Issuu on Google+

Het weer

Strenge winters in de goede oude tijd

G.J. Dijkstra

In onze Nederlandse winters ligt een eigenaardige bekoring: het verlangen naar een zachte of een strenge winter. Een winter laat zich niet voorspellen. Sommige mensen verlangen in de herfstmaanden naar een winter met zacht weer vanwege redenen van gezondheid of maatschappelijke belangen. Anderen onder ons, die graag schaatsen, wensen een strenge winter met heel veel ijs. Niemand evenwel kan vooruit zeggen wiens wens vervuld zal worden. Soms komt in geen jaren een strenge winter voor, terwijl dan weer betrekkelijk kort op elkaar enige strenge winters volgen.

De zeventiende eeuw De winter van 1606 zou erg koud zijn geweest. Men zou in deze winter wel vier maanden op het ijs van de Zuiderzee hebben geschaatst. De winter van 1667 was ook bijzonder streng, want een oud rijmpje zegt van deze winter: ‘In zestienhonderdzevenenzestig, toen vroor en sneeuwde het zeer heftig.’

Schaatsenrijden in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Detail uit een prent.

1

De achttiende eeuw De winter van 1709 was buitengewoon streng. De volgende koude winter was die van 1740. Deze is niet alleen door zijn gestrengheid, maar ook door de zeer lange duur bekend geworden. Pas op 22 mei 1740 zag men blaadjes aan de bomen verschijnen. Tot juli 1740 bleef de noordenwind heersen en ook na die

Strenge wintersin de goede oude tijd


tijd bleef de thermometer zeer laag staan, zodat de warmste dag van deze zomer, 29 augustus 1740, slechts een temperatuur had van 65° Fahrenheit (18,3° Celsius). Merkwaardig, wat deze winter (1740) betreft, is ook het verhaal dat te lezen is in de Kroniek van Groningen en Ommelanden: ‘Tot Petersburgh wiert een konststuk de keizerin van Rusland aangeboden, zijnde een paleis met alle toebehooren van ijs zeer konstig op gemaakt, waarneffens eenige stukken kanon stonden, niet van metaal maar van ijs, en die ieder tot eenige malen met een half pond buskruid wierden geladen en afgeschoten, zonder te bersten of merkelijk te verwijden.’ Uit de periode 1743-1775 zijn twee strenge winters bekend, namelijk die van 1762-1763 en van 1766-1767. Deze beide winters duurden evenwel niet bijzonder lang en alleen de laatste deed de thermometer te Utrecht op 27 december 1766 dalen tot -20° Celsius. Zowel in 1763 als in 1767 vroor de Rijn dicht en reed men met arrensleden van Noord-Holland over de Zuiderzee naar Friesland. Ook de winters van 1776, 1784 en 1789 waren erg koud. De winter van 1776 was kouder dan de langdurige winter van 1740. Toen werden bijzonder lage temperaturen waargenomen. Zo daalde de thermometer in Rotterdam op 29 januari 1776 tot -20,4° Celsius, te Franeker op 1 februari 1776 tot -21,9° Celsius en te Brussel op 28 januari 1776 tot -21,1° Celsius. Alle grote rivieren lagen deze winter dicht en in het Franse Le Havre zag men zover de blik reikte slechts ijs in plaats van zeewater. Langer dan de winter van 1776 duurde die van 1783-1784. Hij heerste in de maanden december, januari en februari. Te Parijs vroor het 83

Linksboven: Hendrik Avercamp, IJsgezicht. Op dit schilderij uit de zeventiende eeuw zijn mensen aan het schaatsen en het colven. Boven: Aart van der Neer (16031677), ‘Winterlandschap in de late namiddag’. Schaatsers en colvers.

Detail van een Hollands landschap tijdens de winter van 1740, die door zijn gestrengheid en lange duur legendarisch is geworden. (Schilderij van A. Schelfhout)

2


Rechtsboven: Egbert van Drielst, Winter in Wijster, 1806 (Foto Rijksprentenkabinet Amsterdam, collectie Felix Meritis) Boven: ‘Winterlandschap bij het dorp Annen’ noemde Egbert van Drielst zijn zwart krijt en waterverftekening die hij omstreeks 1798 vervaardigde. Bij een boerderij spelen kinderen op het ijs, waarin een bijt is geslagen (Drents Museum, Assen).

dagen achtereen, hetgeen aldaar waarschijnlijk na die tijd niet meer is voorgekomen. Op 30 december 1783 daalde in Delft de thermometer tot -22,5° Celsius en in Amsterdam tot -20° Celsius. Nog veel strenger dan de winters van 1776 en 1783-1784 was de historisch vermaarde winter van 1788-1789. Met uitzondering van februari duurde de koude van november tot april. Over een afstand van vele uren gaans bevroren ook in deze winter de zeekusten van de Atlantische Oceaan. In het Duitse Bremen daalde het kwik tot -35,6° Celsius. Hoewel de periode 1790-1808 gekenschetst wordt als een zachte periode, kwamen er een paar strenge winters in voor. Vooral de winter van 1794-1795 was bijzonder koud. Ook nu bevroor de zee langs de kusten. Een Franse generaal trok zelfs met een afdeling ruiterij over het ijs van Noord-Holland naar Texel en bemachtigde de vaderlandse vloot die, door de koude overvallen, was ingevroren. Na de winters van 1709, 1740 en 1788-

Jan Hulswit, Winters tafereel in Drenthe, 1795, krijt en aquarel, 22x 31, Drents Museum, Assen

3

Strenge winters in de goede oude tijd


1789 was de winter van 1794-1795 ongetwijfeld de strengste van de 18de eeuw. Eveneens koud, hoewel niet zo streng, was de winter van 17971798. Deze hield lang aan en is bekend geworden om de kermis, die men in deze winter te Rotterdam op het ijs hield. Tot ver in Duitsland vroor de Rijn dicht, zodat bij Mainz zelfs een regiment dragonders over het ijs de stad passeerde. De negentiende eeuw De strenge winter van 1808 werd gekenmerkt door zijn late intreden. De Sont vroor dicht en 6.000 mensen trokken over het ijs van Zweden naar Denemarken. In de eerste helft van de negentiende eeuw kwamen verscheidene strenge winters voor. Door de tocht van de Franse keizer Napoleon naar Rusland, waaraan ook verschillende jonge mannen uit Drenthe, meestal gedwongen, deelnamen werd deze winter zeer vermaard. Op l3 oktober 1812 begon de vorst in het oosten van Europa en in november 1812 had Napoleons leger een kou van -26.2째 Celsius te verduren. De tocht over de rivier Berezina geschiedde bij -37째 Celsius.

De terugtocht van het Franse leger uit Rusland met Hollandse infanterie bij de bruggen over de Berezina, 1812. Toen Napoleon de 25ste november de Berezina bereikte, vond hij de brug door de Russen vernield. Onmiddellijk werd daarop begonnen met meer stroomopwaarts twee bruggen te slaan en reeds de volgende dag kon de overtocht, die drie dagen zou duren, beginnen. Herhaalde malen verzakten de bruggen echter, waarop dan de overtocht tijdelijk werd gestremd. Vooral de Hollandse pontonniers hebben zich aan de Berezina onderscheiden. Bijna allen moesten het met de dood bekopen. Op de voorgrond van de prent van linksboven zien we de weinige overgeblevenen van het (Hollandse) 124ste regiment infanterie in gevechtsstelling. Enkelen hunner hebben tegen de aanvallende Russen dekking gezocht achter een gebroken munitiewagen. Op de achtergrond zijn nog de beide bruggen zichtbaar, terwijl op de linkeroever van de rivier een gedeelte van de legertros wanhopige pogingen doet de bruggen te bereiken. Op de prent rechtsboven wordt de terugtocht uitgebeeld.

4


Arie van der Boon, Winteravondstemming in Drenthe, 1930, waskrijt op papier, 43x92, Drents Museum Assen

5

Een jaar later was er sprake van de koudste winter van de 19de eeuw. Men organiseerde in 1814 in Londen op de Theems een kermis, hetgeen later nooit meer is gebeurd. Ook de winter van 1815 was streng, evenals die van 1819-1820 toen de Sont dichtvroor en er weer sprake was van verkeer over het ijs tussen Zweden en Denemarken. In deze winter nam men te Maastricht een temperatuur van -19,7째 Celsius waar. Hierop volgde de strenge winter van 1822-1823, waarin de koudste januarimaand sinds 1709 werd gemeten. De winter van 1828-1829 was ook bijzonder koud, doch deze was nog mild vergeleken met die van 1829-1830. Op l november 1829 begon de vorst. Deze hield onafgebroken aan tot half maart 1830. Deze winter is waarschijnlijk de strengste geweest van vele honderden jaren. In 1838 kwam opnieuw een buitengewoon koude winter voor. Deze begon pas in januari 1838, doch werd gekenmerkt door zeer lage temperaturen. Te Utrecht daalde de thermometer in deze maand herhaaldelijk onder de -20째 Celsius. Hierop volgde de bijzonder strenge winter van 1844-1845. Op 27 november 1844 begon deze winter en met uitzondering van einde januari en begin februari, hield deze aan tot 26 maart 1845. Ook de jaren 1848-1849 en 1854 brachten strenge winters over ons land. Deze vielen in het niet bij de winter van 1854-1855. In november 1854 had men een voorwinter van tien dagen, welke in januari 1855 door de eigenlijke winter werd gevolgd. Deze hield aan tot begin maart. Februari 1855 is de koudste februarimaand tot in deze eeuw toe geweest, voor zover bekend is.

