hebt muite um de ogen lös te hollen. Zie zit soezerig deel en schrikt as heur de collectebuul veur de neuze wordt hollen. En dan zingt zie weer oet volle böst met ‘ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de dood’. En zie zingt met de sloege organist slepend over ‘het hijgend hert der jacht ontkommen’. Het hert, dat zo’n döst hef naor de waterstromen. Zie hebt ok döst, maor dan wal naor een pot bier in de harbarg van Jans Druppien. De kerkdienst kabbelt staordig wieder. Der wordt bij oes in ’t dörp vertelt dat aol Henduk, die ait sluup under de preek deur aol domnee terechte wezen weur. Dat de herder midden in de preek op ienmaol roepen hef: “Brand, brand, in dit heiligdom, voor allen die hier slapen”. Waorop Henduk, wakker wordend, oet de kerkbaank opsprungen is en roepen hef: “Blussen, waor is de braand”. Maor is het de aol man eigenlieks kwaolijk te nimmen? Hie is krom en versleten en hef aid hard moeten knooien op zien bedoeningkie, zunder knecht. Jantine van Derk is nog olderwets en nemp as ienige nog het loddereinflessien met rukersgoed met. Zie sprenkelt wat op de witte buusdoek, die zie aalgedurig in de zweterige haanden holt en wrif

25

Aold Beiler kerkvolk


zuk over ’t briede veurheufd. Snuf met de neuse dizze geur van frisheid op. Paartie aolde mannen kauwt op kalmoeswörtel, die zie in ’t veld langs de slootkaant stikt. Men wordt er kalm en bestendig van. ’t Merendiel van de aolde garde gef de veurkeur an pepermunties, deur aol domnee het ‘calvinistisch volksvoedsel’ nuumd. De vrouw van de mister, de underwiezer, hef een neie hoed op de kop. Een grote fazanteveer benemp de luu achter heur het gezicht op de kerkeraod en de rechtopstaonde slagpen is as een atenne naor de hemel. En zo zit wij daor met ’n kaander, mal en mooi. Het is jao vredig zo in oeze blaank witte kerken. Het zunlicht valt deur de hoge gothische glazen en de schaduw van een aolde ekkelboom warpt een grillig patroon op de witte muren. Wij zit daor met oeze verbörgen eerdse dreumen, lusten en onlusten, kiekt versteulen naor ’n kaander en bekritiseert ’n kaander. Wij heurt flarden van de preke. Elkein lustert vol overgaove, maor mennig kik stiekum op ’t horlozie en denkt: ‘O, zéde now maor Amen’! Paartie kinder zit te weltern en wat te frosseln in de baanken en wordt deur de koster streng ankeken. Een enkel maol valt er een straal van ‘het Hogere, het Ieuwige’ in oeze benedenmaotse zielen. Boerenzielen, die vervuld zint van de pries van de veerskalver en de nije eerpels. Vol naoiever en toch ok liefde. Mangs even in staot tot wat unbaotzuchtigs, maar aid meer neigd tot mislukken. En Hie, de Grote Unbekende, zal moeten glumlachen um oes kleine mieghummels, met heur kwaosie bedrievigheid. En dan zeg domnee eindeliek ‘Amen’ en elk veert op. De klok ludt even, wij zingt en daankt en wordt zegend, en dan gaow op hoes an. Naor de koffie en de borrelties en de zundagse soep. En wij kuiert in de nommerdag langs de inzeide akkers en snoeft met welbehagen de zachte wind van de kommende meitied op. Verantwoording foto’s De foto’s bij dit artikel komen uit het fotoarchief van de vereniging, tenzij anders is vermeld.

Het interieur van het Ned. Hervormde kerkgebouw in het midden van de vorige eeuw.

Roel Reijntjes. Een leven in Beilen. In het boek wordt het leven van Roel Reijntjes als kind in Beilen en als dichter/conferencier beschreven. Verder zijn in het boek 28 gedichten opgenomen die over een onderwerp uit de voormalige gemeente Beilen gaan. Tenslotte zijn er achttien verhalen in het boek gepubliceerd die over gebeurtenissen en personen uit het recente verleden van de voormalige gemeente Beilen gaan. Overige informatie: Het geïllustreerde boek heeft het formaat van ca. 15,5 x 23,5 cm. De uitvoering is in linnen gebonden met een gelamineerde stofomslag. Aantal pagina’s: 118. ISBN: 90-75115-15-6 - Prijs: • 15,--. te bestellen bij: G. Drenth, Dahliastraat 20, 9411 GP Beilen, tel. 0593-524440.