Strenge winters in de goede oude tijd


Foto linksboven: Klauteren en glijden in de verlaten, ijzige wereld en dan weer vooruit. De afstand tussen het vaste land en Rottumeroog bedroeg 12 kilometer, maar noodzakelijke bochten, om hindernissen te ontgaan, maakten de weg veel langer. Foto rechtsboven: De historische ontmoeting op ’t ijs van de Waddenzee tussen kustwachtofficier luitenant E.J. Buiskool en eilandvoogd J. Toxopeus.

De tweede helft van de negentiende eeuw laat zich kenmerken door een lange zachte periode. Pas de winter van 1890-1891 was bijzonder streng. In deze winter sloeg de vorst al vroeg toe, namelijk op 26 november 1890. Wekenlang geselde Koning Winter met wisselende gestrengheid het land. De laagst gemeten temperatuur in deze winter was -16° Celsius.

Barre tochten In de winter van 1939-1940 was Rottumeroog, het eilandje in de Waddenzee, afgesloten van de bewoonde wereld en was één en al verlatenheid. Het gezin van de eilandvoogd J. Toxopeus en de militaire post waren sinds weken alleen aangewezen op sneeuw en ijs, mist en koude, terwijl het eiland door ijsgang ook niet met de motorboot bereikbaar was. Daarop werd besloten, dat twee ploegen per voet over het ijsveld de verbinding met de vaste wal tot stand zouden brengen. Beide partijen - van de dijk af en die van het eiland af hebben elkaar na een moeizame tocht in een sneeuwstorm op het ijs van de Waddenzee ontmoet. Op 2 februari 1940 werd een tocht over de bevroren Waddenzee naar Schiermonnikoog gemaakt. In de stad Groningen werden in februari 1940 temperaturen van -24o Celsius gemeten.

Winter in Hijken in 1950. De woning van Albert Eising aan het Westeinde. (Drents Museum, Assen)

6


In de winter van 1940-1941 maakte jachtopziener T. Lever jacht op een vos in de omgeving van Hooghalen. Op de foto linksboven zijn de prenten van de vos te zien naast de sporen van een konijn. Op de foto rechts is jachtopziener Lever te zien bij de ingang van het hol. Zie ook: T.L. Kroes. Vossejacht bij Hooghalen. In: Tijdschrift Historische Vereniging Gemeente Beilen, 1996, jaargang 8, nummer 3, p. 12.

Twintigste eeuw In de twintigste eeuw was er een strenge winter in 1917 met extreme kou in maart en tien sneeuwdagen in april. In 1929 waren de maanden januari en februari zeer koud. In 1937 waren er in de maanden maart en december zware sneeuwstormen. Het jaar 1940 begon met een koude januarimaand, de koudste van de 20ste eeuw. Ook de winters van 1940-1941, 19411942, 1946-1947, 1956 en 1958 waren streng. De winter van 1962-1963 was de koudste winter van de eeuw. Op 18 januari 1963 won Reinier Paping een barre Elfstedentocht. Ingesneeuwd De Drenten die op woensdagmorgen 14 februari 1979 de gordijnen opzij schoven, hebben verbijsterd naar buiten gekeken. In ĂŠĂŠn nacht was het landschap veranderd in een wit, stuivend sneeuw-

Marije en Hendrikus Wolting tussen de sneeuwduinen in een winters Eursing (midden vorige eeuw).

Hijkerweg, februari 1979 (foto T.L. Kroes)

7

Strenge winters in de goede oude tijd


duinenlandschap. De toppen waren door de storm soms tot ruim drie meter hoogte opgestuwd. Dorpen en boerderijen waren van de buitenwereld afgesloten en het verkeer in het hele Noorden lag totaal lam. Vastgelopen personen- en vrachtwagens stonden her en der op de wegen. Zij waren verlaten door hun bestuurders die in huizen in de buurt een goed heenkomen hadden gezocht. Sneeuwruimers waren dag en nacht in de weer om de witte plaag van de wegen te werken. Ondertussen sloeg de hamsterwoede in volle hevigheid toe. Het brood was in alle Drentse bakkerijen en supermarkten al direct na de opening van de winkel uitverkocht. Hetzelfde gold voor boter, melk, pannenkoekmeel en aardappelen. Sommige artsen bezochten hun patiënten op ski’s, andere probeerden zich met een al dan niet geïmproviseerde arrenslee te verplaatsen. De telefoonlijnen waren overbezet, zodat geen contact mogelijk was in hachelijke situaties. Op zaterdag 17 februari 1979 waren de meeste wegen weer begaanbaar en kon Drenthe opgelucht ademhalen. De winter had ons meedogenloos voorgehouden hoe hulpeloos we zijn zonder onze wegen en zonder onze moderne vervoermiddelen. Wij hebben nu een aantal zachte winters achter de rug. Er wordt beweerd dat de opwarming van de aarde hiervan de oorzaak is. Wij kunnen alleen maar afwachten, wat de winter 2007-2008 ons zal brengen.

Dit schilderij van Van Loon geeft een impressie van die heel bijzondere dagen in februari 1979, toen de mensen in Noord-Nederland er achter kwamen hoezeer men in de moderne tijd afhankelijk was geworden van de moderne verkeersmiddelen. Tegelijkertijd bewaren velen aan die dagen de herinnering van knusheid, gezelligheid; een paar dagen ‘lekker onder mekaar’. Schilderij van de Zwiggelter overweg. (Drents Museum Assen)

Literatuur Otten, H. e.a., Weer een eeuw, Baarn 2000. Het Noorden in Woord en Beeld, 15e jaargang, no. 47, 2 februari 1940; 9 februari 1940, 23 februari 1940. Het Noorden in Woord en Beeld, 16e jaargang, no. 46, 31 januari 1941.

8


Sport

Hendrik Jan Talens

IJsbanen bij Hooghalen

In bijna ieder Drents dorp is wel een ijsbaan . Ook in Hooghalen is dat het geval. Voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak was deze baan gelegen ‘Over het spoor bij Berend Abbingh’, zo werd deze plaats aangeduid.

De ijsbaan over het spoor bij de voormalige camping Het Grote Zand. Op de achtergrond is de woning van Berend Abbingh te zien.

9

De ijsbaan lag direct over het spoor bij de camping Het Grote Zand. Deze ijsbaan was zo lek als een mandje, zeker twee keer in de week moest er water worden bijgepompt. Als het begon te vriezen was het water onder het ijs snel verdwenen. Dat ijs werd bomijs genoemd. De ijsvloer was dan niet meer vlak, want

IJsbanen bij Hooghalen


Gerard Bazuin aan het schaatsen op het Paradijs.

het ijs lag op de grond. Daarbij was de pomp die het water moest oppompen vaak stuk. Deze werd onderhouden door de beide dorpssmeden; het ene jaar had Bertus Venema de zorg ervoor, het jaar daarop Jo Elslo. Dit leidde nogal eens tot misverstanden. Na de oorlog is er nog jaren op de oude ijsbaan geschaatst, maar soms lukte het niet er op tijd water op te krijgen. In dat geval werd er geschaatst op het Paradijs. Dit was een prachtige baan in het bos, ongeveer een kilometer achter de camping Het Grote Zand. Geweldige herinneringen hebben vele mensen in het dorp hieraan. Er lagen in het water eilandjes, waar bomen opstonden. Uitstekend geschikt voor tikkertjespelen. Ook werd er vaak ijshockey gespeeld. Roelof Hagens kan hierover meepraten, want hij was zo sterk dat het hout van zijn schaatsen afknapte als hij hard remde. Maar Hooghalen begon toch uit te kijken naar een nieuwe ijsbaan. Op de ijsbaan ‘over het spoor bij de onbewaakte overweg’ bleef het water niet staan; de ijsbaan op het Paradijs lag te ver uit de buurt en daar was ook niet altijd water aanwezig. Genoeg redenen om verder te kijken. Op 11 december 1963 werd een vergadering belegd voor het benoemen van een commissie die onderzoek zou verrichten om een nieuwe ijsbaan te stichten. Op de vergadering waren 59 personen aanwezig, het leefde dus wel in het dorp. De commissie bestond uit vijf personen: Albert van Rosmalen, directeur van de zuivelfabriek, Max Jager van het stukadoorsbedrijf, Arend Dekker en Roelof Braam, landbouwers, en Gerrit Kuizinga, directeur van de Rabobank Hooghalen. In het dorp ging men rond met een lijst om geld in te zamelen voor het stichten van een baan. De opbrengst was zeer goed: f. 5.600,--. Ook kwamen er nog giften binnen van de VVV en de Boermarken. Er werd een bestuur gevormd: voorzitter Max Jager, secretaris Berend Jager, penningmeester Geert Schutten en de overige be-

Hierboven staan drie foto’s afgebeeld van het Paradijs anno 2007. Door de veranderingen in de grondwaterhuishouding is de plas verdwenen.

10


Schaatswedstrijden van de lagere scholen op de ijsbaan aan De Streek (Laaghalen): Ramon Jager (rechts) en Jans Zwiers.