26


Gebruiksvoorwerpen (5) In deze rubriek wordt elke keer een oud gebruiksvoorwerp besproken en kunt u raden naar het gebruik van een volgend voorwerp. Bekend Twee kandelaars, ze lijken wel van zilver, maar ze zijn van glas; glas met een laagje zilver. Of ze wat waard zijn? Wie zal het zeggen. Waar ze vandaan komen... Brands weet het niet, het kan hem ook niets schelen, hij vindt ze mooi.

Oplossing Een dodenlantaarn of luchter, die tot in het eerste kwart van de 19de eeuw aan een woning werd bevestigd (aan de kant van het kerkhof), als er iemand in huis was overleden. Aan het lampje werden linten bevestigd: zwart voor een gehuwde en zwart wit groen (rouw/ onschuld/ hoop) voor een ongehuwde. In de lamp zat geen kaars, het (levens)licht was immers gedoofd. Er waren geen goede inzenders. De tekst voor deze rubriek is geschreven door S. Hoek-Beugeling (Emmen).Zij heeft ook de foto’s gemaakt.

27

De Collectie Brands is te bezoeken vanaf 1 mei tot en met eind oktober op zaterdag en zondag tussen 13.00 en 17.00 uur en volgens afspraak (tel. 0591-312613). Adres: Herenstreek 11, NieuwDordrecht Voor meer informatie zie: www.collectie-brands.nl

Onbekend Wie weet waarvoor deze kubus dient. Aan iedere kant is een halfrond gat (van verschillende diameters) gesneden. De kubus is van hout en de afmetingen zijn 4x4x4cm. Oplossingen voor 1 november 2008 sturen aan het secretariaat van de vereniging. Indien er meer goede inzenders zijn, wordt door loting bepaald wie gratis toegangskaarten krijgt voor een bezoek aan de Collectie Brands in Nieuw-Dordrecht.

Gebruiksvoorwerpen (3)


Dierenasiel

Het ontstaan en de ontwikkeling van het Provinciaal Drents Dierentehuis 1

B. Oosting

In het Nieuwsblad van het Noorden van 17 oktober 1966 werd een eerste actie vermeld voor de uitbreiding van een dierenverblijf dat was gevestigd bij de familie Olthof aan Het Kanaal te Assen. In dit dierenverblijf was een tiental dieren ondergebracht, die als zwervers door de politie waren ‘gearresteerd’. Leerlingen van de Technische School uit Assen gingen gedurende een tweetal weken familie en bekenden langs om verzilverde artikelen te verkopen. Deze actie ging mede uit van de afdeling Assen van de Nederlandse Vereniging van de Dierenbescherming; het betrof een zogenaamde zilvervlootactie. Bij een eerder gehouden zilvervlootactie van de leerlingen van de betreffende school was een bedrag van f. 7.385,27 bijeengebracht. In een gezamenlijke bijeenkomst op 28 oktober 1967 van de vier afdelingen van de dierenbescherming in Drenthe werd over de totstandkoming van één regionaal dierentehuis gesproken. Het te bouwen dierentehuis moest huisvesting bieden aan de regionale opvang van zwerfdieren. In de toekomst zou er plaats moeten zijn voor een 100 honden en 70 katten. In genoemde vergadering viel het besluit met elkaar zo’n regionaal dierentehuis op te richten. Dat zou evenwel veel geld kosten; de investering werd geschat op ongeveer f. 200.000,00. De verschillende afdelingen zouden elk voor de financiële bijdragen moeten zorgen.

28


In april 1968 werd deze boerderij met 2 ha land in Beilen gekocht. Op het land werd het dierentehuis gebouwd en de boerderij werd omgebouwd tot beheerderswoning. Foto: Archief Prov. Drents Dierentehuis

Financiën Er werden gesprekken gevoerd met het gemeentebestuur van Beilen. Gelukkig bleek de gemeente in beginsel akkoord te gaan met de stichting van een asiel aan de buitenkant van Beilen, namelijk op Smalbroek. Het stichtingsbestuur van het dierentehuis zou voor een goede aankleding van het terrein moeten zorgen. Maar de eerste zorg van het stichtingsbestuur was het financiële gedeelte. De financiën waren nog lang niet rond. Er was in totaal f. 50.000,00 binnengehaald, en dat was dus nog lang niet voldoende. Architect Morshuis uit Hoogeveen verklaarde zich bereid voor het goede doel gratis een ontwerp te maken en Staatsbosbeheer wilde de beplanting van het terrein wel voor zijn rekening nemen. Dat schoot dus al een beetje op! De plannen en tekeningen waren op 4 mei 1968 gereed en werden met de bouwaanvraag bij B en W van Beilen ingediend. Daarbij was een flinke hobbel genomen, want Emmen verlangde een eigen dierenasiel. Op 28 oktober 1967 werd na twaalf jaar overleg besloten dat er geen asiel in Emmen zou komen. Alle aandacht kon dus op het eerste regionale dierentehuis in Drenthe worden gericht, waarbij het als zeer positief werd ervaren, dat het aanstaande tehuis was opgericht door de vier afdelingen van de dierenbescherming. De volgende stap was de aankoop van een terrein. Het oog was gevallen op een boerderijtje met wat grond te Smalbroek. De overdracht vond plaats op 26 april 1968. Vestigingsplaats De Provinciale Planologische Dienst verklaarde zich met de vestigingsplaats akkoord. Het boerderijtje met twee hectare grond werd geschikt bevonden. De locatie lag ingesloten tussen Smalbroek, de oude weg naar Beilen enerzijds, en door de Beilerstroom anderzijds. De bereikbaarheid van dit perceel werd positief bevonden. Vooral door de aanleg van de weg Emmen-Drachten en de aan te leggen snelweg (A28) werd Beilen en dus ook het regionale dierentehuis vanuit de hele provincie goed bereikbaar. De boerderij kon verbouwd worden tot woning voor een full-time beheerder/ster. Voorzitter B.R. de Vries gaf aan: “Die beheerder/ ster moet iemand zijn met twee rechterhanden.” Inmiddels was de vestiging van het dierentehuis op Smalbroek ook door de gemeenteraad goedgekeurd. Officiële oprichting De belangrijkste stap werd gezet op 13 mei 1968 met de definitieve oprichting van het dierentehuis, officieel vastgelegd in een akte, verleden door notaris Visser te Hoogeveen. Het bestuur zag er als

29

Het ontstaan en de ontwikkeling van het Provinciaal Drents Dierentehuis 1


volgt uit: voorzitter is B.R. de Vries, dierenarts te Hoogeveen; secretaris mr. H. Greebe, burgemeester te Zweeloo; penningmeester H.E. van Suylekom, bankdirecteur te Meppel; leden: mevr. E. Lootsma te Assen, enkele vertegenwoordigers van de verschillende afdelingen en J. Booy, inspecteur van de dierenbescherming in Drenthe. In de akte van oprichting werd als naam opgenomen: ‘Stichting Provinciaal Drentsch Dierentehuis, gevestigd in Hoogeveen’. Het bestuur bestaat tenminste uit acht en ten hoogste uit vijftien leden. Het doel van de stichting is: ‘Het stichten en het exploiteren van één of meer huizen voor huisvesting en verzorging van dieren in Drenthe en aangrenzende gebieden.’ De bouw van het dierentehuis in Smalbroek werd op 15 november 1969 aangevangen. In de vergadering van de leden van de Provinciale Staten van Drenthe op 17 juni 1970 werd het voorstel aanvaard een subsidie van f. 35.000,-- te verlenen aan het dierentehuis voor de bouw en de inrichting. Het eerste deel van het dierentehuis werd op 1 maart 1971 in gebruik genomen en verdere gedeelten kwamen in juli en september gereed.

De bouw van het dierenasiel op Smalbroek. Foto’s: Archief Prov. Drents Dierentehuis

Beheerster Inmiddels was Martha Lutje Berenbroek in dienst gekomen als beheerster. Onder haar leiding werd het dierentehuis in gebruik genomen, zodat het aanbieden van zwerfdieren kon beginnen. Al snel moest er met de ruimte worden gewoekerd. Gelukkig kwamen er veel mensen kijken die een hond of een kat zochten. Al op de eerste zaterdag na de opening kregen zes honden en twee poezen een nieuwe eigenaar. In de krant van 9 januari 1972 werd een interview opgenomen met beheerster Martha Lutje Berenbroek. Ze vertelde in het werk als beheerster een heerlijk beroep te hebben gevonden. Ze had daarvoor al gewerkt in het dierentehuis in de Vechtstreek in Zwolle,

30


dus ze had al ervaring met het werk. Volgens Martha is niet alleen kennis van dieren belangrijk, maar mensenkennis is minstens zo noodzakelijk voor dit werk. Je moet snel kunnen beoordelen of de aanschaf van een dier een opwelling is, of dat je met echte dierenvrienden te maken hebt. Ze vindt haar werk nuttig, omdat zwerfdieren in Nederland nog altijd een probleem zijn. De dieren die in Beilen werden ondergebracht komen uit de hele provincie. Voor het verbouwen en uitbreiden werd een bedrag van f. 50.000,-- van de provinciale commissie voor de werkgelegenheid in Drenthe ontvangen. Toch kwam jaarlijks de exploitatie van het dierentehuis niet rond. Gedeputeerde Staten van Drenthe besloot het asiel hulp te verlenen. Er werd een regeling afgesproken dat de kosten tussen drie partijen werden verdeeld: de provincie, de gemeenten en particulieren.