In de winter van 1963 werd door vrijwilligers uit Hooghalen, Laaghalen en Laaghalerveen in Laaghalen op De Streek een ‘ijsbaan uit de grond gestampt’. (Drentsche en Asser Courant, 21 december 1963)

11

stuursleden, Roelof Braam, Arend Dekker, Geert de Boer en Hendrik Jan Stevens. Nu moest er nog een plaats worden gezocht. Dat viel niet mee. Of er wilde geen water staan, òf het terrein was te klein. Jan Buiter had wel een stuk land dat mogelijk geschikt was voor een ijsbaan. Het bestuur ging de volgende dag meteen dat perceel bekijken. Het was echter ook niet geschikt, omdat het te ver van het dorp lag. Bovendien zou het aanleggen van elektriciteit te veel gaan kosten. Buiter had echter nog een perceel aan De Streek op Laaghalen, eigendom van zijn zwager. Als die akkoord ging, dan kon het doorgaan. Diezelfde dag werd de Heidemij gebeld om de grond te onderzoeken. De dag erop begon de Heidemij hiermee, ook op zaterdag ging men er mee door en aan het eind van de dag kwam men tot de conclusie dat het terrein geschikt was. Ook de eigenaar van het terrein was akkoord, dus de plaats voor de ijsbaan was gevonden. Op maandag 16 december ging men op zoek naar iemand die een nortonput kon slaan en ’s avonds was dit geregeld. Ook had men dezelfde middag een bespreking met de Heidemij. Dit werd echter een grote teleurstelling. Er moest nog wel wat gebeuren om het terrein geschikt te maken. De zijkanten van de baan waren niet waterdicht. Er moest plastic in worden aangebracht. Het land was niet vlak en moest daarom geëgaliseerd worden. Dezelfde avond kwam men weer bij elkaar en er werd besloten zelf al dit werk ter hand te nemen. Plastic kostte bij de Heidemij f. 3.000,--. Er werd een firma gevonden die het voor f. 700,-wilde leveren. Er werd iemand gevonden voor het graven van de sleuf voor f. 390,--. Vele vrijwilligers uit het dorp maakten de sleuf daarna weer dicht. De vorst was inmiddels ingetreden, zodat men met pikhouwelen de bovenste laag grond moest verwijderen, anders kon de machine er niet door. De man van de nortonput was ook al bezig. Dezelfde middag om 12.30 uur zat het plastic in de grond. Natuurlijk moest er verlichting op de baan komen. Van de buurt-

IJsbanen bij Hooghalen


vereniging Hooghalen-Zuid werd de straatverlichting gekocht. De baanverlichting werd een jaar later in gebruik genomen. Op 9 januari 1964 was de waterpomp klaar en kon er worden gepompt. Al snel bleek dat de westelijke dijk het niet kon houden. Hier werden vervolgens 285 zandzakken neergelegd, na een paar dagen stond er genoeg water op de baan. Intussen was het flink gaan vriezen, zodat al op 16 januari 1964 de eerste wedstrijd werd gehouden. In een maand tijd was er een ijsbaan gerealiseerd. Niet alleen een geweldige prestatie, maar door veel werk zelf te doen vielen de kosten bijzonder mee. Op de eerste ledenvergadering van 22 januari 1964 kwamen 34 leden af. Onderdeel van de agenda was het bedenken van een naam. Na enkele keren stemmen werd de naam HoLaLa gekozen. Deze naam was ontstaan bij het uitvoeren van de werkzaamheden op de ijsbaan. In de kou werd toen nog wel eens een borreltje gedronken. Ook Jan Hoving was meestal aanwezig. Na de borrel gebruikte hij vaak als kreet ‘ho la la’. Een oplettende persoon bedacht dat dit een mooie naam voor de ijsvereniging kon zijn, een bijzondere naam met een betekenis die goed past bij Hooghalen, Laaghalen en Laaghalerveen. Op de vergadering werd de oude ijsbaanvereniging opgeheven en de bezittingen werden door Bertus Talens overgedragen aan HoLaLa. De contributie werd vastgesteld op f. 8,-- per hoofdlid. Kinderen van achttien jaar en ouder werden bijlid. Nadat de eerste winter op de nieuwe ijsbaan voorbij was, werd voor de winter van 1964-1965 een sleuf voor de elektriciteitskabel gegraven. De kosten hiervan bedroegen f. 1.700,--, maar veel werd terugverdiend door zelfwerkzaamheid. Ook werd er door de leden een kantine gebouwd. Vanaf dat moment kon er ook ’s avonds worden geschaatst. Het bestuur ging de jaarvergadering voor de leden aantrekkelijk maken door een paar schaatsen te verloten. Dit werd de eerste keer gewonnen door Hennie Buiter. De jaarvergadering werd in 1965 zeer slecht bezocht. De oorzaak was een voetbalwedstrijd op de televisie. Hiermee zou bij het bepalen van de datum voortaan rekening worden gehouden. Er was nog een winnaar van een paar schaatsen, Wietse Pomper. In het midden van de jaren zestig was er maar weinig ijs. Daarom werd er een busreis naar de kunstijsbaan in Heerenveen georganiseerd. Dit werd een groot succes. Er gingen 90 leden mee. In Assen kwam ook een kunstijsbaan. In Hooghalen werd hiervoor huis aan huis geld opgehaald met als resultaat f. 2.000,--. Eind jaren zestig, begin zeventig waren er weinig jaren met ijs.

Op de schaatsbaan aan De Streek. Vanaf links: Jaap de Ruiter, Foppe Jager, Jo Abbing en Harm Meertens.

De feestelijke jaarvergadering in 1965. Vanaf links: Roefie DekkerBosma, Roelof Braam, winnares Hennie Buiter met schaatsen, Arend Dekker en secretaris Berend Jager.

12


De bouw van het ‘scheuvelhokkie’

Schaatsen op de Meeuwenplas

13

Maar als er ijs was, organiseerde men zo snel mogelijk wedstrijden. De vereniging telde vier kampioenswedstrijden, verdeeld over de heren en dames senioren en heren en dames junioren tot 16 jaar. Ook de sportvereniging en de scholen hielden hun wedstrijden op de ijsbaan. Verder waren er estafettewedstrijden. Twee heren en een dame schreven zich gezamenlijk in. Er werd dan gestreden tegen een ander drietal. Het stokje moest steeds aan het eind van de baan worden overgegeven. Ook priksleewedstrijden werden soms gehouden. Een enkele keer had men last van eenden die hele stukken ijs openhielden. Jachtopziener Bertus Seubring werd dan gevraagd om ze af te schieten. Hennie Ebbinge uit Laaghalen was in deze jaren een prima schaatsster. Ze werd in 1974 gewestelijk kampioen bij de Ajunioren en veroverde een tweede plaats bij de nationale kampioenschappen. Hiervoor kreeg ze van de vereniging ieder jaar een klein sponsorbedrag. Doordat er maar weinig goede winters meer waren, werden de ledenvergaderingen zeer slecht bezocht. Een enkele keer werd er met de bus van Raterink een bezoek gebracht aan de kunstijsbaan van Assen. In 1979 was er weer een heel strenge winter en de vereniging groeide met dertig nieuwe leden. De kantineopbrengsten bedroegen f. 535,--. In 1984 kwam de grond van de ijsbaan in handen van een andere grondeigenaar, een akkerbouwer. Voor een ijsbaan is dat geen ideale situatie en er werd dan ook uitgekeken naar een nieuwe baan. De eerste optie was net als in 1963 een stuk grond achter cafétaria Boszicht aan de Hoofdstraat. Maar directeur Ernst van Het Drentse Landschap zag dit niet zitten, omdat er geen water wilde blijven staan. Maar hij gaf wel aan dat een ven in de buurt