Huidige staat Op pagina III (binnenzijde omslag achterblad zijn foto's afgedrukt van de oorspronkelijke dierenverblijven in de huidige staat.

31

Verplaatsing In december 1977 kwam het eerste gerucht in de wereld, waarbij er sprake was van de aanleg van de zuidelijke rondweg (de latere Domoweg). Het bestuur van het dierentehuis op Smalbroek vroeg zich af of dit een bedreiging zou betekenen voor het tehuis. Hoewel er weinig alternatieven waren, ging het bestuur zich beraden op de toekomst. De gemeente Beilen wilde een rondweg aanleggen ten behoeve van het vrachtverkeer dat naar de DOMO moest en er zou een aansluiting op de weg naar Westerbork mogelijk zijn. Ook waren er plannen voor een nieuwe woonwijk: Nagtegael, die ten zuiden van Beilen zou komen. Hierdoor zou het dierentehuis in de buurtschap Smalbroek flink wat grond moeten inleveren, zodat het zou moeten verdwijnen. Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, gemeentewerken en het bestuur van het dierentehuis werd gevormd om te onderzoeken wat er moest gebeuren. Men kwam tot de conclusie dat verplaatsing van het tehuis naar een terrein bij de Mussels de beste oplossing zou zijn. Uiteindelijk zou het tehuis komen aan de westkant van de autoweg A28, nabij de rioolzuivering. Maar financieel gezien was de verplaatsing bepaald niet eenvoudig. De gemeente wilde f.80.000,00 geven voor de aanleg en het gereedkomen van de bouwplaats. Maar de taxatiewaarde van het bestaande complex was hoog, zodat er een gat was van 1,5 miljoen gulden. Het bestuur wist aanvankelijk niet hoe dit gat te dichten. Het was van mening dat de gemeente dit probleem maar moest oplossen, omdat het dierentehuis te Smalbroek ten gunste van de gemeente moest verdwijnen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw is het dierentehuis op de Ossebroeken uiteindelijk tot stand gekomen dankzij subsidies van de gemeente Beilen, de provincie Drenthe en particuliere giften.

Het ontstaan en de ontwikkeling van het Provinciaal Drents Dierentehuis 1


Mededelingen van het bestuur Archiveren Wie wil meehelpen het archief van de Vereniging ‘Het Groene Kruis’ te archiveren en digitaal vast te leggen? Hierover kunt u contact opnemen met: W. Brinkman, tel. 0593541848 of H.J. Vos, tel. 0593-523028. Historisch onderzoek Het bestuur en de redactie willen graag weten, welke personen bezig zijn met historisch onderzoek. U kunt hierover contact opnemen met een bestuurslid: W. Brinkman, tel. 0593-541848 of H.J. Vos tel. 0593-523028 of met de redactieleden, mw. R. Gerding, tel. 0593-541844, J. Hoogeveen-Zuidberg, tel. 0593524615 of B. Oosting, tel. 0593-525897. Redactie In juni 2008 heeft F. Timmerman-Stevens om persoonlijke redenen voor de redactie bedankt. J. Sikken heeft begin september 2008 het bestuur meegedeeld vanwege een persoonlijke reden te stoppen met het hoofd-redacteurschap. Vacatures Het bestuur is op zoek naar een voorzitter, een hoofdredacteur en een eindredacteur. Bent u geïnteresseerd in één van deze functies, dan kunt u contact opnemen met H.L.G. Schuur (vicevoorzitter), tel. 0593-562412.

Lezing Op maandag 13 oktober 2008 verzorgt Geert Hoving uit Westerbork in Wijster in het Dorpshuis een lezing over stamboomonderzoek. Daarbij worden families in Wijster als voorbeeld gebruikt. Deze lezing wordt in samenwerking met de Drentse Historische Vereniging gegeven.

Wijster In de jaren dertig van de vorige eeuw waren er nog veel spoorwegovergangen onbewaakt. In 1939 vond het zoveelste ongeluk plaats. Ditmaal op de onbewaakte spoorwegovergang van de weg van Spier naar Wijster. Een lege vrachtwagen werd gegrepen door een trein die uit de richting van Hoogeveen kwam en op weg was naar Groningen. Twee mensen kwamen bij dit ongeluk om het leven.

De redactie bezit over dit ongeluk een aantal foto’s, die in Het Noorden in Woord en Beeld van 24 maart 1939 zijn geplaatst. Wie weet meer over dit ongeluk? Gaarne contact zoeken met G.J. Dijkstra, tel. 0593-541848. De situatie van de overweg bij Wijster. De pijl geeft de route van de vrachtwagen aan. De chauffeur van de vrachtwagen kon de trein, die van rechts kwam, niet eerder zien dan vlak voor de spoorwegoverweg.

32


beilen-2008-3