IJsbanen bij Hooghalen


van het Hieker Hoes misschien geschikt zou zijn. Het bestuur leek dit een goede oplossing, maar de leden op de ledenvergadering waren het daar niet mee eens. De leden gaven aan dat het bestuur moest gaan praten met Koop Posthoorn voor een ijsbaan aan de Smilderweg. Ook vond men dat het land achter cafetaria Boszicht beter onderzocht moest worden. In juni 1987 werd toch besloten naar het Hiekerveld te gaan. Niemand was erg enthousiast, maar het was niet anders. Van Het Drentse Landschap mocht er niet zo veel in dit gebied worden ingegrepen; vaste verlichting mocht bijvoorbeeld niet. Ook was de kas van de vereniging niet zo gevuld, dat alle kosten hieruit betaald konden worden. Gelukkig zegde de VVV f. 10.000,-- toe. In de jaren die volgden werd er verlichting aangelegd die overigens op het ijs moest staan. Ook kwam er een container, waarin een kantine werd gemaakt. In 1992 was alles in orde. Ieder jaar moest zes weken na het schaatsseizoen alles weer zijn opgeruimd. In de jaren negentig volgden er enkele mooie winters en er werd dan ook met plezier geschaatst. De vereniging werd weer lid van de KNSB, omdat de afdracht aan de bond was verlaagd. Leden van de vereniging kregen de gelegenheid drie keer in een jaar op bepaalde avonden gratis te schaatsen in De Smelt. Vanaf de oprichting zijn er verschillende voorzitters geweest. Het begon met Max Jager, gevolgd door Wim Gubler, Lambert Oldenkamp en Hendrik Middelburg. Het was onder leiding van de laatste, dat er steeds op werd aangedrongen een andere plaats te zoeken voor de ijsbaan. De reden was, dat door het toenemende aantal auto’s de weg naar de ijsbaan steeds drukker werd. Ook was de ijsbaan te ver van het dorp gelegen, en de diepte van de veenplas, ongeveer drie meter, was iets waar niet iedereen zich even rustig bij voelde. Voor de derde keer moest men op zoek naar een nieuwe plaats voor de baan. De opdracht luidde: ‘zo dicht mogelijk bij de kern van het dorp’. Hendrik Middelburg en Bertus Fledderus probeerden vlakbij de school hiervoor een terrein te bestemmen, maar dit mislukte. In 1995 verliet Middelburg het bestuur. In een bestuursvergadering in 1995 werd besloten dat Fledderus en Hendrik Jan Talens op zoek moesten naar een nieuwe ijsbaan. Fledderus werd tot voorzitter gekozen. Bij hun zoektocht kwamen ze net als veertig jaar geleden tot de conclusie dat de ideale plaats voor een ijsbaan op een open plek in het bos achter cafétaria Boszicht lag. Er werd besloten weer contact te leggen met Het Drentse Landschap. Na het eerste bezoek bleek, dat deze stichting niet afwijzend stond tegenover het verplaatsen van de ijsbaan, maar het moest nog worden besproken. Veertien

De aanleg van de nieuwe ijsbaan: Bertus Fledderus (links) en Roelof Braam

14


dagen later kwam uit Assen het verlossende bericht dat men accoord ging met de verplaatsing. De eerste stap was het waterdichtmaken van de ijsbaan. Het Drentse Landschap deed de suggestie dit met leem te doen. Harry Buiter en de firma Hulsebosch werd gevraagd een kostenberekening te maken. De schrik was groot, toen bleek dat het in het meest ongunstige geval € 36.000,-- zou kosten. Toch besloot het bestuur door te gaan. De baan moest voor de winter klaar. Om het geld bij elkaar te krijgen zou men verschillende instanties benaderen. Een lening werd niet uitgesloten. In juli 2006 werd met het werk begonnen. Er moest een paar duizend kuub zand worden afgevoerd. Gerrit Vijfschaft had een stuk grond waar het zand naar toe kon. Het was een geweldige droge maand en de afvoer van de grond liep dan ook gesmeerd. Hierna was het wachten op goede leem en het liefst in één partij. Daar zou het een stuk goedkoper van worden. Harry Buiter slaagde erin leem te krijgen, dat afgegraven werd bij de bouw van de nieuwe garage voor Wander in Assen. Ondertussen was de maand augustus aangebroken met veel regen. Er moesten dus rijplaten komen. De aanvoer van de leem en het verwerken ervan brachten nogal wat moeilijkheden met zich mee, doordat het bijna iedere dag regende. Maar toch lukte het om in de ondergrond van de ijsbaan een goede laag leem te leggen. In dezelfde zomer werd er een bron geslagen om de baan van water te voorzien. Een elektromotor met pomp kreeg de vereniging van Wolter en Addy Buiter. Bij de opening van de baan zette Wolter hem in werking. Er stond toen niet alleen water op de baan, maar deze bleek ook waterdicht te zijn. Ook financieel liep het goed af. De kosten kwamen uit op € 23.000,--. De bevolking van Hooghalen en omstreken bracht via een intekenlijst € 12.000,- bij elkaar. Voor het eerst in de ruim veertig jaar van het bestaan van de ijsvereniging lag de baan op de gewenste plaats. Nu is het wachten op ijs, zodat er weer als vanouds plezier op het ijs kan worden gemaakt.

De opening van de schaatsbaan in 2006 met Erik Hulzebosch

Foto’s voor dit artikel zijn beschikbaar gesteld door: R. DekkerBosma, L. Jager-Visser, A. JagerSattler en T. Mulder-Bazuin.

15

Aan het eind van dit verhaal over de ijsbaan wil ik nog even terugkijken en aandacht schenken aan de mensen die veel voor de ijsbaan hebben betekend, maar niet meer onder ons zijn: de eerste voorzitter Max Jager, Jan Buiter die de grond aanbood, Berend Jager die jarenlang secretaris was en Arend Dekker die altijd klaarstond om werk te verrichten. Dan Frits van der Leij die als secretaris bij de laatst aangelegde baan nog zo zijn best heeft gedaan het hele gebeuren goed af te ronden. Ik kan niet iedereen noemen, maar één ding is duidelijk: een ijsbaan is een geweldig sociaal gebeuren, waar een heel dorp achter gaat staan.

IJsbanen bij Hooghalen


Verhalen

Midwinterfeest

Roel Reijntjes (1923-2003)

Het is midwinter. A’k in de nommerdag langs de akkers kuier, dan zie ik de zunne undergaon en het aovendrood kleurt rozig de witte daoken van de ienzaome boerderijen. In de varte zie ik mien olde hoes helder ofstikken tegen de grote denneboom opzied. De blaoderloze iekebomen tekent zuk of tegen de winterlocht. Het is al midwintertied en een enkel maol vlamt het noorderlicht. ‘Veurtekens’ zee vrogger oeze volk. Wij kiekt er nao met een stil ontzag. De luu haalt de kinder even tot bedde oet, um ze het grote natuurwonder te laoten zien. Het zint de dagen tussen sunterklaos en ’t kerstfeest. Ik denk an vergangen sunterklaosaovends. Zie weer mien kindertied. Nog weet ik hoe mien pappe op de aovend, vlak veur het sunterklaosfeest, under oeze grote bossum gunk staon, dan zuk zölm met zien starke narms optrök an de balkens in de grote schöstien. Underwiel roepend naor oes kinder: ‘Help, trek mij lös! Sunterklaos wil mij metnimmen!’ En doe höngen wij vertwiefeld an oes pappe zien benen en het is oes lukt um hum weerumme te trekken. Um hum oet de haanden van Zwarte Piet te kriegen. Nog zie ik de vrouwen, die der een stuver bij mussen verdienen met venten um ok heur kinder een sunterklaosaovend te kunnen geven. Vrouwen die met grote körven en blikken trommen bij oes kwamen. ‘Hobben’, zo heetten die vrouwluu. Later op de aovend kwammen der kwaojongs, de kebulzekop - het mombak - veur en met een old kleed van heur moe an. Een soort sunterklaosmaantel.

Sint-Nicolaas en zijn Pieterbaas halen halsbrekende toeren uit op de daken van de woningen in de Kruisstraat om bij de schoorsteen van de familie Reijntjes te komen.

16


Zie gungen met een zak langs de hoezen um gaoven in te zaameln, naomens Sunterklaos. En overal, waor zie anklopten, daor weur wat geven. En dan bij de middenstaanders, daor waren de sunterklaostaofels. Veur het nog weinig verwende kind van toendertied, een waore sprookiestaofel. Vol met de verrukkeliekste dingen. In toggels gungen de kinder dan in de vrogge aovend umheer um te kieken en te snuien... en de klompies klepperden bij het hardlopen over de flinten. In de bakkerijen weur sjoeld en geweerscheuten um mooie priezen. Um gebak, vleiserij en wild. En nou is mien hoesholdster bezig in mien historische olde keuken, um knieperties en rollegies te bakken. Ik moet met helpen um zie op te tasten en um met een stokkien de rollegies te dreien. Wij broekt het olde familiekniepertiesiezer van mien volk. Met het jaortal 1887. Met inkapte kleine versieringkies. Generaoties hebt er al met bakt in oeze keuken. Ok maken wij nog grotere jaorskoeken. Mien hoesholdster schrif het recept op veur de jonge naobers: LÜs een half pond stroop en een pond suker op in 7 deciliter water, doe der een half ons gemaolen anies bij en wat kaneel, twee pakkies vanillesuker. Laot het water kold worden en doe der dan een half pond roggebloem bij en 400 gram tarwebloem, drie eier en 1 deciliter slaod-eulie. Dit der deur hen reuren, alles deur ’n kander mengen en dan, middels kleine hoeveulheden, an ’t bakken met een groot iezer. Een old familiekniepertiesiezer met het jaortal 1725

Knieperties bakken in de jaren dertig van de vorige eeuw

17

Midwinterfeest


De hiele keuken ruk kruderig en as der iene mislukt, dan bin ik der as de tuten bij um hum op te eten. Een oerold Drents gebroek, dit knieperties en jaorskoeken bakken. En dan zin wij klaor en ik staor deur de roeties hen boeten. KĂśtte, duustere dagen hef December. De grieze uren wisselt al vrog of met de nachten, met bleke mist en maon. De zun is in de vrogge nommerdag al slim lege. Maor de roggeakkers draagt toch al heur greune belofte van een nije zomer en een nije oogst. Op de akkers wordt de leste knollen plukt. Greun en sliekerig zint zie. De plukkers hebt haanden, stief van de kolde. Het is een klein wereldtien. De koolmezen buitelt en kwettert, met kleine geluudties in de bomen. Tegen de aovend komp de dichte dook en legt zien waode over alles. Stil is de wereld in dizze midwintertied. Wachten op dat wat kommen giet. Midwinter, Advent. De geboorte van het Poppien in Bethlehem. En nao het Kindtien, het nije jaor. Bij oeze naobers haalt Geessien wat holt veur de open heerd. Zie zingt: “Hoe zal ik Dei ontvangen?â€? Het klinkt helder op in de winterstilte. Bij heur op de deel klinkt de vertrouwde geluden van de koenen en de roobonte beult zachies. Ik kiek deur de kleine glazen van de keuken en het ende van het jaor is haost tastbaor te vulen.

De winterstilte aan de Schapendrift in Eursing. Een foto van J.L. Thalen.

18


Gemeenteveldwachters

J. Maas

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 9

In dit 9de deel verhaalt Jan Maas over twee van de in totaal zeven gemeenteveldwachters, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Beilen dienden: Nico Viëtor en Bettes Kalteren. Aantal gemeenteveldwachters drastisch uitgebreid Burgemeester mr. dr. H.J. Wytema deed voor de inval van de Duitsers in Nederland verwoede pogingen het aantal gemeenteveldwachters in Beilen uit te breiden. Dat lukte maar gedeeltelijk. Het aantal veldwachters werd van één op twee gebracht, terwijl de magistraat veel meer gemeentepolitie wilde hebben. Hij nam echter wel zijn voorzorgsmaatregelen. Op het moment dat de Duitsers in mei 1940 Nederland binnentrokken, beëdigde de burgemeester onmiddellijk drie tijdelijke gemeenteveldwachters, al maanden eerder gerecruteerd uit inwoners van de gemeente Beilen.

N.G. Viëtor

19

Een tijd vol problemen en onzekerheden De Duitse bezetting van Nederland in mei 1940 leverde voor de politie problemen en onzekerheden op. Hoewel de veranderingen geleidelijk kwamen, werd dat voor de veldwacht op het platteland en de politie in de steden al in het eerste jaar duidelijk. De bezettende macht begon meteen een reeks verordeningen uit te vaardigen. Al deze maatregelen maakten het politiewerk ingewikkeld. Dan was er het gemis aan ruggesteun; de chefs hielden zich op de vlakte en gaven de orders van hogerhand klakkeloos door naar beneden. Iedere politieman moest zelf maar beslissen hoe hij dat allemaal met zijn werk en zijn geweten in overeen-

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 9


stemming moest brengen. Voor de gewone veldwachter en politieagent was dat geen eenvoudige zaak. Opleiding en praktijk hadden hem juist geleerd naar zijn chef te luisteren en opdrachten stipt uit te voeren. Bovendien betekende het weigeren van een dienstorder gedurende de bezettingstijd voor een politieman ontslag, geen inkomen meer voor zijn gezin en tewerkgesteld worden in Duitsland. Maar vaker nog was het gevolg arrestatie en deportatie naar een concentratiekamp. Ook de zeven Beiler gemeenteveldwachters kregen met deze problemen en onzekerheden te maken. In vergelijking met een aantal van hun collega’s van de rijksveldwacht in Beilen -en ten opzichte van wat landelijk gebeurde- brachten zij het er over het algemeen goed van af in de bezettingstijd 1940-1945. Nicolaus Gerhardus Viëtor Nico Viëtor werd begin december 1911 in Assen geboren. Na zijn basisscholing ging hij naar de zeevaartschool. Na zijn afstuderen in 1930 werd hij zeevarende op de grote vaart. Viëtor hoefde niet in militaire dienst wegens broederdienst. Hij kreeg verkering met de in de stad Groningen geboren Lien Schuur. Zij wilde geen zeeman als echtgenoot. De derde stuurman Viëtor solliciteerde daarom naar een baan bij de gemeentepolitie in Den Haag. Viëtor was 22 jaar toen hij daar half juli 1934 adspirant agent van politie werd. Begin mei 1935 werd hij agent van politie in ’s-Gravenhage. Anderhalve maand later trouwde hij. Viëtor deed dienst aan verschillende bureaus en woonde achtereenvolgens aan de Heemskerckstraat, de Gouverneurlaan en de Johan Gramstraat in de hofstad. Hij haalde zijn politiedipoma’s A en B van de gemeente Den Haag en verkreeg de gemeentelijke diploma’s Duits en Engels. Het echtpaar kreeg een dochter die de naam Coby kreeg. Naar Beilen Nico Viëtor voelde zich niet helemaal thuis in het strak hiërarchisch georganiseerde Haagse politiekorps. Elf dagen vóór de gewapende inval van de Duitsers in Nederland op 10 mei 1940 keerde hij terug naar Drenthe. Hij was benoemd tot gemeenteveldwachter in Beilen, met als standplaats Tiendeveen. Eerst woonde het gezin in een zomerhuisje, daarna woonden zij in bij de weduwe Ter Wee en in april 1941 betrokken zij de nieuwgebouwde ambtswoning in Tiendeveen. Begin oktober 1940 had Viëtor vergunning gekregen voor een politiehond. Dat was er de oorzaak van dat hij en zijn vrouw al in 1941 in de illegaliteit terechtkwamen. Tijdens een politiehondencursus in Hoogeveen kwam hij in contact met een vader en zoon van joodse afkomst, die op een gegeven moment vroegen of ze bij hem konden onder-

Van der Mey De auteur Anne de Vries, die tijdens de bezetting in de gemeente Beilen woonde en samenwerkte met verzetsmensen, heeft over de oorlog en bezetting de omnibus ‘Reis door de nacht’ geschreven. Het is duidelijk dat de romanfiguur Van der Mey in deze verhalen de beschrijving is van Nico Viëtor. In het Tijdschrift van de Historische Vereniging Gemeente Beilen (jaargang 9-1997, nr. 2, p. 1-9, heeft G.J. Dijkstra hierover een artikel geschreven.

20


duiken. Dat vonden Nico Viëtor en zijn echtgenote Lien Schuur goed. Direct geconfronteerd met de maatregelen die de Duitse bezetters tegen het joodse bevolkingsdeel nam, begon het echtpaar druk uit te oefenen op de joodse inwoners van de gemeente om maatregelen te nemen om aan deportatie te ontsnappen.

Lien Viëtor-Schuur met haar dochter Coby voor de woning Koorstraat (Julianastraat) 12.

Chef veldwachter Op 1 december 1941 werd het korps gemeenteveldwacht in Beilen uitgebreid en werd de nog jonge Viëtor chef over een vijftal veldwachters. Door zijn verhuizing naar het dorp Beilen moest Viëtor een ander adres vinden voor de twee joodse mannen die bij hem waren ondergedoken. Zo ontwikkelde hij de eerste locale netwerken voor hulp aan slachtoffers van de Duitse bezetting. Zijn activiteiten richtten zich aanvankelijk op het zoeken van schuiladressen, het doen onderduiken van joodse mensen en het zorgen voor voedsel, kleding en veiligheid voor de ondergedokenen. Viëtor woonde in het dorp Beilen eerst aan de Brinkstraat en later aan de Julianastraat. De gemeenteveldwacht werd in maart 1943 opgeheven; er kwam staatspolitie op militaire leest geschoeid. De Beiler groep kwam onder leiding van Hendrik Huizing te staan. Viëtor kreeg de rang van hoofdwachtmeester in de nieuwe organisatie. Omdat er nu politiemensen van de Nationaal Socialistische Beweging in het Beiler korps aanwezig waren, moest Nico Viëtor nog voorzichtiger manoeuvreren dan hij al gewoon was. Maar hij was een meester in het dubbelspel en wekte geen argwaan. Met zijn motorfiets had hij goede mogelijkheden mensen snel en onverdacht als ‘arrestant’ te vervoeren. Hij hielp joden uit het kamp Westerbork te ontsnappen en ook voor geallieerde bemanningsleden, die in vijandelijk gebied terecht waren gekomen, zorgde hij voor vervoer en tijdelijk onderdak wanneer zij op weg waren van het noorden naar het zuiden. Hij steunde ver-

Beilen, Havenstraat 1, het bureau van de gemeentepolitie in 1943.

21

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 9


zetsgroepen elders in de provincie. Zijn zorg voor de ondergedoken joden bleef onverminderd bestaan. Nico Viëtor werd de spil van het verzet in Beilen en omgeving. Ook zijn echtgenote Lina Schuur was zeer betrokken bij het verzetswerk van haar man en verzorgde onder andere koeriersdiensten. Ondergronds Na de liquidatie door het verzet van de leider van het Beiler politiekorps Hendrik Huizing achtte Viëtor het beter om ondergronds te gaan, omdat hem ter ore was gekomen dat hij verdacht werd van betrokkenheid bij deze aanslag. Eind maart 1944 droeg Viëtor de leiding van de verzetsactiviteiten over aan Klaas Westerbeek en de politieman vestigde zich met zijn echtgenote en kind op een schuiladres. Een joodse vrouw uit Amsterdam, die bij het gezin in huis was, werd ijlings elders ondergebracht. Alhoewel er op grote schaal jacht op hem werd gemaakt, bleven hij en zijn vrouw doorgaan met het verzetswerk. Met de grootste moeite lukte het Nico Viëtor en Lien Schuur uit handen van de Duitsers te blijven en de komst van de geallieerde troepen te beleven. Toen de bevrijding van Beilen een feit was op 12 april 1945 waren hij en zijn gezin op tientallen verschillende plekken ondergedoken geweest in Gelderland, Overijssel en Drenthe. De laatste dagen voor de bevrijding coördineerde Viëtor als commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten te Beilen, vanuit

De Oosterstraat in de oorlogsjaren. In de tweede woning vanaf links woonde het gezin Huizing. De aanslag, met dodelijke afloop, vond voor zijn woning plaats.

Aanslag De aanslag op politieman Hendrik Huizing is door G.J. Dijkstra en H.J. Vos uitvoerig beschreven in Tijdschrift van de Historische Vereniging Gemeente Beilen (jaargang 91997, nr. 1, p. 1-9.

Overzicht Nicolaus Gerhardus Viëtor, geboren 2 december 1911 in Assen, was de zoon van de controleur paardenwet Johann Friedrich Viëtor en Hillechien Pranger. Hij ging naar de Lagere School aan de Stegeweg in zijn geboorteplaats. Na zijn basisscholing ging hij naar de zeevaartschool. In 1930 werd hij zeevarende op de grote vaart. Hij was derde stuurman toen hij op 16 juli 1934 adspirant-agent van politie bij de gemeentepolitie in Den Haag werd. Op 1 mei 1935 werd Nico Viëtor agent van politie. Hij trouwde op 19 juni 1935 met, de op 28 maart 1912 in de stad Groningen geboren, Lina Schuur. In Den Haag werd hun dochter Coby geboren. Op 29 april 1940 vroeg en kreeg Viëtor eervol ontslag als politieagent te ’sGravenhage. Hij werd veldwachter in Beilen met als standplaats Tiendeveen. Op 1 december 1941 werd hij chef veldwachter in Beilen en vestigde zich met zijn gezin in een bovenwoning aan de Brinkstraat in Beilen. Later kwam hij aan de Julianastraat te wonen. Bij de opheffing van de gemeentepolitie op 1 maart 1943 werd Nico Viëtor hoofdwachtmeester der Staatspolitie te Beilen onder de commandant Hendrik Huizing en - na diens liquidatie- onder Johannes Wijnja. Viëtor was, samen met zijn echtgenote, al vanaf 1941 betrokken bij de hulp aan Joden. Hij hielp geallieerde piloten en werd de leider van het verzet in Beilen. Op 23 maart 1944, na liquidatie van zijn chef Huizing, dook Viëtor met zijn gezin onder. Hij droeg de leiding van het Beiler verzet over, maar bleef actief in het ondergrondse werk. Op 22 mei 1944 werd hij commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Beilen. Na de bevrijding van Beilen werd hij hoofd van de plaatselijke politie en hoofd van de Politieke Opsporingsdienst Beilen. Later werd hij benoemd tot sub-districthoofd van de Politieke Opsporingsdienst Beilen-Westerbork. Bij de uitvoering van deze laatste taak werd hij, tijdens het transport van gevangenen, door een auto-ongeval in Vries dodelijk gewond op 29 juni 1945. Nicolaus Gerhardus Viëtor was 33 jaar oud geworden.

22


Wijster, de activiteiten voor de overname van het gezag van de Duitsers.

Begrafenis N.G. Viëtor. Voor de kerk vormden militairen een erehaag.

Veldwachter Bettes Kalteren, ongeveer 1941

23

Politieke Opsporingsdienst Na de bevrijding nam Nico Viëtor de leiding van het Beiler politiekorps op zich. Hij nam ogenblikkelijk de opsporing van NSB-landwachters ter hand. Samen met de uit verbanning teruggekeerde burgemeester Wytema voerde Viëtor de zuivering na de oorlog in Beilen uit. Beide mannen waren getekend uit de bezetting te voorschijn gekomen. Beiden hadden veel oorlogsleed in hun naaste omgeving meegemaakt. Hun politieke zuivering was er een van de harde aanpak. Viëtor werd later aangesteld tot sub-districtshoofd van de Politieke Opsporingsdienst Beilen-Westerbork die de rechtszaken voorbereidde tegen mensen die zich hadden misdragen in de bezettingsjaren. Bij de uitvoering van dat werk kwam hij ruim twee maanden na de bevrijding van Drenthe om het leven als gevolg van een autoongeluk in Vries. De verzetsheld Nicolaus Gerhardus Viëtor was maar 33 jaar oud geworden. Hij werd met militaire eer begraven op 4 juli 1945. Lien Schuur kreeg voor haar illegale werk het verzetstrijderskruis. Ook haar overleden echtgenoot werd postuum met dit eremetaal onderscheiden. Bettes Kalteren Bettes Kalteren werd in februari 1914 in het noorden van Friesland, in Blija, geboren. Zijn vader kwam oorspronkelijk uit Dwingeloo en zijn moeder was een Friezin. Bettes bracht zijn eerste levensjaren in Blija door. Zijn ouders verhuisden naar Donkerbroek toen hij vijf jaar oud was. Daar volgde Bettes de lagere school. Zijn vader en moeder ruilden Donkerbroek in voor Appelscha na deze schoolperiode. Bettes volgde enkele klassen ULO, haalde vervolgens zijn diploma handelskennis en warenkennis kruideniersvak. Hij ontwikkelde zich tot een echt natuurmens en zeilde veel. Bettes hoefde niet in militaire dienst. Hij kreeg verkering met Klaaske Hoekstra, die in de gemeente Ferwerderadeel ter wereld was gekomen. Ze trouwden in Ooststellingwerf eind augustus 1936 en direkt na het huwelijk vestigde Bettes zich met zijn Klaaske als kruidenier ‘voor eigen rekening’ in Hijken in de gemeente Beilen. Ze betrokken daar een winkel met huisnummer 93 in wijk C, aan het Oranjekanaal. Precies een jaar na de huwelijksdatum werd een zoon geboren, die ze Hemmo noemden naar zijn grootvader. In juni 1939 werd er nog een zoon geboren: Pieter. Het waren de jaren van economische crisis en ook middenstanders konden zich door de teruglopende bestedingen van hun klanten moeilijk een bestaan verwerven. Bettes zocht

Gemeenteveldwachters in Beilen, deel 9


naar iets anders en ging een schriftelijke opleiding voor het politiediploma volgen. Er was oorlogsdreiging; burgemeester Wytema van Beilen voorzag dat bij het uitbreken van een mogelijke oorlog extra politiemannen in Beilen nodig waren. Op 15 januari van het jaar 1940 stelde hij drie tijdelijke veldwachters aan met de bepaling dat zij in functie zouden treden op de dag dat de oorlogstoestand mocht intreden. De burgemeester van Beilen beĂŤdigde inderdaad op 10 mei 1940, de dag dat de Duitse troepen Nederland binnenvielen, Bettes Kalteren en twee andere tijdelijke gemeenteveldwachters. Veldwachter Kalteren werd in Hijken gestationeerd. Naar Blokzijl De tijdelijke veldwachter benutte zijn pasverworven overheidsfunctie om een vaste baan als politieman te krijgen. Hij solliciteerde enkele maanden later reeds naar een betrekking als veldwachter in de gemeente Wymbritseradeel. Daar werd hij niet aangenomen. Maar in het Overijsselse Blokzijl had hij meer succes en eind 1940 vertrok hij uit Hijken. Hij was maar een half jaar gemeenteveldwachter in de gemeente Beilen geweest. In Blokzijl hield Kalteren het langer vol. Eerst als gemeenteveldwachter en -na de reorganisatie van de politie in maart 1943- als wachtmeester der Staatspolitie. Kort daarop werd er een dochtertje in het gezin geboren. Na de Tweede Wereldoorlog werd Bettes Kalteren wachtmeester der 1e klasse bij de Rijkspolitie. Hij werd uiteindelijk postcommandant in Blokzijl. Het politiebureau was in het gemeentehuis gevestigd en Kalteren gaf leiding aan enkele agenten. Na twintig jaar Blokzijl, kwam Kalteren in 1960 bij de Rijkspolitie in Emmeloord in de Noordoostpolder. Drie jaar later werd het korps in Emmeloord omgevormd tot gemeentepolitie. Als hoofdagent werkte Kalteren daar nog tot 1974. Toen ging hij vervroegd met pensioen. Hij bleef in Emmeloord wonen en overleed, 79 jaar oud, eind juni 1993 in die plaats.

Overzicht Bettes Kalteren werd 11 februari 1914 in Blija, gemeente Ferwerderadeel, geboren als zoon van Hemmo Kalteren en Elisabeth Jensma. De baby- en kleuterjaren bracht hij door in Blija, hij verhuisde in 1919 naar Donkerbroek en in 1926 naar Appelscha. Bettes deed geen dienst als militair. Hij trouwde 28 augustus 1936 in Ooststellingwerf met Klaaske Hoekstra, die op 15 februari 1915 was geboren in Ferwerderadeel. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Hemmo in 1937, Pieter in 1939 en Elisabeth Anneke in 1943. Bettes Kalteren was kruidenier in Hijken van 1936 tot 1940. Op 10 mei 1940 werd hij tijdelijk veldwachter in Beilen. Aan het einde van het jaar 1940 werd hij benoemd tot gemeenteveldwachter in Blokzijl. Na de omvorming tot rijkspolitie bleef hij daar tot 1960 in dienst. Toen werd hij overgeplaatst naar Emmeloord. In 1974 ging hij als hoofdagent van Emmeloords gemeentepolitie met pensioen. Bettes Kalteren overleed te Emmeloord op 27 juni 1993.

Dank De auteur dankt de heer H. Kalteren te Sneek voor foto en informatie over zijn vader. Geraadpleegde bronnen Gemeentearchief Den Haag: Archief gemeentepolitie 432/3203 Drents Archief: Archief Commissaris der Provincie toegangsnummer 0040 3 oktober 1940 nr. 2623 Archief gemeente Midden-Drenthe: PD gemeentearchief Beilen Geraadpleegde literatuur Bert Huizing en Koen Aartsma, De Zwarte Politie 1940-1945, p. 24 G.J. Dijkstra e.a., Gemeente Beilen 1940-1945, deel I, p. 58 tot en met 62, deel III, blz. 101, p.158 tot en met 169, p. 219

24


Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen. - deel 1 Op 30 januari 2008 verschijnt bij de opening van de vernieuwde en uitgebreide Supermarkt C1000 in Beilen het boek Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen. Dit boek wordt door de Historische Vereniging Gemeente Beilen in opdracht van de familie Mulder, eigenaar van supermarkt C1000, samengesteld. Het boek verschijnt in meerkleurendruk en telt 144 bladzijden. De omslag is gebrocheerd en genaaid. Per dorp en per straat wordt met foto's een indruk gegeven van de bebouwing van de vorige eeuw en in veel gevallen van de huidige situatie: het ‘wonen’. Het ‘leven’ wordt weergegeven aan de hand van foto’s van producten die men vroeger bij de kruidenier en nu bij de supermarkt koopt. Het ‘werken’ wordt uitgebeeld aan de hand van verschillende foto’s uit het beroepsleven. Over de inhoud van dit boek wordt op de volgende bladzijde geschreven.

Per post Leden die niet in de voormalige gemeente Beilen wonen, kunnen het boek per post ontvangen. Hun wordt gevraagd voor 15 januari 2008 € 3,00 over te maken op postbankrekening 3090700 t.n.v. Hist. Ver. Gem. Beilen. Het boek wordt vanaf 4 februari 2008 per post verzonden.

Het boek Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen wordt door de familie Mulder, eigenaar van de C1000 supermarkt in Beilen, aan klanten en leden van de Historische Vereniging Gemeente Beilen geschonken. In de de actiekrant van C1000, die omstreeks 28 januari 2008 huis-aan-huis wordt verspreid, valt meer informatie over het boek te lezen. In deze actiekrant komt een bon, die u bij de stand van de Historische Vereniging Gemeente Beilen in supermarkt C1000 tussen 30 januari 2008 en 2 februari 2008 kunt inleveren. U ontvangt dan één exemplaar gratis. Per huisadres, lid van de vereniging en/of klant van C1000 wordt overigens maar één exemplaar gratis verstrekt.

Meer exemplaren per huisadres Per huisadres wordt maar één exemplaar gratis verstrekt. Meer exemplaren van dit boek zijn via voorintekening te bestellen en kosten per exemplaar € 9,90 (exclusief verzendkosten). De boeken komen vooralsnog niet in de losse verkoop.

25

Door vóór 31 december 2007 per te bestellen exemplaar € 9,90 over te maken op postbankrekening 3090700 t.n.v. Hist. Ver. Gem. Beilen o.v.v. Beilen kan men meer exemplaren van het boek verkrijgen. Wil men het boek per post toegezonden krijgen, dan moet nog eens € 3,00 extra per boek worden overgemaakt.

Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen.- deel 1


Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen. - deel 1 Inhoud Het boek opent met foto’s van de ‘grote’ kerk. Daarna worden achtereenvolgens foto’s gepresenteerd van de volgende Beiler straten: Torenlaan, Kerkstraat, Kruisstraat, Bisschopsstraat, De Paltz, Stationslaan, Wilhelminaplein/Schoolstraat, Hekstraat, Molenstraat, Asserstraat, Brinkstraat, De Markt, Esweg, Haven, Havenstraat, Brunstingerstraat, Eursing, Beilen-Oost en Beilen-Noord, Alting, Klatering, Halerbrug, Hooghalen, Laaghalen, Laaghalerveen, Hijken, Oranje, Brunsting, Beilervaart, Terhorst-Smalbroek, Spier, Drijber, Wijster, Holthe, Makkum en Lieving.

Collectie Roelof Boelens (Emmen) Roelof Boelens uit Emmen heeft in de afgelopen jaren nagenoeg alle bladen van Het Noorden in Woord en Beeld verzameld. In dit geïllustreerde weekblad zijn tal van foto’s uit het Beiler verleden te vinden. Voor het samenstellen van het boek heeft de redactie gebruik kunnen maken van zijn verzameling. Er wordt in het boek een groot aantal foto's opgenomen, die nog niet eerder zijn gepubliceerd. Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen. - deel 2 De redactie van het boek heeft in de afgelopen maanden honderden foto’s verzameld. Veel te veel voor publicatie in één boek. Daarom zal in november 2009 bij het 20-jarig jubileum van de vereniging deel 2 verschijnen. Ledenwerfactie De Historische Vereniging Gemeente Beilen houdt tot en met 2 februari 2008 een unieke ledenwerfactie. Aanbrengers van nieuwe leden ontvangen een waardebon ter waarde van € 30,-- die besteed kan worden aan boeken/tijdschriften van de Historische Vereniging Gemeente Beilen. Ook nieuwe leden ontvangen een waardebon ter waarde van € 30,-(zie de bon hieronder).

Bon uitknippen of kopieren

Op deze foto uit 1931 is een Beiler iemker met een huifkar in de Julianastraat afgebeeld.

Ledenwerfactie Als nieuw lid geef ik op:

Bon versturen naar: G. Drenth-Barkhof, Dahliastraat 20, 9411 GP Beilen

naam:

adres:

woonplaats:

postcode:

Het nieuwe lid ontvangt per omgaande een acceptgiro voor de contributie voor 2008 en een waardebon ter waarde van € 30,-- die besteed kan worden aan boeken/tijdschriften van de Historische Vereniging Gemeente Beilen.

Het nieuwe lid is opgegeven door: naam:

adres:

woonplaats:

postcode:

Na betaling van de contributie voor 2008 door het opgegeven lid ontvangt de aanbrenger een waardebon ter waarde26 van € 30,-- die besteed kan worden aan boeken/tijdschriften van de Historische Vereniging Gemeente Beilen.


Gebruiksvoorwerpen (3) De Collectie Brands is te bezoeken vanaf 1 mei tot en met eind oktober op zaterdag en zondag tussen 13.00 en 17.00 uur en volgens afspraak (tel. 0591-312613). Adres: Herenstreek 11, Nieuw-Dordrecht Voor meer informatie zie: www.collectie-brands.nl

In deze rubriek wordt elke keer een oud gebruiksvoorwerp besproken en kunt u raden naar het gebruik van een volgend voorwerp. Oplossing tijdschrift september 2007 Het afgebeelde voorwerp in het septembernummer (zie hiernaast) is een zogenaamde honingraatspoel. Het apparaatje werd gebruikt wanneer men in vroegere jaren zelf een radio bouwde en de zenders moesten worden afgesteld. Gebeurde dit niet goed, dan ging de radio ‘joelen’, een geluid dat in de volksmond de ‘Mexicaanse hond’ werd genoemd. Goede oplossingen Er waren twee goede inzenders: W. Lenstra uit De Hoeve en P. Tienkamp uit Laaghalerveen. Beide personen ontvangen gratis toegangskaarten voor een bezoek aan de Collectie Brands in Nieuw-Dordrecht. W. Lenstra uit De Hoeve schreef het volgende: ‘Het afgebeelde voorwerp is een spoel en wel een zogenaamde honingraatspoel. Zo genoemd naar de manier van wikkelen. Deze spoelen werden gebruikt in antieke radio’s. Deze toestellen hadden drie spoelen waarvan de buitenste beweegbaar waren opgesteld. Voor maximale ontvangst werden deze spoelen bewogen (zijdelings) en daarna vastgezet. Door spoelen te verwisselen kon een ander ontvangstgebied worden gekozen. Ik herinner me ons oude toestel waarmee ik voor de Tweede Wereldoorlog de TT in Assen beluisterde. Heel wat anders dan de tegenwoordige radio’s. Hierbij moest nog een antenne en aardleiding worden gebruikt, en bij gebrek aan elektriciteit was je aangewezen op accu’s en batterijen. Van P. Tienkamp uit Laaghalerveen (Hooghalen) kregen we het volgende antwoord: ‘Volgens mij werd het voorwerp gebruikt voor het instellen van de frequentie in een oude buisradio. De spoel gleed over een staaf waardoor je de radiozenders kon opzoeken. Aan dat mechanisme was een staafje bevestigd dat aangaf welke frequentie werd gebruikt. Ik meen dat het ding oscillator werd genoemd.’ De tekst voor deze rubriek is geschreven door S. Hoek-Beugeling (Emmen)

27

Gebruiksvoorwerpen (3)


Bekend? afmeting: 11x7 cm materiaal: het linker voorwerp is van ijzer, het rechter voorwerp van brons. Halfronde gebogen staaf, scharnierend op een rechte staaf. Beide voorwerpen kunnen worden gesloten. In de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1996 worden deze voorwerpen omschreven als boeien (blz. 106-107). Jans Brands vraagt zich af of dit klopt, omdat deze boeien voor een pols te groot zijn en voor een enkel waarschijnlijk te klein. Dergelijke ‘boeien’ zijn in grote delen van het Romeinse rijk gevonden. Brands meent zeker te weten dat deze ringen dienden voor het sluiten van een plunjezak. Door het oog kan een hangslotje. De oogjes van beide ‘ringen’ zijn aan de onderkant namelijk uitgesleten. Wie bevestigt het vermoeden van Jans Brands? Wie weet het verschil in gebruik tussen deze beide ‘houders’? Lengte beide houders: ongeveer 20 cm. Het linker voorwerp is gemaakt van een uitgeholde koeienhoorn en heeft een koperen sluiting. Het rechter voorwerp is gemaakt van zeemleer en heeft eveneens een koperen sluiting. Beide voorwerpen werden bij de jacht gebruikt. De oplossing over het verschil in gebruik tussen de beide ‘houders’ voor 1 januari 2008 zenden aan mw. J.A. Sikken, Grondselweg 7, 9418 TP Wijster - email: janetta@grondsels.nl. Ook kunt u uw mening over de zogenaamde boeien aan J.A. Sikken doorgeven. Indien er meer goede inzenders zijn wordt door loting bepaald wie twee gratis toegangskaarten krijgt voor een bezoek aan de Collectie Brands in Nieuw-Dordrecht.

Activiteiten Bij de opening van de C1000 supermarkt heeft de Historische Vereniging Gemeente Beilen een stand in de vernieuwde winkel van C1000. In deze stand kan men het boek Beilen. Honderd jaar leven, werken en wonen. - deel 1 ontvangen en andere publicaties van de vereniging kopen. In de stand is op tentoonstellingsborden ‘Honderd jaar Beilen’ uitgebeeld. Tevens kan men bij deze stand lid worden van de vereniging en profiteren van de aanbieding (zie pagina 26). Lezing en ledenvergadering Op 6 februari 2008 wordt in het Wilhelmina Zalencentrum in Beilen de ledenvergadering gehouden. Na afloop vertonen T.L. Kroes en J. Gaasbeek Beiler foto’s van de familie Hazenberg. De ledenvergadering begint om 19.30 uur; de diavoorstelling om 20.00 uur.

28


Herinnering

G.J. Dijkstra

Het groeiende joodse dorp in Drenthe

Begin november 2007 verschenen er in het dagblad Trouw en Het Dagblad van het Noorden bijdragen over het erfgoed van het kamp Westerbork.

De bouw van de kampwoning in 1939.

Momenteel is een voormalige barak van het kamp Westerbork in gebruik als varkensstal bij een landbouwer in Zwiggelte. Voor zover bekend, is het de enig overgebleven barak uit de oorlog. Al enige jaren wordt er binnen de kringen van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork gediscussieerd over de vraag of deze barak moet worden teruggekocht en op het terrein moet worden geplaatst. Een vergelijkbare discussie wordt gevoerd over de woning van de voormalige kampcommandant. Deze staat sinds september 2007 leeg (zie foto achterzijde omslag).

Bij de foto rechts schreef de verslaggever van Het Noorden in Woord en Beeld onder andere: ‘... het veelbesproken vluchtelingenkamp, dat eerst bij Elspeet zou komen, wordt nu gevestigd bij Westerbork, waar het toeristenverkeer en pensiongasten er geen hinder van zullen ondervinden!’ Als eerste werd een gereedschappenloods gebouwd.

29

Het groeiende Joodse dorp in Drenthe


In het verleden is bewust gekozen om de plek van het kamp een symbolische invulling te geven met kunstwerken en accenten in het landschap. Men wilde geen barakken terugbouwen. Maar wellicht is dit standpunt aan herziening toe, aldus directeur Dirk Mulder in het dagblad Trouw van 2 november 2007. In de zomer van 1939 werd besloten om in de nabijheid van Hooghalen op het grondgebied van de gemeente Westerbork een vluchtelingenkamp voor uit Duitsland gevluchte joden te bouwen. In een paar maanden tijd werd het kamp gereed gemaakt. De stichtingskosten van het kamp waren gefinancierd door de joodse gemeenschap in Nederland, daartoe gedwongen door de toenmalige Nederlandse regering. Een journalist van een groot landelijk dagblad schreef op 14 oktober 1939, dat er op ‘een onafzienbaar stuk veld’ ‘een stad in aanbouw’ was. Een verslaggever van Het Noorden in Woord

Deze foto werd geplaatst in Het Noorden in Woord en Beeld van 4 augustus 1939. Het bijschrift luidde: ‘Groote hoeveelheden bouwmaterialen ziet men op de Drentsche hei opgeslagen, alsof er een geheel nieuw dorp moet verrijzen. En zoo is het! Het groote centrale vluchtelingenkamp in de gemeente Westerbork is in wording. Maar even 12 zalen voor nachtverblijf en 24 voor gezinsverband, een kerk, school; ontspanningsgebouw... al deze ‘barakken’ zullen hier verrijzen, zoodat we er t.z.t. wel nader op terug zullen komen. Hier zien we alvast het begin!’

Anno 2007 zijn delen van barakken als monument op het terrein van het voormalig kamp nagebouwd. (Foto T.L. Kroes)

De bouwers van het kamp. Het bijschrift in Het Noorden in Woord en Beeld luidde: ‘Eenigen ervan mogen hier op dit plaatje worden voorgesteld, als de koffie wordt ‘geserveerd’!’

30


Ook bij deze foto werd een positief bijschrift geplaatst: ‘Dit tehuis is reeds in gebruik genomen door de ‘pioniers’. Men ziet, hoe nette gordijnen een huiselijk cachet geven aan alles, wat uiteraard eerst nog kaal is.’

Het Noorden in Woord en Beeld: ‘De kok en zijn helpers vinden hier hun groote keuken, vanwaar het eten bezorgd zal worden naar de verschillende afdeelingen.’

31

en Beeld had het op 3 november 1939 over ‘Het groeiende Joodse dorp in Drenthe’. Hij schreef voor dit geïllustreerde weekblad het volgende: ‘Comfort en huiselijkheid, een gemeenschap van vluchtelingen wordt gevestigd, waar tot nu toe eenzaamheid en ongastvrijheid heerschten. De moderne techniek bouwt in korten tijd een dorp met alles, wat daar in modernen zin, toebehoort. En dat is geen kleinigheid; er staan reeds een 30-tal barakken (die naam is wel wat ál te nederig!), een synagoge, een enorme keuken, ’n ziekeninrichting, bijgebouwen, zalen, scholen, een bioscoop enz. Vóór de vorst invalt, hoopt men in groote lijnen klaar te zijn voor de ontvangst van velen, die van Nederlands asylrecht hopen te profiteeren

Het groeiende Joodse dorpin Drenthe


op Drenthe’s wijde gronden tusschen Hooghalen, Westerbork en Beilen. Meubilair en bedden, een deskundige kok en ambtenaren wachten reeds. Inmiddels zijn er reeds 22 ‘voorwerkers’ ijverig bezig met kampwerk, het opruimen, en ’t inrichten der diverse afdeelingen.’ Toen Het Noorden in Woord en Beeld op 3 november 1939 verscheen, was de eerste groep vluchtelingen al in het kamp geplaatst. Zij waren op 19 oktober 1939 aangekomen. Bij de Duitse inval op 10 mei 1940 bestond het kamp uit 50 woonbarakken. Hierin waren op dat moment 750 joodse vluchtelingen ondergebracht. Zij werden gedwongen in het kamp te blijven. In 1942 waren zij dan ook de eerste bewoners van het ‘Durchgangslager Westerbork’. Door het bouwen van 24 nieuwe barakken, die ieder een driehonderd mensen konden huisvesten, was er medio 1943 plaats voor negenduizend mensen. Deze uitbreiding werd gerealiseerd met de medewerking van een Nederlandse aannemer en bouwvakkers. Voor het vinden van de arbeidskrachten bemiddelde het bijkantoor Beilen van het Gewestelijk Arbeidsbureau Meppel. Van sabotage bij deze werkzaamheden is geen sprake geweest.

De verslaggever van Het Noorden in Woord en Beeld was bijzonder enthousiast over de bouw en de voorzieningen: ‘Overzicht van de nederzetting in de groote ruimte. Autobussen zorgen reeds voor het contact met de naastliggende plaatsen.’

Literatuur G.J. Dijkstra e.a., Gemeente Beilen 1940-1945, deel 2, Beilen 2000, p. 15-16. G.J. Dijkstra e.a., Gemeente Beilen 1940-1945, deel 3, Beilen 2001, p. 44-45. B. Prinsen, ‘Een stad op de heide’, in: Historische Vereniging Gemeente Beilen, 1990, jaargang 2, nr. 2, p. 13-19. Het Noorden in Woord en Beeld, 15e jaargang, no 21, 4 augustus 1939 en no. 34, 3 november 1939. Het Dagblad van het Noorden, 3 november 2007. Trouw, 2 november 2007.

32


beilen-2007-4